|
BESLUIT
van 6 oktober 1997, houdende regels inzake inpassing van de arbeid en de
begeleiding op de werkplek van werknemers met een indicatie sociale
werkvoorziening (Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale
werkvoorziening)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
8 juli 1997, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/97/1421;
Gelet op de artikel 7, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening;
De Raad van State gehoord (advies van 12
augustus 1997, nr. W12.97.0414);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 oktober 1997, Directie
Arbeidsmarkt nr. AM/RAW/97/1946;
Hebben
goed gevonden en verstaan:
Art. 1.
Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet sociale
werkvoorziening;
b. indicatie: de beschikking, bedoeld in artikel
11, eerste lid, van
de wet;
c. betrokkene: de persoon die door het gemeentebestuur is geïndiceerd
voor toepassing van hoofdstuk 3 van de wet en die bij die indicatie te
kennen heeft gegeven voor begeleid werken in aanmerking te willen komen;
d. begeleidingsorganisatie: de rechtspersoon, bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel b, van de wet, die
zorg draagt voor de
arbeidsinpassing van betrokkene of voor de arbeidsinpassing met inbegrip
van de begeleiding van betrokkene op zijn werkplek gedurende zijn
arbeidsovereenkomst.
Art. 2.
Voorrangsruimte
arbeidsovereenkomsten
Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks vastgesteld welk deel van de
door het gemeentebestuur op te vullen ruimte voor het aangaan van nieuwe
dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 3 van de wet ten minste wordt gebruikt voor het bij
voorrang aangaan van arbeidsovereenkomsten, voor zover hiervoor
betrokkenen beschikbaar zijn. [Rabsw]
Art. 3.
Arbeidsinpassing
door de gemeente
-1. Bij het tot stand doen brengen van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet draagt het gemeentebestuur zorg voor
de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van betrokkene op
zijn werkplek.
-2. Het gemeentebestuur schakelt bij
zijn taak op grond van het eerste lid een begeleidingsorganisatie in. De
begeleidingsorganisatie wordt ingeschakeld op het moment waarop enige
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst in het kader van de
wet wordt beëindigd
anders dan op grond van het door een betrokkene aanvaarden van andere
arbeid in het kader van de wet. Het gemeentebestuur deelt betrokkene
mede op welk moment voor hem een begeleidingsorganisatie wordt
ingeschakeld.
-3. Bij de arbeidsinpassing wordt
rekening gehouden met wensen van betrokkene met betrekking tot de keuze van
de begeleidingsorganisatie en de wensen en mogelijkheden van betrokkene
met betrekking tot de aard van het werk en van de werkgever.
-4. Het gemeentebestuur verstrekt bij het
tot stand komen van de
arbeidsovereenkomst aan de werkgever van betrokkene uit de voor hem
beschikbare subsidie een loonkostensubsidie en een subsidie voor de
noodzakelijke kosten van aanpassing van zijn werkplek en aan de
begeleidingsorganisatie een vergoeding voor de kosten van
arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van betrokkene op zijn
werkplek.
-5. De zorg van het gemeentebestuur voor het
tot stand brengen van een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid vervalt één jaar na
het moment, bedoeld in artikel 3,¹ tweede lid, tenzij door het
gemeentebestuur anders wordt beslist.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 3, " te worden vervangen door: het
Art. 4.
Arbeidsinpassing
door betrokkene
-1. In afwijking van artikel
3, eerste, tweede en derde lid, kan
betrokkene met toestemming van het gemeentebestuur zelf voor de
arbeidsinpassing zorg dragen.
-2. Het gemeentebestuur verleent betrokkene in ieder geval de
toestemming, bedoeld in het eerste lid, als het niet binnen zes maanden na
het moment, bedoeld in artikel 3, tweede lid, voor betrokkene een
arbeidsovereenkomst tot stand heeft gebracht.
-3. Bij de toepassing van het eerste of tweede lid ziet het
gemeentebestuur erop toe dat:
a. betrokkene voor de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding
op zijn werkplek een begeleidingsorganisatie inschakelt;
b. het bedrag van de loonkostensubsidie, de subsidie voor de
noodzakelijke kosten van aanpassing van zijn werkplek en de vergoeding
van arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding op de werkplek van
betrokkene niet meer bedraagt dan de subsidie die zij voor betrokkene
beschikbaar heeft op grond van de arbeidshandicapcategorie van
betrokkene;
c. de indicatie wordt gevolgd;
d. de arbeidsovereenkomst door betrokkene wordt aangegaan uiterlijk
binnen één jaar na het moment, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Art. 5.
Begeleiding
Voor betrokkene met een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 3
van de wet worden gemiddeld niet meer uren aan inpassing in de arbeid,
met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek, vergoed dan correspondeert
met 15% van het aantal door de desbetreffende werknemer voor de
werkgever gewerkte uren.
Art. 6.
De
begeleidingsorganisatie
-1. Het gemeentebestuur ziet erop toe dat een begeleidingsorganisatie:
a. haar taken vervult met inachtneming van stand van de wetenschap en
die van de arbeids- en organisatiekunde;
b. beschikt over voldoende adequaat opgeleide deskundigen die de
arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding op de werkplek
verzorgen;
c. de dienstverlening volgens een individueel begeleidingsplan uitvoert;
d. de dienstverlening regelmatig evalueert;
e. zorg draagt voor de continuïteit van de dienstverlening;
f. adequaat klachten behandelt over de dienstverlening;
g. de arbeid en de arbeidsomstandigheden van betrokkene afstemt op zijn
mogelijkheden en beperkingen.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de begeleidingsorganisatie, het functioneren van de
begeleidingsorganisatie en de deskundigen die de arbeidsinpassing en
begeleiding bij de begeleidingsorganisatie verzorgen.
Art. 7.
Wijziging
arbeidsovereenkomst
Indien betrokkene een arbeidsovereenkomst is aangegaan, kan hij het
gemeentebestuur gemotiveerd verzoeken een andere begeleidingsorganisatie
in te schakelen voor begeleiding op zijn werkplek, dan wel het
gemeentebestuur gemotiveerd verzoeken voor arbeidsinpassing ten behoeve
van een andere arbeidsovereenkomst en begeleiding op zijn werkplek zorg
te dragen. Het gemeentebestuur willigt het verzoek van betrokkene in,
tenzij het verzoek kennelijk onredelijk is. Artikel 4, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 8.
Bestaande
populatie
-1. Artikel 7 van de
wet is van toepassing op werknemers die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet
werkzaam waren met
toepassing van de artikelen 11 en 12 van de
Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling
vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers, zoals
deze regelingen luidden op dat moment, indien de werkgever en de
werknemer daarmee binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet
instemmen. Daarbij wordt artikel 2 van dit besluit in acht genomen.
-2. De in het eerste lid bedoelde werknemers worden niet overeenkomstig
hoofdstuk 5 van de wet geïndiceerd.
-3. Personen die de dag voorafgaand
aan de datum van inwerkingtreding van de wet een dienstbetrekking hebben
krachtens de Wet
Sociale Werkvoorziening zoals deze luidde tot die datum en na een
aanvraag tot herindicatie als bedoeld in artikel
8, vijfde lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening
voor de arbeid, bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet, zijn geïndiceerd,
komen voor deze arbeid in aanmerking zodra met toepassing van de
artikelen 3, met uitzondering van het tweede lid, tweede volzin, of 4
van dit besluit een arbeidsovereenkomst tot stand is gebracht.
-4. Personen die na inwerkingtreding
van de wet een dienstbetrekking zijn aangegaan krachtens hoofdstuk 2 van
de wet en na een herindicatie als bedoeld in artikel
8, eerste of tweede lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening
voor de arbeid, bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet,
zijn geïndiceerd, komen voor deze arbeid in aanmerking zodra met
toepassing van de artikelen 3, met uitzondering van het tweede lid,
tweede volzin, of 4 van dit besluit een arbeidsovereenkomst tot stand is
gebracht.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 10.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit arbeidsinpassing en
begeleiding sociale werkvoorziening.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 oktober
1997
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de zestiende
oktober 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[6 oktober 1997]
Algemeen
1. Inleiding
Begeleid werken is een
relatief nieuwe vorm van arbeidsinpassing voor personen met een
arbeidshandicap, waarbij integratie in de arbeid wordt nagestreefd buiten de
beschutte omgeving van de dagverblijven en buiten het "traditionele"
socialewerkvoorzieningsbedrijf. In de jaren negentig ontstond in dit kader een
aantal arbeidsreïntegratieprojecten voor gehandicapten. Een impuls
aan deze ontwikkeling werd gegeven door ervaringen in het
buitenland, waarbij mensen die in Nederland een indicatie voor een
dagverblijf voor ouderen (DVO) zouden hebben gekregen in staat bleken om
met de juiste begeleiding op een reguliere arbeidsplaats te werken.
Termen als jobcoaching en supported employment, die ook wel voor
deze projecten worden gehanteerd, wijzen op deze buitenlandse
invloed.
Teneinde de toepassing van
het begeleid werken te stimuleren, werd in 1994 binnen de socialeverzekeringsregelingen een structurele basis voor de financiering van deze
projecten gecreëerd. Daarbij gaat het om een gecombineerde toepassing van
twee regelingen. De Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning
gehandicapte werknemers maakt het mogelijk gemiddeld maximaal 15% van
de werktijd aan persoonlijke begeleiding op de werkplek aan de werkgever
te vergoeden. De Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering
met inkomsten uit arbeid bepaalt dat voor de deelnemers de som
van het verkregen loon geanticumuleerd met een AAW- of WAO-uitkering
ten minste gelijk is aan het geldend minimumloon. De doelgroep
van deze regeling bestaat uit personen die gewoonlijk tot de doelgroep
van de sociale werkvoorziening worden gerekend.
In het parlement is nadien
bij herhaling aandacht gevraagd voor het verschil in inkomen dat
bestaat voor degenen die begeleid werken en voor werknemers in de
sociale werkvoorziening (Kamerstukken II 1992-1993, 22 800 XV, nr. 39; Kamerstukken II 1995-1996, 24 400 XV, nr. 29). De
Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid biedt immers een
inkomensgarantie tot 100% van het minimumloon (verkregen gedispenseerd
loon aangevuld met een arbeidsongeschiktheidsuitkering), terwijl de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) een functieloon kent. Omdat het
in beide gevallen gaat om dezelfde doelgroep, namelijk personen
met een al of niet formele Wsw-indicatie, en omdat naar het oordeel
van het parlement het begeleid werken meer diende te worden gestimuleerd, werd dit verschil in inkomen onwenselijk
beschouwd.
Bij de herziening van de
Wsw
is voor het inkomensvraagstuk een oplossing gevonden door het
begeleid werken voor Wsw-geïndiceerden onder te brengen in de
genoemde wet. De subsidie die een gemeente ontvangt voor een (formele)
Wsw-geïndiceerde kan nu op twee manieren worden aangewend, namelijk
om een "traditionele" arbeidsplaats in een Wsw-bedrijf te creëren of
om betrokkene begeleid te laten werken, waarbij de rijkssubsidie enerzijds
wordt ingezet als loonkostensubsidie voor de werkgever die een begeleid
werker in dienst neemt en anderzijds dient ter financiering van de bemiddelings- en begeleidingskosten en eventuele
kosten voor de aanpassing
van de werkplek. De rijkssubsidie zal daarbij over het algemeen voldoende
zijn om het verschil te dekken tussen het CAO-loon en de loonwaarde
van de arbeidsprestatie, plus de kosten voor bemiddeling, begeleiding en
werkplekaanpassingen. Zo niet, dan kan een traditionele
Wsw-arbeidsplaats meer passend worden geacht.
De intensiteit van de
begeleiding in combinatie met de hoogte van de verstrekte loonkostensubsidie vormt het inhoudelijke argument om het
begeleid werken te beschouwen als een vorm van arbeid onder aangepaste omstandigheden als bedoeld
in artikel 1, onderdeel a, van de Wsw.
Een
Wsw-geïndiceerde die
tevens een indicatie voor begeleid werken heeft, wordt op deze wijze
meer keuzevrijheid geboden, namelijk doordat hij kan kiezen voor de werkzaamheden die een Wsw-bedrijf biedt of voor
een reguliere baan waar
begeleid wordt gewerkt. Een Wsw-indicatie betekent dat voor de
gehandicapte werknemer jaarlijks een rijkssubsidie beschikbaar is om een baan
te vinden en te behouden. Voor zover zijn capaciteiten en de
arbeidsmarkt dat toelaten, kan hijzelf samen met de begeleidingsorganisatie
trachten zijn voorkeur voor bepaalde werkzaamheden en een bepaalde werkgever te
verwezenlijken. Een Wsw-geïndiceerde is daarmee
niet per definitie aangewezen op het werkaanbod en de
arbeidsverhoudingen van een Wsw-bedrijf.
Door een wettelijke
samenhang tussen de financiering van het begeleid werken en de Wsw aan te
brengen, wordt tevens de mogelijkheid geboden om begeleid werkers die onverhoopt op een reguliere arbeidsplaats
onvoldoende blijken te
functioneren, een aansluitende opvang in de werkvoorziening te bieden.
Door een gerichte werktraining in de sociale werkvoorziening ontstaat
wellicht opnieuw de mogelijkheid begeleid te gaan werken. Dit betekent
echter niet dat begeleid werkers die als gevolg van verminderd functioneren
werkloos worden, aansluitend een Wsw-dienstbetrekking moet
worden aangeboden. Het is dan immers de beleidsvrijheid van de gemeente
om te bepalen of in zo’n geval al dan niet in afwijking van de volgorde
van de wachtlijst een Wsw-dienstbetrekking wordt aangeboden.
Het begeleid werken biedt
nieuwe perspectieven voor personen met een arbeidshandicap om met
externe begeleiding in dienst van reguliere werkgevers te werken. Deze
vorm van arbeid bevordert de integratie van gehandicapten in de samenleving en sluit daarmee aan op vergelijkbare
ontwikkelingen op het
terrein van onderwijs, wonen en zorg, waarbij ook het streven zichtbaar wordt
om gehandicapten te laten participeren in het reguliere aanbod van
voorzieningen. Voor gehandicapten die dat willen en kunnen, wil het kabinet
vergelijkbare mogelijkheden creëren op het terrein van de arbeid.
Ook toont het begeleid
werken overeenkomst met ontwikkelingen om in de zorg en het onderwijs,
waarbij gehandicapten of hun ouders en verzorgers meer zeggenschap krijgen over de aanwending van het budget
dat in verband met hun
specifieke zorg of onderwijs beschikbaar is gesteld. In onderhavige
regeling heeft dit vorm gekregen door de keuzevrijheid van de Wsw-geïndiceerde te optimaliseren.
2. Indicatiestelling
begeleid werken
Hoofdstuk 5 van de Wsw
regelt de indicatiestelling. De indicatiecommissie adviseert de gemeente
over
de indicatie van personen die zijn of zich hebben aangemeld
voor een arbeidsplaats in de sociale werkvoorziening. De commissie onderzoekt of
betrokkenen tot de doelgroep van de Wsw behoren. Is dit het
geval, dan dient de commissie op grond van artikel
11, eerste lid,
onderdeel d, tevens te bepalen of betrokkenen in staat moeten worden geacht
tot begeleid werken. De vaststelling daarvan geschiedt aan de hand van de
beslistabel begeleid werken (bijlage IV van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening).
Indien de gemeente op advies
van de commissie besluit dat betrokkene in aanmerking komt voor
begeleid werken en betrokkene te kennen geeft daarvoor in aanmerking te willen komen, dan geeft dit de gemeente een
inspanningsverplichting om
een dergelijke arbeidsplaats voor betrokkene te vinden. Betrokkene kan
derhalve aanspraak maken op een dergelijke plaats, maar kan ook kiezen
voor een traditionele Wsw-arbeidsplaats. Een indicatie voor begeleid
werken verplicht dus niet tot deze vorm van arbeid, maar geeft betrokkene een keuzemogelijkheid.
De indicatiecommissie is
tevens belast met de periodieke herindicatie. Deze herindicatie geldt ook
voor degenen die begeleid werken (met uitzondering van personen op
wie artikel 8, eerste lid, van onderhavig besluit van toepassing is).
Bij herindicatie kan blijken dat betrokkene niet langer tot de doelgroep van
de Wsw behoort, bijvoorbeeld omdat een loonkostensubsidie en
begeleiding niet langer noodzakelijk worden geacht. In dat geval mag
worden verwacht dat de werkgever de bestaande arbeidsovereenkomst voortzet
onder de condities zoals die ook voor andere werknemers in
vergelijkbare functies gelden. Een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door
de werkgever om het enkele feit dat de loonkostensubsidie niet
wordt voortgezet, is niet mogelijk. Voor zover het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) van toepassing is, zal de werkgever
hiervoor geen toestemming krijgen van de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening, zie Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI), red.]. Betrokkene levert blijkens herindicatie immers
een volwaardige arbeidsprestatie. Hetzelfde geldt ten aanzien van de
beëindiging van de begeleiding na herindicatie. Voor werknemers die niet
onder het BBA vallen, gelden soortgelijke rechtswaarborgen op grond
van de voor hen geldende rechtspositieregelingen.
Het voornemen is om ook in
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten de begeleiding als
werkvoorziening te faciliëren. De begeleiding op de werkplek,
zoals dat nu vorm is gegeven in de Regeling vergoeding persoonlijke
ondersteuning gehandicapte werknemers, krijgt daarmee een plaats in de
genoemde wet. Over de verhouding tussen het begeleid werken op grond van
de Wsw en de huidige regelingen (en in de toekomst de voorgenomen Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten) die worden uitgevoerd door
de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid
(uvi's),
wordt het volgende opgemerkt.
Begeleid werken op basis van
de Wsw is alleen mogelijk indien de Wsw-indicatiecommissie heeft
vastgesteld dat betrokkene voldoet aan de criteria die de wet aan een
Wsw-indicatie stelt. Personen met een arbeidshandicap die niet Wsw-geïndiceerd zijn, zullen in de meeste
gevallen zijn aangewezen op
het reïntegratie-instrumentarium van de uvi's. Voor zover voor deze
groep begeleiding op de werkplek een passende werkvoorziening is,
kan deze door de uvi's worden toegekend.
Het begeleid werken is tot
op heden voornamelijk toegepast voor verstandelijk gehandicapten.
Dit ligt voor de hand, omdat juist voor deze groep een intensieve begeleiding op de werkplek noodzakelijk wordt
geacht om op een reguliere
arbeidsplaats te kunnen functioneren. Ook voor personen met
andersoortige handicaps kan de methodiek van het begeleid werken echter een
perspectief op regulier werk bieden, waarbij in het bijzonder moet worden
gedacht aan mensen met een psychische handicap. Met onderhavig
besluit wordt dan ook nadrukkelijk beoogd voor deze categorie nieuwe
mogelijkheden tot arbeidsreïntegratie te bieden.
3. De
begeleidingsorganisatie
De begeleiding die in de
praktijk aan begeleid werkers gegeven wordt, is zeer gevarieerd. De
begeleider kan een passende arbeidsplaats voor betrokkene zoeken, een begeleidingsplan opstellen, de afspraken tussen
werknemer en werkgever
regelen, de werknemer inwerken in zijn nieuwe functie en begeleiden na de
inwerkperiode en de afspraken tussen werkgever en werknemer
bewaken. De begeleiding heeft meestal een permanent karakter en is met
name in de inwerkperiode zeer intensief.
In artikel 7, eerste lid,
onderdeel b, van de Wsw is nadrukkelijk aangegeven dat het niet alleen gaat om
begeleiding op de werkplek, maar ook om de inpassing in de
arbeid. De omschrijving "inpassing in de arbeid" moet breed worden
geïnterpreteerd. Het kan gaan om toeleiding naar arbeid - dus om
arbeidsbemiddeling - maar ook om begeleiding buiten werktijd indien betrokkene
op een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken werkzaam is. Uit
artikel 7 volgt echter dat arbeidsinpassing in alle gevallen impliceert dat
betrokkene op de werkplek wordt begeleid, ook wanneer kan worden volstaan
met een minimale begeleiding.
Om het professionele
karakter van de begeleiding te waarborgen, is in artikel 7 van de Wsw
bepaald
dat de begeleiding op de werkplek dient te worden geboden door personen
die zijn verbonden aan een rechtspersoon die tot doel heeft deze
begeleiding te verrichten. In artikel 6 van onderhavig besluit zijn
bovendien kwaliteitscriteria geformuleerd waaraan de begeleidingsorganisatie
dient te voldoen.
Aan de keuzevrijheid van de
Wsw-geïndiceerde die begeleid wil en kan werken, wordt grote waarde
gehecht. Zijn voorkeur voor bepaalde werkzaamheden, een werkgever
of een begeleidingsorganisatie dient dan ook zwaar te wegen. Om de
keuzevrijheid van de potentiële begeleid werker te garanderen, is het
niet wenselijk dat de gemeente de begeleiding zelf verzorgt.
Immers wanneer de gemeente direct of indirect zou participeren in een
begeleidingsorganisatie zou een spanning kunnen ontstaan tussen het
gemeentelijke bedrijfsbelang van de begeleidingsorganisatie en de zorg voor een
optimale
keuzevrijheid van de betrokkene die begeleid wil werken.
Voorkomen moet worden dat deze verantwoordelijkheden met elkaar in conflict
raken. Bovendien wordt door de bevordering van marktwerking
op dit terrein niet alleen de keuzevrijheid van belanghebbenden
vergroot, maar treedt ook een zekere mate van prijsconcurrentie op, hetgeen een doelmatige besteding van de rijkssubsidie
zal bevorderen.
Artikel 155 van de Gemeentewet
bepaalt dat het door gemeenten oprichten van en deelnemen
in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties
en onderlinge waarborgmaatschappijen slechts is toegestaan indien
dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de
behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Een
begeleidingsorganisatie zoals omschreven in onderhavig besluit zal niet,
voor zover er voldoende aanbod in de markt aanwezig is, als zodanig
kunnen worden aangemerkt.
Met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten is afgesproken alert te blijven op dit punt en
ontwikkelingen onder andere door middel van gesprekken met alle
betrokkenen bij het begeleid werken te blijven volgen. Ontwikkelingen op
dit terrein zullen telkens in het bestuurlijke overleg aan de orde worden
gesteld en ook kunnen leiden tot aanpassing van het hierboven gestelde.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In dit artikel is onder
andere het begrip betrokkene gedefinieerd. Een betrokkene is een persoon
die door de indicatiecommissie in staat wordt geacht begeleid te kunnen werken en die te kennen heeft gegeven
daarvoor in aanmerking te
willen komen (artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening). Dit laatste is voor de
gemeente van belang, omdat
in dat geval betrokkene met voorrang dient te worden geplaatst. Heeft
betrokkene een indicatie voor begeleid werken, maar wenst hij daar geen
gebruik van te maken, dan is zijn positie bij plaatsing gelijk aan die van
anderen op de wachtlijst.
Artikel 2
In de inleiding is
aangegeven dat het begeleid werken wordt gezien als een belangrijke mogelijkheid
om de integratie van gehandicapten in de samenleving te bevorderen,
die aansluit op vergelijkbare ontwikkelingen op het terrein van
onderwijs, wonen en zorg. Teneinde deze ontwikkeling te stimuleren, wordt een deel
van het beschikbare Wsw-budget bij voorrang ingezet om personen
die zijn geïndiceerd voor begeleid werken te plaatsen, hetgeen in
artikel 2 nader vorm is gegeven. In dit artikel is bepaald dat de gemeente
een
bepaald percentage van de jaarlijkse vacatureruimte dient aan te wenden voor de plaatsing bij voorrang van
degenen die zijn
geïndiceerd voor begeleid werken. Dit percentage wordt vastgelegd in een
ministeriële regeling. Vooralsnog is voor het jaar 1998 in deze regeling uitgegaan
van een percentage van 15. Dit percentage zal de komende drie jaar
geleidelijk oplopen tot 25%. Uitgaande van een jaarlijkse uitstroom van
5000 Wsw-werknemers betekent dit dat er het eerste jaar voldoende budget beschikbaar is om circa 750 arbeidsplaatsen
in het kader van begeleid
werken te financieren. Dit aantal zal geleidelijk oplopen tot
circa 1250 arbeidsplaatsen in het jaar 2000. Deze aantallen worden op
jaarbasis in de structurele situatie toereikend geacht. De herindicatie van de
wachtlijst zoals die vóór inwerkingtreding van de Wsw bestond en de instroom
van degenen waarop artikel 8, eerste lid, van onderhavig besluit van toepassing is, leidt wellicht tot extra indicaties
voor begeleid werken.
Afhankelijk van de toereikendheid van de capaciteit bij begeleidingsorganisaties
kan in dat geval het percentage dat in de vacatureruimte moet worden
aangewend voor arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken,
door onze minister worden verhoogd.
Voor een afzonderlijke
gemeente bepaalt dit artikel dat zodra er tengevolge van uitstroom uit de
Wsw budgettaire ruimte beschikbaar komt, geïndiceerden voor begeleid werken bij voorrang dienen te worden
geplaatst. Daarbij dient ten
minste - het eerste jaar - 15% van de uitstroom op jaarbasis te
worden herbezet door degenen die begeleid kunnen en willen werken,
tenzij hiervoor onvoldoende kandidaten beschikbaar zijn. Plaatsing
boven de genoemde 15% in het jaar 1998 is ook toegestaan, maar daartoe geldt geen verplichting.
De plaatsing bij voorrang
van begeleid werkers roept de vraag op of, wanneer een begeleid werker
zijn baan verliest vanwege onvoldoende functioneren, hem vervolgens bij voorrang een
Wsw-arbeidsplaats dient
te worden aangeboden.
Eén van de overwegingen om
het begeleid werken in de Wsw onder te brengen, is om een adequate
opvang te creëren ingeval een begeleid werker onverhoopt zijn
reguliere arbeidsplaats verliest. De gemeente heeft
- voor zover
betrokkene nog steeds tot de Wsw-doelgroep behoort - dan de mogelijkheid om hem
aansluitend een traditionele Wsw-arbeidsplaats aan te
bieden. Per geval zal de gemeente moeten beoordelen of directe
plaatsing in het Wsw-bedrijf gerechtvaardigd is ten opzichte van degenen die op
de Wsw-wachtlijst staan, rekening houdend met de individuele
omstandigheden van betrokkenen. Een persoon die begeleid werkt en
onvrijwillig werkloos wordt, wordt - voor zover hij nog tot de doelgroep behoort
- door de gemeente op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot
indicatie op de wachtlijst geplaatst (artikel
7, zevende lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening).
Artikel 3
Dit artikel legt de
gemeente de verplichting op arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken te
realiseren voor degenen die daarvoor geïndiceerd zijn en die te
kennen hebben gegeven daarvoor in aanmerking te willen komen.
Een dergelijke arbeidsplaats houdt in dat betrokkene op basis van een
arbeidsovereenkomst in dienst treedt van een reguliere werkgever,
waarbij door personen van een begeleidingsorganisatie inpassing in de arbeid met
inbegrip van begeleiding op de werkplek wordt verzorgd.
De gemeente kan op basis van
artikel 7 van de Wsw in dat geval aan de werkgever een loonkostensubsidie verstrekken. De loonkostensubsidie
dient ertoe om een
tijdelijke of permanente verminderde arbeidsprestatie vanwege een arbeidshandicap
voor de werkgever te compenseren. De loonkostensubsidie is dan
gelijk aan het verschil tussen het CAO-loon en de loonwaarde van de
arbeidsprestatie van de begeleid werker. Het is aan de gemeente om deze
loonwaarde c.q. de hoogte van de subsidie vast te stellen. Daarnaast kan de
gemeente aan de werkgever een subsidie voor werkplekaanpassingen verstrekken.
Teneinde een arbeidsplaats
in het kader van begeleid werken te vinden, schakelt de gemeente
een
begeleidingsorganisatie in. De begeleidingsorganisatie zoekt een arbeidsplaats en
verzorgt de begeleiding op de werkplek. Overigens zijn
deze twee taken van elkaar te scheiden en kunnen dus door twee
verschillende organisaties worden uitgevoerd. De kosten die hiermee gemoeid
zijn, worden door de gemeente aan de begeleidingsorganisatie
vergoed ten laste van de rijkssubsidie die voor de begeleid werker ter
beschikking wordt gesteld (artikel 3, vierde lid).
De kosten in verband met de
loonkostensubsidie, de werkplekaanpassing en de inschakeling van de
begeleidingsorganisatie kunnen worden gefinancierd uit de genoemde individuele rijkssubsidie. Het is de
gemeente echter toegestaan
om meer of minder dan voor de begeleid werker aan rijkssubsidie ter
beschikking is gesteld, aan loonkostensubsidie en begeleidingskosten uit te
geven. Verondersteld mag worden dat de gemeente met de
begeleidingsorganisatie een contract voor meerdere plaatsingen afsluit, waarbij de meer- en minderkosten per
individuele begeleid werker
voor een belangrijk deel elkaar zullen compenseren.
In het tweede lid is
aangegeven op welk moment de gemeente de begeleidingsorganisatie
inschakelt, namelijk wanneer een andere werknemer uitstroomt en dus
een Wsw-dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst van een andere begeleid werker wordt beëindigd. Op dat
moment ontstaat immers
budgettaire ruimte waaruit de arbeidsplaats in het kader van begeleid
werken kan worden gefinancierd. In de Regeling arbeidsinpassing en
begeleiding sociale werkvoorziening is aangegeven dat in 1998 ten minste 15%
van deze jaarlijkse ruimte bij voorrang wordt aangewend voor de plaatsing
van geïndiceerden voor begeleid werken. Dit percentage zal de
komende drie jaar geleidelijk oplopen naar 25%.
De middelen die beschikbaar
komen vanwege uitstroom kunnen - zolang de genoemde 15% in
1998 nog niet is bereikt en er geïndiceerden voor begeleid werken op de
wachtlijst staan - dus alleen worden ingezet voor de totstandkoming van
arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken. Het is daarom van
belang dat de gemeente anticipeert op de uitstroom en bijtijds een
begeleidingsorganisatie inschakelt om een arbeidsplaats te vinden.
Wordt gewacht tot op het moment dat een persoon daadwerkelijk
uitstroomt alvorens een bemiddelingsopdracht te geven, dan kan dit betekenen
dat - ondanks de wachtlijstdruk - een deel van het budget niet wordt
aangewend.
Het bovenstaande geldt
alleen voor betrokkenen die nog op de wachtlijst staan. Wanneer
het gaat om Wsw-werknemers die bij herindicatie geïndiceerd
worden voor begeleid werken (overeenkomstig artikel 8 van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening) en te kennen hebben geven daarvoor in
aanmerking te willen komen, dan behoeft met de inschakeling van een
begeleidingsorganisatie voor het zoeken naar een arbeidsplaats in het kader
van begeleid werken niet te worden gewacht tot het moment dat er
budgettaire ruimte ontstaat. Voor Wsw-werknemers is immers reeds een rijkssubsidie beschikbaar. De
gemeente schakelt voor
deze groep dan ook zodra de indicatie begeleid werken is gesteld een begeleidingsorganisatie in.
Dit is geregeld in artikel 8, derde en vierde lid, van onderhavig besluit. Deze
plaatsingen zijn dan ook niet verdisconteerd in de vacatureruimte,
bedoeld in het tweede lid.
Het moment van uitstroom van
een andere Wsw-werknemer of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst van een andere begeleid
werker, bedoeld in het
tweede lid, is om meerdere redenen van belang. Ten eerste is dit het begin
van de periode van één jaar waarbinnen de gemeente
de zorg heeft voor
plaatsing van betrokkene (artikel 3, vijfde lid). Bovendien kan, wanneer
de gemeente binnen een halfjaar geen arbeidsplaats in het kader
van begeleid werken heeft gevonden, betrokkene zelf voor zijn
arbeidsinpassing zorg dragen (artikel 4). Vanwege het belang voor
betrokkene te weten wanneer de zoekperiode is ingegaan, is in het tweede
lid bepaald dat hiervan formeel mededeling aan hem wordt gedaan.
Ten tweede is van belang
voor de vaststelling van het definitieve budget. Wanneer immers de
gemeenten binnen de gereserveerde vacatureruimte ten onrechte
geen geïndiceerden voor begeleid werken heeft geplaatst, doch
Wsw-dienstbetrekkingen heeft gerealiseerd, kan dit leiden tot een negatieve
bijstelling van het definitieve budget.
Het derde lid bepaalt dat de
gemeente rekening houdt met de voorkeur van betrokkene voor een
bepaalde begeleidingsorganisatie en met de wensen en mogelijkheden met betrekking tot de aard van het werk en de
werkgever. De strekking van
deze bepaling is om betrokkene een duidelijke inbreng te geven
bij de keuzes die zijn toekomst aangaan. In de meeste gevallen zullen
gemeente en betrokkene in onderling overleg deze keuzes maken, waarbij
bijvoorbeeld ook de betrokkene een voorstel kan doen voor de inschakeling
van een bepaalde begeleidingsorganisatie. Weigert de gemeente om haar moverende redenen deze organisatie
daartoe een opdracht te
verstrekken, hetgeen zou betekenen dat de subsidie voor begeleid
werken niet ter beschikking wordt gesteld, dan is dit een beschikking in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht.
In het vierde lid is
geregeld dat de gemeente uit de voor de
begeleid werker beschikbare rijkssubsidie
aan zijn werkgever een loonkostensubsidie en een eventuele vergoeding voor de kosten in verband met de
aanpassing van zijn werkplek
verstrekt en aan zijn begeleidingsorganisatie een vergoeding voor de
kosten van de arbeidsinpassing. Het voor betrokkene beschikbare
budget wordt bepaald door de arbeidshandicapcategorie waarin hij is ingedeeld.
In het vijfde lid is de zorg
van de gemeente voor het doen vinden van een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken beperkt tot de periode van één jaar. Op deze
wijze wordt voorkomen dat langdurig budget beschikbaar is, terwijl dat
niet kan worden aangewend voor de realisatie van arbeidsplaatsen. Een
termijn van één jaar moet toereikend zijn om een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken te vinden. Een langere periode waarin budget niet
wordt benut, wordt gezien de wachtlijstdruk onverantwoord geacht. De
gemeente kan echter beslissen om het zoeken naar een geschikte
arbeidsplaats na dat jaar voort te zetten en daartoe middelen beschikbaar te
houden.
Artikel 4
Uit het oogpunt van
doelmatigheid is ervoor gekozen om de gemeente in eerste aanleg te belasten
met de inschakeling van een begeleidingsorganisatie (artikel
3). Ook betrokkene,
zijn ouders of verzorgers kunnen zelf zoeken naar een
arbeidsplaats in het kader van begeleid werken, maar alleen indien de gemeente
daarvoor toestemming heeft gegeven. Deze toestemming wordt zonder
meer verkregen wanneer de gemeente er binnen zes maanden niet in
is geslaagd een geschikte arbeidsplaats te vinden. Op deze wijze is
getracht een evenwicht te bewerkstelligen tussen het doelmatigheidsbelang
dat is gediend bij een gemeentelijke betrokkenheid en het belang om betrokkenen
bij het zoeken naar werk dezelfde mogelijkheden te bieden als
andere werkzoekenden op de arbeidsmarkt.
Artikel
4, tweede lid,
regelt de situatie waarin de gemeente er niet in is geslaagd om binnen zes
maanden na het beschikbaar komen van budgettaire ruimte voor
betrokkene een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken te
realiseren. In dat geval kunnen betrokkene, zijn ouders of verzorgers zelf trachten
een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken te vinden. De
rijkssubsidie voor betrokkene is daartoe beschikbaar zodra een arbeidsplaats in
het kader van begeleid werken - waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld in het derde lid en de artikelen 5 en 6 - is gevonden.
De arbeidsbemiddeling naar
een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken behoeft door de
gemeente bij toepassing van artikel 4 dus niet te worden gefinancierd, omdat
anders aan betrokkene ongelimiteerd middelen zouden moeten
worden verstrekt zonder de garantie dat een arbeidsplaats wordt
gevonden. Artikel 4 veronderstelt dat betrokkene en zijn ouders of verzorgers
zelf initiatieven nemen om een arbeidsplaats in het kader van begeleid
werken te vinden. Daartoe kunnen zij ook een begeleidingsorganisatie
inschakelen. De bemiddelingskosten zijn voor deze organisatie dan een
voorinvestering, die kan worden terugverdiend met een geringe opslag op de
begeleidingskosten die later in rekening kunnen worden gebracht. De begeleidingsorganisatie werkt in deze
situatie op basis van "niet
presteren, niet betalen".
Artikel 4, eerste lid, bevat
een "kan"-bepaling, hetgeen betekent dat betrokkene de keuze heeft om
het zoeken naar een arbeidsplaats zelf ter hand te nemen of de gemeente
daarmee (ook na een halfjaar) blijvend te belasten. Het initiatief
daartoe wordt bij betrokkene gelegd.
Het derde lid geeft aan
welke voorwaarden bij het zoeken naar een arbeidsplaats in het kader
van begeleid werken door betrokkene, zijn ouders of de
begeleidingsorganisatie in acht moeten worden genomen. De gemeente
zal bij een
verzoek om financiering van de gevonden arbeidsplaats in het kader
van begeleid werken de naleving daarvan toetsen.
Onderdeel a bepaalt dat voor
de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding een begeleidingsorganisatie wordt ingeschakeld. Deze
voorwaarde volgt
logischerwijs uit artikel 7 van de Wsw.
Onderdeel b maakt duidelijk
welke bedrag maximaal beschikbaar is voor de loonkostensubsidie,
de werkplekaanpassing en begeleiding, hetgeen echter onverlet laat dat de gemeente ook meer (uit eigen budget)
ter beschikking mag stellen.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat bij de toepassing van artikel 4 de gemeente een contractrelatie met de werkgever en de begeleidingsorganisatie
aangaat en dus geen betalingen verricht aan de begeleid werker. Voor
zover de
loonkostensubsidie en de kosten voor de werkplekaanpassing en de
begeleidingsorganisatie lager zijn dan de rijkssubsidie die voor de begeleid werker
beschikbaar is, behoort dit batig saldo de gemeente toe. Dergelijke
meeropbrengsten worden volgens artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van
de wet in het kader van deze wet of de Wet inschakeling werkzoekenden
aangewend.
Onderdeel c schrijft voor
dat de indicatie wordt gevolgd. In dit verband zijn de bevindingen van de
indicatiecommissie bij de toepassing van het intakeprofiel van belang (artikel
3, derde lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening). In
de indicatie wordt door de commissie een eerste aanduiding gegeven
welke aanpassingen en maatregelen op de werkplek noodzakelijk zijn,
voor welke branche(s) en functieniveau betrokkene geschikt is, met
welke beperkingen rekening moet worden gehouden en welke
aanpassingen noodzakelijk zijn. Ook wordt een indicatie gegeven of
scholing in het kader van het leerlingwezen aangewezen is. De realisatie hiervan is
weliswaar een zaak tussen betrokkene en diens werkgever, maar dit
laat onverlet dat de begeleidingsorganisatie dit kan stimuleren.
Door het bepaalde in
onderdeel c wordt voorkomen dat voor gevallen waarin weinig loonkostensubsidie behoeft te worden verstrekt en geringe
begeleiding nodig is, vanuit inkomensoverwegingen wordt gezocht naar een functie van een hoger
niveau (met een hogere loonkostensubsidie).
Onderdeel d sluit aan bij
artikel 3, vijfde lid, namelijk dat een arbeidsovereenkomst in het kader van het
begeleid werken binnen één jaar na het beschikbaar komen van budgettaire ruimte tot stand moet zijn
gekomen. De gemeente kan
echter beslissen om het zoeken naar een arbeidsplaats in het kader
van begeleid werken na dat jaar voort te zetten.
Artikel 5
In navolging van de Regeling
vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers is
het aantal uren voor de arbeidsinpassing en begeleiding op de werkplek gelimiteerd, namelijk tot 15% van het aantal
door de begeleid werker voor
de werkgever gewerkte uren. Omdat de begeleiding in de
beginperiode meestal intensiever is, wordt gesproken over een gemiddeld aantal
begeleidingsuren, waarbij het hogere aantal begeleidingsuren bij aanvang
wordt gecompenseerd door minder uren in een latere fase.
Artikel 6
Het succes van de toepassing
van de methodiek van het begeleid werken is mede afhankelijk
van de kwaliteit van de diensten die de begeleidingsorganisaties
kunnen leveren. Om die reden zijn in artikel 6 een aantal
kwaliteitscriteria geformuleerd waaraan begeleidingsorganisaties voldoen. Het is de
gemeente die hierop toezicht houdt.
Vooralsnog gaat het om
criteria die als niet te zwaar kunnen worden aangemerkt. Zo is er
bijvoorbeeld vooralsnog niet voor gekozen deze organisaties een certificeringsvereiste op te leggen, omdat dit de
toetreding van nieuwe begeleidingsorganisaties op deze relatief nieuwe markt zou belemmeren,
hetgeen het aanbod van diensten onnodig zou beperken en de marktwerking
zou belemmeren. Afhankelijk van de verdere ontwikkeling op dit
terrein zal op termijn worden bezien of certificering van
begeleidingsorganisaties wenselijk is.
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel b, is bepaald dat de begeleidingsorganisatie dient te beschikken over
gekwalificeerde begeleiders. Deze moeten kennis hebben van de arbeidsmogelijkheden van personen met
een (verstandelijke of
psychische) handicap, beschikken over communicatieve en didactische vaardigheden
en zich kunnen verstaan met werkgevers.
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel d, is voorgeschreven dat de begeleidingsorganisatie regelmatig haar
dienstverlening evalueert, waarbij gedacht wordt aan een jaarrapportage waarin verslag wordt gedaan van de
opvattingen van
(kandidaat)begeleid werkers en hun werkgevers ten aanzien van de
dienstverlening.
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel g, is bepaald dat de begeleidingsorganisatie erop toeziet dat het werk
en de werkomstandigheden zijn afgestemd op de
arbeidsmogelijkheden en -beperkingen van de begeleid werker. Het gaat hier immers
om personen die vanwege hun (veelal verstandelijke) handicap in
de regel niet zelf in staat zullen zijn om hun belangen met betrekking tot
de arbeidsvoorwaarden, -omstandigheden en -verhoudingen bij hun
werkgever naar voren te brengen. Het is de taak van de begeleidingsorganisatie hier zorg voor te dragen.
Artikel 7
Artikel 7 regelt de
mogelijkheid voor begeleid werkers om te wisselen van begeleidingsorganisatie
of werkgever. Artikel 4, derde lid, is dan van overeenkomstige toepassing,
dat wil zeggen dat betrokkene zelf op zoek kan gaan naar een andere begeleidingsorganisatie of arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken,
maar dat daarbij de voorwaarden, genoemd in artikel 4, derde lid, van
dit besluit, in acht worden genomen. Betrokkene dient daartoe een
gemotiveerd verzoek bij de gemeente in. Aangezien het herhaaldelijk wisselen van
werkgever leidt tot meerkosten voor de gemeente, is het
redelijkheidsbeginsel hier van toepassing. Bij verschil van mening tussen gemeente
en betrokkene over de redelijkheid van een verzoek tot wisseling van begeleidingsorganisatie of
werkgever kan de
begeleid werker of zijn
ouders of verzorgers een bezwaar- en beroepsprocedure op grond van de Algemene wet
bestuursrecht instellen.
Artikel 8
In het eerste lid is een
overgangsregeling opgenomen voor degenen die vóór inwerkingtreding van de
nieuwe Wsw werkzaam waren met gelijktijdige toepassing van de Regeling vergoeding persoonlijke
ondersteuning gehandicapte
werknemers en de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering
met inkomsten uit arbeid. Het gaat hier om Wsw-geïndiceerden die op
grond van de socialeverzekeringsregelingen begeleid werken. De
Wsw-indicatie volgt uit artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de
Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering
met inkomsten uit arbeid.
Deze personen wordt - tot twee jaar na inwerkingtreding van de Wsw - de mogelijkheid geboden om op grond van de Wsw begeleid te
werken. In sommige gevallen zal dit leiden tot een hoger inkomen, omdat op
basis van de Wsw honorering op functieloonniveau mogelijk
is. Dit veronderstelt overigens dat de werkgever bij wie de begeleid werker werkzaam is, bereid is hieraan mee
te werken. Is dit niet het
geval, dan kan betrokkene kiezen voor voortzetting van zijn bestaande
arbeidsovereenkomst of kan met toepassing van de artikelen 3 en
4
worden gezocht naar een andere werkgever.
Voor zover personen gebruik
maken van deze overgangsregeling, kunnen gemeenten een verzoek
voor aanvullende subsidie doen (artikel
10, zesde lid, van het
Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening). De plaatsing van deze groep
geschiedt dus buiten het bij ministeriële regeling bepaalde percentage
- in 1998 15% - van de jaarlijkse vacatureruimte.
Evenals de Wsw-werknemers
die vóór inwerkingtreding van de wet een WSW-dienstbetrekking hadden,
worden ook de in het eerste lid bedoelde personen die op basis van de
socialeverzekeringsregelingen begeleid werkten niet
ge(her)indiceerd wanneer zij op grond van de Wsw begeleid (gaan) werken. Dit laatste
is geregeld in het tweede lid.
Het derde lid regelt de
mogelijkheden om begeleid te gaan werken voor personen die vóór
inwerkingtreding van de wet een Wsw-dienstbetrekking hadden. De
herindicatie,
bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, is voor deze groep niet van
toepassing. Indien deze personen in aanmerking wensen te komen om begeleid
te gaan werken, dienen zij een verzoek tot herindicatie in te dienen (artikel
8, vijfde lid, Besluit indicatie sociale werkvoorziening). Acht de
indicatiecommissie de betreffende Wsw-werknemers in staat tot
begeleid werken en neemt de gemeente dit advies over, dan zijn de
artikelen 3 (met uitzondering van het tweede lid, tweede volzin) of 4 van
toepassing. Dat wil zeggen dat in eerste aanleg de gemeente een
begeleidingsorganisatie inschakelt en uiterlijk zes maanden daarna betrokkene zelf een
arbeidsplaats in het kader van begeleid werken mag gaan zoeken. Anders dan
bij geïndiceerden voor begeleid werken die op de wachtlijst staan,
behoeft voor deze groep met bemiddeling naar een arbeidsplaats niet te worden
gewacht totdat er budgettaire ruimte tengevolge van vacatures
ontstaat, omdat voor Wsw-werknemers reeds een rijkssubsidie beschikbaar
is.
Het vierde lid heeft
betrekking op personen die na inwerkingtreding van de Wsw
een Wsw-dienstbetrekking zijn aangegaan. Omdat voor deze
groep de indicatiestelling anders is geregeld, zijn hun mogelijkheden om begeleid te werken in een
afzonderlijk lid geregeld. Indien voor deze Wsw-werknemers bij
herindicatie (artikel 8, eerste lid, van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening) of bij herindicatie op eigen verzoek
(artikel 8, tweede lid, van
het Besluit indicatie sociale werkvoorziening) blijkt dat zij begeleid kunnen en willen werken en onderschrijft de
gemeente het advies van de
commissie, dan geldt voor deze groep hetzelfde als uiteengezet in
de toelichting bij het derde lid.
Artikel
9. Inwerkingtreding
Dit besluit zal na de
daarvoor geldende voorhangprocedure bij het parlement, door middel van
een afzonderlijk inwerkingtredingsbesluit, met ingang van 1 januari
1998 in werking treden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|