|
REGELING van de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2006, nr. DMO/SFI
2733429, houdende het aanwijzen van een rechtspersoon, instellingen en
gegevens, regels met betrekking tot het registreren van werkzaamheden en
wijziging van andere regelingen (Regeling maatschappelijke
ondersteuning)
De Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Gelet op artikel 9,
eerste lid, onderdeel b, artikel 16
en artikel 20, vierde lid, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;
Besluit:
§
1. Algemene bepalingen
Art. 1.
In deze
regeling wordt verstaan onder:
a.
minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport;
b.
wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;
c.
mantelzorger: een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel b, van de wet
verleent;
d.
CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg;
e.
SVB: de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in hoofdstuk
6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
f.
bureau jeugdzorg: een stichting als bedoeld in artikel 4 van de Wet
op de jeugdzorg.
§ 2.
Aangewezen
rechtspersoon en instellingen
Art. 2.
-1. Als rechtspersoon als
bedoeld in artikel 16 van de wet wordt
aangewezen het centraal administratiekantoor, bedoeld in artikel 1, onderdeel
b,
van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.
-2. Als instelling als
bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, voor zover het betreft het
registreren van werkzaamheden betreffende
maatschappelijke opvang en vrouwenopvang,
wordt aangewezen Prismant, gevestigd te Utrecht.
-3. Als instelling als
bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, voor zover het betreft het
registreren van werkzaamheden betreffende
verslavingsbeleid, wordt aangewezen de
Stichting Databeheer Zorg, gevestigd te Houten.
§ 3.
Aangewezen gegevens
Art. 3.
Aangewezen gegevens als
bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdeel b, van de wet zijn:
a. gegevens over de wijze
waarop de gemeente werkt aan de
kwaliteit van de in het kader van de wet geleverde producten en diensten;
b. gegevens over de mate
waarin de gemeente de ingezetenen
betrekt bij de totstandkoming van het beleid betreffende maatschappelijke
ondersteuning, voor ieder in artikel 1,
eerste lid, onderdeel g, van de wet genoemd
onderdeel apart aangegeven;
c. gegevens over de methoden
die de gemeente toepast om de
ingezetenen actief te betrekken bij
de totstandkoming van het beleid
betreffende maatschappelijke ondersteuning en over de mate waarin de gemeente
deze methoden toepast;
d. gegevens over de
activiteiten die de gemeente onderneemt om
het sociale klimaat en de
leefbaarheid in wijken en buurten te bevorderen en
over de mate waarin deze activiteiten
worden uitgevoerd;
e. gegevens over de
faciliteiten die de gemeente biedt bij
opvoedondersteuning en over hoe vaak die faciliteiten worden geboden;
f. gegevens over diensten
betreffende maatschappelijke
ondersteuning die worden aangeboden door middel van een gemeentelijk
informatiepunt over de maatschappelijke
ondersteuning;
g. gegevens over de
faciliteiten die de gemeente biedt op het
terrein van cliëntondersteuning;
h. gegevens over de
ondersteuning of de faciliteiten die de
gemeente mantelzorgers biedt en over de mate
waarin die ondersteuning of die
faciliteiten worden geboden;
i. gegevens over de
ondersteuning of de faciliteiten die de
gemeente aan vrijwilligers biedt, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de
ondersteuning of faciliteiten aan
vrijwilligers in de zorg en die aan overige
vrijwilligers;
j. gegevens over de wijze
waarop en de mate waarin de gemeente
de hulp bij het huishouden heeft afgestemd met zorgfuncties in het kader van de
AWBZ;
k. gegevens over de soort
voorzieningen waarvoor de gemeente een
eigen bijdrage vraagt;
l. gegevens over de wijze
waarop de gemeente het bedrag
berekent dat als eigen bijdrage per
persoon gevraagd wordt;
m. gegevens over de
beschikbaarheid van de plaatsen in de
maatschappelijke opvang of vrouwenopvang in verhouding tot de vraag ernaar;
n. gegevens over de
activiteiten die de gemeente (of regio
waartoe de gemeente behoort) onderneemt om vrouwenopvang te bevorderen en om
huiselijk geweld te voorkomen en
tegen te gaan;
o. gegevens over de
activiteiten die de gemeente (of regio
waartoe de gemeente behoort) onderneemt om de
openbare geestelijke
gezondheidszorg te bevorderen en dak- en thuisloosheid
tegen te gaan;
p. gegevens over de
ondersteuning of de faciliteiten die de
gemeente (of regio waartoe de gemeente behoort) biedt voor de maatschappelijke
zorg voor verslaafden en voor de beperking van
de overlast door verslaving;
q. gegevens over de
activiteiten die de gemeente (of regio
waartoe de gemeente behoort) onderneemt op het terrein van verslavingsbeleid;
r. gegevens over een
inschatting van de uitgaven die bij de
uitvoering van de wet in het voorgaande
jaar zijn gemaakt.
§ 4.
Registreren van
werkzaamheden
Art. 4.
-1. Een instelling waaraan
financiële middelen worden verstrekt
ten behoeve van maatschappelijke
opvang of vrouwenopvang door een gemeente waaraan een uitkering wordt
verstrekt op het terrein van maatschappelijke
opvang of vrouwenopvang op grond
van het eerste of tweede lid van artikel
20 van de wet, registreert de volgende
categorieën gegevens:
a. demografische gegevens
van de cliënt, waaronder verstaan worden
gegevens betreffende:
1º. het geslacht;
2º. de geboortedatum;
3º. de woongemeente;
4º. de herkomst en de
nationaliteit;
5º. de burgerlijke staat;
6º. verblijfsstatus;
7º. het opleidingsniveau;
8º. dagbesteding, bron van
inkomsten en hoogte van schulden;
9º. de woon- en leefsituatie;
b. gegevens over de situatie
van de cliënt, waaronder
verstaan wordt gegevens betreffende:
1º. problemen, waaronder
psychische problemen en verslaving;
2º. kwaliteit van leven;
3º. de zorgbehoeften;
4º. het zorggebruik, ooit en
actueel;
5º. GGZ-indicatie;
c. in- en uitstroomgegevens
van de cliënt, waaronder
gegevens betreffende:
1º. initiatiefnemer/verwijzer
bij aanmelding;
2º. datum inschrijving;
3º. uitvoering
probleeminventarisatie;
4º. reden geen
probleeminventarisatie;
5º. doorverwijzing na
afwijzing (bij geen
probleeminventarisatie);
6º. hulpdoel;
7º. aanbieding van
dienstenaanbod;
8º. reden geen
dienstenaanbod;
9º. doorverwijzing na
afwijzing (bij geen dienstenaanbod);
10º. soort, aantal en duur
diensten;
11º. reden beëindiging
dienstenaanbod;
12º. resultaat dienstenaanbod;
13º. hulpdoel bereikt;
14º. datum uitschrijving;
15º. doorverwijzing na einde
dienstenaanbod.
-2. De in het eerste lid
bedoelde instelling registreert voorts de
volgende gegevens:
a. het aantal beschikbare
plaatsen in de instelling;
b. het aantal bezette
beschikbare plaatsen in de instelling;
c. het aantal
cliëntcontacten.
-3. Aan de te registreren
gegevens dient een unieke cliëntcode te
worden toegevoegd.
Art. 5.
De op grond van artikel 20, eerste en tweede lid, van
de wet aangewezen gemeenten dragen zorg
voor de levering van de in artikel 4
bedoelde gegevens aan de in artikel 2,
tweede lid, aangewezen instelling overeenkomstig
de regels gesteld in het Handboek
Registratie Maatschappelijke Opvang.
Art. 6.
-1. Een instelling waaraan
financiële middelen worden verstrekt
ten behoeve van verslavingsbeleid
door een gemeente waaraan een uitkering
wordt verstrekt op het terrein van het
verslavingsbeleid op grond van het eerste
lid van artikel 20 van de wet,
registreert de volgende categorieën gegevens:
a. demografische gegevens
van de cliënt, waaronder verstaan worden
gegevens betreffende:
1e. het geslacht;
2e. de geboortedatum of de
leeftijd;
3e. de woongemeente;
4e. de herkomst en de
nationaliteit;
5e. het opleidingsniveau, de
belangrijkste activiteiten en de bron
van inkomsten; en
6e. de woon- en leefsituatie;
b. diagnostische gegevens
van de cliënt, waaronder verstaan worden
gegevens betreffende:
1e. de wijze van aanmelding;
2e. de aard, ernst en duur
van de problematiek; en
3e. de aard, ernst en duur
van het middelengebruik;
c. behandelgegevens van de
cliënt, waaronder verstaan worden
gegevens betreffende:
1e. de datum van
inschrijving, van de start en van het einde
van de behandeling; en
2e. het doel en de aard van
de behandeling met inbegrip van het
verstrekken van vervangende middelen, en het aantal hulpverleningscontacten;
d. evaluatiegegevens van de
behandeling van de cliënt, waaronder
verstaan worden gegevens betreffende:
1e. de reden van
uitschrijving;
2e. de evaluatie van het
middelengebruik;
3e. de mate waarin het doel
van de hulpverlening is bereikt; en
4e. de verwijzing naar een
vervolgbehandeling.
-2. De gegevens worden
geregistreerd overeenkomstig het
Landelijk Alcohol- en Drugsinformatiesysteem (LADIS) van de Stichting
Informatievoorziening Verslavingszorg.
§
4A. Uitkering aan mantelzorgers
Art.
6a.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel
19a van de wet.
Art.
6b.
-1.
Een mantelzorger ontvangt ter waardering van zijn werk een uitkering,
indien:
a.
door het CIZ of bureau jeugdzorg op of na 1 augustus 2009 aan een
persoon een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten
minste 371 dagen voor extramurale zorg in het kader van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
en
b.
de onder a bedoelde persoon de desbetreffende mantelzorger als
begunstigde voor de uitkering heeft aangewezen.
-2.
Een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste 371
dagen indien aan een persoon meerdere indicaties zijn afgegeven:
a.
waarvan de geldigheidsduur in het totaal ten minste 371 dagen bedraagt;
en
b.
de begindatum van elke indicatie niet meer dan 42 dagen na de einddatum
van de daaraan voorafgaande indicatie is gelegen.
Art.
6c.
De bevoegdheid tot het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel
19a, eerste lid, van de wet
wordt gedelegeerd aan de SVB.
Art.
6d.
-1.
De toekenning van een uitkering vindt plaats door de SVB
naar aanleiding van een daartoe door de mantelzorger bij de SVB
ingediende aanvraag.
-2.
De SVB zendt een persoon als bedoeld in artikel 6b,
eerste lid, onderdeel a,
een aanvraagformulier. De SVB vermeldt op het aanvraagformulier de datum
van verzending.
-3.
De aanvraag wordt door de mantelzorger ingediend uiterlijk drie maanden
na de dag waarop het aanvraagformulier aan een persoon als bedoeld in artikel
6b, eerste lid, onderdeel a, is toegezonden of uitgereikt. De aanvraag is medeondertekend
door die persoon.
-4.
De aanvraag heeft betrekking op het kalenderjaar waarin de in artikel
6b, eerste lid,¹ bedoelde indicatie is afgegeven.
1. Volgens
de redactie dient "artikel
6b, eerste lid" te worden vervangen door: artikel
6b, eerste lid, onderdeel a.
Art.
6e.
-1.
Voor elke periode van 371 dagen dat een indicatie geldig is, kan de in artikel 6b,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon één mantelzorger als
begunstigde aanwijzen.
-2.
De in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a,
bedoelde persoon kan, met inachtneming van het vorige lid, na telkens
een kalenderjaar na afgifte van de indicatie opnieuw een mantelzorger
als begunstigde aanwijzen, indien de indicatie op die datum nog geldig
is.
-3.
Zijn er meerdere indicaties afgegeven als bedoeld in artikel 6b,
tweede lid, dan geldt voor de toepassing van het vorige lid de oudste
afgiftedatum.
Art.
6f.
-1.
Een persoon als bedoeld in artikel 6b, eerste
lid, onderdeel a, kan per kalenderjaar slechts één mantelzorger als
begunstigde voor de uitkering aanwijzen.
-2.
Een mantelzorger kan per kalenderjaar slechts voor het bieden van zorg
aan één persoon als begunstigde voor een uitkering worden aangewezen.
Art.
6g.
De uitkering bedraagt voor het jaar 2012 €|200,00.
Art.
6h.
De uitkering wordt door de SVB
betaald:
a.
met betrekking tot aanvragen die vóór 1 oktober van enig jaar zijn
ingediend, op of rond 10 november van dat jaar;
b.
met betrekking tot aanvragen die na 1 oktober van enig jaar zijn
ingediend, zo spoedig mogelijk.
Art.
6i.
De SVB kan de artikelen 6b
en 6d, vierde lid, buiten toepassing laten of
daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
6j.
De SVB is belast met de rechtmatige en
doelmatige uitvoering van artikel 19a
van de wet
en deze paragraaf, voor zover de uitvoering niet bij de minister
berust.
Art.
6k.
-1.
Aan de SVB
worden de uitgaven door de minister
vergoed van de uitkeringen die op grond van artikel
19a van de wet
en deze paragraaf door de SVB zijn betaald.
-2.
Aan de SVB worden de volgende kosten door de minister vergoed:
a.
de uitvoeringskosten gemaakt bij de uitvoering van deze paragraaf;
b.
de kosten die verband houden met het beëindigen door de SVB van de
werkzaamheden ter uitvoering van deze paragraaf.
-3.
Op de uitgaven komen in mindering de uitkeringen die zijn terugbetaald.
Op de kosten komen in mindering baten die voortvloeien uit de uitvoering
van deze regeling.
Art.
6l.
Ten behoeve van de uitvoering van artikel 19a
van de wet
en deze paragraaf biedt de SVB aan de minister
aan:
a.
vóór 1 oktober voorafgaand aan enig kalenderjaar een op het aantal te
verwachten indicaties gebaseerde begroting van de in artikel
6k bedoelde uitgaven en kosten, alsmede van de te verwachten
ontvangsten. De begroting behoeft goedkeuring van de minister;
b.
vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar een
aanvraag om een voorschot ten behoeve van komend kalenderjaar. De
minister stelt de hoogte van het voorschot vast;
c.
vóór 1 maart van het lopende kalenderjaar een tussentijdse rapportage
over het lopende kalenderjaar over de in artikel 6k,
eerste en tweede lid, gerealiseerde uitgaven en kosten ten opzichte van
de verstrekte voorschotten;
d.
vóór 15 juli een jaarrekening, een activiteitenverslag en een aanvraag
tot vaststelling, bestaande uit een financiële verantwoording van de in
artikel 6k bedoelde uitgaven, kosten en
ontvangsten van het vorige kalenderjaar. De minister stelt de hoogte van
het definitieve bedrag van de uitkeringen en uitvoeringskosten vast;
e.
vóór 15 juli van het jaar volgend op het kalenderjaar een verklaring van
de accountant van de SVB overeenkomstig een door de minister
vastgestelde modelverklaring. Ten behoeve van de accountantscontrole van
de rechtmatigheid, met inbegrip van de getrouwheid, stelt de minister
een controleprotocol vast.
Art.
6m.
-1.
Het boekjaar van de SVB
is wat betreft de uitvoering van artikel 19a
van de wet
en deze paragraaf gelijk aan het kalenderjaar.
-2.
Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en ontvangsten en de
begrote uitgaven en ontvangsten doet de SVB daarvan onverwijld
schriftelijk mededeling aan de minister
onder vermelding van de oorzaak van de verschillen en onder overlegging
van de relevante stukken.
Art.
6n.
Ten behoeve van de controle van de in artikel 6k
bedoelde uitgaven, kosten en ontvangsten verschaft de SVB
desgevraagd aan de door de minister daartoe
aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld in artikel 66,
eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2001, de voor deze controle benodigde informatie en verleent
desgevraagd aan deze ambtenaren toegang tot en inzage in alle gegevens
die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen.
Art.
6o.
De SVB voert een zodanig ingerichte
afzonderlijke administratie dat daaruit te allen tijde de voor de
vaststelling van de in artikel 6k, eerste en
tweede lid, bedoelde uitgaven en kosten van belang zijnde rechten en
verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden
nagegaan.
Art.
6p.
-1.
De SVB
verstrekt desgevraagd aan de minister
kosteloos de voor de uitoefening van zijn taak in verband met artikel
19a van de wet
en deze paragraaf benodigde inlichtingen. De minister kan toegang
vorderen tot en inzage vorderen in gegevens en bescheiden, voor zover
dat voor de vervulling van zijn taak in verband met deze wet
redelijkerwijs nodig is en voor zover deze gegevens en bescheiden niet
herleidbaar zijn tot gegevens en bescheiden over individuele personen.
-2.
De minister is bevoegd de door de SVB verstrekte inlichtingen en de
informatie verkregen uit de inzage in gegevens en bescheiden, bedoeld in
het eerste lid, te gebruiken, te bewerken en aan derden te verstrekken,
voor zover deze niet tot gegevens van en inlichtingen over individuele
personen herleidbaar zijn.
§ 5.
Wijziging van
andere regelingen
Art. 7.
In artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, van de Regeling
OCW dagarrangementen en combinatiefuncties wordt "Welzijnswet 1994" vervangen door:
Welzijnswet 1994 zoals die luidde op
1 maart 2006.
§ 6.
Slotbepalingen
Art. 8.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari
2007.
Art. 9.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling maatschappelijke
ondersteuning.
Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant
geplaatst.
De Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp.
TOELICHTING
[14 december 2006]
Algemeen
Met onderhavige regeling worden verschillende bepalingen van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitgevoerd. Het gaat om het
aanwijzen van gegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
b,
van de Wmo, het aanwijzen van een rechtspersoon als bedoeld in
artikel
16 van de Wmo, het aanwijzen van instellingen als bedoeld in
artikel 20,
vierde lid, van de Wmo en om bepalingen over het registreren van
werkzaamheden, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de
Wmo. In
paragraaf 5 wordt een regeling gewijzigd waarin wordt verwezen naar de
Welzijnswet 1994, omdat de Welzijnswet 1994 met ingang van 1 januari
2007 wordt ingetrokken.
Artikelsgewijs
§
1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze bepaling is de definitiebepaling en bevat een definitie van: de wet.
§
2. Aangewezen rechtspersoon en instellingen
Artikel 2
In het eerste lid wordt het centraal administratiekantoor aangewezen als
de rechtspersoon die belast wordt met het vaststellen en innen van een
eigen bijdrage (artikel 16 van de Wmo).
Tijdens de parlementaire
behandeling van de Wmo heeft de regering al
aangegeven het gewenst te vinden dat
de eigenbijdrageregeling voor de extramurale zorg op grond van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de eigenbijdrageregeling voor de
voorzieningen op grond van de Wmo goed
op elkaar aansluiten om een
mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor
individuen te begrenzen (Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 36).
Daarnaast heeft de Tweede Kamer een motie
(Kamerstukken II 2004-2005, 29538, nr. 26) aanvaard waarmee de Tweede Kamer
het oordeel uitspreekt dat burgers
één rekening krijgen voor de eigen bijdragen
op grond van de AWBZ en de eigen
bijdragen op grond van de Wmo.
Om deze redenen wordt het
centraal administratiekantoor met
de vaststelling en inning van de eigen bijdrage op grond van de Wmo belast.
Het centraal administratiekantoor is
immers de rechtspersoon die ook
belast is met de vaststelling en inning
van de eigen bijdrage voor de extramurale zorg
op grond van de AWBZ.
In het tweede en derde
lid van artikel 2 worden de instellingen
aangewezen waaraan de geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel
20,
vierde lid, van de Wmo, dienen worden te
verstrekt.
Voor zover het gaat om
werkzaamheden betreffende
maatschappelijke opvang en vrouwenopvang
wordt aangewezen Prismant.
Voor zover het gaat om
werkzaamheden betreffende
verslavingsbeleid wordt aangewezen de Stichting Databeheer Zorg. Thans is aangewezen
de Stichting Informatievoorziening
Verslavingszorg. Met ingang van 1 januari
2007 draagt deze stichting echter de
naam Stichting Databeheer Zorg.
Met deze aanwijzingen
wordt de bestaande situatie
gecontinueerd. Prismant en de Stichting
Databeheer Zorg (voorheen de Stichting
Informatievoorziening Verslavingszorg) zijn ook
nu aangewezen in artikel 2 van de Registratieregeling maatschappelijke opvang
en vrouwenopvang
respectievelijk in artikel 2 van de Registratieregeling verslavingsbeleid.
Deze beide regelingen
zijn gebaseerd op de Welzijnswet
1994 en komen met ingang van 1
januari 2007 te vervallen.
Tot slot dient opgemerkt
te worden dat Prismant in de loop van
2007 zijn werkzaamheden overdraagt aan een andere instelling. Hiertoe wordt
in 2007 door het ministerie van VWS
een aanbestedingsprocedure gestart.
§ 3. Aangewezen gegevens
Artikel 3
Op grond van
artikel 9,
eerste lid, onderdeel b, van de Wmo dienen de
gemeenten bij ministeriële regeling aangewezen gegevens over prestaties
op het gebied van maatschappelijke
ondersteuning betreffende het
voorgaande kalenderjaar te publiceren. In artikel
3 van de onderhavige regeling worden deze
gegevens aangewezen.
De aangewezen gegevens
dienen op grond van artikel 9,
tweede lid, van de Wmo aan de Minister van VWS of een door hem aan te wijzen
instelling te worden verstrekt. In het
derde lid van artikel 9 van de Wmo
wordt bepaald dat de Minister van VWS er
zorg voor draagt dat op basis van
door de gemeente verstrekte gegevens vóór
1 januari volgend op de in het
tweede lid genoemde datum een rapportage wordt opgesteld en gepubliceerd waarin de
gegevens van de gemeenten worden vergeleken. In deze rapportages worden gemeenten vergeleken op
basis van de gegevens, genoemd in
artikel 3 van de onderhavige regeling, en
op basis van de gegevens over de
tevredenheid van vragers van maatschappelijke
ondersteuning over de uitvoering van de wet. Het doel van deze rapportages
is om burgers en maatschappelijke
organisaties in staat te stellen op eenvoudige
wijze de prestaties van hun gemeente op het
terrein van de maatschappelijke
ondersteuning te beoordelen en deze te
vergelijken met de prestaties van andere
gemeenten. De prestatiegegevens dienen
dan ook vergelijkbaar te zijn. Ten aanzien van
het tevredenheidsonderzoek
bepaalt het eerste lid, onderdeel a, van artikel
9 van de Wmo dat die wordt
gehouden volgens een methode die na
overleg met representatieve organisaties op het
gebied van maatschappelijke
ondersteuning tot stand is gekomen. Voor
het overige stelt de Minister van VWS met
de onderhavige regeling vast om welke
gegevens het gaat. Het staat de
gemeenten vanzelfsprekend vrij om indien gewenst
aanvullende gegevens te publiceren
ten behoeve van de
informatievoorziening van de gemeente aan de burgers.
Gemeenten kunnen
desgewenst voor de verstrekking van de
aangewezen gegevens aan de Minister
van VWS of aan de door de minister
aan te wijzen instelling gebruik maken
van de vragenlijst die opgenomen is in de "Gereedschapskist Wmo",
zie www.invoeringwmo.nl.
Over onderdeel l het
volgende. In het Besluit maatschappelijke
ondersteuning is in artikel 4.1
opgenomen hoe de gemeenten de eigen
bijdrage kunnen berekenen. In dit besluit
zijn de variabelen bij deze berekening
gemaximeerd. De gemeenten hebben de
mogelijkheid om de eigen bijdrage
lager vast te stellen, door één of meer
variabelen in de berekening te wijzigen
ten opzichte van het maximum in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. De
uitkomsten die hierdoor kunnen
ontstaan, zijn divers. Burgers kunnen de
gemeenten moeilijk beoordelen op
het beleid ten aanzien van de eigen
bijdrage als er uitsluitend inzicht is in deze
uiteenlopende uitkomsten. Het
gemeentelijke beleid kan beter worden beoordeeld als de variabelen bij het bepalen van de
eigen bijdrage inzichtelijk
zijn. Vandaar dat in onderdeel l wordt
gevraagd naar de wijze waarop de gemeente het
bedrag berekent dat als eigen bijdrage per persoon gevraagd wordt.
Bij onderdeel r wordt
gevraagd om achteraf een inschatting
te maken van de uitgaven die in het voorgaande jaar bij de uitvoering van de Wmo zijn gemaakt. Er zijn geen richtlijnen
op basis waarvan de gemeenten op uniforme
wijze de begroting en
verantwoording opstellen. Het is daardoor voor de
hand liggend dat niet alle gemeenten
de uitgaven op het terrein van
maatschappelijke ondersteuning onderscheidend begroten
en verantwoorden. De vraag
naar de precieze uitgaven in het kader van
de uitvoering van de Wmo in het
voorgaande jaar zou derhalve een grote
administratieve last bij gemeenten neerleggen. Vandaar dat in onderdeel r aan
gemeenten wordt gevraagd om achteraf een
inschatting te geven van de jaarlijkse
uitgaven aan de uitvoering van de Wmo.
Hiermee wordt bereikt dat burgers op hoofdlijnen inzicht krijgen in de
gemeentelijke uitgaven aan de Wmo.
§ 4. Registreren van
werkzaamheden
De huidige
Registratieregeling verslavingsbeleid en Registratieregeling maatschappelijke opvang
en vrouwenopvang zijn gebaseerd op de Welzijnswet
1994. De Welzijnswet 1994
wordt met ingang van 1 januari
2007 ingetrokken, dus komen de genoemde
registratieregelingen met ingang van 1 januari 2007 te vervallen. In
paragraaf 4 van de onderhavige regeling
worden de bepalingen betreffende het
registreren van werkzaamheden, nu
gebaseerd op het vierde lid van artikel 20
van de Wmo, opnieuw vastgesteld.
Artikel 4
Sinds 2005 bestaat een
registratieplicht voor instellingen in de
maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.
De gegevens, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, hebben betrekking op
de cliënt of zijn aan de cliënt gekoppeld. De bron voor deze gegevens vormt
het registratiesysteem van de instelling. Dat
geldt niet voor de gegevens,
bedoeld in het tweede lid van artikel 4.
Die worden door middel van een
jaarlijkse enquête of een aanvullend
onderzoek verzameld.
De te registreren
demografische gegevens, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel a, moeten per instelling inzicht geven in de
omvang van zowel de bereikte populatie als
specifieke doelgroepen die opgevangen worden,
zoals bijvoorbeeld
zwerfjongeren. De te registreren verblijfsgegevens,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b en c, moeten per instelling
inzicht geven in de verblijfsduur, geconstateerde problematiek van de cliënten bij
intake en de nog aanwezige problemen aan
het einde van het dienstenaanbod, de
contacten met hulpverleningsinstellingen
die de cliënt voordien heeft gehad en
eventuele eerdere contacten met politie en
justitie en de mate waarin het doel van
het verblijf bereikt is. Het
cliëntregistratiesysteem dat de instelling
hanteert, zal de gegevens moeten opleveren. De probleemgegevens hebben betrekking op
huisvesting, relaties, financiën,
dagelijkse activiteiten en functioneren, justitie en veiligheidskwesties,
lichamelijk functioneren, psychische functioneren
en verslaving. Het
registreren van zorgbehoeften moet inzicht geven in de
mate waarin een cliënt last
heeft van problemen en in hoeverre hulp
noodzakelijk is. Het zorggebruik ooit
heeft betrekking op de soort voorziening
waar de cliënt eerder hulp kreeg. Het
zorggebruik actueel betreft de instanties
waarmee de cliënt contact heeft
gedurende het dienstenaanbod van de maatschappelijke opvang.
De gegevens, genoemd in
artikel 4, tweede lid, hebben
betrekking op het aantal plaatsen per
instelling (capaciteit), het aantal
bezette plaatsen (bezettingspercentage) en
het aantal cliëntcontacten.
In 2007 zal overgegaan
worden tot volledige registratie van
artikel 4. Dit gebeurt op basis van de uitkomsten van een pilot. Dit kan leiden
tot een wijziging van de in artikel 4
genoemde gegevens.
Per 1 januari 2007 kan
een specifieke uitkering op grond van
artikel 20, eerste lid, van de Wmo ook worden verleend ten behoeve van beleid op
het terrein van openbare geestelijke
gezondheidszorg (OGGZ). Daardoor worden
centrumgemeenten beter in staat gesteld activiteiten te
organiseren op het gebied van toeleiding naar de
zorg. Daarbij gaat het om een pakket van
activiteiten, te weten het signaleren,
opsporen en melden, het contact leggen,
contact houden en het toeleiden zelf én
de ongevraagde nazorg. Daarom wordt de OGGZ niet in de regeling opgenomen. Er
is op dit moment voor gekozen geen
aparte registratiesystematiek te ontwikkelen voor deze activiteiten. In de
eerste plaats omdat de huidige
regeling, gelet op de overlap tussen de
doelgroepen uit de OGGZ en de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid, ook voor de OGGZ voldoende inzicht biedt. In de tweede
plaats omdat naar verwachting alle
centrumgemeenten in 2008 een plan van aanpak hebben opgesteld waarin de meeste
activiteiten voor deze doelgroep worden gemonitord. Een apart registratiesysteem
voor de OGGZ biedt daarom te weinig
meerwaarde afgezet tegen de
administratieve lastenverzwaring.
Artikel 5
Het in
artikel 5 genoemde
Handboek Registratie
Maatschappelijke Opvang bevat richtlijnen omtrent
de te registreren gegevens - het betreft
een uitwerking van de in de toelichting
van deze regeling genoemde begrippen - en de wijze waarop deze
geregistreerd dienen te worden. De basis van
de te registreren gegevens vormen de Lijst
van kernindicatoren en de Centrale
gegevensset, waarover het ministerie
van VWS, het Trimbos-instituut,
Prismant en de Federatie Opvang overeenstemming
hebben bereikt in de begeleidingscommissie Monitor Maatschappelijke
Opvang.
Het handboek bevat welke
gegevens minimaal verzameld moeten
worden voor de ambulante voorzieningen voor maatschappelijke opvang
en vrouwenopvang, zoals de dag- en
nachtopvang.
Artikel 6
Sinds 1998 bestaat een
registratieplicht voor instellingen in de
(ambulante) verslavingszorg. Ten behoeve van de vormgeving van het
nationale verslavingsbeleid is het noodzakelijk en wenselijk dat de instellingen voor verslavingszorg
deelnemen aan de uniforme nationale
informatievoorziening en gegevens vastleggen met
betrekking tot de hulpvraag van personen
die zij behandelen of begeleiden.
Het kunnen beschikken
over dergelijke gegevens op nationaal
niveau is tevens noodzakelijk voor Nederlandse deelname aan het European
Centre of Drugs and Drug Addiction (EMCDDA).
In het kader van artikel
8 van de Verordening (EG) nr. 302/93 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 februari 1993 tot
oprichting van het EMCDDA (PbEG L 36) heeft
Nederland zich daartoe verplicht.
Verder wordt op die wijze
bereikt dat informatie beschikbaar komt die het mogelijk maakt periodiek verslag te doen van de wijze waarop
door Nederland inhoud wordt gegeven aan
de verplichting van de adequate preventie- en hulpverleningsmaatregelen
in het kader van diverse
verdragen van de Verenigde Naties.
De gegevens over de
cliënt en de zorg die aan hem wordt
verleend, betreffen allereerst demografische gegevens (onderdeel a), waaronder
ook sociale omstandigheden vallen.
Daarnaast worden ook diagnostische
gegevens vastgelegd (onderdeel b). Het
betreft hier onder meer gegevens met
betrekking tot de ernst van de
verslavingsproblematiek, de gezondheidsproblemen
daaruit voortvloeiend of daarmee
in verband staand en de frequentie
van het middelengebruik. Bij de wijze van
aanmelden moet gedacht worden aan
het aanmelden door de verslaafde zelf
of door toedoen van
gezondheidszorginstellingen dan wel door justitiële
instanties.
De behandelgegevens
(onderdeel c) die worden geregistreerd
richten zich zowel op de duur, het
doel, de aard als de omvang van de
behandeling.
De evaluatiegegevens van
de behandeling vormen het sluitstuk van
de registratieplicht.
De gegevens worden
geregistreerd overeenkomstig de
specificaties van het Landelijk Alcohol- en Drugsinformatiesysteem (LADIS). Deze
specificaties worden slechts na
consultatie van de betrokken instanties
gewijzigd en vastgesteld door de Minister van
VWS.
Instellingen voor
ambulante verslavingszorg sturen de gegevens over cliënten geanonimiseerd
toe aan de landelijke Stichting Databeheer Zorg,
die de gegevens verzamelt en
bewerkt.
De gegevens die verstrekt
worden aan de Stichting Databeheer
Zorg worden tijdens de verzending
vanuit de instelling via moderne technieken
zodanig versleuteld dat deze niet
meer zijn te herleiden tot individuele
personen. Zij komen dus geanonimiseerd
in de landelijke gegevensverzameling aan
en zijn derhalve geen
persoonsgegevens meer in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
§ 5. Wijziging van
andere regelingen
De Welzijnswet
1994 en de
Wvg worden met ingang van 1 januari
2007 (datum van
inwerkingtreding van de Wmo) ingetrokken. In
verband hiermede dienen regelingen waarin
wordt verwezen naar beide of één van beide wetten te worden
gewijzigd. In artikel 7 wordt een regeling
gewijzigd waarin wordt verweven naar de
Welzijnswet 1994.
Artikel 7
Het huidige artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de Regeling
OCW dagarrangementen en combinatiefuncties verwijst naar definities uit de Welzijnswet
1994. De onderhavige wijziging
zorgt ervoor dat deze definities in de Regeling
OCW dagarrangementen en combinatiefuncties blijven gelden ook na de
intrekking van de Welzijnswet 1994.
De datum 1 maart 2006 is
de datum tot waarop de Regeling
OCW dagarrangementen en combinatiefuncties
terugwerkt.
Naast de regeling die in
artikel 7 wordt gewijzigd, zijn er
nog twee regelingen die vóór 1 januari a.s. gewijzigd dienen te worden. In
artikel 3, eerste lid, van de Regeling
gehandicaptenparkeerkaart wordt verwezen naar de Wvg. In de lijst behorende bij
onderdeel 2 van bijlage 1 bij de
artikelen 46, eerste lid, en 49, eerste lid, van de Regeling
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt in de onderdelen j en m verwezen naar de
Welzijnswet 1994. De wijzigingen van
die regelingen zullen de ministeries van
Verkeer en Waterstaat en van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
zelf uitvoeren.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 8
Dit artikel bepaalt dat
deze regeling met ingang van 1 januari 2007
in werking treedt. Dit is ook de
datum van inwerkingtreding van de Wmo.
Artikel 9
Met deze bepaling wordt
de citeertitel van de onderhavige
regeling vastgesteld, namelijk Regeling maatschappelijke ondersteuning.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp.
|
|