|
BESLUIT van 2 oktober 2006,
houdende regels met betrekking tot de uitkeringen ten behoeve van beleid
op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg,
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid, de
stimuleringsuitkeringen, de eigen bijdrage en de financiële
tegemoetkomingen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en
wijziging van andere besluiten (Besluit maatschappelijke
ondersteuning)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 14 juli 2006, kenmerk DMO/SFI-2698621;
Gelet op artikel 1, zesde lid,
artikel 15,
derde lid, artikel 19, tweede lid, artikel
20, eerste tot en met derde
lid, en artikel 21, tweede lid, van de Wet maatschappelijke
ondersteuning en op de Kaderwet
militaire pensioenen, de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, de Tabakswet, de
Wet op de jeugdzorg, de
Wet tarieven
gezondheidszorg,¹ de Kwaliteitswet
zorginstellingen, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet
op de omzetbelasting 1968, de Wet werk en
bijstand, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Ziektewet, de
Wet inburgering nieuwkomers,¹ de Wet
educatie en beroepsonderwijs en de Overgangswet
verzorgingshuizen ¹;
De Raad van State gehoord (advies van 25
september 2006, nummer W13.06.0325/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 september
2006, kenmerk DMO/SFI-2718633;
1. De Wet tarieven
gezondheidszorg is op grond van artikel 123 van de Wet
marktordening gezondheidszorg met ingang van 1 oktober 2006
ingetrokken, de Wet inburgering nieuwkomers is
op grond van artikel 72 van de Wet
inburgering met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken en de Overgangswet
verzorgingshuizen is op grond van artikel 50 van de Wet
toelating zorginstellingen met ingang van 1 januari 2006
ingetrokken, red.
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
I
Definitiebepaling
Art. 1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet
maatschappelijke ondersteuning;
b. inkomen:
1º. indien over het peiljaar een aanslag
of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het
inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1º, van de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
2º. in de overige gevallen: het
inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2º, van de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
c. uitkering: een specifieke
uitkering als bedoeld in artikel 20 van de
wet;
d. stimuleringsuitkering:
een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 21 van
de wet;
e. maatschappelijke opvang:
maatschappelijk opvang, vrouwenopvang daaronder niet begrepen;
f. peiljaar: het tweede
kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een persoon
maatschappelijke ondersteuning is verleend;
g.¹ zorgtoeslag:
een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
e, van de Wet op de zorgtoeslag;
h. grondslag sparen en beleggen:
de grondslag sparen en beleggen, bedoeld
in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
1. Redactie:
onderdeel g treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop
artikel I, onderdeel B, voor zover het betreft artikel
4.7, van het Besluit van 23 juni 2010, houdende wijziging van het
Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Bijdragebesluit
zorg in verband met het vaststellen en innen van eigen bijdragen
voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang door gemeenten (Stb.
2010, 260) in werking treedt en werkt terug tot en met 19 april 2010.
HOOFDSTUK
IA
Vreemdelingen
die met een Nederlander worden gelijkgesteld
Art.
1a.
-1.
Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de
vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden
in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l,
van de Vreemdelingenwet
2000:
a. voor de beëindiging van dit
verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in
artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
2000, of, buiten die termijn, ingeval artikel
6:11 van de Algemene wet bestuursrecht
toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft
ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8,
onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het
eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag,
het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling
is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te
blijven.
HOOFDSTUK
II
Uitkeringen ten
behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke
gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid
Art. 2.1.
Aan de in de bij dit besluit
behorende bijlage, onder A, opgenomen gemeenten wordt een
uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van de openbare
geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid.
Art. 2.2.
Aan de in de bij dit besluit
behorende bijlage, onder B, opgenomen gemeenten wordt een
uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van
vrouwenopvang.
Art. 2.3.
Uitkeringen aan gemeenten
ten behoeve van door hun besturen te voeren beleid op de
terreinen van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door Onze Minister toegekend
met inachtneming van de artikelen 2.4 tot en met 2.9.
Art. 2.4.
-1. Onze Minister
geeft vóór
1 oktober van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar aan de
colleges van burgemeester en wethouders kennis van de verwachte uitkeringen
voor het uitkeringsjaar.
-2. Onze Minister beslist vóór 15 januari van het kalenderjaar omtrent de verlening. De beschikking
bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt verleend, is bepaald.
-3. Op de verleende uitkering
wordt maandelijks een voorschot verleend van een twaalfde deel van
de verleende uitkering.
-4. De artikelen 4:48 en
4:50
van de Algemene wet bestuursrecht zijn op het tweede en derde lid van
overeenkomstige toepassing.
Art. 2.5.
-1. Bij de verlening van
een uitkering kan Onze Minister
bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem
wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het
prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
-2. Met het oog op de
toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de
uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden
genomen voor een bijstelling in verband met de
ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
-3. Indien een uitkering
met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de
bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Art. 2.6.
-1. Voor zover na afloop
van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan het doel van de
uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus gereserveerde bedragen
kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel waarvoor de uitkering
werd verstrekt.
-2. Het totaal van de
reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een percentage van 30% van de
verleende uitkering niet te boven.
Art. 2.7.
De bijlage bij de
jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de uitkeringsperiode
afloopt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het
Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Art. 2.8.
Het college van
burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling
aan Onze Minister
van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor
een beslissing tot wijziging of intrekking van een uitkering. Daarbij worden
de relevante stukken overgelegd. Artikel 4:49 van de
Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.9.
Onze Minister
geeft
binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 58a van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten, een beschikking tot vaststelling
van de
uitkering. De artikelen 4:46, 4:49,
4:52, 4:56 en
4:57 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
2.10.
Onze Minister
kan, gelet
op het belang dat dit hoofdstuk beoogt te beschermen, artikelen
buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing
leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
HOOFDSTUK
III
Stimuleringsuitkeringen
§ 1.
Het aanvragen of ambtshalve toekennen van
een stimuleringsuitkering
Art.
3.1.1.
-1. Een stimuleringsuitkering wordt op
aanvraag verleend.
-2. Onze Minister
kan stimuleringsuitkeringen verlenen die zich uitstrekken over meer dan
één kalenderjaar.
-3. De aanvraag van de
stimuleringsuitkering wordt uiterlijk dertien weken vóór de aanvang
van de periode waarop deze betrekking heeft, ingediend.
-4. Bij de aanvraag wordt aangegeven welke
activiteiten met behulp van de stimuleringsuitkering zullen worden
gesubsidieerd, welke doelen daarmee worden nagestreefd en welke kosten
met de activiteiten zullen zijn gemoeid.
-5. Onze Minister kan ontheffing verlenen
van de in het derde lid genoemde aanvraagtermijn.
Art.
3.1.2.
Indien het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt bepaald door het
voor het verstrekken van stimuleringsuitkeringen in een bepaald tijdvak
beschikbare bedrag onder gemeenten te verdelen
op grond van een verdeelmaatstaf als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
van het Besluit
financiële verhouding 2001 kan de stimuleringsuitkering
in afwijking van artikel 3.1.1 zonder voorafgaande
aanvraag worden verleend. Bij ministeriële regeling wordt alsdan
bepaald voor welke activiteiten de stimuleringsuitkering is bestemd.
§ 2.
Het verlenen van
een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting
Art. 3.2.1.
-1. Onze Minister
geeft
een beschikking op de aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Met het oog op de onderlinge
afweging van aanvragen
kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat op aanvragen wordt
beslist op of na één of meer bepaalde data in een kalenderjaar.
-2. Indien de beslissing
een verlening inhoudt, wordt het bedrag van de stimuleringsuitkering
vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald en welk bedrag ten
hoogste zal worden verleend.
-3. De artikelen 4:48 en
4:50 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art.
3.2.1a.
-1. Indien de stimuleringsuitkering zonder
voorafgaande aanvraag wordt verleend, wordt in de beschikking tot
verlening van de stimuleringsuitkering het bedrag van de
stimuleringsuitkering vermeld dan wel de wijze waarop dit wordt bepaald
en welk bedrag ten hoogste zal worden verleend.
-2. De artikelen
4:48 en 4:50 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 3.2.2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot het verlenen van voorschotten.
Art.
3.2.2a. Vervallen.
Art. 3.2.3.
-1. Bij de verlening van
een stimuleringsuitkering kan Onze Minister
bepalen dat het
uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de
ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
-2. Met het oog op de
toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de stimuleringsuitkering tevens bepalen welk deel van
het uitkeringsbedrag in
aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband
met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
-3. Indien een
stimuleringsuitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de
bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
§ 3.
Aan de verlening
van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen
Art. 3.3.1.
Het college van
burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling
aan Onze Minister
van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor
een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van een
stimuleringsuitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht
is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 3.3.2.
Binnen zes maanden na
afloop van het jaar waarin een stimuleringsuitkering is verstrekt, zendt het
college van burgemeester en wethouders een schriftelijk verslag
aan Onze Minister
over de activiteiten waarvoor een stimuleringsuitkering
is verstrekt.
Art. 3.3.3.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders verstrekt aan de door Onze Minister
aangewezen
ambtenaren of andere personen op diens verzoek alle bescheiden
en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun
taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de
inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien het college slechts kan
voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig
persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt
het college de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot
personen herleidbaar zijn.
-2. Ook anderszins wordt
zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door Onze
Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te
stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.
-3. Het college van
burgemeester en wethouders werkt mee aan door of namens Onze Minister
ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze Minister
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
Art. 3.3.4.
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan de verlening van
bepaalde categorieën van stimuleringsuitkeringen te verbinden
verplichtingen.
§ 4.
De vaststelling van
een stimuleringsuitkering en betaling
Art. 3.4.1.
De bijlage bij de
jaarrekening van het jaar volgend op het jaar waarin de
stimuleringsuitkering is verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het
Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Art. 3.4.2.
Onze Minister
geeft
binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 58a van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten, volgend op het jaar waarin de
uitkeringsperiode afloopt een beschikking tot vaststelling
van de
stimuleringsuitkering. De artikelen 4:46,
4:49, 4:52, 4:56 en
4:57 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5.
Overige bepalingen
Art. 3.5.1.
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop het bedrag van een stimuleringsuitkering wordt berekend. [Rvasu]
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting
en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan en het verslag.
Art. 3.5.2.
Artikel 2.10 is op dit
hoofdstuk van toepassing.
HOOFDSTUK
IV
Eigen
bijdrage en financiële tegemoetkomingen
Art. 4.1.
-1. Indien de gemeenteraad uitvoering
heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van
de wet, mogen de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de
kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een
financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, tezamen niet meer
bedragen dan:
a. voor de ongehuwde persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt €|18,60 per vier weken,
met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer
bedraagt dan €|23 208,00, het bedrag van €|18,60 wordt verhoogd met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en €|23
208,00;
b. voor de ongehuwde die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt €|18,60 per vier weken,
met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer
bedraagt dan €|16 257,00, het bedrag van €|18,60 wordt verhoogd met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en €|16
257,00;
c. voor de gehuwde personen indien
één
van beide de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die
leeftijd nog niet hebben bereikt, €|26,60 per vier weken, met dien
verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer
bedraagt dan €|28 733,00, het bedrag van €|26,60 wordt verhoogd met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen
en €|28 733,00;
d. voor de gehuwde personen die beiden de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt €|26,60 per vier weken, met dien
verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer
bedraagt dan €|22 676,00, het bedrag van €|26,60 wordt verhoogd met een
dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen
en €|22 676,00.
-2. De gemeenteraad kan de verschuldigde
eigen bijdrage of het aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming
voor eigen rekening blijft, verlagen door de in het eerste lid genoemde
bedragen per vier weken of het percentage van 15 te verlagen of de
overige in het eerste lid genoemde bedragen in gelijke mate wijzigen.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid
wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en
een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken
bedraagt.
-4. Op de met toepassing van het eerste en
tweede lid vastgestelde bijdrage wordt een korting van 33% toegepast.
-5. Indien de voorziening
bestaat uit het verschaffen in eigendom van een roerende zaak dan wel
een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning
die in eigendom is van de aanvrager, kan gedurende maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening
worden gebracht dan wel bij de vaststelling van de hoogte van de financiële
tegemoetkoming gedurende maximaal die periode een met
toepassing van de daarvoor geldende regels berekende bedrag in mindering
worden gebracht.
-6. De bijdrage is niet verschuldigd voor
een rolstoel.
-7. De bijdrage of het eigen aandeel in de
kosten is niet verschuldigd indien de persoon aan wie maatschappelijke
ondersteuning is verleend of zijn echtgenoot een bijdrage ingevolge de artikelen
4 of 14 van het Bijdragebesluit
zorg verschuldigd is.
-8. De persoon aan wie maatschappelijke
ondersteuning is verleend, is de eigen bijdrage of het eigen aandeel in
de kosten niet verschuldigd in de periode, bedoeld in het derde lid, dat
deze persoon gedurende meer dan één nacht verblijft in een
maatschappelijke opvang of een vrouwenopvang.
Art. 4.1a.
De persoon aan wie maatschappelijke
ondersteuning is verleend, betaalt de eigen bijdrage binnen 30 dagen
nadat de beschikking is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later
tijdstip vermeldt.
Art. 4.1b.
-1. De eigen bijdrage, bedoeld in artikel
4.1, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het
CAK ervan in kennis is gesteld dat maatschappelijke ondersteuning wordt
verleend.
-2. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen
bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode,
kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld,
met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen
bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is
verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die
is gelegen meer dan 24 maanden vóór de dag waarop het besluit waarin de
eigen bijdrage wordt vastgesteld aan die persoon is verzonden.
Art. 4.2.
-1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld
in artikel 4.1, eerste lid, bedraagt het inkomen
over het peiljaar vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen
over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde dan wel 8% van de
gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2,
tweede lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, over het peiljaar van de gehuwde
verzekerden.
-2. Inkomen dat in het buitenland wordt
belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van
internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan
de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.
-3. Op aanvraag van de persoon aan wie
maatschappelijke ondersteuning is verleend, vindt, in afwijking van het
eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen
plaats op grond van het inkomen en de grondslag sparen en beleggen van
het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het
bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste €|1816,00 lager
zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
-4. Indien het derde lid
is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling
van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen
in het lopende jaar minder dan €|1816,00 lager is geweest dan het
bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve
vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
-5. De aanvraag, bedoeld in het derde lid,
wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar
waarop de aanvraag betrekking heeft.
Art. 4.3.
Voor de toepassing van de
artikelen 4.1 en 4.2 wordt een wijziging in de burgerlijke staat van de ongehuwde persoon of gehuwde personen en het
bereiken van een van
belang zijnde leeftijd van één van deze personen in aanmerking genomen met
ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld.
Art. 4.4.
-1. Indien ten aanzien van de ongehuwde of
gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage
vastgesteld op het bedrag per vier weken, bedoeld in artikel
4.1, eerste
lid.
-2. Indien na de vaststelling van de eigen
bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging
van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag
bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met
inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die
wijziging.
Art. 4.4a.
-1. De eigen bijdrage wordt herzien
uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld
van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
-2. De herziene bijdrage wordt voor zover
mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.
-3. Indien het CAK heeft verzuimd de eigen
bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op
een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien
verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen
bijdrage door de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is
verleend, moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die
is gelegen meer dan 24 maanden vóór de dag waarop het besluit waarin de
eigen bijdrage is herzien aan die persoon is verzonden.
-4. Voor zover de bevoegdheid tot
herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond
van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen
bijdrage van rechtswege definitief.
Art. 4.5.
-1. Bij ministeriële
regeling worden de bedragen per vier weken, genoemd in
artikel 4.1, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex
van de gezinsconsumptie.
-2. De berekende bedragen
worden naar beneden afgerond op een veelvoud van €|0,2.
-3. Bij de jaarlijkse
toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in het tweede
lid, buiten beschouwing gelaten.
-4. In afwijking van het
eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in artikel
4.1, jaarlijks
bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het
minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het tweede en het derde lid
zijn niet van toepassing.
Art.
4.6.
Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet
van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens
deze wet of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
Art.
4.7.¹
-1. De artikelen 4.1 tot en
met 4.6 zijn niet van toepassing op maatschappelijke opvang en
vrouwenopvang.
-2. Indien de gemeenteraad uitvoering heeft
gegeven aan artikel 15, eerste lid, van de wet,
mag de hoogte van de eigen bijdrage voor verblijf in een
maatschappelijke opvang of vrouwenopvang niet zodanig zijn dat de
persoon die verblijft in een zodanige opvang na afdracht van de eigen
bijdrage van zijn netto-inkomen minder overhoudt dan een bedrag dat
overeenkomt met het bedrag vermeld in artikel 23,
eerste lid, van de Wet werk en bijstand
vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de
zorgtoeslag, gecorrigeerd
met de zorgtoeslag.
1. Artikel
4.7 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, red.
Art.
4.8.
De gemeenteraad is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet
van of op een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens
deze wet of de Wet werk en bijstand.
HOOFDSTUK
V
Aanwijzen
van instellingen voor het gebruik van het burgerservicenummer
Art.
5.
Als instellingen als bedoeld in artikel 18 van de wet worden aangewezen de
instellingen die huishoudelijke verzorging verlenen.
HOOFDSTUK
VI
Wijziging van
andere besluiten
Art.
6.1.
Het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998 wordt als volgt
gewijzigd:
A.
Artikel 1, onderdeel k,
komt te luiden:
k. Wmo: Wet
maatschappelijke ondersteuning;.
B.
In artikel 2, onderdeel k,
wordt "van de Wvg" vervangen door: van de
Wmo.
C.
Artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, onder 11, komt te luiden:
11. de Wmo;.
D.
In het opschrift van
artikel 4 wordt "Wvg" vervangen door "Wmo" en in het artikel wordt
"van de Wvg" vervangen door: van de Wmo.
Art.
6.2.
In artikel 21 van het Besluit
aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen
militairen wordt "Wet voorzieningen gehandicapten" vervangen door:
Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Art.
6.3.
In artikel 21 van het Besluit
bijzondere militaire pensioenen wordt "Wet voorzieningen gehandicapten" vervangen door:
Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Art.
6.4.
Artikel 21 van het Reïntegratiebesluit
vervalt.
Art.
6.5.
In artikel 3, tweede lid,
onderdeel c, van het Besluit
beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten wordt "het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2 van de
Welzijnswet 1994" vervangen door: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de
Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Art.
6.6.
Het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb,
Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In het eerste lid van
artikel 1 vervalt ", de Wet voorzieningen gehandicapten".
B.
In artikel 3 vervalt ", Wvg".
Art.
6.7.
Het Bijdragebesluit zorg wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 4 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-6. Op de bijdrage worden
de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning
en het
aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de
toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet voor
eigen rekening komt, in mindering gebracht.
B.
Aan artikel 14 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-4. Op de bijdrage worden
de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning
en het
aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de
toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet
voor
eigen rekening komt, in mindering gebracht.
C.
Het opschrift van paragraaf 2
van hoofdstuk III komt te luiden: § 2. Bijdragen voor
persoonlijke verzorging en verpleging indien er geen sprake is van verblijf.
D.
In artikel 16a wordt "bedoeld in de
artikelen 3 tot en met 5 van het besluit" vervangen door:
bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het
besluit.
E.
Artikel 16d wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid
wordt "artikelen 3 tot en met 5" vervangen door "artikelen
4 en 5" en wordt
"€|12,00"
vervangen door: €|12,20.
2. Het tweede lid, komt
te luiden:
-2. De bijdrage, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt per kalenderjaar niet meer dan:
a. voor de ongehuwde
verzekerde jonger dan 65 jaar €|16,60 per vier weken, met dien verstande
dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €|16 137,00, het bedrag van €|16,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil
tussen zijn inkomen en €|16 137,00;
b. voor de ongehuwde
verzekerde van 65 jaar of ouder €|16,60 per vier weken, met dien verstande
dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €|14 162,00, het bedrag van €|16,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil
tussen zijn inkomen en €|14 162,00;
c. voor de gehuwde
verzekerden indien één van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger
zijn dan 65 jaar, €|23,80 per vier weken, met dien verstande dat indien hun
gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan €|20 810,00, het bedrag van €|23,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil
tussen hun gezamenlijke inkomen en €|20
810,00;
d. voor de gehuwde
verzekerden die beiden 65 jaar of ouder zijn €|23,80 per vier weken, met dien
verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan €|19
837,00, het bedrag van €|23,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van
15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en €|19
837,00.
3. Onder vernummering van
het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-3. Op de bijdrage worden
de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning
en het
aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de
toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet
voor
eigen rekening komt, in mindering gebracht.
F.
In artikel 16e, derde
lid, vervalt ", dan wel indien het inkomen in het lopende jaar algemene
bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand
betreft".
G.
Artikel 19 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid
wordt na 16d ingevoegd: , voor zover het betreft de bedragen van €|16,60 en €|23,80,.
2. Er wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-4. In afwijking van het
eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in artikel 16d, jaarlijks
bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het
minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het tweede en het derde lid
zijn niet van toepassing.
Art.
6.8.
Bijlage B, onder b,
onderdeel 15, van het Uitvoeringsbesluit
omzetbelasting 1968 komt als volgt te
luiden:
15.
a. instellingen die
werkzaam zijn op het terrein van op preventie gerichte ondersteuning
van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen
met opvoeden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
g, onder 2º, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning, voor zover werkzaam op
het gebied van het jeugd- en jongerenwerk;
b. instellingen op het
terrein van het bevorderen van sociale samenhang in en leefbaarheid van
dorpen, wijken en buurten als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel g, onder 1º, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning, voor zover werkzaam op
het gebied van het club- en buurthuiswerk.
Art.
6.9.
Het Besluit brede doeluitkering sociaal,
integratie en veiligheid wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 13 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid
wordt "Artikel 10a, vierde lid, van de Welzijnswet
1994" vervangen door: Artikel 20,
vierde lid, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning.
2. Het tweede lid
vervalt.
3. Het derde en vierde
lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.
B.
Artikel 30 vervalt.
Art.
6.10.
Artikel 11, eerste lid,
onderdeel a, van het Besluit Wwb ¹ komt te luiden:
a. de gemeenten opgenomen
in de bijlage, onder A, van het Besluit maatschappelijke
ondersteuning; en.
1. Gelet op het bepaalde
in artikel 13 van het Besluit
Wwb 2007 dient volgens de redactie "Besluit Wwb"
te worden vervangen door: Besluit Wwb 2007.
Art.
6.11.
Het Besluit zorgaanspraken AWBZ wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 2, eerste lid,
vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b tot en met
o verletterd tot onderdelen a tot en met n.
B.
Artikel 3 vervalt.
Art.
6.12.
Het Zorgindicatiebesluit wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 1, onderdeel e,
vervalt "3,".
B.
In artikel 2 wordt "artikelen
3 tot en met 10"
vervangen door: artikelen 4 tot en met 10.
Art.
6.13.
In artikel 2 van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering wordt "artikelen
3 tot en met
12"
vervangen door: artikelen 4 tot en met 12.
Art.
6.14.
Het Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 9 vervalt "huishoudelijke verzorging," en wordt
"artikelen 3 tot en met 9" vervangen door:
artikelen 4 tot en met 9.
B.
In het tweede lid van
artikel 21 wordt "artikelen 3 tot en met
8" vervangen door: artikelen 4 tot
en met 8.
Art.
6.15.
Aan artikel 1 van het Koninklijk besluit van 11 december 1996, houdende uitvoering van artikel 1,
tweede lid, van de Kwaliteitswet
zorginstellingen en wijziging van enige
besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1996, 639), worden, onder vervanging van de punt
aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, twee
onderdelen toegevoegd, luidende:
e. openbare geestelijke
gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
e, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning;
f. huishoudelijke
verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Art.
6.16.
In artikel 1 van het Besluit
opheffing contracteerplicht extramurale zorg AWBZ wordt "artikelen
3 tot en met 8" vervangen door: artikelen
4 tot en met 8.
Art.
6.17.
In artikel 1.20,
onderdeel A, van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet wordt "artikelen
3 tot en met 10"
vervangen door: artikelen 4 tot en met 10.¹
1. Het betreft hier een
wijziging met ingang van 1 januari 2007 van artikel 2
van het Zorgindicatiebesluit, gelijk aan
de wijziging van dat artikel in artikel 5.12 van het
onderhavige besluit. Zie ook de toelichting op
artikel 5.17, red.
HOOFDSTUK
VII
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
7.1.
-1. Tot 1 januari 2008 is
de persoon aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend geen eigen
bijdrage ingevolge de
wet verschuldigd indien deze persoon of
zijn echtgenoot een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of
artikel 14 van het Bijdragebesluit
zorg verschuldigd is.
-2. Tot 1 januari 2008
blijft op een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 19 van
de wet
geen aandeel in de kosten van maatschappelijke
ondersteuning voor eigen rekening van de persoon aan wie een zodanige
tegemoetkoming is verleend indien deze persoon of zijn echtgenoot een
bijdrage als bedoeld in artikel 4 of artikel 14 van het
Bijdragebesluit zorg
verschuldigd is.
Art.
7.2.
-1. De Regeling
experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale
opvoedondersteuning en gezinsondersteuning berusten op artikel 21 van
de wet
en
vervallen met ingang van 1 januari 2008.
-2. De artikelen 3.1.1 en
3.1.2 zijn op de in het eerste lid genoemde regelingen niet van
toepassing.
Art.
7.3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2007.
Art.
7.4.
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2
oktober 2006
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de vijfde
oktober 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
BIJLAGE
bij het Besluit
maatschappelijke ondersteuning
A. Gemeenten waaraan een
uitkering openbare geestelijke gezondheidszorg,
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid wordt verstrekt:
Almere
Apeldoorn
Assen
Bergen op Zoom
Delft
Den Helder
Doetinchem
Ede
Gouda
Hilversum
Hoorn
Oss
Purmerend
Spijkenisse
Vlaardingen
Vlissingen
B. Gemeenten waaraan een
uitkering vrouwenopvang wordt verstrekt:
Almere
Apeldoorn
Delft
Den Helder
Ede
Gouda
Hilversum
Spijkenisse
Vlaardingen
Vlissingen
NOTA VAN TOELICHTING
[2 oktober 2006]
Algemeen
1. Inleiding
Dit besluit stelt nadere
regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De opbouw van dit besluit
is als volgt. In hoofdstuk I zijn de definitiebepalingen opgenomen.
Hoofdstuk II regelt de uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein
van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang en ambulante verslavingszorg.
Hoofdstuk III bevat
bepalingen ten aanzien van de stimuleringsuitkeringen aan gemeenten. In
hoofdstuk IV zijn de bepalingen ten aanzien van eigen bijdragen en
financiële tegemoetkomingen neergelegd. Hoofdstuk V regelt de wijziging
van verschillende andere besluiten waarin naar de Welzijnswet
1994 en de
Wet voorzieningen gehandicapten( Wvg) wordt verwezen.
Hoofdstuk VI bevat twee
slotbepalingen.
Hier alvast de opmerking
dat de Wmo de Welzijnswet 1994 en de Wvg intrekt en dat daardoor de
volgende besluiten vervallen. Door het intrekken van de Welzijnswet 1994
vervallen het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid, het Besluit afwijking
verantwoordelijkheidstoedeling welzijnsbeleid, het Besluit specifieke
uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
en het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang.
Door het intrekken van de
Wvg vervallen het Besluit rijksvergoeding
Wvg-woonvoorzieningen en het Besluit
bijdrage AWBZ-gemeenten.
2. Openbare geestelijke
gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid
Op grond van artikel 20
van de Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport specifieke
uitkeringen verstrekken ten behoeve van gemeentelijk beleid op de
terreinen van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang,
vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Gemeenten die een uitkering ontvangen, worden daarmee door de
Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport financieel gestimuleerd en gefaciliteerd bij de
uitoefening van een bij de
Wmo opgedragen taak. In vergelijking met de Welzijnswet
1994 blijft het stelsel van specifieke uitkeringen ongewijzigd.
Het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid is daarom in zijn geheel opgenomen in
hoofdstuk II van onderhavig besluit en uitgebreid met de openbare
geestelijke gezondheidszorg. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat
27 centrumgemeenten de middelen voor deze prestatievelden sinds
2005 krijgen uit de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
De middelen voor de
openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) zullen aan de specifieke
uitkering maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid worden
toegevoegd. Deze middelen zijn bestemd voor de toeleiding tot zorg,
te weten het signaleren, opsporen, contact leggen en contact houden, het
toeleiden zelf én de ongevraagde nazorg. De verdeelsystematiek wordt
nog uitgewerkt.
Hoofdstuk II van het
onderhavige besluit regelt op basis van artikel 20 van de
Wmo aan welke gemeenten de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
uitkeringen verstrekt.
Tevens
stelt dit besluit de regels vast ten aanzien van het bedrag van de uitkering dan wel de
wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de uitkering, de
intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling
van de uitkering en de betaling, de terugvordering van de uitkering evenals
het verlenen van voorschotten op de uitkering.
3.
Stimuleringsuitkeringen
Op grond van artikel 21
van de
Wmo kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
aan gemeenten een uitkering verstrekken ten
behoeve van de
stimulering van de maatschappelijke ondersteuning. Overeenkomstig het
kabinetsstandpunt "Anders gestuurd, beter bestuurd" naar
aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de stuurgroep-Brinkman
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 800 B, nr. 16) wordt getracht nieuwe
specifieke uitkeringen te voorkomen. Slechts waar het erom gaat de totstandkoming van nieuwe voorzieningen te bevorderen of
een nieuwe samenhang
tussen voorzieningen tot stand te brengen, zal naar dit middel worden
gegrepen, waarbij te allen tijde het beoordelingskader voor de specifieke
uitkeringen zal worden gehanteerd. Daarbij zal strikt de hand worden
gehouden aan de voorwaarde dat een specifieke uitkering wordt
gehanteerd wanneer er een nationaal politiek belang aan het doel wordt gehecht en
er (nog) weinig vertrouwen is dat de medeoverheden dit doel
tot stand kunnen brengen.
De bepalingen uit het
onderhavige besluit komen zoveel mogelijk overeen met die uit het
Besluit volksgezondheidssubsidies (hoofdstuk VI. Uitkeringen aan
provincies en gemeenten). De desbetreffende bepalingen uit het Besluit
volksgezondheidssubsidies sloten overigens aan bij die uit het (inmiddels
vervallen)
Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid.
Opgemerkt dient te worden
dat de bepalingen uit het Bekostigingsbesluit volksgezondheidssubsidies momenteel worden geëvalueerd. Deze
evaluatie zal er
hoogstwaarschijnlijk toe leiden dat de uitvoeringsregels voor subsidies en
specifieke uitkeringen niet meer bij algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling zullen worden gesteld, maar alleen
nog maar bij
ministeriële regeling. Naar verwachting zullen de bepalingen omtrent specifieke
uitkeringen inhoudelijk nagenoeg ongewijzigd blijven. De wijzigingen zullen met
name betrekking hebben op de bepalingen omtrent subsidies.
Het is gewenst de gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van de
wijze waarop zij de betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit
uitgangspunt is de basis voor de regeling in hoofdstuk III van het
onderhavige besluit.
4. Eigen bijdrage en
financiële tegemoetkoming
In mijn brief van 26
november 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 7) heb ik aan de
Tweede Kamer kenbaar gemaakt hoe met de invoering van de
Wmo aan de eigenbijdrageregeling op grond van de Wmo en de AWBZ
vormgegeven zal
worden.
Bij de behandeling van
het wetvoorstel
Wmo in de Tweede Kamer is een amendement van het
lid Van Miltenburg c.s aanvaard waardoor in artikel 4 van
het
wetsvoorstel een compensatiebeginsel voor gemeenten is ingevoerd
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 65). Dit compensatiebeginsel geeft aan
het college
van
burgemeester en wethouders de opdracht om aan personen met
bepaalde beperkingen voorzieningen te verstrekken die deze personen in
staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning alsmede medemensen te ontmoeten en
op basis daarvan sociale
verbanden aan te gaan. Tevens is met het amendement geregeld dat
het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken,
de behoefte en de
capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in
maatregelen te voorzien. Dit betekent dat als de aanvrager in staat is de
voorziening zelf te regelen én de financiële middelen heeft deze zelf
te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de
voorziening, of het geld daarvoor, op grond van de Wmo. Het is aan het college van burgemeester en wethouders zelf om te
bepalen wanneer het
compensatiebeginsel tot deze uitkomst leidt. De Wmo geeft geen
bevoegdheid om daarover regels op te stellen.
De eerste vraag is dus of
de aanvrager in staat is zelf in de voorziening te voorzien. Is dat niet
het geval en wordt de voorziening toegewezen, dan komt pas het vraagstuk
van de eigen bijdrage aan de orde. Ook dan kan het zijn, zoals ik in de brief
van 26 november 2004 heb aangegeven, dat de aanvrager de volledige kostprijs zelf moet betalen. Gezien het compensatiebeginsel
valt daarbij te denken
aan een persoon die wel de financiële middelen heeft, maar niet
in staat is om de voorziening zelf te regelen.
De gemeenteraad is vrij
om wel of niet in een verordening te bepalen of de aanvrager voor de
voorziening een eigen bijdrage moet betalen dan wel voor een
persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming te regelen dat een deel
van de kosten voor rekening van de aanvrager komen. Ook is
de gemeenteraad vrij in de inrichting van het eigenbetalingssysteem.
Aan de vrijheid van de gemeenteraad met betrekking tot de
inrichting van het eigenbijdragesysteem
Wmo zijn door de wetgever twee beperkingen gesteld. In de eerste plaats is in dit besluit
geregeld welk
inkomensafhankelijke maximum geldt en hoe dat berekend wordt. De gemeenteraad
mag wel een lagere bijdrage opleggen, maar geen hogere. Daardoor
heeft de gemeenteraad voldoende armslag om een eigenbijdragebeleid
te voeren, zonder dat sprake is van het voeren van inkomensbeleid door
de gemeenteraad in die zin dat er meer opgelegd wordt dan het
bij wettelijk voorschrift geregelde maximum. Dat is dus niet toegestaan.
In de tweede plaats wijst
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
op grond van
artikel 16 van de
Wmo de rechtspersoon aan die de eigen bijdrage vaststelt
en int.
Zoals in de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel
Wmo is aangegeven, acht de
regering het gewenst om de extramurale eigenbijdrageregeling AWBZ
en
de regeling voor de
Wmo goed op elkaar te laten aansluiten om een
mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor individuen te beperken.
Met de extramurale eigen bijdragen AWBZ worden bedoeld de eigen
bijdragen die op grond van de AWBZ zijn verschuldigd voor persoonlijke
verzorging en verpleging, zonder dat er sprake is van verblijf in een
AWBZ-instelling.
Er is voor gekozen om de
grenzen voor de eigen bijdrage Wmo te enten op grenzen van de eigen
bijdrage die geldt voor de extramurale AWBZ. Behalve regels met
betrekking tot de eigen bijdrage in het kader van de Wmo, wijzigt het
onderhavige besluit daarom ook de extramurale eigen bijdrage AWBZ.
De begrenzing aan de
stapeling is geregeld door het anticumulatiebeding zoals dat onder de Wvg
gold ook voor de Wmo te regelen. Anders dan bij de Wvg gaat de
Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die
voor een bepaalde Wmo-voorziening reeds een eigen bijdrage betalen,
maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ
slechts een eigen bijdrage betalen tot dat voor hen geldende maximum. Dit
geldt ook voor de eigen bijdrage die in mindering wordt gebracht op het persoonsgebonden budget op grond van de
AWBZ.
In
de AWBZ is een anticumulatie voor de eigen bijdrage voor
extramurale zorg met de zorg ingeval
er sprake is van zorg met verblijf in een AWBZ-instelling. Een
samenloop kan vooral aan de orde zijn indien één van de partners verblijft
in een AWBZ-instelling en de ander thuis AWBZ-zorg ontvangt.
Hoewel de Wvg een anticumulatie in geval van verblijf in een
AWBZ-instelling niet kende, is een dergelijke anticumulatie met dit besluit ook
geregeld voor de
Wmo. Dat lag alleen al voor de hand omdat de huishoudelijke
verzorging per 1 januari 2007 is overgegaan naar de Wmo. Ook hiervoor is
geregeld dat de Wmo voorgaat.
Tot de inwerkingtreding
van dit besluit gold voor de extramurale eigen bijdragen voor
alleenstaanden hetzelfde maximum als voor meerpersoonshuishoudens. Huishoudens op het
sociaal minimum waren procentueel veel meer van
hun huishoudinkomen kwijt aan eigen bijdragen dan een
alleenstaande op sociaal inkomen [lees: op het sociaal minimum, red.]. Dit wordt nu gecorrigeerd door de
bijdrage voor de meerpersoonshuishoudens op het relevante sociaal minimum
te verzachten. Deze verzachting geldt derhalve ook voor de Wmo-bijdrage.
Omdat gekozen is het percentage dat van het huishouden maximaal aan
eigen bijdrage voor extramurale AWBZ-zorg gevraagd mag worden voor
alle groepen op het sociaal minimum gelijk te laten zijn, is tevens een onderscheid gemaakt tussen mensen die 65 jaar
of ouder zijn en mensen
die jonger dan 65 jaar zijn. Als gevolg hiervan zijn er vier groepen
onderscheiden. De systematiek is afgeleid van de Regeling
inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg, waarin bepaald was dat de
draagkracht die in aanmerking genomen kon worden, toenam indien het
inkomen ten minste 1,5-maal het voor de betreffende persoon
geldende sociaal minimum bedroeg.
Tot nu toe was het bedrag
dat maximaal aan eigen bijdrage moest worden betaald,
gemaximeerd tot een bepaald nominaal bedrag per vier weken. Dit bedrag bedroeg
in 2006 €|544,20. Dit maximum is komen te vervallen. Daarmee is op
dit punt eveneens aangesloten bij de eigenbijdrageregeling op grond
van de Wvg, die een dergelijk maximum ook niet kende.
De vaststelling en de
inning van de extramurale eigen bijdragen AWBZ
wordt gedaan door het
Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Het CAK
heeft derhalve ervaring en deskundigheid ten aanzien van het
berekenen, vaststellen en innen van eigen bijdragen. De regering heeft daarom
besloten het CAK deze taak ook voor de eigen bijdragen
Wmo te geven
(Kamerstukken II 2005-2005, 30 313, nr. 36). Het CAK is dan ook de
rechtspersoon die hiervoor op grond van artikel 16 van de
Wmo wordt aangewezen.
Het CAK krijgt de taak eigen bijdragen vast te stellen en te innen voor
individuele voorzieningen die in natura worden toegekend en voor
voorzieningen waarvoor een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Hiermee is bewerkstelligd dat het CAK voor
beide de anticumulatie
met de eigen bijdragen AWBZ kan toepassen. Volledigheidshalve zij
opgemerkt dat artikel 16 geen betrekking
heeft op de financiële tegemoetkomingen.
Bij het opstellen van
onderhavig besluit is over inhoud en uitvoering van hoofdstuk
IV uitvoerig
overleg geweest zowel met de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.] als met het CAK.
5. Administratieve lasten
Gemeenten hebben een
grote mate van vrijheid bij de uitvoering van de
Wmo. Dit geldt onder
andere voor de eigen bijdrage die kan worden gevraagd van inwoners aan
wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend. Gemeenten zijn
bevoegd zelf te bepalen of er een eigen bijdrage wordt gevraagd en kunnen
ook bepalen of deze al dan niet inkomensafhankelijk zal zijn. Met
deze AMvB [algemene maatregel van bestuur, red.] wordt het maximum van de eigen bijdrage geregeld dat per
vier weken van de burger gevraagd mag worden voor de Wmo-voorzieningen en
AWBZ-zorg tezamen. Tevens
wordt aangegeven welk
inkomensbegrip wordt gehanteerd bij het vaststellen van deze
eigen bijdrage.
In de derde nota van
wijziging is reeds geregeld dat de vaststelling en inning van de eigen
bijdrage
Wmo zal worden verzorgd door een door Onze Minister
aan te
wijzen rechtspersoon. De regering heeft besloten dat dit het CAK zal zijn. Het
CAK verzorgt op dit moment ook al de vaststellingen en inning van de verschuldigde eigen bijdrage voor de
AWBZ.
Doordat het in deze
AMvB gedefinieerde inkomensbegrip gelijk is gesteld aan het inkomen
dat geldt voor de extramurale bijdrage AWBZ, wordt het mogelijk dat de
eigen bijdrage voor zowel AWBZ als
Wmo gelijktijdig door het CAK
wordt vastgesteld en geïnd.
Hiermee is gekozen voor
het minst belastende alternatief voor de burger. De burger die
gebruik maakt van voorzieningen uit de AWBZ,
Wmo of een combinatie van
beide regelingen ontvangt in alle gevallen nog slechts één
rekening voor de inning van de (gezamenlijke) eigen bijdrage. Ten opzichte
van de huidige situatie betekent dit een reductie van de administratieve
lasten. Uit onderzoek is gebleken dat eind 2004 circa 360 000 mensen gebruik
maakten van voorzieningen uit zowel de Wvg als de AWBZ. Voor de inning
van de eigen bijdrage heeft deze groep momenteel dan ook te
maken met twee instanties, gemeente
en CAK. Door het CAK ook de
inning van de eigen bijdrage uit hoofde van de Wmo te laten verzorgen, wordt
het aantal facturerende instanties voor deze groep teruggebracht van
twee naar één.
Alhoewel op dit moment
dus duidelijk is dat het centraal innen van de eigen bijdrage
Wmo en AWBZ een reductie van de administratieve lasten voor de burger oplevert,
kan nog niet exact worden becijferd hoe groot de totale reductie is.
Hiervoor is het ook nodig te weten hoeveel van de 360 000 AWBZ- en Wvg-gebruikers daadwerkelijk een eigen bijdrage voor de Wvg betalen. Dit getal is
op dit moment niet bekend aangezien gemeenten vrij zijn in het al dan
niet opleggen van een eigen bijdrage. Bij de kwantificering van de
lasten die de Wmo met zich meebrengt, zal nader onderzoek rond dit
onderwerp worden uitgevoerd.
De keuze die in deze
AMvB wordt gemaakt voor het belastbaar inkomen in combinatie met
centrale vaststelling en inning door het CAK heeft nog meer positieve gevolgen
voor de administratieve lasten van de burgers. De circa 800 000 mensen die een
beroep zullen gaan doen op de
Wmo worden hiermee ontheven van de
lasten die samenhangen met het achterhalen van de eigen
inkomensgegevens en mogelijke betalingen die al eerder zijn gedaan voor hetzij
Wmo,
hetzij AWBZ. Gemeenten en CAK kunnen deze gegevens voortaan direct
achterhalen via de belastingdienst. Ook de lastenvermindering die
dit oplevert, zal bij uiteindelijke kwantificering nader worden onderzocht.
De
Wmo zal in de loop van
dit jaar preciezer worden gekwantificeerd, als meer duidelijk is
over hoe gemeenten uitvoering gaan geven aan
de wet. Hierbij zullen
tevens de ervaringen met de uitgevoerde pilots worden betrokken.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk I.
Definitiebepaling
Artikel 1
Is de definitiebepaling
en bevat definities van wet, project, uitkering, stimuleringsuitkering, maatschappelijke
opvang en peiljaar.
Hoofdstuk II. Uitkeringen
ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke
gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid
Artikel 2.1 en
2.2
Het aantal
gemeenten
opgenomen in de bijlage, onder A en B, is in vergelijking met het
Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
verslavingsbeleid niet gewijzigd.
In het kader van het grotestedenbeleid (GSB) ontvangen op basis van het Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid 27 van de 43 centrumgemeenten
middelen ten behoeve van activiteiten op het terrein van de openbare
geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid en 25 van de 35 centrumgemeenten middelen ten behoeve van
activiteiten op het terrein van vrouwenopvang. In de bijlage,
onder A en B, zijn de centrumgemeenten opgenomen die niet onder het GSB vallen.
Artikel 2.4
Overeenkomstig artikel 28
van het Besluit
financiële verhouding 2001 bepaalt het eerste lid
van artikel 2.4 dat Onze Minister
vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan
het uitkeringsjaar aan de colleges van burgemeester en wethouders kennis
geeft van de verwachte uitkeringen voor het uitkeringsjaar.
Volgens het tweede lid
beslist Onze Minister vóór 15 januari van het kalenderjaar omtrent de
verlening.
Artikel 2.6
Om de beleidsvrijheid van
gemeenten bij de besteding van middelen ook in de tijd gezien te
vergroten, is een bijzondere voorziening getroffen. Het wordt een gemeente
mogelijk gemaakt een bepaald deel van de uitkering te reserveren
voor latere jaren. Daarmee worden gemeenten in staat gesteld om, binnen
zekere grenzen, ook flexibiliteit in de tijd te realiseren. Hiermee wordt
de doelmatige inzet van overheidsmiddelen bevorderd. Gemeenten
hoeven immers aan het eind van het jaar niet op geforceerde wijze tot
besteding van gelden over te gaan.
Omdat het uiteraard niet
de bedoeling is dat er jaarlijks grote sommen geld gespaard worden, is
in het tweede lid van dit artikel vastgelegd dat het totaal van de
gereserveerde gelden niet groter mag zijn dan 30% van de over het
verslagjaar verleende uitkering. Er is afgezien van een beperking in de tijdsduur van de spaarmogelijkheid, omdat met de
limitering zoals die is
vormgegeven in het tweede lid voorkomen kan worden dat een gemeente
onverhoopt te veel gelden in kas zou houden.
Artikel 2.7
Voor wat betreft de door
de gemeente
in de bijlage bij de jaarrekening te geven
verantwoordingsinformatie wordt verwezen naar artikel 58a van het
Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten (Bbv). Artikel 58a is aan het
Bbv
toegevoegd ter uitvoering van het op 1 april 2005 vastgestelde kabinetsstandpunt over het rapport
"Anders gestuurd,
beter bestuurd: De
specifieke uitkeringen doorgelicht" van de stuurgroep-Brinkman (Kamerstukken II
2004-2005, 29 800 B, nr. 16).
Het gaat om door de
gemeente te verstrekken informatie die noodzakelijk is voor het afleggen van
verantwoording over het beheer van de uitkering en over het
behalen van de hoofddoelstellingen. Met betrekking tot het beheer van de
uitkering is nog van belang hetgeen is bepaald in artikel
2.9.
Artikel 2.8
Dit is de gebruikelijke
bepaling waarbij de gemeente
wordt verplicht de minister schriftelijk
mededeling te doen van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor
een beslissing tot wijziging of intrekking van een uitkering. In het van
overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 4:49 van de
Algemene wet bestuursrecht
wordt onder meer bepaald in welke
gevallen de minister de
uitkering kan intrekken of ten nadele van de gemeente kan wijzigen.
Artikel 2.9
Een beschikking tot
vaststelling van de uitkering wordt door de minister
gegeven binnen zes
maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel
58a
van het Bbv.
Artikel 2.10
Het opnemen van een
antihardheidsclausule opent de mogelijkheid voor de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport om, in gevallen waarin toepassing van dit
hoofdstuk - gegeven de doelstelling en de strekking daarvan - een
onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een artikel
van het besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dit
artikel komt overeen met artikel 44 van het Besluit volksgezondheidsubsidies en artikel 57 van het Bekostigingsbesluit
welzijnsbeleid.
Hoofdstuk III.
Stimuleringsuitkeringen
§ 1. Het aanvragen van
een stimuleringsuitkering
Artikel
3.1.1 e.v.
Zoals in het
algemeen
deel van de toelichting reeds is uiteengezet, heeft hoofdstuk III betrekking
op stimuleringsuitkeringen aan gemeenten. Het gaat hier om specifieke
uitkeringen.
Het is gewenst de
gemeenten in beginsel zoveel mogelijk vrijheid te geven ten aanzien van de
wijze waarop zij de betrokken activiteiten wensen uit te voeren. Dit
uitgangspunt is de basis voor de regeling in hoofdstuk III van het
onderhavige besluit.
Artikelen 3.1.1 en
3.1.2
Met deze bepalingen wordt
aangegeven waaraan een aanvraag voor een uitkering dient te
voldoen. Het gaat hier om voor specifieke uitkeringen gebruikelijke bepalingen.
Zie de artikelen 33 en 34 van het Besluit volksgezondheidssubsidies.
§ 2. Het verlenen van
een stimuleringsuitkering en de bevoorschotting
Artikelen 3.2.1 tot en
met 3.2.3
Deze bepalingen betreffen
het verlenen van een uitkering en de bevoorschotting en komen
overeen met de artikelen 35 tot en met 37 van het Besluit
volksgezondheidssubsidies.
Artikel 3.2.1 geeft
regels onder andere over de termijn waarbinnen de Minister van
VWS op een
aanvraag voor een uitkering dient te beslissen. Artikel 3.2.2 betreft het
verlenen van voorschotten door de minister. Artikel 3.2.3 maakt het
mogelijk dat bij de verlening van een uitkering de Minister van VWS bepaalt
dat het uitkeringsbedrag kan worden bijgesteld, rekening houdend met de
ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de
arbeidsvoorwaarden.
§ 3. Aan de verlening
van een stimuleringsuitkering verbonden verplichtingen
Artikelen 3.3.1 tot en
met 4.3.3
Deze bepalingen hebben
betrekking op de aan de verlening van een uitkering verbonden
verplichtingen en komen overeen met de artikelen 38 tot en met 40a van het
Besluit volksgezondheidssubsidies.
Artikel 3.3.1 bepaalt dat
het college van burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk de Minister van
VWS schriftelijk op de hoogte stelt van omstandigheden die van
belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of
vaststelling van een uitkering en daarbij de relevante stukken
overlegt.
Artikel 3.3.2 bevat
regels over een door het college van burgemeester en wethouders aan de minister
te zenden schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor een
uitkering is verstrekt.
Artikel 3.3.3 bepaalt
onder meer dat het college van burgemeester en wethouders aan door de
Minister van VWS aangewezen ambtenaren of andere personen op diens
verzoek bescheiden en inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn
voor een juiste vervulling van hun taak. Voorts bevat artikel 3.3.3 bepalingen
over het medewerken aan door of namens de Minister van VWS
ingestelde onderzoekingen en over het ook anderszins zoveel mogelijk
medewerking verlenen aan de minister.
Artikel 3.3.4 maakt het
mogelijk bij ministeriële regeling nadere regels te stellen omtrent de aan de
verlening van bepaalde categorieën van uitkeringen te verbinden
verplichtingen.
§ 4. De vaststelling van
een stimuleringsuitkering en betaling
Artikelen 3.4.1 en
3.4.2
Deze artikelen en de
artikelen 2.7 tot en met 2.9 zijn gelijkluidend. Voor de toelichting wordt dan
ook verwezen naar de toelichting op de artikelen 2.7 tot
en met 2.9.
§ 5. Overige bepalingen
Artikelen 3.5.1 en
3.5.2
Overeenkomstig hetgeen
bepaald is in het Besluit volksgezondheidssubsidies (artikel 5
respectievelijk artikel 43) is in artikel 3.5.1 de mogelijkheid opgenomen
dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een uitkering wordt berekend
en nadere regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de inrichting
en de wijze van indiening van aanvragen, het activiteitenplan, het
projectplan en het verslag.
In artikel 3.5.2 wordt
verwezen naar artikel 2.11 [artikel 2.10, red.]
waarin een hardheidsclausule staat opgenomen. Ook voor
de toelichting wordt verwezen naar die van artikel 2.11 [die
van artikel 2.10, red.].
Hoofdstuk IV. Eigen
bijdrage en financiële tegemoetkomingen
Artikel 4.1
Artikel
15, eerste lid,
van de
Wmo geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
verordening te bepalen dat een persoon aan wie maatschappelijke
ondersteuning wordt verleend een eigen bijdrage is verschuldigd. Ingevolge
het tweede lid van artikel 15 van de
Wmo kan de eigen bijdrage inkomensafhankelijk zijn. Artikel
19, eerste lid, van de
Wmo regelt dat de hoogte van
de financiële tegemoetkoming inkomensafhankelijk kan zijn. In artikel
15,
derde lid, respectievelijk artikel 19, derde lid, van de
Wmo is geregeld
dat bij of krachtens AMvB regels kunnen worden gesteld met betrekking
tot deze eigen bijdrage respectievelijk de financiële tegemoetkoming.
Zoals in het algemene
deel van de toelichting is aangegeven, is de gemeenteraad vrij om wel
of niet voor een eigenbijdragesysteem te kiezen en om dat zelf
vorm te geven. Met deze AMvB is slechts het maximum geregeld dat per
vier weken van de burger gevraagd mag worden aan eigen
betalingen voor de
Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg tezamen. Omdat de
anticumulatie zowel de eigen bijdrage als het aandeel dat bij toekenning van
een financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft betreft,
is ervoor gekozen om de anticumulatie, net als in de Regeling
inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg geregeld was, in één
bepaling te regelen.
Het eerste lid van
artikel 4.1 van het onderhavige besluit regelt wat de gemeenteraad maximaal aan
eigen betalingen voor de Wmo-voorzieningen per vier weken mag vragen
of door het CAK mag laten opleggen. Het tweede lid van artikel
4.2 regelt hoe de gemeenteraad dat maximum mag verlagen.
In artikel 4.1, eerste
lid, zijn vier groepen te onderscheiden, namelijk de groep ongehuwd die jonger
is dan 65 jaar, de groep ongehuwd van 65 jaar of ouder, de groep
gehuwd met één of beide personen jonger dan 65 jaar en de groep gehuwd
waarbij beiden 65 jaar of ouder zijn. De in dit lid opgenomen
inkomensgrenzen beogen de eigen bijdrage mede afhankelijk
te maken van het voor de
betreffende groepen geldende sociaal minimum. De hoogte ervan
komt overeen met 120% van het verzamelinkomen op het sociaal minimum.
Deze systematiek is afgeleid van de Regeling inzake
financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg, waarin bepaald was dat de
draagkracht die in aanmerking genomen kon worden, toenam indien het
inkomen ten minste 1,5-maal het voor de betreffende persoon
geldende sociaal minimum bedroeg.
De aldus geregelde
maximale bijdrage kent derhalve de volgende variabelen:
a. de maximale eigen
bijdrage die minima moeten betalen (minimaal maximum, vorm: vast
bedrag);
b. de omvang van het
inkomensafhankelijk deel van de eigen bijdrage (vorm: percentage
marginale druk);
c. het startpunt van waar
af de eigen bijdrage toeneemt met het inkomen (vorm: vast
bedrag of een percentage van het relevante sociaal minimum).
De gemeenten zijn vrij om
de maximaal verschuldigde eigen betaling beneden de in het eerste
lid geregelde maxima vast te stellen. Het is niet wenselijk dat gemeenten
personen met hogere inkomens geheel of gedeeltelijk van een
dergelijke vermindering uitsluiten, omdat zodoende de marginale druk die
voortvloeit uit de regeling toeneemt. Daarom regelt het tweede lid dat de
gemeenteraad de in het eerste lid genoemde bedragen alleen in
gelijke mate mag wijzigen. Dit betekent dat het percentage van 15 wel
lager mag worden vastgesteld, maar niet hoger worden. Datzelfde geldt
voor het bedrag van €|16,60, respectievelijk €|23,80. €|16,60 is
het bedrag voor alleenstaanden en €|23,80 is het bedrag voor gehuwden.
De
verhouding tussen deze bedragen is gelijk aan het sociaal
minimum van
beide groepen (70:100). Genoemde inkomensbedragen mogen zowel hoger als
lager worden vastgesteld. De verlaging onderscheidenlijk
wijziging mag alleen voor alle in het eerste lid bedoelde groepen van personen in
gelijke mate geschieden. Met andere woorden per groep geldt dat er
gekozen mag worden voor één lager percentage en één lager bedrag dan €|16,60, respectievelijk €|23,80. Ook voor genoemde inkomensbedragen kan in
de verordening telkens één afwijkend bedrag vastgesteld worden.
In het derde lid is
geregeld dat voor bepaalde individuele voorzieningen gedurende maximaal drie
jaar een eigen bijdrage in rekening kan worden gebracht dan wel op de
hoogte van de financiële tegemoetkoming gedurende maximaal die
periode een met toepassing van de daarvoor geldende regels berekend
bedrag in mindering worden gebracht. Hiermee is wat betreft de
eigen bijdrage afgeweken van de regeling op grond van de Wvg. In
artikel 5, eerste lid, van de Regeling
inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg was immers geregeld dat de eigen
bijdrage slechts was verschuldigd over het kalenderjaar waarin de
voorziening werd toegekend.
Op grond van de
Wvg gold
geen eigen bijdrage voor rolstoelen. Op 7 juli 2006 is door de
Tweede Kamer een motie van het lid Verbeet aanvaard. In deze motie
wordt de regering verzocht het ontwerpbesluit maatschappelijke
ondersteuning zo te herzien dat de hoogte van de eigen bijdrage voor een
rolstoel op nul wordt gesteld (Kamerstukken II 2005-2006, 29 538, nr. 38). Ter
uitvoering van deze motie is in het vierde lid geregeld dat voor een rolstoel
geen eigen bijdrage verschuldigd is.
Artikel 4.2
In het eerste en tweede
lid is geregeld welk inkomen relevant is voor de maximale bijdrage die een
ongehuwde persoon of gehuwde personen gezamenlijk in een
kalenderjaar verschuldigd zijn. Het gaat om hetzelfde inkomensbegrip als geldt
voor de extramurale bijdrage AWBZ. Ook gaat het om het inkomen over het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
jaar waarin de
maatschappelijke ondersteuning, het persoonsgebonden budget of de financiële
tegemoetkoming daarvoor is verleend.
Ook de uitzondering van
het derde lid komt overeen met de regeling daarvoor op grond van de
AWBZ. Hetzelfde geldt voor de defintieve vaststelling indien het
derde lid is toegepast. De regeling hiervan is gelijk aan artikel 16e, vierde
lid, van het Bijdragebesluit zorg.
Artikel 4.3
Dit artikel komt overeen
met artikel 2, derde lid, van het Bijdragebesluit
zorg.
Artikel 4.4
Dit artikel komt overeen
met artikel 16a, vierde lid, van het
Bijdragebesluit zorg. Artikel 16a
is met
het Koninklijk besluit van 20 september 2005 tot wijziging van
het Bijdragebesluit zorg, houdende invoering van een termijn waarbinnen de
beschikking tot vaststelling van de eigen bijdrage voor zorg zonder
verblijf wordt genomen, alsmede enkele technische wijzigingen (Stb.
2005, 471), in het Bijdragebesluit zorg opgenomen. De reden voor invoering
van artikel 16 was dat het CAK de eigen bijdrage niet kon opleggen omdat
de verzekerde niet in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) te
vinden was of omdat er nog een gerechtelijke procedure liep tegen de
hoogte van de vaststelling van het verzamelinkomen. Dezelfde uitzondering die
voor de desbetreffende eigen bijdrage AWBZ geldt, is met
artikel 4.4 ook voor de eigen bijdrage
Wmo die door het CAK wordt vastgesteld
en geïnd, geregeld. Deze bepaling heeft geen betrekking op de door de gemeente
vastgestelde financiële tegemoetkoming. Het is de gemeente die de
hoogte daarvan vaststelt, rekening houdend met het aandeel in de
kosten die voor rekening van de aanvrager van de maatschappelijke
ondersteuning kunnen blijven. Indien betrokkene niet in het GBA te vinden
is, kan een financiële tegemoetkoming niet worden vastgesteld. Dat
geldt ook indien er nog discussie is over zijn verzamelinkomen. Een
regeling als die van artikel 4.4 is bij de financiële tegemoetkoming dan ook
zinloos.
Omdat het CAK de eigen
bijdragen voor de
Wmo en de AWBZ vaststelt en de gemeente
de hoogte
van de financiële tegemoetkomingen, zullen het CAK en de gemeente
goede afspraken moeten maken over de uitvoering van de
anticumulatie indien aan een persoon of zijn echtgenoot zowel een financiële
tegemoetkoming als een individuele voorziening of een persoonsgebonden
budget is verleend.
Artikel 4.5
Het indexatiecijfer en de
wijze van indexering zoals geregeld in het eerste tot en met het
derde lid is gelijk aan de regeling daarvoor op grond van de AWBZ
(artikel 19,
eerste tot en met het derde lid, van het Bijdragebesluit
zorg).
Voor de overige in
artikel 4.1 genoemde bedragen geldt dat deze worden aanpast aan de
hand van de ontwikkelingen van het minimumloon. Daarom is in het vierde
lid een afwijkende regeling getroffen. De aanpassing aan de hand
van de ontwikkelingen van het minimumloon betekent niet een
naadloze aansluiting aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook
gevolgen met betrekking sociale premies, zoals de premie voor de
Zorgverzekeringswet, kunnen van invloed zijn.
Hoofdstuk V. Wijziging van
andere besluiten ¹
Ingevolge artikel I van
het Besluit 18 december 2006, Stb. 2006, 720, zijn de
hoofdstukken V en VI vernummerd tot hoofdstukken VI en
VII en zijn de artikelen 5.1 tot en met 5.17
vernummerd tot artikelen 6.1 tot en met 6.17 en de
artikelen 6.1 tot en met 6.4 tot artikelen 7.1 tot en met
7.4, red.
Artikelen 5.1 tot en met
5.6
De
Wmo trekt de Welzijnswet
1994 en de Wvg in. Besluiten waarin verwezen wordt naar de
Welzijnswet 1994 of de Wvg dienen te worden gewijzigd.
In sommige gevallen kan
worden volstaan met het wijzigen van Wvg in
Wmo (artikelen 5.1 tot en
met 5.3). In andere gevallen komt door het intrekken van de Wvg de
desbetreffende bepaling te vervallen (artikelen
5.4) [lees: (artikelen
5.4, 5.9 en 5.11), red.]. In artikel 3 van
het Besluit
beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten wordt de verwijzing naar
de Welzijnswet 1994 vervangen door een overeenkomstige
verwijzing naar de Wmo (artikel 5.5). In het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik vervalt in de
artikelen 1 en 3
de
verwijzing naar de Wvg (artikel
5.6).
Artikel 5.7
A en
B. Zoals in het
algemene deel van de toelichting is aangegeven, is met dit besluit, anders
dan bij de Wvg het geval was, ook een anticumulatie tussen de
Wmo-bijdrage en
de bijdrage ingeval er sprake is van verblijf in een AWBZ-instelling geregeld. Omdat de Wmo-bijdrage voorgaat op de
AWBZ-bijdrage, is geregeld dat de Wmo-bijdrage in mindering moet worden
gebracht op de eigen bijdrage die de verzekerde of zijn partner
verschuldigd is bij verblijf in een AWBZ-instelling.
C. Het opschrift van
paragraaf 2 van hoofdstuk III was al niet meer actueel. Van het
voornemen om eigen bijdragen voor ondersteunende en activerende begeleiding
te gaan heffen, is al enige tijd geleden afgezien. Met ingang van 1 januari
2007 is, wat betreft de AWBZ, ook de eigen bijdrage voor
huishoudelijke verzorging vervallen.
E. Het eerste lid van
artikel 16d is aangepast vanwege het vervallen van artikel 3 van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ. Tevens is opgenomen het bedrag per uur zoals dat
per 1 januari 2007 met toepassing van artikel 19 van het
Bijdragebesluit zorg geldt. Het tweede lid van
artikel 16d is aangepast aan artikel
4.1, tweede lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning.
In een nieuw derde lid is
de anticumulatie met de eigen bijdrage
Wmo geregeld. Deze moet in
mindering worden gebracht op de extramurale bijdrage die de
verzekerde voor de AWBZ verschuldigd is.
F. De uitzondering dat
uitgegaan wordt van het actuele inkomen indien het inkomen algemene
bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft, is met de wijziging van
artikel 16d, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg achterhaald. Met die
gewijzigde bepaling is de eigen bijdrage tot 120% van het (voor betrokkene geldende)
sociaal minimum inkomensonafhankelijk.
Pas vanaf die
inkomensgrens wordt het nominale bedrag (€|16,60 voor
alleenstaanden, €|23,80 voor gehuwden) verhoogd met 15% van het meerinkomen.
Iemand die op het sociaal minimum zit, heeft er dus niets aan als heel
precies gekeken wordt wat zijn actuele inkomen is, want dat leidt toch niet
tot een lagere eigen bijdrage. De verwijzing naar de Wet werk en bijstand
is daarom komen te vervallen.
G. Voor de in
artikel
16d van het Bijdragebesluit zorg geregelde inkomensgrenzen geldt
niet dat die geïndexeerd worden aan de hand van de prijsindex van de
gezinsconsumptie. Deze worden aangepast aan de hand van de
ontwikkelingen van het minimumloon. Ook hier
geldt dat dat niet betekent een
naadloze aansluiting aan de ontwikkelingen van het minimumloon, maar ook
gevolgen met betrekking sociale premies, zoals de premie voor de
Zorgverzekeringswet, kunnen van invloed zijn.
Artikel 5.8
Deze bepaling regelt dat
de huidige BTW-vrijstelling gehandhaafd blijft voor genoemde
instellingen op het gebied van jeugd en jongerenwerk en club- en buurthuiswerk.
Artikel 5.9
In verband met de
verwijzing naar de Welzijnswet
1994 dient artikel 13 van het Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid te worden gewijzigd.
Artikel 30 van het
Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid bevat een
wijziging van bijlagen van het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid, welk laatste
besluit echter door het intrekken van de Welzijnswet 1994 komt te vervallen.
De inhoud van dit laatste besluit is opgenomen in het onderhavige Besluit
maatschappelijke ondersteuning. De desbetreffende bijlagen zijn opnieuw vastgesteld. In verband
hiermede kan artikel 30 komen te vervallen.
Artikel 5.11 tot en met
5.16
Deze besluiten zijn
aangepast omdat de huishoudelijke verzorging zoals die in artikel 3 van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ is omschreven ingevolge artikel
41,
tweede lid, van de
Wmo niet meer onder de aanspraken op grond van
de AWBZ valt. Het aldus aanpassen van
het Besluit zorgaanspraken AWBZ is in de
toelichting op het
oorspronkelijke artikel 38 [het huidige artikel
41, red.] van het wetsvoorstel aangekondigd.
Artikel 5.17
Met artikel 1.20,
onderdeel A, van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet is artikel 2 van het
Zorgindicatiebesluit gewijzigd in verband met overheveling van
geestelijke gezondheidszorg (ggz) van de AWBZ
naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het tijdstip van inwerking van dat artikel werd vastgesteld op 1 januari
2007.
Bij de totstandkoming van
de Zvw is besloten de overheveling van de ggz naar de Zvw in twee
fasen te doen plaatsvinden. In de eerste fase, die per 1 januari 2006 begon,
is de prestatie ggz opgenomen in het Besluit
zorgverzekering. Tevens
vindt de financiering vanaf die datum plaats vanuit het
Zorgverzekeringsfonds (Zvf).
Fase twee, met als
voorgenomen ingangsdatum 1 januari 2007, behelst het daadwerkelijk van
kracht worden van de prestatie ggz ingevolge de zorgverzekering en dus
verstrekking of vergoeding daarvan door de zorgverzekeraars.
Inmiddels is komen vast
te staan dat, ondanks goede vorderingen, de voorbereidingen van fase
twee van de invoering van de prestatie ggz als onderdeel van de
zorgverzekering niet voldoende zijn gevorderd om zekerheid te hebben over
een zorgvuldige invoering met ingang van 1 januari 2007. Daarom is
besloten de invoering van fase twee te bepalen op 1 januari 2008. Om dit
te regelen, is een voorstel van wet ingediend tot wijziging van het
tijdstip waarop de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg deel uitmaakt van de
aanspraken ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw.
Met dit voorstel van wet wordt ook het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 1.20, onderdeel A, van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet
verschoven naar 1 januari 2008.
Het verschuiven van de
invoeringsdatum betekent dat het schrappen van artikel
3 [van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, red.] in artikel 2
van het Zorgindicatiebesluit ook in het Aanpassingsbesluit
Zorgverzekeringswet moet worden verwerkt. Daarom is artikel 1.20,
onderdeel A, met dit besluit gewijzigd.
Hoofdstuk VI. Overgangs-
en slotbepalingen ¹
Ingevolge artikel I van
het Besluit 18 december 2006, Stb. 2006, 720, zijn de
hoofdstukken V en VI vernummerd tot hoofdstukken VI en
VII en zijn de artikelen 5.1 tot en met 5.17
vernummerd tot artikelen 6.1 tot en met 6.17 en de
artikelen 6.1 tot en met 6.4 tot artikelen 7.1 tot en met
7.4, red.
Artikel 6.1
Zoals
hiervoor is
aangegeven, geldt anders dan tot nu toe bij de Wvg
gold, dat de
Wmo-bijdrage
voorgaat op de AWBZ-bijdrage.
Dit betekent bij de eigen
bijdrage die verschuldigd is ingeval er sprake is bij verblijf in een
AWBZ-instelling, het bedrag dat voor de Wmo-bijdrage verschuldigd is dan wel
bij een Wmo-financiële tegemoetkoming in mindering wordt gebracht
op die tegemoetkoming op de bijdrage voor AWBZ-verblijf in
mindering moet worden gebracht [lees: Dit betekent voor de eigen
bijdrage die verschuldigd is ingeval er sprake is van verblijf in een
AWBZ-instelling, dat het bedrag dat voor de Wmo-bijdrage verschuldigd is dan wel
bij een Wmo-financiële tegemoetkoming in mindering wordt gebracht
op die tegemoetkoming, op de bijdrage voor AWBZ-verblijf in
mindering moet worden gebracht, red.]. Met ingang van 1 januari 2008 is dat
geen probleem, omdat vanaf die datum het CAK ook deze AWBZ-bijdrage
vaststelt en int. Tot die datum doen zorgkantoren dat nog. Om noch de
zorgkantoren, noch de burgers daarmee te belasten, is ervoor gekozen de huidige
wijze van anticumulatie één jaar te handhaven. Daartoe strekt deze
overgangsbepaling.
Artikel 6.2
De
Regeling experimenten Wmo en de Tijdelijke stimuleringsregeling lokale
opvoedondersteuning en gezinsondersteuning zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van
de Welzijnswet 1994 en zouden met de inwerkingtreding van de
Wmo komen te
vervallen, hetgeen niet de bedoeling is. In artikel 6.2 wordt
bepaald dat beide regelingen berusten op artikel 21 van
de wet en gelden tot
1 januari 2008.
Artikel 6.3
Dit artikel bepaalt dat
dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 2007. Dit is
ook de datum van inwerkingtreding van de
Wmo.
Artikel 6.4
Met deze bepaling wordt
de citeertitel van het onderhavige besluit vastgesteld, namelijk
Besluit maatschappelijke ondersteuning.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
|