|
BESLUIT van 24 september
2004 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter
uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening
alsmede de bepalingen betreffende de indicatie en herindicatie in het
kader van genoemde wet in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juni 2004, nr. ABG/GA/04/40953;
Gelet op de artikelen 1,
derde lid, 6, tweede lid, onderdeel a,
7, derde lid, 8,
derde, vijfde en zevende lid, 9, derde lid, 11,
vijfde lid, en 15, derde lid, van de Wet
sociale werkvoorziening alsmede artikel 21a,
tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
De Raad van State
gehoord (advies van 29 juli 2004, nr. W12.04.0246/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 september
2004, Directie Arbeidsmarktbeleid Bijzondere Groepen, nr. ABG/GA/04/63309;
Hebben goed gevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Indicatie
en herindicatie
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet sociale werkvoorziening;
b. aanvrager: de persoon die
een aanvraag voor indicatie heeft ingediend of namens wie een
aanvraag voor indicatie is ingediend;
c. indicatiebeschikking: de
beschikking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van
de wet;
d. sociale werkvoorziening:
de arbeidsomgeving waar gewerkt wordt in een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de
wet;
e. begeleid werken: de
arbeid, bedoeld in hoofdstuk 3 van de
wet;
f.
beperkingen van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard: alle
beperkingen die samenhangen met stoornissen van functies of anatomische
eigenschappen zoals gekwalificeerd in de Nederlandse vertaling van de
International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF)
van de Wereld Gezondheidsorganisatie en gespecificeerd in de
hoofdstukken 1 tot en met 8 van de classificaties van Functies en
Anatomische eigenschappen van de ICF, zoals deze luiden op 1 januari
2008;
g. aanpassingen: aanpassingen met behulp waarvan door de geïndiceerde
arbeid kan worden verricht, die betrekking hebben op:
1º. technische aanpassingen in de werkplek en werkomgeving;
2º. organisatorische aanpassingen in het werk;
3º. speciale begeleiding bij het werk;
4º. aanpassing van de werktijd;
5º. aanpassing van het werktempo;
h.
begeleidingsorganisatie: een organisatie die de arbeidsinpassing van de
geïndiceerde, met inbegrip van de begeleiding op zijn werkplek
gedurende het begeleid werken, verzorgt.
Art. 2.
De aanvraag
-1. Een aanvraag tot indicatie wordt ingediend door of namens de
aanvrager bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Ondertekent de
aanvrager de aanvraag tot indicatie niet zelf, dan wordt de reden
daarvan vermeld.
-2. In de aanvraag wordt aangegeven of de aanvrager toestemming geeft tot
het zo nodig raadplegen van behandelend artsen of psychologen en het
gebruik maken van bij dezen aanwezige medische of psychologische
gegevens.
-3. Na ontvangst van de aanvraag toetst het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de woonplaats van de aanvrager en draagt er zo nodig zorg voor
dat de aanvrager als werkzoekende ingeschreven staat bij haar
organisatie.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen tekent onverwijld de datum
van ontvangst van de aanvraag aan en zendt de aanvrager, of, indien
namens hem een aanvraag is ingediend, degene die namens hem de aanvraag
heeft ingediend, een bewijs van
ontvangst.
Art. 3.
Het onderzoek [BW] [BW08]
-1. In het kader van de aanvraag tot indicatie verricht
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, met inachtneming van de
bijlage behorend
bij dit besluit, onderzoek naar:
a. de beperkingen van de aanvrager van lichamelijke, verstandelijke en
psychische aard;
b. de mogelijkheid dat de aanvrager in staat is passende arbeid te
verrichten onder normale omstandigheden, zonder dat er sprake is van
aanpassingen;
c. de aanpassingen die voor de aanvrager noodzakelijk zijn en de vraag
of deze binnen redelijke grenzen in een normale arbeidsomgeving kunnen
worden gerealiseerd;
d. de mogelijkheid dat de aanvrager met de aanpassingen in staat is
regelmatig arbeid in de sociale werkvoorziening of begeleid werken te
verrichten;
e. de indeling in een arbeidshandicapcategorie als bedoeld in
artikel 4, eerste lid;
f. de mogelijkheid dat de aanvrager een advies voor begeleid werken kan
worden gegeven.
-2. Het onderzoek wordt op adequate wijze verricht door personen die over
voldoende deskundigheid beschikken.
-3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer bij het onderzoek
een arbeidsdeskundige, een arts en een psycholoog wordt betrokken.
Daarbij worden ook regels gesteld met betrekking tot de onverenigbaarheid van
andere functies met die van deskundige als bedoeld in dit lid. [Ruswbw]
[Ruswbw08]
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over
de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het onderzoek
uitvoert.
Art. 4.
De indicatie [BW] [BW08]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen deelt de geïndiceerde in de
arbeidshandicapcategorie matig of ernstig in, op grond van de
noodzakelijke aanpassingen en van het prestatieniveau volgens de bijlage
behorend bij dit besluit.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt van de geïndiceerde de
geldigheidsduur van de indicatie vast. Deze bedraagt minimaal één en
maximaal 50 jaar.
-3. De indicatiebeschikking bevat bij een
geïndiceerde tevens:
a. een advies over de eventuele
aanpassingen die in eerste aanleg noodzakelijk worden bevonden bij het
verrichten van arbeid;
b. een advies of hij in staat is tot
begeleid werken.
-4. Indien de aanvrager niet wordt
geïndiceerd, omdat hij ook onder
normale omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat wordt geacht,
bevat de indicatie tevens het advies, bedoeld in artikel
30d, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-5. Indien de aanvrager niet wordt
geïndiceerd, omdat hij ook onder
aangepaste omstandigheden niet tot regelmatige arbeid is staat wordt
geacht, bevat de indicatie tevens een gericht advies betreffende de
doorgeleiding naar een indicatie voor een voorziening voor
ondersteunende en activerende begeleiding in het kader van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de geldigheidsduur van de indicatie.
Art. 5.
Mededeling
indicatie en intrekking beschikking
-1. De indicatiebeschikking wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk na vaststelling toegezonden aan de
geïndiceerde, of, indien namens hem een aanvraag is ingediend, degene
die namens hem de aanvraag heeft ingediend, aan het college van de gemeente
waar de geïndiceerde woonachtig is en, voor zover van toepassing, aan
de in
artikel 2, tweede lid, van de de wet
bedoelde rechtspersoon.
-2. Indien de aanvrager niet wordt geïndiceerd, wordt dat besluit door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo spoedig mogelijk na vaststelling
toegezonden aan hem, het college van de
gemeente waar de aanvrager woonachtig is.
-3. Indien de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking is ingetrokken of vervallen op grond van artikel
12, derde lid of vierde lid, onderdeel a of b, van de wet,
bericht het college van de gemeente waar de voormalig geïndiceerde
woont in afschrift het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-4. Bij de toepassing van het derde lid
wordt de werknemer die buiten Nederland woont als inwoner aangemerkt van
de gemeente waarin hij laatstelijk in Nederland woonde.
Art. 6.
Herindicatie
-1. Telkens uiterlijk zestien weken vóór
het verstrijken van de geldigheidsduur van een indicatie vraagt het
college van de gemeente
waar de geïndiceerde woont namens de geïndiceerde een herindicatie aan
bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Bij de aanvraag voor een herindicatie verstrekt het college aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in ieder geval recente gegevens betreffende:
a. de wijze van functioneren van de geïndiceerde in de sociale
werkvoorziening of het begeleid werken; en
b. de uitvoering van de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen afgegeven adviezen.
-3. Bij de aanvraag voor een herindicatie
op grond van artikel 11, derde lid, van
de wet
verstrekt het college in ieder geval tevens een re-integratieverslag als
bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
-4. Onverminderd het eerste lid vraagt het
college van de gemeente waar de geïndiceerde woont op verzoek van of
namens de geïndiceerde een herindicatie aan bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een eerder tijdstip dan bedoeld in het eerste lid.
Het tweede lid is van toepassing.
-5. De artikelen 2, tweede lid,
3, 4 en 5, eerste,
tweede en vierde lid, zijn op een aanvraag tot herindicatie van
overeenkomstige toepassing.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betrekt bij een besluit over
de herindicatie de op grond van het tweede lid van het college verkregen gegevens.
Art. 7.
Advies bij
voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking
Bij zijn advies, bedoeld in artikel 6, derde lid, van
de wet, betrekt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de krachtens artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 gestelde regels met
betrekking tot de toestemming.
Art. 8.
Wachtlijst
-1.
Plaatsing op de wachtlijst geschiedt op volgorde van de datum van de
indicatiebeschikking.
-2. De plaatsing op de wachtlijst wordt
beëindigd met ingang van de dag dat betrokkene:
a. een dienstbetrekking als bedoeld
in artikel 2,
eerste lid, of artikel 7 van de wet
aanvaardt;
b. zich blijvend in een andere gemeente
vestigt;
c. na een herindicatie als bedoeld artikel
11 van de wet
niet langer tot de doelgroep behoort;
d. met toepassing van artikel
12 van de wet
zijn indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking verliest; of
e. niet beschikbaar is om een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, of artikel 7 van de wet
te aanvaarden. De in de aanhef bedoelde dag wordt onverwijld
geregistreerd.
-3. Met betrekking tot degenen die op 31
december 2007 op de wachtlijst staan, geldt voor de toepassing van het
eerste lid de datum van aanvraag tot indicatie als datum van de
indicatiebeschikking.
-4. Indien de geïndiceerde zich blijvend
in een andere gemeente vestigt, worden zijn gegevens door de gemeente
waar hij gevestigd was, overgedragen aan de gemeente waar hij zich
gevestigd heeft. De gemeente waar de geïndiceerde zich gevestigd heeft,
plaatst hem op de wachtlijst overeenkomstig het eerste en derde lid.
-5. Het college verleent aan de
geïndiceerde die op de wachtlijst is geplaatst op diens verzoek
zodanige inzage in de geregistreerde gegevens dat deze kan controleren
of ten aanzien van hem de volgorde van plaatsing, bedoeld in het eerste
juncto derde en vierde lid, is toegepast.
-6. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld wanneer geïndiceerden beschikbaar zijn om een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, of artikel 7 van de wet
te aanvaarden. [Ruswbw08]
Art. 9.
Voorrangsgarantie
-1. Een geïndiceerde die arbeid gaat
verrichten buiten het kader van de wet en
vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt, wordt op zijn
verzoek en indien hij blijkens een nieuwe indicatiebeschikking tot de
doelgroep behoort, door het college op de oorspronkelijke datum van de
indicatiebeschikking op de wachtlijst geplaatst.
-2. Een werknemer die werkloos wordt, wordt
indien hij nog geïndiceerd is, op zijn verzoek door het college op de
oorspronkelijke datum van de indicatiebeschikking op de wachtlijst
geplaatst.
HOOFDSTUK
2
Begeleid
werken
Art. 10.
Vervallen.
Art. 11.
Arbeidsinpassing
door de gemeente
-1. Bij het tot stand doen brengen van begeleid
werken draagt het
college zorg voor de arbeidsinpassing met
inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde op zijn werkplek.
-2. Het college kan bij de taak op grond
van het eerste lid een begeleidingsorganisatie inschakelen en deelt dit,
indien hij daartoe wil overgaan, mee aan de geïndiceerde. Het college
biedt daarbij de geïndiceerde de keuze uit ten minste twee
begeleidingsorganisaties.
-3. Indien het college niet binnen zes
maanden na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, voor de
geïndiceerde begeleid werken tot stand heeft gebracht, kan de
geïndiceerde verzoeken een door hem aangewezen begeleidingsorganisatie
in te schakelen ten behoeve van de totstandkoming van een
dienstbetrekking. Het college willigt het verzoek van de geïndiceerde
in, tenzij het verzoek kennelijk onredelijk is.
Art. 12.
Vervallen.
Art. 13.
Vervallen.
Art. 14.
Wijziging
begeleidingsorganisatie
-1. Indien de geïndiceerde begeleid werkt, kan hij het college gemotiveerd verzoeken een andere
begeleidingsorganisatie in te schakelen voor begeleiding op zijn
werkplek, dan wel het college gemotiveerd
verzoeken voor arbeidsinpassing ten behoeve van ander begeleid werk en
begeleiding op zijn werkplek zorg te dragen. Het college willigt het verzoek van de geïndiceerde in,
tenzij het verzoek kennelijk onredelijk is.
-2. Indien de geïndiceerde begeleid werkt,
kan het college met instemming van de geïndiceerde een andere
begeleidingsorganisatie inschakelen voor begeleiding op zijn werkplek.
De instemming van de geïndiceerde kan achterwege blijven indien de
wijziging van begeleidingsorganisatie noodzakelijk is voor een adequate
begeleiding op de werkplek of zonder de wijziging de kosten van de
begeleiding niet in een redelijke verhouding staan tot het resultaat.
HOOFDSTUK
3
Financiering
Art. 15.
Arbeidsjaren
-1. Bij de bepaling van het aantal
gerealiseerde arbeidsjaren, bedoeld in de artikelen
9 en 10 van de wet
en artikel 18, wordt:
a. onder het vervullen van een
dienstbetrekking niet verstaan de situatie dat de werknemer niet werkt
tenzij hij loon geniet op grond van artikel 628, 629 of 639 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. onder geïndiceerde mede verstaan
de persoon die op 31 december 1997 een dienstbetrekking heeft op grond
van de Wet Sociale Werkvoorziening zolang de dienstbetrekking voortduurt
alsmede de niet langer geïndiceerde persoon wiens indicatiebeschikking
of herindicatiebeschikking tijdens de duur van de dienstbetrekking is
ingetrokken of vervallen of van wie de geldigheidsduur van de indicatie
tijdens de duur van de dienstbetrekking is verlopen;
c. een gerealiseerd arbeidsjaar met
1,25 vermenigvuldigd voor een geïndiceerde ingezetene ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie ernstig alsmede voor degene, bedoeld in
onderdeel b, die laatstelijk was ingedeeld in die
arbeidshandicapcategorie;
d. het totaal van de door het
college gerealiseerde arbeidsjaren berekend op honderdsten nauwkeurig,
waarbij vijfduizendste of meer naar boven wordt afgerond op een
honderdste.
Art. 16.
Berekening taakstelling
-1. Het op grond van
artikel 8, tweede lid, van de wet
vastgestelde aantal bij de uitkering, bedoeld in artikel
8, eerste lid, van de wet, behorende
minimumaantal arbeidsjaren wordt voor het jaar t als volgt vastgesteld:
(A / B) x (C – D)
waarbij:
A staat voor het aantal geïndiceerde inwoners van de gemeente
dat een dienstbetrekking heeft of op de wachtlijst staat op 31 december
van het jaar t-2 volgens de bijlage, bedoeld in artikel
13, vierde lid, van de wet, en volgens de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 1,
tweede lid, onderdeel a, van de wet,
zoals die bijlage en verantwoordingsinformatie luiden op 15 augustus
van het jaar t-1;
B staat voor het aantal geïndiceerde inwoners van alle gemeenten samen
dat een dienstbetrekking heeft of op de wachtlijst staat op 31 december
van het jaar t-2 volgens het totaal van de bijlagen, bedoeld in artikel
13, vierde lid, van de wet, en van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 1,
tweede lid, onderdeel a, van de wet,
zoals die bijlagen en verantwoordingsinformatie luiden op 15 augustus
van het jaar t-1;
C staat voor het bij wet vast te stellen minimumaantal arbeidsjaren voor
alle gemeenten samen voor het jaar t;
D staat voor het bij ministeriële regeling vastgestelde totaal aantal
arbeidsjaren nodig voor de toepassing van het zesde lid. [Ruswbw08]
-2. Bij de berekening van de factoren A en
B in het eerste lid wordt het aantal geïndiceerden dat is ingedeeld in
de arbeidshandicapcategorie ernstig, vermenigvuldigd met 1,25.
-3. Bij de berekening van de factoren A en
B wordt de werknemer die buiten Nederland woont als inwoner aangemerkt
van de gemeente waarin hij laatstelijk in Nederland woonde, zolang de
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1,
derde lid, van de wet voortduurt.
-4. Bij de berekening van de factoren A en
B wordt de persoon die op 31 december 1997 een dienstbetrekking heeft op
grond van de Wet Sociale Werkvoorziening als geïndiceerde aangemerkt
zolang de dienstbetrekking voortduurt, tenzij bij herindicatie is
vastgesteld dat hij niet tot de doelgroep behoort.
-5. Indien de bijlage, bedoeld in artikel
13, vierde lid, van de wet, niet is
ontvangen vóór 15 augustus van het jaar t-1, wordt, bij de berekening
van de factoren A en B in het eerste lid, het aantal geïndiceerde
inwoners van de desbetreffende gemeente dat een dienstbetrekking heeft
of op de wachtlijst staat op 31 december van het jaar t-2 op nihil
gesteld.
-6. Het minimumaantal arbeidsjaren voor het
jaar t wordt vastgesteld op honderdsten nauwkeurig waarbij
vijfduizendste of meer naar boven wordt afgerond op een honderdste en
bedraagt een bij ministeriële regeling bepaald percentage van het voor
de desbetreffende gemeente vastgestelde minimumaantal arbeidsjaren voor
het jaar t-1. [Ruswbw08]
-7. Onze Minister
kan, op een gezamenlijk schriftelijk verzoek van twee colleges ingediend
vóór 1 september van het jaar t, het voor dat jaar op grond van het
eerste tot en met zesde lid voor het ene college vastgesteld
minimumaantal arbeidsjaren verlagen en het op grond van die leden voor
het andere college vastgesteld minimumaantal arbeidsjaren met een gelijk
aantal arbeidsjaren verhogen.
-8. Indien in het jaar t-1 een
herindelingsregeling als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van
de Wet
algemene regels herindeling in werking is getreden en ten gevolge
van deze regeling twee of meer gemeenten worden samengevoegd tot één
gemeente op 1 januari volgend op de dag van inwerkingtreding van de
regeling, wordt het minimumaantal arbeidsjaren voor laatstbedoelde
gemeente vastgesteld op het totaal van de op grond van het eerste tot en
met zesde lid vastgesteld minimumaantal arbeidsjaren voor de
samengevoegde gemeenten.
-9. Indien in het jaar t-1 een
herindelingsregeling als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van
de Wet
algemene regels herindeling in werking is getreden en ten gevolge
van deze regeling een gemeente is opgeheven waardoor het inwonertal van
ten minste twee gemeenten toeneemt op 1 januari volgend op de dag van
inwerkingtreding van de regeling, kan Onze Minister, op een gezamenlijk
schriftelijk verzoek van de betrokken colleges ingediend vóór 1
december van het jaar t-1, het voor het jaar t op grond van het eerste
tot en met zesde lid voor de gemeente die wordt opgeheven vastgesteld
minimumaantal arbeidsjaren verlagen en het op grond van die leden voor
de andere gemeenten vastgesteld minimumaantal arbeidsjaren met een in
totaal gelijk aantal arbeidsjaren verhogen.
Art. 17.
Berekening uitkering
-1. De uitkering aan het college, bedoeld
in artikel
8 van de wet, wordt voor het jaar t als
volgt vastgesteld:
(E / F) x (G – H)
waarbij:
E staat voor het op grond van artikel 16 berekende
minimumaantal arbeidsjaren voor de gemeente
voor het jaar t;
F staat voor het na toepassing van artikel 16
vastgestelde minimumaantal arbeidsjaren voor alle gemeenten samen voor
het jaar t;
G staat voor het voor het jaar t bij wet vast te stellen totale bedrag
dat beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in artikel
8, eerste lid, van de wet;
H staat voor de voor het jaar t bij wet vast te stellen middelen voor de
stimuleringsuitkering begeleid werken.
-2. De uitkering wordt in hele euro’s
vastgesteld, waarbij een halve euro of meer naar boven wordt afgerond.
Art. 18.
Stimuleringsuitkering begeleid werken
-1. De stimuleringsuitkering begeleid
werken aan het college wordt voor het jaar T als volgt vastgesteld:
I x (H / J)
waarbij:
I staat voor het aantal gerealiseerde arbeidsjaren in begeleid werken
van geïndiceerde inwoners van de gemeente in
het jaar t;
H staat voor de voor het jaar T bij wet vast te stellen middelen voor de
stimuleringsuitkering begeleid werken;
J staat voor het aantal gerealiseerde arbeidsjaren in begeleid werken
van geïndiceerde inwoners van alle gemeenten samen in het jaar t;
H/J niet meer bedraagt dan €|3000,00.
-2. Onder begeleid werken als bedoeld in
het eerste lid wordt verstaan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
7 van de wet:
a. waarop niet de collectieve
arbeidsovereenkomst voor de sociale werkvoorziening van toepassing is;
b. waarbij de werkgever niet een
rechtspersoon is als bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van de wet noch een dergelijke
rechtspersoon houder is van aandelen die ten minste de helft van de
stemmen in de algemene vergadering van de werkgever vertegenwoordigen
dan wel anderszins op directe of indirecte wijze de bestuurlijke
zeggenschap heeft binnen de werkgever; en
c. die voldoet aan nader bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden. [Ruswbw08]
-3. De stimuleringsuitkering begeleid
werken wordt in hele euro’s vastgesteld, waarbij een halve euro of
meer naar boven wordt afgerond.
Art. 19.
Vervallen.
Art. 20.
Vervallen.
Art. 21.
Vervallen.
HOOFDSTUK
4
Subsidievaststelling
Vervallen
Art. 22.
Vervallen.
Art. 23.
Vervallen.
Art. 24.
Vervallen.
Art. 25.
Vervallen.
Art. 26.
Vervallen.
Art. 27.
Vervallen.
HOOFDSTUK
5
Slot- en
overgangsbepalingen
Art. 28.
Overgangsrecht voorrangsgarantie
-1. In afwijking van artikel
9, tweede lid, wordt een persoon die op 31
december 1997 werkzaam was met toepassing van de artikelen 11 en
12 van
de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte
werknemers, zoals deze regelingen luidden tot die datum, en die na die
datum deze arbeidsovereenkomst in het kader van de wet
heeft voortgezet,
op zijn verzoek, door het college op de
wachtlijst geplaatst in de volgorde van de datum waarop hij tot genoemde
regelingen was toegelaten en krijgt hij bij voorrang begeleid werken
aangeboden indien hij onvrijwillig werkloos wordt.
-2. In afwijking van artikel
9, eerste lid, wordt een persoon die op 31
december 1997 een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale
Werkvoorziening (Stb. 1967, 687) zoals die luidde tot die datum en die
na die datum deze dienstbetrekking heeft voortgezet, op zijn verzoek,
door het college wederom op de wachtlijst
geplaatst in de volgorde van de datum waarop hij tot de personenkring
van de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687) was toegelaten en
krijgt hij bij voorrang een dienstbetrekking aangeboden indien hij in
aansluiting op zijn dienstbetrekking arbeid gaat verrichten buiten het
kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos
wordt. Daarbij wordt zijn nieuwe dienstbetrekking aangemerkt als een
voortzetting van zijn eerdere dienstbetrekking in de zin van de wet.
Art. 29.
Overgangsrecht
financiële indeling oude populatie
-1. Personen die op 31 december 1997 al in de sociale werkvoorziening
werkzaam waren, worden, zolang die dienstbetrekking voortduurt,
ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig.
-2. Personen met beperkingen tengevolge van stoornissen, zoals
gekwalificeerd in de internationale classificatie van stoornissen,
beperkingen en handicaps onder punt 50.0 tot en met 50.5, 51 en 52, en
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet
werkzaam
zijn bij de blindenwerkplaats Blizo, behorende tot de bestuurlijke
eenheid WSD te Boxtel, en de Blindenwerkplaats Proson, behorende tot de
bestuurlijke eenheid DSW te Nunspeet, worden, zolang die
dienstbetrekking voortduurt, ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie
ernstig.
Art. 30.
Intrekking
besluiten
-1. Het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening, het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, het Besluit
financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening en het Besluit
vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening worden ingetrokken.
-2. De in het eerste lid genoemde besluiten, zoals deze luidden op 31
december 2004, blijven van toepassing op de subsidievaststelling over
perioden die gelegen zijn vóór 1 januari 2005, met dien verstande dat
artikel 11 van het Besluit vaststelling subsidie Wet sociale
werkvoorziening bij de subsidievaststelling over de subsidiejaren 2003
en 2004 niet wordt toegepast.
Art.
30a. Overgangsartikel voor het jaar 2008
-1. Voor de toepassing van artikel
16, eerste lid, voor het jaar 2008 staat bij de berekening van de
factoren A en B:
A voor het aantal geïndiceerde inwoners van de gemeente
dat een dienstbetrekking dan wel een arbeidsovereenkomst heeft of op de
wachtlijst staat op 31 december 2006 volgens de op verzoek van Onze Minister
verstrekte inlichtingen dienaangaande zoals deze luiden op 10 december
2007;
B voor het aantal geïndiceerde inwoners van alle gemeenten samen dat
een dienstbetrekking dan wel een arbeidsovereenkomst heeft of op de
wachtlijst staat op 31 december 2006 volgens het totaal van de op
verzoek van Onze Minister verstrekte inlichtingen dienaangaande zoals
deze luiden op 10 december 2007.
-2. Indien de inlichtingen, bedoeld in het
eerste lid, niet uiterlijk op 10 december 2007 in het bezit zijn gesteld
van Onze Minister of niet zijn voorzien van een goedkeurende verklaring
van de accountant, wordt bij de toepassing van het eerste lid voor de
desbetreffende gemeente voor "31 december 2006" gelezen: 31
december 2005.
-3. Voor de toepassing van artikel
16, zesde lid, voor het jaar 2008 wordt voor "een bij
ministeriële regeling bepaald percentage van het voor de desbetreffende
gemeente vastgestelde minimumaantal arbeidsjaren voor het jaar t-1"
gelezen: 97,5 procent van het aantal voor de inwoners van de
desbetreffende gemeente op 30 juni 2007 gerealiseerde dienstbetrekkingen
en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken
2 en 3 van de wet,
zoals die luidde op die datum, uitgedrukt in standaardeenheden, volgens
de op verzoek van Onze Minister verstrekte inlichtingen dienaangaande,
zoals deze luiden op 10 december 2007.
-4. Indien de inlichtingen, bedoeld in het
derde lid, niet uiterlijk op 10 december 2007 in het bezit zijn gesteld
van Onze Minister of niet zijn voorzien van een goedkeurende verklaring
van de accountant, zijn het derde lid en artikel 16,
zesde lid, voor de desbetreffende gemeente niet van toepassing.
-5. Indien het op grond van artikel
16 in samenhang met de eerste vier leden van dit artikel
vastgestelde minimumaantal arbeidsjaren voor een gemeente voor het jaar
2008 minder bedraagt dan hetgeen het geval zou zijn indien factor D,
bedoeld in artikel 16, zesde lid, nihil zou bedragen
en het derde lid en artikel 16, zesde lid, niet van
toepassing zouden zijn, wordt het minimumaantal arbeidsjaren van de
desbetreffende gemeente opgehoogd met:
(K – L) / M x 986,71
waarbij:
K staat voor het voor de desbetreffende gemeente voor het jaar 2008 vast
te stellen aantal arbeidsjaren indien factor D, bedoeld in het eerste
lid, nihil zou bedragen en het derde lid en artikel 16,
zesde lid, niet van toepassing zouden zijn;
L staat voor het op grond van artikel 16 in samenhang
met de eerste vier leden van dit artikel vastgestelde minimumaantal
arbeidsjaren voor de desbetreffende gemeente voor het jaar 2008;
M staat voor (K – L) voor alle desbetreffende gemeenten samen.
-6. Indien het vijfde lid van toepassing is,
wordt de uitkering aan het college, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, verhoogd met:
(K – L) / M x €|25 miljoen.
Art.
30b. Overgangsartikel voor het jaar 2009
Voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, voor
het jaar 2009 staat bij de berekening van de factoren A en B:
A voor het aantal geïndiceerde inwoners van de gemeente
dat een dienstbetrekking dan wel een arbeidsovereenkomst heeft of op de
wachtlijst staat en beschikbaar is om een dienstbetrekking als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, of artikel
7 van de wet
te aanvaarden op 31 december 2007
volgens de bijlage, bedoeld in artikel 13,
vierde lid, van de wet,
zoals die bijlage luidt op 1 september 2008;
B voor het aantal geïndiceerde inwoners van alle gemeenten samen dat
een dienstbetrekking dan wel een arbeidsovereenkomst heeft of op de
wachtlijst staat en beschikbaar is om een dienstbetrekking als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, of artikel
7 van de wet
te aanvaarden op 31 december 2007
volgens het totaal van de bijlagen, bedoeld in artikel
13, vierde lid, van de wet,
zoals die bijlagen luiden op 1 september 2008.
Art. 31.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Art. 32.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage
in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 24
september 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de vijfde
oktober
2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[24 september 2004]
Algemeen
1. Inleiding
Bij inwerkingtreding op 1
januari 2005 (Besluit van 3 augustus 2004, Stb.
2004, 424) van de Wet van 30 juni
2004 tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening en de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de
overgang van de indicatiestelling voor de sociale werkvoorziening van gemeenten naar de Centrale organisatie werk en
inkomen en verruiming van
de mogelijkheden tot begeleid werken in het kader van de Wet sociale
werkvoorziening, alsmede een aanpassing van de Algemene wet
bestuursrecht en de Beroepswet ter zake (Stb. 2004, 325) is het noodzakelijk ook de
algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) aan te passen.
Enerzijds is dit
noodzakelijk vanwege de veranderde rolverdeling tussen CWI
en de gemeenten bij de
indicatiestelling en de daarmee samenhangende veranderde bestuurlijke
verhoudingen, anderzijds is ook expliciet gekeken naar mogelijkheden
van vereenvoudiging en deregulering van regelgeving, conform het Actieplan vereenvoudiging
SZW-regelgeving
(Kamerstukken II 2002-2003,
28 600 XV, nr. 24). Tevens zijn bij de aanpassingen de aanbevelingen van de
Raad
voor werk en inkomen betrokken, gedaan in het advies "De gewoonste zaak van de wereld, voorstellen tot
modernisering van de Wet
sociale werkvoorziening", waarop het kabinet heeft gereageerd bij brief
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 30 september 2003 (Kamerstukken II
2003-2004,
26 448, nr. 87). Ten slotte
wordt met dit besluit uitvoering gegeven aan de motie-Verburg c.s.
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 200 XV, nr. 46), waarin de regering wordt
verzocht
in overleg met alle betrokken partijen de wachttijd voor
Wsw-geïndiceerden niet langer dan maximaal twaalf maanden te laten duren.
Het ontwerp-besluit is
afgestemd met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), het College bescherming
persoonsgegevens, de Landelijke Cliëntenraad en de
brancheorganisatie Cedris.
2. Vereenvoudiging
regelgeving
Zoals hierboven reeds is
gememoreerd, is ervoor gekozen in het kader van de aanpassing van de
algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Wsw tevens
na te gaan of, en zo ja, op welke wijze die regelgeving kan worden
vereenvoudigd. Het betreft: het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening, het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, het Besluit
financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening en het Besluit
vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening. In het kader van de
vereenvoudiging van de regelgeving en de overzichtelijkheid is ervoor
gekozen de genoemde besluiten in te trekken en te vervangen door één
nieuwe algemene maatregel van bestuur. Eenzelfde systematiek zal worden toegepast met betrekking tot de
ministeriële regelingen ter
uitvoering van de Wsw. Daarmee ontstaat het, reeds voor veel SZW-wetten
geldende, principe van: één wet, één algemene maatregel van
bestuur en één ministeriële regeling.
Vanwege de leesbaarheid van
de nota van toelichting op dit integrale nieuwe besluit is ervoor
gekozen de nog relevante delen uit de oorspronkelijke nota’s van toelichting op
de afzonderlijke besluiten te herhalen en niet te verwijzen naar die
toelichtingen.
3. Opbouw van het besluit
Het besluit is opgebouwd uit
vijf hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 behandelt met
name de indicatie en herindicatie. Deze regels waren voorheen
opgenomen in het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening. In
hoofdstuk 1 zijn thans regels opgenomen ten aanzien van de (her)indicatiestelling door
CWI (aanvraag, onderzoek, indicatie,
mededeling indicatie en herindicatie), het advies van CWI bij voorgenomen
opzegging van de
dienstbetrekking, de wachtlijst (die een registratie omvat van
personen die langer dan twaalf maanden op de wachtlijst staan) en de
terugkeergarantie. Het indicatie- en herindicatieproces is teruggebracht van drie
naar één geïntegreerde beslistabel, welke als bijlage
deel uitmaakt
van dit besluit. De arbeidshandicapindeling is van drie tot twee
categorieën teruggebracht. Als gevolg van de overdracht van de indicatiestelling aan
CWI zijn de bepalingen uit het Besluit indicatie sociale werkvoorziening die
betrekking hadden op de werkwijze van de gemeente
vervallen, evenals
die ten aanzien van de indicatiecommissie.
Hoofdstuk 2 behandelt het
begeleid werken dat inhoudelijk nauwelijks is gewijzigd. Regels daarover
waren voorheen opgenomen in het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening.
Tengevolge van het in de inleiding
genoemde wetsvoorstel zijn de regels betreffende begeleidingsorganisaties
versoepeld.
Hoofdstuk 3 bevat de regels
van het financieel verdeelmodel. Daarin is geregeld dat de gemeente
voor het lopende jaar nog een wijziging van uitvoering kan vragen. Dit
verzoek moet zij vóór 1 juli van het lopende jaar hebben gedaan. Voor het
overige zijn de regels die voorheen stonden in het Besluit
financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening
overgenomen
(inclusief de nieuwe wijze
van berekening van de zogenoemde garantiefactor). Een nieuw element bij de
berekening van de gemeentelijke subsidie is dat bij de
toekenning van de subsidie rekening zal worden gehouden met personen die
langer dan twaalf maanden beschikbaar zijn voor arbeid en nog op de
wachtlijst staan.
Hoofdstuk 4 gaat over de
subsidievaststelling. Deze regels komen uit het Besluit
vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening. Gehandhaafd zijn de bepalingen waarin
een directe relatie is te leggen tussen tekortkoming en financieel
beslag. Ten aanzien van tekortkomingen die geen directe relatie hebben
met het financieel beslag is bepaald dat regeling hiervan zal
geschieden bij ministeriële regeling.
In hoofdstuk 5 zijn ten
slotte slot- en overgangsbepalingen opgenomen. Deels zijn overgangsregels
afkomstig uit de hiervoor genoemde besluiten, deels zijn ook nieuwe
bepalingen opgenomen in verband met de inwerkingtreding van dit
besluit.
4. Overdracht
indicatiestelling
Bij inwerkingtreding van
de
in de inleiding genoemde wet is de overdracht van de
indicatiestelling voor de Wsw naar CWI
een feit. De overdracht van de
indicatiestelling van de gemeente aan CWI heeft tot doel de onafhankelijkheid
van de indicatiestelling te bevorderen, een landelijke uniforme
uitvoering van de indicatiestelling te bevorderen en een betere aansluiting bij
andere voorzieningen te bewerkstelligen bij afwijzing voor de Wsw.
Het leggen van de
indicatiestelling bij CWI brengt logischerwijs met zich dat ook de voorbereiding,
waaronder intake en verzamelen van informatie, onafhankelijk van de
uitvoering door SW-bedrijven [socialewerkvoorzieningsbedrijven, red.]
wordt verricht. CWI gaat dan ook de gehele
voorbereiding verzorgen. Om ervoor te zorgen dat de
indicatiestelling zorgvuldig en landelijk uniform met toepassing van eenvormige
uitvoeringsregels plaatsvindt, zal CWI zelf hiervoor een
kwaliteitszorgsysteem inrichten. In bestuurlijke afspraken met CWI zal dit blijvend een
punt van bijzondere aandacht zijn.
Personen die in aanmerking
willen komen voor werken in het kader van de sociale werkvoorziening
of begeleid werken in het kader van de Wsw zullen zich voortaan dus
moeten aanmelden bij CWI in plaats van bij de gemeente.
Hoewel inschrijving als
werkzoekende bij CWI op grond van de wet een voorwaarde is, kan het
voorkomen dat bij aanmelding voor werken in de sociale werkvoorziening
blijkt dat de betrokkene niet is ingeschreven. CWI zal dan gelijktijdig met de
aanmelding voor het werken in de sociale werkvoorziening de
inschrijving als werkzoekende verzorgen. Zonder betekenis is de inschrijving
niet. Immers de intake en aanbodanalyse van de werkzoekende gaat aan de
indicatiestelling Wsw vooraf. Hierin is de grond gelegen dat
inschrijving als werkzoekende bij CWI alleen een rol speelt bij indiening van de
aanvraag voor indicatie en niet in geval van herindicatie.
CWI verricht onderzoek,
waaronder zo nodig het verzamelen van informatie bij derden en het
eventueel aanvragen van een expertiseonderzoek, en neemt een besluit over de
indicatie Wsw. Conform het advies van de Raad voor
werk
en inkomen (RWI) is hiervoor in het onderhavige besluit een
termijn van zestien weken opgenomen. Ook CWI heeft aangegeven een termijn van
zestien weken hiervoor voldoende te achten. Het besluit van CWI heeft
betrekking op het wel of niet behoren tot de doelgroep van de Wsw en de arbeidshandicapcategorie die bepalend is
voor de hoogte van de
subsidie waarvoor de gemeente in aanmerking komt. Tevens bepaalt CWI de
geldigheidsduur van de indicatie, waarbij CWI wel gebonden is aan een
in het onderhavige besluit opgenomen minimale en maximale
geldigheidsduur. Tegen het besluit van CWI staan de reguliere mogelijkheden
van bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht
open.
Naast het nemen van een
besluit over de indicatie adviseert CWI het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de
geïndiceerde uiteindelijk
een Wsw arbeidsplaats moet aanbieden, over de aanpassingen die nodig zijn
bij het verrichten van arbeid en over het al dan niet in aanmerking komen
voor begeleid werken. Bij een herindicatie geldt het bovenstaande in
principe onverkort. In onderhavig besluit wordt geregeld dat de gemeente
maximaal zestien weken vóór het einde van de geldigheidsduur van de indicatie bij CWI een aanvraag tot herindicatie
indient.
Het besluit van
CWI kan
echter ook een afwijzing voor de aanvrager inhouden. Wordt de aanvrager
te zwak voor de Wsw bevonden, dan kan doorverwijzing naar de
indicatiestelling voor een voorziening voor ondersteunende en
activerende begeleiding in het kader van de AWBZ plaatsvinden. Indien CWI van
oordeel is dat de aanvrager op grond van de toelatingscriteria Wsw ook
buiten de sociale werkvoorziening op de arbeidsmarkt aan de slag
kan, zal CWI een reïntegratieadvies uitbrengen aan de gemeente
of het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.].
Van belang hierbij is dat de cliënt in principe niet weer opnieuw
voor de intake in aanmerking behoeft te worden gebracht, tenzij het
resultaat van de - afwijzende - indicatiestelling Wsw aanleiding zou zijn
(indien dat nieuwe informatie oplevert) de intake, met
administratieve indeling van de cliënt, te herzien.
Van haar beslissing stelt
CWI niet alleen de aanvrager op de hoogte, maar ook de gemeente als
uitvoerder van de Wsw en als de betrokkene een uitkering ontvangt de
desbetreffende uitkeringsinstantie (de gemeente of het UWV).
Zoals in de kabinetsreactie
op het advies van de RWI is aangegeven, blijft de aanmelding voor de Wsw
en de aanvraag van de Wsw-indicatie geschieden op basis van
volstrekte vrijwilligheid, maar - na een positieve indicatie - is aanvaarding
van arbeid in het kader van de Wsw niet langer vrijblijvend. Het college
van burgemeester en wethouders heeft met de wetswijziging de
discretionaire bevoegdheid gekregen om te besluiten de indicatie Wsw in te
trekken
indien betrokkene een door de gemeente
aangeboden passende Wsw-functie onder aangepaste omstandigheden
weigert. Hiermee beschikt
het college over een instrument waarmee voorkomen kan worden dat
Wsw-geïndiceerden met een uitkering die niet de intentie hebben om een
Wsw-arbeidsplaats te aanvaarden zich kunnen onttrekken aan (verdere)
reïntegratieverplichtingen.
CWI
heeft een aparte
projectorganisatie in het leven geroepen om het overgangsproces en de
uitvoering in de eerste jaren na de overgang goed te laten verlopen. Op deze
wijze wordt voorkomen dat de uitvoering van de taak door CWI rond de
indicatiestelling onder druk komt te staan als gevolg van een eventuele toename van de huidige taken van CWI.
Onafhankelijke,
objectieve en zorgvuldige besluitvorming
Vanwege de beoogde
objectiviteit en gelijke behandeling is het van belang dat CWI
toetsbare
overwegingen, geobjectiveerde medische, psychologische en
arbeidsdeskundige bevindingen en relevante biografische gegevens als opleiding,
arbeidsverleden en medische geschiedenis als basis neemt voor de beslissing.
Bij aanmelding zal CWI al
de beschikking kunnen hebben over gegevens over scholing en
opleiding van betrokkene, het arbeidsverleden en verder de relevante medische,
psychologische en arbeidskundige gegevens. Voor zover nodig kan CWI deze
aanvullen met gegevens die zij heeft verkregen uit aanvullend onderzoek
van onafhankelijke deskundigen. Op basis hiervan kan CWI dan een
verantwoorde beslissing nemen.
Bij de herindicatie zal
CWI daarnaast ook nog beschikken over de informatie van de gemeente
over het functioneren van de geïndiceerde op zijn arbeidsplaats, mede
in het licht van de realisatie van de bevolen aanpassingen en/of over
de uitvoering van begeleid werken of de gepleegde inspanningen
daartoe.
Toelatingscriteria
Niet alleen de
deskundigheid en de onafhankelijkheid bepalen de zorgvuldigheid en
objectiviteit bij de besluitvorming. Daarbij moeten ook duidelijke criteria zijn
gesteld in een door CWI te bepalen inzichtelijke werkwijze, waarbij aan de
hand van toetsbare bevindingen gemotiveerd antwoord wordt gegeven op
vragen die rechtstreeks voortvloeien uit de
definitie van de
doelgroep. Eén en ander is vastgelegd in een beslistabel die als bijlage
bij het
onderhavige besluit is gevoegd. De beslistabel wijkt niet wezenlijk af van
de
voormalige beslistabellen, maar zij zijn geïntegreerd in één beslistabel en
onduidelijkheden zijn weggenomen.
De vragen in de
beslistabel komen, kort gesteld, op het volgende neer:
1. of de betrokkene
beperkingen heeft van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard;
2. of de betrokkene
vanwege deze beperkingen aangewezen is op werken onder aangepaste omstandigheden;
3. of de betrokkene met
deze beperkingen, en onder aangepaste omstandigheden, in staat
is om regelmatig te werken.
In de bijlage behorende
bij dit besluit is een toelichting opgenomen op de criteria die bij de
beantwoording van de afzonderlijke vragen dienen te worden gehanteerd.
Indelingscriteria
arbeidshandicapcategorieën
Na een positief besluit
over het behoren tot de doelgroep van de Wsw moet
CWI vervolgens de
indeling in een arbeidshandicapcategorie bepalen. Er zijn ten
behoeve van de bepaling van het subsidiebedrag twee
arbeidshandicapcategorieën,
matig en ernstig. Voorheen golden drie categorieën, namelijk
licht, matig en ernstig. Omdat voor de categorie licht tot nu toe niet een
eigen subsidiebedrag was vastgesteld en deze categorie in de praktijk
dus gelijk was aan de categorie matig, is ervoor gekozen de indeling in
twee categorieën te formaliseren. Ook hiervoor gebruikt CWI de in de bijlage
bij dit besluit opgenomen beslistabel. De arbeidshandicapcategorie
wordt bepaald aan de hand van de mate van verstrekkendheid van de
noodzakelijk geachte aanpassingen, in combinatie met het vastgestelde
prestatieniveau.
CWI
zal niet
gedetailleerd de noodzakelijke aanpassingen en beperkingen waarmee rekening moet
worden gehouden, aangeven. Dat kan pas na een functiegericht
onderzoek bij de feitelijke plaatsing en dat is een taak van de gemeente.
Daarbij kan overigens de indeling in de arbeidshandicapcategorie niet meer in het
geding
zijn. Deze is bij de indicatie door CWI immers
vastgesteld. Alleen een herindicatie kan eventueel leiden tot een andere
indeling in een arbeidshandicapcategorie.
Na de feitelijke
indicatiestelling tot werken onder aangepaste omstandigheden gaat CWI
na of het voor
betrokkene mogelijk is begeleid te gaan werken, waarbij
aangepaste omstandigheden worden gerealiseerd in een overigens normale
arbeidsomgeving, met behulp van externe begeleiding. In het
volgende hoofdstuk wordt nader op begeleid werken ingegaan.
Herindicatie
CWI
is tevens belast met
de periodieke herindicatie. Deze herindicatie geldt ook voor degenen
die begeleid werken. Bij de herindicatie wordt door CWI opnieuw de
geldigheidsduur van de indicatie vastgesteld. Bij een indicatie ligt deze
tussen de twee en vijf jaar. Bij een herindicatie geldt een periode tussen de
twee en tien jaar. Een periode van tien jaar kan alleen aan de orde zijn bij
geïndiceerden met een zeer stabiele arbeidshandicap die zijn ingedeeld in de categorie
ernstig en in bijzondere individuele gevallen. Het is niet de bedoeling
dat hiervan sprake is bij geïndiceerden die bij de eerste indicatie op een
korte indicatietermijn zijn gezet. Een dergelijke periode is te kort om te
kunnen besluiten dat een geïndiceerde vervolgens tien jaar een geldige
indicatie behoudt. Nadere bestuurlijke afspraken zullen met CWI worden gemaakt
over de toepassing van indicatietermijnen.
5. Begeleid werken
Bij de inwerkingtreding
van de Wsw per 1 januari 1998 heeft begeleid werken voor
Wsw-geïndiceerden daarin een plaats gekregen. De gemeente
die de subsidie
ontvangt voor een Wsw-geïndiceerde kan deze in de eerste plaats
gebruiken om een "traditionele" arbeidsplaats in een SW-bedrijf te creëren.
Daarnaast kan de gemeente een geïndiceerde plaatsen in de vorm van
detacheringen bij werkgevers buiten een SW-bedrijf. In geval van
detachering blijft de werknemer in dienst van de gemeente. Tot slot kan de
gemeente de geïndiceerde (met een advies hiertoe) begeleid laten
werken. Dan komt de werknemer in dienst van de werkgever. De gemeente
kan de werkgever een subsidie in de loonkosten verstrekken om betrokkene
begeleid te laten werken. De subsidie wordt daarbij enerzijds ingezet
als loonkostensubsidie voor de werkgever die een begeleid werker in
dienst neemt en anderzijds ingezet ter financiering van de bemiddelings- en
begeleidingskosten en eventuele kosten voor de aanpassing van de
werkplek.
De rijkssubsidie zal
daarbij over het algemeen voldoende zijn om het verschil te dekken tussen
het CAO-loon en de loonwaarde van de arbeidsprestatie, plus de
kosten voor bemiddeling, begeleiding en werkplekaanpassingen. Het
is aan de gemeente om hierover een beslissing te nemen. In
het geval dat de subsidie niet voldoende is, zal de gemeente zelf uit eigen
middelen de kosten moeten aanvullen.
De mate van begeleiding
in combinatie met de hoogte van de verstrekte loonkostensubsidie vormt
het inhoudelijke argument om het begeleid werken te beschouwen als
een vorm van arbeid onder aangepaste omstandigheden als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van
de wet.
Zoals in het vorige
hoofdstuk reeds gemeld, gaat CWI naast het beslissen over het al dan
niet behoren tot de doelgroep van de Wsw en het adviseren over de aan
te brengen aanpassingen de gemeente adviseren of de Wsw-geïndiceerden in staat zijn begeleid te werken. Is het
advies van CWI hierover
positief, dan is het vervolgens aan de gemeente om op basis van dit
advies voor betrokkene een begeleid-werkenarbeidsplaats te
organiseren en een begeleidingsorganisatie in te schakelen.
Bij begeleid werken zijn
personen met een Wsw-indicatie werkzaam in dienst van een reguliere
werkgever en kan begeleiding worden geboden door een externe
begeleidingsorganisatie. Met de wetswijziging is de eis in de Wsw vervallen dat
begeleid werken alleen uitgevoerd kan worden door specifieke begeleidingsorganisaties. Ook andere organisaties,
waaronder socialewerkvoorzieningsbedrijven, mogen voortaan de inpassing in de arbeid,
met inbegrip van begeleiding op de werkplek, gaan verzorgen.
De versoepeling van de
organisatievorm ten aanzien van begeleid werken doet niets af aan
het uitgangspunt dat gemeenten begeleid werken zoveel mogelijk
blijven uit- en aanbesteden met inachtneming van de Europese en nationale
regelgeving ter zake, ook wanneer aan gemeente gelieerde bedrijven zoals
SW-bedrijven meedingen.
Ook doet de versoepeling
van de organisatievorm van begeleid werken niets af aan de
keuzevrijheid van de Wsw-geïndiceerde die begeleid kan werken. Hieraan wordt
grote waarde gehecht. Zijn voorkeur voor bepaalde arbeid,
werkgever of begeleidingsorganisatie dient dan ook zwaar te wegen. Het
voorheen werken in een SW-bedrijf mag er niet automatisch toe leiden
dat hij voor plaatsing in en begeleiding bij begeleid werken gehouden
is gebruik te maken van de diensten van het SW-bedrijf.
Eenmaal toegelaten tot de
doelgroep van de Wsw met advies begeleid werken is het aan de
gemeente hieraan invulling te geven. Nu met de wetswijziging de gemeente
de bevoegdheid heeft gekregen tot het laten vervallen van de Wsw-indicatie indien geïndiceerde een aangeboden passende Wsw
arbeidsplaats weigert, is het begeleid-werkenadvies van CWI
minder vrijblijvend
dan voorheen. Thans kan weigering door de betrokkene van een
passende begeleid-werkenplaats uiteindelijk leiden tot een besluit van het
college van burgemeester en wethouders tot het intrekken van zijn
Wsw-indicatie.
Bij herindicatie kan
blijken dat een geïndiceerde met een advies begeleid werken niet
langer tot de doelgroep van de Wsw behoort, bijvoorbeeld omdat de
Wsw aangepaste omstandigheden, de loonkostensubsidie en de speciale
begeleiding niet langer noodzakelijk worden geacht. In dat geval mag worden verwacht dat de werkgever de bestaande
arbeidsovereenkomst
voortzet onder de condities zoals die ook voor andere werknemers in
vergelijkbare functies gelden. Een beëindiging van de arbeidsovereenkomst
door de werkgever om het enkele feit dat de loonkostensubsidie niet
wordt voortgezet, is niet mogelijk. Voor zover het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) van toepassing is, zal de werkgever hiervoor geen toestemming krijgen van
CWI.
Betrokkene levert
blijkens herindicatie immers een volwaardige arbeidsprestatie.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de beëindiging van de begeleiding na
herindicatie. Voor werknemers die niet onder het BBA vallen, gelden
soortgelijke rechtswaarborgen op grond van de voor hen geldende
rechtspositieregelingen.
Opgemerkt wordt nog dat
op grond van artikel 29b van de Ziektewet een werkgever die een
ex-Wsw-er in dienst neemt de eerste vijf jaar geen risico loopt op
loondoorbetaling gedurende ziekteperioden. Ook geldt voor dergelijke personen
de gedifferentieerde WAO-premie niet.
6. Financieel
verdeelmodel
Het financieel
verdeelmodel is niet veranderd, met uitzondering van de wijze waarop de
95%-garantie wordt toegepast en een wijziging van uitvoering door de gemeente. Deze houdt in dat de gemeente vóór 1 juli van het lopende jaar
daartoe een verzoek kan indienen ten behoeve van het lopende jaar.
Eventuele herziening van het model zal worden betrokken bij de tweede
fase van de modernisering van de Wsw. Alle inhoudelijke bepalingen
uit het voormalige Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening
zijn dan ook in het onderhavige besluit overgenomen. Dat betekent
dat het uitgangspunt daarbij vooralsnog het systeem van financiering
blijft zoals dat vorm heeft gekregen in het kader van de
wet van 1998.
Het rijksbudget voor de
sociale werkvoorziening wordt vooraf vastgesteld en gemeenten krijgen drie
maanden voorafgaand aan een begrotingsjaar informatie over de hoogte
van de rijkssubsidie die gemeenten kunnen ontvangen en over
het aantal arbeidsplaatsen dat met die subsidie moet worden gerealiseerd. Hieraan voorafgaand vindt overleg
met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) plaats. Dit overleg heeft ondermeer
betrekking op het aantal landelijk te subsidiëren arbeidsplaatsen, de gemiddelde subsidie per arbeidsplaats en het verschil
in subsidieniveau tussen
de arbeidshandicapcategorie matig en ernstig.
Het handhaven van het uit
1998 daterende financieel verdeelmodel heeft tot gevolg dat ook
de nadere regels die hun plaats hadden gekregen in de Regeling financieel
verdeelmodel sociale werkvoorziening [Regeling financiering en verantwoording Wet
sociale werkvoorziening, red.] zullen worden gehandhaafd; dit
betreft onder meer de subsidiebedragen en de factoren waarmee,
uitgaande van het beschikbare macrobudget, van jaar tot jaar bij de
uiteindelijke verdeling wordt gerekend. De Regeling financieel verdeelmodel
sociale werkvoorziening zal overigens opgaan in een allesomvattende Regeling uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken.
De standaardeenheid
In het verdeelmodel wordt
gerekend met standaardeenheden in de vorm van arbeidsplaatsen
met een 36-urige werkweek die gedurende het gehele kalenderjaar
vervuld worden, waarbij de standaardeenheid is gekoppeld aan de
arbeidshandicapcategorie matig. Dit betekent enerzijds dat
dienstbetrekkingen of arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken met een beslag van
minder dan 36 uur evenredig aan de arbeidsduur worden
meegeteld in de standaardeenheid. Anderzijds vormt de
arbeidshandicapcategorie ernstig een afgeleide van de standaardeenheid voor de categorie matig
en telt zwaarder mee. Zo zal een werknemer die op grond
van een indicatie- of herindicatiebeschikking is ingedeeld in de categorie
ernstig (ten behoeve van een arbeidsplaats van 36 uur) voor meer dan
één standaardeenheid tellen. Bij de invoering van het huidige financieel
verdeelmodel in 1998 was dit wegen van de dienstbetrekkingen en begeleid werken op grond van de zwaarte van de
arbeidshandicap van de
werknemer nieuw. De wegingsfactoren worden ieder jaar opnieuw
bezien.
De subsidies worden in
het huidige verdeelmodel uitgedrukt in standaardeenheden. Ook
alle elementen die bij de berekening van de subsidie een rol spelen
(realisatie, uitstroom en wachtlijst) worden in standaardeenheden
uitgedrukt.
Door de uitdrukking in
standaardeenheden worden de aantallen arbeidsplaatsen en de
mate van arbeidshandicap van de werknemers die deze plaatsen bezetten
met elkaar in verband gebracht. De toekenning gebeurt in de vorm van
een aantal standaardeenheden waarvoor subsidie wordt gegeven. Bij de vaststelling wordt het gerealiseerde aantal
standaardeenheden
vergeleken met het toegekende aantal.
Volume, arbeidsplaatsen
en wachtlijst
Voor de berekening van de
subsidie voor een gemeente vormt het berekende volume van het
voorgaande jaar het uitgangspunt, in de vorm van de toekenning in
standaardeenheden waarvoor voor dat jaar subsidie is verstrekt.
De feitelijke realisatie,
voor zover hoger of lager dan de toekenning, wordt vervolgens
verrekend via de wachtlijst. De omvang van de wachtlijst is een
variabele gebleven, waarmee het in het huidige verdeelmodel mogelijk is om het aanbod
van arbeidsplaatsen in overeenstemming te brengen met de lokaal geïndiceerde vraag.
Er vindt herverdeling van
vacatureruimte plaats tussen gemeenten aan de hand van de relatieve
lengte van de wachtlijsten. Gemeenten met een langer dan gemiddelde
wachtlijst krijgen daardoor extra standaardeenheden toegekend en gemeenten
met een korte wachtlijst leveren een deel van hun vacatures in. Vacatures die het gevolg zijn van uitstroom
naar regulier werk mogen
te allen tijde worden herbezet. De wachtlijst wordt voor de berekening
van de subsidie verhoogd met het aantal standaardeenheden dat
door een gemeente zelf wordt gerealiseerd boven het toegekende en
gesubsidieerde aantal standaardeenheden en verminderd met het deel
van het toegekende en gesubsidieerde aantal standaardeenheden dat
niet is gerealiseerd. De wachtlijst wordt hiermee voor onder- en
overrealisatie gecorrigeerd zodat gemeenten die extra personen boven de
toekenning plaatsen niet in de verdeling benadeeld worden en vice versa.
Berekening van de
subsidie
De subsidie die aan een
gemeente wordt verleend, bestaat uit een vermenigvuldiging van een
voor de gemeente berekend aantal standaardeenheden met een vastgestelde
subsidie per standaardeenheid.
De berekening van het
aantal standaardeenheden voor een gemeente vindt als volgt plaats.
Als uitgangspunt voor de
berekening dient het aantal toegekende standaardeenheden aan een
gemeente waarvoor het voorgaande jaar subsidie is verleend. Na
vermenigvuldiging met een voor het subsidiejaar vastgestelde factor vormt
deze toekenning de basis of grondslag voor de bepaling van de
toekenning voor het betreffende subsidiejaar.
Bij het vaststellen van
de grondslagfactor kan rekening worden gehouden met eventuele
aanpassingen in het landelijk aantal toe te kennen standaardeenheden.
Bepalend is daarbij de vraag hoe een aanpassing in het
landelijk aantal toe te kennen standaardeenheden verdeeld zal worden over
de gemeenten. De verdeling hiervan kan plaatsvinden op basis
van:
- de omvang van het toegekende aantal standaardeenheden, en dus via de grondslag;
- de omvang van de
wachtlijst, en dus via de landelijke vacatureruimte;
- of een mengvorm van
beide.
Het is mogelijk zowel
aanpassing als vorm van verdeling van een aanpassing over de gemeenten op grond van inhoudelijke, beleidsmatige overwegingen vast te
stellen. Het verdeelmodel biedt de mechanismen om aanpassing en
verdeling van de aanpassing te verwerken.
Na bepaling van de
grondslag van een gemeente wordt de gemeentelijke vacatureruimte berekend.
Dit gebeurt op basis van de gemiddelde netto-uitstroom van de
drie jaren die voorafgaan aan het vorig subsidiejaar. De netto-uitstroom in
één jaar omvat de totale uitstroom uit de werkvoorziening voor
de betreffende gemeente minus de doorstroom naar regulier werk. Van
elk jaar wordt de netto-uitstroom van de gemeente berekend als percentage
van de realisatie. De drie percentages worden hierna opgeteld en gedeeld door drie. Vervolgens wordt de grondslag van
de gemeente
vermenigvuldigd met het resulterende gemiddelde
netto-uitstroompercentage.
Hiermee is de netto-uitstroom in het subsidiejaar berekend.
Na overleg met de VNG
wordt jaarlijks bepaald welk deel van de berekende netto-uitstroom
als gemeentelijke vacatureruimte beschikbaar is voor herverdeling op
basis van relatieve wachtlijstomvang. Dit resulteert in de
(generieke) gemeentelijke vacatureruimtefactor. Na vermenigvuldiging van de
geraamde netto-uitstroom met deze factor is de vacatureruimte van de
gemeente vastgesteld.
Het volume aan
standaardeenheden dat een gemeente wordt toegekend voor een subsidiejaar
wordt bepaald door van de grondslag de vacatureruimte van de desbetreffende
gemeente af te trekken en daarbij het aandeel van die gemeente
in de landelijke vacatureruimte op te tellen.
De landelijke
vacatureruimte ontstaat door de som van de gemeentelijke vacatureruimten te
vermenigvuldigen met de landelijke factor van de vacatureruimte. Deze
factor maakt het mogelijk om de beschikbare ruimte voor herverdeling naar
relatieve omvang van de wachtlijst te vergroten of te verkleinen, in
samenhang met aanpassingen van de grondslag en de landelijke toekenning.
Een toevoeging
bijvoorbeeld aan het landelijke aantal te verdelen standaardeenheden kan
door vergroting van de landelijke vacatureruimte langs die weg worden
verdeeld. Evenzo kan het nodig zijn de landelijke vacatureruimte te
verkleinen zodat een inkrimping van de landelijke toekenning verdeeld kan
worden via de grondslag, dus naar omvang van de toekenning.
Een
andere mogelijkheid
tot slot is om bij een gelijkblijvende landelijke toekenning de landelijke
vacatureruimte te vergroten door de grondslag te verlagen. Op die wijze
kan zo nodig de herverdeling op basis van wachtlijstomvang
versterkt worden door de gemeenten op basis van omvang (en niet van
netto-uitstroom) extra ruimte te laten inleveren ten behoeve van de landelijke
vacatureruimte.
Het aandeel dat een
gemeente uit de landelijke vacatureruimte krijgt, wordt bepaald door de
landelijke vacatureruimte te vermenigvuldigen met de relatieve wachtlijst
van de gemeente. De relatieve wachtlijst is het quotiënt dat ontstaat
door de voor onder- en overrealisatie gecorrigeerde wachtlijst van de
gemeente over het jaar t-2 te delen door de landelijke gecorrigeerde wachtlijst
van dat jaar. De wachtlijst wordt berekend door de vier eindstanden per
kwartaal uit te drukken in standaardeenheden en te delen door vier. Personen op de wachtlijst worden daarbij gelijkgesteld
aan personen die een
36-urige arbeidsplaats bezetten.
Personen die langer dan twaalf maanden op de wachtlijst staan en ook langer dan
twaalf maanden
beschikbaar waren voor arbeid worden hierbij niet meegerekend, voor
zover deze personen, uitgaande van plaatsing op basis van first in, first
out, op grond van de beschikbare taakstelling binnen één jaar geplaatst hadden
kunnen worden.
De onder- en
overrealisatie is het verschil van de realisatie ten opzichte van de toekenning. De
realisatie wordt berekend door de twaalf maandelijkse realisatiecijfers
uitgedrukt in standaardeenheden op te tellen en te delen door twaalf.
Garantiefactor
Om te voorkomen dat een
subsidietoekenning voor een gemeente door de werking van de
jaarlijkse herverdeling voor enig jaar al te zeer daalt ten opzichte van de subsidie
voor het voorgaande jaar is in het verdeelmodel een garantie ingebouwd;
deze grens is gesteld op 5%. De garantie houdt in dat de subsidie zo nodig wordt aangevuld tot 95% van de subsidie voor
het voorgaande jaar.
Bij de invoering van de
wet in 1998 is bepaald dat de 95%-garantie voor de subsidie voor jaar
t
wordt verleend bij de toekenning van de subsidie voor jaar t, gemeten
ten opzichte van de stand van de toegekende subsidie voor jaar t-1
van dat moment. Gebleken is echter dat in het bijzonder in het geval
van onderrealisatie in jaar t-1 een gemeente op deze wijze 95%
garantiemiddelen toegekend krijgt die niet of in mindere mate nodig zijn. De
teruggang in subsidie ten opzichte van die van het voorgaande jaar is bij
onderrealisatie achteraf immers minder groot dan bij de toekenning in
september jaar t-1 was gedacht. Onderrealisatie trad vóór 1 januari 1998
vrijwel niet op. Dit heeft ertoe geleid dat in het besluit een eventuele
verlening
van een aanvulling op de subsidie wegens de 95%-garantie niet langer
wordt bepaald ten opzichte van de toekenning voor jaar t-1, maar ten
opzichte van de realisatie over dat jaar, wanneer deze lager is dan de
toekenning. Zodra de gecertificeerde gegevens van gemeenten over de
realisatie in jaar t-1 zijn ontvangen en verwerkt, kan worden bepaald of een
gemeente in aanmerking komt voor een aanvulling. Het bedrag
ten opzichte waarvan de subsidie voor jaar t niet meer dan 5% mag dalen,
wordt bepaald door de realisatie in standaardeenheden in jaar t-1 te
vermenigvuldigen met de subsidie per standaardeenheid voor jaar t-1 op het
moment van berekening, waarbij opgeteld een eventuele toekenning
voor jaar t-1 in het kader van de 95%-garantie. Als subsidie voor jaar t
wordt genomen de toekenning voor jaar t op het moment van
berekening, waarin nog niet de arbeidsvoorwaardentoekenning is verwerkt. Een
eventuele aanvulling op de subsidie tot 95% vindt plaats met de
reguliere subsidieverlening die jaarlijks vóór 1 oktober plaatsvindt.
7. Vaststelling van de
subsidie
De mogelijkheid om de
subsidie, in afwijking van de verleende subsidie, lager vast te stellen, is
in de Wsw aan de minister gegeven om over een effectief instrument te
beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd en in
overeenstemming kan worden gebracht met de door de wetgever beoogde doelstelling. Toepassing van deze
bevoegdheid is er dan ook
op gericht om de naleving van de wet door de gemeente
te bevorderen.
Daarnaast vervult deze bevoegdheid in vaststellingsproces een
functie in het kader van de ministeriële verantwoording aan het parlement waarvan
een ordelijk financieel beheer in relatie tot de uitvoering
van de rijksbegroting deel uitmaakt.
De
vaststelling van de
rijksbijdrage aan CWI (voor de indicatiestelling) verloopt via de
geëigende kaders van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen. Daarvoor
zijn in dit besluit geen regels gesteld.
In de
Wsw is gekozen voor
een ruime mate van beleidsvrijheid voor het college van burgemeester
en wethouders om geïndiceerden arbeid onder aangepaste omstandigheden
aan te bieden. Ook heeft de gemeente de keuze om zelf de wet uit
te voeren dan wel daarvoor één of meerdere rechtspersonen aan te wijzen op grond van
artikel 2, derde lid, Wsw. Maakt de gemeente gebruik
van deze aanwijzingsmogelijkheid, dan dient zij ervoor te zorgen dat
de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de betrokken
rechtspersoon duidelijk en goed geregeld is.
Binnen de randvoorwaarden
van de wet is het college van burgemeester en wethouders zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige en
doeltreffende uitvoering
van de Wsw die door de gemeente in medebewind wordt
uitgevoerd. Dit houdt onder andere in dat het college zelf voortdurend zorg
draagt voor de controle op de uitvoering op basis van een getrouwe
(gecertificeerde) verantwoordingsinformatie over de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van het uitvoeringsproces.
De vaststelling van de
subsidie lager dan de verleende subsidie, hierna te noemen de maatregel,
vindt plaats bij onrechtmatige wetsuitvoering. Gezien de aard van de
onderhavige regelgeving heeft de maatregel geen punitief karakter. Het
bedrag van de maatregel sluit derhalve aan bij het financieel beslag van de
onrechtmatigheid in de uitvoering.
Slechts indien het
financieel beslag ook bij benadering niet kan worden gekwantificeerd, wordt
teruggevallen op een normstelsel. In dat geval wordt het bedrag van de
maatregel vastgesteld op een percentage van de aan de gemeente
verleende
subsidie. De regels hiervoor zullen worden opgenomen in de
ministeriële regeling.
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk 1. Indicatie en
herindicatie
Artikel 1.
Begripsbepalingen
In de begripsbepaling
worden enkele in het besluit veel gebruikte begrippen, die nog niet
in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) zijn omschreven, gedefinieerd.
Gewerkt wordt in het
besluit met de begrippen aanvrager, indicatie (de alomvattende beschikking
van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI)) en geïndiceerde.
Tevens worden de inhoudelijk te toetsen aspecten als de beperkingen en de
aanpassingen nader omschreven.
In plaats van het begrip
betrokkene wordt thans het begrip aanvrager gebruikt. Aanvrager is de
persoon die de aanvraag voor indicatie heeft ingediend of voor wie de
aanvraag voor indicatie is ingediend. Een aanvraag voor indicatie
wordt geacht te zijn ingediend op het moment dat CWI de aanvraag met alle
van belang zijnde bescheiden heeft ontvangen. Van het indienen van een
aanvraag voor indicatie moet worden onderscheiden het zich melden bij CWI
voor informatie of voorlichting over de mogelijkheden van de Wsw.
Onder beperkingen van
lichamelijke aard worden alle beperkingen verstaan tengevolge van
stoornissen die niet van verstandelijke (ICIDH onder 12 en 13) of van
psychische aard (ICIDH onder 15 tot en met 19 en 23 tot en met 29) zijn
[zie de tabel
in bijlage I bij het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening, red.].
Deze beperkingen kunnen rechtstreeks van functionele betekenis
zijn bij arbeidstaken, zoals een bewegingsbeperking, of van sociale aard,
indien er bijvoorbeeld een extreme lichaamsgeur of een zeer misvormd
uiterlijk (ICIDH, hoofdgroep 8) een onoverkomelijke barrière vormt voor
werken onder normale omstandigheden.
Ook de beperkingen van
psychische aard kunnen soms geheel of in belangrijke mate sociaal
van aard zijn. Te denken is daarbij aan ernstige persoonlijkheidstoornissen
en zware motorische en/of vocale ticstoornissen.
Bij beperkingen van
verstandelijke aard gaat het om beperkingen in het functioneren in de
arbeidssituatie die samenhangen met een duidelijk onder het gemiddelde
intelligentieniveau functioneren, zoals geformuleerd in de ICD-10 en ICIDH
criteria. Deze bepaling is overgenomen uit het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening.
In dit besluit wordt nog
uitgegaan van de ICIDH-classificatie. Onlangs is een nieuwe classificatie
verschenen, de ICF (International Classification of Functioning, Disability
en Health). Deze nieuwe classificatie kan niet zonder meer in dit besluit
worden opgenomen, omdat de consequenties van de nieuwe
classificatie voor de indicatiestelling Wsw nog niet volledig kunnen worden overzien.
Dit zal nader aan de orde komen bij de tweede fase van de modernisering
van de Wsw.
Het begrip aanpassingen
correspondeert met het in het Besluit indicatie sociale werkvoorziening
nog gebruikte begrip voorzieningen of maatregelen.
Het begrip
begeleidingsorganisatie is afkomstig uit het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale
werkvoorziening en aangepast aan de betekenis die dit begrip
heeft gekregen met de in de inleiding van het algemeen deel van de nota
van toelichting genoemde wetswijziging.
De van belang zijnde
definities ten behoeve van het financiële verdeelmodel zijn omwille van de
leesbaarheid van het besluit opgenomen in hoofdstuk 3 van dit
besluit en gelden ook alleen voor dat hoofdstuk. Hetzelfde geldt voor de
definitie maatregel in hoofdstuk 4 van dit besluit.
Artikel
2. De aanvraag
Het initiatief tot
indicatie zal in eerst instantie van de aanvrager zelf uitgaan of namens de
aanvrager (bijvoorbeeld zijn wettelijke vertegenwoordiger, mentor, curator) worden
gedaan als de aanvrager daartoe zelf niet in staat is. Omdat
indicering altijd op vrijwillige basis geschiedt, is bij een aanvraag door een
ander dan de aanvrager medeondertekening door deze laatste nodig.
Ondertekent de aanvrager zelf niet, dan wordt van de reden daarvan mededeling
gedaan bij de aanvraag. De aanvrager verschaft bij de aanvraag de gegevens en bescheiden die voor de
beslissing op de aanvraag
nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Ook kan hij verwijzen naar behandelende artsen of psychologen en het
gebruik maken van bij dezen aanwezige medische gegevens. Eén en ander
kan niet zonder expliciete toestemming van aanvrager. Het tweede lid
bepaalt expliciet dat deze toestemming al bij de aanvraag kan worden verleend. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat,
indien medische gegevens
worden overgedragen, het medisch beroepsgeheim moet zijn gewaarborgd.
Dit betekent dat medische gegevens alleen uitgewisseld kunnen worden tussen personen die aan het medisch
beroepsgeheim zijn
gebonden.
In artikel 11, derde lid,
van de wet is voorgeschreven dat een aanvrager ingeschreven moet staan
als werkzoekende bij CWI. CWI draagt er (met de aanvrager)
zo nodig zorg
voor dat die inschrijving geschiedt.
Op de aanvraag zijn de
bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De
aanvrager zal ook in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord over zijn
aanvraag.
De
datum van de aanvraag
wordt door CWI onverwijld aangetekend. De aanvrager krijgt een
bewijs van ontvangst. CWI verifieert in dat kader ook het adres van de
aanvrager. De aanvraagdatum is met name van belang bij de volgorde van de
uiteindelijke plaatsing van de aanvrager op de wachtlijst. Het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene
woonachtig is alsmede het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), indien de aanvrager van dat instituut een uitkering ontvangt,
ontvangen een afschrift van de
ontvangstbevestiging van
de aanvraag. Voor gemeenten en UWV is het van belang dit te
weten in verband met de reïntegratieverplichting. Ook is het voor gemeenten
van belang in verband met eventuele zorgaanspraken van de
aanvrager op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ).
CWI zal op basis van
artikel 24, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen een aantal vestigingen aanwijzingen waar een aanvraag voor
indicatie in het kader van de Wet sociale werkvoorziening kan
plaatsvinden.
Artikel
3. Het onderzoek
Om tot een besluit te
komen, zal CWI een onderzoek moeten verrichten. Dit dient op adequate
wijze door deskundigen te worden uitgevoerd. Dit artikel regelt verder
waarop het onderzoek zich moet richten. Het gaat om die aspecten die van
belang zijn om vast te stellen of de aanvrager tot de doelgroep van de Wsw
behoort. In de bijlage bij dit besluit is een beslisschema opgenomen
aan de hand waarvan CWI beslist over de aanvraag tot indicatie,
alsmede over de indeling in één van de twee arbeidshandicapcategorieën
matig of ernstig. Ook moet bij het onderzoek worden nagegaan of de
aanvrager in aanmerking kan komen voor begeleid werken als
bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wsw
en welke aanpassingen noodzakelijk
zijn om in de Wsw te kunnen werken. Er wordt van uitgegaan dat bij
het onderzoek zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bij de
aanvraag reeds beschikbaar gestelde gegevens alsmede van beschikbare
gegevens over de aanvrager die zich bij anderen bevinden. Het gaat
hierbij om de instanties en personen, genoemd in artikel 15 van de
Wsw en
artikel 54 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen. Het
raadplegen van niet in voornoemde artikelen genoemde
instanties of personen (derden) behoort niet zonder toestemming van de
aanvrager te geschieden.
Belangrijk voor de
zorgvuldigheid van de indicatie- en toelatingsprocedure is dat van meet af aan
bij de indicatiestelling de procedure en de toetsingscriteria ook
duidelijk worden aan de aanvrager. CWI zal de procedure en
toetsingscriteria, gegeven het wettelijk kader, nader vastleggen in door haar
op te stellen beleidsregels. Met CWI is afgesproken dat deze
vooraf met de verantwoordelijke bewindspersoon van SZW worden besproken.
In die beleidsregels zal zowel voor de indicatie als
herindicatie onder andere worden ingegaan op:
- de wijze waarop het
onderzoek plaatsvindt;
- welke deskundigen
moeten of kunnen worden geraadpleegd;
- de taak
respectievelijk verantwoordelijkheid van de deskundigen bij de verschillende
onderzoeken;
- de wijze waarop de
bevindingen worden neergelegd; en
- de wijze waarop CWI
tot haar oordeel komt.
Tevens zal hierbij
duidelijk moeten blijken dat het onderzoek ook materieel onafhankelijk
van de uitvoering door SW-bedrijven zal plaatsvinden. Hierbij wordt gedoeld op
het terugdringen van de rol van extern ingehuurde experts of
testfaciliteiten die verbonden zijn aan een SW-bedrijf. Op grond van
het derde lid van artikel 3 zullen in de Regeling uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken onverenigbare functies met die van
deskundige worden opgenomen.
Het vierde lid is van
belang voor het geval geen beleidsregels tot stand komen, deze belangrijke
omissies bevatten of de rol van de SW-bedrijven bij de uitvoering
onvoldoende wordt teruggedrongen. In dat geval kan de minister zelf nadere
regels vaststellen over de wijze waarop het onderzoek door CWI
moet worden
uitgevoerd.
Conform de door haar op
te stellen beleidsregels schakelt CWI deskundigen in bij de
totstandkoming van het indicatiebesluit.
In een aantal bij
ministeriële regeling te bepalen gevallen (derde lid) zal altijd een
multidisciplinair deskundigheidsoordeel aan het indicatiebesluit ten grondslag liggen. Het
gaat hierbij met name om aanvragen waarbij tegenstrijdige informatie
van deskundigen is verkregen en waarbij gerede twijfel bestaat of de
aanvrager al of niet tot de doelgroep van de Wsw
behoort.
Met betrekking tot het opleidings- en ervaringsniveau van genoemde deskundigen alsmede
functies waarmee deze taak onverenigbaar is, zullen eveneens nadere regels
worden gesteld. Deze zullen in essentie niet afwijken van hetgeen
thans hieromtrent is geregeld in de Regeling indicatie sociale
werkvoorziening.
Artikel
4. De indicatie
Het belangrijkste element
van de indicatie is het door CWI vaststellen of de aanvrager tot de
doelgroep van de Wsw behoort. Daarvoor levert het onderzoek, bedoeld in
artikel 3, de benodigde elementen. Eén en ander geschiedt binnen
zestien weken
(een termijn van orde) na ontvangst van de aanvraag. Tevens beslist
CWI, aan de hand van de beslistabel opgenomen in de bijlage
bij dit
besluit, of de aanvrager in de arbeidshandicapcategorie matig of ernstig wordt
ingedeeld. De bepalende elementen zijn het prestatievermogen en
de noodzakelijke aanpassingen. De bijlage regelt wanneer sprake is
van al dan niet verstrekkende aanpassingen en hoe het prestatievermogen
wordt bepaald. Bij de bepaling van het prestatieniveau wordt
uitgegaan van de aanwezigheid van de voor betrokkene noodzakelijke
aanpassingen.
Ook bepaalt CWI de
geldigheidsduur van de indicatie. De geldigheidsduur van de indicatie is van
belang in verband met de herindicatie (zie artikel 6 van dit
besluit). De geldigheidsduur van de indicatie ligt tussen de twee en
vijf jaar.
CWI zal één en ander door middel van beleidsregels expliciteren. Deze zullen
vooraf met de verantwoordelijke bewindspersoon van SZW worden besproken.
Het achtste lid maakt het mogelijk dat de minister zelf
nadere regels stelt. Van deze bevoegdheid zal alleen gebruik worden gemaakt
als CWI niet zelf met beleidsregels komt of deze belangrijke omissies
bevatten.
CWI adviseert in het
besluit tevens over begeleid werken en de noodzakelijke
aanpassingen. Als de aanvrager niet tot de doelgroep van de wet behoort, wordt
tevens geadviseerd over de mogelijkheden tot inschakeling in het
arbeidsproces of doorgeleiding naar de AWBZ. Het besluit van CWI moet
volgens de Algemene wet bestuursrecht gemotiveerd worden. Het besluit van
CWI is vatbaar voor bezwaar (bij CWI) en beroep (bij de rechter).
Artikel
5. Mededeling
indicatie
Artikel 5 regelt de
bekendmaking van het besluit van CWI aan belanghebbenden. De verplichting tot het
bekendmaken van het besluit aan de aanvrager geldt al op
grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel
3:41). Dit artikel is
niettemin noodzakelijk om aan te geven dat de indicatie zo spoedig mogelijk niet
alleen aan de aanvrager, maar ook aan andere belanghebbenden moet
worden gezonden. Dit is, afhankelijk van de beslissing van CWI,
tevens de gemeente, de rechtspersoon, bedoeld in artikel
2, derde lid, van
de wet of UWV. Daarbij worden in ieder geval gegevens aan de gemeente
verstrekt die zij later - als de aanvrager geïndiceerd wordt voor
de wet - nodig heeft voor het beheer van de wachtlijst.
Daar waar bij de
indicatie de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, nog niet bekend is,
zal de informatie door de gemeente aan de rechtspersoon moeten
worden verstrekt op het moment dat voor de geïndiceerde arbeid
beschikbaar komt. CWI zal bij de toezending van de indicatie de
geïndiceerde er ook op wijzen dat hij op de wachtlijst van zijn woongemeente wordt
geplaatst. Het zou passend zijn als het college van burgemeester en
wethouders de geïndiceerde vervolgens informatie doet toekomen betreffende
de
termijn waarop betrokkene mogelijk voor een dienstbetrekking of
begeleid werken in aanmerking komt. Het periodiek (bijvoorbeeld om de zes
maanden) betrokkene opnieuw voorzien van informatie hieromtrent ligt eveneens voor de hand. Dergelijke feitelijke
mededelingen zijn niet
vatbaar voor bezwaar of beroep.
Bij een advies over
doorgeleiding van een persoon naar een indicatie voor een voorziening voor
ondersteunende en activerende begeleiding in het kader van de AWBZ zal
de gemeente een dergelijke persoon actief moeten
benaderen om een
dergelijke indicatie aan te vragen. Daarbij kunnen, met toestemming
van betrokkene, gegevens betreffende zijn indicatie Wsw
worden
gebruikt in het kader van zijn indicatie AWBZ.
In het derde lid is ten
slotte geregeld dat het college van burgemeester en wethouders CWI
en UWV bericht als toepassing wordt gegeven aan artikel
2, vierde lid,
van de Wsw. Het gaat hier om het intrekken van de indicatie- of
herindicatiebeschikking als een persoon die tot de doelgroep behoort passende arbeid
in dienstbetrekking of, via artikel 7, tweede lid, van de
Wsw, in begeleid
werken, weigert.
Artikel
6. Herindicatie
Een belangrijk aspect van
de Wsw is het met een zekere regelmaat beoordelen of betrokkene
nog voldoet aan de doelgroepomschrijving. Hiervoor is het
instrument van de herindicatie in het leven geroepen. Herindicatie vindt niet
plaats met betrekking tot personen die reeds vóór 1 januari 1998 op basis
van de oude Wet Sociale Werkvoorziening werkzaam zijn en die hun
dienstbetrekking onder de (nieuwe) Wsw na 1 januari 1998 hebben
voortgezet. Dit vloeit voort uit de artikelen 16 en
19 van de wet.
Het eerste lid bepaalt
dat de aanvraag tot herindicatie uiterlijk zestien weken vóór het verstrijken van
de geldigheidsduur van de indicatie door de gemeente
aan CWI wordt
gedaan. Over het algemeen zal dat de gemeente zijn waar de betrokkene
woonachtig is, maar dat hoeft niet. Bij een verhuizing van een SW-medewerker of
begeleid werker naar een andere
gemeente hoeft de
dienstbetrekking of begeleid-werkenplaats immers niet over te gaan naar de
nieuwe gemeente van ingezetenschap. In die situatie is de gemeente die de
subsidie ontvangt verantwoordelijk voor de aanvraag van de
herindicatie aan CWI.
Eén en ander vloeit voort
uit artikel 9, tweede lid, van de
wet.
De herindicatie doorloopt
in principe dezelfde procedure als de indicatie. Wel kan
daarbij gebruik worden gemaakt van gegevens die reeds ten behoeve van de
indicatie zijn vastgelegd. Een belangrijk element van de herindicatie vormt
de beoordeling van de wijze waarop de geïndiceerde in de
sociale werkvoorziening of in het begeleid werken functioneert. Bij de
herindicatie wordt ook gekeken naar de wijze waarop het college van
burgemeester en wethouders rekening heeft gehouden met de bij de indicatie
door CWI afgegeven adviezen omtrent de aanpassingen en het begeleid werken.
Deze gegevens worden door de gemeente aan CWI verstrekt. Op
grond van het zesde lid moet CWI deze gegevens bij de herindicatie betrekken. Deze gegevens zullen ruim
vóór de termijn
van zestien weken, bedoeld in
het eerste lid, door de gemeenten bij het SW-bedrijf of de
werkgever in het kader van begeleid werken moeten worden opgevraagd. De
formele basis hiervoor ligt in artikel 15, vierde lid, van de
Wsw. Dit biedt ook
de mogelijkheid om bij de herindicatie na te gaan in hoeverre met het
aanvankelijke advies (aanpassingen/begeleid werken) rekening is
gehouden.
Het derde lid bepaalt dat
een aanvraag tot herindicatie eerder dan zestien weken vóór het
verstrijken van de geldigheidsduur van de indicatie kan worden gedaan door of
namens de geïndiceerde. Bij een herindicatie op basis van dit lid is een
deugdelijk gemotiveerde aanvraag daartoe noodzakelijk.
Bij de herindicatie wordt
een nieuwe geldigheidsduur van de indicatie bepaald. Deze ligt in
principe weer tussen de twee en vijf jaar. Een langere geldigheidsduur is echter
ook mogelijk. Bij een zeer stabiele arbeidshandicap van een geïndiceerde in
de arbeidshandicapcategorie ernstig kan de geldigheidsduur
van de indicatie uiteindelijk op maximaal tien jaar worden gesteld. Dit zal,
zo is met CWI afgesproken, tot individuele uitzonderingssituaties
beperkt blijven.
Herindicatie vindt niet
plaats ten aanzien van personen die vóór 1 januari 1998 al in de
sociale werkvoorziening werkzaam waren. Op deze regel is één
uitzondering die is opgenomen in het vijfde lid, namelijk het in aanmerking komen voor
begeleid werken door een persoon uit de "zittende populatie" en
die tevens werkzaam is in een SW-bedrijf. Deze uitzondering is
noodzakelijk, omdat anders personen uit de "zittende populatie" niet in
aanmerking kunnen komen voor begeleid werken wegens het ontbreken van een advies daartoe. Een aanvraag voor een
dergelijke herindicatie
kan door of namens betrokkene worden gedaan. Daarbij is uitsluitend de
vraag aan de orde of betrokkene in staat wordt geacht om begeleid te werken.
Artikel
7. Advies bij
voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking
Tot de taak van
CWI behoort op grond van artikel 6, derde lid, van
de wet ook het adviseren bij
voorgenomen ontslag in andere situaties dan het niet willen meewerken
aan een herindicatie of het na een onaantastbaar geworden herindicatie
niet willen meewerken aan plaatsing elders. Bij het opstellen
van een dergelijk advies toetst CWI of wordt voldaan aan de criteria
die ook in het particuliere bedrijfsleven gelden, te weten het Ontslagbesluit.
Deze toets is in principe dezelfde als die door CWI wordt uitgevoerd (de
zogenoemde preventieve ontslagtoets). Daarbij wordt uiteraard wel
nadrukkelijk de bijzondere positie van de werknemers in de sociale
werkvoorziening en het begeleid werken ten aanzien van de gegeven criteria
beoordeeld. De beslissing van het college van burgemeester en wethouders, op het
advies van CWI, kan vervolgens alleen bij de civiele rechter worden
getoetst.
Artikel
8. Wachtlijst
In artikel 8 zijn regels
opgenomen met betrekking tot de wachtlijst. De wachtlijst omvat personen
die tot de doelgroep van de wet behoren, doch nog geen dienstbetrekking
of arbeidsovereenkomst (begeleid werken) hebben. De wachtlijst
wordt, net als in artikel 11, vierde lid, van
de wet is geregeld voor de lijst
met ingezetenen die tot de doelgroep behoren (werkenden en
wachtenden), beheerd door het college van burgemeester en wethouders. Dit kan
ook een gezamenlijke wachtlijst van gemeenten zijn bij intergemeentelijke samenwerking op grond van
artikel 1, tweede
lid, van de wet.
Iedereen die is
geïndiceerd wordt op de wachtlijst geplaatst. Ook personen met wie direct
een dienstbetrekking of begeleid werken is aangegaan, worden op de
wachtlijst vermeld, waarbij de datum van inschrijving en
uitschrijving gelijkluidend zijn. De wachtlijst moet door het college van burgemeester
en wethouders adequaat worden bijgehouden. Periodieke rapportage aan
de geïndiceerde, bijvoorbeeld eens in de zes maanden, over zijn
positie op de wachtlijst ligt daarbij voor de hand.
Naar aanleiding van de
motie-Verburg c.s. (Kamerstukken II 2003-2004, 29 200 XV, nr. 46),
waarin de regering wordt verzocht in overleg met alle betrokken partijen de
wachttijd voor Wsw-geïndiceerden niet langer dan maximaal
twaalf maanden te
laten duren, zijn in het vierde lid regels opgenomen met betrekking
tot perioden dat geïndiceerden die langer dan twaalf maanden op de
wachtlijst staan feitelijk niet beschikbaar zijn voor arbeid in de Wsw. Het
gaat hierbij om perioden waarin geïndiceerden niet beschikbaar zijn voor
arbeid, omdat ze in detentie verkeren, voltijds scholing of opleiding
volgen dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis. Gemeenten kunnen deze
perioden niet beïnvloeden. Om die reden worden dergelijke
perioden niet betrokken bij de berekening van de termijn van twaalf maanden
dat geïndiceerden op de wachtlijst staan. Hierover is de Tweede
Kamer schriftelijk in juli 2004 geïnformeerd (Kamerstukken II 2003-2004, 29 200
XV, nr. 101).
Gemeenten
zullen
periodiek bij geïndiceerden die langer dan twaalf maanden op de
wachtlijst staan, moeten informeren of dergelijke perioden zich hebben
voorgedaan en hoe lang deze perioden hebben geduurd (bijvoorbeeld met
de rapportage aan geïndiceerden over hun positie op de
wachtlijst). Jaarlijks zullen deze gegevens met de bescheiden, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, bij gemeenten worden opgevraagd.
Op deze manier ontstaat
beter inzicht in de werkelijke wachttijd van personen op de wachtlijst
die feitelijk beschikbaar zijn voor het aanvaarden van Wsw-arbeid.
Bij de jaarlijkse
berekening van de Wsw-subsidie voor gemeenten wordt met (de omvang van) de
wachtlijst rekening gehouden. Geïndiceerden die langer dan twaalf maanden op
de wachtlijst staan en ook langer dan twaalf maanden beschikbaar waren
voor arbeid worden bij de berekening van de subsidie voor gemeenten
niet langer meegeteld. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de
mate waarin een gemeente de personen op de wachtlijst niet heeft
kunnen plaatsen gegeven de in het betreffende jaar beschikbare taakstelling.
Dit is in artikel 15, vierde lid, nader vormgegeven. Hiermee
wordt, omdat bij de subsidieverlening wordt uitgegaan van de
wachtlijst van het jaar t-2, feitelijk voor het eerst rekening gehouden bij de
subsidieverlening voor het jaar 2007.
Het vijfde lid geeft aan
op welk moment en bij welke gebeurtenissen de geïndiceerde van de
wachtlijst wordt gehaald en dat dat moment door de gemeente
onverwijld wordt
geregistreerd. Aan deze opsomming, die afkomstig is uit het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening, is toegevoegd de situatie dat de
gemeente op grond van artikel 2, vierde lid, van de
Wsw de
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking (onherroepelijk) heeft ingetrokken.
De beslissing een persoon
van de wachtlijst te halen, is een beschikking in de zin van de Algemene
wet bestuursrecht.
Artikel 9.
Terugkeergarantie
Het eerste, tweede en
derde lid bieden terugkeergaranties om de uitstroom van Wsw-geïndiceerden naar arbeid buiten de gesubsidieerde sector te bevorderen.
Het eerste lid bepaalt
dat personen die op de wachtlijst staan en arbeid aanvaarden buiten het
kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos
worden wederom op de wachtlijst worden geplaatst op de datum waarop de
oorspronkelijke aanvraag tot indicatie is ingediend.
Het tweede lid biedt voor
personen die begeleid werken een zelfde soort garantie. Deze is evenwel
niet aan een termijn gebonden, omdat begeleid werken een reguliere
Wsw-plaats betreft. De garantie geldt voor een hernieuwde plaatsing in
begeleid werken. Wil betrokkene in de situatie omschreven in het tweede
lid in aanmerking komen voor een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 van de wet en wordt een dienstbetrekking door de
gemeente ook
passend geacht, dan komt hij voor een dergelijke
dienstbetrekking in aanmerking naar de oorspronkelijke plaats die hij op de wachtlijst
inneemt. Daarbij zal iemand die langdurig op een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken arbeid heeft verricht snel voor een Wsw-dienstbetrekking in aanmerking komen gelet op zijn plaats
op de wachtlijst.
Het derde lid regelt de
terugkeergarantie voor personen die vanuit een dienstbetrekking of
begeleid werken werk aanvaarden buiten het kader van de Wsw. Deze bepaling
geldt zowel voor werknemers met een dienstbetrekking als voor
personen die begeleid werken. Hiervoor geldt wel de periode van drie
jaar.
Dit artikel kan alleen
worden toegepast op verzoek van de geïndiceerde en mits deze nog tot de
doelgroep van de wet behoort. Soms zal het zelfs mogelijk zijn de
geïndiceerde weer op zijn oude functie te plaatsen. Bij personen voor wie de
geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie nog lopende is, kan zonder
meer worden aangenomen dat zij nog tot de doelgroep van de wet
behoren. Personen van wie de geldigheidsduur van de indicatie of
herindicatie tijdens de periode van arbeid elders is verlopen, zullen opnieuw
moeten worden ge(her)ïndiceerd. Een positieve indicatie betekent
vervolgens dat zij weer op de oorspronkelijke plaats op de wachtlijst worden
gezet. Voor personen die reeds op basis van de Wsw hebben gewerkt, zal de
gemeente met voorrang een (nieuwe) dienstbetrekking of begeleid werken aan
moeten bieden.
Voor werknemers die reeds
in de sociale werkvoorziening werkzaam waren voordat de Wsw in
werking trad (1 januari 1998), gelden enigszins afwijkende
terugkeergaranties. Deze zijn opgenomen en verder toegelicht in artikel 28 van dit
besluit.
Hoofdstuk 2. Begeleid
werken
Artikel 10.
Voorrangsruimte begeleid werken
Begeleid werken wordt
gezien als een belangrijke mogelijkheid om de integratie van
gehandicapten in de samenleving te bevorderen. Dit sluit aan op vergelijkbare
ontwikkelingen op het terrein van onderwijs, wonen en zorg. Teneinde deze
ontwikkeling te stimuleren, wordt een deel van het beschikbare Wsw-budget
bij voorrang ingezet om personen die bij indicatie of herindicatie
een advies begeleid werken hebben gekregen te plaatsen. Dit is in
artikel 10 nader vormgegeven. In dit artikel is bepaald dat de gemeente
een
bepaald percentage van de plaatsingen van geïndiceerden vanaf de
wachtlijst dient aan te wenden voor de plaatsing van degenen die zijn
geïndiceerd voor begeleid werken. Dit percentage wordt vastgelegd in een
ministeriële regeling. Dit percentage bedraagt al jaren 25%.
De
plaatsing bij voorrang
van begeleid werkers roept de vraag op of, wanneer een begeleid
werker zijn baan verliest vanwege onvoldoende functioneren, hem
vervolgens bij voorrang een Wsw-arbeidsplaats dient te worden aangeboden.
Eén van de overwegingen
om het begeleid werken in de Wsw onder te brengen, is om een
adequate opvang te creëren ingeval een begeleid werker onverhoopt zijn
reguliere arbeidsplaats verliest. De gemeente heeft
- voor zover
betrokkene nog steeds tot de Wsw-doelgroep behoort - dan de mogelijkheid om
hem aansluitend een "traditionele" Wsw-arbeidsplaats aan te
bieden. Een persoon die begeleid werkt en onvrijwillig werkloos
wordt, wordt - voor zover hij nog tot de doelgroep behoort - door de
gemeente op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie op de
wachtlijst geplaatst (zie de artikelen 9 en 28).
Artikel 11.
Arbeidsinpassing door de gemeente
Dit artikel legt het
college van burgemeester en wethouders de verplichting op
arbeidsplaatsen in het kader van begeleid werken te realiseren voor degenen
die daarvoor bij de indicatie of herindicatie het advies hebben gekregen.
Personen die dit advies niet hebben, komen op grond van artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de wet niet in aanmerking voor begeleid werken.
Een
begeleid-werkenarbeidsplaats houdt in dat de geïndiceerde op basis van een
arbeidsovereenkomst in dienst treedt van een reguliere werkgever bij wie door
personen van een begeleidingsorganisatie inpassing in de arbeid
met inbegrip van begeleiding op de werkplek wordt verzorgd.
De gemeente kan op basis
van artikel 7 van de wet in dat geval aan de werkgever een
loonkostensubsidie verstrekken. De loonkostensubsidie dient ertoe om een
tijdelijk of permanent verminderde arbeidsprestatie vanwege een
arbeidshandicap voor de werkgever te compenseren. De loonkostensubsidie is dan
gelijk aan het verschil tussen het CAO-loon en de loonwaarde van de
arbeidsprestatie van de begeleid werker. Het is aan de gemeente om deze
loonwaarde c.q. de hoogte van de subsidie vast te stellen. Daarnaast kan de
gemeente aan de werkgever een subsidie voor werkplekaanpassingen
verstrekken.
Teneinde een
arbeidsplaats in het kader van begeleid werken te vinden, schakelt de gemeente een
begeleidingsorganisatie in. De begeleidingsorganisatie zoekt een arbeidsplaats
en verzorgt de begeleiding op de werkplek. Overigens zijn
deze twee taken van elkaar te scheiden en kunnen dus door twee
verschillende organisaties worden uitgevoerd. De kosten die hiermee
gemoeid zijn, worden door de gemeente aan de begeleidingsorganisatie
vergoed ten laste van de rijkssubsidie die voor de begeleidwerker ter
beschikking wordt gesteld (vierde lid).
De kosten in verband met
de loonkostensubsidie, de werkplekaanpassing en de inschakeling van de
begeleidingsorganisatie kunnen worden gefinancierd uit
de genoemde individuele rijkssubsidie. Het is de gemeente echter
toegestaan om meer of minder dan voor de begeleid werker aan rijkssubsidie
ter beschikking is gesteld, aan loonkostensubsidie en begeleidingskosten uit
te geven. Verondersteld mag worden dat de gemeente met de
begeleidingsorganisatie een contract voor meerdere plaatsingen
afsluit, waarbij de meer- en minderkosten per individuele begeleid
werker voor een belangrijk deel elkaar zullen compenseren.
In het tweede lid is
aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders een
begeleidingsorganisatie inschakelt. Omdat met het vinden en inrichten van
een begeleid-werkenplek bij een werkgever en het toeleiden van de
geïndiceerde naar werk de nodige tijd gemoeid kan zijn, is het van belang dat het
college van burgemeester en wethouders hierop tijdig anticiperen in de
planning van mogelijke plaatsingen vanaf de wachtlijst en in de
afspraken met de ingeschakelde begeleidingsorganisatie.
Het bovenstaande geldt
voor geïndiceerden die nog op de wachtlijst staan. Wanneer het gaat
om Wsw-werknemers die bij herindicatie het advies begeleid werken
krijgen, schakelt de gemeente direct een begeleidingsorganisatie
in voor het zoeken naar een arbeidsplaats in het kader van begeleid
werken. Er hoeft bijvoorbeeld niet te worden gewacht tot het moment dat er
budgettaire ruimte ontstaat. Voor Wsw-werknemers is immers reeds een
rijkssubsidie beschikbaar.
Het derde lid bepaalt dat
het college van burgemeester en wethouders rekening houdt met de
voorkeur van de geïndiceerde voor een bepaalde begeleidingsorganisatie
en met de wensen en mogelijkheden met betrekking tot de aard
van het werk en de werkgever. De strekking van deze bepaling is om de
geïndiceerde een duidelijke inbreng te geven bij de keuzes die zijn
toekomst aangaan. In de meeste gevallen zullen de gemeente
en de
geïndiceerde in onderling overleg deze keuzes maken, waarbij bijvoorbeeld ook
de geïndiceerde een voorstel kan doen voor de inschakeling van een
bepaalde begeleidingsorganisatie. Weigert de gemeente om haar
moverende redenen deze organisatie daartoe een opdracht te verstrekken,
hetgeen zou betekenen dat de subsidie voor begeleid werken niet ter
beschikking wordt gesteld, dan is dit een beschikking in de zin van
de Algemene wet bestuursrecht.
In het vierde lid is
geregeld dat de gemeente uit de voor de
begeleid werker beschikbare rijkssubsidie
aan zijn werkgever een loonkostensubsidie en een eventuele
vergoeding voor de kosten in verband met de aanpassing van zijn
werkplek verstrekt en aan zijn begeleidingsorganisatie een vergoeding voor de
kosten van de arbeidsinpassing. Het voor de geïndiceerde beschikbare
budget wordt bepaald door de arbeidshandicapcategorie waarin hij is ingedeeld
en de omvang (in fte) van de arbeidsovereenkomst.
Artikel 12.
Arbeidsinpassing door de geïndiceerde
Uit het oogpunt van
doelmatigheid is ervoor gekozen om het college van burgemeester en
wethouders in eerste aanleg te belasten met de inschakeling van een
begeleidingsorganisatie (artikel 11). Ook de geïndiceerde, zijn
ouders of verzorgers kunnen zelf zoeken naar een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken, maar alleen indien het college van burgemeester
en wethouders daarvoor toestemming heeft gegeven. Deze toestemming
wordt zonder meer verkregen wanneer de gemeente
er binnen zes
maanden niet in is geslaagd een geschikte arbeidsplaats te vinden.
Op deze wijze is getracht een evenwicht te bewerkstelligen tussen
het doelmatigheidsbelang dat is gediend bij een gemeentelijke
betrokkenheid en het belang om betrokkenen bij het zoeken naar werk dezelfde
mogelijkheden te bieden als andere werkzoekenden op de arbeidsmarkt.
Artikel
12, tweede lid,
regelt de situatie waarin het college van burgemeester en wethouders er niet in
is geslaagd om binnen zes maanden na het beschikbaar komen van
budgettaire ruimte voor de geïndiceerde een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken te realiseren. In dat geval kunnen de geïndiceerde,
zijn ouders of verzorgers zelf trachten een arbeidsplaats in het
kader van begeleid werken te vinden. De rijkssubsidie voor betrokkene is
daartoe beschikbaar, zodra een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken
- waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het derde lid
en de artikelen 13 en 14 - is gevonden.
De arbeidsbemiddeling
naar een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken behoeft door het
college van burgemeester en wethouders bij toepassing van artikel 12
dus niet te worden gefinancierd, omdat anders aan de geïndiceerde
ongelimiteerd middelen zouden moeten worden verstrekt zonder de
garantie dat een arbeidsplaats wordt gevonden. Artikel 12 veronderstelt
dat de geïndiceerde en zijn ouders of verzorgers zelf initiatieven nemen
om een arbeidsplaats in het kader van begeleid werken te vinden. Daartoe
kunnen zij ook een begeleidingsorganisatie inschakelen. De
bemiddelingskosten zijn voor deze organisatie dan een voorinvestering, die kan
worden terugverdiend met een geringe opslag op de begeleidingskosten die
later in rekening kunnen worden gebracht. De begeleidingsorganisatie
werkt in deze situatie op basis van "niet presteren, niet betalen".
Artikel 12, eerste lid,
bevat een "kan-bepaling", hetgeen betekent dat de
geïndiceerde de keuze
heeft om het zoeken naar een arbeidsplaats zelf ter hand te nemen of het
college van burgemeester en wethouders daarmee (ook na een halfjaar)
blijvend te belasten. Het initiatief daartoe wordt bij de geïndiceerde gelegd.
In het derde lid wordt
bepaald dat voor de arbeidsinpassing met inbegrip van de
begeleiding een begeleidingsorganisatie wordt ingeschakeld en dat de gemeente
hierop toeziet. Dit vloeit logischerwijs voort uit artikel 7 van
de wet.
Artikel
13. De
begeleidingsorganisatie
Het succes van de
toepassing van de methodiek van het begeleid werken is mede
afhankelijk van de kwaliteit van de diensten die de begeleidingsorganisaties
kunnen leveren. Bij ministeriële regeling zullen hieromtrent enige nadere
regels worden gesteld. Het gaat daarbij met name om:
- het vervullen van
taken met inachtneming van stand van de wetenschap en die van de arbeids- en
organisatiekunde;
- het beschikken over
voldoende adequaat opgeleide deskundigen die de arbeidsinpassing met
inbegrip van de begeleiding op de werkplek verzorgen; en
- het uitvoeren van de
dienstverlening volgens een individueel begeleidingsplan.
Artikel
14.
Wijziging begeleidingsorganisatie
Artikel 14 regelt de
mogelijkheid voor begeleid werkers om te wisselen van
begeleidingsorganisatie of werkgever. Artikel 11, derde lid, is dan van overeenkomstige
toepassing, dat wil zeggen dat de geïndiceerde zelf op zoek kan gaan naar een
andere begeleidingsorganisatie of arbeidsplaats in het kader van begeleid
werken, maar dat daarbij de voorwaarden, genoemd in artikel
11,
derde lid, van dit besluit, in acht worden genomen. De geïndiceerde dient
daartoe een gemotiveerd verzoek bij het college van burgemeester en
wethouders in. Aangezien het herhaaldelijk wisselen van werkgever leidt tot
meerkosten voor de gemeente, is het redelijkheidsbeginsel
hier van toepassing. Bij verschil van mening tussen het college van
burgemeester en wethouders en de geïndiceerde over de redelijkheid van een
verzoek tot wisseling van begeleidingsorganisatie of werkgever kan de
begeleid werker of zijn ouders of verzorgers een bezwaar- en
beroepsprocedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht instellen.
Hoofdstuk 3. Financieel
verdeelmodel
Artikel
15. Financiële
definities
De definities die in dit
artikel zijn opgenomen, gelden alleen voor dit hoofdstuk.
In een aantal definities
wordt gesproken van specifieke jaren waarvan gegevens een rol spelen
bij de subsidieberekening. Deze jaren worden gedefinieerd ten opzichte
van het subsidiejaar t waarvoor de subsidie wordt berekend. Het aan
het subsidiejaar t voorafgaande jaar wordt weergegeven als het jaar t-1, het jaar voorafgaand aan het jaar
t-1 wordt weergegeven als het
jaar t-2, enz.
De standaardeenheid is
gebaseerd op een arbeidsplaats van één fte (in de Wsw-CAO betekent dat een
arbeidsplaats van 36 uur). Het berekende aantal standaardeenheden
in het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, wordt zo nodig
volgens de normale rekenkundige regels afgerond op één cijfer
achter de komma. De feitelijke aanstellingen van een werknemer zal vaak
lager liggen dan voltijds; deze telt dan naar rato voor minder
standaardeenheid.
Bij de instroom van
werknemers vanaf 1 januari 1998 heeft de rijkssubsidie betrekking op maximaal
gemiddeld 32 uur per gemeente.
De grondslag voor de
toekenning in subsidiejaar t is gebaseerd op de laatst bekende toekenning
van het voorafgaande subsidiejaar t-1.
De relatieve wachtlijst
van de gemeente geeft het aandeel weer van de gecorrigeerde wachtlijst
van de gemeente in de landelijke gecorrigeerde wachtlijst. Dit is
vervolgens ook het aandeel dat de gemeente toegekend krijgt uit de landelijke
vacatureruimte. De landelijke vacatureruimte is daarmee het deel van het
totale aantal toe te kennen standaardeenheden, dat verdeeld wordt naar
relatieve omvang van de (gecorrigeerde) wachtlijst van de
gemeenten.
Personen die langer dan
twaalf maanden op de wachtlijst staan en ook langer dan twaalf maanden
beschikbaar zijn voor arbeid worden niet meegerekend bij het
bepalen van de gecorrigeerde wachtlijst van de gemeenten. Een
uitzondering wordt gemaakt voor het aantal lang wachtende personen aan
wie in het betreffende jaar op grond van de beschikbare taakstelling
geen dienstbetrekking of begeleid werken geboden kon worden. Dit
aantal wordt bepaald door het totaal aantal personen dat in het
betreffende jaar op grond van de beschikbare taakstelling geplaatst
had kunnen worden te vergelijken met het aantal personen dat in het
betreffende jaar geplaatst had moeten worden om een wachttijd van langer
dan twaalf maanden voor een individu op de wachtlijst te voorkomen.
Het totaal aantal
personen dat geplaatst had kunnen worden, wordt gelijkgesteld aan het
aantal feitelijk geplaatste personen in dat jaar plus de onderrealisatie in se’s
aan het eind van het jaar, waarbij een se gelijkgesteld wordt aan één persoon.
Het totaal aantal
personen dat geplaatst had moeten worden, wordt gelijkgesteld aan het
aantal personen op de wachtlijst aan het begin van het jaar minus de
uitstroom in dat jaar uit de wachtlijst om andere redenen dan plaatsing.
De landelijke
vacatureruimte wordt in eerste instantie bepaald door de optelsom van de
gemeentelijke vacatureruimtes. De gemeentelijke vacatureruimte is een
beleidsmatig bepaald deel van de per gemeente geschatte
netto-uitstroom
in het subsidiejaar. De netto-uitstroom
is de uitstroom zonder de
doorstroom naar regulier werk. Door het gemiddelde te nemen van de netto-uitstroompercentages over de jaren
t-2, t-3 en t-4 worden sterke
fluctuaties van jaar op jaar in gerealiseerde uitstroom afgezwakt.
De som van de
gemeentelijke vacatureruimtes kan in het model vervolgens worden
vergroot of verkleind met een bepaalde factor waarmee de uiteindelijke
landelijke vacatureruimte wordt bepaald. De landelijke vacatureruimte
wordt vervolgens weer verdeeld over de gemeenten op grond van
hun wachtlijstgrootte.
De grondslagfactor, de
gemeentelijke vacatureruimtefactor en de landelijke vacatureruimtefactor moeten in samenhang gezien worden met de factor waarmee het
landelijke toegekende aantal standaard eenheden van t-1 op t kan
worden aangepast, als aangegeven in artikel 17, tweede lid.
Voor de personen
ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie "ernstig" kan de gemeente
meer
subsidie inzetten dan voor personen ingedeeld in de categorie "matig".
Dit meerdere wordt jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald en wordt eveneens
uitgedrukt als factor. De subsidie voor iemand ingedeeld in matig die
fulltime werkt, is hierbij genomen als basisrekeneenheid (één
standaardeenheid). Iemand die is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie
ernstig en fulltime werkt, wordt gerekend als één standaardeenheid
vermenigvuldigd met de genoemde factor.
De in het verdeelmodel
ingebrachte volumegegevens van de gemeenten (realisatie,
uitstroom, wachtlijst) zijn omgerekend in standaardeenheden. De
gemeente krijgt subsidie toegekend voor een jaar in de vorm van een aantal
berekende standaardeenheden vermenigvuldigd met de subsidie per
standaardeenheid. Achteraf wordt de subsidie vastgesteld op
basis van de realisatie in standaardeenheden. In de realisatie "tellen"
de personen ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig als méér
standaardeenheden dan de personen ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie matig. De genoemde factor bepaalt het meerdere.
Artikel
16. Berekening
subsidie
De subsidie wordt
vastgesteld door het voor een gemeente of gemeenschappelijke regeling berekende aantal
standaardeenheden - de toekenning - te
vermenigvuldigen met de subsidie per standaardeenheid. In artikel 17 is verder
aangegeven op welke wijze het aantal standaardeenheden voor een gemeente of
gemeenschappelijke regeling moet worden berekend.
In het tweede lid is
bepaald dat aan een gemeente geen subsidie wordt verstrekt wanneer het
berekende aantal standaardeenheden beneden één komt. In deze situatie
weegt de administratieve rompslomp van het Rijk en de gemeente niet op
tegen het verstrekken van een zeer geringe subsidie. Ook de
garantiefactor geldt in deze situatie niet.
Artikel
17. Berekening
subsidie van de standaardeenheid
Om de subsidie per
standaardeenheid te kunnen vaststellen, moet vooraf duidelijk zijn
welk deel van het macrobudget voor de subsidieverdeling in aanmerking komt. Van
het beschikbare macrobudget wordt vooraf een klein deel
gereserveerd ten behoeve van bijvoorbeeld centralearbeidsvoorwaardenaspecten
(onder andere scholingsmiddelen). De in het tweede lid genoemde aanpassing
kan als factor worden uitgedrukt, maar ook in aantal standaardeenheden.
Dit kan van jaar op jaar verschillen.
Artikel 18.
Garantiefactor
Dit artikel is in het
algemeen deel onder financieel verdeelmodel toegelicht.
Artikel
21. Wijziging
uitvoering
Dit artikel is
noodzakelijk om in te kunnen spelen op wijzigingen die zich bij de uitvoering van de
Wsw in gemeenten (en gemeenschappelijke regelingen) van jaar
op jaar kunnen voordoen. Met het oog daarop is de mogelijkheid opgenomen
dat een gemeente de subsidie voor de uitvoering van de wet "overdraagt" aan een andere gemeente. In het
Besluit financieel
verdeelmodel sociale werkvoorziening was opgenomen dat een dergelijk verzoek
vóór 1 juli van een lopend subsidiejaar moest worden gedaan om te
kunnen worden toegepast in het daaropvolgende subsidiejaar. Dit artikel
is thans zodanig aangepast dat ook lopende een subsidiejaar nog
wijzigingen kunnen worden doorgevoerd.
Hoofdstuk 4.
Subsidievaststelling
Artikel
23. Vaststelling
subsidie
De
bekostigingssystematiek voorziet in een definitieve vaststelling van de rijksvergoeding aan de
gemeente na afloop van het subsidiejaar. De definitieve vaststelling
geschiedt, met toepassing van artikel 9 van de
wet, op grond van de door de
gemeente verstrekte gegevens.
Werknemers die vóór
inwerkingtreding van de wet al een dienstbetrekking hadden, worden op grond
van artikel 29, eerste lid, administratief ingedeeld in de categorie
matig.
Jaarlijks wordt met de
VNG overlegd over het aantal landelijk te subsidiëren
arbeidsplaatsen en de gemiddelde subsidie per arbeidsplaats. Het is de bedoeling
tevens indicatieve afspraken te maken voor de vijf daaropvolgende jaren.
De vaststelling van de
normbedragen voor de budgettoekenning en de subsidievaststelling voor
de latere jaren wordt mede bepaald met behulp van een periodiek te
herhalen onderzoek naar de feitelijke relatie tussen beperkingscategorie,
loon- en overige kosten en toegevoegde waarde.
Gemeenten krijgen voor
personen die na 1 januari 1998 na een indicatie op grond van de wet op
een dienstbetrekking of begeleid werken zijn geplaatst een subsidie
gebaseerd op een werkweek van maximaal gemiddeld 32 uur. Dit in
het vierde lid van het onderhavige artikel opgenomen uitgangspunt
is een nadere invulling van artikel 8, vijfde lid, van
de wet. Genoemd
artikellid ziet alleen toe op dienstbetrekkingen als bedoeld in hoofdstuk 2
van de wet. Hetzelfde uitgangspunt is echter ook gekozen voor
arbeidsovereenkomsten op grond van hoofdstuk 3 van
de wet. Basis voor deze
benadering vormt artikel 7, tweede lid, van de
wet.
Het voorgaande betekent
dat voor een gemeente bij de vaststelling van de subsidie over enig
jaar het gemiddelde aantal uren van de dienstbetrekkingen en het begeleid weken van
de bovengenoemde groep personen wordt berekend. Voor zover dit uitkomt boven een gemiddelde van 32 uur, wordt voor het
meerdere geen subsidie verstrekt. Bij de berekening van dit bedrag
wordt uitgegaan van de feitelijke bezetting.
Blijft een gemeente
gemiddeld onder de 32 uur, dan wordt subsidie verstrekt naar het
feitelijk aantal uren. Daarbij geldt tevens dat de gemeente niet meer aan
subsidie ontvangt dan het toegekende aantal standaardeenheden.
De
bepaling van het
meerdere boven het maximaal gemiddelde van 32 uur gebeurt als volgt. Om
het meerdere te berekenen, wordt allereerst het aantal aanstellingen
(dienstbetrekking of begeleid werken) opgeteld. Wanneer een aanstelling
slechts voor een deel van het jaar bestond, geldt deze ook alleen voor dat
deel. Vervolgens worden de aantallen uren per aanstelling opgeteld. Ingeval iemand slechts een deel van het jaar werkt, tellen de uren slechts
voor dat deel. Bij een verandering in uren tijdens het jaar wordt het (gewogen)
gemiddelde aantal uren van de aanstelling over het jaar genomen. Op deze
wijze wordt het totale aantal aanstellingen en het totale aantal
aanstellingsuren bepaald. Vervolgens wordt het aantal aanstellingen met 32 uur
vermenigvuldigd. Bij een lagere uitkomst dan het aantal
aanstellingsuren bestaat het meerdere uit het verschil tussen die twee aantallen.
Het meerdere wordt
vervolgens uitgedrukt in standaardeenheden. Om te berekenen hoeveel
standaardeenheden dit betreft, moet voor de gemeente
het totale
aantal standaardeenheden die door de nieuw ingestroomden in het
subsidiejaar zijn gerealiseerd, gedeeld worden door het genoemde aantal
aanstellingsuren. Dit geeft bij de betreffende gemeente aan welk deel
van een standaardeenheid er gemiddeld per aanstellingsuur is
gerealiseerd. Het meerdere aantal uren wordt vervolgens hierin
uitgedrukt.
Artikel
24. Werknemers
die niet meer tot de doelgroep behoren
In dit artikel is bepaald
dat indien een dienstbetrekking met een werknemer, nadat is
vastgesteld dat hij niet langer tot de Wsw-doelgroep behoort, langer wordt
voortgezet (dan de voor hem geldende opzegtermijn), het bedrag van de
maatregel wordt vastgesteld op het bedrag dat aan subsidie is verleend
voor die dienstbetrekking. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, gelet
op de financieringssystematiek van de wet, met "subsidie (...) voor
die dienstbetrekking" wordt gedoeld op de subsidie die is verleend
voor een dienstbetrekking met een persoon die is ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie van de betreffende werknemer. Daarbij dient rekening te
worden gehouden met hetgeen in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van
de wet is bepaald, namelijk dat opzegging van de dienstbetrekking alleen
mogelijk is zodra voor betrokkene een alternatieve mogelijkheid voor opvang
feitelijk beschikbaar is dan wel zodra hij een aanbod tot passende
arbeid onder normale omstandigheden heeft geweigerd. Er kan dus
alleen een maatregel worden opgelegd indien uit het dossier van
betrokkene blijkt dat feitelijke opvang beschikbaar was dan wel dat betrokkene
passende arbeid heeft geweigerd en de dienstbetrekking nadien door de gemeente
is voortgezet. De dienstbetrekking komt niet voor rijkssubsidie
in aanmerking vanaf het moment dat betrokkene passende reguliere arbeid
heeft geweigerd of voor hem feitelijke opvang beschikbaar was.
Op grond van
artikel 6, derde lid, van dit besluit gelden bij herindicatie dezelfde voorschriften
als bij indicatie. Indien een herindicatie ertoe leidt dat een persoon niet meer
tot de doelgroep behoort, hangt het ervan af in welke positie de
betrokkene verkeert. Was hij reeds werknemer, dan dient te worden gehandeld zoals
hierboven is beschreven. Dit betekent dat de dienstbetrekking niet
meer voor rijkssubsidie in aanmerking komt vanaf het moment dat betrokkene
passende reguliere arbeid heeft geweigerd of voor hem feitelijke
opvang beschikbaar was.
Staat betrokkene op de
wachtlijst, dan is de consequentie dat hij daarvan wordt afgevoerd.
Hieraan zijn geen financiële consequenties verbonden in de zin dat
het gevolgen heeft voor de vaststelling van de subsidie van het
betreffende subsidiejaar. Helemaal zonder consequenties is het afvoeren van de
wachtlijst echter niet, aangezien de gegevens van de wachtlijst worden
betrokken in het financieel verdeelmodel dat de basis voor de berekening
van de subsidie per gemeente vormt. Het aantal door het Rijk te
subsidiëren arbeidsplaatsen wordt onder andere bepaald door de grondslag van de
gemeente te verminderen met de vacatureruimte. Dit aantal wordt
vervolgens vermeerderd met de relatieve wachtlijst
vermenigvuldigd met de landelijke vacatureruimte. Deze berekeningswijze leidt
ertoe dat op termijn het afvoeren van de wachtlijst doorwerkt in de hoogte
van de subsidie aan de gemeente.
Artikel
25. Handelen in
strijd met de wet
Op grond van dit artikel
wordt een maatregel opgelegd bij onrechtmatige wetsuitvoering. Het
bedrag van de maatregel sluit aan bij het financieel beslag van de
onrechtmatigheid in de uitvoering. Dit betekent dat onderzoek zal moeten
worden gedaan naar de omvang van de uitgaven die in strijd
met de wet zijn gedaan. Ter bepaling hiervan zal gebruik worden gemaakt
van de bevindingen van de gemeentelijke accountant. Het onderzoek
van de accountant vindt plaats overeenkomstig het zogenoemde controle-
en rapportageprotocol, vastgesteld op grond van lagere regelgeving.
De subsidie wordt ook
teruggevorderd of verrekend indien de verleende subsidie
blijkens de accountantsverklaring of het onderzoek van de Inspectie
Werk en Inkomen is gebaseerd op onjuiste gegevens.
Bij de vaststelling van
het financieel beslag wordt uitgegaan van de subsidiegrondslag (matig
of ernstig) waarop de tekortkoming betrekking heeft. Als deze indeling
ontbreekt, wordt uitgegaan van de indeling in de arbeidshandicapcategorie
matig.
Artikel
26. Vaststelling
percentage
In dit artikel is het
algemene uitgangspunt opgenomen dat, indien het bedrag van de maatregel
in verband met een onrechtmatigheid in de uitvoering als bedoeld in
artikel 4 van dit besluit niet kan worden vastgesteld vanwege het
ontbreken van een directe relatie tussen tekortkoming en
financieel beslag, dit bedrag wordt vastgesteld op een percentage van het
totaalbedrag dat aan subsidie over het betreffende jaar is verleend. Slechts
in een beperkt aantal situaties is hiervan sprake. Dit zal nader worden
vormgegeven in een ministeriële regeling.
Artikel
27. Realisatie
begeleid werken
Op grond van
artikel 10
van dit besluit wordt jaarlijks vastgesteld welk percentage van het aantal
plaatsingen vanaf de wachtlijst door het college van burgemeester en
wethouders in dienstbetrekkingen en begeleid werken ten minste wordt
gebruikt voor het aangaan van begeleid werken. Hierbij worden ook de
personen meegeteld die vanuit een dienstbetrekking overgaan naar begeleid
werken. Dit percentage is al jaren op 25 gesteld. Wordt hieraan
niet voldaan, dan wordt bij de vaststelling van de subsidie daarmee rekening
gehouden. Het bedrag van de maatregel wordt in die situatie
vastgesteld op het bedrag dat wordt verkregen door het aantal niet-gerealiseerde
begeleid-werkenplaatsen te vermenigvuldigen met het bedrag behorende
bij een persoon die is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie
matig.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat elk jaar op basis van de nieuwe taakstelling voor
het betreffende subsidiejaar wordt nagegaan of de gemeente
voldoet aan
haar taakstelling inzake de realisatie van begeleid werken.
In
het tweede lid is
geregeld dat geen maatregel wordt getroffen ingeval de gemeente
aannemelijk kan maken dat haar geen verwijt treft aan het niet hebben voldaan
aan het eerste lid.
Van verwijtbaarheid zal
in ieder geval geen sprake zijn indien de gemeente - ondanks
aantoonbare inspanningen - niet genoeg arbeidsplaatsen voor begeleidwerkers
heeft kunnen vinden bij reguliere werkgevers en er
onvoldoende personen zijn met een advies voor begeleid werken.
Hoofdstuk 5. Slot- en
overgangsbepalingen
Artikel 28.
Overgangsrecht terugkeergarantie
Artikel
9, eerste, tweede
en derde lid, regelen terugkeergaranties voor mensen die onder de Wsw
in dienst zijn getreden. Dit artikel regelt terugkeergaranties voor
personen die reeds onder de Wet Sociale Werkvoorziening zijn
ingestroomd en nadien onder de Wsw arbeid verrichten. Deze personen
kunnen zonder indicatie of herindicatie weer instromen in de sociale
werkvoorziening.
In het tweede lid is voor
de daar bedoelde groep tevens geregeld dat een nieuwe
dienstbetrekking weer wordt aangegaan op basis van de rechten en verplichtingen
die voor hen bestonden op basis van hun laatste dienstbetrekking
in de sociale werkvoorziening. De garantie geldt, met uitzondering voor de
mensen die begeleid werken, voor drie jaar. Voor personen die
begeleid werken, is aansluiting gezocht bij de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling vergoeding
persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers ¹. De
terugkeergarantie geldt hier onverkort (zolang men tot de doelgroep behoort) voor
personen die begeleid werken en gelijktijdig onder de beide genoemde
regelingen vielen.
1. De Regeling vergoeding
persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers, gebaseerd op artikel
8 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking, is met de intrekking
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 1 januari
1998 van rechtswege komen te vervallen, red.
Artikel 29.
Overgangsrecht financiële indeling oude populatie
Werknemers die
vóór
inwerkingtreding van de Wsw (1 januari 1998) al een dienstbetrekking
hadden, zijn administratief ingedeeld in de categorie matig.
Zoals bij de
parlementaire behandeling van de Wsw in de Tweede Kamer is toegezegd, is de
zittende populatie visueel gehandicapten, per 1 januari 1998 werkzaam
in de blindenwerkplaats Blizo, thans behorende bij de bestuurlijke
eenheid WSD te Boxtel, en de blindenwerkplaats Proson, thans behorende
bij de bestuurlijke eenheid DSW te Nunspeet, administratief ingedeeld
in de arbeidshandicapcategorie ernstig.
Artikel
30. Intrekking
besluiten
De in het eerste lid
ingetrokken besluiten blijven van toepassing op subsidietijdvakken die
gelegen zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Dat geldt alleen
niet voor eventuele maatregelen in verband met het niet besteden van een
subsidieoverschot (voorheen artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van
de wet). Dit artikel wordt over nog lopende subsidiejaren niet meer toegepast.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
BIJLAGE
Beslisschema
behorende bij artikel 3 van het Besluit uitvoering
sociale werkvoorziening en begeleid werken
Om te komen tot een
indicatie moet positief of negatief gemotiveerd worden vastgesteld:
|