|
MEMORIE VAN TOELICHTING
en overige kamerstukken
Nadere
regelgeving:
- Aanpassingsbesluit Wwb
- Aanpassingsregeling Wwb
- Beleidsregels
financieel maatregelenbeleid Ioaw, Ioaz, Bbz 2004 en Wwik
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw
en Ioaz
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit SUWI
- Besluit SVB beleidsregels Wwb 2012
- Besluit Wwb 2007
- Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004
- Regeling
bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland
- Regeling
financiering en verantwoording Ioaw, Ioaz en Bbz 2004
- Regeling
statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz 2013
- Regeling uitkeringen gemeenten Bbz
2004 voor de uitvoeringsjaren 2012 en volgende
- Regeling
vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten
gunste komt van het wachtgeldfonds
- Regeling
Wwb
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- SZW-intrekkingsregeling
2004
Vervallen
nadere regelgeving:
-
Besluit beleidsregels SVB ter
uitvoering van de mandaatbesluiten inzake de Wwb
(vervallen)
- Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten (vervallen)
- Besluit SVB beleidsregels Wwb 2010 (vervallen)
- Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Besluit Wwb
(vervallen)
- Regeling
statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wik
(vervallen)
- Regeling
uitkeringen gemeenten Bbz 2004 voor het uitvoeringsjaar 2009 (vervallen)
- Regeling uitkeringen gemeenten Bbz
2004 voor het uitvoeringsjaar 2010 (vervallen)
- Regeling uitkeringen gemeenten Bbz
2004 voor het uitvoeringsjaar 2011 (vervallen)
- Regeling vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen
(vervallen)
- Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders
Wwb (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Algemene
bijstandswet (vervallen)
- Besluit
in- en doorstroombanen (vervallen)
- Besluit taakuitoefening Inspectie
Werk en Inkomen
- Invoeringsregeling
Wwb (vervallen)
- Invoeringswet
Wet werk en bijstand (vervallen)
- Regeling
financiering bijstand buitenland
- Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Tijdelijke wet pilot loondispensatie
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
- Wet
inschakeling werkzoekenden (vervallen)
- Wet investeren in jongeren (vervallen)
- Wet
voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders (vervallen)
- Wet werk
en inkomen kunstenaars (vervallen)
Inhoudsopgave
Wwb
| Hoofdstuk
1 |
Algemeen |
artt. 1 - 8
|
| §
1.1x |
Begripsbepalingen |
artt.
1 - 6 |
| §
1.2x |
Opdracht
gemeente |
artt.
7 - 8b |
| Hoofdstuk
2 |
Rechten
en plichten |
artt. 9 - 18a
|
| §
2.1x |
Arbeidsinschakeling
en tegenprestatie |
artt.
9 - 10a |
| §
2.2x |
Bijstand |
artt.
11 - 16 |
| §
2.3x |
Inlichtingenplicht
en afstemming |
artt.
17 - 18a |
| Hoofdstuk
3 |
Algemene
bijstand |
artt. 19 - 34
|
| §
3.1x |
Algemeen |
art.
19 |
| §
3.2x |
Normen |
artt.
20 - 24 |
| §
3.3x |
Verhoging
en verlaging |
artt.
25 - 30 |
| §
3.4x |
Middelen |
artt.
31 - 34 |
| Hoofdstuk
4 |
Aanvullende
inkomensondersteuning en aanpassing bedragen |
artt. 35 - 39
|
| §
4.1x |
Bijzondere
bijstand |
artt.
35 - 36a |
| §
4.2x |
Aanpassing
bedragen |
artt.
37 - 39 |
| Hoofdstuk
5 |
Uitvoering |
artt. 40 - 47g
|
| §
5.1x |
De
aanvraag |
artt.
40 - 43 |
| §
5.2x |
Toekenning,
vaststelling en betaling |
artt.
44 - 46 |
| §
5.3x |
Cliëntenparticipatie |
art.
47 |
| §
5.4x |
Uitvoering
Sociale verzekeringsbank |
art.
47a - 47g |
| Hoofdstuk
6 |
Bevoegdheden
en faciliteiten gemeenten |
artt. 48 - 68
|
| §
6.1x |
Vorm
bijstand |
artt.
48 - 53 |
| §
6.2x |
Onderzoek,
opschorten
en herzien |
artt.
53a - 54 |
| §
6.3x |
Aanvullende
verplichtingen |
artt.
55 - 57 |
| §
6.4x |
Terugvordering |
artt.
58 - 60c |
| §
6.5x |
Verhaal |
artt.
61 - 62i |
| §
6.6x |
Gegevensuitwisseling |
artt.
63 - 68 |
| Hoofdstuk
7 |
Financiering,
toezicht en informatie |
artt. 69 - 78
|
| §
7.1x |
Financiering |
artt.
69 - 75 |
| §
7.2x |
Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke
toezichthouders |
artt.
76 - 76a |
| §
7.3x |
Informatie |
art.
77 - 78 |
| Hoofdstuk
7a |
Overgangsrecht |
artt. 78a - 78y
|
| Hoofdstuk
8 |
Slotbepalingen |
artt. 79 - 86
|
| xxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxxx|
|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2002-2003, 28 870.
Handelingen II 2002-2003, blz. 4852-4920; 4932-4972; 4983-4985; 5029-5080;
5090-5096.
Kamerstukken I 2002-2003, 28 870
(294, 294a, A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K).
Handelingen I 2003-2004, zie vergadering d.d. 7 oktober 2003.
Geschiedenis:
Staatsblad
2003, 375; Staatscourant
2003, 242; Staatsblad 2003, 526;
Staatsblad 2003, 544; Staatscourant
2004, 58; Staatsblad
2004, 300; Staatscourant 2004,
118; Staatsblad 2004, 363;
Staatscourant 2004, 251; Staatsblad 2004, 717;
Staatsblad 2004, 725;
Staatsblad 2004, 733; Staatsblad
2005, 115; Staatsblad 2005, 192;
Staatscourant 2005, 85; Staatsblad
2005, 339; Staatsblad 2005, 345;
Staatsblad 2005, 434; Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 625; Staatscourant 2005,
248; Staatsblad 2005, 683;
Staatsblad 2005, 691; Staatsblad
2005, 710; Staatsblad 2005, 713;
Staatscourant 2006, 129; Staatsblad
2006, 349; Staatsblad 2006, 373;
Staatsblad 2006, 415; Staatsblad
2006, 559; Staatsblad 2006, 593;
Staatsblad 2006, 605; Staatsblad
2006, 625; Staatsblad 2006, 712;
Staatscourant 2006, 251; Staatsblad
2007, 153; Staatscourant 2007,
118; Staatsblad 2007, 289;
Staatsblad 2007, 418; Staatsblad
2007, 490; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 555; Staatscourant
2007, 248; Staatsblad 2007, 563;
Staatsblad 2007, 564; Staatsblad
2008, 87; Staatsblad 2008, 132;
Staatsblad 2008, 197; Staatscourant
2008, 115; Staatsblad 2008, 229;
Staatsblad 2008, 284; Staatsblad
2008, 312; Staatscourant 2008, 252; Staatsblad 2008, 565;
Staatsblad 2008, 586; Staatsblad
2008, 588; Staatsblad 2008, 590;
Staatsblad 2008, 592; Staatsblad
2008, 595; Staatsblad 2008, 600;
Staatsblad 2008, 606; Staatsblad
2009, 108; Staatsblad 2009, 229;
Staatscourant 2009, 117; Staatsblad
2009, 265; Staatsblad 2009, 390; Staatsblad
2009, 282; Staatsblad 2009, 318;
Staatsblad 2009, 492; Staatsblad
2009, 580; Staatsblad 2009, 592;
Staatsblad 2009, 596; Staatsblad
2009, 611; Staatsblad 2010,
228; Staatsblad 2010, 350;
Staatscourant 2010,
9683; Staatsblad 2010, 840; Staatsblad 2010, 838; Staatscourant 2010,
21336; Staatsblad 2011, 231;
Staatsblad 2011, 288;
Staatscourant 2011, 10914; Staatsblad
2011, 442; Staatsblad 2011,
618; Staatsblad 2011, 647; Staatscourant 2011,
23515; Staatscourant 2011,
23883; Staatsblad 2011, 645;
Staatsblad 2011, 650; Staatscourant
2012, 13237; Staatsblad 2012,
322; Staatsblad 2012, 328;
Staatsblad 2012, 361; Staatsblad
2012, 430; Staatsblad 2012,
462; Staatsblad 2012, 463;
Staatscourant 2012, 25906; Staatsblad
2012, 669; Staatsblad 2013,
115.
WET van 9 oktober 2003, Stb.
2003, 375, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten
(Wet werk en bijstand). Inwerkingtreding: 1 januari 2004 (Stb.
2003, 386), zie artikel 85.
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter
versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand
gewenst is te komen tot een Wet werk en bijstand, waarin de Algemene
bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz, de Wet inschakeling
werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen zijn geïntegreerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemeen
§
1.1. Begripsbepalingen
Art. 1.
Organen [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvV;
NvV(H);
V; NnavhV;
2eNvW; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2006, 373;
Stb. 2008, 586; Stb.
2008, 600; Stb. 2010,
838; Stb. 2012, 361]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in
artikel 40, eerste
lid;
c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in
artikel 63 van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. inrichting:
1º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke
werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan
aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke
werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de
mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de
helft van ieder etmaal aanwezig is;
g. Richtlijn 2004/38/EG:
Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29
april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het
grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun
familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking
van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG,
75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L
158);
h. vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis
opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in
het Wetboek van
Strafrecht;
i.
Algemene bijstandswet: Algemene bijstandswet
zoals deze luidde op 31 december 2003;
j. Wet inschakeling werkzoekenden: Wet
inschakeling werkzoekenden zoals deze luidde op 31 december 2003;
k. Besluit in- en doorstroombanen: Besluit
in- en doorstroombanen zoals dit luidde op 31 december 2003;
l. Invoeringswet Wet werk en
bijstand: Invoeringswet Wet werk en bijstand
zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet
van 29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2008, 586);
m. pensioengerechtigde leeftijd: pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet.
Art. 2.
Premies en
kinderbijslag [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2005, 525; Stb. 2009, 282;
Stb.
2011, 288]
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. premies volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in
de Wet financiering sociale verzekeringen;
b. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. 3.
Gezamenlijke
huishouding en woning [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2009, 596;
Stb. 2011, 650] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3498; AA3567; AA3687; AA3943;
AA4072;
AA4808; AA5738;
AA7123; AA8680;
AB0237; AB2488;
AD3412; AD5366;
AD5912; AD7128;
AE0165;
AE1085;
AE3698;
AE3721; AE4247;
AE6057;
AE6090;
AF1081;
AR5779; AT0236;
AT0237]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld
met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
d. gehuwd: als partner geregistreerd;
e. gehuwde: als partner geregistreerde;
f. gehuwden: als partners geregistreerden;
g. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders
dan door de dood of vermissing.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
aanverwant in de eerste graad, een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar
voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand
als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-6. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van
de ongehuwde.
-8. Onder voormalig pleegkind wordt
verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde een pleegvergoeding ontving
of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 4.
Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2008, 595;
Stb. 2009, 596; Stb. 2010,
838; Stcrt. 2011, 23515;
Stb. 2011, 650; Stcrt.
2012, 13237; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3508;
AE2489]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde die
geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij
één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde
die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende
kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij
het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in
de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede
graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot hun last
komende kinderen;
3º. de alleenstaande ouder met de tot zijn
last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen
9, 9a, 25, eerste lid, 26
en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige
pleegkind;
e. ten laste komend kind: het kind
jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op
grond van artikel 18 van de Algemene
Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt
betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel
7, tweede lid, van die wet niet van
toepassing zou zijn.
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt
mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig
pleegkind van de ongehuwde.
Art. 5.
Bijstand en
voorliggende voorziening [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb.
2007, 289; Stb. 2008, 592;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3716; AA4888; AA8508;
AB0577; AB1792;
AD7123]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
b. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan;
c. bijstandsnorm: de op grond van
paragraaf 3.2 op de belanghebbende
van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond
van paragraaf 3.3 door het college vastgestelde verhoging of verlaging;
d. bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel
35, en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36;
e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop
de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan
doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke
uitgaven.
Art. 6.
Niet-uitkeringsgerechtigde, arbeidsinschakeling, sociale activering
en startkwalificatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564; Stb.
2008, 590; Stb. 2008, 595;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 390; Stb.
2009, 282; Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 361]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon jonger dan de
pensioengerechtigde leeftijd die als
werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en die geen recht heeft op een uitkering of
arbeidsondersteuning op grond van
deze wet of de Werkloosheidswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de
Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene
nabestaandenwet dan wel op grond van een regeling die met deze wetten
naar aard en strekking overeenstemt;
b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a;
c. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk
zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
maatschappelijke participatie;
d. startkwalificatie: een diploma
van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b
tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als
bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet
op het voortgezet onderwijs.
-2. Voor de toepassing van deze wet wordt
niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid op grond van een
dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de Wet sociale
werkvoorziening. Voor de toepassing van de artikelen 7,
8 en 10 wordt voor personen die
blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de
doelgroep behoren van de Wet sociale
werkvoorziening onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in
een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
§
1.2. Opdracht gemeente
Art. 7.
Opdracht
college [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NvW;
A;
A; A;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003;
Stb. 2005, 625; Stb.
2008, 284 + bis; Stb.
2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 596;
Stb. 2011, 442; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3763; AA6725; AB2256]
-1. Het college:
a. ondersteunt bij arbeidsinschakeling personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in
artikel 10, tweede lid, personen met een nabestaanden- of wezenuitkering
op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden
en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening,
waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling,
noodzakelijk acht, bepaalt en biedt deze voorziening aan; en
b. verleent bijstand aan personen hier te
lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat
zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien.
-2. Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel
a,
samen met het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
toepassing op personen:
a.
jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen
volgen;
b. als bedoeld in artikel
41, vierde lid, die zich hebben
gemeld om bijstand aan te vragen gedurende de vier weken na de melding,
bedoeld in artikel 44; of
c. aan wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.
-4. Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de
vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de
daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden
laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde
vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen. [BbSumW]
-5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het tweede tot en met vierde lid. [BS]
-6. Het eerste lid, aanhef en onder b,
is niet van toepassing indien het verlenen van bijstand op grond van artikel
47a, eerste lid, tot de taak van de Sociale
verzekeringsbank behoort.
-7. Het college en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het eerste lid, aanhef
en onder a, van toepassing is op de personen, bedoeld in het
derde lid, onderdeel c. Daarnaast kunnen het college en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomen dat het
college aan de personen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c,
een voorziening aanbiedt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
-8. Uitvoering van het eerste lid, aanhef
en onder a, door middel van artikel 10a
is niet van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.
Art. 8.
Opdracht
gemeenteraad [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; A;
A; A;
A; 2eNvW;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2003,
544; Stb. 2008, 590 + bis;
Stb. 2008, 592; Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462] • [Jurisprudentie:
LJN AA4623; AT0233]
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a;
b. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel
18, tweede
lid;
c. het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel
30;
d. het verlenen van een
langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36;
e. de scholing of opleiding,
bedoeld in artikel 10a, vijfde lid;
f. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde
lid;
g. het
verlenen van de bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 35,
vijfde lid;
h. het
verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a,
twaalfde lid;
i. de uitoefening van de bevoegdheid tot
verrekening als bedoeld in artikel 60b.
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben:
a. voor zover het gaat om het eerste
lid, onderdeel a, in ieder geval betrekking op de evenwichtige
aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
genoemde groepen, alsmede voor verschillende doelgroepen daarbinnen, en
op de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken;
b. voor zover het gaat om het eerste
lid, onderdeel d, in ieder geval betrekking op de hoogte van de
langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
begrippen langdurig en laag inkomen;
c. voor zover het gaat om het eerste
lid, onderdeel f, in ieder geval betrekking op de hoogte van de
premie in relatie tot de armoedeval;
d. voor
zover het gaat om het eerste lid, onderdeel g, in ieder geval
betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip
maatschappelijke participatie.
Art.
8a. Regels bestrijding misbruik [Kamerstukken:
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003]
De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij
verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Art. 8b.
Gemeenschappelijke regelingen [Geschiedenis:
Stb. 2006, 712; Stb.
2007, 551]
Indien bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur
van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die
wet,
treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van
paragrafen 7.1 en 7.3, in de plaats van de betrokken
colleges.
HOOFDSTUK
2
Rechten
en plichten
§
2.1. Arbeidsinschakeling en tegenprestatie
Art. 9.
Plicht tot
arbeidsinschakeling en tegenprestatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
A; NnavhV;
A;
A; A;
A; A;
A; A;
A; A;
A; A;
A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb
2007, 564; Stb. 2008, 595;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 282; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 322; Stb.
2012, 361] •
[Jurisprudentie: LJN
AA5111; AA5143; AA8538;
AA9387; AA9416;
AA9801; AB2257;
AB2485; AD5014;
AD5103;
AD8414;
AE1328;
AE2461;
AE3147;
AE3731; AE6141;
AE6671;
AE7389;
AE7520;
AF0759;
AF0888;
AP1140]
-1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
leeftijd is,
vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid,
verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik
wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen
registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van
artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening,
waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling,
alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het
opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in
artikel 44a;
c. naar
vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling
op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
arbeidsmarkt.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in
individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting
als bedoeld in het eerste lid. Zorgtaken kunnen als dringende redenen
worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden
door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a.
-3. Indien bijstand wordt verleend aan
gehuwden, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor
ieder van hen.
-4. De verplichting om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden, geldt voor de alleenstaande ouder met
kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft
overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de
toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
betrokkene.
-5. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a en b, zijn niet van toepassing op
de persoon die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de Wet
sociale werkvoorziening.
Art.
9a. Ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling alleenstaande
ouders [Geschiedenis:
Stb. 2008, 595; Stb.
2009, 282; Stb. 2011, 650]
-1.
Onverminderd artikel 9, tweede lid, verleent het
college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een
tot zijn last komend kind tot 5 jaar op diens verzoek ontheffing van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdeel a.
-2. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt eenmalig verleend.
-3. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de
alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
niet wil nakomen.
-4. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de
leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin
geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Op deze periode
worden in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de
alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel in de
voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing,
bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode, dan wel perioden, waarin
toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde
lid, van de Wet investeren in jongeren.
-5. De ontheffing, bedoeld in het eerste
lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is
benut:
a. van rechtswege opgeschort met
ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van 5 jaar
bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien
niet langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op
een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de
ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college ingetrokken
indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder
ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel b, niet wil nakomen.
-6. Op een daartoe strekkend verzoek van de
alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar beëindigt het college een
opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met
c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van
toepassing zijn.
-7. Het college stelt binnen zes maanden na
ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van
aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel b, voor de alleenstaande ouder aan
wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
-8. Het college verricht na het opstellen
van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden
een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak
opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel b. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de
naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen
voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het
heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
-9. Indien het heronderzoek, bedoeld in het
achtste lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het college een gewijzigd
plan van aanpak op.
-10. Het college vult de voorziening,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als
bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een
startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang
tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college
een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
alleenstaande ouder te boven gaat.
-11. Op verzoek van de alleenstaande ouder
die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is
verleend als bedoeld in het eerste lid vult het college de voorziening,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
in met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs die de toegang tot de arbeidsmarkt
bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke
scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande
ouder te boven gaat.
-12. Het college verlaagt de bijstand
overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel h, indien het college de ontheffing,
bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde
lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien indien elke
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Art. 10.
Aanspraak op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW;
A; A;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2013, 115]
-1. Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of
halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden
hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel
8, eerste lid,
onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de
naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die
vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot één van
de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren.
-3. Artikel 40, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art.
10a. Participatieplaatsen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 284; Stb.
2008, 590]
-1. Het college kan ter uitvoering van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand
ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering
is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt,
onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal
twee jaar.
-2. Onder additionele werkzaamheden als
bedoeld in het eerste lid worden primair op de arbeidsinschakeling
gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het
college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling
op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
arbeidsmarkt.
-3. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld
in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht in het kader van een
andere voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing
gelaten indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht
is op een dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden
verricht van dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of
aansluitend op die zes maanden.
-4. Voor de termijn van twee jaar, bedoeld
in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht vóór 1 januari 2007,
buiten beschouwing gelaten.
-5. Het college biedt aan degene die op
grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en die niet
beschikt over een startkwalificatie, na een periode van zes maanden na
aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de
toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het
college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden
van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt
aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college
niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
arbeidsproces van belanghebbende.
-6. Het college verstrekt aan
belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit
artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld
in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien
hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft
meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het
arbeidsproces.
-7. Indien het college en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is op een persoon
aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering
verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor
"algemene bijstand" te worden gelezen: uitkering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-8. Met betrekking tot degene die op grond
van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het
college na een periode van negen maanden na de aanvang van die
werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op inschakeling
in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet het geval is, wordt
het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na
aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
-9. Met betrekking tot degene die op grond
van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het
college vóór afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het
eerste lid, of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon
gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces
aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de
termijn van twee jaar verlengen met één jaar, onder de voorwaarde dat
de belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere
additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar
heeft verricht.
-10. Indien de termijn van twee jaar is
verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college vóór
afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in
de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het
arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het
college de termijn nogmaals verlengen met één jaar.
§
2.2. Bijstand
Art. 11.
Rechthebbenden [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2006, 373 + bis; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3589; AA3717; AA4129;
AA5419; AA6590;
AA6591; AA7515;
AA8508; AA8520;
AA9884; AB1261;
AB1262; AB1792;
AB2276; AB2277;
AD3848; AD5014;
AD6622;
AD7844; AD9298;
AD9356;
AE0294;
AE1901;
AE2487; AE2489;
AE3275;
AE3704;
AE3716; AE6067;
AE6178;
AE7599;
AE8099;
AF1374;
AU0687]
-1. Iedere in Nederland
woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op
bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander,
bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, met
uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van
Richtlijn 2004/38/EG.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen
dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met
een Nederlander gelijk worden gesteld: [BgvWII]
a. ter uitvoering van een
verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. indien zij, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van
die wet en zij
aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden
voldoen
-4. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe,
tenzij één van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Art. 12.
Onderhoudsplicht ouders [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2010, 228; Stb. 2011, 650]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3508;
AE3732]
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand
voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm
en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn
ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te
gelde kan maken.
Art. 13.
Uitsluiting
van bijstand [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 363; Stb. 2004,
717; Stb. 2008, 87; Stb.
2008, 132; Stb. 2009, 282;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322; Stb. 2012, 361]
• [Jurisprudentie:
LJN AA3508; AA5111; AA5390;
AA8538; AB0577;
AB0578; AC1903;
AD3420; AD3845;
AD5014; AD5479;
AE3939; AE4212;
AE4370;
AE6671;
AE7389;
AT0206]
-1. Geen recht op bijstand heeft degene:
a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b. die
zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
c. die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
d. die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid,
voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
e. die per kalenderjaar
langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een
aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten
Nederland;
f. die jonger is dan 18
jaar;
g. die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan
wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
-2. Geen recht op
algemene bijstand heeft degene:
a. van 18, 19 of 20 jaar die in een
inrichting verblijft;
b. die onbetaald verlof geniet als
bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van
de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een
zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg
is, tenzij de belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet
als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet
arbeid en zorg;
c.
die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan
volgen en:
1º. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000; dan wel
2º. in verband daarmee geen aanspraak
heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt;
d. die jonger is dan 27 jaar en uit
wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de
verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel
55, niet wil nakomen.
-3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor
verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. Het eerste lid, onderdeel a en
b, is, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft,
niet van toepassing op de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is
ontnomen op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van
artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht of, na ontslag van alle rechtsvervolging, van artikel
37b, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht, en op de persoon die zich onttrekt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel op grond van die
artikelen. [Bevsz] [Rjj]
-4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, geldt
voor personen die de
pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt
een periode van dertien weken.
Art. 14.
Niet-noodzakelijke kosten [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003] • [Jurisprudentie:
LJN
AE6365]
In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan
gerekend kosten met betrekking tot:
a. de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
b. de betaling van een boete;
c. geleden of toegebrachte schade;
d. vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke
verzekering;
e. kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen
worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet
op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische
behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
Art. 15.
Voorliggende
voorziening [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 717; Stb. 2011, 645;
Stb.
2012, 328] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3508; AA3716; AA4131;
AA4888; AA6778;
AA7188; AB1608;
AD3656;
AE3712;
AE3803; AE4212;
AE6365;
AE8099;
AE8634;
AE8636;
AE8637;
AF0905]
-1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden
gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,
wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het
recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de
voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
-2. Onder een beroep kunnen doen op een
voorliggende voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan
de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om een voorschot als
bedoeld in artikel 22 van de
Algemene Ouderdomswet.
-3. Dit lid, het tweede lid alsmede de
aanduiding "-1." voor het eerste lid vervallen met ingang van 1 juli
2017.
Art. 16.
Zeer dringende
redenen [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3717; AA5390; AB1608;
AB2277; AD3420;
AD5014; AD5479;
AE4370;
AF1374;
AU0687]
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college,
gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand
verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan
die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.
§
2.3. Inlichtingenplicht en afstemming
Art. 17.
Inlichtingenplicht [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
2eNvW; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 300; Stb. 2007, 555]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3687; AA3771; AA3968;
AA4021; AA4072;
AA4136; AA4808;
AA5668; AA5738;
AA6711; AA6725;
AA7064; AA7084;
AA8239; AA8680;
AA8691; AA8926;
AA8961; AB0237;
AB0578; AB0596;
AB1261; AB2256;
AB3331; AD3773;
AD3847; AD3998;
AD6630; AD7844;
AE0154;
AE0165; AE1085;
AE1887;
AE3170; AE3721;
AE3802; AE4236;
AE4247;
AE6057;
AE6822;
AE7316;
AE9538;
AF0896;
AR7248; AT0206; AT0233;
AT0237]
-1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting
geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen
worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de
medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
van deze wet.
-3. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van
de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig
is voor de uitvoering van deze wet.
Art. 18.
Afstemming [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
NnavhV; NvW + bis;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb. 2003, 544;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 265; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322; Stb.
2012, 462] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AA3968; AA4623;
AA5881; AA6725;
AA6778; AA8961;
AB0578; AB2257;
AC1903; AD3412;
AD8414;
AD9662; AE1328;
AE2461; AE2489;
AE3147; AE3712;
AE3731;
AE3802; AE6141;
AE7520;
AF0759;
AF1409;
AP1140; AR7248; AT0233]
-1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen
af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende.
-2. Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de
verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de
belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet,
met uitzondering van artikel 17, eerste lid, waaronder begrepen het
zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel indien de
belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van
een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.¹
-3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
bedraagt.¹
-4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
verstaan het gezin.
1. Ingevolge
artikel 78g, eerste lid, treedt artikel 18,
tweede en derde lid, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f,
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel
2, eerste lid, van het Besluit van 23
december 2010, Stb. 2010, 839, treedt
artikel 18, tweede en derde lid, voor zover het betreft zelfstandigen
als bedoeld in artikel 78f, in werking met
ingang van 1 juli 2011, red.
Art.
18a. Bestuurlijke boete
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. Het college legt een bestuurlijke
boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld
in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond
van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een
benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
17,
eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel
30c, tweede en
derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel
30c,
tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college
een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het college kan afzien van het
opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een
verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de
verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, tenzij het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het college legt een bestuurlijke
boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
17, eerste lid,
of de verplichtingen, bedoeld in artikel
30c, tweede en derde lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, als gevolg
waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is
ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien
binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan
van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit
eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende is
gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. Het college kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-11. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
belanghebbende wijzigen.
HOOFDSTUK
3
Algemene
bijstand
§
3.1. Algemeen
Art. 19.
Voorwaarden [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvV(H);
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt.
2003, 242; Stcrt. 2004, 251;
Stcrt 2005, 85; Stb.
2005, 525; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2007, 118; Stcrt.
2007, 248; Stcrt. 2008, 115;
Stcrt. 2008, 252; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AB2483]
-1. Onverminderd paragraaf 2.2 heeft de
alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand, indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het
inkomen en de bijstandsnorm.
-3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte
van 5 procent van die bijstand.
-4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent,
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is.
§
3.2. Normen
Art. 20.
Jongerennormen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stcrt.
2003, 242 + bis; Stcrt.
2004, 58 + bis; Stcrt.
2004, 118 + bis; Stcrt.
2004, 251 + bis; Stb.
2005, 192; Stcrt 2005, 85
+ bis; Stcrt.
2005, 248 + bis; Stcrt.
2006, 129 + bis; Stcrt.
2006, 251 + bis; Stcrt.
2007, 118 + bis; Stcrt.
2007, 248 + bis; Stcrt.
2008, 115 + bis; Stcrt.
2008, 252 + bis; Stcrt.
2009, 117 + bis; Stb.
2009, 282; Stcrt. 2010, 250
+ bis; Stcrt.
2010, 9683 + bis; Stcrt.
2011, 23515; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237 + bis;
Stb. 2012, 322 + bis;
Stcrt. 2012, 25906] •
[Jurisprudentie: LJN
AE3732]
-1. Voor belanghebbenden jonger dan 21
jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of
20 jaar: €|228,39;
b. gehuwden waarvan beide
echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: €|456,78;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot
18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|889,37.
-2. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar
met één of meer ten laste komende kinderen is de norm per
kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ouder van 18,
19 of 20 jaar: €|492,78;
b. gehuwden waarvan beide
echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn: €|721,17;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot
18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: €|1153,76.
Art. 21.
Normen 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 58; Stcrt.
2004, 118; Stcrt. 2004, 251;
Stb. 2005, 192; Stcrt
2005, 85; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2006, 129; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 118;
Stcrt. 2007, 248; Stcrt.
2008, 115; Stcrt. 2008, 252;
Stcrt. 2009, 117; Stb.
2009, 282; Stcrt. 2010,
250; Stcrt. 2010, 9683;
Stcrt. 2010, 21336; Stcrt.
2011, 10914; Stcrt.
2011, 23515; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237 + bis;
Stb. 2012, 322 + bis;
Stb. 2012, 361; Stcrt.
2012, 25906] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0237; AU0687]
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
leeftijd is de
norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|660,98;
b. een alleenstaande ouder: €|925,37;
c. gehuwden waarvan beide
echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde
leeftijd: €|1321,96.
Art. 22.
Normen pensioengerechtigden [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 58; Stcrt.
2004, 118; Stcrt. 2004, 251;
Stb. 2005, 192; Stcrt
2005, 85; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2006, 129; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 118;
Stcrt. 2007, 248; Stcrt.
2008, 115; Stcrt. 2008, 252;
Stcrt. 2009, 117; Stb.
2009, 282; Stcrt. 2010,
250H2; Stcrt. 2010, 9683;
Stcrt. 2010, 21336; Stcrt.
2011, 10914; Stcrt. 2011,
23883; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237; Stb.
2012, 322 + bis; Stb.
2012, 361; Stcrt. 2012,
25906]
Voor
belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, is de norm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|1015,16;
b. een alleenstaande ouder: €|1277,52;
c. gehuwden waarvan beide
echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt: €|1397,30;
d. gehuwden waarvan één echtgenoot
de pensioengerechtigde leeftijd heeft
bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder ¹ doch de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: €|1397,30.
1. Volgens de redactie
dient na "ouder" te worden ingevoegd: is.
Art. 23.
Normen in
inrichting [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 58; Stcrt.
2004, 118; Stcrt. 2004, 251;
Stb. 2005, 192; Stcrt
2005, 85; Stcrt. 2005, 248;
Stb.
2005, 713; Stcrt. 2006, 129;
Stcrt. 2006, 251 + bis;
Stcrt. 2007, 118; Stcrt.
2007, 248 + bis; Stcrt.
2008, 115; Stcrt. 2008, 252
+ bis; Stcrt.
2009, 117; Stcrt. 2010, 250
+ bis; Stcrt.
2010, 9683; Stcrt. 2010,
21336 + bis; Stcrt.
2011, 10914; Stcrt. 2011,
23883 + bis; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237; Stb.
2012, 322 + bis; Stcrt.
2012, 25906]
-1. Bij een verblijf in een inrichting is de norm per
kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een
alleenstaande ouder: €|292,94;
b. gehuwden: €|455,63.
-2. Het bedrag van de norm, bedoeld in het
eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of een
alleenstaande ouder €|35,00;
b. voor gehuwden €|75,00.
-3. Indien één van de gehuwden in een
inrichting verblijft, is de norm de som van de normen die voor ieder van
hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
Art. 24.
Afwijking norm gehuwden [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AB0237; AE1887; AE8232]
Indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is
voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem
als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
§
3.3. Verhoging en verlaging
Art. 25.
Alleenstaande
(ouder) [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
NvV(H); V;
NnavhV; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 58; Stcrt.
2004, 118; Stcrt. 2004, 251;
Stb. 2005, 192; Stcrt
2005, 85; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2006, 129; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 118;
Stcrt. 2007, 248; Stcrt.
2008, 115; Stcrt. 2008, 252;
Stcrt. 2009, 117; Stb.
2009, 596; Stcrt. 2010, 250;
Stcrt. 2010, 9683; Stcrt.
2010, 21336; Stcrt. 2011,
10914; Stcrt. 2011, 23883; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237; Stb.
2012, 322; Stcrt. 2012,
25906] •
[Jurisprudentie: LJN
AA6936; AB3333; AE3712;
AE8643]
-1. Het college verhoogt de norm, bedoeld in artikel
21, onderdeel a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet,
als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met
een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk
gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een
in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag
voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in
artikel 3.18 van de Wet
studiefinanciering 2000.
-2. De toeslag bedraagt ten hoogste €|264,39 per kalendermaand.
Art. 26.
Gehuwden [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb.
2009, 282; Stb. 2009, 596;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AA8683; AD4723]
Het college kan de norm, bedoeld in artikel 20, eerste
lid, onderdeel b en c, en tweede lid, onderdeel b
en c, en artikel 21, onderdeel c,
verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van
het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld
worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in
aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor
de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel
3.18 van de Wet
studiefinanciering 2000.
Art. 27.
Woonsituatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2009, 282; Stb. 2011, 650]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3501; AA4623; AB3333;
AD3412; AD4723]
Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 20 en
21, of de
toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voor zover de
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet, als gevolg van zijn
woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Art. 28.
Schoolverlaters [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003]
Het college kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft
beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag,
bedoeld in artikel 25, gedurende zes maanden na het tijdstip van die
beëindiging lager vaststellen indien voor het onderwijs of de
beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Art. 29.
Alleenstaande van 21 of 22 jaar [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb.
2005, 525; Stb. 2009, 282;
Stb. 2011, 650]
-1. Het college kan de toeslag, bedoeld in artikel
25, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen
voor zover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon,
de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de
aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het minimumjeugdloon, bedoeld in
het eerste lid, wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende
minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verminderd met de daarover
verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel
41 van de Zorgverzekeringswet.
Art. 30.
Verordening [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvV;
NvV(H);
V; NnavhV;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2009, 282; Stb. 2009, 596;
Stb. 2011, 650] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3501; AA8683; AD4723;
AE3712; AE8643]
-1. In de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
c,
stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt
verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast
dat:
a. onverminderd de artikelen
27 en 28 de toeslag, bedoeld in artikel
25, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten
laste komende kinderen of met thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel
25, eerste lid, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft,
wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet
gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen
28 en 29, eerste lid.
-3. In de verordening worden uitsluitend verhogingen of verlagingen
vastgesteld als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 29.
-4. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de
toeslag vindt plaats onverminderd artikel 18, eerste lid.
§
3.4. Middelen
Art. 31.
Middelen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW;
A; A;
A; A;
A; A;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stcrt.
2003, 242; Stb. 2003, 526;
Stcrt.
2004, 118; Stb. 2004, 363;
Stb. 2004, 725;
Stb. 2004, 733; Stb.
2005, 115; Stb. 2005, 345;
Stb. 2005, 525; Stcrt.
2005, 248; Stb. 2005, 683;
Stb. 2005, 691; Stb.
2005, 710; Stb.
2005, 713; Stcrt. 2006, 129;
Stb.
2006, 559; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 118;
Stb. 2007, 418; Stb.
2007, 490 + bis; Stcrt.
2007, 248; Stb. 2007, 563
+ bis; Stcrt.
2008, 115; Stb. 2008, 229;
Stcrt. 2008, 252;
Stb. 2008, 565; Stb.
2008, 590; Stb. 2008, 606;
Stb. 2009, 229; Stcrt.
2009, 117 + bis; Stb.
2009, 282; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 211;
Stb.
2009, 580; Stcrt. 2010, 250;
Stcrt. 2010, 9683; Stcrt.
2010, 21336; Stb. 2011, 231;
Stb.
2011, 288;
Stcrt. 2011, 10914; Stb.
2011, 618; Stb. 2011, 647;
Stcrt. 2011, 23883;
Stb. 2011, 650; Stcrt.
2012, 13237 + bis; Stb.
2012, 322; Stb.
2012, 328; Stb. 2012, 361;
Stb. 2012, 430; Stb.
2012, 462; Stcrt.
2012, 25906] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3468;
AA3503; AA4021;
AA4624; AA6725;
AA8961; AA8962;
AA9587; AB2256;
AB2260; AB2483;
AD8171; AE2699;
AE3262;
AE3952; AE6820;
AE7159]
-1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen
gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de
middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende
door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk
geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het
gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van
een niet in de bijstand begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland
woonachtige kinderen;
c. de jonggehandicaptenkorting;
d. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen;
e. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van
de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de
tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit
tegemoetkoming buitengewone uitgaven,¹ voor, alsmede de vermindering of
teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies
volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand
wordt verleend;
g. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
f en g, van de Wet
op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt
verleend;
h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede
door hen ontvangen uitkeringen inzake
werkloosheid en arbeidsongeschiktheid,
tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
i. rente ontvangen over op grond van artikel
34, tweede lid,
onderdeel
b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
j. een een- of tweemalige premie van
ten hoogste €|2250,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het
oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
k. een kostenvergoeding voor
het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag;
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële
en immateriële schade; [RW]
m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor
materiële en immateriële schade voor
zover deze naar het oordeel van
het college uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord zijn;
n.
inkomsten
uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van €|188,00
per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een
persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt,
geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste
zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat
dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn
arbeidsinschakeling;
o. een
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a
van de Algemene nabestaandenwet;
p. de ten behoeve van een
levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de
Wet op de
loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g,
derde lid, van die
wet opgebouwde voorziening;
q.
een uitkering als bedoeld in artikel 118a,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52
of 3:10 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
r.
inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5% van deze inkomsten,
met een maximum van €|118,01 per maand,
gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover
hij algemene bijstand ontvangt, ingeval:
1º. hij de volledige zorg heeft voor een
tot zijn last komend kind tot 12 jaar;
2º. de periode van zes aaneengesloten
maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken; en
3º. dit volgens het college bijdraagt aan
zijn arbeidsinschakeling;
s. een
vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de Wet
inburgering zoals dit
luidde vóór de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 14
november 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Wet
inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de
eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Kamerstukken 33
086) nadat
dat voorstel tot wet is verheven, voor zover deze niet een vergoeding is als bedoeld in
onderdeel f;
t. tegemoetkomingen op grond van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
u. een uitkering als bedoeld in artikel
19a van de Wet maatschappelijke
ondersteuning;
v. een uitkering tot levensonderhoud
op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21
jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op
grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen
bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
w. het vrijgelaten deel van de toeslag,
uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de
Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de
Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,
vijfde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
3:44, vijfde lid, van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 97, vijfde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de
Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de
Algemene Kinderbijslagwet,
45a, vijfde lid, van
de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de
Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en ² 29, zesde lid,
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen.
-3. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert
na aftrek van:
a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of
inkomstenbelasting;
b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen dan wel
een inhouding die met één of meer van deze premies overeenkomt alsmede
de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet;
c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen
ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen;
d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte
inhoudingen.
-4. Onder het redelijkerwijs kunnen
beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het
eerste lid, wordt niet verstaan de mogelijkheid om een voorschot te
vragen op het ouderdomspensioen op grond van artikel
22, eerste lid, van
de
Algemene Ouderdomswet.
-5. Dit lid en het vierde lid vervallen,
onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vierde en vijfde
lid, met ingang van 1 juli 2017.
-6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een
inkomen. [RW]
-7. Het tweede lid, onderdeel c,
j, k, n en r, is niet van toepassing op de
persoon die jonger is dan 27 jaar.
1. Ingevolge de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is het Tijdelijk besluit
tegemoetkoming buitengewone uitgaven met ingang van 1 januari 2009 komen
te vervallen, red.
2. Volgens de redactie dient ", en" te worden vervangen
door: of.
Art. 32.
Inkomen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2005, 525; Stb.
2011, 288; Stcrt. 2011,
23515; Stb. 2011, 650;
Stcrt. 2012, 13237; Stb.
2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3546; AA4624; AA8961;
AA8962; AA9587;
AB2486; AD3427;
AE2699;
AE3939; AE6815]
-1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in
aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit
vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k,
inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van één of meer
kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot
levensonderhoud op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek,
voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting,
premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in
artikel
43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten
en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt
gedaan.
-2. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in
aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen
die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode
worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen
worden gemaakt.
-3. Indien één van de gehuwden geen recht op algemene
bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor
zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand
die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt
genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm
voor gehuwden. Voor de vaststelling van het inkomen van de
niet-rechthebbende echtgenoot is deze paragraaf van overeenkomstige
toepassing.
-4. In afwijking van het derde lid wordt,
indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het
inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking
genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat.
Art. 33.
Bijzonder
inkomen [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvW + bis;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242 + bis;
Stcrt. 2004, 251 + bis;
Stcrt. 2005, 248 + bis;
Stcrt. 2006, 251 + bis;
Stcrt. 2007, 248 + bis;
Stcrt. 2008, 252 + bis;
Stcrt. 2010, 250 + bis;
Stcrt. 2010, 21336; Stcrt.
2011, 23515; Stb. 2011,
650; Stb. 2012, 322;
Stb. 2012, 361; Stcrt.
2012, 25906] • [Jurisprudentie:
LJN AA3508;
AE3719]
-1. Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde
daarvan vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferde
bedrag.
-2. Het inkomen uit studiefinanciering
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het van
toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd
in artikel 3.18 van de Wet
studiefinanciering 2000, en, indien een toeslag als bedoeld in
artikel 3.4 of artikel 3.5 van die
wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel 3.18
van die
wet.
-3. De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op
grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de
basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die
wet.
-4. Indien de belanghebbende de woning bewoont met één of meer huurders,
onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere
algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking
genomen voor zover het college daarmee nog geen rekening heeft gehouden
bij de verhoging of verlaging van de norm, bedoeld in
paragraaf
3.3.
-5. Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één
van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt voor de vaststelling van
de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke
uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing
gelaten tot een bedrag van:
a. voor een alleenstaande en een
alleenstaande ouder: €|19,20 per
kalendermaand;
b. voor de gehuwden tezamen: €|38,40
per kalendermaand.
Art. 34.
Vermogen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 251 + bis;
Stb. 2005, 434; Stcrt.
2005, 248; Stb. 2005, 683;
Stcrt. 2006, 251 + bis;
Stcrt. 2007, 248 + bis;
Stcrt. 2008, 252 + bis;
Stb. 2009, 282; Stcrt.
2010, 250 + bis; Stcrt.
2010, 21336 + bis; Stcrt.
2011, 23883 + bis; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stcrt. 2012, 25906] • [Jurisprudentie:
LJN AA3503; AA6725;
AB0237; AB2256;
AB2260; AB2280;
AB3075; AD3427;
AD9473;
AE1353;
AE2641; AE2699;
AE3713; AE3952;
AE7159;
AE9538;
AT0206]
-1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of
het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige
schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in
het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene
bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld
in de artikelen 32 en 33.
-2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen
gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en
gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor
zover dit
minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in
het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt
ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in
artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan €|48
900,00;
e.
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede
lid, onderdeel l en m;
f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel
p.
-3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande:
€|5795,00;
b. voor een alleenstaande ouder:
€|11 590,00;
c. voor de gehuwden tezamen: €|11
590,00.
-4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die
worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend
en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien
verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het
derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:
a. bij aanvang van de bijstandverlening niet in aanmerking is genomen
op grond van het tweede lid, onderdeel b;
b. tijdens de bijstandverlening niet in aanmerking is genomen op grond
van dit lid.
HOOFDSTUK
4
Aanvullende
inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
§
4.1. Bijzondere bijstand
Art. 35.
Individuele en categoriale bijzondere bijstand [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; A;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stcrt. 2004, 251; Stb.
2005, 525; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2006, 251; Stcrt.
2007, 248; Stcrt. 2008, 252;
Stb. 2008, 592; Stcrt.
2010, 21336; Stb.
2011, 288; Stcrt. 2011,
23883; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 322; Stb.
2012, 361; Stcrt. 2012,
25906] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3611; AA3716; AA4022;
AA4131; AA4888;
AA5390; AA5397;
AA6778; AA6934;
AA7188; AA8508;
AA8962; AB0577;
AB1792; AB6634;
AD3427; AD3656;
AD3836; AD7103;
AD7123; AD7718;
AD8232;
AE0174; AE2489;
AE3712;
AE3723;
AE3724; AE3732;
AE3799; AE3803;
AE4069; AE4212;
AE4370;
AE4985;
AE6365;
AE8232;
AE8636;
AE8637;
AE9790;
AF0905;
AF1186;
AF1409;
AT0123;
AT0173;
AT0309]
-1. Onverminderd paragraaf 2.2 heeft de
alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de
alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
kinderen of het gezin ¹ niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, de
langdurigheidstoeslag, het vermogen en het
inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing
zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover
het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
-2. Het college kan bijzondere bijstand weigeren indien de in het
eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van €|127,00
niet te boven gaan.
-3. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, behorend tot een bepaalde categorie,
worden verleend, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die
persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of
gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort
aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die
leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene
bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
-4. In afwijking van het eerste lid kan
bijzondere bijstand ook aan een persoon behorend tot een categorie
chronisch zieken of gehandicapten, of met een hem ten laste komend kind
dat tot die categorie behoort, worden verleend met betrekking tot kosten
in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan
of ten behoeve van die persoon of dat kind die kosten ook daadwerkelijk
noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie
waartoe hij of dat kind behoort aannemelijk is dat die zich in
bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke
noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet
voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
-5. In afwijking van het eerste lid kan
bijzondere bijstand ook aan een persoon met een hem ten laste komend
kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt, worden verleend met
betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke participatie van
dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van dat kind die
kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten
aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich
in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke
noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet
voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
-6. In afwijking van het eerste lid kan
bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van
een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering zonder dat wordt
nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering
ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.
-7. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder bijzondere bijstand niet verstaan langdurigheidstoeslag als
bedoeld in artikel 36.
-8. voor zover de gemeente
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijzondere bijstand verhoogd met de
loonbelasting en premies volksverzekeringen.
-9. Het derde tot en met het zesde lid zijn
niet van toepassing in geval van een alleenstaande of een
gezin waarvan het in
aanmerking te nemen inkomen hoger is dan 110% van de op hem van
toepassing zijnde bijstandsnorm.
1. Volgens de redactie
dient "de
alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
kinderen of het gezin" te worden vervangen door: de alleenstaande
of het gezin.
Art. 36.
Langdurigheidstoeslag [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; A;
A; A;
A;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stcrt. 2003, 242;
Stb. 2003, 544; Stcrt.
2004, 251; Stb. 2005,
573; Stcrt. 2005, 248;
Stb. 2006, 349; Stcrt.
2006, 251; Stb. 2007, 555;
Stcrt. 2007, 248; Stb.
2008, 87; Stb. 2008, 586;
Stb. 2008, 592; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stb. 2012, 361]
-1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag
aan een persoon die ouder is dan
21 jaar maar die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt,
die
langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als
bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op
inkomensverbetering.
-2. Bij de vaststelling van het inkomen,
bedoeld in het eerste lid, wordt een eerder verstrekte
langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.
-3. Een persoon kan slechts eenmaal binnen
een periode van twaalf maanden in aanmerking komen voor een
langdurigheidstoeslag.
-4. De langdurigheidstoeslag wordt verleend
met ingang van de datum waarop de persoon langdurig een laag inkomen en
geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel
34 heeft.
-5. De artikelen 12, 43,
44, 49 en 52 zijn
niet van toepassing.
-6. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen
hoger dan 110% van de op de desbetreffende alleenstaande of gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Art.
36a. Nog niet in werking getreden. [Geschiedenis:
Stb. 2007, 289]
§
4.2. Aanpassing bedragen
Art. 37.
Nettominimumloon en consumentenprijsindex
[Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003;
Stb. 2005, 192; Stb.
2005, 525; Stb.
2005, 713; Stb. 2006, 593;
Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 647
+ bis + bis;
Stb. 2012, 361; Stcrt.
2012, 25906]
-1. In deze paragraaf wordt
onder nettominimumloon verstaan het minimumloon per maand,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag
waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken,
na aftrek van de daarvan in
te houden loonbelasting en premies volksverzekeringen.
-2. De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies
volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer die de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend
192,5% van de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag
daarover.
-3. Onder consumentenprijsindex
wordt in deze
afdeling verstaan hetgeen daaronder in artikel
13, zesde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet wordt verstaan.
-4. Met ingang van 1 juli 2012 wordt het in
het tweede lid genoemde percentage twee keer per kalenderjaar, op 1
januari en 1 juli, verlaagd met 2,5 procentpunt, tot het percentage van
100 is bereikt. Van het herziene percentage doet Onze
Minister mededeling in de Staatscourant. Dit lid vervalt met
ingang van 1 januari 2032.
Art. 38.
Aanpassing normen en bedragen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 363; Stb. 2005, 192;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 713; Stb. 2009, 282;
Stb. 2011, 647; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stb. 2012, 669]
-1. Met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in de
artikelen 21, 22 en
23, eerste lid, en het bedrag, genoemd in
artikel 25, tweede lid,
herzien met het percentage van deze wijziging.
-2. Met ingang van de dag waarop het nettominimumloon, zonder de daarin
begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, worden de bedragen,
genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
n en r, herzien met het
percentage van deze wijziging.
-3. De bedragen, genoemd in
artikel 23, tweede lid, worden herzien indien het drempelinkomen,
bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag, wordt aangepast, de percentages,
bedoeld in artikel 2 van die
wet, worden gewijzigd of het bedrag van
de standaardpremie op grond van artikel 4 van
die wet op een ander
bedrag wordt vastgesteld.
-4. Met ingang van de dag waarop de
bedragen wijzigen op grond waarvan wordt beoordeeld of een verzekerde
als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet een
kind in belangrijke mate onderhoudt als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel b, van die wet,
wordt het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid,
onderdeel h, herzien met het percentage van deze wijziging.
Art. 39.
Aanpassingen
middelen [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2006, 593; Stb. 2008, 592;
Stb. 2011, 650]
-1. Met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar worden de in artikel
33, vijfde lid, artikel 34, tweede lid, onderdeel d, en derde lid,
artikel 35, tweede lid, genoemde bedragen
herzien met de procentuele stijging van de
consumentenprijsindex.
-2. Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening
plaatsvindt, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de
Staatscourant.
HOOFDSTUK
5
Uitvoering
§
5.1. De aanvraag
Art. 40.
Woonplaats en
adresgegevens [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2012, 463] • [Jurisprudentie:
LJN AB0226; AB1019;
AE7677]
-1. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente
waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een
belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door
het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente. [BW]
[BW07]
-2. Het college verbindt aan de verlening van bijstand aan een
belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat
hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres
als bedoeld in artikel 1 van die
wet.
-3. Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het
door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn
echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene
in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat
ingeschreven, schort het college
de betaling van de bijstand op.
-4. Geen opschorting vindt plaats, indien:
a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht
op of de hoogte van de bijstand;
b. de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan
worden gemaakt;
c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig
zijn.
-5. Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld
in het derde lid, aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de
gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
opgenomen adresgegevens te doen aanpassen binnen een door het college te
stellen termijn.
-6. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken
is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de
krachtens het vijfde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het
college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het dit in
met ingang van de eerste dag waarop de betaling van de
bijstand is
opgeschort.
Art. 41.
Aanvraag bij UWV [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvW + bis;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 442; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 322; Stb.
2012, 361; Stb.
2012, 462] •
[Jurisprudentie: LJN
AT0209]
-1. De aanvraag is gericht tot het college en wordt overeenkomstig
artikel 30c van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Na de overdracht
van de aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan het
college ingevolge artikel 30c, vijfde lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder
behandeld door het college.
-2. Indien het een aanvraag betreft van andere dan algemene bijstand dan
wel van algemene bijstand aan een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft
bereikt die in een
inrichting verblijft of zonder adres is als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag
ingediend bij het college.
-3. De gemeenteraad kan, in overeenstemming met het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bij verordening categorieën van aanvragen vaststellen
die, in afwijking van het tweede lid, bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden ingediend.
-4. Een aanvraag van algemene bijstand die
alleen ziet op alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar
en gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger dan 27 jaar zijn, wordt
niet eerder ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel
44, en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het
college in behandeling genomen.
-5. Indien tot de personen voor wie
bijstand is aangevraagd één of meer personen jonger dan 27 jaar
behoren, worden documenten verstrekt die het college kunnen helpen bij
de beoordeling of die personen jonger dan 27 jaar nog mogelijkheden
hebben binnen het uit ‘s Rijks kas bekostigde onderwijs.
-6. De personen, bedoeld in het vierde lid, die recht hebben op een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet kunnen zich al
melden om bijstand aan te vragen vanaf de dag gelegen vier weken voordat
het recht op die uitkering eindigt.
-7. De documenten, bedoeld in het vijfde
lid, worden verstrekt:
a. indien het vierde lid van
toepassing is: bij de aanvraag van algemene bijstand;
b. indien het vierde lid niet van
toepassing is: binnen vier weken na de melding, bedoeld in artikel
44.
-8. Indien het vierde lid van toepassing is
in geval van een vreemdeling als bedoeld in artikel 11,
tweede of derde lid:
a. die na een verzoek van de Hoge
Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen op uitnodiging
van de Nederlandse regering in Nederland verblijft; of
b. van wie de aanspraak op
verstrekkingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers is geëindigd, omdat:
1º. een verblijfsvergunning is verleend en
naar het oordeel van het Centraal Orgaan opvang
asielzoekers passende huisvesting buiten de opvangvoorziening is
gerealiseerd; of
2º. bij vreemdelingen die een aanvraag tot
het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de
Vreemdelingenwet
2000 hebben ingediend onder een beperking verband houdend met
gezinshereniging met een asielzoeker aan wie verstrekkingen als bedoeld
in artikel 3, derde lid, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden, naar het oordeel
van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers passende huisvesting buiten
de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd;
kan het college op verzoek van die vreemdeling bij wijze van voorschot
algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening verlenen na de
melding, bedoeld in artikel 44, indien onevenredig
bezwarende individuele omstandigheden daartoe noodzaken en zolang het
recht op algemene bijstand niet is vastgesteld.
-9. Bij de toepassing van het achtste lid
is artikel 52, eerste lid, onderdeel a en b,
tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
-10. In de aanvraag verleent
belanghebbende het college een machtiging om onderzoek in te stellen
naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig
naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de
voortzetting van bijstand.
Art. 42.
Doorzending [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere
gemeente heeft plaatsgevonden en dit van oordeel is dat het evenmin de
aanvraag dient te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 40 bedoelde woonplaats, draagt het college
dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er zorg voor dat het
geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing
van het eerste lid bestaat het recht op bijstand jegens het college van
de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Kosten van bijstand verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed
door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
Art. 43.
Vaststelling
op aanvraag [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AT0209; AA9549; AC0513;
AE2489]
-1. Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag
of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
-2. De bijstand wordt door de echtgenoten gezamenlijk
aangevraagd dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van
de ander.
-3. Het college stelt het recht op bijstand ambtshalve vast indien
één van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden,
niettemin geboden is.
-4. Het college houdt, indien artikel
41, vierde lid, van toepassing is, bij de vaststelling van het recht
op algemene bijstand rekening met de houding en gedragingen van de
meerderjarige personen die ten tijde van de aanvraag van algemene
bijstand jonger dan 27 jaar zijn gedurende de vier weken na de melding,
bedoeld in artikel 44.
-5. Indien artikel 41,
vierde lid, niet van toepassing is, beoordeelt het college in ieder
geval de houding en gedragingen gedurende de vier weken na de melding,
bedoeld in artikel 44, van de meerderjarige personen
die ten tijde van de aanvraag van algemene bijstand jonger dan 27 jaar
zijn.
§
5.2. Toekenning, vaststelling en betaling
Art. 44.
Toekenning [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 600; Stb. 2011, 650;
Stb. 2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AT0209]
-1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand
bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is
ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de
belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
-2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en
woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn geregistreerd en:
a. indien artikel 41,
vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a,
en de inhoud van artikel 41;
b. indien artikel 41,
vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn
aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel
41, eerste lid, of bij het college als het een aanvraag betreft als
bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.
-3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk
indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan
het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand
wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
-4. Bij een besluit tot toekenning van
algemene bijstand voor zover dat ziet op personen van 18 jaar of ouder
doch jonger dan 27 jaar wordt, in een bijlage, een plan van aanpak
opgenomen als bedoeld in artikel 44a.
Art.
44a. Plan van aanpak [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
-1. Het plan van aanpak bevat:
a. indien van toepassing de
uitwerking van de ondersteuning;
b. de verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die
verplichtingen.
-2. Het college begeleidt een persoon die
recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van
aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan
van aanpak en stelt dit zo nodig bij.
Art. 45.
Vaststelling
en betaling [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
NvW + bis;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AD3618; AE3939]
-1. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald.
In afwijking van de eerste volzin wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de
aan die maand voorafgaande twaalf maanden of zoveel eerder als de
vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden
volgend op de maand waarin de algemene bijstand is beëindigd.
-2. Het college kan op grond van artikel 18, eerste lid, besluiten de
algemene bijstand over een andere periode als bedoeld in het eerste lid
vast te stellen of te betalen.
-3. De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de
kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de
alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de
bijstandverlening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand
ontvangt; of
b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
-4. De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de
rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk
verzoek aan één van hen voor het geheel.
-5. Ingeval van overlijden van één van de
echtgenoten, van de alleenstaande ouder, van het laatste ten laste
komende kind van gehuwden waarvan de leeftijd van één echtgenoot of
beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar is, of van het laatste ten laste
komende kind van de alleenstaande ouder, wordt de algemene bijstand tot
en met één maand na de dag van het overlijden betaald naar de op het
moment van overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm
aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen,
onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.
Art. 46.
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 586] •
[Jurisprudentie: LJN
AD4029]
-1. De bijstand is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag.
-3. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder
welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-4. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
§
5.3. Cliëntenparticipatie
Art. 47.
Verordening cliëntenparticipatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003]
De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop de
personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of hun
vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet,
waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop:
a. periodiek overleg wordt gevoerd
met deze personen of hun vertegenwoordigers;
b. deze personen of
vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen
aanmelden;
c. zij worden voorzien van de voor
een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
§
5.4. Uitvoering Sociale verzekeringsbank
Art.
47a. Taak Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stb. 2012, 361]
-1. De Sociale
verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand
in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan: [BSbW10]
[BSbW12]
a.
alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde
leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden van wie beide echtgenoten de
pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één
echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te
geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien.
-2. De artikelen 1 tot en met
6, de hoofdstukken 2 en 3, de paragrafen
5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen
79, 80 en 81 zijn van toepassing
op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale
verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Art.
47b. Invulling toepassing artikelen voor Sociale
verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322; Stb.
2012, 462; Stb.
2012, 463]
Voor de toepassing van artikel 47a, eerste
lid, wordt in de artikelen 9, met uitzondering van het
eerste lid, onderdeel b en c, 16, eerste lid, 17,
31, tweede lid, onderdeel m, 33,
vierde lid, 40, tweede tot en met zesde lid, 41,
vierde, vijfde en achtste lid, 43, eerste, derde,
vierde en vijfde lid, 44, eerste en derde lid, 48,
derde, vierde en vijfde lid, 52, eerste lid, 53a, eerste tot en met zevende
lid, 54, 55, 57,
58,
eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, 60, eerste tot
en met zesde, 60c, 62b, vierde
lid,
62e, 62f, 62g,
62h, derde lid, 63, 66,
78s, derde en vierde lid, 78t,
tweede lid, 78x, eerste lid, onderdeel b, 81, eerste en tweede lid, voor "het college"
telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.
Art.
47c. Toepassing afstemming door Sociale verzekeringsbank
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stb.
2012, 462]
-1. De Sociale
verzekeringsbank stemt de algemene bijstand als aanvullende
inkomensvoorziening ouderen en de daaraan verbonden verplichtingen af op
de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
-2. De Sociale verzekeringsbank verlaagt de
algemene bijstand ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet, met uitzondering van artikel
17, eerste lid, voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen het zich
jegens de Sociale verzekeringsbank zeer ernstig misdragen dan wel indien
de belanghebbende naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het college een gegrond
vermoeden heeft dat een belanghebbende niet voldoet aan de verplichting
tot arbeidsinschakeling dan wel niet of onvoldoende gebruik maakt van
re-integratievoorzieningen of inburgeringsvoorzieningen, stelt het de
Sociale verzekeringsbank daarvan in kennis.
-4. De Sociale verzekeringsbank
heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door
haar te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
-5. Bij de toepassing van het eerste en
derde lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
-6. Indien de Sociale verzekeringsbank naar
aanleiding van een melding als bedoeld in het derde lid toepassing heeft
gegeven aan dit artikel, stelt de Sociale verzekeringsbank het college
daarvan terstond in kennis.
Art.
47d. Specifieke bepalingen voor uitvoering door de Sociale
verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322;
Stb. 2012, 361]
-1. De artikelen 40,
eerste lid, en 62c zijn niet van toepassing
bij de uitvoering van deze wet door de Sociale
verzekeringsbank.
-2. De aanvraag voor algemene bijstand als
aanvullende inkomensvoorziening ouderen van een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, wordt ingediend bij de Sociale
verzekeringsbank.
-3. Voor algemene bijstand als
aanvullende inkomensvoorziening ouderen heeft de belanghebbende zich
gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij de Sociale
verzekeringsbank zijn geregistreerd en:
a. indien het gehuwden betreft
waarvan de echtgenoot van degene die de
pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt jonger dan 27
jaar is: de belanghebbende door de Sociale verzekeringsbank op de hoogte
is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van het tweede lid, artikel
41, vijfde en zevende lid, en artikel 43, vijfde
lid;
b. indien tot de personen voor wie
bijstand is aangevraagd geen persoon jonger dan 27 jaar behoort: hij in
staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Sociale
verzekeringsbank.
-4. Het plan van aanpak, bedoeld in artikel
44a, wordt door de Sociale verzekeringsbank vastgesteld in
overeenstemming met het college.
Art.
47e. Gegevensverstrekkingen aan en door de Sociale
verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
De artikelen 64 en 67 zijn van
overeenkomstige toepassing voor het kosteloos verstrekken van opgaven en
inlichtingen aan de Sociale verzekeringsbank die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de Sociale
verzekeringsbank op grond van dit hoofdstuk en voor het verstrekken van
gegevens door de Sociale verzekeringsbank uit de administratie voor de
uitvoering van deze taak.
Art.
47f. Overgang krediethypotheek [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
-1. Rechten en verplichtingen die
voortvloeien uit een door het college verstrekte geldlening of borgtocht
op grond van artikel 48, 50 of 78c
die op grond van artikel 47a wordt voortgezet,
gaan over op de Sociale verzekeringsbank.
-2. Vermogensbestanddelen die voortvloeien
uit een geldlening als bedoeld in het eerste lid gaan met ingang van de
datum van voortzetting van de geldlening op grond van artikel
47a over op de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor
een akte of betekening nodig is.
-3. Met betrekking tot de op grond van het
tweede lid overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te
boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die
registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe
benodigde opgaven worden door de zorg van Onze
Minister aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
-4. Ter zake van de in het tweede lid
bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
-5. Indien de Sociale verzekeringsbank het
bedrag van de geldlening of borgtocht invordert, betaalt de Sociale
verzekeringsbank aan het college, bedoeld in het eerste lid, het bedrag
van de door het college verstrekte geldlening of borgtocht of indien de
opbrengst na aftrek van kosten minder bedraagt dan het totale bedrag van
de geldlening of borgtocht, een evenredig deel van de geldlening of
borgtocht.
Art.
47g. Bestuurlijke boete [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank
legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting,
bedoeld in artikel 17, eerste lid. De bestuurlijke boete is niet lager
dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien
er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
17,
eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is
ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag,
legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten
hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid
en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een
verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, tenzij het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. De Sociale verzekeringsbank legt een
bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel
17, eerste lid,
als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand
is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag
indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van
constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit
eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete of
strafrechtelijke sanctie wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is
geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende is
gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. De Sociale verzekeringsbank kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
bestuurlijke boete van belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-11. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
belanghebbende wijzigen.
HOOFDSTUK
6
Bevoegdheden
en faciliteiten gemeenten
§
6.1. Vorm bijstand
Art. 48.
Geldlening, borgtocht en bijstand in natura [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 592; Stb. 2009, 265;
Stb. 2010, 228; Stb.
2011, 645; Stb. 2011, 650]
•
[Jurisprudentie: LJN
AB1309; AB1806; AD7123;
AD9031]
-1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om
niet.
-2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of
borgtocht, indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte
termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende
periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot bijstandverlening het gevolg is van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan;
c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom
betreft;
d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast betreft.
-3. Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een
geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere
zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en
aflossingsverplichtingen.
-4. Het college verstrekt bijzondere
bijstand als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, in
natura, tenzij dit naar het oordeel van het college leidt tot een
ondoelmatige uitvoering van dat lid.
-5. Indien de persoon aan wie bijstand in
de vorm van een geldlening wordt verleend algemene bijstand of een
uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, is het college bevoegd tot
verrekening van die geldlening met die algemene bijstand of uitkering.
Art. 49.
Schuldenlast [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2005, 339; Stb. 2006, 605;
Stb. 2010,
838]
In afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, kan het college
bijzondere bijstand verlenen:
a. in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende
tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte
mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht
noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden
door een:
1º. gemeentelijke
kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel
toezicht;
2º. een financiële
onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het
bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten
bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie
onderhoudt;
b. indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel
a
genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
Art. 50.
Eigen woning [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2011,
650; Stb. 2012, 322]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA6465; AB1309; AB2256]
-1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of
zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand
voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de
woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan
worden verlangd.
-2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op
algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een
geldlening:
a. indien de bijstand over een periode van één jaar, te rekenen vanaf de
eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer
bedraagt dan het nettominimumloon, bedoeld in artikel
37, eerste lid;
en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf
hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel
d.
Art. 51.
Duurzame
gebruiksgoederen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003] •
[Jurisprudentie: LJN
AA4268; AB0950; AB6634;
AE8232]
-1. Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame
gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of
borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
-2. Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt,
stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede
af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende.
Art. 52.
Voorschot [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2006, 712] •
[Jurisprudentie: LJN
AA9549]
-1. Het college verleent
uiterlijk binnen vier weken na de datum van aanvraag en vervolgens
telkens uiterlijk na vier weken, bij wijze van voorschot algemene bijstand
in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op algemene
bijstand niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing, indien:
a. de belanghebbende de voor
de vaststelling van het recht op algemene bijstand van belang
zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet
tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b. bij de aanvraag duidelijk
is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.
-2. De hoogte van het in het
eerste lid bedoelde voorschot bedraagt in ieder geval 90% van de
hoogte van de algemene bijstand, bedoeld in artikel
19, tweede lid.
-3. Het college is bevoegd om
bij wijze van voorschot bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van
een renteloze geldlening.
-4. Indien bijstand wordt
verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste
lid een voorschot is verleend, kan deze bijstand zonder machtiging van de
belanghebbende worden verrekend met dit voorschot.
Art. 53.
Voorschot UWV [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2010, 228;
Stb.
2011, 288]
-1. Indien algemene bijstand wordt verleend over een periode
waarover een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen of de Toeslagenwet
of een inkomensvoorziening op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten als voorschot op
grond van artikel 4:95 van de Algemene
wet bestuursrecht betaalbaar is gesteld en dit voorschot door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd, kan deze bijstand
zonder machtiging van de belanghebbende tot het bedrag van dit voorschot
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden betaald.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de gemeente
aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens de over de te
verlenen bijstand verschuldigde loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet.
§
6.2. Onderzoek, opschorten en herzien
Art. 53a. Verstrekking en onderzoek gegevens
¹ [BS] [Kamerstukken:
NvW
+ bis; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 600;
Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 463] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3968; AA7064; AA8691;
AD3773; AD9662]
-1. Onverminderd artikel 30c,
tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt het college welke
gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de
voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden
verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en
het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De
gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de
belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen
worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel
33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel
35 van die wet, alsmede uit de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een
goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel
wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties
worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden
regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties
worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing
is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties
betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2.² In aanvulling op het eerste lid kan
het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:
a. hij een belanghebbende is als bedoeld
in artikel 20 of artikel
22, aanhef en onder a of b;
b. de feitelijke woonsituatie van
hemzelf, van zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste
komende kinderen in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres
van hemzelf, zijn meerderjarige gezinsleden of van zijn ten laste
komende kinderen;
c. hij of het gezin waartoe hij behoort
de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel of
gedeeltelijk kunnen delen met een ander.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te
stellen, biedt het college bij die verzoeken de belanghebbende aan met
diens toestemming zijn woning binnen te treden.
-3.² Indien de belanghebbende niet
desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande of een alleenstaande
ouder is waarop de norm, bedoeld in artikel
20, eerste lid, of artikel 22, onderdeel a, respectievelijk
artikel 20, tweede lid, of artikel
22,
onderdeel b, van toepassing is, kent het college, onverminderd de
toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het
de uitkering overeenkomstig de volgende norm:
a. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
1º;
b. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
1º;
c. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt: de helft van de norm,
bedoeld in artikel 22, onderdeel c.
-4.² Indien de belanghebbende niet
desgevraagd aantoont dat hij een alleenstaande ouder is waarop de norm,
bedoeld in artikel 20, tweede lid, of artikel
22, onderdeel b, van
toepassing is maar hij wel heeft aangetoond dat hij één of meer tot zijn
last komende kinderen heeft, kent het college, onverminderd de toepassing
van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de
uitkering overeenkomstig de volgende norm:
a. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, onder
2º;
b. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 65 jaar bevindt: de helft van
de norm, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, onder
2º;
c. indien de belanghebbende zich in de
leeftijdscategorie van 65 jaar of ouder bevindt: de helft van de norm,
bedoeld in artikel 22, onderdeel c.
-5.² In de gevallen, bedoeld in het derde
en vierde lid, zijn de artikelen 25 en 30, tweede lid, aanhef en
onder a, niet van toepassing.
-6.² Indien de belanghebbende niet
desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
aantoont op de wijze, bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het
college de betaling van de bijstand op, niet dan nadat het college aan
de belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen
dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres,
indien daartoe niet eerder aan de belanghebbende gelegenheid is geboden.
-7.² Het college doet schriftelijke
mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij
in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres
overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel
40, vierde lid, aanhef en onder c, en zesde lid, tweede zin, zijn van overeenkomstige
toepassing.
-8.² Indien de belanghebbende niet
desgevraagd zijn situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
aantoont, zijn de artikelen 25 en 30, tweede lid, niet van
toepassing en wordt de norm overeenkomstig artikel 26 verlaagd.
-9.² Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en
volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens
die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van
bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college
besluiten tot herziening van de bijstand.
-10.² De voordracht voor een krachtens het
eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1. Ingevolge artikel
78g, eerste lid, treedt artikel 53a, voor zover het
betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f,
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip; ingevolge artikel
2, eerste lid, van het Besluit van 23
december 2010, Stb. 2010, 839, treedt artikel 53a, voor zover het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f,
in werking met ingang van 1 juli 2011, red.
2. Volgens de redactie dienen het tweede tot en met tiende lid te
worden vervangen door de volgende leden:
-2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende
verzoeken aan te tonen dat:
a. hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel
21, aanhef en onder a of b, of artikel
22, aanhef en onder a of b;
b. de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of
van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van
hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind;
c. hij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet
geheel of gedeeltelijk kan delen met een ander.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, kan het college bij
die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn
woning binnen te treden.
-3. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een
belanghebbende is als bedoeld in artikel 21, aanhef en
onder a of b, of artikel 22, aanhef en
onder a of b:
a. kent het college, onverminderd de toepassing van artikel
27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar
de helft van de grondslag, bedoeld in artikel 21,
onderdeel c, respectievelijk de helft van de grondslag, bedoeld
in artikel 22, onderdeel c;
b. wordt de belanghebbende voor de toepassing van de artikelen
9, vierde lid, en 9a niet als alleenstaande
ouder aangemerkt;
c. zijn de artikelen 25 en 30,
tweede lid, in die gevallen niet van toepassing.
-4. Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze, bedoeld in
de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de
bijstand op, niet dan nadat het college aan de belanghebbende
gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het
feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien
daartoe niet eerder aan de belanghebbende gelegenheid is geboden.
-5. Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de
belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen
dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel
40, vierde lid, aanhef en onder c, en zesde lid, tweede zin,
zijn van overeenkomstige toepassing.
-6. Indien de belanghebbende niet desgevraagd zijn situatie als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c, aantoont, zijn de artikelen
25 en 30, tweede lid, niet van toepassing en wordt
de norm overeenkomstig artikel 26 verlaagd.
-7. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en
volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens
die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van
bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college
besluiten tot herziening van de bijstand.
-8. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te
stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee
weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
Art. 54.
Onjuiste
gegevens en onvoldoende medewerking [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 600] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3555; AA3567; AA3687; AA3771; AA4808;
AA5738; AA6711;
AA6725; AA6936;
AA7084; AA8239;
AA8691; AA9382;
AB0237; AB0596;
AB1261; AB1792;
AB1797; AB2256;
AC1903; AD3773;
AD3845;
AR7248; AD5912;
AE0154; AE0165;
AE1085; AE1887;
AE3713; AE3721;
AE3802; AE4236;
AE4247;
AE6057;
AE6820;
AE6822;
AE7159;
AE7242;
AE7599;
AE9538;
AF0896;
AT0206;
AT0233; AT0237]
-1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent,
kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht
weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke
periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
en nodigt hem uit binnen een door hen ¹ te stellen termijn het verzuim te
herstellen.
-3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening
of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter
zake van
weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of
intrekken:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel
30c, tweede en derde lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende in het geval, bedoeld in het eerste lid, het
verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het
college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning
van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht
op bijstand is opgeschort.
1. Volgens de redactie
dient "hen" te worden vervangen door: het college.
§
6.3. Aanvullende verplichtingen
Art. 55.
Nadere
verplichtingen [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvW;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3968; AA8961; AB2483;
AD7718; AE4985;
AF0888;
AF1186]
Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de
bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden
worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel
44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot
arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een
bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of
beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het
zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Art. 56.
Kinderalimentatie ¹ [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Het instellen van een verzoek tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek kan door het college als verplichting aan de bijstand
worden verbonden, indien de belanghebbende hierop aanspraak heeft.
-2. Indien het college de in het eerste lid genoemde verplichting
oplegt, dient de belanghebbende zelf een verzoek ter zake in bij een bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instelling.
1. Ingevolge artikel
1, aanhef en onder b, van het Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, treedt artikel
56 in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Volgens
de redactie laat de intrekking
met ingang van 1 januari 2009 van het
Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, ingevolge artikel
VIIIa van de Intrekkingswet IWwb,
dit onverlet (zie ook bovengenoemde kamerstukken bij artikel 56).
Art. 57.
Noodzakelijke
betalingen en bijstand in natura [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; A;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003] •
[Jurisprudentie: LJN
AD3773]
Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde
besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:
a. aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan
meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke
betalingen uit de toegekende bijstand verricht;
b. de bijstand in natura verstrekken.
§
6.4. Terugvordering
Art. 58. Terugvordering
[Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW
+ bis; A;
NvV; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 525; Stb.
2009, 265; Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 462] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3543; AA3546;
AA3687;
AA3977; AA4021;
AA4072; AA4129;
AA4808; AA5668;
AA5738; AA6711;
AA6725; AA6936;
AA7084; AA8239;
AA8349; AA8506;
AA8511; AA8811;
AA9382; AA9549;
AA9587; AB0237;
AB0596; AB1261;
AB1792; AB1797;
AB2256;
AR7248; AB2260;
AB2488; AB3076;
AB3331; AC1903;
AD3845; AD4029;
AD5912; AD6630;
AD8171;
AD9031; AE1085;
AE1887; AE2699;
AE3713;
AE3721; AE4236;
AE4247;
AE4494;
AE6166;
AE6817;
AE6820;
AE6822;
AE7159;
AE7242;
AE7599;
AE8643;
AE9538;
AF0896;
AF1408; AT0206;
AT0233;
AT0237]
-1. Het college van de gemeente die de
bijstand heeft verleend, vordert de kosten van bijstand terug voor zover
de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als
gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in
artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, kan
kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:
a. anders dan in het eerste
lid, ten onrechte
of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening
voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is
vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins
onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen; of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1º. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
paragraaf 3.4 beschikt of kan
beschikken;
2º. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door
de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met
het oog op die bestemming.
-3. Indien een gemeente ingevolge artikel 42, derde lid, gehouden is
kosten van bijstand over een bepaalde periode aan een andere gemeente te
vergoeden, geschiedt de terugvordering over die periode, voor zover zij
nog niet heeft plaatsgehad, door het college van eerstgenoemde gemeente.
-4. Het college is bevoegd tot verrekening van in de
voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
-5. Bij gebreke van tijdige betaling kan de
vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking
hebbende kosten. Loonbelasting en de premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen
worden teruggevorderd voor zover deze belasting en premies niet
verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen
loonbelasting en premies volksverzekeringen.
-6. Terugvordering als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel e, vindt niet plaats indien de betreffende
kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending
van het besluit tot terugvordering.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering
als bedoeld in het eerste lid af te zien indien de persoon van wie de
kosten van bijstand worden teruggevorderd:
a. gedurende tien jaar volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende tien jaar niet volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
c. gedurende tien jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-8. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
Art. 59.
Terugvordering
gezinsleden [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW
+ bis; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 600; Stb. 2010, 228;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 322] •
[Jurisprudentie: LJN
AA6362; AA7084; AB0237;
AB0596; AB1019;
AB1792; AB2488;
AB3075; AB3331;
AD5366; AE1085;
AE1887; AE6090]
-1. Onverminderd artikel 58 kunnen kosten van
bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle
gezinsleden worden teruggevorderd.
-2. Indien de bijstand als gezinsbijstand
aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is
gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel
17 of artikel 30c, tweede en
derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van
de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf
3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden
gehouden.
-3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden
teruggevorderd.
Art. 60.
Besluit
tot terugvordering en betaling bestuurlijke boete [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2009, 265; Stb.
2009, 318; Stb. 2010, 228;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 462] •
[Jurisprudentie: LJN
AA7322; AD7523;
AE3268; AF1533;
AF1552]
-1. De persoon van wie kosten van bijstand worden
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen
te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van
belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de
bijstand, bedoeld in de artikelen 58 en 59
invorderen bij dwangbevel.
-3. Indien de persoon van wie kosten van
bijstand als bedoeld in de artikelen
58, met uitzondering van het
eerste lid, en 59 worden teruggevorderd algemene bijstand of een
uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die
kosten met die algemene bijstand of uitkering.
-4. Indien de persoon van wie kosten van
bijstand als bedoeld in artikel
58, eerste lid, worden
teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke
boete algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ontvangt, verrekent het college
die kosten en bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering.
-5. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid,
geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van
wie kosten van bijstand worden teruggevorderd.
-6. Zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid en de artikelen 18a,
achtste lid, en 47g, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de
vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij invordering van kosten van bijstand en de bestuurlijke
boete
bij dwangbevel.
-7. Terugvordering van kosten van bijstand
als bedoeld in de artikelen 58 en 59
is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek omschreven.
Art.
60a. Verrekening [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645;
Stb. 2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. Indien degene van wie de kosten van
bijstand worden teruggevorderd
dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ontvangt van het college van een andere gemeente
dan het college dat de kosten van bijstand
terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd, betaalt het
college van die andere gemeente, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van de belanghebbende, het bedrag
van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de
algemene bijstand of de uitkering op verzoek aan
het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft
opgelegd.
-2. Indien degene van wie de kosten van
bijstand worden teruggevorderd
dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de
Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
arbeid en zorg of de Toeslagenwet of
inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is
van belanghebbende, het bedrag
van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de uitkering of
de inkomensondersteuning op verzoek aan het college dat de kosten van
bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft
opgelegd.
-3. Indien degene van wie de kosten van
bijstand worden teruggevorderd
dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet,
betaalt de Sociale verzekeringsbank, zonder dat
daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag
van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de uitkering op verzoek aan het college dat de kosten
van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft
opgelegd.
-4. Indien de kosten van bijstand worden teruggevorderd dan wel een
bestuurlijke boete is opgelegd door de Sociale verzekeringsbank, is het eerste tot en
met het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Art.
60b. Verrekening bestuurlijke boete bij
recidive [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
60, vierde lid, kan de bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 18a,
vijfde lid, en 47g, vijfde lid, door het college onderscheidenlijk de
Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van
de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend worden gedurende een tijdvak
van ten hoogste drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing bij de betaling, bedoeld in artikel 60a, eerste lid, van de
bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 18a, vijfde lid, en
47g,
vijfde lid, met dien verstande dat het college van die andere gemeente,
bedoeld in artikel 60a, eerste lid, onderscheidenlijk de Sociale
verzekeringsbank de bevoegdheid heeft op verzoek van de belanghebbende
bij de verrekening de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot
en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, toe te
passen.
-3. Artikel 60, vierde lid, en het eerste
en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van
de bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 18a, eerste lid, en
47g,
eerste lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld
in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is
betaald.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van de artikelen
60,
vierde lid, en 60a, eerste lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste
lid, onverlet.
Art.
60c. Geen schuldregeling bij overtreding
informatieverplichtingen [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
Door het college wordt geen medewerking
verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door
het niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de
verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen,
bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, en hiervoor een bestuurlijke
boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet
behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond
van het Wetboek
van Strafrecht.
§
6.5. Verhaal
Art. 61.
Algemeen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 586] •
[Jurisprudentie: LJN
AD4937; AD9031;
AE3551;
AE4038]
Kosten van bijstand kunnen door het college worden verhaald in de
gevallen en naar de regels aangegeven in deze paragraaf.
Art. 62.
Onderhoudsplicht [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 586]
Kosten van bijstand kunnen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld
in Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, worden verhaald:
a. op degene die bij het ontbreken
van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of
minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige
kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet
behoorlijk nakomt;
b. op degene die zijn
onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;
c. op degene die zijn
onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens
zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend.
Art.
62a. Uitkering tot levensonderhoud [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht, bedoeld in
artikel 159a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 62, en de
omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de
maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het
geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot
welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding,
scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding
van tafel en bed zou moeten worden toegekend.
Art.
62b. Verhaal volgens rechterlijke uitspraak [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586 + bis]
-1. Indien een rechterlijke uitspraak
betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is niet wordt
nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak.
-2. De betaling van het verschuldigde
geschiedt binnen 30 dagen na bekendmaking van het besluit tot verhaal
overeenkomstig het eerste lid.
-3. Degene op wie wordt verhaald, kan
binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het
besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank.
Het verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot
onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien
tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het
verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard.
-4. Het college is bevoegd, met uitsluiting
van degene die de bijstand ontvangt, het verschuldigde bij dwangbevel in
te vorderen.
Art.
62c. Bevoegd college [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Indien degene die bijstand ontvangt of
heeft ontvangen en ten aanzien van wie door de rechter een
verhaalsbedrag verschuldigd op grond van artikel 159a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 62 is
vastgesteld zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente
en aldaar bijstand ontvangt of heeft ontvangen, gaat de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak op het college van de
andere gemeente over.
-2. Het college van de vertrekgemeente
blijft bevoegd tot tenuitvoerlegging voor zover het gaat om
betalingsachterstanden ter zake van verhaal van bijstand die door dat
college is verleend.
Art.
62d. Indexering [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Het door de rechter vastgestelde
verhaalsbedrag verschuldigd op grond van artikel 159a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 62 wordt
jaarlijks met ingang van 1 januari van rechtswege gewijzigd met het op
grond van artikel 402a van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen percentage.
-2. De toepassing van het eerste lid blijft
achterwege indien de wijziging van rechtswege bij rechterlijke uitspraak
is uitgesloten.
Art.
62e. Gewijzigde omstandigheden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Het door de rechter vastgestelde
verhaalsbedrag kan op verzoek van het college of van degene op wie
verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van
gewijzigde omstandigheden.
-2. Het college kan aan de rechter
verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak
betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter:
a. deze uitspraak zou kunnen
wijzigen op de gronden, genoemd in de artikelen 157 en 401 van dat
boek;
b. geen rekening heeft kunnen houden
met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en
omstandigheden betreffende beide partijen.
Art.
62f. Verhaal bij schenking en nalatenschap [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
Kosten van bijstand kunnen door het college worden verhaald op:
a. degene aan wie de persoon die
bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor
zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen
rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden,
tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten
tijde van de schenking de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijs
niet heeft kunnen voorzien;
b. de nalatenschap van de persoon,
indien:
1º. aan die persoon ten onrechte bijstand
is verleend en voor zover vóór het overlijden nog geen terugvordering
heeft plaatsgevonden;
2º. bijstand is verleend in de vorm van
geldlening of als gevolg van borgtocht.
Art.
62g. Mededeling verhaalsbesluit [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586 + bis]
-1. Het besluit tot verhaal op grond van
deze paragraaf, anders dan met toepassing van artikel 62b,
wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht,
medegedeeld. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden
gericht tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die
geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn
betrokken.
-2. Indien de belanghebbende niet uit eigen
beweging bereid is de verlangde gelden aan het college te betalen dan
wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, kan het college
overgaan tot verhaal in rechte.
Art.
62h. Verzoekschrift tot verhaal [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Verzoekschriften met betrekking tot
verhaal in rechte op grond van deze paragraaf, alsmede verzoeken tot
wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, worden ingediend bij
de rechtbank.
-2. Op de indiening en behandeling van het
verzoekschrift, alsmede op de procedure in hoger beroep, zijn de
artikelen 799, tweede lid, en 801 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
-3. Het college kan op grond van deze
paragraaf in rechte optreden zonder procureur.
Art.
62i. Schakelbepaling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586 + bis;
Stb.
2009, 318; Stb.
2012, 462]
De artikelen 58, vijfde lid, en 60, eerste en vijfde tot en met zevende
lid, zijn
met betrekking tot het verhaal van kosten van bijstand van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 479e,
tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.
§
6.6. Gegevensuitwisseling
Art. 63.
Inlichtingenverplichting werkgever [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2007, 555; Stb. 2009, 596]
-1. Een ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan
het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent
feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
deze wet door het college ten opzichte van een persoon te wiens behoeve bijstand is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid
verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot
de inkomsten van een persoon van wie kosten van bijstand ingevolge
paragraaf 4 ¹ worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie kosten van
bijstand ingevolge paragraaf 5 ¹ worden of kunnen worden verhaald.
-2. De opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in
een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door
het college schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
1. Volgens de redactie
dient "paragraaf 4" te worden vervangen door "paragraaf
6.4" en "paragraaf 5" door: paragraaf
6.5.
Art. 64.
Inlichtingenverplichting instanties [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvV;
NvV(H); gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 717; Stb. 2005, 345;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 691; Stb. 2006, 415;
Stb. 2006, 625; Stb.
2007, 153; Stb. 2007, 555;
Stb. 2008, 87; Stb.
2008, 197; Stb. 2008, 586;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 108; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 492;
Stb. 2009, 596; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618]
-1. De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het
college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de
verlening van bijstand, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van deze wet door het college:
a. het college van andere gemeenten;
b. het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de Sociale
verzekeringsbank;
c. de belastingdienst;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in
artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit,
bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen
1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake
vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van
uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking
van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op
grond van de Handelsregisterwet
2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de
zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. de Belastingdienst/Toeslagen
betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
i. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, dan wel, voor zover het betreft het onderwijs
of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, betreffende de toepassing van de
Wet
studiefinanciering 2000, de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
betreffende de
omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de
ondernemer in de agrarische sector;
k. Onze Minister van Veiligheid en
Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen
of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
l. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening
energie en water leveren;
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
o. de geneesheer-directeur, bedoeld
in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
p. Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing
van de Wet inburgering.
-2. De geneesheer-directeur, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel o, verstrekt slechts opgaven en
inlichtingen, indien:
a. deze noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van artikel 13, derde lid, laatste zin; en
b. deze betrekking hebben op:
1º. de opneming;
2º. het ontslag;
3º. het verleende verlof; of
4º. het ingetrokken verlof.
-3. Het vragen door het college en het verstrekken door de in
het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde
opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. [BIg]
-4. Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast,
zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het
nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kosteloos alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-5. De in het eerste en het vierde lid bedoelde verplichtingen strekken
zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van bijstand worden of
kunnen worden teruggevorderd ingevolge paragraaf 4
¹ of op wie deze worden
of kunnen worden verhaald ingevolge paragraaf 5
¹;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van
wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd
ingevolge paragraaf 4 ¹ of op wie deze worden of kunnen worden verhaald
ingevolge paragraaf 5 ¹.
-6. De in het eerste lid en het vierde lid bedoelde opgaven en
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-7. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties
treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een
regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder
aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent het derde lid en de inhoud en vormgeving van de in het
zevende lid bedoelde regelingen. [BIg] [BS]
-9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen één of meer van de in het
eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan
het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het
Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op
dat moment nog onbekende personen opslaan. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze
en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen. [BIg]
[BS]
-10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en
personen dan genoemd in het eerste en het vierde lid worden aangewezen
voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met achtste lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en
opgaven. [BS]
-11. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tiende lid,
kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt
jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
-12. Onze Minister van Veiligheid en
Justitie verstrekt
ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de
persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige
opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op
bijstand, aan het college, of, indien het college aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van
besluiten inzake de verlening van bijstand, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij
hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken
daarvan, het sociaal-fiscaal nummer.
1. Volgens de redactie
dient "paragraaf 4" te worden vervangen door "paragraaf
6.4" en "paragraaf 5" door: paragraaf
6.5.
Art. 65.
Geheimhoudingsplicht [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
2eNvW; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige
werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van
een ander blijkt of wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de
uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is
voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing,
indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft
verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te
hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke
personen.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen
desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de
persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig
wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van de artikelen 63 tot en met
68 gegevens
verstrekt, dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden
verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te
verkrijgen.
Art. 66.
Vermoeden
misdrijf [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
2eNvW; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
Het college is verplicht indien het bij de uitvoering van deze wet het
gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele
van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan,
voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van
verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan
hiervan in kennis te stellen.
Art. 67.
Inlichtingenverplichting gemeenten [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 717; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 691;
Stb. 2006, 415; Stb.
2006, 625; Stb. 2007, 555;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 492; Stb. 2010,
350; Stb. 2010, 840;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618;
Stb. 2011, 645; Stb.
2011, 650]
-1. Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd,
onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet
2000, uit de
administratie ter zake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder
vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen,
bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en
34, eerste lid,
onderdeel a, van die wet;
b. de belastingdienst voor de
heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de
sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2,
onderdeel a en c, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke
bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet
en de Belastingdienst/Toeslagen voor de
uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze
wet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het College
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit,
bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van artikelen
1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet
of van de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten voor de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend
algemeen belang;
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor de
vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h. Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de uitvoering van de Wet
inburgering;
i. Onze
Minister van Veiligheid en Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
-2. Het verstrekken door het college aan de
in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde
gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
-3. De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats
indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor
onevenredig wordt geschaad.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval
gegevens dienen te worden verstrekt. [BS]
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan
genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.
Art. 68.
Burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, sociaal-fiscaal
nummer [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2009, 108]
-1. In de administratie van de gemeente en van het
Inlichtingenbureau ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de
belastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van gegevens door het college, het
Inlichtingenbureau en de in de artikelen 64 en 67 bedoelde instanties
wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit
burgerservicenummer, onderscheidenlijk dit sociaal-fiscaal nummer. Derden die in het kader van de uitoefening van
beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen,
gebruiken het burgerservicenummer, onderscheidenlijk het sociaal-fiscaal
nummer, slechts voor zover dat noodzakelijk
is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en het
tweede lid, worden uitgevoerd.
-3. Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer
bij het ontbreken van het burgerservicenummer kan Onze
Minister van Financiën aan personen die algemene bijstand ontvangen
een sociaal-fiscaal nummer toekennen indien aan die personen nog geen
sociaal-fiscaal nummer is toegekend.
HOOFDSTUK
7
Financiering,
toezicht en informatie
§
7.1. Financiering
Art. 69.
Uitkering en verdeling onder
de gemeenten [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; NvW
+ bis; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2005, 525; Stb. 2007,
289; Stb. 2008, 588;
Stb. 2008, 592; Stb.
2009, 282; Stb. 2009, 592;
Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 618; Stb.
2011, 645 + bis; Stb.
2011, 650]
-1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten
laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college
van middelen te voorzien met het oog op het toekennen van:
a. algemene bijstand;
b. uitkeringen, bedoeld in de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
en voor de daarbij verschuldigde
loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die daarover verschuldigd zijn.
-2. Bij wet wordt het totale bedrag dat
beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid,
vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het
desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van
alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering,
bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van
gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling. [BW]
[BW07]
-4. De uitkering aan het college wordt ten
minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij
betrekking heeft door Onze Minister bekendgemaakt.
-5. Mede ten behoeve van de kosten van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
a, niet zijnde
uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de Wet
participatiebudget.
Art. 70.
Vervallen. [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; NvW
+ bis; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 312; Stb. 2008, 588]
Art. 71.
Aanpassing uitkering [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 733; Stb. 2008, 588;
Stb. 2011, 442]
-1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de
uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in
het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet
aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens.
-2. Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt
aangepast binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Minister
vastgesteld.
Art. 72.
Vervallen. [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvV(H); V;
NnavhV; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 588; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 618]
Art. 73.
Toetsingscommissie Wet werk en
bijstand [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2011,
442]
-1. Er is een toetsingscommissie Wet werk
en bijstand, die tot taak heeft Onze Minister
te adviseren over een te
nemen besluit naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel
74,
eerste lid.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling,
de taakuitoefening en oordeelsvorming door de toetsingscommissie Wet
werk en bijstand. [BW]
[BW07]
Art. 74.
Incidentele of meerjarige
aanvulling op uitkering [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
A; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2004, 733; Stb. 2008, 588;
Stb.
2009, 318; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 618 + bis;
Stb. 2011, 650]
-1. Indien de verstrekte uitkering op
grond van artikel 69 onvoldoende dekking biedt voor de
nettolasten van
het toekennen van algemene bijstand of uitkeringen als bedoeld in artikel
69, eerste lid, kan door Onze Minister
op verzoek van het college een incidentele of meerjarige
aanvullende uitkering worden verleend.
-2. Jaarlijks wordt bij wet het bedrag dat
besteed kan worden aan aanvullende uitkeringen als bedoeld in het eerste
lid vastgesteld, dat geen deel uitmaakt van het bedrag, bedoeld in
artikel 69, tweede lid.
-3. Een verzoek als bedoeld in het eerste
lid wordt door het college ingediend bij de toetsingscommissie Wet werk
en bijstand.
-4. Onze Minister kan voorwaarden
verbinden aan het besluit tot verlening van een meerjarige aanvullende
uitkering.
-5. Onze Minister kan:
a. bepalen dat een meerjarige aanvullende
uitkering wordt verminderd indien hij het college een aanwijzing heeft
gegeven als bedoeld in artikel 76, eerste lid;
b. een verleende meerjarige aanvullende
uitkering verminderen of intrekken indien het college in strijd handelt
met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de meerjarige
aanvullende uitkering, of met een voorwaarde die aan het besluit tot
verlening van een meerjarige aanvullende uitkering is verbonden dan wel
indien hij het college een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in
artikel 76, eerste lid.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor: [BW]
[BW07]
[RW]
a. de gronden voor verlening van de
aanvullende uitkering;
b. de berekening van de hoogte van de
uitkering;
c. de voorwaarden die aan het verzoek
worden gesteld;
d. de wijze van beoordeling van het
verzoek door de toetsingscommissie Wet werk en bijstand;
e. de toepassing van het vijfde lid.
-7. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld voor de termijn waarbinnen een verzoek kan worden
ingediend en de termijn waarbinnen op dat verzoek wordt beslist
Art.
74a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2009, 318; Stb. 2011, 442]
Art. 75.
Betaling
uitkeringen, aanpassing uitkering en aanvullende uitkering [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 588; Stb.
2009, 318]
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de betaling van:
[RW]
a. de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 wordt
aangepast;
c. de incidentele aanvullende uitkering en de meerjarige
aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
74.
§
7.2. Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders
Art. 76.
Aanwijzing en voorzieningen [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2007,
551; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 618; Stb.
2011, 645; Stb. 2011, 650]
-1. Onze Minister kan, indien hij met
betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige
tekortkomingen vaststelt, aan het college, nadat het college gedurende
acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de
besluitvorming inzake individuele gevallen.
-2. In de aanwijzing wordt een termijn
opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft
gebracht met de aanwijzing.
-3. Onze Minister schort de betaling van
de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, gedurende ten minste
drie maanden op indien Onze Minister met betrekking tot de rechtmatige
uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld als
bedoeld in het eerste lid, in artikel 52 van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en in
artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, totdat:
a. hij heeft vastgesteld aan de hand van
de zienswijze van het college dat de ernstige tekortkomingen zijn
opgeheven;
b. hij heeft vastgesteld dat het college
aan de in de aanwijzing opgenomen verplichtingen heeft voldaan;
c. hij heeft geoordeeld dat het college
na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, geen of onvoldoende
gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing.
-4. Onze Minister stelt, indien hij van
oordeel is dat het college na afloop van de termijn, bedoeld in het
tweede lid, geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de aanwijzing,
bedoeld in het eerste lid, in artikel 52 van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of in
artikel 52 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerste lid, voor het
jaar volgend op het jaar waarin de termijn afloopt 1 procent lager vast.
-5. Onze Minister stelt, indien hij van
oordeel is dat het college twaalf maanden na afloop van de termijn,
bedoeld in het tweede lid, nog geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven
aan de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, de uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerste lid, voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin
de termijn afloopt en de daaropvolgende jaren telkens ten hoogste 3
procent lager vast.
Art.
76a. Toezicht door gemeenten [Kamerstukken:
Stb. 2007, 551]
Met het toezicht op de naleving van
deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen
ambtenaren.
§
7.3. Informatie
Art. 77. Informatie ten behoeve van uitkering en uitvoeringsbeeld
[Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; NvW
+ bis; A;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003; Stb.
2008, 312; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 618]
-1. Het college verstrekt de informatie
ten behoeve van de vaststelling en de verdeling van de uitkering,
bedoeld in artikel 69, tweede en derde lid, op de wijze, bedoeld in
artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, waarbij
slechts hoeft te blijken dat de verantwoorde
bestedingen en baten een getrouw beeld geven van de omvang daarvan.
-2. Het college dient jaarlijks bij Onze
Minister een beeld van de uitvoering in.
-3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering. [RW]
Art. 78.
Informatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT; NvW + bis;
A; gVvW
| Geschiedenis: versie
9 oktober 2003; Stb. 2008,
312; Stb. 2011, 442]
-1. Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister
gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek,
informatievoorziening en beleidsvorming met betrekking tot deze wet
nodig heeft.
-2. De gegevens en inlichtingen, bedoeld
in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel
77, worden kosteloos verstrekt.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de soort informatie die het
college verstrekt en de wijze waarop het college de gegevens en
inlichtingen verzamelt en verstrekt, waarbij kan worden bepaald dat
categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te
verzamelen en te verstrekken. [RsWII]
[RsWII13]
[RsWIIW]
HOOFDSTUK
7A
Overgangsrecht
Art.
78a. Toeslagenverordening [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
De verordening, bedoeld in artikel 38 van de Algemene
bijstandswet, geldt als de verordening, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel c.
Art.
78b. Omzetting besluiten [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Door het college op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen
genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van
deze wet.
-2. In afwijking van het eerste lid gelden
door het college op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die een
uitkering ontvangen op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
genomen besluiten als door hem genomen besluiten op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
-3. Door het college of Onze
Minister op grond van de Invoeringswet Wet
werk en bijstand genomen besluiten gelden met ingang van de dag van
inwerkingtreding van de Wet van 29 december 2008
tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb.
2008, 586) als door het college of Onze Minister genomen besluiten op
grond van deze wet.
Art.
78c. Krediethypotheek [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
Artikel 20 van de Algemene
bijstandswet en artikel 4, vierde lid,
laatste zin, van de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet, zoals die luidde op 31 december 2003, blijven
van toepassing op bijstand die op 31 december 2003 werd verleend met
toepassing van die artikelen.
Art.
78d. Gesubsidieerde arbeid [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
4 van de Wet inschakeling werkzoekenden,
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van die wet en een dienstbetrekking
als bedoeld in artikel 6 van het Besluit
in- en doorstroombanen gelden als een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a.
-2. Op dienstbetrekkingen als bedoeld in de
Wet inschakeling werkzoekenden blijft titel 10
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek alsmede de artikelen 4,
tweede, zesde en zevende lid, en 11, aanhef
en onder a, van de Wet inschakeling
werkzoekenden van toepassing. Op deze dienstbetrekkingen is artikel
134, tweede lid, van de Ambtenarenwet
niet van toepassing.
Art.
78e. Bezwaar- en beroepschriften [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. Op een bezwaar- of beroepschrift dat:
a. vóór of op 31 december 2003 is
ingediend tegen een door het college op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen
genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is
beslist;
b. na 31 december 2003 is ingediend
tegen een op grond van de in het eerste lid bedoelde wetten of het
Besluit in- en doorstroombanen met toepassing van artikel
2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk
en bijstand, na 31 december 2003 genomen besluit en waarop nog niet
onherroepelijk is beslist op het tijdstip dat de bepaling vervalt op
grond waarvan het besluit is genomen;
c. na 31 december 2003 is ingediend
en betrekking heeft op bijstandverlening waarop op grond van artikel
12, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk
en bijstand de Algemene bijstandswet van toepassing is;
wordt beslist met toepassing van onderscheidenlijk de Algemene
bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en
doorstroombanen.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op verzoeken als bedoeld in artikel 140
van de Algemene bijstandswet en verzoeken
om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel
8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
-3. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór
of op de dag van inwerkingtreding van de Wet van
29 december 2008 tot intrekking van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Stb. 2008, 586) is ingediend tegen een door het
college of Onze Minister op grond van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand genomen besluit en waarop op die datum nog niet
onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van deze wet.
Art.
78f. Grondslag Bbz 2004
[Bbz04] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586; Stb.
2009, 282; Stb. 2010, 228;
Stb. 2011, 442; Stb.
2011, 650]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan
zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en
voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in
verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking
gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden,
waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10,
11, 32, 34, 40,
41, 45, 58, 69,
77
en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.
Art.
78g. Zelfstandigen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. De artikelen 18,
tweede en derde lid, en 53a treden, voor zover
het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f,
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. De artikelen 14
tot en met 14f, 66 en 142a
van de Algemene bijstandswet, voor zover
het betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f,
vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-3. Waar in artikel 14,
eerste lid, van de Algemene bijstandswet
wordt verwezen naar de artikelen 8, zesde lid,
onderdeel b, en 112 van die
wet, wordt in plaats van die artikelen gelezen: artikel
2, derde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel
38 van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
Art.
78h. Bijstand buitenland [Geschiedenis:
Stb. 2008, 586]
-1. De Sociale
verzekeringsbank kan de verlening van bijstand aan een Nederlander
die zich in het buitenland bevindt, voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in december 1995
bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel
95 van de Algemene bijstandswet, welke
bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de
periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 1995
bijstand ontving op grond van artikel 82 van de
Algemene bijstandswet, welke bijstand in
die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na die
datum opnieuw bijstand aanvraagt.
-2. De in het eerste lid bedoelde bijstand
wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke
kosten van het bestaan ter plaatse.
-3. De artikelen van deze wet zijn niet van
toepassing voor zover de omstandigheden het toelaten, met uitzondering
van hoofdstuk 2 en de paragrafen 6.1
tot en met 6.5, met dien verstande dat de Sociale verzekeringsbank
in de plaats treedt van het college.
-4. Zodra ten minste 26 weken zijn
verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste
lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het desbetreffende geval
niet langer van toepassing.
-5. In de middelen tot dekking van de
uitgaven verbonden aan de uitvoering van dit artikel wordt voorzien door
een rijksbijdrage aan de Sociale verzekeringsbank.
-6. Op de uitgaven, bedoeld in het vijfde
lid, komen in mindering de bedragen die door de Sociale verzekeringsbank
op grond van deze wet zijn ontvangen door terugvordering.
-7. Een nog niet afgehandeld en tot Onze
Minister gericht verzoek om op grond van artikel
6 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand
een besluit te nemen, wordt vanaf 1 januari 2009 beschouwd als te zijn
gericht tot de Sociale verzekeringsbank.
-8. Bezwaren en beroepen die zijn of worden
ingesteld tegen een besluit genomen op grond van artikel
6 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand
gelden vanaf 1 januari 2009 als bezwaren en beroepen gericht tot de
Sociale verzekeringsbank.
Art.
78i. Overgang besluiten in verband met uitvoering Sociale
verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
-1. Een besluit van het college tot
verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, dat is genomen vóór de datum van
inwerkingtreding van paragraaf 5.4 geldt met ingang
van die datum als genomen door de Sociale
verzekeringsbank op grond van paragraaf 5.4.
-2. De toepassing van paragraaf
5.4 in relatie tot besluiten als bedoeld in het eerste lid gaat na
de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over
op de Sociale verzekeringsbank.
-3. Een tot het college gericht verzoek
door een persoon als bedoeld in artikel 47a,
eerste lid, om een besluit te nemen, waarop op de datum van
inwerkingtreding van paragraaf 5.4 nog niet is
beslist, geldt met ingang van die datum als te zijn gericht tot de
Sociale verzekeringsbank.
Art.
78j. Overgangsrecht vorderingen in verband met uitvoering
Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
-1. Het college dat vóór de datum van
inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van
een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste
lid, een vordering heeft in verband met terugvordering of verhaal van
kosten van bijstand anders dan in verband met het recht op algemene
bijstand, waarop artikel 78i van toepassing
is, blijft, indien die vordering nog niet geheel is voldaan, bevoegd die
vordering te innen.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf
5.4 verstrekte geldlening of borgtocht op grond van artikel
48, 50 en 78c aan een
persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste
lid.
Art.
78k. Overgang krediethypotheek in verband met uitvoering
Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
-1. Rechten en verplichtingen die
voortvloeien uit een door het college vóór de datum van
inwerkingtreding van paragraaf 5.4 verstrekte
geldlening of borgtocht op grond van artikel 48, 50
en 78c aan een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, die na die datum wordt voortgezet, gaan over
op de Sociale verzekeringsbank.
-2. Vermogensbestanddelen die voortvloeien
uit een geldlening als bedoeld in het eerste lid gaan met ingang van de
datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4 over op
de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een akte of betekening
nodig is.
-3. Met betrekking tot de ingevolge het
tweede lid overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te
boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die
registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe
benodigde opgaven worden door de zorg van Onze
Minister aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
-4. Ter zake van de in het tweede lid
bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
Art.
78l. Overgangsrecht bezwaar en beroep in verband met
uitvoering Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
-1. Het college dat vóór de
inwerkingtreding van paragraaf 5.4 ten aanzien van
een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste
lid, een besluit in verband met de verlening van algemene bijstand heeft
genomen waartegen een bezwaarschrift is ingediend dan wel nog kan worden
ingediend, blijft bevoegd op het bezwaar te beslissen.
-2. In een geding in beroep en hoger beroep
gericht tegen een besluit ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, genomen vóór de inwerkingtreding van paragraaf
5.4 of gericht tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid,
blijft het college partij en voor het college staat hoger beroep in
verband met deze besluiten open.
-3. Onverminderd het eerste en tweede lid
kan de Sociale verzekeringsbank in een
bestuursrechtelijk geding tussen het college en een persoon, bedoeld in artikel
47a, eerste lid, in de plaats van het college treden, zonder
dat daarvoor een betekening nodig is en met overneming van
procureurstelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde,
indien de Sociale verzekeringsbank vóór de inwerkingtreding van paragraaf
5.4 mandaat is verleend door het college ten aanzien van besluiten
over de verlening van algemene bijstand aan personen als bedoeld in artikel
47a, eerste lid.
Art.
78m. Overgangsrecht gelijkstelling voormalige pleeg- en
stiefkinderen aan eigen kinderen [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 650; Stb. 2012, 322]
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4,
tweede lid, zijn niet van toepassing indien vóór 1 januari 2010 op grond van artikel 11 recht
bestaat op bijstand voor gehuwden, omdat de ongehuwde
bijstandsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een
meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is
aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op bijstand bestaat, tenzij
toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere
bijstandsuitkering.
Art.
78n. Overgangsrecht verrekening in verband met uitvoering
Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
Indien het college vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf
5.4 ten aanzien van een persoon als bedoeld in artikel
47a, eerste lid, een vordering heeft waarop artikel
78j van toepassing is en die persoon een uitkering op grond
van die paragraaf ontvangt, betaalt de Sociale
verzekeringsbank, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college ter verrekening van die
vordering aan dat college.
Art.
78o. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
Art.
78p. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2011, 650]
Art.
78q. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
Art.
78r. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
Art.
78s. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
Art.
78t. Overgangsrecht intrekking Wet investeren in jongeren
[Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
-1. Door het college op
grond van de Wet investeren in jongeren genomen
besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
-2. Onverminderd artikel 78s
brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen zes
maanden na de inwerkingtreding van de Wet van
22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011,
650) in overeenstemming met deze wet, voor zover die besluiten afwijken
van deze wet.
-3. In afwijking van het tweede lid blijft
het besluit inhoudende dat een jongere een werkleeraanbod wordt gedaan,
gelden voor de duur van het werkleeraanbod, doch niet langer dan zes
maanden na de inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot
wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren gericht op
bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011, 650).
-4. Op een aanvraag voor een werkleeraanbod
of een inkomensvoorziening waarop niet is beslist vóór de datum van
inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de
Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren
in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden
(Stb. 2011, 650) wordt beslist met toepassing van deze wet,
waarbij artikel 41, vierde tot en met negende lid, en artikel
43, vierde lid, buiten toepassing blijven.
-5. Op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór
of op de datum van inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2011 tot
wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011, 650) is ingediend tegen een
door het college op grond van de Wet investeren in jongeren genomen
besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt
beslist met toepassing van de Wet investeren in jongeren.
Art.
78u. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
Art.
78v. Verordening betreffende bijzondere bijstand [Geschiedenis:
Stb. 2011, 650]
Artikel 8, eerste lid, onderdeel g, en tweede
lid, onderdeel d, vervallen op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Art.
78w. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2012, 322]
Art.
78x. Recht op bijstand vóór datum melding [Geschiedenis:
Stb.
2012, 322]
-1. Aan een persoon:
a. die zich tussen 26 april 2012 en
twee maanden na publicatie van de Wet
afschaffing huishoudinkomenstoets in het Staatsblad heeft
gemeld om bijstand aan te vragen; en
b. van wie het college heeft
vastgesteld dat hij als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet
afschaffing huishoudinkomenstoets recht heeft op bijstand;
wordt die bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan
en kan deze dag, in afwijking van artikel 44, eerste
lid, liggen vóór de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld, doch
niet vóór 1 januari 2012.
-2. Op de persoon, bedoeld in het eerste
lid, is artikel 41, vierde lid, niet van toepassing.
Art.
78y. Uitbetaling door Sociale verzekeringsbank aan het college
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 322]
Indien als gevolg van inwerkingtreding van de Wet
afschaffing huishoudinkomenstoets het college ten aanzien van
belanghebbende over een periode een vordering heeft met betrekking tot
kosten van algemene bijstand en als gevolg van inwerkingtreding van die
wet die belanghebbende over diezelfde periode recht op algemene
bijstand heeft jegens de Sociale verzekeringsbank, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de
belanghebbende, op verzoek van het college uit die bijstand het bedrag
van die vordering uit aan het college.
HOOFDSTUK
8
Slotbepalingen
Art. 79.
Begrip besluit [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3687; AB3333; AF1533;
AF1552]
Voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een
handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening
of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die
afwijkt van dat besluit.
Art. 80.
Cassatie [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of
verkeerde toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, en de
daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in
cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad
van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Art. 81.
Onverwijlde
bijstand [Kamerstukken:
VvW;
MvT; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Ingeval het college geen of ontoereikend toepassing heeft gegeven
aan artikel 52, kan de voorzitter van gedeputeerde
staten, indien naar
zijn oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op
verzoek van de belanghebbende besluiten dat het college algemene
bijstand verleent.
-2. De beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten
vervalt
zodra de beslissing van het college inzake de verlening van algemene
bijstand onherroepelijk is geworden dan wel de rechtbank op het beroep
heeft beslist. De beslissing vervalt eveneens met ingang van de datum
waarop een door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen
voorlopige voorziening in werking treedt.
-3. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt bij wijze van voorschot
verleend in de vorm van een renteloze geldlening.
Art. 82.
Goede
uitvoering [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
NvV; NvV(H);
V; NnavhV;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien de spoed dat
vereist, regels worden gesteld die noodzakelijk zijn in verband met de
goede uitvoering van de wet.
-2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
-3. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het eerste lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet
tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de
Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien één van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel
niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld
ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene
maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding
van die wet.
Art. 83.
Innovatie [TbbaaoW] [Kamerstukken:
VvW;
MvT;
V; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met
het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking
tot de arbeidsinschakeling en de financiering doeltreffender uit te
voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
6 tot en met 10, 31, tweede lid, en paragraaf
7.1. Bij toepassing van de
eerste volzin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke
wijze en gedurende welke periode van welke artikelen van de wet wordt
afgeweken.
-2. Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste drie
jaar. Indien, vóór een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is
ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een
structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden verlengd tot
het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. De tweede
volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
-3. Onze Minister kan op hun verzoek
gemeenten aanwijzen die deelnemen
aan een experiment. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van deze
bevoegdheid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van een experiment en voorzieningen worden
getroffen voor zich gedurende een experiment voordoende onvoorziene
gevallen.
-5. Onze Minister zendt uiterlijk drie maanden vóór het einde van een
experiment aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van het experiment in de praktijk alsmede een standpunt
inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Indien een
experiment eerder wordt beëindigd dan oorspronkelijk beoogd, zendt Onze
Minister, in afwijking van de eerste volzin, uiterlijk twee maanden na
de beëindiging van dat experiment een verslag als bedoeld in de eerste
volzin aan de Staten-Generaal.
-6. De voordracht voor krachtens dit artikel vast te stellen algemene
maatregelen van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat
het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art. 84.
Evaluatie [Kamerstukken:
VvW;
V; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Art. 85.
Inwerkingtreding [Kamerstukken:
VvW;
V;
NnavhV; NvW + bis;
gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.¹ In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel
16 van de Tijdelijke referendumwet.²
1. Bij Besluit
van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2004,
met dien verstande dat:
a. de artikelen 8, eerste lid,
onderdeel a en b, en tweede lid, 8a,
9, 10, 17,
47 en 55 en, voor zover het niet betreft zelfstandigen als
bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand,
artikel 18, tweede en derde lid, in werking treden met ingang van 1 januari
2005;
b. de artikelen 56, 61 en
62 en, voor zover het betreft zelfstandigen
als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, de
artikelen 18, tweede en derde lid, en 53a in werking treden op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, red.
2. Ingevolge van artikel 171, eerste lid, van de Tijdelijke
referendumwet (Stb. 2001, 388) is die wet met ingang van 1
januari 2005 komen te vervallen, red.
Art. 86.
Citeertitel [Kamerstukken:
VvW; gVvW | Geschiedenis:
versie 9 oktober 2003]
Deze wet wordt aangehaald ¹: Wet werk en bijstand.
1. Volgens de redactie
dient na "aangehaald" te worden ingevoegd: als.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
9 oktober 2003
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
Uitgegeven de tiende
oktober 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
MEMORIE VAN TOELICHTING
en overige kamerstukken / Wwb
kort bestek
|
|