|
BESLUIT van 26 april 2005, houdende regels voor de brede doeluitkering sociaal, integratie
en veiligheid van het grotestedenbeleid (Besluit brede doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en
Koninkrijksrelaties van 15 december 2004, nr. 2004-0000041290, Directie
Grotestedenbeleid en Interbestuurlijke Betrekkingen, gedaan mede namens
Onze Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en
Integratie, van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, drs. M. Rutte, en de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 89 van de
Grondwet, artikel
17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet, artikel 10a, eerste en
tweede lid, van de Welzijnswet
1994, artikel 16 van de
Wet inburgering
nieuwkomers en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 21
februari 2005, nr. W04.04.0608/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van 12 april 2005, nr.
2005-0000045459, Directie Grotestedenbeleid en Interbestuurlijke
Betrekkingen, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Justitie, voor
Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede de Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, en de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister belast met de coördinatie van het grotestedenbeleid;
b. G31: de gemeenten
Alkmaar, Almelo, Amersfoort,
Amsterdam, Arnhem,
Breda, Den
Haag, Deventer, Dordrecht,
Eindhoven, Emmen,
Enschede, Groningen,
Haarlem, Heerlen,
Helmond, Hengelo (Overijssel),
´s-Hertogenbosch, Leeuwarden,
Leiden, Lelystad,
Maastricht, Nijmegen,
Rotterdam, Schiedam,
Sittard-Geleen,
Tilburg, Utrecht,
Venlo, Zaanstad en
Zwolle;
c. gemeente: een tot de G31
behorende gemeente;
d. GSB-III-periode: de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december
2009;
e. uitkering: de brede doeluitkering, bedoeld in
artikel 3;
f. centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid:
de G31 met uitzondering van de gemeenten Hengelo
(Overijssel), Lelystad, Schiedam
en Sittard-Geleen;
g. centrumgemeenten voor vrouwenopvang: de
G31 met uitzondering van de
gemeenten Almelo, Deventer,
Hengelo (Overijssel), Lelystad,
Schiedam en Sittard-Geleen;
h. nieuwkomer: de vreemdeling, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, en de Nederlander, bedoeld in artikel
1, eerste
lid, onderdeel a, onder 2º, van de Wet inburgering
nieuwkomers;
i. oudkomer:
1º. persoon die 18 jaar of ouder is, die buiten Nederland is geboren en
behoort tot een etnische minderheidsgroep, die rechtmatig in Nederland
verblijft anders dan voor een tijdelijk doel als bepaald bij of krachtens
de Wet inburgering nieuwkomers en die niet verplicht is om op grond van
de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen;
2º. geestelijke bedienaar als bedoeld in de
Regeling aanwijzing
bijzondere categorieën vreemdelingen ten behoeve van inburgering, die
niet verplicht is om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een
inburgeringsprogramma te volgen;
j. inburgeringsprogramma voor oudkomers: een inburgeringsprogramma dat
oudkomers volgen en waarin het onderdeel Nederlands als tweede taal kan
worden gekoppeld aan onderdelen voor het bereiken van werk, toegang tot
beroepsonderwijs, opvoedingsondersteuning of sociale activering;
k. volwasseneneducatie: onderwijs als bedoeld in artikel
7.3.1, eerste
lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
l. ontwikkelingsprogramma: het
meerjarenontwikkelingsprogramma, bedoeld
in artikel 5, tweede lid;
m. volwassen veelpleger: een persoon van 18 jaar of ouder tegen wie meer
dan tien processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt;
n. jeugdige veelpleger: een persoon van 12 tot en met 17 jaar tegen wie
meer dan vijf processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt;
o. inburgeringsdeel: het deel van de uitkering dat afkomstig is
uit de middelen voor de inburgering van nieuwkomers en voor de
inburgering van oudkomers, gedurende 2005 en 2006;
p. programmadeel: het andere deel van de uitkering dan het
inburgeringsdeel;
q. inburgeringsplichtige: de
inburgeringsplichtige, bedoeld in de
artikelen 1, eerste lid, onderdeel b, en 20 van de Wet inburgering,
die niet behoort tot de inburgeringsplichtigen, bedoeld
in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007,
nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan
wie een persoonsvolgend budget is verstrekt;
r. vrijwillige inburgeraar: de
Nederlander of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering,
het rechtmatig in Nederland verblijvende familielid van voornoemde
vreemdeling of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die
onderdaan is van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen van
verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen
inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering
kan worden opgelegd, en die:
1º. ouder is dan 15 jaar;
2º. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in
Nederland heeft verbleven; en
3º. niet beschikt over een diploma, certificaat of document als bedoeld
in artikel 2.3 van het Besluit inburgering;
4º. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan
de afronding leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of
document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit
inburgering;
5º. geen overeenkomst heeft afgesloten op grond van de Regeling
inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering
allochtone vrouwen G31, dan wel het extensieve deel van de Pilot
inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;
s. geestelijke bedienaar: de persoon, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet inburgering;
t. inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in
artikel 1.1, onderdeel j, van het Besluit
inburgering;
u. gecombineerde
inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit
inburgering;
v. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26
van de Wet inburgering, die niet tevens is
gegeven op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel c,
of artikel 22, tweede lid, van die
wet;
w. kennisgeving: de schriftelijke informatieverstrekking op grond
van artikel 5.3, derde lid, van het Besluit
inburgering;
x. Wet inburgering nieuwkomers: Wet
inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
y. persoonsvolgend budget: budget
dat ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de inburgering van een
persoon als bedoeld in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie
van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de
Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111),
die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van
de Wet inburgering en
die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft.
-2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, loopt de GSB-III-periode
voor de gemeente Sittard-Geleen
van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009.
Art.
2.
Onze Minister oefent de
hem bij of krachtens dit besluit toegekende bevoegdheden uit in
overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede
aangaat.
Art. 3.
Onze Minister verstrekt
voor de GSB-III-periode aan een gemeente een brede doeluitkering ten
behoeve van:
a. de uitvoering van het
ontwikkelingsprogramma;
b. de uitvoering van de
artikelen 4, 5, 6,
eerste lid, en
15 van de Wet inburgering nieuwkomers
en het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005 en
2006; en
c. het in 2009 aanbieden aan de
doelgroep, bedoeld in artikel 1 van de Wet
participatiebudget, van re-integratievoorzieningen als bedoeld in
dat artikel, overeenkomstig artikel 3 van die wet.
Art. 4.
-1. De uitkering wordt
berekend volgens de formule:
A x I + B x J + C x K + D x L + E x M + F x N + G x O + H x P + Q + R
in welke formule
voorstelt:
A: het procentuele
aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en
veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de
rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
B: het procentuele
aandeel van de gemeente in de middelen voor het terugdringen van
voortijdig schoolverlaten die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk
VIII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
C: het procentuele
aandeel van de gemeente in de middelen voor de bestrijding van
gezondheidsachterstanden die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk
XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
D: het procentuele
aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid in de middelen voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die gedurende de GSB-III-periode
vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter
beschikking worden gesteld;
E: het procentuele
aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang in
de
middelen voor vrouwenopvang die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van de
rijksbegroting voor de uitkering ter
beschikking worden gesteld;
F: het procentuele
aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van
nieuwkomers die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de
uitkering ter beschikking worden gesteld;
G: het procentuele
aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van oudkomers
die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting voor de
uitkering ter beschikking worden gesteld;
H: het procentuele
aandeel van de gemeente in de extra middelen voor veiligheid die gedurende
de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van de rijksbegroting voor de
uitkering ter beschikking worden gesteld;
I: de middelen voor
leefbaarheid en veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk
VII van de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
J: de middelen voor het
terugdringen van voortijdig schoolverlaten die gedurende de GSB-III-periode
vanuit hoofdstuk VIII van de rijksbegroting voor de uitkering ter
beschikking worden gesteld;
K: de middelen voor de
bestrijding van gezondheidsachterstanden die gedurende de GSB-III-periode
vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter
beschikking worden gesteld;
L: de middelen voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die gedurende de GSB-III-periode
vanuit hoofdstuk XVI van de rijksbegroting voor de uitkering ter
beschikking worden gesteld;
M: de middelen voor
vrouwenopvang die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk XVI van
de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
N: de middelen voor de
inburgering van nieuwkomers die in 2005 en in 2006 vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting
voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
O: de middelen voor de
inburgering van oudkomers die in 2005 en in 2006 jaar vanuit hoofdstuk VI van de rijksbegroting
voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
P: de extra middelen voor
veiligheid die gedurende de GSB-III-periode vanuit hoofdstuk VII van
de rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
Q: het aandeel van de gemeente in de middelen ten behoeve van:
a. inburgeringsplichtigen, niet bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit
inburgering, en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de
Wet inburgering is
verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, die
gedurende 2007 en 2008 vanuit hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk
XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
b. inburgeringsplichtigen, niet bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit
inburgering, die gedurende 2009 vanuit hoofdstuk XVIII van de
Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld;
c. vrijwillige inburgeraars die gedurende 2007, 2008 en 2009 vanuit
hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor
de uitkering ter beschikking worden gesteld;
R: het aandeel van de gemeente in de middelen ten behoeve van:
a. inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit
inburgering aan wie geen persoonsvolgend budget dan wel lening als
bedoeld in artikel 16 van de Wet inburgering
is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, die
gedurende 2007 en 2008 vanuit hoofdstuk XI respectievelijk hoofdstuk
XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden
gesteld;
b. inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit
inburgering aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt en die
gedurende 2009 vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de
uitkering ter beschikking worden gesteld.
-2. Bij of krachtens regeling van
Onze Minister ¹
wordt de berekeningswijze vastgesteld volgens welke:
a. de procentuele aandelen van de gemeenten, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel A tot en met H, worden bepaald;
b. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel Q, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel zal
bestaan uit:
1º. een vast deel; en
2º. een deel dat wordt berekend op de grondslag van door de gemeente
gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende
bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen;
c. het aandeel van de gemeenten,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel R,
wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel wordt berekend op de
grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd
met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per
kalenderjaar kan verschillen.
-3.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt het bedrag van de aan de
gemeente Sittard-Geleen te
verstrekken uitkering bij regeling van Onze Minister afzonderlijk
vastgesteld.
1. Zie
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.
Art. 5.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente dient binnen acht weken
na inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag tot verlening van de
uitkering in.
-2. De aanvraag gaat
vergezeld van het meerjarenontwikkelingsprogramma waarin de gemeenteraad de
in de GSB-III-periode te bereiken resultaten heeft
vastgelegd.
-3. Een aanvraag tot
verlening van de drie brede doeluitkeringen van het grotestedenbeleid die
door het college van burgemeester en wethouders vóór de inwerkingtreding
van dit besluit is ingediend, wordt mede als een aanvraag tot verlening
van de uitkering aangemerkt.
-4. Het college van burgemeester en wethouders dient vóór 15 april
2007 een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel
4, eerste lid, onderdeel Q. Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing.
-5. Het college van burgemeester en
wethouders dient vóór 15 december van het komende kalenderjaar een
aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onderdeel R. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Art. 6.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders verstrekt aan
Onze Minister een prognose van het aantal oudkomers dat in
2005 en 2006 een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal starten.
-2. Onze Minister geeft bij ministeriële regeling
nadere regels voor de prognose en voor het tijdstip waarop deze moet worden
verstrekt.
Art. 7.
-1. Het
ontwikkelingsprogramma bevat in ieder geval een gemotiveerde keuze van de resultaten
die het gemeentebestuur in de GSB-III-periode wil bereiken ten aanzien van:
a. de bestrijding van criminaliteit gepleegd door volwassen en jeugdige veelplegers;
b. de aanpak van overlast
op straat veroorzaakt door personen;
c. de aanpak van huiselijk geweld;
d. de bestrijding van
criminaliteit in de woonomgeving en in risicogebieden buiten de woonomgeving;
e. het verbeteren van de
veiligheid anders dan bedoeld onder a tot en met d;
f. de aanpak van
onderwijsachterstanden;
g. het aantal personen
onder de 23 jaar dat een startkwalificatie behaalt van ten minste het
niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs;
h. het aantal deelnemers
aan een traject voor volwasseneneducatie, uitgesplitst naar
activiteit als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
i. de aanpak van
overgewicht onder personen van 0 tot 19 jaar;
j. de aanpak van
gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder i;
k. de doorstroming in de
maatschappelijke opvang indien de gemeente behoort tot de
centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid;
l. de capaciteit in de vrouwenopvang indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang;
m. het bereik van de
ambulante verslavingszorg indien de gemeente behoort tot de
centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid;
n. de maatschappelijke
opvang anders dan bedoeld onder k tot en met m indien de gemeente
behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang
en verslavingsbeleid;
o. inburgering van inburgeringsplichtigen en
vrijwillige inburgeraars, te weten:
1º. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet
inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, en het aantal
vrijwillige inburgeraars ten behoeve van wie in 2007 en 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
2º. het aantal inburgeringsplichtigen en het aantal
vrijwillige inburgeraars ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
3º. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie een handhavingsbeschikking zal worden bekendgemaakt dan wel een kennisgeving zal worden verstrekt;
4º. het aantal inburgeringsplichtigen, tevens zijnde geestelijke bedienaar, aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de Wet
inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, en het aantal
vrijwillige inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie in 2007 en 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
5º. het aantal inburgeringsplichtigen en
vrijwillige inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
6º. het aantal inburgeringsplichtigen en
vrijwillige inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, alsmede de omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen;
7º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het
Besluit van de Staatssecretaris van
Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget of een lening als bedoeld in artikel 16 van de
Wet
inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
8º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;
9º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt en
vrijwillige inburgeraars:
a. ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
r, van het Besluit
inburgering zal worden vastgesteld en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de
Wet
inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
b. ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel
r, van het Besluit
inburgering zal worden vastgesteld;
c. ten behoeve van wie in 2008 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19,
derde lid, van de Wet
inburgering zal worden vastgesteld en aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van de
Wet
inburgering is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
d. ten behoeve van wie in 2009 voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de
Wet
inburgering zal worden
vastgesteld.
-2. De resultaten ten
aanzien van de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a tot
en met o, worden geformuleerd met inachtneming van de bij regeling van
Onze Minister vast te stellen indicatoren. Bij de regeling van Onze
Minister worden de categorieën van middelen van het programmadeel
percentsgewijs toegedeeld aan één of meer indicatoren.¹
-3. Indien ten aanzien van één of meer onderdelen geen resultaten worden vastgesteld, bevat
het ontwikkelingsprogramma daarvoor een motivering en worden de
krachtens het tweede lid aan de desbetreffende indicatoren toegedeelde
percentages naar rato toegedeeld aan de overige indicatoren.
-4. Bij regeling van Onze
Minister worden indicatoren vastgesteld voor de maatschappelijke
effecten die zijn bereikt met de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma en
voor het periodiek verschaffen van gegevens daarover aan Onze
Minister.¹ Deze indicatoren hebben betrekking op:
a. slachtofferschap;
b. onveiligheidsgevoelens
in de buurt;
c. verloedering; en
d. sociale kwaliteit.
1. Zie
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.
Art. 8.
-1. De resultaten, bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderdeel a tot en met e, worden afgestemd met
het driehoeksoverleg, bedoeld in artikel 14 van de Politiewet
1993.
-2. In het
ontwikkelingsprogramma worden de uitkomsten van de afstemming vermeld.
Art. 9.
-1.
Onze Minister neemt
een beschikking tot verlening van de uitkering binnen acht weken na het
tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
-2. In een geval als
bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de datum van inwerkingtreding van dit
besluit aangemerkt als het tijdstip van de ontvangst van de
aanvraag.
-3. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de
onderdelen Q respectievelijk R,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door
hem is ontvangen.
-4. De beschikking tot
verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de
uitkering wordt bepaald.
-5. Voor het bepalen van de hoogte van
onderdeel Q, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot:
a. het deel, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, onderdeel b, onder 1º, een vast bedrag vermeld,
bestaande uit:
1º. het bedrag, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel o, onder 4º;
2º. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de
gemeente te verstrekken informatie aan
(potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van
de Wet inburgering;
b. het deel, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, onderdeel b, onder 2º, voor zover betrekking
hebbende op prestaties op grond van de Wet inburgering, in plaats van de
bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel
4, tweede lid, onderdeel b, onder 2º, uitgegaan van
voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij
regeling van Onze Minister te stellen regels.
-6. Voor het bepalen van de hoogte van
onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt
uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald
volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
-7. De uitkering wordt
verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever
voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.
Art.
10.
Onze Minister verleent de
gemeente slechts haar aandeel in de middelen voor de
inburgering van oudkomers indien zij een prognose als bedoeld in artikel
6,
eerste lid, aan Onze Minister heeft
verstrekt.
Art. 11.
-1.
Onze Minister kan een
lager programmadeel verlenen dan het met toepassing van artikel 4
bepaalde programmadeel indien de in het ontwikkelingsprogramma
opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
-2. Onze Minister geeft
niet eerder toepassing aan het eerste lid dan nadat hij het college van
burgemeester en wethouders heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is
daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen
termijn in de gelegenheid heeft gesteld een gewijzigd
ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Art.
12.
Onze Minister verbindt
aan de verlening van de uitkering verplichtingen met betrekking tot:
a. de beschikbaarheid van
een gemeentelijk systeem voor de registratie van de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma;
b. de verstrekking van
gegevens aan Onze Minister over de uitvoering van het
ontwikkelingsprogramma die zijn ontleend aan het gemeentelijk systeem, bedoeld in
onderdeel a.
Art. 13.
-1. Artikel 20,
vierde lid, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning
en de krachtens dat artikellid vastgestelde
ministeriële regelingen zijn van toepassing met dien verstande dat in dat
artikellid voor "Een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in
het eerste en tweede lid wordt verstrekt" wordt gelezen: Een gemeente die
behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang
en verslavingsbeleid of voor vrouwenopvang, bedoeld in artikel 1,
onderdeel f en g, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid.
-2. Het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot de
centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid of tot
de centrumgemeenten voor vrouwenopvang overlegt over de
aanwending van de uitkering met de colleges van burgemeester en
wethouders van de omringende gemeenten.
-3. De door de gemeente
uit de uitkering bekostigde voorzieningen op het terrein van
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en van vrouwenopvang zijn
toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.
Art. 14.
Bij regeling van
Onze Minister worden regels gegeven met
betrekking tot:
a. het sluiten van een
overeenkomst met de oudkomer die start met een inburgeringsprogramma
voor oudkomers;
b. de
inburgeringsprogramma’s voor oudkomers; en
c. de van de oudkomer af
te nemen toetsen.
Art. 15.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders zendt tot en met 2009 vóór 1 april van elk
jaar aan
Onze Minister een verslag over de uitvoering van de
Wet inburgering nieuwkomers en over de door het gemeentebestuur
aangeboden inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005 en 2006.
-2. Het verslag bevat de
bij regeling van Onze Minister vastgestelde gegevens, waartoe in ieder geval behoren:
a. het aantal
beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma, bedoeld in artikel
1,
onderdeel e, van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers, zoals dat luidde op 31 december 2006;
b. het aantal door het
bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen als bedoeld
in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31
december 2006;
c. het aantal oudkomers
dat een inburgeringsprogramma voor oudkomers is gestart en
met wie het gemeentebestuur een overeenkomst heeft gesloten; en
d. het aantal oudkomers
dat een inburgeringsprogramma voor oudkomers heeft afgerond.
-3. Het college van
burgemeester en wethouders zendt vóór 1 april 2007 en vóór 1 april
2008 aan Onze Minister de gegevens over het aantal oudkomers
dat in 2006 respectievelijk 2007 een inburgeringsprogramma voor oudkomers heeft afgerond.
-4. Onze Minister stelt nadere regels vast voor de
inrichting van het verslag, bedoeld in het eerste lid. [Rivn05]
[Rivn06]
Art. 16.
-1. Indien gedurende de GSB-III-periode andere middelen dan bedoeld in artikel 4, eerste lid,
voor de uitkering beschikbaar komen, verhoogt
Onze Minister de verleende
uitkering volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.¹
-2. Bij de regeling,
bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het gemeentebestuur binnen
een bij of krachtens die regeling te bepalen termijn met inachtneming van de bij
of krachtens die regeling vast te stellen indicatoren een wijziging van het
ontwikkelingsprogramma bij Onze Minister indient.¹
-3.
Indien in het kader van een wijziging van het ontwikkelingsprogramma,
bedoeld in het tweede lid, indicatoren worden vastgesteld, is artikel
7, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
-4. De verhoging werkt
terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.
1. Zie
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.
Art. 17.
-1.
Onze Minister kan de
regeling, bedoeld in artikel 4, tweede lid, ten aanzien van de
procentuele aandelen van de gemeenten in de middelen voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang éénmaal wijzigen.
-2. De wijziging geschiedt
niet dan nadat:
a. een onderzoek van Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar de verdeling
van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en
voor vrouwenopvang heeft plaatsgevonden; en
b. het college van
burgemeester en wethouders van de centrumgemeenten voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en het college van burgemeester
en wethouders van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang zijn
gehoord over de resultaten van het onder a bedoelde onderzoek.
-3. Onze Minister brengt
ambtshalve de verlening van de uitkering in overeenstemming met het
gewijzigde procentuele aandeel van de gemeente in de middelen
voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang.
-4. De wijziging werkt
terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.
Art. 18.
-1. De gemeenteraad kan de
in het ontwikkelingsprogramma opgenomen te bereiken
resultaten wijzigen.
-2. Het college van
burgemeester en wethouders zendt een wijziging binnen vier weken na
vaststelling toe aan
Onze Minister.
-3. Binnen tien weken na de ontvangst ervan besluit Onze Minister of de
wijziging van het ontwikkelingsprogramma kan worden bekrachtigd. Indien
het gewijzigde ontwikkelingsprogramma wordt bekrachtigd, kan Onze
Minister tevens besluiten het verleende programmadeel te verlagen.
-4. De verlaging geschiedt
naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren.
-5. Onze Minister geeft
geen toepassing aan het derde lid dan nadat hij het college van
burgemeester en wethouders heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe
over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in
de gelegenheid heeft gesteld een aangepaste wijziging op het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
-6. De verlaging werkt
terug tot en met het tijdstip waarop de uitkering is verleend.
Art.
19.
Onze Minister kan in geval
van majeure wijzigingen van de financieel-economische omstandigheden het verleende programmadeel verlagen.
Art. 20.
-1.
Onze Minister verleent
jaarlijks aan de gemeente één of meer voorschotten op het
programmadeel.
-2. Onze Minister verleent
in 2005 en in 2006 aan de gemeente één of meer voorschotten op het
inburgeringsdeel.
-3. De verlening van de
voorschotten geschiedt volgens bij regeling van Onze Minister te stellen
regels.¹
-4. Voorschotten worden
overeenkomstig de voorschotverlening betaald.
-5. Voorschotten worden
binnen een bij de voorschotverlening te bepalen termijn betaald.
-6. De gemeente besteedt
de ontvangen voorschotten uitsluitend aan activiteiten ten behoeve
van de doeleinden als bedoeld in artikel 3 die in de
GSB-III-periode worden
verricht.
-7. De gemeente kan de
betaalde voorschotten in de jaren 2005 tot en met 2007 mede besteden aan omzetbelasting ter zake
van de in het zesde lid bedoelde activiteiten die ingevolge de Wet
op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.
1. Zie
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid, Stcrt. 2005, 128, red.
Art. 21.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders dient vóór 15 juli 2010 bij
Onze Minister een
aanvraag in tot vaststelling van het inburgeringsdeel.
-2. Bij de beoordeling van de aanvraag
wordt gebruik gemaakt van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 58a van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Art. 22.
-1. Indien
Onze Minister op 15 juli 2010 geen aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel
heeft ontvangen, stelt hij dat deel ambtshalve vast.
-2. Onze Minister gaat
niet over tot toepassing van het eerste lid dan nadat hij het college van
burgemeester en wethouders in de gelegenheid heeft gesteld binnen een
door hem te bepalen termijn alsnog een aanvraag in te dienen.
Art. 23.
-1.
Onze Minister stelt
het inburgeringsdeel overeenkomstig de verlening vast.
-2. Onze Minister kan het
inburgeringsdeel in afwijking van het eerste lid lager vaststellen indien
het gemeentebestuur na verlening van de uitkering niet heeft
voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 14 en 15 bepaalde.
-3. De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag van het
inburgeringsdeel.
-4. Het bedrag van het
inburgeringsdeel wordt overeenkomstig de vaststelling betaald
onder verrekening van betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel.
-5. Het bedrag van het
vastgestelde inburgeringsdeel wordt binnen twaalf maanden na de
vaststelling betaald.
-6. Onverschuldigd
betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel kunnen worden
teruggevorderd zolang nog geen vijf jaren zijn verstreken na de dag waarop het
inburgeringsdeel is vastgesteld.
-7. Onverschuldigd
betaalde voorschotten op het inburgeringsdeel kunnen tevens worden
verrekend met nog door
Onze Minister aan de gemeente
¹ te betalen bedragen.
Art. 24.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders dient vóór 15 juli 2010 bij
Onze Minister een
aanvraag in tot vaststelling van het programmadeel.
-2. Bij
de beoordeling van de aanvraag wordt gebruik gemaakt van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
-3. Indien de in het
ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet volledig zijn behaald
en het gemeentebestuur een verzoek doet als bedoeld in artikel
27, vijfde lid, neemt zij in de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, de verdeling van
de besteding van de verleende voorschotten over die resultaten op.
-4. Onze Minister stelt
binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag het bedrag van
het programmadeel vast.
Art. 25.
-1. Indien
Onze Minister op 15 juli 2010 geen aanvraag tot vaststelling van het programmadeel
heeft ontvangen, stelt hij dat deel ambtshalve vast.
-2. Onze Minister gaat
niet over tot toepassing van het eerste lid dan nadat hij de gemeente in
de gelegenheid heeft gesteld binnen een door hem te bepalen termijn
alsnog een aanvraag in te dienen.
Art. 26.
-1. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, blijkt dat de in het
ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet volledig zijn bereikt, kan
Onze Minister een periode voor het gemeentebestuur vaststellen om de
ontbrekende resultaten alsnog te realiseren.
-2. Het college van
burgemeester en wethouders zendt aan Onze Minister na afloop van de
periode, bedoeld in het eerste lid, binnen een door hem te bepalen
termijn de verantwoordingsinformatie over de realisatie van de
ontbrekende resultaten, bedoeld in het eerste lid. Die
verantwoordingsinformatie wordt vormgegeven volgens het model, bedoeld in
artikel 58a van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
-3.
Indien een deel van de
verleende voorschotten niet is besteed aan de bestedingsdoeleinden,
bedoeld in artikel 3, wordt bij de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24,
tweede lid, tevens verantwoordingsinformatie gevoegd over de besteding
van dat deel.
-4. Indien Onze Minister toepassing heeft
gegeven aan het eerste lid, stelt hij, in afwijking van artikel 24,
vierde lid, binnen de termijn, genoemd in dat lid, het deel van het
bedrag van het programmadeel vast dat overeenkomt met de resultaten die
volledig zijn bereikt. Voor het deel van het bedrag van het
programmadeel dat overeenkomt met de niet volledig bereikte resultaten,
bedoeld in het eerste lid, wordt de termijn, bedoeld in artikel 24,
vierde lid, opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister het
college van burgemeester en wethouders mededeelt dat hij voornemens is
om toepassing te geven aan het eerste lid tot de dag waarop hij het
verslag, bedoeld in het tweede lid, heeft ontvangen.
Art. 27.
-1. Onze Minister
stelt het programmadeel overeenkomstig de verlening vast, met dien
verstande dat:
a. bij het vaststellen van onderdeel
Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente
behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij
regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningswijze en de
voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, worden
vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede
lid, onderdeel b, onder 2º;
b. bij het vaststellen van onderdeel
R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde
resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van
Onze Minister vast te stellen berekeningwijze en de
voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, zesde lid, worden vervangen
door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid,
onderdeel c.
-2. Onze Minister stelt het programmadeel in afwijking van het
eerste lid lager vast, indien:
a. uit de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 24, tweede lid, of artikel 26,
tweede lid, blijkt dat de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten niet
volledig zijn bereikt;
b. het gemeentebestuur
niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 12 aan de verlening van de
uitkering verbonden verplichtingen;
c. de gemeente verleende
voorschotten voor een ander doel heeft aangewend dan voor de
activiteiten, bedoeld in artikel 20, zesde lid;
d. de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst
van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding
geven.
-3. Onze Minister geeft
geen toepassing aan het tweede lid, onderdeel a, indien de gemeente in
de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, dan wel
artikel 26, tweede lid, naar zijn oordeel genoegzaam heeft
aangetoond dat het niet volledig bereiken van de in het ontwikkelingsprogramma
opgenomen resultaten haar niet kan worden toegerekend.
-4. De lagere vaststelling
van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a,
geschiedt naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede
en derde lid,
vastgestelde verdeling over de indicatoren.
-5.
Behalve ten aanzien van de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel
4, eerste lid, kan Onze Minister in afwijking van het vierde lid de
lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid,
onderdeel a, op verzoek van het gemeentebestuur, bepalen aan de
hand van de relatieve verdeling van de besteding van de verleende
voorschotten over de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten
ten aanzien van de indicatoren, zoals die in de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 26,
tweede en derde lid, is opgenomen. Ten behoeve van de lagere
vaststelling past hij de hier bedoelde relatieve verdeling toe op het
totaal van de verleende rijksbijdrage.
-6. Het programmadeel kan
in afwijking van het eerste lid, volgens bij regeling van Onze
Minister vast te stellen regels, hoger worden vastgesteld indien het
gemeentebestuur de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten
heeft overtroffen en dit naar zijn oordeel aan het gemeentebestuur kan
worden toegerekend.
-7. In afwijking van het zesde lid worden de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van het programmadeel hoger vastgesteld indien de
door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de
berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven.
-8. De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag van het
programmadeel.
-9. Het bedrag van het
programmadeel wordt overeenkomstig de vaststelling betaald
onder verrekening van betaalde voorschotten op het programmadeel.
-10. Het bedrag van het
programmadeel wordt binnen vier weken na de vaststelling betaald.
-11. Onze Minister neemt geen beslissing als bedoeld in het
derde lid, geen toepassing te geven aan het tweede lid, onderdeel a, dan nadat hij het
oordeel van een deskundige heeft gevraagd ten aanzien van de in de
verantwoordingsinformatie opgenomen redengeving voor het niet volledig bereiken van de
in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten. Onze Minister
wijst niet eerder een deskundige aan dan nadat hij het college van
burgemeester en wethouders in de gelegenheid heeft gesteld te worden
gehoord.
-12. Het elfde lid vindt
geen toepassing indien het college van burgemeester en
wethouders een daartoe strekkend verzoek aan Onze Minister heeft gedaan.
Art. 28.
Onverschuldigd betaalde
voorschotten op het programmadeel kunnen worden teruggevorderd
zolang nog geen vijf jaren zijn verstreken na de dag waarop het
programmadeel is vastgesteld.
Art. 29.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente verstrekt desgevraagd
inlichtingen omtrent de besteding van de verleende voorschotten en de
realisatie van de in het ontwikkelingsplan opgenomen doelstellingen aan de
door
Onze Minister aangewezen ambtenaren.
-2. De
ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, kunnen ten aanzien van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24,
tweede lid, en artikel 26, tweede lid, tevens informatie inwinnen bij de in artikel 213, tweede lid,
van de Gemeentewet
bedoelde accountants.
Art. 30.
Vervallen.
Art. 31.
In artikel 2 van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers wordt, onder vernummering van
het vierde lid tot vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:
-4. De in het eerste lid
bedoelde rijksbijdragen zijn in afwijking van het derde lid nihil voor een
gemeente als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit brede
doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
Art. 32.
In artikel 4, eerste lid,
onderdeel c, van het Besluit
regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten wordt de zinsnede "de volwassen inwoners van de
G25, bedoeld in de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25" vervangen door: de volwassen inwoners van de G30, bedoeld in het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en
veiligheid.
Art. 33.
-1. De specifieke
uitkeringen die krachtens het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid door Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2005 aan een gemeente
worden verleend. bedragen nihil.
-2. De door Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2005 aan een gemeente
onverschuldigd ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit specifieke
uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
betaalde voorschotten worden verrekend met in 2005 door
Onze Minister verleende voorschotten op het
programmadeel.
Art. 34.
-1.
Onze Minister kan aan
één of meer rechtspersonen subsidies verstrekken voor
activiteiten die passen in het grotestedenbeleid.
-2. Bij regeling van Onze
Minister worden regels gegeven voor de verstrekking van de
subsidies, bedoeld in het eerste lid.
Art.
34a.
De aanvraag tot verlening van de uitkering, bedoeld in artikel
5, zoals die door de colleges van burgemeester en wethouders is
gedaan, wordt voor het inburgeringsdeel geacht mede betrekking te hebben
op het jaar 2006.
Art. 35.
-1. Dit besluit treedt in
werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft artikel
6 terug tot en met 1 november 2004, voor wat betreft artikel 31 terug
tot en met 1 september 2004 en voor wat betreft de artikelen 32 en
34 tot en
met 1 januari 2005.
-2. Artikel 31 vervalt met
ingang van het tijdstip dat het bij koninklijke boodschap van 10 juni
2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering
nieuwkomers en de Wet
educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod
Win) (Kamerstukken 29 646) tot wet is verheven en in werking is getreden.
Art. 36.
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 26 april
2005
BEATRIX
De Minister voor
Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
De Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven
De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Rutte
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de
eenendertigste mei 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[26 april 2005]
I.
Algemeen
1. Inleiding
Dit besluit geeft regels
voor de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: de
BDU-SIV) van het grotestedenbeleid (hierna: GSB).
De BDU-SIV is één van
de drie brede doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB.
De drie brede
doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB zijn:
a. het investeringsbudget
stedelijke vernieuwing;
b. de brede doeluitkering stadseconomie; en
c. de BDU-SIV.
2. De derde periode van
het GSB
In het regeerakkoord
heeft het kabinet zich uitgesproken voor een voortzetting van het GSB.
Ook de betrokken steden hebben voortzetting van het GSB bepleit.
Voorts vermeldt het regeerakkoord dat het kabinet pleidooien van de
G30-steden om hun bevoegdheden en mogelijkheden te verruimen, voor zover deze ontoereikend zijn om de problemen in eigen
stad succesvol aan te
pakken, welwillend wil benaderen. Mede met het oog daarop zijn bij de
ontwikkeling van een vernieuwd GSB-stelsel de volgende (deels reeds geldende, deels nieuwe) uitgangspunten gehanteerd:
- sturing op
resultaten;
- vermindering van
bureaucratie;
- transparantie van
beleid;
- ruimte voor
maatwerken eigen keuzes voor de stad;
- sturing op integrale
benadering.
Deze uitgangspunten
dienen de basis te zijn voor het GSB-stelsel. Het zijn dan ook dé elementen
die leidend zijn bij de totstandkoming, uitvoering en
verantwoording voor de komende GSB periode.
De derde periode van het
GSB is begonnen op 1 januari 2005 en eindigt op 31 december 2009. Deze
derde periode van het GSB is uitgewerkt in de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" (Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116). De
GSB-steden zijn de in artikel 1, onderdeel b, genoemde
30 gemeenten.
Het stelsel van de derde
periode van GSB bestaat in de eerste plaats uit drie BDU’s. Een brede
doeluitkering is een specifieke uitkering waarvan de middelen onderling
uitwisselbaar zijn tussen de diverse bestedingsdoeleinden van die uitkering. De
GSB-steden kunnen door het grote aantal bestedingsdoeleinden en
de uitwisselbaarheid van de middelen tussen de bestedingsdoeleinden hun
beleid optimaal afstemmen op de lokale omstandigheden en daarbij
zelf de noodzakelijke afwegingen maken (Kamerstukken II 1995-1996,
24 552, nr. 3, blz. 55). Er bestaat geen uitwisselbaarheid van middelen tussen de
drie brede doeluitkeringen van het GSB (Kamerstukken II 2003-2004,
21 062, nr. 109, blz. 4).
Het stelsel voor de derde
periode van het GSB bestaat in de tweede plaats uit de resultaten
die de GSB-stad in de GSB-III-periode wil bereiken en die zijn vastgelegd in
het meerjarenontwikkelingsprogramma (hierna: MOP) van die stad. Het Rijk
en de stad sluiten na een positieve beoordeling van het MOP door het
Rijk een convenant dat geldt voor de gehele GSB-III-periode. Het
convenant verwijst voor de inzet van de stad naar het MOP en voor de
financiële inzet van het Rijk naar de drie bijgevoegde beschikkingen voor de
brede doeluitkeringen. De drie brede doeluitkeringen worden
voor de gehele GSB-III-periode verleend.
Het Rijk volgt gedurende
de derde periode van het GSB de ontwikkelingen in de stad op het punt
van de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten. De GSB-stad
verstrekt daartoe op basis van de drie beschikkingen voor de brede
doeluitkeringen gegevens over de voortgang van de realisatie van de in het
MOP opgenomen doelstellingen. In 2007 vindt een midterm review plaats,
die kan leiden tot een verlaging van de verleende brede doeluitkeringen.
De GSB-steden dienen uiterlijk op 15 juli 2010 een aanvraag in tot vaststelling van de drie
brede doeluitkeringen. De aanvraag gaat vergezeld van een
verantwoordingsverslag over de realisatie van de doelstellingen in de
derde periode van het GSB en van een financieel verslag over de besteding
van de verleende voorschotten. Indien de GSB-stad één of meer
van de in het MOP opgenomen doelstellingen niet (volledig) behaald heeft,
kunnen één of meer brede doeluitkeringen naar evenredigheid lager
worden vastgesteld dan de brede doeluitkeringen overeenkomstig de
verlening. De BDU-SIV kan bovendien hoger worden vastgesteld dan
overeenkomstig de verlening indien de stad de in het MOP opgenomen te bereiken
resultaten heeft overtroffen en hiervoor een bijzondere inspanning
heeft geleverd.
3. Hogere regelingen
Het onderhavige besluit
heeft verschillende grondslagen. Artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet
(hierna: Fvw) maakt het mogelijk om tijdelijke
specifieke uitkeringen bij algemene maatregel van bestuur te regelen.
Andere wettelijke grondslagen voor het besluit zijn meer in het bijzonder
artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet
1994, artikel 16 van de
Wet inburgering nieuwkomers en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Aan het slot van dit hoofdstuk wordt op
die laatste drie nader ingegaan.
Artikel 34 van het
besluit heeft geen betrekking op specifieke uitkeringen. Dat behelst de
mogelijkheid voor de minister belast met de coördinatie van het
grotestedenbeleid subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen
in het grotestedenbeleid. In dit verband zij gewezen op artikel
4:23,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) op basis
waarvan gedurende een beperkte periode subsidies kunnen worden
verleend op grond van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 40 en 41). Op
grond van aanwijzing 21 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is in de
aanhef artikel 89 van de Grondwet vermeld.
De BDU-SIV is een
tijdelijke specifieke uitkering, omdat die slechts voor de derde periode van het
GSB, dus voor vijf jaar, wordt verleend. Er bestaan thans geen
specifieke grondslagen in een formele wet voor de BDU-SIV. De BDU-SIV is
bovendien een nieuwe specifieke uitkering op grond van:
a. haar
bestedingsdoeleinden;
b. de mogelijkheid van
een lagere verlening op grond van de aard en omvang van de in het MOP opgenomen doelstellingen;
c. de uitwisselbaarheid
van middelen tussen haar bestedingsdoeleinden;
d. de verlening voor een
periode van vijf jaar; en
e. verrekening van de
realisatie van de in het MOP opgenomen doelstellingen bij de
vaststelling van de BDU-SIV in 2010.
Artikel 17, derde lid,
van de Fvw biedt slechts een tijdelijke grondslag voor dit besluit.
Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de Fvw
komt het besluit vier jaren na
inwerkingtreding van rechtswege te vervallen, tenzij vóór dat tijdstip een
voorstel van wet is ingediend waarin de BDU-SIV definitief wordt
geregeld. De regering zal in 2005 een voorstel van wet indienen waarin de
BDU-SIV definitief wordt geregeld en daarmee van een specifieke
formeelwettelijke grondslag wordt voorzien [en daarmee wordt in een
specifieke formeelwettelijke grondslag voorzien, red.]. Het voorstel van wet voorkomt dat het
onderhavige besluit vier jaren na inwerkingtreding van rechtswege vervalt.
Het voorstel van wet zal tevens een grondslag bevatten voor
een regeling van de verplichting van het college van burgemeester en wethouders tot het verstrekken van systematische
informatie over de
ontwikkelingen op het punt van de in het MOP opgenomen doelstellingen.
Op basis van artikel 119, eerste lid, van de Gemeentewet
worden bij
de wet en krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur de
gevallen geregeld waarin het college van burgemeester en
wethouders verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie
aan het Rijk. Ingevolge artikel 19 van de Fvw
is artikel 119, eerste lid,
van de Gemeentewet niet van toepassing op de regeling van de
informatievoorziening ten aanzien van een specifieke uitkering als bedoeld in
artikel 17, derde lid, van de Fvw.
Het voorstel van wet zal
ten slotte ook de grondslag bevatten voor het verlenen van subsidies
aan één of meer rechtspersonen voor activiteiten die passen in het GSB.
Ook de in artikel 34 opgenomen grondslag vervalt, in dit geval op basis van
artikel 4:23, tweede lid, van de Awb, vier jaren nadat het in werking is
getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet is ingediend waarin
een grondslag voor de bovenbedoelde subsidies is opgenomen. De
grondslag voor de subsidies van het Rijk dient ingevolge artikel
4:23,
eerste lid, van de Awb, behoudens het in artikel
4:23, tweede lid,
bedoelde uitzonderingsgeval, in een formele wet te worden gelegd
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 39).
Op basis van
artikel 30
wordt het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang en verslavingsbeleid gewijzigd. Artikel 30
berust op artikel 10a, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet
1994, die
daartoe in de aanhef van het onderhavige besluit zijn vermeld.
Ingevolge
artikel 31
wordt het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers gewijzigd.
Artikel 31 berust op artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers
(hierna: Win) en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB). Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
berust louter op artikel 16 van de Win
nadat het bij koninklijke boodschap
van 10 juni 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet
inburgering nieuwkomers en de Wet
educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod Win) kracht van wet heeft gekregen en in werking is
getreden (Kamerstukken II 2003-2004, 29 646, nr. 2, blz. 4).
4. BDU-SIV
4.1. Middelen van BDU-SIV
De voeding van de BDU-SIV
bestaat uit de acht in artikel 4, eerste lid, genoemde categorieën van
middelen die in 2005 in de beschikking tot verlening van de
uitkering zijn opgenomen.
Er kunnen gedurende de
derde periode van het GSB ingevolge artikel 16, eerste lid, middelen
aan de BDU worden toegevoegd. Er kan hierbij in de eerste plaats gedacht
worden aan de middelen voor volwasseneneducatie. Deze middelen worden via
de BDU-SIV verstrekt met ingang van de dag dat een wijziging van
de WEB
in werking is getreden op basis waarvan de GSB-steden
geen rijksbijdrage educatie meer ontvangen. Er wordt naar gestreefd om
dit per 1 januari 2006 te realiseren. Er kan hierbij in de tweede plaats
gedacht worden aan de middelen voor onderwijsachterstanden. Deze middelen worden via
de BDU-SIV verstrekt met ingang van de dag dat een
wijziging van de Wet
op het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra en de Wet
op het voortgezet onderwijs tot wet is verheven en in
werking is getreden op basis waarvan de GSB-steden niet meer in
aanmerking komen voor de specifieke uitkering voor onderwijsachterstanden. Er wordt naar gestreefd dit per 1 augustus
2006 te realiseren. Op
basis van artikel 16 kunnen gedurende de derde periode van het GSB
ook andere middelen dan de twee bovenbedoelde categorieën van middelen
aan de BDU-SIV worden toegevoegd.
De BDU-SIV voor een
gemeente is ingevolge artikel 4, eerste lid, in principe
gelijk aan de som
van de aandelen van de gemeente in elk van de acht categorieën van
middelen. Het aandeel van een gemeente in een categorie van middelen
wordt verkregen door vermenigvuldiging van het procentuele aandeel van
die gemeente in die middelen en het bedrag van die middelen. De
GSB-steden die niet behoren tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid dan wel tot de centrumgemeenten voor
vrouwenopvang krijgen geen aandeel in de middelen voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid onderscheidenlijk in de middelen voor
vrouwenopvang. Het betreft hier op basis van artikel 1, onderdeel f,
voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid de gemeenten Hengelo
(Overijssel), Lelystad en Schiedam. Het gaat hierbij ingevolge artikel
1, onderdeel g, voor wat betreft vrouwenopvang om de gemeenten
Almelo, Deventer, Hengelo
(Overijssel), Lelystad en Schiedam. De aandelen van
de gemeente in de middelen voor inburgering van nieuwkomers en voor
de inburgering van oudkomers wordt op basis van artikel 1,
onderdeel o, het inburgeringsdeel genoemd. De aandelen van de gemeente
in de overige middelen wordt ingevolge artikel 1, onderdeel p, het
programmadeel van de BDU-SIV genoemd.
Een deel van de voeding
van de BDU-SIV bestaat uit middelen die vóór de inwerkingtreding van
het onderhavige besluit niet aan de GSB-steden werden verstrekt. Het
gaat hierbij om:
a. de extra
veiligheidsmiddelen;
b. de middelen voor
bestrijding van gezondheidsachterstanden; en
c. de middelen van de
Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld die met ingang van 1 januari 2008 aan de tot de centrumgemeenten voor
vrouwenopvang behorende GSB-steden via de BDU-SIV zullen worden
verstrekt.
De verstrekking van
middelen via de BDU-SIV gaat tevens gepaard met de beëindiging voor de
GSB-steden van een aantal specifieke uitkeringen. Er is geen sprake van
overlap tussen het onderhavige besluit en regelingen van andere
specifieke uitkeringen dan de BDU-SIV. Het onderhavige besluit is
van toepassing op de BDU-SIV en niet op andere specifieke uitkeringen.
De regelingen voor de andere specifieke uitkeringen gelden niet voor de
BDU-SIV.
De andere GSB-steden dan
de gemeenten Alkmaar, Amersfoort,
Emmen, Lelystad en
Zaanstad ontvangen in de eerste plaats geen specifieke uitkering meer
krachtens de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25. De
bovenbedoelde regeling behoeft daartoe niet te worden aangepast
aangezien die regeling slechts voorziet in de verstrekking van middelen
over de jaren 2000 tot en met 2004.
De gemeenten
Alkmaar, Amersfoort, Emmen,
Lelystad
en
Zaanstad ontvangen in de tweede
plaats geen specifieke uitkering meer krachtens de Bijdrageregeling
leefbaarheid partiële GSB-steden. De bovenbedoelde regeling behoeft daartoe
niet te worden gewijzigd aangezien op basis van die regeling slechts
middelen over de jaren 2000 tot en met 2004 worden verleend.
De GSB-steden ontvangen
in de derde plaats geen specifieke uitkeringen krachtens het Besluit
specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid. Het bovenbedoelde besluit wordt op basis van
artikel 30 zodanig gewijzigd dat de GSB-steden niet meer in aanmerking komen
voor een uitkering krachtens dat besluit.
De GSB-steden komen in de
vierde plaats niet meer in aanmerking voor de rijksbijdragen die
krachtens het Bekostigingsbesluit inburgering
nieuwkomers worden
verleend. Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers is ingevolge
artikel 31 zodanig aangepast dat de krachtens dat besluit verleende
rijksbijdragen voor de GSB-steden nihil bedragen. De regering zal bij nota
van wijziging artikel 16 van de Win,
zoals dat is opgenomen in het bij
koninklijke boodschap van 10 juni 2004 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet inburgering nieuwkomers en de
Wet
educatie en beroepsonderwijs (vrijgeven cursusaanbod Win) (Kamerstukken II 2003-2004,
29 646, nrs. 1 en 2), aanpassen. Op basis van het gewijzigde artikel 16
van de Win
ontvangen de 30 GSB-steden geen rijksbijdragen meer
als bedoeld in dat artikel.
De
GSB-steden krijgen in
de vijfde plaats geen aparte specifieke uitkering meer voor de
inburgering van oudkomers. De Regeling inburgering oudkomers 54
gemeenten kent voor 2005 een vervolg in de vorm van de Regeling
inburgering oudkomers 25 gemeenten 2005 (Stcrt. 2005, 54). Voornoemde
regeling sluit de 30 GSB-gemeenten uit van een bijdrage krachtens
die regeling.
De GSB-steden zullen in
de zesde plaats uitgesloten zijn van de specifieke uitkering voor
het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid met ingang van de dag dat
de daarvoor benodigde wijziging van de Wet
op het primair onderwijs,
de Wet op de
expertisecentra en de Wet
op het voortgezet onderwijs tot
wet is verheven en in werking is getreden. Er wordt naar gestreefd dit
per 1 augustus 2006 te realiseren.
De GSB-steden zullen in
de zevende plaats geen rijksbijdrage educatie meer ontvangen vanaf het
tijdstip dat een wijziging van de WEB
in werking is getreden op
basis waarvan aan de GSB-steden geen rijksbijdrage educatie meer wordt
verstrekt. Er wordt naar gestreefd dit per 1 januari 2006 te
realiseren.
4.2. Bestedingen BDU-SIV
De GSB-stad kan de
BDU-SIV op basis van artikel 3, onderdeel a, besteden aan de
uitvoering van het MOP. De uitvoering van het MOP omvat ingevolge artikel
7, eerste lid, het verrichten van activiteiten op een groot aantal terreinen.
In hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de toelichting wordt nader
op het MOP ingegaan.
De GSB-stad kan ingevolge
artikel 3, onderdeel b, de BDU-SIV tevens aanwenden voor de
uitvoering van de artikelen
4, 5, 6,
eerste lid, en 15 van de
Win
en voor het
aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005. De
beperking tot 2005 hangt samen met het feit dat er gewerkt wordt aan een
nieuw inburgeringsstelsel. De regering zal namelijk gedurende de GSB-III-periode
een voorstel voor een Wet inburgering, die zowel
voor de inburgering van nieuwkomers als voor de inburgering van oudkomers
zal gelden, bij de Staten-Generaal indienen. De hoofdlijnen van het
door de regering voorgestelde nieuwe inburgeringsstelsel zijn
opgenomen in de contourennota "Herziening van het inburgeringsstelsel"
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 543, nr. 2). Er wordt naar gestreefd om de Wet
inburgering vóór 1 januari 2007 in werking te laten treden. Er wordt in
het onderhavige besluit nog niet vooruitgelopen op de nieuwe wettelijke regeling voor de inburgering van nieuwkomers en
van oudkomers.
De uitvoering van de Win
is op basis van artikel 7, eerste lid, geen onderdeel van de
uitvoering van het MOP aangezien de gemeenten op grond van de Win iedere
nieuwkomer moeten inburgeren. Er is kortweg sprake van een wettelijke
plicht voor de gemeenten om iedere nieuwkomer in te burgeren. Het in
het MOP opgenomen resultaat op het gebied van de inburgering van
nieuwkomers zou niets anders kunnen dan dat iedere nieuwkomer wordt
ingeburgerd. De GSB-stad hoeft op basis van artikel 7 geen
doelstellingen op het gebied van de inburgering van nieuwkomers in het MOP op
te nemen.
Het aanbieden van
oudkomersprogramma’s aan oudkomers is evenals de uitvoering van de
bovenbedoelde artikelen van de Win geen onderdeel van de uitvoering van het
MOP. Het aandeel van de in de gemeente [Het aandeel van de gemeente, red.]
in de middelen voor de
inburgering van oudkomers is namelijk direct gerelateerd aan de door de GSB-stad
gerealiseerde output op het gebied van de inburgering van oudkomers.
5. Het MOP
Het MOP dient in ieder
geval de resultaten te bevatten die de GSB-stad in de derde periode van
het GSB wil bereiken op de veertien in artikel 7, eerste lid, genoemde
terreinen. De stad moet die resultaten ingevolge artikel 7, tweede lid,
formuleren met inachtneming van de bij regeling van de minister
vastgestelde
indicatoren. Er zijn in het bestuurlijk overleg tussen het Rijk en de
delegatie G30 van 8 april 2004 over de nota "Samenwerken aan de Krachtige
Stad" afspraken gemaakt over de indicatoren. De
betrouwbaarheid, meetbaarheid en afrekenbaarheid van de basisindicatoren
zouden gezamenlijk door het Rijk en de 30 GSB-steden operationeel
gemaakt worden. Een GSB-stad zou de stadsspecifieke
indicatoren vóór 1 november 2004 operationeel maken. De indicatoren waarvan de
betrouwbaarheid, meetbaarheid en afrekenbaarheid vóór 1 november 2004
onvoldoende operationeel is gemaakt, zouden worden verwijderd (nota
"Samenwerken aan de Krachtige Stad",
blz. 117) (Kamerstukken
II 2003-2004, 21 062, nr. 116). Het resultaat van de twee bovenbedoelde
exercities is neergelegd in de krachtens artikel 7, tweede lid, vastgestelde
ministeriële regeling. De vorenbedoelde ministeriële regeling
bevat tevens de percentsgewijze verdeling van de uitkering over de
indicatoren.
De GSB-stad kan op basis
van artikel 7, derde lid, één of meer van de doelstellingen op nul
zetten indien dit kan worden gemotiveerd. Er is dan sprake van een zogenaamde
nulambitie.
Het eerste terrein voor
de in het MOP op te nemen resultaten is de aanpak van de
criminaliteit gepleegd door volwassen en jeugdige veelplegers. Op basis van
artikel 1, onderdeel m, is een volwassen veelpleger een meerderjarige persoon tegen wie meer dan
tien processen-verbaal
wegens een misdrijf zijn
opgemaakt. Ingevolge artikel 1, onderdeel n, is een
jeugdige veelpleger een persoon van 12 tot en met 17 jaar tegen wie meer dan
vijf processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt.
Het tweede terrein voor
de in het MOP op te nemen resultaten is de aanpak van overlast op
straat die veroorzaakt wordt door personen. Dit terrein richt zich op
alle personen die overlast op straat veroorzaken. Hierbij kan worden
gedacht aan overlast door drugsgebruikers, rondhangende jongeren, aan openbare
dronkenschap en aan het veroorzaken van permanente overlast door
bijvoorbeeld een psychische stoornis. De GSB-steden die niet
behoren tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dienen ook resultaten op dit terrein in
het MOP op te nemen. Het
betreft hier namelijk resultaten op het gebied van veiligheid.
Het derde terrein voor
het formuleren van de doelstellingen is de aanpak van huiselijk geweld.
Er dient in dit verband te worden gewezen op de samenloop tussen de
Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld. Op basis van
artikel 2, eerste lid, van de
bovenbedoelde
stimuleringsregeling kan voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31
december 2007 aan de centrumgemeenten voor vrouwenopvang eenmalig
een meerjarige uitkering worden verleend. De uitkering dient voor de
kosten die gemaakt worden tussen oktober 2004 en januari 2008 voor de
oprichting dan wel uitbreiding van één of meer advies- en steunpunten
voor huiselijk geweld en de activiteiten die vanuit dergelijke advies- en
steunpunten worden verricht. De GSB-steden kunnen de BDU-SIV
aanwenden voor de financiering van uitgaven voor de aanpak van huiselijk
geweld
die niet uit de bovenbedoelde stimuleringsregeling kunnen worden bekostigd.
De GSB-steden die niet behoren tot de centrumgemeenten voor
vrouwenopvang dienen ook resultaten op dit terrein te formuleren.
Het betreft hier namelijk resultaten op het terrein van veiligheid.
Het vierde terrein voor
het formuleren van de resultaten is de aanpak van criminaliteit in
risicogebieden zoals rond scholen, coffeeshops, uitgaanscentra,
winkelgebieden, bedrijventerreinen, jeugdverzamelplaatsen en stations/OV-gebieden
en in de woonomgeving.
Het vijfde terrein voor
het formuleren van de resultaten heeft betrekking op veiligheid en wordt
door de GSB-stad zelf bepaald.
De GSB-stad moet de in
het MOP opgenomen resultaten op de bovenbedoelde
veiligheidsterreinen afstemmen met de lokale driehoek. Op basis van artikel
8,
tweede lid, moet de GSB-stad de uitkomsten van de afstemming met de lokale
driehoek in het MOP vermelden.
Het zesde terrein voor
het formuleren van de resultaten is de aanpak van
onderwijsachterstanden. De op dit terrein vast te stellen indicatoren zijn het aantal peuters
en kleuters dat deelneemt aan voor- en vroegschoolse programma’s en het
aantal in te richten schakelklassen. De middelen voor bestrijding
van onderwijsachterstanden zullen naar verwachting met ingang
van 1 augustus 2006 via de BDU-SIV aan de GSB-steden worden
verstrekt. Dit laat onverlet dat ook de andere middelen van de BDU-SIV
vanwege de uitwisselbaarheid van middelen kunnen worden gebruikt
voor de aanpak van onderwijsachterstanden.
Het zevende terrein voor
het formuleren van de resultaten is het aantal personen onder de 23 jaar dat een startkwalificatie behaalt van ten minste het niveau van
de basisberoepsopleiding. Het aantal leerlingen dat zijn schoolloopbaan
niet afrondt, ligt in de GSB-steden zeer hoog. Juist nu de economische situatie verslechtert en de concurrentie op de
arbeidsmarkt toeneemt, is
het van groot belang om jongeren in staat te stellen een
startkwalificatie te halen of hen op een andere wijze anderszins toe te rusten voor de
arbeidsmarkt.
Het achtste terrein voor
het formuleren van de resultaten zijn de doelstellingen met
betrekking tot de deelnemers aan een traject voor volwasseneneducatie. De
middelen voor volwasseneneducatie zullen naar verwachting met ingang
van 1 januari 2006 via de BDU-SIV aan de GSB-steden worden
verstrekt. Dit laat onverlet dat ook de andere middelen van de BDU-SIV
vanwege de uitwisselbaarheid van middelen kunnen worden gebruikt
voor volwasseneneducatie. Het is van belang dat ook aan volwassenen de
kans wordt geboden beter te functioneren binnen de Nederlandse
samenleving. Bij het VAVO bestaat de mogelijkheid een diploma op VMBO-niveau (theoretische leerweg),
HAVO-niveau of VWO-niveau te behalen. De
opleidingen sociale redzaamheid zijn gericht op redzaamheid op het
gebied van taalvaardigheid, rekenvaardigheid en sociale vaardigheden.
Opleidingen breed maatschappelijk functioneren zijn bedoeld als doorstroomopleidingen die toeleiden naar een
beroepsopleiding.
Het negende terrein en
het tiende terrein voor het formuleren van de resultaten hebben
betrekking op de bestrijding van gezondheidsachterstanden. Er bestaan grote
verschillen in gezondheid in de stad. Gezondheidsachterstanden
komen vooral voor bij groepen met een lage sociaal-economische
status in achterstandswijken. Het betreft hier de aanpak van overgewicht van
personen van 0 tot 19 jaar.
Het tiende terrein op het
gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden wordt door de stad zelf
bepaald. Op deze wijze kan worden ingespeeld op de
actualiteit en dynamiek van de stad.
Het elfde terrein en
twaalfde terrein voor het formuleren van de resultaten zien op de
doorstroming in de maatschappelijke opvang en de capaciteit in de
vrouwenopvang. Het MOP moet de doelstellingen op deze terreinen vermelden
indien de gemeente behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid onderscheidenlijk voor vrouwenopvang. De
gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad en
Schiedam zijn
op basis van artikel 1, onderdeel f, geen centrumgemeenten voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. De gemeenten
Almelo, Deventer, Hengelo (Overijssel),
Lelystad en Schiedam zijn ingevolge
artikel 1, onderdeel g, geen centrumgemeenten voor vrouwenopvang.
Het dertiende terrein
voor het formuleren van de resultaten doelstellingen heeft [resultaten
heeft, red.] betrekking op het
bereik van de ambulante verslavingszorg. Het MOP moet de te bereiken
resultaten op dit terrein bevatten indien de GSB-stad behoort tot de
centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid.
Het veertiende terrein
voor het formuleren van de doelstellingen [resultaten, red.] heeft betrekking op
maatschappelijke opvang en wordt door de GSB-stad die behoort tot de
centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid zelf
bepaald.
Het MOP kan ook andere
onderwerpen bevatten binnen de omschrijving van de taken waarvoor in
de rijksbegroting de middelen, bedoeld in artikel 4, beschikbaar
worden gesteld. De uitkering is mede bestemd voor uitgaven die daarop
betrekking hebben. Dat neemt niet weg dat de hierboven genoemde
veertien terreinen waarop indicatoren worden vastgesteld voorop staan.
De minister belast met de coördinatie van het
grotestedenbeleid toetst
of voldoende aandacht daaraan wordt besteed. In eerste instantie wordt
de gehele uitkering percentsgewijze toegerekend aan de onderdelen
waarvoor indicatoren zijn opgesteld (artikel 7, tweede en derde lid). Op grond
van artikel 11 kan de minister, het college van burgemeester en wethouders gehoord, een lager programmadeel
verlenen als de in het
MOP opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
Bij de vaststelling van het programmadeel van de uitkering, in 2010,
kan de minister dat ook verlagen als de in het MOP opgenomen resultaten niet
volledig zijn bereikt.
De GSB-stad kan op basis
van artikel 18, eerste lid, het MOP gedurende de derde periode van het
GSB wijzigen. De wijziging kan bijvoorbeeld plaatsvinden bij de
zogenaamde midterm review in 2007, in een bijzondere situatie
wanneer er sprake is van een calamiteit bij een GSB-stad of in het geval
het aandeel van de GSB-stad in de middelen voor maatschappelijke opvang
en verslavingsbeleid op basis van artikel 17 een aanzienlijke wijziging
ondergaat. (nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad", blz. 36 )
(Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116). De GSB-stad dient ingevolge artikel
18, tweede lid, de wijziging van het MOP binnen vier weken na
vaststelling aan de minister te zenden. De minister kan op basis van artikel
18,
derde lid, in het geval van een gewijzigd MOP de verleende BDU-SIV
verlagen. Er wordt in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de toelichting
nader ingegaan op de artikelen 17 en 18.
6. Verlening van de
BDU-SIV
6.1. De verlening
Het college van
burgemeester en wethouders van een GSB-stad moet op basis van artikel
5,
eerste lid, binnen acht weken na de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit een aanvraag tot verlening van de BDU-SIV indienen. De
aanvraag dient ingevolge artikel 5, tweede lid, vergezeld te gaan van het
MOP. De GSB-stad moet op basis van artikel 6, eerste lid, een prognose
indienen bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van het
aantal oudkomers dat in 2005 een inburgeringsprogramma
voor oudkomers zal starten. Ingevolge artikel 6, tweede lid, geeft de
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bij ministeriële regeling
nadere regels voor de prognose. De nadere regels komen zoveel mogelijk overeen met de soortgelijke regels voor de
niet-GSB-gemeenten die in de
Regeling inburgering oudkomers 38 gemeenten zijn opgenomen. Dit
betekent dat de GSB-steden net zo als andere gemeenten op grond van de
Regeling inburgering oudkomers 38 gemeenten een prognose
bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moeten hebben
ingediend. In artikel 35, eerste lid, is dan ook neergelegd dat
artikel 6
terugwerkt tot en met 1 november 2004. Er is de 30 GSB-steden
schriftelijk medegedeeld dat ook zij een prognose van het aantal oudkomers dat
een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal volgen bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moeten
indienen. De prognose is
van belang voor het bepalen van het relatieve aandeel van de GSB-stad
in de middelen voor de inburgering van oudkomers. Op basis van
artikel 10 verleent de minister de GSB-stad slechts haar aandeel in
de middelen voor de inburgering van oudkomers indien zij de
bovenbedoelde prognose bij de Minister voor Vreemdelingenzaken en
Integratie heeft ingediend.
De GSB-stad had ervoor
kunnen kiezen om vóór de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit één geïntegreerde aanvraag in te dienen bij de minister voor al de
drie brede doeluitkeringen. In de nota "Samenwerken aan de Krachtige
Stad"
is deze mogelijkheid verder uitgewerkt. Een bovenbedoelde geïntegreerde aanvraag voor de drie brede
doeluitkeringen wordt op
basis van artikel 5, derde lid, als een aanvraag tot verlening van de
BDU-SIV aangemerkt. De minister neemt ingevolge artikel 9, tweed lid, een
beslissing op de geïntegreerde aanvraag voor de drie brede
doeluitkeringen binnen acht weken na inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
De beschikking tot
verlening van de BDU-SIV bevat ingevolge artikel 9, derde lid, de
berekeningswijze van het uitkeringsbedrag. Het bedrag van de verleende uitkering is
namelijk mede afhankelijk van variabelen waarvan de definitieve
uitkomst pas gedurende de derde periode van het GSB is te bepalen.
Er geldt op basis van
artikel 9, vierde lid, voor de verleende BDU-SIV een zogenaamd begrotingsvoorbehoud. De verplichtingenruimte voor de
BDU-SIV is namelijk anders
dan bij het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing en bij de
Brede doeluitkering stadseconomie het geval is, niet voor de gehele GSB-III-periode
in de rijksbegroting voor 2005 opgenomen.
De
verleende uitkering is
in principe gelijk aan de met toepassing van artikel 4 bepaalde
uitkering. De minister kan op basis van artikel 11, eerste lid, een lager
programmadeel verlenen dan het met toepassing van artikel 4 bepaalde programmadeel
indien hij de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten onvoldoende vindt. De
minister kan ingevolge
artikel 11, tweede lid, pas
overgaan tot een lagere verlening nadat hij de GSB-stad heeft
geïnformeerd waarom hij daartoe over wil gaan en de GSB-stad in de gelegenheid heeft gesteld om het MOP aan te vullen.
Er kan slechts worden
vastgesteld of de GSB-stad de in het MOP opgenomen te bereiken
resultaten heeft gerealiseerd indien de GSB-stad beschikt over een
betrouwbaar systeem voor de registratie van de uitvoering van het MOP.
Het is daarvoor tevens noodzakelijk dat de GSB-stad aan de minister
gegevens verstrekt over de uitvoering van het MOP die zijn ontleend aan
het bovenbedoelde registratiesysteem. Op basis van artikel 12
verbindt de minister aan de verlening van de BDU-SIV verplichtingen omtrent de
beschikbaarheid van een registratiesysteem en de verstrekking van de
aan dat systeem ontleende gegevens over de uitvoering van het MOP.
6.2. Wijziging van de
verlening
De BDU-SIV wordt voor de
gehele derde periode, dus voor een periode van vijf jaar, verleend.
Gedurende de GSB-III-periode kan de verlening van de BDU-SIV worden
gewijzigd.
De minister verhoogt op
basis van artikel 16, eerste lid, de verleende BDU-SIV indien gedurende
de derde periode van het GSB extra middelen aan de BDU-SIV worden
toegevoegd.
De verdeling van de
middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor
vrouwenopvang kan ingevolge artikel 17, eerste lid, gedurende de derde
periode van het GSB éénmaal worden gewijzigd. Deze mogelijkheid geeft
invulling aan de afspraak over de bovenbedoelde verdeling die in het
bestuurlijke overleg tussen het Rijk en de delegatie G30 van 8 april 2004 over
de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad" is gemaakt. De vier
grootste GSB-steden hebben in dat overleg verzocht om een onderzoek naar de
verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid. Het Rijk neemt het initiatief voor een verkennend
overleg met 30 GSB-gemeenten over de zwaarte van de problematiek. Dat kan leiden tot een wijziging van de sleutel voor
maatschappelijke opvang
en verslavingsbeleid indien het Rijk en de 30 GSB-steden de ratio
hiervan delen (nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad", blz.
119)
(Kamerstukken II 2003-2004, 21 062, nr. 116).
Een wijziging van
verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang vindt op basis van artikel
17, tweede lid,
onderdeel a, niet eerder plaats dan nadat de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek heeft uitgevoerd naar die
verdeling. De minister zal overgaan tot wijziging van de verdeling indien de
resultaten van het bovenbedoelde onderzoek daartoe aanleiding geven.
De positie van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang en/of voor maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid
die niet behoren tot de GSB-steden, zoals bijvoorbeeld die van de gemeente
Almere, is
hierbij ook van belang. De GSB-steden die behoren tot de centrumgemeenten
voor vrouwenopvang en/of verslavingsbeleid worden ingevolge artikel
17, tweede lid, onderdeel b, gehoord over de resultaten van het
bovenbedoelde onderzoek alvorens de minister besluit tot wijziging van de
verdeling. Het horen biedt de betrokken GSB-steden de mogelijkheid om hun
standpunt over de resultaten mondeling naar voren te brengen en de minister van nadere informatie te voorzien. De
minister stelt op basis van
artikel 17, derde lid, de verlening van de
BDU-SIV ambtshalve bij
volgens de gewijzigde verdeling.
In hoofdstuk
5 van het
algemeen deel van de toelichting is vermeld dat de GSB-stad het MOP
gedurende de derde periode van het GSB kan wijzigen. De GSB-stad
moet ingevolge artikel 18, tweede lid, het gewijzigde MOP aan de
minister toezenden. De minister kan vanwege de in het gewijzigde MOP opgenomen
resultaten de verleende BDU-SIV verlagen. De minister bepaalt op
basis van artikel 18, vierde lid, de verlaging naar evenredigheid van de
krachtens artikel 7, tweede lid, bij ministeriële regeling vastgestelde
verdeling. Elke categorie middelen van het programmadeel wordt
percentsgewijs toegedeeld aan één of meer in de krachtens artikel
7,
tweede lid, vastgestelde ministeriële regeling opgenomen indicatoren.
Zoals is gemeld, moet de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten
formuleren met inachtneming van de bij ministeriële regeling
vastgestelde indicatoren.
De minister gaat op basis
van artikel 18, vijfde lid, pas over tot de bovenbedoelde verlaging
nadat hij de GSB-stad heeft geïnformeerd waarom hij daartoe wil
overgaan en de stad de gelegenheid heeft geboden om de wijziging
van het MOP aan te passen.
De minister
kan ingevolge
artikel 19 bij aanmerkelijke verslechteringen van de
financieel-economische omstandigheden het verleende programmadeel verlagen.
Dit kan er, indien de verlaging substantieel is, op basis van artikel
18 toe leiden dat de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten
verlaagt.
7. Bevoorschotting en
vaststelling
De vaststelling van het
inburgeringsdeel van de BDU-SIV zal op een ander tijdstip geschieden
dan de vaststelling van het programmadeel van de BDU-SIV. Het bedrag
van het inburgeringsdeel van de BDU-SIV is immers niet afhankelijk
van het behalen van de in het MOP opgenomen resultaten. Het is dus
voor de vaststelling van het inburgeringsdeel niet noodzakelijk om te weten
in hoeverre de GSB-stad de in het MOP opgenomen te bereiken
resultaten heeft gerealiseerd. Het vastgestelde bedrag wordt verrekend
met het bedrag van de verleende voorschotten.
Dit betekent dat bij de
voorschotverlening een onderscheid moeten worden gemaakt tussen
voorschotten op het inburgeringsdeel en voorschotten op het
programmadeel. Het bovenbedoelde onderscheid is in artikel
20, eerste en
tweede lid, neergelegd. De voorschotverlening geschiedt op basis van
artikel 20, derde lid, volgens bij regeling van de minister
te stellen
regels. De te stellen regels zullen onder meer betrekking hebben op het kasritme
van de jaarlijkse voorschotten. De toevoeging van extra middelen aan de
BDU-SIV gedurende de derde periode van het GSB zal leiden tot hogere
jaarlijkse voorschotten.
De GSB-stad dient op
basis van artikel 21 de aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel
uiterlijk op 1 april 2007 in bij de minister. Het inburgeringsdeel van de
BDU-SIV wordt ingevolge artikel 23, eerste lid, in principe, overeenkomstig
de verlening vastgesteld. De vaststelling overeenkomstig de
verlening geschiedt op basis van de in de monitor inburgering opgenomen
gegevens, die de GSB-stad ingevolge artikel 15 aan de
Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie heeft toegezonden. De minister kan op basis
van artikel 23, tweede lid, het inburgeringsdeel lager
vaststellen indien de GSB-stad niet heeft voldaan aan het bij en krachtens
artikel 14 en 15 bepaalde. Het vastgestelde bedrag van het
inburgeringsdeel van de BDU-SIV wordt op basis van artikel
23, vierde lid,
verrekend met de betaalde voorschotten op het inburgeringdeel. Indien
het bedrag aan verleende voorschotten het vastgestelde bedrag van
het inburgeringsdeel van de BDU-SIV overtreft, dan is er sprake van
onverschuldigd betaalde voorschotten. Op basis van artikel
23, zesde en zevende lid, kunnen de onverschuldigd betaalde
voorschotten op het
inburgeringsdeel hetzij worden teruggevorderd, hetzij worden verrekend met nog
door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de
gemeente te betalen bedragen.
De GSB-stad moet de
aanvraag tot vaststelling van het bedrag van het programmadeel van de
BDU-SIV op basis van artikel 24, eerste lid, uiterlijk op 15 juli 2010 bij de
minister indienen. Bij de aanvraag moet op basis van artikel
24, tweede lid,
een verantwoordingsverslag worden gevoegd waarin een vergelijking
van de in het MOP opgenomen te bereiken resultaten en de bereikte
resultaten en een verklaring van de eventuele verschillen is opgenomen.
Het verantwoordingsverslag is voorzien van een verslag van
bevindingen bij de uitgevoerde accountantscontrole op het
verantwoordingsverslag. De accountant vermeldt in het verslag van bevindingen of het
gemeentelijke systeem een betrouwbare registratie van de het bereiken van
de in het MOP [van de te bereiken in het MOP, red.] opgenomen resultaten mogelijk maakt en eventuele
afwijkingen tussen de aan het gemeentelijk registratiesysteem
ontleende gegevens en de in het verantwoordingsverslag opgenomen gegevens.
Ingevolge artikel 24,
vierde lid, moet de aanvraag tot vaststelling van de BDU-SIV tevens vergezeld
gaan van een financieel verslag over de besteding van de
verleende voorschotten dat vergezeld gaat van een accountantsverklaring. De
accountant geeft ingevolge artikel 24, achtste lid, in zijn verklaring
onder meer aan of het financieel verslag een getrouw beeld geeft van de
besteding van de verleende voorschotten en of die besteding rechtmatig tot
stand is gekomen.
Indien uit het
verantwoordingsverslag blijkt dat de GSB-stad de in het MOP opgenomen resultaten
onvoldoende heeft gerealiseerd, dan moet de stad in het verslag de
oorzaak daarvan aangeven en daarbij vermelden wat zij zelf heeft gedaan
om dit zoveel mogelijk te voorkomen. De GSB-stad kan hiermee aantonen dat het niet realiseren van de in het MOP
opgenomen resultaten haar
niet kan worden toegerekend. De bewijslast voor de niet-verwijtbaarheid ligt bij de
GSB-stad.
De minister
kan op basis
van artikel 24, elfde lid, indien uit het verantwoordingsverslag
blijkt dat de in het MOP opgenomen resultaten niet geheel zijn bereikt,
de vaststelling van het programmadeel opschorten. Hij geeft
daarbij op grond van artikel 26, eerste lid, aan de stad een extra periode om
de ontbrekende resultaten zonder extra rijksmiddelen alsnog te
realiseren. De minister zal hiertoe slechts overgaan indien verwacht mag worden dat de GSB-stad de ontbrekende
resultaten alsnog zal
realiseren. De minister kan ook, indien het niet geheel realiseren van de in het
MOP opgenomen resultaten de GSB-stad niet verweten kan worden, een extra periode vaststellen. Een dergelijke
omstandigheid kan zich
bijvoorbeeld voordoen indien de GSB-stad vanwege een valide reden
nog niet het gehele bedrag van de verleende voorschotten aan de bestedingsdoeleinden van de BDU-SIV heeft besteed.
De GSB-stad moet
ingevolge artikel 26, tweede lid, na afloop van de extra periode een verantwoordingsverslag over de realisatie van de
ontbrekende resultaten
aan de minister toezenden. De GSB-stad dient op basis van artikel
26,
derde lid, bij het bovenbedoelde verantwoordingsverslag een financieel verslag
bij te voegen over de besteding van het eventuele bedrag aan
verleende voorschotten dat niet vóór 1 januari 2010 voor de
bestedingsdoeleinden van de BDU-SIV is aangewend.
De minister
gaat over tot
lagere vaststelling van het programmadeel dan overeenkomstig de
verlening indien uit het verantwoordingsverslag blijkt dat de GSB-stad de
in het MOP opgenomen resultaten onvoldoende heeft gerealiseerd. De
lagere vaststelling van het programmadeel blijft op basis van artikel
27,
derde lid, achterwege indien de GSB-stad naar het oordeel van de minister
heeft aangetoond dat er geen sprake is van verwijtbaarheid.
De lagere vaststelling
van het programmadeel geschiedt ingevolge artikel 27, vierde lid,
in principe naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede en
derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren. De minister
kan op basis
van artikel 27, vijfde lid, op verzoek van het gemeentebestuur de lagere
vaststelling in plaats daarvan bepalen op basis van de verdeling
van de feitelijke bestedingen van de verleende voorschotten door de
GSB-stad over de in het MOP opgenomen resultaten. De GSB-stad dient
hiervoor op basis van artikel 24, vijfde lid, wel een verdeling van de
feitelijke bestedingen van de verleende voorschotten bij het
verantwoordingsverslag te hebben gevoegd. In dat geval komt ook in beeld in hoeverre het
gemeentebestuur de voorschotten heeft besteed aan andere in het MOP
opgenomen onderwerpen dan die waarvoor op grond van artikel 7
indicatoren zijn vastgesteld en waaraan het bedrag van het programmadeel
van de
uitkering op grond van artikel 7, tweede en derde lid, percentsgewijs
is toegedeeld. In dat geval wordt bij de berekening van de korting
niettemin uitgegaan van een 100-procentstoedeling van de
uitkering aan de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid. Uitgangspunt bij de
berekening van de korting is dan echter wel de verdeling van de
feitelijke besteding over de verschillende indicatoren, en niet de percentsgewijze
toedeling aan de indicatoren als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.
De minister vraagt op
basis van artikel 27, tiende lid, advies aan een deskundige alvorens hij
overgaat tot lagere vaststelling van het programmadeel dan
overeenkomstig de verlening vanwege het niet realiseren van de in het
MOP opgenomen resultaten. De adviseur is niet werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van de minister. De minister hoort de stad alvorens
hij tot aanwijzing van een deskundige overgaat. Het advies van de
deskundige is niet bindend. De minister moet ingevolge artikel 3:8 van de
Awb bij het besluit tot lagere vaststelling van het programmadeel dan
overeenkomstig de verlening de naam van de adviseur vermelden die
het advies heeft uitgebracht. De minister moet op basis van artikel 3:50
van de Awb indien hij afwijkt van het gegeven advies de reden hiervoor
in de motivering van het besluit tot lagere vaststelling van de programmadeel vermelden. De
minister kan ingevolge
artikel 27, elfde lid, op
verzoek van de GSB-stad, afzien van het inschakelen van een adviseur.
Een
lagere vaststelling
van het programmadeel dan overeenkomstig de verlening is op basis van
artikel 27, tweede lid, onderdeel b, eveneens mogelijk indien de
GSB-stad niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 12 aan de verlening van de
BDU-SIV verbonden verplichtingen. Het is in dat geval niet of niet
mogelijk om vast te stellen in hoeverre de GSB-stad de in het MOP opgenomen
doelstellingen heeft gerealiseerd.
Het programmadeel kan ten slotte ingevolge artikel 27, tweede lid, onderdeel c, tevens lager
worden vastgesteld dan overeenkomstig de verlening indien
verleende voorschotten voor een ander doel dan de in artikel
20, zesde lid,
bedoelde activiteiten zijn besteed.
Het programmadeel van de
BDU-SIV kan op grond van artikel 27, zesde lid, volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels hoger worden vastgesteld dan
overeenkomstig de verlening indien de GSB-stad de in het MOP opgenomen
doelstellingen heeft overtroffen. Het is hiervoor wel vereist dat het
overtreffen van de in het MOP opgenomen doelstellingen te danken is aan
bijzondere inspanningen van de GSB-stad.
Het vastgestelde bedrag
van het programmadeel van de BDU-SIV wordt op basis van artikel
27,
achtste lid, betaald onder verrekening van betaalde voorschotten op
het programmadeel. Indien het bedrag van de bovenbedoelde
voorschotten meer bedraagt dan het bovenbedoelde vastgestelde deelbedrag,
dan is er sprake van onverschuldigd betaalde voorschotten. Op basis
van artikel 28 kunnen de onverschuldigd betaalde voorschotten binnen vijf
jaar na de vaststelling van het programmadeel worden teruggevorderd.
8. Maatschappelijke
effecten
In overleg met de
GSB-steden is overeengekomen dat ook de maatschappelijke effecten
van uitvoering van het MOP in beeld zullen worden gebracht in de
vorm van outcome-indicatoren. Het uiteindelijke doel van het GSB is erop
gericht te komen tot de "complete stad" die veilig is en die in alle
opzichten voldoet aan de - steeds hogere - eisen die bewoners, bedrijven,
instellingen, bezoekers en recreanten nu en in de toekomst aan de stad
stellen: een stad die kansen biedt aan burgers die die kansen nodig hebben
en ze ook daadwerkelijk benutten. Een economisch vitale stad, met
hoogwaardige vestigingslokaties, die werk biedt aan wie dat zoekt. Door
periodieke meting op een aantal outcomedoelstellingen wordt nagegaan in
hoeverre deze maatschappelijke doelen worden bereikt.
De gemeente is
verantwoordelijk voor het aanleveren van de volgende vier indicatoren:
slachtofferschap, onveiligheidsgevoelens in de wijk, verloedering en sociale
kwaliteit. Bij ministeriële regeling zullen die indicatoren nader worden
uitgewerkt. Daarbij zullen ook regels worden gegeven voor de momenten
waarop gegevens over die maatschappelijke effecten aan de minister
verstrekt zullen moeten worden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het
aanleveren van vijf andere outcome-indicatoren: kwaliteit van de
leefomgeving (transactieprijs per m²), sociale kwaliteit van de
samenleving (arbeidsparticipatie), aantal midden- en hogere inkomens in de
stad, ondernemersklimaat en ten slotte stedelijk brutoproduct.
Bij de vier door de
gemeente aan te leveren outcome-indicatoren moet meer in het bijzonder aan
het volgende worden gedacht.
a. Bij slachtofferschap
gaat het om vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven tegen burgers. Bij vermogensmisdrijven worden vier
elementen onderscheiden:
inbraak, fietsendiefstal, diefstal uit en van auto, alsmede zakkenrollerij
(diefstal portemonnee, portefeuille of tasje, zonder geweld). Bij
geweldsmisdrijven worden drie elementen onderscheiden: mishandeling, bedreiging
en seksuele delicten.
b. Bij verloedering gaat
het om een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen:
bekladding van muren en/of gebouwen, vernieling van telefooncellen, bus-
of tramhokjes, rommel op straat en ten slotte hondenpoep op straat.
c. Bij sociale kwaliteit
gaat het om een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen: "de
mensen kennen elkaar in deze buurt nauwelijks", "in deze buurt gaat
men op een prettige manier met elkaar om", "ik woon in een gezellige
buurt met veel saamhorigheid" en ten slotte "ik voel mij thuis bij de
mensen in deze buurt".
Deze outcome-indicatoren
moeten zowel voor de gehele stad als voor iedere wijk afzonderlijk
gemeten worden, voor zover beschikbaar. Voor de afbakening van de wijken
wordt de GSB-wijkindeling gehanteerd uit het Jaarboek Grotestedenbeleid.
De prioritaire voorbeeldwijken en meetwijken veiligheid
zullen hierin herkenbaar worden opgenomen. Op deze wijze kunnen de
ontwikkelingen in de wijken worden gevolgd die bijzondere aandacht
vragen (integrale gebiedsgerichte aanpak) en is een basis gelegd voor het
eventueel ter beschikking stellen van rijksfaciliteiten/instrumenten.
Deze effecten zullen op
verschillende momenten worden gemeten.
a. In hoofdstuk 2 van
deze toelichting is vermeld dat na een positieve beoordeling van het MOP
van een gemeente het Rijk en die gemeente een convenant sluiten dat
geldt voor de gehele GSB-III periode. In een bijlage bij dat convenant
zal een nulmeting worden opgenomen voor bovenbedoelde negen
indicatoren.
b. Op grond van artikel
12 zal het gemeentebestuur in 2007, bij wijze van midterm review,
gegevens moeten verschaffen over de uitvoering van het MOP. Bij
diezelfde gelegenheid zal de gemeente ook gegevens moeten verschaffen over
de outcome-indicatoren. Indien de gemeente gebruik maakt van een
enquête, wordt deze uitgevoerd in de periode januari-maart 2007 en
heeft deze betrekking op 2006. De gegevens uit enquêtes en
registratiesystemen leveren de steden uiterlijk 30 april 2007 bij het
Rijk aan en hebben
zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2006.
c. In 2010 dient de
gemeente een aanvraag in tot vaststelling van het programmadeel van de
uitkering. Daarbij moet een verantwoordingsverslag worden gevoegd (artikel
24). Bij diezelfde gelegenheid zullen ook de outcomegegevens
verstrekt moeten worden. Indien een stad gebruik maakt van een enquête,
wordt deze uitgevoerd in de periode januari-maart 2010 en heeft deze
betrekking op 2009. De stad levert de eindmeting GSB III uiterlijk 15 juli 2010 bij het
Rijk aan in het kader van de verantwoording. Het Rijk gebruikt die gegevens voor de GSB-monitor. De verantwoording heeft
betrekking op de stand per 31 december 2009.
9. Advies Raad voor de
financiële verhoudingen
De Raad voor de
financiële verhoudingen (hierna: RFV) heeft op 16 februari 2004 advies
uitgebracht over enkele sleutels voor verdeling van de BDU-SIV en een
voorstel gedaan voor een nieuwe integrale verdeelsleutel voor de BDU-SIV. Het voorstel gaat uit van relevante
grootstedelijke factoren.
Die sleutel wordt gebruikt voor de verdeling van de extra
veiligheidsmiddelen.
De verdeelsleutel die de
RFV voorstelde, wordt niet toegepast op de middelen die vóór 1
januari 2005 via andere specifieke uitkeringen aan de GSB-steden werden
verstrekt. Die sleutel zou tot herverdeeleffecten hebben geleid en dat was,
gezien het gevoelige politiek-bestuurlijke krachtenveld, maar ook
gezien de inhoudelijke consequenties in 2005, niet wenselijk.
De RFV is van mening dat
de toevoeging van de middelen voor maatschappelijke opvang,
verslavingsbeleid en vrouwenopvang weinig toegevoegde waarde heeft.
Dit omdat de steden vóór 1 januari 2005 met uitzondering van een
rechtmatigheidcontrole op de besteding niet gebonden zijn aan
prestatieafspraken.
De middelen voor
maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang zijn
volgens de RFV bedoeld voor het in stand houden van een regionale
voorziening. Ook de verdeling is hierop gebaseerd. De bovenbedoelde middelen
passen volgens de Raad daarom niet goed binnen het regime van het GSB.
De argumenten van de RFV
gaan voorbij aan de beleidsmatige overwegingen om de
middelen voor maatschappelijke opvang, verslavingszorg en vrouwenopvang aan de
BDU-SIV toe te voegen. Hierbij is vooral de relatie tussen
maatschappelijke opvang en veiligheid en de wenselijkheid voor steden
om integraal op beide te sturen een belangrijke overweging geweest. Dat
neemt niet weg dat de centrumfunctie (en dus de regionale
verantwoordelijkheid) van de tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke
opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang behorende GSB-steden,
alsmede de landelijke toegankelijkheid, gehandhaafd moeten
blijven. Daarom is het verantwoord om de middelen voor maatschappelijke
opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang aan de BDU-SIV toe te voegen.
10. Standpunt GSB-steden
Het Rijk en de 30 GSB-steden hebben overeenstemming bereikt over het stelsel voor de derde
periode van het GSB. Het stelsel is neergelegd in de nota "Samenwerken aan
de Krachtige Stad". Er is tijdens de bestuurlijke overleggen tussen het
Rijk en de 30 GSB-steden van 8 april en van 1 september jongstleden overeenstemming bereikt over:
a. de toe te passen
indicatoren voor de in het MOP opgenomen resultaten;
b. de verrekening van de
BDU-SIV met de realisatie van de in het MOP opgenomen te bereiken
resultaten;
c. de procedure met
betrekking tot de eventuele wijziging van de verdeling van de middelen
voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en voor vrouwenopvang;
d. de omvang van de extra veiligheidsmiddelen; en
e. de eindverantwoording
in 2010 van de BDU-SIV.
De bovenbedoelde punten
zijn in het onderhavige besluit uitgewerkt.
11. Financiële gevolgen
voor de rijksbegroting en de GSB-steden
De BDU-SIV is vooral een
bundeling van vóór 1 januari 2005 bestaande specifieke uitkeringen.
Het onderhavige besluit heeft op twee punten financiële gevolgen voor
de rijksbegroting en daarmee voor de GSB-steden. In de eerste
plaats zijn extra veiligheidsmiddelen voor een bedrag van €|120 mln
aan de BDU-SIV toegevoegd. In de tweede plaats zijn extra middelen aan
de BDU-SIV toegevoegd voor het inlopen van gezondheidsachterstanden
voor een bedrag van €|25 mln. Dit resulteert in €|145 mln aan extra
middelen voor de GSB-steden. De uitgaven voor de BDU-SIV die ten laste
komen van de rijksbegroting bestaan gedurende de derde periode van het GSB
uit de verleende voorschotten. De bovenbedoelde extra middelen zijn
volgens het onderstaande kasritme beschikbaar voor het
verlenen van voorschotten.
| 2005
|
2006
|
2007
|
2008
|
2009
|
| €|14,8
mln |
€|35,8
mln |
€|37,8
mln |
€|30,8
mln |
€|25,8
mln |
De vaststelling van de
BDU-SIV in 2010 leidt niet tot extra uitgaven voor de rijksbegroting. De
eventuele aan de GSB-steden die zeer goede prestaties hebben geleverd te verlenen
toeslag wordt bekostigd uit de terugvordering van de
eventuele onverschuldigd betaalde voorschotten.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1
De in onderdeel
a
opgenomen begripsomschrijving bewerkstelligt dat het onderhavige besluit
niet behoeft te worden aangepast aan wijzigingen in de functionele
aanduidingen van ministers.
De in de onderdelen
f en
g genoemde centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang
en verslavingsbeleid onderscheidenlijk voor vrouwenopvang waren
genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid zoals
dat luidde vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
De in
onderdeel
i
opgenomen begripsomschrijving voor oudkomers is iets anders dan de
omschrijving in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling inburgering
oudkomers 54 gemeenten. Het onderdeel "al voor langere tijd in Nederland
verblijven" uit de oude definitie is geschrapt en vervangen door
"rechtmatig in Nederland verblijven". Enerzijds sluit dit beter aan bij de in de
Vreemdelingenwet
2000 gebruikte terminologie, anderzijds is het gebruik
van de woorden "voor langere tijd" overbodig, aangezien deze beperking
feitelijk ook ligt besloten in de zinsnede "niet verplicht is om op grond
van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen". Met de aanduiding
"etnische minderheidsgroep" wordt
in hoofdzaak gedoeld op de eerste generatie niet-westerse
allochtonen, alsmede de eerste generatie allochtonen welke afkomstig zijn uit
voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie. Een gemeente kan besluiten de doelgroep uit te breiden met in zijn
gemeente woonachtige eerstegeneratieallochtonen uit andere herkomstgebieden. Voorts worden
vreemdelingen die in Nederland verblijven op basis van een tijdelijk
doel uitgesloten van de doelgroep. Voor de
definiëring van verblijf
voor een tijdelijk doel wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel
1,
tweede lid, Win
en de op dit artikel gebaseerde Regeling
aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel. De hier gebruikte
omschrijving van oudkomers sluit personen die reeds op basis van de Wet
inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma hebben gevolgd niet uit.
In onderdeel
i is een
extra categorie opgenomen: geestelijke bedienaren als bedoeld in de Regeling
aanwijzing
bijzondere categorieën vreemdelingen ten behoeve van inburgering, die niet verplicht zijn om op grond van de Wet inburgering
nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen. Het gaat daarbij
in de praktijk om personen met een tijdelijke verblijfstitel. Die
vallen om die reden dan niet onder de reguliere definitie van oudkomers en zouden
dus ook niet meetellen voor vergoeding van de kosten van een
inburgeringsprogramma. Als gevolg van de motie-Lazrak c.s. (Kamerstukken II
2001-2002, 28 006, nr. 14, en Handelingen II 2001-2002, blz. 91-5450 en 91-5451) wordt
het budget voor inburgering van oudkomers ook gebruikt voor
bekostiging van inburgeringsprogramma’s voor de bedoelde geestelijke
bedienaren. De definitie van oudkomers is om die reden met deze categorie
uitgebreid.
Artikel 2
Dit artikel brengt de
medeverantwoordelijkheid van de andere ministers voor de BDU-SIV tot
uitdrukking. De minister kan slechts in overeenstemming met de
medeverantwoordelijke bewindspersonen op grond van het onderhavige besluit
beschikkingen geven en ministeriële regelingen vaststellen. De
medeverantwoordelijke bewindspersonen zijn de Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en
Integratie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en
van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
Artikelen 4 en
9,
vierde lid
De jaarlijkse uitgaven
voor de BDU-SIV zijn op hoofdstuk VII van de rijksbegroting, de
begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
opgenomen. De jaarlijkse bijdragen vanuit de andere hoofdstukken van
de rijksbegroting worden voor de GSB-III-periode jaarlijks voor de
BDU-SIV ter beschikking gesteld. De andere hoofdstukken van de rijksbegroting
zijn hoofdstuk VI, de begroting van het ministerie van
Justitie, hoofdstuk VIII, de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, en hoofdstuk XVI, de begroting van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De bijdragen vanuit de andere
hoofdstukken van de rijksbegroting worden conform artikel 31, eerste lid,
van de Comptabiliteitswet
2001 jaarlijks als geldelijke betalingen op die andere
begrotingen en als geldelijke ontvangsten op hoofdstuk VII van de rijksbegroting
geboekt.
Aangezien de
verplichtingen en de uitgaven voor de BDU-SIV jaarlijks in de begroting van het
desbetreffende begrotingsjaar zijn opgenomen, wordt de BDU-SIV
ingevolge artikel 9, vierde lid, verleend onder de voorwaarde dat door de
begrotingswetgever voldoende gelden ter beschikking worden
gesteld. De BDU-SIV wordt immers verleend voor een tijdvak van vijf jaar, de
gehele GSB-III-periode.
Artikel 5
Het derde lid ziet op de
situatie dat de GSB-stad vóór de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit één aanvraag heeft ingediend voor al de drie brede
doeluitkeringen voor de derde periode van het GSB. De mogelijkheid van één
aanvraag is opgenomen in de nota "Samenwerken aan de Krachtige Stad".
Op basis van het derde lid wordt de aanvraag voor de drie brede
doeluitkeringen ook als aanvraag voor de BDU-SIV aangemerkt.
Artikel
9, eerste tot en
met derde lid
De minister
beslist op de
aanvraag tot verlening van de BDU-SIV binnen acht weken na de
ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 5, eerste lid, moet de aanvraag tot
verlening van de BDU-SIV binnen acht weken na inwerkingtreding van het
onderhavige besluit worden ingediend. De minister beslist in
beginsel binnen zestien weken na de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit op de aanvraag tot verlening van de BDU-SIV. De minister beslist op
basis van het tweede lid op de ene aanvraag voor de drie brede doeluitkeringen, die
vóór de inwerkingtreding van het
onderhavige besluit is
ingediend, binnen acht weken na die inwerkingtreding.
Het derde lid is ontleend
aan artikel 4:31, eerste lid, van de Awb.
Artikel 12
De GSB-stad zal op basis
van onderdeel b gegevens moeten verstrekken in 2005 ten behoeve van
de nulmetingen en in 2007 ten behoeve van de midterm review.
Artikel 13
Artikel
10a, vierde en
vijfde lid, van de Welzijnswet
1994 en de daarop berustende bepalingen
zijn van toepassing op gemeenten aan wie krachtens het Besluit
specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid specifieke uitkeringen zijn verstrekt. Op basis van artikel
13,
eerste en tweede lid, zijn de bovenbedoelde bepalingen ook van
toepassing op de GSB-gemeenten die behoren tot de centrumsteden voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en tot de centrumsteden voor
vrouwenopvang. Artikel 13, derde en vierde lid, is ontleend aan artikel 12
van de Welzijnswet 1994. Het laatstgenoemde artikel ziet op de
specifieke uitkeringen die krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
worden verleend.
Artikel 14
De krachtens dit artikel
door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde
regels komen overeen met de soortgelijke regelingen voor de
inburgering van oudkomers die hij voor de bijdragen aan de niet-GSB-gemeenten
heeft vastgesteld.
Artikelen 15 en
21
De GSB-steden moeten
ingevolge artikel 15 vóór 1 april 2006 een monitor inburgering aan
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie toezenden over
2005. De in de monitor inburgering opgenomen gegevens worden behalve
voor de vaststelling van het inburgeringsdeel ook gebruikt om de Tweede
Kamer der Staten-Generaal op de hoogte te stellen van de
ontwikkelingen op het gebied van inburgering. De Minister voor Vreemdelingenzaken
en Integratie heeft dit in een algemeen overleg met de Vaste Commissies
voor Justitie, voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1
april 2004 toegezegd (Kamerstukken II 2003-2004, 27 083, nr. 42,
blz. 4 en 5).
De GSB-stad dient vóór 1
april 2007 de gegevens met betrekking tot het aantal oudkomers dat in
2006 een inburgeringsprogramma heeft afgerond aan de Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie te hebben gezonden. Het aantal
oudkomers dat in 2005 een inburgeringsprogramma voor oudkomers is gestart
en dat in 2006 heeft afgerond, is een belangrijke variabele voor de
vaststelling van het bedrag van het inburgeringsdeel. Er is in artikel 21 dan ook
neergelegd dat de GSB-stad de aanvraag tot vaststelling van het inburgeringsdeel
uiterlijk op 1 april 2007 bij de minister
moet hebben
ingediend.
De verplichting tot het
desgevraagd geven van inzicht in de controlegegevens aan de Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie was vóór de inwerkingtreding
van het onderhavige besluit reeds opgenomen in artikel
13, zevende
lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering
nieuwkomers.
Artikel
17, vierde lid
De op basis van het
onderzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
gewijzigde verdeling wordt in materiële zin niet met terugwerkende kracht
toegepast. Aangezien er echter sprake is van één BDU-SIV voor de gehele
GSB-III-periode wordt de gewijzigde verdeling tijdsevenredig
omgerekend. De daaruit resulterende wijziging werkt op basis van het vierde lid
terug tot en met het tijdstip waarop de BDU-SIV is verleend.
Artikel
18, vierde lid
De verlaging van het
verleende programmadeel in verband met de wijziging van de in het
MOP opgenomen resultaten geschiedt naar evenredigheid van de
krachtens artikel 7, tweede en derde lid, vastgestelde verdeling over de
indicatoren. Het bovenstaande wordt aan de hand van het volgende
voorbeeld toegelicht.
Voorbeeld:
Aan indicator A is 40%
van de middelen voor leefbaarheid en veiligheid toegedeeld. Indien de
gemeenteraad het in het MOP opgenomen resultaat op indicator A met 20%
vermindert, dan wordt het procentuele aandeel van de gemeente in de
middelen voor leefbaarheid en veiligheid met 40 x 0,20% = 8% verlaagd.
Artikel 20
De krachtens het derde
lid vastgestelde regels komen voor wat betreft verlening van de
voorschotten op het inburgeringsdeel zoveel mogelijk overeen met de
soortgelijke regels die de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie voor de
rijksbijdragen voor inburgering aan de niet-GSB-gemeenten heeft vastgesteld. Het vierde en vijfde lid zijn ontleend
aan artikel 4:55 van de Awb.
De gemeente kan op basis
van het zesde lid de ontvangen voorschotten uitsluitend besteden aan
activiteiten die in de GSB-III-periode worden verricht. Dit heeft tot
gevolg dat de voorziening die de GSB-stad ingevolge artikel 44, tweede lid,
van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) ter zake van de BDU-SIV heeft gevormd, op 31 december
2009 nihil dient te bedragen.
De bestedingen kunnen
bestaan uit:
a. betalingen die in de GSB-III-periode zijn gedaan;
b. op 31 december 2009
bestaande schulden die na de GSB-III-periode tot betaling komen (zie
artikel 48 van het BBV); en
c. verplichtingen die in
2009 zijn opgebouwd en in een volgend jaar tot betaling komen (zie
artikel 49 van het BBV).
Omzetbelasting die de
GSB-stad gecompenseerd krijgt door het Rijk via de Wet
op het BTW-compensatiefonds kan ingevolge het zevende lid ook
een bestedingscategorie
van de ontvangen voorschotten zijn. Dit hangt samen met het feit dat de
BDU-SIV voor het overgrote deel bestaat uit een bundeling van bestaande
specifieke uitkeringen die vóór 1 januari 2004 werden verleend. De
gehele BDU-SIV wordt om doelmatigheidsredenen voor de toepassing van de
Wet op het BTW-compensatiefonds behandeld als een vóór 1 januari
2004 bestaande specifieke uitkering. De inkoop-BTW over de uitgaven die de
GSB-stad met de middelen van bestaande specifieke uitkeringen
doet, is betrokken bij de bepaling van de uitname uit het gemeentefonds. De
bestaande specifieke uitkeringen zijn derhalve niet gekort vanwege de
introductie van het BTW-compensatiefonds (Kamerstukken II 1999-2000, 27 293, nr.
3, blz. 11 en 15).
Artikel
23, derde en
vierde lid
Het derde en het vierde
lid zijn ontleend aan de artikelen 4:42
onderscheidenlijk 4:52, eerste lid, van de
Awb.
Het zesde lid komt
inhoudelijk overeen met artikel 4:57 van de
Awb. Het bedrag van de
onverschuldigd betaalde voorschotten is het bedrag van de verleende voorschotten op
het inburgeringsdeel onder aftrek van het vastgestelde bedrag van
het inburgeringsdeel.
Artikel
24, vierde lid en
negende lid, onderdeel c
De GSB-stad
moet op basis
van het vierde lid bij de aanvraag tot vaststelling van het
programmadeel een verslag van de besteding van de verleende voorschotten
voegen. Er worden bij regeling van de minister
regels gegeven voor de
accountantscontrole op het verantwoordingsverslag en het financieel
verslag. De regels zullen onder meer een tolerantiemarge vaststellen die van toepassing is op de verantwoording van de besteding van de
voorschotten op de BDU-SIV.
Artikel
27, eerste,
zevende en achtste lid
Er wordt in het eerste
lid met "overeenkomstig de verlening" gedoeld op de verlening zoals die
luidt na de eventuele toepassing van de artikelen 16 tot en met
19.
Het zevende en achtste
lid zijn ontleend aan artikel 4:42
onderscheidenlijk artikel 4:52, eerste lid, van
de Awb.
Artikel 28
Deze bepaling komt
inhoudelijk overeen met artikel 4:57 van de
Awb. Het bedrag van de
onverschuldigd betaalde voorschotten is het bedrag van de verleende
voorschotten op het programmadeel onder aftrek van het vastgestelde bedrag
van het programmadeel.
Artikel 32
In het
Besluit
regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten van 7 december 2001 wordt
bij de berekening van een deel van de specifieke uitkering
de volwassen inwoners van de G25 buiten beschouwing gelaten. Met
de uitbreiding van G25 naar de G30 is het noodzakelijk artikel 4
van genoemd
besluit te wijzigen.
Artikel 33
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport moet op basis van artikel 5, eerste lid,
van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid vóór 15 januari 2005 een beslissing nemen
omtrent de verlening voor 2005 van de krachtens dat besluit verleende
specifieke uitkeringen. Ingevolge het eerste lid neemt de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport in zijn verleningsbeschikking op
dat de specifieke uitkeringen voor de GSB-stad bij inwerkingtreding van
het onderhavige besluit nihil bedragen. De gemeenten wenden de
krachtens het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang en verslavingsbeleid verleende specifieke
uitkeringen in de regel aan voor de bekostiging van diverse instellingen. Op
basis van dit artikel kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
voorschotten aan de GSB-stad verlenen indien het onderhavige besluit
na 15 januari 2005 in werking treedt. De liquiditeit van de instellingen voor
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang of voor verslavingsbeleid
ondervindt dan geen nadeel van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit na 15 januari 2005. De als gevolg van
de inwerkingtreding van
het onderhavige besluit door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport onverschuldigd betaalde voorschotten worden verrekend met de
door de minister
in 2005 verleende voorschotten op het
programmadeel.
Artikel 34
Dit artikel voorziet in
het op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de
Awb vereiste wettelijk
voorschrift voor de verstrekking van subsidies door de minister
voor
activiteiten die passen in het GSB. Op basis van artikel
4:23, tweede lid,
van de Awb kan het bovenbedoelde wettelijk voorschrift
ook zijn
opgenomen in een zelfstandige algemene maatregel van bestuur. Het
onderhavige besluit is zoals in hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de
toelichting is opgemerkt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Artikel 34 vervalt ingevolge artikel 4:23, tweede lid, van de
Awb binnen vier
jaar nadat het in werking is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van
wet is ingediend waarin de subsidieverstrekking is geregeld. De minister
verleent in de GSB-III-periode in ieder geval aan de Stichting
Kenniscentrum Grote Steden en de Vereniging Landelijk Samenwerkingsverband
Aandachtswijken een structurele subsidie.
Artikel 35
Artikel 31 werkt terug
tot en met 1 september 2004. Deze terugwerkende kracht vloeit voort uit
artikel 4, vierde lid, van het Bekostigingsbesluit inburgering
nieuwkomers.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moet
namelijk op basis van het bovenbedoelde artikel in september 2004 een
besluit nemen over de rijksbijdrage over 2005. Artikel 31 vervalt met ingang van
het tijdstip dat het in artikel 35, tweede lid, bedoelde
wetsvoorstel
tot wet is verheven en in werking is getreden. Artikel 31 is op dat
tijdstip overbodig geworden, omdat artikel 16 van de
Win
in de desbetreffende
regeling zal voorzien.
Artikel 34 werkt terug
tot en met 1 januari 2005. Dat artikel biedt mede de grondslag voor de
Tijdelijke subsidieregeling LSA (Stcrt. 2005, 15). Met ingang van die datum is
de verantwoordelijkheid voor de subsidiëring van het beleidssecretariaat
en de personele ondersteuning van het Landelijk Samenwerkingsverband
Aandachtswijken (LSA) bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties komen te liggen. Met ingang
van dat jaar heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daartoe de
subsidieverantwoordelijkheid structureel overgedragen van zijn begroting naar
die
van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. In
verband daarmee is de bovengenoemde Tijdelijke subsidieregeling LSA tot
stand gekomen. Uit een oogpunt van continuïteit werkt die regeling terug
tot en met 1 januari 2005. Dat geldt dus ook voor artikel 34 van dit
besluit, dat de grondslag biedt voor die regeling.
De Minister voor
Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold
|
|