|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende
na overleg met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de
artikelen 5, vierde lid, en 6, derde lid, van de
Wet voorzieningen
gehandicapten (Stb. 1993, 545);
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. financiële
tegemoetkoming: financiële
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet voorzieningen gehandicapten;
b. eigen
bijdrage: eigen bijdrage als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Wet voorzieningen gehandicapten;
c.
norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet
werk en bijstand,
omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een
belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een
alleenstaande of een alleenstaande ouder is en die niet in een
inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel
25, tweede lid, van de Wet werk en
bijstand, en de normen van
een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde die in een inrichting verblijft, eerst zijn
verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23,
tweede lid, van de Wet werk en
bijstand.
Art. 2.
Bij de vaststelling van
het inkomen worden in ieder geval buiten beschouwing gelaten de
inkomsten, bedoeld in artikel 31,
tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
Art. 3.
-1. De draagkracht van de
gehandicapte en zijn echtgenoot wordt per kalenderjaar
vastgesteld.
-2. Bij een netto-inkomen tot en met
1,5-maal het norminkomen is de draagkracht per kalenderjaar
ten hoogste €|45,00.
-3. Voor zover het netto-inkomen meer
bedraagt dan 1,5-maal het norminkomen wordt bij de
vaststelling van de draagkracht per kalenderjaar ten hoogste
een kwart van het draagkrachtpercentage dat burgemeester en
wethouders in het kader van de uitvoering van de Wet
werk en bijstand hanteren, in aanmerking genomen.
-4. Met betrekking tot rolstoelen
wordt geen draagkracht in aanmerking genomen.
Art. 4.
-1. De in een kalenderjaar
verschuldigde eigen bijdragen en het eigen aandeel in de
kosten van een voorziening waarvoor een financiële
tegemoetkoming wordt verleend, mogen de draagkracht als
bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, niet te boven gaan.
-2. Bij de toepassing van het eerste
lid worden op de draagkracht in mindering gebracht:
a. eigen betalingen die de gehandicapte in een
kalenderjaar verschuldigd is voor zorg waarop aanspraak bestaat op grond
van artikel 6 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten,
dan wel op grond van een regeling als bedoeld in artikel
44 van die wet;
b. overige in
het kalenderjaar ten laste van de gehandicapte blijvende
kosten voortvloeiende uit de handicap.
-3. Desgevraagd herziet het
gemeentebestuur, in verband met het bepaalde in het tweede
lid, zo nodig een eerder in het kalenderjaar gegeven
beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten. Een
daartoe strekkende aanvraag van de gehandicapte kan tot
uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop
de aanvraag tot herziening betrekking heeft, bij het
gemeentebestuur worden ingediend.
-4. Voor de toepassing van het
tweede lid blijven buiten beschouwing de eigen betalingen die
verschuldigd zijn ingevolge de artikelen 4 en
14 van de Bijdragebesluit
zorg.
Art. 5.
-1. De eigen bijdrage is slechts
verschuldigd over het kalenderjaar waarin de voorziening wordt
toegekend.
-2. Het totaal aan eigen bijdragen
dat per kalenderjaar verschuldigd kan zijn, is ten hoogste €|45,00.
-3. Met betrekking tot rolstoelen is
geen eigen bijdrage verschuldigd.
Art. 6.
Deze regeling, die met
de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant wordt
geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Art. 7.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inzake financiële
tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg.
's-Gravenhage, 19 november 1993.
De Staatssecretaris voornoemd,
J. Wallage.
|
|