|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1997-1998,
26 063
Wijziging van de
Ziektewet en enkele andere wetten in verband met het uitsluiten van het
recht op een socialeverzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming en het
openstellen van socialezekerheidsregelingen in die gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
buiten een justitiële inrichting plaatsvindt (Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| x |
Inleiding |
| I |
Uitsluiten
van het recht op socialeverzekeringsuitkering bij detentie |
| 1 |
Inhoud en geschiedenis
van de huidige regelgeving |
| 2 |
Interdepartementale
werkgroep uitkering en detentie |
| 3 |
Preadvies
Raad van State |
| 4 |
De rechtsgrondslag van
de regeling |
| 5 |
Reikwijdte van de
regeling |
| 6 |
Vormgeving van de
regeling |
| 7 |
Uitsluitingscriterium
"rechtens zijn vrijheid ontnomen" |
| 8 |
Toekenning en
heropening van de uitkering na einde detentie |
| 9 |
Ingangsdatum en
overgangsrecht |
| 10 |
Handhaving |
| 11 |
Uitstralingseffecten
naar gezinsinkomen |
| 12 |
Ziekenfondsverzekering |
| 13 |
Internationale
aspecten |
| 14 |
Gevraagde en
ontvangen adviezen |
| 15 |
Raming van de
financiële effecten |
| II |
Het
openstellen van socialezekerheidsregelingen voor personen die
rechtens hun vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een penitentiaire inrichting plaatsvindt |
| 1 |
Het buiten toepassing
laten van de uitsluitingsgrond |
| 2 |
Gevolgen voor de
uitvoering |
| 3 |
Raming van de
financiële effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xxt |
Artikelen
I t/m XVIII |
Algemeen
Inleiding
In de afgelopen jaren
heeft het vraagstuk van het recht op een socialeverzekeringsuitkeringen tijdens detentie
herhaaldelijk de aandacht gekregen. Het vraagstuk kwam in de
zomer van 1996 opnieuw in de belangstelling, mede naar aanleiding van
vragen van het Tweede-Kamerlid Soutendijk-van Apeldoorn (Kamervragen II
1995-1996, nr. 1605). De regering
heeft naar aanleiding van
deze en andere signalen besloten voorrang te geven aan een algemene
oplossing van deze problematiek. De voornaamste overweging
daarbij is dat het ongewenst is dat personen die rechtens van hun
vrijheid zijn beroofd socialezekerheidsuitkeringen tijdens hun
vrijheidsbeneming blijven ontvangen, terwijl in hun levensonderhoud wordt
voorzien door de
Staat. Dit geldt des te sterker nu door de gemeenschap daarnaast uitgaven moeten worden gedaan om een
penitentiair- en
rechtshandhavingssysteem in stand te houden.
Het onderhavige
wetsvoorstel heeft een tweeledig karakter. Enerzijds wordt met het voorstel
beoogd geen verstrekking te doen plaatsvinden van socialeverzekeringsuitkeringen bij wettelijke vrijheidsberoving, waar
dit thans nog wel het geval is. Anderzijds zal ten aanzien van bijzondere
detentievormen met een resocialiserend karakter een uitzondering worden gemaakt op de
(nieuwe) bepaling dat aan personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen
geen uitkering krachtens de sociale zekerheid wordt verleend. In
verband met deze tweedeling is in onderdeel I van deze memorie de uitsluiting
van het recht op socialeverzekeringsuitkering toegelicht. Vervolgens
wordt de (hernieuwde) toekenning van de uitkeringen in geval van bijzondere
detentievormen in onderdeel II
toegelicht.
rblz.|2|
I. Uitsluiten
van het recht op socialeverzekeringsuitkering bij detentie
1. Inhoud en geschiedenis
van de huidige regelgeving
In het huidige stelsel
van sociale verzekeringen wordt in een aantal wetten het recht op uitkering
voortgezet tijdens de vrijheidsbeneming, terwijl in een aantal andere wetten
de uitkering tijdens de vrijheidsbeneming wordt beëindigd. Beëindiging
heeft plaats, hetzij omdat dit voortvloeit uit de uitkeringsvoorwaarden van
de desbetreffende wet, hetzij omdat de vrijheidsbeneming op
grond van een in de wet zelf opgenomen bepaling daartoe leidt. Het
ontstaan van deze verschillen kan ten dele worden verklaard vanuit de
historisch-maatschappelijke context waarbinnen de regelingen tot stand zijn
gekomen.
De vraag of het recht op
een socialeverzekeringsuitkering tijdens detentie kan ontstaan of kan
worden voortgezet, kent een lange geschiedenis. Al aan het begin van deze
eeuw kwam, bij de totstandkoming van de Ziektewet (ZW), deze
vraag aan de orde. Bij de parlementaire behandeling vormden zowel het infame
karakter van detentie als de omstandigheid dat de Staat, op grond
van artikel 35 Wetboek
van Strafrecht (Sr), in de onderhoudskosten
voorziet, aanleiding om een weigeringsgrond in de ZW op te nemen. Toen in de
jaren zestig en zeventig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) tot stand kwamen, werd aan voornoemde omstandigheden
geen doorslaggevende betekenis toegekend
(inwerkingtreding van deze wetten vond plaats in respectievelijk 1967 en 1976). Destijds
werd meer de nadruk gelegd op de verzekeringsgedachte. Bij
de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is veelal sprake
van langdurige uitkeringen, en ook deze worden tijdens detentie
voortgezet.
Sedert respectievelijk
1987 en 1996 zijn degenen die rechtens hun vrijheid is ontnomen in de
Werkloosheidswet (WW), en de Algemene bijstandswet (Abw), uitdrukkelijk van
het recht op uitkering uitgesloten, terwijl de uitkeringsvoorwaarden van
deze wetten het recht op uitkering tijdens detentie veelal reeds
verhinderen. In de aan de Abw aanverwante wetten, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) (beide in werking getreden in 1987),
ten slotte is eveneens een uitsluitingsgrond opgenomen. Hetzelfde
geldt voor de onlangs tot stand gekomen Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik).
De uitsluiting van het
recht op uitkering in de hiervoor genoemde regelingen wordt gerechtvaardigd door het
feit dat betrokkenen niet
beschikbaar zijn voor het aanvaarden van arbeid en, wat de Abw en de Wik betreft, door het
feit dat langs andere weg wordt voorzien in de kosten van het bestaan.
Ten aanzien van de thans
geldende regels voor uitkeringsrechten van gedetineerden kan
geconcludeerd worden dat het bestaan van recht op uitkering tijdens
detentie enerzijds verbonden is aan het tijdsgewricht waarin de wetgeving tot
stand gekomen is en anderzijds samenhangt met de voor de verschillende
regelingen geldende specifieke uitkeringsvoorwaarden. Verder wordt opgemerkt
dat de beschouwingen bij de behandeling van de
afzonderlijke materiewetten - behalve bij de ZW
- met betrekking tot de meer
algemene vraag of het ontvangen van sociale uitkeringen zich
verdraagt met de omstandigheid van detentie beknopt zijn.
rblz.|3|
2. Interdepartementale
werkgroep uitkering en detentie
De problematiek van
sociale uitkeringen tijdens detentie is in 1993 uitvoerig verkend door
een interdepartementale werkgroep. Deze werkgroep heeft de
achtergronden van de huidige regelgeving onderzocht, alsmede de vraag welke
juridische mogelijkheden er zijn om deze wetgeving te herzien. De
werkgroep heeft geconcludeerd dat een grond voor aanpassing zou
kunnen zijn dat het door de burger als niet acceptabel wordt ervaren dat
gedetineerden in een gunstiger financiële positie komen te verkeren juist
doordat zij gedetineerd zijn. De werkgroep heeft de volgende twee
mogelijkheden uitgewerkt, waardoor dit voordeel voor uitkeringsgerechtigden
teniet gedaan zou worden:
1. het laten betalen van
een eigen bijdrage door de gedetineerde indien deze inkomen heeft of een
uitkering ontvangt;
2. het voorkómen van het
ontstaan van het voordeel door het niet uitbetalen van de uitkering tijdens detentie.
De werkgroep heeft vastgesteld dat beide systemen voor- en nadelen kennen.
Samengevat houden
deze het volgende in. Het systeem van de eigen bijdrage heeft als principieel voordeel dat het ook toegepast kan
worden op gedetineerden
die tijdens detentie een inkomen, anders dan een uitkering, genieten.
De werkgroep merkt op dat het echter de vraag is of dit ook als billijk
zal worden ervaren. In geval van detentie van een uitkeringsgerechtigde
voorziet de gemeenschap zowel in de kosten van het levensonderhoud als
in de verstrekking van de uitkering. In geval van een niet-uitkeringsgerechtigde gedetineerde
daarentegen is het niet de
Staat, maar de betrokkene
zelf die in de inkomsten voorziet. Als voordeel van deze optie werd nog genoemd dat het huidige wettelijke systeem in
stand kan blijven.
Ten aanzien van het niet
uitbetalen van de uitkering wordt opgemerkt dat deze optie, in tegenstelling tot de eigenbijdrageregeling, uitsluitend de
uitkeringsgerechtigden
treft en voor de burger een begrijpelijker oplossing voor de
onderhavige problematiek vormt. Voorts merkt de werkgroep op dat deze
optie weliswaar niet in overeenstemming kan worden geacht met de
verzekeringsgedachte, maar vervolgens stelt de werkgroep vast dat eerder
genoemde maatschappelijke onaanvaardbaarheid kan prevaleren boven de
verzekeringsgedachte.
Ten aanzien van de
uitvoerbaarheid van beide regelingen is door de werkgroep opgemerkt dat
de uitvoering van de eigenbijdrageregeling duurder en
gecompliceerder is dan die van het niet uitbetalen van een uitkering. Omdat het
administratief eenvoudiger is om een uitkering niet uit te betalen,
veronderstelt de werkgroep dat de kans dat deze regeling in de praktijk goed
uitgevoerd wordt groter is dan in geval van het heffen van een eigen bijdrage.
Met name aan dit laatste argument moet volgens de werkgroep veel belang
worden gehecht. De conclusie van de werkgroep luidt dan ook - vooropgesteld dat het noodzakelijk is om een gedetineerdenregeling te
treffen - dat het niet uitbetalen van de uitkering tijdens detentie de
voorkeur verdient boven het heffen van een eigen bijdrage.
3. Preadvies Raad van
State
Gelet op het bijzondere
karakter van de onderhavige regeling is op 30 december 1996 aan de
Raad
van State een zogenoemde "voorvraag" voorgelegd. Een dergelijk
verzoek berust op de bevoegdheid van de regering om de Raad van
State te horen over alle zaken waaromtrent de regering het nodig
oordeelt (artikel 15, tweede lid, van de Wet
op de Raad van State). De Raad werd
gevraagd om te adviseren over de fundamentele aspecten van een regeling
waarbij aan personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen het
recht op uitkering wordt ontzegd. In het bijzonder is hierbij aandacht
gevraagd voor de rechtsgrond, de reikwijdte en de rblz.|4|
vormgeving van een
dergelijke regeling. Op 17 februari 1997 heeft de Raad van State
geadviseerd. Een afschrift van dit advies is bij deze memorie gevoegd.
De Raad beperkt zich in
dit advies - overeenkomstig de aan hem voorgelegde vragen - tot de rechtsgrond, de reikwijdte en de vormgeving
van een regeling waarbij
het recht op uitkering wordt ontzegd tijdens detentie. Hij heeft
daarbij het bestaande penitentiaire systeem, zoals neergelegd in wet- en
regelgeving, als uitgangspunt gehanteerd en derhalve een
eigenbijdrageregeling buiten beschouwing gelaten. Voorts heeft de Raad zich in dit
advies beperkt tot het vraagstuk van de volks- en werknemersverzekeringen
in relatie tot detentie. De Abw, de Ioaw en de
Ioaz zijn geen sociale
verzekeringen, maar sociale voorzieningen. Deze voorzieningen zijn
bedoeld om een minimuminkomensbescherming te bieden aan
respectievelijk ingezetenen, oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen. Daar
echter op grond van artikel 35, eerste lid, Sr
de kosten van gevangenisstraf, hechtenis en plaatsing in een rijkswerkinrichting
in beginsel ten laste van
de Staat der Nederlanden komen, hebben de Abw, de Ioaw en
de Ioaz thans reeds bepalingen die gedetineerden uitsluiten
van het recht op uitkering, te weten artikel 9, eerste lid,
Abw, artikel 6, eerste lid, Ioaw en
artikel 6, derde lid, Ioaz. Vergelijkbaar is ook
artikel 5, aanhef en onder d, van de Wik. Dientengevolge krijgen deze wetten in
dit advies geen bespreking, aldus de Raad.
In het vervolg van deze
memorie zal nader worden ingegaan op het preadvies.
4. De rechtsgrondslag van
de regeling
Voorvraag aan Raad van
State
Ter zake van de grondslag
is aan de Raad
van State de volgende voorvraag gesteld:
"Een uitkering in het
kader van de sociale verzekering wordt verstrekt indien het verzekerd
risico is ingetreden en overigens voldaan wordt aan de positieve voorwaarden
voor het recht op uitkering. Sociale verzekeringen zijn gericht op inkomensderving
tengevolge van bepaalde risico’s,
zoals werkloosheid,
ziekte en arbeidsongeschiktheid. Tijdens detentie is er echter een tweede oorzaak
(naast het ingetreden, verzekerde risico) voor het niet kunnen
verrichten van inkomensvormende arbeid en daarmede voor inkomensderving,
namelijk de detentie zelf. Voorts is er vanuit het gezichtspunt van
inkomensderving in feite sprake van een dubbele "betaling", namelijk de
socialeverzekeringsuitkering tezamen met de door de Staat betaalde kosten van het levensonderhoud. Bij samenlopen
is de vraag aan de orde
welke van de twee factoren als de meest fundamentele oorzaak van
de bestaande situatie kan worden aangewezen. Het komt mij voor dat in
bedoelde situaties de detentie een doorslaggevende rol zou moeten spelen. Op
deze gronden kom ik tot de conclusie dat de primaire oorzaak
van inkomensderving in de detentie is gelegen, reden waarom uitkeringen
in deze omstandigheid niet moeten worden verstrekt."
Preadvies Raad van State
De
Raad
van State merkt
over de aldus geformuleerde grondslag op dat het verzekeringskarakter
van de sociale verzekeringen een belangrijk bezwaar is tegen het beëindigen van uitkeringen ingevolge de volks- en
werknemersverzekeringen
van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd (en die overigens
voldoen aan de voorwaarden voor het recht op uitkering). Zo vindt er
premiebetaling plaats en moet het verzekerd risico rblz.|5|
zich voordoen alvorens
een uitkering kan worden verkregen. Dit verzekerde risico (bijvoorbeeld
ziekte, arbeidsongeschiktheid, het overlijden van de partner) staat los
van de detentie. Op grond daarvan dient slechts aan de hand van de voorwaarden voor de verzekering te worden bepaald
of een bepaalde uitkering
ook tijdens detentie moet worden verstrekt. Het uitsluiten van
gedetineerden van uitkeringen ingevolge artikel
19, eerste lid, van de WW is in
overeenstemming met dit verzekeringskarakter. Een werkloze is tijdens zijn
detentie immers niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en voldoet
daarmee niet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor
een uitkering ingevolge de WW. Strikt genomen is de
uitdrukkelijke uitsluiting van gedetineerden in artikel
19, eerste lid, van de
WW dan
ook overbodig. De weigeringsgrond in artikel 42 van de ZW
is
daarentegen eigenlijk in strijd met de verzekeringsgedachte. De detentie van de
verzekerde doet immers niet af aan zijn ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte, aldus de Raad.
Een tweede bezwaar van de
Raad
tegen de voorgestelde grondslag wordt gevormd door de conclusie
dat de primaire oorzaak van de inkomensderving steeds in de detentie is
gelegen. Deze stelling vereist naar het oordeel van de Raad
nuancering. De genoemde primaire grondslag gaat niet in alle gevallen van
detentie op, waarbij de Raad bijvoorbeeld op de volgende twee gevallen
wijst:
- Gedetineerde
uitkeringsgerechtigden die ook zonder detentie niet in staat waren om zelfstandig een inkomen uit arbeid te verwerven. De
volledig
arbeidsongeschikte gedetineerde, die niet tijdens zijn detentie alsnog geheel of
gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt, had ook voordien geen mogelijkheid zich
door legale arbeid inkomen te verwerven. Aan deze verzekerde kan in de
voorlopige opvatting van de minister het recht op een uitkering
ingevolge de WAO/AAW niet met goede reden worden ontzegd.
- Gedetineerde
uitkeringsgerechtigden die zonder detentie (in theorie) misschien wel in
staat
waren om zelfstandig een inkomen uit arbeid te verwerven, maar die geen verplichting (meer) hebben om actief naar
werk te zoeken. Zo wijst
de Raad erop dat een nabestaande die een ongehuwd kind heeft dat
jonger is dan 18 jaar en dat niet tot het huishouden van een ander
behoort, recht heeft op een nabestaanden- en een halfwezenuitkering
ingevolge de Anw. Verplichtingen om de nabestaande naar de arbeidsmarkt te leiden, zoals een sollicitatieverplichting,
ontbreken. Deze
gedetineerde uitkeringsgerechtigde zou zonder zijn of haar
detentie dus niet zonder meer in het arbeidsproces zijn opgenomen. Verder
kan ook worden gedacht aan de uitkeringsgerechtigde van 57½ jaar of ouder
die tengevolge van ontslag uit zijn dienstbetrekking werkloos is en die niet langer verplicht is tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] en die tevens is
vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing.
Op grond van het
vorenstaande is de Raad van oordeel dat het aanmerken van de detentie als
primaire oorzaak van inkomensderving moet worden ontraden.
Standpunt regering
De regering kan zich
vinden in de opvatting van de Raad
van State dat het niet aangewezen is
detentie als primaire oorzaak van inkomensderving aan te merken op grond
waarvan in voorkomende gevallen het recht op uitkering kan worden
beëindigd.
Voorts is de regering het
eens met de Raad van State dat voor bepaalde regelingen uit de
verzekeringsvoorwaarden zelve reeds voortvloeit dat het recht op uitkering
eindigt bij detentie. Dit is het geval bij de WW
waar het rblz.|6|
eindigen van het recht op
uitkering bij vrijheidsbeneming voortvloeit uit het feit dat betrokkenen
niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en daarmee niet kunnen
voldoen aan één van de voorwaarden voor het recht op uitkering (zie artikel
16, eerste lid, onderdeel b, van de WW: beschikbaar om arbeid te
aanvaarden). Hetzelfde geldt voor de Abw, de
Ioaw en de Ioaz. Ook deze
regelingen gaan uit van de veronderstelling dat rechthebbenden bereid en in staat zijn om arbeid te aanvaarden. Bij
vrijheidsbeneming is dat
niet het geval, hetgeen de in deze regelingen opgenomen
uitsluitingsgrond - rechtens zijn vrijheid is ontnomen - rechtvaardigt. Voor de
Abw geldt dat de rechtvaardiging voor de uitsluitingsgrond mede
voortvloeit uit het feit dat langs andere weg in de kosten van het
levensonderhoud wordt voorzien en er om die reden geen aanleiding is om bijstand
te verstrekken. Het langs andere weg voorzien in de kosten van het
levensonderhoud is tevens de rechtvaardiging voor de uitsluitingsgrond
ter zake
van vrijheidsbeneming in artikel 5 van de Wik.
De voorwaarde
"beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt" speelt geen - of een minder pregnante
- rol bij de ZW, de WAO en de
Anw, zoals de Raad
van State terecht opmerkt. Hetzelfde geldt voor de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De grondslag voor de voorgenomen beëindiging
van een uitkering op grond van deze regelingen is dan ook
niet gebaseerd op het niet kunnen voldoen aan die voorwaarde. De
omstandigheid doet zich thans voor dat degene die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen een uit collectieve middelen gefinancierde uitkering kan blijven
ontvangen terwijl de Staat daarnaast in de kosten van het
levensonderhoud van betrokkene voorziet. Tijdens detentie hoeven gedetineerden hun
uitkering niet aan te wenden voor levensonderhoud, waar deze aanwending
buiten detentie tot het normale patroon behoort. Daardoor kan
tijdens detentie met behulp van een uit collectieve middelen gefinancierde
uitkering een aanzienlijk vermogen worden opgebouwd, waar dit
buiten detentie niet tot de mogelijkheden behoort.
Dit nu wordt
maatschappelijk ongewenst geacht. Verder wordt het ongewenst geacht dat
uitkeringsgerechtigden op grond van de WAO, de WAZ, de Wajong en de Anw
hun uitkering kunnen blijven behouden
daar waar werknemers en
zelfstandigen bij detentie hun inkomensbron in beginsel kwijtraken.
Personen die voorheen in loondienst werkzaam waren, verliezen immers
hun inkomen tengevolge van de detentie, omdat de werkgever tijdens
detentie het loon niet doorbetaalt. Het wordt, met andere woorden, in het
algemeen als onbillijk ervaren dat het mogelijk is dat
uitkeringsgerechtigden bij detentie hun uitkering op grond van genoemde wetten kunnen
behouden, terwijl loontrekkenden bij detentie hun inkomen verliezen.
De vraag die zich hierbij
vervolgens voordoet, is hoe een beëindiging op deze gronden zich
verhoudt tot de verzekeringsgedachte die (ook) aan de sociale verzekering ten
grondslag ligt. Hierover wordt opgemerkt dat de sociale verzekering
weliswaar verwant is aan de particuliere verzekering - waarbij er over het
algemeen een relatie bestaat tussen de betaalde premie enerzijds en de
prestaties bij het intreden van het risico anderzijds - doch dat de
verzekeringsgedachte bij de sociale verzekeringen enigszins moet worden genuanceerd.
In de eerste plaats is er bij de publieke sociale verzekering geen directe
band tussen de betaalde premie enerzijds en de prestatie anderzijds vanwege het feit dat de sociale verzekeringen op
basis van het
omslagstelsel worden gefinancierd. In de tweede plaats spelen bij de inrichting
van de sociale verzekeringen ook andere overwegingen een rol, zoals
overwegingen van inkomensbeleid en solidariteit met degenen die een slecht
risico vormen, waardoor van equivalentie tussen premie en uitkering in
veel gevallen in mindere mate sprake is.
rblz.|7|
Ook
sociale onwenselijkheid is echter een factor waarmee bij de
inrichting van een sociale
verzekering rekening wordt gehouden en die ertoe kan leiden dat ondanks het
intreden van het verzekerd risico geen recht op uitkering ontstaat c.q.
het recht op uitkering wordt beëindigd. Als voorbeelden worden
genoemd de uitsluiting van het recht op WW-uitkering bij
werkloosheid tengevolge van werkstaking of uitsluiting en de (voormalige)
uitsluiting van het recht op WW-uitkering bij het weigeren van een dienstbetrekking in de zin van de
Jeugdwerkgarantiewet.
Met andere woorden, er
zijn diverse overwegingen, waaronder overwegingen
van sociaal-maatschappelijke aard - zoals ook in casu het geval ten
aanzien van degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen - die
aanleiding kunnen zijn en een rechtvaardiging vormen voor het afstand nemen
van de verzekeringsgedachte zoals deze aan de sociale verzekeringen ten grondslag ligt.
5. Reikwijdte van de
regeling
In de WAO, de
WAZ, de Wajong, de Anw, de
AOW, de AKW en de
Toeslagenwet (TW) is
thans geen regeling opgenomen ten aanzien van degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De WAO is een
werknemersverzekering,
die gebaseerd is op het inkomensdervingsprincipe. De WAZ is een verzekering
voor personen die niet in dienstbetrekking in de zin van de WAO
werkzaam zijn en is ook gebaseerd op het inkomensdervingsprincipe.
De Wajong is een voorziening voor jonggehandicapten en studenten en is niet gebaseerd op het
inkomensdervingsprincipe.
Er is sprake van een voorziening ter compensatie van de onmogelijkheid als gevolg
van arbeidsongeschiktheid om in het eigen bestaan te kunnen
voorzien.
De
AKW en de AOW zijn
volksverzekeringen, waarbij het inkomensdervingsprincipe geen, respectievelijk een
beperkte rol speelt. Het onderhavige wetsvoorstel
ziet op inkomensdervingsregelingen in engere zin en (ouderdoms)pensioenen worden daarin niet betrokken. Bij het verstrekken van AOW wordt
immers geen onderscheid gemaakt tussen werkenden en
niet-werkenden, en het inkomen heeft geen invloed op de hoogte van de
AOW-uitkering. Voorts dient bedacht te worden dat de AOW een opbouwverzekering
is.
Voor de
AKW geldt dat
door de toepassing van de wettelijke bepalingen reeds rekening wordt
gehouden met de detentie van het kind, alsmede met de detentie van de ouder/verzorger, zodat wijziging van deze regeling
niet noodzakelijk is,
hetgeen als volgt wordt toegelicht.
In de eerste plaats
onderscheidt de AKW zich van de andere regelingen in die zin dat er twee
"partijen" in het geding zijn, te weten het kind en de ouder/verzorger; er
bestaat recht op kinderbijslag voor de ouder ten behoeve van het kind. Er
dient daarom een onderscheid gemaakt te worden tussen de situatie
dat het kind is gedetineerd en de situatie dat de ouder/verzorger
gedetineerd is.
Ten aanzien van kinderen
jonger dan 16 jaar die tot het huishouden van de ouder behoren, geldt
het verzorgingsbeginsel. Ten aanzien van kinderen jonger dan 16 jaar die niet tot het huishouden van de verzekerde behoren
- hetgeen het
geval is wanneer het kind gedetineerd is - geldt het onderhoudsbeginsel,
hetgeen inhoudt dat een minimale bijdrage in het onderhoud van het kind
moet worden geleverd. Wordt tijdens de detentie van het kind niet door de
ouder aan deze onderhoudsvoorwaarde voldaan, dan bestaat geen
recht op kinderbijslag voor de ouder. Wordt door de ouder tijdens de detentie van het kind wel aan deze onderhoudsvoorwaarde
voldaan, dan is er ook
geen aanleiding om aan de ouder geen kinderbijslag te
verstrekken. De ouder zal de geleverde bijdrage in het onderhoud op verzoek van
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) - het rblz.|8|
orgaan dat de AKW
uitvoert - moeten kunnen aantonen. Het gaat hier niet om een bijdrage in de
kosten van levensonderhoud als kost en inwoning (in geval van detentie
worden deze immers door de overheid gedragen), maar om kosten van bijvoorbeeld kleding en schoeisel. De bijdrage die de
ouder minimaal moet
leveren voor het recht op kinderbijslag is ƒ752,- per kwartaal (stand van zaken
1 oktober 1997). Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen van 16 en 17
jaar, met dit verschil dat alleen recht op kinderbijslag voor een kind van 16 en
17 jaar bestaat wanneer dat kind studeert, invalide of werkloos is.
Op titel van werkloosheid zal voor een 16- en 17-jarige gedetineerde
geen recht op kinderbijslag kunnen bestaan, omdat in geval van detentie geen inschrijving bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zal plaatsvinden. Ervan uitgaande dat gedetineerde kinderen van 16 en 17 jaar een
opleiding (kunnen) volgen, kan voor hen in beginsel recht bestaan op
kinderbijslag op titel van studie. Een invalide kind zal ook als zodanig worden
aangemerkt wanneer het kind gedetineerd wordt, zodat op titel van
invaliditeit in beginsel ook recht op kinderbijslag recht kan bestaan.
Naast de detentie van het kind kan de situatie onderscheiden worden dat de ouder/verzorger is
gedetineerd. Een man en vrouw die samen een kind hebben, hebben beiden
recht op kinderbijslag. In de AKW is geregeld dat slechts één recht tot
uitbetaling komt en tevens is geregeld aan wie van beide dit recht tot
uitbetaling komt. Indien degene aan wie dit recht tot uitbetaling komt,
gedetineerd raakt, dan zal het recht veelal aan de andere ouder worden betaald. Bij
ontstentenis van een andere ouder, of een andere gerechtigde, kan
in principe ook voor de gedetineerde recht op kinderbijslag ontstaan,
mits deze voldoet aan een minimale onderhoudsbijdrage. Het is echter aannemelijk
dat een gedetineerde niet aan deze onderhoudsvoorwaarde
zal kunnen voldoen. Indien de gedetineerde wel aan deze
onderhoudsvoorwaarde kan voldoen, is er geen reden om deze gedetineerde van het
recht op kinderbijslag uit te sluiten. Deze gedetineerde heeft immers
moeten aantonen te hebben bijgedragen in de onderhoudskosten van het
kind.
De
Anw ten slotte is
gebaseerd op het behoeftebeginsel en is geen inkomensdervingsregeling.
Het inkomen van de overledene is niet relevant. Het inkomen van
de uitkeringsgerechtigde nabestaande is wel relevant, in die zin dat
de nabestaandenuitkering verlaagd wordt als de nabestaande eigen inkomen
heeft (met een zekere vrijlating voor inkomen uit arbeid). Gezien de
grondslag van het onderhavige wetsvoorstel zou het niet acceptabel zijn
dat de nabestaandenuitkering juist verhoogd zou worden als het eigen
inkomen wegvalt als gevolg van de detentie. De regering is dan ook van
mening dat de nabestaandenuitkering beëindigd dient te worden in geval
van detentie.
Voorvraag aan Raad van
State
Op grond van bovenstaande
analyse is met betrekking tot de reikwijdte van de regeling aan de Raad
van State als voorkeur voorgelegd een beperkende regeling
alleen te betrekken op inkomensdervingsregelingen in engere zin en (ouderdoms)pensioenen daarvan uit te sluiten. Met andere woorden, de
uitsluiting van het recht op uitkering vanwege detentie te beperken tot
de ZW (geregeld in artikel
42), de WAO
en de AAW, de WW (geregeld in
artikel 19), de Anw, de Abw
(geregeld in artikel 9), de Ioaw en de
Ioaz (geregeld in de artikelen 6). Voor de TW hoeft geen bijzondere regeling
te worden getroffen, omdat het recht op toeslag een sequeel is van de
loondervingsuitkering; uitsluiting van het recht op loondervingsuitkering
leidt mutatis mutandis tot uitsluiting van het recht op toeslag.
Met betrekking tot de
overeenkomstige ambtelijke regeling is bij de voorvraag aan de Raad van
State opgemerkt dat deze regelingen geen rblz.|9|
aanpassing behoeven omdat ambtenaren vanaf 1 januari 1998 onder het
stelsel van
werknemersverzekeringen zullen worden gebracht [zie Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, red.].
Preadvies Raad van State
De
Raad is van oordeel
dat de AOW ook in zijn benadering op zijn eigen merites moet worden
beoordeeld. De AOW is een algemene voorziening bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, die geldt ongeacht de omstandigheden
waarin de betrokkene
verkeert. De Raad ziet daarin aanleiding het uitsluiten van perioden
van detentie als verzekerbaar risico buiten beschouwing te laten. De
Raad is verder van oordeel dat - hoewel de redenering in de
adviesaanvrage van de minister om geen uitsluitingsgrond in de
TW, een sociale
voorziening, op te nemen op zich juist is - het vanwege de consistentie
in het systeem van sociale voorzieningen toch aanbeveling verdient ook
in de TW een bepaling gelijk aan die in de andere sociale
voorzieningen op te nemen dat geen toeslag wordt verleend indien de
belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Met de kanttekening dat
ook de TW onder de reikwijdte van een beperkende regeling dient te worden
gebracht, kan de Raad instemmen met de door de minister genoemde opsomming.
Aangezien bij de
voorvraag de WAZ
en de Wajong
niet aan de orde zijn geweest, heeft de Raad
van State hierover geen oordeel kunnen geven.
Standpunt regering
Op basis van het
vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er een regeling getroffen dient
te worden in de WAO, de WAZ, de
Wajong en de Anw. Zoals
hiervoor
reeds werd aangegeven, is in de ZW (artikel
42) reeds een weigeringsgrond
ten aanzien van de uitbetaling van ziekengeld bij detentie opgenomen.
Ten behoeve van de uniformiteit zal de ZW in die zin worden
aangepast dat
daarin een identieke bepaling als in vorengenoemde wetten wordt opgenomen.
Het voorstel van de Raad
van State om ook de TW
onder de
reikwijdte van de regeling te brengen, is overgenomen.
6. Vormgeving van de
regeling
In de voorgestelde
wijzigingen van de ZW, de WAO, de
WAZ, de Wajong en de
Anw wordt de
persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen van het recht op uitkering
uitgesloten. Dit leidt ertoe dat geen recht op een uitkering ontstaat, dan
wel het recht op een uitkering eindigt, indien betrokkene rechtens zijn
vrijheid wordt ontnomen. Bij uitsluitingsgronden gaat het om objectieve
omstandigheden - zoals vestiging in het buitenland, illegaal
verblijf, het bereiken van de 65-jarige leeftijd en in de WW
detentie - op grond
waarvan het recht op uitkering eindigt. Wanneer de situatie die tot de beëindiging van het recht heeft geleid zich niet
langer voordoet en de
betrokkene aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering
voldoet, wordt de uitkering heropend.
Met deze vormgeving wordt
een gelijkstelling bereikt met degene die vóór zijn vrijheidsbeneming in
loondienst werkzaam was. Immers, degene die voorheen werkzaam was in
loondienst heeft gedurende zijn vrijheidsbeneming evenmin recht op loon. De
uitsluiting van het recht sluit voorts aan bij de huidige
wettelijke systematiek, waarin de beëindiging van uitkeringen in geval van
de vrijheidsbeneming reeds op deze wijze vorm is gegeven, zoals in de
WW en de sociale voorzieningen. Door de gekozen vormgeving wordt derhalve
harmonisatie van wetgeving bereikt.
rblz.|10|
Voorvraag aan Raad van
State
Ter zake van de vormgeving
is aan de Raad
van State de volgende voorvraag gesteld.
"De twee meest
voorkomende wijzen om de niet-verstrekking van de socialeverzekeringsuitkeringen te regelen zijn de uitsluitingsgrond en de
weigeringsgrond. Een
weigeringsgrond leidt ertoe dat het recht op uitkering blijft bestaan,
maar dat dit recht gedurende de detentie niet, dan wel gedeeltelijk, tot
uitbetaling komt. Het recht op uitkering ontstaat niet of eindigt wanneer een
uitsluitingsgrond geldt. Een uitsluitingsgrond pleegt in het stelsel van
sociale verzekeringen te worden gehanteerd in die omstandigheden waarin
van (in maatschappelijk opzicht) algemene, geobjectiveerde kenmerken
sprake is. Bij inkomensderving tengevolge van detentie zou dit het
geval geacht kunnen worden. In de WW is dit op deze wijze
vormgegeven.
Of dit ook bij andere relevante socialeverzekeringswetten het geval zou moeten zijn,
verdient nadere afweging. Enerzijds kan hierbij
geredeneerd worden vanuit het onderscheid subjectieve of objectieve
gronden (uitsluitingsgrond). Anderzijds kan hierbij de nadruk worden
gelegd op het tijdelijk karakter van de detentie, hetgeen eerder wijst op
een weigeringsgrond."
Preadvies Raad van State
Uit het preadvies blijkt
dat de Raad
van State van oordeel is dat een andere dan in de voorvraag voorgestelde benadering meer aangewezen
is. Naar het oordeel van
de Raad is het probleem niet dat op grond van de socialeverzekeringswetgeving wordt uitgekeerd wanneer het verzekerde risico zich voordoet
(daar heeft men immers de premie voor betaald), maar is het probleem dat
personen ook voor perioden van detentie wettelijk zijn verzekerd
tegen inkomensderving tengevolge van bepaalde risico’s. Daarom zou
niet de uitkering moeten worden beëindigd vanwege de detentie, maar zou de
wetgever de periode dat een verzekerde gedetineerd is, moeten
uitsluiten als verzekerd risico. Dit leidt ertoe dat gedurende detentie geen
socialeverzekeringsuitkering kan plaatsvinden, omdat deze periode buiten
de verzekering valt. Evenmin is er voor deze periodes nog langer
premie verschuldigd. Het voordeel van deze benadering is dat de
discussie zich niet toespitst op het verzekeringskarakter van de sociale
verzekeringen. Evenmin behoeven er uitzonderingen te worden gemaakt voor
uitkeringsgerechtigden van wie geen actieve arbeid wordt gevergd,
aldus de Raad.
De Raad is verder van
oordeel dat het vraagstuk van de keuze tussen een uitsluitingsgrond en een
weigeringsgrond met de door hem voorgestane benadering niet langer
relevant is; in die benadering wordt immers geen uitkering gedaan omdat men
voor de periode van detentie niet verzekerd
kan zijn. Het is daarbij vanzelfsprekend dat het niet tot uitkering komt
indien men voor een bepaalde gebeurtenis niet verzekerd is.
Mocht de
minister
van
mening zijn dat de keuze van de Raad niet gevolgd moet worden, dan staat
hij wel voor de keuze tussen een uitsluitingsgrond en een
weigeringsgrond.
De Raad is van oordeel dat wanneer de nadruk wordt gelegd op het
objectieve gegeven dat iemand rechtens van zijn vrijheid is beroofd, een
uitsluitingsgrond voor de hand ligt. Dit zou bovendien goed aansluiten
bij de uitsluitingsgrond in de WW
en de sociale voorzieningen.
Ligt de nadruk op het tijdelijke karakter van de detentie, dan zou een weigeringsgrond als in de
ZW voor de hand
liggen voor de WAO, de AAW
en de Anw. Een nadeel daarvan
is dat het systeem dan de
uniformiteit mist van een systeem dat in alle socialezekerheidswetten de gedetineerden met een
uitsluitingsgrond het recht op uitkering ontzegt. Het
voordeel is dat duidelijk blijft dat aan de voorwaarden van de verzekering voldaan is.
De Raad is niet bekend of
de praktische ervaringen met de WW
(een rblz.|11|
uitsluitingsgrond in
artikel 19) en de ZW (een weigeringsgrond in
artikel 42) thans in een bepaalde
richting wijzen.
Standpunt regering
Samengevat komt het
oordeel van de Raad
van State voor wat betreft de vormgeving van het
wetsvoorstel erop neer dat niet de uitkering moet worden beëindigd vanwege
detentie, maar dat de wetgever de periode dat een verzekerde
gedetineerd is moet uitsluiten als verzekerd risico. Met deze benadering zou,
aldus de Raad, geen keuze behoeven te worden gemaakt tussen het
hanteren van een weigeringsgrond of een uitsluitingsgrond bij detentie.
Naar het oordeel van de
regering wordt door het hanteren van een uitsluitingsgrond in feite
aangegeven dat personen voor perioden van
vrijheidsbeneming niet
verzekerd zijn tegen inkomensderving tengevolge van bepaalde risico’s
(anders gesteld: de periode gedurende welke een persoon van zijn vrijheid
is beroofd, behoort niet tot het verzekerde risico van een bepaalde
regeling). Men heeft immers over die periode geen recht op uitkering. De
keuze in het onderhavige
wetsvoorstel - waarbij het recht op uitkering niet
kan ontstaan c.q. eindigt bij vrijheidsbenemingen en alsnog kan ontstaan
c.q. kan herleven bij de beëindiging van de vrijheidsbeneming - is
dan ook in lijn met het advies van de Raad
van State, waarin gepleit
wordt voor het van het verzekerd risico uitsluiten van de periode van detentie.
7. Uitsluitingscriterium
"rechtens zijn vrijheid ontnomen"
De tekst van de
voorgestelde wettelijke bepaling in de verschillende regelingen luidt:
"geen
recht op uitkering heeft de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen". De regering heeft zich beraden over de implicaties van deze
tekst. In het bijzonder zijn daarbij de volgende aspecten betrokken: de
reikwijdte van het begrip "rechtens zijn vrijheid ontnomen zijn", de
heropening van de uitkering na de beëindiging van de detentie, de ingangsdatum
van de beëindiging, het overgangsrecht, de handhaving, de uitstralingseffecten naar het gezinsinkomen en de
verzekering van de
ziektekosten.
In de voorvraag aan de Raad
van State waren de hiervoor genoemde aspecten nog niet uitgewerkt. Wel heeft de Raad van State in zijn
preadvies geadviseerd
aandacht te besteden aan een aantal andere aspecten, waaronder de
terbeschikkingstelling (TBS). Het advies van de Raad van State, alsmede
het standpunt van de regering ten aanzien van de TBS, wordt afzonderlijk
toegelicht.
Preadvies Raad van State
inzake andere aspecten
"De Raad adviseert bij
het aangekondigde voorstel van wet naast de hiervoor besproken
aspecten eveneens aandacht te besteden aan de volgende aspecten. De Raad adviseert in het kader van de loondoorbetalingsverplichting
van de werkgever artikel
1638c van het Burgerlijk
Wetboek bij de
voorbereiding van het wetsvoorstel te betrekken. Er zal voorts moeten worden
geregeld in welke gevallen van weekendverlof, proefverlof, dagdetentie
en alternatieve sancties sprake kan zijn van het uitbetalen van uitkeringen, dit tegen de achtergrond van het begrip
"rechtens van zijn
vrijheid beroofd". Ook moeten de gevolgen van kortdurende detentie en
van detentie in weekeinden en gedurende vakanties onder ogen
worden gezien. Ten slotte verdienen ook het overgangsrecht en het
aspect van preventieve hechtenis die niet is gevolgd door een vonnis
waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, aandacht."
rblz.|12|
Nadere definitie rechtens
zijn vrijheid ontnomen
In de
WW, de Abw, de Ioaw, de
Ioaz en de Wik geldt reeds een uitsluitingsgrond ten aanzien van
"rechtens zijn vrijheid ontnomen". Het
begrip "rechtens zijn
vrijheid ontnomen" omvat niet alleen gevangenisstraf. Ook andere vormen van
"rechtens zijn vrijheid ontnomen" vallen onder deze definitie.
Hierbij kan worden gedacht aan gijzeling op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, gijzeling wegens niet-nakoming van
wettelijke verplichtingen (zoals niet-betaling van alimentatie),
dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz), vreemdelingenbewaring en andere vormen van vrijheidsbeneming
op grond van de Vreemdelingenwet en faillissementsbewaring. Dat de uitsluiting van
het recht op uitkering in de hiervoor genoemde regelingen zich uitstrekt
tot alle vormen van vrijheidsontneming wordt gerechtvaardigd door het
feit dat ook bij de andere vormen van vrijheidsontneming sprake is van het niet
beschikbaar zijn voor het aanvaarden van arbeid en, wat de Abw
en de Wik betreft, door het langs andere weg voorzien in de kosten van
het bestaan (vergelijk paragraaf 4 van deze memorie, waarin op de rechtsgrondslag voor het uitsluiten van het recht
op uitkering is
ingegaan).
In
het onderhavige wetsvoorstel wordt ten aanzien van de ZW, de WAO, de
WAZ, de Wajong en de
Anw voorgesteld om het recht op uitkering te ontzeggen aan personen
die rechtens hun vrijheid is ontnomen, behoudens in de situatie
waarin sprake is van een gedwongen opname op grond van de Bopz
of met
toepassing van artikel 37, eerste lid, Sr. Het begrip "rechtens hun
vrijheid ontnomen" wordt hiertoe in de hiervoor genoemde wetten nader
gedefinieerd. Met betrekking tot deze beperking in de vorengenoemde
regelingen merkt de regering het volgende op.
Zoals in paragraaf 4 van
deze memorie aangegeven, is de rechtsgrondslag voor het opnemen van een
uitsluitingsgrond ter zake van detentie in de ZW, de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de
Anw primair gelegen in
de omstandigheid dat het
maatschappelijk ongewenst wordt geacht dat degene die rechtens zijn
vrijheid is ontnomen een uit collectieve middelen gefinancierde uitkering
kan blijven ontvangen, terwijl de Staat daarnaast in de kosten van het
levensonderhoud van betrokkene voorziet. Bij een gedwongen opname in een
psychiatrisch ziekenhuis, op grond van de Bopz of met toepassing
van artikel 37, eerste lid, Sr, zijn betrokkenen (na een periode van
één
jaar) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een
eigen bijdrage verschuldigd. De situatie zoals hiervoor aangegeven - het ontvangen van een uitkering, terwijl in de kosten van het
levensonderhoud door de Staat wordt voorzien - doet zich in deze gevallen dan ook
niet voor, althans niet bij een langdurige opname, zodat het
uitsluiten van het recht op een uitkering als hiervoor bedoeld niet
gerechtvaardigd is.
Bovendien betreft het
hier personen die hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. De
Bopz regelt immers de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis van een persoon die (al dan niet tijdelijk)
geestelijk gestoord is en
een gevaar oplevert voor zichzelf of zijn omgeving. Artikel 37,
eerste lid, Sr betreft een situatie waarbij een persoon naar aanleiding
van een strafbaar feit voor de rechter wordt gedagvaard, maar door deze
rechter van alle rechtsvervolging wordt ontslagen omdat het feit
hem vanwege een geestesstoornis niet kan worden toegerekend. De aard van de geestesstoornis is wel zodanig dat
gedwongen opname nodig
is. Teneinde te voorkomen dat de zaak na ontslag van
rechtsvervolging zou moeten worden doorverwezen naar de civiele kamer van de
rechtelijke instantie, is in het Sr
in het onderhavige artikel bepaald dat ook
de strafrechter de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan gelasten.
Het gaat in feite om een rechterlijke machtiging rblz.|13|
tot opname in een
psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond
van de Bopz wordt gegeven. De wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van artikel
37 Sr vindt ook geheel volgens de bepalingen van
de Bopz plaats en deze last kan in dit kader met de civielrechtelijke
machtiging worden gelijkgesteld.
Terbeschikkingstelling
(TBS)
Het uitzonderen van de
gedwongen opname op grond van de Bopz
of met toepassing van
artikel 37, eerste lid, Sr
roept de vraag op of een dergelijke uitzondering
ook zou moeten gelden bij een gedwongen opname op grond van
artikel 37a of 37b, eerste lid, Sr
(TBS). Ook in dat geval zijn betrokkenen
immers op grond van de AWBZ een eigen bijdrage verschuldigd. Bovendien
heeft TBS betrekking op personen bij wie tijdens het begaan van het
strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de
geestesvermogens bestond.
Deze factoren hebben de
Raad
van State tot de conclusie gebracht dat het uitsluiten van de
uitkeringsrechten van terbeschikkinggestelden niet voor de hand ligt, zoals
uit
de volgende passage uit het preadvies blijkt.
"Bij straf staat
centraal een leed toebrengende sanctie, van overheidswege opgelegd aan een
persoon
op de grond dat deze verwijtbaar heeft gehandeld in strijd met
een aldus gesanctioneerde gedragsregel. Bij maatregelen als bedoeld
in titel IIa van het eerste boek Sr
domineert de speciale preventie, al
brengen zij in de praktijk niet zelden ook leed mee voor de betrokkene.
In de regel bestaat een maatregel uit een door de rechter naast of in
plaats van de straf vonnisgewijs op te leggen behandeling. Een
maatregel kan dan ook betrekking hebben op een delict dat de dader niet kan
worden toegerekend. Eén van de maatregelen is de TBS. Ingevolge artikel
37a, eerste lid, Sr
kan een verdachte door de rechter ter beschikking
worden gesteld. Ingevolge artikel 37b, eerste lid, Sr
kan de rechter
bevelen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden
verpleegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene
veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.
De TBS is daarmee een
eigensoortige strafrechtelijke maatregel. De TBS heeft immers betrekking
op personen bij wie tijdens het begaan van het in beginsel strafbare feit
een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens
bestond. Daarmee zijn verpleegden in TBS-inrichtingen niet
zonder meer gelijk te stellen met gedetineerden. Daarnaast zijn de
TBS-inrichtingen ingevolge de Beschikking aanwijzing psychiatrische
ziekenhuizen 1989 aangewezen als psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in de
Regeling psychiatrische ziekenhuisverpleging AWBZ. Verpleegden dienen
krachtens de ook op de TBS-inrichtingen van toepassing zijnde
eigenbijdrageregeling AWBZ een eigen bijdrage te
betalen in de kosten van verpleging en verzorging nadat zij één jaar in een
psychiatrisch ziekenhuis respectievelijk TBS-inrichting zijn opgenomen.
De
hoogte van de eigen
bijdrage is afhankelijk van het bijdrageplichtig inkomen.
Daarmee ligt - zolang
de kosten van opname in TBS-inrichtingen niet op gelijke wijze aan die van
detentie door de Staat der Nederlanden worden voldaan - het
uitsluiten van de uitkeringsrechten van terbeschikkinggestelden naar het
oordeel van de Raad niet voor de hand."
Hoewel de conclusie van
de Raad
van State in het licht van de gekozen grondslag plausibel is,
heeft de regering op voornamelijk praktische gronden er toch voor gekozen TBS onder de regeling te brengen, waarbij
mede in aanmerking is
genomen het feit dat het niet onder de regeling brengen van TBS tot voor
betrokkenen moeilijk te begrijpen uitkomsten zou leiden. Deze keuze
wordt als volgt toegelicht. TBS wordt vaak in rblz.|14|
combinatie met een
gevangenisstraf opgelegd. In alle gevallen waarbij TBS met bevel tot
verpleging wordt opgelegd, is er sprake van voorlopige hechtenis. Bij het
uitzonderen van de regeling zou de situatie ontstaan dat het recht op een
uitkering aan een gedetineerde tijdens het ondergaan van de
gevangenisstraf/voorlopige hechtenis wordt ontzegd. Het recht zou kunnen herleven bij
beëindiging van de gevangenisstraf/voorlopige hechtenis en tot
uitbetaling komen tijdens de verpleging in een TBS-instelling, om
vervolgens op grond van de eigenbijdrageregeling AWBZ na
één jaar weer
afgeroomd te worden.
Voorlopige hechtenis
Voorlopige hechtenis is
een vrijheidsbenemende maatregel. Een verdachte van een strafbaar feit kan door Justitie in voorlopige hechtenis
genomen worden, in afwachting van veroordeling door de rechter. Het begrip
"rechtens zijn
vrijheid ontnomen zijn" omvat derhalve voorlopige hechtenis. In het kader
van de uitvoering van de reeds geldende uitsluitingsgronden in de Abw
en de WW wordt de uitkering ook nu reeds beëindigd tijdens de
voorlopige hechtenis. In een uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep,
welke betrekking had op de uitsluitingsgrond in de WW, werd dit
standpunt bevestigd (RSV 1992/129). De Centrale Raad van Beroep heeft in
deze
uitspraak bepaald dat er sprake is van "rechtens zijn vrijheid ontnomen
zijn", ook al is deze achteraf onjuist gebleken. Overigens zij opgemerkt
dat er geen loondoorbetalingsverplichting bestaat voor de werkgever
met betrekking tot de werknemer die in voorlopige hechtenis is
genomen.
In geval van voorlopige
hechtenis staat derhalve weliswaar (nog) niet vast dat de betrokkene
schuldig is, aangezien er (nog) geen sprake is van een veroordeling door
de
rechter, doch wanneer de betrokkene veroordeeld wordt, zal de periode van
voorlopige hechtenis (voorarrest) in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. Indien de uitkering tijdens de
voorlopige hechtenis niet
zou worden beëindigd, ontstaat er een afwijkende behandeling tussen
personen met, respectievelijk zonder lange voorlopige hechtenis
indien de betrokkene wel veroordeeld wordt, omdat de periode van voorlopige
hechtenis in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf.
Bovendien noopt de
grondslag van de onderhavige regeling - tijdens detentie voorziet de
Staat in de kosten van het onderhoud - ertoe om ook tijdens de voorlopige
hechtenis de uitkering te beëindigen. Tijdens voorlopige hechtenis
voorziet de Staat eveneens in de kosten van het levensonderhoud. Dat
betekent ook dat indien na voorlopige hechtenis geen vrijheidsstraf wordt
opgelegd, over de periode van voorlopige hechtenis de uitkering
niet alsnog wordt uitbetaald. Over die periode is immers door de Staat wel
degelijk in de kosten van het levensonderhoud voorzien. Dit laat
onverlet de mogelijkheid van het vorderen van schadevergoeding wegens ten
onrechte
ondergane voorlopige hechtenis.
Uitleveringsdetentie
Ook de zogenaamde
uitleveringsdetentie valt onder de werkingssfeer van dit
wetsvoorstel. In
geval van uitleveringsdetentie is in het algemeen sprake van (verdenking
van) een ernstig strafbaar feit. Dit strafbare feit hoeft weliswaar niet in
Nederland gepleegd te zijn, maar de betrokkene verblijft in Nederland in
detentie totdat op het uitleveringsverzoek is beslist. De regering is
van oordeel dat - gegeven de grondslag -
er geen reden is om de uitkering
gedurende de uitleveringsdetentie voort te zetten.
rblz.|15|
Detentie in het
buitenland
"Rechtens zijn vrijheid
ontnomen zijn" omvat eveneens detentie in het buitenland. Ook de in het
buitenland gedetineerde is immers rechtens zijn vrijheid ontnomen. De grondslag van de regeling (de maatschappelijke
onaanvaardbaarheid dat
degenen die rechtens hun vrijheid zijn ontnomen tijdens hun
vrijheidsbeneming een uitkering behouden) leidt ertoe dat de omstandigheid dat het
vonnis niet door een Nederlandse strafrechter is uitgesproken geen reden
is om de in het buitenland gedetineerde uitkeringsgerechtigde
anders te behandelen dan de in Nederland gedetineerde uitkeringsgerechtigde.
Voor de goede orde wordt
hierbij opgemerkt dat de Nederlandse uitkeringsgerechtigde die
in het buitenland in de gevangenis verblijft consulaire bijstand kan
krijgen. Deze consulaire bijstand houdt allereerst in dat lokale
autoriteiten door onze ambassades worden gewezen op hun verantwoordelijkheid voor
de zorg (eten, drinken, medische verzorging) voor de gedetineerden.
Weliswaar is deze bijstand in beginsel niet van financiële aard, doch
het ministerie van Buitenlandse Zaken kan in voorkomende gevallen
(mits voldaan is aan de daartoe gestelde voorwaarden) een lening
verstrekken.
In dit kader verdient
overigens nog opmerking dat het recht op een uitkering op grond van de ZW, de
WAO, de WAZ, de TW
en de Anw op termijn niet meer zal
kunnen ontstaan dan wel zal eindigen indien betrokkene langer dan
drie maanden in een land verblijft waarmee Nederland geen verdrag
inzake sociale zekerheid heeft afgesloten. Hiertoe is een voorstel van wet
bij de Tweede Kamer ingediend (Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en enkele andere wetten in verband
met beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet
beperking export uitkeringen) (Kamerstukken II 1997-1998, 25 757). In de
Wajong
is
reeds een voorziening getroffen die het exporteren van de
uitkering uitsluit.
8. Toekenning en
heropening van de uitkering na einde detentie
De wettekst strekt er
enerzijds toe om de uitkering te beëindigen indien de verzekerde reeds een
uitkering geniet en anderzijds om geen recht op uitkering te laten
ontstaan indien het verzekerd risico (bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid)
zich voordoet tijdens de detentie.
In paragraaf 6 werd in
het kader van de vormgeving reeds beschreven dat de uitkering heropend zal
worden als de vrijheidsbeneming is geëindigd en de betrokkene tevens voldoet aan de overige voorwaarden voor het
recht op uitkering. Met
andere woorden: als de vrijheidsbeneming is geëindigd en betrokkene
wendt zich tot de uitvoerende instantie, dan zal de uitkering krachtens de
ZW, de WAO, de WAZ, de
Wajong en de Anw heropend dienen te
worden, mits de betrokkene ook aan de overige voorwaarden voor het
recht op uitkering voldoet. Ook wanneer het verzekerd risico tijdens
de vrijheidsbeneming is ingetreden en er derhalve op grond van de onderhavige wettelijke bepalingen geen recht op
uitkering is ontstaan,
wordt de uitkering alsnog toegekend vanaf het moment dat de
vrijheidsbeneming is geëindigd, mits de betrokkene op dat moment aan de overige
voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet. Ten aanzien van deze
laatste situatie dient bedacht te worden dat ook onder de huidige
wetgeving tijdens detentie dikwijls geen recht op WAO-uitkering kan
ontstaan, omdat de betrokkene tijdens de detentie veelal niet verzekerd is.
Immers, één van de voorwaarden voor het recht op uitkering is dat de
betrokkene werknemer [verzekerd, red.] is in de zin van de werknemersverzekeringen.
Er moet derhalve sprake zijn van het verrichten van werk in
loondienst, dan wel het ontvangen van een uitkering op grond
waarvan er sprake is van verzekeringsplicht. Aan deze rblz.|16|
voorwaarde zal ook
thans
dikwijls niet voldaan kunnen worden, omdat de gedetineerde geen werkzaamheden in loondienst verricht en evenmin
anderszins als werknemer
is aan te merken.
9. Ingangsdatum en
overgangsrecht
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt uitgegaan van een tenuitvoerlegging na één maand en niet
van onmiddellijke tenuitvoerlegging. Aan onmiddellijke
tenuitvoerlegging kleeft het bezwaar dat stopzetting van een uitkering voor een korte
periode (minder dan één maand) relatief veel administratieve
inspanningen vereist. Onmiddellijke stopzetting van de uitkering zou er derhalve
toe leiden dat hoge administratieve kosten gemaakt moeten worden, om
slechts voor enkele dagen de uitkering stop te zetten. Dit wordt
onwenselijk geacht door de regering.
Voorts zou onmiddellijke
tenuitvoerlegging ertoe leiden dat geen sprake is van gelijke behandeling
van werkenden en uitkeringsgerechtigden. Bij straffen met een beperkte omvang bestaat voor werkenden namelijk de
mogelijkheid om deze
gedurende hun vakantie uit te zitten. Deze mogelijkheid heeft de
uitkeringsgerechtigde niet. Wanneer de uitkeringsgerechtigde ook al gedurende de
eerste maand in zijn uitkering wordt getroffen, wordt hij in
feite zwaarder "gestraft" dan de werkende.
Wanneer tenuitvoerlegging
plaatsvindt na één maand, is echter wel sprake van gelijke behandeling
van uitkeringsgerechtigden en loontrekkenden.
De termijn van één
maand betekent voorts dat weekenddetentie buiten de regeling valt.
Ter zake van de WW zal
deze termijn van één maand niet worden gehanteerd, aangezien de
uitkeringsvoorwaarden van die wet verhinderen dat er vanaf de eerste dag van de vrijheidsbeneming een uitkering
ontvangen kan worden. Om
voor een WW-uitkering in aanmerking te komen, moet immers sprake
zijn van werkloosheid. Op grond van de WW is slechts sprake van
werkloosheid indien de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Door de vrijheidsbeneming is de betrokkene vanaf de eerste dag van
zijn vrijheidsbeneming feitelijk niet in staat om arbeid te aanvaarden. Met
andere woorden: aangezien degenen die rechtens zijn vrijheid is ontnomen per definitie niet aan het
beschikbaarheidsvereiste
kan voldoen, kan deze persoon uit de aard van de regeling al geen recht
op WW-uitkering hebben. Ook indien geen uitdrukkelijke
uitsluitingsgrond in de WW zou gelden, zou op grond van de overige wettelijke
bepalingen vanaf het moment van de vrijheidsbeneming geen recht op
WW-uitkering bestaan.
Ook voor de Abw, de
Ioaw,
de Ioaz en de Wik
geldt dat er voor de beëindiging van het
recht geen termijn wordt gehanteerd, hetgeen evenzeer verband houdt
met de uitkeringsvoorwaarden van deze regelingen. Voor de Ioaw
en de Ioaz geldt - net als bij de WW - dat men in beginsel beschikbaar
moet zijn voor het verrichten van arbeid. Voor de Abw en de Wik, beide
minimumbehoefteregelingen, geldt dat nu er langs andere weg in de kosten
van het levensonderhoud wordt voorzien, en er derhalve sprake is van
een voorliggende voorziening, er geen reden is een uitkering te verstrekken
met ingang van de dag waarop betrokkene gedetineerd raakt. In
verband met de tenuitvoerlegging na één maand heeft de regering
besloten om op één punt een regeling op te nemen ter zake van het
overgangsrecht, in die zin dat de wachttijd van één maand gaat lopen vanaf de datum
inwerkingtreding van de thans voorgestelde wet. Overigens heeft de
wet onmiddellijke werking en vanaf haar inwerkingtreding
betrekking op alle lopende en toekomstige uitkeringen. De uitkering van de
uitkeringsgerechtigden die reeds rechtens van hun vrijheid zijn beroofd ten
tijde van de inwerkingtreding wordt na een overgangsperiode van
één maand beëindigd. Voor vrijheidsbenemingen die ingaan na
inwerkingtreding van deze wet geldt het nieuwe regime.
rblz.|17|
10. Handhaving
Op grond van de algemene
bepaling in alle socialeverzekeringswetten dient een verzekerde het
uitvoeringsorgaan op de hoogte te stellen van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de hoogte van
en/of het recht op
uitkering. Op basis van deze algemene mededelingsverplichting dient de
uitkeringsgerechtigde gedetineerde het uitvoeringsorgaan (Landelijk instituut
sociale verzekeringen, hierna: Lisv [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], respectievelijk Sociale
verzekeringsbank,
hierna: SVB) van zijn detentie op de hoogte te brengen.
Tijdens de detentie zijn er geen feitelijke belemmeringen om aan de mededelingsverplichtingen te voldoen. Voorts zal de
Minister van Justitie
alle nieuwe detentiegevallen (via een geautomatiseerd
gegevensuitwisselingssysteem)
melden aan de uitvoeringsorganen (het Lisv,
respectievelijk de SVB). Deze uitvoeringsorganen kunnen in een vroegtijdig stadium
centraal nagaan of deze gedetineerde een uitkering heeft. Als dat het geval
is, wordt een signaal gegeven aan de betrokken uitvoerder die dan een
eventueel lopende uitkering kan eindigen. Om deze gegevensuitwisseling mogelijk te maken, dient het gevangeniswezen het
sofinummer van de
gedetineerde te kunnen doorgeven. Het gevangeniswezen beschikt zelf niet over
het sofinummer. Doordat het sofinummer inmiddels is opgenomen in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) kan het gevangeniswezen ten behoeve van de
gegevensuitwisseling op een betrouwbare wijze het sofinummer van de gedetineerde
achterhalen. Met het oog op deze gegevensuitwisseling wordt artikel 95 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 aangepast. Het
Besluit gebruik sofinummer is reeds bij Besluit van 21 februari 1998 (Stb.
1998, 118) aangepast. Het sofinummer zal niet worden opgenomen in de bestanden
van Justitie, maar uitsluitend voor de gegevensuitwisseling met
de socialezekerheidssector worden opgehaald uit de GBA en vervolgens
worden doorgegeven. Op hun beurt zullen de uitvoeringsorganen het
detentiegegeven niet opslaan, tenzij er sprake is van een lopend recht op
uitkering.
De
Minister van Justitie
dient voor het opvragen van het sofinummer uit de GBA geautoriseerd te
worden. De behandeling van de aanvraag hiertoe, en vervolgens de implementatie hiervan, leiden ertoe dat de
gegevensuitwisseling op
zijn vroegst per 1 november 1998 kan starten. Vanaf het moment van
inwerkingtreding van deze wet tot de start van de gegevensuitwisseling zal
Justitie de meldingen in een bestand opslaan. Zodra de GBA-koppeling
een feit is, zal dit bestand alsnog in behandeling worden genomen. Eén jaar
na inwerkingtreding zal deze werkwijze geëvalueerd worden. Op basis van deze evaluatie kan dan worden bezien
of er aanleiding is tot
aanpassingen.
Voor de sociale
voorzieningen, waaronder de Abw, die door de gemeentelijke sociale diensten worden
uitgevoerd, geldt al van oudsher dat wanneer iemand rechtens
van zijn vrijheid is ontnomen, er geen recht is op deze voorzieningen.
Bij gemeenten bestaat, evenals bij bovengenoemde uitvoeringsorganen,
behoefte aan integrale signalering van detentiegevallen.
Gemeentelijke sociale diensten kunnen in beginsel op gelijke wijze
participeren in het gegevensverkeer met het gevangeniswezen, conform de hierboven
beschreven constructie. Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is echter
wel dat er een sectorale verwijsindex
voor gemeenten bestaat.
Deze wordt op dit moment ontwikkeld in het kader van het CliëntVolgCommunicatieStelsel
(CVCS). Tot die tijd kunnen gemeenten de Dienst
Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie benaderen met gerichte
verzoeken (schriftelijk) om informatie over individuele bijstandscliënten. Aan de hand van dergelijke verzoeken kan
vervolgens handmatig de gewenste informatie verkregen worden.
rblz.|18|
11. Uitstralingseffecten
naar gezinsinkomen
Beëindiging van
socialeverzekeringsuitkeringen zal er in veel gevallen toe leiden dat de voornaamste
inkomstenbron van het gezin wegvalt. In het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing (hierna:
CRS) is
hiervoor de aandacht
gevraagd. De afhankelijke partners zullen in veel gevallen een beroep doen
op de Abw. Hiermee is bij de berekening van de financiële effecten van
het wetsvoorstel (zie de in deze memorie opgenomen financiële
paragraaf) rekening gehouden.
De regering heeft, wat de
effecten op het gezinsinkomen betreft, het volgende overwogen. De
sociale zekerheid kent een systeem van geïndividualiseerde
rechten. Het recht op en de hoogte van een uitkering krachtens de WAO, de
WAZ,
de Wajong, respectievelijk de Anw, wordt bepaald door de vraag of
de betrokkene aan de voorwaarden voor het recht op uitkering heeft
voldaan. De omstandigheid dat betrokkene kostwinner is, dan wel
dat het gezin te zijnen laste komt, is niet relevant voor de bepaling van de
hoogte van de uitkering.
De regering heeft geen
aanleiding gezien om een deel van de uitkering uit te betalen aan de
achterblijvende gezinsleden in plaats van een volledige uitsluiting van het recht
op uitkering. Ook de gezinsleden van de gedetineerde die voorheen in
loondienst werkzaam was, zullen immers aangewezen zijn op de Abw. Hetzelfde doet zich thans reeds voor in de
socialezekerheidswetgeving,
waar een uitsluitingsgrond ter zake van detentie geldt, zoals in
de WW. De regering ziet geen argumenten om met betrekking tot de
gedetineerde die recht heeft op een uitkering krachtens de WAO, de WAZ, de
Wajong
of de Anw anders te handelen dan met betrekking tot de
hiervoor genoemde groepen.
12.
Ziekenfondsverzekering
Verzekerd op grond van de
Ziekenfondswet (Zfw) is de werknemer in de zin van de ZW. Degene die
werkzaam is in loondienst is in het algemeen verzekerd voor de Zfw (mits de loongrens niet wordt overschreden). Het
ontvangen van een
uitkering brengt eveneens in het algemeen verzekeringsplicht voor
de Zfw met zich. Het beëindigen van de uitkering leidt dan tot
beëindiging van de ziekenfondsverzekering. Ten aanzien van loontrekkenden geldt
reeds dat de gedetineerden die vóór de vrijheidsbeneming in loondienst werkzaam
waren, tijdens de vrijheidsbeneming geen werknemer meer zijn in de zin van de ZW en dus ook niet meer
verzekerd zijn op grond
van de Zfw, aangezien zij tijdens hun verblijf in de gevangenis niet werkzaam
zijn in dienstbetrekking. De ziektekosten die ten behoeve van deze
gedetineerden worden gemaakt, worden door het ministerie van Justitie
betaald - op grond van de op de Staat rustende onderhoudsverplichting
krachtens artikel 35 van het Sr
- tenzij er voor deze kosten een
vergoedingsregeling geldt op grond van de AWBZ. Analoog aan deze regeling
voor loontrekkenden zullen de ziektekosten van gedetineerde uitkeringsgerechtigden eveneens door het
ministerie
van Justitie betaald worden indien de verplichte ziekenfondsverzekering is geëindigd tengevolge
van de beëindiging van de uitkering.
13. Internationale
aspecten
Preadvies Raad van State
Ten
aanzien van de
internationale aspecten merkt de Raad
van State het volgende op.
"De minister zal wanneer
hij gedetineerden volledig wil uitsluiten van
socialezekerheidsuitkeringen
op de door hem voorgestelde grondslag, uitdrukkelijk aandacht
moeten geven aan de verdragsrechtelijke rblz.|19|
problemen die aan het
beperken van uitkeringsrechten zijn verbonden. De Raad heeft hierbij het
oog op de verdragen inzake sociale zekerheid van met name de
Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) [oftewel: International Labour
Organization (ILO), red.] en de Raad van Europa. Het betreft dan
in het bijzonder het Verdrag betreffende minimumnormen van sociale
zekerheid (Verdrag nr. 102), het Verdrag betreffende uitkeringen
bij bedrijfsongevallen en beroepsziekten (Verdrag nr. 121), het Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom
en aan nagelaten
betrekkingen (Verdrag nr. 128), de Europese Code inzake sociale zekerheid met
Bijlage, Addenda en Protocol (Europese Code) en de Europese Code inzake
sociale zekerheid (herzien), met bijlage (herziene Europese Code; door
Nederland nog niet geratificeerd).
De genoemde verdragen
kennen bepalingen betreffende de criteria waarop een uitkering kan
worden geschorst. Het voor deze bepalingen representatieve artikel
69, aanhef en onder b, van het Verdrag nr. 102 luidt (voor zover van belang):
"Een uitkering waarop
een beschermd persoon recht zou hebben gehad op grond van één van de delen II tot en met X van dit
verdrag, kan worden geschorst in een eventueel voor te schrijven mate: (...)
b. zolang
het onderhoud van de belanghebbende ten laste van de overheid of van een instelling of dienst
van sociale zekerheid komt; nochtans moet, wanneer de uitkering de
kosten van dat onderhoud te boven gaat, het verschil worden verstrekt
aan de personen die ten laste van de gerechtigde zijn."
Detentie als zodanig
wordt niet expliciet genoemd als reden voor het schorsen van het uitkeringsrecht. Daar het onderhoud van een gedetineerde
in Nederland ten laste
van de overheid komt, kan het onder b gestelde de grond vormen
om een uitkering te schorsen. Zolang het onderhoud van de
gedetineerde uitkeringsgerechtigde ten laste van de overheid komt, gaat
echter geen van deze verdragsbepalingen zo ver dat de uitkering geheel kan
worden beëindigd vanwege de detentie als zodanig. Voor zover de uitkering hoger is dan de kosten van het
onderhoud of andere
personen afhankelijk zijn van de uitkering zijn er beperkingen gesteld.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal van 8 mei 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 23 900, XV, nr.
44, blz. 4-6) gesteld dat voor zover een herijking van op een bepaald moment
bestaande nationale beleidsdoelstelling in het geding is, hem de
vraag gerechtvaardigd lijkt of het opzeggen van IAO-verdragen in juiste
verhouding staat tot het grotere belang dat met deze verdragen wordt
gediend. Naar zijn mening kan in vele gevallen een aangepaste interpretatie
van bestaande verdragsteksten op dit punt al voldoende ruimte
scheppen. Over de betekenis van de bepalingen in verschillende verdragen
wordt overigens in het algemeen nauw contact gehouden met het Internationaal Arbeidsbureau, dat tot herinterpretatie
bereid blijkt, aldus de
brief van de minister.
De Raad wijst erop dat
binnen de IAO het Comité van Deskundigen de instantie is die verdragen interpreteert en niet het Internationaal Arbeidsbureau.
Als het Internationaal
Arbeidsbureau van mening is dat een verdrag te stringent is geformuleerd, moet het het initiatief nemen tot
aanpassing of een
uitspraak van het Comité van Deskundigen uitlokken.
Het probleem van het uit
te keren surplus dat optreedt bij de door de minister
gekozen
grondslag treedt niet op bij de door de Raad
voorgestelde benadering. Door
niet
verzekerd te zijn voor inkomensderving tengevolge van bepaalde
risico’s voor perioden van detentie doet zich immers evenmin de vraag
voor of een deel van de verzekeringsuitkering uitbetaald dient te
worden gedurende zo’n periode voor zover de uitkering hoger is dan de kosten
van het onderhoud of andere personen afhankelijk zijn van de uitkering.
rblz.|20|
Overigens merkt de Raad op dat de door hem gekozen grondslag geen verdragsrechtelijke
problemen geeft. De bedoelde verdragen geven expliciet de mogelijkheid
delen van de bevolking van de verdragsrechtelijke bescherming uit te sluiten, zolang het totale percentage van de
uitgezonderde groepen ten
opzichte van de gehele bevolking, dan wel de in loondienst werkenden,
niet boven bepaalde percentages komt. Het gedeelte van de
Nederlandse bevolking dat gedetineerd zal raken, is echter, naar mag worden
aangenomen, niet zo omvangrijk dat Nederland door deze groep uit te
sluiten in strijd met de verdragen zou handelen."
Standpunt regering inzake
ILO-Verdrag nr. 102
Zoals reeds in paragraaf
6 van deze memorie aangegeven, wordt naar het oordeel van de regering
door het hanteren van een uitsluitingsgrond in feite aangegeven dat personen voor perioden van vrijheidsbeneming niet
verzekerd zijn tegen inkomensderving tengevolge van bepaalde risico’s
(anders gesteld: de
periode gedurende welke een persoon van zijn vrijheid is beroofd, behoort niet
tot het verzekerde risico van een bepaalde regeling). Men heeft
immers over die periode geen recht op uitkering. De keuze in het onderhavige
wetsvoorstel - waarbij het recht op uitkering niet kan ontstaan c.q. eindigt
bij vrijheidsbenemingen en alsnog kan ontstaan c.q. kan herleven bij de
beëindiging van de vrijheidsbeneming - is dan ook in lijn met het
advies van de Raad van State, waarin gepleit wordt voor het van het
verzekerd risico uitsluiten van de periode van detentie. Onder verwijzing naar de
hiervoor geformuleerde conclusie van de Raad van State kan dan ook
worden geconcludeerd dat de regeling niet in strijd is met vorengenoemd
verdrag.
Naar aanleiding van
hetgeen de Raad
van State heeft opgemerkt over de mogelijkheid tot
schorsing van het recht op uitkering, zoals bepaald in artikel 69, aanhef en
onder b, van ILO-verdrag nr. 102, wordt (wellicht ten overvloede) nog het
volgende opgemerkt. Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat gezinsleden
ten laste van de belanghebbende als gevolg van de detentie van de
kostwinner in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. In het
Nederlandse socialezekerheidsstelsel voorziet de Abw
echter in de mogelijkheid
tot het toekennen van een uitkering in die gevallen waarin de
gezinsleden als gevolg van de detentie van "de kostwinner" in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. Dit is ook
het geval indien de
uitkering als gevolg van detentie geheel beëindigd wordt, zoals thans reeds
het geval in het kader van de WW. In verband daarmee ontbreekt de
noodzaak voor een regeling die erin voorziet dat het surplus aan uitkering
uitgekeerd dient te worden aan de gezinsleden. Er kan dan ook worden
geconcludeerd dat het onderhavige
wetsvoorstel ook om die reden niet in
strijd is met deze verdragsverplichting. Overigens zullen de
kosten van het onderhoud per gedetineerde - gezien de hoogte van de kosten
van het Nederlandse gevangeniswezen - in het algemeen hoger zijn dan de uitkering die de betrokkenen ontvangen en zal
er geen uit te keren
surplus resteren.
Het ne-bis-in-idembeginsel
De regering is voorts van
oordeel dat de beëindiging van de uitkering geen strijd oplevert met
het verbod op dubbele bestraffing. Het ne-bis-in-idembeginsel houdt in dat iemand niet
tweemaal voor hetzelfde feit
strafrechtelijk vervolgd
onderscheidenlijk veroordeeld mag worden. De omstandigheid dat naast
de detentie tevens de uitkering wordt beëindigd, zou evenwel ervaren
kunnen worden als een dubbele bestraffing. In dit licht zij overigens
opgemerkt dat het onderhavige wetsvoorstel zich niet beperkt tot detentie,
doch eveneens ziet op andere vormen van vrijheidsontneming, zoals genoemd in
paragraaf 7.
rblz.|21|
Ter zake van het ne-bis-in-idembeginsel kan het volgende worden opgemerkt.
Het Europees verdrag voor
de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kent geen expliciete bepaling met betrekking tot het
ne-bis-in-idembeginsel. Het beginsel is wel terug te vinden in artikel 4 van
Protocol nr. 7 bij het EVRM, maar dit is alleen ondertekend door
Nederland en niet geratificeerd. Artikel 14, zevende lid, van het Internationaal
verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) [de gangbare afkorting
luidt IVBPR, red.] kent wel een dergelijk
verbod. Nederland heeft echter bij dit artikel een voorbehoud gemaakt,
waarin is bepaald dat het die bepalingen alleen aanvaard heeft voor
zover
daaruit geen verdere verplichtingen voortvloeien dan zijn neergelegd in
artikel 68 Sr. Dit brengt met zich dat de werking van artikel 68
Sr niet kan worden uitgebreid door artikel 14, zevende lid,
BUPO.
Artikel 68 Sr
stelt dat "behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, niemand andermaal (kan) worden
vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland
(...) onherroepelijk is beslist (...)".
De regering is van mening
dat de omstandigheid dat de uitkering wordt beëindigd tengevolge van
detentie geen strafoplegging betreft en niet als een "criminal
charge"
kan worden beschouwd, doch veeleer aangemerkt dient te worden als het
niet (langer) voldoen aan één van de ontstaansvoorwaarden voor het recht op
uitkering. In dit verband zij nog gewezen op de overwegingen van
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) in de
zaak Tre Taktören AB van 7 juli 1989 (A-series no. 159, para. 46), waarin
over het intrekken van een vergunning is geoordeeld. In deze zaak wordt het
intrekken van een vergunning niet aangemerkt als een "criminal
charge"; ook niet als dat een ernstige maatregel is
die wordt genomen op
grond van een gepleegd strafbaar feit waarvoor iemand vervolgd en
gestraft wordt. Het intrekken van de vergunning volgt weliswaar op het
strafbare feit, maar is geen vervolging en dus ook geen "straf" als zodanig.
Ter zake van het ne-bis-in-idembeginsel
heeft ook de Centrale Raad van Beroep in zijn jurisprudentie bepaald dat
"strafrechtelijke veroordeling de
bevoegdheid van een bedrijfsvereniging onverlet laat om ter zake van hetzelfde feitencomplex
uitkering te weigeren en onverschuldigd betaalde uitkering terug te
vorderen" (RSV 1991/33).
Op basis van het
vorenstaande concludeert de regering dat het onderhavige
wetsvoorstel niet leidt
tot schending van het ne-bis-in-idembeginsel.
Recht op het ongestoord
genot van eigendom
Gesteld zou kunnen worden
dat de beëindiging van de uitkering mogelijk strijdig zou kunnen zijn
met de internationale regels betreffende het recht op ongestoord genot van
eigendom indien het recht op uitkering als een vorm van eigendom wordt aangemerkt. Het EVRM erkent het recht op het
ongestoord genot van
eigendom alleen in artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM. Stelsels
waarbij door betaling van premies een aandeel in een fonds wordt opgebouwd
waarvan de grootte op ieder moment bepaalbaar is, worden
beschouwd als stelsels van bezitsvorming. Aanspraken op uitkeringen
zouden dan "eigendom" in de zin van artikel 1 kunnen vormen.
Thans zijn er binnen de
jurisprudentie enige ontwikkelingen gaande die vooralsnog geen eenduidig
antwoord geven op de vraag of het recht op uitkering als een vorm van eigendom aangemerkt dient te worden. De
Centrale Raad van Beroep
heeft in zijn jurisprudentie ten aanzien van een AAW-uitkering en
weduwenpensioen op grond van de AWW, bepaald dat deze uitkeringen geen
eigendomsrecht ("possession") in de zin van artikel 1 van Protocol
nr. 1 bij het EVRM, noch een "civil right" in de zin van artikel 6
rblz.|22|
EVRM zijn
(respectievelijk RSV 1992/138 en RSV 1992/156). In september 1996 heeft het
Europees Hof voor
de Rechten van de Mens echter in de zaak Gaygusuz tegen Oostenrijk (39/1995/545/631) uitgesproken dat de daar
aan de orde zijnde
Oostenrijkse uitkeringsregeling (een soort werkloosheidsbijstand)
valt onder het begrip "possession", in de zin van artikel 1 van Protocol
nr. 1 bij het EVRM. Het Hof komt tot deze conclusie onder
verwijzing naar de omstandigheid dat deze werkloosheidsbijstand
wordt toegekend aan personen wier uitkering in verband met de
werkloosheidsverzekering is geëxpireerd, die is gebaseerd op
premiebetaling.
De regering merkt naar
aanleiding van deze ontwikkelingen het volgende op.
Of uitkeringen krachtens
het Nederlandse socialeverzekeringsstelsel moeten worden begrepen
onder het begrip "possession" kan niet op voorhand en evenmin voor
alle regelingen uniform worden beantwoord, nu er met het onderhavige
wetsvoorstel een wijziging van verschillende wetten plaatsvindt. Zo
wordt de uitkering op grond van de TW geheel gefinancierd uit de
algemene middelen. Voorts is het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen
gebaseerd op het beginsel van solidariteit: ook mensen die nooit aan de
financiering van het stelsel hebben bijgedragen, door middel van premie-
of belastingafdracht, kunnen aanspraak op uitkeringen maken. Door
deze vergaande solidariteit, terwijl equivalentie tussen rechten en
plichten ontbreekt in een aantal socialeverzekeringsregelingen, is het onzeker of die
regelingen als "possession" in de zin van het EVRM kunnen worden
gekwalificeerd. Indien het Hof - en te zijner tijd mogelijk de Centrale Raad
van Beroep [CRvB, red.] - de uitkeringen krachtens één of meer van de bij het
onderhavige wetsvoorstel te wijzigen wetten onder de werkingssfeer zou scharen
van artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM, omdat het Hof
oordeelt dat deze uitkeringen aangemerkt dienen te worden als een
eigendomsrecht, dient vervolgens beoordeeld te worden of dit recht
ontoelaatbaar wordt aangetast door de onderhavige regeling.
Op grond van artikel 1
van Protocol nr. 1 bij het EVRM heeft "iedere natuurlijke of
rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal
zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en
onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen
van internationaal recht (...)". Blijkens de inhoud van deze bepaling geldt
dit recht op ongestoord genot van eigendom derhalve niet zonder
meer. Immers, de door de Staat bij wet geformuleerde uitzonderingen zijn
toegelaten indien dit gerechtvaardigd wordt door het algemeen belang.
Het Hof voor de rechten
van de mens heeft in zijn arrest van 20 november 1995 in de zaak Pressos
Compania Naviera S.A. en anderen versus België (38/1994/485/567) het volgende gesteld:
"The Court, finding it natural that
the margin of
appreciation available to the legislature in implementing social and economic
policies should be a wide one, will respect the legislature’s judgement
as to what is "in the public interest" unless that judgement be manifestly
without reasonable foundation". De Commissie voor de rechten van de
mens herhaalt deze overwegingen - welke reeds eerder werden gedaan in
het arrest van het Hof in de zaak James and others versus United Kingdom van 21 februari 1986
(A-series no 98, para.
46) - in de motivering
voor de niet-ontvankelijkverklaring d.d. 15 januari 1997 in de zaak no. 29
840/96 van P.C.M.S. versus Nederland.
In het bijzonder ten
aanzien van sociale en economische politiek hebben staten dus een ruime
"margin of appreciation" (beoordelingsvrijheid, beoordelingsruimte) om
invulling te geven aan het begrip "algemeen belang". Dat staten over
een ruime "margin of appreciation" moeten kunnen beschikken, in
verband met de beoordeling van de vraag wat in rblz.|23|
het algemeen belang is,
wordt ook aangenomen in het proefschrift van J.G.C. Schokkenbroek "Toetsing aan de vrijheidsrechten van het Europees
verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens" (Leiden, 1996, blz. 53 e.v.). In
dit kader verwijst ook Schokkenbroek naar eerdergenoemd arrest van het Hof in de
zaak James. Overwogen wordt dat, nu het bij inbreuken op het
genot van eigendom gaat om de uitvoering van sociaal economisch beleid
in ruime zin, het vanzelfsprekend is dat de wetgever daarbij over een
ruime (beleids)marge moet kunnen beschikken. Dat geldt zeker voor
wetgeving die beoogt sociale onrechtvaardigheid uit de weg te ruimen. Aan
het onderhavige wetsvoorstel, dat ertoe strekt om uitkeringen gedurende de
detentieperiode te beëindigen, ligt onder meer de overweging ten
grondslag dat het in onze samenleving onaanvaardbaar wordt geacht dat tijdens
detentie uitkeringen worden ontvangen, terwijl
loontrekkenden gedurende de detentie geen loon ontvangen. Gelet op deze
omstandigheden, waarbij in aanmerking genomen wordt dat de
Staat tijdens de detentie in de kosten van het levensonderhoud van de gedetineerde voorziet, wordt het niet
aanvaardbaar geacht dat
een uitkeringsgerechtigde, die uitgaven voor kost en inwoning
bespaart, zijn inkomen behoudt.
Gelet op de ruime
"margin of appreciation" kan een staat op grond van het algemeen belang
weliswaar inbreuk maken op het recht op ongestoord recht van
eigendom, doch hierbij dienen de beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteit in acht genomen te worden. Blijkens paragraaf 9 geldt er
overgangsrecht ten aanzien van degenen die ten tijde van de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel reeds zijn gedetineerd. De uitkeringsgerechtigde
wordt hierdoor in staat gesteld zich in te stellen op de beëindiging van de
uitkering. Ten aanzien van "nieuwe gevallen" vindt beëindiging van de
uitkering pas plaats na één maand detentie en niet met onmiddellijke ingang.
Zowel degenen die bij inwerkingtreding van deze wet reeds in detentie
verblijven als degenen die in de toekomst
gedetineerd zullen
worden, kunnen zich derhalve voorbereiden op de toekomstige beëindiging
van de uitkering.
Ten aanzien van het proportionaliteits- en subsidariteitsbeginsel is ten slotte nog van belang dat
de beëindiging van de uitkering een tijdelijk karakter heeft. Immers,
slechts gedurende de periode van detentie vindt beëindiging van de
uitkering plaats. Zodra de periode van detentie is geëindigd, herleeft in
beginsel het recht op uitkering.
Op grond van het
vorenstaande acht de regering de onderhavige regeling waarbij de uitkeringen
van gedetineerden worden beëindigd, gerechtvaardigd en concludeert zij dat
van schending van het EVRM geen sprake is.
14. Gevraagde en
ontvangen adviezen
Ter zake van het
concept-wetsvoorstel is technisch commentaar ontvangen van het
Lisv, de SVB
en
het Ctsv [College van toezicht sociale verzekeringen, zie Inspectie
Werk en Inkomen (IWI), red.]. De CRS heeft op een aantal algemene punten op het wetsvoorstel geadviseerd. De inhoud van deze commentaren
heeft de regering in haar beschouwingen betrokken. Slechts op enkele onderdelen wijkt
de inhoud van de commentaren af van de inhoud van het wetsvoorstel, maar
dit heeft niet tot een gewijzigd inzicht geleid. In het navolgende wordt dit
nader toegelicht.
Commentaar Lisv
Het
Lisv heeft opgemerkt
dat de omstandigheid dat de betrokkene tijdens detentie geen rechten aan
de onderhavige wetten kan ontlenen tot consequentie heeft dat er evenmin verplichtingen gebaseerd kunnen
worden op deze wetten. In
het bijzonder wijst het Lisv er nog op dat rblz.|24|
gedurende de detentie de
mate van arbeidsongeschiktheid niet kan worden vastgesteld.
Voorts wordt er door het Lisv op gewezen dat er geen aanspraak gemaakt kan
worden op de regeling van artikel 29b
van de ZW, omdat er tijdens detentie
geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat. Het Lisv concludeert dat deze gevolgen zich niet
voordoen indien
er een weigeringsgrond gehanteerd zou worden. Indien een uitkering geweigerd wordt, loopt het
recht weliswaar door (en kunnen er eveneens verplichtingen gelden),
maar komt het recht niet tot uitbetaling.
Het Lisv merkt terecht op
dat de omstandigheid dat er geen rechten bestaan ertoe leidt dat
er evenmin verplichtingen ontleend kunnen worden aan de in het wetsvoorstel betrokken wetten. Dit brengt het
hanteren van een
uitsluitingsgrond inderdaad met zich mee. Aangezien er tijdens detentie geen
aanspraak op uitkering bestaat en er door de betrokkene geen rechten
aan de wetten ontleend kunnen worden, acht de regering het echter niet
redelijk dat er op de betrokkene wel verplichtingen zouden rusten. Nu er
tijdens detentie geen recht op uitkering kan ontstaan, heeft de
betrokkene er immers geen belang bij indien hij zich bijvoorbeeld aan een
onderzoek zou dienen te onderwerpen waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid kan worden vastgesteld. Hoewel de
regering zich realiseert
dat het feit dat er geen verplichtingen rusten op de betrokkene, na het einde
van de detentieperiode bij heropening van de uitkering, in de
uitvoering tot een probleem kan leiden bij de vaststelling van het recht op
uitkering, heeft de regering in zijn afweging eerder genoemd belang van de betrokkene
zwaarder laten wegen. In de door het Lisv gesignaleerde
gevolgen van het hanteren van een "geen-rechtbepaling" ziet de regering dan
ook geen aanleiding tot een wijziging in vormgeving.
Ter zake van de reikwijdte
merkt het Lisv op dat zonder nadere regelgeving de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil)
en buitenlandse
uitkeringen buiten de werkingssfeer van het wetsvoorstel vallen.
De Wamil is een door de
overheid getroffen wettelijke voorziening met een eigen financieringsregime voor dienstplichtigen die op het moment
van dienstverlating arbeidsongeschikt zijn. De Wamil biedt voor de dienstplichtigen een
ziekengeld overeenkomstig de ZW en een arbeidsongeschiktheidsuitkering
overeenkomstig de WAO. In artikel 3 respectievelijk
artikel 5
van de Wamil worden de bepalingen van de ZW en WAO van
overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge de systematiek van de Wamil
is het onderhavige wetsvoorstel automatisch van overeenkomstige toepassing op de
Wamil-gerechtigden. Terzijde
wordt nog opgemerkt dat
er zich naar verwachting geen nieuwe gevallen op grond van de Wamil
zullen voordoen, vanwege de afschaffing van de opkomstplicht. Er is
sprake van een uitstervend bestand van uitkeringsgerechtigde gewezen dienstplichtigen
op grond van de Wamil.
Het
Lisv concludeert
terecht dat de uitkeringen van buitenlandse mogendheden buiten de
reikwijdte van het wetsvoorstel vallen. Het aantasten van de
wetgeving van buitenlandse mogendheden behoort immers niet tot de
bevoegdheden van de Nederlandse regering.
Commentaar SVB
Voor wat betreft de
SVB beperken de uitvoeringstechnische consequenties zich tot de Anw. De SVB
merkt in dit verband op dat het onderhavige
wetsvoorstel slechts tot een zeer beperkt aantal beëindigingen (minder dan 30) zal
leiden. Het bestuur van de SVB voorziet vooralsnog geen grote
procesrisico’s als het wetsvoorstel in zijn huidige vorm in werking treedt.
Wel wil de SVB erop wijzen dat het "criminal charge"-begrip in de
jurisprudentie van de CRvB op dit punt nog niet
rblz.|25|
uitgekristalliseerd is en
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich steeds meer begeeft
op het terrein van het socialeverzekeringsrecht. Voorts ziet de SVB
mogelijke procesrisico’s in relatie tot het gelijkheidsbeginsel in artikel 26 van het
IVBPR, vanwege inconsistentie tussen grondslag en reikwijdte
van het voorstel (de AOW-gerechtigden vallen
erbuiten) en in relatie
tot ILO-Verdrag nr. 102, vanwege de uitstralingseffecten naar het gezinsinkomen.
De regering meent, onder
verwijzing naar paragraaf 13 van deze memorie, dat het wetsvoorstel in
overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM
en ILO-Verdrag nr. 102. Van schending van het in artikel 26 BUPO [IVBPR,
red.] neergelegde gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de regering evenmin
sprake. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dienen gelijke gevallen gelijk
te worden behandeld. Gelet op de verschillen tussen de AOW- en de
Anw-verzekering gaat de regering er niet op voorhand vanuit dat er
sprake is van gelijke gevallen. Indien dit uitgangspunt alsnog voor
onjuist moet worden gehouden, biedt het bijzondere karakter van
de AOW - zoals beschreven in paragraaf 5 - een voldoende objectieve
rechtvaardiging voor een dergelijk onderscheid en kan ook om die reden niet
van een schending van het gelijkheidsbeginsel worden gesproken.
De regering deelt de zorg
van de SVB ten aanzien van de gedetineerden in het buitenland. In die
gevallen biedt het controlesysteem via het gebruik van het sofinummer
immers geen soelaas. De uitvoering van de regeling zal in deze situatie in
belangrijke mate worden bepaald door de nakoming van de
mededelingsverplichting. Hierbij dient te worden bedacht dat de betrokkene niet alleen de
detentie aan het uitvoeringsorgaan moet melden, maar ook het
verblijf in het buitenland. Verblijf in het buitenland kan immers van invloed
zijn op het recht op uitkering. De regering realiseert zich dat waar
de controle in een vroegtijdig stadium met behulp van het sofinummer
ontbreekt, een uitkering ten onrechte enige tijd kan worden voortgezet en
later moet worden teruggevorderd. De keuze voor het opzetten van een
systeem van controle in het buitenland via ambassades is vooralsnog niet
gemaakt. In de afweging tussen het doel van een dergelijke regeling - de controle van de naleving van de mededelingsverplichting
- en het daartoe te
gebruiken middel - inschakeling van alle Nederlandse ambassades en
consulaten - heeft de regering geconcludeerd dat een dergelijk middel
te zwaar is. Wel wordt bezien of het ministerie van Buitenlandse Zaken
hier een nadere rol in kan spelen.
Commentaar Ctsv
Het
Ctsv heeft de
zogenaamde toezichtbaarheidstoets (T-toets) uitgevoerd. Naar het oordeel van de
regering wordt met de inhoud van paragraaf 10 voldaan aan de wens van
het Ctsv om de verhouding tussen de informatietaak van het ministerie van Justitie en de mededelingsverplichting van de betrokkene te
verduidelijken.
Commentaar CRS
De CRS heeft advies
gegeven aan de Minister van Justitie. Op verschillende plaatsen in deze
toelichting wordt nader ingegaan op dit advies en de vragen die de CRS
heeft gesteld.
15. Raming van de
financiële effecten
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt ten aanzien van de ZW, de WAO, de
WAZ, de Wajong en de
Anw voorgesteld om het recht op uitkering te ontzeggen aan personen
die rechtens hun vrijheid is ontnomen, behoudens in de situatie
waarin sprake is van een gedwongen opname op rblz.|26|
grond van de Bopz
of met
toepassing van artikel 37, eerste lid, Sr. Deze paragraaf beschrijft de
financiële effecten van het wetsvoorstel. De financiële effecten van
het stopzetten van de relevante socialeverzekeringsuitkeringen worden bijna volledig
gerealiseerd door uitsluiting van de
volgende personen:
a. personen in
onherroepelijke hechtenis en personen die gedurende langer dan één maand in
voorlopige hechtenis verblijven;
b. personen in TBS-inrichtingen.
De financiële effecten
van de overige groepen uit het wetsvoorstel (zoals personen die gegijzeld
zijn op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) zijn vanwege het zeer geringe beslag op nul gesteld.
De effecten op de
uitgaven voor sociale uitkeringen voor de twee onderscheiden groepen
zijn hieronder afzonderlijk geraamd. Naast deze twee effecten op socialeverzekeringsuitkeringen is er ook sprake van
meerkosten voor het ministerie van Justitie. Deze meerkosten betreffen met name de vervangende
uitkeringen die het ministerie van Justitie moet verstrekken aan
gedetineerden die niet kunnen werken gedurende het verblijf in de
inrichting en aan TBS-gestelden die zak- en kleedgeld moeten ontvangen alsmede
de ziektekosten die ten laste komen van het ministerie van Justitie,
omdat de ziekenfondsverzekering is geëindigd. Deze kosten belopen ongeveer
ƒ3,5 mln structureel.
a. Onherroepelijk
gestraften en personen in voorlopige hechtenis
- Gemiddeld op
jaarbasis bedroeg het aantal mensjaren onherroepelijk gehechten in 1996 ca.
6500 (bron: Justitie).
- Gemiddeld op
jaarbasis bedroeg het aantal mensjaren voorlopig gehechten in 1996 ca.
4400 (bron: Justitie). Uitsluiting wordt beperkt tot personen die langer
dan één maand in voorlopige hechtenis zitten. Dit betreft 50% van de
voorlopig gehechten; het gaat hierbij dus om 2200 mensjaren.
- Het totaal aantal
gedetineerden (onherroepelijk en voorlopig gestraften) dat voor stopzetting in aanmerking komt, bedraagt in
mensjaren uitgedrukt dus
8700 mensjaren (namelijk 6500 + 2200).
- Voor de verdeling
naar inkomensbron van de populatie gedetineerden is aangesloten bij de
gegevens over de beroepsbevolking:
* 8,3% heeft een WAO/AAW-uitkering; dit zijn 720 mensjaren.
* 1,9% heeft een Anw-uitkering; dit zijn 165 mensjaren.
* Voor een klein aantal
gedetineerden loopt de vangnet ZW-uitkering door. Hiervoor is een
besparing van ƒ0,5 mln opgenomen.
- Bij een gemiddelde WAO/AAW-uitkering van ƒ35 000,- en een gemiddelde Anw-uitkering van ƒ23
000,- (exclusief werkgeverslasten) levert dit dus in totaal een besparing op van
ƒ29,6 mln.
- Extra kosten voor de Abw ontstaan indien de partner van de gedetineerde voldoet aan de
Abw-criteria. Verondersteld is dat 25% van de gedetineerden een partner
heeft die vervolgens een beroep kan doen op de Abw.¹ Het gaat dan
om 220 partners.
– De partner ontvangt
een Abw-uitkering voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Deze
bedraagt (bruto, rijksaandeel) gemiddeld ƒ19 000,-. De
meerkosten Abw voor de rijksbegroting bedragen dan ƒ4,2 mln.
1. Dit percentage is
aannemelijk, gezien bijvoorbeeld het feit dat ook 25% van
de bijstandspopulatie uit
echtparen bestaat.
b. Personen in
TBS-inrichtingen
- Het aantal personen
verblijvend in TBS-inrichtingen bedroeg in 1996 in mensjaren uitgedrukt 700
(bron: Justitie).
- De verdeling naar
inkomensbron van de populatie TBS-gestelden is onbekend. Verondersteld
is dat 50% een WAO/AAW/Anw-uitkering
rblz.|27|
heeft.¹ Bij 700 mensjaren
komt dit dus neer op 350 mensjaren WAO/AAW/Anw.
- De besparing op socialeverzekeringsuitkeringen bedraagt dan ƒ12,3 mln
(bij WAO/AAW/Anw-uitkering van
gemiddeld ƒ35 000,-) en de meerkosten voor de Abw
bedragen ƒ1,7 mln.
1. Dit percentage is
verondersteld. Het moet gezien de aard van de
maatregel logischerwijze aanzienlijk hoger liggen
dan het gemiddelde percentage van 20% dat is gehanteerd voor de overige
gedetineerden.
Tabel 1 vat de geraamde
besparingen op socialeverzekeringsuitkeringen en de geraamde meerkosten voor de Abw
samen.
Tabel 1. Geraamde
structurele jaarlijkse besparingen vanaf 1998 bij socialeverzekeringsuitkeringen en
structurele meerkosten
vanaf 1998 bij Abw bij stopzetting
socialeverzekeringsuitkeringen gedetineerden (x miljoen gulden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xxBesparingxx
sv-uitkeringen |
Meerkosten
Abw |
Saldo
besparing |
| Personen
in onherroepelijke hechtenis of langer dan één maand in
voorlopige hechtenis: |
29,6 |
4,2 |
25,4 |
| Personen
in TBS-inrichtingen: |
12,3 |
1,7 |
10,6 |
| Totaal: |
41,9 |
5,9 |
36,0 |
Stopzetting van socialeverzekeringsuitkeringen levert op basis van bovenstaande raming dus jaarlijks een
besparing op van ƒ41,9 mln. Hier staat een weglekeffect tegenover naar de
Abw van
ca. ƒ5,9 mln.
Per saldo resulteert
vanaf 1998 een jaarlijkse besparing van ƒ36,0 mln (namelijk ƒ41,9 mln minus ƒ5,9
mln). Tabel 2 laat deze besparing zien.
Tabel 2. Meerjarige
besparing bij stopzetting socialeverzekeringsuitkeringen aan gedetineerden
(x miljoen gulden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
| Saldo
besparing bij stopzetting sv-uitkeringen: |
36,0 |
36,0 |
36,0 |
36,0 |
36,0 |
II. Het
openstellen van socialezekerheidsregelingen voor personen die rechtens
hun vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin de tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
penitentiaire inrichting plaatsvindt
1. Het buiten toepassing
laten van de uitsluitingsgrond
In het onderhavige
wetsvoorstel worden voor de verschillende wetten bepalingen voorgesteld op
grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond
"rechtens zijn
vrijheid ontnomen"
buiten toepassing blijft voor nader te bepalen categorieën van
personen. De reden voor invoering van deze uitzondering op de algemene regel is
gelegen in het feit dat het ministerie van Justitie verschillende
strafmodaliteiten ter beschikking heeft waarbij de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt, gedetineerden terugkeren in de maatschappij en in het
kader van hun resocialisatie deelnemen aan werkzaamheden of
activiteiten. De doelstelling van dit onderdeel van het onderhavige wetsvoorstel
is om de reïntegratie van die justitiabelen in de samenleving te
vergemakkelijken. Bij het opstellen van deze maatregel zal tevens aandacht worden
besteed aan de uitsluitingsgrond in relatie tot weekendverlof,
proefverlof, dagdetentie en alternatieve straffen.
rblz.|28|
Als
gedetineerden
terugkeren in de maatschappij is van het belang dat zij zo snel mogelijk aan de
slag komen. Dit bevordert een soepele en succesvolle maatschappelijke integratie en kan recidive voorkomen. Met
de introductie van halfopen en open inrichtingen is in het verleden de
stap gezet om
gedetineerden van verdergaande bewegingsvrijheden te voorzien gedurende hun
detentieperiode. In het kader van de wettelijke opdracht van het
gevangeniswezen om de veroordeelde weer op een verantwoorde wijze te
doen terugkeren in de samenleving kan deze, naarmate het einde van de
detentie nadert, meer vrijheden krijgen. Met inwerkingtreding van het wetsvoorstel
Penitentiaire
beginselenwet (Kamerstukken 24 263) zal
een nieuwe executiemodaliteit worden geïntroduceerd. Deze
executiemodaliteit is gericht op resocialisatie en zal worden toegepast in de
laatste periode van detentie, vlak vóór de invrijheidstelling. In
deze laatste periode vóór invrijheidstelling komt het voor dat justitiabelen
buiten de inrichting verblijven. Ook de tenuitvoerlegging van de maatregel
van TBS
met verpleging van overheidswege kent (idealiter) een
laatste fase waarin de TBS-gestelde, in het kader van een zogeheten
proefverlof, niet langer in de TBS-inrichting verblijft. Om mogelijk te maken dat
justitiabelen, die niet over voldoende middelen beschikken, in voornoemde
situaties toch in de kosten van het levensonderhoud kunnen voorzien, wordt de
Abw opengesteld voor die gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
buiten een
daartoe aangewezen inrichting plaatsvindt. Deze openstelling ondersteunt
het resocialisatiebeleid ten aanzien van justitiabelen. Het
spreekt voor zich dat de justitiabele alleen in aanmerking komt voor bijstand als
geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.
Verder wordt
- om
dezelfde reden als die welke ten grondslag ligt aan het openstellen van de
Abw -
in het onderhavige
wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen om
de uitsluitingsgrond "rechtens zijn vrijheid ontnomen" in de Ioaw, de
Ioaz en de WW
buiten toepassing te verklaren. Een identieke
regeling wordt voorgesteld voor de in de WAO, de
WAZ, de Wajong, de
Anw en de TW
voorgestelde uitsluitingsgrond.
Wat betreft het buiten
toepassing verklaren van de uitsluitingsgrond "rechtens zijn vrijheid
ontnomen" in de WW is van belang op te
merken dat de voorgestelde bepaling de overige in de WW geldende uitkeringsvoorwaarden
onverlet laat. In een aantal gevallen kunnen deze wettelijke voorwaarden tot gevolg
hebben dat de WW-uitkering bij het ondergaan van een vrijheidsstraf
buiten de gevangenis niet herleeft, hetgeen als volgt wordt toegelicht.
Hoewel bij deelname aan
een penitentiair programma de uitsluitingsgrond vervalt, zal het recht op
WW-uitkering niet kunnen herleven als de detentie langer heeft
geduurd dan de op grond van de WW geldende herlevingstermijn voor
het recht op uitkering. Deze termijn is, wat betreft de herleving van het
recht op uitkering dat eerder wegens detentie is beëindigd, gesteld op
zes maanden. Een penitentiair programma is alleen toegankelijk voor
gedetineerden die een vrijheidsstraf van één jaar of meer opgelegd hebben
gekregen. Voorts dient de gedetineerde in ieder geval de helft van de hem
opgelegde straf in een inrichting te ondergaan. De voorwaarden voor
deelname aan een penitentiair programma zullen er dan ook toe leiden dat de
herlevingstermijn wordt overschreden, waardoor de WW-uitkering
niet kan herleven.
Ten aanzien van de
diverse strafmodaliteiten speelt voorts het beschikbaarheidsvereiste
een belangrijke rol. Zoals reeds beschreven werd in onderdeel I,
paragraaf 9, houdt het in de WW geldende beschikbaarheidsvereiste
in dat de werknemer in staat dient te zijn om werk te aanvaarden. In
verband hiermee zal per strafmodaliteit in ieder individueel geval
beoordeeld dienen te worden door de uitvoeringsinstelling
rblz.|29|
of de betrokkene
voldoet aan het beschikbaarheidsvereiste. Als hieraan niet wordt
voldaan, kan betrokkene niet als werkloos worden aangemerkt en bestaat uit
dien hoofde geen recht op WW-uitkering.
2. Gevolgen voor de
uitvoering
Voor de gemeenten
betekent de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan gedetineerden in
resocialisatieprogramma’s dat zij betrokkene eerder in hun registratie kunnen
opnemen en ook eerder met uitstroomactivering kunnen starten. Hiermee
vallen deze gedetineerden automatisch ook onder de werking van de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Voor jongeren betekent dit
dat zij onder de sluitende benadering van de Wiw vallen en dat de gemeente
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gehouden zijn een traject
op te stellen. Een dergelijk traject zal in samenwerking met de
reclassering en de inrichting van herkomst moeten worden opgesteld. Hiertoe
zullen goede afspraken moeten worden gemaakt, bij voorkeur
ingebed in een structurele vorm van overleg en samenwerking.
Voor de andere
bijstandsgerechtigden, waarvoor de gemeente als uitvoerder van de Abw
gelet op de inhoud van het penitentiair programma moet bepalen in
hoeverre de sollicitatieplicht en de inschrijving bij het
arbeidsbureau [zie Centrum voor werk en inkomen
(CWI), red.] moet worden opgelegd, betekent dit dat de
activeringsmiddelen van de gemeente in het kader van de Wiw kunnen worden ingezet.
Voor zover deze personen als langdurig werkloos kunnen worden aangemerkt
en door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is verklaard dat zij zijn aangewezen op arbeid als bedoeld in de
Wiw, kan de
gemeente ook een Wiw-dienstbetrekking of een werkervaringsplaats aanbieden. Voor de
overige werklozen kan, naast de activeringsmiddelen van de gemeente, het
instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden ingezet.
Indien een
beroep wordt gedaan op de bijstand, zal de gemeente
de positie van de gedetineerde moeten kunnen controleren (bewijs van
deelname aan een penitentiair programma). Hiertoe dienen met
Justitie afspraken te worden gemaakt over de wijze van gegevensverstrekking
door het gevangeniswezen aan gemeentelijke sociale diensten.
Het uitgangspunt is dat
deelname aan een penitentiair programma een wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf is (zie artikel 2, eerste
lid, Penitentiaire
beginselenwet). Daardoor valt de deelnemer aan zo’n programma onder het
toezicht van Justitie. De inhoud van het te volgen penitentiaire programma
wordt door de penitentiaire autoriteiten vastgesteld. Om met
succes een beroep op de Abw te kunnen doen, zal de inhoud van het
penitentiaire programma van de justitiabele met de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten worden afgestemd. Het hangt van
de concrete inhoud van het programma/traject af of de
uitkeringsinstantie de deelnemer zal vrijstellen van de verplichting zich in te laten
schrijven als werkzoekende.
Los van het al dan niet
opleggen van de inschrijvingsplicht door de uitkeringsinstantie kan
een deelnemer aan een penitentiair programma zich eigener beweging ook
als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
laten inschrijven. In
artikel 4 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is onder andere bepaald dat
het tot de taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoort iedere
werkzoekende als zodanig te registreren en hem een aantal vacatures
voor te dragen.
Op het terrein van de
socialeverzekeringsrechten zullen dergelijke afstemmingsactiviteiten
wellicht eveneens kunnen plaatsvinden. Afstemming tussen alle
betrokken partijen is van belang, omdat de deelnemer aan een
penitentiair programma nog onder het gezag van de penitentiaire
autoriteiten valt. Afstemming bevordert zodoende duidelijkheid rblz.|30|
tussen de
verschillende uitvoerende instanties van de sociale zekerheid enerzijds en
justitiële instanties anderzijds.
3. Raming van de
financiële effecten
De
resocialisatieprogramma’s hebben géén financiële effecten voor de
socialeverzekeringsuitkeringen,
omdat het daarbij gaat om het handhaven van het recht op
uitkering. Hier is dus geen sprake van een nieuwe kostenpost. De meerkosten
Abw van de resocialisatieprogramma’s hebben betrekking op: TBS-gestelden op proefverlof (a) en deelnemers
aan penitentiaire
programma’s (b).
De meerkosten
Abw zijn
opgebouwd uit een volumecomponent en een prijscomponent. Deze
komen achtereenvolgens aan de orde. Afgesloten wordt met de totale
kostenraming.
a. Volume
- De volumegegevens
inzake het relevante aantal TBS-gestelden en deelnemers aan penitentiaire programma’s is opgenomen in tabel 1
(bron: Justitie).
- Uit gegevens Justitie
blijkt dat ongeveer van 50% van de deelnemers bijstandsgerechtigd is.
Dit is eveneens verwerkt in tabel 1.
Tabel 1. Jaarvolume
TBS-gestelden in proefverlof en jaarvolume penitentiaire programma’s en beroep
op bijstand:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
| Volume
TBS-gestelden op proefverlof: |
x90 |
x90 |
100 |
100 |
| Volume
penitentiair programma: |
300 |
350 |
550 |
550 |
| Totaal
volume: |
390 |
440 |
650 |
650 |
| Waarvan Abw: |
195 |
220 |
325 |
325 |
b. Prijs
- Uit gegevens Justitie
blijkt dat van de bijstandsgerechtigden 50% alleenstaand is. De resterende helft is verondersteld gelijk te zijn
verdeeld over echtparen
met kinderen (25%) en echtparen zonder kinderen (25%).
Voor echtparen met
kinderen geldt in de huidige situatie dat de achterblijvende partner
met kind een uitkering krijgt als eenoudergezin. De meerkosten van het voorstel betreffen dus het verschil
tussen de eenouderuitkering en de uitkering van echtparen.
Voor echtparen zonder
kinderen geldt in de huidige situatie dat achterblijvende partner
een uitkering krijgt als alleenstaande. De meerkosten betreffen dan
het verschil tussen de alleenstaande-uitkering en de uitkering van
echtparen.
Met behulp van deze
veronderstellingen is berekend dat de meerkosten voor de bijstand (rijksaandeel) per deelnemer gemiddeld
ruim ƒ13 000,- bedragen.
c. Meerkosten Abw
De totale meerkosten voor
de bijstand resulteren door het bijstandsvolume uit tabel 1 te
vermenigvuldigen met de berekende gemiddelde meerkosten per deelnemer.
rblz.|31|
Tabel 2. Totale
meerkosten bijstand bij verstrekking aan TBS-gestelden in proefverlof en deelnemers
penitentiaire programma’s (x miljoen gulden):
| |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
| Meerkosten Abw: |
2,6 |
2,9 |
4,3 |
4,3 |
De meerkosten Abw
ontwikkelen zich van ƒ2,1 mln in 1997 tot ƒ4,3 mln in 2000.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Ziektewet
Voor een goed begrip van
het toepassingsbereik van de voorgestelde uitsluitingsbepalingen
voor het recht op ziekengeld op grond van de ZW
wordt het volgende
opgemerkt.
Voor de ZW geldt dat deze
sinds 1 maart 1996 materieel sterk aan betekenis heeft ingeboet.
Met de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht
bij ziekte per genoemde datum komt uitsluitend aan een beperkt aantal in
de wet genoemde categorieën werknemers ziekengeld op grond van
de ZW toe (zie artikel 29, tweede lid, ZW). Voor het
Lisv telt vooreerst
de vraag of betrokkene een lopende arbeidsovereenkomst heeft; is dit het geval,
dan heeft betrokkene, behoudens in de hierna te bespreken
uitzonderingen van artikel 29a en 29b
ZW
alsmede in de situatie van
orgaandonatie, om die reden al geen recht op ziekengeld. Dit betekent dat de
uitsluitingsbepaling van artikel 19b
ZW in feite alleen werking kan hebben voor
werknemers die bij ziekte daadwerkelijk aanspraak (kunnen) hebben
op ziekengeld, te weten werknemers die geen arbeidsovereenkomst
(meer) hebben.
Ervan uitgaande dat geen
arbeidsovereenkomst (meer) bestaat, is vervolgens van belang de
volgtijdelijkheid van de ziekte en vrijheidsontneming.
Hierbij bestaan twee
mogelijkheden. De eerste is dat betrokkene ziek is en recht heeft op
ziekengeld en daarna rechtens zijn vrijheid wordt ontnomen. In dat geval
wordt op de voet van het nieuwe artikel 19b
ZW
na één maand
vrijheidsontneming het ziekengeld stopgezet. Indien betrokkene binnen de
uitkeringsperiode van 52 weken in vrijheid wordt gesteld en nog steeds
ziek is, kan voor het restant van die periode weer ziekengeld worden
verleend, mits aan alle overige voorwaarden voor recht op ziekengeld wordt
voldaan. Het gaat hierbij expliciet om het restant van de periode
van 52 weken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken (zie artikel 29, vijfde lid, ZW). Als door de duur van de
vrijheidsontneming een periode van meer dan 52 weken is verstreken vanaf de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken kan er na afloop van de
vrijheidsontneming derhalve geen sprake meer zijn van verlening van ziekengeld.
De tweede mogelijkheid is
dat betrokkene reeds enige tijd zijn vrijheid is ontnomen en daarna,
tijdens de vrijheidsontneming, ziek wordt. Betrokkene is op dat
moment dus niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Indien betrokkene ziek
wordt binnen één maand na het einde van zijn
arbeidsovereenkomst kan hij echter nog een beroep doen op de nawerking van de
verzekering (artikel 46 ZW). Dit betekent niet dat betrokkene aanspraak op
betaling van het ziekengeld kan maken aangezien tijdens een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is
ontnomen geen recht op ziekengeld
kan ontstaan. Niettemin kan een eerste dag van ongeschiktheid tot werken
worden aangewezen, hetgeen betekent dat vanaf die dag de
uitkeringsperiode begint te lopen. Na ommekomst van de rblz.|32|
vrijheidsontneming
bestaat recht op ziekengeld voor het restant van die periode.
Indien betrokkene ziek
wordt op het moment dat zijn arbeidsovereenkomst langer dan één maand
geleden is geëindigd, kan hij geen rechten meer ontlenen aan de ZW.
Op het moment dat het risico intreedt is hij immers niet meer
verzekerd voor de ZW. Dit geldt overigens ook indien betrokkene niet
gedetineerd zou zijn.
Een bijzondere situatie
in verband met vrijheidsontneming doet zich nog voor wanneer tijdens het
bestaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (en dus
van doorbetaling van loon bij ziekte) toch aanspraak op ziekengeld
kan bestaan. Dit is het geval bij vrouwelijke verzekerden bij
ongeschiktheid tot werken in verband met zwangerschap en bevalling (artikel
29a ZW), alsmede bij de betaling van ziekengeld aan (gewezen)
arbeidsongeschikten als bedoeld in artikel 29b
ZW
en bij orgaandonatie. Beide
genoemde artikelen kunnen worden gezien als faciliteit voor de werkgever, gericht op versterking van de arbeidsmarktpositie
voor genoemde groepen
werknemers. In de praktijk worden deze ZW-uitkeringen veelal aan
de werkgever uitbetaald, die deze dan in mindering brengt op het
door hem door te betalen loon.
Stel, een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemer is een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
aangegaan. Betrokkene wordt ziek en heeft zowel recht op doorbetaling van loon (artikel 7:629 BW) als op ziekengeld
op de voet van artikel 29b ZW. Vervolgens raakt betrokkene gedetineerd. De
loondoorbetalingsplicht vervalt dan met onmiddellijke ingang. De ZW-uitkering wordt
evenwel nog één maand voortgezet. Na ommekomst van de vrijheidsontneming
kan, bij het voortbestaan van ziekte, voor het restant van de
uitkeringsperiode de betaling van loon en van ziekengeld worden gecontinueerd.
Bij het bestaan van een
arbeidsovereenkomst is ook de omgekeerde situatie denkbaar, namelijk dat de vrijheidsontneming voorafgaat aan het
ontstaan van ziekte (en
nog steeds uitgaande van een "29b-werknemer"). In dat geval geldt het
volgende. Hoewel de arbeidsovereenkomst in dit voorbeeld tijdens de
vrijheidsontneming doorloopt, eindigt de dienstbetrekking en dus de verzekering
voor de ZW en de WAO op grond van artikel 6, tweede lid,
van beide wetten. Indien betrokkene vervolgens ziek wordt, heeft hij geen
recht op loon van zijn werkgever; dit was overigens al het geval om reden van de
vrijheidsontneming. Betrokkene heeft als niet-verzekerde evenmin aanspraak op ziekengeld. Na ommekomst van de
vrijheidsontneming
herleeft onder het bestaan van de arbeidsovereenkomst de
dienstbetrekking/verzekering weer in volle omvang. Indien betrokkene dan nog ziek
is, zal eerst dan een eerste dag van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte ontstaan.
Onderdeel A (artikel 1 ZW)
In dit onderdeel wordt
een tweetal begripsomschrijvingen toegevoegd aan artikel
1, eerste
lid, van de ZW: het begrip "rechtens van zijn vrijheid is
ontnomen" en het
begrip "justitiële inrichting". Met betrekking tot het eerste begrip kan
verwezen worden naar hetgeen hierover vermeld staat in het algemene deel van
deze toelichting.
Met het geïntroduceerde
begrip justitiële inrichting wordt een andere invulling gegeven aan het
begrip inrichting dan de gereserveerde begrippen "penitentiaire
inrichting" of "een daartoe bestemde inrichting".
In veel gevallen zal het
begrip justitiële inrichting overeenstemmen met het begrip "penitentiaire
inrichting". Hiermee is aangesloten bij het wetsvoorstel Vaststelling
van een Penitentiaire
beginselenwet en daarmee verband houdende
intrekking van de Beginselenwet gevangeniswezen met uitzondering van de
artikelen 2 tot en met 5 en wijzigingen van het Wetboek
van Strafrecht en
het Wetboek van
Strafvordering alsmede enige rblz.|33|
andere wetten (Penitentiaire
beginselenwet;
Kamerstukken 24 263). Het
begrip justitiële
inrichting wordt echter hier in een ruimer verband gebezigd. Ook een
inrichting voor verpleging van TBS-gestelden of een inrichting voor
justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als bedoeld
in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening valt hieronder. Naast
deze toevoeging in artikel 1 van de ZW worden ook de artikelen
1 van de
WAO, de WAZ, de Wajong
en de Anw met deze begripsomschrijvingen uitgebreid.
Onderdeel B (artikel 19b
ZW)
Eerste lid
In het eerste lid is een
uitsluitingsgrond opgenomen voor het recht op ziekengeld indien de
verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Aangezien in de fase van voorlopige hechtenis er sprake kan zijn van
heenzendingen en omdat
het op grond van praktische redenen onwenselijk is de uitsluitingsgrond
te effectueren op de eerste dag van de vrijheidsontneming, zal
pas na één maand sprake zijn van het daadwerkelijke beëindigen van dit recht
op ziekengeld.
Ten aanzien van
verzekerden die tijdens de vrijheidsontneming ziek worden, is bepaald dat
indien zij nog onder de nawerking vallen weliswaar een eerste ziektedag valt
aan te wijzen, maar dat er geen recht op ziekengeld ontstaat.
Van "rechtens zijn
vrijheid ontnomen zijn" is sprake indien de vrijheidsontneming op rechtmatige wijze, dat
wil zeggen met inachtneming van de daarop betrekking hebbende bepalingen van het
Sr en het Wetboek
van Strafvordering heeft plaatsgevonden.
Tweede lid
Bij de
invrijheidsstelling wordt betrokkene weer als verzekerde aangemerkt indien hij
op dat moment
aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 19 van de ZW,
voldoet. Is dat het geval, dan heeft hij aanspraak op toekenning of heropening
van het recht op ziekengeld. Vervolgens wordt het recht beoordeeld aan
de hand van de bepalingen van de ZW. Uiteraard is het niet de
bedoeling dat het Lisv in de hier bedoelde situatie de bevoegdheid heeft om
het ziekengeld, geheel of gedeeltelijk, te weigeren in verband met
het op genoemd moment bestaan van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte. Om deze reden wordt bepaald dat artikel
44, eerste
lid, onderdeel a, van de ZW niet van toepassing is. Betrokkene kan nog
aanspraak hebben op heropening dan wel toekenning van het recht op
ziekengeld voor het restant van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel
29,
vijfde lid, ZW. Daarnaast bestaat voor de vrouwelijke verzekerde mogelijk nog
aanspraak op heropening dan wel toekenning bij invrijheidsstelling voor het restant van de periode van ten minste zestien
weken, bedoeld in artikel 29a, eerste lid, ZW,
dan wel voor het restant van de periode van ten
hoogste 52 aaneengesloten weken, bedoeld in artikel 29a, zevende lid,
ZW. De
hiervoor genoemde perioden kunnen voor de vrouwelijke verzekerde
cumuleren, zodat de resterende periode waarin aanspraak op heropening
dan wel toekenning van het recht op ziekengeld kan bestaan een maximum
kan bereiken van 52 weken ziekengeld, vermeerderd met zestien weken ziekengeld in verband met bevalling en
vervolgens met 52 weken
ziekengeld op grond van arbeidsongeschiktheid als gevolg van
zwangerschap of bevalling. Over perioden waarin betrokkene de
ZW-uitkering heeft gemist, wordt nadien niet nog eens ziekengeld uitgekeerd.
Artikel 29, vijfde lid, ZW verhindert dat. In alle gevallen geldt dat de
verzekerde dient te voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 19 ZW.
rblz.|34|
Derde lid
In het derde lid wordt
een voorziening getroffen opdat vrijheidsontnemingen die worden onderbroken
met minder dan vier weken worden samengeteld. Hiermee
wordt voorkomen dat bij elke nieuwe periode van vrijheidsontneming de
uitkering pas na één maand kan worden beëindigd. Tevens wordt hiermee
geregeld dat er niet te veel eindigingen en heropeningen
plaatsvinden.
Vierde lid
In dit lid wordt bepaald
dat het eerste lid niet van toepassing is op (met andere woorden wel recht
op ziekengeld bestaat voor) categorieën personen wier vrijheid rechtens is ontnomen, doch bij wie tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt. Het gaat daarbij om gedetineerden die in de laatste fase van
hun detentie in aanmerking komen voor deelname aan een penitentiair
programma of voor nader te benoemen vormen van verlof. Bij algemene
maatregel van bestuur (AMvB) worden deze categorieën personen aangewezen,
waarbij zal worden aangegeven in welke mate de tenuitvoerlegging
van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting, in afwijking van het eerste lid,
leidt tot een recht op ziekengeld [zie Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid, red.]. Daarbij is in elk geval de vraag van belang in hoeverre ten
aanzien van deze personen sprake is van het (niet) hebben van hoofdverblijf
binnen de justitiële inrichting. In de AMvB zullen daaromtrent regels worden
gesteld. Door de overeenkomstige toepassing van het tweede lid wordt
bereikt dat deze categorieën personen, op gelijke voet als personen die in
vrijheid zijn gesteld, als verzekerde recht op toekenning of heropening van het ziekengeld
hebben.
Voordat de gedetineerde
die deelneemt aan een penitentiair programma c.a. een beroep kan doen
op een bijstandsuitkering dient eerst te worden bezien of hij in aanmerking kan worden gebracht voor een uitkering op
grond van één of meer socialeverzekeringswetten. Voor de ZW
zal dat overigens in een groot
aantal situaties niet het geval zijn. Het ziekengeld wordt namelijk niet
langer dan over een periode van 52 weken uitbetaald en een penitentiair
programma is alleen toegankelijk voor gedetineerden die een vrijheidsstraf
van één jaar of meer opgelegd hebben gekregen, ofschoon dat programma
wel al binnen het eerste jaar van vrijheidsontneming kan starten. Om deze
redenen zullen gedetineerden veelal niet in aanmerking kunnen komen voor ziekengeld over de resterende periode
van het tijdvak van 52
weken. Uiteraard zal in de situatie van een penitentiair programma
c.a. de aanspraak op heropening dan wel toekenning van een
uitkering eerder een rol gaan spelen bij langdurige uitkeringen zoals de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WAO
en de
nabestaandenuitkering op grond van de Anw.
Onderdeel C (artikel 42 ZW)
In
onderdeel C vervalt
het huidige artikel 42 van de ZW. Dit artikel bevat een zogenoemde
weigeringsgrond ten aanzien van de uitbetaling van ziekengeld bij vrijheidsontneming. Het artikel voorziet in de mogelijkheid
van uitbetaling van het ziekengeld door het Lisv
aan de personen wier kostwinner de
gedetineerde is. Aangezien in onderhavige wet geen recht bestaat op ziekengeld
tijdens vrijheidsontneming zal de uitbetaling aan derden dan wel nabetaling
aan de dan ex-gedetineerde derhalve ook niet plaats kunnen te vinden.
Dit artikel kan als gevolg hiervan vervallen.
rblz.|35|
Artikel
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A (artikel 1 WAO)
Voor een toelichting op
dit onderdeel kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel
I, onderdeel A.
Onderdeel B (artikel 19,
zesde lid, WAO)
Met de wijziging van
artikel 19, zesde lid, wordt voorkomen dat een persoon die enige tijd
geen recht op ZW-uitkering heeft gehad als gevolg van vrijheidsontneming,
niet meer aan de vereisten voor toekenning van WAO-uitkering zou kunnen
voldoen.
Onderdeel C (artikel 19a
WAO)
In het nieuwe
artikel
19a van de WAO wordt bepaald dat geen recht op toekenning van
WAO-uitkering bestaat tijdens vrijheidsontneming. In het
voorbeeld dat iemand halverwege zijn ZW-periode gedetineerd is geraakt en na één maand zijn
recht op ZW-uitkering heeft verloren, kan vervolgens geen sprake
zijn van recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Indien de gedetineerde de penitentiaire inrichting verlaat omdat "zijn straf erop
zit", wordt hij weer als verzekerde aangemerkt en bestaat
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ingeval er op dat
moment
sprake is van arbeidsongeschiktheid. Het is uiteraard niet de
bedoeling dat het Lisv in die situatie de bevoegdheid heeft om
de
op de dag van invrijheidsstelling bestaande algehele
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten. Om deze reden wordt bepaald dat
artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de WAO
in die situatie niet van
toepassing is. Voorts dient op die dag bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij het bepalen van de mate van
arbeidsongeschiktheid
niet buiten beschouwing te blijven. De toepassing van artikel
18, tweede
tot en met vierde lid, van de WAO wordt daarom uitgesloten.
Is er op de dag van
invrijheidsstelling geen sprake van arbeidsongeschiktheid, doch treedt die
arbeidsongeschiktheid binnen vier weken op, dan bestaat alsnog
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. De toepassing van artikel
30, eerste lid, onderdeel b, van de WAO is uitgesloten in de daar bedoelde
situatie. Zonder deze uitsluiting zou het Lisv de bevoegdheid hebben in die
situatie de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten als
de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de invrijheidsstelling het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen
een halfjaar kennelijk
moest doen verwachten.
Wat het recht op
toekenning betreft, geldt dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid
indien betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Voorts moet er sprake
zijn van het voldoen aan de vereisten voor toekenning van het recht.
Het recht kan niet eerder ingaan dan één jaar vóór de dag van de
aanvraag, hetgeen vooral van belang is voor de persoon die na ommekomst
van zijn vrijheidsontneming niet onmiddellijk een uitkeringsaanvraag
doet. Verder kan geen toekenning plaatsvinden als deze zou ingaan na de
eerste dag van de maand dat betrokkene 65 jaar wordt. Voor een
toelichting op het vijfde lid kan verwezen worden naar hetgeen met betrekking
tot het onder artikel I geïntroduceerde artikel 19b, vierde lid, van de
ZW staat vermeld.
Onderdeel D (artikel 43,
vijfde en zesde lid, WAO)
Door toevoeging van twee
leden aan artikel 43 WAO worden regels gesteld met betrekking
tot de intrekking van de WAO-uitkering. Deze intrekking vindt plaats
ten aanzien van de WAO-gerechtigde zodra zijn rblz.|36|
vrijheidsontneming één
maand heeft geduurd. Vrijheidsontnemingen die elkaar opvolgen met een
onderbreking van minder dan vier weken worden beschouwd als
één doorlopende periode van vrijheidsontneming. Zodra betrokkene in
vrijheid wordt gesteld, kan op grond van artikel 47b
WAO
heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvinden. Datzelfde geldt op grond
van bij AMvB gestelde regels voor personen wier vrijheid rechtens is
ontnomen, doch die hun hoofdverblijf niet in de justitiële inrichting
hebben.
Onderdeel E (artikel 47b
WAO). [Zie art. II, onderdeel G,
Wsg, red.]
Wanneer als gevolg van
vrijheidsontneming de uitkering is ingetrokken, bestaat na invrijheidsstelling aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering als betrokkene op het moment van de invrijheidsstelling
arbeidsongeschikt is. Dat is geregeld in het nieuwe artikel 47b
van de
WAO.
Ook hierbij is bepaald dat als op dat moment geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid, maar daar wel sprake van is binnen vier weken,
eveneens aanspraak bestaat op heropening. Het vierde lid komt overeen met
artikel 19b, vierde lid, ZW. Voor een toelichting
ter zake kan worden verwezen naar de toelichting bij dat
artikellid.
Artikel
III. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel A (artikel 1 WAZ)
Voor een toelichting op
dit onderdeel kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel
I, onderdeel A.
Onderdeel B (artikel 3,
tweede lid, onderdeel c en f, WAZ)
Teneinde te voorkomen dat
iemand die als gevolg van vrijheidsontneming zijn uitkeringsrecht
verliest niet langer verzekerd is op grond van de WAZ, waardoor hij in een later
stadium, na invrijheidsstelling, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
dan wel recht op uitkering in verband met bevalling zou kunnen
hebben, is artikel 3, tweede lid, gewijzigd. Betrokkene wordt daarmee
tijdens vrijheidsontneming als verzekerde aangemerkt.
Onderdeel C (artikel 7b WAZ)
In het nieuwe
artikel
7b WAZ is een zelfde regeling opgenomen als in
artikel
19a van de WAO.
Voor een toelichting kan worden verwezen naar de toelichting bij
artikel II, onderdeel C. Voor een toelichting op het vijfde lid kan verwezen worden
naar hetgeen inzake het onder artikel I geïntroduceerde artikel 19b, vierde lid,
van de ZW staat vermeld.
Onderdeel D (artikel
19,
vierde en vijfde lid, WAZ)
Het nieuw toegevoegde vierde en vijfde lid van artikel 19 komen overeen met
artikel 43, vijfde en
zesde lid, WAO. Bij de toelichting op dat artikel kan worden aangesloten.
Onderdeel E (artikel 21b WAZ). [Zie
art. III, onderdeel G, Wsg,
red.]
In
artikel
21b is een
regeling opgenomen voor heropening van de uitkering na afloop van
de vrijheidsontneming indien het eerder bestaande recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken in
verband met
vrijheidsontneming. Deze regeling komt overeen met het nieuwe artikel 47b
van de
WAO. Voor een toelichting kan worden verwezen naar de
toelichting bij dat artikel onder artikel II. Het vierde lid rblz.|37|
komt overeen met
artikel
19b, vierde lid, ZW. Voor een toelichting
ter zake kan worden verwezen naar
de toelichting bij dat artikellid.
Onderdeel F (artikel
22,
zesde lid, WAZ). [Zie
art. III, onderdeel H, Wsg,
red.]
Door de overeenkomstige
toepassing van de artikelen 7b, 19, vierde en vijfde lid, en
21b van
de WAZ geldt ten aanzien van het recht op uitkering in verband met bevalling
hetzelfde regime als voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Deze bepalingen zullen zich met betrekking tot de
uitkering in verband met bevalling hoogstwaarschijnlijk niet tot nauwelijks
voordoen. Om redenen van rechtsgelijkheid is desondanks een gelijke
regeling getroffen.
Artikel
IV. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdeel A (artikel 1 Wajong)
Voor een toelichting op
dit onderdeel kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel
I, onderdeel A.
Onderdeel B (artikel 6b
Wajong), onderdeel C
(artikel 17, vijfde en zesde lid, Wajong) en
onderdeel D (artikel
20a Wajong)
De wijzigingen van de
Wajong, vervat in de onderdelen
B, C en D, komen overeen met de
wijzigingen van de WAZ in de onderdelen
C, D en E van artikel
III. Voor een
toelichting kan worden verwezen naar hetgeen bij voorgaande artikelen is
opgemerkt. Voor een toelichting op artikel 6b, vijfde lid, kan worden
verwezen naar hetgeen in het onder artikel I geïntroduceerde
artikel 19b, vierde lid, van de
ZW staat vermeld.
Artikel
V.
Werkloosheidswet
(Artikel 19, achtste lid,
WW)
Voor een toelichting op
het nieuwe achtste lid van dit artikel, waarin via bij AMvB te stellen regels
wordt afgeweken van de reeds in de Werkloosheidswet
bestaande uitsluitingsgrond inzake het rechtens van zijn vrijheid ontnomen
zijn, kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel
B,
op artikel 19b, vierde lid, van de ZW.
Artikel
VI. Toeslagenwet
(Artikel 2, vijfde lid, TW)
Ofschoon door de
koppeling van het recht op toeslag aan het recht op een loondervingsuitkering
geen recht op toeslag kan ontstaan wanneer tijdens vrijheidsontneming geen
recht op loondervingsuitkering bestaat, is vanwege de consistentie
in het systeem van sociale voorzieningen dit in het nieuwe artikel
2,
vijfde lid, van de TW nog eens met zoveel woorden neergelegd.
Artikel
VII. Algemene
nabestaandenwet
Onderdeel A (artikel 1 Anw)
Voor een toelichting op
dit onderdeel kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel
I, onderdeel A.
rblz.|38|
Onderdeel B (artikel 32c
en 32d Anw)
De
Anw kent drie uitkeringsvormen: de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de
wezenuitkering. Het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en
wezenuitkering ontstaat niet respectievelijk wordt beëindigd indien
de nabestaande, de halfwees of het kind rechtens zijn vrijheid
wordt ontnomen respectievelijk de vrijheidsontneming één maand heeft
geduurd. Vanaf het moment dat betrokkene in vrijheid wordt gesteld
en de nabestaande/het kind nog volledig aan de voorwaarden voor het
recht op uitkering voldoet, ontstaat c.q. herleeft het recht op uitkering. De
zinsnede "onverminderd artikel 15, 23 of,
27" impliceert dat iemand
die op één van de gronden in dat artikel genoemd geen recht op uitkering
heeft, dat recht ook niet zal hebben na ommekomst van de
vrijheidsontneming. De artikelen 15, 23 en
27 staan daaraan in de weg.
Met betrekking tot de
halfwezenuitkering zou op zich geen noodzaak bestaan een regeling te
treffen. Immers voor het recht op halfwezenuitkering is vereist dat het kind
tot het huishouden van de nabestaande behoort. In geval van
vrijheidsontneming, ofwel van de nabestaande, ofwel van de halfwees, is
er geen sprake van dat de halfwees en de nabestaande tot een
huishouden behoren en kan er voor die nabestaande geen recht op
halfwezenuitkering bestaan. Artikel 18 van de Anw
verhindert dat. Niettemin
is ter wille van de duidelijkheid een zelfde regeling gegeven als voor
de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering. Op die manier kan er bijvoorbeeld geen twijfel over bestaan dat
een geëindigd recht op
halfwezenuitkering na ommekomst van vrijheidsontneming kan herleven. Voor een
nadere toelichting op de artikelen 32c, derde lid, en
32d, vierde
lid, kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 19b, vierde lid,
ZW (artikel I, onderdeel B).
Artikel
VIII. Algemene
bijstandswet
Met dit artikel, waarbij
artikel 9 van de Abw wordt gewijzigd, wordt via bij AMvB te stellen regels
afgeweken van de reeds bestaande uitsluitingsgrond in de Abw
ten aanzien van
het recht op een bijstandsuitkering voor hen die rechtens hun
vrijheid is ontnomen, doch bij wie tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting
plaatsvindt.
Zij die in de laatste
periode van hun vrijheidsstraf zitten, kunnen in aanmerking komen om deel
te nemen aan penitentiaire programma’s. Een dergelijk programma is
gericht op resocialisatie van de gedetineerde in de maatschappij. Het is
daarbij wenselijk dat betrokkene voor een belangrijk deel in de kosten van
zijn eigen onderhoud kan voorzien. In de meest voorkomende gevallen zal
betrokkene een beroep doen op de algemene bijstand. Een zelfde
situatie kan bestaan bij TBS-gestelden aan wie proefverlof is verleend.
Artikel 9, vierde lid, Abw opent hiertoe de weg. Voor een nadere
toelichting kan verwezen worden naar het algemene deel van deze
toelichting.
Artikel
IX. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Voor oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers die voor deelname aan een
penitentiair programma een beroep doen op de Ioaw
is met deze wijziging de weg hiertoe geopend. Voor het overige kan
verwezen worden naar de toelichting bij artikel VIII en naar het
algemene
deel van deze toelichting.
rblz.|39|
Artikel
X. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Zie voor de toelichting
de toelichting bij artikel IX, maar nu voor gewezen zelfstandigen.
Artikel
XI. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars
Met de
Wik wordt een
voorziening getroffen voor kunstenaars. De kunstenaar heeft geen
recht op een uitkering indien hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Met
het opnemen van het voorgestelde artikel 5, tweede lid, van de Wik
wordt aangesloten bij de AMvB als bedoeld onder
artikel VIII (artikel 9,
vierde lid, van de Abw). Voor een nadere toelichting kan verwezen worden naar
de toelichting op dat artikel.
Artikel
XII.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
De
Minister van Justitie
wordt verplicht alle hem ter beschikking staande informatie die van
invloed kan zijn op het eventueel bestaande recht op een uitkering van de
gedetineerde door te geven aan de desbetreffende uitvoeringsorganen. Voor
de werknemersverzekeringen is dit het Lisv. Bij de Anw
is dit de SVB.
Artikel 95, tweede lid, ontslaat de verzekerde overigens niet van de
verplichting om, op grond van bijvoorbeeld artikel 49 ZW, uit eigen beweging
alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat dit van invloed is op het recht op uitkering, waaronder in
dit geval het gedetineerd zijn, mee te delen aan de desbetreffende uitvoeringsinstelling. Met het opnemen van deze
verplichting voor het ministerie van Justitie wordt voldaan aan het advies van het Lisv de
sofinummers van alle gedetineerden door te geven aan het Lisv. Hoewel artikel
95, onderdeel e, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 spreekt van het op verzoek van onder anderen het Lisv verstrekken van gegevens
en inlichtingen, voorziet deze regeling erin dat het ministerie van
Justitie ten aanzien van iedere persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen
verplicht is uit eigen beweging de benodigde informatie te verschaffen. Voor het gebruik van het sociaal-fiscaal
nummer door de Minister
van Justitie is in de wet een formeel-wettelijke grondslag getroffen. Het
voor dit gebruik noodzakelijkerwijs kunnen beschikken over dit
nummer zal er echter niet toe leiden dat dit wordt opgeslagen in een
persoonsregistratie van gedetineerden (zie hiertoe het advies van de
Registratiekamer [zie College bescherming
persoonsgegevens, red.] van 28 augustus 1997, kenmerk 97.A.623.1, naar aanleiding van de wijziging van het Besluit gebruik
sofinummer).
Artikel
XIV.
Overgangsbepaling inzake artikel 42, tweede lid, van de Ziektewet
Met deze bepaling wordt
bereikt dat inzake personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen die
weliswaar recht hebben op ziekengeld, maar dit op grond van artikel 42 van de
ZW, zoals dit artikel luidt voordat deze wet
in werking treedt, niet
uitbetaald krijgen, het Lisv nog één maand de bevoegdheid behoudt dit
ziekengeld uit te betalen aan personen wier kostwinner de
eerstgenoemde persoon is.
Artikel
XV.
Overgangsbepaling overige wetten
Met deze bepaling wordt
bereikt dat voor degenen die reeds rechtens hun vrijheid is ontnomen op
het moment dat deze wet in werking treedt een eindiging van een recht op uitkering eerst aan de orde kan zijn vanaf één
maand na de dag van inwerkingtreding van de artikelen in deze wet.
rblz.|40|
Artikel
XVI. Intrekking
[zie art. XVII Wsg,
red.]
De Wet sociale
verzekering gedetineerden, daterende van 1948, die de Minister van Justitie de
bevoegdheid gaf gedetineerden of groepen van gedetineerden aan te
wijzen die bij ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens
ziekte
een aanspraak op uitkering van ziekengeld op grond van de ZW
ten laste
van het Rijk gaf, is met het vervallen van de Ongevallenwet 1921 vanaf
1967 niet meer toegepast. Die wet wordt nu ingetrokken.
Artikel
XVIII.
Citeertitel [zie
art. XIX Wsg,
red.]
Gezien het te verwachten
veelvuldig citeren van deze wijzigingswet heeft deze wet
een citeertitel
meegekregen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|