|
BESLUIT
van 17 december 1997, houdende regels inzake de uitvoering en
financiering van de Wet inschakeling werkzoekenden (Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
9 oktober 1997 (Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/97/2033), gedaan in
overeenstemming met de Staatssecretaris van
Financiën;
Gelet op de artikelen 5, derde lid,
6, eerste lid, onderdeel a, 7,
tweede lid, 14,
derde lid, 15,
derde lid, 16,
tweede lid, 17,
tweede en derde lid, en 18,
vierde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;
De Raad van State gehoord (advies van 3
december 1997, nr. W12.97.0657);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 1997, nr. AM/RAW/97/2720;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
Art. 1.
Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inschakeling werkzoekenden;
b. basisbedrag: het bedrag, bedoeld in artikel
14, tweede lid, onderdeel
a, van de wet;
c. vast budget: het bedrag, bedoeld in artikel
14, tweede lid, onderdeel
b, van de wet;
d. scholings- en activeringsbudget: het bedrag, bedoeld in artikel
14,
tweede lid, onderdeel c, van de wet;
e. normbedragen: de vaste bedragen die aan de gemeente worden verleend
voor de kosten die samenhangen met het tot stand brengen van
dienstbetrekkingen;
f. werkervaringsplaats: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de wet;
g. subsidiejaar: het jaar (t) waarover de subsidie wordt verleend;
h. arbeidskosten: de kosten van een werkgever die voortvloeien uit het
aangaan van arbeidsovereenkomsten;
i. werknemer: degene die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de
wet;
j. overheidsbijdragen: vergoedingen en bijdragen ten laste van ’s
Rijks kas, financiering uit gemeentelijke middelen, subsidies, dan wel
financiering door toepassing van de socialeverzekeringswetten.
HOOFDSTUK
2
Terbeschikkingstelling
werknemers
Art. 2.
Percentage
werknemers bij inlener
-1. Het aantal werknemers dat aan een
onderneming ter beschikking kan worden gesteld voor het verrichten van
werkzaamheden in die onderneming bedraagt maximaal 10% van het aantal
in die onderneming werkzame personen, met dien verstande dat aan die
onderneming in ieder geval één werknemer ter beschikking kan worden
gesteld.
-2. In afwijking van het percentage,
bedoeld in het eerste lid, bedraagt het aantal werknemers dat ter
beschikking kan worden gesteld aan een onderneming in een sector waarin
de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond
staat en het streven naar winst hetzij geheel ontbreekt, hetzij van
bijkomende betekenis is, dan wel de arbeidskosten nagenoeg geheel
bekostigd worden met overheidsbijdragen, maximaal 20% van het aantal in
die onderneming werkzame personen, met dien verstande dat dit percentage
kan worden overschreden indien de terbeschikkingstelling aan die
onderneming in het belang van vermindering van de afstand tot de
arbeidsmarkt van de werknemer naar het oordeel van de Centrale
organisatie werk en inkomen aangewezen is.
-3. In een collectieve arbeidsovereenkomst, geldend voor andere sectoren
dan bedoeld in het tweede lid, kan worden bepaald dat het percentage,
bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 10%.
-4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het aantal
werknemers
dat ter beschikking is gesteld om arbeid te verrichten die bijdraagt
aan bestrijding van de achterstand op de arbeidsmarkt, de bevordering
van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en aan opvang,
hulpverlening en onderwijs en met gemeentelijke middelen wordt
gefinancierd uit de bijdrage uit ’s Rijks kas op grond van de Tijdelijke
wet stimulering sociale vernieuwing, zoals die wet luidde tot de
datum van inwerkingtreding van de wet, maximaal het aantal werknemers
bedragen dat op de datum van inwerkingtreding van de wet als zodanig
werkzaam was.
HOOFDSTUK
3
Samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
Art. 3. Vervallen.
Art.
4. Vervallen.
Art.
5. Vervallen.
HOOFDSTUK
4
Subsidievoorwaarden
Art. 6.
Loon in
dienstbetrekking
-1. Het loon dat op grond van artikel
15, derde lid, van de wet aan de werknemer wordt betaald om de
dienstbetrekking voor subsidie in aanmerking te laten komen, is het loon
in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-2. Het loon, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan 120% van
het minimumloon en van de
minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel
8 en artikel
15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt naar evenredigheid
verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de
normale arbeidsduur, bedoeld in artikel
12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, die voor de
toepassing van dit artikel 36 uur per week bedraagt.
Art. 7.
Duur
arbeidsovereenkomst op werkervaringsplaatsen
De gemeente verstrekt slechts subsidie aan een werkgever voor een
werkervaringsplaats indien de arbeidsovereenkomst van de werkgever met
de langdurig werkloze of met de jongere wordt aangegaan voor ten minste
zes maanden.
Art. 7a. Vervallen.
Art.
7b. Vervallen.
Art. 8.
Besteding
scholings- en activeringsbudget
Het scholings- en activeringsbudget wordt mede verleend voor
activiteiten die bijdragen tot sociale activering. Deze activiteiten
betreffen voor zover zij betrekking hebben op het verstrekken van
subsidies, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, aan en ten behoeve van de in dat artikel
genoemde personen, hetzij onbeloonde dienstverlenende activiteiten die
kwaliteiten die noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan het
arbeidsproces in stand houden of verhogen, hetzij onbeloonde
activiteiten die anderszins dienstverlenend en maatschappelijk zinvol
zijn.
Art. 8a. Vervallen.
Art.
8b. Vervallen.
Art.
8c. Vervallen.
Art.
8d. Vervallen.
Art.
8e. Vervallen.
HOOFDSTUK
5
Verlening
subsidie
Art. 9.
Verlening
basisbedrag dienstbetrekkingen
-1. Bij ministeriële regeling wordt
de hoogte van het basisbedrag voor een dienstbetrekking per jaar
vastgesteld. [RufW]
-2. Onze Minister verleent het
basisbedrag aan de gemeente voor iedere door de gemeente aangegane
dienstbetrekking. Het basisbedrag wordt verminderd naar rato van de
overeengekomen arbeidsduur voor zover deze minder bedraagt dan 32 uur per
week en afwijking van de arbeidsduur van 32 uur per week gerechtvaardigd
is op grond van bij de werknemer gelegen factoren.
-3. Afwijking van de arbeidsduur van een dienstbetrekking beneden 32 uur
per week is in ieder geval gerechtvaardigd indien voor de werknemer een
kortere arbeidsduur aangewezen is, omdat de werknemer:
a. alleenstaande ouder is en de zorg heeft over één of meer ten zijne
laste komende kinderen, dan wel pleegkinderen, in de leeftijd van 0 tot
en met de leeftijd van het einde van de basisschool;
b. arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
c. buiten het kader van de dienstbetrekking deelneemt aan scholing die
bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeid anders dan op grond
van de wet; of
d. anders dan in de dienstbetrekking arbeid verricht voor meer dan 4 uur
per week.
-4. Afwijking van de arbeidsduur van
een dienstbetrekking is verder in ieder geval gerechtvaardigd indien de
werknemer alleen met een andere arbeidsduur dan 32 uur een zodanig loon
verdient dat hij niet meer is aangewezen op een algemene uitkering op
grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
Art. 10.
Verlening
basisbedrag werkervaringsplaatsen
-1. Bij ministeriële regeling wordt
de hoogte van het basisbedrag voor een werkervaringsplaats vastgesteld. [RufW]
-2. Onze Minister
verleent het
basisbedrag aan de gemeente voor een werkervaringsplaats met een
langdurig werkloze of jongere voor maximaal twaalf maanden en naar rato van
het aantal maanden dat de arbeidsovereenkomst duurt indien de
arbeidsovereenkomst minder dan twaalf maanden duurt.
-3. Onze Minister verleent het basisbedrag aan de gemeente voor een
werkervaringsplaats slechts:
a. indien voor de arbeidskosten
door de werkgever, met uitzondering van subsidie op grond van het Besluit
in- en doorstroombanen, geen andere subsidie wordt ontvangen;
b. indien de langdurig werkloze of jongere op de werkervaringsplaats
geen algemene uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, tenzij met inachtneming van het vierde lid een
aanvullende uitkering op grond van voornoemde wetten gerechtvaardigd is;
en
c. de arbeidsduur ten minste 19 uur bedraagt.
-4. Een aanvullende uitkering als
bedoeld in het derde lid, onderdeel b, is voor een werkervaringsplaats
in ieder geval gerechtvaardigd indien voor de werknemer een kortere
arbeidsduur aangewezen is, omdat de werknemer:
a. alleenstaande ouder is en de zorg heeft over één of meer ten zijne
laste komende kinderen, dan wel pleegkinderen, in de leeftijd van 0 tot
en met de leeftijd van het einde van de basisschool; of
b. arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
Art. 11.
Subsidieplafond
werkervaringsplaatsen
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën,
voor het verstrekken van het basisbedrag voor een werkervaringsplaats
een subsidieplafond vaststellen en voor de wijze van verlening van het
basisbedrag bij vaststelling van een subsidieplafond nadere regels
stellen. [RufW]
Art. 11a. Vervallen.
Art. 12.
Vast budget op
basis van normbedragen
-1. Voor de door de gemeente
te
realiseren dienstbetrekkingen gelden normbedragen. De normbedragen
verschillen naar categorieën jongeren en langdurig werklozen met wie
een dienstbetrekking is aangegaan, naar een werkweek van 32 en 36 uur,
en naar de duur van de werkloosheid.
-2. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld voor de toepassing van het eerste lid en worden de
normbedragen vastgesteld. [RlwW] [RufW]
HOOFDSTUK
6
Verdeling
subsidie
Art. 13.
Verdeling vast
budget
-1. Het beschikbare vast budget wordt
voor 1998 over de gemeenten verdeeld volgens de volgende verdeelsleutel:
a. 1% van het beschikbare vast budget
wordt gelijkelijk over de gemeenten verdeeld;
b. 99% van het beschikbare vast budget, verminderd met de
bedragen die
beschikbaar zijn voor de aanvullende budgetten, bedoeld in het vierde en
vijfde lid, wordt over de gemeenten verdeeld op basis van de door de
gemeente aan Onze Minister verstrekte jaaropgaven Algemene
bijstandswet, Jeugdwerkgarantiewet
en banenpools 1996, die zijn voorzien van een verklaring van een
accountant als bedoeld in artikel
213, tweede lid, van de Gemeentewet, waarbij:
1º. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal
dienstbetrekkingen op grond van de Jeugdwerkgarantiewet,
zoals deze wet luidde tot de datum van inwerkingtreding van de
wet;
2º. 50% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal
arbeidsovereenkomsten met de banenpool op grond van de
Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling luidde tot de
datum van inwerkingtreding van de wet;
3º. 35% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen aan
wie algemene bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet is verleend, volgens code 101 en 102 van de onder de
jaaropgave Algemene
bijstandswet ressorterende declaratie sociale zekerheid, ultimo
1996.
-2. Het vast budget, dat aan de
gemeente wordt verleend voor ieder subsidiejaar (t) volgend op 1998, is
het percentage van het beschikbare vast budget over het subsidiejaar (t), dat gelijk is aan het aandeel van de gemeente in het beschikbare
vast budget van het voorafgaande subsidiejaar (t-1).
-3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald: [RufW]
a. dat een deel van het beschikbare
vast budget wordt verdeeld op basis van de aandelen van de gemeenten in
het beschikbare vast budget over het voorafgaande jaar en dat het
overige deel van het beschikbare vast budget over de gemeenten kan
worden verdeeld op basis van de aantallen dienstbetrekkingen voor
jongeren en personen van 23 jaar of ouder en personen jonger dan 65 jaar
aan wie bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet is verleend;
b. de wijze waarop de voor de verdeling van belang zijnde aantallen
dienstbetrekkingen en verleende uitkeringen worden vastgesteld.
Art. 14.
Verdeling
scholings- en activeringsbudget
-1. Het scholings- en
activeringsbudget wordt voor ieder subsidiejaar (t) over de gemeenten
verdeeld volgens de volgende verdeelsleutel:
a. 2% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt
gelijkelijk over de gemeenten verdeeld;
b. 98% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt over de
gemeenten verdeeld op grond van door de gemeente verstrekte jaaropgaven,
die zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
213, tweede lid, van de Gemeentewet
over het jaar dat ligt drie jaar
voorafgaande aan het subsidiejaar (t-3), waarbij:
1º. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal
dienstbetrekkingen met jongeren;
2º. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal
dienstbetrekkingen met personen van 23 jaar of ouder;
3º. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal
personen
jonger dan 21 jaar aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet is verleend;
4º. 65% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen van
21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar aan wie algemene bijstand op
grond van de Algemene
bijstandswet is verleend.
-2. In aanvulling op het bedrag van het
scholings- en activeringsbudget,
bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister
aan bij ministeriële
regeling te bepalen gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden
een bij die regeling te bepalen extra subsidiebedrag verlenen. [RufW]
-3. In aanvulling op het bedrag van
het scholings- en activeringsbudget, bedoeld in het eerste lid, kan Onze
Minister aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een
bij ministeriële regeling te bepalen subsidiebedrag verlenen. [RufW]
-4. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aantallen,
bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld. [RufW]
Art. 14a.
Besteding
scholings- en activeringsbudget voor persoonsgebonden reïntegratiebudgetten
[Ersa]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
81, onderdeel Bb, van de Invoeringswet wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gemeenten
worden aangewezen
die uit het scholings- en activeringsbudget, bedoeld in artikel
14, in
plaats van de voorzieningen, bedoeld in artikel
3 van de wet, een subsidie kunnen verstrekken aan een
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel
12 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten in de vorm
van een op de arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget.
In deze regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en omvang
van de activiteiten, het maximale bedrag dat uit het scholings- en
activeringsbudget voor dit doel kan worden besteed en de aan het
persoonsgebonden reïntegratiebudget te verbinden verplichtingen. [RufW]
-2. Het zesde lid van artikel
33 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is op deze
ministeriële regeling van toepassing.
HOOFDSTUK
7
Betaling
subsidie
Art. 15.
Betaalbaarstelling subsidie
-1. Het basisbedrag voor de dienstbetrekkingen en de
werkervaringsplaatsen wordt aan de hand van een opgave van het
gemeentebestuur op of omstreeks de vijftiende dag van de eerste maand van het
daaropvolgende kwartaal betaalbaar gesteld.
-2. Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat de opgave, bedoeld in het
eerste lid, door Onze Minister is ontvangen telkens uiterlijk op de
twintigste dag van de tweede maand volgend op het kwartaal waarop die opgave
betrekking heeft.
-3. Voor het in het eerste lid bedoelde basisbedrag wordt op of omstreeks
de vijftiende dag van iedere maand van dat kwartaal een voorschot betaalbaar
gesteld.
-4. Het vast budget en het scholings- en activeringsbudget worden per
maand bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere
maand betaalbaar gesteld.
-5. Bij ministeriële regeling wordt het model van de opgave, bedoeld in
het eerste lid, vastgesteld en worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de verlening, de berekening, de betaling en de
verrekening van de in het derde en vierde lid bedoelde voorschotten. [RufW]
Art. 15a. Vervallen.
Art. 16.
Opschorting
betaalbaarstelling
-1. Indien de opgave, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, artikel 17, eerste lid, dan wel andere bij
ministeriële regeling vastgestelde bescheiden, niet of niet volledig
binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, kan de betaling
van de subsidie door Onze Minister worden opgeschort. [RufW]
-2. Hervatting van de betaling vindt
zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde opgave of andere bescheiden, doch uiterlijk op of omstreeks de
vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin die opgave of die
andere bescheiden zijn ontvangen.
-3. Indien op de twintigste dag van de zesde maand volgende op een
kwartaal geen opgave als bedoeld in artikel 15, eerste lid, over een
kwartaal is ontvangen, dan worden omstreeks de vijftiende van de
daaropvolgende maand de nog niet verrekende maandvoorschotten met
betrekking tot het desbetreffende kalenderkwartaal teruggevorderd.
HOOFDSTUK
8
Vaststelling
subsidie
Art. 17.
Vaststelling van
de subsidie
-1. Onze Minister
stelt de subsidie
aan de gemeente vast binnen één jaar na
ontvangst van het verslag en de daarop betrekking hebbende verklaring,
bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet.
[RufW]
-2. Onze Minister hanteert bij de vaststelling van het vast budget de
normbedragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
-3. Indien op grond van de
wet of dit besluit een arbeidsduur van minder
dan 32 uur gerechtvaardigd is, wordt het normbedrag verminderd naar rato
van de overeengekomen arbeidsduur.
-4. Indien op grond van de wet of dit besluit een arbeidsduur van meer
dan 32 uur gerechtvaardigd is, stelt Onze Minister de subsidie vast op
basis van het normbedrag dat geldt voor 32 uur en het verschil tussen
het normbedrag dat geldt voor 32 uur en het normbedrag dat geldt voor 36
uur, voor iedere door de gemeente aangegane dienstbetrekking naar rato
van het aantal uren dat meer dan 32 uur per week wordt gewerkt.
-5. De vaststelling van de basisbedragen vindt plaats overeenkomstig de
artikelen 9 en 10. Op de basisbedragen worden in mindering gebracht
gelden die door of vanwege de werknemer worden ontvangen op grond van de
Ziektewet, hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of op grond van
een regeling die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt.
-6. Burgemeester en wethouders dragen er
zorg voor dat Onze Minister het verslag en de verklaring, bedoeld in het
eerste lid, uiterlijk op 20 september van het jaar volgend op het jaar
waarop zij betrekking hebben, heeft ontvangen.
-7. Indien het verslag niet is ontvangen
binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft
of niet is voorzien van een daarop betrekking hebbende verklaring, wordt
de subsidie ambtshalve vastgesteld.
Art. 18.
Subsidievaststelling afwijkend van subsidieverlening
-1. Indien de subsidie aan de gemeente
met toepassing van artikel 18 van de wet lager wordt vastgesteld dan de
over enig subsidiejaar verleende subsidie, wordt het verschil
teruggevorderd dan wel verrekend met de beschikbare subsidie over het
lopende subsidiejaar.
-2. Indien het bedrag van het vast budget waarop de gemeente gelet op de
daarvoor geldende normbedragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
aanspraak kan maken voor de gerealiseerde dienstbetrekkingen het bedrag
dat de gemeente feitelijk van dat vast budget daarvoor heeft besteed,
overstijgt, wordt het meerdere door het gemeentebestuur in het daaropvolgende subsidiejaar bestemd in het kader van de
wet of de Wet
sociale werkvoorziening.
-3. Door de gemeente wordt het deel van het verleende vast budget waarop
in enige subsidiejaar geen aanspraak wordt gemaakt, omdat minder
dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd dan op grond van het verleende vast
budget was toegestaan, toegevoegd aan het scholings- en
activeringsbudget van het daaropvolgende subsidiejaar.
-4. Voor zover de gemeente de op grond van
artikel 14, vierde lid,
verleende aanvullende subsidie in een subsidiejaar niet heeft besteed,
wordt het niet-bestede subsidiebedrag teruggevorderd. Bij ministeriële
regeling kan, onder bij die regeling vast te stellen voorwaarden, worden
bepaald dat de niet of niet overeenkomstig artikel 14, vierde lid,
bestede subsidie geheel of gedeeltelijk wordt toegevoegd aan de op grond
van genoemd artikellid verleende aanvullende subsidie van het daaropvolgende subsidiejaar.
[RufW]
-5. Door de gemeente wordt het deel
van het beschikbare scholings- en activeringsbudget dat niet of niet
overeenkomstig de artikelen
3 of 3a van de wet is besteed, toegevoegd aan het
scholings- en
activeringsbudget van het daaropvolgende subsidiejaar.
-6. Voor zover de gemeente in een
subsidiejaar meer scholings- en activeringsbudget heeft besteed dan het
voor dat jaar beschikbare scholings- en activeringsbudget, wordt dat
meerdere ten laste gebracht van het scholings- en activeringsbudget van
het daaropvolgende subsidiejaar.
-7. Bij ministeriële regeling kan de in het derde of vijfde
lid bedoelde
toevoeging, of hetgeen overeenkomstig het zesde lid ten laste wordt
gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daaropvolgende
subsidiejaar, worden beperkt tot een bepaald percentage van het
toegekende vast budget of scholings- en activeringsbudget, een bepaald
bedrag of bepaalde gemeenten. Terugvordering dan wel verrekening van
subsidie die op grond van de eerste volzin niet aan het scholings- en
activeringsbudget van het volgende subsidiejaar wordt toegevoegd, vindt
voorlopig plaats bij de ontvangst van het verslag over de uitvoering,
bedoeld in artikel 17, zesde lid. [RufW]
Art. 18a. Vervallen.
HOOFDSTUK
9
Slotbepalingen
Art. 19. Vervallen.
Art.
20. Vervallen.
Art.
21. Vervallen.
Art.
22. Vervallen.
Art.
23. Vervallen.
Art.
24. Vervallen.
Art. 25.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
inschakeling werkzoekenden in werking treedt.
Art. 26.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering en financiering Wet
inschakeling werkzoekenden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 december
1997
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negenentwintigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[17 december 1997]
Algemeen
1. Inleiding
De Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw) biedt gemeenten
de mogelijkheid een samenhangend instrumentarium te ontwikkelen en in te
zetten voor langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en werkloze jongeren met als doel de
afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, dan wel niet verder te
vergroten. Voor de uitvoering van de
wet stelt het Rijk aan de gemeenten subsidies
beschikbaar, hetgeen is geregeld in hoofdstuk 3 van
de
wet. In
het onderhavige besluit is de bekostigingssystematiek en de wijze van de verdeling
van de beschikbare subsidie over de gemeenten geregeld.
Tevens regelt het besluit de uitvoeringsaspecten met betrekking tot de
limitering van het aantal gedetacheerde Wiw-werknemers in een
onderneming (hoofdstuk 2), de samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en de Wiw-verklaring
(hoofdstuk 3)
¹ en het
loonbegrip (artikel 6). Ten slotte zijn in hoofdstuk 9 (Slotbepalingen) een aantal wijzigingen
opgenomen van andere algemene maatregelen van bestuur,
waarin nog verwezen werd naar de Jeugdwerkgarantiewet of de Rijksbijdrageregeling
banenpools, die met de inwerkingtreding van de wet komen te
vervallen. Daarbij is in het Uitvoeringsbesluit
omzetbelasting 1968 de reeds
bestaande BTW-vrijstelling gecontinueerd. Op de
aanpassing van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 heeft de in de aanhef
van dit besluit genoemde overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën betrekking.
Dit besluit is op onderdelen
nader uitgewerkt in de Regeling uitvoering en financiering Wet
inschakeling werkzoekenden.
1. Ingevolge artikel 81,
onderdeel H, van de Invoeringswet SUWI is de
Wiw-verklaring geschrapt en is het door de CWI
af te geven, niet-appellabele, advies daarvoor in de plaats gekomen, red.
2. Bekostigingssystematiek
De bekostigingssystematiek
van de Wiw bestaat uit drie onderdelen:
1. het basisbedrag per Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats dat gemeenten
bij het Rijk
kunnen declareren;
2. het vaste budget voor
aanvullende kosten voor Wiw-dienstbetrekkingen;
3. het budget voor scholing
en activering.
Basisbedrag
De gemeente
kan voor iedere Wiw-dienstbetrekking die de gemeente is aangegaan met een langdurige
werkloze of jongere bij het Rijk een basisbedrag op jaarbasis
declareren.
Hetzelfde geldt ten aanzien
van de werkervaringsplaats. Het kenmerk van een werkervaringsplaats
is dat een langdurig werkloze of jongere een arbeidsovereenkomst met een
reguliere werkgever aangaat, waarbij de werkgever van de gemeente
een loonkostensubsidie ontvangt. Het basisbedrag dat het Rijk
voor de totstandkoming van een werkervaringsplaats aan de gemeente verleent,
kan volledig worden ingezet als loonkostensubsidie voor de
werkgever, maar ook ten dele worden aangewend voor de financiering van scholing, incentives of arbeidsbemiddeling.
De wet stelt geen nadere voorwaarden aan de hoogte en looptijd van de
loonkostensubsidie die door de gemeente aan de werkgever wordt toegekend.
Het instrument van de werkervaringsplaats biedt de gemeente daardoor
ruime financiële mogelijkheden om langdurig werklozen en
jongeren naar een reguliere baan toe te leiden (incentives, scholing,
loonkostensubsidie).
Voor 1998 is de hoogte van
het basisbedrag op jaarbasis vastgesteld op ƒ17 000,-, hetgeen is
vastgelegd in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden.
Vast budget voor aanvullende
kosten
Het basisbedrag is voor de
gemeente niet in alle gevallen toereikend om een
Wiw-dienstbetrekking
volledig te financieren. Daarom kent de Wiw een vast budget voor
aanvullende kosten. Dit budget moet worden aangewend om het verschil
tussen het basisbedrag en de loonkosten inclusief uitvoeringskosten
te dekken. Bij de vaststelling van het basisbedrag is rekening gehouden met een
inleenvergoeding die wordt verstrekt door de
onderneming waar de Wiw-werknemer is gedetacheerd.
De bepaalde bedragen die de
gemeente uit haar vaste budget kan aanwenden om de aanvullende
kosten van de dienstbetrekkingen te financieren, worden de
normbedragen genoemd. Deze normbedragen op jaarbasis verschillen per
categorie jongeren en voormalig langdurig werklozen en zijn tevens
afhankelijk van de arbeidsduur. In tabel 1 zijn de verschillende normbedragen
voor 1998 weergegeven. Daaruit kan worden afgelezen dat naarmate de
werkloosheidsduur van langdurig werklozen voorafgaand aan de
dienstbetrekking langer is, een hoger normbedrag van toepassing is. Dit
hogere normbedrag is noodzakelijk om de meerkosten van de
dienstbetrekking als gevolg van de te verwachten lagere inleenvergoeding te
financieren. De werkloosheidsduur is een indicator van de afstand tot
de arbeidsmarkt en bepaalt daarmee in belangrijke mate de hoogte
van de inleenvergoeding.
Aan iedere gemeente wordt
een vast budget toegekend, waaraan impliciet een taakstelling
is verbonden. Uitgaande van de genoemde normbedragen per werkloosheidscategorie kan immers worden berekend
hoeveel arbeidsplaatsen er
met het vaste budget kunnen worden gerealiseerd. Heeft een
gemeente minder dienstbetrekkingen gerealiseerd, dan wordt de subsidie naar
rato lager vastgesteld. De gemeenten hebben echter - met
uitzondering van de categorie jongeren - beleidsvrijheid om binnen het beschikbaar
gestelde vaste budget te bepalen welke categorieën langdurig
werklozen een dienstbetrekking wordt aangeboden.
Budget voor scholing en
activering
De Wiw
heeft een apart
budget voor scholing en activering, dat gemeenten
kunnen inzetten
voor de inkoop van arbeidsbemiddeling, scholing, toekennen van
incentives, kinderopvang en sociale activering.
De bekostingssystematiek is
in tabel 1 samengevat. Het basisbedrag en de normbedragen voor 1998
worden geregeld in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden. Het basisbedrag en de
normbedragen worden
jaarlijks aangepast. De loonkostenontwikkeling van het wettelijk
minimumloon en de algemene loonkostenontwikkeling van de gepremieerde en
gesubsidieerde sector/sector overheid, alsmede de prijsontwikkeling, zijn
hierbij relevante factoren. Het beschikbare budget voor scholing en
activering zal jaarlijks worden bijgesteld op grond van de relevante prijsontwikkeling.
Voor scholing en activering
zijn p.m.-bedragen vermeld, omdat hiervoor geen normering geldt. De gemeenten
bepalen immers zelf de omvang van de middelen die voor
scholing en activering voor de verschillende categorieën wordt ingezet.
Tabel 1: subsidie per Wiw-dienstbetrekking onderscheiden naar jongeren en
werkloosheidscategorieën en arbeidsduur, en werkervaringsplaats (1998):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Basisbedrag
|
Normbedrag
uit vast budget |
Scholing
en
activering |
Jongeren tot 23 jaar:
- 32 uur
- 36 uur |
x
ƒ17
000,-xx
ƒ17
000,-xx |
x
ƒ
2 666,-xx
ƒ 5 108,-xx |
x
p.m.xx
p.m.xx |
Jongeren
23 tot 27 jaar:
- 32 uur
- 36 uur
|
x
ƒ17
000,-xx
ƒ17
000,-xx |
x
ƒ 9 121,-xx
ƒ12
573,-xx |
x
p.m.xx
p.m.xx |
| Werklozen 1-2 jaar: |
ƒ17
000,-xx |
ƒ
0,-xx |
p.m.xx |
Werklozen 2-3 jaar:
- 32 uur
- 36 uur |
x
ƒ17
000,-xx
ƒ17
000,-xx |
x
ƒ 5 738,-xx
ƒ
8 807,-xx |
x
p.m.xx
p.m.xx |
Werklozen >3 jaar:
- 32 uur
- 36 uur
|
x
ƒ17
000,-xx
ƒ17
000,-xx |
x
ƒ
7 836,-xx
ƒ11
431,-xx |
x
p.m.xx
p.m.xx |
| Werkervaringsplaats: |
ƒ17
000,-xx |
ƒ
0,-xx |
p.m.xx |
De in tabel 1 genoemde
categorieën zijn op de volgende wijze omschreven:
- jongeren tot 23 jaar:
alle jongeren tot 23 jaar met een Wiw-dienstbetrekking;
- jongeren van 23 tot 27
jaar: jongeren die op het moment van inwerkingtreding van de
wet een JWG-dienstbetrekking hadden en 23 jaar of ouder waren of in 1998 of
1999 de leeftijd van 23 jaar bereiken;
- werklozen 1-2, 2-3,
>3 jaar: personen van 23 jaar of ouder met een Wiw-dienstbetrekking die
voorafgaand aan die dienstbetrekking 1 tot 2, 2 tot 3 dan wel langer dan
drie jaar werkloos waren.
Het verschil in de hoogte
van het normbedrag genoemd in tabel 1 voor jongeren tot 23 jaar en
jongeren van 23 tot 27 jaar heeft de volgende achtergrond. Voor jongeren
onder de 23 jaar gelden minimumjeugdlonen, die lager zijn dan het
wettelijke minimumloon voor personen van 23 jaar of ouder. Daardoor kan de
rijkssubsidie voor de eerste categorie dan ook lager zijn dan die voor de
tweede categorie.
3. Taakstellend karakter van
het vast budget
Het vast budget voor
aanvullende kosten in combinatie met de te declareren basisbedragen
biedt de gemeenten
de middelen om Wiw-dienstbetrekkingen te realiseren.
Het aan de gemeente
toegekende vaste budget voor aanvullende kosten impliceert voor de gemeente
- uitgaande van de normbedragen - een bepaalde taakstelling. Het
vaste budget dient immers door de gemeente te worden aangewend voor de
realisatie van Wiw-dienstbetrekkingen en de daarmee samenhangende
uitvoeringskosten. Het aantal gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen
vermenigvuldigd met het normbedrag per onderscheiden categorie
dient te corresponderen met het ter beschikking gestelde vaste budget. Voor
zover het ter beschikking gestelde vaste budget niet volledig ten behoeve van de realisatie van dienstbetrekkingen
is aangewend, wordt op grond
van artikel 18, eerste lid, van de
wet de subsidie lager vastgesteld.
Met uitzondering van
jongeren heeft de gemeente
hier de mogelijkheid een eigen beleid te
ontwikkelen. Vanwege de "sluitende benadering" dient aan jongeren na een
werkloosheidsperiode van maximaal één jaar een Wiw-dienstbetrekking te
worden aangeboden (tenzij andere voorzieningen meer aangewezen zijn) (artikel
9, tweede lid, van de
wet). Ten aanzien van de overige
categorieën langdurig werklozen staat het de gemeente vrij een eigen
beleid te voeren, mits het aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen per
onderscheiden categorie spoort met het totaal ter beschikking gestelde budget.
De normbedragen zijn
gebaseerd op een aantal vooronderstellingen met betrekking tot de
uitvoeringskosten, de overige kosten en de inleenvergoeding (Kamerstukken II 1996-1997, 25 122, nr. 3, bijlage
2). Afhankelijk van de
efficiency van de uitvoering door de gemeente
kunnen de kosten hoger of lager
uitvallen. Wanneer de gemeente meer kosten maakt dan uitgaande van de
normbedragen noodzakelijk wordt geacht, dan komen deze meerkosten
ten laste van de gemeente. De subsidie die achteraf wordt vastgesteld,
is namelijk nooit hoger dan het vaste budget dat eerder aan de gemeente
is verleend.
De gemeente die er
daarentegen in slaagt - uitgaande van de normbedragen - tegen geringere kosten
Wiw-dienstbetrekkingen te
realiseren - bijvoorbeeld
door een efficiëntere uitvoering of door een hogere inleenvergoeding te
bedingen dan met de normbedragen is verondersteld -, realiseert
op de subsidie, die achteraf wordt vastgesteld, een overschot. Dit surplus
dient in het kader van de
wet dan wel de Wet sociale werkvoorziening te
worden besteed. Voor de besteding van dergelijke overschotten
kunnen op grond van artikel 18, derde lid, nadere regels worden gesteld.
Deze
worden vooralsnog niet overwogen.
4. Hoogte van basisbedrag en
normbedragen in relatie tot de arbeidsduur van de dienstbetrekking
Artikel
15, eerste lid, van de wet
bepaalt dat om voor subsidie in aanmerking te komen de
arbeidsduur 32 uur per week bedraagt, tenzij op grond van bij de werknemer
gelegen factoren een langere of kortere arbeidsduur dan 32 uur
gerechtvaardigd is. In onderhavig besluit is aangegeven in welke gevallen
in ieder geval kan worden gesproken over een gerechtvaardigde
afwijking van de 32-uursnorm.
Een kortere arbeidsduur is
in ieder geval gerechtvaardigd indien dit wenselijk is in verband met
de zorg voor jonge kinderen of vanwege een arbeidshandicap, het volgen van een arbeidsmarktrelevante scholing
buiten de dienstbetrekking
dan wel het verrichten van betaalde arbeid buiten de dienstbetrekking
voor meer dan vier uur per week (artikel 9, derde lid).
Een kortere of langere
arbeidsduur dan 32 uur is tevens gerechtvaardigd indien minder uren
toereikend zijn respectievelijk extra uren noodzakelijk zijn om uit de
uitkering te geraken (artikel 9, vierde lid). Indien meer dan 32 uur nodig
is om uit de uitkering te geraken, kan de arbeidsduur tot maximaal 36
uur per week worden verlengd, waarbij de extra uren volledig door het
Rijk worden gesubsidieerd via het vast budget. Artikel 17, vierde
lid, bepaalt hoe de subsidie wordt vastgesteld. Ook indien bijvoorbeeld 33
uur nodig is om uit de uitkering te geraken, kan een dienstbetrekking van
36 uur worden aangegaan, waarbij alle uren van de dienstbetrekking voor
subsidie in aanmerking komen.
In de overgangsregeling in
de wet
voor banenpooldeelnemers is bepaald dat de arbeidsduur
die met de banenpool was overeengekomen in de Wiw-dienstbetrekking wordt gecontinueerd
(artikel 24, eerste lid). In
de meeste gevallen zal dit
gaan om een arbeidsduur van 36 uur per week. Voor degenen die bij
inwerkingtreding van de wet meer dan 32 uur werkzaam waren op grond van
de Rijksbijdrageregeling banenpools is een afwijking van de 32-uursnorm dan ook gerechtvaardigd, hetgeen betekent dat het extra
aantal uren dat voormalige banenpooldeelnemers meer dan 32 uur per week
werken, door het Rijk wordt gesubsidieerd (met
een maximum van 4 uur per
week). Op grond van de banenpoolregeling is het ook mogelijk om in
verband met persoonlijke omstandigheden minder dan 32 uur per week
te werken. Ook in deze gevallen geldt bij inwerkingtreding van de wet
de met de banenpool overeengekomen arbeidsduur. Ook hier is de
afwijking van de 32-uursnorm in verband met de subsidievaststelling gerechtvaardigd. Overigens is, voor zover
voormalige
banenpoolmedewerkers minder dan 32 uur werkten, een uitbreiding van het aantal
arbeidsuren in de Wiw-dienstbetrekking toegestaan tot een maximum
van 32 uur per week.
Basisbedrag naar rato
De arbeidsduur is van
invloed op de hoogte van het te verlenen basisbedrag. Voor een dienstbetrekking van 32 uur of langer wordt het
volledige basisbedrag
verleend. Is de arbeidsduur korter dan 32 uur per week, dan wordt het
basisbedrag naar rato verminderd (artikel 9, tweede lid). Dus indien
bijvoorbeeld een Wiw-werknemer 16 uur per week op een dienstbetrekking werkzaam
is, dan wordt uitgaande van het basisbedrag uit tabel 1 het
subsidiebedrag van 16/32 x ƒ17 000,- = ƒ8500,- gehanteerd.
Normbedragen naar rato
De arbeidsduur van de
dienstbetrekking is ook van invloed bij de subsidievaststelling aan de
hand van de normbedragen. Ook hier wordt een onderscheid gemaakt
tussen dienstbetrekkingen van 32 uur of korter en langer dan 32 uur.
Voor een dienstbetrekking
van 32 uur geldt het normbedrag van 32 uur voor de desbetreffende
werkloosheidscategorie.
Bij een dienstbetrekking van
minder dan 32 uur wordt dit normbedrag naar rato verminderd (artikel
17, derde lid). Dus indien bijvoorbeeld een Wiw-werknemer, die bij
aanvang van zijn dienstbetrekking 2 tot 3 jaar werkloos was, 16 uur per
week op een dienstbetrekking werkzaam is, dan wordt uitgaande van de
bedragen uit tabel 1 bij de subsidievaststelling het normbedrag van 16/32 x
ƒ5738,- = ƒ2869,- gehanteerd.
Voor een dienstbetrekking
van meer dan 32 uur geldt bij de subsidievaststelling de volgende rekenregel voor
het normbedrag (artikel 17, vierde lid):
berekende normbedrag =
normbedrag voor 32 uur + ((normbedrag voor 36 uur - normbedrag voor 32 uur)
: 4) x aantal arbeidsuren boven de 32 uur.
Dus indien bijvoorbeeld een
Wiw-werknemer, die bij aanvang van zijn dienstbetrekking 2 tot 3
jaar werkloos was, 34 uur per week op een dienstbetrekking werkzaam
is, dan geldt uitgaande van de bedragen uit tabel 1 bij de
subsidievaststelling het volgende normbedrag:
berekende normbedrag = ƒ5738,-
+ ((ƒ8807,- - ƒ5738,-) : 4) x 2 = ƒ7272,50.
De oorzaak voor het verschil
in berekening van de te hanteren normbedragen bij een arbeidsduur van minder en meer dan 32 uur is
gelegen in de
veronderstelling dat de kosten die samenhangen met een dienstbetrekking van meer
dan 32 uur hoger zijn dan wanneer de arbeidsduur korter is. Deze
veronderstelling is gebaseerd op de ervaringsgegevens bij de uitvoering van de
Rijksbijdrageregeling banenpools.
Het basisbedrag en de
normbedragen gelden op jaarbasis. Voor zover een Wiw-werknemer minder dan
twaalf maanden per jaar in dienst is, worden deze bedragen naar
evenredigheid verminderd.
5. Werkervaringsplaats
Artikel 5 van de
wet biedt
de gemeenten de mogelijkheid om een subsidie aan werkgevers te
verstrekken die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten
teneinde werkervaring op te
doen. Dergelijke arbeidsplaatsen worden werkervaringsplaatsen genoemd.
De gemeente
kan bij het Rijk
voor een werkervaringsplaats het basisbedrag declareren. Dit maximale
bedrag is beschikbaar wanneer de arbeidsovereenkomst voor een werkervaringsplaats
twaalf kalendermaanden
in stand is gebleven.
Wanneer de arbeidsovereenkomst korter duurt, wordt het basisbedrag naar
rato verminderd (artikel 10, tweede lid).
Voorwaarde voor
subsidieverstrekking door het Rijk is dat de werknemer gedurende de periode dat het
dienstverband gesubsidieerd wordt geen aanspraak kan maken op een (aanvullende)
Abw, Ioaw- of Ioaz-uitkering
(artikel 10, derde lid,
onderdeel b). Slechts in twee situaties is daarop een uitzondering mogelijk
(artikel 10, vierde lid):
- bij een alleenstaande
ouder met de verzorgende taak voor één of meer ten zijn laste komende
kinderen dan wel pleegkinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met de
leeftijd van het einde van de basisschool;
- bij een persoon met een
arbeidshandicap.
In deze gevallen wordt bij
de subsidievaststelling het volledige basisbedrag toegekend, ongeacht het aantal uren dat betrokkene op een
werkervaringsplaats werkzaam
is.
Het hebben van een uitkering
is geen voorwaarde om voor een werkervaringsplaats in aanmerking te komen. Het instrument is immers
inzetbaar voor alle
langdurig werklozen (en jongeren) die door Arbeidsvoorziening voor gesubsidieerde arbeid
zijn geïndiceerd (Wiw-verklaring).¹ Een langdurig werkloze is
een werkloos werkzoekende die ten minste één jaar bij Arbeidsvoorziening
is ingeschreven. Deze hoeft niet altijd uitkeringsgerechtigd te
zijn. In zo’n geval wordt altijd voldaan aan de voorwaarde dat betrokken
werknemer geen aanspraak kan maken op een aanvullende Abw-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering.
1. Ingevolge artikel 81,
onderdeel H, van de Invoeringswet SUWI is de
Wiw-verklaring geschrapt en is het door de CWI
af te geven, niet-appellabele, advies daarvoor in de plaats gekomen (zie
hoofdstuk 3 van de Wiw), red.
In artikel 10 wordt
uitsluitend de subsidieverstrekking voor een werkervaringsplaats tussen
het Rijk en de gemeente geregeld en niet die tussen de gemeente en de werkgever die op basis van
artikel 5 van
de wet een werkervaringsplaats
realiseert. De enige voorwaarde die onderhavig besluit aan de werkgever
stelt, is dat de arbeidsovereenkomst voor ten minste zes maanden moet zijn
aangegaan (artikel 7). Een periode van zes maanden wordt namelijk
beschouwd als de minimale periode die noodzakelijk is om relevante
werkervaring op te doen en de werkgever een indruk te geven van het
functioneren van betrokkene opdat deze bij gebleken geschiktheid in vaste dienst kan worden genomen.
Een werkervaringsplaats komt
dus alleen voor subsidiëring in aanmerking indien de arbeidsovereenkomst voor ten minste zes maanden
is aangegaan.
Op grond van haar
verantwoordelijkheid voor de eerstelijnsuitvoeringscontrole dient de gemeente vast te
stellen dat de subsidie aan de werkgever rechtmatig
verleend is. De gemeente zal derhalve moeten beoordelen of, en zo ja,
hoelang de belanghebbende daadwerkelijk op de werkervaringsplaats werkzaam
is geweest. Een controle aan de hand van de maandelijkse
loonbetalingen is hiervoor het meest geëigend. Het resultaat van deze
beoordeling en de hierop betrekking hebbende bescheiden dienen op
grond van artikel 19 van de wet in de gemeentelijke administratie opgenomen
te worden. Hetzelfde geldt ten aanzien van het afschrift van de
arbeidsovereenkomst.
Ten aanzien van de
arbeidsovereenkomst wordt voorts opgemerkt dat de gemeente zich ervan
dient te vergewissen dat de overeenkomst zodanig is geformuleerd
dat deze voor ten minste zes maanden wordt aangegaan. Een
arbeidsovereenkomst die binnen zes maanden een tussentijdse
opzegmogelijkheid biedt - al dan niet met een vooraf bepaalde opzegtermijn
- wordt niet als zodanig aangemerkt en komt derhalve niet voor subsidiëring in aanmerking. Dit laat onverlet dat
arbeidsovereenkomsten die
om andere redenen rechtmatig binnen zes maanden worden beëindigd
(in de wettelijke proeftijd, wegens dringende of gewichtige reden of
met een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen) naar
tijdsevenredigheid wel subsidiabel zijn. Uit bescheiden in het dossier
dient in zo’n geval te blijken dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen zes maanden gerechtvaardigd was.
Van een dergelijke gerechtvaardigde beëindiging is ook sprake indien de
werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd om elders voor reguliere arbeid een
arbeidsovereenkomst aan te gaan.
Teneinde te kunnen
vaststellen dat de termijn van ten minste zes maanden is overeengekomen,
kan in de overeenkomst niet worden volstaan met de
vermelding van de datum van beëindiging, maar dient ook de ingangsdatum te
worden vermeld.
De gemeente
heeft bij het
bepalen van de voorwaarden waaronder een loonkostensubsidie aan
een werkgever wordt verstrekt meer beleidsvrijheid dan bij het Tijdelijk
besluit subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden. In afwijking van genoemde regeling gelden bijvoorbeeld geen
eisen met betrekking tot de maximale beloning en geen grenzen voor de
maximale looptijd of de hoogte van de loonkostensubsidie. Het
basisbedrag behoeft immers niet volledig te worden aangewend voor een
loonkostensubsidie, maar kan bijvoorbeeld ook ten dele worden
aangewend voor inkoop van scholing of arbeidsbemiddeling. En dan niet alleen ten
behoeve van de werknemer die op de werkervaringsplaats
werkzaam is, maar ook voor anderen die tot de Wiw-doelgroep behoren.
Op grond van de evaluatie
in voorjaar 1999 van de experimenten met de activering van uitkeringsgelden zal worden bezien of de in dat kader
opgedane ervaringen
aanleiding zijn tot het stellen van nadere regels.
De regeling sluit een
detacheringsconstructie, waarbij de werknemer in dienst treedt van een
werkgever en vervolgens bij derden wordt gedetacheerd, niet uit. Afhankelijk
van
de uitstroomresultaten die hiermee worden geboekt, zal in de
toekomst worden bezien in hoeverre deze constructie wenselijk is.
Het aantal
werkervaringsplaatsen dat een gemeente mag realiseren, is niet begrensd. De
inzet
van het instrument wordt in beginsel bepaald door de omvang van de
doelgroep en de vraag of juist dit instrument de beste doorstroomperspectieven
biedt. Het kabinet gaat ervan uit dat de inspanningen van de
gemeenten vooralsnog het aantal van 12 000 werkervaringsplaatsen per
jaar niet zullen overstijgen en dat dit aantal toereikend is om de
ambities van de gemeenten te honoreren. Indien het aantal
werkervaringsplaatsen de 12 000 benadert, zal worden bezien of een verdeling van dit
aantal over gemeenten tot stand moet worden gebracht of dat een
heroverweging van dit plafond noodzakelijk is. De keuze die hier wordt
gemaakt, zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de resultaten die
gemeenten weten te boeken om betrokkenen definitief uit de uitkering te houden. De keuze van het subsidieplafond heeft als
achtergrond de beheersing
van de rijksuitgaven voor deze vorm van subsidiëring van
arbeidsplaatsen. Daarom dient er overeenstemming met de Minister van
Financiën te zijn over dit plafond.
Artikel 11 biedt de
mogelijkheid om bij ministeriële regeling de begrenzing van het aantal werkervaringsplaatsen nader te regelen. Mocht
hiertoe worden besloten,
dan zal de vormgeving daarvan tijdig in de Staatscourant kenbaar
worden gemaakt, opdat gemeenten voldoende gelegenheid hebben hun
beleid hierop aan te passen.
6. Verdeling vaste budget
voor aanvullende kosten
Artikel 13 regelt de
verdeling van het vaste budget voor aanvullende kosten. Van het macrobedrag dat voor 1998 voor de toekenning van het
vaste budget aan gemeenten beschikbaar is, wordt één procent gelijkelijk verdeeld over alle
gemeenten (artikel 13, eerste lid, onderdeel a). Op deze wijze worden gemeenten
die in voorgaande jaren geen arbeidsplaatsen op grond van de
Jeugdwerkgarantiewet (JWG) of de Rijksbijdrageregeling banenpools hebben
gerealiseerd, toch in staat gesteld een eigen gemeentelijk Werkfonds te
creëren. De overige 99% wordt verdeeld op grond van het aantal JWG-
en banenpoolplaatsen en Abw-gerechtigden. Voor 1998 zullen deze aantallen worden gebaseerd op de aantallen die
door de gemeenten zijn
verantwoord in de jaaropgaven Algemene bijstandswet,
Jeugdwerkgarantiewet en banenpools 1996, voorzien van een
accountantsverklaring.
De genoemde 99% wordt
voor 1998 aan de gemeenten toegekend langs de volgende verdeelsleutel
(artikel 13, eerste lid, onderdeel
b). 15% wordt toegekend aan gemeenten op grond van hun JWG-dienstbetrekkingen
ultimo 1996. Dit percentage komt overeen met de structurele kosten
voor de jongeren die voortvloeien uit de "sluitende benadering".
Vervolgens wordt 50%
verdeeld op basis van het aantal banenpooldeelnemers en 35% op basis van het
aantal Abw-gerechtigden ultimo 1996.
Deze percentages vloeien
voort uit de beleidskeuze dat de herverdeeleffecten ten opzichte van de
realisaties in de voorgaande jaren zo gering mogelijk dienen te zijn.
In de jaren na 1998 wordt
bij de verdeling van het vast budget rekening gehouden met de
financiële verplichtingen van de afzonderlijke gemeenten
voor bestaande
dienstbetrekkingen. In artikel 13, tweede lid, is geregeld dat gemeenten
ieder jaar een gelijk percentage uit het totaal beschikbare vaste budget
zullen ontvangen. In absolute bedragen gerekend betekent dit dat
het vast budget per gemeente naar verwachting jaarlijks zal stijgen in
verband met aanpassingen als gevolg van relevante loonkosten- en prijsontwikkelingen en de geraamde volumegroei van het
aantal Wiw-dienstbetrekkingen voor personen van 23 jaar
of ouder (met uitzondering van het
jaar
2000 waarin een geringe daling in het vast budget is voorzien in
verband met de eenmalige uitstroom van voormalige JWG-ers van 23
jaar of ouder).
Teneinde op termijn het
vast budget te kunnen verdelen op basis van meer objectieve behoefte
van afzonderlijke gemeenten aan Wiw-dienstbetrekkingen,
biedt artikel 13, derde lid, de mogelijkheid om een deel van het vast
budget over de gemeenten te herverdelen op basis van de aantallen Wiw-dienstbetrekkingen en
Abw-uitkeringsgerechtigden. Abw-gerechtigden vormen
immers een belangrijke indicator voor de objectieve behoefte aan
Wiw-dienstbetrekkingen. Het aantal
Wiw-werknemers wordt
meegeteld om te voorkomen dat de overgang van een Abw-uitkering
naar een dienstbetrekking bij de herverdeling van middelen zou leiden tot
een desincentive.
Het deel van het vast
budget dat op deze wijze kan worden herverdeeld, wordt op termijn
vastgelegd in een ministeriële regeling. Vooralsnog bestaat er geen voornemen
om aan deze regeling invulling te geven, omdat het merendeel van
de gemeenten bij inwerkingtreding van de wet extra middelen voor de
realisatie van dienstbetrekkingen zullen ontvangen. De gemeenten
wordt derhalve voldoende ruimte geboden om zonder herverdeling van
het vast budget het aantal dienstbetrekkingen in volume te laten toenemen.
7. Verdeling van het
scholings- en activeringsbudget
Artikel 14 regelt de
verdeling van het scholings- en activeringsbudget. Dit budget krijgen gemeenten
toegekend voor activiteiten ten behoeve
van scholing en voor
stimuli tot het aanvaarden van arbeid. De bestedingsvrijheid voor
de gemeenten met betrekking tot scholing en activering is groot. De
enige restrictie is dat het budget exclusief wordt aangewend voor scholing
en activering ten behoeve van personen die behoren tot de Wiw-doelgroep. Het is uitdrukkelijk niet toegestaan de
middelen in te zetten
voor arbeidskosten voor Wiw-dienstbetrekkingen. In de jaarverantwoording
dienen de kosten ten laste van dit budget dan ook expliciet zichtbaar te
worden gemaakt.
Van het macrobudget dat
voor scholing en activering beschikbaar is, wordt 2% van het totaal
beschikbare budget gelijkelijk over alle gemeenten
verdeeld. De
overige 98% is zodanig verdeeld dat de herverdeeleffecten
minimaal zijn.
Omdat scholing en
activering in het bijzonder dient ter bevordering van de uitstroom uit de
uitkering, wordt de genoemde 98% voor 75% verdeeld op basis van het aantal
Abw-gerechtigden (10% naar rato van het aantal jonger dan 21 jaar en 65%
naar rato van het aantal van 21 tot 65 jaar). Daarnaast wegen de
aantallen Wiw-dienstbetrekkingen voor jongeren en voor personen van 23 jaar
of ouder mee voor respectievelijk 10 en 15%. Deze aantallen
zullen worden vastgesteld nadat de jaaropgaven met de daarbij behorende
accountantsverklaring van de gemeente zijn ontvangen.
Bij de toekenning van de
subsidie voor de jaren 1998, 1999 en 2000 is het aantal Wiw-dienstbetrekkingen niet bekend.
Artikel 14, derde lid,
bevat daarom een
afwijkende bepaling voor deze jaren. Voor het subsidiejaar 1998 zal in
plaats van het aantal Wiw-dienstbetrekkingen worden uitgegaan van de
aantallen JWG-ers, jongeren met een voorbereidingsovereenkomst
en banenpooldeelnemers die door de gemeenten
zijn verantwoord in de jaaropgaven Algemene
bijstandswet,
Jeugdwerkgarantiewet en banenpools 1996, voorzien van een accountantsverklaring.
Voor de subsidiejaren 1999 en 2000 zal worden uitgegaan van de
aantallen blijkens de door de gemeente verstrekte jaaropgaven over 1996,
respectievelijk 1997.
Door in de verdeelsleutel
van het scholings- en activeringsbudget een zwaar gewicht toe te
kennen aan het aantal Abw-gerechtigden ontstaat een vergelijkbare
desincentive voor gemeenten als bij de verdeling van Abw-middelen via het
gemeentefonds. Immers gemeenten die verhoudingsgewijs een grote uitstroom uit
de Abw weten te realiseren, ontvangen in het daaropvolgende jaar een geringer budget voor scholing en activering. Momenteel
wordt onderzoek verricht naar een objectief verdeelmodel van de bijstandsmiddelen via het
gemeentefonds met het
oogmerk deze desincentive
te beperken. De onderzoeksbevindingen kunnen aanleiding geven
tot aanpassing van de verdeelsystematiek van de middelen voor het
scholings- en activeringsbudget.
In de
memorie van
toelichting (Kamerstukken II 1996-1997, 25 122, nr. 3,
blz. 27) is aangegeven dat de
bestaande Regeling kinderopvang en buitenschoolse
opvang alleenstaande ouders zal
worden geïncorporeerd in de wet, waarbij de beschikbare
middelen uitsluitend mogen worden aangewend ten behoeve van
alleenstaande ouders met jonge kinderen. Artikel 14, eerste lid, van
onderhavig besluit biedt de mogelijkheid dit in een ministeriële regeling
nader vorm te geven. Het kabinet heeft besloten vooralsnog de bestaande
regeling te continueren in afwachting van de evaluatie die begin 1998
wordt verwacht.
8. Correcties ten
opzichte van het fictieve budget 1997
Een deel van de middelen
waarmee het Werkfonds wordt gevoed, is afkomstig uit het Fonds
sociale vernieuwing (FSV) dat per 1 januari 1998 zal worden opgeheven. In
de toelichting bij de wet is het voornemen uitgesproken om
ongewenste herverdeeleffecten ten opzichte van de toedeling uit het Fonds
sociale vernieuwing in de verdeling van middelen uit het Werkfonds te
corrigeren (Kamerstukken II 1996-1997, 25 122 nr. 3,
blz. 58). Om aan dit voornemen
gevolg te kunnen geven, is voor 1997 een fictief budget geconstrueerd aan de hand van de
SZW-bijdragen aan het
FSV bij de totstandkoming van het fonds.
Het berekende fictieve
vaste budget voor aanvullende kosten voor 1997 omvat:
- de startsubsidies
voor de banenpool en de JWG-uitvoeringskosten in het FSV, waarbij 5% van
de startsubsidie is toegerekend aan het budget voor scholing en
activering, omdat de startsubsidie banenpools in het FSV niet alleen voor
uitvoeringskosten, maar ook voor scholing wordt aangewend;
- de RBA-bijdrage [RBA: Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, red.] voor
de banenpools uit de CBA-begroting 1997 [CBA: Centraal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, red.];
- de banenpoolmiddelen
afkomstig van de SZW-begroting 1997 verminderd met het totaal
aan bijbehorende basisbedragen.
Het fictieve vaste budget
per gemeente is vervolgens berekend door de bedragen die in 1997 in
het FSV voor de uitvoering van de JWG en banenpoolregeling zijn
opgenomen op basis van de FSV-verdeelmaatstaven te
verdelen. De middelen uit de CBA-begroting en de SZW-begroting zijn
over de gemeenten verdeeld op basis van hun banenpoolrealisaties
ultimo 1996.
Het berekende fictieve
budget voor scholing en activering voor 1997 omvat:
- de bedragen ex
artikel 36 WWV [Wet
Werkloosheidsvoorziening, red.] en de ABW-incentive
[Algemene Bijstandswet (oud), red.] uit het FSV;
- de bovengenoemde 5%
uit de banenpoolstartsubsidies in het FSV;
- 5% van de
JWG-middelen uit de SZW-begroting 1997, omdat het bijbehorende bedrag dient
ter dekking van de scholingskosten voor jongeren.
Het fictieve scholings-
en activeringsbudget per gemeente is vervolgens berekend door de genoemde
bedragen uit het FSV te verdelen volgens de verdeelmaatstaven van dit fonds en de JWG-scholingsmiddelen te
verdelen op basis van de
JWG-realisaties ultimo 1996.
De berekende fictieve
budgetten voor 1997 zijn vervolgens geconfronteerd met de budgetten die voor
1998 kunnen worden berekend op grond van de Wiw-verdeelmaatstaven. Ondanks dat
Wiw-verdeelmaatstaven
zodanig gekozen zijn dat
de herverdeeleffecten zijn geminimaliseerd, treedt bij een aantal gemeenten
toch een negatief herverdeeleffect op. Overigens zijn deze
effecten gering, namelijk in totaal circa ƒ7 miljoen voor het vaste budget
voor aanvullende kosten en circa ƒ1,5 miljoen voor het scholings- en
activeringsbudget.
Een negatief
herverdeeleffect voor een gemeente is een gevolg van een relatief hoge bijdrage
uit het FSV vergeleken met de realisaties die de desbetreffende gemeente
heeft geleverd ten aanzien van gesubsidieerde arbeid. Voor deze
gemeenten is deze achteruitgang ongedaan gemaakt door deze voor 1998 het
vaste budget op het niveau van het fictief budget 1997 te verlenen. De
circa ƒ7 miljoen die hiervoor nodig is, is in mindering gebracht op de gemeenten
die in een voordeelpositie verkeerden ten opzichte van het fictief
budget 1997. Op deze wijze ontvangt in 1998 iedere gemeente ten minste het
fictieve budget dat voor 1997 is berekend.
Voor het budget voor
scholing en activering wordt voor 1998 en 1999 dezelfde benadering
gevolgd.
Artikel 1, onderdeel
b, van
de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing (en daarnaar verwezen in
artikel 2 van die wet) noemt de terreinen waarop de FSV-middelen kunnen ingezet, te weten arbeid, scholing en inkomen,
woon- en leefomgeving,
opvang en hulpverlening, en onderwijs.
De genoemde ƒ5 miljoen
voor het vast budget en de ƒ2 miljoen voor het scholings- en activeringsbudget die onder de
gemeenten worden
herverdeeld, zullen naar
verwachting bij inwerkingtreding van de wet niet ten behoeve van arbeid
worden aangewend, maar voor de andere FSV-terreinen. Teneinde
de betreffende gemeenten in staat te stellen deze middelen geleidelijk in
te zetten voor Wiw-doelstellingen, is in artikel 19 van onderhavig besluit
een overgangsregeling opgenomen met een periode van twee jaar waarbinnen gemeenten een nader te bepalen
bedrag mogen aanwenden
aan de andere FSV-terreinen dan arbeid. De betrokken gemeenten
ontvangen bij de budgettoekenning een mededeling van het bedrag
dat zij gedurende maximaal twee jaar aan de andere FSV-terreinen dan
arbeid mogen besteden. Daarbij gaat het met name om de volgende terreinen (artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit
stimulering sociale
vernieuwing):
- kwaliteit van de
dagelijkse leefomgeving;
-
criminaliteitspreventie;
- bestrijding van
onderwijsachterstanden;
- bevordering van
zelfstandig wonen van ouderen, alsmede het afstemmen van het huisvestingsbeleid voor ouderen op de
zorgvoorzieningen voor
ouderen;
- sociale werkvoorziening;
- structurele
verbetering van de maatschappelijke participatie en integratie van minderheden op lokaal niveau;
- bestrijding van
misbruik en oneigenlijk gebruik in de sociale zekerheid;
- verlenen van
bijzondere bijstand en gemeentelijk minimabeleid;
- bieden van opvang aan
kinderen van 0 tot 12 jaar in verband met afwezigheid van de ouders
wegens werk of studie, alsmede peuterspeelzaalwerk;
- bieden van
begeleiding en hulpverlening al dan niet tezamen met onderdak in voor
een ieder die in Nederland woont toegankelijke opvangcentra en tehuizen
aan personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met
problemen van psychosociale of maatschappelijk aard;
- ambulante
hulpverlening gericht op verslavingsproblemen en de preventie daarvan;
- organisatie en
uitvoering van Het Alternatief (HALT-afdoeningen);
- sociale pensions.
Een tweede correctie die
op de verdeling voor 1998 is toegepast, heeft betrekking op het
volgende. Uitgaande van de aantallen JWG-ers en banenpooldeelnemers per
ultimo 1996 is per gemeente onderzocht of het voor 1998 berekende
budget toereikend zou zijn. Daarbij is gebleken dat een aantal gemeenten met
verhoudingsgewijs een groot aantal JWG-ers van 23 jaar of ouder een
te gering vast budget zou worden toegekend. Gemeenten die volgens de
meest recente gegevens (tweede kwartaaldeclaratie sociale zekerheid 1997)
vanwege dit effect een te gering vast budget zouden ontvangen,
wordt een hoger vast budget toegekend.
De circa ƒ10 miljoen die
voor deze correctie nodig is, is in mindering gebracht op het budget
van de gemeenten die in vergelijking met het fictief budget 1997 extra
middelen worden toegekend.
Door het ontbreken van
actuele beleidsinformatie op gemeentelijk niveau bestaat geen volledige zekerheid over de vraag of voor alle
gemeenten het vaste
budget toereikend zal zijn om de bij inwerkingtreding van de
wet bestaande
dienstbetrekkingen volledig te financieren. Bijvoorbeeld een gemeente
die in 1997 extra veel banenpooldeelnemers in dienst heeft genomen,
zou kunnen worden geconfronteerd met een te gering budget omdat het
aantal banenpooldeelnemers ultimo 1996 bepalend is voor de
hoogte van het vast budget. Hetzelfde geldt voor gemeenten waar in 1998 of
1999 verhoudingsgewijs veel jongeren van 23 jaar of ouder op een
dienstbetrekking werkzaam zijn.
Artikel 13, vijfde lid,
biedt de minister de mogelijkheid deze gemeenten op verzoek een hoger vast
budget te verlenen indien het vast budget ontoereikend is. De
procedure en voorwaarden voor verlening van een hoger vast budget zijn
geregeld in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden.
9. Limitering van het
aantal Wiw-werknemers in een onderneming
Artikel
2, eerste lid,
bepaalt dat het aantal werknemers dat voor het verrichten van werkzaamheden in die onderneming beschikbaar kan
worden gesteld maximaal
10% bedraagt. Dat wil zeggen dat één detacheringsplaats is
toegestaan op elke tien personen die in die onderneming werkzaam
zijn, met dien verstande dat bij een onderneming waar minder dan tien
personen werkzaam zijn één detacheringsplaats is toegestaan.
Artikel
2, derde lid,
bepaalt dat het de bevoegdheid van de sociale partners is om in een collectieve arbeidsovereenkomst binnen de
betreffende sector een
hoger percentage detacheringen overeen te komen. Indien sociale
partners van oordeel zijn dat dit wenselijk is, bijvoorbeeld vanwege
mogelijke tekorten aan laaggeclassificeerde arbeid in de nabije toekomst,
dan hebben zij de mogelijkheid bij CAO een hoger percentage detacheringsplaatsen af te spreken. Op deze wijze wordt
tevens recht gedaan aan
de verantwoordelijkheid van de sociale partners op het terrein van de
werkgelegenheid.
Artikel
2, tweede lid,
bepaalt dat in de collectieve en non-profitsector wordt uitgegaan van een
maximum van 20% detacheringsplaatsen per onderneming. Een
onderneming wordt gerekend tot de collectieve en non-profitsector indien
bij die onderneming de behartiging van een algemeen maatschappelijk
belang op de voorgrond staat en het streven naar winst hetzij geheel
ontbreekt, hetzij van bijkomstige betekenis is, dan wel de arbeidskosten
nagenoeg geheel worden bekostigd met overheidsbijdragen.
Het kan voorkomen dat
het vervullen van een bepaalde detacheringsplaats voor de werknemer de
enige aangewezen mogelijkheid is om daadwerkelijk
arbeidservaring op te doen. Het kan dan een belemmering zijn als die persoon dan
niet bij zo’n onderneming kan worden geplaatst omdat het
maximumpercentage reeds overschreden is, terwijl de activiteiten die in die
non-profitinstelling worden verricht voor die persoon juist aangewezen
zijn. In artikel 2, tweede lid, wordt toegestaan in dat geval van het percentage van 20% af te
wijken wanneer ook de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
van mening is dat alleen dergelijke activiteiten aangewezen
zijn om de afstand tot de arbeidsmarkt te verminderen. Gelet op de
afstand tot de arbeidsmarkt van die persoon zal niet gauw sprake zijn van
verdringing (de achtergrond van dit percentage). Ook om die reden ligt het
voor de hand dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij die beoordeling
betrokken is. Er geldt in deze situatie geen nadere beperking aan het percentage
Wiw-werknemers, zodat binnen
zo’n onderneming ook op
projectbasis Wiw-werknemers kunnen worden gedetacheerd, waarbij de
werkzaamheden zijn toegesneden op werknemers met een
bijzonder grote afstand tot de arbeidsmarkt.
De ruimere opstelling
voor de collectieve en non-profitsector is noodzakelijk, omdat de maximering van het aantal dienstbetrekkingen tot
10% per onderneming tot
een forse beperking van de plaatsingsmogelijkheden ten opzichte van de
Rijksbijdrageregeling banenpools leidt, vooral daar waar ook jongeren
ingevolge de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) waren geplaatst. In de
Rijksbijdrageregeling banenpools was immers geen beperking opgenomen
ten aanzien van het aantal plaatsen bij een inlener. Talrijke gemeenten
hebben dan ook een groot aantal banenpooldeelnemers
geplaatst bij één of enkele rechtspersonen binnen de collectieve of non-profitsector. Weliswaar is in de wet een overgangsbepaling
opgenomen waarin is
bepaald dat voor de werknemers die op het moment van
inwerkingtreding van deze wet ter beschikking waren gesteld aan een inlener ingevolge
de banenpoolregeling of de JWG, deze inleenplaats krachtens deze wet gewoon kunnen voortzetten, maar deze
bepaling dient
uitsluitend ter bescherming van de bestaande positie van betrokken werknemers. Een
nieuwe plaatsing is alleen mogelijk onder de condities van deze wet,
zodat plaatsingen boven de toegestane norm niet meer mogelijk zijn. De
ruimere plaatsingsmogelijkheden in de collectieve en non-profitsector bieden
de gemeenten, tezamen met de overgangsbepalingen in de wet, in algemene
zin echter voldoende ruimte om detacheringsplaatsen voor Wiw-werknemers te verwerven.
Bijzondere aandacht
behoeven projecten die zijn opgezet in het kader van de sociale
vernieuwing waarin (vrijwel) uitsluitend banenpooldeelnemers
werkzaam zijn. Artikel 2, vierde lid, bepaalt ten aanzien van projecten waarin
inspanningen worden verricht om de achterstand op de arbeidsmarkt te
bestrijden, om de kwaliteit van de woon- en leefomgeving te bevorderen en bij te
dragen aan opvang, hulpverlening en onderwijs, voor zover die werden
gefinancierd uit de gemeentelijke socialevernieuwingsgelden, dat het maximum aantal plaatsingen wordt
gelijkgesteld aan het
aantal plaatsingen bij die onderneming op het moment van
inwerkingtreding van deze wet. Met deze specifieke bepaling ten aanzien van
socialevernieuwingsprojecten wordt bewerkstelligd dat deze projecten
ongewijzigd kunnen worden voortgezet.
Op grond van
de wet is
het niet langer mogelijk om nieuwe dienstbetrekkingen te realiseren bij
rechtspersonen die niet als onderneming kunnen worden aangemerkt, zoals bijvoorbeeld kleine sportverenigingen
of culturele stichtingen
die geen personen in dienst hebben. Plaatsingen bij deze instellingen
waren op grond van de Rijksbijdrageregeling banenpools wel mogelijk.
Omdat het hier om kleinschalige projecten gaat die in veel gevallen zijn
gerealiseerd ten behoeve van individuele personen, is ervan
afgezien om voor deze situatie een specifieke overgangsmaatregel te treffen. De betrokken werknemers behouden
immers ingevolge deze wet
hun (voormalige) banenpoolplaats. Daarbij komt dat de gemeente
ingevolge de wet voldoende mogelijkheden heeft om deze
detacheringsplaatsen zodanig vorm te geven dat deze voldoen aan de wettelijke
criteria.
Volledigheidshalve wordt
er nog op gewezen dat in de wet zelf (artikel
10, tweede lid) is bepaald dat jongeren die werknemer zijn in de zin van
deze wet, maar zijn
geïndiceerd voor arbeid onder aangepaste omstandigheden ingevolge de Wet sociale
werkvoorziening, voor de vaststelling van het percentage werknemers
ingevolge deze wet niet behoeven te worden meegerekend.
10. Samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de Wiw-verklaring
De artikelen
3, 4 en 5
hebben betrekking op de samenwerking bij het verstrekken van de verklaring van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie over
de afstand tot de
arbeidsmarkt (de Wiw-verklaring).¹ De verklaring kan worden aangevraagd op
verzoek van de gemeente die overweegt een Wiw-dienstbetrekking of
werkervaringsplaats aan te bieden of de uitvoeringsinstelling die
een socialeverzekeringsuitkering verleent.
De benodigde gegevens
voor de verklaring kunnen worden ontleend aan de registratie van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de fase-indeling (de
registratie, bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel b, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 [zie artikel 25 van de Wet
SUWI, red.]). Alleen personen die zijn geïndiceerd voor fase 3 en 4 komen in
aanmerking voor een Wiw-dienstbetrekking of
werkervaringsplaats indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft vastgesteld dat deze voorzieningen
voor betrokkenen de meest
of de enige aangewezen voorziening is (artikel
12, tweede lid, van de
wet). Een Wiw-verklaring kan niet eerder worden verstrekt dan nadat
- door
middel van een kwalificerende intake - is vastgesteld welke
mogelijkheden er zijn tot vermindering van de afstand tot de arbeidsmarkt
(artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de
wet).
Afhankelijk van de vorm
van samenwerking die in een regio bestaat, kan ervoor worden gekozen dat het verlenen van de verklaring wordt
gemandateerd aan een persoon die niet werkzaam is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Dit doet aan de verantwoordelijkheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de Wiw-verklaring niets af.
1. Ingevolge artikel 81,
onderdeel H, van de Invoeringswet SUWI is de
Wiw-verklaring geschrapt en is het door de CWI
af te geven, niet-appellabele, advies daarvoor in de plaats gekomen (zie
hoofdstuk 3 van de Wiw), red.
Artikel 4 regelt de
termijnen die in acht moeten worden genomen om de verschillende procedures
rond het verstrekken van de Wiw-voorzieningen op elkaar af te stemmen. Dit geldt in het bijzonder voor de toepassing van
artikel 13 van de wet,
namelijk voor het aangaan van een nieuwe (verlengde) Wiw-dienstbetrekking uitsluitend wanneer de belanghebbende daarop gelet op zijn
afstand tot de arbeidsmarkt nog is aangewezen. Uitgegaan wordt van de in
de Algemene wet bestuursrecht opgenomen redelijke beslistermijn van binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag. Dit
geldt zowel voor de indicatie- als de herindicatiebeslissing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Artikel 5 betreft het
afstemmen van de procedures indien tegen het besluit over de Wiw-verklaring bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt
ingesteld. Omdat het verstrekken van de voorzieningen van de Wiw-verklaringen
afhankelijk is, moet het betrokken gemeentebestuur daarvan in ieder geval op
de hoogte zijn. Het verloop van de bezwaar- en beroepsprocedure is
verder geregeld in de Algemene wet bestuursrecht.
Ook is geregeld dat een
dergelijk bezwaar en beroep het verstrekken van de voorzieningen
opschort. Dit geldt ook voor de beslissing om op basis van een herindicatie op grond van
artikel 13, tweede lid, een nieuwe
dienstbetrekking aan te gaan. Het wordt aan de samenwerking in de regio overgelaten in hoeverre
de bezwaar- en beroepsprocedures nog meer op elkaar worden afgestemd.
11. Loonbegrip en
maximering van de loonhoogte
Artikel 6 bepaalt dat het
loon op grond van artikel 15, derde lid, van de
wet niet meer mag
bedragen dan 120% van het wettelijk minimumloon (WML) om in aanmerking te
komen voor subsidie ingevolge deze wet. Bij de vaststelling of het
loon de grens van 120% WML overschrijdt, dient zowel te worden bepaald
wat onder loon moet worden verstaan als het bedrag van 120% WML te
worden gedefinieerd. Wat dit laatste betreft, kan worden uitgegaan van de
op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag vastgestelde bedragen. Daarbij wordt bij het bedrag voor een fulltimearbeidsovereenkomst uitgegaan van 36 arbeidsuren per week.
Daar waar in de arbeidsovereenkomst een minder aantal uren wordt
overeengekomen, wordt het loon naar rato verminderd.
Het loon is het loon in
de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964. Dit betekent dat loonbestanddelen die tot het loonbegrip gerekend worden,
moeten worden meegeteld bij de vaststelling van de hoogte van het loon. Bepaalde
onkostenvergoedingen (reiskosten tot een bepaald bedrag) en aanspraken op een
pensioenregeling vallen niet onder het loonbegrip, inkomsten uit overwerk en
toeslagen in verband met werk op onregelmatige tijdstippen wel.
Ook bij de toepassing van
artikel 15, tweede lid, van de wet, op grond waarvan het loon niet
meer bedraagt dan het wettelijk minimumloon, is het loon het loon
bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964.
12. Kosten in verband met
sociale activering
In artikel 3 van de
wet is bepaald dat gemeenten een subsidie kunnen verstrekken, dan wel
dienstverlening inkopen waardoor langdurig werklozen en
uitkeringsgerechtigden in staat worden gesteld deel te nemen aan activiteiten
die bijdragen tot sociale activering, inschakeling in arbeid en scholing.
Daarnaast kan de gemeente hen een incentive in het vooruitzicht stellen
waardoor deelname aan deze activiteiten aantrekkelijker wordt. Voor dergelijke
incentives is bepaald dat de gemeente hiervoor een verordening opstelt.
Voor de vaststelling van
de rechtmatigheid van de uitgaven die ten laste van het scholings- en
activeringsbudget ten behoeve van sociale activering door de gemeenten
worden gedaan, is het van belang vast te stellen welke socialeactiveringsactiviteiten uit dit budget mogen worden gefinancierd.
Onder sociale activering
wordt verstaan het stimuleren van uitkeringsgerechtigden in een (vrijwel) kansloze
arbeidsmarktsituatie tot deelname aan maatschappelijk
nuttige activiteiten die op termijn een kansvergrotende werking
kunnen hebben op participatie aan het reguliere arbeidsproces én het
voorkomen en bestrijden van sociale uitsluiting, isolement en
maatschappelijke tweedeling.
Daarbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan de volgende onbeloonde activiteiten:
- maatschappelijk
nuttige activiteiten zoals het incidenteel verrichten van klusjes op het
terrein van het buurtwerk (gericht op het verbeteren van het leefklimaat);
- activiteiten in het
reguliere vrijwilligerswerk zoals bij een sportvereniging, een bejaardencentrum
e.d.;
- stageachtige
activiteiten gericht op het zoveel mogelijk in stand houden of herwaarderen van de
arbeidscapaciteit en het arbeidsritme door deelname aan maatschappelijk nuttige en dienstverlenende
activiteiten;
- persoonsgerichte
activiteiten zoals het aanleren van sociale vaardigheden en andere basisvaardigheden.
Uit het
scholings- en
activeringsbudget kunnen uitsluitend socialeactiveringsactiviteiten worden gefinancierd waarvan de uitgaven zijn
gedaan ten behoeve van
individuele personen behorend tot de Wiw-doelgroep. Daarbij
kan worden gedacht aan scholingskosten en incentives voor het
verrichten van vrijwilligerswerk. Uitgaven die geen direct verband houden met
de socialeactiveringsactiviteiten van individuele personen
kunnen dus niet ten laste van het scholings- en activeringsbudget worden
gebracht. Dus bijvoorbeeld een vrijwilligerscentrale kan niet met Wiw-middelen
worden gesubsidieerd, maar wanneer zo’n centrale
een cursus sociale vaardigheden heeft gegeven aan een persoon behorend tot
de Wiw-doelgroep, dan mogen de kosten daarvan ten laste van het
scholings- en activeringsbudget worden gebracht.
In artikel 8 van
onderhavig besluit zijn de activiteiten die bijdragen tot sociale activering
nader
omschreven als hetzij onbeloonde dienstverlenende activiteiten die
kwaliteiten die noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan het
arbeidsproces in stand houden of verhogen, hetzij onbeloonde activiteiten
die anderszins dienstverlenend en maatschappelijk zinvol zijn. Uit de
administratie van de gemeente moet blijken op welke gronden
activiteiten voldoen aan de eisen gesteld in artikel 8 (dienstverlenend en
arbeidskwalificatiesbevorderend dan wel dienstverlenend en maatschappelijk
zinvol). Alleen persoonsgebonden uitgaven ten laste van het scholings-
en activeringsbudget ten behoeve van deze activiteiten zijn
toegestaan.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
2. Percentage
werknemers bij inlener
In artikel
2, tweede lid,
wordt de collectieve en non-profitsector omschreven als een sector
waarin de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op
de voorgrond staat en het streven naar winst hetzij geheel ontbreekt,
hetzij van bijkomende betekenis is, dan wel de arbeidskosten nagenoeg
geheel bekostigd worden met overheidsbijdragen. In artikel
1, onderdeel j, is het begrip overheidsbijdragen gedefinieerd als
vergoedingen en bijdragen ten laste van ’s Rijks kas, financiering uit
gemeentelijke middelen, subsidies, dan wel financiering door toepassing van de
socialeverzekeringswetten.
Artikel
7. Duur
arbeidsovereenkomst op werkervaringsplaatsen
Om de werkgever van een
langdurig werkloze of jongere op een werkervaringsplaats voor
subsidie in aanmerking te kunnen laten komen, stelt dit artikel de
voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst voor ten minste zes maanden moet
worden aangegaan. Deze termijn is gekozen om deelnemers in staat te
stellen gedurende een redelijke termijn werkervaring op te doen
en om te voorkomen dat uitsluitend arbeidsovereenkomsten van zeer korte duur
worden aangegaan. Mocht ondanks een arbeidsovereenkomst voor zes maanden betrokken werknemer onverhoopt
eerder worden ontslagen
of zelf ontslag nemen, dan wordt de rijkssubsidie naar rato
van het aantal gewerkte maanden vastgesteld (artikel 10, tweede lid).
Artikel
9. Verlening
basisbedrag dienstbetrekkingen
De
wet geeft WW-uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid om voor een
Wiw-dienstbetrekking of
werkervaringsplaats in aanmerking te komen. De uitvoeringsinstellingen
sociale verzekeringen verstrekken de gemeenten
in zo’n geval een
vergoeding die ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds (artikel 93b
van de Werkloosheidswet).
In de Regeling uitvoering
en financiering Wet inschakeling werkzoekenden zijn regels gesteld ten
aanzien van de hoogte van het basisbedrag ingeval zo’n vergoeding
wordt verstrekt voor zowel de dienstbetrekking als de
werkervaringsplaats (artikel 9, vijfde lid, en artikel
10, vijfde lid).
Artikel
10. Verlening
basisbedrag werkervaringsplaatsen
Artikel
10, derde lid,
onderdeel a, bepaalt dat het basisbedrag niet voor een werkervaringsplaats
wordt verstrekt indien de werkgever ook andere subsidies ontvangt. Een
afdrachtskorting verkregen op grond van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt niet als zodanig
aangemerkt, omdat deze geen subsidie aan de werkgever is doch een
fiscale tegemoetkoming.
Artikel
14. Verdeling
scholings- en activeringsbudget
De verlening van subsidie
voor de kinderopvang vindt in 1998 nog niet plaats op grond van de
wet. Daarom is in artikel 25 bepaald dat het eerste lid van dit artikel in
werking treedt met ingang van 1 januari 1999.
Artikel 14, vijfde lid,
biedt de mogelijkheid de vier grote steden extra middelen te geven voor
het scholings- en activeringsbudget. In het kader van het uitstroombeleid
zijn daarover met het kabinet afspraken gemaakt.
Artikel 14, zesde lid,
bepaalt dat in een ministeriële regeling nader zal worden aangegeven hoe de
aantallen Wiw-dienstbetrekkingen en aantallen Abw-gerechtigden worden bepaald. Bij de Wiw-dienstbetrekkingen
zal dit met name gaan om een nadere precisering van de aantallen door
deze uit te drukken in fulltime-equivalenten en bij de Abw-gerechtigden door uitsluiting van Abw-gerechtigde
binnenschippers, dak- en thuislozen en van personen die in een inrichting
verblijven.
Artikelen 15 en
16.
Betaling subsidie
De artikelen 15 en
16
regelen de betaling en opschorting van de betaalbaarstelling. Voor de systematiek van deze artikelen is zoveel
mogelijk aansluiting
gezocht bij de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en
Ioaz 1996.
In artikel 16, eerste
lid, is opgenomen dat de minister de betaling van de subsidie kan opschorten
tot nader genoemde bescheiden (in ieder geval de kwartaaldeclaratie en
de jaaropgave) door hem zijn ontvangen. Van deze discretionaire
bevoegdheid zal de minister steeds gebruik maken, tenzij tijdig bij hem met
redenen omkleed een verzoek om uitstel van indiening van bedoelde
bescheiden is aangevraagd en dat uitstel ook is verkregen.
Artikel
24. Wijziging van
het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
Ingevolge de nummers 25
en 26 van onderdeel b van bijlage B behorende bij het Uitvoeringsbesluit
omzetbelasting 1968 zijn
banenpool- en
jeugdwerkgarantieorganisaties vrijgesteld van BTW-heffing over hun prestaties, mede voor het
ter beschikking stellen van personeel. Met de inwerkingtreding van de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) hebben deze organisaties geen
wettelijke taak meer en wordt de vergelijkbare taak nu uitgevoerd door gemeenten
of namens een gemeente door een krachtens artikel 8 van de
Wiw aangewezen rechtspersoon. De vrijstelling
als geregeld in deze
nummers wordt gecontinueerd in het nieuwe nummer 25.
Eén van de voorwaarden
voor toepassing van de sociaal-culturele BTW-vrijstelling is dat het verlenen van de vrijstelling niet mag leiden tot
een verstoring van de concurrentieverhoudingen. De vergoedingen voor het inlenen van jongeren
en andere categorieën werklozen die een dienstbetrekking hebben,
zijn laag en komen overeen met die op grond van de
Jeugdwerkgarantiewet en de Rijksbijdrageregeling banenpools. Hierbij hoeft niet voor
concurrentieverstoring te worden gevreesd. Voor de categorie werkloosheidsduur 1
tot 2 jaar (ouder dan 23 jaar) zal echter een
zodanige vergoeding worden gevraagd dat een vergelijking met die van commerciële
uitzendbureaus, die wel BTW in rekening brengen, voor de hand ligt. Daarom is op
dit punt een uitzondering op de vrijstelling gemaakt.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|