|
29 oktober 1997/nr. AM/RAW/97/2204
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
12, vierde en vijfde lid,
van de Wet sociale werkvoorziening, alsmede de
artikelen 3, derde lid, 4, derde lid,
5, vijfde lid, 8, zesde lid, en
10, tweede lid, van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening;
Besluit:
Art. 1.
Definitie
In deze regeling wordt onder
het besluit verstaan: het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening.
Art. 2.
Geldigheidsduur
van de indicatie en herindicatie
-1. Een indicatie van een
betrokkene die op de wachtlijst is
geplaatst, heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar.
-2. Een herindicatie van een
betrokkene die op de wachtlijst is
geplaatst, heeft een geldigheidsduur van
maximaal twee jaar.
-3. Een indicatie of
herindicatie van een betrokkene die op de
wachtlijst is geplaatst en vervolgens een
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3 van
de wet
aanvaardt, heeft vanaf de
datum van het aanvaarden van de
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst een
geldigheidsduur van maximaal twee jaar.
-4. Iedere volgende
herindicatie van een werknemer met wie een
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst is
aangegaan als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de wet heeft een geldigheidsduur van maximaal
drie jaar.
Art. 3.
Afwijking
geldigheidsduur herindicatie
Het gemeentebestuur kan aan
de hand van door hem vast te stellen
criteria voor categorieën van
geïndiceerden termijnen vaststellen die
afwijken van artikel 2, vierde lid, mits:
a. zij een daartoe strekkend
onderzoeksplan hebben opgesteld; ¹
b. de termijn voor geen
enkele geïndiceerde meer bedraagt dan vijf jaar.
1. Volgens de redactie
dient onderdeel a te worden vervangen door:
a. hij een daartoe strekkend onderzoeksplan heeft opgesteld.
Art. 4.
Leden van de
commissie
-1. Het gemeentebestuur
benoemt de leden en de plaatsvervangend
leden van de commissie.
-2. Naast de in de wet
en het
besluit genoemde deskundigen kan het gemeentebestuur ten hoogste
drie andere deskundige leden en
plaatsvervangend deskundige leden van de
commissie benoemen.
Art. 5.
Incompatibiliteiten
-1. Een lid van de commissie
kan niet tevens zijn:
a. lid van de gemeenteraad
van de gemeente die de commissie
heeft ingesteld of aangewezen;
b. werknemer in dienst van,
of bestuurslid werkend ten
behoeve van, een door de gemeente voor de
uitvoering van de wet aangewezen rechtspersoon;
c. werknemer in dienst van,
of bestuurslid werkend ten
behoeve van, een door de gemeente
ingeschakelde begeleidingsorganisatie,
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het
Besluit arbeidsinpassing en begeleiding
sociale werkvoorziening;
d. werknemer in dienst van
een interne of externe arbodienst,
bedoeld in artikel 2.6a van het
Arbeidsomstandighedenbesluit, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de
verplichtingen die voortvloeien uit artikel
14, derde lid, laatste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in de sociale
werkvoorziening van de gemeente.
-2. Een lid van de commissie
laat zich vervangen door een
plaatsvervangend lid met dezelfde deskundigheid indien zijn betrekkingen met de
aanvrager, de gemeente of de door de
gemeente aangewezen rechtspersoon of
ingeschakelde begeleidingsorganisatie een onafhankelijk oordeel bij de
besluitvorming in de weg staat. Hiervan is
in ieder geval sprake indien
een lid van de commissie betrokken is bij
de behandeling of begeleiding van de
aanvrager of daarbij betrokken is geweest
in de twee jaar voorafgaande aan
de aanvraag.
Art. 6.
Deskundigen
-1. Een arts als bedoeld in
artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid
indien hij is ingeschreven in het register
van sociaal geneeskundigen, tak arbeids-
en bedrijfsgeneeskunde, dan wel
tak verzekeringsgeneeskunde of het register sociale geneeskunde,
hoofdstroom arbeid en gezondheid, van de Sociaal-Geneeskundige
Registratiecommissie van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij tot bevordering
van de Geneeskunst.
-2. Een psycholoog als
bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid
indien hij staat ingeschreven als psycholoog NIP in het register van het
Nederlands Instituut van Psychologen,
dan wel als gezondheidszorgpsycholoog in
het register, bedoeld in artikel
3 van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, en indien
hij beschikt over gerichte kennis en
ervaring op het gebied van
psychodiagnostiek.
-3. Een arbeidskundige als
bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende
deskundigheid indien hij in het bezit is
van een getuigschrift van een op grond van de Wet op het hoger
beroepsonderwijs bekostigde technische hogeschool alsmede een applicatiecursus VOA-3 van
VOA, Vereniging voor
bedrijfskunde te Woerden en ervaring in
proces- en arbeidsanalyse.
-4. Een arbeidsmarktdeskundige als bedoeld in
artikel 12,
tweede lid, van de wet
beschikt over
voldoende deskundigheid indien hij in het bezit is van een getuigschrift van
een op grond van de Wet op het hoger beroepsonderwijs bekostigde sociale
academie, richting arbeidsmarktpolitiek/personeelsbeleid, alsmede van
kennis en ervaring op het gebied
van de arbeidsmarkt in de
betreffende regio.
-5. Een jurist als bedoeld
in artikel 9, tweede lid, van het
besluit beschikt over voldoende deskundigheid
indien hij in het bezit is van een
getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen Nederlands recht.
-6. Het gemeentebestuur kan
in afwijking van het derde, vierde
en vijfde lid deskundigen benoemen die
naar zijn oordeel beschikken over een
aan de in die leden genoemde
kwalificatie-eisen gelijk te stellen combinatie
van opleiding en ervaring.
Art. 7.
Ambtelijke
functionarissen
Indien de commissie wordt
ondersteund door één of meer ambtelijke functionarissen, worden de
werkzaamheden van deze functionarissen
vastgelegd in een afzonderlijke functiebeschrijving.
Art. 8.
Standpuntbepaling
van de commissie
-1. Over de uit te brengen
adviezen wordt niet besloten dan in
aanwezigheid van de leden of
plaatsvervangend leden van elke deskundigheid, genoemd in artikel
12,
tweede lid, van de wet.
-2. Over de uit te brengen
adviezen, bedoeld in artikel 6, derde
lid, van de wet, wordt niet besloten dan
in aanwezigheid van de leden of
plaatsvervangend leden van elke deskundigheid, genoemd in artikel
12,
tweede lid, van de wet en van artikel
9,
tweede lid, van het
besluit.
Art. 9.
Kwaliteitszorgsysteem
-1. Het gemeentebestuur stelt
een kwaliteitszorgsysteem vast op basis waarvan de kwaliteit van het proces
van indicatie wordt getoetst.
-2. Het
kwaliteitszorgsysteem, bedoeld in het eerste lid, bevat ten
minste:
a. de beschrijving van het
in het eerste lid genoemde proces, de
processtappen en bijbehorende procedures;
b. procedures en instructies
voor kwaliteitsborging en kwaliteitsverbetering van het in het eerste lid
genoemde proces;
c. de methode waarmee de
werking van de onder a en b genoemde
elementen intern en extern periodiek getoetst worden.
-3. Tot het
kwaliteitszorgsysteem, bedoeld in het eerste lid,
behoren voorts:
a. het besluit van de
gemeenteraad, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, van het
besluit;
b. het intakeprofiel,
bedoeld in artikel 3, derde lid, van het
besluit juncto artikel 10 van deze regeling;
c. de
deskundigheidsbevordering van functionarissen die zijn
betrokken bij het proces van indicatie.
Art. 10.
Intakeprofiel en
functieniveau
-1. Het intakeprofiel,
bedoeld in artikel 3, derde lid, van het
besluit, voldoet aan bijlage I bij deze
regeling.
-2. Het functieniveau, bedoeld
in artikel 6, derde lid, onderdeel d, van
het
besluit,
wordt vastgesteld op B2,
volgens de functievoorbeelden sociale
werkvoorziening die als bijlage bij het in
het eerste lid bedoelde
intakeprofiel zijn opgenomen.
Art. 11.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking op het tijdstip waarop het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening
in
werking treedt.
Art. 12.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling indicatie sociale
werkvoorziening.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlage ¹ in de
Staatscourant worden geplaatst.
1. Bijlage I is opgenomen in
het supplement
bij Stcrt. 1997, 217, red.
’s-Gravenhage, 29 oktober
1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[29 oktober 1997]
Inleiding
De indicatie van personen
voor de sociale werkvoorziening is
in de Wet sociale werkvoorziening
opgedragen aan het gemeentebestuur. Het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening geeft voorschriften met betrekking
tot de aanvraag, het onderzoek, het advies en de beslissing op de
aanvraag tot indicatie. Verder bevat het
besluit een indeling naar arbeidshandicapcategorieën, regels over de wachtlijst,
de herindicatie, het advies bij
voorgenomen opzegging van de
dienstbetrekking, de werkwijze bij indicatie
en overgangsrecht in verband
met de bestaande wachtlijsten voor
de sociale werkvoorziening.
Deze Regeling indicatie
sociale werkvoorziening geeft nadere voorschriften ter uitwerking van
eerdergenoemde wet en het besluit. Het is
voorts aan de gemeenten om op grond van
artikel 10 van het
besluit het
indicatieproces meer gedetailleerd in een eigen besluit vast te leggen. De
Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft
toegezegd ten behoeve van de gemeenten hiertoe een modelprotocol te
zullen ontwikkelen.
Verder is in een bijlage bij
deze regeling het intakeprofiel opgenomen. Dit profiel voorziet in de
mogelijkheid om relevante informatie over
mogelijkheden en beperkingen van personen
in hun arbeidssituatie zodanig
weer te geven dat de tijdens het
intakeproces verzamelde informatie
gestructureerd voor de werkgever
beschikbaar komt.
Het verplicht voorgeschreven
intakeprofiel maakt deel uit van het
profielensysteem versie 1997. Toepassing van het gehele profielensysteem,
dat door het ministerie aan de uitvoeringsorganisaties ter beschikking wordt
gesteld, wordt aanbevolen,
maar is niet verplicht. Met het
gehele profielensysteem kunnen desgewenst de opgedane ervaringen met en
van de werknemer in diens Wsw-arbeidssituatie op eenzelfde wijze als bij
de indicatie, bij de herindicatie aan de
indicatiecommissie verstrekt worden. Deze feed back over de mate
waarin de arbeid aansluit bij de
mogelijkheden en beperkingen wordt als een
belangrijk hulpmiddel van de
herindicatie gezien. De uiteindelijke
kwaliteit van de indicatie is als zodanig
immers niet los te zien van het succes
in de daaropvolgende plaatsing in een
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst. Overigens kan hiertoe ook een ander
systeem dan het
profielensysteem de benodigde informatie bieden.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
2. Geldigheidsduur
van de indicatie en herindicatie
Dit artikel regelt de
geldigheidsduur van de indicatie en
herindicatie. De voorgeschreven termijnen
komen overeen met de termijnen die reeds
in de nota van toelichting bij het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening zijn genoemd. Daar waar de
geldigheidsduur van de indicatie of
herindicatie wordt doorbroken door het
aanvaarden van een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst is
bepaald dat de geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie na het
aanvaarden van arbeid nog maximaal twee jaar
duurt.
Artikel
3. Afwijking
geldigheidsduur van indicatie en
herindicatie
Dit artikel biedt de
gemeente ruimte om de termijnen voor de
herindicatie, binnen de gegeven criteria,
voor afzonderlijke categorieën
van geïndiceerden zelf nader vast te stellen. Hierbij kan bijvoorbeeld
rekening worden gehouden met de zwaarte van
de arbeidshandicapcategorie en
de leeftijd van betrokkene.
Differentiatie in termijnen is overigens
alleen toegestaan met betrekking tot de
herindicatie.
Artikel
4. Leden van de
commissie
Het gemeentebestuur benoemt
de leden en plaatsvervangend
leden van de commissie. Aangezien in
artikel 5 is voorgeschreven dat de
commissie slechts adviezen kan vaststellen in aanwezigheid van alle deskundigheden, is
het noodzakelijk dat het gemeentebestuur ook zorg draagt voor de
benoeming van plaatsvervangend leden,
die over dezelfde deskundigheid
beschikken als de leden. Gemeenten kunnen onderling afspreken dat
leden van de commissie die voor de
betrokken gemeenten werken over en weer als plaatsvervanger optreden.
Dit kan ook voordelen hebben ten aanzien
van het uitwisselen van ervaring.
Naast de in de wet
en het
besluit genoemde deskundigen kan het gemeentebestuur nog maximaal
drie andere deskundigen benoemen
in de commissie. Dit is bedoeld om
de oordeelsvorming ten behoeve van de
advisering zo nodig te versterken met
meer specifieke deskundigheid als
bijzondere kenmerken van aanvragers
daartoe aanleiding geven. Hierbij is
te denken aan deskundigheid op het
gebied van autisme, epilepsie of ernstige visuele handicaps. Het is niet de
bedoeling dat bij de advisering
collectieve motieven een rol spelen.
Voor de aanvullend benoemde
deskundigen gelden overigens dezelfde incompatibiliteiten als voor
de in de wet en het besluit genoemde deskundigen. Meer dan drie aanvullend
benoemde deskundigen is niet
toegestaan, om te voorkomen dat de in de wet en het besluit genoemde
deskundigen zouden kunnen worden
overstemd.
Artikel
5.
Incompatibiliteiten
Een aantal functies is
onverenigbaar met het lidmaatschap van de
commissie. Dit is gedaan om de
onafhankelijkheid van de leden van de
commissie te waarborgen. Met deze
incompatibiliteiten wordt mogelijke
belangenverstrengeling voorkomen. Om die reden mogen ook bijvoorbeeld
werknemers van de arbodienst die zelf
werken voor de sociale
werkvoorziening in de gemeente niet in de
commissie zitting nemen.
Onder bestuurders worden ook
begrepen toezichthouders
(bijvoorbeeld leden van een raad van
toezicht).
In het geval dat de
uitvoering van de wet
is overgedragen aan een
openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 8 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen treedt dit orgaan in de plaats van de betrokken gemeentebesturen.
Hieruit volgt dat ook een lid van
dat openbaar lichaam niet in de commissie
plaats kan nemen. Uit de wet volgt al
dat leden van de commissie geen
ambtenaar kunnen zijn in dienst van de
gemeenten (en het openbaar lichaam)
dan wel in dienst van de
rechtspersoon die door de gemeenten is aangewezen om de wet uit te voeren.
De opgenomen
incompatibiliteiten zijn natuurlijk niet bedoeld
om de relatie met de praktijk te
verliezen. Informatie en advies vanuit
de praktijk zijn daarvoor te belangrijk. De deskundigen in de commissie zullen
bijvoorbeeld informatie over de
mogelijkheden van arbeidsaanpassingen en
de kosten daarvan, informatie
over specifieke arbeidsomstandigheden in
bedrijven en informatie over nieuw
ingevoerde technieken tot zich moeten nemen. Daarbij mogen ze
echter niet staan in een afhankelijke
positie ten opzichte van degene van die
deze informatie wordt verkregen.
Artikel
6. Deskundigen
Van de in de commissie
zitting hebbende deskundigen mag verwacht
worden dat zij voldoende
gekwalificeerd zijn. Om die reden zijn in artikel
2 [artikel 6, red.] kwalificatie-eisen geformuleerd.
Zowel arbeids- en
bedrijfsgeneeskundigen als
verzekeringsgeneeskundigen worden voldoende deskundig
geacht. Gegeven de aard van de
indicatie, die immers gericht is op een
feitelijke plaatsing in het
arbeidsproces, verdient het echter de voorkeur een arbeids- en bedrijfsgeneeskundige in de
indicatiecommissie op te nemen.
Bij het intrekken van de Wet
op het hoger onderwijs en van het Academisch statuut is de
academische titel psycholoog komen te
vervallen. Er is nu voor gekozen de deskundigheidskwalificaties van de psycholoog te
verbinden aan de merkrechtelijke titel psycholoog NIP, die
verbonden is aan een registratie bij het
Nederlands Instituut van Psychologen
(NIP), de landelijke beroepsvereniging. Voor het verkrijgen van deze registratie is een
doctoraal examen in de
psychologie en enige beroepservaring
vereist. Bovendien bindt deze
registratie de psycholoog aan een
beroepscode en een tuchtrechtelijk toezicht
op het dienovereenkomstig
beroepsmatig handelen.
Ook een psycholoog die als
gezondheidspsycholoog is ingeschreven in het register op grond van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan als deskundige in de commissie worden
opgenomen. De gezondheidszorgpsycholoog is een breed inzetbare
beroepsbeoefenaar die het basisberoep van
klinisch psycholoog in de Wet BIG
heeft vervangen.
Omdat beide registraties
breed van karakter zijn, is tevens
gerichte kennis en ervaring vereist op het
gebied van psychodiagnostiek. De
gezondheidspsycholoog is weliswaar voldoende psychodiagnostische
geschoold, maar als zodanig niet
noodzakelijkerwijs ervaren in arbeidsgericht
onderzoek.
Voor de
arbeidsmarktdeskundige is kennis en ervaring van de
regionale arbeidsmarkt een belangrijk
vereiste.
Voor de arbeidskundige, de
arbeidsmarktdeskundige en de jurist is in het zesde lid bepaald dat het
gemeentebestuur ook personen in de commissie kan benoemen die niet de in
de leden drie, vier en vijf genoemde
opleiding genoten hebben, doch wel
beschikken over een vergelijkbare
combinatie van opleiding en ervaring. Voor
de arts en psycholoog is dit niet
mogelijk. Deze deskundigen moeten aan de
gestelde opleidingseisen voldoen.
Toelating van buitenlands
gediplomeerden tot de Nederlandse
arbeidsmarkt is geregeld in de Algemene
wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's.
Artikel
7. Ambtelijke
functionarissen
Hoewel de kerntaak van de
commissie - de beoordeling en het
advies - slechts door deskundigen uit
of in opdracht (voor zover het
nader onderzoek betreft) van de commissie
worden verricht, is het wel
toegestaan aan de commissie desgewenst een "intakefunctionaris" toe te voegen. Een
dergelijke door het gemeentebestuur aangewezen ambtenaar kan zorg dragen voor met name de
loketfunctie en eventuele ondersteunende
werkzaamheden in de secretariële sfeer.
Om buiten twijfel te stellen dat een dergelijke functionaris niet als lid
van de commissie inhoudelijk
invloed uitoefent op het advies van de
commissie, dienen de werkzaamheden van
een toegevoegd (dat wil zeggen
niet formeel van de commissie deel
uitmakend) ambtelijk functionaris te
worden vastgelegd in een
afzonderlijke functieomschrijving waarbij het toekennen van formele bevoegdheden in
het kader van de advisering door
de commissie uitgesloten is. Het uitgesloten zijn van formele
bevoegdheden behoeft niet nader te worden voorgeschreven, omdat de wet
al bepaalt dat
geen ambtenaren in de
commissie zitting kunnen hebben.
Artikel
8. Standpuntbepaling
van de commissie
De wijze waarop de commissie
tot haar oordeel komt, zal door de gemeente nader uitgewerkt moeten
worden in het
besluit van de gemeente
op grond van artikel 10 van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening.
Artikel 8 regelt dat tijdens
de besluitvorming alle deskundigheden
vertegenwoordigd zijn in de commissie. Dit geldt ook bij de
besluitvorming in het kader van voorgenomen ontslag.
Aangezien sprake is van een
gemeentelijke adviescommissie zijn de
vergaderingen van deze commissie in
principe openbaar. De gewone regels
van de Gemeentewet zijn op deze
commissie van toepassing, derhalve ook
de regels die gelden voor het vergaderen met gesloten deuren.
Artikel
9.
Kwaliteitszorgsysteem
Artikel
12, vijfde lid, van de wet
draagt het gemeentebestuur op zorg
te dragen voor de ondersteuning van de
commissie, waarbij in elk geval
aandacht wordt besteed aan de kwaliteitszorg. Deze kwaliteitszorg zal
gericht zijn zowel op de procedurele als
op de inhoudelijke kant van de indicatie.
Gegeven het bovenstaande is
in dit artikel aan het
gemeentebestuur opgedragen een kwaliteitszorgsysteem
vast te stellen, waarbij de
noodzakelijke voorwaarden voor een goed
verlopend proces van indicatie op een
controleerbare wijze zijn weergegeven. Naast het bieden van een mogelijkheid
tot controle ten behoeve van het gemeentebestuur en van de minister, kan een
dergelijk beschreven systeem ook een
rol vervullen in het kader van
het uitwisselen van "best practices"
tussen gemeenten. Dat de periodieke interne
toetsing als een onmisbaar onderdeel
van het systeem wordt gezien, vindt
zijn neerslag in het eerste lid, onderdeel c.
Dat kwaliteitszorg opgevat
moet worden als een dynamisch
proces, zal ertoe leiden het systeem aan
de hand van opgedane ervaringen
doorlopend te actualiseren.
In het systeem zal
allereerst het besluit van de gemeente op
grond van artikel 10 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening worden
opgenomen. Bij de inhoud van dit besluit van de gemeente valt te denken
aan zaken als aanmelding, intake, de
inbedding van een eventueel ambtelijk
functionaris in de werkzaamheden van de
commissie, (nader) onderzoek,
privacywaarborging en gegevensbeveiliging, gebruik van de voorgeschreven beslistabellen,
de besluitvorming met
betrekking tot de advisering, de motivering van het advies, de gronden
waarop de gemeente een van het advies afwijkend besluit zal nemen en hoe de
informatieverstrekking aan de betrokkene en aan de bij de indicatie
en plaatsing betrokken functionarissen
geregeld is. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal een
modelprotocol ontwikkelen, waarvan de gemeenten gebruik kunnen maken bij het
opstellen van hun besluit. Verder zal
in het systeem de facilitaire ondersteuning
van de commissie moeten worden beschreven en hoe de deskundigheidsbevordering van de commissie
plaatsvindt.
Het spreekt vanzelf dat het
voorgeschreven kwaliteitszorgsysteem ook ingepast kan worden in een
breder kwaliteitssysteem, waarin
ook overige kwaliteitsaspecten, zoals die aangaande voorbereiding en toeleiding
tot arbeid, de periodieke evaluatie van
de kwaliteit van de aansluiting van de
arbeid, de arbeid zelf en ook de producten een plaats krijgen, ongeacht of
deze reeds, al of niet op voorschrift,
in een subsysteem zijn ondergebracht, zoals de zorg
voor arbeidsomstandigheden.
Ter facilitering van de
kwaliteitszorg zal gedurende een zekere
tijd vanuit de rijksoverheid ondersteuning [worden, red.] geboden. Deze ondersteuning
zal bestaan uit verschillende
elementen. Visitatie, advisering en
stimulering zijn kernwoorden in deze aanpak.
Het adviseren van de
commissie en gemeentebesturen omtrent de
procedurele en inhoudelijke kant van de
indicatie is een essentieel element.
Het ligt voor de hand dat
over de advisering aan de commissies overleg plaatsvindt met het
betrokken gemeentebestuur; deze is immers
verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie.
Bij de uitvoering van deze
centrale taak wordt aangesloten bij
wat gemeenten zelf moeten doen.
De gemeentelijke beschrijving
van haar kwaliteitszorgsysteem en de signalen die daaruit en uit de
praktijkbevindingen verkregen worden, bieden een handvat om vanuit het
centraal niveau te reageren, in de zin van
advisering en stimulering. Informatie die
bij de uitvoering van deze centrale taak wordt gegenereerd, wordt uiteraard
teruggerapporteerd naar de
gemeentebesturen en de commissies, alsmede naar de minister. Voor de
gemeentebesturen en de commissies is dit van
belang om voldoende feed back te krijgen. Voor
de minister is de
terugkoppeling van belang omdat deze
belangrijke beleidsinformatie kan bevatten.
Artikel
10. Intakeprofiel en
functieniveau
Het intakeprofiel en het
daarbij behorende functievoorbeeldenboek is volledig toegelicht in
bijlage I bij deze regeling.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|