|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten (vervallen)
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw
en Ioaz
- Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen
(vervallen)
- Protocol Wvg (vervallen)
- Regeling
bijdrage AWBZ-gemeenten 2002 en 2003
(vervallen)
- Regeling bijdrage
AWBZ-gemeenten 2004 (vervallen)
- Regeling
bijdrage AWBZ-gemeenten 2005 (vervallen)
- Regeling
bijdrage AWBZ-gemeenten 2006 (vervallen)
- Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en
eigen bijdragen Wvg
(vervallen)
- Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen
(vervallen)
- SZW-intrekkingsregeling
2004
Relevante
overige regelgeving:
- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
- Besluit regeling vergoeding Bijzondere
Ziektekostenverzekering (vervallen)
- Besluit
zorgaanspraken AWBZ
- Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering (vervallen)
- Regeling
hulpmiddelen 1996 (vervallen)
- Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000
- Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
(vervallen)
- Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
- Wet
maatschappelijke ondersteuning
- Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (vervallen)
- Wet
sociale werkvoorziening
- Ziekenfondswet (vervallen)
- Zorgindicatiebesluit
- Zorgverzekeringswet
Inhoudsopgave
Wvg
| xx§
1x |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 1a |
| xx§
2x |
De
voorzieningen |
artt.
2 - 11 |
| xx§
3x |
Wijzigingen
in andere wetten en regelingen |
artt.
12 - 21 |
| xx§
4x |
Evaluatie |
art.
22 |
| xx§
5x |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
23 - 30 |
| xxxxxxx |
|
xxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1992-1993, 22 815.
Handelingen II 1992-1993, blz. 4786-4831, 4847-4872, 4897-4937,
4944-4946.
Kamerstukken I 1992-1993, 22 815 (274, 274a, 274b, 274c, 274d, 274e,
274f, 274g); 1993-1994, 22 815 (1, 1a, 1b, 1c, 1d, 1e).
Handelingen I 1993-1994, zie vergaderingen d.d. 28 september 1993 en 5
oktober 1993.
Geschiedenis:
Staatsblad
1995, 691; Staatsblad 1997, 162;
Staatsblad 1997, 510; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 768;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1998,
459; Staatsblad 1998, 742;
Staatsblad 1999, 30; Staatsblad 1999,
598; Staatsblad 2000, 238;
Staatsblad 2000, 496; Staatsblad 2001,
481; Staatsblad 2005, 530;
Staatsblad
2006, 351; Staatsblad 2006, 644.
WET van 7 oktober 1993, Stb.
1993, 545, houdende regels met betrekking tot de verlening van
voorzieningen aan gehandicapten (Wet voorzieningen gehandicapten).
Inwerkingtreding: 1 april 1994 (Stb. 1993, 657).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het vanuit een oogmerk van doelmatigheid wenselijk is de
verstrekking van woonvoorzieningen op grond van de Regeling geldelijke
steun huisvesting gehandicapten en leefvoorzieningen alsmede genees- en
heelkundige voorzieningen op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet te beëindigen en de gemeenten
te belasten met
de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen
en aldus mede te bevorderen dat personen van 65 jaar of ouder
geleidelijk en op passende wijze in aanmerking kunnen worden gebracht
voor voorzieningen die thans krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet in beginsel uitsluitend worden verstrekt aan
personen onder de 65 jaar;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
§
1.
Algemene bepalingen
Art. 1. [Begripsbepalingen]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 660; Stb.
1997, 789 + bis; Stb.
1998, 459; Stb. 1999, 598;
Stb. 2000, 238; Stb.
2006, 351]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. een gehandicapte: een persoon die
tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen
ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten
de woning verplaatsen;
b. woonruimte:
1. een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd
worden;
2. een woonwagen als bedoeld in de Woningwet;
3. een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats
als bedoeld in de Huisvestingswet;
4. een verblijf van een binnenschip;
c. woonvoorziening: elke voorziening
die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of
verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het
normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat
bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de
woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt
aangemerkt, indien de voorziening:
1. gericht is op het opheffen of
verminderen van ergonomische beperkingen; of
2. een uitraasruimte betreft;
d. vervoersvoorziening: een voorziening die
gericht is op het opheffen of verminderen van
beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt;
e. uitraasruimte: een
verblijfsruimte waarin een gehandicapte die vanwege een gedragsstoornis
ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan
komen.
-2. Voor de toepassing van deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
-5.
Een gezamenlijke huishouding
wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en
strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het
vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid,
onderdeel d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in
het vierde lid.
Art.
1a.
[Verordening cliëntenparticipatie]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 598; Stb.
2005, 530; Stb. 2006, 351]
-1. De gemeenteraad stelt bij
verordening regels vast die zijn gericht op de realisatie en de
vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet met
inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
-2. In deze verordening worden ten minste
geregeld:
a. dat de reikwijdte van de
cliëntenparticipatie betrekking heeft op het integrale gemeentelijke
gehandicaptenbeleid;
b. dat het college van burgemeester
en wethouders tijdig advies vraagt aan de lokale platforms over
wijziging in de verordening en uitvoeringsregelingen;
c. welke faciliteiten het college
van burgemeester en wethouders beschikbaar stelt aan de lokale platforms.
§
2. De voorzieningen
Art.
2.
[Gemeentelijke zorgplicht verlening woon- en
vervoersvoorzieningen en rolstoelen; Wvg-verordening]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1999, 30; Stb.
2005, 530; Stb. 2006, 351;
Stb. 2006, 644]
-1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de verlening
van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve
van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente
woonachtige gehandicapten. De gemeenteraad stelt met inachtneming van
het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij
verordening.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven
in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1992, 392) is toegelaten.
-3.
Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot het tweede lid afwijkende
regels stellen. [RsvA]
Art.
3. [Aanbod verantwoorde voorzieningen]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 530; Stb.
2006, 351]
Het college van burgemeester
en wethouders biedt verantwoorde
voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de
voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden
verleend. [PW]
Art.
4. [Vreemdelingen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 496 + bis; Stb.
2006, 351]
-1. Een vreemdeling kan voor de in artikel
2, eerste lid, bedoelde voorzieningen slechts in aanmerking komen indien
hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan
die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l,
van de Vreemdelingenwet
2000, in aanmerking kunnen komen voor voorzieningen als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onverminderd de overige vereisten voor
de toekenning van een voorziening: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag
dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000,
rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8,
onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
5.
[Vereisten Wvg-verordening]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 510; Stb.
1999, 598; Stb. 2001, 481;
Stb. 2006, 351]
-1. De verordening, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, bevat in ieder geval regels met betrekking tot:
a. de gevallen en de vorm waarin
voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat
woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|45
378,00 niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening
gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zou leiden
tot onbillijkheden van overwegende aard;
b. de hoogte van de financiële
tegemoetkomingen;
c. de procedure met betrekking tot de
toekenning, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van
voorzieningen, daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies;
d. de gronden waarop voorzieningen
kunnen worden beëindigd dan wel teruggevorderd.
-2. De hoogte van de financiële
tegemoetkomingen kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte
en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van
de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan
in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van
de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het
gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het
pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.
-3. Een financiële tegemoetkoming voor
een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt
verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
-4.
Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot
de financiële tegemoetkomingen. [RftebW]
-5. Op de financiële tegemoetkomingen
is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
-6.
Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met
ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd indien daartoe aanleiding
bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of
woontechnische ingrepen in of aan de woning.
Art.
6.
[Eigen bijdrage]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2005, 530; Stb.
2006, 351]
-1. De gemeenteraad kan bij
verordening bepalen dat de gehandicapte, voor zover de voorziening niet
bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen
bijdrage is verschuldigd.
-2. De hoogte van de eigen bijdrage kan
worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot.
Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die
de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden
genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan
wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van
de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind
opvoeden en onderhouden.
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot
de eigen bijdragen. [RftebW]
Art.
7. [Oproeping voor onderzoek] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2005, 530; Stb.
2006, 351]
Het college van burgemeester
en wethouders kan de
gehandicapte, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van
de aanspraak op een voorziening, oproepen in persoon te verschijnen en
zich door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
onderzoeken.
Art.
8. [Advisering] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 598; Stb.
2001, 481; Stb. 2005, 530;
Stb. 2006, 351]
-1. Alvorens op een aanvraag van een
woonvoorziening waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|20
420,00 te besluiten, wint het
college van burgemeester en wethouders omtrent de noodzaak van
deze voorziening advies in van het orgaan, bedoeld in artikel 9a
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op
in die maatregel aan te wijzen voorzieningen.
-3. Een krachtens het tweede lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
9. [Onvervreemdbaarheid roerende zaken]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Roerende zaken voor de aanschaf
waarvan krachtens deze wet een financiële vergoeding is verleend, dan
wel die krachtens deze wet in eigendom of bruikleen zijn verleend, zijn
niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang
die roerende zaken geschikt zijn om de beperkingen van de gehandicapte
op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning
verplaatsen op te heffen of te verminderen. Elk beding strijdig met dit
artikel is nietig.
Art.
10. [Gegevensverstrekking door Minister van
Justitie] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 162; Stb. 1997, 768;
Stb. 2005, 530; Stb.
2005, 530; Stb. 2006, 351]
Onze Minister van Defensie is bevoegd
uit eigen beweging en desgevraagd verplicht, kosteloos, uit de door of
namens hem gevoerde administratie aan de colleges van burgemeesters en
wethouders die gegevens
te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
Art.
10a. [Rijksbijdrage]
[BbA] [RbA0203]
[RbA04] [RbA05]
[RbA06] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 598; Stb.
2001, 481; Stb. 2006, 351;
Stb. 2006, 644]
-1. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten laste van 's Rijks kas aan
de gemeente een uitkering verstrekken in de kosten van:
a. voorzieningen aan gehandicapten
die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten is toegelaten;
b. woonvoorzieningen waarvan de
kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|20
420,00.
-2. Met betrekking tot het eerste lid
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieën gemeenten.
[BrW]
Art.
10b.
[Gegevensverstrekking aan minister]
[Geschiedenis;
Stb. 1999, 598; Stb.
2005, 530; Stb. 2006, 351]
-1. Het college van burgemeester en
wethouders verstrekt
desgevraagd kosteloos aan Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid de gegevens die hij met betrekking tot deze
wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het
verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Art.
11.
[Beroep in cassatie]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 789; Stb.
2006, 351]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 1, derde tot en
met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de
gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van
een gerechtshof.
§ 3.
Wijzigingen in andere wetten en regelingen
Art. 12.
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 127) wordt als volgt
gewijzigd:
A.
De aanhef van artikel 4, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die de
leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, indien hij:
B. [MvT]
Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede
"en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. De bedrijfsvereniging kan een persoon als bedoeld in het eerste lid,
al dan niet op diens verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen
welke strekken tot verbetering van zijn levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel
uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen
waarvoor hij op grond van het eerste lid in aanmerking is of wordt
gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar
stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken persoon zich buiten het Rijk bevindt.
3. In het derde lid worden de woorden
"ter beperking van het bepaalde in" vervangen door: met
betrekking tot.
Art.
13. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986,
540) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede
"en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede tot en met vierde lid worden
vervangen door:
-2. Het bestuur van het fonds kan de in het eerste lid bedoelde
personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor
voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun
levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel
uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid waarvoor
zij op grond van het eerste lid, al dan niet op hun verzoek, in
aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar
stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
-3. In aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen
gehandicapten of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten gestelde regels kan Onze
Minister
regels stellen op grond waarvan het
bestuur van het fonds de ambtenaar of gewezen ambtenaar,
onderscheidenlijk gepensioneerde ambtenaar, die uitzicht
onderscheidenlijk recht heeft op invaliditeitspensioen in aanmerking kan
brengen voor genees- en heelkundige voorzieningen, alsmede voor
voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden. Het bestuur
van het fonds voert de door Onze Minister krachtens dit lid gestelde
regels uit. De door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels
mogen niet afwijken ten nadele van belanghebbenden.
-4. Met betrekking tot het eerste en tweede lid kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
-5. Voorzieningen op grond van dit artikel zijn niet vatbaar voor
beslag.
-6. Het fonds is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister,
werkzaamheden overeenkomende met de in artikel 22a, eerste lid,
van de Organisatiewet Sociale Verzekering genoemde welke voortvloeien
uit de advisering aan gemeenten in verband met artikel
5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet voorzieningen
gehandicapten, te verrichten op verzoek van een gemeentebestuur. Het
fonds brengt de kosten voor deze werkzaamheden volledig in rekening bij
het gemeentebestuur op wiens verzoek deze werkzaamheden worden verricht.
Art.
14. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Artikel P 8 van de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1986, 541) wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede
"en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede tot en met vierde lid worden
vervangen door:
-2. De directie van het fonds kan de in het eerste lid bedoelde
personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor
voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun
levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel
uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid waarvoor
zij op grond van het eerste lid, al dan niet op hun verzoek, in
aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar
stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
-3. In aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen
gehandicapten of de
Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten gestelde regels kan Onze
Minister
regels stellen op grond waarvan de
directie van het fonds de deelgenoot of gewezen deelgenoot,
onderscheidenlijk gepensioneerde deelgenoot, die uitzicht
onderscheidenlijk recht heeft op invaliditeitspensioen in aanmerking kan
brengen voor genees- en heelkundige voorzieningen, alsmede voor
voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden. De directie
van het fonds voert de door Onze Minister krachtens dit lid gestelde
regels uit. De door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels
mogen niet afwijken ten nadele van belanghebbenden.
-4. Met betrekking tot het eerste en tweede lid kunnen bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
-5. Voorzieningen op grond van dit artikel zijn niet vatbaar voor
beslag.
-6. Het fonds is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister,
werkzaamheden overeenkomende met de in artikel 22a, eerste lid,
van de Organisatiewet Sociale Verzekering genoemde welke voortvloeien
uit de advisering aan gemeenten in verband met artikel
5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet voorzieningen
gehandicapten, te verrichten op verzoek van een gemeentebestuur. Het
fonds brengt de kosten voor deze werkzaamheden volledig in rekening bij
het gemeentebestuur op wiens verzoek deze werkzaamheden worden verricht.
Art.
15. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Artikel X 5 van de Algemene militaire pensioenwet (Stb.
1988, 284) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid vervallen de onderdelen b en c en wordt
de letteraanduiding van onderdeel d vervangen door: b.¹
2. Het derde lid wordt komt te luiden:
-3. Onze
Minister kan de in het eerste en tweede lid bedoelde personen, al
dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke
strekken tot verbetering van hun levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel
uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen
waarvoor zij op grond van het eerste of tweede lid, al dan niet op hun
verzoek, in aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar
stellen van een doventolk of blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
3. Onder vernummering van het vierde lid
tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. In aanvulling op de bij of krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet voorzieningen gehandicapten of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten gestelde regels kan Onze Minister ten behoeve van een
beroepsmilitair, gewezen beroepsmilitair, dienstplichtig militair,
alsmede gewezen dienstplichtig militair, die lijdt aan een ziekte of
gebrek verband houdende met de uitoefening van de dienst, nadere en zo
nodig afwijkende regels stellen op grond waarvan die militair of die
gewezen militair in aanmerking kan worden gebracht voor, naar het
oordeel van Onze Minister, noodzakelijke geneeskundige behandeling en
verzorging, met inbegrip van genees- en heelkundige voorzieningen,
zomede voor de tegemoetkoming in de kosten daarvan en voor voorzieningen
ter verbetering van levensomstandigheden. De door Onze Minister
krachtens dit lid gestelde regels mogen niet afwijken ten nadele van
belanghebbenden.
4. In het nieuwe vijfde lid wordt de
zinsnede "De in het eerste, tweede en derde lid genoemde
voorzieningen" vervangen door: De in de vorige leden genoemde
voorzieningen.
5. Toegevoegd wordt een zesde lid,
luidende:
-6. Onze Minister is bevoegd werkzaamheden overeenkomende met de in
artikel 22a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering genoemde welke voortvloeien uit de advisering aan gemeenten
in verband met artikel 5, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet voorzieningen gehandicapten, te verrichten op verzoek van een
gemeentebestuur. Onze Minister brengt de kosten voor deze werkzaamheden
volledig in rekening bij het gemeentebestuur op wiens verzoek deze
werkzaamheden worden verricht.
1. Volgens de redactie
dient "en wordt de letteraanduiding van onderdeel d
vervangen door: b"
te worden vervangen door: , onder verlettering van onderdeel d
tot onderdeel b.
Art.
16. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1989, 119) wordt als
volgt gewijzigd:
1. In artikel 22a, eerste lid,
onderdeel a en b, vervalt de zinsnede "een genees- of
heelkundige voorziening".
2. In artikel 50j, tweede lid, wordt
na "Rijksgroepsregelingen" toegevoegd: , alsmede de Wet
voorzieningen gehandicapten.
Art.
17. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De Huurprijzenwet woonruimte (Stb. 1986, 331) wordt als volgt
gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 10, eerste lid, komt als volgt te luiden:
-1. De huurprijs van woonruimte waarin of waaraan gedurende de huurtijd
door of vanwege de verhuurder:
a. ingrepen als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten
zijn verricht, in de kosten waarvan door de gemeente
een financiële tegemoetkoming is verleend; of
b. voorzieningen zijn aangebracht waardoor het woongerief geacht
kan worden te zijn gestegen, die niet zijn ingrepen als bedoeld onder a
en waarop voorts artikel 9 niet van toepassing is;
is de huurprijs, vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder,
voordat de ingrepen of de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen
te komen bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de door de
verhuurder bestede kosten van de ingrepen onderscheidenlijk de
voorzieningen, met dien verstande dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag
zijn dan die welke bij toepassing van de regelen, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, als redelijk is aan te merken.
B.
[MvT]
Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. In afwijking van artikel 10, eerste lid, kan indien de in dat lid
bedoelde ingrepen of voorzieningen, al dan niet met toepassing van
bestuursdwang, zijn getroffen ter uitvoering van een aanschrijving als
bedoeld in artikel 15, 15a of 16 van de Woningwet,
de in artikel 10, eerste lid, bedoelde verhoging van de huurprijs ook na
de totstandkoming van bedoelde ingrepen of voorzieningen door de huurder
en de verhuurder worden overeengekomen.
2. In het tweede lid wordt na "binnen
drie maanden na de totstandkoming van de" ingevoegd: ingrepen of.
3. In het zesde lid wordt "en 15"
vervangen door: 15 en 15a.
Art.
18. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
In artikel 3, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet op de huurcommissies (Stb. 1979, 16) wordt na "na
de totstandkoming van" ingevoegd: "ingrepen of" en wordt
na "als bedoeld in artikel 15" ingevoegd: , 15a.
Art.
19. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De Woningwet (Stb. 1991,
439) wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Na artikel 15 wordt een nieuw artikel 15a ingevoegd, luidende:
Art. 15a.
-1. Indien een gehandicapte in de zin van artikel 1,
eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten bij het normale
gebruik van de door hem bewoonde woning ergonomische beperkingen
ondervindt die door het verrichten van bouwkundige of woontechnische
ingrepen in of aan de woning kunnen worden opgeheven of verminderd,
kunnen burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit anderen
hoofde tot het verrichten van die ingrepen bevoegd is, aanschrijven
binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven ingrepen
te verrichten.
-2. Burgemeester en wethouders vaardigen een aanschrijving als bedoeld
in het eerste lid slechts uit voor zover voor het verrichten van die
ingrepen geldelijke steun kan worden verleend.
-3. Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is
artikel 15, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
B.
[MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder schrijven
burgemeester en wethouders, indien zij voornemens zijn een aanschrijving
als bedoeld in artikel 14, eerste lid, uit te vaardigen en de woning
naar hun oordeel tevens verbeteringen behoeft als bedoeld in artikel 15,
waartoe kan worden aangeschreven, of ingrepen behoeft als bedoeld in
artikel 15a, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot
het treffen van die voorzieningen of het aanbrengen van de verbeteringen
of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te
bepalen termijn de door hen aangegeven voorzieningen te treffen en de
door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen of de door hen aan te
geven ingrepen te verrichten.
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een aanschrijving
als bedoeld in artikel 15 uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel
tevens voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of ingrepen
als bedoeld in artikel 15a behoeft, schrijven zij degene die als
eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van de verbeteringen
en het treffen van de voorzieningen of het verrichten van de ingrepen
bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan
te geven verbeteringen aan te brengen en de door hen aan te geven
voorzieningen te treffen of door hen aan te geven ingrepen te
verrichten.
C.
[MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. In afwijking van artikel 1590 van het Boek
7a van het Burgerlijk
Wetboek is elke bewoner van een woning verplicht het aanbrengen of
verrichten van de in een aanschrijving als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, 15a, eerste lid, of 16 genoemde verbeteringen of ingrepen
door of vanwege degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens
rechtsopvolger, dan wel met toepassing van bestuursdwang, te gedogen.
2. In het tweede lid wordt "teneinde
de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen aan te brengen"
vervangen door: teneinde de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen
of ingrepen aan te brengen of te verrichten.
D.
[MvT]
In artikel 28, eerste lid, wordt na "15," ingevoegd: 15a,.
Art.
20. [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
In artikel 7, tweede lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1990, 176) worden de
woorden "gewezen militair of" en "of gewezen
militair" geschrapt.
Art.
21. [Geschiedenis:
Stb. 2006, 351]
In de Wet financiering volksverzekeringen (Stb.
1989, 129) wordt artikel 10, derde lid,
vervangen door:
-3. In afwijking van het eerste lid is geen premie voor de algemene
ouderdomsverzekering en de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering
verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.
§ 4.
Evaluatie
Art.
22. [Evaluatiebepaling] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1999, 598; Stb.
2006, 351]
Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid zendt in overeenstemming met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen drie jaar
na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens binnen drie jaar daarna,
aan de Staten-Generaal een verslag over de verlening van
woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen krachtens deze
wet.
§ 5.
Overgangs- en slotbepalingen
Art.
23.
[Overgangsrecht 1 april 1994
bruikleenovereenkomst]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2006, 351]
-1. Indien in het kader van de
uitvoering van artikel 57, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel P 9, tweede lid, van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, dan wel artikel P 8, tweede lid, van de
Spoorwegpensioenwet, ter zake van de verstrekking van een hulpmiddel een
overeenkomst van bruikleen is gesloten, wordt de verstrekking van dat
hulpmiddel, gedurende de nog resterende looptijd van de overeenkomst,
dan wel, indien de gebruiksduur van het hulpmiddel korter is dan de
resterende looptijd van de overeenkomst, tot het einde van die
gebruiksduur, beheerst door de regels zoals die luidden onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel 12 van deze
wet.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de periodieke vergoeding die op grond van
artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet aan de
gehandicapte wordt verleend voor de kosten van aanschaf en onderhoud van
een vervoermiddel.
Art.
24. [Overgangsrecht 1 april 1994
vervoersvoorziening] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Aan de gehandicapte aan wie over de
periode onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van
deze wet, krachtens artikel 57, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of krachtens artikel P 9, tweede lid, van de
Algemene burgerlijke pensioenwet of krachtens artikel P 8, tweede lid,
van de Spoorwegpensioenwet, dan wel krachtens artikel X 5, eerste en
tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet, een financiële
tegemoetkoming is verleend in de kosten van het gebruik van een
vervoermiddel, wordt desgevraagd door het gemeentebestuur ook over de
jaren 1994 en 1995 een financiële tegemoetkoming verleend, tenzij in de
verordening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, anders wordt bepaald.
Art.
25. [Overgangsrecht 1 april 1994
voorzieningen beroepsmilitair] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De bepalingen bij of
krachtens artikel 7 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, zoals
die bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de
beroepsmilitair die is ontslagen anders dan uit hoofde van invaliditeit
met dienstverband en die op grond van de Regeling geneeskundige
verzorging gepensioneerde militairen KL/Klu (Stb. 1962, 241), dan wel op
de voet van die regeling, in aanmerking is gebracht voor genees- en
heelkundige voorzieningen.
Art.
26. [Aanvragen vóór 1 april 1994]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
Vóór de datum van inwerkingtreding van
deze wet ingediende aanvragen voor een voorziening als bedoeld in
artikel 57, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of
artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet of
artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, dan wel artikel X
5,
eerste en tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet, worden
afgehandeld op basis van de regels zoals die luidden onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien
verstande dat geen financiële tegemoetkoming wordt verleend over een
periode gelegen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art.
27. [Wijziging Wvg i.v.m. inwerkingtreding
Wet zorgaanspraak AWBZ] [Geschiedenis:
Stb. 2006, 351]
Indien het bij koninklijke boodschap
van 6 november 1992 ingediende voorstel van wet houdende wettelijke
regeling van aanspraak op zorg in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en wijziging van enige andere wetten tot wet wordt verheven
en in werking treedt, komt artikel 2, tweede lid, als volgt te luiden:
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die één of
meer vormen van zorg omschreven krachtens artikel 6a en in de artikelen
6k tot en met 6n van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(Stb. 1992,
392), verlenen.
Art. 28.
[Geschiedenis:
VvW; Stb. 2006, 351]
Indien het bij koninklijke boodschap van 23 januari 1992 ingediende
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Algemene
wet bestuursrecht, de Wet
op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet
1929 en andere wetten, alsmede
intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen
(voltooiing eerste fase herziening rechterlijke
organisatie) tot wet wordt verheven en in werking treedt, dan wel in
werking is getreden:
a. vervalt van artikel
11 het tweede lid, alsmede de aanduiding "-1." voor het
eerste lid;
b. wordt aan onderdeel
C van de krachtens artikel 18, eerste
lid, van de Beroepswet vastgestelde bijlage
toegevoegd:
24. de Wet voorzieningen gehandicapten.
Art.
29. [Citeertitel] [Geschiedenis:
VvW; Stb. 2006, 351]
Deze wet kan worden aangehaald als:
Wet voorzieningen gehandicapten.
Art.
30. [Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2006, 351]
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen, onderdelen daarvan of voor de verlening van
onderscheidenlijk de woonvoorzieningen, de vervoersvoorzieningen of de
rolstoelen verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit van 25 november 1993, Stb.
1993, 657, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 april
1994, red.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ‘s-Gravenhage, 7 oktober
1993
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
De Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de tweede november
1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|