|
[Het Protocol Wvg is op
26 maart 2002 ondertekend door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, de Chronisch zieken
en Gehandicapten Raad Nederland, de Federatie van Ouderverenigingen
en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties, red.]
1. Inleiding
De Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) strekt ertoe dat gemeentebesturen desgevraagd aan mensen met
beperkingen ¹ voorzieningen verstrekken die hen zo goed mogelijk in staat stellen om zelfstandig aan het
maatschappelijk leven deel te nemen. Het gaat daarbij om
woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en
rolstoelen. De wetgever heeft eertijds nadrukkelijk gekozen voor een decentraal regime,
waarbinnen aan gemeenten de verantwoordelijkheid is opgedragen om
"zorg
op maat" te bieden. In veel
gevallen lukt dat maatwerk ook. Uit evaluatieonderzoek is gebleken dat 85%
van de Wvg-cliënten
aangeeft tevreden te zijn met de uitvoering van de wet en de verkregen voorzieningen. Dat leidt
evenwel tegelijkertijd tot de conclusie dat eenzevende deel van de Wvg-gerechtigden
niet tevreden is. Dat
betreft in absolute zin een zeer groot aantal mensen in een - naar verhouding
- bijzonder kwetsbare positie.
1. Mensen met beperkingen, hetgeen wil zeggen: mensen met ergonomische, zintuiglijke, verstandelijke
of geestelijke beperkingen,
alsook ouderen die tengevolge van ziekte of gebrek belemmeringen ondervinden. Omwille van de
leesbaarheid zal, zonder aan deze diversiteit afbreuk te willen doen, in
het navolgende kortweg van "gehandicapten" worden gesproken.
In kringen van cliënten en
gebruikersorganisaties is aangegeven dat, hoewel in veel gevallen een adequaat voorzieningenaanbod
voorhanden is, in een groot aantal gevallen ook sprake is van een onvoldoende op de vraag
toegesneden aanbod van voorzieningen, van onvoldoende kwaliteit van voorzieningen, van een
niet optimale uitvoeringsorganisatie en soms van lange wachttijden. Hoewel jurisprudentie in
veel specifieke gevallen wel een ondergrens aangeeft van hetgeen kan worden verstaan onder een
"verantwoorde voorziening", kan aan het geheel van rechterlijke uitspraken in onvoldoende
mate een algemene normerende werking worden ontleend. Ook het feit dat gemeenten de
Wvg
verschillend interpreteren, heeft ertoe geleid dat er in zeer
vergelijkbare gevallen sprake kan zijn
van, soms grote, verschillen in besluiten over hetgeen verstrekt moet worden. Gebruikers ervaren
dat als rechtsonzekerheid.
Decentrale wetsuitvoering
kan - en mag - tot verschillen tussen gemeenten
leiden, zowel in termen van te verstrekken
voorzieningen als in kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie. De wetgever heeft als
ondergrens slechts gesteld dat de te verstrekken voorzieningen "verantwoord"
- hetgeen wil zeggen:
doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht - moeten zijn, gelet op de behoefte van de betreffende cliënt.
Tegen deze achtergrond
hebben de Minister van SZW en de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] in eerdere instantie afspraken gemaakt om de kwaliteit van
de Wvg-uitvoering te verbeteren. In meerdere overleggen tussen de Vaste Kamercommissie en de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de Wvg ook aan de orde geweest. Daarbij is
toegezegd dat de mogelijkheden voor een meer fundamentele herziening van het stelsel
moeten worden onderzocht en in de vorm van een "Bouwstenennotitie" aan de Kamer ter kennis
worden gebracht. Kamerbreed is echter ook de wens geuit om - samengevat
- voorshands
binnen de grenzen van de huidige Wvg en op zo kort mogelijke termijn, op basis van nadere
regelgeving normen te stellen voor een betere uitleg van het begrip
"verantwoorde voorzieningen". Hiertoe zou de Wvg zo spoedig mogelijk moeten worden aangevuld
met een gewijzigd
artikel 3 Wvg, dat daarvoor de grondslag biedt.
De Minister van SZW
heeft in
dit kader in overleg met de VNG en de gebruikersorganisaties nader invulling gegeven aan
het begrip "verantwoorde voorzieningen". Die invulling is vormgegeven in
het
voorliggende protocol en kan worden beschouwd als een invulling van de nadere regels als
genoemd in
het gewijzigde artikel 3 Wvg.
Dit protocol is tot stand
gekomen na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de
gebruikersorganisaties. Daarmee is beoogd om zo spoedig mogelijk
daadwerkelijk geconstateerde knelpunten op
te lossen. Het protocol is een verbreding van de eerder gemaakte afspraken tussen
SZW en de
VNG.
2. Doelstellingen Wvg
De Wvg
is, materieel gezien,
de rechtsopvolger van de voorzieningenparagraaf in de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten. Aan de totstandkoming van
de wet
in 1994 lagen een aantal uitgangspunten ten grondslag. Deze kunnen als volgt worden
samengevat:
1. gemeentebesturen kregen
de zorgplicht om voorzieningen te verstrekken die de zelfstandigheid en
zelfredzaamheid van gehandicapten bevorderen;
2. welke voorzieningen voor
de doelgroep ook daadwerkelijk bereikbaar zouden moeten zijn, ook als het gaat om ouderen
of mensen met een lager inkomen;
3. door middel van een
integrale en transparante uitvoeringsstructuur;
4. waarbij de invoering van
de wet budgettair neutraal diende te geschieden; en
5. waarbij de zorgplicht en
budgetverantwoordelijkheid in één hand werden gelegd.
Nadien heeft nog een aantal
wijzigingen plaatsgevonden in het geheel van met de Wvg
samenhangende regelingen.
Deze hebben het karakter van de wet evenwel niet aangetast.
Binnen de gestelde
uitgangspunten behoren gemeentebesturen te streven naar een zodanige invulling van hun
zorgplicht dat de gehandicapte door het verstrekken van één of meer voorzieningen zoveel
mogelijk deel kan nemen aan het maatschappelijk leven op een
vergelijkbare wijze als de niet-gehandicapte mens. De Wvg
is immers gericht op het bevorderen van de zelfstandigheid en
zelfredzaamheid van de betrokken gehandicapte. Het verstrekken van voorzieningen is daartoe
(slechts) een middel. En hoezeer, uit oogpunt van rechtszekerheid, tevoren vast behoort te
staan welke voorzieningen een gemeentebestuur (onder welke omstandigheden) zal kunnen
verstrekken: het is primair de cliënt die het beste kan aangeven op welke wijze zijn
belemmeringen optimaal kunnen worden opgeheven of verminderd. De indicatieadvisering
zal daar ook op gericht
moeten zijn, uitmondend in een advies over de te verstrekken voorziening of
voorzieningen. Oogmerk van de decentralisatie was immers het kunnen
bieden van "maatwerk". Ook dit protocol
zal alleen al daarom moeten passen binnen de doelstellingen achter en de tekst van
de wet. Het protocol is bedoeld om tot een meer uniforme wetstoepassing te komen, gericht op een
bredere rechtszekerheid voor cliënten met het oog op hun specifieke situatie.
3. Cliëntgerichtheid
De aanvraagprocedure dient
voor de cliënt zo min mogelijk belastend te zijn. De intake en indicatieadvisering moeten
aansluiten op en evenredig zijn aan de gevraagde respectievelijk te verstrekken
voorziening en
zullen niet voorbij mogen gaan aan hetgeen op basis van andere regelingen kan worden
verstrekt. Vanaf het begin biedt het gemeentebestuur duidelijkheid over
de procedure: het gemeentelijk
beleid, hetgeen er gebeurt vanaf de aanvraag, de indicatieadvisering, de beschikking en de
mogelijkheden van bezwaar, beroep en klachten. Doordat de aanvrager daardoor inzicht krijgt in
zowel de te zetten stappen als in de daarmee gemoeide tijd, kan deze rekening houden met hetgeen
hem te wachten staat en zich daarop voorbereiden. Zo mogelijk worden al tijdens de intake
de verschillende te zetten stappen en de daarmee gemoeide tijd in kaart gebracht; als dat niet kan,
zou daarover binnen veertien dagen bericht kunnen volgen, in een voor de aanvrager toegankelijke
vorm.
Bij de aanvraagprocedure
wordt onnodige bureaucratie vermeden door voort te bouwen op hetgeen van de aanvrager en
diens omgeving al bekend is. Behandelroutines worden daarop afgestemd. Bij aanvragen die
zouden kunnen leiden tot een beroep op meerdere voorzieningen (en waarvoor meerdere regelingen
van toepassing zijn) helpt het gemeentebestuur de hulpvrager door een gecoördineerde
indicatiestelling te bevorderen. Vanaf het moment van eerste contact
zoekt het gemeentebestuur met de
aanvrager naar een voorziening die de door de aanvrager ervaren problemen zoveel mogelijk
wegneemt en aan diens behoeften zo goed mogelijk tegemoet komt, binnen de grenzen van het
gemeentelijk beleid. De aanvrager krijgt daartoe ook de beschikking over het indicatieadvies. De
aanvraagprocedure wordt afgewikkeld binnen de grenzen die de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) daarvoor stelt en zo mogelijk sneller dan de in die wet gestelde maximumtermijnen.
Voor zover gemeenten de
indicatieadvisering voor de Wvg onder hebben gebracht bij het Regionaal
Indicatieorgaan (RIO) in het kader van het traject Robuuste RIO’s, zal het
RIO onder mandaat van het
gemeentebestuur op een onafhankelijke, vraaggerichte en integrale wijze
de reactie op de hulpvraag van
de cliënt in kaart brengen. Voor het onderdeel Wvg zal het gemeentebestuur vervolgens
besluiten in de vorm van een beschikking.
Het kan om een aantal
redenen - bijvoorbeeld omdat gegevens van derden lang uitblijven - voorkomen dat de in de
Awb
gestelde termijnen niet kunnen worden gehaald. Bij dreiging van een dergelijke overschrijding
van termijnen informeert het gemeentebestuur de aanvrager, onder aangeven van de oorzaken en
van de vermoedelijk wel realiseerbare behandel- dan wel afhandeltermijn. De
gemeente informeert de cliënt ook over de mogelijkheid een klacht in te dienen en de behandeling
daarvan. Dit laat onverlet dat, indien de aanvrager meent dat er sprake
is van een niet meer redelijke
termijnoverschrijding, deze uiteraard een beroep kan doen op alle
rechtsmiddelen die hem op
grond van de Awb ter beschikking staan.
Dat indicatieadvisering
evenredig is met de aard en omvang van de gevraagde voorziening ligt voor de hand. Dit
impliceert dat voor "kleine", goedkopere voorzieningen volstaan kan
worden met een lichte en vooral
snelle procedure. Daarentegen wordt bij een aanvrage voor meer omvangrijke of duurdere
voorzieningen gezocht naar een methode om een aanbod te realiseren dat zo goed mogelijk tegemoet
komt aan de situatie van de aanvrager in relatie tot zijn mogelijkheden en die van zijn sociale
omgeving. Dat betekent dat het in dergelijke gevallen de voorkeur
verdient om de indicatieadvisering
door het RIO te laten plaatsvinden. Zulks ligt ook voor de hand bij verschillen van inzicht
tussen gemeente en cliënt, zoals in de bezwaarfase, maar die wellicht
ook al eerder kan blijken. Door
aanvragers overigens zo goed mogelijk te betrekken bij het afhandeltraject van de
aanvraag zullen dergelijke verschillen van inzicht overigens minder
frequent voorkomen. En tot slot: "evenredig" houdt ook in dat voor urgente aanvragen een spoedprocedure mogelijk is.
RIO’s zullen
het protocol "met spoed indiceren" van het de Landelijke Vereniging van
Indicatieorganen (LVIO)
gebruiken voor snelle, zorgvuldige en klantgerichte afhandeling van de
indicatieadvisering van de
hulpvragen.
Niet zelden zal van stond af
aan de gelijktijdige - of zelfs gecombineerde - verstrekking van meerdere voorzieningen aan
de orde zijn, waarvoor dan wellicht ook verschillende regelingen van toepassing zijn. Ook kan het
voorkomen dat er sprake is van verschillende mogelijke verstrekkingen, die
erop
zijn gericht de beperkingen te verminderen of weg te nemen. Om die reden is het zeer gewenst de
indicatieadvisering te laten plaatsvinden door een RIO, waarbinnen voor een breed pakket aan
verstrekkingen op grond van verschillende regelingen wordt geïndiceerd en waarbinnen een grote kennis
van de onderscheiden mogelijkheden bestaat. De aanvrager kan daardoor optimaal worden
geholpen. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, in samenspraak met de
Minister van SZW, ter versterking van deze RIO's met de
VNG ook afspraken gemaakt en voor de
uitvoering daarvan gelden beschikbaar gesteld.
Meer dan met het enkele
verkrijgen van een besluit van het gemeentebestuur is de aanvrager gebaat bij het feitelijk
kunnen beschikken over de gevraagde voorziening. Nu de Wvg
behoorlijk is
ingebed in de gemeentelijke
praktijk moet het mogelijk zijn dat een gemeentebestuur op ten minste een aantal punten
anticipeert op vaker voorkomende vragen. Zo kunnen afspraken met woningcorporaties en andere
huiseigenaren ertoe leiden dat de benodigde apparatuur en materiaal voor relatief eenvoudige
woningaanpassingen "op voorraad worden gehouden". Dat kan resulteren in snelle aanpassing van
woningen bij bijvoorbeeld de introductie van rolstoelgebruik of aanpassing van sanitaire ruimtes. Ook
andere veelvoorkomende voorzieningen behoren geleverd te kunnen worden als waren zij op
voorraad aanwezig, eventueel op basis van afspraken tussen de gemeenten
- al dan niet in
samenwerking - en leveranciers. Omgekeerd zal de aanwezigheid van
direct te leveren voorzieningen er
niet toe mogen leiden dat dit aanbod bepalend wordt: de verstrekking blijft vanzelfsprekend
(binnen de grenzen van de gemeentelijke mogelijkheden) in het directe verlengde van het
indicatieadvies.
Met het realiseren van een
klachtenprocedure conform het gestelde in de Awb en de bestaande regelingen voor bezwaar,
beroep en (vooral) voorlopige voorziening in die
wet, mag ervan worden uitgegaan dat een
afdoende bestel voorhanden is om te voorzien in (spoed)procedures en klachtenbehandeling. Ook in
dit opzicht voorziet het gemeentebestuur in voldoende en toegankelijke informatie.
4. Voorzieningen
Het met de Wvg
beoogde
maatwerk betekent dat de te verstrekken voorzieningen zijn gericht op het individu en op diens
specifieke behoeften en omstandigheden. Dat impliceert dat de verstrekking niet primair is
hetgeen in de regel bij een vergelijkbare aanvraag wordt verstrekt, maar specifiek ziet op het
oplossen van het door de aanvrager geformuleerde probleem, binnen de grenzen van
de wet. Het
toetsingskader maakt onderdeel uit van het protocol en wordt gehanteerd om de op het gewenste
maatwerk toegesneden afwegingen te maken. Een goede toepassing van dit uitgangspunt leidt tot
een toepassing van de Wvg die voor de cliënten meer bevredigend is en voor de verstrekkende
gemeenten uiteindelijk tot minder kosten leidt. Het kan om dezelfde
reden heel goed zijn dat een
gemeentebestuur, afhankelijk van de voorziening, periodiek - bijvoorbeeld
jaarlijks of tweejaarlijks - contact
opneemt met de aanvrager om te beoordelen of de verstrekking nog voldoet aan de
verwachtingen.
Bij de keuze voor een
voorziening houdt het gemeentebestuur rekening met de wijze waarop de cliënt zijn leven wil
inrichten. Bij de beoordeling van de aanvraag worden daarom alle omstandigheden van de
cliënt betrokken die relevant kunnen zijn voor die aanvraag. Daartoe is
een goede intake en
indicatieadvisering van wezenlijk belang. Indien meerdere voorzieningen
als adequaat kunnen worden
aangemerkt, mag gekozen worden voor de goedkoopste. Bij relatief kleine verschillen in prijs
wordt in beginsel echter de wens van de aanvrager gerespecteerd. In alle
gevallen verdient het
aanbeveling dat voor voorzieningen kan worden gekozen uit meerdere aanbiedingen, mits dit niet
leidt tot onevenredige problemen bij de gemeente.
Indien de cliënt een
voorkeur heeft voor een duurdere voorziening dan de goedkoopste onder de
adequate voorzieningen,
overlegt, als de aanvrager zulks wenst, het gemeentebestuur met de aanvrager of deze de
voorkeur heeft voor een financiële tegemoetkoming. Hierbij zullen
afspraken over de besteding en de duur
van de voorziening moeten worden vastgelegd. Het beschikbaar te stellen bedrag zal dan dat
van het goedkoopste alternatief kunnen zijn dat als adequaat is aangemerkt. De aanvrager
wordt daarbij geholpen met advies en informatie. Bij toepassing van deze variant moet overigens
worden gewaarborgd dat de noodzakelijke voorziening ook daadwerkelijk kan worden
gerealiseerd. Daarbij kunnen recente onderzoeksresultaten op dit vlak en reeds voorhanden
positieve ervaringen met een PGB [persoonsgebonden budget, red.] in een aantal
gemeenten een bruikbaar hulpmiddel zijn. Gemeenten
realiseren zich dat het verstrekken van een budget in algemene zin voor de aanvrager optimale
keuzemogelijkheden biedt.
Dat de voorziening is
afgestemd op de aanvrager en diens specifieke behoeften en omstandigheden
betekent ook dat rekening
wordt gehouden met omstandigheden als groei, extra slijtage vanwege de handicap en progressie
van de aandoening. Tot de voorziening behoort ook het onderhoud en reparatie gerekend te
worden, alsmede - indien nodig - het ermee leren omgaan. De
voorziening komt immers pas tot zijn
recht als er ook daadwerkelijk goed gebruik van kan worden gemaakt. Op zichzelf bevordert het de
rechtszekerheid als tevoren duidelijkheid bestaat - bijvoorbeeld aan de hand
van een verordening en
beleidsregels - over welke voorzieningen onder welke omstandigheden in
de regel kunnen worden
verstrekt. Dat betekent intussen niet dat, gegeven de mogelijk
specifieke hulpvraag, dergelijke
beleidsregels niet onder omstandigheden met enige flexibiliteit kunnen worden gehanteerd.
4.1. Wonen
Wanneer een gehandicapte
belemmeringen ondervindt in het normale gebruik van de woning, treft de gemeente
een voorziening
aan de woning om deze belemmeringen weg te nemen of zoveel mogelijk verminderen. Ook
kan de gehandicapte in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor verhuis- en
herinrichtingskosten als er een andere - wel geschikte - woning
binnen redelijke termijn beschikbaar is. Deze
tegemoetkoming is alsdan een reële bijdrage in de kosten die een gehandicapte voor een
verhuizing moet maken, rekening houdend met het niet-vrijwillige
karakter van een dergelijke
verhuizing. De financiële consequenties van verhuizen, zoals de
woonlasten, moeten binnen de Wvg-draagkracht van de gehandicapte passen. Verhuizen mag in ieder geval
niet ten koste gaan van
(mantel)zorg en de sociale omstandigheden van de gehandicapte. Bij het beoordelen van mogelijkheden
voor het zelfstandig gebruik van de woning let de gemeente in elk geval op elementen als
veiligheid, oriëntatiemogelijkheden, de toegankelijkheid en de herkenbaarheid van de woning
voor de gehandicapte. Daaronder dienen ook voorzieningen ten aanzien van
de scherpte en zwakte van
licht voor mensen met een visuele handicap te worden gerekend.
Ook bij woningaanpassing is
het door de cliënt geformuleerde probleem het uitgangspunt. Aan de hand hiervan en aan hetgeen
op grond van de beperkingen van de aanvrager noodzakelijk is, wordt vastgesteld welke
voorziening in zijn situatie adequaat is. Het gemeentebestuur houdt er rekening
mee dat gehandicapten niet
zelden een andere dagindeling, prioriteitsstelling en tijdsbestedingspatroon
kennen dan de niet in zijn bewegingen of anderszins, bijvoorbeeld
visueel, beperkte mens. Met het
normale gebruik van de woning, waartoe ook de verzorging van kinderen en het uitvoeren van
geregelde huishoudelijke taken gerekend kan worden, dient te allen tijde
rekening te worden gehouden.
Woningaanpassing kan de
noodzaak van tijdelijke huisvesting elders met zich meebrengen. In die gevallen behoort die
tijdelijke huisvesting deel uit te maken van de verstrekking. Het
toesnijden van de voorziening op de
behoeften en persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en zijn sociale omgeving kan
ertoe leiden dat - onder omstandigheden - aan de woning ook maatregelen getroffen worden met het oog
op de verzorging van de aanvrager. Bij zowel beroepsmatige zorg als mantelzorg wordt als dat
nodig is bijvoorbeeld een tillift verstrekt en worden andere, op de arbeidsomstandigheden van de
verzorgende gerichte, voorzieningen gerealiseerd.
De gemeente
houdt een
overzicht bij van reeds aangepaste woningen die ten verhuur worden aangeboden dan wel
binnenkort beschikbaar zullen komen. Dit overzicht van (binnenkort) beschikbare woningen is als
Internetsite ook toegankelijk voor gehandicapten en andere gemeenten. Daarbij worden de
gerealiseerde aanpassingen zo goed mogelijk aangeduid. In algemene zin verdient het
aanbeveling in toenemende mate levensloopbestendig en aanpasbaar te bouwen, zoals ook in de nota
Mensen Wensen Wonen is verwoord.
4.2. Vervoer
Gemeenten
verstrekken
vervoersvoorzieningen die erop zijn gericht dat mensen met beperkingen
kunnen deelnemen aan het
maatschappelijk verkeer binnen - in elk geval - hun directe leefomgeving. Het
gemeentebestuur zal de uit de beperking voortvloeiende belemmering wegnemen (of
zoveel
mogelijk verminderen) door een adequate vervoersvoorziening, waarbij het
rekening houdt met de
behoeften en persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. Bij cliënten
die zijn opgenomen in een instelling wordt er zo nodig rekening mee gehouden dat binnen die instelling de mogelijkheden
voor persoonlijke ontmoetingen in de regel aanzienlijk minder zijn dan thuis. In dergelijke
gevallen is het gewenst om de gebruikelijke evenredigheid tussen
bezoeken en bezoek ontvangen los te
laten.
Vanzelfsprekend zijn de aard
en mate van de beperking bepalend voor het type en de omvang van de te verstrekken
vervoersvoorziening(en). De vraag kan niet alleen zijn of iemand fysiek
in staat is een bepaalde afstand te
overbruggen. Het behoort ook te gaan om de vraag of iemand geheel zelfstandig daartoe in staat
is.
Gehandicapten kunnen in
aanmerking komen voor collectief vervoer, individueel vervoer of een combinatie van deze. Bij de
toekenning wordt rekening gehouden met persoonlijke behoeften en omstandigheden; het kan
tegen die achtergrond ook gaan om toekenning van een combinatie van voorzieningen. Een keuze
voor collectief vervoer is derhalve zeker geen automatisme.
Met het collectief vervoer
kan onbeperkt gereisd worden binnen het zorgplichtgebied tegen een tarief dat niet hoger is dan
het tarief van de blauwe strippenkaart. Deze collectieve voorziening dient aan te sluiten op een
toegankelijk NS-station. Het gemeentelijk zorgplichtgebied ingevolge de Wvg bestrijkt
ter zake
van vervoersvoorzieningen niet alleen het gebied binnen de gemeentegrenzen maar ook het
(sociaal) vervoer binnen de regio. Op basis van de jurisprudentie van de CRvB
[Centrale Raad van Beroep, red.] valt onder
regionaal vervoer ook vervoer van ongeveer 15 km vanaf het vertrekadres. Dit impliceert
dat een vervoersvoorziening wordt geboden die reizen van vijf OV-zones
[OV: openbaar vervoer, red.] tegen strippenkaarttarief
mogelijk maakt. Voor de gehandicapte die bij de gemeente
in het kader van een Wvg-vervoersindicatie aangeeft ook te willen reizen buiten het
gemeentelijk zorgplichtgebied zal tevens
een indicatieadvies worden gegeven op de mogelijkheden om bovenregionaal te reizen.
Maatwerk dient ook betrekking te hebben op bewoners van AWBZ-gefinancierde instellingen.
Gemeenten
maken afspraken
met vervoerders over prioritaire ritten. Dit zijn ritten waarbij
cliënten de garantie krijgen dat zij - behoudens een situatie van overmacht
- op een vooraf afgesproken tijdstip op de plaats van
bestemming zullen arriveren, bijvoorbeeld voor theatervoorstellingen,
een uitvaart, educatie, vrijwilligerswerk en het vertrekmoment van een aansluitende verbinding,
zoals een trein of een veerdienst.
In het bijzonder bij
individuele vervoersvoorzieningen voor de middellange afstanden (tot en
met ongeveer 15 km) ligt het in
de rede dat met de aanvrager, aan de hand van een indicatieadvies, zorgvuldig wordt overlegd
over de verschillende mogelijkheden. Op basis van dat indicatieadvies en hetgeen cliënt aandraagt,
kan blijken dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van betrokkene zoals de
gezinssituatie, een combinatie van bepaalde voorzieningen adequaat is.
4.3. Rolstoelen
De rolstoel is een zeer
persoonlijke voorziening en de gehandicapte is er bijzonder van
afhankelijk. Daarom wordt meer dan
gemiddeld zorg besteed aan de keuze voor merk en type. De rolstoel is afgestemd op de behoeften
van de gebruiker; mensen kunnen daarom, meer nog dan bij andere voorzieningen, zelf kiezen
voor de meest geschikte rolstoel, uitvoering en leverancier. Mensen behoren door middel van een
rolstoel volwaardig te kunnen participeren. Bij de verstrekking horen in elk geval ook de kosten
voor onderhoud en reparatie. Naar gelang de persoonlijke situatie kunnen ook accessoires, of
meerdere rolstoelen, tot de verstrekking behoren.
Ook bij rolstoelen worden
behoeften en persoonlijke omstandigheden meegewogen. Bijvoorbeeld door te anticiperen op
progressieve aandoeningen of de groei van de kinderen.
5. Regeling financiële
tegemoetkomingen en eigen bijdragen
Eén van de problemen bij de
uitvoering van de Wvg heeft betrekking op de financiële gevolgen voor de gehandicapten, met
name bij de toepassing van de Regeling
inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg.
Inventarisatie van de klachten laat zien dat gemeenten
deze regeling op
verschillende manieren
interpreteren.
Het is op zichzelf de eigen
gemeentelijke beleidsvrijheid of en hoe eigen bijdragen worden gevraagd.
De wet geeft
alleen de kaders aan waarbinnen dit moet plaatsvinden. In de wet is een bevoegdheid opgenomen om met
betrekking tot de eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen regels te
stellen. Deze Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen
Wvg geeft een
nadere omschrijving van de invulling van de systematiek voor eigen bijdragen en financiële
tegemoetkomingen. Dit is om uit te sluiten dat een gehandicapte, wanneer
hij in het kader van de Wvg
voor kosten zou worden gesteld, voor die kosten een beroep op bijzondere bijstand zou
moeten doen. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met andere kosten in verband met de handicap.
De regeling verwijst daartoe naar een enkele andere eigenbijdrageregeling, maar
tevens naar andere kosten als gevolg van de handicap die in mindering
op de draagkracht moeten worden
gebracht.
Gemeenten
kunnen
inkomensgrenzen stellen waarboven iemand niet meer voor een financiële
tegemoetkoming of
naturavoorziening in aanmerking komt. Voor bepaalde voorzieningen geldt
dat ze boven een bepaalde
inkomensgrens als "algemeen gebruikelijk" worden aangemerkt. Gemeenten mogen evenwel geen
inkomensgrenzen stellen bij woonvoorzieningen of voorzieningen die specifiek
op de handicap zijn gericht.
Het begrip
"algemeen gebruikelijk" blijkt niet overal hetzelfde te worden toegepast. Het
lijkt soms of het vooral wordt gebezigd
in een context die aangeeft dat het om een voor iedereen aan te schaffen object kan gaan.
Dit is evenwel niet altijd het geval. Vermeden moet worden dat een aanvraag enkel hierom wordt
afgewezen. Het ligt echter meer voor de hand om het begrip "algemeen gebruikelijk"
te relateren aan hetgeen niet-gehandicapte personen in vergelijkbare -
waaronder financieel
vergelijkbare - omstandigheden als regel tot hun aanschaffingpatroon kunnen rekenen. Uitgangspunt
bij de toekenning is het indicatieadvies, op basis waarvan wordt vastgesteld welke
voorziening in een bepaalde situatie adequaat is.
6. Andere op de Wvg gerichte
activiteiten
Met dit protocol is beoogd
de toepassing en de uitvoering van de Wvg te verbeteren. Daarnaast zij gewezen op de volgende
activiteiten.
Er zullen experimenten of
pilots worden geëntameerd met het oog op in ieder geval de volgende onderwerpen:
• de mogelijkheden van
persoonsgebonden budgetten, zoals bijvoorbeeld nu gepraktiseerd in Utrecht, als
voorbeeld voor de
mogelijkheden van vraagsturing; daarbij zal ook worden gezocht naar aansluiting bij de
systematiek, verantwoording en faciliteiten die gelden in de zorgsector,
zodat kan worden geprofiteerd van
de daarmee opgedane ervaringen;
• de mogelijkheden van
afstemming van beleid van gemeenten in één regio;
• varianten in indicatieadvisering (in samenwerking met de Staatssecretaris van Volksgezondheid
Welzijn en Sport);
• de mogelijkheden van
beter omgaan met individuele vervoersvoorzieningen als scootmobielen.
Er zal voorts een
vergelijkend onderzoek - "benchmark" - plaatsvinden tussen een
aantal gemeenten, in het bijzonder
gericht op het in kaart brengen van goede voorbeelden. Andere gemeenten zullen daar weer
hun voordeel mee kunnen doen, ten faveure van de in die gemeenten woonachtige cliënten.
Naar de werking van de
Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen
Wvg zal onderzoek worden gedaan,
zowel in termen van uniforme toepassing als naar de vraag in welke gevallen en in welke mate
eigen bijdragen worden gevraagd. Ook zal daarbij worden gekeken naar de doorwerking in de
berekening van de draagkracht bij het bieden van forfaitaire
vergoedingen voor bepaalde voorzieningen.
7. Normerende werking
Met dit protocol is beoogd
om een zekere normering tot stand te brengen voor hetgeen onder een
"behoorlijke" toepassing en
uitvoering van de Wvg moet worden verstaan. De wetgever eertijds heeft veel open normen
gesteld, in de verwachting dat de praktijk weliswaar een zekere differentiatie zou laten
zien, maar ook dat deze tot een bepaalde standaard zou leiden. Dit is minder het geval geweest dan
eertijds verhoopt: de rechter heeft in individuele situaties in het bijzonder getoetst aan het
geformaliseerde beleid in de betreffende gemeente. De
Minister van SZW heeft, in samenspraak
met organisaties van cliënten en van de uitvoerders van de
wet, met dit document een in het
begin van de eenentwintigste eeuw passende norm willen vormgeven, waarop de cliënt zich kan
beroepen.
De beoogde bredere
rechtszekerheid voor cliënten zal daarmee daadwerkelijk gestalte hebben
gekregen, zonder dat afbreuk
wordt gedaan aan de gemeentelijke beleidsvrijheid in de uitvoering van de
Wvg, die uitgangspunt
is geweest bij de totstandkoming van die wet.
De
eerder genoemde
experimenten zullen er vooral op zijn gericht "best practices" in
kaart te brengen. Dat kan leiden tot
het besluit dergelijk beleid breder toepasbaar te maken. De mogelijkheid daartoe kan
afhangen van de specifieke situatie in elk van de gemeenten; nieuw beleid moet inpasbaar
- en
aanvullend - zijn op hetgeen al plaats vindt. Aan hetgeen in een experimenteergemeente wordt
gerealiseerd, zullen in andere gemeenten daarom niet zonder meer rechten kunnen worden
ontleend. Dat kan alleen als de betreffende praktijk ook aldaar in verordeningen of
beleidsregels zal zijn vastgelegd.
8. Toetsingskader
Het algemene uitgangspunt
van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)
is dat mensen met een beperking zo goed en zo
zelfstandig mogelijk aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen. Daarbij gaat het
om het opheffen van belemmeringen die mensen met een beperking ervaren en het creëren van
- waar mogelijk - gelijke of gelijkwaardige mogelijkheden. Het voorliggend
protocol - hoezeer in algemene termen verwoord -
is daartoe het uitgangspunt. Concreet samengevat: per
saldo dient de voorziening doeltreffend, doelmatig en afgestemd op specifieke situatie van de
cliënt te zijn. Dat is het geval, indien:
1. de voorziening de
belemmering opheft of, als dat onmogelijk is, de belemmering tot de
hoogst mogelijke graad vermindert
en de mogelijkheid biedt om volwaardig maatschappelijk te participeren;
2. de voorziening gericht is
op de cliënt en zijn specifieke situatie. Dit houdt in dat uitgegaan wordt
van de persoonlijke
omstandigheden, voorkeuren en keuzes van de cliënt. Hierbij gaat het in ieder
geval om:
a. fysieke en mentale
omstandigheden die samenhangen met de ziekte of handicap, in het bijzonder progressief
verloop;
b. de gezinssituatie, de
leefsituatie en de directe en sociale omgeving;
c. de vraag of de cliënt
van mantelzorg gebruik wil maken en, indien dat het geval is, de vraag hoe
deze mantelzorg
fysiek en mentaal zo min mogelijk kan worden belast;
d. levensbeschouwelijke
activiteiten;
e. sociale en culturele
activiteiten, vrijwilligerswerk en educatie;
f. sociale contacten,
familiecontacten en andere contacten;
g. normen, waarden en
gebruiken van de cliënt;
h. ontwikkelingen in de tijd
met betrekking tot onder a tot en met g genoemde omstandigheden;
3. de toegekende voorziening erop gericht is om voor de cliënt een gelijke of zo goed mogelijke vergelijkbare positie te
creëren als een persoon zonder beperkingen heeft. Het gaat daarbij om het
gebied van leven,
verzorgen, slapen, leren, werken en andere activiteiten die mensen verrichten;
4. de cliënt met de
toegekende voorziening de verschillende sociale rollen volwaardig kan vervullen, zoals
bijvoorbeeld de rol van partner, ouder, buurtbewoner;
5. de voorziening gericht is
op het versterken van de zelfstandigheid en zelfregie van de aanvrager in plaats van de
afhankelijkheid van een ander;
6. de toegekende voorziening
de mogelijkheid biedt om normaal van de woning gebruik te maken, waarbij in ieder
geval gelet wordt op leven, verzorgen, het verrichten van geregelde huishoudelijke
taken,
slapen, bezoek ontvangen, ontspannen, leren en werken;
7. de toegekende voorziening
uitgaat van de diversiteit van de vervoersbehoefte van de cliënt. Het gaat om het doen van
alledaagse activiteiten, zoals het doen van boodschappen en winkelen, het
onderhouden
van sociale contacten en het uitoefenen van recreatieve activiteiten;
8. in de toegekende
voorziening de meerkosten die de cliënt ten opzichte van een persoon
in een overigens vergelijkbare
situatie heeft, zijn inbegrepen.
Voorts wordt de cliënt, bij
de aanvraag van de voorziening, adequaat geïnformeerd over de procedures, beslistermijnen,
mogelijkheden van bezwaar en beroep en de behandeling van klachten. De beslissing op
de aanvraag is altijd gemotiveerd. Daarbij wordt de informatie in een voor de aanvrager
toegankelijke vorm aangeboden.
9. Evaluatie
Dit protocol voorziet in een
invulling van het begrip "verantwoorde voorzieningen" als basisbeginsel in de
Wvg,
zoals die begin 2002 van kracht is. Voor de verdere toekomst zal een Bouwstenennotitie worden
geformuleerd, op basis waarvan kan worden besloten tot aanpassing van het bestel van
voorzieningen. Daarbij zal een relatie worden gelegd met de
stelselwijziging in de zorgsector.
Toepassing van dit
protocol
zal voor een verdergaande wijziging van het bestel waardevolle gegevens kunnen opleveren.
Het zal goed zijn die te bezien uit het oogpunt van zowel de gebruikers/cliënten als dat
van de verstrekkers. De wetgever zal daarmee zijn voordeel kunnen doen. Dat geldt zowel ten
aanzien van de inhoud - het verstrekkingenbeleid, maar zeker ook de wijze van indiceren en de
keuze van voorzieningen - als de uitgavenontwikkeling. Dat houdt inmiddels ook
in dat voor
een nieuw stelsel andere keuzen zullen kunnen worden gemaakt dan die welke nu als norm zijn
weergegeven.
De werking van dit
protocol
zal worden gemonitored en geëvalueerd. De Minister van SZW
betrekt bij monitoring en
evaluatie in elk geval de organisaties van cliënten en de VNG
als vertegenwoordiger van de
uitvoerende gemeenten. SZW zal zorgen voor adequate facilitering van de monitor. Daarbij is het
oogmerk te bewerkstelligen dat een komend bestel daadwerkelijk beter aansluit bij de behoeften
van de cliënten, goed uitvoerbaar is en niet tot onbeheersbare kostenontwikkelingen leidt.
Met betrekking tot de
monitoring zullen in ieder geval de kosten, met inbegrip van eventuele structurele meerkosten, in
beeld worden gebracht, die uitvoering c.q. naleving van het protocol met zich meebrengt.
Eventuele structurele meerkosten komen voor rekening van het Rijk.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend
Vereniging van Nederlandse
Gemeenten,
prof. dr. J.Th.J. van den
Berg, voorzitter directieraad
Chronisch zieken en
Gehandicapten Raad Nederland,
J. Troost, voorzitter
Federatie van Ouderverenigingen,
M.J. de Jong, directeur
Coördinatieorgaan
Samenwerkende Ouderenorganisaties,
drs. A. Sturkenboom,
voorzitter
|