|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 521
Introductie
van een regeling die het mogelijk maakt oudere belastingplichtigen een
tegemoetkoming te verstrekken met het oog op compensatie van
koopkrachtverlies als gevolg van beleidsmaatregelen (Wet mogelijkheid
koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitwerking voorstel |
| 2.1 |
Huidige situatie |
| 2.2 |
Voorgestelde wijziging |
| 3 |
Inkomenseffecten |
| 4 |
Financiële gevolgen |
| 4.1 |
Programmakosten |
| 4.2 |
Uitvoeringskosten |
| 4.3 |
Financiering |
| 4.4 |
Administratieve lasten |
| 4.5 |
Gevolgen bezwaar en beroep |
| 5 |
Uitvoeringsaspecten |
| 6 |
Ontvangen commentaren |
| 6.1 |
Toezichttoets IWI |
| 6.2 |
Uitvoeringstoets SVB |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 21 |
Algemeen
1.
Inleiding
Met
het voorliggende wetsvoorstel wordt
beoogd per 1 januari 2011 de
mogelijkheid van een
koopkrachttegemoetkoming te introduceren
voor oudere personen die in Nederland
wonen, dan wel met hun inkomen geheel of
nagenoeg geheel onder de Nederlandse
belastingheffing vallen. Tegelijkertijd
zal de thans nog geldende
tegemoetkoming, bedoeld in artikel
33b van de Algemene Ouderdomswet (AOW), per
1 januari 2011 worden afgeschaft. De
nieuwe regeling voorziet in de
mogelijkheid van koopkrachtcompensatie
door middel van een maandelijkse
tegemoetkoming voor oudere personen die
binnenlands belastingplichtig zijn of
van wie ten minste 90% van het
wereldinkomen in Nederland onderworpen
is aan de belastingheffing naar het
inkomen.
De
achtergrond van deze maatregel is
voornamelijk budgettair van aard. In de
beleidsagenda van de SZW-begroting
2010 (Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XV, nr. 2, blz.
18) is aangegeven dat er een herschikking op
de begroting nodig is, enerzijds vanwege
een aanvullend beleidspakket ter
stimulering van de economie en
anderzijds als gevolg van enkele
uitvoeringstegenvallers. Bij de
stimuleringsmaatregelen moet
bijvoorbeeld gedacht worden aan de
deeltijd-WW, bij de
uitvoeringstegenvallers onder meer aan de
hogere AOW-uitgaven vanwege de gestegen
levensverwachting.
Daarbij
komt dat de bewindslieden tegenvallers
op de eigen begroting dienen op te
lossen. Het is daarom niet de vraag óf,
maar veel meer hóe de tekorten op de
begroting bestreden zullen worden.
Naast
het leveren van een bijdrage aan het
oplossen van de budgettaire problematiek is de grondslag van
dit
voorstel te vinden in de kabinetsnota
"Internationale arbeidsmobiliteit en
sociale zekerheid" (Kamerstukken II
2009-2010, 32 149, nr. 1, blz. 9). Daarin heeft het
kabinet aangekondigd naar wegen te
zoeken om de tegemoetkomingen die hun
oorsprong hebben in de specifiek
Nederlandse context strikt te beperken
tot degenen die getroffen zijn. Dit
voornemen is voorts aangekondigd in de
begroting van SZW
(Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XV, nr. 2, blz. 18). Dit wetsvoorstel is
daar de uitwerking van.
rblz.|2|
2.
Uitwerking voorstel
2.1.
Huidige situatie
Allen
die recht hebben op ouderdomspensioen
als bedoeld in de AOW
hebben, in
aanvulling op dat pensioen, tevens recht
op een AOW-tegemoetkoming (hierna:
tegemoetkoming). Deze tegemoetkoming
wordt maandelijks samen met de AOW
uitbetaald. De hoogte van de
tegemoetkoming staat los van het aantal
voor het recht op ouderdomspensioen
opgebouwde verzekerde jaren.
De
tegemoetkoming is in het leven geroepen
nadat het kabinet in 2005 bij de
behandeling van het Nederlandse
koopkrachtbeeld heeft geoordeeld dat
voor onder meer ouderen met een laag
inkomen de negatieve inkomenseffecten
beperkt zouden moeten blijven. In dat
kader zijn de ouderenkorting en de toen
zogeheten aanvullende ouderenkorting in
de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB
2001) en de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB) per 1 januari 2005
verhoogd. Een verhoging van de
ouderenkorting had echter niet voor alle
ouderen het beoogde effect. Een
voorwaarde om te kunnen profiteren van
de verhoging van deze ouderenkortingen
was immers dat de belastingplichtige
vóór toepassing van de
heffingskortingen voldoende belasting
verschuldigd was waarop de
ouderenkortingen in mindering konden
worden gebracht. Voor een grote groep,
met name gehuwde ouderen die geen of
slechts een klein aanvullend pensioen
ontvangen, was dit niet (meer) het
geval. Om ook deze groep te bereiken,
werd besloten tot de invoering per 1
januari 2005 van een tegemoetkoming voor
AOW-gerechtigden in aanvulling op het
ouderdomspensioen op grond van de AOW.
Dit was uitgewerkt in de Tijdelijke
regeling tegemoetkoming AOW-ers (Kamerstukken II
2005-2006, 30 314, nr. 3).
Tevens heeft het kabinet in 2005
besloten om - naar aanleiding van de
motie-Verburg (Kamerstukken II 2004-2005,
29 800, nr. 52) - een extra
tegemoetkoming te introduceren: de Tijdelijke
regeling eenmalige tegemoetkoming AOW-ers 2005.
Beide
regelingen werden uitgevoerd door de
Sociale verzekeringsbank (SVB). In de
toelichting op de beide tijdelijke
regelingen was al aangegeven dat zou
worden bezien of in de AOW een meer
structurele invulling van de
tegemoetkoming zou kunnen worden
opgenomen.
In
hetzelfde jaar heeft het kabinet
geconcludeerd dat een structurele
voortzetting van de tegemoetkoming
gewenst is en besloten om per 1 januari
2006 aan de tegemoetkoming een
structurele basis te geven (Kamerstukken
II 2005-2006, 30 314, nr. 3, blz. 2). Dit is
gerealiseerd door opname van paragraaf
4, Tegemoetkoming in aanvulling op het
ouderdomspensioen, in hoofdstuk III van
de AOW.¹ In de periode van 2006 tot en
met 2009 is de tegemoetkoming jaarlijks
verhoogd (zie tabel 1).
1. Zie artikel
I, onderdeel B, van de Wet
van 22 december 2005 tot wijziging van de Algemene
Ouderdomswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet financiering sociale
verzekeringen en de Wet op de huurtoeslag en enige
andere wetten in verband met het toekennen van
tegemoetkomingen aan personen die een uitkering
ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet of de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
en enkele aanpassingen in de berekening van de
uitkeringen (Stb. 2005 713).
Tabel
1. Hoogte tegemoetkoming AOW
op
jaarbasis:
| Jaar |
Hoogte
tegemoetkoming AOW
(bruto) |
| 2006 |
€|115,92 |
| 2007 |
€|165,84 |
| 2008 |
€|178,32 |
| 2009 |
€|437,40 |
| 2010 |
€|411,12 |
Bij
de vormgeving van de tegemoetkoming is
er destijds om praktische redenen voor
gekozen het recht op de tegemoetkoming
te koppelen aan het recht op
ouderdomspensioen volgens de AOW
en de
tegemoetkoming te betalen tezamen met
dat ouderdomspensioen. Hoewel in de AOW
expliciet is bepaald dat de
tegemoetkoming niet moet worden
beschouwd als ouderdomspensioen op grond
van de AOW, wordt door de gekozen
vormgeving de tegemoetkoming door de
betrokkenen gezien als onderdeel van het
AOW-ouderdomspensioen. Consequentie van
de rblz.|3|
gekozen vormgeving is enerzijds dat
ouderen die geen recht op AOW hebben,
maar wel geconfronteerd worden met
veranderingen in de Nederlandse
koopkracht, geen tegemoetkoming
ontvangen. Tegelijkertijd hebben
AOW-gerechtigden in het buitenland, die
niet geconfronteerd worden met
veranderingen in de Nederlandse
koopkracht, wel recht op de
tegemoetkoming. De tegemoetkoming voor
deze AOW-gerechtigden wordt op grond van
de nationaalrechtelijke bepalingen
geëxporteerd samen met de
AOW-uitkering. Door de gekozen
vormgeving - koppeling van de
tegemoetkoming aan de AOW-uitkering - verplichten Verordening EG
883/2004 ¹ (tot 1 mei 2010 Verordening EEG
1408/71) en de bilaterale verdragen tot
het geven van de tegemoetkoming aan
personen woonachtig in het buitenland
die recht hebben op een AOW-uitkering
(ook wel export van de tegemoetkoming
genoemd). Ultimo 2009 ontvingen 2,8
miljoen AOW-ers de tegemoetkoming,
waarvan 275 000 mensen in het buitenland
woonachtig waren. In de ontwerpbegroting
2010 is met de tegemoetkoming een bedrag
gemoeid van €|1149 miljoen, waarvan
naar schatting €|115 miljoen wordt
geëxporteerd.
1.
Zie artikel 7 van Verordening EG
883/2004. Tenzij in deze verordening
anders is bepaald, kunnen de uitkeringen
verschuldigd op grond van de wetgeving
van één of meer lidstaten of op grond
van deze verordening niet worden
verminderd, gewijzigd, geschorst,
ingetrokken of verbeurd verklaard op
grond van het feit dat de rechthebbende
of de leden van zijn gezin in een andere
lidstaat wonen dan die waar zich het
orgaan bevindt dat deze uitkering
verschuldigd is.
2.2.
Voorgestelde wijziging
Dit
wetsvoorstel introduceert een nieuwe
wettelijke regeling die recht biedt tot
verstrekking van een
koopkrachttegemoetkoming aan oudere
belastingplichtigen ter compensatie van
koopkrachtvermindering als gevolg van
fiscale beleidsmaatregelen, waarbij elk
jaar de mogelijkheid bestaat om te
beslissen over de hoogte van de
koopkrachttegemoetkoming. Voor deze
constructie is gekozen om zo jaarlijks
aan de hand van het inkomensbeeld tot
een koopkrachttegemoetkoming te kunnen
besluiten. Tegelijkertijd wordt de
tegemoetkoming in aanvulling op het
ouderdomspensioen zoals die is geregeld
in paragraaf 4 van hoofdstuk III van de
AOW geschrapt. Met deze wijzigingen
wordt de export van de tegemoetkoming
beperkt. Tegelijkertijd zal per jaar
worden vastgesteld of een
koopkrachttegemoetkoming wenselijk wordt
geacht.
Karakter
regeling
Dit
wetsvoorstel voorziet in een regeling
die de mogelijkheid biedt om bij
algemene maatregel van bestuur (AMvB)
een tegemoetkoming te regelen ter
compensatie van binnenlands
koopkrachtverlies als gevolg van fiscale
beleidsmaatregelen (hierna:
koopkrachttegemoetkoming). Deze
koopkrachttegemoetkoming kan worden
toegekend aan binnenlands
belastingplichtigen die de leeftijd
hebben bereikt waarop recht op de
ouderenkorting, bedoeld in de Wet
IB 2001 en de Wet
LB, kan ontstaan.
Het voorstel sluit aan bij de
fiscaliteit en volgt de fiscale
rechtsgang. De oorspronkelijke
doelstelling om ouderen met een
(fiscaal) verzilveringsprobleem te
compenseren, past hierin. Dit betekent
dat de in de regeling voorgestelde
koopkrachttegemoetkoming, in
tegenstelling tot de in de AOW
geregelde
tegemoetkoming, buiten de sociale
zekerheid valt. Als gevolg daarvan
bestaat ook geen
internationaalrechtelijke
exportverplichting meer op grond van
Verordening 883/2004 en de bilaterale
verdragen.
De
nieuwe regeling zal worden gefinancierd
uit de algemene middelen.
Het
bedrag van de koopkrachttegemoetkoming
is bruto; dit betekent dat er belasting
is verschuldigd over de
koopkrachttegemoetkoming. In dat kader
zal in het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 worden geregeld dat
ook loonbelasting zal worden ingehouden
over het uit te keren bedrag. De hoogte
van de koopkrachttegemoetkoming zal bij
AMvB worden vastgesteld. Het besluit
over de hoogte van de
koopkrachttegemoetkoming zal te zijner
tijd plaatsvinden. In de navolgende
presentatie van de omvang van de
programmakosten is ervan uitgegaan dat
de rblz.|4|
hoogte van de
koopkrachttegemoetkoming gelijk is aan
de beoogde hoogte van de AOW-tegemoetkoming voor 2011.
De
koopkrachttegemoetkoming zal volledig
ten goede komen aan binnenlandse
belastingplichtigen die de leeftijd
hebben bereikt waarop recht op de
ouderenkorting kan ontstaan, ook indien
er recht op een aanvullende
inkomensvoorziening op grond van de Wet
werk en bijstand (Wwb) bestaat. De
koopkrachttegemoetkoming wordt buiten
aanmerking gelaten voor de middelentoets
in de bijstand, zodat de compensatie
vanwege koopkrachtvermindering ook aan
bijstandsgerechtigden ten goede komt.
Het
voorstel leidt ertoe dat het
financiële beslag van de nieuwe
regeling voor Nederlandse ingezetenen op
het niveau komt van de uitgaven voor de
huidige tegemoetkoming volgens de AOW.
Tegelijkertijd zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat oudere buitenlandse
belastingplichtigen geen
koopkrachttegemoetkoming kunnen krijgen,
tenzij ten minste 90% van hun
wereldinkomen aan de Nederlandse
belastingheffing naar het inkomen
onderworpen is.
Buitenlands
belastingplichtigen
Belastingplichtigen
woonachtig in een mogendheid buiten
Nederland en van wie het wereldinkomen
voor ten minste 90% in Nederland aan de
heffing van loon- of inkomstenbelasting
is onderworpen, kunnen, als ook aan de
overige voorwaarden is voldaan,
koopkrachttegemoetkoming krijgen. Deze
uitbreiding vindt zijn grondslag in het
Europese recht. In het arrest van het
Hof van Justitie van de Europese Unie
van 14 februari 1995, zaak C-279/93, is
immers bepaald dat bij de
belastingheffing van een niet-inwoner
rekening moet worden gehouden met zijn
persoonlijke en gezinssituatie als hij
zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel
verwerft in de andere lidstaat. Uit de
jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Unie blijkt dat een
niet-inwoner zijn inkomen geheel of
nagenoeg geheel in een lidstaat verwerft
als ten minste 90% van zijn
wereldinkomen in deze lidstaat
onderworpen is aan belastingheffing naar
het inkomen. Bij het 90%-criterium gaat
het om de onderworpenheid aan de
Nederlandse belastingheffing na
toepassing van belastingverdragen.
Aangezien
deze specifieke groep voor alle fiscale
regelingen onder het Nederlandse
belastingregime valt, is deze groep
vergelijkbaar met binnenlands
belastingplichtigen. Dit maakt deze
uitbreiding van de doelgroep legitiem en
daarom wordt het wetsvoorstel daarmee in
overeenstemming gebracht met Europees
recht.
3.
Inkomenseffecten
Uitgaande
van de veronderstelling dat de hoogte
van de koopkrachttegemoetkoming gelijk
zal zijn aan de hoogte van de
tegemoetkoming volgens de AOW, zijn de
inkomenseffecten van dit wetsvoorstel
beperkt. De mensen die voor de
koopkrachttegemoetkoming in aanmerking
kunnen komen, zullen voor een groot deel
overeenkomen met de huidige
rechthebbenden op de tegemoetkoming
volgens de AOW.
Buitenlandse belastingplichtigen waarvan niet 90%
van het wereldinkomen aan de Nederlandse
belastingheffing naar het inkomen is
onderworpen, zullen er in hun inkomen op
achteruitgaan ter hoogte van de nettotegemoetkoming volgens de AOW.
Dit
betekent dat bijvoorbeeld gepensioneerde
grensarbeiders waarvan niet ten minste
90% van hun inkomen aan de Nederlandse
belastingheffing naar het inkomen is
onderworpen een negatief inkomenseffect
zullen ervaren.
rblz.|5|
Aangezien
de regeling beoogt om een compensatie te
bieden voor binnenlandse
koopkrachtachteruitgang als gevolg van
fiscale beleidsmaatregelen kan deze
inkomensachteruitgang echter worden
gelegitimeerd.
De
koopkrachttegemoetkoming betekent dat
buitenlandse belastingplichtigen waarvan
het wereldinkomen voor minimaal 90%
onder de Nederlandse heffing valt, maar
die geen AOW-pensioen ontvangen, wel
koopkrachttegemoetkoming kunnen krijgen.
Het recht op de koopkrachttegemoetkoming
staat immers zowel los van het in een
lidstaat gewoond of gewerkt te hebben
dan wel verzekerd te zijn geweest als
van de ontvangst van een Nederlands
ouderdomspensioen.
4.
Financiële gevolgen
4.1.
Programmakosten
De
hoogte van de koopkrachttegemoetkoming
bedraagt in 2011 €|397,12 per jaar en
wordt uitgekeerd aan alle in Nederland
woonachtige binnenlands
belastingplichtigen van 65 jaar of
ouder. De AOW-tegemoetkoming werd
uitgekeerd aan personen die recht hadden
op een AOW-pensioen; de
koopkrachttegemoetkoming wordt ook
uitgekeerd aan een in Nederland
woonachtige groep personen van 65 jaar
of ouder die geen AOW-pensioen
ontvangen. Deze groep heeft een omvang
van naar schatting 12 000 personen.
Verondersteld wordt dat ongeveer 15 000
personen in het buitenland recht hebben
op de koopkrachttegemoetkoming, omdat
zij voor ten minste 90% van hun
wereldinkomen aan de belastingheffing in
Nederland zijn onderworpen. De totale
groep koopkrachttegemoetkomingsgerechtigden
zal in 2010 ruim 2,5 miljoen personen
omvatten.
Indien
de uniformering van het loonbegrip
(Kamerstukken II 2009-2010, 32 131)
wordt ingevoerd, leidt dit tot een
lagere tegemoetkoming; de besparing
neemt in dat geval evenredig af met de
verlaging van de tegemoetkoming.
4.2.
Uitvoeringskosten
De
structurele uitvoeringskosten van de
koopkrachttegemoetkoming concentreren
zich voornamelijk op de werkzaamheden
voor de
koopkrachttegemoetkominggerechtigden en
-aanvragen in het buitenland. In 2010
bedragen de invoeringskosten ruim €|1
miljoen en €|4
miljoen in 2011. De structurele
uitvoeringskosten bedragen vanaf 2011
€ 1 miljoen. Hiermee zijn circa 10 fte
gemoeid. Om de invoering mogelijk te
maken, zijn aanpassingen van systemen
noodzakelijk. Verder wordt eind 2010
gestart met voorlichting over de
koopkrachttegemoetkoming en worden in
2011 veel aanvragen voor tegemoetkoming
verwacht samen met verzoeken om
informatie, uitleg en toelichting over
de veranderingen.
De uitvoerings- en implementatiekosten
tonen aldus het volgende budgettaire
beeld.
Tabel 2. Budgettaire
gevolgen (x € 1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Uitkeringslasten
AOW-tegemoetkoming
¹ |
0x |
–1170 |
–1220 |
–1264 |
–1303 |
–1338 |
| Uitkeringslasten
koopkrachttegemoetkoming ¹ |
0x |
1064 |
1110 |
1150 |
1184 |
1217 |
| Uitvoeringskosten
koopkrachttegemoetkoming |
2x |
5 |
1 |
1 |
1 |
1 |
| Verschil |
2x |
–101 |
–109 |
–113 |
–117 |
–119 |
1.
Na
verwerking verlaging €|14,- per jaar
(augustusbesluitvorming).
rblz.|6|
Indien
de uniformering van het loonbegrip (Kamerstukken
II 2009-2010, 32 131) wordt ingevoerd, leidt dit tot een
lagere tegemoetkoming; de besparing
neemt in dat geval evenredig af met de
verlaging van de tegemoetkoming.
4.3.
Financiering
De
tegemoetkoming AOW
werd gefinancierd uit
het ouderdomsfonds, waarvoor vanuit de
Rijksbegroting jaarlijks een
rijksbijdrage plaatsvond (de Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW). Met
het afschaffen van de tegemoetkoming
komt deze rijksbijdrage te vervallen.
De
koopkrachttegemoetkoming zal worden
gefinancierd uit de algemene middelen en
zal op de SZW-begroting komen te staan.
4.4.
Administratieve lasten
Dit
wetsvoorstel leidt niet tot extra
administratieve lasten voor de burger in
Nederland, omdat de
koopkrachttegemoetkoming ambtshalve door
de SVB wordt uitbetaald. De SVB heeft
door koppeling met de GBA [gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, red.]
de gegevens
van alle burgers die de mogelijkheid tot
koopkrachttegemoetkoming kunnen krijgen.
Alleen buitenlands belastingplichtigen
die voldoen aan het
90%-inkomenscriterium en waarvan de SVB
niet beschikt over de benodigde gegevens
om vast te kunnen stellen of voldaan
wordt aan de voorwaarden voor het recht
op tegemoetkoming, dienen bij de SVB
apart een verzoek in te dienen om alsnog
tot uitbetaling over te gaan. Dit
wetsvoorstel is om die reden niet
voorgelegd aan Actal voor een toets op
administratieve lasten.
4.5.
Gevolgen bezwaar en beroep
In
vergelijking met de huidige regeling is
een zekere toename van bezwaar en beroep
te verwachten. Voor de SVB
is hiermee in
de uitvoeringskosten (zie paragraaf
4.2) al
rekening gehouden.
5.
Uitvoeringsaspecten
De SVB zal de Wet mogelijkheid
koopkrachttegemoetkoming oudere
belastingplichtigen gaan uitvoeren,
waarbij mensen de
koopkrachttegemoetkoming maandelijks
kunnen ontvangen. De SVB zal voor de
uitvoering van de
koopkrachttegemoetkoming een aparte
administratie voeren en een aparte
begroting opstellen. De uitvoering
betreffende de groep buitenlands
belastingplichtigen zal nader worden
geregeld bij AMvB
6.
Ontvangen commentaren
Het
wetvoorstel is voor een toets voorgelegd
aan de IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.] en SVB.
6.1.
Toezichttoets IWI
Uit
de toezichttoets van IWI zijn geen
opmerkingen met betrekking tot de
toezichtbaarheid van dit wetsvoorstel
naar voren gekomen.
6.2.
Uitvoeringstoets SVB
Naar
aanleiding van de opmerkingen van de SVB
is het wetsvoorstel aangepast. Tevens is
er intensief overleg geweest tussen de
SVB, de belastingdienst, het
ministerie
van Financiën en het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat
heeft ertoe geleid dat invoering per 1
januari 2011 mogelijk is.
rblz.|7|
Artikelsgewijs
Artikel
1 (definities)
In
dit artikel zijn de begripsbepalingen
opgenomen. Omdat in dit wetsvoorstel
voor het toekennen van een
tegemoetkoming deels aansluiting is
gezocht bij de belastingwetgeving, wordt
een aantal fiscale begrippen gebruikt.
Deze begrippen zijn in artikel 1
gedefinieerd door te verwijzen naar de
fiscale wetgeving waarin deze begrippen
zijn opgenomen.
De
bedoelde begrippen worden hierna nader
toegelicht.
Binnenlandse
of buitenlandse belastingplichtige
In
artikel 3, eerste lid, is bepaald dat
alleen de binnenlandse of buitenlandse
belastingplichtige die de leeftijd heeft
bereikt waarop recht kan ontstaan op de
ouderenkorting recht heeft op een
tegemoetkoming. Onder de binnenlandse
belastingplichtige wordt in dit
wetsvoorstel verstaan de
belastingplichtige, bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
IB 2001. Onder de buitenlandse
belastingplichtige wordt verstaan de
persoon, bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet
IB 2001,
die aantoont dat ten minste 90% van zijn
wereldinkomen, na toepassing van
regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting, in Nederland aan de
belastingheffing is onderworpen. Op
grond van artikel 7.1 van de Wet
IB 2001 wordt inkomstenbelasting geheven over
het door de belastingplichtige genoten
belastbare inkomen uit werk en woning in
Nederland, het belastbare inkomen uit
aanmerkelijk belang in een in Nederland
gevestigde vennootschap en het
belastbare inkomen uit sparen en
beleggen in Nederland. Het betreft
natuurlijke personen die in Nederland
wonen (de binnenlandse
belastingplichtigen) en onder bepaalde
voorwaarden de natuurlijke personen die
niet in Nederland wonen, maar wel
Nederlands inkomen genieten (de
buitenlandse belastingplichtigen). Bij
het vereiste dat ten minste 90% van zijn
wereldinkomen aan de Nederlandse
belastingheffing is onderworpen, gaat
het om het inkomen ná toepassing van
regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting. Dat wil zeggen, het inkomen
waarover Nederland ook feitelijk het
heffingsrecht heeft. Bij regelingen ter
voorkoming van dubbele belasting wordt
met name gedoeld op bilaterale
belastingverdragen. Na toepassing van
het desbetreffende verdrag is het
heffingsrecht over bijvoorbeeld het AOW-ouderdomspensioen veelal toegewezen
aan het woonland. Overigens bestaat op
grond van artikel 2.5 van de Wet
IB 2001 voor een buitenlandse belastingplichtige
wel het recht om te kiezen voor een
behandeling als binnenlandse
belastingplichtige, maar een dergelijke
keuze ziet slechts op de behandeling in
het kader van de Wet
IB 2001 en laat
zijn status als buitenlands
belastingplichtige onverlet. Dat voldaan
is aan het 90%-criterium is in ieder
geval aangetoond indien betrokkene een
verklaring overlegt van de belastingdienst
van zijn woonland op
basis waarvan, tezamen met de gegevens
die al bekend zijn bij de rijksbelastingdienst, blijkt dat ten
minste 90% van zijn wereldinkomen aan de
Nederlandse belastingheffing is
onderworpen.
Ouderenkorting
Voor
het recht op de tegemoetkoming moet de
belastingplichtige de leeftijd hebben
bereikt waarop recht kan ontstaan op de
ouderenkorting. Onder ouderenkorting
wordt in dit wetsvoorstel verstaan de
heffingskorting, bedoeld in artikel 8.17
van de Wet
IB 2001 en artikel 22b van de
Wet
LB. De leeftijd waarop recht kan
ontstaan op een dergelijke korting is
thans 65 jaar.
rblz.|8|
Artikel
2 (uitvoering van de wet)
De SVB, genoemd in hoofdstuk 6 van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen (Wet SUWI), wordt belast met de
uitvoering van deze
wet. In artikel
34,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet SUWI
is bepaald dat de SVB tot taak heeft de
uitvoering van de AOW, de
Algemene
nabestaandenwet (Anw), de Algemene
Kinderbijslagwet, alsmede van wetten die
de uitvoering van deze wetten beheersen.
In artikel
34, eerste lid, onderdeel d,
is bepaald dat de SVB mede tot taak
heeft het uitvoeren van taken die bij of
krachtens enige andere wet dan de in
onderdeel a bedoelde wetten aan de SVB
zijn opgedragen. Van deze mogelijkheid
om aan de SVB bij separate wettaken op
te dragen, wordt in dit wetsvoorstel
gebruikgemaakt.
Artikel
3 (tegemoetkoming)
Recht
op de tegemoetkoming
In
dit artikel is geregeld dat de
binnenlandse of buitenlandse
belastingplichtige die de leeftijd heeft
bereikt waarop recht kan ontstaan op de
ouderenkorting, recht heeft op een
tegemoetkoming. Om recht op de
tegemoetkoming te kunnen hebben, dient
men dus aan twee eisen te voldoen:
a.
men dient binnenlandse of buitenlandse
belastingplichtige te zijn, zoals
gedefinieerd in artikel
1, onderdeel b
en c; en
b.
men dient de leeftijd te hebben bereikt
waarop recht kan ontstaan op de
ouderenkorting, zoals gedefinieerd in
artikel 1, onderdeel d.
De
ouderenkorting is de heffingskorting,
bedoeld in artikel 8.17 van de Wet
IB 2001 en artikel 22b van de
Wet
LB.
In artikel 8.17, eerste lid, van de Wet
IB 2001 is bepaald dat de ouderenkorting
geldt voor de belastingplichtige die bij
het einde van het kalenderjaar, of,
indien de belastingplicht in de loop van
het jaar is geëindigd, bij het einde
van de belastingplicht, de leeftijd van
65 jaar heeft bereikt. In artikel 22b
van de Wet
LB is bepaald dat de
ouderenkorting van toepassing is voor de
werknemer die onder meer de leeftijd van
65 jaar heeft bereikt. De leeftijd
waarop recht kan ontstaan op de
ouderenkorting is dus de leeftijd van 65
jaar. Dit betekent dat alleen de
belastingplichtige die de leeftijd van
65 jaar heeft bereikt recht op de
tegemoetkoming kan hebben.
De
binnenlandse belastingplichtige die
recht meent te hebben op de
tegemoetkoming hoeft geen aanvraag bij
de SVB in te dienen. De SVB beoordeelt
zelfstandig en uit eigen beweging welke
belastingplichtigen voor de
tegemoetkoming in aanmerking komen.
Omdat iedereen die in Nederland woont
binnenlands belastingplichtige is,
baseert de SVB zich daarbij op gegevens
uit de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (GBA). Met betrekking
tot de in het buitenland wonenden zal de
SVB in veel gevallen niet (via de belastingdienst) beschikken over de
informatie die noodzakelijk is om te
beoordelen of sprake is van een
buitenlandse belastingplichtige. In de
gevallen waarin dat wel zo is, zal de SVB
ambtshalve het recht op tegemoetkoming
vaststellen. In de andere gevallen kan
dat pas na een aanvraag van de
betrokkene.
Hoogte
van de tegemoetkoming en wijze van
vaststelling voor buitenlandse
belastingplichtigen
De
hoogte van de tegemoetkoming zal bij
krachtens [lees: bij of krachtens, red.]
algemene maatregel van bestuur
worden vastgesteld. Tevens zal daarbij
worden geregeld dat de tegemoetkoming
aan de groep buitenlands
belastingplichtigen, bedoeld in artikel
1, onderdeel c, op basis van een geschat
wereldinkomen kan worden vastgesteld,
waarna na een periode van maximaal drie
jaar na het normjaar (jaar waarvan het
inkomen in aanmerking wordt genomen) rblz.|9|
een
herbeoordeling plaatsvindt. Die
mogelijkheid is opgenomen omdat de
definitieve vaststelling of aan het 90%-inkomenscriterium is
voldaan pas kan
plaatsvinden ruim na afloop van het jaar
waarin recht bestaat op de
tegemoetkoming, immers op het moment dat
de definitieve aanslag door de belastingdienst
is vastgesteld. De
nadere regelgeving zal ook betrekking
hebben op de bepaling van het recht in
het jaar dat de 65-jarige leeftijd wordt
bereikt en latere jaren. Voor
buitenlands belastingplichtigen geldt
dat zij alleen recht hebben op de
tegemoetkoming indien ze 65 jaar zijn en
indien ten minste 90% van hun
wereldinkomen na toepassing van
regelingen ter voorkoming van dubbele
belasting, aan de Nederlandse
belastingheffing wordt onderworpen. Bij
de vaststelling van het recht in het
jaar waarin de leeftijd van 65 jaar
wordt bereikt, gaat het dan om het
inkomen over het kalenderjaar waarin men
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Aangezien het inkomen beneden en boven
de 65 jaar uiteen kan lopen, zal bij
algemene maatregel van bestuur geregeld
worden dat met betrekking tot het jaar
waarin de leeftijd van 65 jaar wordt
bereikt, voor de vraag of wordt voldaan
aan het 90%-criterium, zal worden
uitgegaan van het al dan niet voldoen
aan dat criterium in het daaropvolgende
kalenderjaar.
Artikel
4 (ontstaan van het recht op de
tegemoetkoming)
In
dit artikel is bepaald dat de
tegemoetkoming van rechtswege ontstaat
op de eerste dag van de maand waarin de
belastingplichtige aan de voorwaarden
voor het recht op een tegemoetkoming
voldoet. Voorwaarden voor het recht op
tegemoetkoming zijn dat men
belastingplichtige is als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b of c, en dat men
de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
In de meeste gevallen (alle binnenlands
belastingplichtigen) zal de
tegemoetkoming ingaan met ingang van de
eerste dag van de maand waarin men de
leeftijd van 65 jaar bereikt. Er zijn
echter ook gevallen denkbaar waarin de
tegemoetkoming op een latere datum
ingaat, bijvoorbeeld wanneer men zich na
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
in Nederland vestigt en men dus pas na
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
binnenlands belastingplichtige wordt.
Artikel
5 (betaalbaarstelling van de
tegemoetkoming)
Eerste
lid
De
tegemoetkoming wordt door de SVB
uitbetaald. Deze betaling vindt plaats
zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld. In artikel
4:86, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) is bepaald dat een verplichting
tot betaling van een geldsom door een
bestuursorgaan bij beschikking moet
worden vastgesteld. Artikel
4:88, eerste
lid, van de Awb biedt echter de
mogelijkheid om bij wettelijk
voorschrift daarvan af te wijken, mits
in dat geval wordt bepaald binnen welke
termijn de betaling moet plaatsvinden.
Van deze mogelijkheid is in dit geval
gebruikgemaakt. Voorgeschreven is dat
de betaling als regel maandelijks
geschiedt. Dit voorschrift verplicht er
slechts toe de uitbetaling van de
tegemoetkoming over een maand uiterlijk
te doen plaatsvinden vóór het
verstrijken van de desbetreffende maand.
Ingevolge
artikel 4:89, eerste lid, van de Awb
dient de betaling te geschieden door
bijschrijving op een daartoe door de
belastingplichtige bestemde
bankrekening. Ingevolge het derde lid
van genoemd
artikel 4:89 vindt de
betaling door bijschrijving plaats op
het tijdstip waarop de rekening van de
belastingplichtige wordt gecrediteerd.
De SVB zal ten aanzien van in Nederland
wonende uitkeringsgerechtigden de
tegemoetkoming uitbetalen in de laatste
week van de maand, in overeenstemming
met de in Nederland bij het
bedrijfsleven en de overheid gangbare
praktijk.
rblz.|10|
Tweede
lid
Indien
een aanvraag als bedoeld in artikel
3,
tweede lid of het vierde lid (zie
hierna), ziet over kalenderjaren die
liggen vóór vijf jaar vóór de aanvraag,
dan wordt de tegemoetkoming over die
jaren niet uitbetaald. De SVB
kan
afwijken in bijzondere gevallen,
bijvoorbeeld in de situatie dat de belastingdienst
in het buitenland pas na
die vijf jaar uitsluitsel geeft over de
noodzakelijke fiscale gegevens.
Derde
tot en met vijfde lid
Indien
het de SVB zou blijken dat aan een
belastingplichtige ten onrechte geen
tegemoetkoming is uitbetaald, dan dient
de SVB alsnog zo snel mogelijk, maar
uiterlijk binnen acht weken, tot
uitbetaling over te gaan.
Mocht
niettemin een belastingplichtige ten
onrechte geen tegemoetkoming uitbetaald
hebben gekregen, dan kan hij daartoe een
verzoek bij de SVB indienen, die dan
binnen acht weken na de datum van
ontvangst van dat verzoek daarop een
beslissing dient te nemen. De termijn
van acht weken is in overeenstemming met
de in artikel
4:13, tweede lid, van de
Awb genoemde redelijke beslistermijn. Op
grond van het vijfde lid kan de SVB deze
termijn verlengen met een redelijke
termijn indien de beslissing tot
betaling niet binnen acht weken kan
worden genomen.
Zesde
lid
Indien
een buitenlandse belastingplichtige
recht heeft op de
koopkrachttegemoetkoming en deze
derhalve in het buitenland dient te
worden betaald, geschiedt de betaling,
in afwijking van artikel
4:89, derde
lid, van de
Awb, op het tijdstip waarop
de rekening van de daartoe door de
belastingplichtige aangewezen bank wordt
gecrediteerd. Dit is zo geregeld omdat
op het moment dat de buitenlandse bank
het geld van de SVB
ontvangt het vaak
nog enkele dagen duurt voordat de
rekening van de schuldeiser gecrediteerd
wordt. Gevolg hiervan is dat er kans
bestaat op overschrijding van de termijn
waarbinnen de betaling moet
plaatsvinden, terwijl de SVB hier geen
invloed op heeft. Voorgesteld wordt dan
ook om als tijdstip van betaling het
moment te kiezen waarop de buitenlandse
bank het geld van de SVB ontvangt.
Zevende
lid
Op
basis van een machtiging van de
gerechtigde kan de
koopkrachttegemoetkoming worden
overgemaakt op een bank- of girorekening
van een ander dan van hemzelf.
Artikel
6 (einde van het recht op de
tegemoetkoming)
Wanneer
de belastingplichtige nadat de
tegemoetkoming is uitbetaald daarvoor
niet of niet meer in aanmerking komt,
omdat hij niet of niet meer voldoet aan
de voorwaarden voor het recht op een
tegemoetkoming, eindigt dat recht met
ingang van de dag dat de
belastingplichtige niet meer aan de
voorwaarden voldoet. Dit kan
bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de
belastingplichtige Nederland verlaat en
niet wordt voldaan aan het criterium dat
90% van het inkomen aan de Nederlandse
inkomstenbelasting is onderworpen.
Dit
artikel is ook van toepassing bij
overlijden van de belastingplichtige. In
dat geval eindigt het recht op de
tegemoetkoming met ingang van de dag
volgende op de dag waarop de
belastingplichtige is overleden.
rblz.|11|
Artikel
7 (terugvordering van de tegemoetkoming)
Een
tegemoetkoming die onverschuldigd is
betaald, wordt door de SVB
van de
belastingplichtige teruggevorderd. De
SVB kan echter besluiten daarvan geheel
of gedeeltelijk af te zien als daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. Bij
dringende redenen kan worden gedacht aan
een situatie waarin de sociale of
financiële omstandigheden van de
belanghebbende zich verzetten tegen
volledige terugvordering. De SVB kan ook
van terugvordering afzien indien het te
vorderen bedrag een door Onze Minister
vast te stellen bedrag niet te boven
gaat.
Artikel
8 (schuldregeling)
De
in dit artikel opgenomen bepaling is
vrijwel identiek aan de bepaling die
sinds 19 december 2008 in diverse socialeverzekeringswetten is opgenomen
bij de Wet van 4 december 2008 tot
wijziging van enkele
socialezekerheidswetten teneinde de
Sociale verzekeringsbank en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid
te geven om van terugvordering af te
zien door medewerking aan voorstellen
tot schuldregeling (Stb.
2008, 510). Voor een
uitvoerige toelichting wordt verwezen
naar de desbetreffende Kamerstukken (Kamerstukken
II 2007-2008, 31 586).
Dit
artikel maakt het mogelijk dat op het
moment dat een voorstel tot
schuldregeling wordt gedaan, hieraan
medewerking kan worden verleend door af
te zien van een gedeelte van een
vordering als gevolg van een
onverschuldigde betaling. Met het
voorgestelde artikel krijgt de SVB
de
bevoegdheid om, na een verzoek daartoe
van de schuldenaar en met inachtneming
van enkele voorwaarden, te besluiten om
gedeeltelijk af te zien van een
vordering op het moment dat een
schuldregeling wordt aangeboden.
In
het eerste lid worden de voorwaarden
vermeld waaraan minimaal moet zijn
voldaan voordat de SVB
kan besluiten
(deels) af te zien van een vordering en
kan instemmen met een voorstel tot een
schuldregeling. Deze voorwaarden zijn
cumulatief: in het voorstel tot
schuldregeling dient duidelijk te zijn
gemaakt dat in ieder geval aan elk van
deze eisen is voldaan. Het uitgangspunt
voor de beoordeling is een voorstel tot
schuldregeling gedaan door de
schuldenaar. De SVB beoordeelt of er in
het voorstel tot schuldregeling sprake
is van een situatie waarin de
schuldenaar niet in staat wordt geacht
zijn schulden te voldoen of dat hij in
de toestand verkeert dat hij is
opgehouden te betalen, zoals bedoeld in
onderdeel a. Dit betekent dat een
structurele problematische
schuldsituatie zeer binnenkort te
verwachten valt of al is ingetreden.
Onderdeel b stelt als voorwaarde dat de
medewerking van de SVB redelijkerwijs
noodzakelijk is. De SVB moet, al dan
niet na enig beperkt onderzoek, aan de
hand van het voorstel tot schuldregeling
de conclusie trekken dat een
schuldregeling zonder het betrekken van
de vordering van de SVB in redelijkheid
niet mogelijk is. Het is daarvoor
noodzakelijk dat de SVB een beeld heeft
van de totale schuldensituatie en het
inkomen of eventuele vermogen van degene
van wie wordt teruggevorderd. De SVB
moet zich aan de hand van het voorstel
tot schuldregeling voorts op de hoogte
kunnen stellen van de eisen van de
overige schuldeisers en of sprake is van
een akkoord waarbij alle schuldeisers
zijn betrokken. Op grond van onderdeel c
dient uit het voorstel tot
schuldregeling te blijken dat de
vordering van de SVB minstens evenredig
met de vorderingen van de overige
schuldeisers van gelijke rang wordt
voldaan. Bij de beoordeling op dit punt
speelt de zwaarte van het financiële
belang dat de SVB heeft bij volledige
nakoming een rol. Onderdeel d houdt in
dat een goed onderbouwd en betrouwbaar
voorstel tot schuldregeling tot stand
moet zijn gekomen met behulp van een
onafhankelijke en deskundige
schuldhulpverlener. Artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet biedt een rblz.|12|
aanknopingspunt voor de
onafhankelijkheid of deskundigheid van
de desbetreffende schuldhulpverlener.
Het kan bijvoorbeeld gaan om een
voorstel tot schuldregeling dat tot
stand is gekomen volgens de "Gedragscode
Schuldregeling" van de NVVK [Nederlandse
Vereniging voor Volkskrediet, red.]. Voordat medewerking aan een
schuldregeling kan worden verleend,
dient uit het voorstel tot
schuldregeling te blijken dat het
uiterste is gedaan om een volledige
betaling van de vordering tot stand te
brengen. Aangezien het gaat om
onverschuldigd betaald publiek geld is
deze voorwaarde van groot belang bij de
beslissing om van terugvordering af te
zien en mee te werken aan een voorstel
tot schuldregeling. Daarbij speelt een
rol waartoe een schuldenaar
redelijkerwijs financieel in staat kan
worden geacht of de omstandigheid dat
redelijkerwijs is te voorzien dat geen
alternatieven aanwezig zijn die
uitzicht bieden op betaling van de
vordering. Onderdeel e bepaalt dat bij
medewerking aan een schuldregeling
mogelijke concurrentieverstorende
effecten bezien moeten worden. Bij
medewerking aan schuldregelingen van
natuurlijke personen dient geen sprake
te zijn van een schuld die is ontstaan
in relatie met activiteiten van
betrokkene als ondernemer. Dit onderdeel
is van belang in het kader van de
verantwoordelijkheid van de
rijksoverheid om indirecte,
ongeoorloofde staatssteun te voorkomen.
Tot
slot wordt in onderdeel f voorgesteld om
slechts medewerking te verlenen aan een
schuldregeling indien artikel 349 van de
Faillissementswet
(Fw) toegepast zal
worden bij de uitdeling. Op grond van
dit artikel en de in artikel 9
voorgestelde preferentie van de
vordering van de SVB krijgt de SVB, als
uiteindelijk een schuldregeling tot
stand komt, tweemaal zoveel betaald als
een concurrente schuldeiser indien de
vordering van de SVB nog niet geheel is
voldaan.
Bij
medewerking aan een gedwongen
schuldsaneringstraject zou dit eveneens
het geval zijn geweest. Het wetsvoorstel
beoogt niet om het minnelijke
schuldsaneringstraject te ontmoedigen.
Met
betrekking tot de toepassing van de
criteria, bedoeld in het eerste lid, kan
de SVB nadere uitwerking geven in
beleidsregels. Hierin kunnen regels
worden opgenomen over de persoon en de
positie van de schuldhulpverlener of
regels ter voorkoming of beperking van
ongewenste neveneffecten voor andere
gevallen door medewerking aan een
schuldregeling. Medewerking aan een
schuldregeling kan overigens naast de in
de voorgestelde wetswijzigingen
beschreven omstandigheden ook op andere
gronden worden geweigerd, mits dat op
redelijke gronden gebeurt. Te denken
valt aan de situatie waarin er in de
tien jaar voorafgaand aan het
desbetreffende verzoek eerder sprake is
geweest van een schuldregeling waaraan
de SVB heeft meegewerkt, maar die niet
is nagekomen. Zonder aanvullende
omstandigheden is het in dat geval niet
waarschijnlijk dat een nieuwe
schuldregeling en het opnieuw
(gedeeltelijk) afzien van de vordering
een positief effect zal hebben op de
positie van de betrokkene. De
redelijkheid van de beslissing van de
SVB kan in deze gevallen op grond van de
Fw
door de rechter worden getoetst.
In
het tweede lid wordt voorgesteld dat het
besluit tot het afzien van de (verdere)
terugvordering pas definitief wordt
nadat een voorstel tot schuldregeling
door de overige schuldeisers is
geaccordeerd en aan de in het eerste lid
genoemde vereisten voldoet. Het gaat
daarbij om een voorwaardelijke
instemming. De SVB
kan instemmen met een
gedeeltelijke betaling onder het
gelijktijdig verlenen van finale
kwijting voor het restant van de
terugvordering. Echter, wanneer
bijvoorbeeld sprake is van een
schuldregeling die uiteindelijk niet
tot stand komt of niet wordt nagekomen,
wordt het besluit om af te zien van
terugvordering ingetrokken. Er wordt in
het tweede lid een limitatieve opsomming
gegeven van de situaties die leiden tot
intrekking van het besluit tot het
afzien van terugvordering of tot het ten
nadele van de schuldenaar wijzigen van
dat besluit. Dit betekent dat nadat
één of meerdere van die rblz.|13|
situaties zich
hebben voorgedaan en het
intrekkingsbesluit is genomen, de
verplichting voor de SVB om terug te
vorderen, herleeft. Dit brengt met zich
mee dat de SVB in het kader van
medewerking aan een voorstel tot
schuldregeling bij de eerdere
besluitvorming ten aanzien van het
afzien van terugvordering een voorbehoud
moet maken voor deze omstandigheden. De
in het tweede lid genoemde situaties
kunnen zich tijdens de looptijd van de
schuldregeling voordoen en vinden (met
uitzondering van onderdeel a) hun
oorzaak in gedrag van de schuldenaar
zelf. De situatie, bedoeld in onderdeel b, doet zich bijvoorbeeld voor als de
schuldenaar het betalen van de
aflossingsbedragen aan de SVB staakt,
dan wel stelselmatig te laat of te
weinig aflost. Onderdeel c heeft
betrekking op het niet of onjuist
verstrekken van inlichtingen aan de SVB
of de bemiddelende schuldhulpverlener,
waardoor de SVB ertoe is gebracht een
onjuiste beslissing te nemen. Het kan
hierbij bijvoorbeeld gaan om het
verzwijgen van eigen financiële
middelen of van financiële middelen
die weliswaar aanwezig zijn, maar
waarover pas op een later tijdstip kan
worden beschikt.
In
het derde lid wordt een
delegatiebevoegdheid voorgesteld om bij
ministeriële regeling nadere regels te
stellen ten aanzien van de bevoegdheid
om mee te werken aan buitengerechtelijke
schuldregelingen. Hierbij kan gedacht
worden aan regels ten aanzien van
hetgeen waartoe een schuldenaar
redelijkerwijs financieel in staat kan
worden geacht bij een schuldregeling,
ten aanzien van mogelijke alternatieven
die ook kunnen leiden tot betaling van
de vordering of regels ter voorkoming
van ongewenste precedentwerking.
Artikel
9 (bevoorrechte vordering)
De
in dit artikel opgenomen bepaling is
vrijwel identiek aan de bepaling die
sinds 19 december 2008 in diverse socialeverzekeringswetten is opgenomen
bij de Wet van 4 december 2008 tot
wijziging van enkele
socialezekerheidswetten teneinde de
Sociale verzekeringsbank en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de mogelijkheid
te geven om van terugvordering af te
zien door medewerking aan voorstellen
tot schuldregeling (Stb.
2008, 510). Voor een
uitvoerige toelichting wordt verwezen
naar de desbetreffende Kamerstukken (Kamerstukken
II 2007-2008, 31 586).
Met
artikel 9 wordt voorgesteld aan
vorderingen op grond van genoemde wetten
een preferentie toe te kennen. Deze
preferente status is geformuleerd
overeenkomstig de preferentie die
vorderingen van gemeenten in dit soort
situaties op dit moment bezitten bij
terugvorderingen en in faillissementen.
Een vordering van de SVB
krijgt zowel
bij medewerking aan schuldregelingen,
minnelijk of niet minnelijk, als
daarbuiten preferentie.
Artikel
10 (karakter van de tegemoetkoming)
Om
het beoogde inkomenseffect van de
tegemoetkoming voor de belanghebbende te
waarborgen, is deze onvervreemdbaar en
niet vatbaar voor verpanding, belening
of beslag.
Op
grond van het tweede lid kan een
machtiging tot uitbetaling van de
tegemoetkoming aan een ander door de
gerechtigde altijd worden ingetrokken.
Artikel
11 (informatieverplichting)
In
dit artikel is een algemene verplichting
opgenomen voor degene die een
tegemoetkoming ontvangt om de SVB
te
informeren over alle feiten en
omstandigheden die van invloed kunnen
zijn op het recht op de tegemoetkoming.
Deze informatieverplichting is met name
van betekenis rblz.|14|
voor de
belastingplichtigen die in het
buitenland wonen of gaan wonen. Voor
buitenlandse belastingplichtigen geldt
naast de leeftijd van 65 als eis dat men
moet voldoen aan het in artikel
1,
onderdeel c, opgenomen criterium dat ten
minste 90% van het inkomen, na
toepassing van regelingen ter voorkoming
van dubbele belasting, in Nederland aan
de belastingheffing wordt onderworpen.
Over deze informatie kan de SVB niet in
alle gevallen ambtshalve beschikken, met
name niet in de situatie dat een
tegemoetkoming voorlopig wordt
vastgesteld op basis van een geschat
wereldinkomen.
Bij
het informeren over feiten en
omstandigheden wordt daarom gedacht aan
mutaties als een verhuizing van
Nederland naar het buitenland of
andersom, een verhuizing in het
buitenland, een wijziging in het inkomen
van de buitenlandse belastingplichtige
of een overlijden van de buitenlandse
belastingplichtige.
Een
verhuizing naar het buitenland kan als
gevolg hebben dat een belastingplichtige
zijn recht op de tegemoetkoming verliest als hij niet voldoet aan het
inkomenscriterium in artikel
1,
onderdeel c; anderzijds betekent een
verhuizing naar Nederland dat een
belastingplichtige recht op de
tegemoetkoming krijgt als hij dat nog
niet had. Een verhuizing in het
buitenland is van belang omdat met het
nieuwe woonland een ander
belastingverdrag van toepassing is of
geen verdrag en het recht op
tegemoetkoming derhalve kan eindigen als
gevolg van die verhuizing. Wijzigingen
in het inkomen zijn uiteraard van belang
in verband met het
90%-inkomenscriterium.
Artikel
12 (bestuurlijke boete)
Indien
als gevolg van het niet voldoen aan de
informatieverplichting ten onrechte
tegemoetkoming is uitbetaald, kan de SVB
een boete opleggen van ten hoogste 100% van het onverschuldigd betaalde
bedrag. Titel 5.4 van de
Awb is hierbij van toepassing.
Artikel
13 (financiering en verantwoording
uitvoering door de SVB)
In
dit artikel wordt de financiering van de
uitvoering van het onderhavige
wetsvoorstel geregeld. Bepaald wordt dat
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid jaarlijks ten laste van
het Rijk aan de SVB
een uitkering
verstrekt voor de lasten van de door hem
uitbetaalde tegemoetkomingen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van dit
wetsvoorstel, en voor de daaraan
verbonden uitvoeringskosten. De
financiering van de nieuwe
koopkrachttegemoetkoming zal dus
rechtstreeks uit de algemene middelen
plaatsvinden. Daarnaast wordt een aantal
bepalingen opgenomen over de wijze
waarop de SVB de uitgaven ten laste van
deze uitkering verantwoordt. Dit gebeurt
op dezelfde wijze als de andere uitgaven
van de SVB. Daarom wordt op de
begroting, beheer en verantwoording door
de SVB van de uitvoering van dit
wetsvoorstel hoofdstuk 8 van de
Wet SUWI
van overeenkomstige toepassing
verklaard. De SVB neemt de raming van de
uitgaven ten laste van de rijksbijdrage
op in de begroting en het jaarplan en
verantwoordt deze via de tussentijdse
verslagen en het jaarverslag. Wel is nog
een aparte bepaling opgenomen over de
wijze van het verantwoorden van de
uitgaven ten laste van deze taak van de
SVB. Dit dient afzonderlijk te gebeuren.
Artikel
14 (wijziging van de Algemene
Ouderdomswet)
Dit
artikel voorziet in het laten vervallen
van paragraaf 4 van hoofdstuk III van de
AOW. Deze paragraaf, die uit slechts
één artikel bestaat (artikel
33b),
regelt de tegemoetkoming in aanvulling
op het AOW-ouderdomspensioen. Met het
vervallen van deze paragraaf vervalt het
recht op de AOW-tegemoetkoming in
aanvulling op het ouderdomspensioen. Ook
de rblz.|15|
bepaling dat de betaling van de
tegemoetkoming geschiedt tezamen met de
betaling van het AOW-ouderdomspensioen
vervalt.
Het
vervallen van artikel
33b heeft tot
gevolg dat het Besluit
tegemoetkoming AOW-ers, dat is gebaseerd op
artikel 33b, vijfde lid,
AOW, van rechtswege
eveneens vervalt.
Artikel
15 (wijziging van de Wet werk en
bijstand)
In
artikel 31, tweede lid, van de Wwb wordt de financiële
tegemoetkoming waarop personen met een
ouderdomspensioen op grond van de AOW
recht hebben, vervangen door de
koopkrachttegemoetkoming op grond van
dit wetsvoorstel. Dit heeft als gevolg
dat de koopkrachttegemoetkoming op grond
van dit wetsvoorstel bij de bepaling van
het inkomen dat bij de vaststelling van
het recht op algemene bijstand in
aanmerking wordt genomen niet tot de
middelen van de belanghebbende wordt
gerekend. Voor de bepaling of men voor
algemene bijstand in aanmerking komt,
moet de koopkrachttegemoetkoming dus
buiten beschouwing worden gelaten. Deze
bepaling is met name van belang voor die
belastingplichtigen die als gevolg van
te weinig opgebouwde verzekerde jaren
geen recht hebben op een volledig
AOW-ouderdomspensioen en in aanmerking
komen voor algemene bijstand in de vorm
van de aanvullende inkomensvoorziening
ouderen (artikel
47a Wwb).
Artikel
16 (wijziging van de Wet financiering
sociale verzekeringen)
In
artikel 83, tweede lid, onderdeel c, van
de Wet financiering sociale
verzekeringen is thans bepaald dat de
lasten van de tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 33b van de AOW, en de daaraan
verbonden uitvoeringskosten ten laste
komen van het Ouderdomsfonds. Tegenover
deze uitgaven uit het Ouderdomsfonds
staan inkomsten in de vorm van een
bijdrage aan het Ouderdomsfonds van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid uit ‘s Rijks kas. Deze
bijdrage wordt verantwoord via de
begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (artikel
51). Omdat de financiering van de
koopkrachttegemoetkoming niet zal
plaatsvinden vanuit het Ouderdomsfonds,
maar rechtstreeks uit de algemene
middelen, voorziet artikel 16 in het
laten vervallen van dit onderdeel c.
Artikel
17 (wijziging van de Wet op de
huurtoeslag)
In
de artikelen 14, tweede lid, en 17,
eerste lid, onderdeel c en d, van de
Wet
op de huurtoeslag wordt de
verwijzing naar de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel
33b van de AOW,
vervangen door een verwijzing naar de
koopkrachttegemoetkoming, bedoeld in dit
wetsvoorstel. In de genoemde artikelen
is geregeld dat het norminkomen voor de
vaststelling van de huurtoeslag met de
tegemoetkoming wordt verhoogd om te
voorkomen dat toekenning van de
tegemoetkoming als gevolg zou kunnen
hebben dat men niet meer in aanmerking
komt voor huurtoeslag.
Artikel
18 (wijziging van de Algemene
nabestaandenwet)
In
artikel 29a, vijfde lid, van de
Algemene
nabestaandenwet (Anw) wordt de
verwijzing naar een tegemoetkoming als
bedoeld in artikel
33b van de AOW
vervangen door een verwijzing naar een
tegemoetkoming als bedoeld in dit
wetsvoorstel. In artikel
29a, vijfde
lid, is geregeld dat een ongehuwde
pensioengerechtigde die recht heeft op
een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 33b van de AOW, geen recht heeft
op de Anw-tegemoetkoming in aanvulling
op een halfwezenuitkering. Hiermee wordt
voorkomen dat de desbetreffende
gerechtigde zowel voor een
tegemoetkoming rblz.|16|
op basis van de AOW
als
voor een tegemoetkoming op basis van de
Anw in aanmerking zou komen. Nu voor de
tegemoetkoming volgens de AOW een
koopkrachttegemoetkoming volgens dit
wetsvoorstel in de plaats komt, dient
eveneens voorkomen te worden dat een
gerechtigde tegelijkertijd op beide
tegemoetkomingen aanspraak zou kunnen
maken.
Artikel
19 (bezwaar en beroep)
Met
dit artikel worden de beschikkingen op
grond van deze
wet aangemerkt als voor
bezwaar vatbare beschikking waarop het
procedure van bezwaar en beroep die is
opgenomen in de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (hoofdstuk V) van
toepassing is. Aldus kan hoger beroep
tegen een uitspraak van de rechtbank
worden ingesteld bij het gerechtshof.
Dit is met name van belang indien er een
geschil bestaat omtrent de vraag of
sprake is van een buitenlandse
belastingplichtige als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c.
Artikel
20 (inwerkingtreding)
In
dit artikel is geregeld dat het tijdstip
van inwerkingtreding van deze
wet bij
koninklijk besluit zal worden
vastgesteld. Vooralsnog wordt daarbij
uitgegaan van een planning die voorziet
in inwerkingtreding met ingang van 1
januari 2011.
Artikel
21 (citeertitel)
Omdat
sprake is van een nieuwe en zelfstandige
regeling, is voorzien in een
citeertitel,
waarin tot uitdrukking is gebracht dat
de wet beoogt een flexibele
tegemoetkoming te creëren om de
mogelijkheid te hebben aan oudere
belastingplichtigen koopkrachtverlies te
compenseren.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H.
Donner
|