|
18 december 2000/nr. AM/RAW/00/84389
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8,
eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. wet: de Wet inschakeling
werkzoekenden;
c. ex-banenpooler: de
werknemer die een arbeidsovereenkomst had
als bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze
regeling luidde vóór 1 januari 1998, en
die nadien onafgebroken een
dienstbetrekking heeft als bedoeld in de wet.
Art. 2.
Algemene Regeling SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 3.
Subsidiebijdrage
bevordering uitstroom ex-banenpoolers
-1. De minister verstrekt op
of omstreeks 1 april 2001 aan de
gemeenten eenmalig een subsidie als
bijdrage voor de bevordering van
uitstroom van ex-banenpoolers uit de wet.
-2. De subsidie bedraagt ƒ500,00 per ex-banenpooler, waarbij wordt uitgegaan van de door de gemeente
verstrekte gegevens in de bijlage,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling informatie Wet inschakeling
werkzoekenden over het eerste halfjaar
2000.
-3. De minister stelt de
subsidie, bedoeld in dit artikel, voor
de gemeente vast op het bedrag
dat is opgenomen in bijlage 1 bij
deze regeling.
Art. 4.
Subsidie
realisatie uitstroom ex-banenpoolers
-1. De minister
verstrekt aan
een gemeente een eenmalige
subsidie van ƒ4000,00 voor elke ex-banenpooler waarvan de dienstbetrekking
met de gemeente in de periode vanaf
1 januari 2001 tot en met 1 januari
2002 eindigt, indien de
ex-banenpooler in aansluiting op en in de
plaats van een dienstbetrekking als bedoeld
in de wet:
a. een arbeidsverhouding
aangaat waarvoor geen subsidie wordt
verstrekt op grond van de wet, de Wet sociale werkvoorziening of
het Besluit in- en doorstroombanen; of
b. werkzaamheden als
zelfstandige gaat verrichten.
-2. De subsidie, bedoeld in
het eerste lid, wordt aan de gemeente verstrekt nadat de ex-banenpooler:
a. een arbeidsverhouding
voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd
van minimaal één jaar is aangegaan; of
b. als zelfstandige
werkzaamheden verricht en vervolgens die
arbeidsverhouding of die werkzaamheden als
zelfstandige ten minste een halfjaar
hebben geduurd en gedurende die
periode door de ex-banenpooler geen
algemene uitkering op grond van de Algemene bijstandswet is
ontvangen.
-3. De subsidie, bedoeld in
het eerste lid, wordt tevens aan de
gemeente verstrekt als de ex-banenpooler nadat zijn dienstbetrekking in de
periode, bedoeld in het eerste lid,
is beëindigd, een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 5, eerste lid,
van de wet
aangaat en de periode waarover voor
die arbeidsovereenkomst door de
minister het basisbedrag, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, van het Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden, aan
burgemeester en wethouders wordt verleend,
is verstreken. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 5.
Subsidieaanvraag
en -betaling
-1. De subsidie, bedoeld in
artikel 4, wordt door burgemeester en
wethouders aangevraagd door opneming
van het subsidiebedrag in de
declaratie, waarvan het model is
vastgesteld in bijlage 2 bij deze regeling,
de tussendeclaratie, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 3 bij deze
regeling, of in de einddeclaratie,
waarvan het model is vastgesteld in
bijlage 4 bij deze regeling.
-2. De declaratie wordt op of
omstreeks 15 december 2001 als
voorschot betaalbaar gesteld indien
deze door de minister is
ontvangen uiterlijk op 1 november 2001. Declaraties die na 1 november 2001 door de
minister worden ontvangen, worden niet betaalbaar gesteld.
-3. De tussendeclaratie wordt
op of omstreeks 15 december 2002
als voorschot betaalbaar gesteld indien
deze door de minister is
ontvangen uiterlijk op 1 november 2002. Tussendeclaraties die na 1
november 2002 door de minister worden
ontvangen, worden niet betaalbaar
gesteld.
-4. De einddeclaratie wordt
op of omstreeks 15 december 2003
als voorschot betaalbaar gesteld indien
deze door de minister is
ontvangen uiterlijk op 1 november 2003. Einddeclaraties die na 31 december 2003
worden ontvangen, worden niet meer betaalbaar gesteld en worden bij de
vaststelling van de subsidie, bedoeld in
artikel 6, buiten beschouwing gelaten.
-5. Een einddeclaratie van
een subsidieaanvraag van ƒ500
000,00 en hoger is voorzien van een
verklaring van een deskundige belast met de in
artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de
juistheid van gegevens. De verklaring is
ingericht overeenkomstig de bij deze
regeling behorende bijlage 5.
-6. De verklaring van de
deskundige is gebaseerd op een controle
die is uitgevoerd overeenkomstig het in
bijlage 6 beschreven controle- en
rapportageprotocol.
-7. Bij de indiening van de
bescheiden, bedoeld in het tweede,
derde, vierde en vijfde lid, maken
burgemeester en wethouders gebruik van de
daarvoor door de minister verstrekte
formulieren, die zijn ingericht
overeenkomstig de in die leden bedoelde modellen en zijn voorzien van een voor
iedere gemeente uniek kenmerk.
Art. 6.
Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van de
artikelen 4 en 5 stelt de minister
de
subsidie vast binnen twaalf maanden na
ontvangst van de einddeclaratie.
-2. Indien een einddeclaratie
niet of niet tijdig is ontvangen en
aan de gemeente op grond van
artikel 5, tweede of derde lid, wel
betalingen zijn gedaan, stelt de
minister de subsidie met inachtneming van de
artikelen 4 en 5, eerste, tweede en
derde lid, ambtshalve vast uiterlijk op
31 december 2004. Voordat tot
ambtshalve vaststelling wordt
overgegaan, kan de minister van
burgemeester en wethouders een verklaring
van een deskundige eisen belast met
de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de
juistheid van gegevens.
-3. De vastgestelde subsidie
kan van de verleende en betaalde
subsidie afwijken indien burgemeester en
wethouders handelen in strijd met deze
regeling.
Art. 7.
Administratie
Burgemeester en wethouders
dragen er zorg voor dat de
administratie voor de uitvoering van deze
regeling zodanig wordt ingericht dat alle van belang zijnde vastleggingen
en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd.
Art. 8.
Toezicht
-1. Met het toezicht op de
naleving van deze regeling zijn
belast de ambtenaren van de Directie Toezicht en van de Accountantsdienst van
het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister
kosteloos alle
inlichtingen
die hij voor het toezicht met
betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie
ter zake van belang zijnde
bescheiden.
Art. 9.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2001 en
vervalt met ingang van 2 juli 2003.
-2. De regeling, zoals die
vóór de datum waarop deze vervalt
geldt, blijft van toepassing op de
financiële afwikkeling van de subsidie
van het Rijk aan gemeenten.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Subsidieregeling bevordering
uitstroom ex-banenpoolers.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De bij deze regelingen
behorende bijlagen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 worden
met ingang van 1 maart 2001 ter
inzage gelegd in de bibliotheek van
het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
's-Gravenhage, 18 december
2000.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[18 december 2000]
Met de inwerkingtreding van
de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) per 1 januari 1998 is het
accent van de Wiw-dienstbetrekkingen
komen te liggen op het ondersteunen van langdurig werklozen op weg naar de
reguliere arbeidsmarkt. De Wiw-dienstbetrekkingen zijn in principe tijdelijk
van aard.
Een deel van de personen met
een Wiw-dienstbetrekking,
voornamelijk personen die afkomstig zijn
uit de vroegere
Rijksbijdrageregeling banenpools, heeft deze dienstbetrekking
al langere tijd. Dit is te
verklaren door het andere karakter van de banenpoolregeling, die per 1998 is opgegaan
in de Wiw. De instroomeisen
van deze regeling waren strenger dan
de eisen van de huidige Wiw (langer
dan drie in plaats van één jaar werkloos),
de banenpoolregeling kende veel meer een additioneel karakter dan de huidige
Wiw-dienstbetrekkingen en de
banenpoolregeling was een eindregeling en kende geen
uitstroomdoelstelling.
Om ervoor te zorgen dat ook
de groep ex-banenpoolers
optimaal de kansen benut die de huidige
conjunctuur biedt, treedt per 1 januari
2001 een subsidieregeling in
werking voor de duur van twee en een half
jaar. Het is nadrukkelijk een
eenmalige regeling speciaal voor de
groep ex-banenpoolers. Deze regeling biedt gemeenten de mogelijkheid om
extra te investeren in de groep
ex-banenpoolers om hun kansen op uitstroom naar niet-gesubsidieerde
arbeid te vergroten. Daarnaast kunnen kosten van het loopbaantraject voor
deze doelgroep ook mede
gefinancierd worden uit het scholings- en
activeringsbudget van de Wiw. Deze
subsidieregeling is gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies. De op die
wet gebaseerde Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing
verklaard (artikel 2).
Gemeenten krijgen in het
jaar 2001 eenmalig een subsidie van ƒ500,- voor iedere ex-banenpooler
als bijdrage voor activiteiten om de
uitstroom uit de Wiw-dienstbetrekkingen te bevorderen. De Minister van
SZW heeft met de VNG [Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, red.] de bestuurlijke afspraak gemaakt dat
gemeenten met ieder ex-banenpooler een
gesprek voeren en een traject aanbieden
gericht op uitstroom uit de Wiw-dienstbetrekking. De VNG zal gemeenten
ondersteunen bij het bevorderen van het realiseren van uitstroom. De
subsidie van ƒ500,- per
ex-banenpooler, blijkend uit statistiek over
het eerste halfjaar 2000 van
Wiw-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen, is voor gemeenten vastgesteld
op het bedrag opgenomen in bijlage
1 bij deze regeling (artikel 3).
Naast de eenmalige bijdrage
van ƒ500,- kunnen gemeenten
een subsidie aanvragen van ƒ4000,- voor iedere ex-banenpooler
die in de periode van 1 januari 2001
tot 2 januari 2002 duurzaam uitstroomt
naar reguliere arbeid (artikel 4,
eerste en tweede lid). Er is gekozen
voor 2 januari omdat
arbeidsovereenkomsten veelal op 31 december aflopen en nieuwe arbeidsovereenkomsten
veelal per 1 januari ingaan. Onder
reguliere arbeid wordt verstaan arbeid
die niet wordt gesubsidieerd op grond
van de Wiw, de Wet sociale
werkvoorziening of het Besluit in- en
doorstroombanen. Ook wanneer een ex-banenpooler werkzaamheden gaat
verrichten als zelfstandige kan de gemeente subsidie aanvragen. Daarnaast kunnen
gemeenten subsidie aanvragen
voor ex-banenpoolers die via een
werkervaringsplaats duurzaam uitstromen naar niet-gesubsidieerde arbeid
(artikel 4, derde lid). Dat wil zeggen
dat de ex-banenpoolers die zijn dienstbetrekking beëindigt, in de
gelegenheid kan worden gesteld eerst maximaal voor
de duur van één jaar
werkzaamheden te verrichten op een Wiw-werkervaringsplaats.
Als gesubsidieerde arbeid
wordt niet beschouwd de arbeid bedoeld
in de Regeling schoonmaakdiensten particulieren. Hoewel de werkgever die deze arbeid laat verrichten in
aanmerking komt voor subsidie, is,
gelet op enerzijds de beperkte reikwijdte
van de markt van schoonmaakdiensten
en anderzijds de tweeledige
doelstelling daarvan, te weten de
verruiming van de markt van
schoonmaakdiensten en de inschakeling daarbij van
met name laag opgeleide werkzoekenden
in het arbeidsproces, voor deze
regeling een uitzondering gemaakt
Voorwaarde voor het
verkrijgen van de subsidie van ƒ4000,- is dat de ex-banenpooler
duurzaam is uitgestroomd. Dit betekent
dat de arbeidsverhouding in principe moet zijn aangegaan voor
onbepaalde tijd. Overigens is daarbij wel
erkend dat het aanstellen van
werknemers voor bepaalde tijd in bepaalde
sectoren gebruikelijk is. Echter de
duur van de arbeidsovereenkomst dient
dan wel ten minste één jaar te bedragen. Deze voorwaarden gelden ook als
een ex-banenpooler via een werkervaringsplaats uitstroomt. Dit betekent dat
na de periode waarover de
werkgever subsidie heeft ontvangen
voor een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van
de wet (werkervaringsplaats) de arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever of
een nieuwe arbeidsovereenkomst
bij een andere werkgever moet zijn
aangegaan voor onbepaalde tijd of
minimaal voor de duur van één jaar.
De gemeente kan het bedrag
van de subsidie pas aanvragen
nadat de ex-banenpooler ten minste een halfjaar is uitgestroomd of ten minste
een halfjaar als zelfstandige heeft gewerkt en daarbij geen algemene
bijstand heeft ontvangen als bedoeld in de
Algemene bijstandswet. Bij uitstroom
via een werkervaringsplaats geldt
dat de gemeente pas het bedrag van
de subsidie kan aanvragen nadat de
ex-banenpooler een halfjaar werkzaam is geweest in een
arbeidsovereenkomst of als zelfstandige na de
periode waarvoor de werkgever
subsidie heeft ontvangen voor een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet
(werkervaringsplaats). Voor het declareren van de subsidie zijn drie aanvraagmomenten
gekozen (artikel 5). Vóór 1 november
2001 kan een declaratie worden
ingediend voor reeds gerealiseerde
uitstroom. Daarnaast kan vóór 1 november 2002 een tussendeclaratie worden
ingediend voor nog niet gedeclareerde gerealiseerde uitstroom. Uiterlijk op 1
november 2003 dient de
einddeclaratie te zijn ontvangen. Er kan
maar eenmaal een declaratie,
tussendeclaratie of einddeclaratie worden
ingediend. Indien een declaratie,
tussendeclaratie of einddeclaratie niet
tijdig is ontvangen, zal op basis van die
aanvraag geen betaling plaatsvinden.
Met nadruk wordt erop gewezen
dat de subsidie wordt vastgesteld
aan de hand van een tijdig
ontvangen declaratie, tussendeclaratie of
einddeclaratie (artikel 6).
Met betrekking tot de
administratie en het toezicht zijn voor
een subsidieregeling gebruikelijke bepalingen opgenomen (artikelen 7 en
8).
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|