|
29 oktober 1997/nr. AM/RAW/97/2204
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikel 2 van het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening;
Besluit:
Art. 1.
Definitie
In deze regeling wordt onder
het besluit verstaan: het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening.
Art. 2.
Voorrangsruimte
arbeidsovereenkomsten
-1. Voor het jaar 1998 wordt het deel van de door het gemeentebestuur op
te vullen ruimte, bedoeld in artikel 2 van het
besluit, vastgesteld op
15% van de plaatsingen.
-2. Voor de jaren 1999 tot en met 2001 wordt het deel van de door het
gemeentebestuur op te vullen ruimte, bedoeld in artikel 2 van het
besluit, vastgesteld op 25% van de plaatsingen.
-3. Voor de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 wordt het deel van de door het gemeentebestuur op
te vullen ruimte, bedoeld in artikel 2 van het
besluit, vastgesteld op
25% van de plaatsingen, waarbij ook personen die vanuit een
dienstbetrekking een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 3 van
de wet aangaan, worden meegerekend.
Art. 3.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking op het tijdstip waarop het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening in werking treedt.
Art. 4.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling arbeidsinpassing en
begeleiding sociale werkvoorziening.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 oktober
1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[29 oktober 1997]
In artikel 2 van het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening is aangegeven dat bij
ministeriële regeling
jaarlijks wordt bepaald welk deel van de
door het gemeentebestuur op te vullen
vacatureruimte voor het aangaan van nieuwe dienstbetrekkingen of
arbeidsovereenkomsten, bedoeld in de hoofdstukken 2 en
3 van de
wet, ten minste
wordt gebruikt voor het bij
voorrang aangaan van arbeidsovereenkomsten, voor zover hiervoor
betrokkenen beschikbaar zijn. Conform de nota van toelichting
bij genoemd
besluit is dit percentage voor 1998
vastgesteld op 15%. Plaatsing boven
dit percentage is ook toegestaan, doch
daarvoor geldt geen verplichting. Het
voor 1998 vastgestelde percentage van
15% zal de komende drie jaar geleidelijk oplopen naar 25%. Op welke wijze de
komende drie jaar tot 25% wordt gekomen, zal in overleg met de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
nader worden bepaald. De daarmee
in 1998 opgedane ervaringen zullen
hier zeker bij worden betrokken.
Voor 1998 geldt een
percentage van 15% van de plaatsingen. Met
plaatsing wordt bedoeld elke feitelijke
plaatsing van een persoon (vanaf de
wachtlijst) in een dienstbetrekking of
arbeidsovereenkomst als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening die
in het jaar 1998 wordt gerealiseerd. Ten
aanzien van het realiseren van dit percentage geldt het volgende. Bij het
toezicht op de uitvoering zullen
uitdrukkelijk specifieke omstandigheden van de gemeente worden meegewogen
in het geval het percentage van 15%
onverhoopt niet wordt gerealiseerd.
Hierbij wordt gedacht aan het niet
halen van genoemd percentage in het
geval er, ondanks de aantoonbare inspanningen van de gemeenten, niet
genoeg arbeidsplaatsen voor
begeleid werkers kunnen worden gevonden en
het geval dat zich onvoldoende
begeleiding of begeleidingsorganisaties aandienen om genoemd
percentage te halen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|