|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 231
Verlenging
van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte (Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| a |
Rapport
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid |
| b |
Het
SER-advies |
| c |
Huidige
wet- en regelgeving |
| 3 |
Verlenging
van de periode van loondoorbetaling bij ziekte |
| a |
Redenen
voor verlenging |
| b |
Duur
van de verlenging |
| c |
Gevolgen
voor de verzekerbaarheid |
| d |
Duur
van de Ziektewet |
| 4 |
Verantwoordelijkheidsverdeling;
rechten en plichten werkgever en werknemer |
| a |
Verantwoordelijkheidsverdeling |
| b |
Rechten
en plichten; bedongen arbeid - passende arbeid |
| 5 |
Aanvullende
aanpassingen |
| a |
Ziekmelding
nieuwe stijl |
| b |
Geschillenregeling |
| c |
Afschaffing
subsidie scholing, training en begeleiding en subsidie tweede
spoor |
| 6 |
Financiële
gevolgen, gevolgen voor de rechterlijke macht en administratieve
lasten voor de werkgever |
| a |
Financiële
gevolgen |
| b |
Gevolgen
voor de rechterlijke macht |
| c |
Administratieve
lasten voor de werkgever |
| 7 |
Ontvangen
commentaren |
| 8 |
Monitoring
en evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XV |
Algemeen
1.
Inleiding
Preventie en een
adequate aanpak van verzuim zijn de sleutel tot het voorkomen van
arbeidsongeschiktheid en intrede in de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Werkgever en
werknemer zijn daarvoor eerstverantwoordelijk. Op het niveau van de
arbeidsorganisatie kunnen zij met deskundige ondersteuning ziekteverzuim
voorkomen. Als er toch verzuim optreedt, bestaan er op het niveau van de
arbeidsorganisatie de mogelijkheden om werkhervatting en reïntegratie
te bevorderen.
De financiële prikkels voor de aanpak van het
ziekteverzuim zijn in de loop der tijd - in een reeks van wetgeving van
achtereenvolgende kabinetten - steeds sterker bij individuele werkgevers
en werknemers gelegd. De rechten en plichten, die werkgever en werknemer
bij ziekteverzuim jegens elkaar hebben, zijn aangescherpt. Bovendien is
de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de private partijen en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) verhelderd. Het uitgangspunt hierbij
is dat reïntegratie de primaire verantwoordelijkheid is van werkgever
en werknemer.
De
(private) verantwoordelijkheid voor het ziekteverzuim wordt verder
vergroot met het voorliggend
wetsvoorstel. Dit voorstel staat echter niet op zichzelf. Het nieuwe
kabinet heeft immers in het Hoofdlijnenakkoord van 16 mei jl. de
uitgangspunten van het vorige kabinet inzake het ingrijpend wijzigen van
de WAO, zoals vastgelegd in het Strategisch
Akkoord ¹ overgenomen. Met de voorgenomen wijziging van het WAO-complex,
die nader is uiteengezet in de brief aan de Tweede Kamer van 16
september jl. over de hoofdlijnen van het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen,
beoogt de regering een fundamentele omslag te bewerkstelligen in het
stelsel en de mechanismen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. De WAO is
in ons land steeds een onderwerp van grote zorg geweest. Diverse
ingrepen hebben plaatsgevonden in de afgelopen decennia. Desondanks is
de inactiviteit als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid in ons
land groter dan in de andere OESO-landen [OESO: Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling, red.]. Hoewel de
ontwikkeling in rblz.|2|
2002 en begin 2003 positief is te noemen, is het aantal personen dat de
WAO instroomt nog steeds te hoog. Bij ongewijzigd beleid zal het
WAO-volume op middellange termijn weer stijgen. Dit duidt erop dat in
het huidige stelsel de mechanismen en prikkels, ondanks de gedane
ingrepen, nog steeds fundamenteel tekortschieten. De kern van deze
fundamentele tekortkoming is door de SER [Sociaal-Economische Raad, red.],
mede op basis van de bevindingen van de Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid (commissie-Donner), op een treffende wijze
beschreven; ² alle mechanismen zijn thans al bij intrede van de ziekte
te veel gericht op het aantonen van arbeidsongeschiktheid, met
als gevolg dat de werknemer als het ware "automatisch in de fuik
van de WAO wordt gezogen". De commissie-Donner acht daarom een
fundamenteel andere benadering noodzakelijk. In deze benadering stond
centraal dat "het niet gaat om het verzekeren van arbeidsongeschiktheid,
maar om het activeren van arbeidsgeschiktheid." (commissie-Donner,
blz. 6). In het SER-advies "Werken aan arbeidsongeschiktheid"
is deze keuze onderschreven en verder uitgewerkt. Het kabinet heeft in
zijn voorstellen deze hoofdlijnen doorgetrokken. De voorstellen komen
neer op een fundamentele herziening van het huidige stelsel; een
wijziging binnen het huidige stelsel - dat gericht is op
arbeidsongeschiktheid - lost de gebleken tekorten niet op.
1. Strategisch Akkoord d.d.
3 juli 2002, "Werken aan vertrouwen, een kwestie van
aanpakken".
2. SER-advies "Werken aan
arbeidsgeschiktheid", maart 2002.
Het
kabinet heeft de volgende uitgangspunten gehanteerd bij de vormgeving
van het nieuwe stelsel. Het eerste uitgangspunt is dat de sleutel voor
succes en de primaire verantwoordelijkheid ten aanzien van preventie en
reïntegratie bij werkgevers en werknemers dienen te liggen. Een stelsel
is nooit uit zichzelf activerend, maar kan wel ondersteunend zijn voor
de activerende inspanningen van de betrokken actoren; dit betekent dat
het ondersteunend instrumentarium adequaat moet zijn. Een tweede
uitgangspunt is dat alle inspanningen van werkgevers en werknemers erop
gericht moeten zijn om mensen die nog in staat zijn om arbeid te
verrichten, zo snel mogelijk hun werk te doen hervatten. Aan het begin
van het ziekteverzuim is de kans op reïntegratie immers het grootst.
Ten derde, maar zeker niet in de laatste plaats, moet aan degenen die
écht niet meer in staat zijn om arbeid te verrichten, een permanente en
adequate inkomensbescherming worden geboden. Dit betreft personen die
duurzaam én volledig arbeidsongeschikt zijn.
Een
eerste onderdeel van de totale herziening van het WAO-stelsel
wordt gevormd door de verlenging van de loondoorbetalingsperiode tijdens
ziekte. Zowel de SER als de
commissie-Donner kwamen tot de conclusie dat het merendeel van
arbeidsongeschiktheid kan worden voorkomen indien tijdig wordt
ingegrepen. Er kan geen sprake zijn van arbeidsongeschiktheid indien
één van beide partijen of beiden onvoldoende inspanningen hebben
verricht. Om dit te bewerkstelligen, dienen de prikkels voor werkgever
en werknemer te worden versterkt; voor de werkgever in de vorm van een
verlenging van de periode van loondoorbetaling, voor de werknemer in de
vorm van het achterwege laten van bovenwettelijke aanvullingen gedurende
het tweede jaar van ziekte. Dit past bij de eerste twee uitgangspunten.
De kern van de omslag die moet plaatsvinden, is immers gelegen in
concrete inspanningen die werkgever en werknemer binnen de
arbeidsorganisatie moeten ondernemen. De inspanningen dienen daarbij
gericht te zijn op preventie, verzuimbegeleiding en werkhervatting en
niet op het verzekeren van arbeidsongeschiktheid. Beide adviezen
- waarop in het navolgende nog nader wordt ingegaan - benadrukken dat de
periode van loondoorbetaling niet kan eindigen indien de werkgever zich
onvoldoende heeft ingespannen dan wel dat de werknemer geen beroep kan
doen op een arbeidsongeschiktheidsregeling
indien hij zich onvoldoende heeft ingespannen; met
het onderhavige wetsvoorstel worden deze eerste fase en de daarbij
horende verantwoordelijkheid voor werkgever en werknemer om het proces
van herstel en rblz.|3|
activering in te richten, vormgegeven. Met de verlenging van de
loondoorbetalingsperiode naar twee jaar wordt de periode van
loondoorbetaling bovendien gelijkgesteld aan de periode van
verantwoordelijkheid voor reïntegratie en aan de periode van
ontslagbescherming. Voorts wordt hiermee helderder gemarkeerd dat de
verantwoordelijkheid in de eerste twee jaar bij private partijen berust.
Ook hierop wordt in het navolgende nog nader ingegaan.
Als
gezegd, vormt
het voorliggend wetsvoorstel een onderdeel
van de kabinetsvoornemens: het verder versterken van de
verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer voor de aanpak van het
ziekteverzuim. De kern ligt in de versterking van de financiële
prikkels voor werkgever en werknemer, in samenhang met het versterken
van de instrumenten.
De versterking van de prikkels wordt als volgt
bereikt:
- de werkgever wordt twee jaar lang verantwoordelijk voor de
loondoorbetaling en heeft daardoor forse financiële incentives
beschikbaar om een snelle reïntegratie te bewerkstelligen en te
besparen op kosten van vervanging: de werkgever krijgt aldus een directe
financiële prikkel voor de eerste twee jaar om zo snel mogelijk te
investeren in werkhervatting van zijn zieke werknemer;
- de werknemer krijgt een financiële stimulans, gericht op
werkhervatting, door de bovenwettelijke aanvullingen in het tweede
ziektejaar, in navolging van afspraken van sociale partners in de
Stichting van de Arbeid, te limiteren op 70% van het loon, zodat in het
tweede ziektejaar niet meer dan 70% van het loon wordt betaald. De
regering acht dit cruciaal. Alleen werknemers die 70% krijgen betaald
indien zij niet werken, komen na afloop van het tweede ziektejaar in
aanmerking voor een keuring voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De
regering is voornemens dit te regelen in het kader van het nieuwe WAO-complex.
Werkgever en werknemer hebben daarnaast in deze
periode de beschikking over verschillende instrumenten en stimulansen om
te werken aan herstel:
- met de Wet verbetering poortwachter
is voor het eerste ziektejaar reeds concreet benoemd welke acties
werkgever en werknemer in het proces dienen te ondernemen en wat zij
over en weer van elkaar mogen verwachten; hierop bouwt dit wetsvoorstel
ook voor het tweede ziektejaar voort;
- de werkgever is verplicht om passende arbeid aan de zieke
werknemer aan te bieden, hetzij in zijn eigen bedrijf, hetzij bij een
andere werkgever; bij werkhervatting bij een andere werkgever kan hij
daarbij het loon van de zieke werknemer suppleren; gelet op de omvang
van de financiële prikkel heeft hij daartoe ook de middelen en trekt
hij daarvan ook het profijt;
- de werknemer is verplicht zich actief in te spannen om werk te
hervatten en om hem aangeboden passende arbeid te aanvaarden, waarbij
naargelang de duur van het verzuim een steeds ruimere opstelling van
betrokkene mag worden verwacht;
- van werkgever en werknemer wordt verwacht dat zij elkaar aanspreken op
nakoming van hun wederzijdse verplichtingen en verantwoordelijkheden; de
Wet verbetering poortwachter biedt daartoe ook de instrumenten. Immers,
ingeval zij in een concrete situatie onderling van mening verschillen
(bijvoorbeeld over de vraag of de ander wel voldoende en/of adequate
reïntegratie-inspanningen verricht), kunnen zij beiden het geschil
voorleggen aan een onafhankelijke deskundige die daarover snel een
oordeel geeft. Het eerst aangewezen niveau om een geschil te regelen, is
de onderneming dan wel de bedrijfstak. In dit wetsvoorstel wordt daarom
een regeling voorgesteld die bevordert dat in CAO’s een
geschillenregeling wordt getroffen, waarbij een dergelijk oordeel aan
een door partijen aangewezen deskundige kan worden rblz.|4|
gevraagd. Deze onafhankelijke deskundige kan ook zijn het UWV
dat hierin een faciliterende taak heeft. Nu werkgever en werknemer
beiden de mogelijkheid hebben om een deskundigenoordeel te vragen, kan
een verschil van mening nooit een argument voor eigen nalatigheid zijn.
Een geschil kan dan ook geen vrijbrief zijn om zelf niets te doen of te
wijzen naar de andere partij. Op de faciliterende rol van het UWV en de
voorgestelde uitbreiding van mogelijkheden van geschillenbeslechting
wordt verder in deze memorie uitgebreider ingegaan;
- de geschetste aanpak is allerminst vrijblijvend; de
reïntegratie-inspanningen worden immers na twee jaar, aan de hand van
een reïntegratieverslag, getoetst door het UWV, als poortwachter van de
WAO:
• ingeval de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt, kan de
verplichting tot loondoorbetaling na de periode van twee jaar nog met
maximaal één jaar worden verlengd; in het kader van het totale
WAO-complex zal nog worden bezien of de duur van deze verlenging dient
te worden uitgebreid;
• ingeval de werknemer zijn verplichtingen niet nakomt, kan de
werkgever de loondoorbetaling opschorten of, in uiterste instantie, de
werknemer ontslaan.
Deze wederzijdse aanspraken, rechten en
plichten én instrumenten, tezamen met de financiële
verantwoordelijkheid, zijn bedoeld om alle mechanismen gedurende de
eerste twee jaren van ziekte wél in de goede richting te zetten.
Hiermee is de eerste stap gezet naar een activerend stelsel.
Met
deze eerste stap is het stelsel evenwel nog niet compleet; ook in de
periode na de eerste twee jaren van ziekte moeten de mechanismen anders
worden ingericht. Voor iedereen blijft werkhervatting na de periode van
twee jaar het uitgangspunt voor herziening van het WAO-stelsel;
alle mechanismen blijven onverminderd gericht op werkhervatting. Na twee
jaren wordt allereerst beoordeeld of er voldoende inspanningen zijn
verricht. Is dit het geval, maar heeft de werknemer nog niet hervat, dan
dient alles in het werk te worden gesteld om dit zo spoedig mogelijk te
realiseren. Alleen voor die werknemers waarvoor na twee jaar wordt
vastgesteld dat er voldoende inspanningen zijn verricht én wordt
vastgesteld dat zij écht niet meer in staat zijn tot arbeid, bestaat
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Wel komen de verantwoordelijkheden ten aanzien
van de werkhervatting anders te liggen. De voorstellen van het kabinet
voorzien daarom in een regeling voor verminderd arbeidsgeschikten met
substantiële belemmeringen. Bij de daarbij behorende
uitkeringsstructuur is uitgangspunt dat werk moet lonen en dat meer werk
meer moet lonen. Daarbij passend is dat verminderd arbeidsgeschikten die
gaan werken een wettelijk geregelde loonaanvulling ontvangen. Dit
instrument van de loonaanvulling sluit aan bij de mogelijkheid van
loonsuppletie die de werkgever gedurende de eerste twee jaren van ziekte
heeft; gezien de financiële prikkel die de werkgever in deze periode
heeft, is een wettelijke regeling gedurende de eerste twee jaren niet
nodig. Voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten, zonder
arbeidscapaciteit, wordt een aparte regeling getroffen, waarmee wordt
voorzien in het derde uitgangspunt van het kabinet, dat van een adequate
inkomensondersteuning voor de groep die echt niet meer in staat is om
arbeid te verrichten.
Het genoemde onderscheid vergt ook een
fundamentele wijziging van het proces van claimbeoordeling. Niet langer
dient het aantonen van arbeidsongeschiktheid centraal te staan,
maar moet het proces gericht zijn om de arbeidsgeschiktheid te
bevorderen. Dit betekent dat de poortwachterstoets (waarin wordt bezien
of er gedurende de eerste twee jaren voldoende inspanningen zijn
verricht) meer een onderdeel van het proces van claimbeoordeling moet
worden. Indien deze inspanningen ontoereikend rblz.|5|
zijn, is een beoordeling van de arbeidsgeschiktheid immers niet aan de
orde. Daarnaast zal de inzet van de claimbeoordeling gericht zijn op het
vinden van mogelijkheden tot arbeid; de werknemer krijgt met andere
woorden niet langer te horen wat hij of zij niet kan, maar wordt
vanaf het begin van het proces begeleid in het zoeken naar wat hij of
zij wel
kan. Als uiterlijk na twee jaar is gebleken dat deze mogelijkheden niet
aanwezig zijn, komt de vraag aan bod of iemand volledig én duurzaam
ongeschikt is tot het verrichten van arbeid. De SER
en de commissie-Donner adviseerden om de mogelijkheid te introduceren om
deze vraag al eerder aan te orde te kunnen stellen; dit zou dan alleen
een zeer beperkte groep werknemers betreffen, waarvan evident is dat zij
nooit meer tot het verrichten van arbeid in staat zijn. Aan een
dergelijke flexibele keuring zijn echter ook nadelen verbonden. Op de
vraag of voor de zeer beperkte groep werknemers waarvan al eerder
evident is dat zij duurzaam niet langer in staat zullen zijn tot het
verrichten van arbeid, een eerdere beoordeling dan na twee jaar mogelijk
is, zal de regering daarom in de uitwerking van de regeling voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten nader ingaan. Met deze
inrichting van het stelsel na twee jaar van ziekte is in de ogen van de
regering de fundamentele wijziging compleet; alle mechanismen en
prikkels zijn dan, in combinatie met de inrichting van het proces van
claimbeoordeling, gericht op het bevorderen en versterken van de arbeidsgeschiktheid.
Het onderhavige wetsvoorstel bevat op twee punten een wijziging ten opzichte van het wetsvoorstel tot
verlenging van de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte dat door het vorige kabinet is ingediend en nadien
is ingetrokken.¹ Dit betreft in de eerste plaats het voorstel om de
subsidie bij reïntegratie bij een andere werkgever en de subsidie voor training,
scholing en begeleiding bij de eigen werkgever af te schaffen. Dit onderdeel
wordt verder toegelicht in hoofdstuk 5 van deze memorie. Een tweede wijziging betreft het
niet verlengen van de wettelijke minimumloongarantie in het tweede ziektejaar. Deze wijziging wordt toegelicht in
hoofdstuk 3. Voorts is de toelichting waar nodig geactualiseerd. Daarbij is
ook, omwille van de leesbaarheid en inzichtelijkheid, op hoofdlijnen de gedachtewisseling met de Tweede Kamer over het
ingetrokken
wetsvoorstel verwerkt, zoals deze tot uitdrukking kwam in de nota naar aanleiding
van het verslag.²
1. Kamerstukken II 2002-2003, 28 629,
nrs. 1-3 e.v.
2. Kamerstukken II 2002-2003, 28 629, nr. 8.
Het kabinet acht het van cruciaal belang dat het gehele nieuwe
stelsel nog deze kabinetsperiode in werking treedt. Om deze reden is het ten
zeerste gewenst en noodzakelijk de maatregelen die in dit wetsvoorstel zijn
opgenomen, per 1 januari 2004 in te voeren. Daardoor kunnen de andere onderdelen van het nieuwe
WAO-stelsel, die begin 2004 zullen worden ingediend, nog tijdens deze kabinetsperiode worden gerealiseerd.
Inwerkingtreding van de verlengde loondoorbetaling per 1 januari 2004 betekent
immers dat werknemers die na die datum ziek worden na twee jaar, dus vanaf 1 januari 2006, onder het nieuwe stelsel
vallen.
2.
Voorgeschiedenis
a.
Rapport Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid
In 2000 werd de
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid ingesteld.¹ De Commissie kreeg
als opdracht een analyse uit te voeren van de aard, de omvang en de
oorzaken van de arbeidsuitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid
alsmede de reïntegratie, en op basis van deze analyse aanbevelingen te
doen voor mogelijke oplossingen.
De Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid (commissie-Donner
II) heeft op 30 mei 2001 haar rapport uitgebracht. Het rapport bevat een
uitvoerige analyse. Tevens heeft de Commissie verschillende voorstellen
gedaan. Dit rblz.|6|
is niet de plaats om uitvoerig in te gaan op alle aanbevelingen.
Het
onderhavige wetsvoorstel beperkt zich immers tot de verlenging van
de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Op deze plaats wordt
dan ook uitsluitend ingegaan op de hoofdlijnen van het rapport. Tevens
wordt ingegaan op de onderdelen c.q. aanbevelingen die een duidelijk
verband hebben met het onderhavige wetsvoorstel.
1. Ministeriële regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, en de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juni 2000 (Stcrt. 2000, 125).
Centraal element in het rapport van de Adviescommissie is dat
werkhervatting voorop moet staan om arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat arbeidsongeschiktheid een relatief
en dynamisch karakter heeft en dat ziekte of gebreken kunnen samengaan met werkhervatting. Werk maken
van arbeidsgeschiktheid vindt plaats door een gerichte aanpak van het ziekteverzuim, onder meer door een
adequate behandeling van klachten, door aangepast werk of door
hervatting in ander werk (eventueel bij een andere werkgever). Werkgever en
werknemer dienen hiervoor gezamenlijk de verantwoordelijkheid te hebben. Stilzitten en
nietsdoen zal niet meer tot een WAO-uitkering
mogen leiden. De werkgever die niet voldoet aan zijn zorgplicht zal gehouden zijn voor onbepaalde tijd het loon door te betalen
(verlengen van de verplichte loondoorbetalingsperiode). De werknemer die niet
meewerkt aan hervatting of reïntegratie zal kunnen worden ontslagen. Aangezien ontslag
ultimum remedium is, wordt door de Adviescommissie
bepleit dat de mogelijkheid zou moeten bestaan om bij wijze van
eerste stap de bovenwettelijke aanvulling - boven de 70% van het loon die
op grond van de Wulbz ¹ verschuldigd is - stop te zetten of te
verminderen. De Adviescommissie beschouwt het adequaat regelen van geschillen en
de instelling van een geschillencommissie als een zorgplicht van de
werkgever. Werkgever en werknemer kunnen hun geschillen over de nakoming
van de wederzijdse zorgplichten in eerste instantie voorleggen aan
een gezamenlijk te benoemen vertrouwenscommissie of vertrouwenspersoon voor een bedrijf of een groep
bedrijven.
1. Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
(Stb. 1996, 134).
b.
Het SER-advies
Het toenmalige
kabinet heeft op 12 juni 2001 het rapport van de Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid ter beoordeling aan de SER
voorgelegd, met het verzoek er in algemene zin een oordeel over uit te
spreken en in het bijzonder in te gaan op een aantal concrete punten,
waaronder de verlengde loondoorbetalingsperiode. Op 22 maart 2002 heeft
de SER zijn advies over de voorstellen van de Commissie vastgesteld. Op
deze plaats wordt slechts ingegaan op de hoofdlijnen van het rapport,
alsmede op die onderdelen ervan die een duidelijk verband hebben met het onderhavige
wetsvoorstel.
Evenals de Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid hanteert de
SER als uitgangspunt dat ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid zoveel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan
wel te worden aangepakt binnen het kader van de arbeidsverhouding. Ook
de SER is van oordeel dat werkgever en werknemer gezamenlijk de
verantwoordelijkheid dragen. Zij moeten alles in het werk stellen om te
voorkomen dat de werknemer als gevolg van gezondheidsbelemmeringen of
een arbeidshandicap definitief buiten het arbeidsproces komt te staan.
In zijn advies formuleert de SER een pakket van voorstellen. Deze
voorstellen sluiten nauw aan op de hoofdlijnen van het rapport van de
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid.
In navolging van het rapport van de
commissie-Donner II heeft de SER onder meer voorgesteld om de periode
van de wettelijk verplichte loondoorbetaling te verlengen tot in
beginsel twee jaar. De verlenging van de loondoorbetalingsperiode
betekent volgens de SER een versterking van de verantwoordelijkheden van
werkgever en werknemer voor de aanpak rblz.|7|
van het ziekteverzuim. De loondoorbetalingsperiode kan langer dan twee
jaar zijn, bijvoorbeeld bij tekortschietende reïntegratie-inspanningen
van de werkgever of als werkgever en werknemer daartoe gezamenlijk
besluiten. De periode kan ook korter zijn, met name doordat het
keuringsmoment voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid - in de
nieuwe WAO - wordt geflexibiliseerd. In dit
verband is naar het oordeel van de SER bovendien relevant dat, als
onderdeel van het pakket van voorstellen, de centrale organisaties van
werkgevers en werknemers
zijn overeengekomen dat de loondoorbetaling tijdens het tweede
ziektejaar beperkt blijft tot de wettelijk verplichte 70% van het loon
en dat bestaande arbeidsvoorwaardelijke bepalingen hierover waar nodig
in deze zin worden aangepast.
De SER beschouwt het feit dat na één jaar
ziekte een teruggang in het inkomen optreedt als een belangrijke
endogene prikkel voor de werknemer om tot werkhervatting te komen. In
combinatie met de andere prikkels en verantwoordelijkheden voor
werkgever en werknemer in de periode van verplichte loondoorbetaling
ontstaat aldus een evenwichtige situatie waarin beide partijen worden
gestimuleerd al het nodige te doen om tot werkhervatting te komen.
Voorts heeft de SER in dit verband nog
opgemerkt dat tijdens de periode van de wettelijk verplichte
loondoorbetaling de aangescherpte en verduidelijkte
reïntegratieverplichtingen moeten gelden voor werkgever en werknemer in
de lijn van de Wet verbetering
poortwachter.
Tot slot is de SER - evenals de Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid - nog ingegaan op het beslechten van geschillen.
Gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer
voor de aanpak van het ziekteverzuim wordt eveneens de mogelijkheid
geopperd om een laagdrempelige voorziening te realiseren op het niveau
van de onderneming dan wel de bedrijfstak.
c.
Huidige wet- en regelgeving
In het laatste
decennium is een groot aantal maatregelen gerealiseerd om het
ziekteverzuim beter te beheersen en de WAO-instroom
te beperken.¹ Sinds de inwerkingtreding van de Wulbz
moet de werkgever gedurende het eerste ziektejaar ten minste 70% van het
loon doorbetalen aan zijn zieke werknemer met wie hij een
arbeidsovereenkomst heeft.
Per 1 april 2002 is de Wet verbetering
poortwachter ² in werking getreden. In deze wet zijn voorwaarden
geschapen voor een beter proces van werkhervatting in het eerste
ziektejaar. Daartoe is in deze wet onder meer de sinds de Wulbz geldende
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het publieke en private domein
geconcretiseerd en is de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van
zowel de werkgever als van de werknemer versterkt. Van beide wordt
verlangd dat zij zich inspanningen getroosten die gericht zijn op
reïntegratie. Indien de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om
zijn zieke werknemer te reïntegreren, dan kan de periode waarover hij
het loon moet betalen worden verlengd met nog eens maximaal één jaar.
Wanneer de werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan zijn eigen
reïntegratie, dan kan de werkgever het loon (volledig of gedeeltelijk)
inhouden. Tot slot zijn in de bij de Wet verbetering poortwachter
behorende ministeriële regeling Regeling procesgang
eerste ziektejaar ³ verschillende concrete handvatten gegeven voor
een effectiever optreden tijdens het eerste ziektejaar. De eerste
resultaten geven een positief beeld. Zo is het aantal WAO-aanvragen
gedaald ten opzichte van voorgaande jaren.
1. Ook vóór 1996 werden reeds verschillende wettelijke maatregelen getroffen: de
Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV) (Stb. 1992, 82), de
Wet terugdringing
ziekteverzuim (Wet TZ) (Stb. 1993, 750) en de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA) (Stb. 1993, 412). Sinds TZ/Arbo [Arbo:
Arbeidsomstandighedenwet, red.] is de werkgever verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding van zijn
werknemers en is een periode (van twee tot zes weken) van verplichte loondoorbetaling
door de werkgever ingevoerd.
2. Stb. 2001, 625.
3. Stcrt. 2002, 60.
In de
Wet verbetering poortwachter zijn de
voorstellen van de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid en van de SER
dus al grotendeels gerealiseerd. Ook in deze wet staat immers
werkhervatting en reïntegratie
rblz.|8|
voorop, waarbij van werkgever en werknemer wordt verlangd dat zij alles
op alles zetten om zo snel mogelijk tot werkhervatting te komen.
In de Wet verbetering poortwachter zijn enkele
voorstellen van de SER en de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid nog
niet gerealiseerd, zoals het uitbreiden van de loondoorbetalingsperiode
en de wijze waarop geschillen kunnen worden beslecht. De regering
verwezenlijkt deze voorstellen alsnog in dit wetsvoorstel.
Voorts wordt ingegaan op de voorstellen met betrekking tot de
bovenwettelijke aanvulling tijdens het tweede ziektejaar.
3.
Verlenging van de periode van loondoorbetaling bij ziekte
a.
Redenen voor verlenging
De regering wil met
dit wetsvoorstel prikkels en instrumenten
bieden voor het effectief uitoefenen van de verantwoordelijkheid door
werkgever en werknemer. Een belangrijke barrière betreft thans het feit
dat de oriëntatie op het verkrijgen van een WAO-uitkering,
die thans na één jaar ziekte kan worden toegekend, de
reïntegratie-inspanningen nu vaak negatief beïnvloedt. De
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid wijst in dit verband op de
"fuikwerking" van de WAO: mensen die niet meer adequaat
functioneren of moeilijk mee kunnen komen, worden in een fuik gezogen en
uiteindelijk afgeschreven, terwijl dat met enige investeringen voorkomen
had kunnen worden (zie bijvoorbeeld blz. 66 van het rapport van de
Commissie). In de gevallen dat er nog reïntegratiemogelijkheden zijn
(dat wil zeggen indien er geen sprake is van duurzame en volledige
arbeidsongeschiktheid), vermindert het uitzicht op een WAO-uitkering
thans de prikkels voor werkgever en werknemer om - aan het eind van het
eerste ziektejaar - al het mogelijke te blijven doen om tot
werkhervatting en reïntegratie te komen. Zieke werknemers zullen hun
aandacht ten minste voor een deel moeten verleggen van gerichtheid op
herstel en werkhervatting naar het verkrijgen van een WAO-uitkering (het
indienen van een aanvraag en een reïntegratieverslag, het doorlopen van
het proces van WAO-beoordeling, etc.). Indien de werkgever rekent met
een gerede kans op een spoedig einde aan de loondoorbetaling, is er voor
hem minder reden om nog te investeren in reïntegratie. De verhouding
tussen kosten en opbrengsten wordt dan immers ongunstiger ingeschat. Dit
laatste geldt nog scherper voor de eventuele particuliere verzekeraar
van de verzuimkosten. Naarmate de periode van loondoorbetaling die hij
nog verzekerd heeft korter is, is zijn mogelijke schadelast bij een
verzuimgeval kleiner en neemt de mogelijke opbrengst van investeringen
in reïntegratie evenredig af. Voor de verzekeraar is derhalve het
financiële belang om inspanningen te verrichten aanmerkelijk geringer
in de laatste maanden van het eerste ziektejaar.
De duur van de verantwoordelijkheid van de
werkgever voor de reïntegratie van zijn zieke werknemer is echter niet
begrensd tot de huidige periode van loondoorbetaling, zoals vaak wordt
gedacht, maar gekoppeld aan de duur van het dienstverband. Door de
werking van het opzegverbod bij ziekte is de werkgever in de regel twee
jaar verantwoordelijk voor de reïntegratie. Vanuit het perspectief van
de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het publieke en private domein
is de huidige situatie - dat in het tweede jaar een (gedeeltelijke)
WAO-uitkering wordt toegekend en de loondoorbetaling wordt beëindigd -
onevenwichtig. Als gevolg van deze onevenwichtige systematiek verkeren
veel werkgevers (ten onrechte) in de veronderstelling dat na dit eerste
jaar het UWV
de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie overneemt, omdat de
werknemer dan in de WAO instroomt. Deze onduidelijkheid wordt met dit
wetsvoorstel weggenomen. Met dit voorstel worden de periode van
loondoorbetaling, de duur van de reïntegratieverantwoordelijkheid, de
wederzijdse aanspraken op werkhervatting en de periode van
ontslagbescherming consequent aan elkaar rblz.|9|
gekoppeld. Daardoor is de verwachting dat werkgevers ook gedurende het
tweede ziektejaar hun verantwoordelijkheid nemen, omdat zij financieel
verantwoordelijk blijven voor hun zieke werknemer. Dit is ook de
argumentatie die de SER vooropstelt bij de
keuze voor een verlenging van de loondoorbetalingsperiode (zie blz. 109
van het SER-advies).
In de huidige situatie is het bovendien
onevenwichtig dat de werkgever die zijn
reïntegratieverantwoordelijkheid in het tweede jaar wél neemt, niet de
volledige mogelijkheden heeft - die de Wet verbetering
poortwachter biedt - om de eventueel onwillige werknemer tot
medewerking te bewegen. De mogelijkheden om sancties te treffen op het
inkomen van de werknemer liggen dan namelijk niet bij de werkgever, maar
bij het UWV. Eén en ander klemt te meer nu per 1 januari 2003 de
verantwoordelijkheid van de werkgever voor reïntegratie is uitgebreid
met de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie bij een andere
werkgever indien in het eigen bedrijf geen mogelijkheden (meer) zijn.
Gezien het bovenstaande is de regering van
mening dat het effect van de huidige beperking van de loondoorbetaling
tot één jaar negatief is. Het wetsvoorstel maakt een einde aan de
huidige onevenwichtigheid en breidt de periode uit waarop de Wet
verbetering poortwachter van toepassing is. Werkgevers en werknemers
worden nog meer en duidelijker aangesproken op hun verantwoordelijkheden
en wederzijdse verplichtingen voor preventie en reïntegratie.
Evenwichtigheid is ook aan de orde waar
het gaat om een verdeling van de financiële prikkels tussen werkgever
en werknemer. De regering is van mening dat het gewenst is
bovenwettelijke aanvullingen in het tweede ziektejaar af te bouwen,
omdat zij tot gevolg hebben dat het verschil tussen het laatstverdiende
loon en de inkomsten bij ziekte wordt beperkt. In vergelijking met het
inkomen bij ziekte moet werkhervatting lonen. Het achterwege laten van
de bovenwettelijke aanvullingen in het tweede ziektejaar is gericht op
het realiseren van een financiële prikkel voor de werknemer tot werk.
Voorliggend wetsvoorstel houdt primair een prikkel in voor werkgevers
tot verzuimduurreductie en beheersing van de WAO-instroom.
De regering is van mening dat sprake dient te zijn van evenwichtige
prikkels voor werkgever en werknemer. Door het achterwege laten van
bovenwettelijke aanvullingen in het tweede ziektejaar worden werknemers
eveneens gestimuleerd tot werkhervatting en is van het beoogd evenwicht
sprake.
De regering verwijst in dit verband met
instemming naar eerder genoemde verklaring van de in de Stichting van de
Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers
van 22 maart 2002. Tegen de achtergrond van de SER-voorstellen
zijn deze organisaties overeengekomen de loondoorbetaling tijdens het
tweede ziektejaar te beperken tot de wettelijk verplichte 70% van het
loon en de bestaande arbeidsvoorwaardelijke afspraken in die zin aan te
passen. Als voorwaarde is hierbij gesteld dat de hoofdlijnen van het
SER-advies zullen worden uitgevoerd, aangezien deze maatregel onderdeel
uitmaakt van een onderling samenhangend pakket van maatregelen.
Nu het kabinet de hoofdlijnen van de
SER-voorstellen heeft overgenomen en voornemens is deze voorstellen door
middel van wetgeving te concretiseren, is in hoofdzaak tegemoet gekomen
aan de door sociale partners gestelde voorwaarde. Van belang is ook dat
werkgevers en werknemers zelf alle belang hebben bij het creëren van
stimulansen om tot werkhervatting te komen. Het beperken van de
bovenwettelijke aanvulling zal werknemers immers ook in financieel
opzicht stimuleren om weer aan het werk te gaan en aldus
uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen.
De regering doet een klemmend beroep op (de
organisaties van) werkgevers en werknemers om het beperken van de
bovenwettelijke aanvulling vorm te geven, waardoor ook langs deze weg
tussen werkgever en werknemer een meer evenwichtige verdeling van
financiële prikkels zal rblz.|10|
ontstaan en zieke werknemers in het tweede ziektejaar worden
gestimuleerd om werk te hervatten. De regering wil deze maatregel
ondersteunen en bevorderen vanuit haar eigen verantwoordelijkheid voor
een beheerst beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Zoals eerder opgemerkt, is de regering voornemens in het kader van het
nieuwe WAO-complex op te nemen dat alleen werknemers die in het tweede
ziektejaar 70% van hun loon krijgen betaald (en dus geen bovenwettelijke
aanvulling ontvangen als zij niet werken) in aanmerking komen voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het is immers niet de bedoeling dat
werknemers zonder meer toegang krijgen tot een
arbeidsongeschiktheidsregeling, terwijl dit had kunnen worden voorkomen
door op reïntegratie gerichte inspanningen.
In lijn met de gewenste afbouw van
bovenwettelijke aanvullingen wordt in dit wetsvoorstel
voorgesteld om de garantie dat de werknemer bij ziekte ten minste het minimumloon
behoudt niet te verlengen naar het tweede ziektejaar en dus te beperken
tot het eerste ziektejaar. Hierbij krijgt de werknemer met een beloning
op minimumloonniveau of vlak daarboven bij de overgang van het eerste
naar het tweede ziektejaar een financiële prikkel gericht op herstel en
reïntegratie naar betaald werk. Betrokkene ontvangt in zo’n situatie
dan aan loondoorbetaling 70% van het laatstverdiende loon en niet langer
100% van het minimumloon. Dit is evenwichtig ten opzichte van overige
situaties waarbij de afbouw van bovenwettelijke uitkeringen aan de orde
is; in die situaties ontvangt de betrokken werknemer bij de overgang van
het eerste naar het tweede jaar immers ook een lager bedrag aan loon
(namelijk 70% van het laatstverdiende loon). Voor de betrokken werkgever
impliceert dit dat hij in het tweede ziektejaar minder loon hoeft door
te betalen.
Ingeval de werknemer in het tweede ziektejaar
onder het voor hem geldende sociaal
minimum
zou belanden, kan hij in aanmerking komen voor een toeslag onder de
voorwaarden van de Toeslagenwet.¹
Dit voorstel betekent ten opzichte van de
huidige situatie overigens geen verslechtering. Thans wordt aan
betrokkene één jaar lang het loon doorbetaald, waarbij het loon ten
minste het minimumloon bedraagt. Na dat jaar komt betrokkene in
aanmerking voor een WAO-uitkering (70% van het
laatste loon, met eventueel een toeslag). Wanneer de minimumloongarantie
ook in het tweede jaar zou gelden, zou dit in feite een verbetering in
inkomensaanspraken betekenen, hetgeen ten opzichte van overige gevallen
moeilijk te rechtvaardigen zou zijn en vanuit oogpunt van activering
ongewenst is.²
Het voorstel tot verlenging van de
loondoorbetalingsverplichting heeft ook consequenties voor de
financiering van de WAO. In de huidige Pemba-systematiek
³ is er voor grote bedrijven een op ondernemingsniveau
gedifferentieerde premie, op basis van de lasten van de eerste vijf jaar
van arbeidsongeschiktheid van de eigen werknemers. Nu als gevolg van dit
wetsvoorstel de loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd naar twee
jaren, betekent een gelijkblijvende risicoverdeling een beperking van
genoemde premiedifferentiatie tot de lasten van de arbeidsongeschiktheid
van de eerste vier jaren. Voor kleine bedrijven geldt thans geen
gedifferentieerde premie. Wel heeft het kabinet het voornemen om voor
kleine bedrijven per 1 januari 2004 een op brancheniveau
gedifferentieerde premie in te voeren (Kamerstukken 2002-2003, 22 187,
nr. 187). Ook voor kleine bedrijven zal deze premiedifferentiatie op
grond van dit wetsvoorstel betrekking hebben op vier jaren in plaats van
vijf.
1. Omdat werknemers die
bij ziekte aanspraak hebben op
loondoorbetaling formeel recht hebben op Ziektewet
- de uitkering wordt echter niet uitbetaald
vanwege de aanspraak op loondoorbetaling - kunnen zij ook in aanmerking komen voor een
toeslag op grond van de Toeslagenwet. In
het algemeen zal hiervan sprake zijn
wanneer de betrokken werknemer geen
verdienende partner heeft. De toeslag wordt door het UWV
verstrekt. In bepaalde situaties kan
een aanvulling vanuit de Algemene bijstandswet
[zie Wet werk en bijstand, red.] aan de orde zijn, met name omdat de
Toeslagenwet in het kader van zgn.
1990-maatregel het recht op toeslag ontzegt aan degene wiens partner geboren is na 31 december
1971 (tenzij er een kind is jonger dan
twaalf jaar).
2. Het niet verlengen van
de minimumloongarantie heeft overigens ook geen
negatief effect op een eventueel volgend
recht op WAO- of
WW-uitkering. Op grond
van de dagloonregels die op die uitkeringen
betrekking hebben [zie Dagloonregelen Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, red.], worden voor de
vaststelling van het dagloon slechts dagen in
aanmerking genomen waarop de werknemer
gedurende ten minste de voor hem normale
werktijd werkzaam was. Bovendien worden voor de vaststelling van het WW-dagloon dagen in
aanmerking genomen waarop de
werknemer niet heeft gewerkt en waarover hij
volledige doorbetaling van zijn
loon heeft genoten. Dagen waarop de werknemer
in verband met ziekte een
loondoorbetaling heeft ontvangen van 70% van het normale
loon worden derhalve niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van het WAO
en WW-dagloon en leiden niet tot een
verlaging van dat dagloon.
3. Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Op de gevolgen van
het
wetsvoorstel voor de verzekerbaarheid en voor de ZW
wordt hierna in afzonderlijke paragrafen ingegaan.
Het onderhavige voorstel
om de loondoorbetalingsplicht te verlengen tot twee jaar vormt een
onderdeel van het geheel aan voornemens van het
rblz.|11|
kabinet op het terrein van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Meer
in het bijzonder maakt het voorstel deel uit van het voornemen tot
ingrijpende herziening van de WAO. De beoogde
datum van inwerkingtreding is 1 januari 2004. Die datum is bovendien van
betekenis voor het nog in te dienen wetsvoorstel tot ingrijpende
herziening van de WAO. Inwerkingtreding van de verlengde
loondoorbetaling per 1 januari 2004 betekent dat de wet zal werken voor
werknemers die vanaf die datum ziek worden. Deze werknemers komen dan na
twee jaar (vanaf 1 januari 2006) eventueel in aanmerking voor de (in de
kabinetsvoornemens inmiddels gewijzigde) WAO. Om de stelselwijziging zo
snel mogelijk in te voeren, hecht de regering aan inwerkingtreding van
de verlengde loondoorbetaling per 1 januari 2004.
Het geschetste tijdpad geeft betrokkenen ruim
voldoende tijd om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie. In het
jaar 2004 verandert er nog weinig aangezien werkgevers nu ook al
verplicht zijn om tijdens het eerste ziektejaar het loon door te
betalen. Pas in 2005 zullen werkgevers het loon langer dan één jaar
moeten gaan doorbetalen.
b.
Duur van de verlenging
De regering is van
mening dat verlenging van de periode van verplichte loondoorbetaling
werkgever en werknemer zullen stimuleren om hun verantwoordelijkheid te
nemen. De regering onderschrijft dan ook het voorstel dat de
SER heeft gedaan - in navolging van de
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid - om de periode van verplichte
loondoorbetaling bij ziekte te verlengen tot in beginsel twee jaar. Dat
de loondoorbetalingsperiode op dit moment nog beperkt is tot één jaar
heeft immers enkele nadelen die een periode van twee jaar niet heeft.
Het is inconsistent dat de werkgever in het algemeen wel gedurende twee
jaar verantwoordelijk is voor de reïntegratie, terwijl niet hij, maar
het UWV
- dat immers de WAO-uitkering betaalt - de
mogelijkheid heeft om de medewerking van zijn werknemer via zijn inkomen
af te dwingen. Deze nadelen doen zich niet voor bij een
loondoorbetalingsperiode van twee jaar. Zoals reeds eerder opgemerkt,
worden met dit voorstel de periode van
loondoorbetaling, de duur van de reïntegratieverantwoordelijkheid, de
wederzijdse aanspraken op werkhervatting en de periode van
ontslagbescherming consequent aan elkaar gekoppeld.
De duur van twee jaar kan worden overschreden
als na twee jaar geen reïntegratie is gerealiseerd als gevolg van
onvoldoende reïntegratie-inspanningen door de werkgever. In die
situatie kan het UWV immers bij wijze van sanctie de periode van
loondoorbetaling verlengen met maximaal één jaar.
Ook indien werkgever en werknemer daartoe
gezamenlijk besluiten, kan de periode van loondoorbetaling langer zijn
dan twee jaar. De met de Wet verbetering
poortwachter geïntroduceerde mogelijkheid om de periode van
loondoorbetaling vrijwillig te verlengen - en het moment van de
WAO-keuring uit te stellen - blijft namelijk van kracht. Dat hieraan
behoefte bestaat, blijkt uit de eerste resultaten van de Wet verbetering
poortwachter. Na een aarzelend begin worden in toenemende mate aanvragen
voor deze vrijwillige verlenging ingediend (blijkens gegevens van het
UWV bijna 1000 gehonoreerde verzoeken per maand in het eerste kwartaal
2003). Dit illustreert de wenselijkheid van de mogelijkheid tot
verlenging. Wel wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om de voor de
vrijwillige verlenging geldende maximumduur (één jaar) te laten
vervallen, zodat werkgever en werknemer in de toekomst zelf kunnen
uitmaken voor welke duur zij de loondoorbetalingsperiode willen
verlengen.
rblz.|12|
c.
Gevolgen voor de verzekerbaarheid
Het wetsvoorstel
kan gevolgen hebben voor private verzekeringen die werkgevers hebben
afgesloten dan wel wensen af te sluiten. Hierbij zijn verschillende
aspecten aan de orde. Eerder is al gewezen op de rol en het belang van
verzekeraars, in het kader van de schadelastbeperking, bij het
verrichten van reïntegratie-inspanningen. Een ander aspect betreft de
toegankelijkheid inzake het afsluiten of wijzigen van verzekeringen. Het
gaat allereerst om verzekeringen voor de ziekteperiode. Daarbij speelt
in het bijzonder de vraag naar het meeverzekeren van werknemers die ziek
zijn op het moment dat de werkgever de dekking van de verzekering wil
uitbreiden van één naar twee jaar, maar ook om het meeverzekeren van
werknemers die ziek zijn op het moment dat een tot dan toe
niet-verzekerde werkgever een ziekengeldverzekering wil afsluiten. Met
verzekeraars is daarover contact opgenomen. Het Verbond van Verzekeraars
heeft aangegeven dat daarbij voor wat betreft de verlenging van de
loondoorbetaling zal worden gehandeld als bij de inwerkingtreding van de
Wulbz.¹
Omdat - in tegenstelling met de situatie rond
de inwerkingtreding van de Wulbz - de door verzekeraars opgedane
ervaring met ziekengeldproducten ertoe leidt dat geen sprake is van een
voor hen onbekende markt, verwacht de regering dat sprake zal zijn van
een verantwoorde premiestelling. Verzekeraars zijn thans goed in staat
om het ziekengeldrisico in te schatten en daarop een adequate premie te
calculeren. Daarbij zijn zij zeer wel in staat de consequenties te
bepalen van de verlenging van de loondoorbetalingsperiode. Omdat
verzekeraars inmiddels ook een aantal jaren ervaring hebben met
schadelastbeperking voor dit risico, al dan niet in samenwerking met
reïntegratiebedrijven, zal ook dit een premiedrukkende effect hebben.
Hetzelfde geldt voor de toegenomen concurrentie die veelal volgt als een
markt nieuwe openingen biedt.
Een ander aspect betreft de effecten van het
verkorten van de
Pemba-periode met één jaar en het omzetten
van lopende, aan de WAO verbonden verzekeringen
onder invloed daarvan. Ook hiervan verwacht de regering geen problemen.
Zowel in de particuliere verzekeringen voor eigenrisicodragers WAO als
in de particuliere verzekeringen die het risico van een hogere
gedifferentieerde Pemba-premie dekken, zijn niet op korte termijn
aanpassingen nodig.
De onderhandelingspositie van de
verzekeringnemer, de werkgever, ten opzichte van de verzekeraar is al
met al bij het afsluiten en wijzigen van verzekeringen zodanig dat hij
niet afhankelijk is van de aanbieding en het daarbij behorende
premieniveau van de verzekeraar.
1. Dit betekent het bieden van volledige toegankelijkheid gedurende een periode van
een halfjaar vanaf de datum waarop de wetswijziging ingaat tegen een gemaximeerde
premie van 2,5-maal de gemiddelde premie van de collectiviteit op basis van het verzuim
in de bedrijfstak. Voor de goede orde zij erop gewezen dat het eerstejaarsrisico niet
non-select wordt geaccepteerd als dat nog niet verzekerd was.
Onder invloed van
voorliggend wetsvoorstel zullen bedrijven
niet alleen hun ziekengeldverzekering willen wijzigen of een verzekering
willen sluiten. Tevens zullen werkgevers in hun contracten met
arbodiensten voor zover nodig de verplichte bijstand moeten uitbreiden
naar twee jaar. Ook deze aanpassing in de bedrijfsvoering is niet
problematisch. De eerste materiële effecten zullen zich pas voordoen in
2005, zodat bedrijven, evenals bij verzekeraars, voldoende tijd hebben
om genoemde contracten aan te passen. Gezien de termijn die werkgevers
ter beschikking staat om hun bedrijfsvoering en de contracten met
verzekeraars en arbodiensten aan te passen, is de regering van mening
dat gesproken kan worden van een verantwoorde invoering.
d.
Duur van de Ziektewet
Het voorstel
heeft ook gevolgen voor de
ZW. Evenals voor de periode van
loondoorbetaling geldt ook thans voor de ZW-uitkering een maximumduur
van één jaar. Om eventuele aansluitingsproblemen te voorkomen, rblz.|13|
wordt met dit voorstel ook in de ZW de maximumduur verlengd tot twee
jaar. Dit wordt in deze paragraaf nader toegelicht.
De
huidige situatie is als volgt. Sinds de invoering van de Wulbz,
in 1996, fungeert de ZW
als vangnetvoorziening voor werknemers die geen werkgever (meer) hebben
en waarbij dus ook geen aanspraak kan bestaan op loondoorbetaling bij
ziekte. Een belangrijke overweging om een vangnetvoorziening te
creëren, was dat op deze wijze kon worden gewaarborgd dat bij ziekte
gelijke aanspraken op inkomen zouden bestaan: er diende geen tweedeling
tussen "soorten" werknemers te ontstaan, naargelang van de
aard van het dienstverband.
Het vangnet van de ZW verzekert onder meer de
werknemers die geen werkgever (meer) hebben, omdat hun
arbeidsovereenkomst is geëindigd, zoals flexwerkers en uitzendkrachten.
Aangezien er geen arbeidsovereenkomst (meer) met hen is, kunnen de
vangnetwerknemers in geval van ziekte geen aanspraak maken op loon, maar
in plaats daarvan aanspraak maken op de loondervingsuitkering van de ZW.
Daarnaast geldt het vangnet voor andere groepen, zoals zieke werklozen
en personen met een bijzondere arbeidsverhouding (zgn. rariteiten en
gelijkgestelden: thuiswerkers, musici, freelancers). Voorts is voor
bepaalde werknemers een bijzondere bescherming gecreëerd om
risicoselectie door werkgevers te voorkomen (orgaandonoren, ziekte
tengevolge van zwangerschap of bevalling, herintredende
arbeidsgehandicapten). Zij kunnen eveneens aanspraak maken op
ziekengeld, hoewel zij bij ziekte in dienst blijven van de werkgever.
Het vangnet omvat derhalve een bonte verzameling van verschillende
groepen, van wie sommige bij ziekte een doorlopend dienstverband hebben,
andere een aflopend dienstverband en weer andere een beëindigd
dienstverband of een bijzondere arbeidsverhouding.
Het UWV is
verantwoordelijk voor de uitvoering van de ZW, de verzuimbegeleiding en
de reïntegratie van de zieke vangnetwerknemers.
De ZW-uitkeringen worden gefinancierd uit de
premies voor het vangnet die worden opgebracht door alle werkgevers.
Bij
de verlenging van de loondoorbetalingsplicht naar twee jaar komt de
vraag op welke gevolgen dit dient te hebben voor de groepen die onder
het vangnet vallen en voor de duur van de ZW.
Voor het kabinet geldt in elk geval het
volgende uitgangspunt. Nu op grond van dit
wetsvoorstel de loondoorbetalingsperiode voor de werkgever wordt
verlengd, wordt ook het moment waarop aanspraak kan worden gemaakt op
een WAO-uitkering verlegd naar 104 (in plaats
van de huidige 52) weken. Het ligt dan ook voor de hand om ook voor de
vangnetwerknemers eenzelfde wachttijd te hanteren en dus ook de
ZW-periode te verlengen; het enkele feit dat de vangnetwerknemer in het
algemeen geen arbeidsovereenkomst (meer) heeft, is geen reden om een
andere wachttijd voor de WAO te hanteren. Door voor zowel de
loondoorbetaling als voor de ZW dezelfde termijn (en wachttijd) te
hanteren, wordt voorkomen dat zich aansluitingsproblemen voordoen.
Niet ontkend kan echter worden dat werkgevers ten aanzien van hun
vangnetwerknemers een geringere financiële prikkel ondervinden en
hierdoor minder betrokken zijn bij de verzuimbegeleiding en
reïntegratie dan werkgevers die het loon moeten doorbetalen.
In de adviezen van de Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid en van de SER
is tegen deze achtergrond met name ingegaan op de positie van
uitzendkrachten en tijdelijke krachten. De Adviescommissie
Arbeidsongeschiktheid stelde, gelet op de eigensoortige problematiek die
daarbij aan de orde is, een afwijkend regime voor deze groepen voor (met
name invoering van een referte-eis, zoals in de WW).
De SER kondigde in zijn advies van 22 maart 2002 aan met een
vervolgadvies ter zake te komen. Het vorige kabinet heeft daarop het
voornemen geuit in het kader van de rblz.|14|
nadere vormgeving van het WAO-complex op basis
van de door de SER aangedragen punten aandacht te besteden aan de
bijzondere positie van uitzendkrachten, flexwerkers en overige
vangnetwerknemers.¹
1. Kamerstukken II 2001-2002, 28 629, nr. 4.
Het
huidige kabinet heeft inmiddels, vooruitlopend op het aangekondigde
vervolgadvies van de SER, de problematiek
nader verkend. Hieruit komt naar voren dat bij vangnetgroepen die nu
aanspraak maken op ziekengeld sprake is van een weerbarstige materie.
Enerzijds bemoeilijkt de heterogene samenstelling van de populatie een
eenduidige aanpak, anderzijds is met name bij uitzendkrachten en
tijdelijke krachten vanuit oogpunt van activering sprake van een
bijzondere problematiek.
Een specifiek probleem voor tijdelijke krachten
is dat sprake is van een "breuk" in de aanpak van het verzuim,
doordat het contract tijdens ziekte afloopt. Dit betekent dat betrokkene
bij ziekte eerst onder het Wulbz-regime valt
en, bij einde contract, onder het vangnet ZW,
voor zover de maximumduur van de ziekteperiode niet is verstreken. Dit
leidt tot "overdracht" van gevallen en bemoeilijkt een
daadkrachtige aanpak van het (langdurig) verzuim.
Bij de meeste vormen van uitzendwerk vervalt
het contract van rechtswege bij ziekte en wordt het UWV
verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding en reïntegratie. Ook hier
is sprake van overdracht van verantwoordelijkheden. Een bijzonder
probleem is het relatief hoge ZW- en WAO-verzuim
binnen de uitzendsector. Hiervoor zijn verschillende oorzaken.
Allereerst kan de driehoeksverhouding tussen uitzendorganisatie, inlener
en werknemer leiden tot "werkgeverschap op afstand". De
uitzendorganisatie - de werkgever - heeft veelal weinig grip op het
voorkomen van het verzuim, omdat de inlener verantwoordelijk is voor de
arbeidsomstandigheden waaronder de uitzendkracht werkt. In de tweede
plaats is volgens de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid het vangnet
ZW voor uitzendkrachten met een kort arbeidsverleden (maar ook voor
anderen, zoals tijdelijke contractanten) aantrekkelijker dan
werkloosheid, omdat bij een kort arbeidsverleden veelal niet voldaan kan
worden aan de referte-eis WW. Zieke
uitzendkrachten krijgen via het vangnet ziekengeld en daarnaast
aanvulling vanuit de sector, in nettotermen bijna 100%. Aldus bezien
biedt het vangnet ZW geen financiële prikkel tot beperking van het
verzuim. Voorts is de prikkelwerking voor de werkgever onevenwichtig.
Belangrijkste reden is dat de werkgever (i.c. de uitzendorganisatie)
wordt geconfronteerd met langlopende financiële verplichtingen (ZW/Pemba),
ook in het geval sprake is van een uitzendkracht die slechts kort heeft
gewerkt, terwijl hij formeel noch materieel invloed kan uitoefenen op
het verzuim. Dit wordt als onrechtvaardig en disproportioneel ervaren.
Het
kabinet heeft, vanuit deze analyse, bezien op welke wijze aan de
geschetste problematiek tegemoet kan worden gekomen.
Allereerst zou kunnen worden gedacht aan
invoering van een referte-eis, om de langdurende inkomensbescherming
voor arbeidskrachten met een kortdurend arbeidsverleden in te perken,
zoals bepleit door de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid. Deze
variant roept echter fundamentele vragen op ten aanzien van de
rechtvaardiging van het onderscheid met gewone werknemers en ten aanzien
van de gevolgen voor toegang tot de WAO voor
degenen die niet aan de referte-eis voldoen. De variant is ook kwetsbaar
vanuit oogpunt van internationale verdragen en verplichtingen. Uit het
gegeven dat in 2001 bij flexwerkers de beëindiging van de ZW-uitkering
in 77% van de gevallen plaatsvond binnen twee weken kan verder niet
zonder meer de conclusie worden getrokken dat sprake is van
"overmatig" gebruik van het vangnet ZW. Ook blijkt uit recent
onderzoek dat met name uitzendkrachten met een langdurig uitzendcontract
een hoger verzuim hebben dan uitzendkrachten met een kortdurend
contract.¹ Deze gegevens ondersteunen derhalve evenmin deze variant.
rblz.|15|
Ook is een variant bezien waarbij de werkgever materieel
verantwoordelijk wordt voor de uitkering van het ziekengeld en
verzuimbegeleiding/ reïntegratie. Dit resulteert in een directere
verantwoordelijkheid van het uitzendbureau voor de eerste twee jaar van
ziekte. Deze variant komt neer op het verplicht eigenrisicodragen van
het ZW-risico, met een achtervangfunctie voor het
UWV. Het kan daarmee een bijdrage leveren
aan de beoogde activering richting de werkgever. De variant biedt echter
geen keuzevrijheid aan de werkgever om eigenrisicodrager te worden; deze
keuzemogelijkheid is juist recent ingevoerd. Bovendien moet worden
bedacht dat het bij flexibele arbeidskrachten en uitzendkrachten gaat om
bijzondere arbeidsrelaties, met een veelal tijdelijk karakter, waarvoor
werkgever en werknemer veelal uitdrukkelijk hebben gekozen. Tot slot
handhaaft deze variant een langdurige inkomensbescherming bij
kortdurende arbeidsrelaties.
1. Ecorys-NEI: aard en
oorzaken ziekteverzuim uitzendbranche, 2003.
Deze analyse ondersteunt de keuze van het kabinet om de periode van
ziekengeld voor alle vangnetgevallen te verlengen naar twee jaar. Zoals
eerder aangegeven, worden hierdoor aansluitingsproblemen voorkomen. De
geschetste alternatieven roepen vooralsnog fundamentele vragen op en
leiden tot ingrijpende wijzigingen, zowel voor de wetgeving als de
uitvoering. Bovendien zijn de geschetste alternatieven partieel in die
zin dat zij nog geen richting aangeven hoe met de overige vangnetgroepen
moet worden omgegaan. Tot slot is het kabinet nog in afwachting van het
vervolgadvies van de SER.
De
keuze om de periode van ziekengeld op grond van de ZW
te verlengen naar twee jaar is niet alleen ingegeven door bovengenoemde
overwegingen (andere varianten voldoen niet), maar ook door de volgende
overwegingen.
In
de eerste plaats is in de financiering van het vangnet voor de
uitzendsector een bepaalde prikkel ingebouwd. In de uitzendsector geldt
wat betreft de vangnetpremie namelijk een systeem van
premiedifferentiatie, waarbij gedifferentieerd wordt naar soort
uitzendbedrijf (administratief en industrieel) met vervolgens drie
premieklassen: "korting", "midden" en
"opslag". Daardoor levert het systeem van premiedifferentiatie
de nodige prikkels op om binnen de betreffende soort uitzendbedrijven
activiteiten gericht op preventie en reïntegratie te ondernemen.
Bovendien worden werkgevers in de uitzendbranche niet onevenredig
(financieel) belast. Dit neemt niet weg dat nu de werkgevers in de
uitzendbranche als gevolg van dit wetsvoorstel
ook voor het tweede ziektejaar vangnetpremie moeten betalen, dit zal
leiden tot een toename van de totale vangnetlasten. Tegenover deze
lastenverzwaring staat echter een vermindering van WAO-lasten
voor werkgevers. Macro bezien verloopt deze lastenverschuiving neutraal
(zie ook
hoofdstuk 6 van deze memorie).
In
de tweede plaats ontbreekt het bij het UWV
niet aan impulsen om zijn verantwoordelijkheid jegens vangnetwerknemers
in te vullen. Allereerst ziet het UWV het goed uitvoeren van de ZW
voor werknemers zonder werkgever als één van zijn kerntaken. Hiervan
maakt de verzuimbegeleiding onderdeel uit en - evenals voor een
werkgever - geldt voor het UWV de Wet verbetering
poortwachter en de bijbehorende Regeling procesgang eerste
ziektejaar. Een belangrijk onderdeel van de taken die het UWV in dit
kader uitvoert, is het vervullen van de zogeheten arborol voor zieke
vangnetwerknemers. Het UWV heeft in het kader van de Wet verbetering
poortwachter aanzienlijke financiële middelen (€|35,5
miljoen structureel) gekregen voor de invulling van zijn arborol ten
aanzien van vangnetwerknemers. In samenspraak met de uitzendbranche
wordt daarnaast door het UWV een intensieve begeleiding van zieke
uitzendkrachten toegepast, waarbij de ziek gemelde uitzendkracht snel
wordt benaderd en rblz.|16|
een directer contact met de uitzendkracht plaatsvindt. Ondanks de
omstandigheid dat het UWV verantwoordelijk is voor de verzuimbegeleiding
van uitzendkrachten, speelt ook de uitzendorganisatie hierbij dus zelf
een rol. De eerste signalen over de periode na de inwerkingtreding van
de Wet verbetering poortwachter per 1 april 2002 zijn gunstig. Volgens
het UWV wijzen deze signalen uit dat de geïntensiveerde arbozorg
positieve effecten heeft op het langdurig verzuim: de duur van het
verzuim daalt. Wanneer deze arbozorg ook tijdens het tweede ziektejaar
zal worden voortgezet, valt hiervan dan ook een positief effect op het
ziekteverzuim en de WAO-instroom te verwachten.
In zijn jaarplan voor 2004 geeft het UWV ook
aan dat het met een verbeterde uitvoering van de arborol langdurig
verzuim en WAO-instroom van de vangnetpopulatie ZW zoveel mogelijk wil
voorkomen. Zo is de rol van de reïntegratiebegeleider versterkt.
Daarnaast wordt in samenwerking met de uitzendbureaus een gezamenlijk
aanpak voor het ziekteverzuim ontwikkeld. Deze aanpak wordt in 2004
landelijk uitgerold. UWV verwacht hierdoor dat in 2004 ten minste 96%
van de vangnetgevallen zonder werkgever vóór einde wachttijd is
hersteld.
In
de derde plaats is van belang dat uitzend- en andere werkgevers die de
verzuimbegeleiding en reïntegratie van hun vangnetwerknemers niet
willen overlaten aan het UWV, maar de regie
in eigen hand willen hebben, deze taken bovendien zelf kunnen gaan
verrichten door ervoor te kiezen om eigenrisicodrager voor de ZW
te worden. Werkgevers kunnen hiervoor tweemaal per jaar, per 1 januari
en 1 juli, opteren. Zij moeten daarbij een gelimiteerde garantie kunnen
overleggen dat bij betalingsproblemen aan de verplichtingen wordt
voldaan en aantonen dat zij zich laten bijstaan door een arbodienst.
Deze mogelijkheid is gecreëerd door de invoering, per 1 maart 2003, van
de
Wet eigen risico dragen Ziektewet.¹ Voorts kan worden gewezen op de
inspanningen tot beheersing van het verzuim waartoe partijen in de
uitzendsector recent een arboconvenant hebben afgesloten.
1. Stb. 2002, 584.
Nogmaals wordt opgemerkt dat het kabinet met belangstelling het eerder
aangekondigde vervolgadvies van de SER
tegemoet ziet. Dat advies zal alsdan worden bezien in het kader van de
nadere vormgeving van het WAO-complex.
4.
Verantwoordelijkheidsverdeling; rechten en plichten werkgever en
werknemer
a.
Verantwoordelijkheidsverdeling
In de Wet verbetering
poortwachter is de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het UWV
en de private partijen (werkgever, werknemer en arbodienst) duidelijk
omschreven. Voorts zijn de rechten en plichten van werkgever, werknemer
en arbodienst opnieuw gedefinieerd. Met het voorliggend wetsvoorstel
wil de regering niet een geheel andere koers gaan varen. Integendeel,
zij wil de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer verder
versterken, door voort te bouwen op hetgeen op dit punt al is bereikt.
Uitgangspunt is dan ook dat de Wet verbetering poortwachter en de daarop
gebaseerde
Regeling procesgang eerste ziektejaar ook zullen worden toegesneden
op de verlenging van de loondoorbetaling tot twee jaar.
Gedurende de eerste twee ziektejaren zijn de
private partijen primair verantwoordelijk voor preventie en
reïntegratie. Pas aan het eind van deze periode komt het UWV in beeld.
Aan
het eind van het tweede ziektejaar zal het UWV,
als er een aanvraag om een WAO-uitkering wordt
gedaan, de reïntegratie-inspanningen van rblz.|17|
werkgever en werknemer beoordelen. Als dan blijkt dat werkgever en/of
werknemer onvoldoende reïntegratie-inspanningen hebben verricht, kan
het UWV de loondoorbetaling met maximaal één jaar verlengen,
respectievelijk de WAO-uitkering korten of weigeren. Vóór die tijd
heeft het UWV een faciliterende rol. In die periode kan het UWV op
verzoek van werkgever en/of werknemer een zogeheten SV-advies
(informatie over socialeverzekeringsaspecten in het betreffende geval)
en deskundigenoordelen ¹ (second opinions) verstrekken. Het kabinet
heeft afgezien van een verplichte tussentijdse toetsende of adviserende
rol van het UWV. Een tussentijdse beoordeling van de
reïntegratie-inspanningen, bijvoorbeeld na een jaar, zou in strijd zijn
met de breed gesteunde publiek/private verantwoordelijkheidsverdeling
gedurende de loondoorbetalingsperiode, waarbij het primaat bij private
partijen ligt en het UWV op afstand blijft. Voorts heeft een
tussentijdse beoordeling geen aantoonbare toegevoegde waarde voor de
reïntegratie-inspanningen. In de
Wet verbetering poortwachter zijn immers de
wederzijdse aanspraken en verplichtingen van werkgever en werknemer ten
aanzien van reïntegratie reeds helder neergelegd. Verwacht mag dan ook
worden dat de sterkere prikkelwerking en de uitbreiding van de
werkingssfeer van de Wet verbetering poortwachter, tezamen met de
deskundigheid die aanwezig is bij arbodiensten en
reïntegratiebedrijven, afdoende is. Mocht tussen werkgever en werknemer
verschil van inzicht of onduidelijkheid bestaan over de vraag of de
werkgever of werknemer voldoende reïntegratie-inspanningen verricht,
dan hebben zij beiden nu reeds de mogelijkheid om hierover in de
concrete situatie een onafhankelijk deskundigenoordeel te vragen aan het
UWV;
dit
wetsvoorstel voorziet erin dat het deskundigenoordeel ook kan
worden gevraagd aan een bij CAO ingestelde instantie (zie voorts paragraaf 5b).
De ervaring leert dat partijen zich in het algemeen aan het
deskundigenoordeel houden. In het geval dat partijen dit niet doen,
kunnen zij zich, onder overlegging van het deskundigenoordeel, tot de
rechter wenden. De rechter zal in het algemeen rekening houden met dit
deskundigenoordeel. Een verplichte tussentijdse beoordeling heeft voorts
als bezwaar dat het leidt tot aanzienlijke kosten en administratieve
lasten voor werkgevers. Tot slot brengt het ook risico’s met zich,
bijvoorbeeld dat werkgever en werknemer zelf niet langer hun
verantwoordelijkheid nemen, maar het oordeel van het UWV afwachten
voordat zij zelf weer in actie komen.
Van groot belang is voorts dat werkgever en
werknemer geen reïntegratie-inspanningen behoeven te verrichten indien
de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer heeft tot het
verrichten van arbeid. Of hiervan sprake is, wordt beoordeeld door de
arbodienst. Dit vloeit voort uit de reeds bestaande
Regeling procesgang eerste ziektejaar. Ook hieromtrent kunnen
werkgever en werknemer bij het UWV een deskundigenoordeel vragen indien
zij tussentijds hierover meer zekerheid willen verkrijgen.
1. Het deskundigenoordeel
houdt in dat het UWV op verzoek van de
werkgever of de werknemer een onafhankelijk oordeel geeft over bepaalde
meningsverschillen. Vóór de inwerkingtreding van de Wet verbetering
poortwachter kon het UWV reeds een oordeel geven als werkgever en
werknemer van mening verschilden over de vraag of de werknemer al dan
niet wegens ziekte ongeschikt is om te werken. Sinds de inwerkingtreding
van deze wet kunnen werknemer en werkgever bovendien een oordeel vragen
over de vraag of er passende arbeid voor de werknemer aanwezig is binnen
het bedrijf van de werkgever alsmede over de vraag of de werkgever
voldoende reïntegratie-inspanningen verricht ten aanzien van zijn zieke
werknemer.
De
bestaande faciliterende taak van het UWV
wordt in dit wetsvoorstel wel enigszins
uitgebreid, nu voorgesteld wordt om het deskundigenoordeel over de
toereikendheid van de reïntegratie-inspanningen verplicht te stellen
bij een gang naar de civiele rechter.
Werkgevers en werknemers worden gedurende de twee eerste ziektejaren
maximaal financieel geprikkeld alles te doen om tot werkhervatting te
komen. De
Regeling procesgang eerste ziektejaar, die ook zal gelden in het
tweede ziektejaar, geeft zeer concrete handvatten aan werkgever en
werknemer voor zinvolle en noodzakelijke acties om zoveel mogelijk
werkhervatting te realiseren. Indien sprake is van dreigend langdurig
verzuim, verlangt de werkgever van zijn arbodienst een oordeel over het
ziektegeval. Dit oordeel bestaat uit een probleemanalyse alsmede een -
op dit oordeel gebaseerd - advies over herstel en werkhervatting. Naar
aanleiding van dit advies van de arbodienst stellen werkgever en
werknemer rblz.|18|
vervolgens gezamenlijk een plan van aanpak op. Hierin geven zij aan welk
doel zij voor ogen hebben (bijvoorbeeld volledige hervatting in het
eigen werk) en langs welke weg zij dit denken te bereiken. Aangezien een
herstelproces dynamisch - en niet statisch - is, vindt er tussen
werkgever en werknemer regelmatige evaluatie plaats en kunnen zij hun
plan bijstellen als daar aanleiding toe is. Overigens is de Regeling
procesgang eerste ziektejaar qua termijnen flexibel. Er kan gemotiveerd
van de in die regeling genoemde termijnen worden afgeweken. Dit voorkomt
een starre uitvoering.
Van alle acties wordt aantekening gehouden (een
reïntegratiedossier bijgehouden) en aan de hand daarvan wordt bij de
eventuele aanvrage van een WAO-uitkering een
reïntegratieverslag ingediend bij het UWV.
Aan de hand van een door het UWV gepubliceerd beoordelingskader - dat
tot stand is gekomen in overleg met alle betrokken partijen in het veld
- zal het UWV, als het tot een aanvraag van een WAO-uitkering komt, de
inspanningen van werkgever en werknemer beoordelen. Dit kader maakt
duidelijk dat de beoordeling door het UWV inhoudelijk zal zijn en niet
louter procedureel. Indien er een bevredigend reïntegratieresultaat is
bereikt, is de weg waarlangs dit resultaat is behaald niet relevant.
Omgekeerd is het louter procedureel voldoen aan de verplichtingen
onvoldoende: het UWV zal bij een onbevredigend resultaat zich vooral
richten op de vraag of inhoudelijk de reïntegratieactiviteiten zijn
ondernomen die in redelijkheid hadden mogen verwacht. Van belang is,
zoals opgemerkt, dat indien sprake is van geen duurzaam benutbare
mogelijkheden, arbeid niet aan de orde is en betrokken werkgever en
werknemer dus ook geen reïntegratie-inspanningen hoeven te verrichten.
De Regeling procesgang eerste ziektejaar biedt daarvoor de basis.
In de verplichtingen die de Wet verbetering poortwachter
en de daarop gebaseerde Regeling procesgang eerste ziektejaar stellen,
hoeft dus vooralsnog (zonder nadere actualisering uit te sluiten) geen
verandering te worden gebracht. De voorschriften om bij dreigend
langdurend verzuim uiterlijk binnen zes weken een probleemanalyse op te
stellen en vervolgens binnen acht weken een plan van aanpak te maken,
blijven ongewijzigd van kracht. Dit geldt eveneens voor de periodieke
evaluatie van het plan van aanpak en voor het bijhouden van het
reïntegratiedossier.
Daarnaast zijn in het
Burgerlijk
Wetboek (BW) de verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer
ten opzichte van elkaar bij ziekteverzuim en reïntegratie
geconcretiseerd. Tezamen verschaft dit werkgever en werknemer een helder
beeld van wat van hen verwacht mag worden aan
reïntegratie-inspanningen. Het kabinet ziet in dit geheel voldoende
waarborgen dat individuele partijen hun verantwoordelijkheden op zich
zullen nemen.
In dit verband ziet het kabinet ook met
belangstelling uit naar het advies dat de Stichting van de Arbeid zal
uitbrengen - waar op 27 december 2001 om is verzocht door de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- over de mogelijkheden om bij collectieve arbeidsovereenkomst (CAO)
instrumenten en acties overeen te komen ter beperking van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid. Langs die weg zou de verantwoordelijkheid van
werkgevers en werknemers ook collectief meer vorm kunnen krijgen,
bijvoorbeeld door acties ontleend aan "best practices" in
branches of sectoren.
Tot
slot verwacht de regering niet, gelet op de reeds bestaande no-riskpolis
van artikel 29b
van de
ZW, dat werkgevers als gevolg van dit wetsvoorstel
meer zullen overgaan tot risicoselectie. Op grond van deze regeling die
- zo blijkt uit onderzoek - door zowel werkgevers als personen die zich
bezighouden met reïntegratie als één van hun belangrijkste
reïntegratie-instrumenten wordt gezien, heeft de arbeidsgehandicapte
werknemer die binnen vijf jaar na het aangaan van de dienstbetrekking rblz.|19|
wegens ziekte uitvalt immers aanspraak op ziekengeld. Indien een
arbeidsgehandicapte werknemer wegens ziekte uitvalt, betaalt het UWV
tijdens de ziekteperiode dus een - uit het Reïntegratiefonds
gefinancierde - ZW-uitkering. Deze uitkering
komt in mindering op het door de werkgever door te betalen loon. Voor
arbeidsgehandicapte werknemers die binnen deze termijn een aanzienlijk
verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten hebben, bestaat
daarnaast de mogelijkheid een verlenging aan te vragen van de termijn
van vijf jaar van de no-riskpolis. Nu met dit wetsvoorstel de
maximumduur van de ZW wordt verlengd tot twee jaar, geldt ook voor de
uitkering ex
artikel 29b van de ZW
dat deze maximaal twee jaar kan worden betaald. Het onderhavige voorstel
heeft in die zin dan ook geen nadelige gevolgen voor werknemers met een
ziekteverleden. De no-riskpolis blijft gedurende vijf jaar geldig,
waarmee ook het tweede jaar van loondoorbetaling is gedekt.
Ook het recente verleden geeft geen aanleiding
voor vrees voor risicoselectie. In het kader van de
Wulbz is destijds een aantal flankerende
maatregelen getroffen die tot doel hadden de kans op risicoselectie op
basis van gezondheid te beperken. In grote lijnen heeft dat systeem tot
nu toe goed gewerkt. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit het AStri-rapport [AStri:
Arbeid en Sociale Zekerheid toegepaste research en informatie, red.]
over de evaluatie van de Wulbz en het zogenaamde Pemba-complex
¹ heeft de indertijd gevreesde aanzienlijke verscherping van de
risicoselectie zich niet voorgedaan. Ook van toenemende problemen op dit
punt is niet gebleken, hoewel ook de last van loondoorbetaling van het
loon gedurende het eerste ziektejaar zeer aanmerkelijk is. Dit zal niet
anders komen te liggen door de uitbreiding naar twee jaar. De
flankerende maatregelen alsmede de private verzekeringsopties die voor
werkgevers openstaan, bieden genoeg mogelijkheden de risico’s die zij
lopen bij het aannemen van personeel met bepaalde gezondheidsklachten te
beperken.
Wel is gebleken dat werkgevers niet altijd op
de hoogte zijn van deze flankerende maatregelen. Uiteraard zal hieraan
uitgebreid aandacht door middel van voorlichting worden besteed.
1. AStri: Prikkels en privatisering,
november 2001.
b.
Rechten en plichten; bedongen arbeid - passende arbeid
Als gevolg van dit
wetsvoorstel behoudt de werknemer gedurende twee jaar recht op loon
indien hij als gevolg van ongeschiktheid wegens ziekte de overeengekomen
arbeid niet kan verrichten. Tegenover dit recht van de werknemer staat
ook een aantal op werkhervatting gerichte verplichtingen. De
omstandigheid dat de werknemer wegens ziekte de overeengekomen arbeid
niet kan verrichten, impliceert immers niet zonder meer dat de werknemer
in het geheel geen arbeidsprestatie meer levert of zou kunnen leveren.
Ook de werkgever is verplicht gedurende het dienstverband de nodige
inspanningen te leveren. Deze verplichtingen zijn in de Wet verbetering
poortwachter nader uitgewerkt.
Zo dient de werknemer mee te werken aan de door
de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften die erop gericht zijn om de werknemer in staat
te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 7:658a, derde
lid, BW
te verrichten. Daarnaast is de werknemer verplicht passende arbeid te
verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt (artikel
7:660a, onderdeel c, BW).
De werkgever is op grond van artikel 7:658a,
eerste lid, BW
verplicht zo tijdig mogelijk maatregelen te treffen als redelijkerwijs
nodig is, opdat de werknemer in staat wordt gesteld de eigen of andere
passende arbeid te verrichten.
Gedurende de termijn dat de werknemer zich niet
houdt aan de verplichtingen als omschreven in de wet kan de werkgever de
loondoorbetaling bij ziekte opschorten (artikel 7:629, derde lid,
onderdeel c, BW).
Niet-naleving van de verplichtingen van de werknemer kan voorts
aanleiding geven tot ontslag (artikel 7: 670b, derde lid, BW).
rblz.|20|
Het begrip "passende arbeid" is in
artikel 7:658a, derde lid, BW
nader geconcretiseerd. Het omvat alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. In het geval de zieke werknemer te zijner tijd in zijn eigen
werk zal kunnen hervatten, zal moeten worden bezien of hij na aanpassing
van de werkplek of van de organisatie van de werkzaamheden (geleidelijk)
zijn eigen werk zal kunnen hervatten. Mocht dit niet direct mogelijk
zijn, dan kan door de zieke werknemer in de tussentijd andere passende
arbeid worden verricht. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
meer tot de reële mogelijkheden, dan zal een bredere oriëntatie nodig
zijn. Vanaf 1 januari 2003 geldt bovendien dat de werkgever - bij het
ontbreken van passende arbeid in het eigen bedrijf - dient te bevorderen
dat de werknemer wordt ingeschakeld in passende arbeid bij een andere
werkgever.
In
zijn algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet
geval aan de hand van de omstandigheden te worden beantwoord. Als
leidraad moet worden gevolgd dat het bij passende arbeid moet gaan om
arbeid die in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet
op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand,
de afstand tot het werk, het loon en hetgeen waartoe de werknemer nog in
staat is. Het spreekt voor zich dat naarmate de arbeidsongeschiktheid
langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van de te verrichten
arbeid mag worden verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de werknemer worden verlangd
dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te verrichten
werkzaamheden als reïntegratie in de bedongen arbeid niet tot de
mogelijkheden behoort.
De
verlenging van de loondoorbetalingsplicht brengt geen verandering aan in
de verplichtingen van werkgever en werknemer ten aanzien van
werkhervatting. Wel zal, zoals in het vorenstaande is toegelicht,
ingeval werkhervatting in het bedongen werk niet meer te verwachten is,
als gevolg van de langere duur van ongeschiktheid, meer arbeid als
passend kunnen worden aangemerkt. Eerst dient te worden nagegaan of de
eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen of een andere organisatie van
het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden verricht. Als dat het
geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en werknemer hun
inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de werknemer
tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit
niet belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook
overigens in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet
op onder meer diens arbeidsverleden en werkervaring. Als blijkt dat het
niet mogelijk is om de oorspronkelijk bedongen arbeid nog langer te
verrichten, moet worden nagegaan welke werkzaamheden de werknemer -
gezien zijn beperkingen - nog wel kan verrichten, waarbij in eerste
instantie zo dicht mogelijk moet worden aangesloten bij de laatst
overeengekomen functie. Als (op redelijke termijn) dergelijke arbeid
noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van
de werknemer worden verlangd dat hij zich wat betreft door hem te
aanvaarden arbeid ruimer opstelt. Dit is in de jurisprudentie
betreffende het begrip passende arbeid een algemeen aanvaard
uitgangspunt. De regering gaat er niet van uit dat door toedoen van het onderhavige wetsvoorstel
een wezenlijke verandering zal optreden in de jurisprudentie ten aanzien
van het begrip passende arbeid. Ook thans geldt immers dat wat als
passend moet worden aangemerkt afhankelijk is van de specifieke
omstandigheden van het geval, wat ertoe kan leiden dat arbeid die in
eerste instantie als niet passend wordt aangemerkt, op een later moment
- door wijziging van de omstandigheden - wel als passend kan worden
aangemerkt. Met andere woorden, de criteria om te beoordelen of arbeid
passend is, zijn niet aan wijziging onderhevig, rblz.|21|
wel de omstandigheden die van invloed zijn op de vraag of aan de
criteria wordt voldaan. Een eenduidig antwoord op de vraag welke arbeid
voor welke werknemer op welk moment als passend moet worden beschouwd,
is dus niet op voorhand, los van de omstandigheden, te geven.
De
vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste
instantie ter beoordeling van de werkgever, die uiteraard zijn eigen
arbodienst zal raadplegen om te kunnen beoordelen wat (gegeven de
gezondheidssituatie) van een werknemer mag worden gevraagd. De
beoordeling (passend of niet) dient plaats te vinden binnen de kaders
zoals hierboven geschetst. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de
arbeid die hij voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden
aangemerkt, kan hij hierover een oordeel vragen aan het UWV,
als onafhankelijke deskundige. Ook de werknemer heeft die mogelijkheid.
Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat als de
werkgever besluit om de loonbetaling op te schorten wegens het naar zijn
oordeel onterecht weigeren van passende arbeid, de werknemer bij de
rechter een loonvordering kan instellen. Deze zal dan moeten beoordelen
of de door de werkgever aangeboden arbeid passend is of niet. Als de
werkgever om de hiervoor genoemde reden een ontslagvergunning aanvraagt
bij de Centrale
organisatie werk en inkomen, dan is die op grond van regels van het
Ontslagbesluit gehouden altijd een recent oordeel van het UWV
over de passendheid van de aangeboden arbeid te betrekken bij de
beoordeling van een dergelijk verzoek.
Als
de werknemer bij een derde andere passende arbeid gaat verrichten,
blijft de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst op grond van
dit wetsvoorstel
in stand. De werknemer kan dus in de eerste twee jaar van ziekte altijd
terugvallen op de arbeidsovereenkomst bij de eerste werkgever. Voorts
geldt dat de werknemer in de periode van twee jaar gedurende welke de
werkgever is gehouden 70% van het loon bij ziekte te betalen, altijd
recht behoudt op dat loon. Verwezen zij in dit verband naar het
voorgestelde twaalfde lid bij artikel 7:629
BW en de artikelsgewijze toelichting daarbij.
Aanpassing of heroverweging van de
oorspronkelijke arbeidsovereenkomst als gevolg van het verrichten van
andere passende arbeid is in principe pas aan de orde na ommekomst van
de periode van twee jaar gedurende welke de werkgever gehouden is 70%
van het loon bij ziekte te betalen, aangezien in het voorgestelde
twaalfde lid van artikel 7:629 BW
wordt bepaald dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft ook als de
werknemer in die periode ander werk gaat verrichten. Wel kunnen partijen
ook in deze periode een wijziging van de arbeidsovereenkomst
overeenkomen indien zulks hen goed lijkt. De hiervoor geschetste
wijziging is overeenkomstig het door de SER
gedane voorstel.
5.
Aanvullende aanpassingen
Naast de verlenging
van de loondoorbetalingsverplichting bevat dit wetsvoorstel
nog een drietal aanvullende wijzigingen.
a.
Ziekmelding nieuwe stijl
Verlenging van de
periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in beginsel twee jaar
vergroot de stimulans om al zo vroeg mogelijk tijdens het eerste
ziektejaar effectief te werken aan herstel, aldus de SER.
Reïntegratie bij ziekte heeft immers de meeste kans van slagen indien
direct actie wordt ondernomen.
Om werkgever en werknemer nog eens nadrukkelijk
op het belang van inspanningen in een vroeg stadium te wijzen, wordt de
ziekmelding aan het UWV
uiterlijk in de dertiende week van ziekte met een aantal vragen
uitgebreid. rblz.|22|
Deze uitbreiding zal worden geregeld in een ministeriële regeling en er
in hoofdlijnen als volgt gaan uitzien.
Eerst zal gevraagd worden of er een plan van
aanpak tot stand is gekomen. Wordt deze vraag negatief beantwoord, dan
wordt vervolgens gevraagd of sprake is van een situatie waarin geen plan
van aanpak vereist is. Dit is ten eerste het geval wanneer de werknemer
volledig ongeschikt is om te werken en hij derhalve "geen duurzaam
benutbare mogelijkheden" heeft om het werk te hervatten. Ten tweede
kan sprake zijn van de situatie waarin de arbodienst heeft geoordeeld
dat geen sprake is van "dreigend langdurig ziekteverzuim". In
dat geval zal de werknemer op korte termijn weer aan de slag kunnen en
is geen plan van aanpak vereist.
Doet geen van deze twee situaties zich voor en
is er toch geen plan van aanpak, dan zijn werkgever en werknemer in
overtreding. Op grond van de
Regeling procesgang eerste ziektejaar dient namelijk, in geval van
dreigend langdurig ziekteverzuim, uiterlijk na acht weken een plan van
aanpak opgesteld te zijn.
Bij de ziekmelding komt een uitgebreide
toelichting waarin helder wordt verwoord wat onder een plan van aanpak,
"geen duurzaam benutbare mogelijkheden" en "dreigend
langdurig verzuim" wordt verstaan. Op basis van deze toelichting
kan de werkgever, nadat hij de desbetreffende vragen heeft ingevuld,
zelf vaststellen of hij in gebreke is. In de toelichting zal voorts
duidelijk worden aangegeven dat onvoldoende reïntegratie-inspanningen
tot gevolg zullen hebben dat de loonbetalingsplicht na afloop van de
twee jaar door het UWV wordt verlengd.
Tot slot zal in de toelichting duidelijke
voorlichting worden gegeven over bijvoorbeeld de mogelijkheid om eerder
genoemd SV-advies of een second opinion aan te vragen.
De
werkgever wordt verplicht een afschrift van de ziekmelding plus
toelichting - waaronder de antwoorden met betrekking tot de vragen over
het plan van aanpak - aan de werknemer te verstrekken, zodat ook hij
volledig op de hoogte is. De werknemer kan dan op zijn beurt vaststellen
of de reïntegratie-inspanningen tot op dat moment voldoende zijn.
Tevens wordt duidelijk aangegeven dat indien de werknemer onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht, hij een sanctie op zijn WAO-uitkering
zal krijgen.
Het
UWV heeft niet meteen een rol. Wel zal het
UWV de ziekmelding (en de daarop ingevulde vragen) na afloop van de
verplichte loondoorbetalingsperiode - bij het indienen van een WAO-aanvraag
- moeten betrekken in zijn beoordeling van de
reïntegratie-inspanningen. Blijkt namelijk dat werkgever en werknemer
bij de ziekmelding al in gebreke waren en hebben zij vervolgens geen
nadere inspanningen met betrekking tot werkhervatting verricht, dan zal
het oordeel van het UWV over de reïntegratie-inspanningen negatief
zijn.
Bovenstaand voorstel sluit aan bij de in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI) en Wet verbetering poortwachter
neergelegde verantwoordelijkheidverdeling. De ziekmelding aan het UWV
bij dertien weken ziekte bestaat thans al en is een administratieve
handeling ter verificatie van de ingangsdatum van de wachttijd voor de
WAO. Van die hoe dan ook noodzakelijke administratieve handeling wordt
in het voorstel gebruik gemaakt door daar
- tegen een minimale belasting - een extra alertering aan werkgever en
werknemer aan te koppelen. Die herinnering volgt automatisch uit het
invullen van het meldingsformulier en het UWV. Om alle misverstand te
vermijden: het gaat hier dus niet om een extra verplichting voor de
werkgever om het plan van aanpak op dat tijdstip in te zenden, doch
slechts om vast te stellen óf er een plan van aanpak is, en zo nee, of
daar een geldige reden voor is. Door het voorstel wordt voorkomen dat
het UWV wordt belast, terwijl wordt bevorderd dat rblz.|23|
de in het begin van het reïntegratieproces zo belangrijke alertering
van werkgever en werknemer plaatsvindt.
b.
Geschillenregeling
Zowel de
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid als de SER
heeft de wenselijkheid ter sprake gebracht van een door werkgevers en
werknemers in te stellen voorziening voor snelle geschillenbeslechting
op korte afstand van de werkplek. Snel, omdat snelheid wezenlijk is in
een reïntegratieproces. Op korte afstand (op het niveau van het bedrijf
of bedrijfstak), omdat het gaat om beoordeling van zeer uiteenlopende
concrete situaties.
Bestuurlijk zijn dergelijke regelingen
wenselijk, omdat het voor de hand ligt dat de eerstverantwoordelijken
eerst zelf proberen geschillen op te lossen, voordat een beroep op
publieke voorzieningen wordt gedaan. Bovendien ontlast het de bestaande
publieke voorzieningen (de deskundigenoordelen van het UWV
en het beroep op de rechterlijke macht). Regelingen op dit gebied kunnen
uiteraard niemand van de rechter afhouden. De status kan dus in feite
nooit meer zijn dan die van een deskundigenoordeel. De ervaring leert
echter dat partijen zich in zeer veel gevallen bij een
deskundigenoordeel neerleggen. De functie van geschillenbeslechting
wordt er dus feitelijk goed mee vervuld.
Partijen hebben zelf een groot belang bij een
dergelijke regeling. Het is sneller, goedkoper en er is sprake van meer
specifieke deskundigheid. Om het treffen van een dergelijke regeling te
bevorderen, is in het
wetsvoorstel, naar analogie van een al bestaande regeling, de
volgende regeling opgenomen. Thans geldt namelijk al dat als een beroep
wordt gedaan op de rechter bij een conflict over het al dan niet ziek
zijn, het overleggen van een deskundigenoordeel van het UWV, dan wel van
een deskundigenoordeel op grond van een CAO, verplicht is. Naar analogie
hiervan wordt nu voorgesteld om in het BW
te bepalen dat partijen die zich tot de rechter wenden, verplicht zijn
om een deskundigenoordeel te overleggen en dat de rechter dit meeweegt
in zijn oordeel. Dit voorschrift geldt met name bij geschillen over de
nakoming van de in het BW neergelegde reïntegratieverplichtingen. Dit
zijn onderwerpen waarover sinds de Wet SUWI
en de Wet verbetering
poortwachter ook een deskundigenoordeel van het UWV kan worden
gevraagd.
De
voorgestelde regeling houdt in dat in beginsel door degene die zo’n
geschil aan de rechter wil voorleggen allereerst een deskundigenoordeel
moet zijn gevraagd. Daardoor wordt voorkomen dat partijen hun geschil
rauwelijks aan de rechter voorleggen. Bovendien draagt het eraan bij dat
geschillen die wel aan de rechter worden voorgelegd beter zijn
voorbereid en onderzocht. Wie het deskundigenoordeel moet uitbrengen, is
afhankelijk van de vraag of sociale partners bijvoorbeeld via CAO voor
het aanwijzen van een deskundige een regeling hebben getroffen. Bestaat
een dergelijke regeling, dan dient hiervan gebruik te worden gemaakt.
Bestaat voor een bepaald bedrijf of sector geen regeling, dan dient het
deskundigenoordeel gevraagd te worden aan het
UWV. Voor het deskundigenoordeel van het
UWV dient een bijdrage te worden betaald. De in dit wetsvoorstel
voorgestelde uitbreiding van de regeling voor geschillenbeslechting is
beperkt tot geschillen over reïntegratie-inspanningen. De regering
verwacht dat hiervan een stimulans zal uitgaan om in branches of
sectoren geschillenregelingen tot stand te brengen die méér
onderwerpen van mogelijk conflict omvatten. De voorgestelde
geschillenregeling leidt in principe niet tot extra administratieve
lasten. Komen werkgevers en werknemers tot een eigen geschillenregeling,
dan hoeven zij geen deskundigenoordeel aan het UWV te vragen en
vervallen derhalve ook de kosten die hiermee samenhangen.
rblz.|24|
Het verplichte deskundigenoordeel, dat wordt gegeven ofwel door een
deskundige van het
UWV, ofwel door een deskundige aangewezen
op grond van een geschillenregeling, betekent niet dat iemand de toegang
tot de rechter wordt ontzegd. Het oordeel is een voorportaal voor
toegang tot de rechter en in dat opzicht te vergelijken met de
bezwaarschriftprocedure die in bestuursgeschillen aan het beroep op de
rechter voorafgaat.
c.
Afschaffing subsidie scholing, training en begeleiding en subsidie
tweede spoor
Het wetsvoorstel
geeft voorts aanleiding om de financiering van een private
verantwoordelijkheid, te weten reïntegratie van zieke werknemers door
werkgevers, met publieke middelen te heroverwegen.
Op
het moment dat een werknemer ziek of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, is
de werkgever verantwoordelijk voor de reïntegratie van deze werknemer
in zijn eigen bedrijf (reïntegratie eerste spoor). Indien een zieke of
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer niet meer kan terugkeren in de
arbeid bij de eigen werkgever, is de werkgever verantwoordelijk voor de
reïntegratie van die werknemer naar een andere werkgever (reïntegratie
tweede spoor). Deze verantwoordelijkheid geldt voor de duur van de
dienstbetrekking. Voor de reïntegratie kan de werkgever een
reïntegratietraject inkopen bij een reïntegratiebedrijf. Na het einde
van de dienstbetrekking van de zieke werknemer - als regel na twee jaar
- gaat de verantwoordelijkheid over naar het
UWV.
Thans wordt vanuit de
Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten nog subsidie verleend aan
de werkgever voor extra reïntegratiekosten eerste spoor en voor de
inkoop van reïntegratietrajecten tweede spoor. De kosten van een
reïntegratietraject tweede spoor worden voor 50% gesubsidieerd op basis
van inspanning (de basissubsidie) en voor 50% op basis van resultaat (de
plaatsingssubsidie). Als resultaat wordt geteld een plaatsing van zes
maanden bij een andere werkgever.
De subsidie voor scholing, training en
begeleiding is gericht op interventies van of namens de werkgever
gericht op reïntegratie in het eigen bedrijf. Bij [koninklijk, red.]
besluit ¹ is de subsidie voor medisch geïndiceerde
reïntegratietrainingen (rugtraining en traumabegeleiding) al
afgeschaft, aangezien het hier gaat om een arbotaak van de werkgever en
de arbodienst.
1. Stb. 2003, 48.
De
subsidieregeling voor het tweede spoor is ingesteld om de werkgever te
stimuleren zich in te zetten voor de reïntegratie van zijn zieke
werknemer naar een andere werkgever. De subsidieregeling voor scholing,
training en begeleiding is ingesteld om de werkgever te stimuleren zich
in te zetten voor de reïntegratie in het eigen bedrijf. In het eerste
jaar heeft de werkgever echter reeds een prikkel om zich in te zetten
voor reïntegratie vanwege de loondoorbetalingsverplichting. Snelle
reïntegratie bespaart loondoorbetaling voor een werknemer zonder dat
daar arbeid voor wordt verricht. Vervolgens worden bij een eventuele
aanvraag van een WAO-uitkering de
reïntegratie-inspanningen getoetst (in het kader van de Wet verbetering
poortwachter). Onvoldoende inspanningen van zowel de werkgever als
de werknemer worden gesanctioneerd. In het tweede ziektejaar zijn deze
prikkels er thans echter niet. De werknemer ontvangt een WAO-uitkering
en er vindt geen toets meer plaats naar verrichte
reïntegratie-inspanningen. De subsidieregeling compenseert op dit
moment het gebrek aan prikkels in het tweede ziektejaar teneinde de
werkgever te stimuleren zich in te zetten voor reïntegratie. Bij
verlenging van de loondoorbetalingsplicht vervalt deze noodzaak tot
compensatie, zodat deze subsidie eveneens kan worden afgeschaft.
rblz.|25|
Door verlenging van de loondoorbetalingsverplichting naar twee jaar
krijgt de werkgever een grotere financiële prikkel om zich in te zetten
voor reïntegratie, ook naar een andere werkgever. De prikkels die nu
gelden in het eerste ziektejaar gaan onverkort ook voor het tweede
ziektejaar gelden. Naast de reïntegratieverantwoordelijkheid komen
immers ook de kosten van de reïntegratie van zieke werknemers volledig
voor rekening van de werkgever. Aangezien het onwenselijk is om een
private verantwoordelijkheid van werkgevers met publieke middelen te
financieren, wordt de extra prikkel in de vorm van subsidie afgeschaft.
De bestaande subsidies voor scholing, training en begeleiding (in het
eerste spoor) en de subsidieregeling tweede spoor kunnen worden
afgeschaft. Dit houdt in dat naast de reïntegratieverantwoordelijkheid
ook de kosten van de reïntegratie van zieke werknemers volledig voor
rekening van de werkgever komen. De afschaffing van de bedoelde
subsidies heeft deregulering en vereenvoudiging van de regelgeving als
positief neveneffect.
Voor de werkgever blijft het wel mogelijk om een beroep te doen op de
premiekorting voor herplaatsing van de arbeidsgehandicapte werknemer in
het eigen bedrijf en de subsidie voor extra kosten van
werkplekaanpassing voor zover uitgaande boven het bedrag van de
premiekorting. Deze tegemoetkomingen zijn en blijven van belang om de
arbeidsmarktdeelname van personen met een handicap te bevorderen.
Overgangsrecht
Voor werknemers die op of na 1 januari 2004 ziek worden, kan geen
subsidie voor scholing, training en begeleiding en geen subsidie tweede
spoor meer worden aangevraagd.
Het
is gewenst om aan werkgevers van de werknemers die vóór 1 januari 2004
ziek zijn geworden de mogelijkheid te bieden om gebruik te maken van de
subsidieregeling tweede spoor. Het is echter ook om onderstaande redenen
gewenst om de overgangsperiode zo kort mogelijk te houden.
Ten
eerste is het gewenst dat de werkgever zich snel beraadt over de
noodzaak en de inzet van een traject gericht op het tweede spoor.
Ten tweede wordt door het beperken van de
aanvraagtermijnen voor de basis- en plaatsingsubsidie voorkomen dat de
kennis en capaciteit over en ten behoeve van de subsidieregeling, met de
bijbehorende uitvoeringslasten, voor lange tijd bij het
UWV aanwezig moeten blijven.
De derde reden om de overgangstermijn zo kort
mogelijk te houden, is de voorgenomen bezuiniging op het
Reïntegratiefonds, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord.
Op
grond van bovenstaande redenen voor het zo kort mogelijk houden van de
overgangsperiode is gekomen tot het volgende overgangsrecht. Met
betrekking tot de subsidies tweede spoor is vereist dat de basissubsidie
moet zijn aangevraagd vóór 1 april 2004. De aan de basissubsidie
gekoppelde plaatsingssubsidie moet zijn aangevraagd vóór 1 juli 2005.
Met betrekking tot de subsidie voor scholing, training en begeleiding
eerste spoor geldt net als bij de basissubsidie een uiterste
aanvraagdatum van 1 april 2004. Voor onvoorziene situaties is de
mogelijkheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur nadere en
zo nodig afwijkende regels te stellen aan het overgangsrecht.
Met betrekking tot het overgangsrecht moge
voorts worden verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting.
rblz.|26|
6.
Financiële gevolgen, gevolgen voor de rechterlijke macht en
administratieve lasten voor de werkgever
a.
Financiële gevolgen
In deze paragraaf
komen de financiële gevolgen aan de orde van de verlengde
loondoorbetalingsperiode, van het niet verlengen van de minimumloongarantie
naar het tweede ziektejaar en van het afschaffen van de
subsidieregelingen. Tevens komen de gevolgen voor de uitvoeringskosten
aan de orde. Maar eerst wordt in het kort de huidige situatie geschetst.
Huidige situatie
In
de huidige situatie komen werknemers na één jaar ziekte mogelijk in
aanmerking voor een WAO-uitkering. De
WAO-instroom in 2002 bedroeg ruim 92 000 personen. Het aantal
WAO-aanvragen lag in 2002 aanmerkelijk hoger, op ongeveer 150 000 per
jaar. De verwachting is - op basis van de van het UWV
ontvangen gegevens - dat de WAO-instroom in 2003 verder daalt naar
beneden de 90 000, onder meer vanwege de effecten van de Wet verbetering
poortwachter. Van het aantal aanvragen blijkt ongeveer 20% in de
laatste drie ziektemaanden alsnog te herstellen. Nog een deel van de
aanvragen wordt bij de WAO-keuring afgewezen, omdat zij niet
arbeidsongeschikt in de zin van de WAO blijken zijn. In veel gevallen
doen voor de WAO afgewezen personen een beroep op de Werkloosheidswet
(WW) of bijstand. Gedurende het eerste WAO-jaar is er sprake van een
uitstroom van circa 15%. De wettelijke publieke lasten van het eerste
WAO-jaar bedragen circa €|900 miljoen.
WAO-uitkeringen worden in het eerste WAO-jaar gemiddeld tot 90% van het
laatstverdiende loon bovenwettelijk aangevuld. Dit brengt ongeveer €|250
miljoen aan private lasten met zich mee.
Financiële gevolgen verlengde
loondoorbetaling
De
financiële gevolgen van de voorgestelde verlenging van de
loondoorbetaling tot twee jaar bestaan uit (1) een verschuiving van WAO-lasten
naar loonkosten en (2) een besparing vanwege gedragseffecten. Ook zijn
er financiële gevolgen voor de uitvoeringskosten die verderop in deze
paragraaf aan de orde komen. De raming van de besparingen is met grote
onzekerheden omgeven, omdat de berekeningen met name zijn gebaseerd op
inschattingen van zich voordoende gedragseffecten. De aangegeven
besparingen betreffen effecten ten opzichte van de situatie van
ongewijzigd beleid.
1. Verschuiving van WAO-lasten naar
loonkosten
Wat
betreft de uitkeringslasten leidt de maatregel tot een verschuiving van
publieke WAO-lasten naar private
loondoorbetalingskosten vanaf 2005. De kosten van uitkeringen in het
huidige eerste WAO-jaar bedragen circa €|900
miljoen. Daarvan verschuift, nog zonder rekening te houden met
gedragseffecten, circa €|750 miljoen naar
het private tweede jaar loondoorbetaling. De lasten van het eerste
WAO-jaar die samenhangen met WAO-instroom vanuit het vangnet ZW,
bij benadering €|150 miljoen, verschuiven
van de WAO naar het vangnet ZW.
Voor werkgevers in de publieke en private
sector zijn de gevolgen hiervan op macroniveau neutraal, aangezien de
toename van de loonkosten primair gelijk zal zijn aan de daling van de
premielasten van werkgevers. Het verschuiven van het eerste WAO-jaar
naar het tweede ziektejaar krijgt voor het eerst zijn weerslag in de
premie voor 2005, waarna in datzelfde jaar de extra kosten van
loondoorbetaling zich voordoen.
rblz.|27|
Voor de individuele werkgevers is de lastenverschuiving vanzelfsprekend
afhankelijk van het desbetreffende arbeidsongeschiktheidsrisico.
Werkgevers met een hoog risico zullen worden geconfronteerd met een meer
dan gemiddelde lastenstijging. Hier staat ook een meer dan gemiddelde
premiedaling tegenover aangezien de WAO-lasten voor de eerste vijf jaar
arbeidsongeschiktheid sinds 1998 uit de gediffentieerde WAO-premie (Aok
[Arbeidsongeschiktheidskas, red.]) worden gefinancierd. Van de
verschuiving zijn dan ook voor deze werkgevers geen substantiële
financiële voor- en nadelen te verwachten. Bijzondere aandacht verdient
de positie van kleine bedrijven. Per 1 januari 2003 is Pemba
voor kleine bedrijven ¹ feitelijk afgeschaft. Deze bedrijven betalen de
rekenpremie die gerelateerd is aan het gemiddeld risico van alle
bedrijven. Voor circa 90% van de kleine bedrijven geldt echter dat hun
arbeidsongeschiktheidsrisico en ook hun (langdurig) ziekterisico
minimaal is.² Deze werkgevers zullen derhalve niet geconfronteerd
worden met extra lasten tengevolge van de verlengde loondoorbetaling.
Wel zullen zij profiteren van lagere WAO-premielasten, omdat de
rekenpremie zal dalen als gevolg van het verschuiven van het huidige
eerste WAO-jaar naar het tweede jaar loondoorbetaling. Voor een groot
deel van de kleine bedrijven betekent dit wetsvoorstel
dus een lastenverlichting.
Het kabinet is voornemens om per 1 januari 2004
voor kleine bedrijven branchegewijze premiedifferentiatie te
introduceren. Ook dan heeft de verlengde loondoorbetalingsperiode een
gunstig financieel effect voor bedrijven met een laag
arbeidsongeschiktheidsrisico.
Doet zich echter bij een klein bedrijf
daadwerkelijk een ziektegeval voor, dan kan dat een relatief groot deel
van de totale loonsom betekenen. Deze bedrijven krijgen een directere en
sterkere financiële prikkel om het ziekteverzuim te reduceren dan in de
huidige situatie, waarin zij een premie betalen gerelateerd aan het
gemiddelde risico. Om te voorkomen dat zij in de problemen raken in
geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid van werknemers, kunnen
bedrijven zich verzekeren tegen de kosten van zieke en
arbeidsongeschikte werknemers. Het overgrote deel van de kleine
bedrijven heeft dit nu al gedaan voor het eerste ziektejaar.
1. Gedefinieerd als
"een totale loonsom van minder dan 25-maal de gemiddelde
loonsom".
2. Circa 90% van de kleine bedrijven betaalde voor 2003 onder Pemba
de minimumpremie.
2. Besparing vanwege gedragseffecten
Het
kabinet is van mening dat het ziekteverzuim en WAO-instroom
verder beperkt dienen te worden. De recente publicatie van de Wet
instroomcijfers WAO heeft wederom de noodzaak en de mogelijkheden
laten zien. Uit de publicatie blijkt namelijk dat zowel tussen sectoren
als tussen gelijksoortige bedrijven binnen sectoren een aanzienlijke
spreiding in WAO-instroomrisico bestaat. De verwachting is dat de
verlengde loondoorbetalingsperiode leidt tot gedragseffecten bij alle
betrokken partijen in de eerste twee ziektejaren en daarmee een
belangrijke bijdrage levert aan de terugdringing van het ziekteverzuim
en WAO-instroom. Naast de verschuiving van publieke naar private lasten
leidt het wetsvoorstel daarom tot een
besparing op de totale lasten. Dit is het saldo van de volgende aspecten
van dit wetsvoorstel die elk een neerwaarts of opwaarts effect op deze
lasten hebben.
•
Neerwaartse effecten:
• Zowel werkgevers als verzekeraars krijgen een sterkere directe
financiële prikkel. Bij een verlengde duur van de loondoorbetaling
zullen de verwachte besparingen vaker opwegen tegen de kosten van
reïntegratie. Werkgevers en verzekeraars hebben groot belang bij zo
vroeg mogelijke reïntegratie, omdat de verwachte besparing groter zal
zijn naarmate werkhervatting eerder plaatsvindt. Daarom wordt verwacht
dat reeds in het eerste ziektejaar een effect zal optreden.
• Tijdens de verlengde loondoorbetalingperiode gelden
reïntegratieverplichtingen van de Wet verbetering
poortwachter voor werknemers rblz.|28|
en werkgevers. De eerste effecten van deze wet zijn gunstig. Tijdens de
verlengde loondoorbetalingperiode worden werkgevers en werknemers nog
verder gestimuleerd tot reïntegratie, hetgeen leidt tot meer
werkhervatting.
• Financiële prikkel voor werknemers na het eerste ziektejaar door
beperking van bovenwettelijke aanvullingen en door beperking van de
garantie op doorbetaling van ten minste het minimumloon
tot het eerste ziektejaar. Tegen de achtergrond van de SER-voorstellen
zijn de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale
organisaties van werkgevers en werknemers
in beginsel overeengekomen de loondoorbetaling tijdens het tweede
ziektejaar te beperken tot het wettelijk niveau. Zodra dit
geëffectueerd wordt, zullen de kosten van de bovenwettelijke
aanvullingen dalen. Ook gaat een activerende werking uit van de
beperking tot het eerste ziektejaar van de wettelijke garantie op
doorbetaling van ten minste het minimumloon. Er kan van uit worden
gegaan dat beperking van bovenwettelijke aanvullingen en de beperking
van doorbetaling van ten minste het minimumloon tot het eerste
ziektejaar leiden tot een gedragseffect van werknemers, hetgeen tot
uitdrukking komt in een lager aantal langdurig zieken en lagere lasten
van ziekte en arbeidsongeschiktheid.
•
Opwaartse effecten:
• Zieke werknemers die in de huidige situatie bij WAO-keuring
afgewezen worden, worden niet meer afgevangen bij de verlengde
loondoorbetaling. Het arbeidsongeschiktheidscriterium voor
loondoorbetaling is namelijk ruimer dan dat voor de WAO (ongeschikt voor
de bedongen c.q. passende arbeid, respectievelijk ongeschikt voor
gangbare arbeid). Dit opwaartse effect zal naar verwachting per saldo
niet zo groot zijn. Het criterium wordt in de loop van de ziekteperiode
namelijk steeds verder aangescherpt. Bovendien is voor bepaalde ZW-groepen
(met name WW-ers) geschiktheid voor gangbare
arbeid in de praktijk het criterium. Voorts hebben mensen die momenteel
voor de WAO afgewezen worden een grote kans op herstel en reïntegratie
en zullen zij door een grotere prikkelwerking sneller reïntegreren.
Voor zover dat niet het geval is, doen zij nu vaak een beroep op WW of
bijstand, waardoor eveneens uitkeringslasten ontstaan.
• Relatief veel hersteldmeldingen vinden plaats in de periode tussen
de WAO-aanvraag en de keuring. Waarschijnlijk bestaat er een verband
tussen de keuring en de hersteldmelding, bijvoorbeeld uit angst voor
aankomend inkomensverlies of voor het WAO-stigma. Het dreigend
inkomensverlies zal bij verlenging van de loondoorbetaling niet
vervallen, omdat de bovenwettelijke aanvullingen beperkt zullen worden
in het tweede ziektejaar (zie neerwaartse effecten). Voor zover het
WAO-stigma een zelfstandig effect heeft, zou dit kunnen leiden tot een
opwaarts effect op het herstel tussen WAO-aanvraag en keuring. Ten
tweede blijkt uit recente gegevens dat na WAO-aanvraag het aantal
hersteldmeldingen vóór einde wachttijd waarschijnlijk onder invloed
van de Wet verbetering poortwachter
aanzienlijk gedaald is, zodat dit opwaarts effect zich slechts in
beperkte mate voor zal doen.
De
hierboven beschreven opwaartse en neerwaartse effecten leiden tot een
gewijzigd herstelpatroon in de eerste twee ziektejaren. Hieronder volgt
een vergelijking van de huidige met de verwachte nieuwe situatie:
• Verwacht wordt dat reeds in het eerste ziektejaar het herstel zal
stijgen als gevolg van de effectievere financiële prikkel, zodat in de
loop van het eerste ziektejaar het aantal zieken lager zal liggen dan in
de huidige rblz.|29|
situatie en daarmee een financiële besparing in het eerste ziektejaar
wordt gerealiseerd.
• Na het eerste ziektejaar vervalt de WAO-keuring.
Vanwege afwijzingen bij de WAO-keuring is in de huidige situatie het
aantal personen in het begin van het eerste WAO-jaar lager dan aan het
eind van het eerste ziektejaar. Bij de verlengde loondoorbetaling
vervalt dit effect. Naar verwachting zal in de nieuwe situatie het
aantal zieken aan het begin van het tweede ziektejaar vrijwel gelijk
zijn aan de WAO-instroom in de oude situatie, rekening houdend met
weglek naar WW en bijstand.
• Vanwege het gecombineerd effect van de effectievere financiële
prikkel, de beperking van het bovenwettelijk circuit en omdat
herstelmogelijkheden van zieken gedurende het tweede jaar meer
gestimuleerd worden, zullen de besparingen naar verwachting verder
oplopen in de loop van het tweede ziektejaar.
In
onderstaande grafiek worden de hierboven beschreven ontwikkelingen
geïllustreerd.
|
|