|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 1995-1996, 24 787
Nieuwe regeling inzake de sociale werkvoorziening (Wet
sociale werkvoorziening)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Herziening van de
Wet Sociale Werkvoorziening |
| 1.2 |
De advisering door
de commissie-Houben |
| 1.3 |
Stroomlijning van
gesubsidieerde arbeid |
| 1.4 |
Advies van de
Sociaal-Economische Raad en de VNG |
| 1.5 |
De opbouw van de
memorie van toelichting |
| 2 |
De bestuurlijke
vormgeving |
| 2.1 |
Een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van Rijk en gemeenten |
| 2.2 |
De verdeling van
verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten |
| 2.3 |
Het specifieke
karakter van de bekostiging |
| 2.4 |
Een andere wijze van
indiceren |
| 2.5 |
Modaliteiten voor de
uitvoering van de wet door gemeenten |
| 2.6 |
De verhouding tussen
gemeente en uitvoeringsorganisatie |
| 3 |
De
doelgroep |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Toelatingscriteria |
| 3.3 |
In staat tot
regelmatige arbeid |
| 3.4 |
Beperkingen |
| 3.5 |
Specifiek aangepaste
omstandigheden |
| 3.6 |
Verwachte effecten
van de gewijzigde doelgroepomschrijving |
| 3.7 |
Begeleid werken |
| 3.8 |
Bevordering van
uitstroom |
| 4 |
Aanmelding,
indicatie en plaatsing |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
De Dienst indicatie
sociale werkvoorziening |
| 4.3 |
De gemeentelijke
adviescommissie sociale werkvoorziening |
| 5 |
De arbeid in de
sociale werkvoorziening |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Maatschappelijk
zinvolle arbeid |
| 5.3 |
Situering van arbeid
onder aangepaste omstandigheden |
| 5.4 |
Specifieke eisen, te
stellen aan arbeid onder aangepaste omstandigheden |
| 5.5 |
Beoordeling van de
kwaliteit van de aanpassingen |
| 6 |
De dienstbetrekking |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
De oorspronkelijke
keuze voor een speciale dienstbetrekking |
| 6.3 |
Naar een
arbeidsovereenkomst volgens het Burgerlijk Wetboek |
| 7 |
Collectieve
arbeidsvoorwaardenvorming |
| 7.1 |
Inleiding |
| 7.2 |
Formalisering van
het arbeidsvoorwaardenoverleg |
| 7.3 |
Overdracht van de
werkgeversrol in het Centraal Overleg Sociale Werkvoorziening |
| 7.4 |
De
verantwoordelijkheid van het Rijk bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden |
| 8 |
De medezeggenschap |
| 8.1 |
Inleiding |
| 8.2 |
Beroepsgang |
| 8.3 |
Ontheffing |
| 8.4 |
Een gezamenlijke
ondernemingsraad voor WSW-werknemers en ambtelijk personeel |
| 8.5 |
Betrokkenheid van de
VNG bij uitoefening SER-bevoegdheden |
| 8.6 |
De integrale
toepassing van de Wet op de ondernemingsraden |
| 9 |
De bekostiging van
de sociale werkvoorziening |
| 9.1 |
Inleiding |
| 9.2 |
De financiering van
de sociale werkvoorziening |
| 9.3 |
Systematiek voor de
jaarlijkse vaststelling van de rijksvergoeding en het aantal te realiseren arbeidsplaatsen |
| 9.4 |
Maatstaven voor de
verdeling van de rijksmiddelen |
| 9.5 |
Mogelijkheden voor de
toekenning van een afwijkend budget |
| 9.6 |
Financiële
stimulansen |
| 9.7 |
Voorschriften voor de
besteding van de rijksmiddelen |
| 10 |
Toezicht en
informatie |
| 10.1 |
Inleiding |
| 10.2 |
Het toezicht op de
gemeenten |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
1 t/m 43 |
Algemeen
1. Inleiding
1.1. Herziening van de
Wet Sociale Werkvoorziening
De Wet Sociale
Werkvoorziening is aan het einde van de jaren zestig tot stand gebracht met het
doel een eenduidig kader te scheppen voor het aanbieden van arbeid
onder aangepaste omstandigheden aan personen die door een handicap
niet in de gelegenheid zijn om onder normale omstandigheden te werken.
De WSW, die in de plaats kwam van enkele regelingen gericht op
specifieke groepen werknemers, geeft aan de gemeenten de taak te
bevorderen dat arbeid onder aangepaste omstandigheden tot stand komt en regelt
de voorwaarden waaronder het Rijk een financiële bijdrage
verstrekt.
Sinds de inwerkingtreding
van de wet op 1 januari 1969 heeft de sociale werkvoorziening een
stormachtige groei doorgemaakt. In een kwart eeuw is het aantal werknemers
in de sociale werkvoorziening toegenomen van ruim 40 000 tot meer dan
85 000 personen op dit moment. Mede in verband met de stijgende
lasten die deze groei met zich bracht, is de wet in de loop der jaren een
aantal malen op onderdelen gewijzigd.
Een zeer ingrijpende
wijziging werd doorgevoerd bij Wet van 28 september 1988 (Stb.
1988, 440). Met deze wetswijziging werd een wettelijke basis gecreëerd voor een meerjarig beleidsexperiment
"Budgetfinanciering,
decentralisatie en deregulering" (BDD). Belangrijkste onderdeel van deze
beleidsoperatie was de invoering van een systeem van budgetfinanciering in
plaats van de tot dan toe gehanteerde open-eindefinanciering
door het Rijk. Tevens werden belangrijke verantwoordelijkheden
overgedragen aan gemeenten, onder andere door het intrekken van
gedetailleerde organisatievoorschriften voor de sociale werkvoorziening en door
het afschaffen van preventief toezicht van rijkswege. Tot slot werd
een herziening van het arbeidsvoorwaardenregime voor de sociale werkvoorziening voorzien. De duur van het
beleidsexperiment werd in
principe beperkt tot de jaren 1989-1992, met rblz.|2|
een mogelijke uitloop tot
en met 1994. Daarna zouden de in de experimentele periode opgedane
ervaringen zijn vastgelegd in nieuwe regelgeving.
Reeds bij de opzet van de
beleidsoperatie werd de wenselijkheid onderkend van een evaluatie van het totaal aan ervaringen dat zou
worden opgedaan. Om die
reden is voorzien in een programma-evaluatie op grond van door een
extern adviesbureau te verzamelen gegevens. De twee rapportages van het
adviesbureau en de op grond daarvan geformuleerde conclusies zijn aan de
Tweede Kamer aangeboden in mei 1991 (Kamerstukken II 1990-1991,
21 800 XV, nr. 71) en september 1993 (Kamerstukken II 1993-1994,
23 400 XV, nr. 30).
Nadat in de loop van 1993
de vormgeving van een concept-wetsvoorstel tot herziening van de WSW
ter hand was genomen, werd al spoedig duidelijk dat niet kon
worden volstaan met een herziening die zich beperkte tot in de
regelgeving verwerken van de tot dan toe in het kader van de beleidsoperatie
opgedane ervaringen met een nieuwe financieringswijze en
andere nieuw ontwikkelde instrumenten.
Gewijzigde opvattingen
over de betekenis van de sociale werkvoorziening als werkgelegenheidsinstrument voor personen met een
handicap, veranderingen
in de bestuurlijke omgeving en de noodzaak tot afstemming met andere in
de laatste jaren geïntroduceerde arbeidsmarktinstrumenten, zoals de banenpools en de
Jeugdwerkgarantiewet, maakten een bredere herijking van
de Wet Sociale Werkvoorziening gewenst dan in het kader van de
beleidsoperatie BDD was voorzien.
1.2. De advisering door
de commissie-Houben
Met het oog op deze
herijking stelde de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
eind 1993 een kleine commissie in van onafhankelijke
deskundigen (de commissie-Houben). Deze kreeg tot taak te adviseren over de
"toekomstbestendigheid" van het inmiddels voorbereide concept-wetsvoorstel tot
wijziging van de WSW. In haar tussenbericht van 10 maart 1994
adviseerde de commissie om het concept-wetsvoorstel vooralsnog niet in
procedure te brengen. In de eindrapportage, die in
juni 1994 naar buiten werd gebracht onder de titel "In werk
voorzien", gaf
de commissie analyses van de hiervoor genoemde aspecten en deed zij een aantal aanbevelingen voor een
verdergaande herziening
van de regelgeving. Om voldoende ruimte te scheppen voor een bredere
herijking van de WSW werd bij Wet van 29 september 1994 (Stb.
1994, 730) de mogelijkheid geopend de experimentele periode te verlengen tot
en met 1996. Bij Koninklijk besluit van 25 september 1995, Stb.
1995, 463,
is deze mogelijkheid benut.
De
commissie-Houben
signaleert in haar eindrapportage een aantal belangrijke knelpunten
waarvoor de nieuwe wetgeving een oplossing zou moeten bieden. Ten aanzien van de doelgroep van de sociale werkvoorziening
signaleert de commissie een zekere "vervaging". In de huidige situatie van structurele
werkloosheid zijn ook vele anderen op grote afstand van de
arbeidsmarkt geraakt met een al even minimale kans om zonder steun van de
overheid een baan te verwerven als vele gehandicapten. De exacte definiëring
van de doelgroep van de werkvoorziening vergt daarom volgens de commissie een hernieuwde politieke keuze. Tevens is een strakke
afbakening naar andere arbeidsmarktinstrumenten noodzakelijk.
In de tweede plaats wijst
de commissie op het risico van een "verwarring van verantwoordelijkheden
op gemeentelijk niveau doordat de rblz.|3|
verantwoordelijkheid voor een efficiënte bedrijfsvoering, voor het
afdekken van financiële tekorten en voor de indicatiestelling en selectie van kandidaat-werknemers
feitelijk in één hand liggen. Onafhankelijke indicatiestelling is om
die reden gewenst". Ook wijst de commissie op de onwenselijkheid van een
automatische neerwaartse bijstelling van de rijksvergoeding per
arbeidsplaats naarmate de gemeenten meer arbeidsplaatsen tot stand brengen. In
plaats daarvan zou een periodiek contract tussen Rijk en gemeenten
moeten worden afgesloten over het te realiseren aantal arbeidsplaatsen en
de daarvoor te verstrekken vergoeding.
1.3. Stroomlijning van
gesubsidieerde arbeid
Mede naar aanleiding van
de rapportage van de commissie-Houben is bij de kabinetsformatie
1994 in het regeerakkoord vastgelegd dat in de loop van de kabinetsperiode voorstellen zouden worden gedaan voor een
stroomlijning van de programma’s voor gesubsidieerde arbeid. Een notitie met de
hoofdlijnen voor een dergelijke stroomlijning is in augustus 1995 aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal aangeboden na consultatie van de bij de
onderscheiden regelingen betrokken instanties en belangenorganisaties (Kamerstukken II 1994-1995, 24 347,
nrs. 1 en 2). In deze notitie wordt de
indiening aangekondigd van het onderhavige voorstel tot herziening
van de Wet Sociale Werkvoorziening en van een voorstel voor een nieuwe
Wet inschakeling werkzoekenden, die in de plaats komt van onder andere de huidige Rijksbijdrageregeling banenpools
en de Jeugdwerkgarantiewet. In de notitie is een reactie op het rapport van de
commissie-Houben vervat.
Ten aanzien van de
sociale werkvoorziening wordt in de notitie "Stroomlijning van gesubsidieerde
arbeid" voorgesteld te komen tot een
hernieuwde afbakening van
de doelgroep en de introductie van een onafhankelijke
indicatiestelling voor de sociale werkvoorziening. Ook wordt voorgesteld
voorzieningen voor begeleid werken onder de vigeur van de Wsw te brengen.
Voor de rechtspositie van de WSW-werknemers is de overgang naar een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voorzien, gekoppeld aan
de overdracht van de werkgeversrol in het arbeidsvoorwaardenoverleg
naar de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
[VNG, red.].
Voor nieuwe werknemers is
het uitgangspunt in de notitie een arbeidsovereenkomst van 32 uur op het niveau
van het minimumloon. Na twee jaar kan een functieloon worden geboden. Aanspraken van de zittende
werknemers worden niet
aangetast. Voor wat betreft de bekostiging wordt voorgesteld een
systematiek van budgetfinanciering te handhaven, waarbij de vergoeding per
arbeidsplaats wordt gerelateerd aan de mate van arbeidshandicap van
de werknemer.
1.4. Advies van de
Sociaal-Economische Raad en de VNG
De notitie
"Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid" is bij brief van 19 december
1995 voor advies
voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad. De Raad heeft op 16 februari 1996 zijn advies vastgesteld. De
Raad is
het eens met het kabinet
dat een stroomlijning van instrumenten van gesubsidieerde arbeid
wenselijk is. De Raad kan zich ook in algemene zin vinden in de
doelstellingen van het kabinet alsook in de praktische motieven die aan de
stroomlijnoperatie ten grondslag liggen. Met het kabinet meent de Raad dat
het specifieke karakter van de sociale werkvoorziening tot op zekere hoogte een
aparte benadering rechtvaardigt. Als belangrijkste overweging daarbij geldt dat het hier gaat om een kwetsbare
groep die extra
bescherming nodig heeft. De Raad stemt dan ook in met het voornemen deze
regeling met een afzonderlijke bekostiging te rblz.|4|
handhaven en de
afstemming met de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden te
realiseren via een herziening van de WSW.
Ten aanzien van de
specifieke kabinetsvoorstellen ten aanzien van de Wsw
komt de Raad tot de
volgende conclusies. De Raad staat positief tegenover het voornemen
de omschrijving van de SW-doelgroep te verduidelijken en beter
hanteerbaar te maken. Naar het oordeel van de Raad dient de
indicatiestelling voor de Wsw te worden opgedragen aan een onafhankelijk orgaan.
Wat de bestuurlijke vormgeving hiervan betreft, komt de Raad tot de
conclusie dat de constructie van een zelfstandig bestuursorgaan hiervoor
het meest in aanmerking komt. De Raad hecht eraan dat bij de
samenstelling van de indicatieteams wordt voorzien in arbeidsmarktdeskundigheid.
De indicatieteams dienen voorts bij de uitoefening van hun taken
een zekere ruimte te hebben om maatwerk te kunnen leveren. Gelet op
de samenhang met taken van de bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] is
daarnaast overleg en afstemming met deze instanties gewenst.
De Raad beschouwt het
voornemen tot omzetting van de SW-dienstbetrekking in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als een
logische stap in de
ontwikkeling van de sociale werkvoorziening, waarbij meer en meer de nadruk is
komen te liggen op de mondigheid en de gelijkwaardigheid van de
werknemer met een handicap. De Raad stemt tevens in met de aan de
stroomlijningsnota ten grondslag liggende gedachte dat een
stroomlijning van gesubsidieerde arbeid tevens een afstemming vraagt ten
aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Over de uitwerking van dit uitgangspunt voor arbeidsduur en beloning is de
Raad
echter verdeeld.
De Raad stemt in met het
voornemen de huidige vaste rijksvergoeding per arbeidsplaats te
vervangen door een vergoeding die afhankelijk is van de ernst van de handicap.
De Raad vraagt in dit verband aandacht voor het wegnemen van een knelpunt
in het huidige bekostigingsmodel dat ertoe leidt dat bij een groei
van het aantal arbeidsplaatsen automatisch de vergoeding per
arbeidsplaats afneemt.
Ten slotte gaat
de Raad in
op het voorstel in de stroomlijningsnotitie om te komen tot een
herschikking van verantwoordelijkheden op het terrein van begeleid werken. De
Raad wijst dit voorstel af. De Raad constateert dat ondanks de voorgenomen
herschikking van verantwoordelijkheden een bemoeienis van de
bedrijfsverenigingen met begeleid werken blijft bestaan. Van een heldere
verdeling van verantwoordelijkheden is derhalve naar het oordeel
van de Raad geen sprake. De Raad wijst er tevens op dat de
beloningsverschillen tussen SW-werknemers en werknemers in het kader
van begeleid werken in belangrijke mate zullen verdwijnen door de
voornemens op het punt van de arbeidsvoorwaarden van nieuwe
SW-werknemers.
Overleg met de
VNG over
het onderhavige wetsvoorstel heeft op één punt een afwijkende
opvatting aan het licht gebracht. Hoewel in het wetsvoorstel is afgestapt
van de optie om de indicering voor de sociale werkvoorziening neer te
leggen bij een zelfstandig bestuursorgaan en aan de gemeente
de taak is
gegeven om via gemeentelijke indicatiecommissies kandidaten voor de
sociale werkvoorziening voor te dragen, acht de VNG de
gemeentelijke betrokkenheid onvoldoende gewaarborgd. De VNG geeft de voorkeur
aan een volledige gemeentelijke verantwoordelijkheid op dit terrein,
ingekaderd door inhoudelijke en procedurele voorschriften en
eventueel toezicht door het Rijk.
rblz.|5|
Over een ander punt wordt
het overleg voortgezet. Dat heeft betrekking op de veronderstelling
van de VNG dat op financieel terrein te weinig garanties worden geboden.
In bespreking is hoe kan worden voorkomen dat de strakkere
omschrijving van de doelgroep op termijn zal leiden tot verminderde
financiële
resultaten en dat onzekerheid zou kunnen ontstaan over eventuele
herverdeeleffecten. Men is bovendien van mening dat een oplossing
moet worden getroffen voor de financiële problemen die gemeenten
thans reeds ondervinden door de in het kader van de Decentralisatie
Impuls opgelegde bezuinigingen in combinatie met de effecten van het
vigerende financieel verdeelmodel. Wel wordt erkend dat voortzetting van dit
model niet gewenst is.
Ten slotte is mede in dit
verband ook het vraagstuk van het werkgeverschap nog voorwerp van beraad.
1.5. De opbouw van de
memorie van toelichting
In
de onderhavige wet
zijn de in de notitie "Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid"
ten aanzien van
de sociale werkvoorziening uitgesproken voornemens uitgewerkt,
rekening houdend met het advies van de Sociaal-Economische
Raad.
In de volgende hoofdstukken van de memorie van toelichting wordt
waar nodig nader ingegaan op een aantal specifieke onderdelen van het advies
van de Raad.
Het kabinet heeft gekozen
voor indiening van een nieuwe Wet sociale werkvoorziening in plaats
van een herziening van de bestaande WSW in verband met het
ingrijpende karakter van de noodzakelijke wijzigingen. Deze omvatten onder
andere een nieuwe, strakkere omschrijving van de doelgroep en een nieuwe
wijze van indicering van kandidaat-werknemers, een verdere normalisering
van de arbeidsverhouding en de medezeggenschap van werknemers die een dienstbetrekking in het kader van deze wet
hebben, een nieuwe
invulling van de bekostiging van gemeenten en een herschikking van de
bestuurlijke verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten. Tevens is een
afstemming met andere regelingen op het terrein van
gesubsidieerde arbeid beoogd. Al deze wijzigingen tezamen maken naar het oordeel
van het kabinet een nieuwe wet noodzakelijk. Bovendien wordt daarmee
de duidelijkheid en doorzichtigheid van de wettelijke regeling
gediend.
In
hoofdstuk 2 van deze memorie van toelichting wordt in de eerste plaats aangegeven welke
overwegingen ten grondslag liggen aan de gekozen verdeling van de
verantwoordelijkheden tussen het Rijk en de gemeenten
voor de sociale werkvoorziening en aan de beslissing een
speciale voorziening te
treffen voor de indicatiestelling SW. Ook wordt ingegaan op de noodzaak
om, ondanks het streven naar de stroomlijning van de regelingen voor
gesubsidieerde arbeid, vast te houden aan afzonderlijke regelgeving
voor de sociale werkvoorziening en op de mogelijkheden voor
gemeenten om desondanks over te gaan tot een geïntegreerde uitvoering van de regelingen voor gesubsidieerde arbeid
waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen.
Hoofdstuk
3 van de toelichting beargumenteert de noodzaak van een strakkere omschrijving
van de doelgroep van de sociale werkvoorziening ten opzichte van de globale en voor ruime uitleg vatbare definitie van de
"personenkring" die in
1967 is gekozen en geeft een nadere invulling aan de elementen die in de
nieuwe situatie de doelgroep bepalen: het in staat zijn tot regelmatige
arbeid en het door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen
aangewezen zijn op aangepaste omstandigheden.
rblz.|6|
In hoofdstuk 4 wordt
ingegaan op de werkwijze van de nieuw in te stellen Dienst indicatie
sociale werkvoorziening [geschrapt tijdens de parlementaire behandeling,
zie paragraaf 4.2, red.] alsmede de gemeentelijke (advies)commissies ten behoeve van de sociale werkvoorziening in het kader van de aanmelding
van kandidaat-werknemers,
de indicatiestelling en de plaatsing in de sociale werkvoorziening.
Hoofdstuk 5 gaat in op een aantal aspecten van de in de sociale
werkvoorziening aangeboden arbeid onder aangepaste omstandigheden. Tevens
wordt ingegaan op de positie van het begeleid werken in relatie tot
deze wet.
De
hoofdstukken 6, 7 en 8
behandelen achtereenvolgend de overgang van een dienstbetrekking
sui generis naar een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ook in
de sociale werkvoorziening, de collectievearbeidsvoorwaardenvorming
en de nieuwe regeling van de medezeggenschap.
De
hoofdstukken 9 en 10
behandelen de bekostiging van de gemeenten en van het nieuwe
landelijke orgaan voor de indicatiestelling, de informatievoorziening van
het Rijk door deze instanties en het toezicht van de rijksoverheid op een
juiste uitvoering van de wet.
2. De bestuurlijke
vormgeving
2.1. Een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van Rijk en gemeenten
De Wet Sociale
Werkvoorziening regelt dat Rijk en gemeenten
gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het beschikbaar stellen van arbeid
onder aangepaste omstandigheden aan personen die door een handicap daarop aangewezen zijn.
Voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid is bij de inrichting van de wet in 1967 gekozen vanuit de overweging dat het
tot stand brengen van
arbeid onder aangepaste omstandigheden het beste op lokaal niveau
kan geschieden. Tegelijkertijd is het tot stand komen van een dergelijke
voorziening van een over het hele land gezien voldoende kwalitatief en
kwantitatief niveau van een dusdanige importantie dat medebetrokkenheid van
de rijksoverheid in voorwaardenscheppende en toetsende zin gewenst
is. Het parlement moest de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te allen tijde kunnen aanspreken en
verantwoordelijk kunnen stellen voor de instandhouding van deze voorziening en een juiste
wijze van uitvoering. Deze overwegingen golden in 1967 en zijn in de
kern nog ongewijzigd.
Het vorenstaande bepaalt
de beleids- en beheersvrijheid die aan gemeenten
kan worden
gelaten en beperkt tevens de mogelijkheid om te komen tot een volledige overdracht van de zeggenschap over de sociale
werkvoorziening naar
gemeenten. De verdeling van de rijksmiddelen die voor de sociale
werkvoorziening ter beschikking worden gesteld en de mogelijkheid van
verrekening dan wel terugvordering van de beschikbaar gestelde middelen indien
sprake is van onjuiste of onvoldoende uitvoering van de Wsw
door de gemeenten zijn - in combinatie met de informatieverplichting en
het toezichtsinstrumentarium - voldoende instrumenten om de
verantwoordelijkheid van het Rijk ten opzichte van het parlement inhoud te
kunnen geven.
2.2. De verdeling van
verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten
De manier waarop
invulling is gegeven aan de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het
terrein van de sociale werkvoorziening is in de
loop van de jaren aan aanzienlijke veranderingen rblz.|7|
onderhevig geweest. Met
name in de eerste twee decennia na de totstandkoming van de Wet
Sociale Werkvoorziening was er een zeer intensieve
rijksbemoeienis met de wijze waarop gemeenten de sociale werkvoorziening
uitvoerden.
Die bemoeienis kwam tot
uitdrukking in de subsidiëring van specifieke uitgavenposten,
gedetailleerde regelgeving ten aanzien van de organisatie, de arbeidsverhouding en
de besteding van de middelen, in het vereiste van toestemming
vooraf voor bepaalde gemeentelijke acties en in een gedetailleerd toezicht achteraf op rechtmatigheid, de doelmatigheid
en de doeltreffendheid
van de uitvoering.
De inzet van het in 1989
ingezette beleidsexperiment was om de regelgeving, en daarmee
de bestuurlijke verhoudingen, zodanig te wijzigen dat zoveel
mogelijk bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het lokale niveau worden
neergelegd. Bij de start van de beleidsoperatie is niet in detail uitgewerkt
in welke mate de decentralisatie van de WSW verder zou gaan dan de
medebewindsfiguur uit de wet van 1969. In de experimentele fase zou
daarover meer duidelijkheid worden gezocht, binnen de kaders van
territoriale decentralisatie.
De in de beleidsoperatie
gekozen uitgangspunten zijn verder aangescherpt bij de inwerkingtreding
van de nieuwe Gemeentewet
(Stb. 1992, 96). Iedere noodzaak om gemeenten
anders te laten opereren dan in de
Gemeentewet is voorzien,
moet thans immers worden beargumenteerd. In het kader van de
onderhavige wet zijn het met name de beginselen van rechtsgelijkheid en van
doelmatigheid van het openbaar bestuur die tot verbijzonderingen ten
opzichte van de Gemeentewet nopen, overigens zonder de zelfstandige
waarde van taak en functie van de gemeente ten aanzien van de sociale
werkvoorziening geweld aan te doen. De beide beginselen noodzaken met
name tot nadere regelgeving ten aanzien van de toelating en het ontslag uit de sociale werkvoorziening, ten aanzien van
enkele aspecten van de arbeidsvoorwaarden en ten aanzien van de verdeling van de
rijksmiddelen. Voor het overige is het gekozen uitgangspunt aan
gemeenten een zo groot mogelijke vrijheid bij de uitvoering van de wet te
bieden.
Zowel de specifieke
problematiek van de indicatie voor de sociale werkvoorziening als de
verdelingsvraagstukken in het kader van de bekostiging maken het
tevens gewenst om de Wet sociale werkvoorziening naast de voorgenomen
Wet
inschakeling werkzoekenden als afzonderlijke wettelijke
regeling voor gesubsidieerde arbeid te laten voortbestaan. In dit
kader is tevens van belang dat bij de sociale werkvoorziening feitelijk
sprake is van een afzonderlijk type van gesubsidieerde arbeid. Het gaat veelal
om bedrijven die speciaal door de overheid in stand worden gehouden
om arbeid onder aangepaste omstandigheden te bieden aan gehandicapten.
Voor de
gemeenten die
zowel in de Wsw als in de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden worden belast met de uitvoering betekent
het bestaan van twee regelingen tot op zekere hoogte een complicatie bij
de verwezenlijking van één lokale regie op het gehele terrein van de gesubsidieerde arbeid. Op
een aantal punten zal immers sprake zijn van - noodzakelijke - verschillen. Op andere punten, waar in de oude regelgeving nog onnodig een
afwijkende benadering bestond, wordt in de nieuwe situatie gekozen
voor een uniforme aanpak die een geïntegreerde uitvoering door gemeenten
mogelijk maakt. Zo wordt de benadering van de rechtspositie, de
arbeidsvoorwaarden en de medezeggenschap van werknemers in het kader
van deze regelingen zoveel mogelijk geharmoniseerd en verdwijnen de divergerende eisen die in de oude regelgeving
rblz.|8|
aan de
uitvoeringsorganisaties werden gesteld. Ook ten aanzien van de informatievoorziening van
gemeenten naar het Rijk en voor de invulling van het rijkstoezicht
wordt een eensluidende benadering gekozen.
2.3. Het specifieke
karakter van de bekostiging
Een dwingende overweging
om een afzonderlijke wettelijke regeling voor de sociale werkvoorziening te treffen is van
bestuurlijk-financiële
aard. Gemeenten hebben in het verleden bij de uitvoering van de sociale werkvoorziening op grote
schaal gekozen voor intergemeentelijke samenwerking op grond van
de Wet
gemeenschappelijke regelingen of op grond van bilaterale
afspraken. Hun taken in het kader van de Wsw zijn in dat geval opgedragen aan
een regionaal werkvoorzieningschap of aan een centrumgemeente. Slechts
negentien, over het algemeen grotere, gemeenten voeren op dit
moment de wet zelfstandig uit.
Bij de bekostiging van de
sociale werkvoorziening wordt met deze intergemeentelijke samenwerking rekening gehouden. De middelen
worden niet toegekend aan
alle gemeenten afzonderlijk maar aan 101 "bestuurlijke
eenheden". In het kader van de Decentralisatie Impuls is in 1993 nagegaan of de
overstap naar een financiering via afzonderlijke gemeenten haalbaar was.
De conclusie was toen dat in elk geval herverdeeleffecten zouden
optreden. Ruim 60% van de gemeenten zou te maken krijgen met
herverdeeleffecten van meer dan 25%. De omvang van deze herverdeeleffecten
vloeit voort uit de in het verleden ontstane scheve verdeling van SW-arbeidsplaatsen over het land. Correctie van deze
scheve verdeling is
slechts mogelijk op langere termijn en langs de weg van geleidelijkheid.
Zowel de nieuwe wijze van indicatie als bepaalde elementen in de nieuwe
bekostigingssystematiek zullen naar verwachting een dergelijke correctie
kunnen bewerkstelligen. Het tempo waarin herverdeling optreedt kan
worden beheerst door de wijze van invulling van de
sociaal-demografische factoren in het verdeelmodel (zie paragraaf
9.4) en door het stellen
van
grenzen aan de mutatie die van jaar op jaar in de budgetten van gemeenten
ten hoogste mag optreden.
Een belangrijke stap, die
in 1992 experimenteel is gezet, is de koppeling van de toekenning van
budgetten aan een daarmee te realiseren aantal arbeidsplaatsen. Feitelijk is daarmee de overgang gemaakt van een
bijdrage in de kosten van
de uitvoering naar een subsidie, gekoppeld aan een
resultaatverplichting. Door deze overstap in bekostigingsfilosofie, die nu ook consequent in de
regelgeving is neergelegd, vervalt de noodzaak van een min of meer
gedetailleerde bemoeienis van rijkswege met de wijze waarop de kosten
van gemeente tot gemeente zijn opgebouwd. In hoofdstuk 9 en in de
artikelsgewijze toelichting wordt op de nog resterende specifieke regelgeving
ten aanzien van de bekostiging ingegaan.
2.4. Een andere wijze van
indiceren
Het vraagstuk van de
verdeling van verantwoordelijkheden bij de indicatie voor de sociale
werkvoorziening is uitvoerig met alle betrokken partijen besproken in het
kader van de experimentele beleidsoperatie. De kwestie werd zo urgent
geacht dat reeds in 1991 tussentijds advies werd gevraagd aan de
Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad.
In de adviesaanvrage worden de eisen geformuleerd die in de
nieuwe situatie aan de toelatingsprocedure moeten worden gesteld.
Vereist is dat de toelatingsprocedure zorgvuldig verloopt, dat de
besluitvorming over de toelating zorgvuldig moet zijn en dat zowel de beoordeling
als de beslissing persoonsgericht moeten zijn, onafhankelijk van de plaatsingsmogelijkheden in een werkverband en dus
rblz.|9|
onafhankelijk van de
behoeften vanuit het bedrijfsproces van de SW-organisatie.
In de adviesaanvrage is
beargumenteerd dat het de voorkeur verdient niet elk van deze
operationele doelstellingen afzonderlijk en gedetailleerd te laten controleren
door
de rijksoverheid. In plaats daarvan werd voorgesteld het
gemeentebestuur te verplichten tot de instelling van een commissie die belast
wordt met de advisering over de vraag of een persoon tot de doelgroep
behoort.
De Adviescommissie
Werkloosheidsvoorziening onderschreef in haar advies de uitgangspunten
voor de nieuwe procedure. Vooral het principe van een onafhankelijke
besluitvorming met het oog op een objectieve beslissing achtte de Commissie van wezenlijk belang. De
Commissie was
echter verdeeld over de bestuurlijke vormgeving. Een deel van de Commissie was van oordeel
dat het op grond van de uitgangspunten noodzakelijk is het
onderzoek van personen die zich aanmelden en de indicatie voor de sociale
werkvoorziening buiten de gemeentelijke verantwoordelijkheid te
plaatsen. Dit deel van de Commissie adviseerde de taken op te dragen aan
een onafhankelijk regionaal orgaan. Een ander deel van de Commissie had
voorkeur voor een gemeentelijke commissie.
Gezien het verdeelde
advies is besloten niet tussentijds tot een aanpassing van de regelgeving over te gaan. In de notitie
"Stroomlijning
van gesubsidieerde arbeid" is het vraagstuk opnieuw opgepakt, in aansluiting op de analyse
van de commissie-Houben van de gemeentelijke taken op het terrein van
de sociale werkvoorziening. Deze heeft erop gewezen dat het niet voor
de hand ligt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling wie tot de
doelgroep van de sociale werkvoorziening behoort bij de gemeente
te laten.
De gemeente moet immers voortdurend de afweging maken tussen de
randvoorwaarden uit een oogpunt van bedrijfsvoering en
overwegingen van rechtvaardigheid ten aanzien van de doelgroep. In de
stroomlijningsnotitie heeft het kabinet deze analyse onderschreven. Ook de
Sociaal-Economische Raad heeft dat gedaan in zijn advies van 16
februari 1996.
Het advies van de
commissie-Houben om als mogelijke oplossing van een "verwarring van
verantwoordelijkheden" onafhankelijke indicatiecommissies in te stellen, die
beslissen op grond van rijksnormen, is in deze wet uitgewerkt. De onafhankelijke indicatie omvat een toelatingsonderzoek
door een team van deskundigen, benoemd op grond van hun professionaliteit en
zonder binding met de gemeente of andere aanmeldende of uitvoerende
instanties.
Wel heeft het kabinet, één en ander nader overwegende, de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de
instelling van een gemeentelijke (advies)commissie met betrekking tot de sociale
werkvoorziening in tact
gelaten. In concreto gaat
het nu om door de gemeenten (gezamenlijk) in te stellen
adviescommissies die kandidaten voordragen aan de minister. Hierbij dienen wel
randvoorwaarden te worden aangegeven ten aanzien van deskundigheid en
onafhankelijkheid van de commissies. De taken van de commissies worden in
de wet vastgelegd en er zullen eisen worden gesteld aan de
samenstelling van de adviescommissie. Dit laatste betreft eisen op het gebied van
deskundigheid (ten minste arbeids- en arbeidsmarktdeskundigheid, en medische en
psychologische deskundigheid) en eisen in de sfeer van incompatibiliteiten
(bijvoorbeeld een commissielid
is niet betrokken bij de bedrijfsvoering van de sociale werkvoorziening).
Met een dergelijke
invulling blijft sprake van een zekere verantwoordelijkheid van de gemeente inzake de
indicering, zij het dat met het oog op de ook door de commissie-Houben gesignaleerde innerlijke spanning in de taken en
verantwoordelijkheden die tot dusver bij de gemeente rblz.|10|
berusten, gekozen wordt
voor adviescommissies in plaats van commissies met
beslissingsbevoegdheid.
Inrichting van
adviescommissies op het niveau van de bestuurlijke eenheden heeft duidelijk
voordelen boven instelling per gemeente. Zo leidt organisatie per bestuurlijke eenheid tot een betere (regionale)
afstemming qua
beoordelingswijze en wordt de inzet van menskracht beter gebundeld. Het ligt
in de rede dat gemeenten vanuit hun eigen belang vrijwillig voor
een dergelijke bundeling kiezen; met de VNG
zal in overleg worden getreden
om deze bundeling te bevorderen.
De beslissingsbevoegdheid
omtrent de indicatie berust dus niet langer bij de gemeente.
Overwogen is de indicatie als gemeentelijke taak op te trekken naar het provinciaal niveau, met name vanuit de gedachte dat
onnodige centralisatie vermeden moet worden. Hier is evenwel niet voor gekozen. In het kader van
de vernieuwing van de bestuurlijke organisatie (vbo) is het streven van
het kabinet erop gericht op termijn te komen tot een aanpassing van de
bestuurlijke structuur om een sterk en slagvaardig gemeentelijk en
provinciaal bestuur te realiseren. In de oorspronkelijke wetsvoorstellen inzake de
vorming van de stadsprovincie Rotterdam was bepaald dat de
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening
zou overgaan naar de provincie. In die situatie zou er opnieuw sprake
zijn van een belangenvermenging wanneer de indicatiestelling bij de
provincie zou worden neergelegd. Omdat het kabinet vasthoudt aan de
in het vbo-traject aanvankelijk gekozen inzet, moet er rekening mee
worden gehouden dat in de toekomst voor bepaalde provincies (nieuwe stijl)
zal gelden dat de uitvoering van de Wsw daar
berust en niet bij de
gemeenten. Bijkomend punt is dat de uitvoerende activiteit betreffende de
indicatiestelling niet aansluit bij het reguliere takenpakket van de provincies.
Alles overwegende is nu
gekozen voor indicatiestelling op het niveau van de centrale overheid.
Voor de bestuurlijke inrichting op dat niveau zijn meerdere varianten denkbaar, met name qua mate van (interne) verzelfstandiging.
Het kabinet acht het om
praktische redenen gewenst om - binnen de ministeriële
verantwoordelijkheid - het hoofd van een verzelfstandigde dienst met de afdoening te belasten.
De eigenlijke
indicatiestelling - het nemen van de beschikking - wordt derhalve neergelegd bij
de directeur van een nieuw te creëren dienst [geschrapt tijdens de
parlementaire behandeling, zie paragraaf 4.2, red.] die hiërarchisch onder de
minister valt. Deze organisatorisch afgescheiden eenheid zal expliciet met
het nemen van de indicatiebeschikkingen worden belast en krijgt
daartoe beheersmatige en tevens beleidsmatige bevoegdheden toebedeeld.
De gemeentelijke adviescommissies dienen de Dienst indicatie
sociale werkvoorziening van advies inzake de indicering. De minister
is volledig verantwoordelijk voor het functioneren van de Dienst en kan ook
aanwijzingen geven. De directeur van de Dienst kan de aan hem toegekende
bevoegdheden dus niet volstrekt naar eigen inzicht hanteren. Als ambtenaar binnen het ressort van de
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hij gehouden zich naar diens instructies te gedragen,
ook waar het de uitvoering van de in deze wet aan hem toegekende
bevoegdheden betreft.
De directeur van de
Dienst geeft een indicatiebeschikking af. Tevens bewaakt de Dienst de
landelijke normstelling, waarmee niet alleen bij het nemen van de beschikking,
maar ook reeds bij de advisering door de gemeentelijke commissies rekening dient te worden gehouden. De
Dienst
toetst of de
adviescommissies redelijkerwijs tot hun in de advisering neergelegd oordeel hebben
kunnen komen en of het onderzoek door die commissies op zorgvuldige
wijze heeft plaatsgevonden.
rblz.|11|
Het op
één centraal
punt neerleggen van de beschikkingenbevoegdheid heeft als voordeel dat de
indicering in het hele land op uniforme wijze tot stand komt. Dat is zeer
beslist nodig, omdat in de toekomstige situatie de indicering gepaard gaat
met de indeling in drie categorieën van arbeidshandicaps die corresponderen met
drie vergoedingenniveaus. Versnippering van de besluitvorming zou
tot differentiatie in de beoordelingswijze kunnen leiden, hetgeen
zeer ongewenst is.
Als uitgangspunt voor de
bestuurlijke vormgeving geldt dat de uitvoering zal plaatsvinden op afstand van het beleid, doch wel onder
verantwoordelijkheid van
de minister. De beleidsbepaling op het gebied van de sociale
werkvoorziening in den brede - met inbegrip van de daaraan gekoppelde
regelgeving - zal op het ministerie zelf blijven plaatsvinden.
De hier geschetste
constructie, met een nieuw element van ministeriële bevoegdheid, acht het
kabinet zeer goed werkbaar. De sturingsmogelijkheden kunnen langs die lijn
voldoende worden geregeld. Aanvankelijk was het kabinet van plan
een nieuw te vormen zelfstandig bestuursorgaan met de taken met
betrekking tot de indicatiestelling te belasten. Het advies van de Raad van
State,
die meende dat indien de taak van de indicatie op rijksniveau wordt getild,
het meer voor de hand ligt deze taak neer te leggen bij een
departementale dienst of bestaand orgaan dan bij een apart bestuursorgaan,
heeft het kabinet doen besluiten deze weg te verlaten, zij het met
handhaving van de keuze voor het centrale niveau. Dit is evenwel geen keuze die
voor alle tijden vaststaat. Afhankelijk van de ervaringen die in de
praktijk met het nu gekozen model straks zullen worden opgedaan - artikel 43
[46] van de wet bevat een evaluatiebepaling
-, kan in de toekomst
eventueel besloten worden tot een andere verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk
en gemeenten.
Op de werkwijze met
betrekking tot de indicatiestelling wordt ingegaan in hoofdstuk 4 en in de
artikelsgewijze toelichting.
2.5. Modaliteiten voor de
uitvoering van de wet door gemeenten
In paragraaf 2.3 is al
aangegeven dat de uitvoering van de Wsw door gemeenten
in de praktijk
een aantal verschillende vormen heeft aangenomen.
In de meeste gevallen is
sprake van intergemeentelijke samenwerking in de vorm van een
werkvoorzieningschap op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast
voert een aantal gemeenten de wet zelfstandig uit. Andere
gemeenten hebben op grond van bilaterale afspraken hun taken
overgedragen aan een andere gemeente, waarbij veelal hun betrokkenheid
tot uitdrukking wordt gebracht in een bestuurscommissie.
Ook bij de totstandkoming
van deze wet behouden de gemeenten
de mogelijkheid de meest
passende modaliteit voor de uitvoering te kiezen. Voor zover de taken van
de gemeente volledig worden ondergebracht in een werkvoorzieningschap
of volledig worden opgedragen aan een andere gemeente of aan de
provincie, is vervolgens die instantie het aanspreekpunt voor de
rijksoverheid. Gemeenten die hun taken niet onverdeeld hebben
overgedragen worden rechtstreeks aangesproken. Bij de inwerkingtreding van
de herziene wet zal aan alle gemeenten opgave worden gevraagd van de
voor die gemeente toepasselijke uitvoeringsmodaliteit.
rblz.|12|
2.6. De verhouding tussen
gemeente en uitvoeringsorganisatie
De commissie-Houben heeft
in zijn rapport "In werk voorzien" gepleit voor een verzelfstandiging van de uitvoeringsorganisaties. De overwegingen
die de commissie daarvoor
aanvoert hebben betrekking op het scheiden van de
verantwoordelijkheid voor de sociale doelstellingen en de exploitatie van de
voorziening en op het versterken van het bedrijfsmatige karakter van de
uitvoering die door een publieke rechtsvorm belemmerd zou worden. In
de notitie "Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid" heeft het
kabinet aangegeven een eventuele verzelfstandiging van uitvoeringsorganisaties,
bijvoorbeeld door de keuze van een privaatrechtelijke rechtsvorm, een
gemeentelijke verantwoordelijkheid te vinden. Ook voorheen bestond al de
mogelijkheid een private rechtsvorm te kiezen. Vereiste was wel dat in die gevallen de rechtsbetrekking tussen
gemeente en private rechtspersoon
werd geregeld in een aanwijzingsbesluit. In de herziene wet is in
artikel 2 dit vereiste gehandhaafd.
3. De doelgroep
3.1. Inleiding
Bij de totstandkoming van
de Wet Sociale Werkvoorziening in 1967 is de doelgroep beperkt tot
personen "die tot arbeid in staat zijn, maar voor wie, in belangrijke mate
tengevolge van bij hen gelegen factoren, gelegenheid om onder
normale omstandigheden arbeid te verrichten niet of nog niet aanwezig is". Bedoeling van de wet is om deze personen
zoveel mogelijk gelijke
kansen op arbeid te bieden als anderen. Het oude artikel waarin de
"personenkring" werd beschreven, is sinds de inwerkingtreding van de WSW enkele malen
op ondergeschikte punten gewijzigd. De kern van de
omschrijving is echter in al die jaren onveranderd gebleven.
De WSW is tot stand
gekomen in een tijd van, in het huidige perspectief beschouwd, vrijwel
volledige werkgelegenheid. De categorie die als moeilijk plaatsbaar moest
worden aangemerkt, bestond in die periode voor een belangrijk deel
uit personen die door lichamelijke of verstandelijke beperkingen niet bij een
gewone werkgever konden worden geplaatst. Zonder bezwaar
kon worden volstaan met een omschrijving van de doelgroep van de
sociale werkvoorziening die grote interpretatieruimte bood aan de uitvoerende
gemeenten.
Met de groei van de
werkloosheid in de achterliggende decennia is geleidelijk de druk op de
toelating tot de SW toegenomen. Het aantal SW-arbeidsplaatsen is
sinds de inwerkingtreding van de wet meer dan verdubbeld. Niettemin is
het aantal aanmeldingen nog altijd een veelvoud van het aantal
beschikbaar komende plaatsen. Naar het oordeel van het kabinet kan het probleem
van de groeiende wachtlijsten voor de sociale werkvoorziening niet
worden opgelost door een voortgaande groei van de SW. Ook de financiële
middelen daartoe ontbreken. Veeleer is er aanleiding kritisch te
kijken naar de ruime omschrijving van de doelgroep en de beperkte selectiviteit van de indicatie.
Voor een hernieuwde
afbakening van de doelgroep is in de eerste plaats van belang dat in de
afgelopen periode ook voor andere werklozen op ruime schaal voorzieningen voor gesubsidieerde arbeid in het leven zijn
geroepen. Ook is de aandacht voor en de mogelijkheid tot aanpassing van werk aan de werknemer in
het reguliere arbeidsproces toegenomen, door uitbreiding van de arbozorg en verruiming van
AAW-werkvoorzieningen. Rekening houdend met deze
ontwikkelingen is voor nieuwe instroom een rblz.|13|
omschrijving van de
doelgroep gerechtvaardigd die nauwkeuriger is toegesneden op de
primaire doelstelling van de sociale werkvoorziening.
Arbeid onder (specifiek)
aangepaste omstandigheden is in de hier geschetste benadering
bestemd voor personen die tot regelmatige arbeid in staat zijn, maar die
door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking alleen onder
deze aangepaste omstandigheden kunnen werken. Het kan gaan om een zeer
breed scala van aanpassingen: fysieke aanpassingen aan werkplek
en werkomgeving die niet in een gewoon bedrijf kunnen worden
gerealiseerd, specifieke uitsplitsing van taken, aanpassingen in de wijze
van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
Met inbegrip van de
specifieke aanpassingen staat voorop dat de sociale werkvoorziening
een arbeidsomgeving is. Als een persoon met een handicap niet regelmatig kan werken, dan bieden diverse
zorginstellingen de
mogelijkheid van dagopvang. Een eenduidige afbakening ten opzichte
van deze voorzieningen is een noodzakelijke voorwaarde om in de
praktijk een naadloze aansluiting tussen voorzieningen te kunnen garanderen.
Met de nieuwe definitie
wordt beoogd tegen te gaan dat personen tot arbeid onder aangepaste
omstandigheden worden toegelaten die niet nagenoeg geheel tengevolge van lichamelijke, verstandelijke of
psychische beperkingen
werkloos zijn. Dit heeft met name consequenties voor de toelating van
personen bij wie weliswaar persoonlijke beperkingen een rol spelen bij hun
werkloosheid, maar bij wie deze beperkingen niet van medisch
vaststelbare aard zijn of van doorslaggevende betekenis. In het
verleden werden dergelijke personen wel ingedeeld als behorende tot de
categorie "overige handicaps". Onderkend moet worden dat in een aantal
gevallen sprake zal zijn van een combinatie van afzonderlijke beperkingen
die elk voor zich geen belemmering behoeven te vormen voor werken
onder normale omstandigheden, maar die dat in combinatie wel zijn.
Een tweede element in de
omschrijving van de doelgroep is dat niet slechts de beperkingen
als zodanig beslissend moeten zijn voor de mate van "arbeidshandicap",
maar de mate waarin deze beperkingen de afstand tot de arbeidsmarkt bepalen: noodzaak tot specifieke aanpassing
van werkplek en werkomgeving, specifieke uitsplitsing van taken, specifieke
werkbegeleiding, aanpassing van werktempo, arbeidsduur of aan de productiviteit te
stellen eisen. Ten behoeve van de bekostiging worden drie niveaus van
arbeidshandicap onderscheiden (zie paragraaf 4.3).
3.2. Toelatingscriteria
Bij de indicatie moet de
gemeentelijke adviescommissie een oordeel formuleren over drie
elementen die in de omschrijving van de doelgroep worden genoemd. Beoordeeld moet worden of de aangemelde persoon:
* tot regelmatige arbeid
in staat is;
* lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen heeft,
* waardoor alleen onder
specifiek aangepaste omstandigheden gewerkt kan worden.
Deze drie elementen zijn
niet los van elkaar te zien en moeten in onderlinge samenhang
beoordeeld worden. Voor een indicatie voor de sociale werkvoorziening moet aan alle drie de criteria gelijktijdig worden
voldaan, waarbij geen
sprake is van een duidelijke hiërarchie tussen de onderscheiden elementen.
Wel zal, afhankelijk van het arbeidsverleden en rblz.|14|
de ernst van de
beperkingen, een zwaarder accent liggen op het eerste, tweede of derde aspect.
Zo kan bij een relatief
geringe beperking en een recent arbeidsverleden de nadruk sterker liggen
op de vraag in hoeverre het (on)mogelijk is te werken onder normale omstandigheden, al dan niet gefaciliteerd met een
aanpassing van de
arbeidsplaats of met een loonkostensubsidie ter compensatie van een
substantieel verminderde arbeidsprestatie. De vraag naar het in staat zijn
tot regelmatige arbeid zal eerder op de voorgrond staan bij ernstiger
handicaps.
Onderstaand worden de
drie elementen uit de doelgroepomschrijving nader ingevuld.
3.3. In staat tot
regelmatige arbeid
De omschrijving
"in
staat om regelmatige arbeid te verrichten" biedt, naar in het verleden is
gebleken, slechts een globaal houvast bij de indicatie. Om die reden wordt de omschrijving hier geconcretiseerd aan
de hand van vier criteria
die norm zullen zijn voor de gemeentelijke adviescommissies. Deze
criteria zijn een nadere uitwerking van de elementen die reeds aan
de Tweede Kamer zijn meegedeeld bij brief van 24 februari 1994 (Kamerstukken
II 1993-1994, 22 820, nr. 13). Samengevat houden deze criteria in
dat voor een SW-indicatie:
* meer dan één functie moet kunnen worden vervuld;
* de noodzakelijke
begeleidingstijd gelimiteerd is tot een verhouding van circa 1:10;
* minimaal één uur
aaneengesloten kan worden gewerkt;
* betrokkene in staat
moet zijn een minimumprestatie te leveren van ten minste 10%.
Aan deze criteria moet
gelijktijdig worden voldaan. De criteria maken het mogelijk te komen tot
een naadloze aansluiting tussen enerzijds de sociale werkvoorziening
en anderzijds de voorzieningen voor dagopvang.
In den lande is hier en
daar de indruk ontstaan dat de introductie van de nieuwe criteria tot
gevolg heeft dat personen tot de sociale werkvoorziening zullen worden toegelaten
met een mindere productiviteit dan thans gebruikelijk. Deze
indruk berust op het misverstand dat met het opheffen per 1 april 1993
van de afzonderlijke rechtspositieregeling voor de B-categorie de
toelatingsnormen tot de sociale werkvoorziening zouden zijn aangescherpt.
Dat is geenszins het geval. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om met
de nu uitgewerkte criteria een hogere of lagere norm voor de ondergrens
te stellen dan in het verleden reeds het geval was. De hiervoor genoemde
criteria beogen een nadere invulling van het bestaande concept "in
staat tot regelmatige arbeid".
De
Sociaal-Economische Raad heeft in zijn advies van 16 februari 1996 eveneens een kanttekening
geplaatst bij de criteria voor de ondergrens. In tegenstelling tot de hiervoor gesignaleerde opvatting dat door de
introductie van de vier
criteria de toegang tot de sociale werkvoorziening zou worden
vergemakkelijkt voor laagproductieve werknemers spreekt de Sociaal-Economische Raad
de zorg uit dat het vereiste dat aan een combinatie van eisen moet
worden voldaan, de facto zal leiden tot een verscherping van de eisen
die aan de doelgroep worden gesteld en een verhoging van de
ondergrens. De Raad adviseert daarom slechts het criterium van een
minimumprestatie te hanteren.
Hiervoor is al aangegeven
dat met de criteria slechts een explicitering en niet een wijziging van
de ondergrens wordt beoogd. Het advies van de rblz.|15|
Raad
voor een enkelvoudig
criterium is niet overgenomen. De vraag of een persoon in staat is een bepaalde minimumprestatie te leveren, is slechts
één van de dimensies
van het in staat zijn tot regelmatige arbeid. Voor een juiste afbakening van
de doelgroep zijn naar het oordeel van het kabinet alle genoemde
dimensies van belang.
In beschouwing moet
worden genomen dat voor de indicatie het in staat zijn doorslaggevend
is en niet noodzakelijk het feitelijk presteren. Diegenen die wel in staat
zijn tot regelmatige arbeid, maar op andere gronden dan vanwege
lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen sterk suboptimaal
functioneren, verliezen daarmee niet hun SW-indicatie. In dat
geval dienen andere maatregelen genomen te worden.
3.4. Beperkingen
De lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen van een (kandidaat-)werknemer
moeten beoordeeld worden in het licht van de feitelijk te verrichten
activiteiten om te kunnen beoordelen of ook feitelijk sprake is van een handicap. Daarbij moet bovendien in beschouwing
worden genomen in
hoeverre er mogelijkheden zijn tot compensatie, bij de persoon zelf of met
behulp van aanpassingen en hulpmiddelen in de omgeving.
In extremo kan dit
inhouden dat een vergaand verlies van doorgaans onmisbare lichamelijke
functies of geen rol van betekenis speelt bij bepaalde activiteiten of nagenoeg geheel gecompenseerd wordt door
technische of personele
voorzieningen of door buitengewone vaardigheden van de persoon zelf, die
daarbij tot grote prestaties kan komen ondanks zware
lichamelijke beperkingen.
In veel situaties zullen
fysieke beperkingen echter op voorhand een onmiskenbare handicap
betekenen, zeker als de verstandelijke capaciteiten en de psychische gesteldheid geen beduidend tegenwicht bieden.
Evenzo zullen
aanmerkelijke verstandelijke en psychische beperkingen in veel werksituaties een
niet te miskennen handicap zijn, die een als normaal geaccepteerd
functioneren in de weg staat. In het bijzonder het samengaan van meerdere
beperkingen leidt over het algemeen tot een beduidende handicap in
uiteenlopende situaties, zelfs als deze beperkingen op zich mild zijn.
3.5. Specifiek aangepaste
omstandigheden
Naast het vaststellen van
het in staat zijn tot regelmatige arbeid en van de aanwezigheid van één
of meer evidente lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen
moet beoordeeld worden of betrokkene tengevolge van die beperkingen alleen onder specifiek aangepaste omstandigheden
in staat is tot arbeid.
Over het algemeen zal bij
de beoordeling van de vraag of een persoon ook onder normale
omstandigheden te werk kan worden gesteld de visie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of de bedrijfsvereniging van groot
belang zijn. Zij verzorgen immers de reguliere bemiddeling naar arbeid, al
dan niet in combinatie met bijvoorbeeld het treffen van een werkvoorziening
op grond van de AAW. Voor de gemeentelijke adviescommissies is rekening houdend met de
visie van de reguliere bemiddelende instanties aan de orde of de
noodzakelijke specifieke aanpassingen via de sociale werkvoorziening
gerealiseerd kunnen worden.
In de praktijk kan sprake
zijn van een zeer breed scala aan aanpassingen, zoals technische
aanpassingen aan de werkomgeving en de rblz.|16|
werkplek van de
werknemer, aanpassingen bestaande uit een specifieke uitsplitsing van taken
binnen werkeenheden, een specifieke wijze van leidinggeven,
aanpassingen in de mate van begeleiding op de werkplek en in aangepaste
vereisten met betrekking tot werktempo, arbeidsduur en arbeidsprestatie.
De vraag waar de grenzen
voor een aanpassing ook binnen de sociale werkvoorziening liggen,
kan niet eenduidig worden gegeven. Op het punt van de benodigde
specifieke werkbegeleiding en het werktempo zijn de grenzen feitelijk aangegeven door de in het begrip
"regelmatige arbeid"
begrepen grenzen. Bij taakdeling worden de grenzen feitelijk bepaald door
het eenvoudigste
functieniveau dat in de sociale werkvoorziening beschikbaar is.
Dergelijke functies zijn beschreven in het functievoorbeeldenboek voor de sociale
werkvoorziening.
Voor wat betreft de
kosten van aanpassing van de directe werkplek geldt dat de gemeente
als
uitvoerder van de sociale werkvoorziening niet aan het onmogelijke kan
worden gehouden. Als richtlijn zou kunnen dienen dat de kosten van
aanpassing van een arbeidsplaats niet meer behoeven te zijn dan uit
het aan een persoon gerelateerde subsidiebedrag kan worden bekostigd.
3.6. Verwachte effecten
van de gewijzigde doelgroepomschrijving
Van groot belang voor de
bestaande SW-organisaties is de vraag welke effecten op middellange
termijn mogen worden verwacht op het functioneren van deze organisaties als gevolg van de veranderingen in de
omschrijving van de
doelgroep. Bij een analyse van de effecten moet onderscheid worden
gemaakt tussen de effecten van de wat strakkere omschrijving van de
doelgroep als geheel, de gevolgen van de explicitering van de ondergrens
"in
staat tot regelmatige arbeid" en de gevolgen van de nieuwe wijze van
indicatiestelling. Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen de
effecten op de omvang van de wachtlijst en de te verwachten effecten op
de feitelijke instroom in de sociale werkvoorziening.
Zoals hiervoor al
aangegeven heeft de explicitering van de ondergrens van de sociale
werkvoorziening niet het doel deze grens hoger of lager te leggen dan thans
reeds
het geval is. Het is echter niet uitgesloten dat de verduidelijking op dit
punt zal leiden tot enige toename van het aantal aanmeldingen (en
positieve indicaties).
Naar verwachting zal de
nieuwe wijze van indicatiestelling met name de kwaliteit van de
indicatie en het inzicht in de aard van de beperkingen en de benodigde aanpassingen
op de werkplek verbeteren. Minder dan thans het geval is zullen daardoor personen op de wachtlijst worden geplaatst,
die vervolgens toch in
staat blijken reguliere arbeid te aanvaarden.
Een eerste globale toets
van de wachtlijst van een aantal bestuurlijke eenheden aan de hand van
de nieuwe omschrijving van de doelgroep duidt erop dat mogelijk
circa een derde van de voorheen voor de sociale werkvoorziening geïndiceerden niet zou worden toegelaten. Dit zou tot consequentie hebben dat
er een einde komt aan de voortdurende groei van de wachtlijsten en
dat de omvang van de wachtlijsten zich stabiliseert op een wat lager niveau
dan thans gebruikelijk. De grotere plaatsingskans die het gevolg is van de
maximumarbeidsduur van 32 uur voor nieuwe werknemers en de
afspraken over de verkorting van de arbeidsduur van zittende werknemers tot
36 uur met ingang van 1997 kunnen tot een verdere verkleining van
de wachtlijsten leiden.
rblz.|17|
Wat de consequenties van
de strakkere doelgroepomschrijving zijn voor de feitelijke instroom
kan niet op grond van de hiervoor genoemde toets worden vastgesteld. Bijna
de helft van de jaarlijkse uitstroom uit de wachtlijst betreft in de
oude situatie immers uitschrijvingen om andere redenen dan plaatsing in
de sociale werkvoorziening. Aangenomen mag worden dat dit zeker ook
kansrijkere kandidaten betreft.
Gegevens die werden
verzameld in het kader van de door het ministerie in 1992 geïnitieerde
experimenten ter bevordering van doorstroming uit de sociale werkvoorziening duidden
erop dat circa 10% van de
werknemers wenste door te stromen naar reguliere arbeid en daartoe ook in staat werd geacht
("Verslag experimenten doorstroming en ondergrens", 1994).
De strakkere omschrijving
van de doelgroep zal er naar verwachting per saldo toe leiden dat een
categorie van de populatie niet langer instroomt, maar in plaats daarvan
aangewezen is op reguliere arbeid of op arbeid in het kader van de voorgenomen
Wet inschakeling werkzoekenden. De
plaats van deze categorie
zal worden ingenomen door een doorsnee van de resterende
wachtlijstpopulatie.
De instroom van de
gewijzigde populatie zal zich langs de weg der geleidelijkheid voltrekken. Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden
dat ongeveer 5% van de populatie per jaar uit- en instroomt. Een eerste analyse van de te
verwachten financiële effecten laat zien dat bij een verstandig beleid
veranderingen in productiviteit en veranderingen in loonniveau als gevolg van
de gewijzigde populatie elkaar grotendeels compenseren, zodat ook op
middellange termijn geen problemen voor de financiering behoeven te
worden verwacht.
In het kader van de
voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden wordt aan
socialewerkvoorzieningsorganisaties de mogelijkheid geboden om tot een bepaald maximum gedetacheerde Wiw-werknemers te
plaatsen. Dergelijke
plaatsingen kunnen ertoe bijdragen dat ondanks de wijziging van de
doelgroep de huidige wijze van bedrijfsvoering kan worden gecontinueerd.
3.7. Begeleid werken
Begeleid werken is een
relatief nieuwe vorm van arbeidsinpassing voor met name personen met een
verstandelijke handicap, waarbij integratie in de arbeid wordt nagestreefd buiten de beschutte omgeving van de
dagverblijven en buiten
het traditionele socialewerkvoorzieningsbedrijf. In de jaren negentig
ontstond in dit kader een aantal arbeidsintegratieprojecten voor gehandicapten, over
het algemeen bekostigd uit zeer uiteenlopende en vaak
tijdelijke bronnen.
Een impuls voor deze
ontwikkeling werd ontleend aan ervaringen in het buitenland, waarbij
mensen die in Nederland een DVO-indicatie zouden hebben gekregen in staat
bleken om met de juiste begeleiding op een gewone arbeidsplaats te
werken. Termen als "job coaching" en "supported
employment",
die ook wel voor deze projecten worden gehanteerd, wijzen op
deze buitenlandse invloed.
In 1992 heeft de Tweede
Kamer naar aanleiding van de ervaringen in een concreet arbeidsintegratieproject
- het zogenaamde Breman-project - in een motie verzocht om
een oplossing voor de beloningsverschillen tussen degene die in het desbetreffende project werkten en werknemers
in de sociale
werkvoorziening (Kamerstukken II 1992-1993, 22 800 XV, nr. 39). Bovendien werd
gevraagd om een financieringsmogelijkheid voor de rblz.|18|
begeleidingskosten van de
deelnemers, omdat de continuïteit van het project door een gebrek
aan middelen in gevaar dreigde te komen.
Ook het kabinet hecht een
groot belang aan de verdere ontwikkeling van deze nieuwe vorm van
arbeidsinpassing van gehandicapte werknemers. In de loop
van 1994 is binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen een basis
gecreëerd
voor de financiële ondersteuning van projecten voor begeleid
werken. Het gaat in feite om de gecombineerde toepassing van twee
regelingen. De Regeling persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers
(Stcrt. 1994, 43) maakt het mogelijk voor maximaal 15% van de
werktijd persoonlijke begeleiding op de werkplek te vergoeden. De Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid (Stcrt. 1994, 34) bepaalt dat voor de deelnemers de som van het verkregen
loon, geanticumuleerd met een AAW- of WAO-uitkering, ten minste
gelijk is aan het wettelijk geldend minimumloon.
De doelgroep van de
laatstgenoemde regeling bestaat uit personen die gewoonlijk tot de
doelgroep van de sociale werkvoorziening worden gerekend (artikel
11).
Zij worden met loondispensatie en intensieve extra begeleiding op de
werkplek aan een baan geholpen bij een reguliere werkgever.
In
zijn advisering over
de laatstgenoemde regeling heeft de Sociale Verzekeringsraad
aangegeven dat aan een afwijkende anticumulatieregeling voor een specifieke
doelgroep bezwaren verbonden zijn. Ook werd gewezen op het feit dat personen in een vergelijkbare positie die
geen AAW- of WAO-uitkering hebben buiten de boot vallen. Om die reden kreeg de regeling een
tijdelijk karakter en is een adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad
aangekondigd over een structurele oplossing.
Tijdens de parlementaire
behandeling van de begroting 1996 van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kwam de kwestie opnieuw aan de orde. Geconstateerd werd dat nog altijd sprake is van
inkomensverschillen,
omdat begeleid werken een beloning tot ten hoogste 100 procent van
het wettelijk minimumloon kent bij samenloop met een
WAO-/AAW-uitkering, terwijl de WSW functieloon kent. De Tweede Kamer aanvaardde
een motie waarin het kabinet wordt gevraagd onverwijld een standpunt
aan de Kamer aan te bieden inzake de stroomlijning van de
inkomenswaarborgen voor gehandicapte werknemers met als overweging dat het wenselijk is dat het fenomeen
"begeleid werken" meer
wordt gestimuleerd (Kamerstukken II 1995-1996, 24 400 XV, nr. 29).
Naar het oordeel van het
kabinet is "begeleid werken" in de huidige vorm gezien de intensiteit van de begeleiding op de werkplek in combinatie
met de hoogte van de ondersteuning in de sfeer van de beloning te beschouwen als een vorm
van werken onder specifiek aangepaste omstandigheden, zij het
dat in deze situatie wordt gewerkt in een geïntegreerde
arbeidsomgeving bij een reguliere werkgever die daaraan zijn medewerking
verleent. Gezien de nauwe samenhang die op dit moment bestaat met de
doelgroep van de sociale werkvoorziening ligt een geïntegreerde indicatie voor SW en begeleid werken voor de hand.
Op die manier kan een
optimale afweging worden gemaakt tussen de verschillende
mogelijkheden. Op de wijze waarop deze afweging kan geschieden, wordt ingegaan
in het volgende hoofdstuk, waar de indicatiestelling aan de orde is.
Bij brief van 19 december
1995 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 400 XV, nr. 33) is aangegeven dat
het de bedoeling van het kabinet is het rblz.|19|
inkomensvraagstuk op te lossen in het kader van
de onderhavige wet, op
zodanige wijze dat
arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken op dezelfde voet worden
behandeld als arbeidsplaatsen in SW-bedrijven.
In de huidige situatie
zijn reeds de Regeling persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers
en de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid
van toepassing, die de mogelijkheid tot begeleid
werken via de bedrijfsvereniging hebben geopend. Gelet op de
eerste ervaringen en resultaten is er aanleiding deze bestaande mogelijkheden
te handhaven. Daarnaast ligt het in de rede dat in de nieuwe situatie ook
de gemeente voor een persoon die begeleid werkt een rijkssubsidie
kan ontvangen die is gerelateerd aan de zwaarte van de arbeidshandicap.
De gemeente heeft vervolgens de mogelijkheid aan een reguliere
werkgever een subsidie te verstrekken voor de indienstneming van een
gehandicapte werknemer. Deze subsidie kan zowel een vergoeding voor de
werkgever omvatten voor de noodzakelijke begeleiding van de werknemer als een vergoeding voor de verminderde
prestatie. Met nadruk
wordt opgemerkt dat het begeleid werken als zodanig niet wordt
ingepast in de bestaande SW-organisaties. In het kader van het traject
Samenwerking Werk en Inkomen [zie o.m. Samenwerkingsbesluit
SWI, red.] kan tot een nadere afstemming worden gekomen
van de organisatie van begeleid werken via het kanaal van de
bedrijfsvereniging enerzijds en dat van de gemeente anderzijds. Uitgangspunt
hierbij zal zijn het voortbouwen op wat reeds in ontwikkeling is gebracht.
De rijkssubsidie per
arbeidsplaats zal over het algemeen voldoende zijn om het verschil tussen
het CAO-loon en de loonwaarde van de arbeidsprestatie, plus de begeleidingskosten, te dekken. Het omslagpunt
ligt bij de situatie
waarin de subsidie aan de werkgever de rijksvergoeding zou overstijgen. In dat
geval wordt een arbeidsplaats in de sociale werkvoorziening
meer passend geacht dan begeleid werken.
Voor subsidieverlening
aan de werkgever gelden twee voorwaarden. In de eerste plaats moet
zijn vastgesteld dat betrokkene behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening en dat betrokkene in
aanmerking wenst te komen
en kan komen voor begeleid werken. Daarmee ontstaat de
inspanningsverplichting voor de gemeente om betrokkene ook aan
dergelijke arbeid te helpen.
In de tweede plaats dient
de begeleiding op de werkplek te worden geboden door personen die
op enigerlei wijze verbonden zijn aan een rechtspersoon die onder meer tot doel heeft deze ondersteuning te
verlenen. Daarmee wordt
het professionele karakter van de ondersteuning gewaarborgd.
De begeleiding die in de
praktijk wordt gegeven is zeer gevarieerd van karakter. De begeleider
kan een passende arbeidsplaats voor betrokkene zoeken, een begeleidingsplan opstellen, de afspraken tussen werknemer
en werkgever regelen, de
werknemer introduceren bij collega’s en leidinggevenden, de
werknemer inwerken in zijn nieuwe functie en begeleiden na de
inwerkperiode en de afspraken tussen werkgever en werknemer bewaken. De
begeleiding heeft meestal een permanent karakter en is met name
tijdens de inwerkperiode zeer intensief. Alle hier genoemde kenmerken van
het begeleid werken tezamen zijn voor het kabinet voldoende
aanleiding om het begeleid werken aan te merken als een vorm van arbeid onder
aangepaste omstandigheden waarvoor binnen de Wsw ruimte moet worden geboden. Een wettelijke basis voor begeleid
werken in de Wsw zal
bovendien naar verwachting een stimulans voor een bredere toepassing
kunnen betekenen.
rblz.|20|
In de adviesaanvrage over
de notitie "Stroomlijning gesubsidieerde arbeid" aan de Sociaal-Economische Raad
is expliciet aandacht gevraagd
voor de problematiek van het begeleid werken. De Raad wijst er in zijn advies op dat de
inkomensverschillen tussen begeleid werken en sociale werkvoorziening worden
gemitigeerd door het voornemen van het kabinet om de
arbeidsvoorwaarden zodanig te reguleren dat in het algemeen sprake is van
32-uurscontracten en beloning op het niveau van het wettelijk minimumloon
gedurende de eerste twee jaar.
Tevens wijst de Raad
erop dat in het kader van het flankerend beleid bij de privatisering van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen het voornemen bestaat de Regeling
persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers een bredere
werking te geven dan alleen de groep die gelijk kan worden gesteld met de
doelgroep van de Wsw. De Raad merkt op dat het naast elkaar bestaan
van een mogelijkheid tot begeleid werken in de Wsw en deze regeling niet
leidt tot een helderder verantwoordelijkheidsverdeling tussen de
uitvoeringsorganisaties voor de sociale verzekeringen en de gemeenten.
De kanttekening van
de Sociaal-Economische Raad met betrekking tot de mitigering van de
inkomensverschilen tussen sociale werkvoorziening en begeleid werken, in
ieder geval gedurende de eerste twee jaar, is juist. Opgemerkt moet echter
worden dat een dienstbetrekking in het kader van begeleid werken zich over
het algemeen over een langere periode dan twee jaar zal
uitstrekken. Daarnaast zijn in het vorenstaande nog een aantal redenen genoemd om
begeleid werken in de wet mogelijk te maken, die door de
Raad
niet zijn weersproken. Met name het gegeven dat begeleid werken door de
intensiteit van de begeleiding in combinatie met de hoogte van de
ondersteuning in de sfeer van de beloning moet worden beschouwd als een vorm
van arbeid onder aangepaste omstandigheden, is in dit verband van belang. Alles afwegende resteren er naar het oordeel
van het kabinet voldoende redenen om vast te houden aan het voornemen om begeleid
werken ook in het kader van de Wsw mogelijk te maken.
3.8. Bevordering van
uitstroom
Het bevorderen van de
arbeidsbekwaamheid van de werknemer mede met het oog op het kunnen
gaan verrichten van arbeid onder normale omstandigheden is een belangrijke doelstelling van
de wet die in artikel 3
is vastgelegd. Teneinde
de doorstroming uit de sociale werkvoorziening een financiële
stimulans te kunnen geven, is in artikel 10
van de wet voor het
Rijk de mogelijkheid gecreëerd om middelen ter bevordering van de uitstroom ter beschikking
te stellen. Deze middelen moeten worden aangewend om werknemers
die daartoe in staat zijn te ondersteunen bij het vinden van een
reguliere arbeidsplaats. In afwijking van het tot nu toe gevoerde beleid, dat
vooral een actief uitstroombeleid door SW-bedrijven poogde te realiseren, zal
het zich nu met name richten op de werknemer. Daarbij wordt in de
eerste plaats gedacht aan het beschikbaar stellen van een bedrag waarmee
arbeidsbemiddeling kan worden ingekocht op basis van "no cure, no
pay".
Ook kan een premie worden uitgekeerd aan de werknemer die erin
slaagt buiten de sociale werkvoorziening regulier werk te vinden op
voorwaarde dat hij na één jaar nog steeds aan het werk is.
rblz.|21|
4. Aanmelding,
indicatie en plaatsing
4.1. Inleiding
De wijze waarop de
toelating van kandidaat-werknemers tot de sociale werkvoorziening verloopt,
is van groot belang voor de uitvoering van de wet. In de toelatingsprocedure wordt bepaald of inderdaad die personen
worden toegelaten die
conform de wettelijke bepalingen zijn aangewezen op arbeid onder
aangepaste omstandigheden in de sociale werkvoorziening.
Eerste stap in de
toelatingsprocedure is de aanmelding van de persoon die in aanmerking wil
komen voor arbeid op grond van de Wet sociale
werkvoorziening. Deze
aanmelding kan geschieden door betrokkene zelf of met instemming van betrokkene door bijvoorbeeld het
arbeidsbureau [zie Centrum voor werk en inkomen
(CWI), red.],
de bedrijfsvereniging of
het speciaal onderwijs. Aanmelding geschiedt op grond van vrijwilligheid.
In
hoofdstuk 2 is
aangegeven dat het gewenst is dat de indicatie voor de sociale werkvoorziening
op basis van deskundigheid en onafhankelijkheid van partijen die bij de
uitvoering belanghebbend zijn, wordt verricht. Aanmelding geschiedt rechtstreeks bij de bij de indicering betrokken
decentrale instantie. Het
nemen van de beschikking geschiedt op centraal niveau, in casu door de
directeur van de Dienst indicatie sociale werkvoorziening, die ressorteert onder de
minister.
4.2. De Dienst indicatie
sociale werkvoorziening ¹
1. Tijdens de
parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel is de instelling van een Dienst indicatie sociale
werkvoorziening geschrapt. Vervolgens is de
beschikkingsbevoegdheid ter zake van (her)indicatie overeenkomstig artikel 11 Wsw
neergelegd bij het gemeentebestuur, red.
De verantwoordelijkheid
voor de indicatiestelling gaat over naar - het niveau van - de minister. De directeur van de - nieuwe - Dienst indicatie sociale werkvoorziening
geeft namens de minister de beschikkingen af. Hiertoe zal een
organisatorisch afgescheiden eenheid van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden gecreëerd, aan welke tevens beleidsmatige en
beheersmatige bevoegdheden zullen worden toegekend. De Dienst valt
zoals gezegd onder de hiërarchische verantwoordelijk van de betrokken
minister, waarbij de feitelijke gevalsbehandeling aan de de directeur van
de Dienst is geattribueerd.
De Dienst indicatie
sociale werkvoorziening beoordeelt de adviezen van de verschillende
gemeentelijke adviescommissies en neemt op basis daarvan individuele beschikkingen. Dit betekent dat de adviezen van de
adviescommissie, dus ook
de afwijzende adviezen, onverwijld in handen van de Dienst worden
gesteld. De Dienst zal nagaan hoe de adviescommissie tot haar oordeel is
gekomen en toetst of het advies overeenstemt met de landelijke normen
ten aanzien van de doelgroepbepaling. De Dienst bewaakt langs die
weg de centrale rijksnormen.
De
beschikkingsbevoegdheid berust bij de directeur van de Dienst. Bezwaarschriften
worden
derhalve ook afgewikkeld door deze Dienst. In geval van beroep tegen beschikkingen van de
Dienst dient men zich te
wenden tot de
administratieve kamer van de rechtbank. Voor administratief beroep bij de
minister is
niet gekozen omdat de minister immers ook op grond van de
attributiefiguur volledig verantwoordelijk is en blijft voor de genomen
indicatiebeschikkingen. Een beroepsmogelijkheden op de minister zou dan tot
een ongewenste verwarring van verantwoordelijkheid leiden.
De
Dienst zal over een
breed dossier moeten kunnen beschikken, waarin alle relevante bescheiden
zijn opgenomen. Het spreekt voor zich dat informatie waarover bij
het nemen van de beschikking moet worden beschikt reeds in het
kader van de advisering door de adviescommissie rblz.|22|
beschikbaar moet zijn
gekomen. Deze informatie dient door de adviescommissie in handen van de
Dienst
te worden gesteld. De wet biedt een kader nadere regels te
stellen met betrekking tot de informatie die door de gemeentelijke
adviescommissies aan de Dienst wordt verstrekt.
Omdat de vraag naar
arbeid in de sociale werkvoorziening het aanbod overtreft, zullen
personen van wie is vastgesteld dat zij tot de doelgroep behoren in het algemeen
eerst op een wachtlijst worden geplaatst. Voor het beheer van deze wachtlijst is de
Dienst verantwoordelijk, waardoor
een onafhankelijk
verkregen overzicht ontstaat van de actuele vraag naar arbeid onder aangepaste
omstandigheden per gemeente. De Dienst informeert de gemeente
welke van zijn ingezetenen voor plaatsing in de sociale werkvoorziening
in aanmerking komen en presenteert die informatie in volgorde
van hun plaatsing op de wachtlijst.
4.3. De gemeentelijke
adviescommissie sociale werkvoorziening
Aanmeldingen vinden
rechtstreeks plaats bij de door de gemeente ingestelde adviescommissie. In de eerste plaats legt de adviescommissie
voor een ieder die zich aanmeldt voor de sociale werkvoorziening in een advies vast of betrokkene
behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Dit doet
de commissie op grond van de beschikbare dossierinformatie,
aangevuld met de bevindingen uit eigen onderzoek of onderzoek door derden.
Het oordeel van de commissie wordt steeds vastgelegd in een advies
ten behoeve van de directeur van de Dienst. De adviescommissie brengt
derhalve een advies uit waarin is aangegeven of de aangemelde persoon in
staat is tot regelmatige arbeid zonder verstoring van de werksfeer. Tevens gaat de commissie na of betrokkene
lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen heeft waardoor hij (of zij) is aangewezen op
arbeid onder aangepaste omstandigheden. Bij de beantwoording van de
vraag of een persoon onder normale omstandigheden kan werken, is de visie
van Arbeidsvoorziening c.q. bedrijfsvereniging van groot belang.
In het verlengde van het
oordeel dat een voor de sociale werkvoorziening aangemeld persoon tot de
doelgroep behoort, gaat de adviescommissie na of betrokkene in aanmerking wil komen voor begeleid werken.
Indien er geen factoren
zijn die een functioneren onder normale omstandigheden in de weg
staan, dan kan het advies luiden dat betrokkene naar het
oordeel van de commissie dient te worden doorgeleid naar de gemeente
als verantwoordelijke voor andere vormen van gesubsidieerde arbeid
of zou moeten worden terugverwezen naar Arbeidsvoorziening of de
bedrijfsvereniging voor reguliere arbeidsbemiddeling. Als geoordeeld wordt dat
de aangemelde persoon niet in staat is tot regelmatige arbeid,
dan zal dat veelal een advies inzake indicering voor een dagvoorziening
in de zorgsector inhouden.
Als de adviescommissie
van oordeel is dat de onderzochte tot de doelgroep behoort, dan
wordt door de commissie tevens een advies inzake de mate van
beperking vastgesteld, alsmede de indeling van betrokkene in één van de
volgende drie categorieën van arbeidshandicap:
• licht arbeidsgehandicapten die, hoewel aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden, zonder
ver strekkende maatregelen in staat
geacht worden een redelijke prestatie te kunnen leveren;
• matig
arbeidsgehandicapten die, aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden, met
ver strekkende maatregelen in staat
geacht worden een redelijke prestatie te kunnen leveren, of bij wie dergelijke maatregelen
niet noodzakelijk zijn, maar die niettemin slechts tot een matige prestatie
in staat zijn;
rblz.|23|
• ernstig
arbeidsgehandicapten die, aangewezen op arbeid onder aangepaste omstandigheden, ook met ver strekkende maatregelen slechts
in staat geacht worden
een matige prestatie te kunnen leveren.
Deze indeling is
medebepalend voor de hoogte van het aan de gemeente
toe te kennen
subsidiebedrag.
Verder wordt,
voor zover
relevant, in het advies een globale indicatie gegeven welke voorzieningen aanwezig moeten zijn of getroffen moeten
worden om in een aangepaste werksituatie te voorzien. Een precies oordeel over deze
noodzakelijke compenserende voorzieningen is eerst mogelijk bij de
feitelijke plaatsing, waarbij dan door de daarbij betrokken deskundigen vastgesteld
moet worden van welke invloed de beperkingen zijn, gezien in het licht
van de feitelijke functie.
Een nieuw onderdeel van
de indicering heeft betrekking op personen die reeds als werknemer
in het kader van de sociale werkvoorziening of begeleid werken werkzaam
zijn. Artikel 12
[11], tweede lid, van de wet regelt dat alle werknemers in
het kader van de Wsw periodiek, bijvoorbeeld iedere drie tot vijf
jaar, opnieuw volgens de reguliere procedure met betrekking tot de
indicering worden bezien, zowel met het oog op de vraag of zij nog altijd
tot de doelgroep behoren als ten behoeve van een eventuele herindeling
naar mate van arbeidshandicap. Een dergelijke herindicatie behoeft niet
altijd te leiden tot een fysiek heronderzoek. Artikel 6, derde lid,
bepaalt dat de gemeente gehouden is het oordeel van de
Dienst te vragen
indien de gemeente voornemens is een werknemer te ontslaan.
5. De arbeid in de
sociale werkvoorziening
5.1. Inleiding
Arbeid vervult in onze
samenleving een tweeledige rol. In de eerste plaats biedt betaalde
arbeid de mogelijkheid om een inkomen te verwerven en op die wijze
te voorzien in een zelfstandig bestaan. In de tweede plaats is arbeid
de mogelijkheid bij uitstek om actief te participeren in de samenleving en zich
op deze wijze te ontplooien.
De doelgroep van de
sociale werkvoorziening bestaat uit personen die tot regelmatige arbeid in
staat zijn. Door de lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen
die zij ondervinden, zijn zij evenwel niet in staat een plaats in het reguliere arbeidsproces te verwerven. Daardoor zijn zij
voor hun inkomensvoorziening in principe op een sociale uitkering aangewezen en worden zij
tegelijkertijd ernstig belemmerd in hun mogelijkheden voor
maatschappelijke participatie en ontplooiing. De sociale werkvoorziening
beoogt aan deze doelgroep toch de mogelijkheden te bieden om zelfstandig
een inkomen te verwerven en arbeid te verrichten, zij het onder
aangepaste omstandigheden. De regeling is bedoeld om een anders
onoverkomelijke achterstand als gevolg van lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen weg te nemen.
5.2. Maatschappelijk
zinvolle arbeid
Wil de SW-arbeid de in de
vorige paragraaf geschetste functie voor de doelgroep vervullen, dan
moet sprake zijn van arbeid die zowel voor betrokkene persoonlijk
als maatschappelijk als zinvol kan worden aangemerkt. Dat betekent
dat het resultaat van de arbeid aan bepaalde eisen moet voldoen.
Indien naar de geproduceerde goederen en diensten geen vraag bestaat, is
geen sprake van zinvolle arbeid.
rblz.|24|
In principe kunnen in het
kader van de sociale werkvoorziening twee vormen van maatschappelijk zinvolle arbeid worden onderscheiden. Het
merendeel van de goederen
en diensten die in de sociale werkvoorziening worden geproduceerd, wordt afgezet onder normale marktverhoudingen
en tegen normale
marktprijzen. De rijkssubsidie dient hier in principe uitsluitend om het
opbrengstverlies te compenseren tengevolge van de geringere arbeidsproductiviteit en de extra kosten die verband houden met het realiseren van
aangepaste omstandigheden. Voor het overige wordt de verrichte arbeid
geheel door de afnemer betaald.
Als geen
baten opleverende
arbeid beschikbaar is, terwijl betrokkene wel op arbeid is
aangewezen, wordt daarnaast in sommige gevallen additioneel werk
aangeboden, waarvoor wel maatschappelijke, maar geen koopkrachtige vraag
bestaat. De rijkssubsidie vergoedt in dat geval ook een belangrijk deel van
de kosten van de geleverde productie.
Onder het
bekostigingssysteem dat van toepassing was vanaf het begin van de jaren tachtig werd
aan de gemeenten expliciet de verplichting opgelegd een adequate vergoeding te realiseren voor de werkzaamheden
die in WSW-kader werden
verricht. Niet geld opleverende werkobjecten werden slechts in zeer
specifieke situaties toegestaan. Naast de principiële overweging dat in de
sociale werkvoorziening sprake dient te zijn van volwaardige arbeid in
economische zin, golden met name financiële overwegingen.
De geldelijke opbrengsten
uit de verkoop van goederen en diensten kwamen immers tot
uitdrukking in de exploitatie van de gemeente en waren dus van invloed op
de hoogte van de rijksvergoeding. In de nieuwe situatie, waarin de
rijksoverheid zich niet meer rechtstreeks met de kostenopbouw van de
sociale werkvoorziening bemoeit, wordt een dergelijke verplichting
tot het vragen van een adequate vergoeding niet langer nodig geacht.
Gemeenten ondervinden rechtstreeks de financiële consequenties indien een
te lage vergoeding voor de SW-arbeid wordt bedongen.
Omdat ook in de nieuwe
situatie sprake blijft van arbeid waarvoor een aanzienlijke rijkssubsidie wordt verstrekt, is wel in
artikel 5 van
de wet de
verplichting opgenomen
dat voor de SW-werkzaamheden een vergoeding moet worden bedongen die
de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mag beïnvloeden. Voor
derden die van mening zijn dat zij door onverantwoorde
concurrentie schade ondervinden, staat de gang naar de burgerlijke rechter open.
In het project
"Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit" (deelproject markt en
overheid) wordt een analyse gemaakt van de oorzaken en kenmerken van concurrentie tussen overheidsondernemers
en particuliere
ondernemers. Met deze analyse wordt nagegaan hoe gestuurd kan worden op
vermijding van concurrentieverstoring en worden een
beoordelingskader en oplossingsmethoden ontwikkeld. In dit kader wordt ook de
sociale werkvoorziening betrokken.
5.3. Situering van arbeid
onder aangepaste omstandigheden
Het werken onder
aangepaste omstandigheden kan in principe in verschillende settings
gerealiseerd worden. In het merendeel van de gevallen wordt op dit
moment gewerkt in een socialewerkvoorzieningsbedrijf dat specifiek is
ingericht voor het werken onder aangepaste omstandigheden. Maar ook
andere vormen komen voor. Zo kan het zijn dat een specifiek daartoe
ingerichte afdeling, een zogenaamde enclave, onder leiding van
speciaal opgeleid personeel de gelegenheid biedt voor rblz.|25|
werken onder aangepaste
omstandigheden binnen de organisatorische setting van een gewone
arbeidsorganisatie. In andere gevallen wordt als gedetacheerde gewerkt binnen een reguliere werksetting, onder leiding
van het daar werkzame leidinggevend personeel, waarbij specifieke ondersteuning op afstand
beschikbaar is. In hoofdstuk 3 is daarnaast gewezen op de
mogelijkheden van begeleid werken.
De vraag welke vorm van
arbeid onder aangepaste omstandigheden voor een werknemer het
meest passend is, zal in alle gevallen moeten worden beantwoord door
een afweging te maken tussen de voordelen van integratie in een
reguliere werksituatie en de mogelijkheid de noodzakelijke
aanpassingen op een acceptabele manier te realiseren. Het oordeel van de betrokken
werknemer wordt bij de besluitvorming uiteraard meegewogen.
Bij de periodieke
herindicering van de werknemers zal in dergelijke gevallen worden nagaan of
nog altijd sprake is van arbeid onder specifiek aangepaste omstandigheden
die een dienstbetrekking in het kader van de Wsw rechtvaardigen. Is
dat niet het geval, dan is een overgang naar een arbeidsplaats in het
kader van de voorgenomen Wet inschakeling werkzoekenden of
bemiddeling naar niet-gesubsidieerde arbeid aan de orde.
5.4. Specifieke eisen, te
stellen aan arbeid onder aangepaste omstandigheden
De wet formuleert in
artikel 3 een aantal vereisten waaraan de hier bedoelde arbeid moet
voldoen. In de eerste plaats moet de arbeid onder aangepaste omstandigheden
worden verricht. Daarnaast geldt dat de arbeid gericht moet zijn
op het behoud dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de
werknemer.
Het vereiste dat de
arbeid onder aangepaste omstandigheden moet worden verricht, houdt
rechtstreeks verband met het gegeven dat de SW-werknemers zodanige lichamelijke, verstandelijke of psychische
beperkingen ondervinden
dat deelname aan arbeid onder gebruikelijke omstandigheden niet tot
de mogelijkheden behoort. De aanpassingen hebben tot doel om deze
beperkingen zodanig te compenseren dat het verrichten van arbeid
alsnog mogelijk wordt.
In de praktijk is sprake
van een zeer breed scala van aanpassingen, zoals fysieke aanpassingen aan
de werkomgeving en aan de directe werkplek van de werknemer, aanpassingen bestaande uit een specifieke uitsplitsing
van taken binnen werkeenheden, een specifieke wijze van leidinggeven, aanpassingen in de mate
van begeleiding op de werkplek en in het werktempo of de
arbeidsduur. In het algemeen zal het gaan om een dusdanige (combinatie
van) aanpassingen dat die niet in een normale bedrijfssituatie te
realiseren is.
Het tweede vereiste, dat
de arbeid gericht moet zijn op het behoud dan wel het bevorderen van de
arbeidsbekwaamheid, richt zich op het in stand houden en verder
ontwikkelen van de capaciteiten van de werknemers. Dit benadrukt de functie
die
de sociale werkvoorziening heeft op het terrein van de arbeidsrevalidatie
en - zo mogelijk - de toeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt.
Het aspect van het bevorderen van de doorstroom naar regulier werk is
conform het advies van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening
van de Sociaal-Economische Raad uit 1985 expliciet in de wettekst
vastgelegd.
rblz.|26|
De opdracht tot het in stand houden en verder ontwikkelen van capaciteiten vraagt om
een zorgvuldige analyse van mogelijkheden en beperkingen, al vanaf het
moment van het toelatingsonderzoek. Een goed inzicht is van belang om
reeds bij feitelijke plaatsing zoveel mogelijk rekening te kunnen houden
met de actuele mogelijkheden van betrokkene, met de
ontwikkelingskansen en met de belangstelling. Voor een goede bijsturing van
het ontwikkelingsproces en het maken van gemotiveerde keuzes bij
verandering van werk kan een regelmatige herbeoordeling van
genoemde aspecten niet gemist worden.
5.5. Beoordeling van de
kwaliteit van de aanpassingen
Voor het analyseren en
beoordelen in hoeverre bepaalde werkzaamheden aansluiten bij de
capaciteiten en beperkingen van (toekomstige) werknemers zijn in de
loop der jaren de nodige methoden en technieken ontwikkeld. Deze methoden
en technieken worden echter voornamelijk gebruikt bij personen in
de periode die voorafgaat aan hun (eventuele) plaatsing in de sociale
werkvoorziening. Deze voorfase heeft vooral het testen en trainen van
(potentiële) werknemers tot doel, waarbij ook sprake kan zijn van een vorm van
selectie om te beoordelen op welke werkplek de kandidaten het best
tot hun recht komen. Indien eenmaal werkzaam in de sociale werkvoorziening, wordt het functioneren in veel gevallen niet
meer zo systematisch en
structureel gevolgd.
In de loop van de
experimentele periode is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een instrument
ontwikkeld dat het
mogelijk moet maken om ook tijdens de dienstbetrekking de kwaliteit van de
aansluiting tussen de aangeboden arbeid en de capaciteiten (en de
beperkingen) van de SW-werknemers te blijven volgen.
Dit zogenaamde
profielensysteem is primair bedoeld als handreiking voor het management van
de SW-bedrijven en is in 1992 op basis van vrijwilligheid in de sociale werkvoorziening
geïntroduceerd.
Uitgangspunt was dat het
hanteren van het profielensysteem - waarbij niet alleen een
beoordeling wordt gegeven over de aansluiting tussen capaciteiten en functie
en over het functioneren van de werknemer, maar ook de werknemer in staat
wordt gesteld een oordeel te geven over het eigen functioneren en het
werk - een voldoende waarborg biedt voor het realiseren van de eisen
die aan de SW-arbeid worden gesteld.
Artikel 3
biedt de
mogelijkheid het gebruik van een systeem als hiervoor geschetst bij lagere
regelgeving op te leggen. Op grond van evaluatieonderzoek is vastgesteld
dat het
gebruik een bijdrage levert aan de aandacht voor, het
inzicht in en de verbetering van de kwaliteit van de aansluiting tussen de
aangeboden arbeid en de capaciteiten van de werknemers en het
aanbieden van arbeid onder specifiek aangepaste omstandigheden bevordert.
Inhoudelijke toetsing van
de toepassing van een dergelijk systeem is primair een taak van
degenen die binnen de organisatie zijn belast met de arbozorg en van het
medezeggenschapsorgaan. De Inspectiedienst I-SZW zal daarnaast in het
kader van zijn aandacht voor de arbeidsomstandigheden steekproefsgewijs en
thematisch nagaan op welke wijze het systeem wordt gehanteerd.
rblz.|27|
6. De dienstbetrekking
6.1. Inleiding
De werknemer in de
sociale werkvoorziening heeft een arbeidsverhouding met de gemeente. Als
uitvoerder van de wet vormt het gemeentebestuur ook de meest aangewezen
instantie om de dienstbetrekking aan te gaan. De
rechtszekerheid van de Wsw-werknemer wordt daardoor optimaal gewaarborgd.
Op grond van de wet van
1967 werd deze dienstbetrekking volledig beheerst door de WSW. Het
gewone arbeidsovereenkomstenrecht was op WSW-werknemers niet van
toepassing. Wel waren belangrijke elementen in de SW-regelgeving gedupliceerd.
Met
de onderhavige wet
wordt de regelgeving rondom de dienstbetrekking verder vereenvoudigd. De
SW-specifieke regelgeving wordt grotendeels vervangen
door de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek met betrekking tot de
arbeidsovereenkomst. Dit hoofdstuk behandelt de overwegingen die aan deze
keuze ten grondslag liggen en de toepasbaarheid van algemene regelgeving
waarvan de sociale werkvoorziening tot nu toe was
uitgesloten.
6.2. De oorspronkelijke
keuze voor een speciale dienstbetrekking
Bij de totstandkoming van
de Wet Sociale Werkvoorziening in 1967 heeft de wetgever een
drietal mogelijkheden ten aanzien van de rechtspositie van WSW-werknemers
overwogen (Kamerstukken II 1965-1966, 8609, nr. 3, blz. 14):
- een speciale
dienstbetrekking bij de gemeente
als WSW-werknemer;
- een
privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en werknemer;
- een aanstelling bij
de gemeente als ambtenaar.
In alle drie de gevallen
was sprake van een relatie tussen de WSW-werknemer en de overheid, vanuit de gedachte dat de
WSW-werknemer een
speciale bescherming nodig heeft om zich te kunnen handhaven als
werknemer en dat deze bescherming slechts door de overheid kan worden
verleend. In de toelichting bij de wet werd benadrukt dat de
verhouding tussen WSW-werknemer en gemeente primair wordt bepaald
door de sociale taak van de overheid. Dit rechtvaardigde een speciale dienstbetrekking.
Zowel in een
privaatrechtelijke overeenkomst als in een ambtelijke aanstelling komt de aard
van deze verhouding onvoldoende tot uiting, aldus de toenmalige overweging van de wetgever. In een privaatrechtelijke
overeenkomst valt de
nadruk op de wilsovereenstemming tussen partijen, terwijl juist
in overeenstemming met de aard van de verhouding de wederzijdse rechten en
verplichtingen van de overheid en de gehandicapte werknemer dienen te
worden vastgesteld bij of krachtens de wet. Ook werd niet gekozen
voor een ambtelijke aanstelling, ondanks het feit dat volgens de bepalingen
van de wet de werknemer steeds in dienstbetrekking staat tot het
gemeentebestuur. Het uitgangspunt dat de verhouding tussen de
werknemer en het gemeentebestuur primair wordt bepaald door de sociale
taak van de overheid, leverde indertijd afdoende reden op om hier een
publiekrechtelijke dienstbetrekking van eigen aard te introduceren. Dit
moest het mogelijk maken een beleid te voeren dat afgestemd is op de
bijzondere positie van de betrokken personen.
rblz.|28|
De invoering van het
volumebeleid in 1984 leidde tot een aanpassing van de bevorderingsplicht,
waardoor de aanmelding tot de sociale werkvoorziening een meer
vrijwillig karakter kreeg. Desalniettemin werd de WSW-dienstbetrekking
nog steeds gekenmerkt door een zekere eenzijdigheid van de
arbeidsverhouding, die volledig was vastgelegd in de wet zelf en in een
aantal lagere regelingen: het Besluit en de Regeling rechtspositie en
arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening en het Besluit vrijwillig
vervroegde uittreding sociale werkvoorziening. Dit laatste besluit is in 1994
vervallen.
In het model dat ten
grondslag lag aan de oorspronkelijke keuze voor een dienstbetrekking sui
generis met het gemeentebestuur, had ook de rijksoverheid een taak
ten aanzien van de werknemer. De verantwoordelijkheid van het Rijk voor de
sociale werkvoorziening kwam onder meer ook tot uiting in het
gedetailleerd aangeven van de rechten en plichten die de WSW-werknemer en het
gemeentebestuur als werkgever ten opzichte van elkaar hadden. De rol
van de overheid als wetgever en als werkgever waren vanuit de optiek
van het zorgmodel dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden.
6.3. Naar een
arbeidsovereenkomst volgens het Burgerlijk Wetboek
De wijzigingen die
gedurende de beleidsoperatie BDD zijn gerealiseerd, hebben de regelgeving
rondom de WSW-dienstbetrekking sterk vereenvoudigd en leidden deels ook tot
een verschuiving van verantwoordelijkheden naar gemeenten. De
arbeidsverhouding tussen WSW-werknemer en gemeentelijke werkgever lag echter nog steeds in de WSW zelf
verankerd.
Met
de onderhavige wet
wordt afstand genomen van een dienstbetrekking die volledig wordt
beheerst door hetgeen bij of krachtens de Wsw is bepaald. Heroverweging
van de oorspronkelijke keuze voor een speciale dienstbetrekking valt uit
in het voordeel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen
gemeentebestuur en SW-werknemer. Een aantal overwegingen ligt aan
deze keuze ten grondslag.
6.3.1. Veranderde rol van
het Rijk en de gemeente
Maatschappelijke
ontwikkelingen in het algemeen en veranderde opvattingen ten aanzien
van gehandicapten in het bijzonder hebben ertoe geleid dat de rol van de
overheid meer en meer gedefinieerd wordt in termen van het scheppen
van noodzakelijke voorwaarden dan van alles regelend. De taak van de
overheid ten aanzien van de sociale werkvoorziening laat zich in die zin nog
primair vertalen in het bieden van de gelegenheid om onder
aangepaste omstandigheden arbeid te kunnen verrichten. Dit betekent
onder meer dat de rol van de overheid als wetgever en als werkgever
duidelijker van elkaar gescheiden kunnen worden.
De veranderde opvatting
over de rol van de overheid loopt parallel aan de toegenomen
verantwoordelijkheid van gemeenten voor taken die in medebewind worden
uitgevoerd. Dit betekent dat de oorspronkelijke zorgtaak van de rijksoverheid voor de SW-werknemer grotendeels en in
gewijzigde vorm bij de gemeente kan komen te liggen. De verantwoordelijkheid
van het Rijk voor de sociale werkvoorziening laat zich in de gewijzigde verhoudingen
tussen Rijk en gemeente vertalen in financiële termen en een daarbij
behorende zorg voor de kwantiteit en kwaliteit van de voorziening. De
precieze invulling van de voorziening is de verantwoordelijkheid van de gemeente.
rblz.|29|
Dit geldt niet alleen
voor de wijze waarop de sociale werkvoorziening wordt georganiseerd, maar
ook voor de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de arbeidsverhouding.
Wanneer personen een
beroep doen op de sociale werkvoorziening, kan de verhouding tussen het
gemeentebestuur als werkgever en de SW-werknemer worden
gedefinieerd als een wilsovereenstemming tussen partijen. De keuze voor het aangaan van een dienstverband bij de
sociale werkvoorziening
ligt hiermee expliciet bij de aspirant-werknemer. Dit past ook beter bij de
uitvoeringspraktijk, waarin sprake is van vrijwillige aanmelding.
De keuze voor een
arbeidsovereenkomst benadrukt ook heel duidelijk dat het gemeentebestuur
als werkgever een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het dienstverband
dat het aangaat wordt immers niet langer volledig beheerst door de
bepalingen die de Wsw oplegt. Het gemeentebestuur weet zich ook gebonden op
grond van de overeenkomst die het als werkgever aangaat met
de werknemer. Het dienstverband dat wordt aangegaan, moet aldus
primair begrepen worden vanuit de zorg die de gemeente
heeft voor het
bieden van arbeid aan personen die hierop aanspraak maken.
Hoewel de SW-werknemer in
dienstbetrekking staat tot het gemeentebestuur, wordt ook nu bewust niet
gekozen voor een aanstelling als ambtenaar. De sociale
werkvoorziening is immers niet belast met de uitvoering van publiekrechtelijke taken. Een ambtelijke rechtspositie ligt
daarom niet in de rede.
6.3.2. Verdere
deregulering
De overgang naar een
arbeidsovereenkomst is ook vanuit de dereguleringsgedachte te
beargumenteren. WSW-specifieke regelgeving op het gebied van de
dienstbetrekking wordt immers zoveel mogelijk vervangen door algemene
regelgeving, in casu Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek, titel 7a, afdeling 1 tot en met 6. Slechts bepalingen van het BW
met betrekking tot de arbeidsovereenkomst die onverenigbaar zijn met de doelstelling van de
Wsw
zijn in de nieuwe wet uitgesloten dan wel beperkt. Eveneens met het
oog op het doel van de wet zijn enkele aanvullende bepalingen
met betrekking tot de dienstbetrekking opgenomen.
De wet gaat ervan uit dat
partijen een collectieve arbeidsovereenkomst sluiten, waarin de
arbeidsvoorwaarden van de SW-werknemers nader worden geregeld. Tot dat
moment voorziet de wetswijziging in een regeling waarin de arbeidsvoorwaarden zijn vastgesteld door de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vanaf het moment dat voor de sociale werkvoorziening
een CAO van kracht is geworden, wordt de tijdelijke regeling
ingetrokken. De dienstbetrekking wordt dan beheerst door:
- de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek, Boek 7a, titel 7a, voor zover van toepassing;
- enkele relevante
bepalingen uit de Wet sociale werkvoorziening;
- de bepalingen van de
CAO die van toepassing is, voor zover deze niet in strijd zijn met het BW
en de Wsw.
In de volgende paragrafen
wordt nader ingegaan op de algemene regelgeving die van
toepassing is op de dienstbetrekking op grond van een arbeidsovereenkomst
en de uitzonderingen en aanvullingen die hierop in de Wsw worden
gemaakt. De af te sluiten CAO is onderwerp van rblz.|30|
hoofdstuk 7, waar de
vorming van de arbeidsvoorwaarden van SW-werknemers wordt
behandeld.
6.3.3. Toepasbaarheid van
het Burgerlijk Wetboek, Boek 7a, titel 7a
In
artikel
2, eerste lid,
zijn de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek over de arbeidsverhouding
van toepassing verklaard op de arbeidsverhouding van de werknemer in de
sociale werkvoorziening, overeenkomstig artikel 1637z van het BW.
Het uitgangspunt is dat
de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek met zo weinig mogelijk
uitzonderingen van toepassing moeten zijn. Hoewel de arbeid in de sociale
werkvoorziening onder aangepaste omstandigheden plaatsvindt, kan de
arbeidsovereenkomst voor de SW-werknemer alle kenmerken hebben van de overeenkomst zoals bedoeld in artikel
1637a
van het BW. De werknemer verricht productieve arbeid, die qua inhoud niet wezenlijk verschilt
van arbeid die onder normale omstandigheden wordt verricht, en is
gehouden deze arbeid zelf te verrichten. Voorts is de werkgever verplicht loon
te betalen. Het betalen van loon is de prestatie van de werkgever voor de
door de werknemer geleverde arbeidsprestatie. De werknemer is in dienst
van de werkgever en staat derhalve tot hem in een gezagsverhouding.
Een groot aantal
bepalingen kan zonder enig probleem van toepassing zijn op de werknemers in
de sociale werkvoorziening, omdat bij de vorming van de vroegere
rechtspositie van de werknemers rekening was gehouden met toepasselijke bepalingen uit het
BW. Enkele bepalingen zijn
door hun aard niet van
toepassing op werknemers in de sociale werkvoorziening. De in deze bepalingen
beschreven situaties doen zich namelijk in de sociale werkvoorziening niet voor.
Via arbeid wordt de
werknemer in staat gesteld zijn arbeidsbekwaamheid te behouden en te
bevorderen. Op de werkgever berust dan ook de plicht om arbeid
aan te bieden die past binnen de doelstelling van de
wet. De werkgever is
natuurlijk niet tot het onmogelijke gehouden, maar van hem wordt ter
zake wel een uiterste inspanning verwacht. Mede met het oog op de
doelstelling van de wet kan de werkgever ook de deelneming van de
werknemer aan voorlichtings- en scholingsactiviteiten bevorderen en zo
nodig de
uitvoering van zodanige activiteiten. Het wordt aan partijen overgelaten
hierover nadere afspraken te maken bij CAO.
Op het punt van de
proeftijd wijkt het BW
af van de eerdere SW-regelgeving. Het
Besluit rechtspositie en arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening stelde
dat de werknemer tijdelijk voor een periode van twee maanden in dienst
werd genomen. Wanneer bleek dat de werknemer tijdens deze periode niet
langer voldeed aan de vereisten die voor de indienstneming golden,
kon het gemeentebestuur de tijdelijke dienstbetrekking ten hoogste tweemaal
verlengen met twee maanden. De werknemer die voldeed aan
de eisen kreeg een dienstbetrekking van bepaalde of onbepaalde
tijd aangeboden.
Op grond van artikel
1639n van het Burgerlijk
Wetboek kan een proeftijd worden bedongen.
Gedurende de proeftijd kan de dienstbetrekking worden beëindigd
zonder opzegging of zonder inachtneming van de bepalingen die ter zake gelden. De duur van de proeftijd, of bij verlenging
de gezamenlijke
proeftijden, is dwingend bepaald op maximaal twee maanden en dient voor
beide partijen gelijk te zijn. Van het treffen van afwijkende bepalingen op
dit punt is afgezien in verband met de verplichting voor de gemeente
om ook bij ontslag tijdens de proeftijd - via rblz.|31|
tussenkomst van de
gemeentelijke adviescommissie - het oordeel van de Dienst indicatie sociale
werkvoorziening te vragen (zie paragraaf 6.3.4).
De voorwaarden waaronder
een dienstbetrekking van bepaalde tijd kon worden aangeboden, waren
in SW-regelgeving precies omschreven. In de notitie "Stroomlijning
van gesubsidieerde arbeid" is gesteld dat ook in de onderhavige wet nadere
regels zullen worden opgenomen die bepalen dat aan nieuwe werknemers in
eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor twee jaar wordt aangeboden. Reden was dat in de eerste twee jaar nader
wordt bezien of betrokkene werkelijk en permanent op de sociale werkvoorziening is
aangewezen. Nu nadrukkelijk is bepaald dat het niet langer behoren tot de
Wsw-doelgroep een dwingende ontslaggrond is, is ook op dit punt afgezien
van regelgeving die afwijkt van het Burgerlijk
Wetboek.
Een laatste punt dat zou
kunnen noodzaken tot afwijkende regelgeving is het volgende. In de
notitie "Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid" wordt uitgegaan van
32-uursbanen voor de werknemers die na de inwerkingtreding van de
nieuwe wet in dienst treden met een beloning op het niveau van het wettelijk
minimumloon. Overweging daarbij is dat aan zoveel mogelijk personen die zijn aangewezen op de sociale werkvoorziening
een arbeidsovereenkomst moet worden geboden en dat de stimulans voor
doorstroming naar regulier werk aanwezig moet blijven. Slechts in individuele
gevallen, die verband houden met persoonlijke factoren, kan een
dienstbetrekking van meer dan 32 uur worden overeengekomen. Het (verdeelde) advies
van de Sociaal-Economische Raad ten aanzien van deze
elementen geeft geen aanleiding om van het oorspronkelijke voornemen af te zien.
Om invulling te geven aan
deze vereisten is gekozen voor een benadering via de bekostigingssystematiek. In gevallen dat sprake moest
zijn van een dienstbetrekking van 32 uur wordt deze dienstbetrekking ook
slechts voor 32 uur
betrokken bij de vaststelling van de subsidie. Indien de gemeente
om haar
moverende redenen een dienstbetrekking voor meer uren is aangegaan, komen
de meerkosten voor rekening van de gemeente. In gevallen
waar is afgeweken van het vereiste van beloning op het niveau van het
minimumloon wordt de dienstbetrekking niet betrokken in de subsidiëring.
6.3.4. Afwijkende en
aanvullende bepalingen
Ontslagbepalingen in het
BW
Met betrekking tot de
mogelijkheid tot ontslag uit de sociale werkvoorziening wordt aangesloten bij de
ontslagbepalingen in het BW. De artikelen 1639e tot en met 1939x van het
BW regelen de wijze waarop de
door de arbeidsovereenkomst ontstane dienstbetrekking eindigt.
Gegeven de doelstelling
van de wet en het daaruit voortvloeiende karakter van de
voorziening is de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever
aangepast. Deze aanpassing is noodzakelijk omdat de arbeidsplaatsen in de
sociale werkvoorziening uitsluitend beschikbaar mogen zijn voor personen
die behoren tot de doelgroep. In artikel 6, tweede en derde lid, van
de wet is aangegeven wanneer het gemeentebestuur de arbeidsovereenkomst
kan opzeggen en wanneer de arbeidsovereenkomst dient te worden opgezegd.
Opzegging door de werknemer is niet beperkt of
aangevuld. Dit geldt ook voor de in het BW
opgenomen ontslagverboden.
rblz.|32|
Preventieve ontslagtoets
Het
BBA [Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945, red.] is niet
van toepassing op de arbeidsverhouding van werknemers bij een
publiekrechtelijk lichaam (artikel 2, eerste lid). In
artikel 6, derde lid, van
deze wet
is de bepaling opgenomen dat bij een voorgenomen ontslag herindicatie
plaatsvindt. Daarbij toetst de directeur van de Dienst of het voorgenomen
ontslag geen gevolg is van de arbeidshandicap waardoor betrokkene tot
de doelgroep behoort. Indien het verzoek tot ontslag wordt gemotiveerd door de arbeidshandicap, maar de
gemeentelijke
adviescommissie acht betrokkene toch tot arbeid in de zin van de wet in staat
- zo nodig met nadere aanpassingen op de werkplek of in de begeleiding -
dan
brengt de adviescommissie een negatief advies uit. Het advies kan
worden gezien als een preventieve toets die bevordert dat het gemeentebestuur
pas tot ontslag overgaat na zorgvuldige besluitvorming. Het
bovenstaande is eveneens van toepassing bij ontslag tijdens de proeftijd.
Ontslagbepalingen in verband met het niet langer behoren tot de doelgroep
De verplichting de
arbeidsovereenkomst te beëindigen geldt in die situaties dat de
werknemer niet langer behoort tot de doelgroep, omdat zijn arbeidsbekwaamheid
zodanig is dat hij in staat moet worden geacht arbeid onder normale
omstandigheden te verrichten of omdat hij niet langer in staat is tot
arbeid in de zin van deze wet.
In artikel 28 van de WSW
was bepaald dat het gemeentebestuur de dienstbetrekking diende
te beëindigen wanneer de werknemer niet langer in staat was tot arbeid
in de zin van de wet en er voor hem een alternatieve opvangmogelijkheid
feitelijk beschikbaar was. In artikel 6, tweede lid,
onderdeel b, is daarbij
aangesloten.
Een werknemer die na
indicatie in staat wordt geacht tot arbeid onder normale omstandigheden
kan worden ontslagen indien hij een aanbod tot arbeid onder dergelijke
omstandigheden heeft geweigerd. Artikel 4 van de wet regelt dat de gemeente, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de
uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen samenwerken om de inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van personen van wie de gemeente verwacht dat zij
binnen één jaar in staat zullen zijn om arbeid te verrichten onder normale
omstandigheden.
7. Collectieve
arbeidsvoorwaardenvorming
7.1. Inleiding
Op grond van het bepaalde
in de WSW 1967 lag de bevoegdheid tot het vaststellen van de
arbeidsvoorwaarden van SW-werknemers bij het Rijk. Artikel 30 WSW gaf de
Kroon en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de taak
om regels te stellen met betrekking tot de rechten en plichten van werknemers of gewezen werknemers.
De eenzijdige bevoegdheid
van het Rijk om de arbeidsvoorwaarden vast te stellen, lag geheel in
lijn met de oorspronkelijke keuze voor een WSW-specifieke dienstbetrekking. Dit neemt niet weg dat in de loop der
jaren een overlegstructuur is ontstaan tussen de overheid en de werknemersorganisaties
die de SW-werknemers vertegenwoordigen. Binnen het kader van dit
overleg kreeg de arbeidsvoorwaardenvorming gestalte.
rblz.|33|
Bij de start van de
beleidsoperatie BDD werd aangegeven dat er voor het vaststellen van de
arbeidsvoorwaarden een andere vorm gevonden moest worden dan
eenzijdige vaststelling door het Rijk. Nog tijdens de experimentele fase zou
gezocht moeten worden naar een inrichting van het overleg die meer in
overeenstemming is met gelijkwaardigheid van partijen.
De onderhavige wet gaat
uit van een arbeidsvoorwaardenoverleg tussen de vertegenwoordiger(s) van gemeentelijke werkgevers en
SW-werknemers. De ontwikkeling van de arbeidsvoorwaardenvorming is hiermee te karakteriseren
als een van eenzijdige arbeidsvoorwaardenvaststelling naar CAO-onderhandeling.
Een eerste stap in dit proces is gezet met de formalisering van het overleg, die tijdens de beleidsoperatie
is gerealiseerd. Met de
oprichting van een aantal stichtingen ten behoeve van de regelingen voor
gewezen WSW-werknemers is op onderdelen reeds een paritaire verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaardenvorming
gerealiseerd.
Alle partijen die in het
Centraal Overleg Sociale Werkvoorziening participeerden, hebben
hun overwegingen en intenties ten aanzien van de vorming van een CAO voor
de sociale werkvoorziening neergelegd in een gemeenschappelijke verklaring
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 300 XV, nr
73). Partijen kwamen overeen dat de wijziging in regelgeving door het ministerie en de vorming
van een CAO door partijen gelijktijdig en in onderlinge samenhang
zouden worden voorbereid. Tussen de minister
als werkgever in het
voormalige arbeidsvoorwaardenoverleg en AbvaKabo [zie FNV,
red.], CFO [zie CNV, red.] en VNG
worden
afspraken gemaakt met betrekking tot de inhoud van de eerste af te sluiten
CAO.
7.2. Formalisering van
het arbeidsvoorwaardenoverleg
Sinds het midden van de
jaren ’70 hebben de werknemersorganisaties gestreefd naar een
gelijkwaardige positie in het arbeidsvoorwaardenoverleg. Zij vonden het
bezwaarlijk dat er geen wettelijk recht op overleg bestond en dat aan het
gevoerde overleg ook geen rechten konden worden ontleend.
Desalniettemin is in de loop der jaren een informele overlegstructuur tot
stand gekomen. Dit betekende dat het overleg geenszins een
vrijblijvende aangelegenheid was. Erkenning van de gelijkwaardigheid van
partijen door het kabinet heeft geleid tot een wettelijke grondslag voor
het arbeidsvoorwaardenoverleg voor de werknemers in de sociale
werkvoorziening. Met de wetswijziging van 2 november 1990 (Stb.
1990, 573)
werd vastgelegd dat in nadere regelgeving moest worden bepaald op
welke wijze het arbeidsvoorwaardenoverleg werd gevoerd en welke
organisaties daarbij waren betrokken.
Per 1 september 1991 werd
het Besluit centraal overleg sociale werkvoorziening van
kracht (Besluit van 28 mei 1991, Stb. 1991, 288). Hierin was bepaald dat over de
rechtspositie en arbeidsvoorwaarden niet werd beslist dan nadat
daarover door of namens de minister overleg was gevoerd met de - representatief geachte
- werknemersorganisaties AbvaKabo (vakbond voor
werknemers in dienst van overheid, onderwijs, instellingen voor
gezondheidszorg en welzijnswerk, bejaardentehuizen, sociale werkvoorziening
en nutsbedrijven in NV-vorm [zie FNV, red.]) en CFO (CNV-bond voor overheid,
gezondheid, welzijn en sociale werkvoorziening). De Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) was in dit Centraal Overleg Sociale
Werkvoorziening adviseur. In de VNG-delegatie werd een vertegenwoordiging van
het Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (NOSW) opgenomen.
rblz.|34|
Wanneer het overleg
onverhoopt niet tot overeenstemming leidde, konden beide partijen
afzonderlijk advies inwinnen van de Advies- en Arbitragecommissie voor
geschillen tussen de overheid als werkgeefster en de ambtenarencentrales
(commissie-Albeda). Een verzoek aan de Commissie om arbitrage in
een geschil kon alleen geschieden in overeenstemming tussen beide partijen,
gezien het bindende karakter van de uitspraak.
7.3. Overdracht van de
werkgeversrol in het Centraal Overleg Sociale Werkvoorziening
Formalisering van het
arbeidsvoorwaardenoverleg was een belangrijke stap naar een grotere
gelijkwaardigheid van partijen die bij dat overleg waren betrokken, maar kon
als zodanig niet worden beschouwd als einddoel. Ook binnen de
context van het geformaliseerde overleg bleef de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden uiteindelijk een taak van het
Rijk.
Vanuit het streven van
het kabinet naar een terugtredende overheid in het algemeen en een zo
groot mogelijke decentrale uitvoering van de WSW in het bijzonder, is
de vraag gesteld of de rijksoverheid, in casu de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, noodzakelijkerwijs werkgeverspartij in het Centraal Overleg Sociale Werkvoorziening dient te
zijn. Het ligt in de rede
om met het oog op de overdracht van bevoegdheden aan het lokale
bestuursniveau juist op een dergelijk belangrijk onderdeel de wet te
wijzigen. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel met
betrekking tot de beleidsoperatie BDD werd in de motie-Oomen-Ruijten/Spieker
hierop ook aangedrongen (Kamerstukken II 1987-1988, 20 512, nr.
18). In deze motie sprak de Tweede Kamer uit dat na het experiment met de
budgetfinanciering de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in
belangrijke mate vorm moest krijgen.
Overdracht van de
werkgeversrol is ook gewenst vanuit het streven de sociale werkvoorziening
zoveel mogelijk te benaderen als volwaardige sector. Dit betekent dat
de arbeidsverhoudingen zo mogelijk dienen te worden genormaliseerd.
Een proces dat ook in de overige delen van de collectieve sector valt
te constateren. De werkgeversrol kan alleen worden overgedragen aan een
organisatie die in het arbeidsvoorwaardenoverleg de werkgevers (de gemeenten) representeert, met wie de SW-werknemers
een arbeidsovereenkomst
aangaan. De VNG heeft de mogelijkheid tot het maken van bindende
afspraken met de werknemersorganisaties over de arbeidsvoorwaarden zowel
van de werknemers van gemeenten als van de SW-werknemers. Omdat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet langer als werkgever
participeert in het arbeidsvoorwaardenoverleg, vervult hij eveneens niet
langer die rol in het bestuur van het pensioen-, AOV- en VUT-fonds. Ook in deze besturen kunnen de
werkgeverszetels worden
bezet door de VNG.
Met de afspraken die de
VNG maakt in het kader van het arbeidsvoorwaardenoverleg
worden niet alleen de afzonderlijke gemeenten gebonden, maar
via hen evenzeer de gemeenschappelijke regelingen die de wet namens gemeenten uitvoeren en privaatrechtelijke
rechtspersonen die op
grond van een aanwijzingsbesluit namens de gemeente een deel van de
wetsuitvoering voor hun rekening nemen.
rblz.|35|
7.4. De
verantwoordelijkheid van het Rijk bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden
De behoefte van de
rijksoverheid om de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling
te beheersen, was een belangrijke overweging om de
arbeidsvoorwaardenontwikkeling in eigen hand te houden. Immers, de sociale werkvoorziening maakt deel uit van de
collectieve sector,
waarvan de financiering voor een groot deel plaatsvindt uit collectieve middelen.
Beheersing van de kosten is voor de rijksoverheid dan ook een wezenlijke
zorg bij het in stand houden van de voorziening. In de
voormalige bekostigingsstructuur waarin eerst en vooral de lonen van de
werknemers werden vergoed, vormden de loonkosten een
belangrijke factor in de totale kostenontwikkeling van de sociale werkvoorziening.
Met de totstandkoming van
een CAO voor de sociale werkvoorziening wordt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden
duidelijk en bewust
verlegd. De gemeenten en de werknemersorganisaties krijgen een gelijkwaardige positie in het overleg, terwijl de
rijksoverheid zich
terugtrekt. De contractvrijheid van CAO-partijen impliceert dat de
verantwoordelijkheid voor het onderhandelingsresultaat en de kostenontwikkeling
door de arbeidsvoorwaarden bij de partijen zelf ligt.
Waar de
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kaders wil stellen aan de
arbeidsvoorwaarden op grond van de doelstellingen die hij met de wet wil
realiseren, staan in principe twee mogelijkheden open. Dergelijke kaders kunnen
in wettelijke bepalingen worden neergelegd of via de voorwaarden te
stellen bij de subsidieverstrekking aan de gemeenten
worden
afgedwongen. In de onderhavige wet is voor die laatste route gekozen
waar het gaat om de wenselijk geachte arbeidsduur van 32 uur per week en de
beloning op het niveau van het minimumloon gedurende de eerste twee
jaar van het dienstverband.
Met het systeem van
budgetfinanciering is vanuit de optiek van het Rijk een instrument gevonden
ter beheersing van de uitvoeringskosten. Bovendien blijft het Rijk
onder de nieuwe, gedecentraliseerde verhouding tussen gemeenten
en rijksoverheid verantwoordelijkheid dragen voor de
omvang en de kwaliteit
van de voorziening. Onder deze condities kunnen de organisatie(s) van de
SW-werknemers en de gemeentelijke werkgevers gezamenlijk de arbeidsvoorwaarden vaststellen, zonder dat dit ten koste
zal gaan van het uiteindelijke voorzieningenniveau en zonder dat eventuele meerkosten
kunnen worden afgewenteld op de rijksoverheid. Het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden hoeft dan niet langer een
bevoegdheid van het Rijk
te zijn, maar het resultaat van een gelijkwaardig overleg tussen
CAO-partijen. De resultaten van het overleg kunnen in die situatie neerslaan in een
collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).
Het feit dat de
minister in een CAO-situatie niet langer als werkgever participeert in het
overleg, betekent geenszins dat het Rijk het zicht verliest op de feitelijke
ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden. Partijen doen op basis van de Wet
op de loonvorming de minister mededeling van het sluiten, wijzigen of
opzeggen van een collectieve arbeidsovereenkomst.
Wanneer een
gemeente niet
langer zou zijn aangesloten bij de VNG die de werkgeversrol vervult
in het arbeidsvoorwaardenoverleg, hoeft dit geen gevolgen te hebben
voor de werkingssfeer van de CAO. Het gemeentebestuur kan als
werkgever in deze situatie immers worden gebonden aan de CAO op grond van een aan te vragen besluit tot
algemeenverbindendverklaring. Wanneer de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
rblz.|36|
de
bepalingen van de CAO algemeen verbindend heeft verklaard, gelden
deze voor alle SW-werkgevers en SW-werknemers.
CAO-bepalingen die een
(VUT-)fonds betreffen kunnen voor een periode van maximaal vijf jaar
verbindend worden verklaard. Voor een algemeenverbindendverklaring van
deze bepalingen gelden overigens specifieke (beleids)voorwaarden. Zo
moeten blijkens een CAO-bepaling de statuten en het reglement van het
fonds een integraal deel uitmaken van de CAO.
8. De medezeggenschap
8.1. Inleiding
Artikel 24 van de WSW
verplichtte het gemeentebestuur tot het bevorderen van de
oprichting en instandhouding van organen van overleg tussen de leiding
van het werkverband en de werknemers. De wijze waarop de
medezeggenschap van werknemers in de sociale werkvoorziening gestalte
moest krijgen werd in 1977 vastgelegd in het Besluit organen van
overleg sociale werkvoorziening (Besluit OVO), dat in 1986 geheel is herzien
(Besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 724).
De keuze om werknemers in
de sociale werkvoorziening werkzaam te laten zijn op basis van
een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft ook gevolgen voor
de regelgeving inzake de medezeggenschap, omdat daardoor de Wet
op de ondernemingsraden op deze sector van
toepassing wordt. Op
grond van de overwegingen die ten grondslag liggen aan de huidige
keuze voor een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, is het
eveneens gewenst op het gebied van de medezeggenschap van SW-werknemers zoveel
mogelijk aan te sluiten bij algemene regelgeving.
In zijn algemeenheid kan
worden gesteld dat de inhoudelijke verschillen tussen het Besluit OVO en
de Wet op de
ondernemingsraden niet groot zijn. Op basis van het
uitgangspunt dat de medezeggenschap van werknemers in de sociale werkvoorziening vergelijkbaar moet zijn met die
van de werknemers in de marktsector, heeft de Wet op de ondernemingsraden
bij de opstelling van het Besluit OVO als belangrijk richtsnoer gediend. De rechten en de
bevoegdheden van het orgaan van overleg komen dan ook overeen met
die van de ondernemingsraad.
De inhoudelijke
verschillen hebben in het bijzonder betrekking op de beroepsgang bij
geschillen en de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
8.2. Beroepsgang
Het Besluit OVO kende de
volgende algemene beroepsgang. Bij een verschil van mening
tussen de overlegpartners was het gemeentebestuur de eerste beroepsinstantie, die naar aanleiding van een door het orgaan
ingediend beroepsschrift
een beslissing nam. Wanneer het orgaan bezwaar wilde maken tegen
de beslissing van het gemeentebestuur, kon het orgaan het geschil voorleggen aan de
Commissie organen van
overleg, die een
bemiddelende taak had. Leidde dit niet tot een oplossing, dan kon het orgaan in
beroep gaan bij de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Voor
geschillen over adviesplichtige beslissingen zoals bedoeld in artikel 29,
Besluit OVO gold een afwijkende beroepsgang, waarbij het orgaan het
geschil direct aan de minister kon voorleggen.
rblz.|37|
In de geschillenregeling
van het Besluit OVO was er gezien het bijzondere karakter van
de sociale werkvoorziening in het verleden voor gekozen geschillen binnen
"eigen kring" op te lossen. De geschillenprocedure van de Wet
op de ondernemingsraden biedt echter voldoende garanties voor een rechtsgang waarin rekening wordt gehouden met het
specifieke karakter van
de sociale werkvoorziening.
Het handhaven van een
bijzondere geschillenprocedure ten behoeve van de sociale
werkvoorziening die afwijkt van de beroepsgang van de Wet
op de ondernemingsraden, is daarom niet noodzakelijk.
8.3. Ontheffing
In het Besluit OVO was
ook een van de Wet
op de ondernemingsraden afwijkende bepaling
opgenomen voor het verlenen van ontheffing van de verplichting een orgaan
van overleg in te stellen. Indien bijzondere omstandigheden een goede
toepassing van het Besluit OVO in de weg stonden, kon de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een termijn van ten hoogste
vijf jaar op verzoek van het gemeentebestuur geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen om het Besluit OVO toe te
passen. Daarbij moet in
het bijzonder worden gedacht aan de situatie waarin de werknemers
zodanig gehandicapt zijn dat zij niet in staat zijn te achten zelf aan het
overleg deel te nemen dan wel vertegenwoordigers voor het overlegorgaan te
kiezen.
De
Wet op de
ondernemingsraden bevat een vergelijkbare bepaling. Artikel 5 bepaalt dat,
indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van de Wet op
de ondernemingsraden in de weg staan, de Sociaal-Economische Raad
voor een termijn van ten hoogste vijf jaar op
verzoek van de ondernemer ontheffing van de verplichting een ondernemingsraad
in te stellen kan
verlenen.
De mogelijkheid tot het
verlenen van ontheffing is derhalve niet uniek voor het Besluit OVO,
maar kan ook bij de toepassing van de Wet
op de ondernemingsraden worden
verkregen indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van
de wet in de weg staan. De situatie waarin werknemers in overwegende mate zodanig gehandicapt zijn dat zij
niet in staat moeten
worden geacht hun actief en passief kiesrecht uit te oefenen, is naar mijn
oordeel als een bijzondere omstandigheid aan te merken. Ook bij
toepassing van de Wet op de ondernemingsraden kan in dat geval aan het
verlenen van ontheffing de voorwaarde worden verbonden een
alternatieve vorm van overleg in te stellen. Het verschil tussen beide regelingen
is dus voornamelijk gelegen in de onderscheiden beslisser over het
verzoek tot verlening van ontheffing.
Daar de procedure voor
ontheffingsverzoeken die bij de toepassing van de Wet
op de ondernemingsraden wordt gehanteerd voldoende waarborgen biedt om te
komen tot een zorgvuldige beslissing, is het niet noodzakelijk om voor de
sociale werkvoorziening een bijzondere bepaling voor ontheffingsverzoeken
te handhaven.
8.4. Een gezamenlijke
ondernemingsraad voor WSW-werknemers en ambtelijk personeel
De aparte
medezeggenschapsregelgeving voor ambtenaren en werknemers werkzaam op
basis van de Wet Sociale Werkvoorziening heeft in de sociale werkvoorziening geleid tot een dubbele overlegstructuur,
waarbij enerzijds het ambtelijk personeel en anderzijds de SW-werknemers een eigen
medezeggenschapsorgaan hebben.
rblz.|38|
De
medezeggenschapsrechten van de ambtenaren zijn per mei 1995 geregeld in de
Wet op de
ondernemingsraden, voordien functioneerden er ten behoeve van het
ambtelijk personeel medezeggenschapscommissies. Nu de Wet op de ondernemingsraden voor de SW-werknemers van
toepassing wordt, komt er een einde aan de dubbele overlegstructuur in de sociale
werkvoorziening. Er kan dan immers een ondernemingsraad worden ingesteld die is
samengesteld uit vertegenwoordigers van het ambtelijk personeel en
SW-werknemers.
Over de wenselijkheid van
een gezamenlijk medezeggenschapsorgaan wordt verschillend
gedacht, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op het risico van de
dominantie van het overleg door de ambtelijke vertegenwoordigers. Vooralsnog kan dit
bezwaar worden ondervangen door toepassing van een kiesgroepenstelsel op basis van artikel 9, derde lid,
van de Wet op
de ondernemingsraden. Bij toepassing van dit stelsel, waarbij SW-werknemers en
ambtenaren een eigen kiesgroep hebben, is elke kiesgroep naar rato
in de raad vertegenwoordigd. Gelet op de bepaling van artikel 9,
vierde lid, van de Wet
op de ondernemingsraden dat de verschillende
groepen die in de onderneming werkzaam zijn zoveel mogelijk in de
ondernemingsraad vertegenwoordigd dienen te zijn, heeft toepassing van het
kiesgroepenstelsel in de sociale werkvoorziening dan ook de voorkeur.
8.5. Betrokkenheid van de
VNG bij uitoefening SER-bevoegdheden
De bijzondere bepalingen
voor ondernemingsraden bij de overheid zoals neergelegd in
hoofdstuk VIIb van de Wet
op de ondernemingsraden, zijn voor de sociale
werkvoorziening niet van toepassing, omdat het hier in de regel niet zal gaan
om ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt
verricht. Dit betekent
dat niet de Minister van Binnenlandse Zaken, maar de
Sociaal-Economische Raad een aantal bevoegdheden met betrekking tot de sociale
werkvoorziening zal uitoefenen.
In de
Wet op de
ondernemingsraden worden aan de Sociaal-Economische Raad
onder meer de volgende bevoegdheden toegekend:
- het verlenen van
ontheffing om een ondernemingsraad in te stellen (artikel 5);
- het stellen van
nadere regels voor de inhoud van het ondernemingsraadreglement
(artikel 8, tweede en derde lid);
- het verlenen van
ontheffing ten aanzien van diverse wettelijke bepalingen voor ondernemingsraden ingesteld voor ondernemingen
waarin in de regel minder dan 100 personen werkzaam zijn (artikel 35a, derde lid);
- het instellen en
stellen van nadere regels met betrekking tot de bedrijfscommissies
(artikelen 37, 38, 39 en 41, tweede lid).
De voorgenomen overdracht
van de werkgeversrol (hoofdstuk 7) houdt in dat de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten namens de gemeenten optreedt als de
werkgeversorganisatie ten behoeve van de sociale werkvoorziening. In tegenstelling tot de
werknemersorganisaties is de
VNG als representatieve werkgeversorganisatie niet in de Sociaal-Economische Raad
vertegenwoordigd en heeft derhalve bij de uitoefening van de genoemde
bevoegdheden geen invloed. Om die reden is aan de Sociaal-Economische Raad
gevraagd advies uit te brengen over de wijze waarop de VNG bij de
uitoefening van de in de Wet
op de ondernemingsraden neergelegde bevoegdheden
ten behoeve van sociale werkvoorziening kan worden betrokken. In
zijn advies heeft de Sociaal-Economische Raad
aangegeven een wettelijke regeling waarin de positie rblz.|39|
van de VNG in het overleg
binnen de Raad over de uitoefening van deze bevoegdheden wordt
vastgelegd, niet noodzakelijk te achten. De Sociaal-Economische Raad zegt daarentegen toe de VNG te zullen
betrekken bij de
voorbereiding van besluiten als bedoeld in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid,
35a, derde lid, 37, 38, 39 en 41, tweede lid van de Wet
op de ondernemingsraden voor zover deze de sociale werkvoorziening betreffen. De
Sociaal-Economische Raad noemt daarbij in concreto dat:
- de VNG in de
gelegenheid zal worden gesteld van haar zienswijze te doen blijken bij
verzoeken om ontheffing van de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad in de sociale werkvoorziening;
- de VNG zal worden
ingeschakeld bij de vaststelling van een verordening die in het bijzonder de
sociale werkvoorziening aangaat;
- de VNG zal worden
aangewezen als representatieve organisatie van werkgevers voor de
sociale werkvoorziening en is derhalve gerechtigd tot het benoemen van de helft
van de leden van een in te stellen bedrijfscommissie voor deze sector.
Gezien de toezegging van
de Sociaal-Economische Raad dat de VNG
telkenmale als adviseur
zal worden ingeschakeld wanneer er aangelegenheden betreffende de toepassing
van de Wet op
de ondernemingsraden in de sociale werkvoorziening aan de orde zijn, acht ik het niet noodzakelijk
de betrokkenheid van de
VNG bij de uitoefening van genoemde bevoegdheden in de regelgeving vast te
leggen.
8.6. De integrale
toepassing van de Wet op de ondernemingsraden
De integrale toepassing
van de Wet op
de ondernemingsraden in de sociale werkvoorziening
brengt naar zich laat aanzien vooralsnog geen bijzondere knelpunten in
de uitvoering met zich mee. De Wet op de ondernemingsraden biedt
voldoende mogelijkheden en waarborgen dat er rekening wordt
gehouden met het eigen karakter van de sociale werkvoorziening, ook
wanneer het de beroepsgang en de mogelijkheid tot het verlenen van
ontheffing betreft. Desondanks is het wenselijk de ontwikkelingen op het
terrein van de medezeggenschap nadrukkelijk te volgen, mede in relatie
tot de gewijzigde omschrijving van de doelgroep. De verhouding tussen het
ambtelijk personeel en de SW-werknemers in de ondernemingsraad
blijft in de toekomst een punt van aandacht. Het functioneren van de
medezeggenschap in de sociale werkvoorziening zal daarom in de toekomst
periodiek worden onderzocht.
9. De bekostiging van
de sociale werkvoorziening
9.1. Inleiding
In afwijking van het
algemene uitgangspunt dat gemeentelijke taken bij voorkeur worden bekostigd
uit de eigen middelen van de gemeente of uit de algemene uitkering uit
het gemeentefonds, is met betrekking tot de uitvoering van deze wet
gekozen voor bekostiging in de vorm van een specifieke uitkering. Een structuurkenmerk van de gemeenten op basis
waarvan de verdeling van middelen via de algemene uitkering mogelijk is,
is niet voorhanden. En de
hierna te schetsen maatstaf van het aantal SW-werknemers, verdeeld
over drie beperkingscategorieën, of het aantal tot de doelgroep
behorende personen binnen een gemeente is te specifiek om als structuurkenmerk
voor de berekening van de algemene uitkering te kunnen functioneren.
De vormgeving van de
wijze van bekostiging is één van de centrale rblz.|40|
elementen in de
medebewindsverhouding tussen Rijk en gemeenten ten aanzien van de sociale
werkvoorziening. De hoogte van de subsidie bepaalt in voorwaardenscheppende zin de mogelijkheden van de
gemeente bij de uitvoering van de wet. De regels ten aanzien van de besteding van de subsidie
stellen grenzen aan de beleidsvrijheid van de gemeente bij de
uitvoering.
De introductie van
budgetfinanciering en het systeem van verdeling van de rijkssubsidie op grond
van aantallen arbeidsplaatsen zijn kernelementen geweest in
de beleidsoperatie BDD van de afgelopen jaren. In de onderhavige wet is uitgegaan van handhaving van de
budgetfinanciering.
Wijzigingen worden met name aangebracht in de verdeling van middelen.
Daarbij wordt in het vervolg rekening gehouden met de mate van
arbeidshandicap van de werknemer. Andere belangrijke wijziging is dat niet
langer sprake is van een bijdrage in de kosten van de uitvoering maar van een
rijkssubsidie gekoppeld ten behoeve van het realiseren van een aantal
arbeidsplaatsen. Ook de rijksvoorschriften voor de besteding van de
middelen zijn onderwerp van herijking geweest bij de herziening van de wet.
9.2. De financiering van
de sociale werkvoorziening
De totale kosten die
gemoeid zijn met de uitvoering van de sociale werkvoorziening bedroegen
in 1994 bij benadering ƒ4,9 miljard. De dekking voor deze kosten
is voor het merendeel afkomstig uit de rijksvergoeding (ongeveer ƒ3,5 miljard in 1994). Daarnaast hebben
socialewerkvoorzieningsorganisaties
eigen inkomsten en dragen ook gemeenten bij in de kosten van de
sociale werkvoorziening. In 1994 bedroegen deze inkomstenbronnen
respectievelijk ongeveer ƒ1,25 miljard en ƒ143 miljoen.
Onderstaande tabel geeft
een beeld van de ontwikkeling van de financieringsbronnen van
de sociale werkvoorziening sinds 1988.
Financiering sociale
werkvoorziening (in miljoen gulden):
|
1988 |
1989 |
1990 |
1991 |
1992 |
1993 |
1994 |
| Rijksbijdrage: |
3.083x |
3.038x |
3.225x |
3.367x |
3.367x |
3.546x |
3.504x |
| Gemeentelijke
bijdrage: |
68x |
50x |
52x |
36x |
84x |
95x |
143x |
| Toegevoegde
waarde: |
767x |
844x |
924x |
1.004x |
1.082x |
1.139x |
1.251x |
9.3. Systematiek voor de
jaarlijkse vaststelling van de rijksvergoeding en het aantal te realiseren arbeidsplaatsen
De kosten van de sociale
werkvoorziening zijn voor een zeer belangrijk deel (circa 75%)
loonkosten van de SW-werknemers. De mogelijkheden om loonstijgingen via
productiviteitsverbetering terug te verdienen zijn in de SW evenwel
beperkt
doordat de gemiddelde productiviteit van de SW-werknemers, ondanks de
aangepaste omstandigheden, aanzienlijk lager is dan van
reguliere werknemers.
Gegeven de grote
gevoeligheid van de kosten voor de loonontwikkeling is bij de start van de
beleidsoperatie BDD in de wet vastgelegd dat de vergoedingen aan de gemeenten
nog in de loop van een begrotingsjaar kunnen worden aangepast op grond van algemene maatregelen op het
terrein van de
arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid of de belastingen, die voor alle gemeenten
gelijk werken. Deze bepaling is in deze wet gehandhaafd.
rblz.|41|
Na de intrekking van de
Wet Arbeidsvoorwaardenontwikkeling Gepremieerde en Gesubsidieerde Sector
(WAGGS) is voor de sectoren die
voorheen onder de WAGGS
vielen een nieuwe benadering ontwikkeld op basis waarvan de rijksbijdrage in de loonkosten voor deze sectoren wordt
bepaald. Deze benadering
wordt ook op de sociale werkvoorziening toegepast. In deze benadering is de door het Centraal Planbureau
geraamde gemiddelde loonkostenontwikkeling in de marktsector richtinggevend voor de
hoogte van de rijksbijdrage in de loonkosten. De aanpassing van de
rijksvergoeding voor de SW-arbeidsplaatsen heeft vanaf 1995 conform deze
methodiek plaatsgevonden en wordt ook in deze wet gehandhaafd. Bezien
zal worden of over de invulling van de beleidsmatige component in het
post-WAGGS-model voor de sociale werkvoorziening nadere afspraken gewenst
zijn in verband met de afwijkende relatie tussen
loonkostenontwikkeling en productiviteitsontwikkeling in de onderhavige sector.
Met de experimentele
invoering van het financieel verdeelmodel in 1991 en volgende jaren is
feitelijk de omslag gemaakt van een rijksbijdrage in de kosten van de
uitvoering van de wet naar een rijkssubsidie, ten behoeve van een aantal
te
realiseren arbeidsplaatsen. In deze wet is deze overgang geformaliseerd.
Een belangrijk punt van
kritiek op het financieel verdeelmodel betrof de mechanische wijze waarop
de subsidie per arbeidsplaats en het aantal gesubsidieerde
arbeidsplaatsen per bestuurlijke eenheid werden vastgesteld. Om aan die
bezwaren tegemoet te komen zijn de laatste jaren steeds bestuurlijke
afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over het
maatregelenbeleid in gevallen waarin het aantal gesubsideerde arbeidsplaatsen niet volledig kon worden gerealiseerd.
Het is de bedoeling het
bestuurlijk overleg over de hoogte van de subsidie per arbeidsplaats en het totaal aantal te
subsidiëren arbeidsplaatsen
vanaf de inwerkingtreding
van deze wet te institutionaliseren. Jaarlijks, uiterlijk in
de maand september voorafgaand aan het budgetjaar, zal met de VNG
worden
overlegd over het aantal landelijk te subsidiëren arbeidsplaatsen en de
gemiddelde subsidie per arbeidsplaats. Het is de bedoeling tevens
indicatieve afspraken te maken voor de drie daaropvolgende jaren. Het op grond van
de begroting vastgestelde macrobudget en de feitelijk reeds
gerealiseerde aantallen arbeidsplaatsen zijn het kader voor de afspraken. In het
overleg gemaakte afspraken zullen in principe de basis zijn voor de
toedeling van de middelen naar de gemeenten door de rijksoverheid.
9.4. Maatstaven voor de
verdeling van de rijksmiddelen
In de voorgaande
paragrafen stond de hoogte centraal van het totaal beschikbare rijksbudget
voor de Wsw in relatie tot het aantal te
subsidiëren arbeidsplaatsen.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop het Rijk de
beschikbare financiële middelen verdeelt over de gemeenten. Allereerst
wordt een korte beschrijving gegeven van de bekostigingssystemen die
zijn gehanteerd in de periode 1989 tot en met 1996. Deze gingen uit van
een rijksbijdrage in de kosten van de uitvoering van de WSW en een budget
voor bestuurlijke eenheden, dat wil zeggen voor gemeenten die de wet
zelfstandig uitvoeren en voor gemeenten die samenwerken in het kader
van een werkvoorzieningschap.
Het eerste verdeelmodel:
1989 en 1990
Voor de jaren 1989 en
1990 is als eerste stap gekozen voor een vorm rblz.|42|
van budgetfinanciering,
waarbij de budgetten werden vastgesteld op basis van de realisatiecijfers van de uitvoeringsorganisaties over het jaar
1985 en gecorrigeerd voor
algemene en specifieke kostenontwikkelingen. Voor de bestuurlijke
eenheden was de belangrijkste verandering dat voorafgaand aan het
begrotingsjaar precies werd gespecificeerd op welke rijksvergoeding men aanspraak kon maken, zodat men daarmee bij de
planning van de bedrijfsvoering kon rekenen. Tegelijkertijd werd expliciet
gemaakt dat eventueel nog
resterende tekorten binnen de gemeentelijke huishouding zouden moeten worden aangezuiverd. Nieuw was ook dat
niet langer een
vergoeding per werkverband werd toegekend, maar één vergoeding voor de gehele
bestuurlijke eenheid.
De werking van het
eerste, op historische gegevens gebaseerde verdeelmodel was gunstig
te noemen. Het aantal SW-werknemers groeide van 78 400 in 1988 naar
82 200 eind 1990. Deze stijging van het werknemersvolume ging
niet gepaard met een evenredige stijging van de rijksmiddelen, maar werd
bekostigd uit de reserves en de voordelige exploitatiesaldi van de
jaren tot en met 1990. De positieve exploitatiesaldi die in 1988 nog op in
totaal ƒ15 miljoen bedroegen, stegen in 1989 naar ruim ƒ150 miljoen en in 1990 naar ruim
ƒ165 miljoen. Bedacht moet wel worden
dat ook het economische klimaat in die jaren een positieve invloed
heeft gehad op de bedrijfsresultaten.
Het financieel
verdeelmodel sociale werkvoorziening: 1991 tot en met 1996
In het kader van de
beleidsoperatie BDD is voor de ontwikkeling van een financieel verdeelmodel
voor de sociale werkvoorziening een aantal uitgangspunten geformuleerd. Het model moest op den duur leiden tot
een zodanige verdeling
van middelen dat de kans op plaatsing in de sociale werkvoorziening
in Nederland in principe overal even groot zou zijn. Een op historische
gronden ongelijke verdeling van middelen zou in de loop van de tijd
zodanig moeten worden omgebogen dat bij een gelijke behoefte aan
SW-arbeidsplaatsen ook rijksvergoeding voor een gelijk aantal arbeidsplaatsen
werd toegekend.
Een tweede uitgangspunt
was dat het verdeelmodel onder gelijke omstandigheden moest
leiden tot eenzelfde vergoeding per arbeidsplaats. Kostenverschillen die
voortvloeiden uit landelijk werkende en niet door de gemeenten
te beïnvloeden factoren mochten leiden tot verschillen in de vergoeding per
arbeidsplaats. Alle andere kostenverschillen, als gevolg van verschillen in
bedrijfsvoering en lokaal beleid, kwamen in principe voor rekening van de
gemeenten.
Het financieel
verdeelmodel dat vanaf 1991 is gehanteerd, is in overeenstemming met die uitgangspunten
opgebouwd uit twee onderdelen: een aanbodstructuurmodel voor
het berekenen van de volumecomponent (het berekend aantal voltijds arbeidsplaatsen) en een kostenverdeelmodel voor
het berekenen van de prijscomponent (de gemiddelde vergoeding per arbeidsplaats). De
basisvergoeding voor een bestuurlijke eenheid werd vastgesteld door de
volumecomponent en de prijscomponent te vermenigvuldigen. Deze kon vervolgens nog
worden gecorrigeerd in verband met een beperking van de
optredende herverdeeleffecten of een correctie op grond van individuele
omstandigheden.
Grondslag voor de
berekeningen met het financieel verdeelmodel waren de door bestuurlijke eenheden verstrekte realisatiegegevens over
het jaar dat twee jaar vooraf gaat aan het jaar waarvoor het budget moest
worden vastgesteld.
Nadeel van deze benadering was dat dit type gegevens alleen op het
niveau van de uitvoeringsorganisaties beschikbaar rblz.|43|
is en niet op het niveau
van afzonderlijke gemeenten. Toedeling van de middelen naar de
afzonderlijke gemeenten in plaats van naar de bestuurlijke eenheden was met deze
methode derhalve niet mogelijk.
Ervaringen met het
financieel verdeelmodel
De ervaringen die met het
financieel verdeelmodel zijn opgedaan in de loop van de experimentele
periode zijn gemengd. Enerzijds heeft het model bijgedragen aan een verdere toename van de doelmatigheid van
de uitvoering van de WSW.
Het aantal SW-werknemers groeide tot bijna 86 000, terwijl het
bedrag van de rijksvergoeding door een aantal bezuinigingen achterbleef
bij de loonontwikkeling. Anderzijds bleek het model op een aantal
punten gedragseffecten uit te lokken die minder wenselijk moeten worden
geacht. Zo bleek het model bepaalde gemeenten te stimuleren
tot groei die als voornaamste doel had in latere jaren een groter aandeel
van het rijksbudget te verwerven. Consequentie van dergelijke groei was
een daling van de gemiddelde vergoeding per arbeidsplaats die een
aantal minder doelmatig functionerende bestuurlijke eenheden in de problemen
bracht, zeker toen dit effect werd versterkt door de doorgevoerde
bezuinigingen. Anderzijds ontstond druk op de indicering vanuit de
behoefte meer productieve werknemers aan te trekken.
Grondslagen voor de
bekostiging
Belangrijkste wijziging
in het kader van deze wet is dat niet langer wordt uitgegaan van
één vaste subsidie per arbeidsplaats, gecorrigeerd voor verondersteld
onbeïnvloedbare factoren die tot een afwijkend kostenniveau
voor een gemeente leiden.
In de plaats daarvan wordt de hoogte van de subsidie per
arbeidsplaats gerelateerd aan de mate van arbeidshandicap van de werknemers die de
arbeidsplaatsen bezetten. Zoals in hoofdstuk 4 is
aangegeven, zal in het kader van de indicatiestelling een indeling van de populatie
plaatsvinden in drie categorieën. Voor elk van deze categorieën zal een
afzonderlijk subsidiebedrag per arbeidsplaats worden vastgesteld. In de
subsidie per arbeidsplaats wordt rekening gehouden met de
loonkosten, de uitvoeringskosten en de te realiseren opbrengsten.
Voor de verdeling van de
middelen over de gemeenten is in de experimentele periode uitgegaan van de behoefte aan
SW-arbeid, zoals
die tot uitdrukking kwam
in het aantal reeds gerealiseerde arbeidsplaatsen en het aantal personen op
de wachtlijst. Eén van de kritiekpunten op deze verdeling was dat de
vraag naar SW-arbeid mede wordt bepaald door de reeds bestaande omvang
van het aanbod aan arbeidsplaatsen, waardoor een verdeling aan de hand
van de manifeste behoefte leidt tot een bestendiging van een
scheve verdeling van arbeidsplaatsen over het land. Om dat tegen te gaan zou
een sociaal-demografisch element in de verdeling moeten worden geïntroduceerd, zoals ook de
commissie-Houben heeft geadviseerd.
In deze wet is de mogelijkheid geopend om een verdeling op grond
van een combinatie van het aantal reeds gerealiseerde
arbeidsplaatsen en het aantal voor de Wsw geïndiceerde personen en
sociaal-demografische factoren te laten plaatsvinden. De nieuwe systematiek van
onafhankelijke indicatiestelling zal er naar verwachting geleidelijk
toe leiden dat een veel gelijkmatiger verdeelde instroom van nieuw-geïndiceerden op de wachtlijsten ontstaat. Op termijn
zullen sociaal-demografische factoren een grotere rol gaan spelen bij de
verdeling van de middelen
over de gemeenten. In de eerste jaren zal de invloed van deze factor
echter beperkt blijven. In de bekostigingssystematiek wordt een voorziening
getroffen om herverdeeleffecten die van jaar tot jaar
optreden binnen de perken te houden.
rblz.|44|
9.5. Mogelijkheden voor de
toekenning van een afwijkend budget
Bij de herziening van de
WSW in 1988 die de invoering van een systeem van budgetfinanciering
mogelijk maakte, waren in artikel 41 van de wet enkele hardheidsclausules
ingebouwd die het mogelijk maakten dat aan een gemeente
een rijksvergoeding werd toegekend die afweek van de
voor die bestuurlijke
eenheid geldende uitkomst van het financieel verdeelmodel.
Het vijfde lid bood de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheid een
andere vergoeding vast te stellen indien bijzondere omstandigheden in een
individueel geval daartoe naar zijn oordeel aanleiding gaven.
Van artikel 41, vijfde
lid, is met name gebruik gemaakt om de middelen die beschikbaar waren als
tegemoetkoming in de kosten van huisvesting toe te delen aan de
bestuurlijke eenheden die te maken hadden met niet aan de eisen van de tijd
aangepaste huisvesting en die niet in staat waren de kosten voor
verbetering of nieuwbouw volledig zelf te dragen zonder het voorzieningenniveau
in gevaar te brengen. Ook de middelen in geval van het optreden van een
calamiteit bij een bestuurlijke eenheid zijn langs deze weg toegedeeld. Voor
1993 en 1994 werden via artikel 41, vijfde lid, WSW tevens de extra
middelen toegedeeld ten behoeve van de integratie van de twee
oorspronkelijk bestaande rechtspositieregelingen. Daarnaast zijn in het begin
enkele
malen middelen ter beschikking gesteld ter overbrugging van eenmalige kosten bij het oplossen van structurele
problemen binnen de
organisatie of de bedrijfsvoering van een bestuurlijke eenheid.
Vanaf 1993 nam het beroep
op toepassing van artikel 41, vijfde lid, in dit kader steeds meer toe. In
een aantal gevallen werd een beroep op toepassing gedaan inzake oplopende exploitatietekorten. Daar was het
artikel nadrukkelijk niet
voor bedoeld; exploitatietekorten komen voor rekening voor de
desbetreffende gemeente. Door de groei van het aantal aanvragen bleek het
noodzakelijk om het kader waarbinnen toepassing plaats kon vinden
scherper te omschrijven. Bovendien werd ervoor gekozen om de bijdrage
tot een bepaald niveau te beperken.
Voor de jaren 1994 tot en
met 1996 is artikel 41, vijfde lid, voornamelijk gebruikt voor het
toekennen van eenmalige bijdragen in het bereiken van een structurele verbetering. De normale tot de bedrijfsvoering te rekenen
kosten bleven hierbij buiten beschouwing. Bovendien werd de bijdrage beperkt tot ten hoogste
2% van het product van het voor de betrokken bestuurlijke eenheid
berekende aantal arbeidsplaatsen en de gemiddelde vergoeding per
arbeidsplaats.
Met
de onderhavige wet
worden de mogelijkheden voor het treffen van voorzieningen door de gemeenten
in aanzienlijke mate verruimd. Gemeenten zijn daardoor
in staat om middelen vast te leggen ten behoeve van toekomstige
wijzigingen in bedrijfsvoering, reorganisaties en voor het opvangen van
incidentele tegenvallers in de exploitatie en calamiteiten. Een aparte
mogelijkheid om in specifieke gevallen het Rijk een afwijkend budget te
laten vaststellen is om die reden niet langer noodzakelijk en de
constructie die vroeger in artikel 41, vijfde lid, WSW was neergelegd, kan
vervallen.
De mogelijkheid om
voorzieningen te treffen voor calamiteiten e.d. kan ook door gemeenten
gezamenlijk worden benut. Door de vorming van een gezamenlijk Noodfonds
voor de sociale werkvoorziening kunnen risico’s worden
gespreid. Beoordeling van aanvragen voor extra middelen geschiedt in die situatie
langs de weg van intercollegiale toetsing. rblz.|45|
Daarmee ontstaat een
aanzienlijk terughoudender opstelling van het Rijk ten aanzien van
afzonderlijke gemeenten bij de toedeling van budgetten.
Indien
gemeenten zouden
besluiten tot de vorming van een dergelijk gezamenlijk noodfonds,
dan kan de oprichting daarvan van rijkswege gefacilieerd worden. Overwogen kan worden het bedrag dat thans
jaarlijks gereserveerd
wordt voor de toekenning van afwijkende budgetten eenmalig geheel of
gedeeltelijk in een dergelijk noodfonds te storten, in plaats van het toe te
voegen aan het te verdelen budget. Vervolgstortingen zouden dan door de
deelnemende gemeenten kunnen geschieden.
9.6. Financiële
stimulansen
Het financieel
verdeelmodel dat met ingang van het begrotingsjaar 1991 is toegepast, kende de
mogelijkheid om aan bestuurlijke eenheden boven de normale vergoeding een
premie toe te kennen om de implementatie te stimuleren van door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de
experimentele beleidsoperatie BDD wenselijk geachte beleidsintensiveringen.
De middelen voor deze premies werden afgezonderd binnen de op
de rijksbegroting voor de sociale werkvoorziening beschikbare middelen. De
mogelijkheid om boven de reguliere rijksvergoeding premies
toe te kennen is in de achterliggende periode voor twee doeleinden
ingezet: de stimulering van de invoering van het profielensysteem en het
bieden van een tegemoetkoming in de kosten voor bestuurlijke
eenheden in verband met de uitstroom van SW-werknemers naar regulier werk.
De premies voor de
experimentele invoering van het profielensysteem zijn alleen in het
begrotingsjaar 1992 toegekend. De deelname aan de invoering van het profielensysteem bleek dermate groot dat een voortzetting
van dit
stimuleringsbeleid in het daaropvolgende begrotingsjaar niet meer noodzakelijk
was.
De premies die zijn
toegekend als tegemoetkoming in de kosten van de uitstroom van SW-werknemers naar regulier werk maakten deel uit van
een breder gericht stimuleringsbeleid. Het beleid ter zake was neergelegd
in de nota "Optimale
benutting van arbeidsplaatsen in de sociale werkvoorziening" (Kamerstukken
II 1989-1990, 21 552, nr. 2). Het omvatte een aantal aanpassingen in de
regelgeving en enkele experimenten naast de hier bedoelde premies.
Met de inwerkingtreding
van de onderhavige wet wordt de toekenning van deze stimulansen
beëindigd. Op de in de onderhavige wet voorziene mogelijkheden in het
kader van de uitstroom naar regulier werk is al ingegaan in paragraaf
3.8.
9.7. Voorschriften voor de
besteding van de rijksmiddelen
De wet en de
uitvoeringsbesluiten geven in principe aan voor welke taken de subsidie kan
worden aangewend die het Rijk aan de gemeenten
ter beschikking stelt. In
de periode vóór 1989, toen het Rijk op grond van het toen vigerende
bekostigingssysteem aanvullende vergoedingen verstrekte in de
negatieve exploitatiesaldi, werd in sterke mate de behoefte gevoeld om nader
te preciseren welke uitgaven in elk geval niet ten laste konden worden
gebracht van de door het Rijk verstrekte vergoeding. Bij de
invoering van het systeem van budgetfinanciering was het saldo van de
exploitatierekening niet langer basis voor de toekenning van de rijksvergoeding.
Gezien het experimentele karakter van de invoering van budgetfinanciering werd het nog wel wenselijk geacht een
rblz.|46|
aantal regels te handhaven. Deze waren neergelegd in het Besluit lasten sociale werkvoorziening.
Het Besluit lasten stelde
regels aan de omvang van voorzieningen die werden getroffen ter
dekking van het risico van financiële tegenvallers. Deze mochten niet
meer
bedragen dan 0,5% van de rijksvergoeding over het desbetreffende
budgetjaar met een minimum van ƒ150 000,- en een maximum van ƒ500 000,-.
Verder werden voorschriften gegeven ten aanzien van het al dan
niet in de exploitatierekening opnemen van afschrijvingen op grond,
van kosten die worden doorberekend door andere onderdelen van het
gemeentelijk apparaat, van kapitaalslasten samenhangend met een
exploitatietekort en van lasten "die redelijkerwijze hadden kunnen worden
vermeden".
Hiervoor is al gewezen op
de relatie die bestaat tussen de beperkende voorschriften ten aanzien
van voorzieningen en de noodzaak tot het beschikbaar stellen van (extra) middelen op centraal niveau voor het
opvangen van calamiteiten
en incidentele extra uitgaven die de draagkracht van een individuele
bestuurlijke eenheid te boven gaan. Uit een oogpunt van
vereenvoudiging van regelgeving en het overdragen van zoveel mogelijk
verantwoordelijkheden naar het lokale niveau verdient het de voorkeur de specifieke
WSW-regelgeving ten aanzien van exploitatie en voorzieningen zoveel
mogelijk te vereenvoudigen of zelfs te laten vervallen. Randvoorwaarde
daarvoor is dat geen onaanvaardbare financiële risico’s
voor het Rijk ontstaan en dat het voorzieningenniveau voor de personenkring van
de sociale werkvoorziening in kwantitatief en kwalitatief opzicht
niet onder druk komt te staan.
Met de invoering van een
systeem van budgetfinanciering, waarbij geen sprake meer is van een
open einde voor de rijksoverheid, is het financiële risico feitelijk reeds
beperkt. Garanties voor een zorgvuldig gebruik van de nieuwe mogelijkheden
worden bovendien geboden door de geldende gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften en de controle door de bij de
gemeente
fungerende accountant. De op grond van deze wet te
subsidiëren aantallen
arbeidsplaatsen, in combinatie met de onafhankelijke indicatiestelling, zijn
een voldoende waarborg dat het voorzieningenniveau en de doelgroep niet
ongewenst onder druk zullen komen te staan als gevolg van een
verruiming van de mogelijkheden tot het treffen van voorzieningen. Gemeenten
kunnen dan zelf bepalen of ze al dan niet in samenwerking een
noodfonds willen creëren voor het opvangen van tegenvallers in de
exploitatie en calamiteiten. Om die reden wordt het Besluit lasten
ingetrokken.
Ook ten aanzien van
bestemmingsreserves worden in de WSW voorschriften gegeven.
Artikel 44, onderdeel c, WSW schreef voor dat een uit de rijksvergoeding voortvloeiend voordelig exploitatiesaldo binnen
één jaar
bestemd moest worden in het belang van de wet. Een dergelijke bestemmingsreserve
moest bovendien binnen een redelijke termijn (drie tot vijf jaar) worden besteed. In
deze
wet is de bestedingsmogelijkheid zodanig verruimd dat reserves
niet alleen kunnen worden bestemd voor uitgaven in het kader van de
onderhavige wet, maar ook voor inzet in het kader van de voorgenomen Wet
inschakeling werkzoekenden. Op die manier worden voor de gemeenten
de
mogelijkheden tot het voeren van een integraal beleid ten aanzien van
gesubsidieerde arbeid vergroot.
rblz.|47|
10. Toezicht en
informatie
10.1. Inleiding
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid is belast met de vorming en de evaluatie
van het beleid inzake de sociale werkvoorziening, met inbegrip van de indicering en het toezicht op de uitvoering van
de wet
door gemeenten. Voorts
heeft hij een politieke verantwoordingsplicht jegens het parlement.
Voor de vervulling van deze taken is het noodzakelijk te beschikken over
voldoende kwantitatieve en kwalitatieve informatie over de
sociale werkvoorziening.
Bij het vaststellen van
de kaders waarbinnen de informatievoorziening dient te verlopen en de
keuze van de hier bij te betrekken gegevens is uitgangspunt een zo gering mogelijke belasting van de uitvoerende
instanties. Voor de
bepaling van de noodzakelijke gegevens wordt daarom waar mogelijk uitgegaan
van gegevens die reeds door de aard van het uitvoeringsproces
beschikbaar zijn. Gezien de wisselwerking met aanpalende
beleidsterreinen, zoals sociale zekerheid en arbeidsvoorziening, wordt tevens nagegaan in
welke mate bestaande gegevensstromen op deze terreinen kunnen
worden benut.
Voor gegevens die
structureel behoren tot hetgeen wordt betrokken bij de toets op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering, geldt dat
deze gegevens ook kunnen
dienen voor de beleidsinformatie. Dit geldt ook voor de noodzakelijke gegevens in het kader van de financiering en de
bekostiging. Het is de
bedoeling de informatievoorziening te enten op een periodieke via een vaste
structuur verlopende gegevensverstrekking. In overleg met de
gegevensverstrekkers zal worden nagegaan op welke wijze de
gegevensverstrekking voor alle partijen efficiënt kan verlopen.
In dit hoofdstuk wordt
achtereenvolgens ingegaan op de uitgangspunten voor het toezicht op de
uitvoering van de wet door de gemeenten, de door gemeenten ten behoeve van het toezicht, maar ook ten behoeve
van de beleidsvorming,
financiering en bekostiging en de externe informatie te verstrekken
gegevens. Tot slot wordt ingegaan op de lijn naar de gemeentelijke
adviescommissies inzake toezicht en informatie.
10.2. Het toezicht op de
gemeenten
De verdeling van
verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten
is zodanig dat de gemeentebesturen verantwoordelijk zijn voor een goede
uitvoering van de wet, terwijl het Rijk de juiste instrumenten moet ontwikkelen om de
uitvoering van de wet door gemeenten mogelijk te maken, inclusief het
ter beschikking stellen van een rijkssubsidie. De
Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid is tevens belast met het toezicht op een juiste
naleving van de wet.
Voorgeschiedenis
Zowel de inhoud als de
intensiteit van het toezicht zijn in de praktijk aan verandering onderhevig en
bewegen zich steeds meer in de richting van toezicht op afstand. Het uitgangspunt blijft dat de kwaliteit van de
uitvoering daar niet
onder mag leiden.
Toezicht op
gemeenten is
noodzakelijk aangezien in het kader van de wet een subsidie wordt
verstrekt aan gemeenten die geen onderdeel vormt van de algemene uitkering uit het
Gemeentefonds. Nog steeds geldt
hetgeen is gesteld bij de parlementaire behandeling van de beleidsoperatie
"Budgetfinanciering, decentralisatie en deregulering sociale rblz.|48|
werkvoorziening" dat
zowel de centrale overheid als het parlement het recht hebben om te
beoordelen op welke wijze de wet door de lokale overheid wordt
uitgevoerd. De centrale overheid is immers medeverantwoordelijk voor de
wijze van besteden van overheidsmiddelen.
In de
memorie van
toelichting bij de wijziging van de WSW in 1988 (Kamerstukken II 1987-1988,
20 512, nr. 3) werd gesteld dat het toezicht in het bijzonder gericht zou
moeten zijn op de vraag of de WSW doeltreffend wordt uitgevoerd, alsmede
op de vraag of de rijksmiddelen rechtmatig worden aangewend. Een
intensief toezicht op de doelmatigheid lag volgens de memorie van
toelichting niet langer in de rede.
In de loop van de
beleidsoperatie is vervolgens het voor de bovengeschetste benadering
benodigde toetsingsinstrumentarium langs experimentele weg ontwikkeld. De resultaten van de beleidsoperatie zijn
neergelegd in de nota "Toetsing van de uitvoering door gemeenten van de Wet sociale
werkvoorziening" (Kamerstukken II 1992-1993, 22 800 XV, nr. 82).
Het toezicht op de
uitvoering door gemeenten in de onderhavige wet
In
de onderhavige wet is
het toezicht op de uitvoering door gemeenten globaal langs dezelfde
lijnen ingericht als in de experimentele periode. Voor wat betreft de informatie-inwinning wordt vastgehouden aan
gegevensverzameling via
periodieke enquêtes.
In de
Gemeentewet worden ter versterking van de positie van de gemeenteraad nieuwe eisen
gesteld aan de rekening en verantwoording van de gemeenten. Twee beginselen zijn met name van belang in relatie
tot de informatie-inwinning, te weten "single information" en
"single audit". Met "single information" wordt beoogd in
één informatieslag te voorzien in de
informatiebehoefte van alle belanghebbenden. Geconstateerd moet worden dat
toepassing van dit beginsel op de sociale werkvoorziening wordt
bemoeilijkt door het gegeven dat de budgettoedeling thans nog
noodzakelijkerwijze naar bestuurlijke eenheden geschiedt en niet naar afzonderlijke gemeenten (zie
hoofdstuk 2). Met de
thans gekozen benadering
is de informatie-inwinning zo eenvoudig mogelijk ingericht.
Gebruik van een
controleprotocol
Aan het
"single audit"-principe zal zoveel mogelijk worden tegemoet
gekomen door het hanteren van een controleprotocol voor de controle door de bij de
bestuurlijke eenheid fungerende accountant. Met een dergelijk protocol wordt
reeds sinds 1992 gewerkt in het kader van de beleidsoperatie BDD.
De accountant die
fungeert bij de bestuurlijke eenheid voert de controle van de rechtmatigheid uit
aan de hand van de bepalingen en uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen
in het controleprotocol. Uit zijn verklaring bij de
jaarverantwoording en een aantal andere door de bestuurlijke eenheid aan
het Rijk verstrekte gegevens moet blijken dat de rechtmatigheidscontrole
heeft plaatsgevonden op basis van het controleprotocol.
Het protocol preciseert
welke bepalingen op welke wijze worden getoetst. Na de wetswijziging is sprake van een aanzienlijk vereenvoudigd
controleprotocol ten opzichte van de situatie tijdens de experimentele periode. Dat hangt samen
met de gerealiseerde vermindering van regelgeving op het
terrein van de arbeidsvoorwaarden, met de overdracht van de
verantwoordelijkheid voor het beheer van de wachtlijst naar het rblz.|49|
niveau van de minister en
met de wijzigingen in de bekostiging. Met name de overstap van een
rijksbijdrage in de kosten van de uitvoering naar een rijkssubsidie gekoppeld
aan aantallen arbeidsplaatsen vermindert de controlebehoefte. De
controlewerkzaamheden hebben zowel betrekking op financiële als op
niet-financiële gegevens.
De accountant rapporteert
zijn bevindingen aan de gemeente. Een exemplaar van het accountantsrapport wordt door de gemeente aan het
ministerie verstrekt. Vervolgens vindt beleidsinhoudelijke toetsing door
het ministerie plaats.
Hierbij wordt bekeken of er sprake is van een rechtmatige
beleidsuitvoering door de gemeente.
Ministeriële toetsing
In de experimentele
periode was sprake van een aantal wetsbepalingen dat niet via de
accountantscontrole kon worden getoetst. In dergelijke gevallen werd vervolgens
door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid getoetst
aan jurisprudentie en aan hetgeen was gesteld in nadere departementale beleidsstandpunten, dan wel aan beleid dat op
een andere wijze vooraf
was gepubliceerd of aan uitvoeringsorganen was kenbaar gemaakt. In
concreto betrof het eerstelijnstoezicht door het ministerie nog de
tariefstelling van diensten aan derden, enkele onderdelen van de naleving van het
Besluit lasten SW en een aantal aspecten van de
rechtspositieregelingen. Zoals in de voorgaande hoofdstukken is aangegeven, zijn deze
onderwerpen thans zodanig geregeld dat een afzonderlijke eerstelijnstoezicht vanuit het ministerie op deze punten niet
langer noodzakelijk is.
Als de bij de
gemeente fungerende accountant onrechtmatigheden constateert bij een
volgens het controleprotocol verricht onderzoek, dan kan dat aanleiding zijn
voor een nader onderzoek door de minister. Om een dergelijk onderzoek
mogelijk te maken, is in artikel 19 [artikel 14 [13],
red.] geregeld dat de gemeente gehouden is alle
benodigde informatie te verstrekken en zo nodig inzage te
verstrekken in de administratie.
Een nader onderzoek kan
ook worden ingesteld naar aanleiding van vragen uit het parlement, publicaties in de media, klachten van burgers en signalen uit het veld. In
voorkomende gevallen kan naar aanleiding van geconstateerde trends of
vragen en signalen een thematisch onderzoek worden opgedragen. Naar
aanleiding van de uitkomsten van een dergelijk nader onderzoek vindt
overleg met de gemeente plaats over de te nemen acties tot verbetering.
De sturing door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van het
toezicht heeft in eerste aanleg de vorm van overleg met gemeenten
indien de
uitkomsten van het onderzoek door de accountant of de bevindingen van de
ambtenaren van het ministerie daartoe aanleiding geven. In tweede aanleg
heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheid om bij de
definitieve vaststelling van de subsidie een maatregel te treffen.
Artikel 9 van de wet somt de gevallen op waarin de vastgestelde subsidie
kan afwijken van de eerder verleende subsidie. Dat is onder andere het
geval indien het aantal gerealiseerde arbeidsplaatsen afwijkt van het aantal
gesubsidieerde arbeidsplaatsen of indien in strijd met de bij of
krachtens de wet gestelde regels is gehandeld. In de artikelsgewijze
toelichting wordt hier nader op ingegaan.
Informatie gemeentelijke
adviescommissie
De
gemeenten zijn
gehouden een commissie in te stellen die de directeur van de Dienst
indicatie sociale werkvoorziening adviseert rblz.|50|
ten behoeve van de
indicering. De directeur neemt de beschikkingen, gehoord het advies van de
commissie. Gewaarborgd moet zijn dat de Dienst (tijdig) over alle relevante
informatie kan beschikken om tot een beslissing te komen. Dit vergt een
informatieverplichting van de gemeentelijke commissie jegens de Dienst. Artikel 15
[14] biedt hiertoe het kader. In feite beoordeelt de
Dienst bij
het nemen van de beschikking of het advies op de juiste wijze tot stand is
gekomen. In deze relatie past niet ook nog een toezichtsverhouding.
Wel is geregeld dat de
gemeentelijke adviescommissies verplicht zijn de minister
desgevraagd
inlichtingen te verstrekken. Het ligt voor de hand dat dit vooral informatie
met betrekking tot (de advisering inzake) de indicering en de
doelgroep zal betreffen.
Artikelsgewijs
¹
1. Tijdens de
parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel is de instelling van een Dienst indicatie sociale
werkvoorziening geschrapt. Vervolgens is de
beschikkingsbevoegdheid ter zake van (her)indicatie overeenkomstig artikel 11 Wsw
neergelegd bij het gemeentebestuur, red.
Artikel
1, eerste en
derde lid
Zie voor de
doelgroepbepaling en de bepaling en de functie van de
beperkingscategorieën
hoofdstuk 3 van het algemeen deel van deze toelichting. De nadere definiëring vindt overeenkomstig het daar gestelde plaats bij lagere regelgeving. De
beperkingscategorieën worden nader
aangeduid in artikel 12 [11],
dat over de indicatie gaat. Daarbij worden onder meer ook regels gesteld
over de minimumleeftijd van de doelgroep. Voor deze leeftijdsgrens wordt
aangesloten bij de regelingen in de voorgenomen Wet inschakeling
werkzoekenden, die een apart traject bevat voor de toeleiding van
jongeren naar het arbeidsproces.
Het begrip
"dienstbetrekking" verwijst in deze wet uitsluitend naar een dienstbetrekking op basis
van een burgerrechtelijke arbeidsovereenkomst, door de gemeente
gesloten
met een tot de doelgroep behorende persoon waarvoor krachtens deze
wet subsidie wordt gegeven. Het begrip heeft geen betrekking op de
dienstbetrekking voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst
met een "externe" werkgever zoals bedoeld in artikel 7.
Artikel
1, tweede lid
Indien voor de uitvoering
van de Wsw een gemeenschappelijke regeling geldt, treedt het daarbij
aangewezen openbaar lichaam in de plaats van de betrokken gemeenten. De
financieringsstroom en het toezicht zullen dan gericht worden op dat
lichaam en niet op de afzonderlijke gemeenten. Waar in deze wet sprake
is van ingezetenschap wordt in dat geval uiteraard het ingezeten
zijn binnen één van de betrokken gemeenten als zodanig aangemerkt.
Voorwaarde is echter wel
dat een openbaar lichaam (een publiekrechtelijke rechtspersoon) is
ingesteld en dat alle gemeentelijke taken bij de uitvoering van deze wet
daaraan zijn overgedragen. Indien dat niet het geval is, blijven de afzonderlijke gemeenten zelf in beeld. Dit geldt ook
voor het instellen van de adviescommissie voor de indicatie op grond van
artikel 13 [12]. Er zal dan één commissie zijn per openbaar lichaam.
Artikel
2, eerste en
tweede lid
Het doel van
deze wet is
om personen die tot de doelgroep behoren arbeid onder aangepaste
omstandigheden te laten verrichten. De wet voorziet daartoe in subsidiëring van de gemeenten.
Artikel 2, eerste lid, loopt daarop vooruit door
aan de gemeente een zorgplicht op te leggen om aan zoveel mogelijk
ingezetenen die tot de doelgroep behoren een dienstbetrekking aan te
bieden. Daarmee wordt de zorg voor aangepaste arbeid voor de doelgroep
een gemeentelijke taak. De doelmatigheid en rblz.|51|
doeltreffendheid van deze
taakuitoefening wordt aan de gemeente overgelaten, waarbij de
gemeenteraad een beleidsbepalende en controlerende functie heeft. De gemeente krijgt geen
taakstelling waarop zij "afgerekend" kan worden, opgelegd; daarvoor kunnen de omstandigheden en de mogelijkheden tot
het scheppen van aangepaste arbeidsplaatsen per gemeente te veel
verschillen. Bovendien heeft de gemeente (zie hoofdstuk
3) de
keuze om aan de doelgroep hetzij zelf een arbeidsovereenkomst aan te bieden (met
inbegrip van de mogelijkheid tot detachering), hetzij te
plaatsen bij een andere werkgever (begeleid werken).
Bij de uitvoering van
de
wet is uiteraard wel relevant in welke mate de gemeente
aan haar
zorgtaak voldoet. Krachtens artikel 14 [13] kan geregeld worden dat zodanige
informatie wordt verstrekt dat daaruit de verhouding blijkt van de
aantallen ingezetenen die tot de doelgroep behoren die wel dan wel
niet daadwerkelijk zijn geplaatst overeenkomstig de hoofdstukken 2
en 3.
Deze informatie is met name van belang voor de toepassing van het
subsidiehoofdstuk (de artikelen 8 en 9): het aantal personen op de
"wachtlijst" van de Dienst indicatie sociale werkvoorziening (de
Dienst) is immers van
belang bij de jaarlijkse subsidievaststelling (waaromtrent bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen
worden gesteld), terwijl het aantal gerealiseerde arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3
van belang is voor een eventuele
terugvordering of verrekening van een vastgestelde subsidie.
Het moet gaan om personen die tot de doelgroep behoren; daartoe is een indicatiebeschikking
van de directeur van de Dienst vereist. Voor plaatsing van personen
die niet daartoe zijn geïndiceerd, wordt geen subsidie gegeven: dat
vloeit voort uit artikel 8, eerste lid.
De dienstbetrekking moet
(om voor subsidie in aanmerking te komen; vergelijk artikel 8,
eerste lid) zijn aangegaan krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht,
dat wil zeggen een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a
van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek. Wegens artikel 1637z van Boek
7a van het BW is in het tweede lid bepaald dat titel 7a van
Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Zie hiervoor de hoofdstukken 6 en
7 van deze toelichting.
Het aanbieden van arbeid
onder aangepaste omstandigheden is het hoofddoel van deze
wet;
zie daarover nader artikel 3.
Artikel
2, derde lid
Zie
paragraaf 2.6 van deze toelichting. Er is niet geregeld dat aan de rechtspersoon bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd. Voorgeschreven
is dat de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de
rechtspersoon waaraan taken worden
opgedragen, moet zijn geregeld in het aanwijzingsbesluit.
Daarmee ontstaat duidelijkheid over de verhouding tussen de gemeente en de
rechtspersoon. Hoe het gemeentebestuur de uitvoering van deze wet
ook vormgeeft, de arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2
moet worden aangegaan met de gemeente zelf. Daardoor wordt het mogelijk dat de gemeenten verantwoordelijk blijven voor de
arbeidsvoorwaarden met de Wsw-werknemers. De werkgevers die gebonden zijn aan de
collectieve arbeidsovereenkomst zijn zo alleen de gemeenten die
representatief vertegenwoordigd kunnen worden door een vereniging van gemeenten. Voorts wordt hiermee eenheid bereikt in
het ontslagrecht (zie
artikel 6). Als de arbeidsovereenkomst ook zou kunnen worden aangegaan
met een privaatrechtelijke uitvoeringsorganisatie, zou op die
arbeidsovereenkomst artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945 (toestemming van de rblz.|52|
Regionaal Directeur voor
de Arbeidsvoorziening) van toepassing zijn, terwijl dat artikel niet
van toepassing is als de gemeente de arbeidsovereenkomst sluit. Dit verschil in
rechtspositie, afhankelijk van de uitvoeringskeuze van de
gemeente, is ongewenst. De gekozen formulering sluit niet uit dat de uitvoeringsorganisatie namens de gemeente een dienstbetrekking sluit en
als werkgever optreedt.
Artikel
2, vierde lid
Indien de
minister op
grond van de hem krachtens artikel 14 [13] verstrekte informatie van oordeel
is dat er, ondanks de wijze van financiering, onevenwichtigheden plaatsvinden in de verdeling van de beschikbare
aangepaste
arbeidsplaatsen over de tot de doelgroep behorende personen, kan het gewenst
zijn dat hij ten aanzien van die verdeling sturend optreedt. De
bevoegdheid daartoe wordt hem in het vierde lid gegeven. In de ministeriële regeling kan bijvoorbeeld worden
voorgeschreven dat aan degenen die
eerder zijn geïndiceerd ook eerder een dienstbetrekking moet worden
aangeboden of dat bij voorrang personen
die tot een bepaalde beperkingscategorie behoren, moeten worden geplaatst. Ook kan worden
geregeld dat bij voorrang een dienstbetrekking moet worden aangeboden
aan personen die na afloop van een eerdere Wsw-dienstbetrekking
opnieuw tot de doelgroep zijn gaan behoren, of na een verhuizing.
Artikel
3
Het doel van
de wet is
dat personen die tot de doelgroep behoren zoveel mogelijk kunnen
gaan werken onder aangepaste omstandigheden, zodanig dat hun arbeidsbekwaamheid op zijn minst behouden blijft en zo
mogelijk wordt bevorderd, zodat zij op den duur weer arbeid kunnen aanvaarden op de
reguliere arbeidsmarkt. Deze doelstelling is neergelegd in het eerste lid. Zie
overigens ook hoofdstuk 5 van deze toelichting.
Bij de indicatie wordt
nagegaan of een in zijn arbeidsmogelijkheden beperkt persoon uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot
regelmatige arbeid in
staat is (zie artikel 12 [11]). De Dienst, die de indicatie verricht, krijgt daarbij
natuurlijk zicht op de aanpassingen die voor de betrokkene noodzakelijk
zijn om regelmatige arbeid te kunnen verrichten; in artikel 12 [11], eerste
lid, onderdeel c, is dan ook voorgeschreven dat de bevindingen daaromtrent
worden neergelegd in de indicatiebeschikking. In het tweede lid van
artikel 3 worden de gemeenten vervolgens verplicht om bij het aanbieden van
aangepaste arbeid en het bepalen van de aard van die aanpassing rekening te houden met de bevindingen bij de
indicatie. Op deze wijze
kan de arbeid zo goed mogelijk worden afgestemd op de
noodzakelijke aanpassingen in elk individueel geval.
Krachtens het derde lid
kunnen regels worden gesteld over de aanpassing van de arbeid.
Daarbij kan (bijvoorbeeld via het voorschrijven van een kwaliteitsborgingssysteem als het profielensysteem) geregeld
worden dat de gemeenten hun werkzaamheden zo
inrichten dat de arbeidsplaatsen zo goed mogelijk worden afgestemd op de individuele
behoeften. Zie paragraaf 5.4.
Artikel
4
Zoals reeds in
paragraaf
3.8 is beklemtoond, is uitstroom uit de Wsw door het gaan verrichten
van arbeid op de reguliere arbeidsmarkt een belangrijke doelstelling
van de wet. Zie ook artikel 10, dat de grondslag biedt voor een subsidie
aan de gemeenten indien zij subsidie geven aan een
persoon die vanuit
een Wsw-dienstbetrekking ten minste één jaar rblz.|53|
lang een dienstbetrekking
heeft vervuld op de reguliere arbeidsmarkt en voor een subsidie voor de
inkoop van arbeidsbemiddeling. In artikel 4 wordt met het oog op dit
doel een samenwerkingsverplichting aan de gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgelegd. Bij het toekennen van subsidies
aan werkgevers is ook de samenhang met het instrumentarium dat de
bedrijfsverenigingen ten dienste staat voor de reïntegratie van
gedeeltelijk arbeidsongeschikten van belang. In verband hiermee wordt de
samenwerking met de uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen geregeld.
Deze samenwerking is in het bijzonder van belang bij het begeleid
werken, waarop artikel 7 betrekking heeft.
Zo nodig kunnen met
betrekking tot deze samenwerking bij algemene maatregel van bestuur
regels worden gesteld.
Artikel
5
In
paragraaf 5.2 is reeds
toegelicht waarom voor Wsw-arbeid een vergoeding moet worden
bedongen die de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloedt. Deze verplichting heeft zowel betrekking
op betalingen voor
geleverde goederen en diensten als op de vergoeding die aan de gemeente
moet
worden betaald als zij de werknemer ter beschikking stelt van een
derde om (onder aangepaste omstandigheden) arbeid te verrichten. Op
de aldus uit de Wsw-arbeid voortvloeiende opbrengsten bestaat zicht
krachtens de informatieverplichtingen (artikel 14 [13]). Uit de toepassing
van deze wet voortvloeiende meeropbrengsten moeten krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel
e, worden aangewend in het belang van de uitvoering van de Wsw of van de voorgenomen
Wet
inschakeling werkzoekenden.
Artikel
6, eerste lid
In de
hoofdstukken 6 en 7 van deze toelichting
is reeds uitvoerig uiteengezet waarom in de
nieuwe Wsw is gekozen voor een zo volledige mogelijke aansluiting bij de normale arbeidsovereenkomst. Slechts op
enkele punten is een
aanvulling op de gewone arbeidsrechtelijke regels nodig. Omdat de wet mede
gericht is op het behouden of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van
de werknemer zelf, is in het eerste lid geëxpliciteerd dat de
werknemer daaraan moet meewerken; het niet voldoen aan deze norm
wordt in onderdeel c van het tweede lid als een grond tot ontslag
aangemerkt. De medewerkingsverplichting tot het verkrijgen van arbeid onder normale omstandigheden geldt voor zover de
werknemer daartoe in
staat kan worden geacht. Dit kan eventueel bij de herindicatie worden
vastgesteld.
Artikel
6, tweede en
derde lid
Zie
paragraaf 6.3.4 van deze toelichting. Indien de werknemer bij herindicatie blijkt niet
langer tot de doelgroep te behoren of indien hij niet meewerkt aan een
herindicatie, moet de
gemeente overgaan tot
opzegging van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de geldende opzegtermijn.
Laat de gemeente dit na, dan kan dat leiden tot een gedeeltelijke
terugvordering of verrekening van de subsidie (artikel 9, eerste lid,
onderdeel c
en d). Het moet daarbij gaan om een onaantastbaar geworden
indicatiebeschikking: de verplichting tot opzegging geldt niet zolang tegen
de indicatiebeschikking een bezwaar- of beroepsprocedure loopt, noch gedurende de
termijnen waarbinnen krachtens de Algemene wet
bestuursrecht daartegen bezwaar kan worden gemaakt dan wel beroep of hoger
beroep kan worden ingesteld.
Indien de werknemer niet
langer tot de doelgroep behoort omdat hij ook onder aangepaste
omstandigheden niet langer tot regelmatige arbeid rblz.|54|
in staat wordt geacht,
behoeft zijn dienstbetrekking pas te worden opgezegd zodra voor hem
een alternatieve opvangmogelijkheid beschikbaar is; dit was
ook geregeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel d, van de WSW. Indien hij
niet langer tot de doelgroep behoort omdat hij ook onder normale
omstandigheden tot het verrichten van regelmatige arbeid in staat wordt
geacht, behoeft de dienstbetrekking pas te worden opgezegd indien hij een
aanbod tot het verrichten van passende arbeid onder normale omstandigheden heeft geweigerd; vergelijk artikel 28,
eerste lid, onderdeel b,
van de WSW.
Het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
is niet van toepassing op een
arbeidsovereenkomst gesloten met de
gemeente.
Aangezien de gronden om
een Wsw-arbeidsovereenkomst op te zeggen veelal zullen samenhangen
met de bijzondere kenmerken van de doelgroep, is ervoor
gekozen om een herindicatie te laten plaatsvinden vóórdat de gemeente
de arbeidsovereenkomst opzegt op welke grond ook (anders dan het niet
meewerken aan een herindicatie of een herindicatiebeschikking waaruit blijkt dat de
werknemer niet langer tot de doelgroep behoort).
Artikel
7
Zie
paragraaf 3.7 van deze toelichting. Gelet op het belang van de mogelijkheid tot begeleid
werken en op de gekozen subsidiesystematiek (waarbij de jaarlijkse subsidievaststelling betrekking heeft op zowel
Wsw-arbeidsovereenkomsten
met de gemeente als op plaatsing voor begeleid werken), is deze
materie in een apart hoofdstuk van deze wet geregeld. De hoofdlijnen
van het beleid zijn neergelegd in de wet zelf (de eis dat de betrokkene is
geïndiceerd voor toepassing van begeleid werken en de eisen met
betrekking tot de begeleiding zelf). Nadere invulling kan daaraan worden gegeven
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Aangezien het bij
begeleid werken gaat om een arbeidsovereenkomst bij een reguliere
werkgever, is het niet gewenst om daarbij enige uitzondering of
aanvulling te regelen ten opzichte van het gewone arbeidsovereenkomstenrecht
(zoals dat ten aanzien van arbeidsovereenkomsten met de gemeente, zij het
in bescheiden mate, wel het geval is). Ook de in het algemeen
voorziene herindicatie twee jaar na de indiensttreding is dus geen op hoofdstuk
3 toepasbaar instrument.
Artikel
8
In
hoofdstuk 9 van deze toelichting is reeds uitvoerig ingegaan op de gekozen subsidiesystematiek, zoals die is neergelegd in de
artikelen 8 en 9. Deze artikelen voorzien in
subsidiëring door het Rijk aan de gemeenten
voor de toepassing van de hoofdstukken 2 en
3 van de
wet: dat wil zeggen
zowel voor de arbeidsovereenkomsten die de gemeenten sluiten met een persoon die tot de
doelgroep behoort als voor de subsidiëring door de gemeenten ten behoeve van
plaatsing bij een derde van personen die tot de doelgroep behoren ("begeleid
werken").
De
minister verleent
jaarlijks vóór 1 oktober het voor elke gemeente (of andere publiekrechtelijke
rechtspersoon; zie artikel 1, tweede lid) beschikbare budget voor het komende kalenderjaar. De hoogte van het
budget wordt vastgesteld
aan de hand van het derde lid. De gemeenten hoeven daardoor niet
telkens de subsidie aan te vragen. Het subsidiebudget functioneert als
individueel subsidieplafond: behoudens toepassing van artikel 8,
vijfde lid, kan aan een gemeente over enig jaar rblz.|55|
nooit meer subsidie
worden gegeven dan het voor dat jaar vastgestelde budget.
De hoogte van het
subsidiebudget per gemeente
wordt overeenkomstig het derde lid bepaald aan
de hand van enkele factoren die gerelateerd zijn aan de afzonderlijke gemeenten
(onderdeel a en c) en een factor die op
basis van macrogegevens wordt bepaald (onderdeel b). Het derde lid bevat de
hoofdelementen
waarmee de minister rekening moet houden bij de verdeling van het
jaarlijks op de rijksbegroting voor de uitvoering van de Wsw gereserveerde
bedrag over de gemeenten. Enerzijds moet uiteraard rekening worden
gehouden met het aantal per gemeente gerealiseerde
arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2
en 3 (zie onderdeel
c),
anderzijds moet ook de grootte van de "wachtlijst" per gemeente bij de
verdeling worden betrokken (onderdeel a). Via onderdeel c kan ook
rekening worden gehouden met herverdeeleffecten. Krachtens onderdeel b
stelt de minister jaarlijks een voor alle gemeenten geldend bedrag per
dienstbetrekking per beperkingscategorie vast. Bij de vaststelling van dat
bedrag moet rekening worden gehouden met enkele macrogegevens (de
verwachte loonkostenontwikkeling, de uitvoeringskosten en de "inverdieneffecten"). Met betrekking tot de
wijze waarop deze elementen in de
jaarlijkse besluitvorming dienen te worden betrokken, worden bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.
Voor een goede jaarlijkse
verdeling van de beschikbare middelen is het van groot belang dat de
minister over informatie beschikt over met name het aantal gerealiseerde
Wsw-arbeidsjaren per beperkingscategorie, het aantal personen per gemeente die weliswaar tot de doelgroep behoren
maar nog niet een Wsw-dienstbetrekking hebben noch een arbeidsovereenkomst
voor begeleid werken hebben, de uitvoeringskosten en de opbrengsten. Deze
informatie komt ter beschikking door toepassing van artikel 14 [13]. Krachtens dat
artikel zal worden geregeld dat de gemeente zodanige informatie aan
de minister verschaft dat hij niet alleen zijn toezichthoudende taak kan
vervullen, maar ook kan komen tot een ordelijke en
rechtvaardige uitvoering van de jaarlijkse budgetvaststelling.
Het is beleidsmatig
gewenst dat de maximale wekelijkse arbeidsduur van nieuwe Wsw-dienstbetrekkingen in beginsel slechts 32 uur mag
bedragen en dat gedurende de eerste twee jaar ten hoogste het voor de betrokkene geldende
wettelijk minimumloon wordt betaald (vierde lid). In paragraaf 6.3.3 is reeds
uiteengezet waarom dit beleid gestalte krijgt in de bekostigingssystematiek.
Het vierde lid bepaalt de vereisten waaraan de dienstbetrekkingen moeten
voldoen als basis voor de subsidieverlening. Indien de gemeente
over
de eerste twee jaar van een Wsw-arbeidsovereenkomst meer uitbetaalt dan het
minimumloon (onderdeel a), voldoet de dienstbetrekking daarmee
niet aan een vereiste van de te subsidiëren activiteit en komt die
dienstbetrekking niet voor subsidiëring in aanmerking. Met betrekking tot
arbeidsovereenkomsten gesloten na de
inwerkingtreding van deze wet betekent onderdeel b dat, indien een langere wekelijkse
arbeidsduur is overeengekomen dan 32 uur zonder dat dat gerechtvaardigd is op
grond van bij de werknemer gelegen factoren (in het bijzonder omdat
hij anders zou zijn aangewezen op een aanvullende uitkering), het meerdere
aantal uren niet bij de subsidieverlening wordt betrokken. De
arbeidsduur van "zittende" Wsw-werknemers behoeft niet te worden
aangepast; onderdeel b heeft uitsluitend betrekking op nieuw te
sluiten arbeidsovereenkomsten.
Krachtens het vijfde lid
kan de hoogte van een eenmaal verleend subsidiebudget worden
gewijzigd. Het gaat daarbij niet om bijstellingen gerelateerd aan omstandigheden per individuele
gemeente, maar om
factoren die voor alle
gemeenten gelijk werken. Daarom zal, indien tot rblz.|56|
bijstelling wordt
overgegaan, het toegekende budget van elke gemeente proportioneel worden
bijgesteld. Uiteraard is hierbij sprake van een eenmalige tussentijdse
bijstelling van een vastgesteld budget; de hier genoemde factoren zullen
vervolgens een rol spelen bij de jaarlijkse budgetvaststelling voor
het komende jaar. De formulering van het vijfde lid sluit niet uit dat
ook neerwaartse bijstelling kan plaatsvinden. Daartoe zal echter weinig aanleiding bestaan, gelet op het feit dat enerzijds de
gemeenten een
meeropbrengst moeten besteden in het belang van de uitvoering van de Wsw of
de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces (artikel 9,
eerste lid, onderdeel e) en dat anderzijds de hier genoemde factoren een rol
spelen bij de budgetvaststelling voor het komende jaar.
Het
bedrag waarop de
gemeente recht heeft, zal niet in één keer ter beschikking van de
gemeente worden gesteld. De wijze van betaling van dat bedrag zal dan ook
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden geregeld.
Artikel
9, eerste lid
In dit artikel wordt
aangegeven hoe de verleende subsidie wordt vastgesteld. Het subsidiesysteem is zodanig
opgezet dat het gehele
budget in beginsel ter beschikking komt van de gemeenten
en dat achteraf op tevoren
bekende, zo duidelijk mogelijk omschreven en in de praktijk goed uitvoerbare
gronden de subsidie wordt vastgesteld. Een besluit hiertoe wordt
door de minister ambtshalve vastgesteld; er is geen aanvraag van de gemeente
voor nodig. Er kan natuurlijk geen sprake van zijn dat het verleende
budget volledig wordt gewijzigd bij de vaststelling indien één van de hier
genoemde gronden van toepassing is. Daarom is bepaald dat de
vaststelling slechts afwijkt van de verlening "voor zover"
één van die gronden van
toepassing is.
De
informatie die de minister nodig heeft bij de vaststelling komt hem ter beschikking door
toepassing van artikel 14 [13]. Krachtens dat artikel zal zodanig toezicht op de
uitvoering van deze wet worden gehouden en zal zodanige informatie aan
de minister worden verschaft dat hij er zicht op heeft of één van de terugvorderingsgronden van toepassing is.
Het jaarlijkse budget
wordt vastgesteld door het aantal voor de gemeente
vastgestelde
aantal dienstbetrekkingen (berekend op basis van een volledige werkweek;
"fte-dienstbetrekkingen") per beperkingscategorie te vermenigvuldigen met
het per beperkingscategorie voor elke fte-dienstbetrekking
vastgestelde bedrag (artikel 8, derde lid). De hoogte van het budget wordt
vastgesteld op de som van die producten. Indien de gemeente het totaal
aantal vastgestelde fte-dienstbetrekkingen niet realiseert, dient dat
uiteraard een grond te zijn om een deel van de subsidie inafwijking van
de verlening vast te stellen. Daartoe strekt onderdeel a. Na afloop
van één jaar wordt de hiervoor omschreven berekening derhalve nog
eens opnieuw uitgevoerd, maar nu aan de hand van het aantal
daadwerkelijk gerealiseerde arbeidsjaren over alle
fte-dienstbetrekkingen;
daarbij wordt uiteraard uitgegaan van de bedragen per
fte-dienstbetrekking zoals die ten grondslag lagen aan het vastgestelde
subsidiebudget. Indien het aldus achteraf berekende bedrag minder bedraagt dan de
vastgestelde subsidie over dat jaar, wordt het verschil tussen de beide
bedragen teruggevorderd of verrekend. Er is niet voor gekozen om de berekening achteraf uit te voeren per
beperkingscategorie.
Het is dus mogelijk dat gemeenten meer dienstbetrekkingen in de ene beperkingscategorie
realiseren en minder in een andere, zonder dat dat tot terugvordering
leidt. Wel kan de minister krachtens artikel 2, vierde lid, sturen op de
verdeling van de beschikbare plaatsen over de personen rblz.|57|
die tot de onderscheiden
beperkingscategorieën behoren. Indien hij daaromtrent regels heeft
gesteld en deze regels niet worden nageleefd, kan hij op basis van
onderdeel d tot een van de verlening afwijkende vaststelling overgaan.
Bij de
subsidievaststelling wordt bezien in hoeverre voldaan is aan de vereisten van
artikel 8,
vierde lid (onderdeel b). Wordt gedurende de eerste twee jaar meer dan
het minimumloon betaald, dan heeft dit gevolgen voor de vraag of
die dienstbetrekking voor subsidiëring in aanmerking komt. Worden
de dienstbetrekkingen - ongerechtvaardigd - voor een langere
arbeidsduur per week aangegaan, dat mogen de meerkosten hiervan niet
bij de subsidievaststelling worden betrokken. Onderdeel b heeft verder
uitsluitend betrekking op arbeidsovereenkomsten krachtens hoofdstuk
2 met
de gemeente
aangegaan en niet op arbeidsovereenkomsten met
een reguliere werkgever als bedoeld in hoofdstuk 3. Dat vloeit
voort uit de definitie van het begrip "dienstbetrekking". Met betrekking tot de
laatstbedoelde arbeidsovereenkomsten gelden geen eisen voor
beloning en arbeidsduur.
Onderdeel
c houdt verband
met artikel 6, tweede lid, onderdeel b. Indien de gemeente, nadat
bij onherroepelijk geworden herindicatiebeschikking is vastgesteld dat de
werknemer niet langer tot de Wsw-doelgroep behoort, in
strijd met dat artikel de arbeidsovereenkomst niet opzegt, terwijl de
werknemer een aanbod tot het verrichten van passende arbeid heeft
geweigerd, of een langere opzegtermijn hanteert dan de voor de betrokken
werknemer rechtens geldende, wordt een gedeelte van de subsidie
ten opzichte van de verlening gewijzigd vastgesteld. Het gaat
daarbij om een bedrag ter grootte van de beloning van de werknemer over de
periode gelegen na de dag waarop met inachtneming van de
wettelijke opzegtermijn de arbeidsovereenkomst had behoren te zijn beëindigd.
Onderdeel
d heeft
betrekking op een algemene grond tot vaststelling van de subsidie afwijkend
van de verlening, namelijk indien de gemeente (of de door haar bij de uitvoering van
deze wet ingeschakelde rechtspersoon;
zie artikel 2, derde lid)
niet handelen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen.
Deze grond is minder eenduidig dan de in de onderdelen a, b
en c genoemde
gronden en kan ook niet eenvoudig gerelateerd worden aan prestaties en
aan "te veel betaalde bedragen", zoals dat bij die gronden wel het
geval is. Daarom is vooral met betrekking tot de toepassing van onderdeel
d de in de aanhef van artikel 9 genoemde algemene maatregel van
bestuur van belang, waarbij regels gesteld zullen worden over de toepassing
van dit onderdeel. Krachtens onderdeel d kunnen bijvoorbeeld
correcties worden toegepast indien de gemeente de ministeriële
verdelingsregels, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onvoldoende
toepast, bij de
aanpassing van de Wsw-arbeid onvoldoende rekening houdt met artikel 3,
onvoldoende de uitstroom bevordert (artikel 4) of de arbeidsovereenkomst niet
opzegt indien de werknemer niet meewerkt aan herindicatie (artikel 6,
tweede lid, onderdeel a). Dit onderdeel vervult tevens een functie in het
toezicht: indien de gemeente niet overeenkomstig artikel 14 [13] zorgt voor een
goede administratie bij de uitvoering van deze wet of indien zij
niet aan haar inlichtingenplicht voldoet of indien de in artikel 14
[13] bedoelde
accountantsverklaring daartoe aanleiding geeft, kan de subsidie
overeenkomstig de algemene maatregel van bestuur worden teruggevorderd of
verrekend. Het ligt niet in de bedoeling om via de bekostigingssystematiek
te sturen op de naleving van artikel 2, eerste en derde lid, en van
artikel
5; daarom zijn deze bepalingen hier uitgezonderd.
Onderdeel
e heeft
betrekking op de besteding van meeropbrengsten voortvloeiend uit de
toepassing van deze wet. De baten en lasten die voor
rblz.|58|
de gemeenten
voortvloeien
uit de toepassing van deze wet en de besteding van het budget
worden zichtbaar gemaakt in de gemeentelijke administratie (zie
artikel 14 [13], tweede en derde lid). Meeropbrengsten over een kalenderjaar moeten
in het daarop volgende jaar worden aangewend voor uitvoering van de
Wsw of de inschakeling van werkzoekenden, waarvan de wettelijke
regeling vorm zal krijgen in de voorgenomen Wet inschakeling
werkzoekenden. Voor zover dat niet het geval is, wordt het niet-bestede deel van de
meeropbrengst meegenomen bij de vaststelling. Uiteraard kan, indien
macro gezien de baten van de uitvoering van deze wet de lasten blijken te
overtreffen, daarmee rekening worden gehouden bij de verlening van de
budgetten over een komend jaar, volgens de systematiek neergelegd
in artikel 8.
Artikel
9, tweede lid
Uit
artikel
8, eerste
lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, en
artikel
7, eerste lid,
vloeit voort dat de subsidiëring is gericht op uitvoering van de hoofdstukken 2
en
3 met betrekking tot ingezetenen van de gemeente. Het kan echter
voorkomen dat de betrokken werknemer, terwijl hij een dienstbetrekking
met de gemeente of een dienstbetrekking voor begeleid werken heeft,
verhuist, zodat hij ingezetene wordt van een andere gemeente. In het
tweede lid van artikel 9 is geregeld dat deze dienstbetrekking in dat
geval blijft meetellen voor de bepaling van het aantal gerealiseerde
arbeidsjaren.
Artikel
10
Dit artikel bevat de
basis voor het verlenen van rijkssubsidie aan de gemeenten
in verband met
gemeentelijke subsidieregelingen gericht op uitstroom uit een Wsw-dienstbetrekking en in verband met inkoop van
diensten in het kader van arbeidsbemiddeling. Zie paragraaf 3.8
van deze toelichting. Aangezien
deze subsidiestromen niet vallen onder de subsidiesystematiek van
de artikelen 8 en 9, is deze materie geregeld in een apart artikel,
waarbij de invulling van het subsidiebeleid en de daarbij te hanteren
subsidiesystematiek worden geregeld bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur.
Artikel 11.
[Vervallen, red.] ¹
1. Tijdens de
parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel is de instelling van een Dienst indicatie sociale
werkvoorziening geschrapt. Vervolgens is de
beschikkingsbevoegdheid ter zake van (her)indicatie overeenkomstig artikel 11 Wsw
neergelegd bij het gemeentebestuur, red.
De keuze om de
onafhankelijke indicatiestelling voor de sociale werkvoorziening als taak
op te dragen aan een aparte dienst die onder de minister
ressorteert, is
in het algemeen deel van deze toelichting beargumenteerd
(paragraaf 2.4). De taken
van de Dienst zijn geregeld in artikel 12 [11]. Omdat de
Dienst onder
de minister ressorteert, kan deze aanwijzingen geven voor de
werkzaamheden van de Dienst.
De directeur van de Dienst is degene die de indicatiebeschikking neemt. De gemeentelijke
commissie, bedoeld in artikel 13 [12], adviseert.
Artikel 12, eerste lid. [Zie
art. 11 Wsw, red.]
Dit lid regelt de inhoud
van de indicatie. Het belang van de elementen van de
indicatiebeschikking zijn bij de voorafgaande artikelen reeds
vermeld. Op al die onderdelen adviseert de gemeentelijke commissie. De werkwijze in relatie tot
de adviescommissie is die geregeld in afdeling 3.3 van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat conform artikel 3:7
Awb de
directeur aan de adviescommissie alle gegevens ter beschikking stelt die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de adviescommissie. De
beschikking is gebaseerd op het advies van de adviescommissie, die ook
belast is met het onderzoek naar de omstandigheden rblz.|59|
van de persoon. De
directeur kan slechts met redenen gemotiveerd afwijken van het advies (artikel 4:20
[zie artikel 3:50, red.] Awb).
Het
vaststellen of
personen behoren tot de doelgroep van deze wet (de indicatie), is de kern.
De beleidsbepaling wie voor sociale werkvoorziening in aanmerking komt,
wordt
dus publiekrechtelijk geregeld.
In de
indicatiebeschikking wordt tevens aangegeven tot welke beperkingscategorie
de
betrokkene behoort. De normen die gelden voor de indeling bij een
bepaalde beperkingscategorie worden krachtens artikel 1, derde lid, gesteld. De
categorie-indeling wordt bepaald door de zwaarte van de aanpassingen van
de omstandigheden waarin arbeid wordt verricht en de productiviteit die arbeid oplevert. Deze indeling is met name ook relevant in
verband met de bekostigingssystematiek. Immers zowel bij de
subsidievaststelling vooraf als bij de terugvordering of verrekening achteraf
(hoofdstuk 4) is het aantal voorziene onderscheidenlijk gerealiseerde fte’s in
elke beperkingscategorie relevant (zie ook de toelichting bij de
artikelen 8 en 9).
Voorts wordt in de
indicatiebeschikking aangegeven welke aanpassing van omstandigheden, gelet
op de beperking van de betrokkene, voor hem nodig is bij het verrichten van arbeid en of hij in aanmerking komt voor
"begeleid werken" als bedoeld in hoofdstuk 3. Dit is relevant voor de gemeenten
in verband met
de toepassing van artikel 3, tweede lid (waarin de gemeente de plicht
krijgt om bij de keuze van de aan de betrokkene aan te bieden aangepaste
arbeid rekening te houden met het advies ter zake),
onderscheidenlijk artikel 7, eerste lid, onderdeel
a (waar wordt bepaald dat de gemeente
slechts in aanmerking komt voor een subsidie met betrekking tot "begeleid
werken" van iemand indien in de indicatiebeschikking is bepaald dat hij voor
begeleid werken in aanmerking komt).
Artikel 12, tweede lid. [Zie
art. 11 Wsw, red.]
Een belangrijk element in
het systeem van de wet is de herindicatie. Het opnieuw vaststellen of
personen nog steeds tot de doelgroep behoren is nodig in de volgende gevallen:
a. Indien de betrokkene
voor de eerste maal een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
is
aangegaan, moet uiterlijk twee jaar daarna opnieuw worden beoordeeld
of hij nog steeds is aangewezen op het verrichten van arbeid
onder aangepaste omstandigheden en vervolgens om de drie jaar. De gemeente
is krachtens artikel 6, tweede lid, onderdeel
a, verplicht om de
dienstbetrekking op te zeggen indien de werknemer niet meewerkt aan een
herindicatie; indien zij dat niet doet, vindt overeenkomstig artikel 9,
eerste lid, onderdeel d, terugvordering of verrekening van de
rijkssubsidie plaats. Indien bij de herindicatie blijkt dat de werknemer niet langer
tot de doelgroep behoort, wordt de dienstbetrekking krachtens artikel 6,
tweede lid, onderdeel b, opgezegd; deze verplichting van de gemeente wordt gesanctioneerd in
artikel
9, eerste lid,
onderdeel c.
b. Herindicatie van een
werknemer vindt voorts plaats op verzoek van de gemeente ingeval zij
overweegt de dienstbetrekking op te zeggen (zie artikel 6, derde lid, en
de toelichting daarbij).
Artikel 12, derde lid. [Zie
art. 11 Wsw, vervallen, red.]
De
Wet arbeid
vreemdelingen is uiteraard met betrekking tot dienstbetrekkingen als bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 3 onverkort van toepassing. Om overbodige indicatiebeschikkingen te voorkomen, is in dit
lid bepaald dat alleen personen die als werkzoekende staan ingeschreven bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor indicatie in aanmerking
rblz.|60|
komen. Uit artikel 69 van
de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vloeit voort dat het daarbij alleen kan
gaan om:
a. Nederlanders;
b. vreemdelingen op wie
artikel 1 of artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende
het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG 1968, L 257) van toepassing is;
c. vreemdelingen die
beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning
welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister van
Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn
verbonden voor het verrichten van arbeid;
d. vreemdelingen die
behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
categorie.
De indicatie is erop
gericht na te gaan of een persoon in een reguliere baan kan worden geplaatst
dan wel uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot het verrichten van regelmatige arbeid in staat is. Een
dergelijke toets is niet
aan de orde in de situatie, waarin men niet of nog niet vrije toegang heeft
tot de Nederlandse arbeidsmarkt.
Met betrekking tot
personen, die reeds een Wsw-dienstbetrekking hebben, bestaat er geen
gevaar van overbodige indicatiebeschikkingen; derhalve is bepaald dat
zij in elk geval wel voor herindicatie in aanmerking komen.
Artikel 12, vierde lid. [Zie
art. 11 Wsw, red.]
De
Dienst houdt per
gemeente een lijst bij van de ingezetenen die tot de doelgroep behoren.
Krachtens algemene maatregel van bestuur (artikel 12 [11], vijfde lid) zal de
inrichting van de lijst worden geregeld; in elk geval zal per persoon de datum van
de indicatiebeschikking worden opgenomen en een aanduiding of de
betrokkene in aanmerking komt voor toepassing van hoofdstuk 3. Deze lijst
is voor de gemeente relevant bij het aanbieden van Wsw-dienstbetrekkingen en
voor het verlenen van subsidies krachtens hoofdstuk 3, en kan ook
een rol spelen bij de nadere regels die de minister
krachtens
artikel 2, derde lid, met betrekking tot de volgorde van aanbieding kan stellen.
Tegen de
(her)indicatiebeschikking kan bezwaar en beroep worden ingesteld krachtens de
Algemene wet bestuursrecht. Een bezwaarschrift moet worden gericht aan
de Dienst.
Artikel 12, vijfde lid. [Zie
art. 11 Wsw, red.]
In
de wet worden slechts
de hoofdlijnen van de taken en werkwijze bij de indicatie geregeld.
Meer gedetailleerde regels kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden gesteld. Deze regels kunnen onder meer betrekking
hebben op de inrichting van de lijst per gemeente
en de werkwijze van de
adviescommissie (dossiervorming, informatievergaring, vaststellen van
protocollen). Het ligt voor de hand de regelgeving over de
werkwijze en de taakvervulling te beperken tot belangrijke
uitgangspunten. De minister is uiteraard zelf in eerste instantie verantwoordelijk voor een
goede bedrijfsvoering en kan daarbij (met gebruikmaking van een
kwaliteitsborgingssysteem) zelf sturend en regelend optreden.
Artikel 13. [Zie
art. 12 Wsw, red.]
Belangrijk element in de
herziening van de WSW is dat wordt gekomen tot een onafhankelijke
indicatiestelling. Een mogelijke verwarring van verantwoordelijkheden doordat belanghebbenden bij de indicatiestelling
zijn betrokken, dient te
worden voorkomen.
rblz.|61|
De advisering voor de
indicatiestelling zal feitelijk worden verricht door een team van deskundigen,
benoemd op grond van hun professionaliteit en zonder binding met de aanmeldende of uitvoerende instanties. Deze
personen worden door de gemeentebesturen benoemd in de adviescommissie.
De taken betreffende het
feitelijke onderzoek, verband houdende met de indicatiestelling, worden
door de commissie verricht. Dit betreft dus slechts een deel van de
in artikel 12 [11] genoemde taken,
namelijk de feitelijke onderzoekstaken en de rapportage naar aanleiding daarvan. De leden van
de commissie mogen niet
in dienst zijn van gemeenten of andere organen die door de
gemeentebesturen bij de uitvoering van de sociale werkvoorziening worden
ingeschakeld. De eisen die aan de deskundigheid van de leden van de
adviescommissie worden gesteld, worden bij ministeriële regeling
nader ingevuld.
Artikel 14. [Zie
art. 13 Wsw, red.]
Dit artikel regelt in
algemene zin dat het toezicht op de uitvoering van de wet door de gemeenten
bij Onze Minister berust. In deze wet zijn daarbij geen ten opzichte
van de in de Gemeentewet aanvullende toezichtsinstrumenten
als goedkeuring en schorsing en vernietiging opgenomen. Expliciete
regeling van deze toezichttaak is opgenomen om duidelijk de maken dat de
minister verantwoordelijk is voor de rechtmatigheid van de in het kader van
deze wet gedane uitgaven en daartoe zicht moet hebben op de
uitvoering door de gemeente. Daarnaast is deze toezichttaak ook van
belang voor de afstemming van het gemeentelijk beleid op dat van de
centrale overheid op het terrein van de sociale werkvoorziening.
Op het toezicht en de
informatievoorziening is op verschillende plaatsen in de toelichting reeds
ingegaan. Dit artikel regelt de verplichtingen van de gemeentebesturen die uit
de verhouding tussen de gemeente en de minister
voortvloeien.
Aan de
informatieverplichtingen richting minister kan bij ministeriële regeling nader
inhoud
worden gegeven.
Artikel 15. [Zie
art. 14 Wsw, red.]
Op grond van de
Awb is
het gegevensverkeer tussen de Dienst en de adviescommissie geregeld.
Echter in de gegevensverstrekking van de commissie aan de Dienst
wordt niet voorzien. Daarop heeft het eerste lid betrekking.
In het tweede lid wordt bepaald dat de gemeentelijke adviescommissies rechtstreeks gegevens
moeten verstrekken aan de minister indien deze daarom verzoekt in verband met zijn verantwoordelijkheid voor het
beleid en het toezicht op
de uitvoering van deze wet.
De inhoud van het
gegevensverkeer en de wijze waarop de inlichtingen dienen te worden
verstrekt kan bij ministeriële regeling worden geregeld.
Artikel 16. [Zie
art. 15 Wsw, red.]
De eerste drie leden van
dit artikel regelen de informatievoorziening tussen de Dienst, de gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen.
De
gegevensuitwisseling tussen met name de gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen
is in diverse wetten
reeds geregeld (Organisatiewet sociale verzekeringen [zie Osv 1997 en vervolgens Wet
SUWI, red.], Algemene bijstandswet,
Arbeidsvoorzieningswet 1996, Jeugdwerkgarantiewet). De Dienst wordt als schakel in de onderlinge gegevensuitwisseling
toegevoegd en de relatie met de uitvoering van deze wet wordt gelegd.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de Dienst de rblz.|62|
voor het onderlinge
gegevensverkeer relevante gegevens van de gemeentelijke adviescommissie verkrijgt.
Naast de regeling van de
informatievoorziening van de gemeenten richting minister
en de
onderlinge gegevensuitwisseling tussen de betrokken bestuursorganen moet ook nog aandacht besteed worden aan de verwerking van
gegevens op gevalsniveau. Het betreft de vraag welke gegevens de gemeenten
gebruiken voor de uitvoering van de wet en hoe die worden verkregen.
Wanneer het om persoonsgegevens gaat, is er een wettelijke basis
noodzakelijk om personen te verplichten gegevens te verstrekken. Wanneer
persoonsgegevens niet van de betrokkene zelf worden verkregen, maar
via andere instanties die die gegevens voor de uitvoering van de aan hen
opgedragen taak hebben verkregen, moet de onderlinge
gegevensverstrekking wettelijk geregeld zijn.
In het vierde lid wordt
geregeld dat een ieder (maar in feite voornamelijk de persoon die voor Wsw-arbeid in aanmerking komt en zijn vertegenwoordigers en
eventuele werkgevers) op verzoek gegevens moet verstrekken over hemzelf
of zijn werkgever aan het gemeentebestuur, de gemeentelijke
adviescommissie en de Dienst voor de uitvoering van deze wet. Voor een goede
uitvoering van deze wet is het noodzakelijk dat de gemeenten, de commissies
en de Dienst kunnen beschikken over gegevens van de persoon.
Een doelmatige besteding van de met de sociale werkvoorziening gepaard gaande overheidsgelden
maakt dat op
basis van volledige en
juiste gegevens beslist moet worden of de betrokkene in aanmerking
komt voor de arbeid onder aangepaste omstandigheden. Dit
belang van een goede besteding van overheidsgeld voor sociale
voorzieningen weegt op tegen de inbreuk op de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer die deze verplichte gegevensverstrekking met zich zou kunnen
brengen. Daarbij wordt de gegevensverstrekking natuurlijk ook beperkt
door het vereiste dat de gevraagde gegevens noodzakelijk moeten zijn
voor de uitvoering van deze wet. Dit voorschrift geldt niet voor de
gegevensverstrekking aan de gemeente die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de gemeente.
Zolang de arbeidsovereenkomst nog niet tot stand is gekomen of is beëindigd, moet dit wel
geregeld worden. De noodzaak van regeling van deze verplichting bestaat
voor de relatie met de Dienst en de gemeentelijke adviescommissies. De
verplichting tot het verstrekken van gegevens geldt ook voor een
werkgever, waarbij een geïndiceerde Wsw-werknemer in dienst is en die
subsidie van de gemeente krijgt.
Met de
inwerkingtreding
van artikel 6a van de Wet persoonsregistraties [zie Wet
bescherming persoonsgegevens, red.] is voor het opnemen in de
administratie van persoonsidentificerende nummers, zoals het sofinummer, en het gebruik daarvan een wettelijke
basis nodig. Dit gebruik
impliceert ook het op sofinummer uitwisselen van gegevens met
instanties en werkgevers die op grond van andere wetten tot het gebruik
van dit nummer bevoegd of verplicht zijn. Omdat het gemeentebestuur in
ieder geval als werkgever het sofinummer in de administratie heeft
opgenomen en over de werknemer met andere instanties, zoals de socialeverzekeringsinstanties en de
Dienst en de gemeentelijke adviescommissies, gegevens worden uitgewisseld, is in het
vijfde lid de bevoegdheid geregeld om het sofinummer te verwerken.
Artikel 17. [Zie
art. 16 Wsw, red.]
De dienstbetrekkingen
krachtens de WSW die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet worden met ingang van die datum van rechtswege omgezet in
dienstbetrekkingen krachtens een gewone arbeidsovereenkomst,
waarop naast het gewone arbeidsovereenkomstenrecht ook artikel 6
van
deze
wet van toepassing is. Uit de formulering van rblz.|63|
het eerste lid vloeit
voort dat WSW-dienstbetrekkingen die zijn beëindigd vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet niet onder deze overgangsbepaling vallen.
Het tweede lid
bepaalt
dat de oude arbeidsvoorwaarden uit een WSW-dienstbetrekking mee
overgaan. Dit geldt ten aanzien van alle rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de oude
WSW-dienstbetrekking:
de duur waarvoor de
dienstbetrekking is aangegaan, de wekelijkse arbeidsduur,
de arbeidstijd, de beloning, etc. Opgemerkt zij nog dat de wekelijkse
arbeidsduur in een dienstbetrekking aangegaan voor meer dan 32 uur per week,
niet behoeft te worden teruggebracht tot 32 uur. Artikel 8, vierde
lid, onderdeel b, stelt de eis van een werkweek van 32 uur (behoudens
uitzonderingen) immers slechts met betrekking tot nieuwe
dienstbetrekkingen.
De oude
arbeidsvoorwaarden blijven gelden totdat met een werknemer anders wordt
overeengekomen (de keuze voor een gewone arbeidsovereenkomst in plaats van een
dienstbetrekking "sui generis" brengt immers de toepasselijkheid van
het beginsel van contractsvrijheid met zich mee) of totdat een collectieve
arbeidsovereenkomst (CAO) op de dienstbetrekking van toepassing wordt. Bij
CAO kan derhalve de rechtspositie van zittende en nieuwe Wsw-werknemers definitief worden geregeld en op elkaar worden afgestemd.
Aanspraken op pensioen,
aanvullende oudedagsvoorziening en VUT-aanspraken zijn krachtens de oude WSW vastgesteld door de
stichtingen, bedoeld in
artikel 30a (oud). Ook deze aanspraken blijven tengevolge van de
inwerkingtreding van deze wet onverlet. Zo moet de pensioenopbouw krachtens
de oude regels worden voortgezet totdat bij CAO een nieuwe regeling
zal zijn getroffen. De CAO-partners kunnen de bedoelde aanspraken
opnieuw vaststellen of herbevestigen, waarbij zij tevens moeten voorzien in
uitvoering overeenkomstig de Pensioen-
en spaarfondsenwet. Totdat
een CAO ter zake tot stand is gekomen, blijven de artikelen 30a,
30b en 30c van
toepassing. Slechts de artikelen 30b, onderdeel d, en 30c, onderdeel
b, zijn
niet van toepassing: vanaf de datum van inwerkingtreding van deze
wet hebben geschillen omtrent de hier bedoelde aanspraken
overeenkomstig artikel 33 van de Pensioen-
en spaarfondsenwet betrekking op een arbeidsovereenkomst, zodat zij aan de kantonrechter moeten
worden voorgelegd. Daarbij zij nog gewezen op artikel 18 [17],
onderdeel
b en c: lopende bezwaar- en beroepsprocedures blijven beheerst door het
oude recht, terwijl ook het oude recht toepasselijk is op de mogelijkheid om
bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen besluiten genomen
op grond van de oude WSW.
Vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet worden slechts Wsw-dienstbetrekkingen
krachtens arbeidsovereenkomst gesloten. Krachtens de algemene
regels van burgerlijk procesrecht is de kantonrechter bevoegd kennis te nemen
van geschillen ter zake. Het vierde lid bepaalt voor alle duidelijkheid dat dat ook geldt met betrekking tot
rechtsvorderingen die
verband houden met de rechtspositie van de zittende WSW-werknemers
wier dienstbetrekking "sui generis" krachtens artikel 17 [16] wordt omgezet
in een krachtens arbeidsovereenkomst. Alle rechtspositionele
geschillen tussen werkgever en werknemer kunnen dus aan de kantonrechter
worden voorgelegd, behalve die welke gericht zijn tegen besluiten die onder
vigeur van de oude WSW zijn genomen (daarop blijft krachtens artikel
18 [17] het oude recht van toepassing).
Om de
"zittende"
werknemers zekerheid te bieden over hun concrete rechtspositie en
arbeidsvoorwaarden zoals die gelden na de inwerkingtreding van deze
wet, is in
het
vijfde lid bepaald dat de gemeente rblz.|64|
daaromtrent iedere
werknemer moet informeren. Met betrekking tot nieuwe Wsw-werknemers
vloeit een informatieverplichting voort uit artikel 1637f van Boek
7a van het BW.
Artikel 18. [Zie
art. 17 Wsw, red.]
Dit artikel bevat een
overgangsbepaling met betrekking tot de rijksvergoeding aan gemeenten
over tijdvakken gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet en met betrekking tot bezwaar en beroep
tegen besluiten die zijn
genomen vóór die datum. Hierop blijft het oude recht van toepassing. Zie
ook de beschouwing ter zake in de toelichting bij artikel 17.
Artikel 19. [Zie
art. 18 Wsw, red.]
Gewaarborgd moet
worden
dat de WSW-dienstbetrekkingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet reeds bestaan en die krachtens
artikel 17 [16] als dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst worden voortgezet, ook na dat
tijdstip door de gemeenten gefinancierd kunnen blijven. Daarom wordt
bepaald dat met de lopende dienstbetrekkingen rekening wordt gehouden
bij de eerste vaststelling krachtens artikel 8
van het gemeentelijk
budget. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal aan deze
bepaling nader invulling worden gegeven; deze nadere regels kunnen
worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 8, derde lid. Aangezien de betrokken werknemers niet worden
geïndiceerd (zie artikel 20 [19]), kan ook niet worden
vastgesteld tot welke
beperkingscategorie zij behoren, terwijl dat toch relevant is bij de
vaststelling van het budget (artikel 8). In de algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald tot welke beperkingscategorie de betrokken werknemers
geacht worden te behoren (indeling in de middelste
beperkingscategorie ligt daarbij in het voornemen).
Artikel 20. [Zie
art. 19 Wsw, red.]
Degenen die op het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds een dienstbetrekking
krachtens de oude WSW hebben, worden niet aan een indicatie onderworpen; zij behoeven ook niet periodiek geherindiceerd
te worden. Met betrekking
tot deze personen geldt wel dat een herindicatie moet
plaatsvinden indien de gemeente overweegt hun arbeidsovereenkomst op te
zeggen. Uiteraard moet ook indicatie plaatsvinden voordat aan
een persoon wiens eerdere Wsw-dienstbetrekking is geëindigd, een nieuwe Wsw-dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst voor
begeleid werken kan worden aangeboden.
Artikel 21. [Zie
art. 20 Wsw, red.]
Om de toepassing van de
Wet op de
ondernemingsraden (WOR) voor werknemers met een Wsw-dienstbetrekking zo soepel mogelijk te laten verlopen, hoeft pas na twee jaar na inwerkingtreding van de herziene
WSW
te zijn voldaan aan de verplichting om een ondernemingsraad ten behoeve van de
Wsw-werknemers in te stellen. Pas met de instelling van de ondernemingsraden
vervallen de ingestelde organen van overleg.
Per mei 1995 zijn de
medezeggenschapsrechten van ambtenaren geregeld in de WOR, zodat
voor het ambtelijk personeel in de sector sociale werkvoorziening
reeds ondernemingsraden zullen functioneren. Deze ondernemingsraden,
waarin uitsluitend ambtenaren zijn vertegenwoordigd, zullen uiterlijk binnen
twee jaar na inwerkingtreding van de wet verdwijnen, omdat binnen
deze termijn een ondernemingsraad dient te zijn ingesteld die is
samengesteld uit vertegenwoordigers van het ambtelijk personeel en de
Wsw-werknemers. Deze overgangstermijn van rblz.|65|
twee jaar is
vergelijkbaar met die die geldt voor de invoering van de ondernemingsraden voor
ambtenaren per mei 1995.
Artikel 22. [Zie
art. 21 Wsw, red.]
Met het
Besluit van 25
september 1995 (Stb. 1995, 463) is de werkingsduur van de artikelen in de
WSW die de wijze van vergoeding aan de gemeenten
betreffen,
verlengd tot 1 januari 1997. Vanaf die datum ontbreekt een wettelijke basis voor
deze bepalingen betreffende het budget voor de gemeenten en de
vaststelling van het budget aan de hand van de jaaropgaven. Dit artikel
voorziet erin dat de desbetreffende bepalingen in de WSW blijven gelden
voor het jaar 1997 tot de vergelijkbare bepalingen in deze wet in werking
zijn getreden.
Artikel 23. [Zie
art. 22 Wsw, red.]
Bij de bepaling of sprake
is van arbeidsongeschiktheid wordt WSW-arbeid op grond van
artikel 5, zevende lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) buiten beschouwing gelaten. WSW-arbeid wordt niet
beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid. Hierin komt geen
wijziging door de nieuwe Wsw.
Artikel 33 AAW
houdt een anticumulatieregeling in voor de uitbetaling van de uitkering indien
deze samenloopt met inkomsten. Artikel 33, derde lid, AAW
sluit WSW-arbeid
uit van de toepasselijkheid van de in het tweede lid geregelde maximumtermijn voor toepassing van de
anticumulatieregeling.
Dit houdt verband met artikel 5, zevende lid, AAW. Deze grond voor de in het
derde lid opgenomen uitzondering is ook onder de nieuwe Wsw aanwezig.
De formulering van de bepaling wordt aangepast, omdat in de
huidige formulering wordt uitgegaan van een loon ingevolge de WSW en
de te harer uitvoering genomen besluiten, terwijl in de nieuwe situatie het loon in de (collectieve) arbeidsovereenkomst
geregeld wordt.
Artikel 41, vijfde en
zesde lid, [AAW, red.] bevat regelingen over de gecombineerde betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en WSW-loon, VUT-uitkering en
pensioen. Voor beide bepalingen geldt dat aan de daarin geboden mogelijkheid tot
gecombineerde betaalbaarstelling geen uitwerking is gegeven. Om
deze reden kan de mogelijkheid geheel komen te vervallen.
Artikelen
24 tot en met 26 en 28 tot en met 33.
[Zie artt. 23-27 en
29-34 Wsw, red.]
Deze artikelen betreffen
terminologische wijzigingen in de verwijzingen naar de dienstbetrekking
van de Wsw-werknemers in verband met de omzetting van de dienstbetrekking sui generis in een arbeidsovereenkomst
op grond van het
burgerlijk recht en wijzigingen in verband met de nieuwe citeertitel van de
wet.
Artikel 27. [Zie
art. 28 Wsw, red.]
Voorgesteld wordt de
vermelding van de Wsw op de bijlage bij artikel 18 van de Beroepswet
[lees: onderdeel C van de bijlage
bij de Beroepswet, red.]
en
daarmee het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen besluiten op grond van de Wsw te handhaven. Voor de
voortzetting van dit
sinds de herziening van de rechterlijke organisatie eerste fase [zie Wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie, red.]
bestaande
systeem van rechtsbescherming is gekozen, omdat er geen redenen zijn voor
de Wsw af te wijken van andere regelingen op het gebied van
voorzieningen voor uitkeringsgerechtigden die door de gemeente
worden
verstrekt, zoals de Wet voorzieningen
gehandicapten. Tegen besluiten op grond
van die regelingen is hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep
mogelijk. Daarbij speelt een rol dat deze rblz.|66|
voorzieningen vaak in samenhang met uitkeringen op grond van de
socialezekerheidswetten
worden toegekend.
Artikel 34. [Zie
art. 35 Wsw, red.]
De Wsw-werknemer behoort
op grond van artikel 3 van de Ziektewet (ZW) tot de kring van
verzekerden; de werknemer staat in privaatrechtelijke dienstbetrekking. Artikel
4, eerste lid, onderdeel e, bepaalt nu uitdrukkelijk dat een dienstbetrekking
krachtens de WSW mede als dienstbetrekking wordt beschouwd. In de
nieuwe situatie is deze bepaling overbodig; er is geen sprake meer van een
dienstbetrekking sui generis, maar van een arbeidsovereenkomst
krachtens het BW. Artikel 4, eerste lid, onderdeel e,
kan daarom vervallen. De
wijzigingen in de artikelen 29 en 29b
betreffen redactionele aanpassingen
in verband met het schrappen van onderdeel e in artikel
4, eerste
lid.
Artikel 35. [Zie
art. 36 Wsw, red.]
De onderdelen A en
B [zie artikel 36, onderdeel A en B,
Wsw, red.], in
verband met de kring der verzekerden, hebben dezelfde achtergrond als
die reeds bij artikel 40 is toegelicht.
De verwijzing in artikel
24, derde lid, [van de WW, red.] naar
artikel 4, eerste lid, onderdeel
e, wordt vervangen door een
verwijzing naar de arbeidsovereenkomst van de Wsw-werknemer. Daarmee
blijft Wsw-arbeid geen passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet (WW).
Artikel 85, derde lid,
regelt voor WSW-werknemers een vervangende premie in plaats van de
wachtgeldpremie. Deze vervangende premie zal ook na invoering van de nieuwe Wsw blijven gelden. Het zesde lid van
artikel 85 bepaalt dat de
daarin geregelde uitzondering voor het geval de bedrijfsvereniging de
uitkering aan de werkgever betaalt, niet geldt voor WSW-ers. Ook deze
uitzondering blijft bestaan. De desbetreffende leden van artikel 85
worden
derhalve slechts terminologisch aangepast.
Artikel 36. [Zie
artt. 37 en 38 Wsw,
red.]
Deze wijzigingen
betreffen de kring der verzekerden, die bij de wijzigingen in de WW en
ZW reeds zijn
toegelicht. Voor het overige stemmen de wijzigingen overeen
met die in de AAW.
Artikel 37. [Zie
art. 39 Wsw, red.]
In dit artikel wordt de
stichting die op grond van de WSW voorzag in de pensioenvoorziening en de
regeling van vervroegd uittreden voor werknemers in de sociale
werkvoorziening niet aangemerkt als verzekeringsbedrijf. De
verwijzing naar de desbetreffende bepalingen in de WSW moet komen te
vervallen. De stichting blijft apart benoemd, omdat dit pensioenfonds
voor werknemers in de sociale werkvoorziening voorlopig nog blijft
bestaan.
Artikelen 39,
40 en 41. [Zie
artt. 41 en 42 Wsw,
red.]
Deze artikelen strekken
ertoe om de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet
op de loonvorming van toepassing te doen zijn op de met de gemeente
gesloten arbeidsovereenkomsten op grond van
deze wet. Voorts wordt bewerkstelligd dat niet de krachtens de Ambtenarenwet
gestelde
regels de arbeidsovereenkomst beheersen, maar alleen het Burgerlijk
Wetboek en andere wetten die van toepassing zijn op de
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
rblz.|67|
Artikel 42. [Zie
art. 43 Wsw, red.]
Indien de
wet tot
vaststelling van titel 7.10 van het Burgerlijk
Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst in werking is getreden, moeten de
verwijzingen in deze wet naar Boek
7a van het BW daaraan zijn aangepast.
Dit artikel voorziet
hierin.
Artikel 43. [Zie
art. 46 Wsw, red.]
Deze bepaling voorziet in
een periodieke evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
de uitvoering van deze wet.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|