|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Beleidsregels
Wsw 2008
- Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en
Inkomen
- Besluit
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken
- Regeling
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken 2008
- SZW-intrekkingsregeling
2004
Vervallen
nadere regelgeving:
- Beleidsregels
Wsw (vervallen)
- Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Besluit indicatie sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Regeling arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Regeling financiering en verantwoording Wet sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Regeling indicatie sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Regeling statistiek Wet sociale werkvoorziening
(vervallen)
- Regeling
uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Tijdelijke wet pilot loondispensatie
Inhoudsopgave
Wsw
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 787.
Handelingen II 1996-1997, blz. 4754-4801, 4954-4955.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 787 (247, 247a, 247b, 247c, 247d,
247e).
Handelingen I 1996-1997, blz. 2074-2101.
Geschiedenis:
Staatsblad
1997, 465; Staatsblad 1997, 735;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 2000, 594;
Staatsblad 2000, 569; Staatsblad 2000,
571; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 640; Staatsblad 2003,
56; Staatsblad 2004, 325;
Staatsblad 2005, 434; Staatsblad
2005, 530; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 564; Staatsblad
2009, 384; Staatsblad
2008, 312; Staatsblad 2008, 600;
Staatsblad 2009, 108; Staatsblad
2010, 840; Staatsblad
2010, 838; Staatsblad 2011,
442; Staatsblad 2012, 233;
Staatsblad 2012, 361.
WET van 11 september 1997, Stb.
1997, 465, houdende nieuwe regeling inzake de sociale werkvoorziening (Wet
sociale werkvoorziening). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 466).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen inzake de sociale
werkvoorziening, onder meer inzake de doelgroep, de indicatiestelling,
voorzieningen voor begeleid werken, de rechtspositie van de werknemers
en de bekostiging;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Inleidende
bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen; gemeenschappelijke regeling;
opdracht college] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 11 september 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 530;
Stb 2007, 564; Stb.
2008, 600; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 442;
Stb. 2012, 233; Stb.
2012, 361]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
- arbeidshandicap: het vanwege lichamelijke, verstandelijke of
psychische beperkingen verminderd vermogen om arbeid te verrichten;
- arbeidshandicapcategorie: een groep van tot de doelgroep behorende
personen die in dezelfde orde arbeidsgehandicapt is;
- college: college van burgemeester en wethouders;
- dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
- doelgroep: personen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, hebben
bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of psychische
beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige
arbeid in staat zijn;
- geïndiceerd: blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 tot
de doelgroep behoren;
- gerealiseerd arbeidsjaar: het equivalent van een dienstbetrekking op
basis van een volledige werkweek die het gehele kalenderjaar is vervuld
door een geïndiceerde ingezetene of een daarmee gelijkgestelde,
gebaseerd op het gemiddelde van de twaalf eindemaandsstanden;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid;
- Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
- werknemer: degene die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in het
derde lid.
-2. Indien bij een gemeenschappelijke
regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 8 van die
wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met
uitzondering van de artikelen 8, 9, 13
en 14, eerste lid, in de plaats van de
betrokken colleges, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van artikel
8 en 9 de met toepassing van artikel 34a van
die wet
door het openbaar lichaam op de wijze, bedoeld in artikel 17a van
de Financiële-verhoudingswet,
verantwoorde informatie in aanmerking kan worden genomen;
b. voor de termijn van twaalf
maanden in artikel 9, vierde lid, wordt gelezen: 24
maanden.
-3. Het college draagt er zorg voor dat aan
zoveel mogelijk ingezetenen die geïndiceerd zijn een dienstbetrekking
wordt aangeboden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste
omstandigheden.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de
doelgroep, de arbeidshandicapcategorieën en de gerealiseerde
arbeidsjaren. [Bisw]
[Buswbw]
HOOFDSTUK
2
De
gemeentelijke sociale werkvoorziening
Art.
2.
[Aanbieding dienstbetrekking; uitvoering door
privaat bedrijf; verordening cliëntenparticipatie]
[Geschiedenis:
MvT + bis
+ bis; versie 11 september 1997; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564]
-1. Het college kan ter uitvoering van artikel
1, derde lid, aan een ingezetene die geïndiceerd is een
dienstbetrekking aanbieden voor het verrichten van arbeid onder
aangepaste omstandigheden.
-2. Het college kan een privaatrechtelijke
rechtspersoon aanwijzen ten behoeve van de uitvoering van deze wet. Het
college regelt in het aanwijzingsbesluit de inhoud van de
rechtsbetrekking tussen zichzelf en de betrokken rechtspersoon.
-3. De gemeenteraad stelt bij verordening
regels over de wijze waarop de ingezetenen die geïndiceerd zijn of hun
vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet,
waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop:
a. periodiek overleg wordt gevoerd
met deze ingezetenen of hun vertegenwoordigers;
b. deze ingezetenen of
vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen
aanmelden;
c. zij worden voorzien van de voor
een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
Art.
3.
[Doel aangepaste arbeid]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
-1. De arbeid, bedoeld in artikel
2,
eerste lid, is gericht op het behouden dan wel het bevorderen van de
arbeidsbekwaamheid van de werknemer mede met het oog op het kunnen gaan verrichten van arbeid onder
normale omstandigheden.
-2. Bij de aanpassing van de
omstandigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt rekening gehouden
met het advies ter zake dat in de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking is opgenomen.
Art.
4.
[Bevordering uitstroom naar reguliere arbeidsmarkt]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564; Stb. 2008, 600]
Het college bevordert de inschakeling in het arbeidsproces van de
werknemers van wie bij herindicatiebeschikking is vastgesteld dat zij in
staat zijn om arbeid te verrichten onder normale omstandigheden. Het
college werkt hierbij samen met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art.
5.
[Niet-concurrentievervalsende vergoeding voor
arbeid]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb. 2005, 530; Stb
2007, 564]
Het college bedingt voor de door zijn werknemer verrichte arbeid dan wel voor tengevolge van zijn arbeid
geleverde goederen of diensten een vergoeding die de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mag
beïnvloeden.
Art.
6.
[Verplichtingen werknemer; ontslaggronden]
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 11 september 1997; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564; Stb. 2008, 600]
-1. De werknemer is verplicht mee te
werken aan het behoud dan wel het bevorderen van zijn
arbeidsbekwaamheid en aan het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden,
voor zover hij daartoe in staat wordt geacht.
-2. Zo nodig in afwijking van de artikelen
670 en 670a van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zegt het college uit eigen beweging,
dan wel onverwijld op een daartoe strekkend verzoek van het college van
de gemeente dat een vergoeding als bedoeld in artikel
10, tweede lid, betaalt, de dienstbetrekking op, indien:
a. zijn werknemer niet meewerkt aan
een herindicatie overeenkomstig de daaromtrent bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde regels; [Bisw]
[Buswbw]
b. zijn werknemer blijkens een
onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking niet langer tot de
doelgroep behoort, en wel zodra voor hem een alternatieve
opvangmogelijkheid feitelijk beschikbaar is of door zijn toedoen niet
beschikbaar komt, dan wel zodra hij een aanbod tot passende arbeid onder
normale omstandigheden heeft geweigerd;
c. zijn werknemer niet voldoet aan
het eerste lid.
-3. Voordat het college de
dienstbetrekking opzegt wegens een andere reden dan genoemd in de onderdelen
a
en b van het tweede lid, vraagt het advies van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
HOOFDSTUK
3
Subsidieverstrekking
door de gemeente
Art.
7.
[Subsidie voor werkgever en vergoeding voor
begeleidingsorganisatie]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564]
-1. Indien een werkgever met een ingezetene
die geïndiceerd is een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
1, derde lid, aangaat en de inpassing in de arbeid van betrokkene,
met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek, adequaat wordt verzorgd,
kan het college:
a. aan de werkgever een subsidie
verstrekken; en
b. aan de begeleidingsorganisatie
een vergoeding verstrekken voor de noodzakelijke kosten van
arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde op
zijn werkplek.
-2. Op verzoek van de ingezetene die geïndiceerd
is, verstrekt het college in ieder geval een periodieke subsidie aan de
werkgever aan wie op grond van het eerste lid subsidie kan worden
verstrekt alsmede aan de begeleidingsorganisatie een periodieke
vergoeding voor de noodzakelijke kosten van de begeleiding op de
werkplek, indien:
a. betrokkene een werknemer is of
met inachtneming van artikel 12 en de daarop
berustende regels recht heeft op aanbieding van een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, door het college; en
b. het bedrag van de subsidie en de
vergoeding omgerekend op jaarbasis niet meer bedraagt dan:
(( A / B) x C) – D
waarbij:
A staat voor de uitkering, bedoeld in artikel 8, eerste
lid;
B staat voor het op grond van artikel 8, tweede lid,
vastgestelde aantal bij de uitkering, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, behorende minimumaantal arbeidsjaren;
C staat voor 1 als de ingezetene is ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie matig en voor 1,25 als hij is ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie ernstig;
D staat voor de voor het college rechtstreeks aan de subsidieverlening
verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
-3. Indien op grond van het tweede lid een
periodieke subsidie wordt verleend, kan het college aan de werkgever een
vergoeding verstrekken voor de eenmalige noodzakelijke kosten van
aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht.
-4. Het college kan op verzoek van de
ingezetene die geïndiceerd is en die het college schriftelijk heeft
meegedeeld in verband met het tweede lid een werkgever te zullen zoeken,
een door die ingezetene aangewezen begeleidingsorganisatie inschakelen
ten behoeve van de totstandkoming van een dienstbetrekking.
-5. Een periodieke subsidie op grond van
dit artikel wordt, in afwijking van artikel
4:32 van de Algemene wet bestuursrecht,
verleend zolang de dienstbetrekking duurt en de inpassing in de arbeid
van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek, adequaat
wordt verzorgd.
-6. Zo nodig in afwijking van het vijfde
lid worden de periodieke subsidie en de periodieke vergoeding voor de
noodzakelijke kosten van de begeleiding op de werkplek beëindigd:
a. indien de werknemer blijkens een
onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking niet langer tot de
doelgroep behoort, zodra voor hem een alternatieve opvangmogelijkheid
feitelijk beschikbaar is of door zijn toedoen niet beschikbaar komt dan
wel zodra hij een aanbod tot passende arbeid onder normale
omstandigheden heeft geweigerd;
b. indien de werknemer niet meewerkt
aan een herindicatie overeenkomstig de daaromtrent bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur gestelde regels;
[Buswbw]
c. indien de werknemer niet voldoet
aan artikel 6, eerste lid.
-7. Zo nodig in afwijking van de artikelen 670 en 670a van titel
10 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek kan de werkgever de dienstbetrekking opzeggen
indien de periodieke subsidie op grond van het zesde lid niet langer
wordt verleend.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van het eerste tot en met vierde lid. [Babsw] [Bfvsw]
[Buswbw]
-9. De voordracht voor een krachtens het
achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
-10. De gemeenteraad stelt bij verordening
nadere regels met betrekking tot de toepassing van het tweede tot en met
het vierde lid door het college. De regels, bedoeld in de eerste zin,
hebben in ieder geval betrekking op:
a. de wijze waarop de hoogte van de
periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden vastgesteld;
b. de hoogte van de voor het college
rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten
omgerekend op jaarbasis;
c. de voorwaarden waaronder het
college aan de werkgever een vergoeding verstrekt voor de eenmalige
noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder
arbeid wordt verricht; en
d. de voorwaarden waaronder het
college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de Wsw-geïndiceerde
zelf is aangewezen.
HOOFDSTUK
4
Financiering
Art.
8.
[Uitkering aan college]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
1998, 742; Stb. 2000, 594;
Stb. 2004, 325; Stb
2007, 564]
-1. Onze
Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het
college een uitkering voor de uitvoering van de hoofdstukken
2 en 3. De uitkering wordt ten minste drie maanden
voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze
Minister vastgesteld.
-2. Het bedrag van de uitkering wordt,
overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels, berekend aan de hand van het voor ieder jaar bij wet
vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen,
bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt, overeenkomstig bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur te stellen regels, het
bijbehorende minimumaantal arbeidsjaren vastgesteld. [Bfvsw]
[Buswbw] [BvsW]
-3. Onze Minister kan de hoogte van de
uitkering wijzigen voor zover dat verband houdt met een na de datum van
de vaststelling van de uitkering getroffen maatregel, die voor alle gemeenten
gelijk werkt.
-4. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot de betaling van de uitkering. [Ruswbw08]
Art.
9.
[Terugvordering uitkering]
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 11 september 1997; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564; Stb. 2011, 442]
-1. Indien uit de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel
13, eerste lid,¹ blijkt dat
in het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft het aantal in
dat jaar gerealiseerde arbeidsjaren uit dienstbetrekkingen als bedoeld
in de hoofdstukken 2 en 3 minder
bedraagt dan het op grond van artikel 8, tweede lid,
vastgestelde minimumaantal arbeidsjaren, wordt van de uitkering
teruggevorderd:
((A – B) / A) x C
waarbij:
A staat voor het op grond van artikel 8, tweede lid,
vastgestelde aantal bij de uitkering, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, behorende minimumaantal arbeidsjaren;
B staat voor het aantal gerealiseerde arbeidsjaren uit
dienstbetrekkingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 en
3;
C staat voor de uitkering, bedoeld in artikel 8, eerste
lid.
-2. Verlies van ingezetenschap van de gemeente
heeft geen invloed op de toepassing van het eerste lid zolang de
dienstbetrekking voortduurt tot en met het kalenderjaar na het jaar
waarin het ingezetenschap is verloren. Indien de werknemer buiten
Nederland gaat wonen, heeft het verlies van ingezetenschap geen invloed
op de toepassing van het eerste lid zolang de dienstbetrekking
voortduurt tot en met het kalenderjaar na het jaar waarin hij wederom in
Nederland gaat wonen.
-3. Onze Minister
doet binnen één jaar na ontvangst van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel
13, eerste lid,¹ mededeling van terugvordering op grond van het
eerste lid aan het college.
-4. Indien de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 13, eerste lid,¹ niet door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen
binnen twaalf maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft,
wordt de uitkering met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar op
nihil vastgesteld en wordt de reeds betaalde uitkering teruggevorderd.
Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt
tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de
terugvordering vast op een percentage van de uitkering. Onze Minister
doet binnen drie maanden na de in de eerste zin bedoelde datum
mededeling van terugvordering aan het college.
1. Volgens de redactie dient
"artikel
13, eerste lid" telkens te worden vervangen door: artikel
13.
Art.
9a. [Gegevensgebruik bij berekening en
terugvordering uitkering aan college] [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
In afwijking van artikel 7:11 van de Algemene
wet bestuursrecht wordt bij de toepassing van de artikelen
8, tweede lid, en 9 gebruikgemaakt van de gegevens
in de bijlage, bedoeld in artikel 13, vierde lid, en
de informatie, bedoeld in artikel 1, tweede lid,
onderdeel a, waarvan Onze Minister
kennis heeft op 15 augustus voor zover het betreft artikel
8, tweede lid, en 30 september voor zover het betreft artikel
9 van het tweede jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien
verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op
een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
Art.
10.
[Financiering bij verhuizing naar andere gemeente]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 569; Stb. 2001, 640;
Stb. 2004, 325; Stb.
2005, 434; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564]
-1. Bij overgang van ingezetenschap van de
ene naar de andere gemeente treedt het college
van de gemeente waarvan de betrokkene, bedoeld in artikel 7,
ingezetene wordt per 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar van die overgang bij de toepassing van dat artikel in
de plaats van het college van de gemeente waarvan de betrokkene, bedoeld
in artikel 7, niet langer ingezetene is.
-2. Bij overgang van ingezetenschap van de
ene naar de andere gemeente betaalt het college van de gemeente waarvan
de betrokkene ingezetene wordt vanaf het tweede kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar van die overgang aan het college van de gemeente
waarvan de betrokkene niet langer ingezetene is een vergoeding voor
zover zijn dienstbetrekking met dat college voortduurt.
-3. De vergoeding, bedoeld in het tweede
lid, bedraagt per kalenderjaar:
(A / B) x C
waarbij:
A staat voor de uitkering, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, aan de gemeente waarvan de betrokkene ingezetene is;
B staat voor het op grond van artikel 8, tweede lid,
vastgestelde aantal bij de uitkering, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, behorende minimumaantal arbeidsjaren voor de gemeente
waarvan de betrokkene ingezetene is;
C staat voor het aantal door de ingezetene gerealiseerde arbeidsjaren in
dat kalenderjaar berekend op honderdsten nauwkeurig, waarbij
vijfduizendste of meer naar boven wordt afgerond op een honderdste.
-4. Iedere maand wordt bij wijze van
voorschot 1/12 van de naar het oordeel van het college van de gemeente
waarmee de betrokkene zijn dienstbetrekking heeft te verwachten
vergoeding betaald. Indien in de loop van het kalenderjaar de te
verwachten vergoeding naar het oordeel van dat college wijzigt, wordt
het voorschot daarop aangepast.
-5. Voor de toepassing van dit artikel
wordt het ingezetenschap van de werknemer die van buiten Nederland in
Nederland gaat wonen, geacht over te zijn gegaan van de gemeente waarin
hij laatstelijk in Nederland woonde naar de gemeente in Nederland waarin
hij gaat wonen.
HOOFDSTUK
5
De
indicatie en het aanbod
Art.
11.
[Indicatie en herindicatie]
[Geschiedenis:
MvT + bis
+ bis + bis
+ bis; versie 11 september 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 325;
Stb. 2005, 434; Stb.
2005, 530; Stb
2007, 564; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 384]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt van personen die daartoe een
aanvraag hebben ingediend bij beschikking vast:
a. of deze behoren tot de doelgroep;
b. nadat is vastgesteld dat een
persoon tot de doelgroep behoort:
1º. de geldigheidsduur van de indicatie;
2º. de indeling van de persoon in één
van de arbeidshandicapcategorieën, die bepaald worden door de zwaarte
van de aanpassing van de omstandigheden en de productiviteit.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verricht periodiek herindicatie van personen die tot de doelgroep
behoren overeenkomstig de krachtens artikel 6, tweede
lid, onderdeel a, gestelde regels. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Op aanvraag van het college verricht
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, overeenkomstig de krachtens artikel
6, tweede lid, onderdeel a, gestelde regels, herindicatie van
de werknemer die de bedongen arbeid gedurende een ononderbroken periode
van ten minste dertien weken niet heeft verricht omdat hij in verband
met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was en die
naar het inzicht van het college duurzaam niet in staat zal zijn tot het
verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden. Het eerste lid is
van overeenkomstige toepassing.
-4. Indicatie vindt slechts plaats met
betrekking tot:
a. personen:
1º. die als werkzoekende staan
ingeschreven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
2º. die voor een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 1, derde lid, in aanmerking wensen
te komen; en
3º. van wie niet in de periode van twaalf
maanden voorafgaand aan de aanvraag de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking is ingetrokken op grond van artikel
12, derde lid;
b. werknemers die voor herindicatie
in aanmerking komen.
-5. Een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking wordt gegeven binnen zestien weken na ontvangst
van de aanvraag.
-6. In afwijking van artikel
7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen
zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken, tegen een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bij of
krachtens dit artikel aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen opgedragen taak en de wijze van uitoefening daarvan.
[Buswbw]
-8. De voordracht voor een krachtens het
zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
12. [Wachtlijst | Intrekking en verval
(her)indicatiebeschikking] [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 530;
Stb 2007, 564; Stb.
2012, 361]
-1. Het
college beheert een wachtlijst. De wachtlijst bevat een overzicht van
ingezetenen die geïndiceerd zijn, geen dienstbetrekking hebben als
bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 en
beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden.
-2. De gemeenteraad kan bij verordening
regels stellen over de volgorde waarin de ingezetenen die op de
wachtlijst zijn geplaatst voor een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
2, eerste lid, in aanmerking worden gebracht. Bij het ontbreken van
een dergelijke verordening geldt de volgorde van de plaatsing op de
wachtlijst.
-3. Het college kan de indicatiebeschikking
of herindicatiebeschikking van een betrokkene intrekken, indien:
a. betrokkene passende arbeid in
dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden weigert;
b. de dienstbetrekking van
betrokkene door het college is opgezegd op grond van artikel
6, tweede lid, onderdeel a of c, of door de werkgever,
bedoeld in artikel 7, in verband met de toepassing van artikel
7, zesde lid, onderdeel b of c, vanaf het moment dat
de opzegging rechtens onaantastbaar is;
c. de dienstbetrekking van
betrokkene door het college of de werkgever, bedoeld in artikel
7, is opgezegd om een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer ter zake een verwijt
kan worden gemaakt, vanaf het moment dat de opzegging rechtens
onaantastbaar is;
d. de dienstbetrekking op verzoek
van betrokkene is geëindigd; of
e. betrokkene niet beschikbaar is om
een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, derde
lid, te aanvaarden.
-4. De indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking vervalt:
a. per de dag dat betrokkene arbeid
in een dienstbetrekking anders dan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
1, derde lid, aanvaardt of arbeid gaat verrichten in de uitoefening
van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, tenzij
deze arbeid gericht is op het verkrijgen van een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 1, derde lid;
b. per de dag dat betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, bereikt; of
c. indien betrokkene overlijdt.
-5. Het college trekt de
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking van een betrokkene in op
schriftelijk verzoek van de betrokkene aan het college per de datum van
dat verzoek.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bij het
eerste lid aan het college opgedragen taak en de wijze van uitoefening
daarvan, met dien verstande dat in ieder geval bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt geregeld wanneer ingezetenen die geïndiceerd
zijn, beschikbaar zijn om een dienstbetrekking als bedoeld in de hoofdstukken
2 en 3 te aanvaarden.
[Buswbw]
-7. De voordracht voor een krachtens het
zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
HOOFDSTUK
6
Uitvoering
en informatie
Art.
13.
[Verantwoording aan minister] [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 56;
Stb. 2004, 325; Stb.
2005, 434; Stb. 2005, 530;
Stb
2007, 564; Stb. 2008, 312;
Stb. 2008, 600; Stb.
2011, 442; Stb.
2012, 233 + bis]
Het college legt
verantwoording af aan Onze Minister over
de uitvoering van deze wet op de wijze, bedoeld in artikel 17a
van de Financiële-verhoudingswet. [BtIWI]
[RfvW] [RsW]
Art.
14.
[Gegevensverstrekking aan minister]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 325;
Stb. 2005, 530; Stb
2007, 564; Stb. 2008, 600]
-1. Het college en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekken
desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle
inlichtingen die hij
nodig heeft voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met
betrekking tot deze wet.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld voor de inhoud, de wijze van
verstrekken en het tijdstip van het verstrekken van de inlichtingen. [Ruswbw]
[Ruswbw08]
Art.
15.
[Gegevensverstrekking]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 571; Stb. 2001,
625; Stb. 2004, 325;
Stb. 2005, 434; Stb.
2005, 530; Stb
2007, 564; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 108; Stb. 2010, 840]
-1. Andere colleges, de krachtens artikel
2, tweede lid, aangewezen rechtspersonen en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
op verzoek, kosteloos, aan het college en de krachtens artikel
2, tweede lid, aangewezen rechtspersoon alle gegevens en
inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
deze wet.
-2. Het college en de krachtens artikel
2, tweede lid, aangewezen rechtspersoon zijn bevoegd uit eigen
beweging en verplicht op verzoek uit de administratie aangelegd
voor de uitvoering van deze wet kosteloos aan bestuursorganen de gegevens te verstrekken die
noodzakelijk
zijn voor de bij of krachtens wet aan
deze bestuursorganen opgedragen taken.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen voor de toepassing van het eerste en tweede
lid nadere regels worden gesteld. [Bisw]
[Buswbw]
-4. Een ieder verstrekt
desgevraagd aan het college, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de krachtens artikel 2, tweede lid,
aangewezen rechtspersoon kosteloos alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van hemzelf, hem
in wiens dienst dan wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt
heeft of hem die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt
heeft.
-5. Het
college van burgemeester en wethouders, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de krachtens artikel
2, derde lid, aangewezen rechtspersoon gebruiken het
burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer, bij de verwerking van
persoonsgegevens voor de uitvoering van deze wet indien dat nodig is
voor de uitvoering van deze wet of voor de uitvoering van andere wetten
waarbij gebruik wordt gemaakt van dat burgerservicenummer.
Art.
15a. [Toezichthoudende gemeenteambtenaren]
[Geschiedenis:
Stb.
2007, 551]
Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van
het college aangewezen ambtenaren.
HOOFDSTUK
7
Overgangsbepalingen
Art.
16.
[Overgang WSW-dienstbetrekkingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van deze wet worden de dienstbetrekkingen die op de dag
voorafgaande aan die datum bestaan krachtens de Wet Sociale
Werkvoorziening zoals deze luidde tot die datum en die na die datum voortbestaan, aangemerkt als
dienstbetrekking
in de zin van deze wet.
Art. 17.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
Art. 18.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
Art.
19.
[Geen herindicatie bij overgang
WSW-dienstbetrekking]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
Tenzij hij daartoe verzoekt, behoeft de persoon die op 31 december 1997
een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening zoals deze luidde op die datum, zolang de
dienstbetrekking voortduurt, niet overeenkomstig artikel
11, tweede lid, te worden geherindiceerd.
Art.
20.
[Overgangsrecht 1 januari 1998 financiering bij
verhuizing naar andere gemeente]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
-1. Indien op de datum van inwerkingtreding
van artikel 10, eerste lid, de werknemer ingezetene is
van een andere gemeente dan de gemeente waarvan
het college ten behoeve van hem subsidie als bedoeld in artikel
7 verstrekt, treedt het college van de gemeente waarvan de werknemer
ingezetene is per die datum bij de toepassing van dat artikel in de
plaats van het andere college.
-2. Indien op de datum van inwerkingtreding
van artikel 10, tweede lid, de werknemer in een
dienstbetrekking staat tot het college van een andere gemeente dan de
gemeente waarvan hij ingezetene is, betaalt het college van de gemeente
waarvan de betrokkene ingezetene is vanaf die datum aan het andere
college een overeenkomstig artikel 10, derde lid,
berekende vergoeding voor zover zijn dienstbetrekking met dat college
voortduurt.
Art.
21.
[Inwerkingtreding verordeningen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb
2007, 564]
De verordeningen, bedoeld in de artikelen
2, derde lid, en 7, tiende lid, treden uiterlijk
zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel
I, onderdeel B, respectievelijk artikel I,
onderdeel G, van de Wet van 20 december 2007
tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening in verband met een
betere realisering van de met die wet beoogde doelen (Stb.
2007, 564) in werking.
HOOFDSTUK
8
Wijzigingen
in andere wetten
Vervallen
Art. 22.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 23.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 24.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 25.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 26.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 27.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 28.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 29.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 30.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 31.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 32.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
1997, 735; Stb. 2000, 594]
Art. 33.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 34.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
1997, 735; Stb. 2000, 594]
Art. 35.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 36.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb. 1997, 465
jo. Stb.
1997, 789; Stb.
2000, 594]
Art. 37.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997;
Stb. 1997, 465
jo. Stb.
1997, 789; Stb.
2000, 594]
Art. 38.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2000, 594]
Art. 39.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 40.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 41.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 42.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 43.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 44.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
Art. 45.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 11 september 1997; Stb.
2000, 594]
HOOFDSTUK
9
Slotbepalingen
Art.
46.
[Evaluatiebepaling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 11 september 1997]
Onze Minister zendt na drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de
Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en doelmatigheid van
deze wet.
Art.
47.
[Intrekking WSW]
[Geschiedenis:
versie 11 september 1997]
De Wet Sociale Werkvoorziening wordt
ingetrokken.
Art.
48.
[Inwerkingtreding]
[Geschiedenis:
versie 11 september 1997]
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 6 oktober 1997, Stb. 1997, 466, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art.
49.
[Citeertitel]
[Geschiedenis:
versie 11 september 1997]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
sociale werkvoorziening.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 11
september 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de zestiende oktober
1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|