|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1995-1996,
24 439
Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere
wetten in verband met
loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De advisering door de
SER |
| a |
Beoordeling door de
SER |
| b |
Standpunt van het
kabinet |
| c |
Overige adviezen |
| 3 |
De civielrechtelijke
loondoorbetalingsverplichting |
| 4 |
De consequenties voor
werkgevers |
| 5 |
De relatie
werknemer/werkgever |
| a |
Controlevoorschriften |
| b |
Vertrouwelijkheid
medische gegevens |
| 6 |
Second opinion |
| a |
De eerste ervaringen
met de second opinion |
| b |
Het handhaven van de
second opinion |
| c |
De uitvoering van de
second opinion |
| d |
Kosten van de second
opinion |
| 7 |
Een vangnetvoorziening
voor bijzondere groepen |
| a |
bijzondere groepen |
| b |
Omvang bijzondere
groepen. |
| c |
Vangnetvoorziening |
| d |
Consequenties voor de
Werkloosheidswet |
| e |
Feitelijke uitvoering
vangnetvoorziening |
| f |
Premieheffing |
| g |
Kwantitatieve aspecten
van de vangnetvoorziening |
| 8 |
Ongewenste
gedragseffecten |
| a |
Niet
verzekeren |
| b |
Vlucht in flexibele
contracten |
| 9 |
Schadelastbeperking
door de bedrijfsvereniging |
| 10 |
Flankerend
beleid |
| a |
Artikel 29b |
| b |
Aanvaarden passende
arbeid in het ziektejaar |
| c |
Relatie
arbowetgeving |
| 11 |
Internationale
aspecten |
| a |
De IAO-verdragen |
| b |
Europeesrechtelijke
aspecten |
| c |
Internationale
aspecten |
| 12 |
Bijzondere
voorziening |
| 13 |
Invoeringstraject |
| 14 |
Financieel |
|
xArtikelsgewijs |
| xxr |
Artikelen
I t/m XXXVI |
Algemeen
1.
Inleiding
In het regeerakkoord zijn
als kabinetsvoornemens opgenomen de privatisering van de Ziektewet en marktwerking en premiedifferentiatie bij
de uitvoering van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dit
wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan het eerste deel van deze operatie, de
privatisering van de Ziektewet. Alvorens inhoudelijk in te gaan op het nieuwe
systeem van verzekering tegen het ziekterisico verdient het aanbeveling
aandacht te besteden aan de motieven die ten grondslag liggen aan de
ingrijpende wijzigingen die hier worden voorgesteld.
Met
dit
wetsvoorstel wordt voortgebouwd op een reeds eerder ingezet beleid met betrekking tot
de sociale verzekeringen, dat erop gericht is te komen tot een scherpere
toerekening van kosten aan alle bij de sociale verzekering betrokken
partijen. Sinds de stelselherziening van 1987 is een groot aantal maatregelen
getroffen die tot doel hebben te komen tot een betere beheersing van
volume en kosten van de sociale zekerheid. Het gaat hier niet alleen om
de recente wetgeving inzake de terugdringing van het volume van het beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Ook wetgeving op het gebied van misbruikbestrijding, wetgeving tot verhaal
van kosten op
aansprakelijke personen en de invoering van de nieuwe Organisatiewet
[zie Organisatiewet sociale verzekeringen 1997,
red.] kunnen
(ten dele) in dit licht worden beschouwd. Op zich hebben met name de Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV) (Stb. 1992, 82), de
Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ) (Stb. 1993, 750) en de
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA)
(Stb. 1993, 412) een
positieve invloed gehad op de ontwikkelingen van het volume. Voor het
eerst sinds de invoering van de WAO is er een daling in het
arbeidsongeschiktheidsvolume. Ook het ziekteverzuim lijkt te dalen. Deze op
zich gunstige ontwikkelingen mogen geen reden zijn nu enkele jaren de ontwikkelingen af te wachten: nog lang niet alle
oorzaken van het hoge arbeidsongeschiktheidsvolume zijn weggenomen en een verdere stijging
van het volume blijft in de toekomst een reële mogelijkheid. Weliswaar
leidt het ingezette beleid tot een blijvende niveaucorrectie,
demografische ontwikkelingen - vergrijzing - zullen rblz.|2|
ertoe leiden dat op
termijn het arbeidsongeschiktheidsvolume weer gaat stijgen. In de MEV 1996
(blz. 79) [MEV: Macro Economische Verkenning, red.] becijfert het CPB
[Centraal Planbureau, red.] dat, afhankelijk van de inschatting die men maakt
van lagere invalideringsfrequenties en stijgende
revalideringsfrequenties, het structurele niveau van
arbeidsongeschiktheid ondanks het ingezette
beleid toch nog 800 000 à 1 000 000 personen bedraagt. Het
kabinet is er derhalve van overtuigd dat, naast de reeds ingezette
maatregelen, krachtige financiële impulsen noodzakelijk blijven teneinde te
bewerkstelligen dat de gunstige ontwikkelingen in het volume ook structureel
zullen doorzetten. De huidige wetgeving bevat nog steeds elementen die
belemmerend kunnen zijn voor een goede kostenbeheersing.
In zijn advies vraagt de
Raad van State bijzondere aandacht voor de uitgangspunten die aan
deze stelselherziening ten grondslag liggen. De voorgenomen
stelselherziening hangt nauw samen met ontwikkelingen die hebben plaatsgehad.
Daarom acht de Raad het noodzakelijk dat hier een uiteenzetting wordt
gegeven over de uitgangspunten die de regering hanteert bij de
onderhavige stelselherziening. De Raad vraagt daarbij ook aandacht voor artikel
20,
tweede lid, van de Grondwet. Het gaat hier volgens de Raad om een
principiële verandering in het stelsel van sociale zekerheid en inzicht zal
moeten worden geboden op welke wijze de balans tussen
solidariteit enerzijds en eigen inspanning en initiatief anderzijds thans moet
worden gevonden.
Hoewel het kabinet de
term stelselherziening wil vermijden, om verwarring met eerdere wijzigingen in het stelsel te voorkomen, is het
kabinet met de
Raad van State van mening dat hier inderdaad principiële wijzigingen in het
stelsel van de sociale verzekeringen worden aangebracht. Met name betreft dit de
wijze waarop de sociale rechten van de burger worden
gegarandeerd. De Grondwet bepaalt in artikel
20, tweede lid, dat de wet regels
stelt omtrent aanspraken op sociale zekerheid. Tot nu toe is deze bepaling
ingevuld met publiekrechtelijke verzekeringen. Deze nadruk op publiekrechtelijke regelingen neemt af. Uitgangspunt van
dit kabinet is dat er
ruimte is voor het treffen van privaatrechtelijke regelingen, mits er geen
overwegende redenen zijn tot het treffen van een publiekrechtelijke
regeling. De mate waarin particuliere ondernemingen kunnen participeren in de
socialeverzekeringssector hangt af van het te verzekeren risico.
Sommige risico’s zijn dermate groot dat zij zonder een publieke verantwoordelijkheid niet gedragen kunnen worden:
werkloosheid is
particulier niet of nauwelijks te verzekeren; op het gebied van arbeidsongeschiktheid
bestaan voor particuliere verzekeringen meer mogelijkheden, al zal een
volwaardig publiek deel moeten blijven bestaan. Op het gebied van het
ziekteverzuim echter is, zoals hierna zal worden uiteengezet, de noodzaak
van een publieke voorziening slechts beperkt. Voorop staat de stelling
dat de overheid op socialeverzekeringsgebied alleen datgene moet regelen wat de particuliere verzekeringsmarkt niet
reeds vanzelf oppakt. Als
de particuliere verzekeraars in staat zijn alle risico’s tegen een
acceptabele prijs te verzekeren, dan is er geen noodzaak voor een sociale
verzekering. Op grond van hierna aan te geven overwegingen is het kabinet tot de
conclusie gekomen dat het grootste deel van de "ziekteverzekeringsmarkt" zich goed leent voor privatisering en adequaat
door het private
verzekeringswezen bediend kan worden.
In die
gevallen waarin de
markt afdoende bescherming kan bieden, is de rol van de wetgever
derhalve beperkt. Het gaat er dan om zorg te dragen voor een zodanig systeem
van wetgeving dat - in de termen van de
Raad van State - een nieuw
evenwicht ontstaat tussen solidariteit enerzijds en eigen initiatief
anderzijds. Meer concreet: het wettelijk kader dient negatieve effecten van de
markt te voorkomen c.q. uit te bannen en werknemers voldoende
bescherming daartegen te bieden. Dit betekent dat de rechten en
plichten van werknemers en werkgevers duidelijk rblz.|3|
dienen te zijn, evenals
de mogelijkheden om die rechten te effectueren. Anderzijds dient dit
wettelijk kader voldoende ruimte te bieden aan marktpartijen om een goed
product in termen van prijs-kwaliteitverhouding te ontwikkelen. Alleen op
die wijze komt een product tot stand voor datgene waaraan
werknemers en werkgevers het meeste behoefte hebben: een kwalitatief
goede verzekering tegen een betaalbare prijs. Marktwerking is geen doel
op zich. Het gaat erom dat een proces van privatisering
flexibiliteit en concurrentie mogelijk maakt: het monopolie van de wettelijke
uitvoeringsorganisaties vervalt en de socialeverzekeringsmarkt wordt
opengesteld voor private ondernemingen, zodat werkgevers de keuze
hebben over de vorm van verzekering die zij willen afsluiten. Het naar de
markt brengen van verzekeringen (zoals in het geval van de Ziektewet) of het
inbrengen van marktelementen in een publiek stelsel (zoals opting out
in de WAO) is in de ogen van het kabinet dus vooral de meest geschikte
methode om een dergelijke betere allocatie van sociale kosten tot stand
te brengen. Op het gebied van de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen
betekent dit dat de regelingen zodanig zullen moeten worden
vormgegeven dat alle betrokkenen systematisch geprikkeld worden zich
actief in te zetten voor preventie en reïntegratie. Die prikkel kan alleen
effectief zijn als de mogelijkheden tot afwenteling op het collectief zoveel
mogelijk ingeperkt zijn: bedrijven zullen moeten worden afgerekend op
kosten die zij genereren. Indien bepaalde bedrijven of bedrijfstakken moeten
opdraaien voor het falen van andere bedrijven, is dit een bedreiging voor
de acceptatie van de sociale verzekeringen: men zal trachten de betaling
van als te hoog gevoelde premies te ontduiken of men zal zich minder inspannen voor goede arbeidsomstandigheden.
Vandaar de grote nadruk
op de directe toerekening van sociale kosten aan de werkgever: alleen zo
wordt bereikt dat de premies van de verzekering in relatie staan tot het
risico en alleen op die manier kan gegarandeerd worden dat de sociale
zekerheid ook op langere termijn betaalbaar blijft. Deze confrontatie met de
kosten zal de werkgever aanzetten zijn werkorganisatie zo in te
richten dat het beroep op de sociale (en nu ook particuliere) regelingen
zo beperkt mogelijk is. Een zieke werknemer zal hij hoe dan ook moeten
betalen, dus de werkgever krijgt er alle belang bij de werknemer weer zo snel
mogelijk in het arbeidsproces op te nemen.
Ook de werknemer krijgt
een directer belang bij ziekteverzuim te beperken: hij heeft bij ziekteverzuim niet langer te maken
met een
anonieme bedrijfsvereniging [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) c.q. uitvoeringsinstellingen,
red.], maar met zijn eigen werkgever of diens arbodienst. De werknemer
zal zich minder gemakkelijk dan voorheen wel eens het geval is geweest
ziek kunnen melden. Ook wordt de werkgever door het systeem
gedwongen meer actief naar oplossingen te zoeken voor verzuim dat gelegen
is in problemen in de werksfeer. Beide partijen zijn in feite tot elkaar
veroordeeld: de mogelijkheid om bepaalde problemen af te wentelen
op het collectief bestaat niet langer. Het kabinet kiest voor een activerend
stelsel niet alleen om het beroep op het stelsel beheersbaar te houden,
maar ook vanuit sociale overwegingen. Mensen moeten immers niet
onnodig aan de kant blijven staan. Het kabinet is er allerwegen op gericht dit
te voorkómen. Het leggen van de verantwoordelijkheden in grotere mate bij
individuele burgers en bedrijven in het socialezekerheidsstelsel
is hierbij één van de invalshoeken. De activerende werking van het stelsel
is enige jaren geleden in gang gezet en met deze voornemens wil het
kabinet deze ingezette lijn in het kader van de Ziektewet
voltooien.
Het kabinet realiseert
zich dat dit beleid ook het risico met zich brengt van meer conflicten in de
arbeidsverhouding. Voor een groot deel zijn dit echter overgangsproblemen. Zodra de nieuwe structuur zich gezet heeft,
verwacht het kabinet dat
dit effect zal verminderen. Het nadeel van meer conflicten in het begin
wordt door het kabinet duidelijk minder ingeschat rblz.|4|
dan het voordeel dat de
kostentoerekening structureel biedt. Het kabinet is ervan overtuigd dat de
hier voorgestelde fundamentele wijzigingen in de Ziektewet
zullen leiden
tot een nieuw evenwicht tussen solidariteit en eigen initiatief. Dit
wetsvoorstel schept de wettelijke kaders daarvoor.
De
Raad van State heeft
voorts een aantal opmerkingen gemaakt met betrekking tot het tempo
van de maatregelen zoals die de laatste jaren getroffen worden. De Raad
is van oordeel dat de in het recente verleden doorgevoerde veelal
ingrijpende en elkaar deels overlappende wijzigingen de tijd niet hebben
gekregen om hun waarde in de praktijk te bewijzen. De talrijke wijzigingen
zetten bovendien een goede uitvoering door de uitvoeringsorganen sterk
onder druk, waardoor het effect van de ingevoerde maatregelen
niet goed zichtbaar kan worden. De Raad van State is dan ook van
mening dat onder deze omstandigheden de invoering van een
(opnieuw) diep ingrijpende stelselwijziging vergt dat overtuigend wordt
aangetoond dat deze stelselwijziging op dit moment reeds onvermijdelijk is.
Het kabinet is zich er
terdege van bewust dat ingrijpende wijzigingen in de sociale zekerheid
elkaar de laatste jaren in hoog tempo hebben opgevolgd. Ook realiseert
het kabinet zich dat de uitvoeringsorganisaties daardoor vaak onder druk
zijn gezet en dat niet alle in de laatste jaren ingezette maatregelen
reeds volledig tot uitwerking zijn gekomen. De wijzigingen die de laatst
jaren hebben plaatsgevonden in de hoogte van uitkeringen, de
uitkeringsvoorwaarden, de premieheffing en de uitvoeringsorganisatie dient men echter niet te zien als een aantal los van
elkaar staande maatregelen waarmee wordt getracht een deel van het sociale stelsel te
repareren en waarvan dan afgewacht moet worden of zij effectief zijn. Het
kabinet beschouwt de verschillende maatregelen veeleer als elkaar opvolgende
stappen in de richting van een meer privaat, marktgericht en (mede)
daardoor meer activerend stelsel.
Het hoge tempo waarmee de
maatregelen worden doorgevoerd moet in de ogen van het kabinet
zeker niet alleen negatief worden beoordeeld. De druk waaronder
werknemers, werkgevers en uitvoeringsorganisaties door het overheidsbeleid
worden gezet, is niet alleen een gevolg van de noodzaak te komen tot
spoedige aanpassingen van het socialezekerheidsstelsel. Een neveneffect van de
diverse elkaar opvolgende maatregelen is dat een cultuuromslag tot
stand is gekomen en in gang wordt gehouden, die leidt tot een uitvoering die directer reageert op maatschappelijke
ontwikkelingen. Men dient
zich ervan bewust te zijn dat het het kabinet ernst is met zijn
voornemens de structuur van de sociale zekerheid grondig te veranderen en
dat er fundamentele wijzigingen gaande zijn die moeten voorkomen dat de
sociale verzekeringen ten prooi vallen aan verstarring. Het feit dat
het arbeidsongeschiktheidsvolume thans daalt is positief, maar dit mag
geen reden zijn nu enkele jaren de ontwikkelingen af te wachten: zoals
hiervoor reeds werd aangegeven blijft een verdere stijging van het volume
helaas in de toekomst een reële mogelijkheid.
De voorbereidingstijd,
het wetgevingsproces en het proces van implementatie van afzonderlijke maatregelen nemen vrijwel altijd een
aantal jaren in beslag.
Het wachten op de effecten van afzonderlijke maatregelen, die vaak
enkele jaren nodig te hebben om tot hun recht te komen, is een luxe die
wij ons, gezien de problemen die nog op ons af komen, niet kunnen
permitteren. Dat de snelle opeenvolging van maatregelen het risico in
zich bergt dat sommige daarvan minder effectief zullen blijken, is een
risico dat genomen moet worden. Indien maatregelen per saldo minder
effectief blijken te zijn, zal ook de bereidheid moeten bestaan deze te
heroverwegen. Het kabinet houdt er rekening mee dat het bij een
snelle ontwikkeling noodzakelijk kan zijn van richting rblz.|5|
te veranderen of gas
terug te nemen. De wijze waarop de Ziektewet
hier wordt aangepast, laat dan
ook de mogelijkheid open in te grijpen indien bepaalde takken van het
bedrijfsleven of bepaalde groepen werknemers aantoonbaar in de
problemen zouden komen.
Het kabinet zal bij de
hierboven beschreven voortgang op weg naar een meer privaat stelsel
vanzelfsprekend de vinger aan de pols houden. In dat kader zal in opdracht van
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een evaluatie van de
versterking van de marktwerking in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
onder meer een representatief werkgeverspanel worden
opgericht. Dit werkgeverspanel zal dienen als een
informatie-infrastructuur voor het volgen van de ontwikkelingen op het terrein
van
arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en reïntegratie.
Ook
zal dit panel dienen voor de evaluatie van het (invoerings)proces
en de - beoogde en niet-beoogde - effecten van de diverse nieuwe
wettelijke maatregelen op het terrein van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daarnaast zal onderzoek
worden gedaan onder werknemers en
uitvoeringsorganisaties.
In de verwachtingen die
het kabinet heeft van de heilzame werking van de markt staat het niet
alleen. De afspraken in het regeerakkoord zijn tot stand gekomen mede op
basis van de indringende analyse van de parlementaire enquêtecommissie, de recente studie en rapportage van de Wetenschappelijke Raad
voor het Regeringsbeleid en het SER-advies [SER: Sociaal-Economische
Raad, red.] over de uitvoering van de
werknemersverzekeringen. De nieuwe wetgeving is niet zozeer gebaseerd op
evaluatieonderzoek naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen; overigens is op dit punt
de laatste tijd wel veel informatie beschikbaar geworden (zie
bijlage). Pas met de invoering van de
Wet terugdringing ziekteverzuim/Arbeidsomstandighedenwet [Arbowet, red.] per 1 januari 1994 is de marktwerking in de
Ziektewet
geïntroduceerd. De
beleidsvoornemens ter zake
zijn voorts doorgeëxerceerd in de interne projectgroep
privatisering sociale verzekeringen en de daarop gebaseerde besluitvorming heeft
geleid tot een adviesaanvrage aan de SER. Aan het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming (Tica) [zie Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) en vervolgens UWV,
red.], het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.] en de Verzekeringskamer is om technisch commentaar
gevraagd.
In
dit wetsvoorstel wordt
binnen de randvoorwaarden van het regeerakkoord vorm gegeven aan een
nieuwe wijze van verzekering van het ziekterisico. Deze randvoorwaarden en uitgangspunten waren de
volgende. De werkgever
krijgt een burgerrechtelijke verplichting opgelegd het loon van de werkgever
door te betalen en is vrij dit risico zelf te dragen of dit risico
elders te verzekeren. Het sociaal geconditioneerde karakter van de
privatisering komt tot uiting in de drie volgende elementen uit het
regeerakkoord:
- "de plicht voor alle
werknemers om tegen deze belangrijke sociale risico’s verzekerd te
zijn en het recht van werkgevers om voor alle werknemers (zonder
selectie) een betaalbare verzekering tegen dit risico te kunnen
afsluiten";
- "de rechten van
werknemers in geval van faillissement van de werkgever dienen verzekerd te
zijn";
- "het spreekt voor
zich dat de positie van chronisch zieke werknemers en van kleine bedrijven
bijzondere aandacht behoeft".
Aanvankelijk lag het in
de bedoeling zowel de voorgenomen privatisering van de Ziektewet
als de
premiedifferentiatie en opting out in de WAO in als
één pakket in te dienen. Dit is helaas niet mogelijk gebleken. De wijzigingen in de WAO
bleken echter van dien aard te zijn dat deze niet vóór 1 januari 1996 door
te voeren zouden zijn. Derhalve is besloten de behandeling van de
wijziging van de Ziektewet los te koppelen van die
rblz.|6|
van overige
wetsvoorstellen marktwerking. De
Raad van State was van mening dat de verschillende onderdelen van de operatie versterking
marktwerking in de
sociale verzekeringen niet los van elkaar kunnen worden gezien. In het
nader rapport is aangegeven dat het kabinet deze opvatting niet deelt.
Weliswaar is de grondgedachte achter dit en de andere wetsvoorstellen
marktwerking vergelijkbaar, de uitwerking verschilt aanzienlijk.
Bij het korter durende ziekterisico heeft het kabinet voor een andere
verantwoordelijkheidverdeling gekozen dan bij het langer lopende arbeidsongeschiktheidsrisico. Het ziekterisico wordt immers in
beginsel volledig voor de verantwoordelijkheid van de werkgever gebracht. Bij de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen streeft het kabinet naar een duaal stelsel.
Overigens is ook bij het opstellen van de verschillende maatregelen reeds
rekening gehouden met de afzonderlijke behandeling en invoering
van de wetsvoorstellen. Ook vanuit een technisch oogpunt bezien
is separate behandeling dan ook goed mogelijk.
Bij het regeerakkoord
werd uitgegaan van een in principe volledige afschaffing van de Ziektewet; anderzijds was een voorwaarde dat het een
sociaal geconditioneerde privatisering moest zijn: geen groepen werknemers die
bescherming behoeven, zouden buiten de boot mogen vallen. Bij de
voorbereiding van dit
wetsvoorstel is geïnventariseerd wat de gevolgen zouden zijn
voor de verschillende groepen werknemers van een volledig laten
vervallen van de Ziektewet. Daarbij is gebleken dat dit op een aantal gebieden
ernstige problemen met zich zou brengen. Eén en ander heeft ertoe geleid
dat besloten is de Ziektewet als vangnetvoorziening te handhaven voor die
groepen werknemers die in een zuiver civielrechtelijk systeem
onvoldoende tegen het ziekterisico beschermd zouden zijn. In paragraaf
7 zal hieraan aandacht worden besteed. In paragraaf 3 zal worden
aangegeven wat de belangrijkste consequenties zijn voor werknemers en
in paragraaf 4 komt de positie van werkgevers aan de orde. In de daaropvolgende
hoofdstukken [paragrafen, red.] worden een aantal deelproblemen behandeld.
2. De advisering door de
SER
a. Beoordeling door de
SER
Bij brief van 6 februari
1995 heeft het kabinet de SER advies gevraagd over de voorgenomen
maatregelen met betrekking tot de Ziektewet
en de AAW/WAO. De Raad heeft
zijn advies ter zake vastgesteld in zijn vergadering van 21 april 1995. Voor
wat betreft de hoofdlijn van het SER-advies en de reactie van het
kabinet daarop zij verwezen naar de toelichting bij het
wetsvoorstel Premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Voor de Ziektewet is wel
van specifiek belang het voorstel voor de
korte termijn dat de SER als alternatief heeft aangereikt, omdat dit in
feite neerkomt op een geheel andere wijziging van de Ziektewet dan het
kabinet zich voorstelt. Het SER-voorstel ziet op hoofdlijnen als volgt
uit:
• de huidige twee/zes weken eigen risico dragen worden verlengd tot 26 weken;
• de totale Ziektewetperiode
wordt verlengd tot drie jaar (inclusief de 26-wekenperiode); de uitkeringshoogte gedurende de laatste twee jaren
blijft gelijk aan de
huidige AAW/WAO-uitkering;
• de toepassing van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium (de keuring) vindt plaats ná afloop van de
loondervingsfase, dus eveneens leeftijdsgerelateerd; dit
betekent dat vanaf dat moment sprake kan zijn van een partiële Ziektewetuitkering met daarnaast eventueel recht op
WW;
• na het eerste
verzuimjaar wordt voor de toepassing van het reïntegratieartikel
in de Ziektewet (artikel 30 Ziektewet) het begrip passende arbeid verruimd tot gangbare
arbeid; dit betekent een prikkel naar de werknemer rblz.|7|
om arbeid te accepteren;
tevens wordt de mogelijkheid ingebouwd om een deel van de
WAO-uitkering te verhalen op de voormalige werkgever indien deze aantoonbaar
in gebreke is gebleven in de Ziektewetperiode wat betreft het plegen van
reïntegratieactiviteiten (wijziging artikel 46
WAO); dit betekent een extra naar
de werkgever passende arbeid aan te bieden;
• werkgevers kunnen voor
de totale periode eigenrisicodrager worden; voor zover hiervan geen
gebruik wordt gemaakt, wordt de huidige premiedifferentiatie in
de Ziektewet toegepast;
• de lastenverschuiving
richting de Ziektewet (en dus primair ten laste van werkgevers) ten gunste
van de AAW/WAO (en dus ten voordele van werknemers) wordt
gecompenseerd door middel van een verlaging van de overhevelingstoeslag.
Hoewel de
SER afwijzend
staat tegenover het voorgestelde pakket van maatregelen als geheel
en bovenstaand voorstel als voorlopig alternatief daarvoor kan dienen, is
overigens het oordeel van de SER over de voornemens met betrekking
tot de Ziektewet
op zich in grote lijnen positief te noemen. De Raad kan zich in beginsel vinden in een verdergaande privatisering van de
Ziektewet. Privatisering van de Ziektewet zou in de ogen van de SER een
tweeledig doel moeten dienen (paragraaf 7.3.1). Zij moet
bijdragen aan een effectieve en functionele
verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en burgers op het terrein van de
inkomensbescherming bij
kortdurend verzuim. Daar waar het verzuimrisico zonder al te grote
bezwaren op civielrechtelijke basis binnen de arbeidsrelatie kan worden
opgevangen en het daarnaast ook in beginsel particulier verzekerbaar
is, kan een publiekrechtelijke regeling achterwege blijven.
Evenzeer is belangrijk
dat privatisering voor werkgevers tot een grotere kostenconfrontatie leidt
met betrekking tot het specifieke bedrijfsverzuim. De SER
wijst erop dat er
positieve gedragseffecten kunnen ontstaan in de sfeer van preventie van ziekteverzuim en in de sfeer van begeleiding en
reïntegratie, doch
wijst er anderzijds op dat ook steeds rekening moet worden gehouden met
negatieve gedragseffecten in de sfeer van gezondheidsselectie en
afrekening op verzuimgedrag. Wijzend op de recent beschikbaar
gekomen Ctsv-inventarisatie van de eerste effecten van de
Wet TZ/Arbowet
wordt geconstateerd dat deze wetgeving naast beoogde effecten, zoals
een significante afname van het ziekteverzuim, ook heeft geleid tot een
aantal niet beoogde en deels ook niet voorziene gedragsreacties. De Raad
pleit voor een behoedzame aanpak.
De
Raad wijst erop dat
aan de beoogde maatregelen met betrekking tot de Ziektewet
ingrijpende
gevolgen verbonden zijn voor zowel werkgevers als werknemers in hun onderlinge verhouding. Het
feit dat werknemers in
de zin van artikel 1637a BW
voortaan voor hun inkomensbescherming bij ziekte in eerste
instantie volledig zullen zijn aangewezen op hun werkgever, impliceert een
aantal aanpassingen van het BW
op het punt van het vertalen en
vastleggen van de polisvoorwaarden. Bezien zal moeten worden welke
nadere voorzieningen noodzakelijk zijn met betrekking tot andere aspecten en ter voorkoming of beperking van
ongewenste neveneffecten.
Daarbij zullen ook de uitvoerbaarheid en houdbaarheid van de
nieuwe regeling alsook de daaraan verbonden administratieve lasten
voor bedrijven goed in het oog moeten worden gehouden.
De keuze voor het
creëren van een vangnetvoorziening neemt een aantal belangrijke bezwaren weg die voor een aantal bijzondere
categorieën en
uitkeringssituaties zouden zijn ontstaan indien besloten was tot een volledige
intrekking van de Ziektewet.
rblz.|8|
Met betrekking tot de
gevolgen voor werkgevers stelt de SER de vraag of er voor veel werkgevers de facto nog wel sprake kan zijn van enige
keuzevrijheid in het wel
of niet verzekeren van het verzuimrisico, zoals zij die thans hebben in het
kader van de eerste twee/zes weken. Kleine en middelgrote werkgevers
zouden geen andere keus hebben dan hun verzuimrisico althans ten
dele onder te brengen bij een particuliere verzekeringsmaatschappij.
Dit zou in combinatie met een laag transparantiegehalte kunnen leiden tot een markt voor verzuimverzekeringen
met een, zeker in de
beginfase, laag concurrentiegehalte. Voor wat betreft de
toegang tot de verzekeringsmarkt voorziet de Raad, afgaande op de
beleidsuitgangspunten van het Verbond van Verzekeraars, zoals neergelegd in zijn
notities van november 1994 en maart 1995, weinig problemen. Ook het gevaar
van grote premiefluctuaties lijkt afwezig. De Raad heeft goede nota
genomen van het beleidsuitgangspunt van het Verbond om geen
individuele selectie op individuele werknemers toe te passen. De Raad acht dit
echter geen waarborg of garantie en stelt dat het voor de hand ligt deze
markt kritisch te volgen teneinde zo nodig aanvullende maatregelen te kunnen
treffen met het oog op de toegankelijkheid.
De
Raad waarschuwt voor
de gevolgen van een verscherping van systeemovergangen en een
mogelijke versnippering van de uitvoering. Een verminderde
betrokkenheid van de publieke verzekeraar in het eerste verzuimjaar zou een
verzwakking kunnen betekenen van de poortwachterfunctie van de publieke
verzekeraar voor de WAO. Dit zou ten koste kunnen gaan van de
mogelijkheid tot een vroegtijdige onderkenning van potentiële langdurige
arbeidsongeschiktheid of de mogelijkheid van een vroegtijdige inzet van
gerichte reïntegratie-instrumenten. De in de adviesaanvraag genoemde mogelijkheid van verhaal van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
en de verplichte derdemaandsmelding benadert de Raad positief, al
vraagt de Raad zich af of deze maatregelen voldoende zullen zijn.
Tot slot stelt de
Raad vast dat het hier voorgestelde systeem van inkomensbescherming in
overeenstemming lijkt met de internationale verplichtingen.
Eén en ander
overwegende komt de SER tot de conclusie dat hij een verruiming van het eigen
risico in de Ziektewet
binnen te stellen sociale randvoorwaarden wenselijk
acht. De voorgestelde verlenging tot één jaar echter acht de Raad te
sterk aangezet. Naar het oordeel van de SER verdient een stapsgewijze
benadering vanuit het huidige systeem de voorkeur.
b. Standpunt van het
kabinet
Vooreerst wil het kabinet
zijn waardering uitspreken voor de snelle en deskundige wijze waarop
het SER-advies tot stand gekomen is. Zowel de
gedachtevorming in de
loop van het adviseringstraject alsook de uiteindelijke conclusies
van de SER zijn van grote invloed geweest op het wetsvoorstel zoals dit
hier voorligt. In deze paragraaf zal een algemene reactie worden gegeven op
de beoordeling door de SER van de kabinetsvoornemens inzake de Ziektewet.
Afzonderlijke onderwerpen van aandacht zullen in de
hierna volgende paragrafen aan de orde komen.
Eerst wil het kabinet
echter nog een aantal opmerkingen maken over het tussenvoorstel van de SER. Het alternatief zoals door de SER ontwikkeld, is met name
gepresenteerd als alternatief voor de kabinetsvoornemens met betrekking tot de
AAW/WAO. De SER vond een alternatief noodzakelijk
omdat vraagtekens werden gezet bij de effectiviteit van het uitstappen zoals
dit in de kabinetsvoornemens is rblz.|9|
vormgegeven. Omdat
derhalve het alternatief werd gekoppeld aan de voornemens neergelegd in
het wetsvoorstel Premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba), is in de memorie van toelichting
bij dit wetsvoorstel uitgebreid ingegaan op het door de SER
gepresenteerde alternatief. Dit wetsvoorstel ligt momenteel voor advies bij de
Raad van State.
Kort samengevat is de
afweging van het kabinet, eindigend in de conclusie het alternatief
van de SER niet te volgen, als volgt. De SER heeft zijn alternatief
uitdrukkelijk bedoeld als een oplossing voor de korte termijn, als een
tussenstap. De SER ging hierbij uit van de veronderstelling dat het kabinet
verdergaande wijzigingen in de werknemersverzekeringen overweegt. Tenzij in de
zomer van 1996 zou blijken dat de in het regeerakkoord
voorziene ombuigingen niet worden gerealiseerd, overweegt het kabinet
deze kabinetsperiode geen andere fundamentele wijzigingen in de werknemersverzekeringen. Het overnemen van het
SER-alternatief zou
hebben betekend dat eerst een tussenstap zou worden gezet met een nog
volgende echter nu nog onduidelijke stap in het verschiet. Kijkend naar
de inhoud van het alternatief heeft het kabinet ook zijn bedenkingen. Het
kabinet beoordeelt het naar achteren schuiven van de toepassing van het
arbeidsongeschiktheidscriterium ronduit negatief. Het staat haaks op de
filosofie van het kabinet ten aanzien van een grotere activerende werking
van
het stelsel. De reïntegratieprikkel wordt immers verminderd. Ook nemen in
het SER-alternatief de collectieve uitgaven toe. Door de latere keuring
van een aantal categorieën werknemers zal het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen voor een bepaalde tijd toenemen. De extra kosten
tengevolge van deze latere keuringen zijn tentatief berekend op ca. ƒ285 miljoen.
Hierbij komt dat de
SER weliswaar afwijzend staat tegenover het voorgestelde pakket van
maatregelen als geheel, maar overigens in grote lijnen positief oordeelt
over de voornemens met betrekking tot de Ziektewet. In beginsel
kan de SER zich vinden in een verdergaande privatisering van de
Ziektewet. Het alternatieve voorstel van de SER wordt meer ingegeven door de
bedenkingen die de SER heeft tegen het uitstappen ("opting out") uit de WAO, zoals deze in het wetsvoorstel
Pemba is vormgegeven. In
tegenstelling tot de SER gelooft het kabinet echter in deze
voornemens. Uitgangspunt bij het uitstappen is het creëren van
concurrentie-elementen bij de uitvoering. Uitstappen is dus geen doel op zich. Of er
daadwerkelijk gebruik van zal worden gemaakt, is van meer factoren afhankelijk dan
alleen van het prijselement. Inschatting van het kabinet is dat op den
duur door ondernemingen van de mogelijkheid van uitstappen gebruik zal
worden gemaakt. Alles afwegende heeft het kabinet geen aanleiding gezien
het alternatief van de SER over te nemen, maar heeft het zijn eigen plannen gevolgd.
Wat betreft
dit
wetsvoorstel stelt het kabinet tot zijn voldoening vast dat de
SER in grote lijnen de
uitgangspunten met betrekking tot dit wetsvoorstel kan
onderschrijven. De SER kan zich in beginsel vinden in een verdergaande
privatisering van de Ziektewet. Ook het kabinet acht een effectieve en functionele
verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en burgers en een grotere
kostentoerekening aan werkgevers bij bedrijfsverzuim, centrale
elementen van het te voeren beleid. De kanttekeningen die de SER
bij de kabinetsvoornemens heeft gemaakt, moeten dan ook binnen dit
kader worden gezien.
Het kabinet is met de
SER van oordeel dat privatisering van de Ziektewet
alleen onder sociale randvoorwaarden aanvaardbaar is. De
kernwijziging van dit
wetsvoorstel houdt in een uitbreiding van de civielrechtelijke
loondoorbetalingsplicht van zes naar 52 weken bij ziekte
rblz.|10|
van de werknemer. Het Burgerlijk
Wetboek is daartoe aangepast. Tevens is een nadere wettelijke
basis gecreëerd voor het geven van controlevoorschriften door de werkgever. Deze
voorschriften dienen redelijk te zijn en ertoe te strekken dat de werkgever die inlichtingen verkrijgt die hij behoeft
om vast te stellen of de
werknemer recht heeft op loondoorbetaling. De werknemer is niet
verplicht aan te geven welke ziekte hij heeft. Ook op het punt van de reïntegratie is een wettelijke regeling getroffen, in lijn met de bestaande regeling in de
Ziektewet. De werknemer is gehouden om passende arbeid te
verrichten bij de eigen werkgever en, na toestemming van de bedrijfsvereniging,
zo nodig bij een derde-werkgever. Bij geschillen
over het bestaan van ziekte voorziet de wet, indien hieromtrent bij CAO geen regeling is
getroffen, in een laagdrempelige en goedkope second-opinionregeling. De
loondoorbetalingsplicht kan zo nodig ook in rechte, namelijk bij de kantonrechter, worden
geëffectueerd, middels een aangepaste procedure met
aan het bestuursrecht ontleende elementen als een verlaagd griffierecht
en geen veroordeling van de werknemer in de proceskosten.
Het complement van de
uitbreiding van de loondoorbetalingsplicht van de werkgever is de
omvorming van de Ziektewet
tot vangnetvoorziening voor die werknemers die
geen werkgever of arbeidsovereenkomst (meer) hebben. Dit betekent dat
de Ziektewet in beginsel is teruggetreden, namelijk indien en zolang
de zieke werknemer in dienstbetrekking staat tot een
loondoorbetalingsplichtige werkgever. Is dit niet (meer) het geval, dan
komt de wettelijke
ziekengeldverzekering vanaf dat moment tot uitbetaling. De aldus vormgegeven
- op hoofdlijnen geschetste - privatisering van de Ziektewet voldoet
naar het oordeel van het kabinet aan de sociale randvoorwaarden die daaraan mogen worden gesteld.
De
SER werpt de vraag op
of met name kleine en middelgrote werkgevers na privatisering van de Ziektewet
feitelijk nog wel enige
keuzevrijheid hebben om
het verzuimrisico al dan niet onder te brengen bij een particuliere verzekeringsmaatschappij. Het kabinet gaat
ervan uit
dat ondernemingen zeer
wel in staat zullen zijn (de kosten van) het ziekterisico in te
schatten, al dan niet met behulp van werkgevers- en brancheorganisaties of
verzekeraars. Het kabinet gaat er voorts van uit dat deze particuliere
verzekeringen in diverse modaliteiten, met een daaraan verbonden flexibele
prijsstelling, zullen worden aangeboden, zodat, indien individuele ondernemingen
concluderen dat enigerlei vorm van verzekering onontkoombaar is, deze
ook daadwerkelijk afgesloten kan worden. Het ziekterisico is een
kortdurend risico dat zich goed laat verzekeren tegen een betaalbare
premie. Deze verzekeringsmarkt is, als gezegd, volledig en zonder
selectie toegankelijk, ongeacht de grootte van het collectief.
Mede tegen deze
achtergrond heeft het kabinet - na de invoering van de twee/zes-wekenmaatregel in
1994 - niet gekozen voor een verdere stapsgewijze verruiming van de eigen
risicoperiode, maar voor volledige privatisering van de Ziektewet. Wel
neemt het kabinet zich voor de feitelijke premieontwikkeling nadrukkelijk te volgen.
In het geval van buitensporige premiestelling kunnen zo nodig bij algemene maatregel van bestuur nadere voorzieningen
worden getroffen.
De
Raad heeft terecht
gewaarschuwd voor een verminderde betrokkenheid van de bedrijfsvereniging
in haar rol van poortwachter WAO/WW gedurende het eerste verzuimjaar. Het kabinet stelt daartoe een aantal
concrete maatregelen
voor, gericht op vroegtijdig signaleren en ingrijpen door de
bedrijfsvereniging. Na dertien aaneengesloten weken van ziekte van een werknemer is de
werkgever verplicht dit aan de bedrijfsvereniging te melden. Aan het niet
of te laat verrichten van deze melding is rblz.|11|
een verlengde
loondoorbetalingsplicht van de werkgever gekoppeld. Gelijktijdig met de
dertiendeweeksmelding overlegt de werkgever een in
overleg met de werknemer
opgesteld reïntegratieplan ten behoeve van de terugkeer van de
werknemer in het arbeidsproces. De werkgever is verplicht mee te werken
aan het opstellen en het uitvoeren van dit reïntegratieplan. Voor
de bedrijfsvereniging zijn instrumenten gecreëerd om deze verplichtingen
ook daadwerkelijk te kunnen handhaven. Ten slotte is in de Werkloosheidswet
een bepaling analoog aan de artikelen 35 AAW
en 46 WAO
opgenomen. De
SER wijst er in zijn advies op dat deze artikelen een grotere
reikwijdte dienen te krijgen. Derhalve wordt in de WW geregeld dat, indien
de werkgever na het verstrijken van de wachttijd zonder deugdelijke grond
de werknemer niet in de gelegenheid stelt passende arbeid te
verrichten, deze aan de bedrijfsvereniging een bedrag verschuldigd is gelijk
aan het loon dat betrokkene zou hebben verdiend indien hij die arbeid wel
had verricht. Deze nieuwe bepaling is van betekenis in de situatie
dat een werknemer na ommekomst van de wachttijd zijn arbeid
door ziekte niet kan verrichten, maar minder dan 15% arbeidsongeschikt is. In
die situatie zijn de artikelen 35 AAW
en 46 WAO, die alleen bij volledige
of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gelden, niet toepasbaar.
In de navolgende
paragrafen zal meer gedetailleerd worden ingegaan op deze en andere onderdelen van het
SER-advies.
c. Overige adviezen
Gelijktijdig met de
adviesaanvraag aan de SER is ook aan de Raad voor
het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) advies gevraagd over de kabinetsvoornemens ten aanzien van de
Ziektewet, de
AAW
en
WAO. De ROP constateert in zijn
advies van 20 april 1995 dat de belangrijkste consequentie van de door het kabinet
beoogde afschaffing van de Ziektewet voor alle werknemers die
op reguliere arbeidsovereenkomst werkzaam zijn en het in plaats
daarvan invoeren van een loondoorbetalingsverplichting in het BW, voor de
overheid in materiële zin geen betekenis heeft. De lasten inzake
de loondoorbetaling bij ziekte komen immers ook op dit moment al volledig
voor rekening van de individuele overheidswerkgevers. In dat opzicht ontstaat
door de plannen van het kabinet derhalve in de
marktsector een met de overheid vergelijkbare situatie. De Raad onderschrijft de
voorkeur van het kabinet om de regeling van de second opinion aan
sociale partners over te laten en vraagt aandacht voor de problematiek van de
inhouding van de pseudo-premies Ziektewet op het loon van ambtenaren en de
handhaving van het instrumentarium om misbruik tegen te gaan en de
schadelast uit hoofde van de WAO te beperken. Deze onderwerpen worden in de
navolgende paragrafen besproken. Feitelijk wordt dit
wetsvoorstel voor de overheid echter eerst van belang op het moment dat het
overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen
komt te vallen [zie Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, red.]. De uitvoeringsorganisatie van de overheidsregelingen
(het ABP [Algemeen burgerlijk pensioenfonds, red.] en de USZO) is momenteel belast met het vormgeven van de
uitwerking van de operatie "privatisering van het ABP" en invoering van
een WAO-conforme regeling. Dergelijke aanpassingen van de overheidsregelingen vergen overleg met de centrales van
overheidspersoneel. Afhankelijk van dit overleg en de mogelijkheden van de uitvoering van de
overheidsregelingen zal het kabinet besluiten of die regelingen aanpassing
behoeven vóór 1 januari 1998.
Naast de ROP heeft ook
het Verbond van Verzekeraars een reactie gegeven op de inhoud van
de adviesaanvrage inzake de kabinetsvoornemens (brief van 7 april 1995
aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid). De plannen met betrekking tot de Ziektewet
worden in grote lijnen
door het Verbond gesteund. Met name van belang
rblz.|12|
in de reactie van het
Verbond is dat de reeds eerder gegeven toelichting omtrent de wijze van
premiestelling bij particuliere ziekengeldverzekeringen wordt bevestigd en
nader
gespecificeerd. In paragraaf 4 zijn deze gegevens meegenomen.
Op 15 mei 1995 heeft het
kabinet een concept van dit
wetsvoorstel, alsmede de
wetsvoorstellen Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba) en
Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aan
het Tica toegezonden met het verzoek deze op korte
termijn van technisch commentaar te voorzien. Tot genoegen van het kabinet
is het Tica in staat gebleken aan dit verzoek te voldoen. Op 20 juli 1995
heeft het Tica zijn commentaar op de Wulbz, Pemba en WAZ (de "wetsvoorstellen
marktwerking") vastgesteld. Het Ctsv heeft zijn
commentaar op 16 augustus 1995 vastgesteld.
Het kabinet neemt er
goede nota van dat de standpunten die werkgevers en werknemers
met betrekking tot de wetsvoorstellen marktwerking in het
Tica-bestuur en in de SER hebben ingenomen, door hen ook thans nog worden
aangehangen. Evenzeer moge het duidelijk zijn dat het kabinet vasthoudt aan
zijn eigen benadering van de wetsvoorstellen marktwerking.
Het Tica heeft als
algemeen bezwaar tegen de wetsvoorstellen marktwerking dat de gegunde termijn voor het leveren van commentaar
zeer beperkt is. Voorts
ontbreekt het het Tica aan de benodigde informatie om een afgerond oordeel
te kunnen geven. Het Tica verwijst daarbij naar het ontbreken van het
complete invoeringstraject bij de wetsvoorstellen. Zonder duidelijk zicht
hierop kan een belangrijk deel van de uitvoeringstechnische consequenties niet in
kaart worden gebracht. Dit is met name bij de Pemba
en WAZ het
geval.
Met het Tica is het
kabinet van mening dat op bepaalde onderdelen van de wetsvoorstellen
inderdaad geen volledige informatie beschikbaar was. Met name geldt dit voor
de wetsvoorstellen Pemba en WAZ. Dit neemt niet weg dat er in de
optiek van het kabinet wel voldoende mogelijkheden bestonden de
verschillende wetsvoorstellen op belangrijke onderdelen op hun consequenties te
bezien. Met betrekking tot onderhavig wetsvoorstel is het Tica
daartoe ook
goed in staat gebleken. Naar aanleiding van het commentaar van het Tica
zijn wettekst en memorie van toelichting op enkele punten aangepast.
De
Raad van State is van deze wijzigingen in kennis gesteld. Op het
commentaar van het Tica zal in de navolgende paragrafen worden
ingegaan. Het advies van het Ctsv is van belang geweest bij het opstellen
van de bepalingen betreffende sanctie bij reïntegratie, de
kosten van de second opinion en het overgangsrecht. De Verzekeringskamer heeft
slechts één opmerking gemaakt met betrekking tot dit wetsvoorstel, die
echter geen aanleiding is geweest tot aanpassingen.
3. De civielrechtelijke
loondoorbetalingsverplichting
De
loondoorbetalingsverplichting krijgt vorm in het BW. De hoofdregel daar is dat als de
werknemer geen werk verricht, hij ook geen recht op loon heeft. Vanouds heeft
hierop een uitzondering bestaan voor de zieke werknemer. Oorspronkelijk
verplichtte de wet de werkgever ertoe in geval van ziekte het loon door
te betalen "voor eenen betrekkelijk korte tijd". In de praktijk had die regel
weinig betekenis, omdat het leeuwedeel van de loonkosten bij ziekte in
de vorm van ziekengeld door de ziektekassen werd gedragen. Bij de
Wet TZ is de civielrechtelijke hoofdregel vervangen door het huidige artikel 7a:1638c
BW, dat verplicht tot doorbetaling van 70% van het loon, maar ten
minste het minimumloon, gedurende een periode rblz.|13|
van zes weken. Na de
eerste zes ziekteweken (voor kleine werkgevers al eerder, na twee weken)
komt het ziekengeld krachtens de Ziektewet
tot uitkering.
In dit
wetsvoorstel wordt
de loondoorbetalingsverplichting verlengd tot 52 weken. Voor de tijd
dat het loon moet worden doorbetaald, komt de aanspraak op ziekengeld
geheel te vervallen. Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht wordt de huidige collectieve ziekengeldregeling aldus
geheel vervangen door een privaatrechtelijke regeling, terwijl de
bescherming van de zieke werknemer in stand blijft: zolang zijn
arbeidsovereenkomst voortduurt, heeft hij recht op doorbetaling van (70%
van) het loon. Voor het geval de arbeidsovereenkomst tijdens de ziekte
eindigt of om andere redenen geen recht op doorbetaling van loon
bestaat, geeft het wetsvoorstel een eigen voorziening (zie hiervoor
onderdeel 7 [paragraaf 7, red.]).
De
loondoorbetalingsregeling is van dwingend recht. In overeenstemming met het
uitgangspunt van
het regeerakkoord dat hoogte en duur van de
uitkeringsrechten na de overgang naar het private stelsel wettelijk gewaarborgd
blijven, laat het wetsvoorstel niet toe dat van de verplichte
loondoorbetaling ten nadele van de werknemer wordt afgeweken. In de praktijk
is dat geen belangrijke verandering; weliswaar laat de wet thans toe dat
bij CAO of schriftelijke overeenkomst wordt bepaald dat gedurende de eerste zes ziekteweken minder dan 70% van het
loon - zij het niet
minder dan het minimumloon - wordt doorbetaald, maar in het algemeen
betaalt de werkgever gedurende een vaak veel langere periode méér dan 70%
- doorgaans het volle loon - door. De regel dat de eerste twee
ziektedagen ten laste van de werknemer kunnen worden gebracht, blijft
gehandhaafd.
Voor wat betreft het
overheidspersoneel geldt dat de desbetreffende bepaling in de
Wet TZ is
aangepast aan de uitbreiding van de loondoorbetalingsplicht. Feitelijk zal
overheidspersoneel eerst met dit
wetsvoorstel te maken
krijgen wanneer
zij onder de werknemersverzekering komen te vallen. Voor een nadere
uiteenzetting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel
XI [artikel XIX, red.].
Met de
beëindiging van
de collectieve ziekteregeling komt - afgezien van "schadebeperkend
ingrijpen" vanuit WAO-perspectief
- ook de bemoeienis van de bedrijfsvereniging gedurende het eerste ziektejaar in
beginsel te vervallen. De
controles die zij uitvoert om vast te stellen of de werknemer ziek is en
deswege aanspraak heeft op ziekengeld, eindigen. Ook op dit punt brengt het
wetsvoorstel geen grote verandering ten opzichte van de bestaande
situatie. 90% van de ziektegevallen leiden slechts tot kortdurend
verzuim, dat valt binnen de periode van twee of zes weken gedurende welke de
werkgever ook nu al tot doorbetaling van loon verplicht is. De controle
in die periode wordt meestal door de arbodienst van de werkgever
verricht. Alleen voor werknemers die gedurende een langere periode ziek
zijn, zal enige verandering optreden. De controle op hun arbeidsongeschiktheid
zal ook na de eerste zes (twee) weken vanwege hun werkgever
zijn georganiseerd.
De overgang van een
publiek naar een overwegend civielrechtelijk stelsel brengt mee dat
de bestaande bestuursrechtelijke weg van geschillenbeslechting
wordt vervangen door een rechtsgang bij de burgerlijke rechter, in
eerste aanleg bij de kantonrechter. De belangrijkste verandering ten opzichte
van de bestaande situatie is dat de werkgever in plaats van de
bedrijfsvereniging partij is in het geding. Weliswaar geldt dat nu ook al
voor de
eerste zes (twee) ziekteweken, maar de verlenging rblz.|14|
van de loondoorbetalingsverplichting tot
één jaar zal op dit punt haar
effect niet missen.
De
SER wijst er in zijn
advies op (paragraaf 3.3.2) dat artikel 75
Ziektewet
een versnelde behandeling van beroep en hoger beroep (door
de administratieve
rechter) voorschrijft voor geschillen van geneeskundige aard omtrent het
al dan
niet voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid. Een dergelijk voorschrift
is er niet voor de civiele procedure.
In de optiek van het
kabinet is het niet noodzakelijk ten aanzien van de rechtsgang bij de
burgerlijke rechter in een gelijksoortige regeling te voorzien. De kantongerechtsprocedure biedt voldoende mogelijkheden
om tot een spoedige oplossing van het geschil te komen; in het bijzonder
kan de rechter de dagvaardingstermijn desverzocht bekorten en korte termijnen
stellen
waarbinnen partijen hun toelichtingen moeten geven. In hoger beroep is er de
mogelijkheid van spoedappèl. Ook staat, anders dan in de Ziektewet, de
mogelijkheid open een voorlopige voorziening te vragen bij de
kantonrechter of bij de president van de rechtbank in kort geding.
Dat de werkgever vaker
dan thans in procedures over ziekte zal worden betrokken, brengt mee dat
de daaraan verbonden kosten rechtstreeks te zijnen laste zullen
komen. Het gaat om het griffierecht en de eventuele kosten van juridische
bijstand en, wanneer de werkgever in het ongelijk wordt gesteld, de
proceskosten van de werknemer. Dit onvermijdelijke gevolg van de
privatisering sluit goed aan bij de bedoelingen van de privatiseringsoperatie.
De proceskosten worden ook nu al gemaakt. Zij worden betaald door
bedrijfsverenigingen en komen via de Ziektewetpremies ten laste van de werkgever. De nieuwe opzet leidt er dus niet toe
dat de lasten voor de
werkgevers worden verzwaard, maar brengt slechts een andere verdeling tot
stand, waarin de kosten voor rekening worden gebracht van die
werkgever in wiens onderneming de kosten worden veroorzaakt. De
verantwoordelijkheid van de individuele werkgever voor het ziekteverzuim in zijn
bedrijf komt daarmee in financiële zin niet alleen in de loondoorbetaling,
maar ook in de daarmee samenhangende kosten tot uitdrukking.
In processueel opzicht
zijn er geen significante verschillen tussen de huidige bestuursrechtelijke procedure en de nieuwe civielrechtelijke
procedure. De toegang tot de rechter voor de werknemer is, doordat het kantongerechtsprocesrecht
van toepassing is en door de hiervoor reeds genoemde aanpassingen in
de sfeer van het griffierecht en de proceskostenveroordeling,
in vrijwel gelijke mate laagdrempelig. Zo gelden hier de
bestuursrechtelijke regels dat een laag griffierecht (ƒ50,- en, in hoger beroep,
ƒ150,-)
wordt geheven en dat de werknemer, behoudens misbruik van procesrecht,
niet in de proceskosten wordt veroordeeld. Ook de mogelijkheid om, althans in eerste aanleg, te procederen zonder
verplichte rechtsbijstand blijft overeind.
4. De consequenties voor
werkgevers
Alvorens in te gaan op de
consequenties voor werkgevers is het van belang de huidige situatie op het gebied van de ziekteverzekering in kaart
te brengen. Er zijn twee
recente ontwikkelingen, waarbij vooruitgelopen wordt op de
privatisering. Allereerst verdienen de ervaringen de aandacht die zijn opgedaan met de
recente volumemaatregelen. Sinds de invoering per 1 januari 1994 van de
Wet TZ en de gewijzigde Arbowet moeten werkgevers de eerste twee
of zes weken van het ziekteverzuim het loon doorbetalen. Gedurende
deze eigenrisicoperiode is er voor werknemers een wachttijd voordat
recht op ziekengeld ontstaat. Werknemers krijgen rblz.|15|
bij ziekte geen
ziekengeld meer maar loon. De duur van de genoemde wachttijd is afhankelijk
van de grootte van de werkgever. Werknemers die in dienst zijn bij een
werkgever die per jaar meer verloont dan vijftienmaal de gemiddelde loonsom per
werknemer, hebben pas recht op ziekengeld na zes weken, te rekenen
vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. Is de werknemer in dienst
bij een kleinere werkgever, dan heeft hij een wachttijd van twee weken.
In eerste instantie was
er een wachtperiode van drie weken vastgesteld. Gedurende de parlementaire behandeling is echter besloten dat kleine
werkgevers de eerste twee
in plaats van drie weken ziekteverzuim voor hun rekening moeten
nemen, omdat voor kleine werkgevers een periode van drie weken te
belastend werd gevonden.
Er zijn nog geen
definitieve cijfers bekend over de mate waarin de bedrijven zich voor de
eigenrisicoperiode hebben bijverzekerd. Het ziet er echter naar uit dat er
weinig wordt bijverzekerd. Zo blijkt uit een representatief onderzoek van I-SZW
gedurende de maanden juli-augustus 1994 onder 1324 bedrijven dat
gemiddeld 7,5% van bedrijven met 0 tot 100 werknemers zich
hebben bijverzekerd. Van de bedrijven met meer dan 100 werknemers heeft 3%
zich bijverzekerd. Eén van de redenen hiervoor lijkt te zijn
dat veel kleine werkgevers hun risico blijkbaar goed genoeg kunnen
inschatten
om geen verzekeraar nodig te hebben. Doordat het aantal
bedrijven dat zich verzekert gering is en de beste bedrijven daaraan niet
mee hoeven doen, zijn de particuliere ziekteverzekeringspremies
dus nog relatief duur. Bij een langere eigenrisicoperiode zal dat
veranderen. Naarmate ook goede bedrijven zich moeten verzekeren, zullen
de premies, afhankelijk van het bedrijfsrisico, sterk kunnen dalen, in vergelijking met een combinatie van de
Ziektewetpremie
en de private premie voor
de twee/zes-wekenperiode.
Een tweede ontwikkeling
waaraan niet voorbijgegaan mag worden, omdat daardoor de uitgangssituatie bij de privatisering wordt bepaald, is
de uitbreiding van de
mogelijkheid tot eigen risico dragen. Sinds 1 januari 1995 is het eigen
risico dragen een recht geworden voor alle werkgevers die aan een minimum
aantal voorwaarden op het punt van de kredietwaardigheid kunnen voldoen. Daarvan
blijkt tot nu toe slechts in beperkte mate te worden gebruik
gemaakt. De SER geeft in zijn advisering aan
(blz. 21) dat nog geen
duidelijk zicht bestaat op het afzonderlijk effect van de verruiming van de
mogelijkheden tot eigen risico dragen. Uit cijfers van het GAK blijkt dat eind
januari 1995 1231 bedrijven met 117 719 werknemers een verzoek
hebben ingediend om eigenrisicodrager te mogen worden. Dat is
circa 1% van de 166 000 bedrijven met ongeveer 2,3 mln werknemers
waarvoor het GAK de Ziektewet
uitvoert. Opmerkelijk daarbij is volgens de SER
dat als gevolg van een (her)indeling in de laagste risicoklasse voor
de Ziektewetpremie door de bedrijfsvereniging een deel van deze bedrijven
zijn verzoek weer heeft ingetrokken. Bij de BVG hebben volgens opgave van
die bedrijfsvereniging circa 2500 veelal kleine werkgevers het verzoek
ingediend. Aangenomen wordt dat dit mede te maken heeft met de
geringe mate van premiedifferentiatie voor de Ziektewetomslagleden in de
desbetreffende sector. De SER veronderstelt dat de late publicatie van de
AMvB en een mogelijk afwachtende houding bij bedrijven in verband met
de intussen aangekondigde verdere maatregelen in het kader van de
Ziektewet daarbij een rol hebben gespeeld. Deze verondersteling komt het
kabinet aannemelijk voor. Veel werkgevers redeneren dat als de Ziektewet
op korte termijn toch geprivatiseerd wordt, het niet veel zin heeft
om voor een korte periode eigenrisicodrager te worden. Men wacht de ontwikkelingen liever af, om daarna in onderhandeling
te treden met het verzekeringsbedrijf. Het kabinet concludeert dan ook dat het voor de hier
voorgestelde privatisering niet zinvol lijkt af te wachten hoe het
eigenrisicodragerschap zich verder ontwikkelt. Zolang
rblz.|16|
dit
wetsvoorstel boven de
markt hangt, zal het eigenrisicodragerschap zich niet sterk
ontwikkelen. Zou dit wetsvoorstel geheel worden ingetrokken, dan zullen
zich wellicht sterkere ontwikkelingen voordoen, maar dan zouden ook de
positieve effecten van dit wetsvoorstel niet worden bereikt. Dat lijkt een weinig aantrekkelijke optie.
Een tweede opmerking is
dat de meeste kleine werkgevers op het eerste gezicht geen opvallende
problemen lijken te hebben met de eerste twee weken eigen risico uit de
Wet TZ. De mate waarin verzekeringen zijn afgesloten is gering en
het ziet ernaar uit dat de meeste bedrijven goed in staat zijn geweest hun
eigen problemen op te lossen. Vanuit die optiek bezien lijken er geen
belemmeringen te bestaan om voort te gaan op de weg naar meer
marktwerking en privatisering.
Wat betreft de toegang
tot de verzekering voor werkgevers stelt het regeerakkoord als randvoorwaarde dat de positie van kleine bedrijven
aandacht verdient.
Werkgevers dienen voor alle werknemers (zonder selectie) een betaalbare
verzekering te kunnen afsluiten. Derhalve dient geanalyseerd te worden
wat de mogelijkheden voor kleine bedrijven zijn zich tegen een
acceptabele premie te verzekeren. Bij verlenging van het eigen risico tot
één jaar
is het voor kleine bedrijven niet langer mogelijk het risico zelf te dragen en
neemt de noodzaak tot het afsluiten van een verzekering sterk toe.
Een middelgroot tot groot bedrijf heeft zoveel werknemers in dienst dat
voor dat bedrijf het ziekterisico van jaar op jaar min of meer stabiel is.
Het bedrag dat aan premie voor verzekering betaald zou moeten worden,
is dan even hoog als het bedrag dat gereserveerd moet worden
om het loon door te betalen.
Voor kleine bedrijven
ligt dit anders. Het relatieve financiële effect van verplichte loondoorbetaling bij ziekte en vervanging van de zieke
werknemer is bij een
kleine onderneming, met bijvoorbeeld 3 werknemers, veel groter dan bij een
onderneming met bijvoorbeeld 100 werknemers. Zo valt bij
ziekte van een werknemer bij de eerstgenoemde onderneming 1/3 van de
werknemerscapaciteit weg; bij de tweede maar 1/100 van de totale
capaciteit. Bij kleine werkgevers ontstaat daardoor niet alleen een groter risico
voor de continuïteit en kwaliteit van de productie, ook de noodzaak van
het
inzetten van vervangende capaciteit is daardoor groter. Bovendien zijn de
mogelijkheden van reïntegratie van langdurige zieken en de
mogelijkheden tot het bieden van vervangende arbeid c.q. het verschaffen van
deeltijdarbeid vanwege de lagere functiediversiteit in kleinere bedrijven veel
geringer dan bij grotere bedrijven.
Voor wat betreft de kans
dat een individuele werknemer getroffen wordt door een ernstige ziekte
maakt het niet uit of hij voor een klein of groot bedrijf werkt. Het risico
daarop blijft gelijk. Treedt dit risico echter in, dan zal een klein bedrijf
veel minder financiële middelen hebben dit risico zelf te dragen. Het zijn dus
de kleine bedrijven die zich moeten verzekeren. Of deze verzekeringen
betaalbaar zijn en of privatisering zal leiden tot grotere verschillen tussen grote
en kleine ondernemingen is afhankelijk van het soort verzekeringen dat
de verzekeraars aan zullen bieden, alsmede de kosten daarvan. Het
Verbond van Verzekeraars heeft bij de voorbereiding van dit
wetsvoorstel aangegeven, en bij brief van 7 april 1995 nog eens bevestigd, dat
verzekeraars alle collectiviteiten ongeacht de grootte van het bedrijf kunnen
verzekeren, zonder selectie op individuele werknemers. Deze in beginsel
volledige toegankelijkheid zal worden geboden voor een overgangsperiode van zes
maanden na inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving en zal daarna
ook gelden voor nieuwe bedrijven die op dat moment de markt betreden.
Omdat het een collectieve verzekering betreft die door de werkgever wordt afgesloten, worden daarmee automatisch
alle werknemers onder de
dekking gebracht, inclusief nieuwe rblz.|17|
werknemers. Werkgevers
die een particuliere ziekengeldverzekering willen afsluiten, zullen wel
inzicht in de verzuimcijfers van hun bedrijf moeten geven.
Bij de premiestelling
gaat het Verbond uit van de veronderstelling dat de premie in de praktijk
maximaal 2,5 keer de gemiddelde premie van de collectiviteit op basis
van het bedrijfstakverzuim zal bedragen. In de adviesaanvrage werd
gesproken van "2,5-maal de gemiddelde premie in de betreffende
bedrijfstak". Dit is volgens het Verbond niet geheel correct. Bij het vaststellen van
de gemaximeerde premie wordt het verzuim in de bedrijfstak in de
berekening meegenomen in plaats van het eigen bedrijfsverzuim. De andere factoren in de premieberekening, zoals
leeftijdsopbouw en
loonsom van het bedrijf, worden wel op de betreffende collectiviteit afgestemd.
Het Verbond komt tot zijn verwachting met betrekking tot de
premiestelling door de wijze van premieberekening die bij kleine werkgevers
toegepast zal moeten worden. Hoe kleiner de personeelsomvang van de
collectiviteit, des te geringer de invloed van het verzuimverleden en des te
groter de invloed van het bedrijfstakverzuim op de premie. De reden
hiervoor is dat bij kleine bedrijven de verzuimfluctuaties groter zijn en de
gemiddelde bedrijfsverzuimcijfers een geringere voorspellende
waarde hebben. Om dit effect te compenseren, moet men de
verzuimgegevens van de bedrijfstak waartoe het bedrijf behoort, sterker laten
meewegen. In de praktijk betekent dit dat verzekeraars voor een bedrijf tot 50
werknemers het bedrijfsverzuim slechts voor 20% zullen laten meewegen
en het bedrijfstakverzuim 80%. Bij bedrijven tussen 50 en 100
werknemers zal deze verhouding waarschijnlijk 50%/50% zijn. Het Verbond geeft
aan dat alleen bij grotere bedrijven (van meer dan 500 werknemers)
uitsluitend gekeken zal worden naar het bedrijfsverzuim.
Van belang in verband met
de toegankelijkheid van de verzekeringen is voorts nog dat het
Verbond in zijn brief van 7 april 1995 aangeeft dat om het risico voor een
ziekengeldverzekering te kunnen inschatten verzekeraars bij de acceptatie van
individuele werknemers geen nadere gezondheidswaarborgen
zullen vragen, in de vorm van in te vullen gezondheidsvragenformulieren.
Alleen bij de verzekering van het bovenwettelijk deel
(aanvulling ziekengeld tot 100% van laatstgenoten inkomen) kan het invullen
van gezondheidsvragenformulieren worden verlangd bij
collectiviteiten kleiner dan vijftien werknemers en dan alleen voor die werknemers die een
salaris hebben boven het maximumdagloon.
In de praktijk is reeds
een aantal verzekeringsvormen ontwikkeld die het voor kleine bedrijven
mogelijk maken zich tegen een relatief gunstige premie te verzekeren.
Hierbij kan met name worden gewezen op de zogenaamde
mantelcontracten, die bij verzekering van de "WAO- en
Ziektewetgaten" tot
stand zijn gekomen. Deze mantelcontracten zijn overeengekomen tussen
één of meer verzekeraars enerzijds en een werkgeversorganisatie
anderzijds, waarbij wordt afgesproken dat de werkgevers die zijn
aangesloten bij deze organisatie zich tegen bepaalde voorwaarden voor een
bepaald risico kunnen verzekeren. Deze contracten bieden kleine werkgevers,
door zich gezamenlijk tot verzekeraars te wenden, de mogelijkheden
die verbonden zijn aan "grote" collectieve contracten te verwerven.
De vrijheid van verzekeren die de nieuwe situatie biedt, geeft kleine
bedrijven ook andere mogelijkheden om de als (te) hoog ervaren premiekosten te
beperken. Bedrijven die te klein zijn om eigenrisicodrager worden, kunnen een
overeenkomst sluiten met een verzekeringsmaatschappij die "goede" kleine
bedrijven tegen een lagere premie verzekert. Voorts kunnen
zij ook onderling regelingen treffen. Daarnaast kunnen kleine bedrijven
het ziekterisico gedeeltelijk zelf dragen en buitengewone risico’s
bij een verzekeringsmaatschappij onderbrengen.
rblz.|18|
Als algemene conclusie
met betrekking tot dit onderwerp is het kabinet dan ook van mening dat in
een geprivatiseerde situatie de markt voldoende mogelijkheden
biedt voor alle werkgevers om zich tegen een acceptabele premie te
verzekeren. De mening van het Tica dat onduidelijk is welke tarieven
particuliere verzekeraars zullen aanbieden voor dekking van het risico van de
loondoorbetalingsplicht en dat een garantie voor een betaalbare premie
ontbreekt, deelt het kabinet, op grond van het bovenstaande, derhalve
niet. Vanzelfsprekend zullen er verschillende premies berekend worden,
doch dit is niet alleen inherent aan het gekozen private systeem, doch
zelfs een noodzakelijke voorwaarde voor het tot stand brengen van een
effectieve prikkel tot verzuimbestrijding. Het aantal mogelijkheden van
verzekeringen neemt voor werkgevers sterk toe. Dit vergroot hun
mogelijkheden de premiehoogte van hun ondernemingen te beïnvloeden en
verkleint het risico op onaanvaardbare verzekeringskosten. De winst die hier geboekt
wordt, is dat werkgevers een zo laag mogelijke premie zullen
willen betalen en op zoek zullen gaan naar verzekeraars met de voor
hen meest gunstige tarieven. De onderlinge concurrentie staat er
borg voor dat verzekeraars hun uitvoeringskosten laag zullen houden,
terwijl de kostentoerekening werkgevers tot een beter ziekteverzuimbeleid zal
aanzetten. Macro gezien verwacht het kabinet dan ook dat de
verzekeringslasten zullen dalen.
Overigens zij
erop
gewezen dat niet in alle situaties privatisering geheel zonder risico is. Vanuit
haar rol als hoeder van het algemeen belang houdt de overheid de verplichting om in te grijpen indien in bepaalde sectoren
problemen zouden
ontstaan. In paragraaf 12 wordt hier nader op teruggekomen. Voor het
bedrijfsleven als geheel echter zijn er geen wezenlijke problemen te
verwachten. Ook in de toekomst zullen ziektepremies niet alleen betaalbaar,
maar juist ook voor verantwoord opererende bedrijven goedkoper
worden.
De maatregelen met
betrekking tot de Ziektewet
hebben ook tot gevolg dat de mogelijkheid voor
werkgevers komt te vervallen om de helft van de verzekeringspremie tot
een maximum van 1% op het loon van de werknemer in te houden (artikel
60,
vijfde lid, Ziektewet). Premie-inhouding past immers niet in een
wettelijk systeem waarin ziekteverzuim geheel een werkgeversrisico
wordt. Bovendien past zo’n inhouding niet in het systeem van het BW.
Duidelijk is overigens
wel dat het vervallen van deze inhouding van belang is voor reeds lopende (collectieve) arbeidsovereenkomsten.
Zonder nadere regeling
zouden de lonen bij het in werking treden van dit
wetsvoorstel met 1%
kunnen stijgen. De ROP wijst er in zijn advisering op (blz. 15) dat het
bovenstaande ook consequenties heeft voor de overheidswerkgevers, aangezien
overheidswerkgevers momenteel een pseudo-premie Ziektewet ter
hoogte van 1% inhouden. Het vervallen van deze pseudo-premie, die zich
reeds per 1 januari 1996 zal voordoen, leidt tot een inkomstenderving bij de
overheidswerkgever. Zowel de SER als de ROP pleiten derhalve voor een paraplubepaling die het mogelijk zou maken
een (fictieve) premie in
te houden op het loon van de werknemer, zolang CAO-partijen geen andere
afspraken hebben gemaakt. Het kabinet is echter tot de conclusie
gekomen dat het minder gewenst is een dergelijke paraplubepaling in de
wet op te nemen. De inkomenseffecten van deze maatregel kunnen ook op
andere wijze gecompenseerd worden.
De werknemersbijdrage
bedraagt momenteel circa ƒ2 miljard per jaar. Voor het opzetten
van een vangnetconstructie is een bedrag benodigd van ƒ1,9 mld. Via
de WW-premie gaan werkgevers en werknemers hiervan ieder
de helft (ƒ0,95 mld) betalen. Hierdoor resteert een lastenverschuiving
van werknemers naar werkgevers van ƒ1,05 mld rblz.|19|
(ƒ2 - ƒ0,95 mld). Voor
deze lastenverschuiving zullen werkgevers op het moment van het vervallen
van de verhaalsmogelijkheid worden gecompenseerd via een verlaging van de
overhevelingstoeslag (OT) met ditzelfde bedrag. Mocht
achteraf blijken dat de lastenverschuiving meer of minder is omdat via de
vangnetconstructie WW minder c.q. meer ziektelasten gefinancierd
worden dan thans geraamd, dan zal hiervoor in de compensatie OT nadere
verrekening plaatsvinden. De aanpassing van het OT-percentage in dit
verband zal wettelijk worden geregeld via de wijziging van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen (Wet
Bol).
5. De relatie
werknemer/werkgever
a. Controlevoorschriften
Een volgende vraag is of
de privatisering gestalte kan krijgen zonder dat (groepen van) werknemers
daar de dupe van worden. Het is nuttig daarbij een onderscheid te maken tussen enerzijds werknemers die bij ziekte
recht hebben op
doorbetaling van loon door hun werkgever en anderzijds werknemers die dat niet
hebben. De laatste groep omvat in de eerste plaats de mensen die niet
op arbeidsovereenkomst werken, maar tot hun werkgever/opdrachtgever
in een andere relatie staan, die thans voor de toepassing van de Ziektewet
met een arbeidsovereenkomst wordt gelijkgesteld. In de
tweede plaats gaat het om werknemers die wel een arbeidsovereenkomst
hebben, maar daaraan geen recht op loondoorbetaling ontlenen. Op deze groep
wordt in paragraaf 7 nader ingegaan.
Voor werknemers die recht
hebben op doorbetaling van loon zal over het geheel genomen niet
veel veranderen. Ook nu al wordt in de praktijk hun loon, doorgaans de volle 100%, door de werkgever doorbetaald. Het
ziekengeld wordt door de bedrijfsvereniging aan de werkgever betaald. De
werknemer merkt daar
weinig van. Voor de werknemer zal de nieuwe opzet alleen principieel,
maar niet praktisch, een fundamentele wijziging van de verhouding
werknemer-werkgever-verzekeraar meebrengen. De Ziektewet
is een
werknemersverzekering. De werknemer is verzekerd bij de bedrijfsvereniging en
de aanspraak op ziekengeld komt hem toe. In de nieuwe situatie is er
tussen de werknemer en de verzekeraar geen relatie meer. De werkgever heeft
de rol van verzekeraar op zich genomen; of hij zijn risico elders
verzekert, is zijn zaak. In principe heeft de werknemer niets te maken met de
eventuele verzekering van zijn werkgever. Een principieel en praktisch
belangrijk verschil met vroeger is dat de werkgever veel directer
betrokken raakt bij ziekte van de werknemer. Het is deze gewijzigde
betrokkenheid van de werkgever bij de ziekte van zijn werknemers die een
aantal
vragen oproept. Zoals wat de verplichtingen zullen zijn van de
werknemer ten opzichte van de werkgever, de vraag wie bepaalt wanneer de
werknemer ziek is en wat te doen bij onenigheid over het bestaan van ziekte.
De Ziektewet
bepaalt dat
een werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld de medewerking
moet verlenen die noodzakelijk is om vast te stellen dat hij ziek is
en dat hij de inspanningen moet leveren die nodig zijn om voorspoedig te
herstellen en om zo snel mogelijk weer in het arbeidsproces te worden
opgenomen. De Ziektewet concretiseert deze verplichtingen in een
aantal gedetailleerde voorschriften. De belangrijkste daarvan zijn dat de
verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
verplicht is zo dikwijls dit nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan
een geneeskundig onderzoek door een door de
bedrijfsvereniging aangewezen geneeskundige, zich op last van de geneeskundige tot het
ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem
aangewezen inrichting en in het algemeen de voorschriften van de
geneeskundige die ertoe strekken om een geneeskundig
rblz.|20|
onderzoek mogelijk
te maken, op te volgen (artikel 28 Ziektewet). Voorts is de zieke werknemer die
in staat is passende arbeid te verrichten en door zijn werkgever of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt
gesteld, verplicht die
arbeid te verrichten (artikel 30 Ziektewet).
Artikel 44
Ziektewet
kent voorts nog een
aantal weigeringsgronden indien de werknemer aan een aantal andere
verplichtingen niet voldoet (niet inroepen van geneeskundige hulp, het belemmeren van
zijn genezing, het zich niet houden aan de
controlevoorschriften).
Het spreekt voor zich dat
de hoofdlijnen van het aldus gecreëerde controle- en reïntegratiestelsel in de nieuwe opzet die in
het
wetsvoorstel is neergelegd, moeten worden behouden. Het achterliggende doel van de wet
- terugdringing van
het ziekteverzuim - kan alleen worden bereikt als de werkgever niet slechts
rechtstreeks met de kosten van dat verzuim wordt belast, maar aan
hem tevens instrumenten worden aangereikt die nodig zijn om het verzuim
doeltreffend te beïnvloeden. Het wetsvoorstel is dan ook zo opgezet dat,
enerzijds, de werknemer de waarborg heeft dat hij bij ziekte niet verstoken
zal blijven van loon, maar, anderzijds, de werkgever de aanknopingspunten heeft die hij behoeft om in de eerste
plaats de reïntegratie
van zieke werknemers adequaat ter hand te nemen en in de tweede plaats
oneigenlijk gebruik van de loondoorbetalingsregeling te voorkomen.
De vraag welke controle-
en reïntegratie-instrumenten de werkgever moet hebben, is aan de
orde geweest bij de behandeling in de Eerste Kamer van de
Wet TZ/gewijzigde Arbowet (Kamerstukken I 1992-1993, nr. 13). De toenmalige
Minister en
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben
daarbij het standpunt ingenomen dat de huidige regeling in het BW
de
werkgever mogelijkheden biedt controlevoorschriften te geven. Deze binden de
werknemer niet in die zin dat hij rechtstreeks gedwongen
kan worden de voorschriften na te leven; zo kan de werknemer te allen
tijde weigeren zich te doen controleren. De werkgever kan aan zo’n
weigering echter consequenties verbinden in de sfeer van de
loondoorbetaling.
De
SER besteedt in zijn
advisering de nodige aandacht aan de vraag hoe ver de controlemogelijkheden van de werkgever strekken. De SER
constateert een aantal onduidelijkheden en mogelijke problemen bij het ontbreken van een
wettelijke regeling voor de beoordeling en controle van ziekteverzuim
gedurende de huidige twee/zes-wekenperiode. Ook in de literatuur is daarop
gewezen. De nadere toelichting die in de bovenaangehaalde brief van de bewindslieden
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd gegeven, heeft niet
alle twijfels weg kunnen nemen omtrent de bevoegdheden van de
werkgever. De SER stelt dan ook dat met de voorgenomen oprekking van
twee/zes weken naar 52 weken ook de behoefte aan nadere regeling ter
zake zou kunnen toenemen. De SER acht het een gemis dat er nog geen
systematische gegevens voorhanden zijn met betrekking tot de gang
van zaken in de twee/zes-wekenperiode en dat er evenmin inzicht bestaat
in de mate waarin op ondernemingsniveau hierover afspraken zijn
gemaakt. Dit benadrukt de wenselijkheid van een nadere regeling op het
punt van de beoordeling en de controle.
Met de overgang van een
collectief naar een privaatrechtelijke stelsel zal de vraag naar controle en
reïntegratie inderdaad meer op de
voorgrond treden.
Weliswaar is het merendeel van de ziektegevallen beperkt tot de periode
van zes (twee) weken die nu al voor rekening van de werkgever komt en
daarmee onder zijn controle valt, maar dat brengt niet mee dat het aantal
langdurige ziektegevallen, in aantallen en zeker niet in termen van
kosten, kan worden gebagatelliseerd. Bovendien zijn het juist deze langdurige
gevallen waarin vraagstukken van controle en rblz.|21|
reïntegratie rijzen
waarvan de vraag is of daarop of aan de hand van het huidige BW
bevredigende
antwoorden kunnen worden geformuleerd. De opmerkingen van de SER ter zake zijn zeker terecht.
Het
wetsvoorstel voorziet
er daarom in dat aan de controle- en reïntegratiebevoegdheden
van de werkgever een nadere wettelijke basis wordt gegeven. Die basis
wijkt niet principieel af van de lijn die met de
Wet TZ is ingezet, maar
verduidelijkt de positie van zowel werkgever als werknemer. Daarmee wordt
bijgedragen aan de rechtszekerheid en wordt de kans op ontsporingen,
die door de rechter moeten worden geredresseerd, beperkt. De wettelijke
regeling schept voor de werkgever een hanteerbaar kader,
waarbinnen hij zijn controle- en reïntegratievoorschriften vorm kan geven. Zij biedt
tegelijkertijd de werknemer bescherming tegen
inbreuken in zijn persoonlijke levenssfeer die in zijn verhouding tot de
werkgever niet passen.
Het
wetsvoorstel volgt
niet de opzet van de Ziektewet
dat alle controle- en reïntegratievoorschriften
gedetailleerd in de wet worden geformuleerd. De omstandigheden in
bedrijfstakken en individuele bedrijven lopen sterk uiteen en het komt
wenselijk voor dat in elk geval die voorschriften kunnen worden gegeven
die het beste aansluiten op de omstandigheden in de onderneming. Het
wetsvoorstel kan zich beperken tot een meer globale regeling. De
hoofdlijn blijft, in de lijn van de
Wet TZ, dat enerzijds de werkgever zekere
voorschriften mag geven en anderzijds de werknemer niet rechtstreeks tot
naleving daarvan kan worden gedwongen, maar bij overtreding rekening moet houden met gevolgen voor de
loondoorbetaling.
Wat de controle betreft,
houdt de voorgestelde regeling in dat de werkgever de loondoorbetaling mag opschorten als de werknemer zich
niet houdt aan de door
hem gegeven controlevoorschriften. De wet zegt niet wat die
voorschriften precies mogen inhouden, maar brengt wel duidelijke beperkingen
aan. De belangrijkste daarvan zijn dat de voorschriften ertoe
moeten strekken de werkgever de inlichtingen te verschaffen die deze
behoeft om vast te stellen of de werknemer recht op de loondoorbetaling
heeft en dat de voorschriften redelijk moeten zijn. De grens ligt derhalve
daar
waar de inlichtingen die de werkgever wil verkrijgen, voor de
loondoorbetalingsverplichting niet van onmiddellijk belang zijn. Hij zal
daarom wél kunnen voorschrijven dat de werknemer meldt dat hij ziek is,
maar niét dat de werknemer openbaart welke ziekte hij heeft. Voor de
loondoorbetalingsverplichting is de laatste vraag zonder belang en de werknemer
moet daarom, met het oog op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, een antwoord daarop zonder gevolgen
schuldig kunnen blijven.
De werkgever kan wél voorschrijven dat de werknemer hem een globaal
inzicht geeft in de maatregelen die hij tot zijn genezing heeft getroffen
- bijvoorbeeld of hij zich onder doktersbehandeling heeft gesteld - maar
niet dat de werknemer hem gedetailleerd over (de voortgang van)
zijn genezing informeert. Gedetailleerde informatie kan hij weer
wel verlangen als het gaat om de vraag tot welke arbeid de werknemer
ondanks zijn ziekte nog wel in staat is. Alleen daardoor kan duidelijk
worden of door het aanbieden van passend werk een spoedige reïntegratie kan worden bevorderd. Mede naar aanleiding van het advies van het
Tica is het kabinet tot de conclusie gekomen dat de controlevoorschriften
schriftelijk moeten worden gegeven.
Dat de voorschriften
redelijk moeten zijn, impliceert dat zij voor de werknemer niet onnodig
belastend mogen zijn. Zo zal de werkgever kunnen verlangen dat hij
voor het verstrekken van inlichtingen op gezette tijden thuis is of dat
hij daartoe de werkgever of de door hem ingeschakelde arbodienst bezoekt. Een
voorschrift dat de werknemer voortdurend rblz.|22|
aan huis bindt of
dagelijkse controle gebiedt, zal in het algemeen echter geen redelijk doel
dienen. Het stellen van zulke voorschriften laat de wet niet toe. De opzet van
het
wetsvoorstel is dat de werknemer die de controlevoorschriften
niet naleeft, zijn aanspraak op loondoorbetaling niet zonder meer verspeelt.
Voor de vraag of de werknemer recht op doorbetaling heeft, is
bepalend of hij door ziekte zijn arbeid niet verrichten kan. Overtreding van
controlevoorschriften kan slechts leiden tot het opschorten van de
loonbetaling. Komt nadat de werkgever de betaling heeft gestaakt vast te
staan dat de werknemer ziek is - zo mogelijk doordat de werknemer en werkgever het geschil in der minne beslechten
en anders in een
procedure bij de rechter - dan moet het achterstallig loon alsnog worden
betaald. Het belang van de wettelijke opschortingsregeling is daarin
gelegen dat
zij de werkgever vrijwaart van de verplichting over het
achterstallige loon de wettelijke verhoging van artikel 7a:1638q
BW te
betalen (welke verhoging kan oplopen tot 50% van het achterstallig bedrag)
en dat hij evenmin de wettelijke vertragingsrente verschuldigd wordt.
Op het punt van de
reïntegratie is een wettelijke regeling geboden. In het huidige BW
ligt
besloten dat een werkgever van de werknemer kan verlangen dat hij zich
zet tot de "bedongen" arbeid; tot het verrichten van ander passend werk kan
hij de werknemer echter niet verplichten. In het algemeen is die regel
alleszins juist en aanvaardbaar: het past niet in de opzet van de
arbeidsovereenkomst dat de werkgever andere arbeid kan opdragen dan die waarop
de overeenkomst betrekking heeft. Als de werknemer ziek is, treden
echter andere overwegingen op de voorgrond en gaan de bezwaren van
de hoofdregel overheersen. In het bijzonder in geval van langdurige
ziekte zal de reïntegratie van de werknemer er veelal mee gediend zijn dat hij
andere passende arbeid aanvaardt dan die welke hij met de werkgever was
overeengekomen. Dat werkt als een tweesnijdend zwaard. De
werknemer heeft er baat bij, omdat zijn terugkeer in het
arbeidsproces wordt bevorderd; voor de werkgever worden de financiële
lasten verminderd, op de korte termijn omdat tegenover het
doorbetaalde loon een, zij het aangepaste, arbeidsinspanning staat en op de lange
termijn omdat de versnelde reïntegratie van de werknemer de
loondoorbetalingskosten beperkt. Ook de collectieve regelingen
profiteren
als de inspanningen erop zijn gericht de werknemer zo snel mogelijk te
reïntegreren. De toeloop naar de
WAO wordt daardoor beperkt. Het
wetsvoorstel bepaalt daarom, in lijn met de bestaande regeling in de
Ziektewet, dat de werknemer zijn recht op loondoorbetaling
mist
als hij door de werkgever aangeboden passende arbeid weigert die hij
ondanks zijn ziekte kan verrichten. Voor wat betreft het werken voor een
andere werkgever zij verwezen naar paragraaf 10.
b. Vertrouwelijkheid
medische gegevens
Het feit dat de werkgever
een direct belang krijgt bij eventuele ziekte van zijn werknemers en
hij een arbodienst contracteert om de verzuimbegeleiding te verrichten, roept de
vraag op hoe de verzuimbegeleider dient om te gaan met de
medische gegevens van de werknemer. Het is niet altijd duidelijk in
hoeverre een begeleidend arts zich op een beroepsgeheim kan beroepen. In de
hiervoor aangehaalde brief van de de bewindslieden van SZW wordt gesteld dat
artikel 34 van de Arbowet verplicht tot het geheimhouden van
gevoelige gegevens, maar betwijfeld kan worden of deze bepaling in alle
gevallen van toepassing is.
Het lijkt het kabinet
niet zinvol in het kader van dit
wetsvoorstel in de
principiële vraag
te
treden hoever het beroepsgeheim van artsen strekt. Het bedrijfsleven heeft
vooral behoefte aan een zo praktisch mogelijke aanpak van de medische gegevensverstrekking. Voor een goede
beoordeling rblz.|23|
van de ziekte is
het noodzakelijk dat de zieke werknemer de controlerend arts
volledig inzicht geeft in zijn problematiek. Dit inzicht zal de werknemer alleen
willen geven als hij erop kan vertrouwen dat de geneeskundige
vertrouwelijk omgaat met de verstrekte gegevens. Ook als de arbo- of controlerend
arts gegevens uit de curatieve sector ontvangt, zal hij daar vertrouwelijk
mee om moeten gaan. De informatie die de arbodienst nodig heeft om
zijn reïntegrerende taken goed te kunnen verrichten, ontvangt hij
alleen dan wanneer de werknemer weet dat deze informatie niet zonder
meer ter beschikking van zijn werkgever komt te staan. Hiervoor is al
aangegeven dat de werkgever uitsluitend de gegevens behoort te
verkrijgen die hij voor het vaststellen van de aanspraak nodig heeft.
Het gaat erom door wie het brede scala van gegevens in verband met
de ziekte wordt ingedikt tot slechts die informatie die de werkgever behoeft.
Het kabinet stelt zich voor dat de werkgever kan
voorschrijven dat de werknemer de controlerend arts volledige openheid van
zaken geeft. De arts zal de informatie die hij aldus verkrijgt echter niet aan
de werkgever mogen doorgeven. Hij mag slechts die inlichtingen
verstrekken die voor het vaststellen van de loondoorbetalingsplicht
van belang zijn.
In de optiek van het
kabinet ligt de nadruk daarbij niet zozeer op de arts, maar op de werknemer
zelf. Hij is degene die bepaalt wat er met zijn (medische) gegevens
gebeurt. Hij is immers ook degene die met zijn werkgever verder moet. De
werknemer kan niet verplicht worden meer gegevens te verstrekken
aan de werkgever dan voor het recht op ziekengeldaanspraak
noodzakelijk is. Uit de bij de arts beschikbare informatie zullen arts en
werknemer die gegevens moeten selecteren die voor de werkgever
relevant zijn. De werkgever op zijn beurt heeft het recht loondoorbetaling te
weigeren indien hij meent dat hem ten onrechte noodzakelijke informatie
onthouden wordt. Zonder toestemming van de werknemer mag de
controlerend arts niet méér gegevens verstrekken aan de werkgever dan direct
noodzakelijk voor de hervatting van de arbeid. In geval van twijfel zal de
arts contact moeten opnemen met de werknemer: hij is namelijk degene
die bepaalt wat hij zijn werkgever wil vertellen. Mocht de situatie zich
voordoen dat het verstrekken van noodzakelijke gegevens door de
werknemer om privacyredenen ongewenst wordt geacht, dan is het
uiteindelijk aan de rechter om te bepalen in hoeverre dit gerechtvaardigd is. Voor
wat betreft de medische gegevensuitwisseling in het kader van de second
opinion zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel
1638ca, vierde lid, BW.
6. Second opinion
a. De eerste ervaringen
met de second opinion
Een belangrijk verschil
tussen de Ziektewet
zoals deze vóór de
Wet TZ luidde en de geprivatiseerde ziekteregeling is gelegen in de vraag wie
beoordeelt of een
werknemer ziek is. In de meeste gevallen zal het daarbij gaan om een werkgever die
ontkent dat de werknemer ziek is. In het kader van de Wet TZ is deze
problematiek reeds aan de orde geweest. Een oplossing is daarbij
gevonden in de second opinion. De mogelijkheid van een second opinion is op
nadrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer met de Wet TZ in de Ziektewet
gekomen (artikel 39c en 39d). Wanneer de werkgever een geschil
heeft met zijn werknemer over het al dan niet ziek zijn, kunnen in principe
beiden tijdens de eerste twee/zes weken van ziekte een tweede oordeel vragen
van de bedrijfsvereniging. Een arts van de bedrijfsvereniging doet
onderzoek en doet een uitspraak of er sprake is van ziekte. De kosten
verbonden aan dit onderzoek kan de bedrijfsvereniging verhalen op de aanvrager
van de second opinion. Ook de werkgever kan om een
second opinion vragen om bijvoorbeeld na te gaan
rblz.|24|
of een werknemer wel
werkelijk ziek is of om een werknemer ervan te weerhouden om te vroeg
weer aan het werk te gaan. De second opinion is echter vooral bedoeld ter
verbetering van de rechtspositie van de werknemer. De werkgever
kan loondoorbetaling weigeren als er naar zijn oordeel geen sprake is van ziekte (en dus van werkweigering). De
werknemer kan dan de
bedrijfsvereniging verzoeken om toch ziekengeld uit te keren als blijkt
dat hij door de bedrijfsvereniging wel ziek wordt bevonden. De
bedrijfsvereniging zal deze ziekengelduitkering, inclusief de kosten die hieraan zijn
verbonden, verhalen op de werkgever. De second opinion heeft ook een
preventieve werking voor de werknemer. Doordat de werkgever weet dat de
werknemer zich op een tweede oordeel kan beroepen, zal hij minder
snel geneigd zijn om lichtvaardig het loon niet door te betalen.
b. Het handhaven van de
second opinion
Eerste voorlopige
gegevens van het GAK wijzen erop dat daar nog maar weinig gebruik wordt
gemaakt van het aanvragen van een second opinion. Het gaat daarbij
om enkele honderden gevallen. De oorzaken hiervan zijn niet geheel
duidelijk. Het kan zijn dat de ziekteproblematiek, nu werkgever en werknemer
daarmee directer geconfronteerd worden, duidelijk minder dringend
blijkt te zijn dan in het verleden het geval leek. Een ander element zou
kunnen zijn dat werknemers de neiging hebben om een directe confrontatie met hun werkgever, al is het slechts voor de
bedrijfsvereniging, te vermijden.
Niettemin zijn er in de
optiek van het kabinet belangrijke argumenten om een second-opinionmogelijkheid te handhaven. Verwacht mag
worden dat de second
opinion in de toekomst een belangrijker rol zal gaan vervullen voor de
werknemer. Zijn belang bij zo’n regeling wordt namelijk aanzienlijk
groter. Het gaat in de nieuwe situatie om maximaal een periode van één jaar
waarover de werkgever kan weigeren loon door te betalen. De werknemer
zal in deze situatie tijdens de looptijd van een mogelijke juridische
procedure aanspraak moeten maken op een bijstandsuitkering
wanneer hij meent niet in staat te zijn om te werken. In afwachting van een second
opinion zal niet langer ziekengeld worden verstrekt. Het
belangrijkste argument voor het kabinet om de mogelijkheid van een second opinion te
handhaven, is derhalve dat er behoefte zal ontstaan aan een snel en
deskundig oordeel; niet alleen voor de werknemer is dit van
belang. Ook voor de werkgever kan het voordelig zijn als er een
onafhankelijke beoordelingsinstantie voor ziekte bestaat.
Een tweede belangrijk
argument voor de handhaving van de second opinion is gelegen in de
noodzaak te komen tot een efficiënt stelsel om geschillen over ziekte te
beslechten. De rechter zal zich, als hem zo’n geschil wordt voorgelegd,
altijd moeten doen voorlichten door een onafhankelijke
deskundige. Het is dan zowel ter beperking van de belasting van de
rechterlijke macht als met het oog op een snelle oplossing van het tussen
de werkgever en werknemer gerezen meningsverschil dienstig als die deskundige niet eerst tijdens, maar al
vóór de
procedure wordt
ingeschakeld. De deskundige kan dan snel aan het werk, zonder dat de rechter
daartoe opdracht heeft hoeven geven. De uitkomst van het
deskundigenonderzoek zal in het algemeen een duidelijke vingerwijzing zijn voor
de uitkomst van een procedure. Het kabinet verwacht dat in het
algemeen werkgever en werknemer zich in de uitkomst van het deskundigenonderzoek zullen schikken. In artikel
1638ca,
eerste lid, BW
wordt
derhalve uitdrukkelijk bepaald dat de rechter een vordering tot betaling
van het loon bij ziekte zal moeten afwijzen indien daaraan niet de
verklaring van een deskundige (van een bedrijfsvereniging) is gevoegd omtrent de
verhindering van de arbeider om de rblz.|25|
bedongen of andere
passende arbeid te verrichten. Gesteld kan worden dat de second opinion
dezelfde functie vervult als de bezwaarschriftprocedure in het bestuursrecht.
De
SER achtte in dit
verband het kabinetsvoorstel, zoals dat in de adviesaanvraag was opgenomen, om het beroep op de rechter te
beperken tot gevallen
waarin over de ziektevraag een second opinion is gegeven, om twee redenen
niet goed verdedigbaar. De SER vraagt zich af of er mogelijk
grondwettelijke bezwaren zouden kunnen bestaan indien het beroep op de rechter
beperkt zou worden: artikel 17 van de Grondwet bepaalt dat niemand tegen
zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent;
artikel 6 EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.] spreekt onder meer over een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn, door een
onafhankelijke en
onpartijdige instantie welke bij de wet is ingesteld. Voorts is volgens de SER
in dit verband van betekenis dat het geschil met de werkgever met
betrekking tot de loondoorbetaling ook betrekking kan hebben op andere
aspecten, zoals de hoogte van het loon en de vraag of er van een
arbeidsovereenkomst sprake is.
De problemen die de
SER met de voorgestelde regeling heeft, lijken volgens het kabinet eerder ingegeven door de formulering van de
voorgestelde regeling in
de adviesaanvraag dan door de feitelijke invulling die deze in dit
wetsvoorstel heeft gekregen. Artikel 1638ca
BW beperkt niet de toegang
tot de rechter, doch geeft de rechter een aanwijzing hoe te
handelen bij een vordering tot loondoorbetaling bij ziekte. Bij de beantwoording van de vraag of iemand ziek is, is de rechter
voor een belangrijk deel afhankelijk van het oordeel van deskundigen. Het
eerste lid schrijft voor
dat de rechter hierover geen uitspraak doet zonder dat er eerst een
deskundigenverklaring is. Het tweede lid van artikel 1638ca BW
bepaalt dat het
eerste lid niet geldt voor zover de verhindering de arbeid te verrichten
niet wordt betwist of het overleggen van de verklaring in
redelijkheid niet van de arbeider kan worden gevergd. Aan beide bezwaren
van de SER
wordt derhalve in het wetsvoorstel tegemoet gekomen: er is volledige toegang tot de
rechter én alle geschillen kunnen
door hem worden
behandeld. Voor een nadere uitwerking van de procedure zij verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1638ca
BW.
c. De uitvoering van de
second opinion
Het kabinet geeft er de
voorkeur aan indien de second opinion in de toekomst door het bedrijfsleven zelf geregeld zou worden. Zowel
werkgever als werknemer
hebben behoefte aan een snel en deskundig oordeel en het kan in hun
beider belang zijn als hiervoor binnen hun bedrijfstak een voorziening
getroffen wordt. CAO-partijen zijn waarschijnlijk het best in
staat een passende regeling voor hun sector te treffen. De ROP bijvoorbeeld
heeft in zijn advies voor de overheidssector reeds een voorstel voor een
procedure ontwikkeld (blz. 13 en 14). In het kader van dit
wetsvoorstel zal evenwel een regeling moeten worden getroffen over de vraag wie
de second opinion verricht als hierover geen afspraken zijn gemaakt.
Voorkomen moet immers worden dat partijen eerst over deze vraag gaan
procederen. Bij de beantwoording van de vraag welke instantie, bij
gebreke van een afspraak daarover, de second opinion moet verrichten, zijn
drie overwegingen richtinggevend.
De eerste overweging is dat
de instantie de deskundigheid moet bezitten die voor het geven
van een zinvolle second opinion vereist is. Het gaat daarbij niet slechts om
medische kennis, maar ook om arbeidskundige expertise. De deskundige
moet immers niet slechts in staat zijn te bepalen of de werknemer ziek
is, maar ook of hij dientengevolge rblz.|26|
zijn arbeid niet kan verrichten
en, als dat het geval is, of hij wellicht toch nog tot andere passende arbeid
in staat is en welke dat dan wel is. Een tweede overweging is dat de
instantie ten opzichte van werkgever én werknemer zodanig onafhankelijk en
onpartijdig moet zijn dat in het algemeen beide partijen zich bij de uitkomst van de second opinion zullen neerleggen en
dat de rechter, zo hij
onverhoopt tot een oordeel geroepen wordt, de opinion in beginsel tot
uitgangspunt van zijn beslissing kan nemen. De second opinion is in de
opzet van het
wetsvoorstel niet slechts een faciliteit waarvan werkgever
en werknemer in geval van een geschil gebruik kunnen maken, maar
een verplichte weg die de werknemer moet afleggen voordat hij zijn
vordering tot loondoorbetaling aan de rechter kan voorleggen. Hiervoor
werd al gewezen op de parallellie met de bezwaarschriftprocedure in
het bestuursrecht. Vereist is dan wel dat de second opinion voldoet aan
eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De derde overweging is dat
de kosten van de second opinion naar de mate van het
mogelijke moeten worden beperkt.
Deze drie overwegingen in
aanmerking nemend, kiest het kabinet ervoor de second opinion op
te dragen aan de bedrijfsverenigingen. De bedrijfsverenigingen paren deskundigheid aan de vereiste mate van
onafhankelijkheid en
onpartijdigheid. Zij beschikken, en zullen in verband met de uitvoering van de
WAO ook in de toekomst beschikken, over het apparaat dat nodig is om de
second opinion tegen minimale kosten te verrichten. Het kabinet is
zich ervan bewust dat de rol die de bedrijfsverenigingen aldus krijgen op enigszins
gespannen voet staat met de privatiseringsgedachte
waarop het
wetsvoorstel stoelt. Deze rol brengt immers in het
privaatrechtelijke stelsel een publiekrechtelijk element in, waarbij de kanttekening past
dat de second opinion als voorportaal voor de toegang tot de rechter
niet meer zuiver privaatrechtelijk van aard is, maar zelf al een duidelijk
publiekrechtelijke inslag heeft.
Overwogen zou kunnen worden
of de second opinion niet zou moeten worden opgedragen aan een
privaatrechtelijke instelling, bijvoorbeeld de arbodiensten. Zij staan de
werkgevers reeds bij in de uitvoering van hun verzuimbeleid en zijn langs
die weg al bij de uitvoering van de loondoorbetalingsregeling betrokken. De deskundigheid
die voor de second opinion is vereist, is bij
de arbodiensten in voldoende mate aanwezig. Het kabinet meent echter dat de
arbodiensten tekortschieten op het punt van de vereiste
onafhankelijkheid. Het knelpunt is niet dat de arbodiensten hun werk niet naar
eer en
geweten zouden verrichten. De verplichte geschillenbeslechting buiten
de rechter om, die de second opinion in het
wetsvoorstel is, stelt
verdergaande eisen. De geschillenregeling kan slechts naar behoren
werken
als de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de uitvoerende instantie
ook in die zin gewaarborgd is dat geen van de partijen bij de keuze van
de instantie een bevoorrechte positie heeft. Op dit punt stuit de
aanwijzing van de arbodiensten op bezwaren. Waar er meer arbodiensten zijn,
zal daaruit immers steeds een keuze moeten worden gemaakt en de partij
die dat doet - zij het de werknemer, zij het de werkgever - heeft daarmee
de bevoorrechte positie die zou moeten worden vermeden. In zijn
advisering gaat ook de voorkeur van de SER uit naar uitvoering door de
bedrijfsvereniging. De SER ziet daarbij op de positie van de werknemer
(paragraaf 3.3.2). Gezien de toenemende betekenis van de second
opinion voor diens inkomensbescherming in het eerste verzuimjaar kan het
van groot belang zijn dat deze door een onafhankelijk en deskundig
orgaan wordt gegeven en niet aan de markt wordt overgelaten. Het aldus
regelen van de second opinion kan bij de voorgenomen maatregelen
zelfs als een noodzakelijk onderdeel worden gezien ter waarborging van
de rechten van de werknemer. Dat zulks minder goed zou aansluiten bij de privatiseringsgedachte lijkt daarbij
volgens de SER minder
relevant; belangrijker is dat het in ieder geval rblz.|27|
geen afbreuk doet aan de
beoogde prikkel voor de werkgever, terwijl het toch een extra procedurele
waarborg voor de werknemer kan betekenen.
Het is mede om deze redenen
dat het kabinet er de voorkeur aan geeft om buiten het geval van een
afwijkende regeling bij CAO de second opinion bij de
bedrijfsvereniging te leggen. Is bij CAO een regeling getroffen, dan is van een
bevoorrechte positie van werkgever of werknemer bij de aanwijzing
van de instantie die de second opinion verricht geen sprake en kan
de CAO derhalve zonder bezwaar worden gevolgd. In de mogelijkheid
van aanwijzing van een andere instantie bij overeenkomst tussen de werkgever en de individuele werknemer voorziet
het
wetsvoorstel niet. Door
de afhankelijke positie die een werknemer doorgaans tegenover zijn
werkgever heeft, is onvoldoende gewaarborgd dat de overeenkomst steeds
met zijn werkelijke instemming tot stand is gekomen. Over de juridische
vormgeving van de second opinion en de rol van de second opinion in
eventuele procedures zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 1638ca BW.
In zijn commentaar stelt het
Tica dat de omzetting van ziekengeldaanspraken in loonaanspraken de
rechtsbescherming van de werknemer én de werkgever kan beperken. In het kader van de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van
de werknemer bevreemdt het het Tica dat een werknemer enerzijds
gedwongen wordt om een second opinion aan te vragen om zijn
loonaanspraken in rechte te effectueren, terwijl anderzijds de arts (die de
second opinion verzorgt) zonder zijn instemming kan beschikken
over het medisch dossier. Het
wetsvoorstel geeft geen regeling omtrent
de mogelijkheid voor de werkgever om in het rapport van de deskundige
inzage te krijgen. Gezien het grote belang voor de werkgever bij
kennisneming van de verklaring en de onderliggende gegevens verkregen in het
onderzoek zou volgens het Tica hem kennisneming van dit rapport niet
onthouden kunnen worden. Anderzijds strookt het belang van de werkgever
bij kennisneming niet met het recht op privacybescherming van de
werknemer, waar het gaat om privacygevoelige medische gegevens. Dit pleit
er volgens het Tica voor om de werkgever slechts dan de
mogelijkheid te geven van het rapport kennis te nemen indien de werknemer
gerichte toestemming daartoe heeft gegeven.
Met het Tica is het kabinet
van oordeel dat het invoeren van een loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte op privacygebied een spanningsveld oproept. De
werkgever krijgt een direct belang bij de ziekte van zijn werknemer en deze
kan er bezwaar tegen hebben dat zijn werkgever de beschikking
krijgt over informatie ter zake. Echter, de opvatting dat de second
opinion op dit punt problemen zou oproepen, moet worden weersproken. De
second opinion strekt er mede toe te voorkomen dat de werkgever
zelf, in eerste en laatste instantie, zou gaan bepalen of betrokkene ziek
is, hetgeen inderdaad een inbreuk op de privacy zou betekenen. In
algemene zin kan gesteld worden dat de werkgever bij een second
opinion omtrent de ziekte van de werknemer op niet meer informatie
aanspraak kan maken dan hij in eerste instantie (bij de "first"
opinion) van de
eigen arbodienst zou kunnen ontvangen (zie hiervoor paragraaf
5b).
In dit verband wil het
kabinet nog het volgende opmerken. Bij de vraag welke informatie de
werkgever redelijkerwijs moet kunnen krijgen bij de second opinion, dient men de
feitelijke situatie in ogenschouw te nemen. Hoewel in principe ook de
werkgever een second opinion kan aanvragen - waar de werknemer niet aan
hoeft mee te werken - zal het in de praktijk doorgaans de werknemer zijn
die een second opinion aanvraagt. Een conflict over de vraag of
een werknemer ziek is, zal zich immers meestal zo rblz.|28|
ontwikkelen dat de werkgever
weigert het loon door te betalen, omdat hij meent dat de werknemer niet
ziek is, waarop de werknemer een second opinion aanvraagt. De
werknemer zal dan juist gebruik willen maken van de informatie die bij de
behandelend sector bekend is, aangezien hij daarmee aannemelijk kan
maken ziek te zijn. Dat die medische gegevens aan een onafhankelijke
instantie - die bovendien een geheimhoudingsplicht heeft - verstrekt worden,
kan niet als een aantasting van de privacy worden gezien. Acht de second-opinioninstantie de werknemer
ziek en
mocht de werkgever het met
de opvatting van die instantie niet eens zijn, dan zal hij nog steeds
weigeren het loon door te betalen. Het staat de werknemers dan vrij om de
"second-opinionarts" te verzoeken de werkgever inzage te geven in
zijn medische dossier teneinde hem van de werkelijke situatie te
overtuigen. Als dit geen resultaat oplevert of als de werknemer dit een te
grote
inbreuk vindt op zijn privacy, dan dient de werknemer voor de rechter doorbetaling te vorderen. Mocht de werkgever
voor de rechter stellen dat
hij niet wenst door te betalen, omdat het hem aan essentiële gegevens
omtrent de ziekte van de werknemer ontbreekt, dan is het aan de rechter te
bepalen in hoeverre de privacy van de werknemer zich tegen het
verstrekken van die gegevens verzet. Over een dergelijke afweging in
individuele zaken zijn geen algemene regels te stellen. Het kabinet is van
mening dat het hier voorgestelde systeem de beste garantie biedt dat de
privacy van de werknemer gerespecteerd wordt, juist omdat de
afweging tussen het belang van de werkgever en de werknemer bij de rechter
wordt gelegd.
d. Kosten van de second
opinion
De regeling van de second
opinion is thans opgenomen in de Ziektewet. Zij kan zowel door de
werkgever als door de werknemer worden gevraagd (artikelen 39c
en
39d Ziektewet). De
bedrijfsvereniging kan daarvoor kosten in rekening brengen. Slechts
een deel van de kosten wordt daadwerkelijk doorbelast. De kosten
belopen afhankelijk van de vorm van de second opinion rond de ƒ220,-. Van
een werknemer wordt thans een bijdrage van ƒ35,- gevraagd. Het kabinet
meent dat de kosten van de second opinion in beginsel kosten van
arbeidsverzuim zijn, die voor rekening van de werkgever behoren te komen.
Onnodig gebruik van de second opinion door werknemers moet echter
worden voorkomen. In dat licht is er aanleiding van hen een
beperkte eigen bijdrage te verlangen, die enerzijds geen drempel opwerpt om daar
waar dat nodig is de second opinion in te roepen, maar anderzijds
lichtvaardig gebruik voorkomt. Het kabinet meent dat de bestaande regeling
van de kosten bij deze overweging aansluit. Voorgesteld wordt dan ook
het huidige stelsel in stand te laten. De opzet is derhalve dat de kosten
van de second opinion in de toekomst door de bedrijfsvereniging worden
betaald, die ze vervolgens gedeeltelijk bij de werkgever of werknemer in
rekening brengt, al naargelang wie van hen het initiatief tot de second
opinion heeft genomen. De praktijk is met zo’n eenvoudige oplossing
gediend. Een ander stelsel, waarbij de werkelijke kosten voor elk individueel
geval aan de werkgever in rekening worden gebracht (op een eigen bijdrage van de werknemer na), stuit op het
bezwaar dat het een
uitgebreid en kostbaar invorderingsapparaat vergt. Gezien de beperkte bedragen
die met de second opinion zijn gemoeid, komt het het kabinet
aanvaardbaar voor dat deze kosten niet in individuele basis aan de betrokken
werkgever in rekening worden gebracht, maar via de sociale premies
worden verevend.
7. Een vangnetvoorziening
voor bijzondere groepen
a. bijzondere groepen
In het voorgaande is steeds
uitgegaan van de reguliere arbeidsovereenkomst rblz.|29|
van onbepaalde duur.
Problemen kunnen echter ontstaan indien de aard van de arbeidsovereenkomst niet uitgaat van een bestendige
werkgever/werknemerrelatie.
Wil het burgerlijk recht zijn beschermende werking kunnen hebben, dan
dient uit de arbeidsovereenkomst te volgen dat de werkgever verplicht
is door te betalen. Dit hoeft echter niet zo te zijn. In een aantal
gevallen
houdt een arbeidsovereenkomst op te bestaan, in een aantal andere
situaties kan blijken dat er geen arbeidsovereenkomst bestond. In beide gevallen
bestaat er geen loondoorbetalingsverplichting meer.
De in de praktijk meest
voorkomende situatie is die van beëindiging van een arbeidsovereenkomst van
bepaalde duur. In een aantal sectoren wordt veelvuldig met tijdelijke
contracten gewerkt (de bouw, de
agrarische sector). Ook uitzendovereenkomsten kunnen worden gezien als een vorm van een
arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. Voorts vinden tegenwoordig veel aanstellingen van nieuw personeel eerst op tijdelijke
basis plaats. In de
proeftijd kan een arbeidsovereenkomst wederzijds, zonder nadere motivering
worden opgezegd. Dit schept een probleem voor alle werknemers die aan
het eind van zo’n arbeidsovereenkomst ziek zijn. De huidige Ziektewetverzekering loopt door. Men houdt in zo’n situatie recht op
ziekengeld. De betrokken groepen werknemers zijn van de twee/zes-wekenmaatregel
uitgezonderd. Het volledig afschaffen van de Ziektewet zou voor deze groep werknemers een ernstig probleem
betekenen. Het zou in strijd
zijn met het uitgangspunt van een sociaal geconditioneerde
privatisering indien de betrokken personen naar bijstandsniveau zouden
moeten terugvallen, juist in een situatie waarin ze niet in staat zijn hun lot
te verbeteren.
Het is het kabinet gebleken
dat het niet mogelijk is voor deze groep werknemers een "civielrechtelijke" oplossing te bedenken. Het moge
duidelijk zijn dat men de
aanspraak op loon bij ziekte bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet kan
regelen door de werkgever de verplichting op te leggen door te
betalen, ook als de arbeidsovereenkomst ten einde is. Het kabinet acht het
onwenselijk om de werkgever met een risico van loondoorbetaling te
belasten dat in geen verhouding staat tot de lengte van het dienstverband. Het
zou bovendien een fraudegevoelige regeling zijn: werknemers zouden zich
ziek kunnen melden als zij het einde van een dienstverband zien aankomen
en op deze wijze aanspraak kunnen maken op doorbetaling van het loon. Voorts zou een werknemer zich met een
eenvoudige - maar voor de
werkgever moeilijk te controleren - ziekmelding kunnen voorzien
van een aanspraak op doorbetaling van het loon. Ook een verzekering ná het einde van de dienstbetrekking is geen haalbare optie: ten eerste
zijn werkgevers niet langer verplicht een verzekering af te sluiten
en bovendien zou het vanwege de fraudegevoelige elementen ook voor verzekeraars een weinig aantrekkelijke
optie zijn.
Een vergelijkbare
problematiek doet zich voor met betrekking tot werknemers bij wie het niet
duidelijk is of er een arbeidsovereenkomst bestaat (gelijkgestelden en
rariteiten). Het gaat daarbij om personen die
werken op basis van een
overeenkomst die juridisch meer lijkt op een overeenkomst van aanneming
van werk, of situaties waarin iemand als zelfstandige lijkt te
opereren. Omdat veel van deze personen, vanwege hun feitelijk afhankelijke
situatie van hun werkgever (al is er geen formele gezagsrelatie), gelijkgesteld kunnen worden met gewone werknemers,
bieden de artikelen 4 en 5
van de werknemersverzekeringen de mogelijkheid deze personen
onder de werkingssfeer van de wetten te brengen. Onverschillig hun
juridische status zijn zij toch verzekerd. Het wegvallen van de Ziektewet
zou ook voor deze groep een ernstige teruggang in de rechtsbescherming bij ziekte
bieden en moet om
rblz.|30|
die
reden ongewenst worden
geacht. Het kabinet stelt derhalve voor, voor deze groepen werknemers een
publieke voorziening te behouden, teneinde zeker te stellen
dat zij in de hierboven beschreven situatie recht op uitkering houden.
Het regeerakkoord gaat
ervan uit dat de rechten van werknemers in geval van faillissement
van
de werkgever verzekerd dienen te zijn. Bij het vervallen van de Ziektewet
zouden zieke werknemers wier werkgever failliet is geen recht op
uitkering meer hebben. De overname van de loondoorbetalingsverplichting
door de bedrijfsvereniging op basis van hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet geldt, voor zover het het loon over de opzegtermijn betreft,
alleen voor werknemers die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Het kabinet
is van mening dat de rechten van zieke werknemers het beste worden
gegarandeerd door te bepalen dat ook zij onder de overname van de loondoorbetalingsverplichting op basis van
hoofdstuk IV komen te
vallen. Zijn zij aan het einde van de opzegtermijn, bedoeld in artikel
64,
onderdeel b, WW, nog ziek, dan dienen zij te worden beschouwd als werkloze
zieken. Aansluitend aan de opzegtermijn bestaat dan recht op ziekengeld.
Zieke
werklozen, dit zijn WW-gerechtigden die ziek worden, hebben thans recht op een uitkering
krachtens de Ziektewet. Privatisering van de Ziektewet maakt het
noodzakelijk ook voor deze groep een regeling te treffen: hoewel de
bedrijfsvereniging voor de premieheffing als werkgever wordt beschouwd, kan zij
niet als werkgever in civielrechtelijke zin worden beschouwd. Doorbetalen van
WW tijdens ziekte zou op zich een optie kunnen zijn, maar heeft als
bezwaar dat een deel van de werklozen feitelijk niet in staat zal zijn
daadwerkelijk naar werk te zoeken, vanwege ziekte. Het
beschikbaarheidsvereiste, dat
één van de hoofdvoorwaarden is voor
een WW-uitkering, zou
daardoor haar betekenis verliezen, hetgeen het kabinet als ongewenst
voorkomt. Ook voor deze groep personen is een nadere voorziening derhalve
noodzakelijk.
Zwangere en bevallen vrouwen
zijn een andere groep werknemers die extra aandacht behoeven. Het
voor rekening van de werkgever brengen van de kosten van loondoorbetaling bij zwangerschap en
bevalling zou
zeer nadelig uitpakken voor
de kansen van vrouwen op de arbeidsmarkt. Het aannemen van vrouwen die
zwanger kunnen worden zou voor werkgevers een aanzienlijk
financieel risico met zich brengen. Om de toegang tot de arbeidsmarkt
voor vrouwen te bevorderen is het noodzakelijk dat de kosten van
zwangerschap en bevalling niet voor rekening van werkgevers komen. De kosten
die voor de werkgever uit zijn loondoorbetalingsverplichting gedurende de
zwangerschapsperiode, en het daarmee samenhangende
ziekteverzuim, voortvloeien, zullen derhalve volledig gecompenseerd
moeten worden vanuit een publieke voorziening. Verdragsrechtelijk heeft
Nederland zich ook daartoe verplicht.
De
SER is voorts de vraag
voorgelegd of vrijwillig verzekerden onder de werkingssfeer van de
vangnetvoorziening zouden moeten worden gebracht. De SER is van
mening dat zulks voorshands niet voor de hand lijkt te liggen, waar de Ziektewet
materieel voor reguliere werknemers wordt afgeschaft. Ook uit
een oogpunt van coördinatie met de overige werknemersverzekeringen
lijkt zulks niet geïndiceerd. Wel wil de SER daarbij verschil maken
tussen de groep "verplicht" vrijwillig verzekerden (acceptatieplicht voor
bedrijfsverenigingen mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan) en
de groep "vrijwillig" vrijwillig verzekerden (acceptatiebevoegdheid voor
de bedrijfsvereniging binnen bepaalde grenzen). Vanwege de
verwantschap met de werknemersstatus zouden volgens de SER bepaalde
subgroepen binnen de groep "verplicht"
rblz.|31|
vrijwillig verzekerden weer
wel onder de vangnetvoorziening worden gebracht.
Het kabinet kan zich vinden
in het oordeel van de SER dat het niet in de rede ligt de vrijwillige
verzekering in haar huidige vorm onder de werking van de vangnetvoorziening te
brengen en is tot de conclusie gekomen dat de vrijwillige verzekering
in de toekomst alleen gehandhaafd moet blijven voor de groep zogenaamde
"verplicht" vrijwillig verzekerden. De
uitkeringen voor deze groep
zullen ten laste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds. De "vrijwillig" vrijwillige verzekering kan vervallen, omdat zij niet langer past
in het systeem van de nieuwe Ziektewet. Dit betekent dat groepen als
directeuren-grootaandeelhouders of personen die vallen onder een collectieve
verzekering voor zogenaamde B3-instellingen in de toekomst niet langer voor de vrijwillige verzekering in aanmerking
kunnen komen. De verzekering
van degenen die thans vrijwillig vrijwillig verzekerd zijn, zal kunnen
blijven doorlopen, dit in verband met de in dit kader door de
bedrijfsvereniging aangegane verplichtingen en ook omdat een deel van de
verzekerdenpopulatie van de vrijwillig vrijwillig verzekerden als een
"verhoogd risico"
gekenschetst moet worden. Voor nieuwe gevallen wordt deze mogelijkheid echter
beëindigd.
b. Omvang bijzondere
groepen.
Bij de hierboven omschreven
bijzondere groepen gaat het om een niet onaanzienlijk aantal
personen. Het CBS [Centraal Bureau voor de
Statistiek, red.] houdt hierover gegevens bij.
I. Cijfers uit Enquête
Beroepsbevolking 1993 (CBS) (aantallen x 1000):
| Mannen en vrouwen |
| 11 |
dienstplichtig |
38xx |
1%xx |
| 12 |
werknemer vast
contract |
5
142xx |
87%xx |
| 13 |
uitzendkracht |
111xx |
2%xx |
| 14 |
oproepkracht |
202xx |
3%xx |
| 15 |
invalkracht |
62xx |
1%xx |
| 16 |
tijdelijk dienstverband |
234xx |
4%xx |
| 17 |
geen vaste uren |
92xx |
2%xx |
| Subtotaal werknemers: |
5
882xx |
100%xx |
II. Ontwikkeling van
contractvormen van werknemers 1987-1992 (aantallen x 1000):
| |
Vast |
Flexibel |
|
| 1988 |
91,9% |
8,1% |
5 390 |
| 1989 |
91,4% |
8,6% |
5 536 |
| 1990 |
90,9% |
9,1% |
5 714 |
| 1991 |
90,7% |
9,3% |
5 843 |
| 1992 |
90,5% |
9,5% |
5 929 |
Bron: CBS, Arbeidsrekeningen
De cijfers in de
bovenstaande tabellen zijn niet geheel te vergelijken. De groepering van
de diverse
contractvormen kan iets verschillen en de gegevens van de tweede tabel gelden pas voor arbeidsovereenkomsten
vanaf 12 uur per week. Met
rariteiten is geen rekening gehouden.
Tabel I geeft aan dat zo’n
12% van de werknemers een afwijkende arbeidsverhouding heeft,
waarvan 4% met een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Het GAK, waarbij ongeveer
twee derde van de werknemers is aangesloten, kent 424 000 werknemers met
een afwijkende arbeidsverhouding (hieronder vallen echter
niet de tijdelijke krachten). In grote lijnen komen deze cijfers echter overeen:
ruim 10% van de beroepsbevolking heeft een afwijkende
arbeidsverhouding.
rblz.|32|
Uit tabel II blijkt een
gestage toename van het aandeel flexibele contracten, ten koste van
het aandeel vaste banen. De toename van het aandeel flexibele contracten
komt waarschijnlijk meer voort vanuit de behoeften van werkgevers dan
die van werknemers. Flexibele contracten zijn voor werknemers in het
algemeen minder aantrekkelijk dan vaste contracten, omdat de
onzekerheid over de arbeidspositie groter is. De cijfers voor 1993 uit
dezelfde bron zijn er nog niet. Vergelijking met CBS-cijfers uit andere bron
(EBB) [Enquête Beroepsbevolking, red.] laat zien dat de trend zich voortzet.
c. Vangnetvoorziening
Het kabinet is van mening
dat de onder a omschreven groepen werknemers te groot zijn, en
ook in het maatschappelijk verkeer een te belangrijke rol spelen, om
de zaken voor hen op beloop te laten. Het zou onverantwoord zijn
betrokkenen onvoldoende verzekerd te laten werken en het zou ook contraproductief zijn. Personen die onvoldoende verzekerd zijn, zullen uiteindelijk
vaak ten laste komen van de Algemene
bijstandswet, zodat het
collectief alsnog de risico’s zou moeten dragen die thans voor het
bedrijfsleven zijn. De essentie van privatisering is juist dat degenen die een bepaald
risico scheppen daarvoor ook de verantwoordelijkheid moeten dragen en deze niet
op het collectief moeten kunnen afwentelen. De
conclusie ligt dan ook voor de hand dat privatisering alleen mogelijk en ook
productief kan zijn als zij wordt ondersteund door een publieke
voorziening, betaald door het bedrijfsleven, waarin die groepen werknemers worden opgevangen waarvoor de
civielrechtelijke
bescherming niet werkt of niet gewenst wordt geacht.
In het voortraject van
dit
wetsvoorstel is wel geopperd om de betrokken personen onder de
werkingssfeer van de WW te brengen. Het bezwaar tegen een dergelijke oplossing is tweeledig. Ten eerste kent de WW, met
de referte-eis, een vrij hoge toegangsdrempel, juist voor personen met een
onregelmatig
arbeidsverleden. Belangrijker nog is dat een voorwaarde voor een WW-uitkering is dat
men beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Het laten
vervallen van dit vereiste zou betekenen dat veel personen die een
WW-uitkering ontvangen technisch gesproken niet werkloos zouden zijn, zodat
al snel het zicht verloren zou gaan op het werkloosheidsbestand. Het kabinet kiest er dan ook voor de
Ziektewet
als
vangnetvoorziening te
handhaven voor die groepen werknemers die niet door de
loondoorbetalingsverplichting beschermd kunnen worden.
Het kabinet wil er
nadrukkelijk op wijzen dat het niet zo is dat er sprake is van twee soorten
werknemers: zij die onder de loondoorbetalingsverplichting vallen en zij die
onder de
vangnetvoorziening vallen. Dit is niet de opzet van dit
wetsvoorstel: alle werknemers hebben recht op loondoorbetaling (zolang de
dienstbetrekking duurt) en alle werknemers zijn verzekerd ingevolge de
vangnetvoorziening. Als er bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst is voor
drie maanden en de werknemer is de tweede maand ziek, dan zal
de werkgever hem over die maand loon moeten doorbetalen. Wordt en blijft een werknemer tijdens zijn tijdelijk
contract ziek, dan wordt
zijn loon doorbetaald tot het einde van de contractsduur. Blijft hij
daarna nog ziek, dan heeft hij vanaf de eerste dag na einde van het
dienstverband recht op ziekengeld tegenover de bedrijfsvereniging. In de
opzet van dit wetsvoorstel zijn, net als thans, alle werknemers verzekerd voor de
Ziektewet
en kunnen dus ook aanspraak maken op een uitkering krachtens de vangnetvoorziening, mits zij
daarvoor aan de voorwaarden
voldoen: de dienstbetrekking moet bijvoorbeeld zijn geëindigd of er moet sprake zijn van zwangerschap of bevalling. Dit betekent dat
ook alle werknemers moeten meebetalen aan de kosten van de
vangnetvoorziening (zie onderdeel 7f [paragraaf 7f, red.]). Het is dus niet zo
rblz.|33|
dat alleen personen met een
bepaald type arbeidsovereenkomst daarvan de kosten zouden moeten
dragen.
Een dergelijke keuze heeft
grote technische voordelen. Het verlengen van de loondoorbetalingsverplichting van
zes naar 52 weken licht als het
ware 85% van de werknemers
uit het Ziektewetbestand, zonder dat er voor de overblijvers problemen ontstaan. Er behoeven geen nieuwe regelingen
in het leven te worden
geroepen. De uitvoeringsorganisaties kunnen de Ziektewet op dezelfde wijze
als thans blijven toepassen. Een bijkomend voordeel is dat de Ziektewet
nog als opvang kan blijven dienen voor het geval op enig gebied
problemen zouden ontstaan. De juridische structuren blijven in stand.
Het omvormen van de
Ziektewet
tot een vangnetvoorziening bergt echter ook een afwentelingsrisico in zich. De ervaring leert dat het bestaan
van een publieke voorziening
naast een private het risico in zich bergt dat de publieke sector de
slechte risico’s van de markt toegeschoven krijgt. Het is uitdrukkelijk niet de
bedoeling dat de vangnetvoorziening een dergelijke rol gaat
vervullen. Artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet
bepaalt derhalve dat geen
ziekengeld wordt uitgekeerd als er een verplichting tot
doorbetaling van het loon bestaat. Dit betekent dus dat niet iedereen die op papier
een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een oproepovereenkomst
heeft, ook zonder meer toegang krijgt tot de vangnetvoorziening. Bij
verlengde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigt de
arbeidsovereenkomst niet van rechtswege, maar deze kan alleen opgezegd worden met
ontslagvergunning. Ook oproepovereenkomsten kunnen een dermate
structureel karakter krijgen dat van een oproepkarakter geen
sprake meer is. De werknemer zal in dit soort gevallen richting werkgever
aanspraak kunnen maken op loondoorbetaling. De toegang tot de overblijvende Ziektewet is uitsluitend
voorbehouden aan groepen
werknemers die geen werkgever (meer) hebben, aan werkneemsters in
verband met zwangerschap en bevalling en de werknemers bedoeld in
het huidige artikel 29b (zie paragraaf
10). In geval van twijfel zal geen
uitkering worden verstrekt.
De
SER wijst er in zijn
advies op (paragraaf 3.3.2) dat in de adviesaanvrage geen aandacht is besteed aan
de positie van werknemers wier arbeidsovereenkomst ingevolge artikel
1639w BW
(ontbinding wegens
gewichtige redenen) is beëindigd en werknemers wier arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
wordt beëindigd. Deze werknemers kunnen vanaf het moment dat
de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd in beginsel
aanspraak maken op ziekengeld uit hoofde van de vangnetvoorziening (artikel
29, tweede lid, onderdeel d). Dit betreft werknemers van wie de
dienstbetrekking binnen het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Dit geldt
in gelijke zin in de situatie dat de rechter de loonvordering matigt,
namelijk door deze te beperken tot een kortere termijn dan waarop recht op
loonbetaling bestaat ingevolge artikel 1638c BW. Ook dan kan eerst ziekengeld
worden uitgekeerd indien en vanaf het moment dat de
dienstbetrekking is geëindigd. Het kabinet gaat ervan uit dat de rechter hiermee
rekening houdt. Aan de door de SER genoemde werknemers kunnen nog worden
toegevoegd de situaties van ontslag op staande voet en ontslag in
de proeftijd. Bij de situatie van ontslag met wederzijds goedvinden tekent
het kabinet overigens aan dat alsdan doorgaans sprake zal zijn
van een benadelingshandeling, zodat het ziekengeld kan worden
geweigerd. In paragraaf 8 van deze memorie alsmede in de
artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel
44, eerste lid, onderdeel
j, Ziektewet
[dit artikel wordt niet toegelicht in de artikelsgewijze toelichting, red.]
wordt hierop nader ingegaan.
Een tweede punt dat de
SER in dit verband aan de orde stelt, is de positie van de zieke werknemer bij overgang van de ene naar de andere
rblz.|34|
werkgever (blz. 22). Kan de
nieuwe werkgever gehouden worden het loon door te betalen of kan hij
op basis van de filosofie achter artikel 44
Ziektewet
(de uitkering kan
worden geweigerd indien de werknemer ziek was op het tijdstip waarop
de verzekering een aanvang nam) weigeren het loon door te betalen? Indien
dit zo zou zijn, zou dit een bedreiging vormen voor de arbeidsmobiliteit
van werknemers.
Op basis van artikel
1638c BW
heeft de werkgever een loondoorbetalingsverplichting bij ziekte indien er een
arbeidsovereenkomst bestaat. Bij overgang van de ene dienstbetrekking naar de andere zal in vrijwel alle
gevallen een tijdstip worden afgesproken waarop de werknemer in dienst treedt. Dat is het moment
waarop de werkgever verplicht wordt loon te betalen en derhalve ook het
moment waarop hij verplicht wordt het loon door te betalen bij ziekte.
Hij kan die loondoorbetaling alleen weigeren indien de werknemer zijn
ziekte met opzet heeft veroorzaakt of indien de ziekte het gevolg is van een
gebrek waarover de werknemer de werkgever opzettelijk valse
inlichtingen heeft gegeven (1638c, derde lid, onderdeel a,
BW). Artikel
1638c BW
houdt
geen uitzondering in op de loondoorbetalingsverplichting voor werknemers die bij de
aanvang van de dienstbetrekking al ziek zijn. Het feit dat
de werknemer op de eerste dag van zijn dienstbetrekking ziek is, is derhalve geen
reden de loondoorbetaling op te schorten. Of de verzekeraar
van de werkgever aan deze het doorbetaalde loon moet vergoeden, hangt
af van de polisvoorwaarden. De werknemer staat daar buiten.
In dit verband wijst de
SER nog op de adviesaanvraag van 18 februari 1994 aan de voormalige
SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.] over de herbezinning op de kring van verzekerden van de werknemersverzekeringen. Het is de bedoeling van
deze adviesaanvraag om te
komen tot een meer globale aanduiding van de verzekeringsplichtige
arbeid. Wat er ook zij van de uitkomst van deze herbezinning, de SER vindt
het noodzakelijk de samenhang met de doelgroep van de
vangnetvoorziening in het oog te houden, ervan uitgaande dat de privatisering van de
Ziektewet
er niet toe mag leiden dat
de wettelijke regeling van inkomensbescherming bij ziekte een personele reikwijdte zou krijgen die
sterk afwijkt van de kring van verzekerden van de overige
werknemersverzekeringen.
In de optiek van het kabinet
hoeft voor een dergelijke ontwikkeling niet gevreesd te worden. In de
opzet die hier is gekozen voor de vangnetvoorziening blijft de kring van
verzekerden voor de Ziektewet
gelijk aan die van de overige
werknemersverzekeringen. Wie tot de kring van verzekerden behoort en geen
aanspraak kan maken op loondoorbetaling, heeft recht op ziekengeld.
d. Consequenties voor de
Werkloosheidswet
Het uitgangspunt is dat de
bedrijfsvereniging alleen dan tot uitbetaling van ziekengeld op basis van
de vangnetvoorziening overgaat indien zekerheid bestaat omtrent
het niet bestaan van een loondoorbetalingsverplichting. Artikel
31, derde lid,
Werkloosheidswet bepaalt onder meer dat de bedrijfsvereniging
gehouden is een voorschot te verstrekken op hetgeen de werknemer
krachtens een aanspraak naar burgerlijk recht kan toekomen indien onzekerheid
bestaat omtrent het recht op onverminderde doorbetaling van loon wanneer niet vaststaat dat de dienstbetrekking
rechtsgeldig is geëindigd of wanneer het recht wel vaststaat, doch de werkgever het loon
niet voldoet.
Consequentie van deze
bepaling is dat indien een zieke werknemer niet in aanmerking komt voor een
uitkering op grond van de vangnetvoorziening, omdat niet vaststaat of er
een loondoorbetalingsplicht is, hij rblz.|35|
wel aanspraak zou kunnen
maken op een voorschot krachtens de WW. Daarnaast bestaat, indien
het recht op loondoorbetaling vaststaat, maar de werkgever het loon niet
voldoet, eveneens recht op voorschot. Ook indien een conflict over de
vraag of de werknemer ziek is aan de bedrijfsvereniging wordt gepresenteerd als een
conflict over de vraag of de dienstbetrekking
rechtsgeldig is geëindigd, zou wellicht voorschot verleend moeten worden. Er
bestaat gerede kans dat deze voorschotregeling in de toekomst een veel
ruimere toepassing zou krijgen en dat de bedrijfsverenigingen op deze
wijze met de lasten daarvan geconfronteerd zouden worden. Bedacht moet
worden dat het hier, in tegenstelling tot het eerste en tweede lid van
artikel 31, niet gaat om een voorschot op een wettelijke uitkering
(relatie bedrijfsvereniging-werknemer), maar om een voorschot op hetgeen een
werknemer al dan niet naar burgerlijk recht toekomt (relatie
werkgever-werknemer).
Dit voorschot moet dus altijd worden terugbetaald aan de
bedrijfsvereniging, hetgeen in de praktijk op problemen kan stuiten, met
name in de situatie dat de werknemer achteraf niet ziek blijkt te
zijn geweest.
Dit moet onwenselijk worden
geacht, gezien het uitgangspunt dat de bedrijfsvereniging in
principe geen financiële rol meer heeft tijdens het ziektejaar. In artikel 31
WW
is dan ook een bepaling opgenomen die ertoe strekt dat geen voorschot
wordt uitgekeerd in geval van een geschil over het bestaan van recht op
loon tijdens ziekte.
e. Feitelijke uitvoering
vangnetvoorziening
Wat betreft de wijze van
verstrekking van uitkering krachtens de vangnetvoorziening wordt het
volgende opgemerkt. Bij zwangerschap ligt het voor de hand om de werkgever het loon gewoon te laten
doorbetalen
en hem de kosten daarvan te
laten declareren bij de bedrijfsvereniging. Wat noodzakelijk is, is dat
hij evenals thans bij zwangerschap het geval is, een verklaring van een
verloskundige zal moeten overleggen dat de betrokken werkneemster
zwanger is. De bedrijfsvereniging vergoedt het doorbetaalde loon dan aan de
werkgever en neemt de controletaken, horende bij de vangnetvoorziening, op zich. Recht op uitkering heeft de
werknemer zowel in verband met zwangerschap (zestien weken rond het tijdstip van de
bevalling)
als bij ziekte in verband met de zwangerschap. Dit kan zowel vóór als na de
bevalling zijn. Ook bij werknemers die op grond van
artikel 29b aanspraak kunnen maken op ziekengeld bestaat de dienstbetrekking nog. Ook in
die gevallen zal de werkgever het loon doorbetalen en kan hij dit
claimen bij de bedrijfsvereniging.
Wat betreft de zieke
werkloze is de gang van zaken als volgt. De werkloze dient zich ziek te
melden en de bedrijfsvereniging betaalt feitelijk door. Alleen is er
geen sprake meer van een WW-uitkering, maar van een uitkering krachtens
de vangnetvoorziening. Indien de werknemer weer hersteld is, herleeft
de WW-uitkering.
In andere situaties doet
zich een probleem voor. Indien er geen arbeidsovereenkomst meer is,
is er strikt genomen ook geen werkgever meer die de verhouding met
de bedrijfsvereniging kan regelen. Ook thans is dit bij de flexibele
contractanten reeds het geval. In de praktijk echter is het de werkgever die de
ziekmelding aan de bedrijfsvereniging verzorgt: zo meldt een uitzendbureau
de uitzendkracht ziek, hoewel er in principe geen
loondoorbetalingsverplichting meer bestaat. Om praktische redenen is het gewenst de huidige
praktijk te handhaven. (Telefonische) ziekmelding door de werknemer zelf is voor de bedrijfsvereniging moeilijk
te controleren en veel
werknemers zullen niet in staat zijn om alle benodigde gegevens te
verstrekken. Bovendien zouden die gegevens hoe dan ook bij de (ex-)werkgever
moeten worden nagetrokken. Het verdient derhalve de voorkeur de
werkgever van een persoon met een tijdelijke of rblz.|36|
flexibele
arbeidsovereenkomst te verplichten de ziekte aan de bedrijfsvereniging te
melden indien hij meent
zelf geen loondoorbetalingsverplichting (meer) te hebben. Op dat
moment neemt de bedrijfsvereniging de verantwoordelijkheid
over. In artikel 38a, tweede lid, Ziektewet
wordt derhalve bepaald dat
de werkgever van degene die aanspraak maakt op ziekengeld
verplicht is ziekte zo spoedig mogelijk aan de bedrijfsvereniging te
melden. In gevallen van nawerking, dat wil zeggen indien de werknemer ziek
wordt nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, maar hij op
basis van artikel 46 Ziektewet
nog wel aanspraak kan maken op ziekengeld, zal
betrokkene zelf ziekengeld moeten aanvragen. Dit geldt in gelijke zin
voor zieke werklozen. Er is dan immers ook feitelijk geen band meer met de
werkgever.
f. Premieheffing
Bij de adviesaanvrage aan de
SER werd reeds aangegeven dat, omdat het om een relatief gering
bedrag gaat, de financiering van de vangnetvoorziening zal geschieden via de
WW-premie. Wel moet worden bepaald welke lasten uit welke
premie betaald zullen moeten worden. Op basis van de WW worden namelijk
twee soorten premies geheven. De premie voor het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf), die voor alle werkgevers gelijk is. en de premie voor
de wachtgeldfondsen, die afhankelijk is van het werkloosheidsrisico in
een bepaalde sector. De wachtgeldfondspremie (wgf-premie) wordt vanaf 1
januari 1996 geheven voor de wachtgeldperiode van de eerste dertien weken WW.
De rest van de WW-periode wordt gefinancierd uit het AWf.
Het moge voor zich spreken
dat financiering uit het AWf alleen gewenst is voor die groepen personen voor wie het risico niet bedrijfstakafhankelijk is. Vanuit de privatiseringsgedachte zou het onjuist zijn om het
gebruik van de
vangnetvoorziening niet te relateren aan sectoren.
Tijdelijke
arbeidsovereenkomsten en oproepovereenkomsten komen vooral voor in sectoren met
sterk wisselende werkzaamheden (seizoensarbeid) en derhalve een hoger werkloosheidsrisico. Ook gelijkgestelde
arbeidsovereenkomsten
(bijvoorbeeld free-lance arbeid of thuiswerken) zal veelal
bedrijfstakgebonden zijn. Het ligt voor de hand dat in de desbetreffende sectoren meer
zieke (ex-)werknemers zullen zijn die aanspraak maken op de
vangnetvoorziening. Dit zal dan in de wgf-premie tot uitdrukking moeten
komen.
Wat betreft de zieke
werklozen kan niet van een bedrijfstakgebonden ziekterisico worden
gesproken. Ziekte tijdens werkloosheid is onafhankelijk van de bedrijfstak
waaruit
de werknemer afkomstig is. Faillissementsuitkeringen
komen reeds ten laste van het AWf. Het ligt derhalve voor de hand de
groep van zieke werklozen vanuit de AWf-premie te financieren.
Wat betreft zwangere en
bevallen werkneemsters het volgende. Het onder de wachtgeldpremie
brengen van de uitkeringen bij zwangerschap zou tot gevolg hebben dat
bedrijfstakken waar veel vrouwen werken duurder uit zouden zijn dan
bedrijfstakken waar dit niet het geval is. Dit is niet gewenst, omdat enkele
bedrijfstakken dan belast zouden worden met een verantwoordelijkheid - de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt
- die het gehele collectief
aangaat. Uitkeringen in verband met zwangerschap en bevalling dienen in de
optiek van het kabinet dan ook uit het AWf betaald te worden. Op
deze manier betalen ook de bedrijfstakken waar weinig vrouwen werken
mee aan de kosten van loondoorbetaling bij zwangerschap en
bevalling. Een belangrijk voordeel van het financieren van de uitkering voor
zwangere vrouwen vanuit het AWf is dus dat rblz.|37|
het - anders dan nu -
voor een werkgever financieel geen nadelige gevolgen meer heeft als hij
relatief veel vrouwen in dienst heeft. Ook eigenrisicodragers, die
thans de kosten van het verzuim tengevolge van zwangerschap en bevalling
zelf moeten dragen, zullen deze ten laste van het AWf kunnen brengen. Met
deze wijziging wordt derhalve een eerste financiële belemmering voor toetreding tot de arbeidsmarkt voor vrouwen
opgeheven.
Uitkeringen op basis van
artikel 29b Ziektewet
worden eveneens gefinancierd uit het AWf (zie paragraaf
10). Ook vrijwillig verzekerden zullen worden ondergebracht bij het
AWf.
g. Kwantitatieve aspecten
van de vangnetvoorziening
Onder het vangnet vallen de
eerder onder a genoemde bijzondere groepen te weten:
1. vrijwillig verzekerden;
2. zieke werklozen en zieke
werknemers die werkloos worden door een faillissement;
3. zij die recht hebben op
loondoorbetaling bij zwangerschap en bevalling;
4. personen die ziek zijn op
het moment dat hun tijdelijk contract afloopt;
5. personen met een
uitkering op grond van artikel 29b.
De groep tijdelijke
contracten omvat tevens de groep van gelijkgestelden en rariteiten voor
zover er
geen sprake is van een loondoorbetalingsverplichting. Voor de raming van
de
toekomstig uitkeringslasten is uitgegaan van de
volumecijfers 1993 met betrekking tot deze groepen. Uitgangspunt is dat dit een
indicator is voor het toekomstig beslag.
Ad 1. In 1993 werd aan
vrijwillig verzekerden een bedrag uitgekeerd van ƒ110 mln. Dit bedrag werd
aan 18 745 personen uitgekeerd en komt overeen met 2400
uitkeringsjaren.
Ad 2. Aan de groep zieken
werklozen werd in 1993 ƒ420 mln aan ziekengeld uitgekeerd. Het
gaat hierbij om circa 16 000 uitkeringsjaren. Overigens geldt het hier een
maximumraming, omdat er sprake is van een kleine overlap met het zwangerschapsverlof.
Ad 3. In 1993 werd aan zwangerschaps- en bevallingsverlof ƒ690 mln uitgekeerd bij de
werknemers. Voor de overheid wordt naar schatting ƒ200 mln uitgekeerd aan
zwangerschap en bevallingsverlof. Voor de werknemers komt dit overeen met 35 000 uitkeringsjaren. Hierdoor komt het
totaaluitkeringsbedrag
aan zwangerschaps- en bevallingsverlof (exclusief zelfstandigen)
uit op ƒ890 mln, met dien verstande dat de uitgaven voor
overheidspersoneel eerst ten laste van de vangnetvoorziening komen op het moment dat het
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
wordt gebracht.
Ad 4. Inzake ziekteverzuim
bij flexibele en tijdelijke dienstverbanden zijn geen specifieke realisatiecijfers voorhanden. Het beslag dat dit verzuim
legt op de vangnetvoorziening is geraamd op grond van:
a. een naar-ratoaandeel
voor flexibele en tijdelijke dienstverbanden in het jaarlijks aantal Ziektewetuitkeringen;
b. een geschatte
frequentieverdeling naar duur van het ziekteverzuim;
c. een schatting van de kans
dat het ziekteverzuim doorloopt na de einddatum van het contract.
Aldus wordt een beslag geraamd van in totaal circa ƒ550 mln.
Ad 5. De totale kosten van
uitkeringen op grond van artikel 29b, zoals in
dit
wetsvoorstel aangepast
(zie paragraaf 10), bedragen circa ƒ20 mln.
Hierdoor komen de totale
uitkeringslasten van de vangnetvoorziening uit op ƒ1990 mln.
rblz.|38|
8. Ongewenste
gedragseffecten
In paragraaf 4 is bezien
in hoeverre werkgevers in staat zouden zijn het ziekterisico betaalbaar
te verzekeren. Geconcludeerd werd dat die mogelijkheden in principe
ruim voldoende aanwezig zijn. In bepaalde sectoren echter zal het
ziekterisico, en daarmee de premie voor de particuliere
ziekteverzekering, aanzienlijk zijn. Zeker waar een combinatie bestaat van kortdurende
arbeidscontracten met minder weerbaar personeel, bestaat de
kans dat bepaalde vormen van ontduiking van de loondoorbetalingsverplichting
tot ontwikkeling komen. Waar het de bedoeling van privatisering is om afwenteling op het collectief te
voorkomen, dient men ter zake alert te zijn. Er bestaan in grote lijnen twee mogelijke vormen van
ongewenste gedragseffecten: het ten onrechte niet verzekeren van het
ziekterisico door de werkgever en een vlucht in (gefingeerde) flexibele
contracten.
a. Niet verzekeren
In het kader van de
voorbereiding van dit
wetsvoorstel is erop gewezen dat het in bepaalde
sectoren relatief vaker voorkomt dat bepaalde bedrijven hun
premieplicht ontduiken en daarmee het collectief én hun bonafide concurrenten
benadelen. Door de toepassing van wettelijke maatregelen en intensieve
controle wordt getracht deze praktijken binnen de perken te houden. Bij
privatisering van de Ziektewet
ontstaat een nieuwe situatie, in die
zin dat bepaalde werkgevers zouden kunnen trachten te concurreren
door geen verzekering af te sluiten, in de verwachting dat hun
werknemers niet, of slechts kort, ziek zullen worden. Ook kunnen er werkgevers
zijn die hun werknemers bij ziekte gewoon niet uitbetalen. Zolang het
personeel niet ziek wordt - of niet om een loondoorbetaling vraagt - heeft zo’n bedrijf aanzienlijk lagere loonkosten dan een concurrent die
zich wel verzekert. Het Tica wijst erop dat bij toename van het aantal
arbeidsongeschikten bij een werkgever het niet denkbeeldig is dat het
risico van faillissementsaanvragen en daarmee afwenteling van het
doorbetalingsrisico op de wachtgeldfondsen toeneemt. Vervolgens
heeft de werkgever de vrijheid om een nieuwe rechtspersoon op te
richten en - qua doorbetalingsverplichtingen - met een schone lei te
beginnen.
Met betrekking tot deze
problematiek stelt de SER zich de vraag of de beslissing van de werkgever tot het niet verzekeren van zijn loonbetalingsverplichtingen
tot consequentie moet
hebben dat hij een extra bijdrage verschuldigd zou moeten
zijn aan de financiering van de vangnetvoorziening. Niet verzekeren verhoogt
immers de kans op betalingsonmacht. Verwijzend naar de
huidige eigenrisicodragers, die thans reeds een geringe premie (0,1%
van de loonsom) verschuldigd zijn voor de kosten van de ziekengeldverzekering, mocht een
eigenrisicodrager failliet
zijn, acht de SER het denkbaar dat ook in de nieuwe situatie een dergelijke
regeling getroffen wordt.
Daarmee zou het concurrentievoordeel van de zich niet verzekerende
werkgever enigszins teniet worden gedaan.
Hoewel de gedachte van de
SER op het eerste gezicht aantrekkelijk lijkt, heeft deze enkele
belangrijke bezwaren. Door een - zij het qua omvang geringe - verplichte
verzekering in te voeren, wordt daarmee het uitgangspunt dat de
werkgever zelf dient te beslissen hoe het ziekterisico te verzekeren, verlaten.
Voorts zou ook een controleproblematiek ontstaan. De
bedrijfsvereniging zou niet alleen moeten controleren of een werkgever zich verzekerd
heeft, maar ook of hij zich voldoende verzekerd heeft. De intensieve
bemoeienis die de bedrijfsvereniging dan met het bedrijf zou krijgen, verdraagt zich niet met het uitgangspunt van meer
rblz.|39|
marktwerking. Om die
redenen moet de gedachte van de SER verworpen worden.
Niettemin, het kabinet
realiseert zich dat het laten vervallen van de verplichte verzekering in
sommige sectoren een zeker misbruikrisico schept. Het risico dat
een werkgever zijn bedrijf failliet zal laten gaan, uitsluitend om aan zijn
loondoorbetalingsverplichting te ontkomen, acht het kabinet gering.
Failliet gaan is helaas in sommige bedrijfstakken een middel om aan de betaling
van bepaalde lasten (als belastingen en premies) te ontkomen,
doch de kosten van uitkeringen bij ziekte vormen slechts een beperkt deel
van het totaal van de verplichtingen die een werkgever heeft. Alleen
bij (zeer) kleine werkgevers, met een uitzonderlijk hoog ziekteverzuim, die
zich bovendien niet verzekerd hebben, zou zich een situatie kunnen
voordoen waarin faillissement een reële optie is. Incidenteel zal dit
ongetwijfeld voorkomen, maar structurele problemen voorziet het kabinet op
dit punt niet. Een werkgever die onzorgvuldig omgaat met het
ziekterisico is immers geen lang leven beschoren. De werkgever zal als hij in
gebreke blijft op het punt van de loondoorbetaling, waarschijnlijk ook op
andere terreinen, zoals premiebetaling WW en WAO en afdracht
loonbelasting, niet aan zijn verplichtingen voldoen. De instrumenten die
bedrijfsverenigingen en belastingdienst vanuit dit kader tegen hem in kunnen
zetten, maken het naar het oordeel van het kabinet goed mogelijk tegen deze
bedrijven op te treden. Om die reden lijkt het niet waarschijnlijk dat
de beschreven praktijk een veel grotere omvang zou kunnen krijgen dan
premieontduiking thans heeft. Wel lijkt het aanbevolen de
ontwikkelingen op dit gebied te blijven volgen. Mochten zich in bepaalde sectoren
structurele problemen voordoen, dan kan overwogen worden of een
bijzondere voorziening, als beschreven in paragraaf 12, op haar
plaats is.
b. Vlucht in flexibele
contracten
Een tweede mogelijkheid
voor werkgevers het ziekterisico af te wentelen, is om tijdelijke of flexibele arbeidsovereenkomsten te fingeren
op het moment dat de
werknemer ziek wordt. De werknemer wordt bij ziekte als het ware "achteraf" een flexibele arbeidsovereenkomst opgedrongen. Niet alle
arbeidsovereenkomsten staan op schrift en in principe kan een
arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden altijd worden gewijzigd. Zeker
wanneer een werkgever - die niet voor een goede verzekering zorgt - in staat is een hoger
nettoloon uit te betalen, zouden werknemers in de
verleiding kunnen komen met hun werkgever samen te werken: als zij
gezond zijn, betaalt de werkgever beter dan zijn concurrenten, als ze ziek
zijn, betaalt hij niets. De werknemer kan zich dan bij de bedrijfsvereniging
vervoegen met de mededeling dat zijn arbeidscontract is afgelopen. Als
werkgever en werknemer (al dan niet noodgedwongen) samenspannen kan het voor
uitvoeringsorganen moeilijk zijn om misbruik aan te tonen.
Het kabinet is van mening
dat het noodzakelijk is te voorkomen dat een bedrijfsvereniging
achteraf wordt geconfronteerd met een werknemer die beweert dat zijn
tijdelijk contract is afgelopen. De beste mogelijkheid om de vinger aan de pols te
houden, is om de werkgever te verplichten bij de melding
bedrijfsvereniging, die hij in het kader van de verzekerdenadministratie
en premieheffing bij de
aanvang van een dienstbetrekking aan de bedrijfsvereniging
moet zenden, ook te laten vermelden wat de aard van de
arbeidsovereenkomst is. Is er sprake van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, dan
is het duidelijk dat de werknemer bij ziekte niet in aanmerking komt voor een uitkering uit de vangnetvoorziening.
Wordt een afwijkend
arbeidspatroon aangegeven, dan zal de bedrijfsvereniging indien zich een zieke
werknemer aanmeldt, kunnen nagaan of hier rblz.|40|
ook daadwerkelijk sprake
is van een dergelijke overeenkomst. Het moge duidelijk zijn dat een
arbeidsovereenkomst die blijkens de opgave van de werkgever zelf zeer lange
tijd heeft geduurd, feitelijk niet als tijdelijk gezien kan worden. Ook
dan heeft de werkgever dus een loondoorbetalingsverplichting. De SER geeft in zijn
advies aan (blz. 25) dat de melding in voorkomende
gevallen hooguit een vermoeden van misbruik kan opleveren. Bij
flexibele arbeidsrelaties als oproepcontracten en "min/max"-contracten
biedt de enkele vermelding van de einddatum geen uitkomst. Het Tica ziet
hier ook een handhaafbaarheidsprobleem. Of aanspraak op ziekengeld
bestaat of doorbetaling van loon, is afhankelijk van het bestaan van een
dienstbetrekking met een loondoorbetalingsverplichting op het moment van
intreden van de arbeidsongeschiktheid. Of hiervan sprake is, is
afhankelijk van feiten en omstandigheden. Op deze wijze bepaalt in feite in
eerste aanleg de werkgever de uitkomst van de beoordeling en dat is uit
oogpunt van handhaafbaarheid ongewenst. Daarnaast moet worden
vastgesteld dat de beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking in
de praktijk afhankelijk is van de inkleuring door partijen. Ook kwesties
betreffende bewijslastverdeling en mogelijke sancties of andere rechtsgevolgen waren volgens de SER in de adviesaanvraag
onvoldoende uitgewerkt. Het Tica wijst in dit verband uitdrukkelijk op het gevaar van een
verschuiving van vaste naar flexibele arbeidscontracten. De
werkgever poogt zijn ziektelasten zo laag mogelijk te houden en dit kan hij
ook doen door werknemers geen vaste arbeidsovereenkomst aan te bieden of door
hen in te huren via een uitzendconstructie. De voorgenomen afschaffing van het vergunningenstelsel
voor uitleenbedrijven zou
dit proces nog kunnen versterken. Op zich acht het Tica een vlucht in
tijdelijke arbeidsrelaties legitiem. Dit kan echter de doelstellingen van het
kabinet ondergraven, omdat de kosten (via de vangnetvoorziening)
immers weer meer bij het collectief komen te liggen.
Het standpunt van de
SER dat de meldingsplicht zeker geen oplossing zal zijn voor alle problemen op dit gebied kan onderschreven worden.
Niettemin is het kabinet
van mening dat een meldingsplicht een belangrijke aanzet kan leveren voor
het vergroten van het inzicht van de bedrijfsvereniging in het
karakter van de arbeidsrelaties. Het Besluit melding
bedrijfsvereniging (Stcrt. 1989, 107), op basis waarvan gegevens over de arbeidsverhouding
moeten worden verstrekt, zal daartoe waar nodig worden aangepast.
Wat betreft de vraag naar de bewijslastverdeling en eventuele sancties wordt het volgende opgemerkt. Op het
punt van de vraag of er
een loondoorbetalingsverplichting bestaat, is het inderdaad een feit dat er
soms twijfel kan bestaan over de vraag in hoeverre er een
arbeidsovereenkomst bestaat. Het betreft hier echter een kleine minderheid van de
arbeidsrelaties. Het overgrote deel van de werknemers heeft een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Van dat deel waarbij het niet het
geval is (10 tot 15% van de werknemers), is veelal snel duidelijk dat (en
vanaf welk moment) zij onder de vangnetvoorziening vallen (uitzendkrachten,
rariteiten, arbeidscontractanten voor bepaalde tijd). Voor slechts een
kleine groep personen (werknemers met een oproepcontract of een
zogenaamd min/max-contract) kan er twijfel bestaan over het bestaan
van een arbeidsovereenkomst. Waakzaamheid van de zijde van de
uitvoeringsorganen blijft hierbij vanzelfsprekend vereist. Op zich heeft de
vermelding van de aard en duur van de arbeidsovereenkomst geen bijzondere
bewijsrechtelijke betekenis. Wat werkgever (en werknemer) bij het
begin van een arbeidsovereenkomst daaromtrent aan de bedrijfsvereniging
melden, kan verschillen van het karakter dat de arbeidsovereenkomst in de
praktijk krijgt. Op de melding alleen kan derhalve noch een
toewijzing, noch een afwijzing van een aanvraag voor ziekengeld worden
gebaseerd. Discrepantie tussen de melding en de aanvraag van ziekengeld
is niet meer dan een aanwijzing om tot nader onderzoek over te gaan.
Van dit feit op zich zal een remmende werking op rblz.|41|
oneigenlijk gebruik
uitgaan. Een tweede rem op mogelijk misbruik is gelegen in sanctionering.
Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, wordt in dit
wetsvoorstel een
mogelijkheid van het geheel of gedeeltelijk weigeren van ziekengeld geïntroduceerd indien de werknemer benadelingshandelingen
richting bedrijfsvereniging pleegt. Indien derhalve de werknemer meegewerkt
blijkt te hebben aan het voorwenden van een flexibele
arbeidsovereenkomst, kan dit als een benadelingshandeling in de zin van het nieuwe
onderdeel i van artikel 45, eerste lid,
Ziektewet
gezien worden. De
bedrijfsvereniging is bevoegd in die gevallen de uitkering te weigeren. Het Tica is van
mening dat ingeval een werknemer tijdens ziekte (in onderling goedvinden,
alsook bij ontslag op staande voet) werkloos wordt, de bedrijfsvereniging de bevoegdheid mist ziekengeld
geheel of gedeeltelijk te
weigeren bij verwijtbare werkloosheid, en concludeert dat
betrokkene dan onverkort recht zou hebben op ziekengeld. Het kabinet
acht deze opvatting onjuist. Van werkloosheid in de zin van de WW
is bij
een zieke werknemer geen sprake omdat hij niet beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt. Hij zou uitsluitend recht kunnen hebben op ziekengeld.
Omdat het hier gaat om situaties waarin de werknemer aan zijn
ontslag heeft meegewerkt, of het zelf heeft veroorzaakt, is hier wel degelijk
sprake van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel
45,
onderdeel i, Ziektewet.
Een derde, en wellicht
zelfs de belangrijkste rem op een vlucht in flexibele contracten, waar het Tica op wijst, is gelegen in het feit dat
flexibilisering in zijn
aard begrensd is. Dat er enige verschuiving zal optreden in de richting
van flexibele contracten is voor een deel het gevolg van de trend naar
een grotere verantwoordelijkheid van de werkgever, zoals die ook
tot uiting is gekomen in de wetten TAV
en TZ. Flexibilisering op zich
acht het kabinet ook geen ongewenste ontwikkeling. De toename daarvan heeft
ook andere, en in de optiek van het kabinet, belangrijker oorzaken als de veranderingen in het
productieproces en de door nieuwe
technieken gegenereerde werkwijze van bedrijven. Dat sommige
werkgevers denken op deze wijze ook hun ziektekosten te kunnen
beperken, is inderdaad een risico. Het kabinet wil er echter op wijzen dat de
mogelijkheden daartoe niet overschat moeten worden. De meeste
werkgevers kunnen het werknemersbestand slechts beperkt "flexibiliseren". Voor de
continuïteit van een onderneming is het noodzakelijk dat de
werkgever een beroep kan doen op werknemers die zowel toegewijd zijn als
ook over de noodzakelijk kennis en vaardigheden beschikken om hun
werkzaamheden optimaal te verrichten. Veel van die vaardigheden kunnen
alleen binnen een bedrijf worden opgebouwd en op peil gehouden. De werkgever heeft dus ook veel redenen een werknemer
aan zijn bedrijf te
binden. Wellicht dat dit
wetsvoorstel ertoe bijdraagt dat een aantal bedrijven
méér met flexibele werknemers gaat werken dan voorheen, doch dit proces
kan niet veel verder gaan dan de wijze van bedrijfsvoering toelaat.
9. Schadelastbeperking
door de bedrijfsvereniging
Ziekte van de werknemer
wordt in de toekomst in eerste instantie een zaak van werkgever en
werknemer. Beide partijen hebben er direct (financieel) belang bij
het ziekteverzuim zoveel mogelijk te beperken en dat feit op zich biedt
volgens het kabinet voldoende prikkel tot een verdergaande
terugdringing van het ziekteverzuim. Kortdurend verzuim, het overgrote deel van de
ziektegevallen, behoeft derhalve niet langer aan de bedrijfsvereniging
gemeld te worden.
Anders wordt het echter
indien de ziekte een ernstig of langdurig karakter dreigt te krijgen, als het gevaar bestaat dat betrokkene arbeidsongeschikt
zal worden. Vanuit de optiek van het beperken van de instroom in rblz.|42|
de WAO
zal de
bedrijfsvereniging tijdens het wachtjaar een vinger aan de pols dienen te houden.
Ook de SER is van mening (paragraaf 3.3.5) dat de bedrijfsvereniging vanuit
het WAO-perspectief betrokken zal moeten zijn bij het ziektejaar en
over gerichte instrumenten moet beschikken die haar in staat stellen de
werkgever, ook in het eerste verzuimjaar, aan te zetten de noodzakelijke
reïntegratieactiviteiten te ontplooien. De ROP wijst er in zijn advies op
(blz. 15)
dat de in de overheidssector bestaande instrumenten op dit moment toereikend
moeten worden geacht om misbruik tegen te gaan en de
schadelast uit hoofde van de WAO-conforme regeling te beperken. De ROP ziet
dan ook geen reden om vooruitlopend op het moment dat
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen zal vallen aanvullende
instrumenten op dit terrein te introduceren.
De adviesorganen
ondersteunen hiermee de opvatting van het kabinet dat bedrijfsverenigingen
hun taak niet goed zouden verrichten indien zij zich afwachtend zouden
opstellen met betrekking tot werknemers waarvan het duidelijk is
dat zij arbeidsongeschikt dreigen te worden. Onder de huidige regeling
geldt voor de eigenrisicodragers een zesdemaandsmelding aan de bedrijfsvereniging
(bij sommige bedrijfsverenigingen ook wel na dertien weken). Wil de plicht
tot schadebeperking van de bedrijfsvereniging niet illusoir worden, dan
zal een vergelijkbare melding ook in de nieuwe situatie moeten
plaatsvinden. De ervaring leert dat het omslagpunt met betrekking tot
arbeidsongeschiktheid rond de derde maand van het ziekteverzuim ligt. Indien werknemers hun werkzaamheden dan nog niet
hervat hebben, is de kans
relatief groot dat zij arbeidsongeschikt worden. Het is essentieel dat in
die periode reïntegratiepogingen worden ondernomen. In een later stadium is
het veel moeilijker een werknemer tot het arbeidsproces te laten
terugkeren. De werkgever wordt derhalve verplicht na dertien weken ziekte een
melding te doen met gegevens omtrent de aard van het verzuim van de
werknemer. Een dergelijke melding heeft een aantal voordelen:
- de BV [bedrijfsvereniging, red.] kan in een
redelijk vroeg stadium beoordelen of een zieke werknemer een potentiële WAO/WW-gerechtigde is;
- de BV kan ingrijpen
bijvoorbeeld door het geven van positieve stimulansen (scholing, aanpassingen werkplek);
- van de melding gaat
een stimulerende werking uit naar werkgever/arbodienst voor wat
betreft de verzuimbegeleiding; aan deze melding wordt ook de verplichting
van een reïntegratieplan gekoppeld.
Een verplichting tot
melding kan niet geëffectueerd worden indien het zonder gevolgen blijft voor de
werkgever indien hij daaraan niet voldoet. De huidige
meldingsdiscipline is na de
Wet TZ sterk achteruitgegaan, omdat de directe noodzaak tot
melding bij werkgevers ontbreekt. Er is derhalve voor gekozen bij de
dertiendeweeksmelding voor werkgevers een direct belang te creëren. Pas nadat
de werkgever heeft gemeld, weet de bedrijfsvereniging dat een werknemer ziek
is en dat in principe de WAO-uitkering na 39 weken in zou kunnen
gaan. Verzuimt de werkgever tijdig te melden, dan gaat die periode van
39 weken eerst op het moment van die latere melding lopen. De loondoorbetalingsverplichting van de werkgever wordt
dan met de periode van te
late melding verlengd (zie artikel 1638c, eerste lid, BW).
In
de vorige paragraaf
werd reeds aandacht besteed aan het afwentelingsrisico richting vangnetvoorziening. Een vergelijkbaar risico doet zich
voor richting WAO.
Aangezien dit
wetsvoorstel leidt tot een situatie waarin er een "geprivatiseerd" ziektejaar bestaat, gevolgd door een publieke
arbeidsongeschiktheidsregeling, zouden sommige werkgevers in de verleiding kunnen
komen zieke werknemers zo snel mogelijk naar de arbeidsongeschiktheidsregeling
door te schuiven. In de situatie dat na rblz.|43|
enkele maanden ziekte
blijkt dat de werknemer niet spoedig zal herstellen, kan de werkgever voor een
afweging komen te staan. Enerzijds kan hij met alle mogelijke
middelen trachten de werknemer ondanks zijn gebreken toch weer te reïntegreren. Anderzijds kan het in zijn belang zijn de werknemer zo spoedig
mogelijk naar de WAO af te laten vloeien. Reïntegratie kost hem
tijd en geld en als de kans op succes gering is, is de tweede optie
financieel mogelijk aantrekkelijker.
In de
Ziektewet
worden
perioden van ziekteverzuim die elkaar korter dan vier weken opvolgen
als één ziekteperiode gezien. Ook in het BW
is een dergelijke regeling
opgenomen (1638c, negende lid). Het zal echter zeer moeilijk voor een bedrijfsvereniging zijn om na te gaan of deze
samentelling ook op een
juiste manier plaatsvindt. Met name waar het een werknemer betreft die
veelvuldig verzuimt, zal moeilijk te controleren zijn of iemand vier weken
hersteld is geweest, zodat een "nieuw" wachtjaar ingaat. Soms
ook werken zieke werknemers gedeeltelijk, zodat moeilijk objectief kan
worden vastgesteld of zij ziek zijn of niet. Door een werknemer die regelmatig
langdurig ziek is niet hersteld te melden, kan een werkgever zijn loondoorbetalingsperiode bekorten.
De bedrijfsvereniging mag
in de optiek van het kabinet dan ook niet zonder meer afgaan op de
mededeling van werkgever en werknemer dat de betrokken werknemer één jaar ziek is
geweest en dat hij derhalve recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanuit het belang van de schadelastbeperking van
de WAO dient de bedrijfsvereniging actief toezicht te houden op
perioden van langer ziekteverzuim. Richting werkgever wordt een
administratieve boete voorgesteld voor het geval hij zich niet houdt aan zijn
verplichting tot hersteldmelding.
10.
Flankerend beleid
Privatisering betekent
niet dat de overheid tijdens het ziektejaar geheel terugtreedt. Het overheidsbeleid is mede gericht op bevordering van de
deelname van personen met
een arbeidshandicap aan de arbeidsmarkt. Onder deze term
arbeidshandicap verstaat het kabinet het volgende. Als mensen als gevolg van
enig gezondheidsaspect, vergeleken met mensen bij wie deze
gezondheidsaspecten niet aanwezig zijn, extra belemmeringen ervaren op de
arbeidsmarkt, kan gesproken worden van een arbeidshandicap. Deze gezondheidsaspecten kunnen ziekten of gebreken
zijn die zich op dat
moment openbaren, maar betreffen bijvoorbeeld ook risico’s op toekomstige
ziekten of gebreken. Zelfs kan er gesproken worden van een
arbeidshandicap als mensen belemmeringen ervaren als gevolg van een vermeende
ziekte/gebrek of risico daarop. Omgekeerd zal er geen sprake zijn van
een arbeidshandicap als mensen weliswaar ziek zijn, of een gebrek
hebben, maar geen belemmeringen ervaren. Het kabinet gaat er derhalve
van uit dat voor deze mensen zonder arbeidshandicap geen bijzondere maatregelen getroffen hoeven te worden.
Het kabinet is met de
Raad van State van oordeel dat het voorgenomen beleid ten aanzien van de
Ziektewet,
AAW
en
WAO naast kansen ook risico’s met zich brengt voor mensen
met een arbeidshandicap als gevolg van gezondheidsproblemen. Dit
geldt voor hun positie als werkzoekende, als werkende en als
verzekerde. Deze risico’s moeten zoveel mogelijk voorkomen worden. In
het kader van dit
wetsvoorstel ligt de nadruk vooral op de tweede
groep. De verzekering tegen het risico van ziekte impliceert immers dat
betrokkene reeds werk heeft. Dit wetsvoorstel heeft tot gevolg dat enkele
onderdelen van het reïntegratie- en preventie-instrumentarium zullen verdwijnen. Het
gaat hierbij om de "vroege" meldingen van ziekte (bij
aanvang van de ziekte, bij twee en zes weken) en de verhaalsmogelijkheden
richting werkgever bij een inadequate verzuimbegeleiding. rblz.|44|
Waar geen
ziekengeld meer wordt verstrekt, kan het immers ook niet meer verhaald
worden. Het reïntegratieplan na dertien weken ziekte wordt gehandhaafd en is
altijd verplicht. Uitgebreid wordt de werkingssfeer van
artikel 29b en toegevoegd aan het wettelijk instrumentarium worden een dertiendeweeksmelding bij ziekte en administratieve sancties richting werkgever indien
hij niet aan zijn verplichtingen op het gebied van verzuimbegeleiding
voldoet. De regelgeving omtrent het aanvaarden tijdens ziekte van
passende arbeid door werknemers wordt overgeheveld van de Ziektewet naar het
BW. Per saldo kan gesteld worden dat het reïntegratie-instrumentarium,
zoals dat in de laatste jaren tot stand gekomen is, in stand zal
blijven.
Ook de
Raad van State en
het Tica vragen in hun commentaar aandacht voor de problematiek van
de reïntegratie en de risicoselectie. Het Tica wijst erop dat er een
intensivering is van de praktijk van risicobeheersing en -selectie. Verlenging
van de eigenrisocoperiode naar 52 weken zou dit proces kunnen versterken.
Verwezen wordt daarbij naar het Ctsv-rapport "Risicoselectie op de
Nederlandse arbeidsmarkt" (juni 1995). Hieruit zou blijken dat sinds de
introductie van financiële prikkels in de
Wet TZ werkgevers strenger zijn
gaan selecteren. Een toenemend aantal aanstellingskeuringen levert met name voor chronisch zieken en andere
personen met een
arbeidshandicap problemen op. Volgens het Tica is het verschijnsel
risicoselectie op te vatten als een economisch gedragseffect en als zodanig is dit
gedrag als rationeel te kenschetsen. Het Tica vreest dat deze vorm van
economisch gedrag mede door onderhavig wetsvoorstel verder
gestimuleerd zal worden en vraagt bijzondere aandacht voor de nadelige
gevolgen.
De signalen dat er in de
laatste jaren een sterkere selectie is opgetreden bij het aannemen van
personeel hebben ook het kabinet bereikt. Voor zover selectie niet
strikt noodzakelijk is vanuit de specifieke eisen die voor een bepaald beroep
aan werknemers kunnen worden gesteld, maar slechts bedoeld is om het
ziekterisico van een werknemer in te schatten, acht het kabinet dit een
ongewenste ontwikkeling. Gezien het geringe voorspellende effect van
keuringen is dit middel ook ondeugdelijk. In die zin is het gedrag van
werkgevers in deze minder rationeel te noemen. Feit blijft echter dat een
aantal werkgevers toch zijn toevlucht blijft zoeken tot aanstellingskeuringen.
Dit is overigens niet geheel te wijten aan de effecten van de
Wet TZ.
Ook zonder deze wet zouden de arbeidskosten en de kosten van verzuim in
Nederland hoog zijn. Een zekere mate van selectie moet helaas als
een onontkoombaar neveneffect van zowel de ontwikkelingen in het
bedrijfsleven als van dit soort wetgeving worden geaccepteerd. Dat wil
niet zeggen dat het kabinet zich ook hierbij neerlegt. Zo is, naast de
voorstellen die hierna in deze paragraaf nog aan de orde zullen komen, in het
kader van het wetsvoorstel Amber [Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie, red.], een aantal maatregelen voorgesteld
die het voor de werkgever aantrekkelijker maken personen met een
arbeidshandicap aan te nemen. Belangrijke elementen daaruit zijn:
- het verstrekken van
een loon- en inkomenssuppletie voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemers;
- het verhogen van de
loonkostensubsidie aan werkgevers voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers van ten hoogste 20% van het
overeengekomen brutoloon
naar ten hoogste 25%;
- het verstrekken van
een financiële inkomensgarantie voor werknemers van 45 jaar en ouder met een arbeidshandicap die uitvallen
nadat zij hun werk hebben
hervat;
- het bieden van de
mogelijkheid aan gedeeltelijke arbeidsongeschikten om in een bedrijf op
proef te worden geplaatst met behoud van uitkering;
rblz.|45|
- uitbreiding van de
regeling welke het mogelijk maakt werknemers met een arbeidshandicap
op de werkplek zodanig te begeleiden dat de werkgever daaraan geen additionele tijd hoeft te
besteden.
Daarnaast gaf het kabinet
bij de behandeling van het wetsvoorstel Amber aan te willen stimuleren dat er door de betrokken partijen meer
naar het Protocol Aanstellingskeuringen zal worden gehandeld. Dit protocol beperkt het doel
en de inhoud van de aanstellingskeuring tot een beoordeling van de
medische geschiktheid van de sollicitant voor de functie waarop hij
solliciteert en waarborgt een goede positie voor de keurling gedurende het
gehele keuringsproces. Het meer doen hanteren van dit protocol wil het
kabinet bereiken door partijen aan te sporen om CAO-afspraken te maken en
tot een goede klachtenregeling te komen. Na twee tot drie jaren zal
aan de hand van de resultaten van een evaluatie worden bezien of nadere
wetgeving op dit terrein noodzakelijk en wenselijk is. Ook
overweegt het kabinet over te gaan tot een non-discriminatiewetgeving ten aanzien van leeftijd
en handicap. Begin 1996 zal de Kamer hierover
nader worden geïnformeerd als de resultaten van een onderzoek hiernaar
bekend zijn.
Tevens wil het kabinet de
beeldvorming over de mensen met een arbeidshandicap positief beïnvloeden. Derhalve zal er een groot accent gelegd worden op
voorlichting en deskundigheidsbevordering en scholing en zal worden
geprobeerd eventuele vooroordelen over deze groep mensen weg te
nemen. Een centrale rol ziet het kabinet hiervoor weggelegd voor de
Nationale Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) [zie Chronisch
zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.]. De NCCZ is dan ook benaderd
om een activiteitenprogramma op te starten ten behoeve van voorlichting, bewustmaking en deskundigheidsbevordering
van verschillende actoren. Daarvoor zal een bedrag van ƒ3 mln ter
beschikking worden gesteld.
In hoeverre deze
maatregelen tezamen voldoende effectief blijken te zijn, zal in de praktijk
moeten blijken. Het kabinet is voornemens die praktijk nauwlettend te
volgen. Vooralsnog gaat het ervan uit dat met deze flankerende
maatregelen de positie van werknemers met een arbeidshandicap er in het
algemeen niet slechter op wordt.
a. Artikel 29b
De huidige Ziektewet
bevat een aantal bepalingen die de reïntegratie van arbeidsongeschikten
bevorderen. Van groot belang in dit verband is de regeling van het huidige
artikel
29b Ziektewet. Dit artikel maakt het
mogelijk om aan
werkgevers die (ex-)WAO-ers in dienst nemen het loon bij ziekte van die
werknemers te vergoeden. Op die manier loopt een werkgever minder risico
indien hij een (ex-)arbeidsongeschikte in dienst neemt. De huidige
regeling geldt voor het door de werkgever door te betalen loon gedurende de
eerste twee/zes weken en geeft, indien de werkgever het loon tot 100% aanvult, voor de periode daarna de werknemer recht op
100% ziekengeld. Uit de
eerste ervaringen met deze regeling blijkt dat deze vrij effectief is.
Het biedt de bedrijfsverenigingen bij de arbeidsbemiddeling van arbeidsgehandicapten
goede mogelijkheden om een werkgever over de streep
te trekken bij het aannemen van deze personen. Hoewel de maatregel
aanvankelijk als tijdelijk bedoeld was, ligt verlenging daarvan dan ook voor de
hand. Aan een dergelijke regeling zal ook in een geprivatiseerde situatie
behoefte blijven bestaan, en zelfs in versterkte mate. Het risico dat een
werkgever loopt met het aannemen van personeel wordt immers groter.
De hoogte van de
uitkering wordt aangepast. Thans ontvangt de werknemer op verzoek van
de werkgever maximaal 100% van het rblz.|46|
dagloon, afhankelijk van
de aanspraken die een werknemer bij ziekte jegens zijn werkgever
heeft. In de nieuwe systematiek zal de werknemer ziekengeld ontvangen op
grond van de reguliere bepalingen van de vangnetvoorziening,
hetgeen betekent dat de hoogte van de uitkering 70% bedraagt. Deze verlaging
is noodzakelijk, omdat de overname van privaatrechtelijke aanvullingsverplichtingen niet past bij het karakter van
de tot vangnetvoorziening omgevormde Ziektewet.
Wat betreft de
financiering van de maatregel het volgende. Er zijn daarvoor twee mogelijkheden. De eerste is financiering uit de
WAO:
indien WAO-ers weer
gaan werken, verlaagt dit de kosten voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
hetgeen een goede reden zou zijn om de regeling daaruit te
laten financieren. Een bezwaar is echter dat de WAO-premieheffing in de
toekomst gedifferentieerd - of geprivatiseerd - zal zijn. Besloten dient
derhalve te worden welk fonds de uitkering zal betalen. Het fonds waaruit de arbeidsongeschikte betaald
wordt of de
sector waar de
arbeidsongeschikte gaat werken? Er bestaat een zeker gevaar op scheefgroei. De
ene sector draagt dan bij aan de verlaging van de arbeidskosten in een
andere sector. Dit lijkt minder gewenst. Vandaar dat het kabinet kiest
voor een tweede mogelijkheid. Financiering uit de vangnetvoorziening, en
wel uit het "AWf"-deel daarvan. Dit is de enige premie die voor alle
werkgevers gelijk is; vanuit het algemene belang van een goede reïntegratie
lijkt het gewenst het gehele bedrijfsleven daaraan in gelijke mate te laten
meebetalen.
b. Aanvaarden passende
arbeid in het ziektejaar
Thans is in de Ziektewet
voor de werknemer de verplichting opgenomen om passende arbeid te verrichten bij zijn eigen werkgever of
bij een andere werkgever.
De werknemer die dit weigert, kan op zijn uitkering gekort worden;
de werkgever die medewerking weigert te verlenen, kan door de
bedrijfsvereniging op de kosten van de uitkering worden aangesproken. Wat
betreft het verrichten van passende arbeid bij de eigen werkgever is het
kabinet van mening dat deze mogelijkheid gehandhaafd dient te
blijven. Het BW
wordt in die zin aangepast dat een werknemer niet alleen de
aangenomen arbeid, maar ook andere passende arbeid moet verrichten.
Verdere sancties zijn daarbij niet noodzakelijk aangezien de werkgever er
voldoende belang bij heeft dergelijk werk voor de werknemer te zoeken:
hij moet de werknemer immers doorbetalen.
Voor wat betreft het
verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever dan de eigen
werkgever ligt de zaak gecompliceerder. Op zich mag van een werknemer verwacht worden dat hij de kosten voor zijn
eigen werkgever zo laag
mogelijk zal trachten te houden en vanuit die optiek zelf ook uitkijkt
naar arbeid die hij eventueel wel kan verrichten. Een bevoegdheid van de
werkgever om de werknemer op te dragen passende arbeid bij een andere
werkgever te accepteren, zou te ver voeren. Met name waar de ziekte
voortvloeit uit conflicten op het werk kan dit problemen oproepen. Bij ongelijke machtsverhoudingen tussen
partijen
zou de werkgever misbruik
kunnen maken van een dergelijke bevoegdheid. Anderzijds
is het vanuit een optiek van het voorkomen van langdurige
arbeidsongeschiktheid wenselijk dat een werknemer zo spoedig mogelijk de
arbeid hervat. Vandaar dat hier wordt voorgesteld om, indien de werkgever
de werknemer arbeid bij een andere werkgever wil laten verrichten,
daarvoor toestemming nodig is van de bedrijfsvereniging. Dit biedt een garantie
dat de werkgever geen misbruik maakt van zijn machtspositie en
voorts is de bedrijfsvereniging in de gelegenheid te beoordelen of het
inderdaad gewenst is dat de werknemer die arbeid gaat verrichten en ervan
uit die arbeid geen gevaren voor een verhoging van de arbeidsongeschiktheid voortvloeien.
rblz.|47|
c. Relatie arbowetgeving
Artikel 4a van de Arbowet
verplicht de werkgever tot het voeren van een ziekteverzuimbeleid. Hij
is tevens verplicht daarbij een arbodienst in te schakelen. Op grond van
artikel 18, derde lid, Arbowet dient een werkgever schriftelijk
vast te leggen hoe hij aan dit beleid vorm geeft. Dit kan hij met gebruikmaking
van een interne gezondheidsdienst of door een arbodienst in de arm
te nemen. Indien een werkgever niet voldoet aan de verplichtingen van
artikel 4a of 18 Arbowet - met andere woorden, als hij een inadequaat
verzuimbeleid heeft gevoerd, en dit kan blijken uit het feit dat hij geen
arbodienst heeft - is de bedrijfsvereniging bevoegd de ziekengelduitkering te
verhalen op de werkgever. De Arbowet wordt derhalve gedeeltelijk
gehandhaafd met behulp van een sanctie op grond van de Ziektewet. Bij het
wegvallen van de Ziektewet voor de meeste werknemers komt ook die
verhaalsmogelijkheid te vervallen.
Het ligt voor de hand in
ieder geval een sanctie in de sociale verzekeringssfeer te handhaven.
Immers, een inadequaat verzuimbeleid
vergroot de kans op arbeidsongeschiktheid van werknemers en de sociale verzekeringen blijven het
meest directe aangrijpingspunt dat de overheid richting werkgever heeft.
Niet in alle gevallen zal een hogere premie - in het kader van de
voorgenomen premiedifferentiatie WAO - een voldoende prikkel bieden om
uitstoot tegen te gaan, zeker niet in de aanvangsperiode van de
premiedifferentiatie, als de effecten daarvan nog gering zijn. Op zich zou men, mocht bij
de aanvraag van een uitkering blijken dat de werkgever niet aan zijn reïntegratieverplichtingen heeft voldaan, kunnen overwegen (een deel van)
de WAO-uitkering op hem te verhalen. Een nadeel daarvan is dat de
mogelijkheid tot het opleggen van een sanctie eerst ontstaat op het
moment dat betrokkene aanspraak maakt op een uitkering, dus ná de
ziekteperiode, als het kwaad al geschied is. In een deel van de gevallen zal
betrokkene bovendien niet in aanmerking komen voor een WAO-uitkering,
zodat van verhalen geen sprake kan zijn. Wordt betrokkene wel arbeidsongeschikt, dan zal het oorzakelijk verband tussen
het verzuim van de werkgever en de arbeidsongeschiktheid van de werknemer moeilijk aan te
tonen zijn. Op grond van deze praktische overwegingen en ook
omdat het in het publiek belang is dat de werkgever zich aan zijn
inspanningsverplichtingen tot voorkoming van arbeidsongeschiktheid
houdt, heeft het kabinet ervoor gekozen het niet voldoen aan die
verplichtingen administratief te sanctioneren. De werkgever die zich niet
aan zijn verplichtingen houdt, kan, in de wachttijd van 52 weken, bestraft
worden met een boete van ƒ10 000,- (artikel 71a, derde lid, WAO). Qua
hoogte komt deze boete overeen met het bedrag van enkele maanden
WAO-uitkering voor een modale werknemer. De regels en waarborgen,
zoals vastgelegd in het voorstel van Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Kamerstukken
II
1994-1995, 23 909) zijn
van overeenkomstige toepassing.
Een tweede mogelijkheid
is dat betrokkene niet arbeidsongeschikt wordt, maar werkloos. De SER wijst er in zijn advies op (paragraaf 3.3.5) dat als gevolg van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium de kans
groter is dat betrokkene
wel arbeidsongeschikt is in de zin van de Ziektewet, maar niet in
de zin van de WAO. Arbeidsongeschikt is een werknemer pas als hij
ongeschikt is voor alle gangbare arbeid, ziek is hij al als hij zijn eigen werk
niet kan verrichten. Kan hij na één jaar zijn eigen werk niet verrichten, dan
hoeft de werkgever hem in beginsel niet langer door te betalen en is de
werknemer feitelijk werkloos. Ook dit schept een risico van afwenteling op
de collectieve sector: betrokkene zou dan ten laste van de
Werkloosheidswet komen. Vandaar dat ook in de WW
een verhaalsmogelijkheid
wordt gecreëerd analoog aan de artikelen 46 WAO
en 35 AAW. Wanneer andere
passende arbeid binnen de onderneming rblz.|48|
voorhanden is, maar de
werkgever zijn werknemer zonder deugdelijke grond niet in de gelegenheid stelt om die te verrichten, is de werkgever
aan de bedrijfsvereniging
een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon dat de werknemer zou hebben
genoten indien hij die arbeid wel had verricht.
11. Internationale
aspecten
De toenemende
verwevenheid van de Nederlandse economie met die van Europa en de intensieve contacten op het
socialezekerheidsgebied
die bestaan ook met
landen buiten Europa maken dat de internationale aspecten van dit
wetsvoorstel nadrukkelijk de aandacht vragen. De
SER komt op basis van de
adviesaanvrage tot de conclusie dat gelet op het feit dat thans geen integrale
intrekking van de Ziektewet
aan de orde is, maar de creatie van een
voorliggende voorziening waardoor de Ziektewet het karakter krijgt van een
vangnetvoorziening, aanleiding aanwezig lijkt om te kunnen veronderstellen
dat de kabinetsvoornemens met betrekking tot de Ziektewet qua niveau van inkomensbescherming en reikwijdte van de
wettelijke regeling de
toets der internationale verplichtingen kan doorstaan. Het Tica
vraagt in zijn advisering de aandacht voor de toepasselijkheid van de
Verordeningen 1408/71 en 574/72, de controletaken van de zogenaamde
verbindingsorganen (in Nederland de Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging en het GAK) en de positie van de buitenlandse verzekeringsmaatschappijen.
In feite gaat het met de betrekking tot de internationale aspecten om een drietal afzonderlijke terreinen: de
IAO-verdragen [IAO: Internationale Arbeidsorganisatie, red.] en de
Europese Code, de Europeesrechtelijke aspecten (de EG-verordeningen) en de
overige internationale aspecten. Aan alle drie zal hieronder nadere aandacht
besteed worden.
a. De IAO-verdragen
Met betrekking tot de
relatie tussen het onderhavige wetsvoorstel en de door Nederland in
internationaal verband aangegane verplichtingen zijn van belang de
verplichtingen voortvloeiende enerzijds uit de Verdragen nr. 24 (Trb. 1957, 27), nr.
25 (Trb. 1957, 28), nr. 102 (Trb. 1953, 69), nr. 121 (Trb. 1968, 131) van de
Internationale Arbeidsorganisatie en anderzijds uit de Europese Code inzake
sociale zekerheid met bijbehorend Protocol (Trb. 1965, 47) van de Raad van
Europa.
IAO-Verdrag nr. 24 en nr.
25 verplichten in de eerste plaats tot de instelling van een verplichte ziekteverzekering, waarvan de voorwaarden
worden gepreciseerd in de overige bepalingen van deze verdragen. Zo moet de verzekering
worden uitgevoerd door autonome instellingen die onder administratieve en
financiële controle van de overheid worden geplaatst en die geen
winstoogmerk hebben en moeten de verzekerden deelnemen aan het beheer
van de autonome verzekeringsinstellingen onder door de nationale
wetgeving bepaalde voorwaarden. Voor wat betreft de financiering
van de verzekering moeten de verzekerden en hun werkgevers bijdragen in de kosten van de ziekteverzekering.
De
IAO-Verdragen nrs. 24
en 25 erkennen voorts de mogelijkheid dat voor de voorgeschreven
bescherming van de betrokken werknemers niet alleen het verplichte systeem, maar ook alternatieve regelingen in
aanmerking mogen worden
genomen, mits deze alternatieve regelingen voordelen verlenen die
over het geheel genomen ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke de
verdragen kennen. De verdragen staan in dat geval toe dat de
voorgeschreven verplichte ziekteverzekering uitzonderingen vaststelt voor werknemers die door dergelijke alternatieve
regelingen worden
beschermd. Het kabinet meent dat met de voorstellen zoals deze zijn vervat in
het onderhavige wetsvoorstel aan de verplichtingen van genoemde verdragen
wordt voldaan.
rblz.|49|
De IAO-Verdragen nrs. 102
en 121 en de Europese Code inzake sociale zekerheid met bijbehorend
Protocol hebben met elkaar gemeen dat zij in geval van ziekte voorschrijven dat aan een bepaald percentage van
werknemers een periodieke
uitkering moet worden verstrekt. Het Protocol bij de Europese Code
stelt dienaangaande het hoogste percentage, namelijk 80%.
Voor wat betreft de
financieringswijze hanteren deze verdragen het uitgangspunt dat de kosten van de uitkeringen en de aan die kosten
verbonden
administratiekosten in beginsel collectief worden gedragen door middel van premies
en/of belastingen. Geen der verdragen stelt nadere voorschriften voor
wie de kosten moet dragen. Gesteld wordt slechts dat er zorg voor
moet worden gedragen dat personen met geringe draagkracht niet
te zwaar worden belast en dat rekening moet worden gehouden met de
economische toestand en met de groepen der beschermde personen.
Slechts IAO-Verdrag nr. 102 en de Europese Code stellen nog dat het
totaal van de verzekeringspremies dat eventueel ten laste van de beschermde
werknemers wordt gebracht niet meer dan 50% van het totaal der
inkomsten, nodig voor de bescherming van deze werknemers, hun
echtgenoten en kinderen, mag bedragen.
Voor wat betreft de
hoogte van de uitkering kent Verdrag nr. 121 de hoogste norm: voor een
man met vrouw en twee kinderen moet de uitkering ten minste 60%
bedragen van het loon van een ongeschoolde werknemer. Voor Nederland
wordt hiervoor het minimumloon gehanteerd. Opgemerkt zij evenwel dat
deze uitkeringsnorm alleen van toepassing is voor zover
de ziekte het gevolg is van een arbeidsongeval of beroepsziekte. Voor
ziekte, niet veroorzaakt door een arbeidsongeval of beroepsziekte, schrijft
het Protocol bij de Europese Code het hoogste percentage voor, namelijk
50% van het loon van een ongeschoolde werknemer (lees: minimumloon) voor een man met vrouw en twee
kinderen. Ten slotte
hanteren de verdragen het gemeenschappelijke uitgangspunt dat de
overheid een algemene aansprakelijkheid op zich dient te nemen voor de
verstrekking van de uitkeringen en alle nodige maatregelen dient te
treffen om dit doel te bereiken.
Voor wat betreft de in
het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde loondoorbetalingsverplichting
door de werkgever gedurende de eerste 52 weken van ziekte kan de
vraag gesteld worden of de regeling onder de werkingssfeer van de IAO-Verdragen
nrs. 102 en 121 en de Europese Code
met Protocol valt. In dit
verband wijst het kabinet erop dat de betreffende verdragen ervan uitgaan
dat een uitkering in geval van ziekte slechts behoeft te worden
verstrekt indien sprake is van opschorting van loon gedurende de
arbeidsongeschiktheid wegens ziekte (artikel 14 IAO-Verdrag nr. 102 en
Europese Code met Protocol; artikel 6, onder b), IAO-Verdrag nr. 121). In
de optiek van het kabinet moeten de betreffende verdragsartikelen zodanig
worden uitgelegd dat sprake dient te zijn van opschorting van een
zodanig deel van het loon dat de betrokken werknemer tijdens ziekte
minder inkomsten heeft dan minimaal door de verdragen wordt
voorgeschreven. Aangezien de hoogte van de voorgestelde loondoorbetalingsregeling
(met als bodem het wettelijk minimumloon) de door de verdragen voorgeschreven minimale
uitkeringsnorm ruim
overschrijdt, moet worden geconcludeerd dat aan toepassing van de
verdragsbepalingen feitelijk niet wordt toegekomen. De loondoorbetalingsregeling
valt derhalve buiten de werkingssfeer van de genoemde normverdragen.
Voor nadere toetsing aan
de verplichtingen die voortvloeien uit de IAO-Verdragen nrs. 102 en
121 en de Europese Code inzake sociale zekerheid met Protocol
resteert vervolgens de Ziektewet
als vangnetvoorziening.
rblz.|50|
Deze
regeling, die voorziet in een loondervingsuitkering ter hoogte van 70% van het
laatstverdiende loon voor werknemers die niet de bescherming van het BW
genieten, voldoet aan alle verdragsvereisten.
b. Europeesrechtelijke
aspecten
In de opvatting van het
kabinet moet de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte worden aangemerkt als een prestatie bij ziekte in de zin van
artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad EG, betreffende de
toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap
verplaatsen. Dit moet worden afgeleid uit het arrest van het Hof van
Justitie EG van 3 juni 1992, zaak C-45/90 (Paletta) Jur. 1992, blz. I-3423;
RSV 1993/227. Indien op een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht de
Nederlandse wetgeving van toepassing is ingevolge één van de conflictregels van
titel II van deze verordening,
omvat deze wetgeving ook
de loondoorbetalingsverplichting zoals deze in het Burgerlijk
Wetboek is
geregeld. Er wordt aan herinnerd dat de aanwijzing van de
Nederlandse wetgeving niet afhankelijk hoeft te zijn van de woonplaats van de
werknemer, de vestigingsplaats van de werkgever of, onder meer in het
geval van detachering, de plaats waar de werkzaamheden feitelijk worden
verricht. Deze situatie is overigens niet nieuw. Ook onder de werking van de
Wet terugdringing ziekteverzuim moest de loondoorbetalingsverplichting
gedurende de eerste zes, respectievelijk twee weken al als een
prestatie bij ziekte in de zin van genoemde verordening worden
aangemerkt. Het Tica wijst terecht op de uitvoeringstechnische aspecten van de controle
bij ziekte in grensoverschrijdende situaties. In Verordening
(EEG) nr. 574/72 is een sluitend geheel van bewijsregels vervat
omtrent de vaststelling van de ziekte wanneer de werknemer woont of
tijdelijk verblijft in een andere lidstaat van de EG. Ingevolge artikel 18 in
verbinding met artikel 24 van deze verordening dient de werknemer zich
binnen drie dagen te wenden tot het orgaan van zijn woon- of
verblijfplaats, dat de ziekte moet vaststellen en beoordelen in het licht van de daar
ter plaatse geldende wetgeving. Binnen drie dagen na de controle zendt het
orgaan van de woon- of verblijfplaats het verslag van de controlerend
geneeskundige aan het bevoegde orgaan. Voor de toepassing van deze
bepalingen moet de werkgever worden aangemerkt als het bevoegd orgaan
(artikel 1, onderdeel o-iv, van Verordening (EEG) nr. 1408/71). Ook de vervolgcontroles worden door het orgaan van de
woon- of
verblijfplaats verricht.
De werkgever heeft evenwel de bevoegdheid de controle op de werknemer
ter plaatse te laten verrichten door een arts van eigen keuze. Hij kan,
zolang het orgaan van de woon- of verblijfplaats de belanghebbende
arbeidsongeschikt acht, de werknemer daartoe niet oproepen naar Nederland,
omdat het Hof van Justitie EG dat niet verenigbaar acht met het
vereiste respect voor de gezondheid van de werknemer (arrest van 12
maart 1987, zaak C-22/86 (Rindone) Jur. 1987, blz. 1339; RSV 1988/169).
De kosten van de in een andere lidstaat van de EG verrichte controles
komen in beginsel volledig voor rekening van de werkgever, tenzij
Nederland met de betreffende lidstaat een akkoord inzake niet-afrekening
heeft gesloten.
In
bijlage 2 van
Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt als bevoegd orgaan bij ziekte aangewezen de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de verzekerde is aangesloten. Deze aanwijzing zal alleen nog betekenis
hebben voor werknemers
voor wie de Ziektewet
zijn toepassing zal behouden. Een precisering
van deze bijlage zal worden bevorderd teneinde duidelijk te
maken dat in de overige gevallen de werkgever moet worden aangemerkt als
bevoegd orgaan, zoals overigens reeds voortvloeit uit het bepaalde in
eerder genoemd artikel 1, onderdeel o-iv, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Als orgaan van de woon- of verblijfplaats in de zin van
rblz.|51|
artikel 18 van
Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt in bijlage 3 bij deze verordening aangewezen de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging [NAB, red.]. Hierin zal vooralsnog geen
wijziging worden gebracht. De NAB zal derhalve ten behoeve van de bevoegde
organen van de andere lidstaten de controles van werknemers die hier
te lande wonen of verblijven, blijven verrichten. Het zelfde geldt met
betrekking tot de aanwijzing als verbindingsorgaan in bijlage 4 bij laatstgenoemde verordening.
Voor de
gegevensuitwisseling in Europees kader tussen de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging en de werkgevers bestaat inderdaad
behoefte aan een
bijzondere regeling. Uit het samenstel van bepalingen in de Verordeningen (EEG)
nrs. 1408/71 en 574/72 vloeit reeds de doorzendplicht van gegevens tussen NAB
en werkgever voort. Het kabinet realiseert zich dat het
hier ook kan gaan om medische gegevens omtrent de werknemer die van
vertrouwelijke aard zijn. Binnen de nationale context zal een arts de vertrouwelijke medische gegevens evenmin ter
beschikking mogen stellen
van de werkgever. De inontvangstneming van de buitenlandse medische
stukken zou slechts mogen plaatsvinden door een door de werkgever aan te
wijzen arts. Het ligt voor de hand daarbij te denken aan de arts van de
arbodienst.
Het Tica signaleert
voorts de mogelijke toepasselijkheid van het Europese mededingingsrecht en het vrije dienstenverkeer op de
verzekeringsovereenkomst
met een buitenlandse verzekeringsmaatschappij die de werkgever wil
afsluiten ter dekking van zijn loondoorbetalingsverplichting. Het Tica mist ter zake
duidelijkheid. Het kabinet ziet deze toepasselijkheid als
volgt. De vraag of de werkgever zijn risico wil verzekeren, is een zaak
die hem aangaat. Of hij daarvoor gebruik wil maken van de diensten van
een buiten Nederland gevestigde verzekeraar is aan hem ter vrije
keuze. In dat geval kunnen de regels van het gemeenschapsrecht op het
gebied van de mededinging en het vrije dienstenverkeer van
toepassing zijn. Deze regels betreffen evenwel slechts de relatie tussen
de werkgever en de verzekeraar. De werknemer heeft met deze
verzekeraar niets te maken. Hij heeft immers uitsluitend jegens zijn werkgever
rechtstreeks aanspraak op doorbetaling van zijn loon bij ziekte. Wanneer
de werkgever de controle bij ziekte zou overlaten aan een buiten Nederland
gevestigde verzekeraar of een in het buitenland gevestigde arbodienst, zal
deze instantie de werknemer evenwel niet kunnen oproepen naar het
betreffende land. De voorschriften omtrent controle bij ziekte zoals zij door het Hof van Justitie in de eerdergenoemde
zaak Rindone zijn
uitgelegd, gelden ook in dit geval. De betreffende verzekeraar of arbodienst
zal dus maatregelen moeten treffen om de controle in Nederland te
doen plaatsvinden.
c. Internationale
aspecten
De vraag of de
loondoorbetalingsverplichting moet worden gerekend tot de materiële werkingssfeer van de
coördinatieverdragen inzake
sociale zekerheid die
zijn gesloten tussen Nederland en een aantal andere staten kan minder stellig
worden beantwoord. De uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven
aan de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 kan immers niet
zonder meer bij wege van analogie worden getransponeerd op deze
volkenrechtelijke verdragen. Meestal wordt in de verdragen gesproken van
"de wettelijke regelingen betreffende de ziekteverzekering"
(Israël, Marokko, Kaapverdië, Zweden, Canada, Verenigde Staten,
Noorwegen, Australië en Nieuw-Zeeland). Soms wordt gesproken van
"wettelijke regelingen betreffende prestaties bij ziekte"
(Tunesië, Turkije, Rijnvarenden, Europees Verdrag inzake sociale zekerheid). Zelfs wanneer
deze verdragen uitdrukkelijk de verplichtingen van de werkgever zouden
begrijpen onder hun materiële werkingssfeer, rblz.|52|
lijkt terughoudendheid op
haar plaats. Bij de totstandkoming van deze verdragen heeft de
verdragsluitende partijen immers niet altijd voor ogen gestaan dat daaronder ook
een loondoorbetalingsverplichting als hier aan de orde zou moeten worden
begrepen. Zeker wanneer de socialezekerheidsorganen van een
andere verdragspartij taken zijn toebedeeld ter uitvoering van de
ziekteverzekering, kan niet worden verwacht dat zij deze taken gaan uitvoeren
ten gerieve van individuele werkgevers. In het algemeen staat het
kabinet hier dan ook de volgende lijn voor ogen. Het kabinet realiseert zich
dat bij een benadering waarin de loondoorbetalingsverplichting niet kan worden gerekend
tot de materiële werkingssfeer van de betreffende
verdragen een dispariteit zou kunnen ontstaan met betrekking tot de
vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Thans is de situatie zo dat een
werknemer voor alle takken van sociale zekerheid zoals omschreven in de
betreffende verdragen onder de wetgeving van slechts één verdragspartij valt. Indien de loondoorbetalingsverplichting
zou moeten worden gerekend tot het arbeidsrecht, kan de werknemer krachtens het
conflictenrecht van het internationaal privaatrecht voor dit onderdeel van zijn
sociale bescherming onder de wetgeving van een andere partij vallen. Dit
kan tot gevolg hebben dat hij zowel in een stelsel van ziekteverzekering van
een andere staat verplicht verzekerd is als aanspraak kan maken op
doorbetaling van zijn loon onder de Nederlandse wetgeving. Dit brengt wellicht een lastenverzwaring voor de werkgever
met zich mee. Daarnaast
is het mogelijk dat in individuele situaties waarin de Nederlandse
socialeverzekeringswetgeving van toepassing is, maar wat de arbeidsrechtelijke
aspecten betreft de wetgeving van een andere staat. In deze situatie
moet worden geconstateerd dat de werknemer in het geheel niet wordt
beschermd bij ziekte. Het kabinet is er dan ook in beginsel voorstander van
de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte voor
wat betreft de vaststelling van de toepasselijke wetgeving te rekenen tot
de materiële werkingssfeer van de bi- en multilaterale verdragen
die de coördinatie van de socialezekerheidswetgeving van de betrokken
verdragspartijen regelen. Dat wil overigens niet zeggen dat
vervolgens van de uitvoeringsorganen van de andere verdragspartijen kan
worden verlangd dat zij hun werkzaamheden voortaan gaan verrichten
voor de individuele werkgevers.
Met de betrokken
verdragspartners en kringen van belanghebbenden zal in contact worden
getreden teneinde te bezien welke benadering de meest wenselijke is en op
welke wijze eventueel vorm zou moeten worden gegeven aan de nieuwe
situatie. Het kabinet wil er overigens op wijzen dat het hier gaat om een
beperkt aantal gevallen.
12. Bijzondere
voorziening
In het kader van de
adviesaanvraag aan de SER is - teneinde voor alle kleine werkgevers een
betaalbare premie te kunnen garanderen - de mogelijkheid geopperd van
een bijzondere voorziening indien onverhoopt toch onverwacht hoge
premies ten opzichte van het gemiddelde van de bedrijfstak
gevraagd zouden worden. Besloten zou dan kunnen worden bepaalde groepen
werkgevers bij algemene maatregel van bestuur alsnog onder de
werking van de Ziektewet
terug te brengen. Artikel 87a Ziektewet
biedt een wettelijk aanknopingspunt voor een dergelijke bijzondere
voorziening.
Het moge duidelijk zijn
dat tot het treffen van een dergelijke maatregel niet lichtvaardig besloten zal kunnen worden. Voor het bedrijfsleven als
geheel zijn geen
problemen te verwachten. Het kan echter zijn dat in bepaalde bedrijfstakken,
of onderdelen daarvan, structurele problemen ontstaan. Harde criteria,
in de zin van een bepaalde maximumpremie, zijn daarvoor echter niet te
geven. Bovendien draagt het noemen van een rblz.|53|
getal het risico in zich
van ongewenste gedragsreacties, zoals het automatisch doorschuiven
van slechte risico’s naar een collectieve voorziening. Het feit dat
een deel van de werkgevers met een aanzienlijk hogere premie wordt
geconfronteerd dan hun concurrenten is op zich geen reden tot het
treffen van een bijzondere voorziening. In een systeem van toerekening van
kosten is dat een beoogd effect. Van structurele problemen zal eerst
sprake zijn als bijvoorbeeld uit de monitoring van de ontwikkelingen op
ziektegebied blijkt dat er in een bepaalde sector sprake is van een aantoonbare
scheefgroei op het punt van concurrentieverhoudingen tussen kleine en grote
werkgevers of tussen kleine werkgevers onderling,
anders dan op grond van het bedrijfsrisico. Hierbij kan gedacht worden aan
een situatie waarin de ziektepremies hoog zijn en een aanzienlijk deel van
de werkgevers de loondoorbetalingsverplichting ten onrechte niet blijkt
te verzekeren en daarmee het meer verantwoordelijke deel van de werkgevers op
oneigenlijke wijze beconcurreert (zie paragraaf 8). De grote
toeloop van zieken op de vangnetvoorziening die daar het gevolg van kan
zijn en de spanningen die dit op de markt oproept, kunnen aanleiding
zijn tot "publiek" ingrijpen. Alsdan dient de optie te bestaan om de
verplichte ziekteverzekering voor bepaalde werkgevers weer in te
voeren. Gezien het ingrijpende karakter van een dergelijke algemene
maatregel van bestuur zal deze bij het parlement worden voorgelegd.
13. Invoeringstraject
In zijn commentaar heeft
het Tica uitdrukkelijk aandacht besteed aan het invoeringstraject. Drie
zaken vragen daarbij de aandacht:
- de
uitvoeringsinstellingen zullen de uitvoeringskantoren moeten instrueren over de
wijzigingen in de Ziektewet en nieuwe werkprocessen moeten
inrichten;
- de
bedrijfsverenigingen moeten de hoogte van de voorschotnota’s voor het jaar 1996
vaststellen. Afhankelijk van de afhandeling van dit
wetsvoorstel zal er in
het komend jaar al dan niet ziekengeldpremie worden geheven en zal de
hoogte van de wachtgeldpremies worden vastgesteld;
- werkgevers dienen
tijdig op de hoogte gesteld te worden van de nieuwe wetgeving, zodat
zij zich tegen het loondoorbetalingsrisico kunnen indekken.
Tot slot vraagt het Tica
in zijn commentaar nog aandacht voor de personele consequenties
van onderhavig wetsvoorstel.
Met het Tica
onderschrijft het kabinet de noodzaak van het verstrekken van tijdige informatie
aan uitvoering, werkgevers en werknemers. Voor wat betreft de
instructies aan de uitvoeringskantoren is het van belang te weten dat het grootste
deel van de werkzaamheden van die kantoren op het terrein van de Ziektewet
op
termijn zal komen te vervallen. De op 1 januari 1996 lopende
ziektegevallen zullen moeten worden afgehandeld. Na 1 januari 1996 zal het
aantal nieuwe ziektegevallen bij de bedrijfsvereniging zich beperken tot die
personen die in de vangnetvoorziening vallen. Dit is overigens grosso modo
dezelfde groep personen die ook thans reeds bij ziekte direct recht op
ziekengeld heeft. Aan de overige werknemers kan geen uitkering meer verstrekt worden. Hoewel hiermee niet ontkend
wordt dat er een bepaalde
mate van nadere informatieverstrekking richting uitvoering
noodzakelijk is, moge het voor zich spreken dat deze uit de aard van de
materie beperkt kan blijven.
Wat betreft de
vaststelling van de voorschotpremies wil het kabinet het volgende opmerken. Deze
geschiedt over het algemeen in de maand november. Het kabinet
gaat ervan uit dat het op dat moment bekend is of rblz.|54|
de Tweede Kamer met dit
wetsvoorstel kan instemmen. Dit betekent dat de bedrijfsverenigingen
over kunnen gaan tot premievaststelling. Er zijn dan nog slechts twee
mogelijkheden. Ofwel de Eerste Kamer verwerpt (onverhoopt) dit
wetsvoorstel. Dan zal de premieheffing op de oude voet kunnen voortgaan. Ofwel
de Eerste Kamer gaat akkoord met dit wetsvoorstel. Dan zullen
de wachtgeldpremies aanzienlijk moeten worden aangepast. In beide
gevallen echter zal uitgaande van de oude Ziektewetlasten een nieuwe premie moeten
worden vastgesteld. De bedrijfsverenigingen kunnen werkgevers
derhalve voorlopig informeren omtrent de hoogte van de voorschotpremies
indien de wet wordt aangenomen, alsook over de hoogte van de premie als
de wet niet wordt aangenomen. Werkgevers kunnen daarmee dan in hun
administratie rekening houden. Na de stemming in de Eerste
Kamer is bekend wat de wettelijke situatie in 1996 zal zijn. Werkgevers en
hun administratiekantoren moeten alsdan in staat worden geacht de juiste
premies af te dragen.
Voor wat betreft de
positie van kleine werkgevers is het helaas een feit dat veel werkgevers zelf
vaak niet goed op de hoogte zijn van de voor hen relevante wetgeving. Dit
mag in de optiek van het kabinet echter geen reden zijn dit
wetgevingstraject uit te stellen of tot een stapsgewijze invoering van dit
wetsvoorstel over te gaan. Door langer met wetgeving te
wachten of door deze
anders in te richten, wordt zij niet per definitie ruimer bekend onder
werkgevers. De ervaring leert dat men zich in de praktijk toch op het
laatste moment instelt op nieuwe wetgeving. Dit neemt vanzelfsprekend
niet weg dat het kabinet het tot zijn taak rekent alle werkgevers deugdelijk
voor te lichten over de consequenties van dit wetsvoorstel. Met name
waar het betreft de positie van kleine werkgevers is in dit verband van
belang dat in de praktijk verreweg de meeste kleine bedrijven hun
financiële administratie overlaten aan administratiekantoren, die wel op de hoogte zijn
van de geldende regelgeving. Voor afwenteling op de bedrijfsverenigingen, waartegen het Tica waarschuwt,
behoeft geen vrees te
bestaan. Verzekeraars hebben immers aangegeven alle collectieven die
zich in het eerste halfjaar na de inwerkingtreding van de wet aanmelden, te
zullen accepteren. De doorbetaling van het loon is derhalve gegarandeerd,
zodat het aantal werknemers dat bij de bedrijfsverenigingen terecht komt beperkt zal
blijven tot "normale" faillissementen.
Voor wat betreft de
positie van het personeel van de bedrijfsverenigingen wil het kabinet het
volgende opmerken. Het is inderdaad juist, zoals het Tica stelt, dat
als de plannen met betrekking tot de Wulbz doorgaan binnen de
termijn die het kabinet zich thans voorstelt, de behoefte aan personeel
bij de bedrijfsverenigingen zal afnemen. Evenzeer is duidelijk dat op dit
moment nog niet goed kan worden ingeschat in welke mate dit het geval
zal zijn en in welke mate dit personeel kan worden ondergebracht bij andere aan de bedrijfsvereniging gelieerde
bedrijven. Ook staat
buiten twijfel dat in ieder geval niet voordat de Eerste Kamer over dit
wetsvoorstel heeft beslist, beoordeeld kan worden of personeel zal moeten
afvloeien of niet. Eén en ander kan leiden tot uitvoeringskosten die
tijdelijk hoger zijn dan anders nodig zou zijn geweest. Dit zal geaccepteerd moeten worden als een onvermijdelijk
neveneffect van een
snelle implementatie van dit wetsvoorstel.
14. Financieel
De voorgestelde
maatregelen op het gebied van de Ziektewet
zullen naar verwachting leiden
tot een besparing van ƒ600 mln. De uitbreiding van de verplichting tot loondoorbetaling van twee/zes weken tot
één jaar
houdt feitelijk in dat
werkgevers voor de volledige Ziektewetperiode eigenrisicodrager
worden. Zij kunnen dit risico, indien gewenst,
rblz.|55|
onderbrengen bij een
particuliere verzekeraar. De maatregel betekent hoe dan ook dat iedere
werkgever feitelijk wordt geconfronteerd met de eigen lasten als gevolg van
ziekteverzuim. Dit leidt tot een grotere financiële prikkel voor werkgevers
om het ziekteverzuim terug te dringen.
Het ziekteverzuim bij
werkgevers die al vóór invoering van de
Wet terugdringing ziekteverzuim volledig
eigenrisicodrager waren, was
beduidend lager dan het ziekteverzuim bij de omslagleden. Verondersteld is dat als gevolg van de
uitbreiding van de verplichting tot loondoorbetaling het ziekteverzuim van
werkgevers die nog geen volledig eigenrisicodrager waren,
zich deels in de richting van het ziekteverzuim van eigenrisicodragers
zal ontwikkelen. Verwacht is dat het ziekteverzuim van werknemers met een
regulier arbeidscontract met ca. 10% zal dalen als gevolg van de grotere
inspanningen dit verzuim terug te dringen. De handhaving van een
vangnet-Ziektewet heeft niet geleid tot een bijstelling van de geraamde besparing. De
categorieën die een beroep kunnen doen op de vangnet-Ziektewet vielen
destijds ook al niet onder de twee/zes-wekenmaatregel. Kenmerkend voor deze
categorieën is immers dat zij geen werkgever meer hebben op
het moment van ziekte. De Ziektewetuitkeringen kwamen na invoering van de
Wet TZ derhalve ook gedurende de eerste
twee/zes weken al ten
laste van de Ziektewet. De uitbreiding van de loondoorbetalingsverplichting
tot één jaar zal voor deze categorie niet leiden tot
gedragseffecten; deze werknemers hebben immers geen werkgever die zich extra
zal inspannen.
De besparing op de
uitvoeringskosten is geraamd op ƒ300 mln. De uitvoeringskosten bij de
bedrijfsverenigingen zullen als gevolg van de voorgestelde maatregelen
grotendeels komen te vervallen. Slechts de kosten van de uitvoering
van de vangnet-Ziektewet
blijven bij de bedrijfsverenigingen. Deze kosten worden thans
geraamd op ƒ50 mln. De uitvoeringskosten bij de werkgevers zullen
toenemen. Dit zal echter in veel mindere mate het geval zijn dan
de daling van de uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen. Werkgevers voeren immers al een volledige
loonadministratie. De loondoorbetalingsverplichting zal niet een dermate
grote verzwaring van de administratie tot gevolg hebben dat deze leiden tot de huidige omvang van
de uitvoeringskosten, noodzakelijk voor de uitvoering van de Ziektewet bij de bedrijfsverenigingen. Wat de belasting van de rechterlijke macht
betreft, wordt er voorshands van uitgegaan dat de verschuiving van de
bestuursrechtelijke naar de civielrechtelijke rechtsgang netto geen
significante effecten zal hebben.
rblz.|56|
Onderzoeken op het
gebied van de T-wetten|¹
Andriessen, S.; Veerman, T.J.; Vijgen, J. --- "Risicoselectie op de Nederlandse arbeidsmarkt
- Selectieve aanstelling en afvloeiing van personeel op grond van (vermeende) risico’s binnen de
Ziektewet
en WAO", Ctsv,
Zoetermeer,
juni 1995.
Breukelen, A.H.; Honk, B.
van; e.a. --- "Volume-effecten van het gewijzigde
arbeidsongeschiktheidscriterium", Ctsv,
Zoetermeer, april 1995.
Elderen, T.M.T. van; Simon,
J.G.; e.a. --- "Chronisch zieken (on)beperkt aan het werk",
VUGA, Den
Haag, april 1995.
Elshout, S. van den; e.a.
--- "De omvang van het ziekteverzuim in 1994", CBS, Voorburg, juli 1995.
Ernste, D.E.; Wijnands,
Y.; e.a. --- "Reïntegratieprojecten voor mensen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering", VUGA, Den Haag, april 1995.
Haak, H.A. van den; e.a.
--- "Implementatie wetten TZ/Arbo in 1994",
SVr, Zoetermeer, december
1994.
Koehler, J.B.I.; Leeuwen,
P.A. van; Raadschelders, J.M.M. --- "Toegang tot de WAO
- Onderzoek naar
de toepassing van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium", Ctsv,
Zoetermeer, april 1995.
Knegt, R.; Mudde, E.C.;
e.a. --- "Niet verdiend? - Arbeids(on)geschikten tussen theoretische
verdiencapaciteit en (ir)reële arbeidsmarktkansen", VUGA, Den Haag, juli
1995.
Knegt, R.; Vinke, H.;
Vos, E.L. de --- "De malusbrieven - Verslag van een onderzoek naar kenmerken
van door werkgevers als onterecht ervaren malusaanzeggingen", VUGA,
Den Haag, december 1993.
Meus, C.J.M.; Groen,
A.J.B.A. in ’t; Visser, P.M. --- "De malus in de praktijk",
SVr, Zoetermeer, september 1993.
Mul, C.A.M.; Winter, C.R.
de; e.a. --- "Methoden voor de (re-)integratie van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten", VUGA, Den Haag, april 1995.
Nijboer, I.D.; Vos, E.L.
de; e.a. --- "Behoefte aan beroepsopleidingen voor vroeggehandicapten en
arbeidsongeschikten", VUGA, Den Haag, januari 1995.
Veerman, T.J.; Cavé, M. --- "Werkgevers over herintredende WAO-ers en hun ziekteverzuim
- Meningen en selectiebeleid van werkgevers geïnventariseerd",
VUGA, Den Haag, mei
1993.
Veerman, T.J.; Zoelen, A.A.J. van --- "Het ziekteverzuim in 1993 en 1994 - Resultaten van een
telefonische enquête onder bedrijven", VUGA, Den Haag, 1995
Vermeij, E.; Donker, K.J.;
Lubbe, J. van der --- "Volumebeleid arbeidsongeschiktheid - Rapportage over het
jaar 1993", SVr, Zoetermeer, oktober 1994.
Vijgen, J. --- "Een jaar
"terugdringing ziekteverzuim" - Effecten en neveneffecten van de
financiële prikkels in de Ziektewet",
Ctsv, Zoetermeer, maart 1995.
rblz.|57|
Visser, P.M.; Meiners, D.; Meus, C.J.M. --- "De bonus in de praktijk - Meningen en reacties van
werkgevers op het bonus/malussysteem", SVr, Zoetermeer, december
1993.
1. T-wetten: de wetten
TAV, TBA en TZ (Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Stb. 1992, 82), Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Stb. 1993, 412) en Wet terugdringing ziekteverzuim (Stb. 1993, 750),
red.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. [Burgerlijk Wetboek, red.]
Artikel I bevat de
wijzigingen in het Burgerlijk
Wetboek waartoe de privatisering van de Ziektewet
noopt. Het eerste lid bevat de aanpassingen
in de bestaande regeling
van de arbeidsovereenkomst, opgenomen in de Boek
7a BW. Bij het parlement is aanhangig het wetsvoorstel tot
vaststelling van titel 7.10 (n)BW, dat voorziet in de overheveling van de
regeling van de arbeidsovereenkomst van Boek
7a naar Boek
7 BW (Kamerstukken II
1993-1994, 23 438).
Onderdeel B van artikel
I bevat dezelfde
inhoudelijke wijzigingen in de nieuwe regeling die in onderdeel A worden
geregeld voor de bestaande wet.
Onderdeel A, onder 1
Onderdeel A bevat de kern
van de geprivatiseerde loondoorbetalingsregeling. Artikel 1638c
BW, waarin
thans de loondoorbetalingsplicht gedurende de eerste zes
weken is geregeld, wordt vervangen door drie nieuwe artikelen 1638c
tot en met 1638cb.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de tekst van artikel 1638c
te moderniseren.
Artikel 1638c
Het eerste lid legt vast
dat de werknemer gedurende het eerste ziektejaar recht heeft op doorbetaling van 70% van zijn loon. Zijn
aanspraak op ziekengeld
gedurende dat jaar komt geheel te vervallen (zie artikel
29, eerste lid, Ziektewet). De lasten van de loondoorbetaling rusten op de schouders van de
werkgever, die zich daarvoor kan verzekeren. Artikel 1638c legt in de
verplichting tot loondoorbetaling gedurende de eerste zes weken thans
een bodem, in die zin dat het doorbetaalde loon altijd ten minste het
voor de werknemer geldende minimumloon moet zijn. Deze in het kader
van de stelselherziening sociale zekerheid ingevoerde
minimumvoorziening, die ertoe strekt dat de werknemer bij ziekte van een minimaal
inkomen verzekerd is, blijft behouden en gaat gelden voor de volle
periode waarin recht op loondoorbetaling bestaat. Het ziekengeld is thans
gemaximeerd op 70% van het voor de socialezekerheidswetten geldende
maximumdagloon. Artikel
1638c
bevat dezelfde beperking. Het
Tica merkt in dit verband op dat thans op grond van artikel 1638c
BW gedurende de eerste zes weken van ongeschiktheid wegens ziekte recht
bestaat op loon ter hoogte van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde
loon, maar dat in het voorgestelde artikel 1638c BW
de loonaanspraak
gedurende deze periode wordt beperkt tot 70% van het maximumdagloon.
Het Tica constateert
terecht dat er een gering verschil bestaat tussen de huidige regeling (70% van
het loon) en de nieuwe regeling (70% van het maximumdagloon). Zou de
oude bepaling over de hoogte van het loon bij ziekte ongewijzigd
gehandhaafd blijven, terwijl de duur van de loondoorbetaling wordt
verlengd, dan zou dit betekend hebben dat personen met een inkomen
boven het maximumdagloon in de periode ná zes weken bij ziekte een
wettelijk recht zouden krijgen op een loon dat hoger is dan het niveau
van de ziekengelduitkering waar zij thans recht op hebben. Net zo min als
het in de bedoeling ligt dat werknemers er tengevolge van deze operatie
op achteruit gaan, is het de bedoeling dat rblz.|58|
groepen werknemers erop
vooruit gaan. De formulering die thans is gekozen, laat de
mogelijkheid open dat werknemers met een inkomen boven het maximumdagloon
er in de eerste zes weken van ziekte op achteruit zouden gaan.
Zij hebben immers slechts recht op loondoorbetaling tot 70% van het
maximumdagloon. Hiermee is overigens de situatie van voor de
Wet TZ weer hersteld. Het kabinet acht dit derhalve praktisch geen bezwaar,
ook omdat in de praktijk vrijwel alle betrokken lonen aangevuld worden
tot 100%. Bovendien moet deze groep werknemers goed in staat worden geacht voor zichzelf goede regelingen
bij ziekte te bedingen.
De werknemer heeft op de
doorbetaling slechts recht indien zijn verhindering te komen werken het gevolg is van
"ziekte". Artikel 19, derde
lid, Ziektewet
verduidelijkt dat
daaronder mede moeten worden verstaan gebreken. Voor de
toepassing van het begrip voor civielrechtelijke doelen geldt reeds hetzelfde.
De SER stelt in zijn
advies (paragraaf 3.3.2) dat een vervanging van de ziekengelduitkering
ingevolge de Ziektewet
door een loondoorbetalingsverplichting ertoe zal leiden dat de
vraag wanneer sprake is van ziekte dan ook civielrechtelijk
zal moeten worden beantwoord. In dit verband is van belang dat het begrip
"zijn arbeid" in de jurisprudentie betreffende het huidige 1638c
BW anders
wordt ingevuld dan in de jurisprudentie betreffende artikel 19
Ziektewet. Civielrechtelijk is de werknemer ziek wanneer hij niet is staat
is de bedongen arbeid te verrichten; volgens de administratieve rechter
is een werknemer ziek als hij niet in staat is de laatstelijk feitelijk
verrichte arbeid te verrichten.
Op zich is deze opmerking
van de SER juist. Het recht op loondoorbetaling bestaat als de werknemer
door ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten,
terwijl er recht op ziekengeld bestaat als de werknemer tot het
verrichten van de laatstelijk verrichte arbeid niet in staat is. Dit verschil
tussen Ziektewet en BW
zal echter niet op bezwaren stuiten. Voorop staat dat
de zieke werknemer zoveel mogelijk voor het arbeidsproces behouden
moet blijven. Een kernbepaling in zowel de Ziektewet als in de nieuwe regeling in het BW is dat de werknemer alle
passende arbeid, waartoe
hij ondanks zijn ziekte in staat is, moet verrichten. Tegen deze
achtergrond is het vanzelfsprekend dat de werknemer die weliswaar
het werk dat hij laatstelijk deed niet meer kan verrichten, maar die nog
wel in staat is tot andere bedongen arbeid, die arbeid dan ook verricht
als zij hem door de werkgever wordt aangeboden. Een uitdrukkelijke verduidelijking in artikel
1638c van het begrip ziekte, die
daarin ook nu niet
voorkomt, kan derhalve achterwege blijven.
Ten aanzien van de
invulling van het ziektebegrip wijst de SER nog op de jurisprudentie van de
Hoge Raad dat van ziekte kan worden gesproken wanneer de werknemer is afgegaan op het oordeel van zijn behandelend
geneesheer. Zou een
dergelijke interpretatie ook worden toegepast op het begrip ziekte in artikel
1638c BW, dan zou volgens de SER de werkgever in meer gevallen tot
loondoorbetaling verplicht zijn dan waarin thans een aanspraak op ziekengeld
krachtens de Ziektewet bestaat.
Naar de mening van het
kabinet legt de SER de werking van de jurisprudentie te ruim uit. Het is vaste rechtspraak
(HR 22 januari 1982, NJ
1982, 470 en HR 20
september 1991, NJ 1991, 763) dat een werknemer die niet ziek is, maar te
goeder trouw meende dat hij ziek is en deswege niet op zijn werk verschijnt,
niet op grond van die afwezigheid op staande voet mag worden ontslagen. De
opzet van dit
wetsvoorstel is dat de werknemer slechts recht
heeft op doorbetaling van het loon wanneer hij ziek is. Bij twijfel
hierover kan een second opinion worden gevraagd.
Artikel 19, derde lid,
Ziektewet
stelt voorts zwangerschap en bevalling gelijk met ziekte. Deze gelijkstelling komt echter te vervallen. De loondoorbetaling
bij ongeschiktheid tot werken wegens één van deze oorzaken moet echter behouden
blijven. Om niet in een situatie te geraken dat ziekte in het BW een
ruimere betekenis moet hebben dan in de Ziektewet, rblz.|59|
worden zwangerschap en
bevalling in artikel 1638c naast ziekte uitdrukkelijk genoemd. De formulering
van het eerste lid is zo gekozen dat duidelijk is dat de verhindering om de bedongen arbeid te
verrichten het
gevolg van de ziekte moet
zijn. Indien de verhindering primair een andere oorzaak heeft, geldt de loondoorbetalingsverplichting niet. Te denken valt
aan het geval van een gedetineerde wiens dienstverband tijdens de detentie doorloopt en die
tijdens zijn detentie ziek wordt. Zo’n werknemer heeft thans ingevolge
artikel 42 Ziektewet
ook geen aanspraak op ziekengeld.
Het tweede lid volgt
artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Ziektewet. Dat bepaalt dat de arbeidsverhouding van
huishoudelijk personeel dat in deeltijd voor een particulier werkt niet
als dienstbetrekking wordt beschouwd. Het gevolg is dat de werknemer geen
aanspraak op ziekengeld heeft en voorts dat de werkgever niet
premieplichtig is en de daaraan verbonden administratie niet hoeft te voeren. Met
betrekking tot de loondoorbetalingsplicht ten opzichte van niet
verplicht verzekerd huishoudelijk personeel vraagt het Tica zich af of de hier
gehanteerde neutraliteit in aanspraken stand houdt, nu bij alle overige
dienstbetrekkingen de loondoorbetalingsplicht 52 weken duurt.
Het kabinet wil
erop
wijzen dat voor wat betreft huishoudelijk personeel er niets verandert
vergeleken met de huidige situatie. Ook thans heeft huishoudelijk personeel
gedurende zes weken recht op loondoorbetaling en geen recht op
ziekengeld, omdat huishoudelijk personeel dat op minder dan drie dagen per
week werkzaam is, niet voor de Ziektewet
verzekerd is. De
formulering in het tweede lid van artikel 1638c BW
bewerkstelligt dat deze
situatie ongewijzigd blijft. Er is geen reden deze uitzondering voor
huishoudelijk personeel ongedaan te maken. De bestaande aanspraak uit
hoofde van artikel 1638c op loondoorbetaling gedurende zes weken
blijft behouden. De formulering van het tweede lid is ten opzichte van
artikel 6 Ziektewet
enigszins bekort. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
De uitdrukkelijke vermelding dat de werkgever een natuurlijk persoon
moet zijn, is vervallen. Zij ligt besloten in het voorschrift dat het werk
in de huishouding van de werkgever moet worden verricht.
In het algemeen deel van
de toelichting is in paragraaf 5 aangegeven dat het wenselijk is de
controle- en reïntegratieregelingen die thans in de Ziektewet een uitvoerige
regeling vinden, in het BW
een zekere verankering te geven. Het is daartoe
niet nodig alle Ziektewetvoorschriften in het BW over te nemen. Een
optimaal verzuimbeleid kan het best van de grond komen als een flexibele
regeling op hoofdlijnen wordt getroffen, die enerzijds de werknemer
beschermt tegen onnodige en daarmee onaanvaardbare inbreuken op zijn
persoonlijke levenssfeer, maar die anderzijds de werkgever de mogelijkheid geeft de
controle en reïntegratie op de
eigen omstandigheden van
zijn bedrijf toegesneden wijze vorm te geven. Deze regeling van controle en
reïntegratie is in het wetsvoorstel
neergelegd in het derde
en vijfde lid van artikel 1638c.
De regeling van het derde
lid is, behoudens het eerste onderdeel ervan, vooral gericht op de reïntegratie van de werknemer. Het noemt drie
gevallen waarin de zieke
werknemer ondanks zijn ziekte geen recht op loondoorbetaling heeft.
Onderdeel a stemt overeen met het tweede deel van het bestaande artikel
1638c, eerste lid: geen recht op loon bestaat wanneer de werknemer zijn
ziekte zelf opzettelijk heeft veroorzaakt of wanneer de ziekte het
gevolg is van een gebrek waarover hij zijn werkgever bij de aanvang
van het dienstverband opzettelijk onjuist heeft voorgelicht. In het
laatste geval ligt het voor de hand dat het gaat om gebreken die relevant
zijn voor de uitoefening van de functie. De onderdelen b en c
strekken ertoe te bevorderen dat de werknemer het mogelijke doet om zo snel
mogelijk van zijn ziekte te herstellen en, mede met het oog daarop, de
passende arbeid te aanvaarden die de werkgever hem aanbiedt.
rblz.|60|
Onderdeel b legt vast dat
de zieke werknemer zijn genezing niet behoort te belemmeren of te
vertragen. De bepaling heeft een ruime strekking. Zij ziet niet slechts op
gevallen waarin de werknemer door actief optreden aan zijn genezing in de
weg staat, maar omvat ook de gevallen waarin de werknemer door nalaten
zijn herstel verstoort. Waar het in de bepaling om gaat, is dat de werknemer
steeds die dingen doet en nalaat die van een zieke in zijn
omstandigheden met het oog op een voorspoedige genezing kunnen worden verlangd.
De regeling brengt derhalve mee dat de werknemer zo nodig een
arts moet raadplegen, dat hij diens voorschriften moet opvolgen en, in het
algemeen, dat hij alles doet wat zijn genezing bevordert en nalaat wat
daaraan in de weg kan staan.
Onderdeel c biedt de
werkgever de mogelijkheid van de werknemer te verlangen dat hij passende arbeid verricht, waartoe hij ondanks zijn ziekte
wél in staat is. Door
de werknemer passende arbeid te bieden kan hij bevorderen dat deze zo
snel mogelijk in het arbeidsproces terugkeert. De ervaring is dat tijdige
reïntegratiepogingen de kans op langdurig ziekteverzuim, waarvan
niet slechts de werkgever maar ook de AAW/WAO-fondsen de kosten
dragen, aanmerkelijk beperken.
Het begrip "passende arbeid" heeft in onderdeel
c dezelfde betekenis als thans in de Ziektewet. In het algemeen zal de werkgever zoeken naar
vervangende arbeid in
zijn eigen bedrijf. Vooral kleine werkgevers zullen wellicht geen passende
arbeid beschikbaar hebben die de werknemer met het oog op zijn reïntegratie kan verrichten. Voor die gevallen geeft
het
wetsvoorstel de werkgever
de mogelijkheid van de werknemer te verlangen dat hij
passende arbeid bij een derde verricht. Het komt echter wenselijk voor de
werkgever op dit punt geen onbegrensde vrijheid te geven. Een verplichting
arbeid bij een derde te verrichten, kan voor de werknemer zeer ingrijpend
zijn. Hij wordt dan immers niet slechts met ander werk geconfronteerd dan hij tot dan toe gewend was, maar ook met een geheel andere
omgeving en andere superieuren. Om die reden schrijft onderdeel c voor
dat de werkgever, voordat hij de werknemer bij een derde tewerkstelt,
daarvoor de toestemming van de bedrijfsvereniging moet hebben verkregen.
Opmerking verdient dat deze regel slechts geldt voor zover de arbeidsovereenkomst in het verrichten van werk bij
derden niet voorziet. Is
dat wel het geval, dan past het werk onder de noemer "de bedongen
arbeid" en kan de werkgever in beginsel zonder meer van de werknemer
verlangen dat hij zich daartoe zet.
De sanctie op overtreding
van de voorschriften van het derde lid is dat de werknemer zijn recht
op loondoorbetaling verliest. Deze sanctie is voldoende afschrikwekkend
om te waarborgen dat de werknemer zijn eigen reïntegratie
serieus oppakt. Verdergaande sancties zijn niet nodig. In het bijzonder laat het
wetsvoorstel niet toe dat de werkgever de werknemer die andere
passende arbeid dan de bedongen arbeid weigert, op staande voet ontslaat.
Er zijn gevallen denkbaar - bijvoorbeeld wanneer de werknemer
slechts een geringe overtreding heeft begaan - waarin een volledige beëindiging van de loondoorbetaling onredelijk zou zijn. Tegen dergelijk
misbruik van de sanctieregeling wordt de werknemer beschermd door de eisen
van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW: de werkgever zal de
sanctie niet kunnen toepassen indien dat naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is. Een nog meer genuanceerde
regeling waarin het verlies van de loonaanspraak is gerelateerd aan de aard
en omvang van de overtreding, stuit op het bezwaar dat werkgever en
werknemer over de proportionaliteit van de sanctie snel van mening
zullen verschillen. Het opnemen van een zo conflictgevoelige
regeling, die allicht zal leiden tot geschillen waarin alleen de rechter een
oplossing kan bieden, komt de regering onnodig en onwenselijk voor.
Het verlies van het recht
op loondoorbetaling eindigt indien de werknemer door alsnog aan
de voorschriften van het derde lid te voldoen de gevolgen van zijn
aanvankelijke weigering ongedaan maakt. Een rblz.|61|
werknemer die een aanbod
tot passende arbeid heeft afgeslagen, ziet zijn recht op loon dus in het
algemeen onmiddellijk herleven als hij die arbeid alsnog aanvaardt. Heeft
de werknemer zijn genezing belemmerd of vertraagt, dan krijgt hij
eerst weer aanspraak op loon wanneer ook de gevolgen van zijn
aanvankelijke overtreding ongedaan zijn gemaakt. Derhalve zal de werkgever
van een werknemer die door gedurende één week doktersvoorschriften
niet na te leven zijn genezing met vier weken vertraagt, het loon niet
slechts voor die ene week, maar voor de volle vier weken mogen inhouden.
Hetzelfde geldt indien een opdracht passende arbeid te verrichten er mede toe strekt het genezingsproces te bevorderen.
Weigert de werknemer de
arbeid en vertraagt hij daarmee zijn herstel, dan heeft hij
voor de periode van de vertraging geen recht op doorbetaling van loon.
Van het vierde lid stemt
onderdeel a met een enkele redactionele wijziging overeen met de
regeling van artikel 1638c, tweede lid. Deze houdt in dat op het loon
in mindering komt elke wettelijke uitkering of uitkering uit een sociaal
fonds die de werknemer in verband met zijn ziekte ontvangt. Onder de
bepaling valt thans nog het ziekengeld waarop een werknemer van een
kleine werkgever na de eerste twee ziekteweken aanspraak heeft. Met het
vervallen van de Ziektewetaanspraken voor alle werknemers die recht
hebben op doorbetaling van loon valt die toepassing weg. De
bepaling blijft voor andere wettelijke uitkeringen echter van belang. Te
denken is in het bijzonder aan de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen uit
hoofde van de Ziektewet, die gehandhaafd zullen blijven, de
Ziektewetuitkering uit hoofde van artikel 29b
Ziektewet
aan werknemers met een AAW/WAO-verleden, waarvoor hetzelfde geldt, en voor eventuele uitkeringen aan buitenslands werkende werknemers
waarop deze ingevolge de
ter plaatse geldende socialezekerheidswetgeving aanspraak hebben.
Onderdeel b bepaalt dat
op het loon voorts in mindering komen inkomsten voor werk dat
de arbeider ondanks zijn ziekte elders dan bij zijn werkgever heeft verricht.
De bepaling volgt de gelijksoortige regeling in artikel 31
Ziektewet. Zij ziet
zowel op loon uit arbeidsovereenkomst als op inkomsten die de
werknemer buiten dienstbetrekking geniet, bijvoorbeeld uit een overeenkomst van
aanneming van werk of opdracht als thuiswerker. De bepaling zal slechts
in uitzonderingsgevallen toepassing vinden. In de meeste
gevallen zal de werknemer die in staat is te werken immers hetzij niet ziek
zijn - in welk geval hij om die reden geen recht op loondoorbetaling heeft
- hetzij voor zijn eigen werkgever passende arbeid kunnen verrichten, waartoe hij krachtens het derde lid op straffe van verlies van zijn
loonaanspraken verplicht is. Alleen ingeval de werknemer tot passende arbeid in
staat is, maar de werkgever hem die niet aanbiedt, bijvoorbeeld omdat hij
geen passende arbeid beschikbaar heeft, zal de werknemer elders werk
kunnen aanvaarden.
De strekking van de
bepaling is niet dat alle inkomsten die de werknemer elders geniet van het loon moeten worden afgetrokken.
Bepalend is of hij de
arbeid waarmee hij het loon verdient, kan verrichten omdat hij door ziekte
zijn eigen werk heeft moeten staken. In het algemeen zal het gaan om
arbeid die wordt verricht in de werktijd die de werknemer anders voor
zijn werkgever beschikbaar zou zijn geweest. Zo’n samenval van werktijden
is echter niet altijd noodzakelijk. Het is denkbaar dat de werknemer bij
ziekte werk aanvaardt, bijvoorbeeld ’s avonds of op dagen dat hij vrijaf zou
hebben gehad, dat hij zou hebben geweigerd als hij niet door ziekte zijn
gewone werk had moeten neerleggen. Ook in die gevallen komt het loon
dat hij met het andere werk verricht op het door te betalen loon in
mindering. Inkomsten uit nevenwerkzaamheden die de werknemer al vóór hij
ziek werk verrichte, blijven echter buiten beschouwing.
Het vijfde lid biedt de
werkgever de nodige mogelijkheden om te controleren of de werknemer ziek is en ook overigens aan de
rblz.|62|
voorwaarden voor
doorbetaling van loon voldoet. De bepaling geeft de werkgever de bevoegdheid
schriftelijk controlevoorschriften te geven en, indien de werknemer deze
niet naleeft, de loondoorbetaling op te schorten. In het algemeen
deel van de toelichting is al uiteengezet dat bij overtreding het recht op
loon niet eindigt; de werkgever zal alsnog moeten betalen als blijkt
dat de werknemer werkelijk ziek is. Door de opschortingsbevoegdheid
is de werkgever echter niet de wettelijke verhoging van artikel 1638q verschuldigd, evenmin als vertragingsrente.
De voorschriften die de
werkgever vaststelt, kunnen zowel algemeen zijn als toegespitst op
het individuele geval. Het ligt voor de hand dat de hoofdlijnen in een regeling worden neergelegd. Afhankelijk van de
omstandigheden kunnen dan
ten aanzien van individuele gevallen specifieke aanvullende
voorschriften worden gegeven. De wet somt niet op wat de
controlevoorschriften mogen inhouden, maar stelt wel grenzen. De belangrijkste is dat
de voorschriften erop gericht moeten zijn dat de werkgever de inlichtingen
verkrijgt die hij nodig heeft om vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre
de werknemer aanspraak op loondoorbetaling heeft. Het ligt voor de
hand dat wordt bepaald dat de werknemer zich zo spoedig mogelijk ziek
moet melden. In het algemeen zal de werkgever ook voorschrijven dat de
werknemer aan zijn bedrijfsgeneeskundige of aan zijn arbodienst de
nodige inlichtingen verschaft. De werkgever kan voorschrijven dat de
werknemer, zo hij daartoe in staat is, de arbodienst bezoekt. Op individuele
basis kan de werkgever de algemene voorschriften aanvullen of versoepelen.
Zo is voor te stellen dat hij een ernstig zieke werknemer van wie vaststaat dat een spoedig herstel niet te verwachten is, vooralsnog
van de controle door de arbodienst vrijwaart. Aan de andere kant kan
van een werknemer die nog passende arbeid kan verrichten, worden
verlangd dat hij regelmatig met de arbodienst komt overleggen over de
mogelijkheden tot reïntegratie in het arbeidsproces.
De voorschriften die de
werkgever geeft, zullen zo moeten zijn ingericht dat de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van de werknemer zoveel mogelijk is gewaarborgd. Het ligt daarom voor de hand dat het
verstrekken van
inlichtingen trapsgewijs wordt georganiseerd. De werkgever verplicht de
werknemer dan niet de inlichtingen rechtstreeks aan hemzelf te
verstrekken, maar aan zijn arbodienst of bedrijfsarts. De werknemer kan daar zijn
ziekte en zijn genezingsproces uitvoerig uiteenzetten. De arbodienst of bedrijfsarts geeft de aldus verkregen inlichtingen echter
niet
in hun geheel aan de werkgever door. Zij vatten deze samen tot een
oordeel over de ongeschiktheid tot werken, dat voor de werkgever voldoende is
om over de loondoorbetaling een beslissing te nemen. Gevoelige
gegevens, waarvan de werknemer geheimhouding wenst, behoeven de
werkgever niet te worden onthuld. De persoonlijke levenssfeer van de
werknemer is zo beschermd, zonder dat de noodzaak voor de werkgever om een
adequate controle te kunnen uitoefenen onnodig aan banden wordt gelegd. Een mogelijk voorschrift is ook dat de
werkgever van de
werknemer vraagt dat hij overeenkomstig artikel 1638ca een second opinion
vraagt. Verwezen zij naar de toelichting bij dat
artikel. Het is echter zeker niet
de bedoeling dat de werkgever de second opinion standaard voorschrijft.
Het zware middel van een second opinion moet beperkt blijven tot
gevallen waarin de ziekte van de werknemer of de daaraan verbonden
arbeidsbeperkingen aan gerede twijfel onderhevig zijn. Een op het individuele geval toegesneden gebruik moet voorop
staan. In gevallen waarin
de werkgever er niet aan twijfelt dat de werknemer ziek is of
waarin wel bestaande twijfel door een eenvoudige controle kan worden
weggenomen, behoort de werkgever zijn bedrijfsgeneeskundige dienst of zijn
arbodienst in te schakelen. Om een onmatig gebruik van de second
opinion door werkgevers te ontmoedigen, bepaalt het nieuwe artikel 56a
Organisatiewet sociale verzekeringen dat de bedrijfsvereniging kosten
ter zake van de second opinion ten laste van de werkgever kan brengen
indien de opinion op zijn voorschrift is gevraagd. rblz.|63|
De nieuwe regeling stemt
aldus overeen met de bestaande regeling in de Ziektewet. Artikel 39d
Ziektewet
maakt het mogelijk dat de werkgever van de bedrijfsvereniging een second opinion vraagt en bepaalt dat kosten voor dit onderzoek aan hem in
rekening kunnen worden gebracht.
De regeling van artikel 1638c is erop gericht dat tussen werkgever en werknemer zo spoedig
mogelijk nadat de werknemer zich ziek heeft gemeld, duidelijk wordt
of de werknemer recht heeft op doorbetaling van loon en, zo partijen
daarover van mening verschillen, wat de oorzaak van hun onenigheid is. In dat
verband verplicht het zesde lid de werkgever ertoe om binnen redelijke
termijn nadat bij hem het vermoeden is gerezen dat de werknemer ten
onrechte aanspraak op loondoorbetaling maakt, dat aan de werknemer mee te
delen. De reden voor zijn twijfel moet hij openbaren. Laat de werkgever dat na, dan verliest hij zijn recht om zich in
een eventuele procedure
erop te beroepen dat de werknemer om de niet-meegedeelde reden
geen recht op doorbetaling van loon heeft. De regeling waarborgt aldus
dat de werknemer tijdig weet waar hij aan toe is en dat hij de nodige
maatregelen kan treffen. Voorkomen wordt aldus dat de werknemer pas in een
zo laat stadium, bij de loonbetaling, wordt geconfronteerd met een
weigering van de werkgever om het loon door te betalen dat het voor hem
niet goed meer mogelijk is om nog te bewijzen dat hij wel degelijk
recht op de loondoorbetaling had. De werkgever zal dus, als hij redenen
heeft om aan te nemen dat de werknemer niet ziek is, maar ook als hij
bijvoorbeeld vermoedt dat de werknemer tijdens zijn ziekte elders betaald
werk verricht, de werknemer dat binnen een redelijke termijn moeten berichten.
Het zevende lid regelt de
loondoorbetalingsverplichting ingeval het loon niet naar tijdruimte,
maar anderszins - bijvoorbeeld naar productie - is vastgesteld. Het door te
betalen loon wordt dan berekend naar het gemiddelde loon dat de
arbeider had kunnen verdienen indien hij niet ziek was geweest. Dat
stemt overeen met het bestaande artikel 1638c, vijfde lid.
Het achtste lid bepaalt
dat afwijking van de hoofdregel van het eerste lid nietig is en regelt
tevens de uitzonderingen daarop. Thans laat artikel 1638c, zevende lid, toe
dat bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement de doorbetalingsplicht
voor de eerste ziekteweken op een lager bedrag dan 70% van het loon
wordt gesteld, met dien verstande dat de werknemer nooit minder
dan het minimumloon mag ontvangen. Na de eerste weken
- zes in
het geval van een grote werkgever, twee in het geval van een kleine - heeft
de werknemer aanspraak op ziekengeld en ontvangt hij dus steeds 70% van
het loon. In de nieuwe opzet is afwijking van de hoofdregel alleen voor de
eerste twee ziektedagen mogelijk: deze kunnen volledig voor rekening
van de werknemer worden gebracht. Van de mogelijkheid van
afwijking voor de volle periode van zes weken lijkt in de praktijk weinig gebruik
te worden gemaakt : in het algemeen wordt niet slechts 70%, maar het
volle loon doorbetaald. Mede in dat licht komt een regel dat van de
loondoorbetalingsverplichting voor de eerste zes weken wél, maar voor de
daaropvolgende - veel langere - periode niét kan worden afgeweken, vanuit
een oogpunt van eenvoud van regelgeving weinig aantrekkelijk
voor.
Het negende lid is
inhoudelijk gelijk aan artikel 1638c, achtste lid. Het geeft een regel voor
intermitterend ziekteverzuim. Volgen de verschillende ziekteperioden elkaar met
tussenruimten van minder dan vier weken op, dan worden zij voor de
toepassing van artikel 1638c samengeteld. De Ziektewet
bevat in
artikel 29, tiende lid, een overeenkomstige regel.
Artikel 1638ca
Dit artikel regelt de
second opinion als verplicht voorportaal voor toegang tot de rechter.
In het algemeen deel van de toelichting is uiteengezet dat het doel
is zoveel mogelijk te voorkomen dat de rechter rblz.|64|
onnodig wordt belast met
geschillen over ziekte, voor de beslissing waarvan hij in
belangrijke mate is aangewezen op advisering door een (onafhankelijke)
deskundige, alsmede - mocht het tot een procedure komen - te bewerkstelligen dat het geschil al in een vroeg stadium helder
is. Het biedt belangrijke voordelen als die deskundige al wordt ingeschakeld
vóórdat de rechter zelf wordt benaderd. Het kabinet verwacht dat werkgever en
werknemer zich in het algemeen bij het oordeel van de deskundige
zullen neerleggen.
Het eerste lid bepaalt
dat de rechter een vordering tot doorbetaling van loon bij ziekte
afwijst
als de werknemer niet een bij wijze van second opinion verkregen deskundigenverklaring overlegt. De verklaring moet bij
eis worden overgelegd,
dat wil zeggen in conventie bij de dagvaarding of het kantongerechtsformulier, bedoeld in artikel 104
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, en in
reconventie uiterlijk bij het antwoord, waarbij de eis in reconventie
wordt gedaan. Wat de inhoud van de verklaring moet zijn, wordt in het
eerste lid nader bepaald. Zij moet duidelijkheid scheppen over de verhindering van de werknemer om de bedongen of
andere passende arbeid te verrichten. Een verklaring dat de werknemer ziek is, volstaat
derhalve niet. De verklaring zal moeten inhouden dat de werknemer door zijn
ziekte niet tot werken in staat is. Voor zover de werknemer ondanks zijn
ziekte niet volledig arbeidsongeschikt is, zal de verklaring moeten
aangeven welke arbeidsbeperkingen er zijn en welke (passende) arbeid de
werknemer nog wel zou kunnen verrichten. De verklaring kan met deze
mededelingen tevens volstaan. Mededelingen over de aard van de
ziekte die voor de vraag tot welke arbeid de werknemer niet meer of
nog wel in staat is niet relevant zijn, behoren met het oog op de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer achterwege te
blijven.
De wet zegt niet
uitdrukkelijk door welke deskundigen de second opinion moet worden verricht. Het eerste oordeel omtrent de ziekte zal in
het algemeen gegeven
moeten worden door een arts. Als het gaat om de vraag welke arbeid de
werknemer nog verrichten kan, is echter ook arbeidskundige expertise
vereist. De wet laat toe dat in zo’n geval naast de arts een
arbeidsdeskundige als deskundige wordt aangewezen. Het
wetsvoorstel eist niet
dat de deskundigenverklaring het standpunt van de werknemer ondersteunt.
Ook indien de uitkomst van de second opinion voor hem negatief is, kan de werknemer zich tot de rechter wenden.
Denkbaar is dat de
werknemer tegen de wijze waarop de second opinion is uitgevoerd bezwaren
heeft of dat hij aan verklaringen van andere, door hemzelf ingeschakelde,
deskundigen de overtuiging ontleent dat de uitkomst van de second
opinion onjuist is. Die bezwaren moet hij dan ter toetsing aan de rechter
kunnen voorleggen. Er mag echter worden verwacht dat de rechter
in het algemeen de second opinion, mits deze in overeenstemming met de
daaraan te stellen eisen is uitgevoerd, als uitgangspunt voor zijn
beslissing zal nemen en het niet noodzakelijk zal vinden een tweede
deskundige te benoemen om het in het kader van de second opinion al
verrichte onderzoek nog eens over te doen.
De verplichte
inschakeling van een deskundige geldt slechts voor bodemprocedures. De werknemer die bij wijze van voorlopige voorziening
loondoorbetaling verlangt - van de president in kort geding of van de kantonrechter op de voet
van artikel 116 Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering - kan
die vragen zonder de verklaring over te leggen. In werkelijk spoedeisende
zaken moet de rechter niet genoodzaakt zijn te wachten totdat de second
opinion is afgerond. Het ligt echter niet voor de hand dat van deze mogelijkheid in veel gevallen gebruik zal worden
gemaakt. De kortgedingrechter zal een vordering tot loondoorbetaling alleen kunnen
toewijzen
als, al is het maar summierlijk, is aangetoond dat de werknemer ziek is.
Daarvoor zal hij in het algemeen willen beschikken over een verklaring van
een onafhankelijke deskundige. De rechter die over rblz.|65|
een spoedvoorziening
oordeelt, is niet verplicht de werknemer eerst naar de second opinion te
verwijzen, maar het is hem evenmin verboden.
Het tweede lid maakt op
de hoofdregel van het eerste lid twee uitzonderingen. Als de ziekte van de
werknemer in de procedure door de werkgever niet wordt
betwist, kan een deskundigenverklaring vanzelfsprekend achterwege blijven. Te
denken is aan het geval dat het geschil niet gaat over de (on)geschiktheid van de werknemer de bedongen arbeid te verrichten, maar over
de vraag of loon dat hij tijdens zijn ziekte elders heeft verdiend, op het
door te betalen loon in mindering mag worden gebracht. Een tweede uitzondering
geldt als het overleggen van de
deskundigenverklaring in
redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. Dat zal
bijvoorbeeld het geval zijn als de werkgever vóór aanvang van de procedure
de ziekte van de werknemer steeds heeft erkend, maar op dat
standpunt hangende het geding terugkomt. De werknemer behoort niet te
worden belast met de gevolgen van het feit dat hij door de opstelling
van de werkgever op het verkeerde been is gezet. De rechter zal in zo’n
geval een deskundige moeten benoemen die over de vraag of de werknemer
ziek is duidelijkheid kan verschaffen.
Het derde lid verplicht
de deskundige zijn werk onpartijdig en naar beste kunnen te verrichten.
Het vierde lid waarborgt
dat een tot deskundige benoemde arts, met inachtneming van de
grenzen die worden gesteld door de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van de werknemer, bij de behandelend geneesheer van de
werknemer de inlichtingen kan inwinnen die hij voor de second opinion
behoeft. De bepalingen stemmen overeen met de bestuursrechtelijke
regels voor deskundigenonderzoek bij Ziektewetgeschillen
(artikelen 8:34, eerste lid,
en 8:48 Algemene wet bestuursrecht).
Het is mogelijk dat in de
procedure vragen rijzen waarover de rechter de deskundige wil horen.
Het vijfde lid regelt dat de taken van de deskundige met het
afgeven van de verklaring niet zijn geëindigd, maar dat de rechter hem kan
opdragen zijn verklaring toe te lichten of aan te vullen. De rechter kan in
dat kader van de deskundige verlangen dat hij de werknemer aan een nader
onderzoek onderwerpt.
Het zesde lid bepaalt dat
de werknemer in een procedure tot doorbetaling van loon alleen in de kosten kan worden
veroordeeld voor
zover die het gevolg zijn
van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dit stemt overeen met wat
thans geldt in Ziektewetprocedures (zie artikel
8:75, eerste lid,
Algemene wet bestuursrecht). Het doel van de regel is, zoals in het algemeen
deel van de toelichting is uiteengezet, veilig te stellen dat de overgang
van het publieke naar een privaat stelsel niet tot financiële drempels
leidt die de werknemer ervan kunnen weerhouden zijn recht op loondoorbetaling zo nodig voor de rechter af te dwingen.
Het zevende lid voorziet
in de in het algemeen deel van de toelichting al toegelichte mogelijkheid
bij CAO te bepalen dat een andere instantie dan de bedrijfsvereniging de
deskundige aanwijst die de second opinion moet verrichten.
Artikel 1638cb
Dit artikel stemt overeen
met het huidige derde en vierde lid van artikel 1638c. Het regelt de
loondoorbetaling bij andere bijzondere verhinderingen van de werknemer om zijn
arbeid te verrichten, zoals de bevalling van zijn echtgenote of de
uitoefening van het actief kiesrecht.
Onderdeel A, onder 2. [Zie
art. I, onderdeel A, onder 3, Wulbz,
red.]
Dit onderdeel past de
verwijzing in artikel 1638ee naar het derde en vierde lid van artikel
1638c aan. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen.
rblz.|66|
Onderdeel A, onder 3. [Zie
art. I, onderdeel A, onder 4, Wulbz,
red.]
Dit onderdeel bevat
wijzigingen in artikel 1639l. Dat artikel voorziet erin dat bij overlijden
van de
werknemer zijn nabestaanden van de werkgever een overlijdensuitkering ontvangen ten bedrage van het loon over twee
maanden. De uitkering
komt in de eerste plaats toe aan de echtgenoot. Met de echtgenoot is
gelijkgesteld degene met wie de werknemer duurzaam een gezamenlijke
huishouding voerde. De gelijkstelling wordt bereikt door een
verwijzing naar de overeenkomstige regeling in de Ziektewet. Nu met de
privatisering van de Ziektewet ook de overlijdensuitkering uit hoofde van
die wet
voor reguliere werknemers komt te vervallen, komt het
geraden voor de verwijzing in artikel 1639l te vervangen door een op
zichzelf staande regeling. Subonderdeel a van onderdeel C [zie artikel I, onderdeel
A, onder 4, subonderdeel a, Wulbz, red.]
voorziet erin
dat in het artikel wordt bepaald dat met de echtgenoot wordt gelijkgesteld degene met wie de arbeider ongehuwd
samenleefde.
Het vijfde lid van
artikel 1639l bepaalt dat geen recht op de overlijdensuitkering
bestaat
als de werknemer
door eigen toedoen geen aanspraak had op de
overlijdensuitkering uit hoofde van de Ziektewet. Subonderdeel b van onderdeel C
[zie artikel I, onderdeel A, onder 4,
subonderdeel b, Wulbz, red.] stelt
daarmee gelijk de situatie dat een (zieke) werknemer onmiddellijk
voorafgaande aan zijn overlijden door eigen toedoen geen recht had op
loondoorbetaling uit hoofde van artikel 1638c.
Artikel
II. [Wetboek van Koophandel, red.]
In het
Wetboek van
Koophandel dient een aantal artikelen aangepast te worden aan hetgeen in
artikel I wordt voorgesteld. Het betreft hier technische aanpassingen.
Artikel
III. [Wet tarieven in burgerlijke zaken, red.]
Het griffierecht in
Ziektewetprocedures bedraagt thans voor de werknemer
ƒ50,- in eerste aanleg (artikel 8:41, derde lid, onderdeel
a, Algemene
wet bestuursrecht) en ƒ150,- in hoger beroep (artikel
22, tweede lid, onderdeel
a, Beroepswet). Het
griffierecht bij de burgerlijke rechter is hoger, oplopend tot ƒ280,- in eerste
aanleg bij de kantonrechter en ƒ6625,- in hoger beroep bij de
rechtbank (artikelen 11,
tweede lid, respectievelijk 2, tweede lid, Wet
tarieven in burgerlijke zaken).
De huidige regeling van
het griffierecht in Ziektewetzaken is recentelijk, tegelijk met de invoering
van de Algemene wet bestuursrecht, tot stand gekomen bij de
Wet
voltooiing eerste fase rechterlijke organisatie (Kamerstukken 22 495).
Het kabinetsvoorstel was het griffierecht voor alle procedures over sociale
uitkeringen te stellen op ƒ100,- in eerste aanleg en ƒ150,- in hoger beroep.
Bij amendement is het recht in eerste aanleg tot ƒ50,- teruggebracht. Mede
tegen deze achtergrond acht het kabinet het niet wenselijk de bestaande
regeling van het griffierecht in burgerlijke zaken zonder meer toe te passen
op loondoorbetalingsgeschillen. Weliswaar zijn de partijen die optreden
andere dan bij Ziektewetgeschillen, maar inhoudelijk is er, in het
bijzonder vanuit de optiek van de werknemer, tussen de zaken geen
verschil. De verhoging van het griffierecht waartoe toepassing van de huidige
regeling zou leiden, zou de bij de invoering van de Algemene wet
bestuursrecht aanvankelijk voorgenomen verhoging aanmerkelijk te boven
gaan. Er zou een financiële drempel kunnen ontstaan die werknemers
ervan weerhoudt in rechte hun aanspraak op loondoorbetaling geldend
te maken. Onderdeel A van artikel III wijzigt daarom de
Wet
tarieven in burgerlijke zaken in dier voege dat ook in civielrechtelijke
gedingen over loondoorbetaling bij ziekte het lage griffierecht verschuldigd
is: ƒ50,- in eerste aanleg en ƒ150,- in hoger beroep en in beroep in cassatie.
Vereist is wel dat de procedure uitsluitend op de loondoorbetaling
betrekking heeft. Is er een meeromvattend geschil, rblz.|67|
waarin bijvoorbeeld de
werknemer zowel een hem wegens ongeoorloofde afwezigheid verleend
ontslag op staande voet aanvecht op grond dat hij ziek, en dus niet
ongeoorloofd afwezig was, als op dezelfde grond doorbetaling van loon
vordert, dan geldt het griffierecht dat de werknemer ook thans verschuldigd zou zijn als zijn vordering tot de
nietigverklaring beperkt
bleef.
Onderdeel B van artikel
III bevat technische wijzigingen in de griffierechtregeling die nodig zijn met het oog op de invoering van de
nieuwe arbeidsrechttitel
in Boek 7 BW.
Artikel
IV. (Ziektewet)
Onderdeel B
Artikel
2b Ziektewet
bepaalt dat
bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot onder meer de termijn waarbinnen een
beschikking ingevolge een ziekmelding wordt gegeven (Besluit beslistermijnen
sociale verzekeringswetten [zie Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen, red.]). Deze ziekmelding, waarnaar
artikel 2b verwijst, is thans overgeheveld van
artikel 38 naar artikel 38a.
Onderdeel C
De wijzigingen van
artikel 19 strekken ertoe de gelijkstelling van zwangerschap en bevalling
met ziekte te schrappen. Deze gelijkstelling spoort niet met het
gangbare spraakgebruik. De gelijkstelling is juridisch gezien ook niet nodig.
Artikel 29a (derde en zevende lid) creëert immers in de gevallen waarin de
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid haar oorzaak vindt in
zwangerschap of bevalling een recht op (verhoogde) uitkering. Het eerste lid
van artikel 29a betreft de "eigenlijke" bevallingsuitkering van zestien weken, waarop
aanspraak bestaat ongeacht of sprake is van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid. In verband met het schrappen van de
gelijkstelling zijn ook de desbetreffende bepalingen in de WAO
(artikel 18,
eerste en zevende lid) en de AAW
(artikel 5, eerste en achtste lid)
dienovereenkomstig aangepast.
Onderdeel D
De kring van verzekerden
blijft ongewijzigd; dit zijn ingevolge artikel 20 de werknemers in de zin
van de Ziektewet. Alle werknemers
- ongeacht de vormgeving van hun arbeidsverhouding -
kunnen immers in één van de
situaties geraken als
bedoeld in het tweede lid. Ook degene die op een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd werkzaam is, bijvoorbeeld door ontslag in proeftijd
of ontslag op staande voet, rechterlijke ontbinding of door beëindiging met wederzijds goedvinden binnen het tijdvak van 52 weken.
Artikel
7a:1638c, eerste
lid, BW bepaalt als hoofdregel dat bij ziekte 70% van het loon, maar
ten minste het voor hem geldende wettelijke
minimumloon, gedurende 52
weken wordt doorbetaald. Artikel 29, eerste lid,
Ziektewet bepaalt dan ook
dat, behoudens artikel 29a en 29b, geen ziekengeld wordt
uitgekeerd indien recht bestaat op dat loon. In het derde, vierde, vijfde en achtste
lid van artikel 1638c is bepaald in welke situaties de werknemer ondanks
ziekte geen recht heeft op loon, bijvoorbeeld indien de ziekte door opzet van de werknemer is veroorzaakt of indien
wachtdagen zijn
overeengekomen. Ook in die situaties wordt ingevolge de tweede volzin van
artikel 29, eerste lid, geen ziekengeld uitgekeerd.
De betekenis van het
eerste lid is dat indien wordt vastgesteld dat bij ziekte recht bestaat op
loon, er geen ziekengeld door de bedrijfsvereniging rblz.|68|
wordt uitgekeerd. Indien
bij ziekte geen recht bestaat op loon, betekent dit echter niet automatisch
dat de betrokkene recht heeft op Ziektewetuitkering. Het tweede lid geeft namelijk
de situaties aan waarin wel wettelijk ziekengeld wordt uitgekeerd. Dit
zijn in de eerste plaats de gevallen waarin de werknemer geen werkgever
of dienstbetrekking (meer) heeft (tweede lid, onderdeel a tot en met
d). Dezelfde situaties zijn ook in de
Wet terugdringing ziekteverzuim uitgezonderd van de wachtperiode van twee/zes weken en zijn thans opgenomen
in het zesde tot en met achtste lid van artikel
29. Het betreft de in artikel
4 en 5 Ziektewet
genoemde zogenaamde "rariteiten" met uitzondering van degenen
die in de sociale werkvoorziening werkzaam zijn, nawerkingsgevallen,
verzekerden van wie de dienstbetrekking in de wachttijd is geëindigd, alsmede zieke werklozen. De aanspraken op wettelijk ziekengeld zijn
voor deze groepen werknemers niet inhoudelijk gewijzigd.
Het recht op ziekengeld
van de vrijwillig verzekerde die bij ziekte geen aanspraak kan maken op
betaling van loon is in het voorstel van wet tot nadere wijziging van een
aantal socialezekerheidswetten (technische verbeteringen in verband
met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen;
Kamerstukken II
1993-1994, 24 326) overgeheveld naar artikel 70
Ziektewet. Deze
wijziging is in dit wetsvoorstel nader toegelicht. De uitbreiding van de
loondoorbetalingsplicht naar 52 weken betekent voor een aantal categorieën,
zoals de directeur-grootaandeelhouder, overigens dat het sluiten van een
vrijwillige verzekering geen zin meer heeft.
In de wet is tevens
opgenomen de aanspraak op ziekengeld wegens ongeschiktheid tot werken
in verband met de donatie van een orgaan (onderdeel e). Van
oudsher verstrekten de bedrijfsverenigingen Ziektewetuitkering bij het
afstaan van een orgaan, bijvoorbeeld huid of bloed. Door de invoering van de
Wet TZ kwamen de eerste twee of zes weken van ziekte voor rekening
van de werkgever en is discussie ontstaan of bij het afstaan van een
orgaan, zoals een nier of beenmerg, sprake is van ziekte en van recht op
doorbetaling van loon. Jaarlijks gaat het om enkele honderden gevallen. Het
nieuwe onderdeel e stelt thans buiten twijfel dat bij orgaandonatie recht
bestaat op Ziektewetuitkering. Het ziekengeld bedraagt 100% van het dagloon
(zevende lid van artikel 29). Het Tica kan ter zake nadere regels stellen
(achtste lid). Hierbij kan met name gedacht worden aan regels met betrekking
tot de duur van de uitkering. Deze regels dienen bij voorkeur te worden
gesteld op een niveau dat zo dicht mogelijk tegen de uitvoeringspraktijk
aanligt.
Daarnaast worden genoemd
de aanspraak op ziekengeld in verband met zwangerschap en
bevalling, alsmede het recht op ziekengeld van herintredende
arbeidsongeschikten (onderdeel f en g). Laatstgenoemde situaties zijn de enige
uitzonderingen op het beginsel dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd indien
recht bestaat op loon. Deze uitzonderingen zijn ingegeven door de
arbeidsmarktpositie van betrokkenen.
Het huidige derde, negende en tiende lid zijn ongewijzigd overgeheveld naar het voorgestelde derde tot en
met vijfde lid van artikel 29. Het nieuwe zesde lid bepaalt dat het
ziekengeld, met uitzondering van de uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling, 70% van het dagloon van de verzekerde bedraagt. Voor het
ziekengeld uit hoofde van artikel 29b
betekent dit een wijziging ten opzichte
van de bestaande regeling.
Het huidige vijfde en het
elfde tot en met het veertiende lid keren niet meer terug in verband met
het verdwijnen van de "twee weken werkgever".
rblz.|69|
Onderdeel E
Artikel
29a regelt de
aanspraken van de vrouwelijke verzekerde op ziekengeld in verband met
haar zwangerschap en bevalling. Deze aanspraken blijven
ongewijzigd. In verband met de gewijzigde redactie van artikel 29 zijn
evenwel twee aanpassingen van artikel 29a
noodzakelijk. Deze betreffen de
verwijzing in artikel 29a, achtste en tiende lid, naar de in het nieuwe
vijfde lid van artikel 29 opgenomen maximale periode van 52 weken
waarover ziekengeld kan worden uitgekeerd. Het achtste lid van artikel
29a bepaalt dat deze periode van 52 weken niet van invloed is op het recht
op verhoogd ziekengeld in verband met zwangerschap en bevalling. Het tiende
lid van artikel 29a bevat de samentellingsregeling van perioden van
ongeschiktheid tot werken met een daaraan voorafgegane periode van
bevallingsuitkering.
Onderdeel F
Artikel
29b betreft de
overname van het ziekterisico door de bedrijfsvereniging bij indienstneming van
gewezen of gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Het eerste lid van artikel
29b, zoals dit komt te luiden na
inwerkingtreding van de Wet Amber, is in gewijzigde vorm vervangen door het voorgestelde
eerste lid. Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht,
bedraagt het ziekengeld 70% van het dagloon. De mogelijkheid om het
ziekengeld op verzoek van de werkgever op te hogen tot diens civielrechtelijke verplichtingen is komen te vervallen. Het huidige
tweede lid, dat bepaalt dat de wachtperiode van twee/zes weken niet van toepassing is,
is komen te vervallen.
Het voorgestelde eerste lid bepaalt thans dat ziekengeld wordt
uitgekeerd vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.
Het bepaalde in het
huidige derde lid is gehandhaafd en opgenomen in het voorgestelde tweede
lid. Dit lid bepaalt onder meer dat geen ziekengeld uit hoofde van
artikel 29b wordt uitgekeerd indien de werknemer jegens de
werkgever bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak op
betaling van loon kan maken.
Onderdeel G
Artikel
30, eerste tot en
met derde lid, betreft thans de verplichting passende arbeid te aanvaarden (werknemer),
respectievelijk daartoe gelegenheid te
geven (werkgever). Indien
deze verplichtingen niet worden nagekomen, verlaagt de
bedrijfsvereniging het ziekengeld, respectievelijk vordert zij loon van de werkgever. De
verplichting om passende arbeid te aanvaarden, wordt echter opgenomen in het
Burgerlijk
Wetboek (artikel 7a:1638c, derde lid, onderdeel c). De
werkgever betaalt bij ziekte in beginsel het loon door. Hij zal echter een sanctie
kunnen treffen jegens de werknemer indien deze weigert passende arbeid
waartoe hij in staat is, te verrichten.
De regeling van artikel 30
Ziektewet, met uitzondering van het derde lid, behoudt haar betekenis voor
degenen die bij ziekte recht hebben op Ziektewetuitkering. Het huidige eerste lid is
uitgebreid met de verplichting voor de werknemer om te trachten passende
arbeid te verkrijgen, indien hij daartoe in staat is.
Onderdelen H en
I
De
artikelen 35 en 36 van
de Ziektewet
betreffen de overlijdensuitkering. De werkgever is op grond
van artikel 1639l BW
verplicht een overlijdensuitkering te betalen. De overlijdensuitkering uit hoofde van de
Ziektewet
zal alleen worden
uitgekeerd in de gevallen waarin ziekengeld is toegekend. Dit betekent
in beginsel dat de werkgever zijn civielrechtelijke verplichtingen niet meer
zal kunnen verminderen met de
rblz.|70|
Ziektewetoverlijdensuitkering.
De verwijzingen in artikel 35 naar artikel 29 zijn aangepast aan de
gewijzigde redactie van laatstgenoemd artikel.
Artikel 36 ziet op de
situatie dat aan het overlijden geen periode van arbeidsongeschiktheid
voorafging en om die reden geen ziekengeld is toegekend. Met het
voorgestelde artikel 36, eerste lid, wordt bereikt dat ook een
overlijdensuitkering kan worden verstrekt indien bijvoorbeeld een werkloze tijdens de
uitkeringsduur WW overlijdt. Ook nawerkingsgevallen vallen onder deze
regeling.
Onderdelen J en
K
De ziekmelding van de
werknemer aan de bedrijfsvereniging wordt - evenals in de huidige
situatie (twee/zes weken) - in beginsel verzorgd door de werkgever: zowel voor
werknemers die bij ziekte recht hebben op loon (artikel
29, eerste lid)
als voor werknemers die in geval van ziekte aanspraak hebben op
wettelijk ziekengeld (artikel 29, tweede lid).
In het eerste geval
(artikel 38) behoeft de ziekmelding in beginsel echter pas te geschieden nadat
de werknemer dertien weken ongeschikt is geweest tot het
verrichten van zijn arbeid (eerste lid). Dit lijdt slechts uitzondering in geval van
een aangifte tot ongeschiktheid van het verrichten van arbeid uit
hoofde van artikel 29a of 29b
(vijfde lid van artikel 38). In
laatstgenoemde gevallen bestaat namelijk direct aanspraak op wettelijk ziekengeld,
ondanks het feit dat de dienstbetrekking niet is geëindigd. De ziekmelding van degene die werkzaam is op een contract
voor bepaalde tijd vindt
plaats op de laatste werkdag van de dienstbetrekking of na dertien weken van
ongeschiktheid tot werken indien de dienstbetrekking op dat
moment nog niet geëindigd is (artikel 38, tweede lid).
In het
algemeen deel van
deze toelichting is uiteengezet dat het kabinet het van groot belang acht
de meldingsdiscipline te versterken. Indien de werkgever de dertiendeweeksmelding niet of te laat verricht, wordt hij, na
ommekomst van de
wachttijd, verplicht het loon door te betalen over het tijdvak van de vertraging
(artikel 7a:1638c, eerste lid, tweede volzin, BW). Indien de werkgever zijn
verplichting tot tijdige hersteldmelding niet of niet behoorlijk nakomt,
legt de bedrijfsvereniging hem een boete van ƒ1000,- op (artikel
38, vierde lid, Ziektewet). Voor een nadere toelichting op dit lid wordt verwezen
naar de toelichting bij artikel VI, onderdeel E (wijziging
artikel 71a WAO).
In het tweede geval
(artikel 38a) dient de ziekmelding conform de huidige situatie zo spoedig mogelijk plaats te vinden, opdat de bedrijfsvereniging
de wettelijke ziekengeldverzekering kan uitvoeren. In deze situatie is het gebruikelijk dat
de werkgever de ziekmelding verzorgt. Zo meldt het uitzendbureau als
werkgever de werknemer ziek bij de bedrijfsvereniging. De werkgever kan immers
direct alle benodigde informatie aan de bedrijfsvereniging
verschaffen. De melding door de werkgever is tevens een bevestiging voor de
bedrijfsvereniging dat de betreffende werknemer daadwerkelijk in
dienstbetrekking staat tot die werkgever.
Anders ligt dit bij de
hersteldmelding van de werknemer die aanspraak heeft op wettelijk ziekengeld. Veelal zal deze werknemer op dat moment
geen werkgever (meer)
hebben. Deze werknemers dienen - evenals zieke werklozen zelf - hun
herstel bij de bedrijfsvereniging te melden, ongeacht of zij daadwerkelijk het
werk hervatten. Ter uitvoering van de controle op het bestaan van ziekte
zijn door de bedrijfsverenigingen ingevolge artikel
39, tweede lid,
controlevoorschriften vastgesteld. Deze voorschriften bevatten onder meer
aanwijzingen omtrent de hersteldmelding. Indien de werknemer op het moment
van herstel wel een werkgever heeft, rblz.|71|
bijvoorbeeld de
uitzendkracht die na een korte ziekteperiode het werk hervat via zijn
uitzendbureau, is het niet bezwaarlijk dat deze werkgever de hersteldmelding
verzorgt. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de hersteldmelding berust
evenwel bij de werknemer.
Onderdeel L
Artikel
39, eerste lid,
draagt de bedrijfsvereniging op om na de ziekmelding bij de werknemer controle te verrichten op het bestaan van
arbeidsongeschiktheid,
alsmede om te beoordelen of de werkgever zijn taken met betrekking tot
verzuimbegeleiding adequaat uitvoert. Het nieuwe artikel 38 brengt
mee dat de bedrijfsvereniging deze taken jegens werknemers die bij ziekte
recht hebben op loon, eerst na het in dat artikel bedoelde tijdvak van
dertien weken uitoefent. Jegens werknemers die bij ziekte aanspraak maken op
Ziektewetuitkering verricht de bedrijfsvereniging haar controletaak onmiddellijk na de ziekmelding
ex artikel
38a.
Onderdeel M
De begeleiding en
controle van zieke werknemers die recht hebben op loon is in beginsel een
zaak tussen werkgever en werknemer onderling. De werkgever schakelt daartoe een deskundige dienst in. Het vijfde lid van
artikel 1638c BW
bepaalt
dat de werkgever dienaangaande voorschriften kan geven. Na het tijdvak
van dertien weken, bedoeld in artikel 38, eerste lid, zal de
bedrijfsvereniging ook jegens werknemers die in geval van ziekte recht hebben op
loon dezelfde taken en bevoegdheden kunnen uitoefenen als jegens
werknemers die aanspraak maken op wettelijk ziekengeld. De eerste
dertien weken kan de bedrijfsvereniging werknemers die bij ziekte
recht hebben op loon niet verplichten:
- voor de
bedrijfsvereniging te verschijnen en inlichtingen te geven;
- zich te laten
onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, tenzij dit onderzoek ten doel heeft
te achterhalen of betrokkene reeds bij aanvang van de verzekering ongeschikt was;
- zich in te schrijven
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]; en
- de
controlevoorschriften van artikel 39, tweede lid, na te leven.
De wijziging van het
zesde lid betreft een correctie van de huidige, onjuiste verwijzing in dit lid naar het tweede en derde lid van
artikel
39a.
Onderdeel N
Artikel
39b bepaalt thans
dat de bedrijfsvereniging na de twee/zes-wekenperiode ziekengeld kan
verhalen op de werkgever indien deze gedurende dit tijdvak zijn verzuimbegeleidingstaken
inadequaat heeft vervult. Nu de
bedrijfsvereniging in
beginsel geen ziekengeld meer zal uitkeren, kan dit artikel vervallen.
De
artikelen
39c en 39d Ziektewet
regelen de second opinion. Deze regeling is in gewijzigde vorm
overgeheveld naar artikel 56a van de Organisatiewet sociale verzekeringen. De
redenen voor deze overheveling zijn in de toelichting bij artikel
VIII, onderdeel C, nader uiteengezet.
Onderdeel P
Het nieuwe onderdeel
i in
artikel 45 Ziektewet
geeft de bedrijfsvereniging de mogelijkheid om ziekengeld te weigeren bij arbeidsrechtelijke benadeling
van het AWf of het wachtgeldfonds. Van benadeling is sprake indien de zieke werknemer zijn
recht op loondoorbetaling prijs geeft en daardoor de loondoorbetalingslast
wordt afgewenteld op de bedrijfsvereniging. Een voorbeeld is de situatie
waarin de werknemer vrijwillig instemt met de
rblz.|72|
beëindiging van zijn
dienstbetrekking binnen het tijdvak van 52 weken. Er bestaat dan geen recht
meer op loon, zodat in beginsel ziekengeld zou moeten worden uitgekeerd
(artikel 29, tweede lid, onderdeel d). Een ander voorbeeld betreft de situatie waarin de werknemer berust in een tijdens
ziekte gegeven ontslag op
staande voet waarvoor geen dringende reden is. De werknemer dient in
dat geval de nietigheid van het ontslag in te roepen en doorbetaling
van loon te vorderen. Laat hij dit na, dan pleegt hij een
benadelingshandeling.
Een werkgever kan ook
trachten zich aan zijn loondoorbetalingsplicht te onttrekken door de
rechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.
Van een werknemer mag dan
worden verlangd dat hij zich in een ontbindingsprocedure daadwerkelijk verweerd, en niet alleen formeel.
Met de privatisering van
de Ziektewet
is deze wet omgevormd tot vangnetvoorziening. Dit
betekent dat de wettelijke ziekengeldverzekering in beginsel is
teruggetreden, namelijk voor zover de werknemer in dienstbetrekking staat
tot een werkgever die gehouden is het loon door te betalen. Hiermee is
uitdrukkelijk beoogd deze sociale kosten bij de werkgever te leggen. De
zieke werknemer op zijn beurt heeft een sterke arbeidsrechtelijke
positie; tijdens ziekte geldt een wettelijk opzegverbod. Van de werknemer mag dan
ook worden verlangd dat hij niet actief of passief meewerkt aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking. Doet hij
dit wel, dan kan de
bedrijfsvereniging ziekengeld weigeren. De redactie van onderdeel j sluit aan
bij artikel 24, vierde lid, van de WW, zoals dit artikellid
luidt na inwerkingtreding van het voorstel van Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid). In het kader van de WW
zijn de
bedrijfsverenigingen reeds bekend met de wetsuitvoering ter zake van arbeidsrechtelijke benadeling (thans
artikel 25,
onderdeel b, WW).
Onderdeel R (artikel
64,
derde lid)
In het
algemeen deel van
deze toelichting is reeds aangegeven dat de "vrijwillig" vrijwillige verzekering komt te vervallen.
Artikel XXXVI bevat
een nadere bepaling van overgangsrecht.
Onderdeel U. [Zie art.
IV, onderdeel V, Wulbz, red.]
In het
algemeen deel van
deze toelichting is reeds ingegaan op de beweegredenen die kunnen
nopen tot het treffen van een bijzondere voorziening bij algemene
maatregel van bestuur.
Artikel
V.
(Werkloosheidswet)
Onderdeel A
Artikel
31, derde lid,
Werkloosheidswet bepaalt onder meer dat de bedrijfsvereniging gehouden is een voorschot te verstrekken op hetgeen
de werknemer krachtens
een aanspraak naar burgerlijk recht kan toekomen, indien:
"a. onzekerheid bestaat
omtrent het recht op onverminderde doorbetaling van loon ingeval niet vaststaat dat de dienstbetrekking
rechtsgeldig is geëindigd; of
b. het recht, bedoeld in
onderdeel a, vaststaat, doch de werkgever het loon niet voldoet".
Onder de reikwijdte van
dit artikellid vallen mede privaatrechtelijke conflicten inzake de loondoorbetalingsplicht die verband houden met
(betwiste)
arbeidsongeschiktheid van de werknemer. In de algemene toelichting is reeds
aangegeven dat het kabinet, gelet op de strekking van rblz.|73|
dit
wetsvoorstel,
voormelde voorschotverlening ongewenst acht. In verband daarmee is een
nieuw vijfde lid ingevoegd, waarmee wordt bereikt dat in dergelijke
situaties geen voorschot wordt verleend.
Voor een goed begrip zij
vermeld dat het eerste en tweede lid van artikel 31 WW
ongewijzigd
blijven. Deze leden zien op de situaties waarin vaststaat dat betrokkene
werkloos is, maar onzekerheid bestaat over de hoogte van of het recht
op WW-uitkering. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen indien het niet
zeker is of betrokkene aan de zogenaamde wekeneis voldoet.
Vanzelfsprekend is hier in de sfeer van voorschotverlening wel een taak voor de
bedrijfsvereniging. Het betreft immers voorschotten op een
wettelijke (WW-)uitkering.
Onderdeel B
In de
AAW
en de
WAO is
reeds bepaald dat indien een werkgever zijn werknemer die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder deugdelijke grond niet in
de gelegenheid stelt hem passende arbeid te verrichten, deze
werkgever aan de bedrijfsvereniging een bedrag verschuldigd is gelijk
aan het loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij die
arbeid wel had verricht (respectievelijk de artikelen 35 en 46). In
het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet waarom in de Werkloosheidswet een overeenkomstige bepaling
dient te worden
opgenomen. Het voorgestelde artikel 52j
WW ziet derhalve op degenen die
de wachttijd van 52 weken hebben doorlopen en aansluitend minder dan
15% arbeidsongeschikt en volledig werkloos zijn, en waarvoor de werkgever
zonder deugdelijke grond medewerking weigert aan het laten
verrichten van andere, passende arbeid binnen de onderneming. Er is in die
situatie geen goede grond om het bedoelde loon niet op de werkgever
te verhalen. Het verband tussen het niet verrichten van die
passende arbeid en de betaling van werkloosheidsuitkering is immers evident. De
loonvordering is mogelijk zolang het dienstverband voortduurt.
Het tweede lid voorkomt een ongewenste cumulatie van loonvorderingen.
Onderdeel C
Hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet, waarvan artikel 61 deel uitmaakt, regelt de overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende
verplichtingen bij
onmacht van de werkgever om te betalen. Het recht op uitkering
ingevolge dit hoofdstuk omvat kort gezegd (de overname door de
bedrijfsvereniging van) het achterstallig loon over ten hoogste de laatste
dertien weken voorafgaand aan de opzegging van de dienstbetrekking, alsmede
het loon over de opzegtermijn.
Artikel 61, tweede lid,
stelt als voorwaarde voor recht op uitkering over de opzegtermijn dat de
werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Zieke
werknemers zijn in het algemeen niet beschikbaar om arbeid te aanvaarden,
zodat, zonder nadere voorziening, in die situatie geen aanspraak bestaat op
loonovername door de bedrijfsvereniging. Het kabinet is echter van
oordeel dat tussen werknemers die wel en niet ziek zijn geen verschil in
aanspraken uit hoofde van hoofdstuk IV WW dient te bestaan. Om die reden
wordt thans bepaald dat gedurende de opzegtermijn het
beschikbaarheidsvereiste niet wordt gesteld ten aanzien van zieke werknemers.
Voor de
periode waarin aanspraak wordt gemaakt op achterstallig loon
bestond dit vereiste reeds niet.
rblz.|74|
Onderdeel D
Het door de werkgever
verschuldigde bedrag uit hoofde van artikel 35 AAW
en artikel 46 WAO
kwam reeds ten gunste van het wachtgeldfonds. Aan artikel
89, onderdeel d, is toegevoegd het door de werkgever op de voet van het nieuwe
artikel 52j verschuldigde bedrag. De opbrengst van de boeten op grond van
artikel 38 van de Ziektewet
en artikel 71a van de WAO komt eveneens ten
gunste van het wachtgeldfonds (nieuw onderdeel e).
Onderdelen E en F
[zie art. V, onderdeel G,
Wulbz, red.]; artikel IV, onderdeel A,
Q, R,
S en T;
artikel VII, onderdeel D; artikel
VIII, onderdeel A, B,
D, E,
F, G,
H en I;
artikel IX, onderdeel B; artikelen X tot en met
XVIII; artikelen XXII tot en met XXXI
De tot vangnetvoorziening
omgevormde Ziektewet
wordt gefinancierd uit de wachtgeldfondsen
en het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). De desbetreffende bepalingen
in de Werkloosheidswet zijn daartoe aangepast (artikelen 90 en
93 WW).
Ten laste van de
wachtgeldfondsen komen: de zogenaamde rariteiten, nawerkingsgevallen en ziektegevallen van werknemers wier dienstbetrekking
binnen het tijdvak van 52
weken is geëindigd. Ten laste van het AWf komen: de vrijwillige
verzekering, zieke werklozen, alsmede de uitkeringen uit hoofde
van artikel 29a en 29b
[van de Ziektewet, red.].
Faillissementsuitkeringen (dat wil
zeggen de loonovername
door de bedrijfsverenigingen ex hoofdstuk IV WW) komen reeds ten laste
van het AWf.
De afdelingskassen (artikel
43 e.v. Osv) en de ziekengeldkassen (artikel 63
Ziektewet) verdwijnen, evenals het
wettelijk fenomeen eigen risico dragen (artikel 40, eerste lid, onderdeel
d, Osv; het zelf uitvoeren van de Ziektewet). In verband hiermee zijn de artikelen
in de socialeverzekeringswetten en overige wetten die daarnaar
verwijzen, alsmede naar de premieheffing Ziektewet, vervallen of aangepast.
Onderdeel
G. [Zie art.
V, onderdeel
H, Wulbz, red.]
In
artikel 94 wordt
bepaald dat het ziekengeld dat op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
a, b en c,
[van de Ziektewet, red.] wordt uitgekeerd niet meetelt voor de bepaling van het maximum
aan hetgeen in een boekjaar ten laste van een wachtgeldfonds komt.
Artikel
VI. (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)
Onderdeel A
De wijziging van
artikel
18 WAO is een uitvloeisel van het schrappen van de gelijkstelling van
zwangerschap en bevalling met ziekte.
Onderdeel B
Artikel 19
WAO bepaalt
onder meer dat de wachttijd van 52 weken moet zijn doorlopen, voordat
recht op toekenning van WAO-uitkering kan ontstaan. Ingevolge het
vijfde lid worden voor het bepalen van dit tijdvak van 52 weken tijdvakken
waarin aanspraak bestaat op Ziektewetuitkering steeds in aanmerking genomen.
Het zesde lid bepaalt dat, voor de toepassing van het vijfde lid, een
belanghebbende geacht wordt aanspraak te hebben op Ziektewetuitkering indien,
onder meer, in verband met de twee/zes-maatregel geen ziekengeld wordt
uitgekeerd. Het vervallen van laatstgenoemde maatregel brengt mee dat
de verwijzing daarnaar in artikel 19, zesde lid, kan worden geschrapt.
rblz.|75|
Onderdeel C
De wijziging van
artikel 40, eerste lid, betreft een technische aanpassing aan de gewijzigde opzet
van artikel 29 Ziektewet.
Onderdeel D
Ingevolge de tweede
volzin van artikel 7a:1638c, eerste lid, BW
kan op de werkgever de
verplichting rusten het loon langer door te betalen dan over de wachttijd van 52
weken. Dit is het geval indien hij de dertiendeweeksmelding te laat
verricht. Het nieuwe artikel 43a WAO bepaalt in verband hiermee dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende dit verlengde tijdvak van
loondoorbetaling niet wordt uitgekeerd.
Onderdeel E
Artikel
71a, eerste lid,
WAO bepaalt dat de werkgever, gelijktijdig met de
dertiendeweeksmelding, een
adequaat reïntegratieplan aan de bedrijfsvereniging overlegt.
Ingevolge het tweede lid
legt de bedrijfsvereniging de werkgever een boete van ƒ1000,- op
indien hij deze verplichting zonder deugdelijke grond niet of niet
behoorlijk nakomt. De verplichting in het eerste lid omvat derhalve twee
aspecten: het tijdig overleggen van een adequaat plan. Deze verplichting
is derhalve niet of niet behoorlijk nagekomen indien het plan niet of
niet tijdig wordt overlegd, dan wel indien tijdig een inadequaat plan wordt
overlegd. Van een deugdelijke grond voor de werkgever kan
bijvoorbeeld sprake zijn indien geen overleg met de werknemer mogelijk is
geweest.
Thans is de
bedrijfsvereniging bevoegd de ziekengelduitkering te verhalen op de werkgever
die zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan het opstellen
of uitvoeren van het reïntegratieplan. Aangezien de bedrijfsvereniging in
principe geen ziekengeld meer uitkeert, is deze verhaalsbevoegdheid
vervangen door een bestuurlijke boete van ƒ10 000,- (derde lid).
Van het opleggen van deze boete kan eerst sprake zijn indien de werkgever
na een gericht verzoek van de bedrijfsvereniging weigert mee te werken aan
het opstellen of uitvoeren van het reïntegratieplan.
De boeten, bedoeld in het
tweede en derde lid, kunnen derhalve volgtijdelijk worden opgelegd: het gaat om afzonderlijke overtredingen.
Indien de werkgever
(tijdig) een inadequaat plan heeft overlegd en nadien een verzoek van de
bedrijfsvereniging om alsnog een deugdelijk plan op te stellen negeert, is
hij een boete verschuldigd van ƒ1000,- en van ƒ10 000,-. Een
adequate handhaving van deze werkgeversverplichtingen brengt mee dat er voor de
bedrijfsvereniging geen beleidsvrijheid dient te zijn bij het al dan niet
opleggen van de boete. Aan het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan
de reïntegratie van de werknemer dient naar het oordeel van het
kabinet altijd een sanctie voor de werkgever verbonden te zijn.
In het vierde lid wordt
de bedrijfsvereniging de bevoegdheid gegeven zo nodig zelf een reïntegratieplan op te stellen en daarvoor kosten in
rekening te brengen bij
de werkgever. Van deze bevoegdheid kan de bedrijfsvereniging
bijvoorbeeld gebruik maken indien de werkgever geen reïntegratieplan
overlegt en een daartoe strekkend verzoek van de bedrijfsvereniging naast
zich neerlegt.
Er is discussie mogelijk
over de vraag of voornoemde administratieve boeten, alsmede de boete
op grond van artikel 38, vierde lid, van de Ziektewet, moeten worden aangemerkt als een
"criminal charge"
(strafvervolging) in de
zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR [Internationaal verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, red.]. Het kabinet acht het echter
wenselijk de waarborgen die uit deze verdragen rblz.|76|
voortvloeien op te nemen
in de voorgestelde regeling van artikel 38, vierde lid,
Ziektewet
en
artikel 71a WAO. Deze verdragseisen zijn in het
voorstel van Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Kamerstukken
II 1994-1995, 23 909), waar het werknemers betreft, neergelegd in de
voorgestelde artikelen 45a tot en met 45g
van de Ziektewet
en 29a tot en
met 29g van de WAO. In paragraaf 7.2
[hoofdstuk 11, red.] van de algemene toelichting bij
dit wetsvoorstel is uitgebreid ingegaan op deze verdragseisen. Het streven is erop
gericht laatstgenoemd wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Naar verwachting zal de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel op
een later tijdstip zijn gelegen. De genoemde bepalingen uit
het voorstel van Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
zijn daarom, voor zover relevant voor de werkgever, van
overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 38
Ziektewet
(vierde lid,
tweede volzin) en artikel 71a, vijfde lid, WAO.
Artikel
VII. (Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet)
Onderdeel A
De wijziging van artikel
5 AAW
vloeit eveneens voort uit het vervallen van de gelijkstelling van
zwangerschap en bevalling met ziekte.
Zie de
toelichting bij
artikel VI, onderdeel B (wijziging artikel 19 WAO).
Onderdeel C
Zie hiervoor de
toelichting bij artikel VI, onderdeel D (artikel 43a
WAO).
Artikel
VIII.
(Organisatiewet sociale verzekeringen)
Onderdeel C
Het nieuwe artikel
56a
Osv betreft de second opinion. De second-opinionregeling is thans
opgenomen in de artikelen 39c en 39d
Ziektewet. Het geven van een second
opinion maakt door de privatisering van de Ziektewet
echter geen
onderdeel meer uit van de uitvoering van de wettelijke, tot
vangnetvoorziening omgevormde, ziekengeldverzekering. Daarnaast heeft de
bedrijfsvereniging, zoals in het algemeen deel van deze memorie is
uiteengezet, geen financiële rol meer bij de uitvoering van de second
opinion.
Daarom is de uitvoering van de second opinion opgenomen in hoofdstuk V,
paragraaf 3, van de Organisatiewet sociale verzekeringen, betreffende de taken en
bevoegdheden van de bedrijfsverenigingen. Het huidige stelsel van
kostentoedeling aan degene die om de second opinion heeft
verzocht, blijft gehandhaafd.
Artikel
IX. (Toeslagenwet)
Onderdeel A
Artikel 4 van de
Toeslagenwet beoogt te voorkomen dat tijdens de eerste zes weken van ziekteverzuim recht op een toeslag kan bestaan. Die
situatie zou, zonder
artikel 4, zich thans nog kunnen voordoen indien ingevolge het huidige
vijfde lid van artikel 29 [van de Ziektewet,
red.] na twee weken ziekengeld wordt uitgekeerd. Artikel
4 Toeslagenwet bepaalt dat ook in dat geval eerst na zes weken recht op toeslag
ontstaat, omdat de werknemer gedurende dat tijdvak reeds de
minimumbescherming geniet uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst. Door
de invoering van een loondoorbetalingsplicht bij ziekte van 52 weken
en het vervallen van de regeling voor de zogenaamde "kleine
werkgevers" kan artikel 4 van de Toeslagenwet eveneens komen te
vervallen.
rblz.|77|
Artikel
XIX. (Wet
terugdringing ziekteverzuim)
Onlangs heeft het kabinet
beslist dat het overheidspersoneel met ingang van 1 januari 1998 onder
de werknemersverzekeringen, waaronder de Ziektewet, zal worden
gebracht. Met ingang van dat moment zal dus ook de vangnetvoorziening
welke in dit
voorstel is opgenomen op het overheidspersoneel van
toepassing zijn. De overheidswerkgevers dragen momenteel ook voor de
bedoelde groepen zelf het risico van ziekte. Het onder de
vangnetvoorziening brengen van het overheidspersoneel leidt ertoe dat het niet
meer
mogelijk zal zijn voor overheidswerkgevers om zelf de lasten te dragen voor
ziekte voor zover het de groepen betreft die onder die
vangnetvoorziening vallen.
Financiering van de
vangnetvoorziening zal plaatsvinden via de premies voor de wachtgeldfondsen
en het Algemeen Werkloosheidsfonds. Voor de overheid biedt deze wijze
van financiering geen soelaas, omdat vooralsnog een afwijkende
financiering van het werkloosheidsrisico blijft gelden. Voor de overheid
zal dan ook een aparte voorziening moeten worden getroffen voor de
financiering van de vangnetvoorziening, met ingang van het moment
waarop het overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
wordt gebracht.
De
loondoorbetalingsverplichting kan wel gelijktijdig met de marktsector worden
ingevoerd, omdat
deze op basis van de verschillende rechtspositiereglementen
al geldt. Hiertoe wordt in het voorstel de
Wet terugdringing ziekteverzuim aangepast overeenkomstig de voorgestelde regeling voor het
Burgerlijk
Wetboek. In het tweede lid zal worden opgenomen dat de
ambtenaar bij ziekte gedurende 52 weken (minimaal) aanspraak heeft op 70%
van zijn bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag echter niet lager
kan zijn dan het minimumloon dat op hem van toepassing zou
zijn en
niet hoger dan hetgeen overeenkomt met 70% van het maximumdagloon op
grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Afwijking van deze
bepaling ten nadele van de ambtenaar kan slechts in zoverre
plaatsvinden dat, op grond van het vierde lid, maximaal twee wachtdagen kunnen
worden afgesproken. Voorts zal in het voorgestelde nieuwe derde lid een
bepaling worden opgenomen over de wijze waarop de bezoldiging moet worden bepaald indien deze niet naar
tijdsruimte is
vastgesteld.
Op grond van het
voorgestelde nieuwe onderdeel g van het negende lid (nieuw) kan bij algemeen
verbindend voorschrift worden bepaald dat het bevoegd gezag
doorbetaling van bezoldiging kan weigeren indien de zieke ambtenaar weigert
passende arbeid te verrichten die hem door het bevoegd gezag is
opgedragen en waartoe hij door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te
stellen geneeskundige in staat wordt geacht.
Het voorgestelde nieuwe
elfde lid breidt de anticumulatiebepaling uit met de inkomsten die de
ambtenaar "wegens" zijn ziekte elders heeft kunnen verdienen. Voor de
goede orde zij vermeld dat de bestaande algemeen verbindende
voorschriften waarin reeds afwijkende bepalingen zijn opgenomen die binnen
de grenzen blijven welke door dit artikel worden aangegeven, door dit
wetsvoorstel niet worden aangetast. De huidige
materiële
rechten en verplichtingen blijven derhalve in stand.
De rechtsbescherming van
het overheidspersoneel wordt beheerst door de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Op grond van deze wet worden geschillen tussen het bevoegd gezag en de ambtenaar over doorbetaling
van bezoldiging tijdens
ziekte behandeld door de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank. Tevens geldt voor dit soort zaken een
rblz.|78|
verlaagd griffierecht van
ƒ50,-. Anders dan voor werknemers in de particuliere sector,
zullen ten aanzien van ambtenaren dus zowel de geschillen over
doorbetaling tijdens ziekte als die met betrekking tot de vangnetvoorziening door
de sector bestuursrecht van de rechtbanken worden behandeld. Op
grond van de Awb geldt voorts een verplichte bezwaarprocedure, alvorens toegang tot de rechter kan worden
verkregen. Deze
procedure, tezamen met de in de diverse rechtspositionele regelingen opgenomen
herkeuringsmogelijkheden, waarborgen dat een (tweede) medisch
oordeel heeft plaatsgevonden voordat het geschil bij de rechter
aanhangig wordt gemaakt.
Artikel
XX.
(Jeugdwerkgarantiewet)
De Jeugdwerkgarantiewet
bepaalt dat een jongere die in dienst is van een jeugdwerkgarantieorganisatie bij ziekte zijn volledige loon krijgt
doorbetaald. De regels die artikel 1638c BW
voor loondoorbetaling bij ziekte
stelt, zijn van
overeenkomstige toepassing. In artikel XX wordt de verwijzing naar artikel
1638c BW
in de artikelen 14, eerste lid, en 16d, eerste lid, Jeugdwerkgarantiewet
aan de gewijzigde BW-regeling aangepast, zowel voor de situatie
tot als voor die na invoering van de nieuwe arbeidsrechttitel 7.10 BW.
Artikel
XXI. (Wet arbeid
mijnbouw Noordzee)
Artikel 3 Wet
arbeid mijnbouw Noordzee regelt dat een werknemer waarop de wet van toepassing is en die bij ziekte geen aanspraak heeft op
een Ziektewetuitkering of
een vergelijkbare buitenlandse uitkering, gedurende één jaar recht
heeft op doorbetaling van 70% van zijn loon. De regeling stemt overeen
met de loondoorbetalingsregeling zoals die bij de onderhavige wet in het
BW wordt neergelegd. Er is één uitzondering: de loondoorbetalingsverplichting
loopt gedurende het hele eerste ziektejaar door, ook als tijdens dat
jaar de arbeidsovereenkomst eindigt.
Artikel XXI wijzigt
artikel 3 zodanig dat de afzonderlijke regeling komt te vervallen - in
haar
plaats geldt het BW - maar dat de uitzondering behouden blijft. De
verwijzing naar artikel 3 in artikel 5 Wet
arbeid mijnbouw Noordzee kan komen te vervallen.
Artikel
XXX. (Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP)
Artikel 32 van de
Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP regelt de inhouding inzake
ziekte op het loon van de overheidswerknemer. Deze bepaling is opgenomen
vanuit het streven naar het gelijkmaken van het bruto-nettotraject van
de overheidswerknemer met dat van de particuliere werknemer die niet
verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet. Voor de overwegingen ter
zake verwijs ik naar de parlementaire behandeling van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP.
Nu de werknemerspremie Ziektewet
ingevolge dit
wetsvoorstel komt te vervallen, dient ook de
inhouding inzake ziekte op het loon van de overheidswerknemer
ingevolge deze bepaling te vervallen. Dit wederom vanuit het oogpunt van de
normalisering van het bruto-nettotraject van de overheidswerknemer. De
onderhavige wet strekt daartoe.
De maatregel heeft een loonkostenneutraal karakter, aangezien het wegvallen van de
pseudo-premie
Ziektewet wordt gecompenseerd door een
correctie van de overhevelingstoeslag. De maatregel geniet de instemming van de
Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken.
Artikel
XXXII
Artikel XXXII bepaalt dat
de in de afdelings- en ziekengeldkassen aanwezige middelen en reserves ten gunste komen van de wachtgeldfondsen.
Dit betreft de zogenaamde normreserves welke op grond van de wet ten minste dienen te
worden aangehouden.
rblz.|79|
Artikelen XXXIII en XXXIV
Deze wet wijzigt de
aanspraken op loonbetaling respectievelijk ziekengeld van werknemers die wegens
ziekte ongeschikt zijn tot het verrichten van hun arbeid. Het treffen van
nader overgangsrecht is geboden, teneinde te voorkomen dat de
gewijzigde werkgeversverplichting op het moment van inwerkingtreding van deze
wet onmiddellijk van toepassing wordt op reeds lopende
ziektegevallen. Onmiddellijke werking van deze wet zou in een aantal gevallen
leiden tot uitvoeringstechnische complicaties. Zo zou de reguliere werknemer
die op het moment van inwerkingtreding van deze wet reeds vijf maanden ziek is, op dat moment geen aanspraak meer
hebben op ziekengeld,
maar op doorbetaling van loon zolang die dienstbetrekking niet is geëindigd. Indien het in dit voorbeeld een arbeidsovereenkomst voor
de duur van zes maanden betreft, zou bovendien één maand later
weer recht op ziekengeld ontstaan. Dit wordt ook wel het duiventileffect genoemd. Daarnaast brengt het
rechtszekerheidsbeginsel
mee dat de werkgever bij lopende ziektegevallen niet plotseling met
gewijzigde en aangescherpte verplichtingen wordt geconfronteerd. Voor
lopende gevallen wordt daarom de zogenaamde uitgestelde werking
voorgesteld. De kernwijziging van deze wet, te weten de uitbreiding van de
loondoorbetalingsplicht bij ziekte, vertoont technisch gesproken een
grote gelijkenis met de invoering van de twee/zes-wekenmaatregel bij de
Wet terugdringing ziekteverzuim per 1 januari 1994. Bij het ontwerpen
van het overgangsrecht is daarom aansluiting gezocht bij de
overgangsbepalingen van laatstgenoemde wet. Hierdoor kunnen werkgevers en
uitvoeringsorganen gebruik maken van de destijds opgedane ervaring.
In overgangssituaties bij
inwerkingtreding van deze wet is op de volgende wijze voorzien.
Op ziekteperioden die zijn aangevangen vóór inwerkingtreding van deze
wet en voortduren na inwerkingtreding van deze wet blijft,
ingevolge het eerste lid, onderdeel a, van de artikelen XXXIII en
XXXIV het oude
wettelijke regime van toepassing. Dit betekent dat de werkgever
gedurende de twee/zes-wekentermijn het loon doorbetaalt en dat aansluitend
ziekengeld door de bedrijfsvereniging wordt uitgekeerd. Is de twee/zes-wekentermijn
van zo’n lopend ziektegeval reeds verstreken, dan wordt de
uitbetaling van ziekengeld gecontinueerd. Het ziekengeld wordt
uitgekeerd zolang die ongeschiktheid duurt. Het oude regime blijft eveneens
van toepassing op ziekteperioden die zijn aangevangen na inwerkingtreding van
deze wet, en tevens binnen vier weken na een vóór de
inwerkingtreding van deze wet gelegen ziekteperiode (onderdeel b van het
eerste lid van de artikelen XXXIII en XXXIV). Voor het bepalen van de
twee/zes-wekentermijn, alsmede de periode van 52 weken waarna geen ziekengeld
meer wordt uitgekeerd, worden ziekteperioden die elkaar binnen vier
weken opvolgen, samengeteld. Ingevolge de voorgestelde
overgangsbepalingen wordt deze hernieuwde arbeidsongeschiktheid dan ook als een
voortzetting van het eerdere ziektegeval beschouwd. Het ziekengeld wordt ook in dat geval uitgekeerd zolang die
ongeschiktheid duurt. De
toevoeging "zolang die ongeschiktheid duurt" brengt mee dat nadien
opgekomen arbeidsongeschiktheid beheerst wordt door het nieuwe recht,
ook indien deze ongeschiktheid aanvangt binnen vier weken na eindiging
door herstel van een vorige ziekteperiode. Teneinde dit, om
bovenvermelde redenen ongewenste gevolg te rblz.|80|
voorkomen, bepaalt het
tweede lid van de artikelen XXXIII en XXXIV dat voor de toepassing van
het eerste lid een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
geacht wordt niet onderbroken te zijn indien perioden van
ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel
XXXV
De uitkeringen op grond
van de vangnetvoorziening komen ten laste van de wachtgeldfondsen
en het Algemeen Werkloosheidsfonds. Deze toedeling aan de fondsen
is nader toegelicht onder artikel V, onderdeel E en
F. Artikel XXXV,
eerste lid, bepaalt dat de op het moment van inwerkingtreding van deze wet lopende
Ziektewetuitkeringen alle ten laste van het wachtgeldfonds van de
bedrijfsvereniging komen. Hiermee wordt bereikt dat de
bedrijfsverenigingen de lopende gevallen niet met onmiddellijke ingang behoeven te
selecteren op fondsbelasting.
Voor wat betreft de eigenrisicodragers is evenwel bepaald dat zij de lopende gevallen ook na
de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel zelf moeten blijven uitvoeren
(artikel XXXV, tweede lid).
Artikel
XXXVI
In het
algemeen deel van
de toelichting is aangegeven dat de zogenaamde "vrijwillig"
vrijwillige verzekering (artikel 64, derde lid,
Ziektewet) komt te vervallen.
Artikel XVII
bepaalt dat degenen die thans op basis van deze bepaling vrijwillig
verzekerd zijn, dat blijven overeenkomstig het thans geldende regime.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
|