|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 2000-2001, 27 678
Verbetering van de procesgang in het eerste ziektejaar en nieuwe regels
voor de ziekmelding, de reïntegratie en de wachttijd van werknemers
alsmede met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichting van de
werkgever (Wet verbetering poortwachter)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| a |
Voorgeschiedenis |
| b |
Het wetsvoorstel in
het kort |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| a |
Voorbereiding |
| b |
Ontvangen commentaren |
| 3 |
Heldere
verantwoordelijkheidsverdeling |
| 4 |
Verbeterde
informatievoorziening en communicatie |
| a |
Ziekmelding en
informatievoorziening aan werknemers |
| b |
Zoet-en-zuurinformatie
aan werkgevers |
| c |
Socialeverzekeringsadvies |
| 5 |
Het
reïntegratiedossier en -verslag |
| 6 |
Uitstel van de
WAO-beoordeling op verzoek |
| 7 |
Versterking
verantwoordelijkheid werknemer |
| a |
Effectuering
reïntegratiemogelijkheden door second opinion |
| b |
Effectuering
inspanningsverplichting tot reïntegratie werknemer |
| 8 |
Mogelijkheid tot
verlenging loondoorbetalingsplicht |
| 9 |
Uitstel WAO-beoordeling
als werkgever en werknemer onvoldoende reïntegreren |
| 10 |
Overgangsperiode tot aan
SUWI |
| 11 |
Financiële gevolgen en
de gevolgen voor de rechterlijke macht en administratieve belasting
werkgevers |
| a |
Financiële gevolgen |
| b |
Gevolgen voor de
rechterlijke macht |
| c |
Administratieve lasten
werkgevers |
| 12 |
Monitoring/evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XV |
Algemeen
1. Inleiding
a. Voorgeschiedenis
De verantwoordelijkheid
voor de bestrijding van langdurig ziekteverzuim ligt sinds 1 maart 1996
(Inwerkingtreding van de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht
bij ziekte (Wulbz), Stb. 1996, 134) bij de werkgever, die daarin ondersteund wordt door een
arbodienst. Pas wanneer het duidelijk is dat de werknemer niet
meer binnen het eigen
bedrijf de arbeid kan hervatten, treedt de uitvoeringsinstelling
(uvi) op als
"poortwachter" voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), om zo het
collectief te behoeden voor de financiële gevolgen van
het beroep op deze wet. Deze verantwoordelijkheidsverdeling brengt met zich dat,
indien de reïntegratie van een zieke werknemer niet slaagt, er
een overdracht van dossiers en verantwoordelijkheden dient plaats te vinden
van de private naar de publieke sector. Om dit proces ordelijk te
laten verlopen, is een complex van regels opgesteld, "het
poortwachtersmodel".¹
1. Deze regeling geldt
niet voor personen die onder de zogenaamde
vangnetregeling vallen van de Wulbz. In deze
gevallen is de uvi verantwoordelijk voor de
reïntegratie van deze werknemers gedurende het
wachtjaar voor de WAO en daarna. Dit geldt
ook voor personen die als zelfstandige
werkzaam waren (WAZ-verzekerden).
Die huidige regeling kent
een drietal elementen. Ten eerste dient de werkgever (feitelijk veelal diens
arbodienst) na dertien weken een ziekmelding te doen aan de uvi. Daarmee wordt een signaal afgegeven dat hier sprake is
van een ernstiger ziektegeval en kan in de administratie van de uvi worden vastgelegd wanneer
het wachtjaar voor de WAO is begonnen. Ten tweede dient die
ziekmelding vergezeld te gaan van een (voorlopig) reïntegratieplan.¹ Met
dit voorlopig reïntegratieplan geeft de werkgever/arbodienst aan wanneer
hij verwacht dat de werknemer weer bij hem binnen het eerste
ziektejaar aan de slag gaat. Is deze verwachting er niet, dan dient vervolgens een
volledig reïntegratieplan te worden ingediend, uiterlijk binnen acht maanden na het begin van het verzuim. In dit definitieve plan meldt de
werkgever/arbodienst aan de uvi dat de werknemer in kwestie niet binnen het
jaar volledig in het eigen bedrijf zal kunnen hervatten en wat de
reden daarvan is. Worden de reïntegratieplannen niet tijdig of adequaat
ingediend, dan volgt boeteoplegging aan de werkgever.
1. Sinds 1 september 1997
wordt het reïntegratieplan onderscheiden in een
tweetal versies: het voorlopige
en het definitieve reïntegratieplan.
rblz.|2|
Uit
signalen van uvi's
¹, arbodiensten en het College van
toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) ² [zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.] is naar voren gekomen dat het huidige poortwachtersmodel niet
goed functioneert. De volgende oorzaken zijn hiervoor aanwijsbaar. Het
Ctsv constateert dat de functie en het doel van de reïntegratieplannen
voor de uitvoeringspraktijk niet helder zijn, evenmin als de
wederzijdse taken en verantwoordelijkheden van de diverse actoren in het
eerste ziektejaar. De uvi’s signaleren dat de reïntegratieplannen geen
inzicht geven in de reïntegratie-inspanningen, waardoor er nauwelijks
een inhoudelijke beoordeling van de reïntegratieplannen plaatsvindt. Er ontbreekt
een gedeeld normatief kader om de activiteiten van
betrokken actoren te kunnen beoordelen. Daarnaast lijken uvi’s procedurele en
administratieve criteria te hanteren ter compensatie van (ontbrekende)
inhoudelijke criteria. Als gevolg hiervan wordt de toezichtsfunctie van de
uvi’s niet of onvoldoende uitgeoefend. Bovendien leidt het opleggen van
procedurele sancties tot vermijdingsgedrag bij werkgevers, zet het niet
aan tot reïntegratieactiviteiten en verstoort het de verhouding tussen uvi’s
en arbodiensten. Daarnaast blijken werkgevers zich nog onvoldoende
bewust te zijn van de grote financiële consequenties van ziekte en
arbeidsongeschiktheid en nemen te vaak een afwachtende houding aan. Van de
werknemer wordt te weinig initiatief verwacht, waardoor ook hij vaak een
te passieve houding aanneemt. De uvi wordt bij de uitkeringsaanvraag
veelal met slecht voorbereide dossiers geconfronteerd, hetgeen bijdraagt aan de
overbelasting van de keuringsprofessionals. Soms komt het moment van
keuring te vroeg, omdat de werknemer zich midden in
een reïntegratietraject bevindt. Voorts werken de verschillende belangen
van arbodiensten en uvi’s belemmerend op de onderlinge samenwerking.
1. Zie Ceulenaere, Hento,
"Het WAO-uitvoeringsproces bij Cadans",
Lisv,
november 1999 en Trendrapportage
arbeidsongeschiktheid 2000, Lisv.
2. Zie Ctsv-Augustusrapportage arbeidsongeschiktheidsverzekeringen 1998 en 1999 en
het Ctsv-rapport "Zicht op reïntegratie", een onderzoek naar de
uitvoering van de poortwachtersfunctie, januari 2000.
Een inventarisatie van
het beschikbare onderzoek met betrekking tot de ondervonden problemen in
het eerste ziektejaar levert de volgende relevante gegevens op.
Met name kleine bedrijven
blijken niet altijd op de hoogte te zijn van de Pemba-risico’s
(zie SZW-werkgeverspanel
1997-1998 en 1998-1999). Daarnaast kan het vroegtijdig ondersteuning krijgen van
een arbodienst in het midden- en kleinbedrijf reïntegratiebevorderend
werken.¹ Als eenmaal
duidelijk is dat gezocht moet worden naar een nieuwe werkgever, is het
van belang - indien dit nodig is - zo snel mogelijk een passend traject te
starten. Anders gaat veel tijd verloren aan wachttijden en
overdrachtmomenten (zie De Realiteit, Integrale
rapportage evaluatie Wet Rea, TNO Arbeid,
januari 2001).
Voorts is uit onderzoek
bekend dat het van belang is zo vroeg mogelijk in het eerste ziektejaar
helderheid te krijgen of terugkeer bij de oude werkgever nog tot de mogelijkheden
zal gaan behoren. Zolang de werknemer nog verwacht bij de oude werkgever terug te kunnen, wordt weinig actie
ondernomen tot het vinden
van een andere werkkring.²
Tevens blijkt dat
naarmate de werknemer langer van het werk weg is, de intensiteit van de
contacten met de werkgever afneemt. Er ontstaat dan een situatie waarin
weinig nieuwe initiatieven worden ondernomen. In de huidige situatie blijkt
men vooral oog te hebben voor mogelijkheden bij de eigen werkgever. Het
streven naar herplaatsing elders wordt door werkgevers en
arbodiensten nog nauwelijks gedaan.³
Uit onderzoek is bekend
dat de kans op het realiseren van reïntegratie groter is bij de oude
werkgever waarbij de werknemer (al) een dienstverband heeft dan bij een nieuwe
werkgever. Veel mensen hervatten dan ook al gedurende het eerste
ziektejaar (gedeeltelijk) bij de oude werkgever.
1. De baas en
ziekte/Ziekte de baas, reïntegratie in het Midden- en
Kleinbedrijf, TNO Arbeid, januari 2000.
2. Zie hiervoor onder meer
de in het kader van het project Epidemiologie
van de Arbeidsongeschiktheid (EPI) uitgebrachte
rapporten; PES-onderzoek; Nijboer
e.a, 1993; De Vos e.a., 1995; Veerman 1995.
3. Van Brummelen e.a., "Survival of the fittest/Tijd voor
reïntegratie"; CNV 2000; Amstel R. van, Putten D
van, Vinke H en Het Arbodienstenpanel;
rapportage derde peiling, De ervaringen met één
jaar Rea, TNO Arbeid.
Ook na ommekomst van het
eerste ziektejaar vinden nog veel reïntegraties bij de oude werkgever
plaats.¹ Er blijft echter een grote groep bestaan waarbij volgens de ondervraagde cliënten reïntegratie bij de oude werkgever
wel tot de mogelijkheden
had behoort, maar waarbij dit niet gerealiseerd is. Het is derhalve van
belang dat eventueel te realiseren mogelijkheden in voldoende mate
onderkend en onderzocht worden.
1. Zie De Vos e.a., Werkaanpassing bij reïntegratie na
ziekte, TNO Arbeid, oktober 1996 en
Ceulenaere, Veerman, Prins en Van der Giezen, In
distant mirrors, work incapacity and return to
work, september 1999.
rblz.|3|
In het
huidige poortwachtersmodel is te veel bureaucratische rompslomp ontstaan
die vroegtijdige reïntegratie eerder belemmert dan bevordert. Tevens blijkt dat
snellere helderheid bij werkgevers en werknemers over het te volgen herstel- en
werkhervattingstraject is geboden. Een inhoudelijk door het veld gedragen
normenkader is hierbij een cruciaal instrument.
Om een oplossing te
bieden voor de hiervoor geschetste problemen heeft het kabinet besloten tot
herziening van de procesgang in het eerste ziektejaar. Bij brief van 28 mei
1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 22 187, nr. 89) is dit voornemen aan de Tweede Kamer medegedeeld, waarbij
tevens de contouren voor een andere regeling zijn geschetst.
Naar aanleiding van het
kamerdebat over de nieuwe uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid
zijn de kabinetsplannen rond Structuur uitvoering
werk en inkomen (SUWI)
fundamenteel gewijzigd (zie
hiervoor Handelingen II, nrs. 58 en 60, blz. 4048 t/m 4170 en 4184
t/m 4206). Als gevolg hiervan is ook de
voorgenomen herziening van de procesgang in het eerste ziektejaar
bijgesteld [zie ook Regeling procesgang
eerste ziektejaar, red.]. In de recente Voortgangsnota
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken II 1998-1999, 22 187, nr.
104) zijn deze aangepaste
maatregelen aangekondigd. Tijdens een algemeen overleg op 8 juni 2000 is deze nota met de Vaste Commissie voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid besproken (Kamerstukken II 1998-1999, 22 187, nr.
107).
b. Het wetsvoorstel in
het kort
Het doel van dit
wetsvoorstel is om bepaalde weeffouten uit de procesgang in het eerste ziektejaar
te verwijderen en op een zo eenvoudig mogelijke manier voorwaarden te scheppen voor betere reïntegratieprestaties.
Daarnaast wordt de
publieke toezichtsfunctie verscherpt doordat de activiteiten van partijen worden
beoordeeld aan de hand van een inhoudelijk gedeeld normenkader.
Werkgever en werknemer weten hierdoor wat van hen in het kader van
reïntegratie wordt verwacht. De basis voor betere reïntegratieprestaties
wordt geschapen door de nieuwe SUWI-voorstellen, die een heldere
taakafbakening tussen de reïntegratiemarkt en de uitvoering van de werknemersverzekeringen scheppen. Dit wetsvoorstel beoogt
stimulansen te creëren voor effectiever optreden in het eerste ziektejaar,
de verantwoordelijkheid
van werknemer en werkgever te versterken en de samenwerking tussen de
private reïntegratiemarkt en de publieke uitvoeringsinstelling te verbeteren. Het gaat
daarbij om de volgende concrete maatregelen:
• Vervroeging van de
ziekmelding naar zes weken: werkgever en werknemer worden vroegtijdig
geïnformeerd en gealerteerd (hoofdstuk 4).
• Werknemer wordt
geïnformeerd via de arbodienst.
• Werkgever wordt
geïnformeerd over de (financiële) gevolgen van arbeidsongeschiktheid
door de uvi
in "zoet-en-zuurinformatie".
• De huidige papieren
rompslomp rond voorlopig en definitief reïntegratieplan wordt afgeschaft.
• Invoering van een
reïntegratieverslag waarin verantwoording wordt afgelegd over het verloop
van en de verrichtte reïntegratie-inspanningen tijdens het eerste
ziektejaar. Voor de inhoud van het reïntegratiedossier en
het daaruit samen te stellen reïntegratieverslag wordt in overleg met de
huidige uitvoerders een protocol ontwikkeld [zie ook Beleidsregels
beoordeling poortwachter, red.]. In het protocol worden
eisen aan het dossier en het verslag gesteld. Het zal normen bevatten
over adequate reïntegratie-inspanningen. Richtsnoer hierbij is het
vroegtijdig verrichten van interventies in het eerste ziektejaar. Deze
normen zullen een uitstralingseffect hebben naar het gedrag in het
eerste ziektejaar (hoofdstuk 5).
• De werknemer zal een
eigen rol krijgen in de totstandkoming van het reïntegratieverslag en
deze zelf moeten indienen bij aanvraag van de WAO-uitkering.
• Het
reïntegratieverslag zal medische en arbeidskundige basisinformatie gaan bevatten
voor de
claimbeoordeling. Hierdoor zullen de rblz.|4|
administratieve taken van
de uvi worden verlicht en meer tijd vrijkomen voor de daadwerkelijke
claimbeoordeling.
• Flexibilisering van
het moment van WAO-beoordeling: uitstel van WAO-beoordeling op gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer.
Onnodig verblijf in de
WAO (omdat het herstelproces nog gaande is) kan hierdoor
worden voorkomen (hoofdstuk 6).
• Verlenging
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever als hij onvoldoende heeft
gedaan
aan de reïntegratie van zijn zieke werknemer.
• Uitstel van
WAO-beoordeling als werkgever én werknemer onvoldoende reïntegreren. De
werkgever betaalt dan het loon door.
• "Second opinion"
voor werkgever en werknemer: zij kunnen de uvi een oordeel vragen over
de vraag of er binnen het bedrijf passende arbeid aanwezig is, dan
wel of er voldoende reïntegratieactiviteiten worden ontplooid (hoofdstuk
7).
• Inhouden van het loon
door de werkgever en treffen van een maatregel door uvi als de werknemer
onvoldoende meewerkt aan zijn reïntegratie (hoofdstuk 7).
Invoering van
dit
wetsvoorstel is een zaak die de nodige zorgvuldigheid vergt. Het succes ervan
staat of valt met een goede onderlinge samenwerking tussen alle betrokken
partijen. Inzet van dit wetsvoorstel is niet om van bovenaf een
gedetailleerde werkwijze op te leggen. Het heeft uitdrukkelijk de bedoeling de
procesgang zodanig in te richten dat deze de neerslag vormt van de
administratieve en uitvoeringstechnische mogelijkheden van de direct betrokken
bedrijven en instellingen. Het kabinet is zich ervan bewust dat - ook met deze uitgangspunten
- de implementatie van dit wetsvoorstel
de
nodige organisatorische inspanningen zal vergen. Er zal dan ook een begeleidingsgroep worden
ingesteld, waarin alle
betrokken organisaties en
het departement van SZW zijn vertegenwoordigd, teneinde te garanderen
dat de invoering op een zorgvuldig afgestemde wijze geschiedt.
Zoals hiervoor al werd
gesteld, is het onmogelijk om via wetgeving en procedures te verzekeren
dat alle honderdduizenden ziektegevallen per jaar op een adequate
manier worden benaderd. Uiteindelijk zal veel afhangen van het
welbegrepen eigenbelang van werkgever en werknemer. Het belang van de
werkgever bij adequate reïntegratie is de afgelopen jaren fors versterkt en
zal in de komende jaren nog verder toenemen als gevolg van
het oplopen van de gedifferentieerde WAO-premie, een afnemende
tendens tot herverzekering van het ziekteverzuimrisico en de
krapte op de arbeidsmarkt. Ook het belang van de werknemer is groot:
instroom in de WAO betekent uiteindelijk een minder solide
maatschappelijke positie en inkomensachteruitgang. Dit besef zou echter beter
uit de verf komen als afspraken in de CAO-sfeer zich minder eenzijdig op
bescherming en meer op participatie zouden richten. Deze
onevenwichtigheid in de CAO-sfeer kan nooit geheel via wettelijke maatregelen
worden gecorrigeerd.
2. Voorgeschiedenis
a. Voorbereiding
Bij de voorbereiding van
dit
wetsvoorstel heeft een open communicatie plaatsgevonden met de
uitvoeringspraktijk. Teneinde een nader inzicht te krijgen in de feitelijke
knelpunten in het eerste ziektejaar en de uitwerking van de diverse
voorgestelde maatregelen zijn in het voortraject van dit wetsvoorstel de
verschillende betrokken partijen geconsulteerd.
Zij hebben de gelegenheid
gekregen om zich uit te spreken over de voorgestelde maatregelen en zijn nauw
betrokken bij de nadere uitwerking rblz.|5|
daarvan. Dat geldt in het bijzonder voor de opstelling van een protocol
voor het
reïntegratieverslag en de ontwikkeling van een toetsingskader voor de toezichtsfunctie
van de uvi’s op de private reïntegratie-inspanningen.
Medio 1999 is aan diverse
instanties technisch commentaar gevraagd op het in de brief van 28
mei 1999 voorgestelde poortwachtersmodel. Een aantal instanties heeft
spontaan gereageerd. Een deel van dit commentaar is echter niet meer
actueel omdat het poortwachtersmodel als gevolg van de genoemde wijziging van
het SUWI-plan is aangepast. Er is dan ook opnieuw commentaar aan
deze instanties gevraagd. Dit nieuwe commentaar wordt hierna beknopt
weergegeven samen met die onderdelen van het toentertijd
uitgebrachte commentaar voor zover de inhoud ervan voor dit
wetsvoorstel nog
relevant is. Hieronder zullen het commentaar van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], de toezichtstoets van het
Ctsv en de commentaren
van de BOA (Branche Organisatie Arbodiensten), de STAR (Stichting van de Arbeid), de NVvA (Nederlandse Vereniging
van Arbeidsdeskundigen) en de KNMG (Koninklijke
Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst) kort worden weergegeven.
b. Ontvangen commentaren
Alle bovengenoemde
instellingen kunnen in grote lijnen het in dit
wetsvoorstel geschetste model
onderschrijven. De helderheid in de taakverdeling tussen de private en
publieke sector wordt algemeen als een vooruitgang gezien en ook de vorming
van een gemeenschappelijk normenkader in het kader van een
adequate verzuimbegeleiding spreekt alle betrokken partijen aan. Bij het
protocolleren van het reïntegratieverslag wordt dit kader in nauwe
samenwerking met de uitvoerende instanties tot stand gebracht.
De BOA onderschrijft (bij
brieven van 21 juni 1999, 8 juli 1999 en 19 mei 2000) de constatering dat
het huidige poortwachtersmodel slagvaardig optreden van partijen in het eerste ziektejaar in de weg staat en is voorts
onder meer ingegaan op
het tijdstip van de ziekmelding en de voorgestelde bedrijfsbezoeken.
Desgevraagd merkt de STAR ¹ op dat de poortwachtersfunctie
idealiter op een objectieve wijze, vrij van risico van belangenverstrengeling,
zou moeten worden uitgeoefend. Voorts is het zinvol om te bezien of
het beschikbare reïntegratie-instrumentarium van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet Rea) effectiever kan worden
ingezet voor
reïntegratie in het eerste ziektejaar. De NVvA heeft bij brief van 21 juli 1999
gereageerd. Daarbij is aangegeven dat de kabinetsplannen in grote lijnen worden
gesteund. Er wordt voor gepleit om de arbeidsdeskundige een
prominente rol te geven als casemanager, zowel in het eerste spoor als
in het tweede spoor. De KNMG onderschrijft in zijn brieven van 11 november
1999 en 9 oktober 2000 de in het concept-wetsvoorstel neergelegde hoofdlijn
en
wijst erop dat het contact tussen partijen zich dient te
kenmerken door samenwerking en (vak)inhoudelijk overleg, op het moment
dat dit zinvol is en toegespitst op de specifieke situatie van de
(verzuimende) werknemer. Het grote belang van de eigen rol van de werknemer in
het reïntegratieproces wordt hierbij aangegeven. De KNMG merkt nog op dat
een gemeenschappelijk denk- en werkkader een belangrijke voorwaarde is voor het slagen van het
poortwachtersmodel.
1. Zie de op 6 oktober
1999 vastgestelde nota over beperking van het
ziekteverzuim en instroom in de WAO.
Zowel het
Lisv als het Ctsv
hebben naast hun beleidsmatige inbreng ook een aantal technische
verbeteringen voorgesteld. Diverse technische punten die door het Ctsv
en het Lisv naar voren zijn gebracht, leiden tot een verbetering van het
wetsvoorstel en zijn door het kabinet overgenomen. Op specifieke onderdelen
van het commentaar wordt in het navolgende uitvoeriger ingegaan.
rblz.|6|
3. Heldere
verantwoordelijkheidsverdeling
Maatgevend voor de
systematiek van dit
wetsvoorstel is de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
uit hoofde van het wetsvoorstel SUWI. In SUWI
is bepaald dat de
reïntegratiebegeleiding grotendeels wordt toevertrouwd aan de private markt,
terwijl de klassieke uitvoeringstaken van de werknemersverzekeringen (claimbeoordeling, uitkeringsverstrekking en
premieheffing) in handen
komen van het publieke Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV). Naast de noodzaak van een heldere taakverdeling zijn er
ook dwingende, praktische redenen om het voortouw tot reïntegratie bij de
werkgever en daarmee de facto bij de arbodiensten en reïntegratiebedrijven
te leggen. Ten eerste is het voor de uvi onmogelijk om effectief inzicht te krijgen in de vele honderdduizenden
ziektegevallen die zich
jaarlijks voordoen. Ten tweede dient de uvi zijn schaarse capaciteit aan
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bij voorrang aan te wenden
voor de claimbeoordeling WAO en de versterking van zijn
poortwachtersfunctie. Zo zullen ingezette verbeteracties ten aanzien van de
tijdigheid, de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
WAO-claimbeoordeling,
alsmede de verbetering van de toezichtsfunctie, veel inspanning van de
uvi vergen. Verbetering van deze werkprocessen heeft overigens tevens
een positieve invloed op het reïntegratiegedrag van werknemer en
werkgever; een strikte keuring en effectief toezicht zal tot een actievere houding
in het eerste ziektejaar aanzetten.
Het zijn deze
overwegingen die de reden zijn geweest om te komen tot de verantwoordelijkheidsverdeling
zoals die in het wetsvoorstel SUWI vorm zal krijgen. De werkgever
is thans al verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn werknemers in
het eigen bedrijf. Met SUWI wordt die verantwoordelijkheid uitgebreid met
reïntegratie naar een andere werkgever. Deze verantwoordelijkheid
duurt zolang werkgever en werknemer bipartiet opdrachtgever blijven
voor reïntegratie. Reïntegratie blijft in principe het domein van de werkgever,
daarbij ondersteund door zijn arbodienst, die met een
reïntegratiebedrijf gelieerd kan zijn. Het bestaan van een
dienstbetrekking en de financiële
prikkels van Wulbz en Pemba
zijn krachtige impulsen voor reïntegratie-inspanningen door de werkgever en zijn arbodienst
om de reïntegratie van zieke werknemers zo effectief mogelijk aan te pakken. Die eigen
verantwoordelijkheid impliceert ook dat het UWV
met betrekking tot
reïntegratie in het ziektejaar, en het eerste WAO-jaar, op afstand komt te staan.
Dat uit zich onder meer hierin dat het UWV gedurende het eerste ziektejaar
alleen in actie komt op verzoek van één der private partijen. Het UWV
behoudt een aantal faciliterende taken ten aanzien van reïntegratie (informatieverstrekking, verstrekking
Rea-subsidies), maar het
voortouw bij de reïntegratie van individuele werknemers ligt bij
private partijen.
Het
UWV behoudt wel de
reïntegratietaak voor werknemers die geen werkgever meer hebben
(uitzendkrachten, tijdelijke contractanten), de gelijkgestelde arbeidsverhoudingen
("rariteiten") en de langdurig arbeidsongeschikten
wier dienstverband is
verbroken. Daarnaast blijft het UWV verantwoordelijk voor
personen die als zelfstandige werkzaam waren (WAZ-verzekerden) en voor
jonggehandicapten. De feitelijke reïntegratieactiviteiten voor deze groepen
werknemers zullen overigens door het UWV weer worden
uitbesteed aan particuliere reïntegratiebedrijven.
Het feit dat het
UWV bij
reïntegratie-inspanningen op afstand komt te staan, betekent niet dat
er door werkgever en werknemer geen verantwoording meer behoeft te worden
afgelegd voor hun inspanningen. Het poortwachtersmodel
veronderstelt dat het UWV erop toeziet dat mensen niet onnodig in
aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dat betekent dat het UWV
een controlerende taak blijft rblz.|7|
behouden: het zal aan het
einde van het eerste ziektejaar een oordeel moeten vellen over de
reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer. Zoals ook het Lisv
terecht aangeeft, zal de faciliterende rol van de uvi
in het eerste
ziektejaar in de interne organisatie gescheiden dienen te zijn van de controlerende
functie, teneinde te garanderen dat deze twee taken elkaar niet in de
weg komen te staan. Het is van essentieel belang dat de verhouding tussen
arbodiensten en UWV helder blijft en dat nieuwe onderlinge
tegenstellingen (competentiestrijd, scheve concurrentieverhoudingen) voorkomen worden.
Daarnaast wordt de
aansluiting van het publieke op het private domein verder versterkt doordat
- zoals ook het Lisv voorstelt - alle partijen zullen gaan werken met een
zoveel als mogelijk zelfde normenkader voor zieke en arbeidsongeschikte
werknemers (een door alle partijen gedragen "best practice"). Deze best
practice wordt in overleg met de verschillende betrokken partijen in het
veld vastgelegd in het protocol van het reïntegratieverslag.
Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid over hetgeen gedurende het eerste jaar
van een werkgever ¹, een werknemer en arbodienst op het gebied van adequaat verzuim en reïntegratiebeleid wordt
verwacht. Daarnaast
worden op deze manier de wederzijdse rechten en de plichten van de
werkgever, de uitkerende instantie en de werknemer vastgelegd. Voorts wordt de samenhang
versterkt doordat wordt geregeld dat de onderlinge
informatie-uitwisseling zal gaan plaatsvinden op basis van een door partijen zelf
ontwikkelde wijze van dossiervorming en rapportage (zie hoofdstuk
5).
1. Hiermee wordt ook de uvi
bedoeld die verantwoordelijk is voor
de verzuimbegeleiding en reïntegratie van
degenen die een Ziektewetuitkering, WAZ-uitkering en
Wajong-uitkering
ontvangen.
4. Verbeterde
informatievoorziening en communicatie
a. Ziekmelding en
informatievoorziening aan werknemers
In het
wetsvoorstel wordt
de ziekmelding vervroegd tot uiterlijk zes weken na de eerste dag van
arbeidsongeschiktheid. In technische zin dient de ziekmelding tot het vaststellen van de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid
in verband met het wachtjaar voor de WAO. Met dit wetsvoorstel wordt met name de
signaalfunctie van de ziekmelding versterkt. Met de vervroeging van de
ziekmelding wordt een eerder moment gecreëerd waarop
werknemer en werkgever worden gealerteerd ten aanzien van de consequenties van langdurig ziekteverzuim. Voorts zal er
ook een intensivering plaatsvinden van de informatieverstrekking aan betrokkenen hierover. Dit
zal bijdragen aan de bewustwording van werknemer en werkgever dat het
aangewezen is om vroegtijdig in het eerste ziektejaar actie te
ondernemen. Via de arbodienst zal de uvi algemene informatie aan de
werknemer verstrekken. Hierin zal uitdrukkelijk aandacht worden besteed
aan de hem ter beschikking staande instrumenten (zoals mogelijkheid uitstel WAO-beoordeling en uitbreiding van
de second-opinionmogelijkheid) om zijn reïntegratie te bevorderen. Tevens zal worden
benadrukt dat van de werknemer een actieve rol bij het herstel en de
reïntegratie wordt verwacht. Door de informatieverstrekking aan de
werknemer zal het
voor hem beter mogelijk worden zijn acties te bepalen en de rechten
die hij in dit verband heeft te effectueren.¹ De uvi’s zullen met de
arbodiensten afspraken maken over het verstrekken van deze informatie.
1. In het
reïntegratieverslag zal melding worden gemaakt van de
datum waarop het voorlichtingsmateriaal
aan de werknemer is verstrekt.
b. Zoet-en-zuurinformatie
aan werkgevers
Ook de werkgevers zullen
in het nieuwe poortwachtersmodel door de uvi
worden voorgelicht. Als
gevolg van de Wet premiedifferentiatie marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba) is de uvi op de
hoogte van de WAO-risico’s
van elk individueel bedrijf. Ook kan de uvi deze WAO-cijfers
vergelijken met het gemiddelde in de sector waarin het rblz.|8|
desbetreffende bedrijf
opereert. Alle bedrijven zullen bij de jaarlijkse premiebeschikking branchevergelijkende informatie van de
uvi ontvangen. Hierin zal de
werkgever worden geïnformeerd of hij een hoger arbeidsongeschiktheidsrisico
heeft dan het gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico
van zijn sector en in welke mate dat het geval is. Tevens zal de
werkgever geattendeerd worden op de mogelijkheden van reïntegratie, die de
werkgever bij zijn arbodienst kan aankaarten. Deze "zoet
en zuur"-informatie zal bijdragen aan de alertheid van de werkgever ten
aanzien van de financiële risico’s van ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Dit zal worden ondersteund door publicitaire campagnes.
c. Socialeverzekeringsadvies
Het kan voorkomen dat er,
bij het opstellen van een plan van aanpak voor de reïntegratie in een
concreet geval, bij werkgever/arbodienst en werknemer - naast de algemene
informatie - ook behoefte bestaat aan op maat toegesneden
informatie ten aanzien van de Rea-subsidiemogelijkheden en de mogelijke
WAO-aspecten. Is dat het geval, dan kunnen de
werkgever/arbodienst en
de werknemer aan de uvi informatie vragen over de
socialeverzekeringsaspecten van het betreffende geval. Hierbij moet gedacht worden aan het
terrein waarop de uvi bij uitstek deskundig is, zoals de vraag of er in
een concreet geval Rea-voorzieningen verstrekt kunnen worden, of er
recht op WAO-uitkering kan gaan ontstaan en de vraag of het zinvol is om
de wachttijd te verlengen. Dit speciale advies is een verbijzondering van
de wettelijke informatievoorzieningstaak van de uvi en wordt als zodanig
in de Osv 1997 [zie Wet SUWI, red.] opgenomen. Thans wordt in deze behoefte voorzien door
middel van structureel overleg, met name bij grotere werkgevers, de
zogenoemde werkgeversteams. Deze overleggen kunnen in de toekomst
worden voortgezet, zij het dat de inbreng van het UWV
zich primair zal concentreren op adviezen voortvloeiend uit zijn
hiervoor aangegeven
kerntaken. De voor de werknemer te ondernemen reïntegratieacties
zullen moeten worden geïnitieerd door de werkgever en diens arbodienst.
Voorkomen moet worden dat vermenging plaatsvindt van publieke en private
taken van respectievelijk de uvi als WAO-uitkeringsverstrekker
en de werkgever als reïntegratieverantwoordelijke.
5. Het
reïntegratiedossier en -verslag
De huidige voorlopige en
definitieve reïntegratieplannen zijn geen succes gebleken. Hoewel bedoeld
als informatieve documenten richting werkgever en uvi, is indiening daarvan in de praktijk verworden tot een
formele verplichting die
door alle partijen als belastend wordt ervaren. De reïntegratieplannen
blijken veelal geen probleemanalyse te bevatten, noch een op basis daarvan
geformuleerde aanpak van zowel de klachten als de werkhervatting en
de eventuele reïntegratie. De uvi’s reageren hier nauwelijks inhoudelijk op,
maar voornamelijk procedureel. Werknemers blijken in de praktijk
vaak niet betrokken te worden bij beslissingen die hen zelf betreffen. Al
met al leiden deze omstandigheden ertoe dat de reïntegratieplannen in
de praktijk meestal weinig toegevoegde waarde hebben. Zij komen
derhalve te vervallen.
Daarvoor in de plaats
komt het reïntegratieverslag, dat na negen maanden tegelijkertijd met de
aanvraag van de WAO-uitkering moet worden ingediend. Het reïntegratieverslag
zal een wezenlijk onderdeel gaan vormen van het
besluitvormingsproces rond langdurig zieke werknemers en de spil worden van de
informatie-uitwisseling tussen de verschillende partijen die in dit veld
opereren.
rblz.|9|
Kern van
de nieuwe verslaglegging is dat bij dreigend langdurig ziekteverzuim werkgevers
en hun arbodienst samen met de werknemer een dossier vormen. Hierin
zal een aantal gegevens moeten worden vastgelegd met betrekking tot de
aard van het ziekteverzuim en de ten behoeve van de zieke werknemer
gepleegde interventies. In de praktijk zullen de verschillende onderdelen
van het dossier niet volledig bij de werkgever berusten. Ten dele zullen
relevante gegevens bij zijn arbodienst berusten; zo beschikt niet de
werkgever, maar zijn arbodienst over diverse gegevens (zoals de medische
gegevens) inzake het ziekteverzuim. De werknemer ontvangt afschriften van
alle belangrijke stukken die in het dossier worden opgenomen.
Vanuit dit dossier
rapporteert de werkgever overigens niet alleen via het reïntegratieverslag,
maar ook op een aantal andere momenten (bijvoorbeeld bij de aanvraag voor een
Rea-voorziening) aan de uvi. In dit kader krijgt de arbodienst de bevoegdheid het
sofinummer te gebruiken. Het
reïntegratieverslag
wordt het basisdocument voor het verdere besluitvormingsproces aan
het einde van het eerste ziektejaar.
Het reïntegratieverslag
zal minimaal moeten bevatten:
• een verslag van de
reïntegratieactiviteiten die de werknemer, de werkgever en de arbodienst hebben
ondernomen. Zij dienen aantekening te houden van de belangrijke stappen die zij hebben gezet op weg naar
herstel en reïntegratie
(het dossier). Werkgever en arbodienst zullen in dat kader voorts
duidelijke afspraken moeten maken over het casemanagement: wie is het aanspreekpunt
voor de werknemer en wie neemt het initiatief op
de vaste evaluatiemomenten. Met zo’n vast aanspreekpunt zal het
voor de werknemer aanzienlijk gemakkelijker worden om een effectieve
begeleiding te effectueren. Aan het dossier en het verslag dat op
basis daarvan wordt samengesteld, zullen minimumeisen worden verbonden met
betrekking tot deze verschillende etappes in het
ziekteproces waarover moet worden gerapporteerd. Hierbij zal de nadruk
worden gelegd op de noodzaak tot vroegtijdige interventie. Tevens zal
expliciet moeten worden ingegaan op zaken als de vraag of er aangepast
ander werk is aangeboden en of er al dan niet sprake is van een
arbeidsconflict.
• Anders dan nu het
geval is, zal van de werknemer een belangrijke bijdrage aan het reïntegratieverslag worden gevraagd. Ook dit
versterkt zijn invloed in
het reïntegratietraject en hij kan zijn werkgever en de arbodienst
aanspreken op hun verplichtingen in deze. Hij zal moeten aangeven welke
reïntegratie-inspanningen hij zelf heeft geleverd. Tevens zal hij zijn visie
op de inspanningen van de werkgever en de inhoud van het verslag
kenbaar dienen te maken. Zo wordt voorkomen dat het verslag eenzijdig
wordt vastgesteld. De werknemer dient het verslag in bij
de uvi als onderbouwing van zijn WAO-aanvraag. Werkgever en arbodienst
stellen hem daartoe hun gedeelten van het verslag ter
beschikking. Deze procedure garandeert dat de medische gegevens buiten
zicht van de werkgever blijven en voorkomt dat de werknemer eerst
toestemming zou moeten geven aan de arbodienst voor overdracht aan de
uvi. Voorts wordt aldus de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer benadrukt. Van hem wordt verwacht
dat hij zijn werkgever en
de arbodienst aanspreekt indien deze te weinig zouden ondernemen
en hij heeft zo alle gelegenheid om zijn eigen visie op de stukken
aan te tekenen. Uiteraard zal, indien werkgever of arbodienst in gebreke
blijven bij het ter beschikking stellen van hun deel van het
verslag, de uvi dit niet de werknemer aanrekenen. In dat geval zal de uvi
de werkgever en diens arbodienst rechtstreeks aanspreken.
• Het verslag bevat een
medisch en arbeidskundig gedeelte dat basisinformatie biedt voor de
WAO-claimbeoordeling. Hierbij gaat het om gegevens over de aard en
de ernst van de klachten, het ziekteverloop, de prognose en de
belastbaarheid (de medische beperkingen) van de rblz.|10|
betrokkene. Bij
arbeidskundige gegevens gaat het onder meer over de beoordeling of betrokkene
nog in staat is om het eigen werk - al dan niet met aanpassingen - dan wel ander aangepast werk te verrichten.
Het verslag zal het
juiste midden moeten bewandelen tussen volledigheid en eenvoud. Het moet de
neerslag zijn van een door alle betrokken partijen gedragen "best
practice" voor reïntegratie. Het verslag zal definitief worden vormgegeven in
nauw overleg met de betrokken partijen in het veld (onder meer) het Lisv
en de BOA. Dit zal resulteren in bij ministeriële regeling te protocolleren
voorschriften. In deze regeling zal in geval van dreigend langdurig
ziekteverzuim een algemeen procedureel normenkader worden gesteld. Het zal
minimumeisen bevatten die vanuit de publieke verzekering
worden gesteld aan de spelers in het veld ter voorkoming van WAO-instroom.
Aangegeven zal worden door wie, op welk tijdstip, welke stap ten minste in het reïntegratieproces moet zijn gezet. Hiermee worden de
randvoorwaarden voor een goede reïntegratie-inspanning door partijen omschreven.
Als gevolg hiervan zal het publieke domein zijn toezichtsfunctie op de
reïntegratieactiviteiten van partijen
effectiever kunnen uitoefenen.
Ook het Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal) zal betrokken worden bij de
protocollering. Tevens zal rekening worden gehouden met de
uitkomsten van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid ("Donner
I"). Deze
commissie streeft ernaar te komen tot consensus over een "standard code of good
practices", die niet vrijblijvend en bovendien toetsbaar
moet zijn. Bij het opstellen van het protocol wordt ernaar gestreefd
de nadere eisen van het poortwachtersmodel te doen aansluiten op die code.
Aan deze nieuwe werkwijze
is een aantal voordelen verbonden:
• De protocollering van
de dossiervorming in geval van dreigend langdurig ziekteverzuim en het
verslag zal een normatieve bodem leggen in het interventietraject
in het eerste ziektejaar. Het protocol zal immers normen bevatten ter zake
van de reïntegratie, waarbij richtsnoer is dat in het eerste ziektejaar
vroegtijdig ingegrepen dient te worden. Deze normen zullen een
uitstralingseffect hebben naar het gedrag in het eerste ziektejaar en
zullen het vroegtijdig ingrijpen bevorderen.
• De eigen
verantwoordelijkheid van de werknemer zal aanzienlijk worden versterkt, hetgeen
ook tot een actievere opstelling zal aanzetten.
• Door het
reïntegratieverslag wordt de poortwachtersfunctie van het publieke domein
versterkt. Een groot deel van de huidige papierstroom tussen werkgever en
uvi
verdwijnt, hetgeen de mogelijkheid opent om meer
inhoudelijke eisen aan het reïntegratieverslag te stellen. Bovendien is het
reïntegratieverslag als verantwoording achteraf per definitie
beter te verifiëren dan de huidige reïntegratieplannen die plannen voor de
toekomst bevatten.
• Het verslag dient een
goede basis te bieden voor de claimbeoordeling door de uvi. Adequate
aanlevering van medische en arbeidskundige gegevens in het reïntegratieverslag betekent dat de verzekeringsarts
en de arbeidsdeskundige
meer tijd kunnen besteden aan een kwalitatief hoogwaardige keuring.
6. Uitstel van de
WAO-beoordeling op verzoek
Het komt voor dat de
WAO-beoordeling voor werknemer en werkgever te vroeg komt, omdat de
werknemer zich bijvoorbeeld nog midden in zijn herstelperiode bevindt. Het
risico bestaat dan dat de WAO-beoordeling dit reïntegratieproces
doorkruist en in sommige situaties dan zelfs verstorend kan werken. Ook kan de
WAO-beoordeling door sommige werknemers als stigmatiserend worden
ervaren. Het is om die reden dat een flexibeler rblz.|11|
moment van de
WAO-beoordeling gewenst kan zijn. Niet alleen voor de werknemer overigens, ook de
werkgever kan baat hebben bij het uitstellen van de WAO-beoordeling. Op
deze manier kan hij de reïntegratie van zijn zieke werknemer immers
volledig in eigen hand houden.
Gelet hierop wordt
voorgesteld om aan werkgever en werknemer tezamen de mogelijkheid te geven de
WAO-beoordeling voor maximaal één jaar uit te stellen. Met andere
woorden: de wachttijd voor de WAO wordt in dat geval verlengd. Bij de aanvraag kunnen partijen aangeven met hoeveel
tijd zij de wachttijd willen
verlengen. De uvi zal dit verzoek marginaal beoordelen en in beginsel in
zijn besluit aan een dergelijk verzoek gehoor geven.
Een gezamenlijk verzoek tot
verlenging van de wachttijd is vereist omdat tijdens deze periode de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever doorloopt en de werknemer
dient in te stemmen met het uitstel van de WAO-beoordeling. De
werknemer krijgt, als eenmaal is besloten tot verlenging van de wachttijd,
het recht deze wachttijd te bekorten door tussentijds een WAO-aanvraag
in te dienen. Reden hiervoor kan zijn dat zich nieuwe of onverwachte
omstandigheden aandienen, waardoor verlenging van de wachttijd
niet meer aangewezen is. Gedacht kan worden aan het plaatsvinden
van een ongeluk, verergering van de medische toestand of mislukking van
de voorgenomen reïntegratie. In een dergelijk geval eindigt de
loondoorbetaling van de werkgever dertien weken na indiening van de
WAO-aanvraag. De werkgever krijgt niet het recht deze termijn
tussentijds te beëindigen, omdat voorkomen moet worden dat de werknemer op
enig moment tijdens het reïntegratieproces onder druk wordt gezet door
een eenzijdig aangekondigde verkorting van de wachttijd. Uiteraard kan
de werkgever gedurende de verlenging van de wachttijd wel het loon
weigeren als de werknemer niet meewerkt aan de reïntegratie.
Het kan voorkomen dat een
werknemer na afloop van de verlengde wachttijd alsnog in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Deze
WAO-uitkering werkt dan
gedurende vijf jaar door in het gedifferentieerde deel van de WAO-premie van
de werkgever. Voorafgaand aan deze WAO-uitkering heeft de
werkgever gedurende de verlengde wachttijd al het loon doorbetaald. Om de
werkgever voor deze vrijwillig op zich genomen lastenverzwaring te
compenseren, wordt voorgesteld de verlengde wachttijd in
mindering te brengen op het tijdvak van vijf jaar waarover het arbeidsongeschiktheidsrisico van de werkgever wordt berekend.
De werkgever zal hierdoor
maar met maximaal zes jaar met de financiële gevolgen van de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer
kunnen worden
geconfronteerd.
7. Versterking
verantwoordelijkheid werknemer
a. Effectuering
reïntegratiemogelijkheden door second opinion
Dit
wetsvoorstel strekt er
mede toe de werknemer intensiever te betrekken bij de voor hem te
ondernemen reïntegratiemaatregelen, zo goed als ook van hem verlangd wordt
dat
hij zich zelf actiever opstelt ten behoeve van zijn herstel- en
reïntegratieproces. In het kader van zijn reïntegratie wordt de positie van de werknemer
versterkt door het uitbreiden van de reeds bestaande second-opinionmogelijkheid. Indien verschil van mening bestaat, kunnen werknemers
(en ook werkgevers) in het kader van de loondoorbetalingsverplichting
thans een oordeel aan de uvi vragen over de vraag of een werknemer
wegens ziekte ongeschikt is tot werken (de "second opinion", artikel
38 Organisatiewet sociale verzekeringen 1997). De uitslag van de second
opinion wordt bijna altijd door partijen aanvaard, waardoor de gang naar de
rechter voorkomen wordt.
rblz.|12|
Met dit
wetsvoorstel wordt
het mogelijk gemaakt tevens het oordeel van de uvi
te
vragen over de
niet-medische aspecten van de reïntegratie:
a. Is er passende arbeid
binnen het bedrijf van de werkgever van de arbeidsongeschikte werknemer
aanwezig, en zo ja, is die arbeid passend voor de werknemer?
b. Verricht de werkgever ten
aanzien van zijn arbeidsongeschikte werknemer voldoende reïntegratie-inspanningen?
Indien de werknemer van
mening is dat zijn werkgever of arbodienst te weinig doen om hem terug te
geleiden naar werk, kan hij zich met deze vragen tot de uvi
wenden.
Met een deskundig oordeel hierover kan de werknemer dan de
reïntegratie-inspanningen van zijn werkgever activeren en intensiveren. Dit oordeel
zal met name ook effectief kunnen werken, omdat het negeren ervan door
de werkgever kan leiden tot verlenging van de
loondoorbetalingsverplichting aan het einde van het ziektejaar (zie hoofdstuk
8).
De verwachting
is echter dat in de meeste gevallen zo’n second opinion een vastgelopen reïntegratieproces weer zal
lostrekken
en partijen weer een impuls
zal geven om actief naar oplossingen te zoeken.
Indien de
uvi van oordeel is
dat er wel passende arbeid voorhanden is, zal de werkgever deze (naar
verwachting) ook aanbieden. Weigert de werkgever deze passende arbeid aan te
bieden, dan strekt de second opinion ertoe de werknemer te
ondersteunen met het verkrijgen van passende arbeid en deze zo nodig ook
via een civiele procedure af te dwingen. Als de werkgever de arbeid
weigert aan te bieden en vervolgens een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst bij de civiele rechter indient, kan de werknemer ook in dat
kader het oordeel van de uvi aan de orde stellen.
Ook voor de werkgever kan
een second opinion over het (niet) aanwezig zijn van passende arbeid van
belang zijn. Dit kan bijvoorbeeld de procedure bij een ontbindingsverzoek
door de werkgever gemakkelijker maken.
b. Effectuering
inspanningsverplichting tot reïntegratie werknemer
De werknemer is gehouden
zich in te spannen om te reïntegreren. De consequentie daarvan is dat,
wanneer een zieke werknemer een aantal verplichtingen jegens zijn werkgever niet nakomt, er geen recht bestaat op
doorbetaling van het loon.
Dat geldt bijvoorbeeld als de werknemer zijn genezing belemmert (artikel 629,
derde lid, onderdeel b,
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek) of als
de werknemer zonder deugdelijke grond weigert om passende arbeid
te verrichten (artikel 629, derde lid, onderdeel c,
van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek). Wanneer de werknemer echter weigert om anderszins mee te
werken aan zijn reïntegratie - zoals het volgen van een om- of
bijscholingscursus - is het binnen het huidige wettelijke systeem niet duidelijk
of de
werkgever de mogelijkheid heeft door opschorting van de
loondoorbetaling de werknemer tot het gewenste gedrag aan te zetten. Vaak
zal een weigering van een werknemer om mee te werken aan
reïntegratieactiviteiten spelen bij arbeidsconflicten, waardoor de situatie kan ontstaan dat
men ook niet meer actief zoekt naar een oplossing voor of uitweg
uit het probleem. Het uitvechten van het conflict komt centraal te staan.
Teneinde een mogelijkheid te scheppen dit soort impasses te doorbreken, krijgt de werkgever daarom de mogelijkheid om
het loon niet te betalen als
de werknemer niet meewerkt aan door de werkgever voorgestelde
redelijke maatregelen gericht op werkhervatting. Zolang op de werkgever de
verplichting rust het loon door te betalen, heeft hij het recht om de
zieke werknemer voorschriften te geven voor diens reïntegratie-inspanningen.
Het gaat hier heel
uitdrukkelijk om voorstellen die passen bij de mogelijkheden van de werknemer. Het is
zaak een balans te vinden tussen wederzijdse verplichtingen; tegenover
het recht op loondoorbetaling bij ziekte dient de werknemer ook
actief te zoeken naar wegen om de kosten van zijn
rblz.|13|
ziekteverzuim te
beperken. Ook hierbij kan de uitgebreide second-opinionmogelijkheid
behulpzaam zijn: het oordeel over het al dan niet aanwezig zijn van passende
arbeid of reïntegratiemogelijkheden werkt zowel richting werkgever als werknemer. Zijn de werkgever en diens arbodienst
er niet zeker van of
bepaalde werkzaamheden van een zieke werknemer gevergd kunnen worden, dan
kan ook de werkgever hieromtrent een second opinion vragen
aan de uvi. Ook hier geldt weer dat dit een zwaarwegend oordeel is,
omdat de uvi - bij de claimbeoordeling WAO - de mogelijkheid heeft
sancties te treffen richting werknemer indien hij zich onvoldoende heeft
ingespannen om zijn arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
Voorkomen moet worden dat
dit instrument de private verantwoordelijkheid voor reïntegratie uitholt.
Voorwaarde zal daarom zijn dat er een first opinion is van de arbodienst
en dat de volledige kosten van de second opinion door de werkgever
worden gedragen.
Zoals hiervoor reeds is
gesteld, kan de verruimde second opinion ook een rol spelen bij ontbinding
van de arbeidsovereenkomst. Hieraan wordt in de artikelsgewijze
toelichting aandacht besteed.
8. Mogelijkheid tot
verlenging loondoorbetalingsplicht
De werkgever ondervindt
forse financiële prikkels om zijn werknemers niet in de WAO
te laten
afvloeien. Ook door de krappe arbeidsmarkt wordt hij hiervan weerhouden. Het
gros van de werkgevers zal dan ook het nodige doen om spoedige
reïntegratie te bewerkstelligen.
Indien een werkgever zich
desondanks laks opstelt, moet de mogelijkheid bestaan om sancties op te
leggen en die moeten zodanig zijn vormgegeven dat zij de werkgever ertoe
aanzetten zijn verzuim goed te maken en alsnog tot reïntegratie
van de betrokken werknemer over te gaan. Eén van de problemen waarmee het
huidige poortwachtersmodel te maken heeft, is dat het huidige
sanctie-instrumentarium richting werkgever weinig effectief is.
Weliswaar kent de huidige wetgeving de uvi de mogelijkheid toe om een bedrag ter hoogte
van het loon van een arbeidsongeschikte werknemer te verhalen op een
werkgever die verzuimt passende arbeid aan te bieden, doch
in de praktijk blijkt deze wetsbepaling moeilijk toepasbaar.
Op twee manieren worden in
dit
wetsvoorstel de sanctiemogelijkheden verbeterd. Ten eerste zal
het geprotocolleerde reïntegratieverslag een betere inhoudelijke basis
gaan vormen voor de beoordeling van de reïntegratie-inspanningen
van de werkgever. Doordat het verslag een overzicht geeft van het
gehele eerste ziektejaar, zal duidelijker zichtbaar worden wanneer de werkgever
niets of nauwelijks iets heeft ondernomen of wanneer hij aanwezige
mogelijkheden om passend werk te bieden niet heeft benut.
Ten tweede verandert de aard
van de sanctie. De boetes worden vervangen door een verlenging van de loondoorbetalingsplicht van de
werkgever indien hij in
gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het
nieuwe poortwachtersmodel. Het Lisv heeft dit in zijn commentaar ook
voorgesteld. Een voordeel van deze optie is dat het direct werkt. Dat heeft
een belangrijke signaalwerking. De werkgever weet van tevoren dat als hij
te weinig onderneemt voor zijn zieke werknemers, dan wel een onvolledig
dossier aanlevert, hij de kans loopt dat hij het loon langer moet
doorbetalen. Een tweede voordeel van een dergelijke constructie is dat de
werkgever ook nog de kans heeft zijn verzuim "goed te maken": hij kan
immers aan de sanctie een eind maken door de zieke werknemer alsnog
arbeid aan te bieden die deze nog wel kan rblz.|14|
verrichten, dan wel door het
reïntegratieverslag aan te vullen. Het totale effect van deze
sanctiemogelijkheid is dat het voor verzuimende werkgevers minder gemakkelijk wordt
gemaakt om zieke werknemers "door te schuiven" naar de WAO. In
het nieuwe systeem dient voor de claimbeoordeling expliciet te worden gemaakt
welke inspanningen er voor zieke werknemers verricht zijn.
Technisch gezien zal de
verlenging van de loonbetalingsplicht als volgt worden vormgegeven. Indien
bij de behandeling van de aanvraag WAO blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende
reïntegratie-inspanningen
ten aanzien van zijn werknemer heeft verricht, dan wel zijn verplichtingen
met betrekking tot het reïntegratieverslag niet is nagekomen, stelt het
Lisv bij beschikking een tijdvak vast ter verlenging van de loonbetalingsplicht.
Dit tijdvak bedraagt ten hoogste 26 weken en wordt afgestemd op de aard
en ernst van het verzuim. Hiervoor zullen nadere regels worden
gesteld.
Dat de
loonbetalingsverplichting van de werkgever wordt verlengd, heeft, indien
de werknemer in dit
verband niets valt te verwijten, geen gevolgen voor de behandeling van de
aanvraag WAO. Deze kan normaal doorgaan. Wel zal een eventuele WAO-uitkering niet tot uitbetaling komen, zolang de
loonbetalingsplicht van de werkgever duurt. Wanneer de werknemer echter nog niet wil worden
gekeurd, als de loonsanctie wordt toegepast, dan kan hij het Lisv
verzoeken de WAO-beoordeling aan te houden tot aan het einde van de
loonsanctieperiode.
9. Uitstel WAO-beoordeling
als werkgever en werknemer onvoldoende reïntegreren
Voor een geslaagde
reïntegratie is de inzet van zowel werknemer als werkgever noodzakelijk. Enerzijds is
de werknemer gehouden zich in te spannen om te reïntegreren.
Anderzijds dient de werkgever zich actief op te stellen om de
reïntegratie te bewerkstelligen. Dit
wetsvoorstel biedt de mogelijkheid beide partijen
aan te sporen de reïntegratie snel aan te vatten. Zo kan de werkgever
het loon weigeren als zijn werknemer niet meewerkt aan redelijke
maatregelen die erop gericht zijn werkhervatting te bevorderen. Daarnaast kan de
werkgever door verlenging van zijn loondoorbetalingsplicht ertoe aangezet worden alsnog
tot reïntegratie van de betrokken werknemer over te
gaan.
Nu kan het voorkomen dat
ondanks deze maatregelen zowel werkgever als werknemer gedurende het
eerste ziektejaar geen of onvoldoende reïntegratieactiviteiten ondernemen. De werkgever zal het loon
gewoonweg doorbetalen en de
werknemer zal gelaten de WAO-beoordeling afwachten. In een dergelijke
situatie wordt de werkgever bij de behandeling van de
WAO-aanvraag geconfronteerd met een verlenging van zijn loondoorbetalingsverplichting na einde eerste ziektejaar. Voor de
werknemer dient in zo’n
geval duidelijk te zijn dat WAO-beoordeling aan het eind van het eerste
ziektejaar geen automatisme is. Vandaar dat dit
wetsvoorstel bepaalt dat bij
het falen van werkgever én werknemer de WAO-aanvraag van de
werknemer wordt afgewezen. Zowel werkgever als werknemer krijgen hierdoor
de mogelijkheid hun verzuim te herstellen en alsnog de reïntegratie van
de zieke werknemer in gang te zetten. Voor de verdere juridisch-technische details rond deze maatregel wordt
verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
Herstelgedrag
Een technisch punt dat nog
de aandacht verdient, is het herstelgedrag van de zieke of arbeidsongeschikte werknemer en de sanctionering die kan
worden toegepast indien blijkt dat betrokkene zich niet voldoende heeft rblz.|15|
ingespannen om zijn
terugkeer naar de arbeid te bevorderen. Op zich kennen de Ziektewet
en WAO
van oudsher reeds bepalingen die het mogelijk maken sancties te treffen indien de werknemer
ter zake in gebreke blijft. Gebleken is
echter dat er in de uitvoeringsorganisatie twijfels leven over de vraag of de
sancties ook in alle situaties wel afdoende kunnen worden toegepast. Hoewel het kabinet die twijfels niet deelt, is het
wel een feit dat de
desbetreffende artikelen tamelijk onoverzichtelijk in de wet zijn opgenomen. Vandaar
dat besloten is de redactie van de artikelen 21,
23, 24 en 28 van de WAO
en een aantal artikelen van de Wet Rea beter op elkaar af te stemmen.
10. Overgangsperiode tot aan
SUWI
De betekenis van het
wetsvoorstel SUWI voor het poortwachtersmodel is gelegen in de wijzigingen in
de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende actoren in het
ziektejaar en het eerste WAO-jaar. In de Wet
Rea is de huidige verantwoordelijkheidsverdeling tussen de werkgever en
de uvi uitgewerkt, zoals die
met Wulbz tot stand gekomen is. De werkgever is met zijn arbodienst
verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte
werknemer binnen het eigen bedrijf (het eerste spoor), tenzij de uvi
(namens het Lisv) heeft vastgesteld dat er bij de werkgever geen passende arbeid
voorhanden is. Dan neemt de uvi de verantwoordelijkheid voor de begeleiding naar een
andere werkgever over (het tweede spoor).Tot de
overname door de uvi moet de werkgever/arbodienst al het mogelijke doen om de werknemer in zijn bedrijf te
reïntegreren.¹
In het wetsvoorstel SUWI is gekozen voor een andere verdeling van de
verantwoordelijkheden. Niet meer de verdeling tussen eerste spoor (werkgever) en tweede
spoor (uvi), maar werkgeversverantwoordelijkheid zolang er een dienstverband
is voor zowel het eerste als het tweede spoor.
1. De vaststelling van het Lisv
dat geen passende arbeid bij de
werkgever aanwezig is, betekent niet dat de
werkgever geen moeite meer hoeft te doen om zijn
werknemer op een later tijdstip alsnog in
zijn bedrijf te laten reïntegreren. De
verplichting om een werknemer terug te nemen,
blijft bestaan zolang er nog een
dienstverband bestaat.
Wat betekenen deze
uitgangspunten nu voor de activiteiten van de uvi’s
in de periode totdat SUWI
is
ingevoerd?
De overname van de
reïntegratieverantwoordelijkheid in het tweede spoor blijft tot aan de
inwerkingtreding van SUWI een taak van de uvi’s en daarmee ook de toets op de
aanwezigheid van passende arbeid in het eigen bedrijf indien de
werkgever de verantwoordelijkheid wil overdragen. De overige onderdelen van
het nieuwe poortwachtersmodel kunnen reeds worden
ingevoerd voorafgaande aan de inwerkingtreding van SUWI. Bestaande
activiteiten gericht op een soepele overgang van de verantwoordelijkheid tussen
arbodiensten en uvi’s, waar het betreft de overgang van het eerste naar
het tweede spoor, kunnen in aangepaste vorm worden voortgezet tot aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel
SUWI. Dat geldt ook voor de
overleggen (werkgeversteams) die met name in de overheidssector en met
enkele grote werkgevers in de marktsector plaatsvinden over dreigende WAO-gevallen. Wel zullen die overleggen enigszins van karakter
veranderen naarmate de invoeringsdatum van SUWI naderbij komt. Zoals in
paragraaf 4c al werd aangegeven, zal de advisering van het UWV
zich
dan gaan beperken tot de sociaalverzekeringsrechtelijke aspecten van individuele
gevallen; de reïntegratie komt dan volledig voor de
verantwoordelijkheid van de werkgever (en diens arbodienst).
11. Financiële gevolgen en
de gevolgen voor de rechterlijke macht en administratieve belasting
werkgevers
a. Financiële gevolgen
De voorgenomen veranderingen
in de procesgang eerste ziektejaar hebben financiële gevolgen
voor zowel de uitkeringslasten als de rblz.|16|
uitvoeringskosten. De
uitvoeringskosten zullen enerzijds licht stijgen, als gevolg van enkele nieuwe
activiteiten en de intensivering van reeds ingezette verbeteracties (zoals
bijvoorbeeld het (beoordelen van het) reïntegratieverslag, de
adviezen en de bedrijfsrisicoanalyses). Het naar voren schuiven van de
ziekmelding heeft het grootste opwaartse effect op de uitvoeringskosten.
Daartegenover staat een daling van de uitvoeringskosten, omdat een aantal elementen
in de nieuwe procesgang tijdens het eerste ziektejaar niet
(meer) uitgevoerd hoeven worden. Hierbij kan gedacht worden aan (het
beoordelen van) voorlopige en volledige reïntegratieplannen.
De verwachting bestaat dat
de uitvoeringskosten per saldo zullen stijgen met ongeveer ƒ45 miljoen ten opzichte van de huidige poortwachter. Deze kosten kunnen nog dalen
als er een automatiseringsslag wat betreft de ziekmeldingen
zou plaatsvinden bij de uvi’s c.q. het UWV. In de Voortgangsnota
arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft het kabinet ƒ20 miljoen extra
beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de poortwachter nieuwe stijl.
Tegenover de extra
uitvoeringskosten staan verwachte besparingen in de uitkeringslasten. Deze zijn
het gevolg van een aantal factoren die invloed kunnen hebben op de in- en
uitstroom en op de mate van arbeidsongeschiktheid van personen. De maatregelen
zullen voor een deel instroom voorkomen, dan wel
snellere uitstroom bevorderen, door reïntegratie vóór of vlak na WAO-instroom. Overigens zal reïntegratie er lang niet altijd toe leiden dat
de WAO-uitkering volledig kan vervallen. Wel wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage lager.
De volgende effecten op de
uitkeringslasten kunnen worden verwacht:
- in de eerste plaats
zullen er in het algemeen meer reïntegratie-inspanningen verricht worden door onder
andere de stimulerende werking van het
reïntegratieverslag en van de mogelijkheid tot verlenging van de
wachttijd;
- in de tweede plaats zal,
door onder andere de stimulerende werking van het reïntegratieverslag, sprake zijn van een
eerdere inzet van
Rea-trajecten, waardoor in
een vroegere fase mensen vanuit de WAO gereïntegreerd kunnen
worden;
- in de derde plaats valt
te verwachten dat, doordat de Rea-trajecten vroeger worden ingezet, de
gemiddelde effectiviteit ervan (in termen van (her)plaatsing) groter
zal worden.
Naast besparingen op de
WAO-uitkeringslasten kan sprake zijn van besparingen op de
Werkloosheidswet (WW)-
en de Algemene bijstandswet (Abw)-uitkeringslasten. Dat kan het geval zijn bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid,
waarbij naast de WAO-uitkering ook recht bestaat op een WW- of Abw-uitkering.
Echter, de huidige arbeidsmarktsituatie met een zeer lage werkloosheid (het
merendeel van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten werkt reeds) doet vermoeden
dat deze besparingen in de huidige conjuncturele fase gering
zullen zijn.
Hoeveel per saldo de
besparingen op de uitkeringslasten zijn, is moeilijk in te schatten. De verwachting
bestaat echter dat de omvang zodanig zal zijn dat daarmee de extra lasten
voor de uitvoering ruimschoots worden goedgemaakt.
Voor het totale pakket aan
intensiveringen van het plan van aanpak WAO, waar dit plan het
belangrijkste onderdeel van is, is ten tijde van de voortgangsnota 2000
ƒ120
miljoen aan besparingen ingeboekt en ƒ70 miljoen aan extra
uitvoeringskosten.
rblz.|17|
b. Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Als gevolg van dit
wetsvoorstel wordt het aantal besluiten dat vatbaar is voor beroep,
c.q. dat aan de
rechter kan worden voorgelegd, uitgebreid. Het betreft de invoering van de loonsanctie (dat wil
zeggen de verlenging
van de
loondoorbetalingplicht), het uitstel van de WAO-beoordeling en de uitbreiding van de
second-opinionmogelijkheid.
Het ligt niet in de
verwachting dat deze nieuwe regelingen zullen leiden tot een toename van het
aantal procedures en daarmee tot een verzwaring van de belasting van de
rechterlijke macht. Immers, tegenover deze uitbreiding staat een
vermindering van het aantal procedures tengevolge van het vervallen van de
reïntegratieplannen (boeteopleggingen). Voorts zullen er naar verwachting
nagenoeg geen negatieve beschikkingen worden afgegeven - waartegen beroep wordt ingesteld
- op het verzoek om uitstel van de WAO-beoordeling, omdat de uvi
dit gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer
in principe moet honoreren en slechts marginaal mag toetsen. Ten slotte wordt evenmin een toename van het aantal procedures naar
aanleiding van de second opinion verwacht. Zoals in hoofdstuk 7 reeds aan de
orde kwam, wordt de uitslag van de reeds bestaande second opinion
immers bijna altijd aanvaard door partijen en wordt daarmee een gang naar
de rechter juist voorkomen. Van de onderhavige uitbreiding van de second
opinion wordt dan ook niet verwacht dat deze wél zal leiden tot een
toename van het aantal procedures.
Voor zover er al sprake zal
zijn van wijzigingen in de belasting van de rechterlijke macht tengevolge van dit
wetsvoorstel, dan zal deze naar verwachting zeer marginaal
zijn.
c. Administratieve lasten
werkgevers
De administratieve lasten
van werkgevers zullen veranderen onder invloed van de voorgestelde
maatregelen. Hierbij is een vergelijking gemaakt tussen de kosten die onder de huidige wetgeving gemaakt
zouden moeten worden en de
kosten die als gevolg van dit
wetsvoorstel gemaakt zullen worden.
Uit de berekening blijkt dat
de administratieve lasten in de nieuwe situatie lager zullen zijn dan in de
huidige situatie, ongeveer zo’n ƒ20 miljoen. Dit komt
voornamelijk omdat er in de nieuwe situatie alleen bij dreigend
langdurig ziekteverzuim een oordeel van de arbodienst bestaande uit een
probleemanalyse en een advies en het maken van een plan van aanpak plaatsvindt.
In de huidige situatie moet voor die gehele groep die na dertien weken nog
ziek is reeds een voorlopig reïntegratieplan opgesteld worden. Daarnaast
daalt het aantal reïntegratieplannen ten opzichte van het aantal reïntegratieverslagen doordat deze pas
negen maanden
na de eerste ziektedag
ingediend hoeven worden, tegen acht maanden nu.
Deze besparing door afname
van doelgroepen weegt op tegen het feit dat de arbodienst en werkgever
meer activiteiten hebben (en dus meer kosten maken) voor de betreffende onderdelen. Het oordeel van de arbodienst
(inclusief de
probleemanalyse en het advies), plan van aanpak en het uiteindelijke
reïntegratieverslag brengen hogere administratieve lasten per klant met zich mee dan
in de huidige situatie. Dit komt voornamelijk doordat in de nieuwe
situatie de arbodienst en werkgever al vroeg in het proces gedegener aantekening
houden van de belangrijkste stappen die zij hebben gezet op weg naar herstel en reïntegratie.
Eén en ander zal
gebeuren volgens de
protocollering.
Zoals we reeds eerder
vermeldden, zijn we bij de berekeningen uitgegaan van de situaties (zowel
huidig als nieuw) zoals die volgens de regelgeving uitgevoerd zou moeten
worden. Mocht het zo zijn dat in de huidige praktijk rblz.|18|
de werkgevers minder
doen dan in de huidige regelgeving is aangegeven, dan kan het zijn dat er geen
administratieve lastenverlichting, maar een (beperkte)
lastenverzwaring plaatsvindt.
Dit wordt ook genoemd in het
naar aanleiding van dit
wetsvoorstel door Actal uitgebrachte commentaar.¹ Daarin wordt aangegeven dat inderdaad sprake is van een meer
beperkte invulling van de preventietaken door werkgevers dan mag worden verwacht en dat met name bij het huidige
reïntegratieplan minder
kosten worden gemaakt dan zou mogen worden verwacht. Overigens zijn ook
de overige punten van het Actal-commentaar verwerkt, onder meer de
opmerking over het aantal hersteldmeldingen.
1. Brief van 1 december 2000
met kenmerk RL/FvK/2000/89.
In de berekeningen van de
administratieve lasten zijn de contacten tussen de werkgever en de werknemer
tijdens het eerste ziektejaar niet meegenomen, aangezien hier alleen rekening gehouden is met de lasten voor
werkgevers om de
uitvoeringsinstelling te informeren. Werkgever-werknemercontacten in het kader van
verzuimpreventie vallen hier niet onder.
Met
dit
wetsvoorstel wordt
de verplichte bijstand van de arbodienst met betrekking tot de
verzuimbegeleiding geëxpliciteerd, impliciet wordt verondersteld dat de meeste
bedrijven hier al gebruik van maken. Bedrijven die op dit moment
nog geen gebruik maken van de arbodienst voor deze verzuimbegeleiding, zullen derhalve contact op moeten nemen met een arbodienst. De
kosten die hiermee samenhangen, zijn in bovenstaand overzicht niet meegenomen,
aangezien wordt verondersteld dat de efficiency, kennis en
slagvaardigheid van de arbodienst bij verzuimbegeleiding van dreigend langdurig
zieken opwegen tegen deze eventuele kosten.
12.
Monitoring/evaluatie
Zoals het Ctsv
terecht
opmerkt, is niet vast te stellen in hoeverre de optredende effecten het gevolg zijn van
dit
wetsvoorstel als zodanig dan wel voortkomen uit de werking
van andere wetten en ontwikkelingen. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel
uit van een totaal pakket aan WAO-maatregelen en derhalve is het
geïsoleerde effect van dit wetsvoorstel niet eenduidig te meten. De
regering stelt voor de invoering en toepassing van dit wetsvoorstel na
drie jaar
te evalueren. In de evaluatie zal inzicht worden gegeven in het gebruik van
de maatregelen die met dit wetsvoorstel zijn ingevoerd en waarvan de regering een positieve werking verondersteld
op het beperken van
langdurig verzuim en WAO-intrede.
De belangrijkste basis voor
de evaluatie is een nog te starten longitudinaal onderzoek onder zieke
werknemers. Op basis van dit onderzoek zal inzicht verkregen worden in de
interventies die in het eerste ziektejaar plaatsvinden en de effecten van deze
interventies. De bedoeling is dit onderzoek met een nog nader te bepalen
periodiciteit te herhalen om zo ontwikkelingen in kaart te kunnen brengen.
Daarnaast zullen nieuw op te
zetten reguliere informatiebronnen van de uvi’s
zicht geven op het
gebruik van de instrumenten uit het wetsvoorstel Verbetering poortwachter
rblz.|19|
Artikelsgewijs
Artikel
I. Ziektewet
Onderdeel A, onder 2 en 3
Door middel van dit artikel
wordt de ziekmelding vervroegd van dertien weken naar zes weken na de
eerste ziektedag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld. In die regels kan onder meer worden opgenomen welke
gegevens er bij de ziekmelding moeten worden verstrekt.
Onderdeel B
Dit onderdeel strekt ertoe
dat het Lisv geen controleactiviteiten verricht bij verzekerden die recht
hebben op loondoorbetaling van hun werkgever en aan wie geen ziekengeld
wordt uitgekeerd.
In dit
wetsvoorstel wordt
voorgesteld in artikel 28, onderdeel h, van de WAO
een bepaling op te nemen
die ertoe strekt het voor het Lisv mogelijk te maken om bij intrede van
de WAO een sanctie op te leggen aan de belanghebbende indien deze
zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door zijn
werkgever of door een deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen
maatregelen die erop gericht zijn om de belanghebbende in staat te stellen passende
arbeid te verrichten. Het gaat hierbij dus om een oordeel bij
intrede van de WAO. Gedurende de periode daaraan voorafgaand is het
de werkgever die beoordeelt of het geven van voorschriften of het treffen
van maatregelen aan de orde is. Als de werknemer zonder deugdelijke grond
niet meewerkt aan deze voorschriften of maatregelen, heeft de
werknemer geen recht op loondoorbetaling (artikel 629, derde lid, onderdeel d, van
Boek 7 van het BW).
Binnen dit stramien past
niet langer de mogelijkheid van het Lisv om werknemers waarvoor bij de
werkgever nog een loondoorbetalingsverplichting geldt, te controleren.
Onderdeel C
Artikel
39a heeft betrekking
op een werkgever die loon doorbetaalt aan zijn zieke werknemer aan
wie op grond van artikel 29, eerste lid, geen ziekengeld wordt
uitgekeerd
en die zich bij de begeleiding van zieke werknemers die niet in staat zijn
hun
arbeid te verrichten, laat bijstaan door een arbodienst. In dat geval
kan de uvi de zieke werknemer geen verplichtingen op grond van de
Ziektewet (ZW) opleggen. De uvi heeft gedurende deze periode immers geen
controletaken. Gelet op het hierboven omschreven nieuwe stramien
past het niet dat het Lisv na het verstrijken van het in
artikel 38,
eerste lid, bedoelde tijdvak van zes weken nog controletaken heeft.
Derhalve kan artikel 39a komen te vervallen.
Onderdelen A, onder 1,
D, E en
F
In de
artikelen 38, eerste
lid, 47a, tweede lid, 70, eerste lid, en
87a, derde lid, van de
ZW wordt
gesproken van "loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek". Gelet op het feit dat het overheidspersoneel sinds 1 januari 2001 onder
het bereik van de ZW valt, dienen die artikelleden ook betrekking
te hebben op de situatie van bezoldiging als bedoeld in artikel
XV,
tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim. De onderhavige onderdelen
voorzien daarin.
rblz.|20|
Artikel
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A
In deze bepaling is geregeld
dat de werkgever en de werknemer tezamen het Lisv
kunnen verzoeken de
wachttijd voor de WAO voor ten hoogste 52 weken te verlengen. Het
uitgangspunt is dat het Lisv aan dit verzoek tegemoet komt, tenzij er zwaarwegende
omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten. De toetsing door
het Lisv is een marginale; het is niet de bedoeling dat het Lisv in
dit kader onderzoekt of de werkgever in staat is zijn
loondoorbetalingsverplichting na te komen. Dit is een civielrechtelijke kwestie.
Gedurende deze verlengde
wachttijd heeft de werknemer op grond van artikel 7:629 van het BW
recht op loondoorbetaling. De mogelijkheid van verlenging van de wachttijd
geldt alleen voor zover de werkgever het loon doorbetaalt, dus niet
ingeval het loon op grond van artikel 629, vierde lid, Boek
7 BW niet tot uitbetaling
komt, omdat bijvoorbeeld aanspraak bestaat op ziekengeld (op grond van
artikel 29b ZW of in de gevallen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid,
onderdeel e, f of g, van de ZW).
In het verzoek kunnen
partijen aangeven met hoeveel tijd zij de wachttijd willen verlengen. In
beginsel zal het Lisv in zijn beschikking deze termijn volgen, tenzij er
zwaarwegende omstandigheden zijn die zich ertegen verzetten. In een dergelijk
geval stelt het Lisv zelf een termijn vast. Ook indien partijen zelf geen
termijn aangeven, stelt het Lisv een termijn vast. De verlengde wachttijd
eindigt als de in de beschikking neergelegde einddatum is bereikt. De aanvraag voor
een WAO-uitkering moet dan op grond van artikel
34, derde lid, WAO
uiterlijk dertien weken vóór die einddatum worden ingediend. De
werknemer kan eerder een WAO-aanvraag indienen en daarbij aangeven de
wachttijd te willen bekorten. In het laatste geval eindigt de wachttijd
dertien weken na die aanvraag.
Op grond van artikel
34,
tweede lid, onderdeel a, WAO stelt het Lisv de belanghebbende uiterlijk vier maanden
vóór de datum waarop de reguliere wachttijd van 52 weken verstrijkt, in kennis van de mogelijkheid tot het
doen van een aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien de wachttijd is verlengd, dan
zal een WAO-uitkering dus uiterlijk dertien weken vóór het verstrijken
van de verlengde wachttijd moeten worden aangevraagd. Het Lisv
informeert de werknemer hierover bij de bekendmaking van het verlengingsbesluit.
De artikelen met betrekking
tot het bepalen van het tijdvak van de wachttijd, de herleving van het recht
op toekenning en de bepaling van het vierde lid over de ondergrens van 15% arbeidsongeschiktheid (bij minder
dan 15% is geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid) zijn van overeenkomstige
toepassing op de verlengde wachttijd.
Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de procedures die bij de
verlenging kunnen gelden.
Onderdelen B en
E
In artikel
21, vierde lid,
is geregeld dat indien de belanghebbende zonder redelijke grond weigert deel
te nemen aan scholing, opnieuw geschat wordt als ware de wenselijk geachte scholing reeds afgerond. Naast deze
bijzondere bepaling geldt de
in artikel 28 geregelde algemene sanctie in de vorm van het geheel of
gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigeren van de WAO-uitkering indien de
belanghebbende in algemene zin niet meewerkt aan gegeven
voorschriften tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid
(onderdeel a). Aangezien het bij de verplichting tot het volgen van scholing
in feite ook gaat om meewerken aan reïntegratie, ligt het in de
rede om aan te sluiten bij de algemene sanctie. De hier voorgestelde
artikelen strekken daartoe.
rblz.|21|
Onderdeel C
De wijziging van
artikel 23
komt erop neer dat de onderdelen a en c vervallen. Onderdeel
a
vervalt, zodat het oproepen van personen door het Lisv
zoals geregeld in artikel 23 geen betrekking heeft op werknemers die
recht hebben op
loondoorbetaling van hun werkgever. Gedurende die tijd is het de werkgever die
beoordeelt of het geven van voorschriften of het treffen van maatregelen aan
de orde is. De werknemer die zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan deze
voorschriften of maatregelen heeft geen recht op
loondoorbetaling (artikel 629, derde lid, onderdeel d, van Boek
7 van het BW).
Het Lisv
beoordeelt pas op het moment van intrede in de WAO
of er aanleiding is om
een sanctie toe te passen.
Onderdeel c betrof personen
die van het Lisv een Rea-voorziening ontvangen of waarvan de
toekenning van een voorziening wordt overwogen. De mogelijkheid om deze personen op te roepen, hoort meer thuis
in de Wet Rea.
Onderdeel D
In artikel 24 is geregeld
dat het Lisv voorschriften kan geven in het belang van behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Het gaat bij deze voorschriften niet
alleen om het stellen van voorschriften waarvan vaststaat dat het
opvolgen ervan - op basis van de in de WAO gehanteerde
schattingsmethodiek - zal leiden tot een vermindering van het
arbeidsongeschiktheidspercentage. Het gaat om die concrete voorschriften
die ertoe leiden dat de
belanghebbende zijn mogelijkheden tot het verrichten van
inkomensvormende arbeid vergroot, waardoor de belanghebbende zijn reïntegratie bevordert en uiteindelijk in staat zal zijn
arbeid te verrichten. De
hier voorgestelde wijziging van artikel 24 beoogt te verduidelijken dat het
Lisv voorschriften kan geven die de inschakeling in de arbeid bevorderen. Met
artikel 24 wordt dus inhoud gegeven aan de algemeen geformuleerde
reïntegratietaak van artikel 10 van de Wet Rea.
Onderdeel E
Naast het toevoegen van
onderdeel g aan artikel 28, zoals hiervoor beschreven, is in dit
onderdeel geregeld dat het Lisv de WAO-uitkering tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk kan weigeren als de werknemer zonder deugdelijke grond
niet heeft meegewerkt aan voorschriften of maatregelen die zijn
reïntegratie bevorderen. Met uitbreiding van deze mogelijkheid een maatregel
op te leggen, wordt de verantwoordelijkheid van de werknemer om mee te
werken aan reïntegratie benadrukt. Voorts is de terminologie van
artikel 28, onderdeel a, aangepast aan die van artikel 24 zoals dat in dit
wetsvoorstel wordt voorgesteld.
Onderdeel F. [Zie art.
II, onderdeel
G, Wvp, red.]
Onder 1
Vanwege de consistentie
wordt evenals in artikel 87 WAO in het derde lid van
artikel 34
WAO de
aanduiding drie maanden vervangen door dertien weken. De aanpassing van artikel 87 betreft de regeling van de beslistermijnen.
Onder 2
Dit onderdeel regelt dat
ingeval de wachttijd verlengd is, de werknemer de WAO-uitkering uiterlijk
dertien weken vóór het verstrijken van de door het Lisv
vastgestelde einddatum
moet aanvragen. Het Lisv dient binnen rblz.|22|
dertien weken na ontvangst
van de aanvraag een beslissing over het recht op een WAO-uitkering bekend
te maken.
Onder 3
Deze technische wijziging
van artikel 34, vierde lid, van de WAO is
nodig omdat in
dit
wetsvoorstel (zie onderdeel R van dit artikel [zie art.
II, onderdeel T, Wvp, red.]) de leden van artikel 87
WAO (zie onder 1)
zijn vernummerd.
Onder 4
Dit onderdeel regelt dat een
aanvraag om een WAO-uitkering die is ingediend vóór het verzoek om
verlenging van de wachttijd, niet wordt behandeld als het Lisv
de wachttijd
voor de WAO heeft verlengd. Indien de werknemer na de verlengde
wachttijd voor een uitkering in aanmerking wil komen, moet hij op grond
van artikel 34, derde lid, uiterlijk dertien weken vóór het verstrijken
van de verlengde wachttijd een WAO-aanvraag indienen.
Onderdeel G. [Zie
art. II, onderdeel
H, Wvp, red.]
Dit nieuwe
artikel
34a regelt dat bij de WAO-aanvraag een reïntegratieverslag moet zijn gevoegd. Dit is
niet noodzakelijk als de werkgever het reïntegratieverslag al aan
het Lisv heeft verstrekt in het kader van artikel 8 van de Wet
Rea, omdat dan vaststaat dat voor de betrokken werknemer binnen het bedrijf van de
werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is.
Ingeval de werknemer het
reïntegratieverslag niet of niet volledig bij de WAO-aanvraag heeft
overgelegd, dan betekent dit dat de aanvraag niet volledig is. Het Lisv zal de
aanvrager op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb) de gelegenheid moeten geven om binnen een door haar
bepaalde termijn alsnog het verslag in te dienen of aan te vullen. Voldoet de
aanvrager niet of niet tijdig aan dit verzoek, dan kan het Lisv op grond
van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb de aanvraag buiten behandeling
laten. Blijkens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient het bestuursorgaan alvorens hiertoe over
te gaan, na te gaan:
1. of het hier gaat om
wettelijk voorgeschreven gegevens die noodzakelijk zijn voor het nemen van een
beslissing; en
2. of het voor de aanvrager
redelijkerwijs mogelijk is de gevraagde informatie te verstrekken (zie o.a. RSV
1999/21 en RSV 1997/210).
Met betrekking tot het
beschikken over het reïntegratieverslag is de werknemer afhankelijk van zijn
werkgever. Indien deze zijn verplichting op grond van artikel 71a
WAO
tot het opstellen en aan de werknemer overleggen van het reïntegratieverslag
niet nakomt en dit ook na aandringen van de werknemer niet doet,
zal de werknemer niet kunnen beschikken over het
reïntegratieverslag en deze dus ook niet bij zijn aanvraag kunnen overleggen. In zo’n geval
is het voor de aanvrager dus redelijkerwijs niet mogelijk om over het verslag
te beschikken. Het Lisv neemt in dat geval de aanvraag wel in
behandeling en verzoekt zelf de werkgever op grond van artikel 71a, achtste
lid, om het reïntegratieverslag alsnog over te leggen. Doet de werkgever
dit niet, dan zal het Lisv zelf de benodigde gegevens moeten gaan
verzamelen.
Mocht het aan de werknemer
te wijten zijn dat het reïntegratieverslag niet is ingediend, dan kan het
Lisv besluiten de WAO-aanvraag niet te behandelen. Indien het Lisv van oordeel
is dat dit een te zwaar middel is, dan kan via artikel 28 juncto
artikel 25 WAO de maatregel worden opgelegd dat de uitkering geheel of
gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk wordt geweigerd. Van het opleggen van de
maatregel kan op grond van artikel 29 WAO
rblz.|23|
worden afgezien en kan
worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
Mocht het aan de werkgever
te wijten zijn dat geen of een onvolledig reïntegratieverslag is
overgelegd, dan kan het Lisv op grond van 71a, negende lid, de werkgever
een verlenging van de loonbetalingsplicht opleggen.
Het tweede lid regelt dat
het Lisv de WAO-aanvraag
afwijst indien zowel de werknemer als de
werkgever zonder deugdelijke grond hun verplichtingen ten aanzien van het
houden
van aantekening, het plan van aanpak of het reïntegratieverslag
niet of niet volledig zijn nagekomen.
Het reïntegratieverslag
bevat gegevens die nodig zijn om de reïntegratie-inspanningen te toetsen en de WAO-claim
te beoordelen. Hierbij moet gedacht worden aan gegevens van administratieve aard over werkgever
en werknemer, maar ook aan
gegevens van inhoudelijke aard, waaronder het plan van aanpak, bedoeld
in artikel 71a, tweede lid, van de WAO. Indien zowel de werknemer
als de werkgever zonder deugdelijke grond de in het tweede lid genoemde
verplichtingen niet of niet volledig zijn nagekomen, wordt aan de werkgever een
sanctie opgelegd die bestaat uit de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting. Deze sanctie is
geregeld in het nieuwe artikel 71a, negende lid, van de
WAO
en wordt bij dat onderdeel
nader toegelicht. Door het
opleggen van de sanctie op grond van artikel 71a, negende lid, van
de WAO
heeft de werknemer aanspraak op doorbetaling van het loon.
De beslissing van het
Lisv om de WAO-aanvraag af te wijzen, wordt in een besluit aan de werknemer
bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat bezwaar en beroep open. Aangezien de termijn waarbinnen een nieuwe
WAO-aanvraag moet worden
gedaan, gekoppeld is aan de duur van de loonsanctie, is het van
belang dat de werknemer geïnformeerd wordt over het moment waarop hij
opnieuw een aanvraag om een WAO-uitkering kan indienen. Om deze reden is
in het derde lid geregeld dat het Lisv bij de bekendmaking van het besluit
de werknemer hierover informeert.
In het vierde lid is
geregeld dat de aanvraag voor een WAO-uitkering ten minste
dertien weken vóór het
verstrijken van het einde van de verlengde loondoorbetalingsverplichting
door de werknemer moet worden gedaan. In onderdeel b van dit lid
is voorzien in een uitzondering op de termijn van dertien weken. Deze termijn
geldt
niet indien de duur van de verlenging van de loondoorbetaling minder dan
dertien weken bedraagt. Indien de termijn van dertien weken in deze situatie zou
gelden, zou de werknemer immers niet tijdig - uiterlijk dertien weken
voorafgaand aan het einde van het verstrijken van de verlengde
loondoorbetalingsverplichting - een aanvraag kunnen indienen. In deze situatie moet de
werknemer de WAO-aanvraag zo spoedig mogelijk doen. Ook ingeval de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tussentijds eindigt - bijvoorbeeld wegens het einde van het dienstverband of wegens faillissement
- dient de werknemer zo spoedig mogelijk de WAO-uitkering aan te vragen
en geldt de termijn van dertien weken niet.
De nieuwe
WAO-aanvraag van
de werknemer wordt op de normale wijze in behandeling genomen en
beoordeeld. Voor het recht op uitbetaling van de WAO-uitkering kan dit betekenen dat overeenkomstig het nieuwe
artikel 43d wordt gehandeld.
Dit wordt hierna bij onderdeel J toegelicht.
Onderdelen H en I.
[Zie art. II, onderdeel I en J,
Wvp, red.]
In
artikel
43a, eerste
lid, onderdeel b, van de WAO en artikel
43c van de
WAO wordt verwezen naar
de wachttijd van 52 weken. Nu de wachttijd langer kan zijn dan 52 weken, zijn deze bepalingen zodanig aangepast dat
rblz.|24|
deze zowel betrekking
hebben op de wachttijd van 52 weken als op de verlengde wachttijd.
Onderdeel J.
[Zie art. II, onderdeel K,
Wvp, red.]
Artikel
43d regelt dat de
uitkering niet tot uitbetaling komt indien sprake is van een loondoorbetalingsverplichting die aan de werkgever is
opgelegd
omdat hij onvoldoende reïntegratie-inspanningen verricht of zijn verplichtingen met
betrekking tot het reïntegratieverslag onvoldoende is nagekomen (zie bij
artikel 71a, negende lid, van de WAO). Het betreft de zogenaamde loonsanctie
die in dit
wetsvoorstel wordt ingevoerd. Bij toepassing van het
negende lid van artikel 71a wordt de loonbetalingperiode wel verlengd, maar dit
heeft geen gevolgen voor het tijdstip van behandelen van de aanvraag. Toepassing van deze sanctie is immers aan
de orde wanneer bij
behandeling van de aanvraag voor een WAO-uitkering
blijkt dat
werkgever niet aan zijn verantwoordelijkheid voor de reïntegratie
blijkend uit een reïntegratieverslag en andere maatregelen heeft voldaan. Wordt er
een uitkering toegekend, dan leidt dit artikel 43d
ertoe dat zolang de
werkgever gehouden is loon te betalen, de uitkering niet tot uitbetaling
komt.
In dit artikel was al geregeld dat de uitkering niet tot uitbetaling komt in de situatie dat de
werkgever de ziekmelding te laat heeft gedaan en op grond daarvan, als in
het BW wordt bepaald, gehouden is langer het loon door te betalen.
Onderdeel K.
[Zie art. II, onderdeel L,
Wvp, red.]
Op grond van het
voorgestelde artikel 71a WAO kan de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever worden
verlengd ingeval de werkgever zijn verplichtingen met betrekking tot het houden van aantekening,
het plan van aanpak of
het reïntegratieverslag onvoldoende is nagekomen. Gelet hierop kan de
mogelijkheid van verhaal op de werkgever komen te vervallen, zoals
die was geregeld in artikel 46, indien de werknemer door zijn werkgever niet
in de gelegenheid wordt gesteld passende arbeid te verrichten.
Onderdeel L.
[Zie art. II, onderdeel M,
Wvp, red.]
In dit onderdeel wordt
een nieuw artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
voorgesteld. De
reïntegratieplannen komen te vervallen. Daarvoor in de
plaats komt de verplichting voor de werkgever om gedurende de
arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer aantekening bij te houden van het
verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie (artikel 71a, eerste
lid). Met betrekking tot het houden van aantekening kunnen op grond van het
zevende lid nadere regels worden gesteld. Binnen een door Onze
Minister nader te bepalen termijn na de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid moet de werkgever in overeenstemming met de werknemer een plan
van aanpak opstellen. Hierin zal het perspectief op langere termijn worden
geschetst en de weg waarlangs men verwacht dit te bereiken.
Welke elementen het plan van aanpak moet bevatten, zal nader worden
uitgewerkt in een ministeriële regeling op basis van het zevende
lid.
Uiterlijk twee weken
voordat de termijn is verstreken waarbinnen de belanghebbende op grond
van artikel 34, derde lid, van de WAO zijn WAO-aanvraag moet doen,
moet de werkgever met de werknemer een reïntegratieverslag
opstellen en een afschrift hiervan aan de werknemer verstrekken (artikel
71a,
derde lid). Met de zinsnede "met de werknemer" wordt tot uitdrukking
gebracht dat er bij het opstellen van het reïntegratieverslag een belangrijke rol voor
de werknemer is neergelegd. In het zesde lid wordt dan ook
aangegeven dat de werknemer zijn medewerking moet rblz.|25|
verlenen bij het opstellen van het reïntegratieverslag. Bij ministeriële
regeling kan nader worden geregeld waaruit die medewerking moet bestaan en welke
procedure daarvoor geldt (zevende lid). Indien de werknemer zijn medewerking niet
verleent, kan dit tot gevolg hebben dat hij bij de aanvraag om de
WAO-uitkering geen volledig reïntegratieverslag kan overleggen. Wat de
gevolgen hiervan kunnen zijn, is reeds in de toelichting bij artikel 34a
WAO uiteengezet.
Indien er een verlenging
van de wachttijd heeft plaatsgevonden, dient het reïntegratieverslag
uiterlijk veertien weken vóór het einde van de verlengde termijn te worden opgesteld. Als de werkgever in een eerder
stadium al een verslag
had opgesteld, zal hij dit verslag moeten actualiseren en zo nodig aanvullen.
Wanneer de werknemer op
een eerder moment dan drie maanden vóór het verstrijken van de
verlengde wachttijd een WAO-aanvraag wil indienen, kan hij op
grond van het vierde lid de werkgever verzoeken het reïntegratieverslag op
een eerder moment op te maken. Dit alles is geregeld in het vierde lid. Dat
spoedig een actueel reïntegratieverslag dient te worden overhandigd, kan
ook aan de orde zijn indien de aanvraag is afgewezen met toepassing van
artikel 34a, tweede lid. De procedure en termijnen van dit lid
zijn dan van overeenkomstige toepassing.
In het vijfde lid wordt
bepaald dat de werkgever bij het opstellen van het reïntegratieverslag zijn
arbodienst zal moeten inschakelen. Dit is in ieder geval noodzakelijk
wanneer er medische gegevens worden verwerkt. Een gecertificeerde arbodienst heeft in ieder geval een bedrijfsarts in dienst,
dat wil zeggen een arts
die beschikt over de vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Gelet op het medisch beroepsgeheim heeft alleen een arts toegang tot de
medische gegevens. De werkgever heeft geen toegang tot die gegevens.
Het deel van het verslag dat die gegevens bevat, kan dus niet ter kennis
van de werkgever worden gesteld. Het ligt dan ook voor de hand dat de
arbodienst dit deel van het verslag samenstelt en aan de werknemer zal
verstrekken. In de ministeriële regeling op grond van het zevende lid kan
nader
worden uitgewerkt waaruit de bijstand van de arbodienst bestaat.
In het achtste lid is
geregeld dat de werkgever het reïntegratieverslag op verzoek aan het Lisv
binnen een bepaalde termijn moet overleggen. Dit kan van belang zijn in de
situatie dat de werkgever ondanks verzoeken van de werknemer het
reïntegratieverslag niet opstelt of verstrekt. Het Lisv kan de werkgever tevens de
gelegenheid geven ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken.
Het negende lid regelt de
loonsanctie bij het niet of niet volledig indienen van een reïntegratieverslag. Indien de werkgever zijn verplichtingen met
betrekking tot het reïntegratieverslag niet of niet volledig is nagekomen of
indien de werkgever de verplichtingen ten aanzien van de reïntegratie-inspanningen
die gelden op grond van
de ministeriële regeling niet of niet volledig heeft verricht,
stelt het Lisv een termijn vast waarmee de loondoorbetalingsverplichting
wordt verlengd. Bij de
toepassing van deze loonsanctie wordt
rekening gehouden met de aard en ernst van het verzuim. De loonsanctie
is maximaal 26 weken.
Dat de duur van de
loondoorbetalingsverplichting wordt afgestemd op de aard en de ernst van het
verzuim heeft te maken met het feit dat het niet of niet volledig opvolgen
van de procedurele termijnen sneller te herstellen is dan een
verzuim ten aanzien van inhoudelijke eisen aan het houden van aantekening,
het plan van aanpak of het reïntegratieverslag. De aard en de ernst van
het verzuim zijn bepalend voor de termijn die nodig is om het verzuim
te kunnen herstellen. De duur van de loonsanctie wordt hier dan ook op
afgestemd.
rblz.|26|
De loonsanctie kan worden
toegepast na afloop van zowel de reguliere wachttijd
als na afloop
van de verlengde wachttijd van artikel 19, zevende lid, WAO
(nieuw). De
gevolgen die deze loonsanctie heeft voor de werknemer zijn in de toelichting
bij artikel 43d uiteengezet.
Over de toepassing van
deze sanctie kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
worden gesteld, zodat bepaald kan worden welke periode in welke gevallen
zou moeten worden gehanteerd. Tot die regels behoort ook het in de ministeriële regeling opgenomen normenkader voor
toetsing van de reïntegratie-inspanningen door de werkgever voor zover van belang om tot
oplegging van de sanctie te komen. De verwachting is dat dit laatste op het
niveau van een ministeriële regeling krachtens deze AMvB zal kunnen worden
geregeld (het tiende lid).
Gezien de jurisprudentie
van de Centrale Raad van Beroep kan gesteld worden dat het besluit
van het Lisv op grond van het negende lid in de termen van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) geen "criminal charge" is, dat wil zeggen niet te
beschouwen is als een strafvervolging, maar wel een "civil
obligation",
dat wil zeggen dient ter vaststelling van burgerlijke rechten en
verplichtingen. De waarborgen van artikel 6, eerste lid, van het EVRM over een eerlijke
procesgang en onafhankelijk rechtspraak zijn van toepassing. De
vaststelling van het Lisv is een besluit in de zin van de Awb. Indien een werkgever
het niet eens is met dit besluit, zal de administratiefrechtelijke
rechtsgang van bezwaar en beroep dienen te worden gevolgd.
Onderdeel M.
[Zie art. II, onderdeel N,
Wvp, red.]
Onder 1
Het eerste lid regelt de
werking van artikel 71a indien er sprake is van een zogeheten vangnetsituatie. Daarvan is sprake bijvoorbeeld bij een zieke
werkloze en indien het
gaat om een zieke werknemer met een andere dienstbetrekking dan een arbeidsovereenkomst (de zogenaamde rariteiten).
In dat geval verstrekt
het Lisv (uvi) het ziekengeld en wordt deze aangemerkt als werkgever.
In deze situatie is de uvi verantwoordelijk voor de reïntegratie. In de
hoedanigheid van pseudowerkgever is de uvi gehouden aantekening bij
te houden omtrent het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van
de zieke werknemer en een plan van aanpak op te stellen.
Het tweede lid regelt de
werking van artikel 71a wanneer een werknemer recht heeft op ziekengeld
omdat er sprake is van orgaandonatie, ziekte die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling en indien er sprake is van
een arbeidsgehandicapte. Wanneer de werknemer in deze gevallen nog wel een werkgever heeft,
is die werkgever verplicht om het loon door te betalen. Hoewel de
werknemer ook recht heeft op ziekengeld, is de werkgever in die gevallen nog wel
verantwoordelijk voor de reïntegratie. Voor deze werkgever geldt dat
zij aantekening moeten houden, een plan van aanpak moeten opstellen
en in samenwerking met de werkgever een reïntegratieverslag
moeten opstellen.
De inhoud van deze
verplichtingen zal ook nader vorm kunnen worden gegeven in een ministeriële regeling (het derde lid).
Onder 2
Dit onderdeel houdt er
rekening mee dat indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 2000
ingediende voorstel van wet ter vaststelling van regels voor het tot
stand brengen van een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg in de ruimste zin
(Wet arbeid en zorg, Kamerstukken II 1999-2000, 27 207)
rblz.|27|
tot wet wordt
verheven en in werking is getreden, artikel 29a
van de Ziektewet
wijzigt.
Onderdelen N en O.
[Zie art. II, onderdeel O, P
en Q, Wvp, red.]
Voor
eigenrisicodragers
in de zin van WAO gelden dezelfde verplichtingen als voor de niet-eigenrisicodragers ten aanzien van het bijhouden
van het verloop van het ziekteverzuim en het opstellen van het reïntegratieverslag. De
inhoud van het reïntegratieverslag vormt immers een uitgangspunt voor de
claimbeoordeling door de uvi. De bijzondere voorschriften voor de
eigenrisicodrager kunnen vervallen.
Onderdeel P.
[Zie art. II, onderdeel R,
Wvp, red.]
Onder 1
In
artikel
76f, derde lid,
wordt verwezen naar de wachttijd van 52 weken. Nu de wachttijd langer
kan zijn dan 52 weken, is deze bepaling zodanig aangepast dat deze zowel
betrekking heeft op de wachttijd van 52 weken als op de verlengde
wachttijd.
Onder 2 en 3
Wanneer de wachttijd op
verzoek wordt verlengd, kan dit gevolgen hebben voor de gedifferentieerde
premie. Deze wordt berekend aan de hand van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ten laste komen van de
Arbeidsongeschiktheidskas.
Daarbij wordt gekeken naar de uitkeringen die de laatste vijf jaar
ten laste zijn gekomen van de Arbeidsongeschiktheidskas. Wanneer de wachttijd
wordt verlengd, maar het direct na die wachttijd toch tot een WAO-uitkering komt, verschuift de termijn van vijf jaar met de duur van de
verlenging. Hierdoor betaalt de werkgever niet alleen langer het loon
door, maar wordt deze ook langer geconfronteerd met de doorwerking van de
uitkering in zijn gedifferentieerde premie dan wanneer niet om een
verlenging van de wachttijd was gevraagd. Om dit te voorkomen, wordt hier
voorgesteld om de periode van vijf jaar dat de uitkering maximaal ten
laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas te verminderen met de
periode van de verlengde wachttijd. Dit betekent dat de totale periode dat de
werkgever geconfronteerd wordt met de financiële gevolgen van de
arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer de periode van zes jaar niet
overschrijdt.
Onderdeel Q.
[Zie art, II, onderdeel S,
Wvp, red.]
In verband met het feit
dat de wachttijd ook langer dan 52 weken kan zijn, is artikel 80 van de WAO
aangepast.
Onderdeel R.
[Zie art. II, onderdeel T,
Wvp, red.]
Op het verzoek om
verlenging van de wachttijd als bedoeld in artikel
19, zevende lid, moet door
het Lisv binnen twee weken worden beslist. Aan het verzoek om verlenging
van de wachttijd wordt door het Lisv in principe tegemoet gekomen, tenzij
er zwaarwegende omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten.
De toetsing van het Lisv is dus slechts marginaal en zal derhalve snel
kunnen worden afgerond.
Indien er na verlenging
van de wachttijd een WAO-aanvraag door de werknemer wordt ingediend, moet het Lisv op grond van
artikel 87,
tweede lid (nieuw), binnen
dertien weken op die aanvraag beslissen. In verband met de
vernummering wordt in het derde tot en met vijfde lid de verwijzing naar het eerste lid
telkens vervangen door een verwijzing naar het tweede lid.
rblz.|28|
Artikel
III. Burgerlijk
Wetboek
Onderdeel A
Onder 2
In het
derde lid van artikel 629 van Boek
7 van het BW is een nieuw onderdeel opgenomen dat inhoudt dat
de werknemer geen recht op loondoorbetaling heeft als hij weigert mee te werken aan door de werkgever of een
door hem aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die
erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid
te verrichten. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval de werkgever
aan zijn werknemer voorstelt om een cursus te volgen waardoor de
werknemer geschoold wordt voor arbeid die wel in het bedrijf aanwezig is.
Als de werkgever deze mogelijkheid aanbiedt, zal de werknemer daarvan
gebruik moeten maken, tenzij hij deugdelijke gronden heeft om hieraan
niet mee te werken. Als de werknemer zonder deugdelijke gronden
nalaat een dergelijk voorschrift op te volgen, vervalt zijn recht op
loondoorbetaling. Aan de werkgever wordt hiermee een middel gegeven om zijn
werknemer aan te sporen tot reïntegratie.
Bij een door de werkgever
aangewezen deskundige moet worden gedacht aan een arbodienst of een
reïntegratiebedrijf.
Onder 3
In
artikel 19, zevende
lid, van de WAO is de mogelijkheid geopend om op gezamenlijk verzoek van
de werkgever en de werknemer de wachttijd voor de WAO
te verlengen. Over
de periode dat de WAO-wachttijd wordt verlengd, is de werkgever
loon verschuldigd. Artikel 629, tiende lid, onderdeel b, van Boek
7 van het BW,
zoals dat hier wordt voorgesteld, beoogt dat laatste te regelen.
In artikel 629, eerste
lid, laatste zin, van het BW
was bepaald dat ingeval de werkgever niet tijdig
heeft ziek gemeld, de loondoorbetaling met de duur van de vertraging wordt
verlengd. Nu er als gevolg van dit
wetsvoorstel andere redenen kunnen
zijn voor verlenging van de loondoorbetalingsperiode, is er om redenen van
overzichtelijkheid voor gekozen deze bij elkaar in het
voorgestelde tiende lid van artikel 629 op te nemen. Om die reden vervalt de laatste
zin van het eerste lid (onderdeel a). Onderdeel c betreft de verlenging van
de loondoorbetaling in geval van een vaststelling door het Lisv
op grond
van artikel 71, achtste lid, WAO. De vaststelling van het Lisv is een
besluit in de zin van de Awb. Indien een werkgever het niet eens is met dit
besluit, zal de administratiefrechtelijke rechtsgang van bezwaar en
beroep dienen te worden gevolgd. In een geding voor de
burgerlijke rechter over de loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 629,
tiende lid, Boek
7 BW zal de burgerlijke rechter de uitspraak van de bestuursrechter in een geding over een besluit op grond
van artikel 71a, negende
lid, WAO dienen te eerbiedigen. Indien wel een administratiefrechtelijke
rechtsgang heeft opengestaan, maar deze rechtsgang niet is gebruikt, zal de
burgerlijke rechter dienen uit te gaan van de geldigheid van het
besluit van het bestuursorgaan (bijvoorbeeld HR 28 mei 1999, NJ 1999/508 met
verwijzing naar eerdere gelijkluidende jurisprudentie). Hetzelfde geldt voor de
situatie dat wel gebruik is gemaakt van de administratieve rechtsgang. In dat
geval
zal de burgerlijke rechter moeten uitgaan van de geldigheid
van het besluit, zolang het niet is vernietigd.
Het elfde lid regelt dat
de totale periode waarover de werkgever loon is verschuldigd nooit meer
dan twee jaar kan bedragen. De periode van loondoorbetaling kan op
grond van de in het tiende lid genoemde redenen worden verlengd.
De verschillende vormen van verlenging rblz.|29|
kunnen cumuleren, zij het
dat het totale tijdvak van de loonbetaling niet meer kan bedragen dan 104
weken.
Onderdeel B
Artikel 635, derde lid,
van Boek
7 van het BW regelt dat de werknemer geen aanspraak heeft op
vakantie gedurende de tijd in welke er sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 629, derde lid, onderdeel
b of
c, BW. De omstandigheden
die nu in artikel 629, derde lid, worden geregeld, zijn gelijksoortig. Het
ligt dan ook in de rede voor deze situatie te bepalen dat er gedurende
die periode geen aanspraak op vakantie is.
Onderdeel C.
[Zie art, III, onderdeel F,
Wvp, red.]
De
kantonrechter is
verplicht bij een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst na te
gaan of er sprake is van een ontslagverbod wegens ziekte van de
werknemer. Is dat het geval, dan dient een verzoek om ontbinding vergezeld
te gaan van een door het Lisv getoetst reïntegratieplan. Uit
onderzoek ¹ is gebleken dat deze verplichting in veel gevallen geen meerwaarde
heeft, vooral in geval van een arbeidsconflict of bij beëindiging van
het dienstverband wegens inkrimping of sluiting van het bedrijf. De
verplichting van de werkgever om een getoetst reïntegratieplan te overleggen, is daarom komen te vervallen. Als alternatief
voor de extra bescherming tegen ontslag die met het verplicht gestelde
reïntegratieplan werd beoogd, wordt de werknemer de mogelijkheid geboden een
deskundigenoordeel te vragen over de aanwezigheid van passende arbeid bij
en de reïntegratie-inspanningen van de werkgever. Ook aan de werkgever
wordt het recht gegeven een deskundigenoordeel te vragen indien er een
meningsverschil bestaat over de reïntegratie-inspanningen
en -mogelijkheden met betrekking tot een arbeidsongeschikte
werknemer.
Voorts kan de
kantonrechter in voorkomende gevallen van de werkgever verlangen een deskundigenoordeel te vragen, teneinde zekerheid te
verkrijgen over de
aanwezigheid respectievelijk afwezigheid van passende arbeid alvorens op een
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te beslissen.
1. Evaluatie praktijk en
ervaring met toetsing van reïntegratieplan bij ontbindingsverzoeken in opdracht van het
ministerie van SZW uitgevoerd door IVA Tilburg/Hugo
Sinzheimerinstituut.
Artikel
IV.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
Onderdeel A
Het toegevoegde onderdeel
g regelt dat de uvi op verzoek van de private partijen de werkgever
en/of de werknemer kan adviseren over de sociaalverzekeringsrechtelijke aspecten van het
specifieke geval. Dit speciale advies is een
verbijzondering van de wettelijke informatievoorzieningstaak van de uvi en wordt
daarom in een apart onderdeel van artikel 38 Osv 1997 opgenomen.
In het
algemeen deel van
deze toelichting is al aangegeven dat het wenselijk is om zowel de zieke
werknemer als zijn werkgever de mogelijkheid te geven om met betrekking
tot twee aspecten een deskundigenoordeel (second opinion) te
vragen. Deze mogelijkheden zijn via dit onderdeel vastgelegd in artikel
38,
eerste lid, van de Osv 1997. In het voorgestelde onderdeel i is geregeld dat de het
Lisv een deskundigenoordeel kan geven over de vraag of er bij de
eigen werkgever van de werknemer passende arbeid aanwezig is die de zieke
werknemer in staat is te verrichten. In het voorgestelde onderdeel j is het
deskundigenoordeel van het Lisv geregeld over de vraag of de werkgever
voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.
rblz.|30|
Onderdeel B
Deze bepaling regelt dat
ook ten aanzien van het onderzoek, dat in onderdeel A wordt geregeld, het
Lisv een deskundige aanwijst. Voor het verrichten van het
onderzoek kan aan diegene die om een deskundigenoordeel heeft verzocht een
bijdrage in de kosten worden gevraagd.
Onderdeel C
Het tweede lid van
artikel 101 heeft betrekking op de informatieverstrekking door onder andere het
Lisv aan arbodiensten. Met name in het eerste ziektejaar heeft de
arbodienst een belangrijke taak in het verlenen van bijstand aan de werkgever
met betrekking tot de reïntegratie van zieke werknemers. De werkgever
is op grond van de WAO gehouden een reïntegratieverslag op
te stellen. Zijn arbodienst zal hem daarin moeten bijstaan. Er wordt van
uitgegaan dat de medische gegevens alleen bij de arbodienst berusten en
ook alleen door de arbodienst worden verwerkt.
In verband met de
bijstand aan de werkgever zal de arbodienst, indien een WAO-uitkering is
aangevraagd, direct van de uitkomst van de claimbeoordeling op de
hoogte willen
worden gesteld. Omdat de arbodienst niet direct zicht zal houden
op het verloop van die beoordeling, is het wenselijk dat in ieder geval het Lisv ook uit eigen beweging de uitkomsten naar de arbodienst
terugkoppelt. Dit voorgestelde artikellid voorziet daarin. Met het schrappen van het
toestemmingsvereiste wordt voorkomen dat de betrokkene waarop de
gegevens van toepassing zijn de reïntegratietaak van de werkgever en de
door hem ingeschakelde arbodienst frustreert c.q. onmogelijk maakt door toestemming te weigeren.
Deze wijziging sluit
bovendien aan bij de bepaling in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, onder 2, van
de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp). Voor de verstrekking (verwerking) van (medische) gegevens noodzakelijk
met het oog op de
reïntegratie van of begeleiding van de werknemer of uitkeringsgerechtigde is
(in beginsel) geen toestemming nodig.
Artikel
V.
Werkloosheidswet
Onderdeel A
Op grond van het
voorgestelde artikel 71a WAO kan de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever worden
verlengd ingeval de werkgever zijn
reïntegratieverplichtingen onvoldoende is nagekomen. Gelet hierop heeft het
kostenverhaal op de werkgever ex artikel 52j
WW geen bestaansrecht meer.
Vandaar dat dit artikel komt te vervallen.
Onderdeel B
Onder 1
De boetes op grond van
artikel 71a van de WAO komen te vervallen, dus ook de inkomsten daarvan.
Onder 2
In
artikel 89 van de
WW
wordt geregeld welke bijdragen ten gunste van het wachtgeldfonds komen.
Daarin is onder meer bepaald dat de bijdragen van de werkgever of de werknemer in de kosten van het onderzoek,
bedoeld in het huidige artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de
Osv 1997, ten bate van dat
fonds komen. In het onderhavige voorstel is bepaald dat
artikel 40
van de Osv 1997 zo wordt gewijzigd dat ook indien er sprake is van een
onderzoek als bedoeld in het voorgestelde artikel
38, eerste lid, onderdeel
i
(onderzoek naar het aanwezig zijn van passende rblz.|31|
arbeid) of onderdeel j
(onderzoek naar de reïntegratie-inspanningen van de werkgever), de onkosten
van het onderzoek in rekening kunnen worden gebracht bij de aanvrager
van het deskundigenoordeel. Het ligt dan ook in de rede ook deze
bijdragen ten gunste van het wachtgeldfonds te laten komen. Deze wijziging
strekt daartoe.
Onderdeel C
In
artikel 90 van de
WW wordt geregeld welke kosten ten laste van het wachtgeldfonds komen.
Deze bepaling is het spiegelbeeld van artikel 89 van de WW
en wordt overeenkomstig aangepast.
Onderdelen D en
E
Deze artikelen zijn
ingevoerd bij Aanpassingswet OOW en betreffen kosten en lasten van het
Uitkeringsfonds voor de overheid. De aanpassingen zijn dezelfde als die in de
onderdelen B, onder 2, en C.
Artikel
VI. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
Onderdelen A,
B en
C, onder 2,
D,
E, onder 1,
G, onder 2,
H, en
J
De hier voorgestelde
wijzigingen beogen (conform de wijziging van artikel 24 van de WAO) te
verduidelijken dat het gaat om voorzieningen, instrumenten en maatregelen die
de
inschakeling in de arbeid bevorderen.
Onderdeel C, onder 1
In
artikel 8 van de Wet Rea
wordt aangegeven dat het de taak is van de werkgever om de
reïntegratie te bevorderen, tenzij vaststaat dat binnen zijn bedrijf geen
passende arbeid voorhanden is. Dit werd vastgesteld door het Lisv
op grond
van het reïntegratieplan en zal nu worden beoordeeld op grond van het
reïntegratieverslag.
Onderdelen E, onder 2, F en
G, onder 1
In
de artikelen 15, 16 en
18 van de Wet
Rea was geregeld dat bij de aanvraag van een voorziening het reïntegratieplan moest worden overgelegd.
Nu het reïntegratieplan
is komen te vervallen en het voor de beoordeling van de aanvraag niet
noodzakelijk is om een volledig reïntegratieverslag op te maken en te
verstrekken, wordt voorgesteld om bij ministeriële regeling te
bepalen welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de aanvraag te kunnen
beoordelen en door de werkgever moeten worden verstrekt.
Onderdeel I. [Vervallen,
red.]
Door de herformulering
van de aanhef van artikel 43 wordt duidelijk welke kosten die de uvi
en het Lisv hebben in verband met de uitvoering de
Wet
Rea ten laste komen van het Reïntegratiefonds. Hieraan zijn toegevoegd
de kosten in verband met
de uitvoering van artikel 8. Het gaat hier om het overnemen van de
reïntegratietaak op grond van de vaststelling door het Lisv dat de werkgever
geen passende arbeid in zijn bedrijf voorhanden heeft.
rblz.|32|
Onderdeel K
De mogelijkheid van het
Lisv om personen op te roepen ten aanzien van wie een
reïntegratie-instrument is toegekend of waarvan toekenning wordt
overwogen, stond eerst in
artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van de WAO. Bij nadere beschouwing
van dat artikel is besloten die bepaling over te brengen naar de Wet
Rea,
waar deze gezien de strekking van het artikel meer thuishoort.
Onderdeel L
In verband met de
vernummering binnen artikel 76f van de WAO wordt
artikel 84 aangepast.
Artikel
VII.
Arbeidsomstandighedenwet 1998
Onderdeel A
Het eerste lid, tweede
zin, onderdeel a, biedt de grondslag voor aanwijzing van categorieën
bedrijven of inrichtingen. Anders dan in de eerste zin van het eerste lid, de
tweede zin, onderdeel e, en het tweede lid, waar wordt gesproken over
bedrijf, inrichting of deel daarvan, wordt in onderdeel a niet gesproken over
delen van het bedrijf of de inrichting. Niet alleen is er daardoor
sprake van inconsistentie in de gebruikte terminologie binnen het artikel, de
vraag laat zich ook stellen of de in onderdeel a gehanteerde omschrijving
aanwijzing van delen van bedrijven of inrichtingen toelaat. Teneinde elke
onduidelijkheid op dit punt uit te sluiten, is de terminologie
geüniformeerd.
Onderdeel B
Artikel 9 heeft
betrekking op arbeidsongevallen en niet op "gewone" ongevallen, zoals ongevallen die geen ziekteverzuim of de dood
ten gevolge hebben gehad. Het
opschrift wordt daarop aangepast.
Onderdeel C
Onder 1
De arbodienst verleent
bijstand bij de reïntegratie, geeft daarover advies en registreert feitelijk
de gegevens. Dit wordt nader geregeld in de Arbeidsomstandighedenregeling
en in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Door de verwijzing naar
artikel 71a, eerste tot en met vierde lid, WAO
in artikel 14 van de
Arbeidsomstandighedenwet 1996 wordt duidelijk dat de verplichte
bijstand van de arbodienst zich ook uitstrekt tot de verplichtingen van de
werkgever op grond van dat artikel (dossiervorming, het plan van aanpak en
reïntegratieverslag). Dit betreft in ieder geval de verwerking van
medische gegevens. In de Arbeidsomstandighedenregeling
zal nader kunnen worden geregeld aan welke normen de
verplichtingen op grond van artikel 71a, eerste tot en met vierde lid, moeten
voldoen.
Onder 2
Nu zowel de werkgever als
de uitvoeringsinstantie voor de WAO bij de gegevensverwerking
gebruik maken van het sofinummer, wordt het in dit nieuwe artikellid van
artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 toegestaan dat ook de arbodienst gebruik maakt van het
sofinummer. Dit
betreft dan alleen de
uitvoering van de taak in verband met het verzuimbeleid, die in dit
wetsvoorstel verder wordt ingevuld. Omdat ook de arbodienst rblz.|33|
werkzaamheden
verricht voor de dossiervorming en adviseert over het reïntegratieverslag,
kan het gegevensverkeer niet anders plaatsvinden dan in de relatie tussen
werkgever en Lisv of uvi, dat wil zeggen op
sofinummer. Uit het oogpunt van de privacywetgeving bestaat hiertegen geen bezwaar.
Onderdeel D
In dit onderdeel wordt de
term "arbeidsongevallen" gewijzigd in ongevallen. Bedrijfshulpverleners
moeten zich onder meer bezighouden met het verlenen van eerste hulp bij ongevallen en het voorkomen en
beperken van ongevallen.
Dit kunnen zowel arbeidsongevallen zijn als de lichtere ongevallen die
niet leiden tot ziekteverzuim of de dood.
Onderdeel E
In het zesde lid van
artikel 16 staat met betrekking tot welke arbeid regels kunnen worden gesteld die
afwijken van het bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet
1998 bepaalde of
strekken ter aanvulling daarvan. Deze afwijkende c.q.
aanvullende regels zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Zij kunnen onder andere gelden voor de rijksinrichtingen,
bedoeld in de Wet op de jeugdhulpverlening. De particuliere inrichtingen vielen hier
tot nu toe niet onder. Er is thans besloten om geen onderscheid meer te
maken tussen rijksinrichtingen en particuliere inrichtingen, en de
uitzonderingen c.q. aanvullingen die opgenomen zijn in
het Arbeidsomstandighedenbesluit ook te laten gelden voor particuliere jeugdinrichtingen.
Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om de verwijzing naar de Wet op de jeugdhulpverlening te vervangen door een verwijzing
naar de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, omdat de bepalingen over de inrichtingen
inclusief een definitie thans zijn opgenomen in de laatstgenoemde wet.
Onderdeel F
De tekst van artikel 33,
tweede lid, sluit met deze wijziging beter aan op de tekst van het eerste lid.
In het eerste lid van artikel 33 staat dat het niet naleven van bepaalde
voorschriften of verboden uit de wet als beboetbaar feit wordt aangemerkt. In
het tweede lid staat dat het niet naleven van bepaalde voorschriften of
verboden uit het Arbeidsomstandighedenbesluit
(welke in het besluit als
zodanig moeten worden aangemerkt) als beboetbaar feit wordt
aangemerkt. Tevens wordt de onjuiste verwijzing naar artikel 16, negende
lid, gewijzigd in een verwijzing naar het tiende lid van artikel 16.
De zinsnede "De
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld
op voordracht van Onze
Minister" is overbodig en komt hierbij te
vervallen.
Aangezien met deze
algemene maatregel van bestuur het op de Arbeidsomstandighedenwet 1998
gebaseerde
Arbeidsomstandighedenbesluit is bedoeld en er geen
misverstand over kan bestaan dat dit besluit wordt voorgedragen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
kan deze bepaling
vervallen.
Artikel
VIII. Wet
inschakeling werkzoekenden
In het vervolg wordt in
artikel 15 van de Wiw de eis gesteld dat er een reïntegratieverslag is
opgesteld.
rblz.|34|
Artikel
IX. Wet
terugdringing ziekteverzuim
Onder 2
In dit onderdeel wordt
geregeld dat ook de werkgevers waarop niet het artikel 629 van het BW
maar artikel XV van de Wet terugdringing
ziekteverzuim van toepassing is het
recht hebben om loondoorbetaling te weigeren indien de
betrokkene weigert mee te werken aan door die werkgever of een door de werkgever
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te
stellen passende arbeid te verrichten.
Onder 3
In
artikel XV van de Wet terugdringing
ziekteverzuim wordt de loondoorbetaling geregeld ten aanzien van
personen in dienst van staat, provincie, gemeente, waterschap of
enig ander publiekrechtelijk lichaam en van de NV Nederlandse
Spoorwegen. Op deze personen is de WAO van
toepassing; dit betekent dat ook voor
hen geldt dat zij de wachttijd WAO op verzoek kunnen verlengen.
Dit artikel regelt dat ook deze personen gedurende de verlengde wachttijd
recht hebben op loondoorbetaling (onderdeel b). Daarnaast wordt de
loondoorbetalingsverplichting bij de loonsanctie op dezelfde wijze geregeld als in artikel 629 van het
BW
(onderdeel
c). Omwille van de
overzichtelijkheid is ervoor gekozen alle redenen voor verlenging van de
loondoorbetalingsperiode in één lid onder te brengen. Vandaar dat de laatste
zin van het tweede lid is verplaatst naar het veertiende lid, onderdeel
a.
Artikel
X. Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Het artikel 85 in de
OOW
betrof de ziektemelding. Dit artikel heeft inmiddels geen betekenis meer en
kan vervallen.
Artikel
XI. Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
In artikel XIV van de
Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen wordt met ingang van 1 januari 2004
de tekst van artikel 87 aangepast. Dit artikel zorgt ervoor ook in de
tekst die met ingang van 1 januari 2004 geldt rekening wordt gehouden met de
mogelijkheid tot verlenging van de wachttijd.
Artikel
XII. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdelen A en
C
In
artikel 9, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
is geregeld dat indien de verzekerde zonder redelijke grond weigert mee te
werken aan scholing, opnieuw geschat wordt als ware de wenselijk geachte
scholing reeds afgerond. Naast deze bijzondere bepaling
geldt de in artikel 46
geregelde algemene sanctie in de vorm van het geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend weigeren van de uitkering indien de belanghebbende
niet meewerkt aan gegeven voorschriften tot behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid (onderdeel a). Conform de WAO
gaat het
bij deze verplichting tot het volgen van scholing in feite ook om het meewerken aan reïntegratie. Derhalve ligt het in
de rede om aan te sluiten
bij de algemene sanctie. De hier voorgestelde artikelen strekken
daartoe.
rblz.|35|
Onderdeel B
Evenals in
artikel 24 van
de WAO is in artikel 43 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
geregeld dat het Lisv voorschriften kan geven in het belang
van behoud, herstel of bevordering van arbeidsgeschiktheid. Het
gaat bij deze voorschriften niet alleen om het stellen van voorschriften
waarvan vaststaat dat het opvolgen ervan - op basis van de in de WAZ
gehanteerde schattingsmethodiek - zal leiden tot
een vermindering van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het gaat om concrete voorschriften
die ertoe leiden dat de belanghebbende zijn mogelijkheden tot het
verrichten van inkomensvormende arbeid vergroot, waardoor de
belanghebbende zijn reïntegratie bevordert en uiteindelijk in staat zal zijn arbeid te
verrichten. De hier voorgestelde wijziging van artikel 43 beoogt op
dezelfde wijze als artikel 24 van de WAO dus te verduidelijken dat het
Lisv voorschriften kan geven die de inschakeling in de arbeid bevorderen.
Artikel
XIII. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdelen A en
C
In
artikel 8, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
is geregeld dat indien de jonggehandicapte zonder redelijke grond
weigert mee te werken aan scholing, opnieuw geschat wordt als ware de
wenselijk geachte scholing reeds afgerond. Naast deze bijzondere
bepaling geldt de in artikel 38 geregelde algemene sanctie in de vorm van
het geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigeren van de
uitkering indien de belanghebbende niet meewerkt aan gegeven voorschriften tot
behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid (onderdeel a). Conform de
WAO gaat het ook bij deze verplichting tot het
volgen van scholing in feite ook om het meewerken aan reïntegratie.
Derhalve ligt het in de rede om aan te sluiten bij de algemene sanctie. De hier
voorgestelde artikelen strekken daartoe.
Onderdeel B
Evenals in
artikel 24 van
de WAO is in artikel 35 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) geregeld dat het Lisv voorschriften kan geven
in het belang van behoud, herstel of bevordering van arbeidsgeschiktheid.
Het gaat bij deze voorschriften niet alleen om het stellen van voorschriften
waarvan vaststaat dat het opvolgen ervan - op basis van de in de Wajong
gehanteerde schattingsmethodiek - zal leiden tot een vermindering van
het arbeidsongeschiktheidspercentage. Het gaat om concrete voorschriften
die ertoe leiden dat de belanghebbende zijn mogelijkheden tot het
verrichten van inkomensvormende arbeid vergroot, waardoor de
belanghebbende zijn reïntegratie bevordert en uiteindelijk in staat zal zijn arbeid te
verrichten. De hier voorgestelde wijziging van artikel 35 beoogt dus op
dezelfde wijze als artikel 24 van de WAO te verduidelijken dat het
Lisv voorschriften kan geven die de inschakeling in de arbeid bevorderen. Met
artikel 35 wordt dus inhoud gegeven aan de algemeen geformuleerde
reïntegratietaak van artikel 10 van de Wet
Rea.
Artikel
XV. Overgangsrecht
Eerste lid
In het eerste lid wordt
bepaald dat de nieuwe ziekmeldingstermijn alleen van toepassing is op
ziektegevallen die ontstaan na inwerkingtreding van deze wet.
rblz.|36|
Tweede lid
Artikel II, onderdeel
L, [zie art. II, onderdeel M, Wvp,
red.] introduceert het houden van aantekening, het plan van aanpak en het
reïntegratieverslag in plaats van het reïntegratieplan. Om te voorkomen dat
werkgever en werknemer met zowel de nieuwe regels als het oude
reïntegratieplan te maken krijgen, wordt hier voorgesteld om deze bepaling slechts
van toepassing te laten zijn op nieuwe ziektegevallen. Daarnaast
zijn ook alle andere bepalingen die uitgaan van het reïntegratieverslag
in plaats van het reïntegratieplan alleen van toepassing op nieuwe
ziektegevallen. (De wijziging van artikel 685 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zoals voorgesteld in artikel III, onderdeel C, [zie art.
III, onderdeel F, Wvp, red.] werkt wel
onmiddellijk).
Voor de oude
ziektegevallen geldt het oude regime, inclusief de mogelijkheid van verhaal
op grond van
artikel 46 WAO. De werkgever kan echter zelf aangeven al onder
het nieuwe regime te willen vallen. In dat geval is dit overgangsrecht niet
van toepassing en zijn alle bepalingen inzake het reïntegratieverslag
onverkort van toepassing.
Derde lid
Werknemers en de persoon
in dienst van de staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander
publiekrechtelijk lichaam dan wel de NV Nederlandse Spoorwegen die zonder
deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of
door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te
stellen passende arbeid te verrichten, heeft geen recht op
loondoorbetaling. Het creëert dus een nieuwe verplichting voor de betrokkene tijdens
zijn ziekte. Omdat het hier gaat om een nieuwe verplichting, wordt hier
voorgesteld deze bepaling slechts van toepassing is als de weigering zich
na de inwerkingtreding van de desbetreffende artikelen heeft
voorgedaan. Dit betekent ook dat de controlemogelijkheden van het Lisv
op grond van
artikel 39 Ziektewet en artikel
23, eerste lid, van de WAO
voor de oude ziektegevallen blijft bestaan.
Vierde, vijfde
en zesde lid
Een verzekerde of
jonggehandicapte die zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing
of opleiding die wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de
arbeid, wordt door de in dit voorstel van wet voorgestelde wijziging niet langer
opnieuw geschat maar kan geheel of gedeeltelijk, tijdelijk
of blijvend een uitkering geweigerd worden. Omdat het hier gaat om een
nieuwe sanctie, wordt hier voorgesteld deze bepaling slechts van toepassing te
laten zijn op gevallen die zich na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel
B, artikel XII, onderdeel A, respectievelijk
artikel XIII, onderdeel A, voordoen.
Zevende lid
In
deze bepaling is
geregeld dat voor de gevallen waarop na de inwerkingtreding van deze wet het oude
artikel 71a van de WAO van toepassing blijft, ook de
bijbehorende bepaling van artikel 89, onderdeel f, van de WW toegepast kan worden.
In het oude artikel 89, onderdeel f, staat een foutieve verwijzing. Er
wordt verwezen naar het artikel 71a, tweede en derde lid, terwijl dat
moet zijn het derde en vierde lid. In deze bepaling wordt deze foutieve
verwijzing hersteld.
Aangezien de mogelijkheid tot uitstel van de wachttijd en de mogelijkheid tot het vragen van een deskundigenoordeel
ter vrije keuze van
werkgever en werknemer staan, zullen deze bepalingen en de bepalingen die
daarmee samenhangen, zoals artikel 629, tiende lid, rblz.|37|
onderdeel b, BW
onmiddellijke
werking krijgen en zowel voor oude als nieuwe ziektegevallen gelden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|