Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  UITBREIDING  LOONDOORBETALINGSPLICHT  BIJ  ZIEKTE

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1995-1996, 24 439

Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De advisering door de SER
a Beoordeling door de SER
b Standpunt van het kabinet
c Overige adviezen
3 De civielrechtelijke loondoorbetalingsverplichting
4 De consequenties voor werkgevers
5 De relatie werknemer/werkgever
a Controlevoorschriften
b Vertrouwelijkheid medische gegevens
6 Second opinion
a De eerste ervaringen met de second opinion
b Het handhaven van de second opinion
c De uitvoering van de second opinion
d Kosten van de second opinion
7 Een vangnetvoorziening voor bijzondere groepen
a bijzondere groepen
b Omvang bijzondere groepen.
c Vangnetvoorziening
d Consequenties voor de Werkloosheidswet
e Feitelijke uitvoering vangnetvoorziening
f Premieheffing
g Kwantitatieve aspecten van de vangnetvoorziening
8 Ongewenste gedragseffecten
a Niet verzekeren
b Vlucht in flexibele contracten
9 Schadelastbeperking door de bedrijfsvereniging
10 Flankerend beleid
a Artikel 29b
b Aanvaarden passende arbeid in het ziektejaar
c Relatie arbowetgeving
11 Internationale aspecten
a De IAO-verdragen
b Europeesrechtelijke aspecten
c Internationale aspecten
12 Bijzondere voorziening
13 Invoeringstraject
14 Financieel
xArtikelsgewijs
xxr Artikelen I t/m XXXVI
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     In het regeerakkoord zijn als kabinetsvoornemens opgenomen de privatisering van de Ziektewet en marktwerking en premiedifferentiatie bij de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan het eerste deel van deze operatie, de privatisering van de Ziektewet. Alvorens inhoudelijk in te gaan op het nieuwe systeem van verzekering tegen het ziekterisico verdient het aanbeveling aandacht te besteden aan de motieven die ten grondslag liggen aan de ingrijpende wijzigingen die hier worden voorgesteld.

     Met dit wetsvoorstel wordt voortgebouwd op een reeds eerder ingezet beleid met betrekking tot de sociale verzekeringen, dat erop gericht is te komen tot een scherpere toerekening van kosten aan alle bij de sociale verzekering betrokken partijen. Sinds de stelselherziening van 1987 is een groot aantal maatregelen getroffen die tot doel hebben te komen tot een betere beheersing van volume en kosten van de sociale zekerheid. Het gaat hier niet alleen om de recente wetgeving inzake de terugdringing van het volume van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Ook wetgeving op het gebied van misbruikbestrijding, wetgeving tot verhaal van kosten op aansprakelijke personen en de invoering van de nieuwe Organisatiewet [zie Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, red.] kunnen (ten dele) in dit licht worden beschouwd. Op zich hebben met name de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV) (Stb. 1992, 82), de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ) (Stb. 1993, 750) en de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) (Stb. 1993, 412) een positieve invloed gehad op de ontwikkelingen van het volume. Voor het eerst sinds de invoering van de WAO is er een daling in het arbeidsongeschiktheidsvolume. Ook het ziekteverzuim lijkt te dalen. Deze op zich gunstige ontwikkelingen mogen geen reden zijn nu enkele jaren de ontwikkelingen af te wachten: nog lang niet alle oorzaken van het hoge arbeidsongeschiktheidsvolume zijn weggenomen en een verdere stijging van het volume blijft in de toekomst een reŽle mogelijkheid. Weliswaar leidt het ingezette beleid tot een blijvende niveaucorrectie, demografische ontwikkelingen - vergrijzing - zullen rblz.|2| ertoe leiden dat op termijn het arbeidsongeschiktheidsvolume weer gaat stijgen. In de MEV 1996 (blz. 79) [MEV: Macro Economische Verkenning, red.] becijfert het CPB [Centraal Planbureau, red.] dat, afhankelijk van de inschatting die men maakt van lagere invalideringsfrequenties en stijgende revalideringsfrequenties, het structurele niveau van arbeidsongeschiktheid ondanks het ingezette beleid toch nog 800 000 ŗ 1 000 000 personen bedraagt. Het kabinet is er derhalve van overtuigd dat, naast de reeds ingezette maatregelen, krachtige financiŽle impulsen noodzakelijk blijven teneinde te bewerkstelligen dat de gunstige ontwikkelingen in het volume ook structureel zullen doorzetten. De huidige wetgeving bevat nog steeds elementen die belemmerend kunnen zijn voor een goede kostenbeheersing.
     In zijn advies vraagt de Raad van State bijzondere aandacht voor de uitgangspunten die aan deze stelselherziening ten grondslag liggen. De voorgenomen stelselherziening hangt nauw samen met ontwikkelingen die hebben plaatsgehad. Daarom acht de Raad het noodzakelijk dat hier een uiteenzetting wordt gegeven over de uitgangspunten die de regering hanteert bij de onderhavige stelselherziening. De Raad vraagt daarbij ook aandacht voor artikel 20, tweede lid, van de Grondwet. Het gaat hier volgens de Raad om een principiŽle verandering in het stelsel van sociale zekerheid en inzicht zal moeten worden geboden op welke wijze de balans tussen solidariteit enerzijds en eigen inspanning en initiatief anderzijds thans moet worden gevonden.

     Hoewel het kabinet de term stelselherziening wil vermijden, om verwarring met eerdere wijzigingen in het stelsel te voorkomen, is het kabinet met de Raad van State van mening dat hier inderdaad principiŽle wijzigingen in het stelsel van de sociale verzekeringen worden aangebracht. Met name betreft dit de wijze waarop de sociale rechten van de burger worden gegarandeerd. De Grondwet bepaalt in artikel 20, tweede lid, dat de wet regels stelt omtrent aanspraken op sociale zekerheid. Tot nu toe is deze bepaling ingevuld met publiekrechtelijke verzekeringen. Deze nadruk op publiekrechtelijke regelingen neemt af. Uitgangspunt van dit kabinet is dat er ruimte is voor het treffen van privaatrechtelijke regelingen, mits er geen overwegende redenen zijn tot het treffen van een publiekrechtelijke regeling. De mate waarin particuliere ondernemingen kunnen participeren in de socialeverzekeringssector hangt af van het te verzekeren risico. Sommige risicoís zijn dermate groot dat zij zonder een publieke verantwoordelijkheid niet gedragen kunnen worden: werkloosheid is particulier niet of nauwelijks te verzekeren; op het gebied van arbeidsongeschiktheid bestaan voor particuliere verzekeringen meer mogelijkheden, al zal een volwaardig publiek deel moeten blijven bestaan. Op het gebied van het ziekteverzuim echter is, zoals hierna zal worden uiteengezet, de noodzaak van een publieke voorziening slechts beperkt. Voorop staat de stelling dat de overheid op socialeverzekeringsgebied alleen datgene moet regelen wat de particuliere verzekeringsmarkt niet reeds vanzelf oppakt. Als de particuliere verzekeraars in staat zijn alle risicoís tegen een acceptabele prijs te verzekeren, dan is er geen noodzaak voor een sociale verzekering. Op grond van hierna aan te geven overwegingen is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het grootste deel van de "ziekteverzekeringsmarkt" zich goed leent voor privatisering en adequaat door het private verzekeringswezen bediend kan worden.

     In die gevallen waarin de markt afdoende bescherming kan bieden, is de rol van de wetgever derhalve beperkt. Het gaat er dan om zorg te dragen voor een zodanig systeem van wetgeving dat - in de termen van de Raad van State - een nieuw evenwicht ontstaat tussen solidariteit enerzijds en eigen initiatief anderzijds. Meer concreet: het wettelijk kader dient negatieve effecten van de markt te voorkomen c.q. uit te bannen en werknemers voldoende bescherming daartegen te bieden. Dit betekent dat de rechten en plichten van werknemers en werkgevers duidelijk rblz.|3| dienen te zijn, evenals de mogelijkheden om die rechten te effectueren. Anderzijds dient dit wettelijk kader voldoende ruimte te bieden aan marktpartijen om een goed product in termen van prijs-kwaliteitverhouding te ontwikkelen. Alleen op die wijze komt een product tot stand voor datgene waaraan

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wulbz | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x