|
BESLUIT
van 6 oktober 1997, houdende regels inzake de indicatie voor de sociale
werkvoorziening (Besluit indicatie sociale werkvoorziening)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
8 juli 1997, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/97/1421;
Gelet op de artikelen 1, derde lid,
6, tweede lid, onderdeel a, 6, vierde lid,
11,
vijfde lid, 12,
derde lid, en 15,
derde lid, van de Wet sociale werkvoorziening;
De Raad van State gehoord (advies van 12
augustus 1997, nr. W12.97.0415);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 oktober 1997, Directie
Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/97/1946;
Hebben
goed gevonden en verstaan:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet
sociale werkvoorziening;
b. indicatie: de beschikking, bedoeld in artikel
11, eerste lid, van
de wet;
c. betrokkene: de persoon die voor indicatie is aangemeld dan wel die
zich daartoe heeft aangemeld;
d. sociale werkvoorziening: de arbeidsomgeving waar gewerkt wordt in een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
wet;
e. begeleid werken: de arbeid, bedoeld in hoofdstuk 3 van de
wet;
f. beperkingen van lichamelijke aard: alle beperkingen tengevolge van
stoornissen die niet van verstandelijke of psychische aard zijn, zoals
gekwalificeerd in de internationale statistische classificatie van
ziekten en aanverwante gezondheidsproblemen (ICD-10) en de
internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps (ICIDH) van de Wereldgezondheidsorganisatie;
g. beperkingen van verstandelijke aard: beperkingen tengevolge van
stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 12 en 13;
h. beperkingen van psychische aard: beperkingen tengevolge van
stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 15 tot en met 19
en 23 tot en met 29;
i. voorzieningen of maatregelen: voorzieningen of maatregelen met behulp
waarvan door betrokkene arbeid kan worden verricht, die betrekking
hebben op:
1ş. technische aanpassingen in de
werkplek en werkomgeving;
2ş. organisatorische aanpassingen in het werk;
3ş. speciale begeleiding bij het werk;
4ş. aanpassing van de werktijd;
5ş. aanpassing van het werktempo.
Art. 2.
De aanvraag
-1. Een aanvraag tot indicatie wordt ingediend door of namens de
betrokkene bij het gemeentebestuur waar betrokkene woonachtig is.
Ondertekent de betrokkene de aanvraag tot indicatie niet zelf, dan wordt
de reden daarvan vermeld.
-2. In de aanvraag wordt aangegeven of de betrokkene toestemming geeft
tot het zo nodig raadplegen van behandelend artsen of psychologen en het
gebruik maken van bij dezen aanwezige medische of psychologische
gegevens.
-3. Bij de aanvraag wordt een bewijs van inschrijving in de
gemeente
alsmede een bewijs van inschrijving als werkzoekende bij de Centrale
organisatie werk en inkomen overlegd.
-4. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag tot indicatie worden
ingediend bij een ander gemeentebestuur indien dat gemeentebestuur en
het gemeentebestuur waar betrokkene woonachtig is daarmee instemmen.
-5. De aanvraag tot indicatie wordt door het gemeentebestuur binnen vier
weken doorgeleid naar de commissie, bedoeld in artikel 12 van de
wet.
Art. 3.
Het onderzoek
door de commissie
-1. Ten behoeve van de advisering over de aanvraag tot indicatie verricht
de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de
wet, met
inachtneming van bijlagen I, II,
III en IV behorend bij dit besluit,
onderzoek naar:
a. de beperkingen van betrokkene van lichamelijke, verstandelijke en
psychische aard;
b. de mogelijkheid dat betrokkene in staat is passende arbeid te
verrichten onder normale omstandigheden, zonder dat er sprake is van
voorzieningen of maatregelen;
c. de voorzieningen of maatregelen die voor betrokkene noodzakelijk zijn
en de vraag of deze binnen redelijke grenzen in een normale
arbeidsomgeving kunnen worden gerealiseerd;
d. de mogelijkheid dat betrokkene met de voorzieningen of maatregelen
in staat is regelmatig arbeid in de sociale werkvoorziening te
verrichten;
e. de indeling in een arbeidshandicapcategorie als bedoeld in
artikel 6;
f. de wenselijkheid en mogelijkheid dat betrokkene in aanmerking komt
voor begeleid werken;
g. de wenselijkheid en mogelijkheid dat betrokkene in aanmerking komt
voor een scholingstraject.
-2. De commissie verricht haar onderzoek met inachtneming van het in
artikel 10 genoemde besluit.
-3. Bij de vastlegging van het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het
bij ministeriële regeling vastgestelde intakeprofiel. [Risw]
-4. Van het onderzoek wordt ten
behoeve van het gemeentebestuur schriftelijk rapport opgemaakt. In het
rapport wordt verslag gedaan van de wijze waarop het onderzoek is
verricht en van de bevindingen.
Art. 4.
Het advies van de
commissie
-1. De commissie adviseert het gemeentebestuur over de aanvraag tot
indicatie. Het advies bevat naast persoonsgegevens van betrokkene in
ieder geval het schriftelijk rapport van het onderzoek.
-2. De commissie adviseert het gemeentebestuur binnen zes weken nadat zij
de aanvraag tot indicatie van het gemeentebestuur heeft ontvangen,
tenzij de commissie nader onderzoek wil verrichten. In dat geval
adviseert de commissie binnen zes weken na ontvangst van de bevindingen
van het nader onderzoek, doch in ieder geval binnen zestien weken nadat zij
de aanvraag tot indicatie van het gemeentebestuur heeft ontvangen.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de wijze waarop de commissie haar standpunt bepaalt. [Risw]
Art. 5.
De indicatie
-1. Het gemeentebestuur stelt de indicatie vast binnen vier weken na
ontvangst van het advies van de commissie.
-2. Het gemeentebestuur kan uitsluitend aan een gemeenteambtenaar mandaat
verlenen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
-3. De indicatie bevat:
a. het advies van de commissie, bedoeld in artikel
4, eerste lid;
b. de vermelding of betrokkene tot de doelgroep behoort;
c. de eventuele voorzieningen of maatregelen die in eerste aanleg
noodzakelijk worden bevonden;
d. de arbeidshandicapcategorie waarin betrokkene, conform artikel
6, is
ingedeeld;
e. de vermelding of betrokkene in staat wordt geacht tot begeleid
werken;
f. de vermelding of betrokkene in staat wordt geacht deel te nemen aan
een scholingstraject en van het daarbij voorgestelde scholings- en
trainingsniveau;
g. het intakeprofiel, bedoeld in artikel 3, derde lid;
h. de geldigheidsduur van de indicatie.
-4. De indicatie wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling toegezonden
aan de aanvrager en de in artikel 2, derde lid, van de
wet bedoelde
rechtspersoon.
-5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
de geldigheidsduur van de indicatie. [Risw]
Art. 6.
Indeling in
arbeidshandicapcategorie
-1. Bij de indicatie deelt het gemeentebestuur de betrokkene in een
arbeidshandicapcategorie in, op grond van de noodzakelijke voorzieningen
of maatregelen en van het prestatieniveau volgens de beslistabel van
bijlage II behorend bij dit besluit.
-2. Bij de noodzakelijke voorzieningen of maatregelen wordt onderscheid
gemaakt tussen vérstrekkende voorzieningen en maatregelen en
niet-vérstrekkende voorzieningen en maatregelen.
-3. Niet-vérstrekkende voorzieningen en maatregelen zijn:
a. algemene voorzieningen voor gehandicapten betreffende
toegankelijkheid, gebruik en veiligheid;
b. eenmalige individuele aanpassingen in de werkplek en werkomgeving,
voor zover de eenmalige kosten ervan niet de helft van het maximale
subsidiebedrag per arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
c. individuele voorzieningen met structurele kosten, voor
zover die
kosten ervan niet een achtste van het maximale subsidiebedrag per
arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
d. organisatorische aanpassingen aan functies die, na aanpassing,
gewaardeerd worden op of boven een bij ministeriële regeling
vastgesteld functieniveau.
-4. Vérstrekkende voorzieningen of maatregelen zijn:
a. combinaties van twee of meer van de niet-vérstrekkende voorzieningen
en maatregelen;
b. eenmalige individuele aanpassingen in de werkplek en de werkomgeving,
voor zover deze de helft van het maximale subsidiebedrag te boven gaan;
c. individuele voorzieningen met structurele kosten, voor
zover die
kosten een achtste van het maximale subsidiebedrag per arbeidsplaats van
36 uur te boven gaan;
d. organisatorische aanpassingen die inherent zijn aan alle functies die
gewaardeerd worden beneden het niveau vastgesteld op basis van het derde
lid, onderdeel d;
e. speciale werkbegeleiding, waarbij speciale kennis en vaardigheden van
de leidinggevende vereist zijn of waarbij de noodzakelijke intensiteit
van begeleiding meer dan 50% hoger is dan bij een soortgelijke functie
onder normale werkomstandigheden het geval zou zijn.
-5. Betrokkene wordt bij het vaststellen van zijn prestatieniveau
ingedeeld in één van de volgende categorieën:
a. een prestatie van 50% of meer van een normale prestatie;
b. een prestatie van minder dan 50% doch meer dan 10% van een normale
prestatie;
c. een prestatie van minder dan 10% van de normale prestatie.
Art. 7.
Wachtlijst
-1. Het gemeentebestuur beheert een
wachtlijst.
-2. Plaatsing op de wachtlijst geschiedt op volgorde van de datum van
aanvraag tot indicatie.
-3. Bij de plaatsing op de wachtlijst worden ten minste de volgende
gegevens van betrokkene vermeld:
a. naam, adres, postcode en
woonplaats;
b. geboortedatum;
c. geslacht;
d. sofinummer;
e. de datum van aanvraag en beschikking tot indicatie;
f. de indeling in arbeidshandicapcategorie, onderscheiden naar
indicaties voor de sociale werkvoorziening, begeleid werken en scholing;
en
g. het intakeprofiel, bedoeld in artikel 3, derde lid.
-4. Betrokkene wordt van de wachtlijst
gehaald met ingang van dag waarop hij:
a. daartoe een schriftelijk verzoek indient bij het gemeentebestuur;
b. een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 3 van de wet aanvaardt;
c. andere arbeid dan bedoeld onder b aanvaardt, tenzij:
1ş. deze arbeid ook bijkomend zou
worden verricht indien betrokkene een dienstbetrekking of
arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en
3 van de
wet
zou zijn aangegaan; of
2ş. deze arbeid wordt
verricht in het kader van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand;
d. wordt geďndiceerd voor dagopvang;
e. na een herindicatie, bedoeld in artikel 8, niet langer tot de
doelgroep behoort;
f. zich blijvend in een andere gemeente
vestigt;
g. de leeftijd van 65 jaar bereikt;
h. overlijdt.
-5. Indien betrokkene die is geďndiceerd
zich blijvend in een andere gemeente vestigt, worden zijn gegevens door
de gemeente waar hij gevestigd was, overgedragen aan de gemeente waar hij
zich gevestigd heeft. De gemeente waar betrokkene zich gevestigd heeft,
plaatst betrokkene op de wachtlijst overeenkomstig het tweede lid.
-6. Een persoon die vanaf de
wachtlijst arbeid gaat verrichten buiten het kader van de
wet en
vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt, wordt op zijn
verzoek en indien hij tot de doelgroep behoort, door de gemeente op de
oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie op de wachtlijst
geplaatst.
-7. Een persoon die begeleid werkt en vervolgens onvrijwillig werkloos
wordt, wordt op zijn verzoek en indien hij tot de doelgroep behoort,
door de gemeente op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie
op de wachtlijst geplaatst en bij voorrang een arbeidsovereenkomst
aangeboden.
-8. Een persoon die in aansluiting op een dienstbetrekking of
arbeidsovereenkomst als bedoeld in de wet arbeid gaat verrichten buiten
het kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig
werkloos wordt, wordt op zijn verzoek en indien hij tot de doelgroep
behoort, door de gemeente op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot
indicatie op de wachtlijst geplaatst en bij voorrang een
dienstbetrekking of een arbeidsovereenkomst aangeboden.
-9. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot personen die na een herindicatie niet langer tot de
doelgroep behoren.
Art. 8.
Herindicatie
-1. Telkens uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van een indicatie wordt door
het gemeentebestuur een advies ten behoeve van een herindicatie
aangevraagd bij de commissie.
-2. Onverminderd het eerste lid kan een aanvraag tot herindicatie op
gemotiveerd verzoek van of namens betrokkene op een eerder tijdstip dan
bedoeld in het eerste lid bij het gemeentebestuur plaatsvinden. Artikel
2, vijfde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.
-3. De artikelen 2, tweede en vierde lid, en
3 tot en met 7 van dit
besluit zijn op een aanvraag tot herindicatie van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat zo nodig de geldigheidsduur van de
indicatie, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel h, met maximaal
twee maanden wordt verlengd.
-4. De commissie betrekt, met inachtneming van het besluit, bedoeld in
artikel 10, bij haar advies over de herindicatie de wijze van
functioneren van betrokkene in de sociale werkvoorziening.
-5. Door of namens een werknemer die de dag voorafgaande aan de datum
waarop de wet in werking treedt een dienstbetrekking is aangegaan met
een gemeente op basis van de Wet
Sociale Werkvoorziening, zoals deze luidde tot de datum van
inwerkingtreding van de wet, kan bij het gemeentebestuur een aanvraag
tot herindicatie worden ingediend indien die werknemer in aanmerking
wenst te komen voor een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 3
van de wet. Bij deze herindicatie wordt uitsluitend beoordeeld of
betrokkene tot dergelijke arbeid in staat wordt geacht.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van dit artikel. [Risw]
Art. 9.
Advies bij
voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking
-1. Bij haar advies, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de wet, betrekt de commissie de krachtens
artikel
6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 gestelde
regels met betrekking tot de toestemming.
-2. Bij de uitoefening van haar taak op grond van het eerste lid wordt
aan de commissie een jurist toegevoegd.
Art. 10.
Werkwijze bij
indicatie
-1. Het gemeentebestuur legt de taak
en werkwijze van de commissie alsmede haar eigen taak en werkwijze bij
de indicatie, herindicatie en voorgenomen opzegging van de
dienstbetrekking vast in een besluit.
-2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid. [Risw]
Art. 11.
Overgangsrecht
bestaande wachtlijst
-1. Personen die op de dag voorafgaand
aan de datum van inwerkingtreding van de wet op de wachtlijst staan,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit informatie sociale
werkvoorziening, zoals dit besluit luidde tot die datum, worden binnen
twee jaar na inwerkingtreding van de wet, doch in ieder geval voordat
zij een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als bedoeld in de wet
aanvaarden, door het gemeentebestuur waar zij woonachtig zijn, geďndiceerd.
-2. Personen, bedoeld in het eerste
lid, die tot de doelgroep behoren, worden door het gemeentebestuur waar
zij woonachtig zijn op de wachtlijst geplaatst op volgorde van de datum
waarop zij waren toegelaten tot de personenkring van de Wet
Sociale Werkvoorziening, zoals die wet luidde tot de datum van
inwerkingtreding van de wet.
Art. 12.
Overgangsrecht
terugkeergarantie
-1. In afwijking van artikel
7, zesde
lid, wordt een persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet op de wachtlijst staat, bedoeld in artikel
1, onderdeel
b, van
het Besluit informatie sociale werkvoorziening, zoals dit besluit luidde
tot die datum, op zijn verzoek, door het gemeentebestuur wederom op de
wachtlijst geplaatst op de volgorde van de datum waarop hij tot de
personenkring van de Wet
Sociale Werkvoorziening was toegelaten indien hij vanaf de
wachtlijst arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet en
vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt.
-2. In afwijking van artikel
7, zevende lid, wordt een persoon die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet werkzaam was met
toepassing van de artikelen 11 en 12 van de
Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling
vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers, zoals
deze regelingen luidden tot die datum, en die na die datum deze
arbeidsovereenkomst heeft voortgezet, op zijn verzoek, door het
gemeentebestuur op de wachtlijst geplaatst op de volgorde van de datum
waarop hij tot genoemde regelingen was toegelaten en krijgt hij bij
voorrang een arbeidsovereenkomst aangeboden indien hij onvrijwillig
werkloos wordt.
-3. In afwijking van artikel
7, achtste lid, wordt een persoon die op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een dienstbetrekking
heeft krachtens de Wet
Sociale Werkvoorziening zoals die luidde tot die datum en die na die
datum deze dienstbetrekking heeft voortgezet, op zijn verzoek, door het
gemeentebestuur wederom op de wachtlijst geplaatst op de volgorde van de
datum waarop hij tot de personenkring van de Wet
Sociale Werkvoorziening was toegelaten en krijgt hij bij voorrang
een dienstbetrekking aangeboden indien hij in aansluiting op zijn
dienstbetrekking arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet en
vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt. Daarbij wordt
zijn nieuwe dienstbetrekking aangemerkt als een voortzetting van zijn
eerdere dienstbetrekking in de zin van de wet.
Art. 13.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Art. 14.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit indicatie sociale
werkvoorziening.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 oktober
1997
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de zestiende
oktober 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[6 oktober 1997]
Algemeen
1. Inleiding
Dit besluit regelt de
indicatie van personen voor de sociale werkvoorzieningen die in de Wet sociale
werkvoorziening is opgedragen aan het gemeentebestuur. Dit besluit
is op een aantal punten nader uitgewerkt in de Regeling indicatie
sociale werkvoorziening.
Oorspronkelijk waren
aanmelding, vaststelling of iemand tot de personenkring behoort en het
direct aanbieden van een Wsw-dienstbetrekking fasen
in een ononderbroken proces. De besluitvorming daarbij lag bij de gemeente,
die als uitvoerder van de
wet aanvankelijk een ruime
mogelijkheid had personen tot de sociale werkvoorziening toe te laten.
Vanaf het moment dat de
vraag naar Wsw-arbeidsplaatsen het aanbod daarvan aanmerkelijk begon
te overtreffen en een grotere nadruk kwam te liggen op het bewerkstelligen van inkomsten uit
Wsw-arbeid, zijn er
extra dimensies toegevoegd
aan de toelating, met een geheel eigen invloed op het
selectieproces. Het gaat dan om de selectie zelf bij toelating, om de
selectiemogelijkheden bij de volgorde van plaatsing en om de zelfselectie bij
diegenen die zich voorheen zouden hebben aangemeld, maar daarvan
afzien vanwege de lange wachttijd en de verondersteld slechtere
kansen bij toelating.
Om bij de beperkte
mogelijkheden tot het geven van een arbeidsplaats in de sociale werkvoorziening te komen tot een juiste en rechtvaardige
toedeling, is de
definiëring van de doelgroep duidelijker omschreven, zodat geen personen meer
kunnen worden toegelaten die niet strikt zijn aangewezen op arbeid onder
aangepaste omstandigheden, maar met behulp van andere
instrumenten onder normale omstandigheden zouden kunnen werken. Dit heeft met
name consequenties voor de toelating van personen bij wie weliswaar
persoonlijke beperkingen een rol spelen bij hun werkloosheid, maar bij
wie deze beperkingen niet van medisch vaststelbare aard zijn of
van doorslaggevende betekenis. In het verleden werden dergelijke personen
wel ingedeeld als behorende tot de categorie "overige handicaps".
Evenmin mogen diegenen die
niet echt in staat zijn tot het verrichten van arbeid een plaats
innemen van diegenen die op Wsw-arbeid zijn aangewezen.
Voor de
"zittende populatie" heeft de duidelijker omschrijving van de doelgroep overigens geen
consequenties. Zij kunnen gewoon in de sociale werkvoorziening
blijven werken en worden niet geďndiceerd of geherindiceerd (artikel 19
van de wet). Overigens kunnen personen die thans in de sociale
werkvoorziening werkzaam zijn en in aanmerking willen komen voor een
arbeidsplaats in het kader van begeleid werken wel een aanvraag tot
herindicatie indienen (zie hiervoor artikel 8, vijfde lid, van dit besluit).
2. Relatie indicatiestelling
Wsw en SWI-traject
Het is van belang in te gaan
op de relatie tussen de indicatiestelling in het kader van de Wsw
en de
kwalificerende intake die in het kader van Samenwerking Werk en Inkomen
(SWI) wordt
gehanteerd [zie onder meer Samenwerkingsbesluit
SWI, red.].
Over deze relatie het
volgende. De intake en aanbodanalyse in het kader van SWI gaat aan de
indicatiestelling Wsw vooraf. In de fase-indeling [zie artikel 2.1 Regeling
SUWI, red.] die in dat kader wordt
gehanteerd, gelden de fasen 1 tot en met 3 in meer of mindere mate als toeleidend
naar de arbeidsmarkt. Werkzoekenden in fase 4 zijn diegenen voor
wie instrumenten ingezet kunnen worden die voorzien in een bepaalde
vorm van hulp of zorg, waaronder specifieke vormen van gesubsidieerde
arbeid. Bij deze instrumenten is het doel om in de persoon gelegen
problematiek op te lossen en is toeleiding naar de arbeidsmarkt (voorlopig)
geen directe doelstelling.
Wanneer er in het kader van
de intake en aanbodanalyse aanwijzingen zijn dat de persoon vanwege
lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige
arbeid in staat is, ligt het
voor de hand de persoon door te verwijzen voor
indicatiestelling Wsw. Informatie uit de kwalificerende intake SWI kan worden
betrokken bij de indicatiestelling Wsw.
Wanneer dan vervolgens
indicatie Wsw tot stand komt, wordt betrokkene op de wachtlijst
voor de Wsw geplaatst. Dit biedt derhalve perspectief op concrete
inzet van een instrument.
Het is echter ook denkbaar
dat de indicatieprocedure Wsw voor betrokkene tot een afwijzing
leidt. Indien betrokkene te zwak voor de Wsw wordt geacht kan
doorverwijzing naar de (indicatiestelling) zorg plaatsvinden. Indien het omgekeerde het
geval is, wat wil zeggen dat betrokkene op grond van de
toelatingscriteria Wsw geacht wordt ook buiten de sociale
werkvoorziening aan de slag te kunnen, kan terugverwijzing naar de SWI-partners
plaatsvinden. De gemeente
is in beide trajecten (Wsw-indicatiestelling en SWI) betrokken. Alsdan kan worden bezien welk ander instrument
in het kader van hulp of zorg kan worden ingezet, waarbij met name
het instrumentarium van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw)
mogelijkheden kan bieden. Van belang hierbij is dat de cliënt in principe niet
weer opnieuw voor kwalificerende intake in aanmerking behoeft te worden
gebracht, tenzij het resultaat van de - afwijzende - indicatiestelling Wsw aanleiding zou zijn (indien dat nieuwe informatie oplevert) de
fase-indeling van de cliënt te herzien. Personen die reeds Wsw-werknemer zijn en
van wie bij herindicatie wordt vastgesteld dat zij niet meer tot de
doelgroep van de Wsw behoren, komen eveneens in aanmerking voor een
kwalificerende intake in het kader van SWI.
SWI biedt dus een
belangrijke aanvulling op de indicatiestelling Wsw doordat er betere mogelijkheden kunnen ontstaan om een alternatief te
bieden voor personen die
geacht worden niet of niet langer tot de doelgroep van de Wsw te
behoren. Andersom is de indicatiestelling Wsw met zijn specialistisch
karakter een onmisbare aanvulling op SWI.
3. Onafhankelijke,
objectieve en zorgvuldige besluitvorming
Vanwege de beoogde
rechtvaardigheid en gelijke behandeling is het van belang om de besluitvorming bij indicatiestelling te laten verrichten
door onafhankelijke
deskundigen en daarbij zoveel mogelijk te binden aan duidelijke regels, waarbij
toetsbare overwegingen, geobjectiveerde medische, psychologische en
arbeidskundige bevindingen en relevante biografische gegevens als
opleiding, arbeidsverleden en medische geschiedenis de basis vormen
voor de beslissing.
Om rekening te kunnen houden
met de plaatselijke situatie op de arbeidsmarkt, maar tevens te
voorkomen dat er landelijk gezien grote verschillen optreden bij
toelating tot de (wachtlijst) van de sociale werkvoorziening, is gekozen
voor het door de gemeenten laten instellen van adviescommissies van
onafhankelijke deskundigen, onder wie in elk geval een arts, een
psycholoog, een arbeidskundige en een arbeidsmarktdeskundige, welke commissies
indicatieadviezen uitbrengen aan de gemeentebesturen, die de uiteindelijke beslissingen nemen. In de
Regeling indicatie
sociale werkvoorziening is nader aangegeven aan welke vereisten
bovengenoemde deskundigen moeten voldoen en welke functies onverenigbaar zijn
met die van het lidmaatschap van de commissie.
De commissies geven het indicatieadvies op grond van scholing en opleiding van betrokkene,
het arbeidsverleden en verder de relevante medische, psychologische en arbeidskundige gegevens,
voor zover
mogelijk op grond van wat
reeds beschikbaar is bij aanmelding en zo nodig aangevuld met gegevens
verkregen uit aanvullend onderzoek.
Tijdens de procedure mag de
tijd tussen aanmelding en de beslissing over de toelating niet
onredelijk lang zijn en moeten de aangemelde en de aanmelder - voor
zover deze
niet dezelfde zijn - tijdig, regelmatig en volledig worden
geďnformeerd over de voortgang en de resultaten van de toelating.
Van belang is nog op te
merken dat het gemeentebestuur op grond van artikel
1, tweede lid, van de
wet de uitvoering van de
wet (alleen volledig) kan overdragen aan het
bestuur van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Het zal in casu doorgaans gaan over een
samenwerkingsverband tussen gemeenten in een bepaalde regio. Een
dergelijk samenwerkingsverband neemt in die situatie de plaats in van de
gemeente. Het samenwerkingsverband beschikt dan over één gezamenlijke indicatiecommissie die haar adviseert
over de indicatie. Het is in
die situatie het samenwerkingsverband dat de beslissing op de indicatie
neemt. Waar in dit besluit sprake is van een gemeente moet derhalve een
bestuur als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van
de
wet daarmee gelijk
worden gesteld.
Overigens mag de
indicatiecommissie ook voor meerdere gemeenten of samenwerkingsverbanden
werken (adviseren), mits de besluitvorming maar ligt op het niveau van
de gemeente of het samenwerkingsverband.
Voor het geval na
inwerkingtreding van de nieuwe wet nog gemeentebesturen voor de uitvoering van de
sociale werkvoorziening deelnemen in meerdere gemeenschappelijke regelingen kan, op basis van
artikel 21 van de wet, een
overgangsregeling worden gemaakt.
4. Toelatingscriteria
Niet alleen de deskundigheid
en de onafhankelijkheid bepalen de zorgvuldigheid en objectiviteit bij de besluitvorming. Daarbij moeten ook
duidelijke criteria gesteld zijn en een inzichtelijke werkwijze, waarbij aan de hand van toetsbare
bevindingen gemotiveerd antwoord wordt gegeven op vragen die
rechtstreeks voortvloeien uit de definitie van de doelgroep.
Deze vragen zijn, kort
gesteld:
1. of de betrokkene
beperkingen heeft van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard;
2. of de betrokkene vanwege
deze beperkingen aangewezen is op werken onder aangepaste
omstandigheden;
3. of de betrokkene met deze beperkingen en onder aangepaste omstandigheden in staat is
om regelmatig te werken.
Bij het beantwoorden van
deze vragen moet om reden van toetsbaarheid aangegeven worden welke
feiten en bevindingen tot de conclusies hebben geleid.
Voor het beantwoorden van de
eerste vraag moet uitsluitsel verkregen worden op grond van gegevens
uit het medisch dossier, uit psychologische onderzoeken, uit rapportages
van school, etcetera, al dan niet nader onderzocht door of op
last van de commissie.
In het uit te brengen advies dat het dossier begeleidt, worden stoornissen en functionele beperkingen
met name genoemd en welomschreven en daarnaast weergegeven in
termen en codes uit de internationale statistische classificatie
van ziekten en aanverwante gezondheidsproblemen
(ICD-10, WHO, 1992) [WHO: World Health Organization,
Wereldgezondheidsorganisatie, red.] en de Internationale Classificatie van
Stoornissen, Beperkingen en Handicaps (ICIDH, WHO, 1980), één en ander onder
verwijzing naar de betreffende rapporten en de gebruikte onderzoeksmethoden. Daar waar de terminologie verouderd is
(in de ICIDH wordt bijvoorbeeld nog gesproken van zwakzinnigheid), zullen
toegevoegde eigentijdse benamingen natuurlijk meer op hun plaats zijn.
Onder beperkingen van
lichamelijke aard worden alle beperkingen verstaan tengevolge van
stoornissen die niet van verstandelijke (ICIDH onder 12 en 13) of van
psychische aard (ICIDH onder 15 tot en met 19 en 23 tot en met 29) zijn. Deze
beperkingen kunnen rechtstreeks van functionele betekenis zijn
bij arbeidstaken, zoals een bewegingsbeperking, of van sociale aard indien
er bijvoorbeeld een extreme lichaamsgeur of een zeer misvormd uiterlijk
(ICIDH, hoofdgroep 8) een onoverkomelijke barričre vormt voor werken
onder normale omstandigheden.
Ook de beperkingen van
psychische aard kunnen soms geheel of in belangrijke mate sociaal van
aard zijn. Te denken is daarbij aan ernstige persoonlijkheidstoornissen
en zware motorische en/of vocale ticstoornissen.
Bij beperkingen van
verstandelijke aard gaat het om beperkingen in het functioneren in de
arbeidssituatie die samenhangen met een duidelijk onder het gemiddelde intelligentieniveau functioneren, zoals geformuleerd
in de ICD-10 en ICIDH-criteria.
Bij het beantwoorden van de
tweede vraag gaat het meer in het bijzonder in hoeverre de geconstateerde beperkingen
- afzonderlijk dan
wel in samenhang gezien - het functioneren van betrokkenen in een normale arbeidsomgeving in
de weg staan. Dit is mede afhankelijk van wat in de betreffende regio
en in de betreffende branches gebruikelijk is, rekening houdend met wat
voor de betrokkene als passende arbeid beschouwd kan worden.
In het algemeen kan gesteld
worden dat lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen
strikt genomen gezien moeten worden in het licht van feitelijk te verrichten
activiteiten om te kunnen beoordelen of er sprake is van een handicap.
Daarbij moet dan bovendien in beschouwing genomen worden in hoeverre
er compensatiemogelijkheden zijn, bij de persoon zelf of met behulp
van aanpassingen en hulpmiddelen in de omgeving.
In extremo kan dit inhouden
dat een vergaand of volledig verlies van doorgaans onmisbare
lichamelijke functies in sommige gevallen óf geen rol van betekenis speelt bij
bepaalde activiteiten, óf nagenoeg geheel gecompenseerd wordt door
technische of personele voorzieningen of door buitengewone
vaardigheden van de persoon zelf, ondanks de forse beperkingen.
Aan de andere kant kan het
zijn dat forse fysieke beperkingen bij anderen op voorhand een
onmiskenbare handicap betekenen in vele situaties, zeker als de
verstandelijke capaciteiten en de psychische gesteldheid geen beduidend
tegenwicht bieden. Evenzo zullen aanmerkelijke verstandelijke of psychische
beperkingen in veel omstandigheden een niet te miskennen
handicap zijn die een als normaal geaccepteerd functioneren in de weg
staan. In het bijzonder kan het samengaan van meerdere beperkingen leiden
tot een beduidende handicap in uiteenlopende situaties,
zelfs als deze beperkingen afzonderlijk mogelijk relatief mild zijn.
Beperkingen behoeven dus
niet per definitie een normale arbeidsparticipatie in de weg te staan. Zo kan
bij een relatief geringe beperking en een recent
arbeidsverleden de nadruk sterker liggen op de vraag in hoeverre het mogelijk is te
werken onder normale omstandigheden, al dan niet gefaciliteerd met
een aanpassing van de arbeidsplaats of met een loonkostensubsidie ter
compensatie van een substantieel verminderde arbeidsprestatie.
Redelijkerwijs geldt hierbij wat gebruikelijk is bij toepassing van voorzieningen
op basis van de arbeidsongeschiktheidswetten, rekening houdend met wat voor de persoon als passende arbeid
beschouwd kan worden.
Het kan zijn dat het niet
mogelijk is op deze manier de noodzakelijke specifieke aanpassingen te
realiseren. Het zal dan gaan om een breed scala van aanpassingen die praktisch alleen binnen de sociale werkvoorziening
kunnen worden gerealiseerd. Hieronder kunnen worden verstaan technische aanpassingen aan
de werkplek en werkomgeving die niet door de uitvoeringsinstelling
worden vergoed, omdat ze in de gegeven omstandigheid te kostbaar
zijn. Ook kan het gaan om aanpassingen die, ongeacht de kosten, alleen
al op technische gronden binnen het gewone bedrijf niet goed te
realiseren zijn. Andere aanpassingen kunnen op een meer organisatorisch vlak
liggen. Hiervoor geldt eveneens dat sommige op dit gebied niet in het
gewone bedrijf kunnen worden gerealiseerd, omdat het productieproces
een dergelijke aanpassing eenvoudig niet toelaat. Hierbij valt te denken aan
een noodzakelijke specifieke vergaande taakdeling in het uitvoerende
productiewerk, gelet op de lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperking van betrokkene.
Dergelijke taakdelingen zijn
in beginsel wel mogelijk in de sociale werkvoorziening.
Verder zijn er aanpassingen
op het organisatorisch gebied denkbaar die in het geheel niet van het
gewone bedrijf kunnen worden vereist of gerealiseerd, zoals een permanente specifiek deskundige
werkbegeleiding.
Bij beantwoording van de
derde vraag moet vastgesteld worden of de betrokkene in staat wordt
geacht - in Wsw-verband, met noodzakelijke voorzieningen of maatregelen
- regelmatig arbeid te kunnen verrichten. Hierbij moet sprake zijn van
een redelijke minimumprestatie, een zekere inzetbaarheid, enig vermogen
om aan het werk te blijven en een zekere grens aan de noodzaak van
organisatorische aanpassingen, van voorzieningen, en van persoonlijke
begeleiding.
Wat betreft taakdelingen is
de toelaatbare limiet het verrichten van de eenvoudigste functies zoals
beschreven in de functievoorbeelden in de SW [sociale werkvoorziening, red.]
(een bijlage bij het in
de Regeling indicatie
sociale werkvoorziening vastgestelde intakeprofiel).
De noodzaak tot uitsplitsing kan immers niet zodanig zijn dat zelfs het
vervullen van de allereenvoudigste functies het vermogen van betrokkene te
boven gaat.
Voor een redelijke grens van
technische aanpassingen geldt tweemaal de maximale jaarlijkse subsidie
bij een eenmalige investering of een vierde van de maximale jaarlijkse subsidie bij structurele kosten.
Voor een redelijke
bovengrens van de kwaliteit van speciale begeleiding geldt een opleiding op
MBO-niveau met een studiebelasting van 300 uren, gericht op het werken met
mensen met beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of
psychische aard; verder moet betrokkene ten minste in staat geacht worden te
kunnen functioneren in een rustige plek op een kleine industriële
afdeling, op kantoor of op een buitenobject; enig contact met collega’s zal daarbij
niet uitgesloten zijn.
Voor een redelijke grens van
aanpassing van de werktijd geldt een maximale reductie tot één
dagdeel per werkdag.
Diegenen voor wie de
noodzakelijke technische voorzieningen of maatregelen redelijkerwijs
niet gerealiseerd kunnen worden binnen de sociale werkvoorziening worden geacht tot de doelgroep van
zorgvoorzieningen te behoren
(dagopvang), evenals diegenen die aangewezen zijn op nog
intensievere begeleiding, geen uur aaneengesloten kunnen werken of slechts
een prestatie kunnen leveren van minder dan 10%. Zij worden
beschouwd als niet (meer) passend binnen een arbeidsorganisatie.
Met het ministerie van
Volksgezondheid Welzijn en Sport is overeengekomen dat de indicatiestellingen
voor de Wsw en voor de AWBZ-dagvoorzieningen zodanig op
elkaar afgestemd zijn dat diegenen die niet tot de doelgroep van de
wet behoren op grond van één of meer van de genoemde vier criteria
(zoals beschreven in beslispunt 6 van de beslistabel van bijlage
I) daarmee een
positieve indicatie hebben voor een AWBZ-gefinancierde
dagvoorziening.
Dit houdt in dat indien het
gemeentebestuur bij indicatie, herindicatie of ontslag, hierin geadviseerd
door de commissie, tot de beslissing komt dat een betrokkene op grond van
beslispunt 6 van de beslistabel van bijlage I niet of niet meer in
aanmerking komt voor een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als
bedoeld in de wet, dan wel in aanmerking komt voor een aanvraag voor
ontslag uit een zodanige dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst, deze
beslissing voor zover relevant door de daartoe bevoegde instantie als
positieve indicatie overgenomen zal worden bij aanvraag voor plaatsing in
een AWBZ-gefinancierde dagvoorziening.
Zie voor de wijze waarop
hiermee moet worden omgegaan de beslistabel van bijlage
I.
5. Indelingscriteria
arbeidshandicapcategorieën
Na een positief besluit over
de indeling in de doelgroep van de Wsw zal er een indeling in
één van
de drie arbeidshandicapcategorieën plaatsvinden. Ook deze indeling geschiedt
op basis van de bij het onderzoek verkregen bevindingen en
heeft tot doel een aangrijpingspunt te bieden voor beleidsmatige sturing
en voor compensatie - op categoriaal niveau - van verschillen in
uitvoeringskosten die met de ernst van handicaps samenhangen.
De arbeidshandicap wordt
bepaald aan de hand van de noodzakelijk geachte voorzieningen of
maatregelen, in combinatie met het vastgestelde prestatieniveau. Voor de
vaststelling van het prestatieniveau wordt uitgegaan - rekening
houdend met de geďndiceerde aangepaste omstandigheden - van het beargumenteerd
oordeel van de deskundigen van de commissie, waarbij in geval
van twijfel de uitkomsten op arbeidskundige testonderzoek of
arbeidssimulatie duidelijkheid zullen verschaffen. De uiteindelijke feitelijke
arbeidsprestatie, die sterk mede afhankelijk is van buiten de persoon gelegen
factoren, wordt niet als criterium beschouwd.
Op voorhand wordt aangenomen
dat personen met lichamelijke beperkingen een prestatieniveau hebben van meer dan 50%, tenzij het
tegendeel wordt aannemelijk gemaakt.
Van personen met een matige
verstandelijke handicap (doorgaans het niveau van ZMLK-schoolverlaters
[ZMLK: zeer moeilijk lerende kinderen, red.]) wordt voorshands een prestatieniveau
van minder dan 50% verondersteld, evenals van personen met een ernstige psychische handicap
(diegenen die in een beschermde woonvorm verblijven en zij
die in de laatste vijf jaar vóór de aanmelding twee jaar of langer in een
psychiatrisch ziekenhuis verbleven).
In het geval de commissie
testonderzoek of arbeidssimulatie laat uitvoeren, moet zij erop toezien dat dergelijk onderzoek op een
zorgvuldige wijze
plaatsvindt. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de vraag of een dergelijk
onderzoek onbevangen en zonder belangentegenstelling wordt uitgevoerd. De
commissie moet alert zijn in het geval dat een test- en
trainingsafdeling van een SW-bedrijf wordt ingeschakeld waar betrokkene tijdens een
stageperiode al heeft gewerkt of in het geval dat zijn uiteindelijke
plaatsing bij dat SW-bedrijf het meest voor de hand ligt. Een dergelijk
onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de
commissie. Volgens artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht
behoort het gemeentebestuur erop toe te zien dat een dergelijk
onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Om een goede voorbereiding
van de uiteindelijke plaatsing te bevorderen, wordt bovendien een eerste
indruk gegeven welke aanpassingen en maatregelen noodzakelijk zijn en voor welke
branche(s) en welk
functieniveau betrokkene
geschikt is.
Hierbij wordt verwezen naar
de functievoorbeelden in de SW.
Het gehele indicatieproces
van de commissie zal een min of meer circulair karakter hebben,
waarbij de stappen in de beslistabellen niet altijd strikt volgtijdelijk
plaatsvinden en soms herhaald zullen worden om inmiddels gevormde
hypothesen te toetsen. Zo zal, om een eerste aanduiding voor
noodzakelijke aanpassingen te geven, een voorlopige inschatting van geschikte
branches en functieniveau noodzakelijk zijn; anderzijds zal de noodzaak
tot bepaalde aanpassingen van invloed kunnen zijn op de aanduiding van branche en functie.
Een precieze bepaling van de
noodzakelijke aanpassingen en van de beperkingen waarmee rekening
gehouden moet worden, kan uiteraard pas gegeven worden na een functiegericht onderzoek bij de feitelijke
plaatsing. Daarbij kan
overigens de indeling in de arbeidshandicapcategorie niet meer in het geding
zijn. Deze is met de indicatie immers vastgesteld. Alleen een
herindicatie kan leiden tot een andere indeling in een arbeidshandicapcategorie.
Na de feitelijke
indicatiestelling tot werken onder aangepaste omstandigheden wordt er op basis van
dezelfde bevindingen een uitspraak gedaan over de mogelijkheid
voor betrokkene tot begeleid werken, waarbij aangepaste
omstandigheden gerealiseerd worden in een overigens normale
arbeidsomgeving, met behulp van externe begeleiding. In het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening zijn regels opgenomen met betrekking tot het begeleid
werken in het kader van de
Wet sociale werkvoorziening.
Zie voor de wijze waarop
hiermee moet worden omgegaan de beslistabel van bijlage
II.
6. Gegevensverstrekking aan
het gemeentebestuur
Door de commissie, die door
het gemeentebestuur is ingesteld dan wel aangewezen, wordt een advies
uitgebracht dat naast de persoonsgegevens van betrokkene het schriftelijk rapport van het onderzoek bevat.
De wijze waarop het
onderzoek en het schriftelijk rapport wordt ingericht, is door het gemeentebestuur
vastgelegd in het besluit, bedoeld in artikel 10 van dit besluit.
7. Besluit van het
gemeentebestuur
Op basis van beoordeling van
het advies van de commissie besluit het gemeentebestuur omtrent de
indicatie. Naast het volgen of het gemotiveerd afwijzen van het door de commissie uitgebrachte
advies kan de
beslissing aangehouden
worden, met terugverwijzing naar de commissie met het verzoek om nader
onderzoek.
Het gemeentebestuur doet van
zijn besluit mededeling aan de betrokkene en de commissie
die het advies heeft uitgebracht. Bij een herindicatie wordt het
besluit van het gemeentebestuur ook aan het bedrijf waar betrokkene
werkzaam is, gezonden. De beslissing van het gemeentebestuur is voor
bezwaar vatbaar. Eén en ander is geregeld in de Algemene wet
bestuursrecht.
8. Gegevensverstrekking aan
de betrokkene
Bij de beschikking van het
gemeentebestuur wordt betrokkene tevens op de hoogte gesteld van het
door de commissie uitgebrachte advies. Daarbij is het raadzaam dat betrokkene wordt gewezen op de status van
één en ander, om te
voorkomen dat bij hem verwachtingen worden gewekt die bij de
uiteindelijke plaatsing niet of niet direct kunnen worden ingevuld.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Begripsbepalingen
In de begripsbepalingen worden
enkele in het besluit veel gebruikte begrippen, die nog niet in
de Wet sociale werkvoorziening zijn omschreven, gedefinieerd. De
beschikking van het gemeentebestuur wordt hier met het
alomvattende begrip indicatie aangeduid. Tevens worden de inhoudelijk te
toetsen aspecten als de beperkingen en de voorzieningen of maatregelen
nader omschreven.
Artikel
2. De aanvraag
Het initiatief tot indicatie
zal in eerst instantie van de betrokkene zelf uitgaan of namens betrokkene
(bijvoorbeeld zijn wettelijk vertegenwoordiger, mentor, curator) worden
gedaan als betrokkene daartoe zelf niet
in staat is. Omdat indicering
altijd op vrijwillige basis geschiedt, is bij een aanvraag door een ander dan
de betrokkene medeondertekening door deze laatste nodig.
Ondertekent de betrokkene zelf de aanvraag niet, dan wordt van de reden daarvan
mededeling gedaan bij de aanvraag. Betrokkene kan bij de
aanvraag zelf gegevens over zijn toestand voegen. Ook kan hij verwijzen naar
behandelende artsen of psychologen en het gebruik maken van bij dezen aanwezige medische gegevens.
Eén en
ander kan niet zonder
expliciete toestemming van betrokkene. Het tweede lid bepaalt expliciet dat
deze toestemming al bij de aanvraag kan worden verleend.
Bij de aanvraag moet op
grond van het derde lid een bewijs van inschrijving in de gemeente
alsmede een bewijs van inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] worden gevoegd.
In het vierde lid is het
mogelijk gemaakt om de aanvraag tot indicatie in een andere gemeente in te
dienen dan de gemeente waar betrokkene woonachtig is. Dit kan
alleen met toestemming van de beide gemeenten. Deze afwijkingsmogelijkheid
is met name bedoeld voor personen die vanuit een AWBZ-inrichting
in aanmerking willen komen voor de Wsw en voorkomt dat betrokkene veel
of ver moet reizen. Het is aan de betreffende gemeenten in die situatie
verdere afspraken te maken. Na de indicatie komt betrokkene overigens op de wachtlijst te staan van de
gemeente waar hij woonachtig
is.
Het gemeentebestuur moet
ervoor zorgen dat de aanvraag zo snel mogelijk onder de aandacht
van de commissie wordt gebracht (binnen vier weken bepaalt het
vijfde lid). Denkbaar is dat de gemeente hiervoor een intakefunctionaris (of
daarmee vergelijkbare functie) aan de commissie toevoegt. Deze
functionaris heeft dan geen formele bevoegdheden, maar kan wel een rol
vervullen bij het "intaken" van aanvragers en het bewaken van de goede
procesgang. Deze persoon kan tevens de secretariaatsfunctie vervullen. In de
Regeling indicatie
sociale werkvoorziening zijn nadere eisen
gesteld aan ambtelijke functionarissen die de commissie kunnen
ondersteunen.
Op de aanvraag zijn de
bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel
3. Het onderzoek
door de commissie
Om tot haar advies te
komen, zal de commissie een onderzoek moeten (laten) verrichten. Dit
artikel regelt waarop dit onderzoek zich moet richten. Het gaat om die
aspecten die van belang zijn om vast te stellen of
betrokkene tot de
doelgroep behoort (zie ook bijlage I). Tevens moet in onderzoek worden nagegaan
of betrokkene in aanmerking kan en wil komen voor begeleid
werken als bedoeld in hoofdstuk 3 van de
wet of dat voor hem een
scholingstraject open staat (zie bijlage II en IV). Voor zover begeleid werken voor
betrokkene geadviseerd wordt, stelt de commissie tevens vast of betrokkene
daarvoor in aanmerking wenst te komen.
Ook bij het onderzoek
wordt ervan uitgegaan dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van
bij andere beschikbare gegevens over betrokkene. Het
raadplegen van derden behoort niet zonder toestemming van betrokkene te
geschieden.
Belangrijk voor de
zorgvuldigheid van de indicatie- en toelatingsprocedure is dat van meet af aan
bij de indicatiestelling de procedure en de toetsingscriteria ook
duidelijk worden aan de betrokkene. Bij het onderzoek wordt gebruik
gemaakt van het intakeprofiel van het reeds bestaande
profielensysteem versie 1997 in de sociale werkvoorziening (derde lid). Van het
bestaande profielensysteem is in dit besluit alleen het intakeprofiel dwingend
voorgeschreven. Het door het ministerie in overleg met het veld
ontwikkelde profielensysteem, dat de kwaliteit van de aansluiting tussen
mens en werk meet, kan belangrijke informatie aan de commissie en het
gemeentebestuur leveren om tot een afgewogen oordeel in het advies
respectievelijk de (her)indicatie te komen. Ook een ander, aan het
profielensysteem gelijkwaardig instrument kan deze informatie bieden. Zo
kunnen dergelijke systemen ook worden gebruikt om bij een herindicatie
na te gaan in hoeverre met het aanvankelijk advies rekening is gehouden. Ook
kan een gemeente op basis van de informatie uit een dergelijk systeem
inzicht krijgen in de potentiële vraag naar functies in de sociale
werkvoorziening.
Het dwingend
voorgeschreven intakeprofiel wordt door deskundigen opgesteld. Daarbij kan
- op vrijwillige basis - ook gebruik worden gemaakt van het
zogenoemde sollicitatieformulier, in te vullen door degene die zich voor
toelating tot de sociale werkvoorziening heeft aangemeld. Dit formulier
kan een belangrijk hulpmiddel zijn bij de invulling van het
intakeprofiel. Om een goede voorbereiding van de uiteindelijke plaatsing
te bevorderen, wordt zo, met behulp van het intakeprofiel, door de
commissie een eerste aanduiding gegeven welke aanpassingen en
maatregelen noodzakelijk zijn. Ook zal de commissie in verband met de
uiteindelijke plaatsing door de gemeente een indruk geven voor welke
branche(s) en welk functieniveau betrokkene naar haar oordeel het meest geschikt
is en met welke beperkingen rekening
gehouden moet worden.
Deze indruk is voor de gemeente bij de uiteindelijke plaatsing uiteraard niet
bindend.
Het intakeprofiel is in
de Regeling indicatie
sociale werkvoorziening vastgesteld. Daarbij zijn
ook functievoorbeelden als bijlage opgenomen. Deze functievoorbeelden,
die in overleg met het veld tot stand zijn gekomen, zijn
representatief voor de actuele activiteiten in de sociale werkvoorziening.
Artikel
4. Het advies van
de commissie
Dit artikel bevat enkele
aanvullende regels over de advisering en de daarbij te hanteren termijnen. De in dit artikel genoemde termijnen wijken
af van die van de
Algemene wet bestuursrecht. In het geval nader onderzoek wordt ingesteld
is een termijn van zestien weken gekozen. Deze termijn is nodig omdat
langduriger test- en praktijkonderzoek doorgaans bij derden moet worden
verricht. Dit onderzoek kan soms meerdere weken in beslag nemen.
Daarna moet de commissie zich nog een oordeel kunnen vormen over de verkregen resultaten.
Voor de volledigheid
wordt nog opgemerkt dat afdeling 3.3 van de
Algemene wet bestuursrecht op de advisering door de commissie niet van
toepassing is, omdat de commissie formeel onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur
staat.
Artikel
5. De indicatie
Het belangrijkste element
van de indicatie is het door het gemeentebestuur vaststellen of betrokkene
tot de doelgroep behoort. Daarvoor levert het onderzoek van de
commissie de elementen. Op grond van artikel 3:9 van de
Algemene wet
bestuursrecht moet het gemeentebestuur zich ervan vergewissen dat het
onderzoek van de commissie op zorgvuldige wijze (overeenkomstig de
wet en dit besluit) heeft plaatsgevonden. Zo nodig zal de commissie
een nieuw onderzoek moeten doen. Indien daartoe aanleiding
bestaat, kan het gemeentebestuur ook zelf betrokkene nog in de gelegenheid
stellen te worden gehoord. Hiertoe zal in het algemeen geen aanleiding
bestaan, omdat de commissie betrokkene daartoe al in de
gelegenheid stelt.
Bij de indicatiestelling
wordt aangegeven of betrokkene tot de doelgroep behoort en, zo dit het geval is, in welke arbeidshandicapcategorie
hij wordt ingedeeld en of er ook een indicatie is voor begeleid werken en voor het volgen
van een scholingstraject in het kader van de beroepsbegeleidende
leerweg (in termen van de Wet
educatie en beroepsonderwijs) of
gericht op functies die uitsluitend in de Wsw voorkomen.
In het tweede lid is
bepaald dat de beslissing van het gemeentebestuur uitsluitend kan worden
gemandateerd aan een gemeenteambtenaar. Een volledig vrij gebruik van
de mandateringsbevoegdheid past niet in de beoogde objectiviteit en
onafhankelijkheid van de indicatie. Met deze beperking wordt voorkomen
dat de indicatiebeslissing bij de sociale werkvoorziening of de
commissie komt te liggen. Mandatering aan de commissie is uitgesloten
om een check op de gevolgde procedure (door het gemeentebestuur of een gemeenteambtenaar) mogelijk te maken.
Gelet op de strekking van
deze bepaling is verder het aanwijzen van ambtenaren die
rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de sociale werkvoorziening
niet passend. Op de mandaatverlening zijn verder de regels van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing.
In het derde lid is
precies aangegeven welke elementen in de indicatie moeten worden opgenomen.
De geldigheidsduur van de indicatie is van belang in verband met de herindicatie (zie
artikel 8 van dit besluit). De
geldigheidsduur van de
indicatie is nader uitgewerkt in Regeling indicatie
sociale werkvoorziening.
Daarbij is er vooralsnog voor gekozen een eerste herindicatie te laten
plaatsvinden uiterlijk twee jaar na indienstneming, tenzij er voor het
gemeentebestuur motieven zijn om een eerdere termijn te kiezen. Voor personen
die op grond van deze wet op de wachtlijst komen, gaat voorlopig een
geldigheidsduur van de indicatie gelden van drie jaar.
Om één en ander snel aan
praktijksituaties aan te passen, is gekozen voor uitwerking in de al
genoemde ministeriële regeling.
Het besluit van het
gemeentebestuur moet volgens de Algemene wet bestuursrecht gemotiveerd
worden. Indien het advies zelf volledig de motivering bevat en het
advies ter kennis van belanghebbende is of wordt gebracht, kan in de
indicatie volstaan worden met een verwijzing naar het advies. Dit volgt uit
artikel 4:19 [zie artikel 3:49, red.]
van de Algemene wet bestuursrecht. De verplichting tot het
bekendmaken van het besluit aan de aanvrager (de betrokkene) en aan degene
die betrokken waren bij de voorbereiding (de commissie) geldt reeds op
grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 3:41 en
3:43).
Het vierde lid is niettemin noodzakelijk om aan te geven dat de indicatie zo
spoedig mogelijk aan de aanvrager en de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 2, derde lid, van de
wet, moet worden gezonden en om aan te
geven dat daarbij tevens in voorkomende gevallen mededeling wordt
gedaan van plaatsing op de wachtlijst voor de sociale werkvoorziening.
De indicatiebeschikking is voor belanghebbenden vatbaar voor bezwaar.
Daar waar bij de
indicatie de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, derde lid,
nog niet bekend is,
wordt de informatie aan de rechtspersoon verstrekt op het moment
dat voor betrokkene arbeid in de sociale werkvoorziening (bij de
rechtspersoon) beschikbaar komt. De wijze waarop deze
informatieverstrekking plaatsvindt en de verdere inhoud daarvan kan het
gemeentebestuur in het aanwijzingsbesluit van de rechtspersoon nader regelen.
Het zou passend zijn als
het gemeentebestuur de aanvrager bij de indicatiebeschikking tevens feitelijk mededeling doet van de termijn
waarop betrokkene
mogelijk voor een dienstbetrekking, arbeidsovereenkomst of scholingstraject (en
welke) in aanmerking komt. Het periodiek (bijvoorbeeld om de zes
maanden) betrokkene opnieuw voorzien van informatie hieromtrent
ligt eveneens voor de hand. Dergelijke feitelijke mededelingen zijn niet
vatbaar voor bezwaar.
Artikel
6. Indeling in
arbeidshandicapcategorie
Voor indeling in
arbeidshandicapcategorieën wordt verwezen naar bijlage
II. De bepalende
elementen zijn het prestatievermogen en de noodzakelijke
voorzieningen en maatregelen. Dit artikel regelt wanneer sprake is van al dan niet
vérstrekkende voorzieningen en maatregelen en hoe het prestatievermogen
wordt bepaald. Bij de bepaling van het prestatieniveau wordt
uitgegaan van de aanwezigheid van de voor betrokkene noodzakelijke
voorzieningen en maatregelen.
Artikel
7. Wachtlijst
In artikel 7 zijn regels
opgenomen met betrekking tot de wachtlijst. De wachtlijst omvat personen
die tot de doelgroep van de
wet behoren doch nog geen dienstbetrekking
of arbeidsovereenkomst hebben. De wachtlijst wordt, net als in de
wet in artikel
11, vierde lid, is geregeld voor de lijst met ingezetenen die tot
de doelgroep behoren (werkenden en wachtenden), beheerd door
de gemeente. Dit kan ook een gezamenlijke wachtlijst van gemeenten
zijn bij intergemeentelijke samenwerking op grond van artikel
1,
tweede lid, van de
wet.
Iedereen die is
geďndiceerd, wordt op de wachtlijst geplaatst. Ook personen met wie direct
een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst is aangegaan, worden op de wachtlijst vermeld, waarbij de datum van
inschrijving en
uitschrijving gelijkluidend zijn. De wachtlijst moet door het gemeentebestuur adequaat
worden bijgehouden. Periodieke rapportage aan betrokkene,
bijvoorbeeld eens in de zes maanden over zijn positie op de wachtlijst, ligt
daarbij voor de hand.
Het vierde lid geeft aan
op welk moment en bij welke gebeurtenissen betrokkene van de wachtlijst wordt gehaald. Een dergelijke beslissing is
een beschikking in de zin
van de Algemene wet bestuursrecht.
Het zesde, zevende en
achtste lid bieden terugkeergaranties om de uitstroom van Wsw-geďndiceerden naar arbeid buiten de gesubsidieerde
sector te bevorderen.
Het zesde lid bepaalt
dat personen die op de wachtlijst staan en arbeid aanvaarden buiten het
kader van de wet en vervolgens binnen één jaar onvrijwillig werkloos
worden wederom op de wachtlijst worden geplaatst op de datum waarop de
oorspronkelijke aanvraag tot indicatie is ingediend.
Het zevende lid biedt
voor personen die begeleid werken een zelfde soort garantie. Deze is
evenwel niet aan een termijn gebonden, omdat begeleid werken een
reguliere Wsw-plaats betreft. De garantie geldt voor een hernieuwde plaatsing
in een arbeidsovereenkomst. Wil betrokkene in de situatie omschreven in
het zevende lid in aanmerking komen voor een dienstbetrekking als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de
wet, dan komt hij voor een dergelijke
dienstbetrekking in aanmerking naar de oorspronkelijke plaats die hij op de
wachtlijst inneemt. Daarbij zal iemand die langdurig op een arbeidsplaats in
het kader van begeleid werken arbeid heeft verricht snel voor een Wsw-dienstbetrekking in aanmerking komen gelet
op zijn plaats op de
wachtlijst.
Het achtste lid regelt de
terugkeergarantie voor personen die vanuit een dienstbetrekking of
arbeidsovereenkomst werk aanvaarden buiten het kader van de Wsw. Deze
bepaling geldt zowel voor SW-werknemers als personen die begeleid
werken. Hiervoor geldt wel de periode van één jaar.
Het zesde, zevende en
achtste lid kunnen alleen worden toegepast op verzoek van betrokkene en
mits deze nog tot de doelgroep van de wet behoort. Soms zal het
zelfs mogelijk zijn betrokkene weer op zijn oude functie te plaatsen. Bij
personen waarvoor de geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie
nog lopende is, kan zonder meer worden aangenomen dat zij nog
tot de doelgroep van de wet behoren. Personen waarvan de geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie tijdens de
periode van arbeid elders
is verlopen, zullen opnieuw moeten worden geďndiceerd. Een
positieve indicatie betekent vervolgens dat zij weer op de oorspronkelijke plaats op
de wachtlijst worden gezet. Voor personen die reeds op basis van de Wsw
hebben gewerkt, zal de gemeente met voorrang een (nieuwe)
dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als bedoeld in de wet aan
moeten bieden.
Voor werknemers die reeds
in de sociale werkvoorziening werkzaam waren voordat de nieuwe
wet in werking trad, gelden enigszins afwijkende terugkeergaranties. Deze
zijn opgenomen en verder toegelicht in artikel 12 van dit besluit.
Ten
slotte wordt nog
opgemerkt dat een wachtlijst is aangemerkt als een persoonsregistratie
als bedoeld in de Wet persoonsregistraties [zie Wet
bescherming persoonsgegevens, red.] en als zodanig aan de bepalingen
van die wet moet voldoen.
Artikel
8. Herindicatie
Een belangrijk aspect van
de Wet sociale werkvoorziening is het met een zekere regelmaat
beoordelen of betrokkene nog voldoet aan de doelgroepomschrijving. Hiervoor is het instrument van de herindicatie in
het leven geroepen.
Herindicatie vindt niet plaats met betrekking tot personen die reeds vóór
de inwerkingtreding van de
wet op basis van de oude Wet Sociale
Werkvoorziening werkzaam zijn en die dienstbetrekking onder de nieuwe wet
hebben voortgezet. Dit vloeit voort uit de artikelen 16 en
19 van de
wet. Ook
op vrijwillige basis is een dergelijke herindicatie niet mogelijk. Op deze
regel bestaat één uitzondering, opgenomen in het vijfde lid, namelijk in
het geval iemand uit de "zittende populatie" werkzaam in een
SW-bedrijf in aanmerking wenst te komen voor begeleid werken. Deze uitzondering
is noodzakelijk, omdat anders personen uit de "zittende populatie"
niet in aanmerking kunnen komen voor begeleid werken wegens het
ontbreken van een indicatie daartoe. Een aanvraag tot een dergelijke indicatie
kan door of namens betrokkene worden gedaan. Daarbij is uitsluitend de
vraag aan de orde of betrokkene in staat wordt geacht tot begeleid
werken. Andere aspecten van het indicatieproces, zoals de vraag of
betrokkene tot de doelgroep behoort en de indeling in een
arbeidshandicapcategorie, zijn daarbij niet aan de orde.
Het eerste lid bepaalt
dat de aanvraag tot een advies ten behoeve van een herindicatie uiterlijk twee maanden
vóór het verstrijken van de
geldigheidsduur van de
indicatie aan de commissie wordt gedaan.
Het tweede lid bepaalt
dat een aanvraag tot herindicatie eerder dan twee maanden vóór het
verstrijken van de geldigheidsduur van de indicatie kan worden
gedaan door of namens betrokkene. Bij een herindicatie op basis van
dit lid is een deugdelijk gemotiveerde aanvraag noodzakelijk. Een latere
aanvraag voor herindicatie dan genoemd in het eerste lid is niet
toegestaan.
De aanvraag tot
herindicatie doorloopt in principe dezelfde procedure als de indicatie. Wel kan
daarbij gebruik worden gemaakt van gegevens die reeds ten behoeve van
de indicatie zijn vastgelegd. Een belangrijk element van de
herindicatie vormt de beoordeling van de wijze waarop betrokkene in de sociale
werkvoorziening of in het begeleid werken functioneert. De
commissie vraagt de gegevens met betrekking tot de SW-loopbaan bij de
sociale werkvoorziening op. De formele basis hiervoor ligt in artikel
15, vierde lid, van de wet.
Gemeenten kunnen op
een door hen zelf gekozen
wijze invulling geven aan de manier waarop deze informatie wordt
weergegeven. Mogelijk is hierbij gebruik te maken van het functie-,
functionerings- en ervaringsprofiel van het profielensysteem versie 1997 of een ander
hiermee vergelijkbaar instrument. Dit biedt de mogelijkheid om
bij de herindicatie na te gaan in hoeverre met het aanvankelijke advies rekening is gehouden. Hierbij kunnen ook weer
de functievoorbeelden uit
de bijlage bij het intakeprofiel worden gebruikt. Het volledige
profielensysteem versie 1997 zal door het ministerie
ter kennisgeving aan alle
gemeenten worden gezonden.
Als er geen
bijzonderheden zijn, kan de beschikking op de herindicatie binnen twee maanden
worden afgegeven. Als de gemeente bij een aanvraag tot herindicatie
verwacht dat nader onderzoek noodzakelijk is, kan zij de procedure tot
herindicatie eerder in werking zetten. In het derde lid is voor de zekerheid
bepaald dat een indicatie nog maximaal twee maanden geldig blijft
indien niet tijdig op een aanvraag van herindicatie is beslist.
De herindicatie wordt
weer aan betrokkene meegedeeld. Indien betrokkene in een bedrijf werkzaam is, wordt ook dat bedrijf van de
herindicatie in kennis
gesteld.
Artikel
9. Advies bij
voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking
Tot de taak van de
commissie behoort op grond van artikel 6, derde lid, van
de
wet ook het
adviseren bij voorgenomen ontslag in andere situaties dan het niet willen
meewerken aan een herindicatie of het na een onaantastbaar geworden
herindicatie niet willen meewerken aan plaatsing elders. Bij het
opstellen van een dergelijk advies toetst de commissie of wordt
voldaan aan de criteria die ook in het particuliere bedrijfsleven gelden, te
weten het Delegatiebesluit 1993, één en ander voor zover deze criteria
op de sociale werkvoorziening van toepassing zijn. Deze toets is dezelfde
als die door de regionaal directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening, zie CWI,
red.] wordt uitgevoerd (de zogenoemde preventieve
ontslagtoets). De beslissing van het gemeentebestuur, op het advies van de commissie,
kan vervolgens alleen bij de civiele rechter worden getoetst.
Ten behoeve van deze taak
van de commissie is geregeld dat bij dergelijke zaken aan de commissie een jurist wordt toegevoegd. In de
Regeling indicatie
sociale werkvoorziening is nader aangegeven aan welke
deskundigheidsvereisten de jurist zal moeten voldoen. Het gaat daarbij om specifieke
kennis omtrent ontslagzaken. De met het lidmaatschap van de commissie voor de
jurist onverenigbare functies zijn dezelfde als voor andere leden van de commissie.
Artikel
10. Werkwijze bij
indicatie
De wijze waarop de
gemeente en de commissie bij de indicatie, de herindicatie en het voorgenomen
ontslag te werk gaan, moet worden
vastgelegd in een
besluit. Op deze wijze kan voor een ieder de procedure van indicatie vooraf
duidelijk zijn. In het besluit zal bijvoorbeeld zowel voor de indicatie als
herindicatie moeten worden ingegaan op:
- de wijze waarop het
onderzoek plaatsvindt;
- wie bij het onderzoek
moeten of kunnen worden geraadpleegd;
- de taak,
respectievelijk verantwoordelijkheid van de afzonderlijke deskundige leden van
de
commissie bij de verschillende onderzoeken;
- de wijze waarop de
bevindingen in het schriftelijk rapport worden neergelegd; en
- de wijze waarop de
commissie tot haar oordeel komt.
Indien de commissie door
meerdere gemeentebesturen of samenwerkingsverbanden is ingesteld of
aangewezen, ligt het voor de hand dat de betrokken gemeenten
overleg plegen over de in het besluit vast te leggen werkwijze.
Met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten is afgesproken dat zij ten behoeve van de
gemeenten hiertoe een modelprotocol zal ontwikkelen.
Met betrekking tot het
toezicht van de minister op een juiste uitvoering van
de
wet is het nog van
belang op te merken dat daarbij ook steekproefsgewijs inzage in medische en
psychologische gegevens kan worden verlangd om een beeld te
krijgen van de wijze waarop het gemeentebestuur of de commissie tot de
indicatie komt. Eén en ander zal uiteraard met de grootst mogelijke
zorgvuldigheid geschieden. Inzage in dergelijke dossiers zal geen
gevolgen hebben voor betrokkene. Artikel 13, derde lid, en
14, eerste lid, van de wet
bieden hiervoor de basis.
Het tweede lid is
noodzakelijk om de kwaliteitszorg van de gemeenten
en de commissie nadere
vorm te geven. Deze nadere regels zijn opgenomen in de Regeling indicatie
sociale werkvoorziening.
Artikel
11.
Overgangsrecht bestaande wachtlijst
Artikel 11 is
noodzakelijk om de bestaande wachtlijst en de op grond van de
wet op te stellen
wachtlijst in elkaar te vlechten. Personen die op de bestaande wachtlijst
staan, zullen conform de wet moeten worden geďndiceerd en wel door
de gemeente waar zij woonachtig zijn. Personen die tot de doelgroep
behoren, worden op de nieuwe wachtlijst geplaatst op de oorspronkelijke
datum waarop zij tot de personenkring van de Wet Sociale Werkvoorziening
waren toegelaten. Voor dit proces is een termijn gesteld van maximaal twee
jaar. Het is niettemin aan de gemeente om te bevorderen dat de periode van eventuele onzekerheid van personen op
de wachtlijst zo kort
mogelijk wordt gehouden. Daartoe behoort ook het geven van goede
voorlichting aan personen die thans op de wachtlijst staan. Personen die voor
een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst in aanmerking komen, moeten
in ieder geval voor de feitelijke plaatsing zijn geďndiceerd. Dit om te
voorkomen dat personen in de Wsw terechtkomen die niet tot de doelgroep
behoren.
Personen die buiten de
doelgroep van de
wet vallen, moeten apart worden geregistreerd teneinde te kunnen blijven volgen of deze personen
op andere wijze arbeid
kunnen aanvaarden. Dit is geregeld in een ministeriële regeling op
basis van artikel 13, derde en vijfde lid, van
de
wet [zie Regeling statistiek sociale
werkvoorziening, red.].
Artikel
12.
Overgangsrecht terugkeergarantie
Artikel
7, zesde, zevende
en achtste lid, regelt terugkeergaranties voor mensen die onder de
nieuwe wet in dienst zijn getreden. Artikel 12 regelt daarnaast ook de terugkeergaranties voor personen die reeds op basis
van de Wet Sociale Werkvoorziening (en hierna te noemen regelingen in verband met begeleid
werken) werkzaam waren. Deze kunnen, in tegenstelling tot de
regelingen van artikel 7, zesde, zevende en achtste lid, zonder indicatie of
herindicatie weer instromen in de sociale werkvoorziening. In het derde lid is voor
de daar bedoelde groep tevens geregeld dat een nieuwe
dienstbetrekking weer wordt aangegaan op basis van de rechten en verplichtingen
die voor hen bestonden op basis van hun laatste dienstbetrekking
in de sociale werkvoorziening. De garantie geldt, met uitzondering voor de
mensen die begeleid werken, voor één jaar. Voor personen die
begeleid werken is aansluiting gezocht bij de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling vergoeding
persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers. De
terugkeergarantie geldt hier onverkort (zolang men tot de doelgroep behoort) voor
personen die begeleid werken en gelijktijdig onder de beide genoemde regelingen vielen.
Artikel
13.
Inwerkingtreding
Dit besluit zal na de
daarvoor geldende voorhangprocedure bij het parlement, door middel
van een afzonderlijk inwerkingtredingsbesluit, met ingang van 1 januari
1998 in werking treden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
BIJLAGE
I
behorende bij
Besluit indicatie sociale werkvoorziening, artikel 3, eerste lid
|
|