|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 960
Invoering van de Wet
werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand)
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot
invoering van de Wet werk en bijstand (Invoeringswet
Wet werk en bijstand).
De memorie van
toelichting, die het
wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
’s-Gravenhage, 7 juni 2003
BEATRIX
Inhoudsopgave
IWwb
| Hoofdstuk
1 |
Definities |
art.
1 |
| Hoofdstuk
2 |
Overgangsrecht |
artt.
2 - 22 |
| Hoofdstuk
3 |
Wijziging
van andere wetten |
artt.
23 - 68 |
| §
3.1x |
Sociale
Zaken en Werkgelegenheid |
artt.
23 - 40 |
| §
3.2x |
Justitie |
artt.
41 - 47 |
| §
3.3x |
Economische
Zaken |
art.
48 |
| §
3.4x |
Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
artt.
49 - 50 |
| §
3.5x |
Binnenlandse
Zaken |
artt.
51 - 57 |
| §
3.6x |
Defensie |
artt.
58 - 59 |
| §
3.7x |
Financiën |
artt.
60 - 62 |
| §
3.8x |
Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen |
artt.
63 - 65 |
| §
3.9x |
Volksgezondheid,
Welzijn en Sport |
artt.
66 - 68 |
| Hoofdstuk
4 |
Overige
en slotbepalingen |
artt.
69 - 73 |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxx| |
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de invoering van de Wet werk en bijstand en enkele daarmee
samenhangende onderwerpen te regelen, zulks onder intrekking van de
Algemene bijstandswet, de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet, de Wet inschakeling
werkzoekenden, de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz en het Besluit in- en
doorstroombanen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
Art.
1 [1].
Begripsbepalingen [MvT]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Peildatum: de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
de Wet werk en bijstand;
c. Algemene bijstandswet: de
Algemene bijstandswet zoals deze luidde op de peildatum;
d. Wet inschakeling werkzoekenden: de Wet inschakeling werkzoekenden
zoals deze luidde op de peildatum;
e. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz: de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz zoals deze luidde op de peildatum;
f. Besluit in- en doorstroombanen: het Besluit in- en doorstroombanen
zoals dit luidde op de peildatum;
g. Ioaz: de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
h. Ioaw: de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
i. college: het college van burgemeester en wethouders,
bedoeld in de artikelen
10 [10], derde lid, en 40
[40], eerste lid,
van de
Wet werk en bijstand.
HOOFDSTUK
2
Overgangsrecht
Art.
2
[2].
Intrekking wetten
en besluit [MvT]
-1. De
Algemene bijstandswet, de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden,
de
Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz en het Besluit in- en doorstroombanen
worden ingetrokken.
-2. Voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan van de in het eerste lid genoemde wetten of het
Besluit in- en doorstroombanen kan bij koninklijk besluit het tijdstip
waarop deze vervallen verschillend worden gesteld.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor de gevolgen van de toepassing van het tweede
lid, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van de in dat lid bedoelde
artikelen of onderdelen daarvan.
Art.
3
[3].
Toeslagenverordening [MvT]
De verordening, bedoeld in
artikel 38 van de
Algemene bijstandswet, geldt als de verordening, bedoeld in artikel 8
[8],
eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
Art.
4
[4].
Omzetting
besluiten [MvT]
-1. Door het college op grond van de
Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen
genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.
-2. In afwijking van het eerste lid gelden
door het college op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen ten aanzien van personen die een
uitkering ontvangen op grond van de Ioaz of
de
Ioaw genomen besluiten als door hem genomen
besluiten op grond van de Ioaz onderscheidenlijk de Ioaw.
-3. Onverminderd de artikelen
6 [6] en 8 tot en met 12
[8-12] brengt het college de in
het eerste en het tweede lid bedoelde besluiten binnen twaalf maanden na
de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand in overeenstemming met
onderscheidenlijk die
wet, de Ioaz of de Ioaw.
-4. Het college brengt vóór of op de
peildatum op grond van de Ioaz of de Ioaw genomen besluiten binnen
twaalf maanden na de inwerkingtreding van artikel 23
[23]
onderscheidenlijk artikel 24 [24] in overeenstemming met
de
artikelen 37 en
37a van de Ioaz
onderscheidenlijk de Ioaw, zoals deze luiden
na de inwerkingtreding van de onderdelen L [L] en M van artikel 23
[M]
onderscheidenlijk
artikel 24 [24].
-5. In dit hoofdstuk worden onder door het
college genomen besluiten op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet
inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroombanen mede
verstaan door hem op grond van die wetten of dat besluit met toepassing
van artikel 2 [2], tweede lid, na de peildatum genomen
besluiten.
Art.
5.
Aanvragen ¹
Op een aanvraag tot het verlenen van bijstand wordt beslist met
toepassing van:
Wiw of het ID-besluit genomen besluiten moeten worden beschouwd als
besluiten op grond van de Wwb (artikel 4, eerste lid) waarvoor dus ook
het financiële regime van de Wwb geldt, ook zolang een aantal
bepalingen van de oude regelgeving nog enige tijd van kracht zijn. Het
centraal geregelde overgangsregime kan zich dus beperken tot die
onderdelen van de wet waarin centrale regels zijn gesteld die afwijken
van de eerdere regelgeving ter zake.
Dit betreft:
1. het vaststellen van een drietal verordeningen;
2. het invoeren van een algemeen geldende arbeidsverplichting met de
mogelijkheid van individuele ontheffing;
3. wijzigingen in de centrale regelgeving voor de hoogte van de
bijstand;
4. uitbesteding reïntegratieactiviteiten. Hierop zal nader worden
ingegaan in de artikelsgewijze toelichting.
2.1. Verordeningen
De Wwb kent bij drie
onderdelen de opdracht aan gemeenten het beleid vast te leggen in een
verordening. Behalve de al onder de Abw voorgeschreven
toeslagenverordening betreft dit de nieuw vast te stellen verordeningen voor
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
(reïntegratieverordening) en voor de verlaging van de uitkering
bij het niet nakomen van verplichtingen (afstemmingsverordening).
Voor de nieuw vast te stellen verordening krijgen gemeenten enige
extra tijd om deze vast te stellen. In de toelichting op artikel 2 is
aangegeven wat het kabinet daarbij voor ogen staat. Gelet op het
voornemen van het kabinet de Wwb in te voeren per 1 januari 2004, is daarbij
aangegeven dat de verordeningen uiterlijk na drie maanden in werking
moeten treden.
Ten
aanzien van de reïntegratieverordening (artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, Wwb) geldt het volgende. Het is aan de gemeente om
ondersteuning en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling die zijn
aangeboden vóór de invoering van de Wwb zo nodig aan deze verordening
aan te passen. Deze invoeringswet stelt daarvoor geen regels. Voor
degenen die eerst vanaf de invoering van de Wwb recht hebben op bijstand
geldt van meet af aan de plicht tot arbeidsinschakeling zoals vastgelegd
in artikel 9 van de Wwb. De gemeente is op grond van artikel 7 van de
Wwb verantwoordelijk voor de ondersteuning en het aanbieden van
voorzieningen. Aan deze verantwoordelijkheid wordt geen afbreuk gedaan
door het feit dat er gedurende maximaal drie maanden nog geen
reïntegratieverordening is. De gemeente dient dus zonder de
aanwezigheid van een verordening haar besluiten ter zake voldoende te
motiveren op basis van vastgesteld beleid. Ook in deze situatie geldt
dat de gemeente, behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkenen,
zelf kan bepalen of het naderhand nodig is een nieuw besluit te nemen op
basis van de reïntegratieverordening.
Voor personen met een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet en voor niet-uitkeringsgerechtigden bestaat
niet de arbeidsverplichting maar wel de aanspraak op ondersteuning en op
de naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte
voorzieningen. Ook voor deze categorieën geldt dat burgemeester en
wethouders, zolang er nog geen reïntegratieverordening is, een besluit
moeten nemen rechtstreeks op grond van de Wwb en dat het aan hen is,
behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkene, om te bepalen of
het naderhand nodig is een nieuw besluit te nemen op basis van de
reïntegratieverordening.
a. de Algemene bijstandswet, indien het recht op bijstand ingaat
vóór of op de peildatum;
b. de Wet werk en bijstand, indien het recht op bijstand ingaat
na de peildatum.
1. Zie voor de juiste tekst artikel
5 van de herdruk van het voorstel van
wet, red.
Art.
6 [6].
Terugvordering,
verhaal, boetes en maatregelen [MvT]
Op terugvordering of anderszins terugbetaling en verhaal van, alsmede op
boetes en maatregelen met betrekking tot, vóór of op de peildatum
onderscheidenlijk met toepassing van artikel 2 [2], tweede
lid, na de peildatum verleende bijstand blijft de Algemene bijstandswet
van toepassing.
Art.
7
[7].
Zelfstandigen [MvT]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de verlening van bijstand aan zelfstandigen op grond
van de Wet werk en bijstand, waarbij kan
worden afgeweken van de artikelen
9 [9], 10
[10], 32 [32],
34 [34], 40
[40],
41 [41] en de paragrafen 6.1
[6.1], 6.4
[6.4]
en
7.1 [7.1] van die
wet.
Art.
8
[8].
Vermogen [MvT]
Als het vermogen dat vanaf de bijstandverlening niet in aanmerking is
genomen, bedoeld in artikel
34 [34], vierde lid, van de Wet werk en bijstand,
van de belanghebbende aan wie op de peildatum algemene bijstand werd
verleend, geldt het bedrag zoals dat laatstelijk vóór of op de
peildatum door het college is vastgesteld.
Art.
9
[9].
Vrijlating
arbeidsinkomsten [MvT]
-1. De inkomsten uit arbeid van de
belanghebbende van wie op grond van artikel
43, tweede lid, onderdeel m en n, van de
Algemene bijstandswet deze inkomsten op de peildatum niet tot zijn
middelen werden gerekend, worden in het eerste jaar waarop de Wet werk en bijstand
betrekking heeft eveneens niet tot de middelen gerekend tot het in het
tweede lid bepaalde percentage van de inkomsten uit arbeid tot een
maximum van hetzelfde percentage van het bedrag dat op de peildatum niet
tot de middelen werd gerekend.
-2. De percentages, bedoeld in het eerste
lid, bedragen:
a. 100, in de eerste tot en met de derde maand na de
peildatum;
b. 75, in de vierde tot en met de zesde maand na de
peildatum;
c. 50, in de zevende tot en met de negende maand na de
peildatum;
d. 25, in de tiende tot en met de twaalfde maand na de
peildatum.
Art.
10
[10].
Categoriale
bijzondere bijstand [MvT]
-1. De belanghebbende die op de peildatum
op grond van artikel 39, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet recht had op bijzondere bijstand, behoudt dit
recht tot het tijdstip dat in de desbetreffende beschikking is bepaald,
doch uiterlijk tot één jaar na inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand.
-2. Colleges die op de peildatum op grond
van artikel 39, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet bijzondere bijstand in de vorm van een
collectieve aanvullende ziektekostenverzekering verstrekten, kunnen ook
na inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand bijzondere bijstand in
deze vorm verstrekken.
Art.
11
[11].
Woonwagen en
-schip [MvT]
-1. Artikel
50 [50], tweede lid, van de Wet werk en bijstand
is niet van toepassing op de belanghebbende die op de peildatum recht
had op algemene bijstand en eigenaar was van een door hemzelf of zijn
gezin bewoonde woonwagen of bewoond woonschip met bijbehorend erf.
-2. De toepassing van het eerste lid
eindigt op het tijdstip dat het recht op algemene bijstand eindigt,
tenzij de belanghebbende binnen één jaar na de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
opnieuw recht heeft op algemene bijstand.
Art.
12
[12].
Krediethypotheek [MvT]
-1. Artikel 20
van de
Algemene bijstandswet en artikel 4,
vierde lid, laatste volzin, van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
blijven van toepassing op bijstand die op de peildatum werd verleend met
toepassing van die artikelen.
-2. Indien in de periode tussen de datum
van plaatsing van de Wet werk en bijstand
in het
Staatsblad en de inwerkingtreding van voornoemde wet
bijstand is aangevraagd, wordt in voorkomende gevallen de
krediethypotheek gevestigd met inachtneming van die wet.
Art.
13
[13].
Verhaal [MvT]
Onverminderd artikel 6 [6]
kunnen tot het tijdstip waarop de artikelen
56 [56], 61
[61] en 62
[62]
van de Wet werk en bijstand
in werking treden, kosten van bijstand door het college worden verhaald
in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de
artikelen 92, tweede en derde lid, tot en met 105 en 141
van de
Algemene bijstandswet.
Art.
14
[14].
Gesubsidieerde
arbeid [MvT]
Een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4
van de Wet inschakeling werkzoekenden, een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van die wet
en een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6
van het Besluit in- en doorstroombanen
gelden als een voorziening als bedoeld in artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.
Art.
15
[15].
Uitbesteding [MvT]
Artikel 7 [7], vierde lid, van de Wet werk en bijstand
is niet van toepassing op werkzaamheden die zijn gestart:
a. ter uitvoering van
artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden
of artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen
vóór of op de peildatum;
b. in het kader van met de in onderdeel a bedoelde
werkzaamheden vergelijkbare voorzieningen in het eerste kalenderjaar
waarop de Wet werk en bijstand
betrekking heeft.
Art.
16
[16].
Meeneemregeling [MvT]
Het deel van de subsidie, bedoeld in artikel 14
van de Wet inschakeling werkzoekenden, van het
kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
dat op grond van artikel 18, vierde lid,
van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt
toegevoegd aan de subsidie van het daaropvolgende kalenderjaar dan wel
in dat jaar wordt besteed aan laatstgenoemde
wet of de Wet sociale werkvoorziening,
wordt toegevoegd aan de uitkering, bedoeld in artikel 69
[69],
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand, van het eerste
kalenderjaar waarop laatstgenoemde wet betrekking heeft,
onderscheidenlijk besteed aan de Wet sociale werkvoorziening.
Art.
17
[17].
Uitkeringen
gemeenten [MvT]
-1. Voor het eerste kalenderjaar waarop de Wet werk en bijstand
betrekking heeft, worden de uitkeringen, bedoeld in artikel 69
[69],
eerste lid, van
voornoemde wet, vastgesteld binnen vier
weken na inwerkingtreding van die
wet.
-2. De vaststelling van de uitkering,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz, voor de in het eerste kalenderjaar na de
inwerkingtreding van de artikelen 23 [23] en 24
[24]
ten laste van de gemeente gebleven kosten,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d
en e, van
voornoemde wet, geldt als de vaststelling van
de uitkering, bedoeld in artikel
58, eerste lid, van de Ioaw
onderscheidenlijk de Ioaz.
Art.
18
[18].
Verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz [MvT]
-1. De Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz blijft van toepassing op:
a. de vergoeding van en de uitkering voor vóór de
inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
ten laste van de gemeente gebleven kosten als
bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de in de aanhef genoemde
wet;
b. de vergoeding van vóór de inwerkingtreding van de Wet
werk en bijstand gemaakte kosten als bedoeld in artikel
12, eerste lid, onderdeel a, b en c, van de
in de
aanhef genoemde wet.
-2. De artikelen 117,
130,
132 en 133 van de
Algemene bijstandswet blijven van toepassing op de uitvoering van die wet
na de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand.
-3. Hoofdstuk V
van de Ioaz
onderscheidenlijk de Ioaw is van
toepassing op:
a. de vergoeding van en de uitkering voor vóór de
inwerkingtreding van artikel 23 [23] onderscheidenlijk
artikel 24 [24] ten laste van de gemeente gebleven kosten als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wet financiering
Abw,
Ioaw en Ioaz;
b. de vergoeding van vóór de inwerkingtreding van artikel 23
[23]
onderscheidenlijk artikel 24 [24] gemaakte kosten als
bedoeld in artikel 12, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet financiering
Abw,
Ioaw en Ioaz.
Art.
19
[19].
Verantwoording Wiw [MvT]
-1. Hoofdstuk 3
van de Wet inschakeling werkzoekenden
blijft van toepassing op vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
verstrekte subsidie als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van eerstgenoemde
wet.
-2. De artikelen
19, 20 en 21
van de Wet inschakeling werkzoekenden blijven
van toepassing op de uitvoering van die wet
na inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand.
Art.
20
[20].
Verantwoording
Besluit in- en doorstroombanen [MvT]
Artikel 13 van het Besluit in- en doorstroombanen
blijft van toepassing op:
a. vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
verleende subsidie als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van voornoemd
besluit;
b. de uitvoering van dat
besluit na inwerkingtreding van die wet.
Art.
21
[21].
Bezwaar- en
beroepschriften [MvT]
-1. Op een bezwaar- of beroepschrift dat:
a. vóór of op de peildatum is ingediend tegen een door het
college op grond van de
Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
of het Besluit in- en doorstroombanen
genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is
beslist;
b. na de peildatum is ingediend tegen één op grond van de
in het eerste lid bedoelde wetten of het Besluit in- en doorstroombanen
met toepassing van artikel
2 [2], tweede lid, na de peildatum genomen besluit en waarop nog niet
onherroepelijk is beslist op het tijdstip dat de bepaling vervalt op
grond waarvan het besluit is genomen;
c. na de peildatum is ingediend en betrekking heeft op
bijstandverlening waarop ingevolge artikel
12, eerste lid, de
Algemene bijstandswet van toepassing is;
wordt beslist met toepassing van onderscheidenlijk de Algemene
bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en
doorstroombanen.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op verzoeken als bedoeld in artikel 140
van de
Algemene bijstandswet en verzoeken om een voorlopige voorziening
als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Art.
22
[22].
Toezicht [MvT]
Onze Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de
rechtmatige uitvoering van dit hoofdstuk door het college. De paragrafen 7.2
[7.2]
en
7.3 [7.3] van de Wet werk en bijstand
zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
3
Wijziging
van andere wetten
§
3.1. Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Art.
23
[23].
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen [MvT]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel g,
wordt "artikel 55, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 37
[37],
eerste lid, van de Wet werk en bijstand.
B.
Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 4a.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als
bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel a;
b. sociale activering: het verrichten van onbeloonde
maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of,
als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
maatschappelijke participatie.
C.
Artikel 6, derde lid, onderdeel e, wordt als volgt
gewijzigd:
De zinsnede "artikel 1, onderdeel i,
van de Werkloosheidswet" wordt vervangen
door "artikel 1, onderdeel g, van
de Werkloosheidswet" en "artikel 644
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek" door: artikel 6:1
van de
Wet arbeid en zorg.
D.
Artikel 13 wordt vervangen door:
Art. 13.
-1. De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op
uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van
de uitkering dat aan hem wordt betaald.
-2. De belanghebbende is verplicht aan burgemeester en wethouders
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze wet.
-3. Burgemeester en wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de
identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd
een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op grond
van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in
artikel 107 van de Wegenverkeerswet
1994 terstond ter inzage te
verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
van deze wet.
E.
Artikel 14, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "in het derde en vierde lid" wordt
vervangen door: in het tweede en derde lid.
2. De zinsnede "artikel 36"
wordt vervangen door:
artikel 37a.
F.
Artikel 18 vervalt.
G.
Artikel 20, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "artikel 13,
tweede of derde lid, artikel 18, vierde
lid," wordt vervangen door:
artikel 13, tweede lid,.
2. De zinsnede "artikel 35,
eerste lid, onderdeel c," wordt vervangen door: artikel
37, eerste lid, onderdeel c.
H.
De titel van hoofdstuk III
wordt vervangen door: Rechten en plichten.
I.
Artikel 34 wordt vervangen door:
Art. 34.
-1. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor:
a. het ondersteunen van personen die een uitkering op grond van
deze wet ontvangen bij arbeidsinschakeling en, indien burgemeester en
wethouders daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen
sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk achten,
voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening; en
b. het verlenen van een uitkering aan de gewezen zelfstandige,
bedoeld in artikel
2.
-2. Burgemeester en wethouders werken bij de uitvoering van het eerste
lid, onderdeel a, samen met de Centrale organisatie werk en inkomen
en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-3. Burgemeester en wethouders laten werkzaamheden die in het kader van
de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het
tweede lid, worden uitgevoerd zoveel mogelijk verrichten door derden die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevorderen.
-4. Burgemeester en wethouders kunnen de uitvoering van deze wet,
behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de
belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn
omstandigheden, door derden laten verrichten. Burgemeester en wethouders
kunnen de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling
mandateren aan bestuursorganen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het derde en vierde lid.
J.
Artikel 35 wordt vervangen door:
Art. 35.
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het
ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34,
eerste lid, onderdeel a.
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval
betrekking op de taken, bedoeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
K.
Artikel 36 wordt vervangen door:
Art. 36.
-1. Belanghebbenden die een uitkering ontvangen, hebben overeenkomstig
de verordening, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, aanspraak op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en de naar het oordeel van burgemeester en
wethouders noodzakelijk geachte voorziening gericht op
arbeidsinschakeling.
-2. Artikel 11 is van overeenkomstige
toepassing.
L.
Artikel 37 wordt vervangen door:
Art. 37.
-1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van
melding, bedoeld in artikel
16a, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen;
b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij
de Centrale organisatie werk en inkomen
en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond
van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders
aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht
op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar
zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
-2. Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten, gelden de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.
M.
Artikel 37a wordt vervangen door:
Art. 37a.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en
wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van
één of meer verplichtingen als bedoeld in artikel 37.
Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voor zover
hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een
voorziening als bedoeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
N.
Artikel 38 vervalt.
O.
Artikel 40 vervalt.
P.
In artikel 41, tweede lid, wordt na "Onze Minister van Binnenlandse Zaken"
de volgende zinsnede ingevoegd: en Koninkrijksrelaties.
Q.
Artikel 42 wordt vervangen door:
Art. 42.
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de realisatie en vormgeving
van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet, met inachtneming
van artikel 150 van de Gemeentewet.
R.
Artikel 43 vervalt.
S.
Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid vervalt de zinsnede ",
indien burgemeester en wethouders op grond van
artikel 43, derde lid, aan de Centrale organisatie werk en inkomen
mandaat hebben verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening
van uitkering,".
2. In het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel m door een puntkomma een onderdeel
toegevoegd, luidende:
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
de arbeidsinschakeling van personen bevorderen.
3. In het derde lid vervalt de zinsnede ", indien
burgemeester en wethouders op grond van
artikel 43, derde lid, aan de Centrale organisatie werk en inkomen
mandaat hebben verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening
van uitkering,".
T.
Artikel 48, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e
door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van
zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de
vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang.
U.
In hoofdstuk IV worden de
paragrafen 3 en 4 vervangen door:
§ 3. Toezicht
Art. 52.
-1.
Onze Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door
burgemeester en wethouders;
b. de doeltreffendheid van deze wet.
-2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze
Minister uitgeoefend door de
Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd
van die inspectie. De artikelen 37,
38, 42 en 44
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 53.
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige
uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de
gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, een
aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake
individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen
waarbinnen burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming
hebben gebracht met deze aanwijzing.
§ 4. Informatie
Art. 54.
-1. Burgemeester en wethouders dienen jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het
verslag omvat mede een opgave van de ten laste van burgemeester en
wethouders gebleven kosten, bedoeld in de
artikelen 56, eerste lid, en 59f,
eerste lid, en is voorzien van een verklaring van de accountant belast
met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent
de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de
uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over
de uitvoering van de
wet.
-2. Voorafgaand aan het verslag, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders bij Onze Minister een voorlopig verslag in
over de uitvoering.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het
voorlopig verslag, het verslag en over de verklaring en het onderzoek
dat resulteert in deze verklaring. Deze regels kunnen voor bepaalde
categorieën van gemeenten verschillen.
Art. 55.
-1. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken
desgevraagd aan
Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de
statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking
tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop burgemeester en wethouders en de
gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en
verstrekken.
-3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de bescheiden,
bedoeld in artikel
54, worden kosteloos verstrekt.
V.
Hoofdstuk V komt te luiden:
HOOFDSTUK V. Financiering
§ 1. Vergoeding
Art. 56.
-1.
Onze Minister vergoedt, ten laste van ’s Rijks kas, 75% van de in
een kalenderjaar ten laste van burgemeester en wethouders gebleven
kosten van uitkeringen, waaronder begrepen de premies volksverzekeringen
en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd zijn.
-2. Onder ten laste van burgemeester en wethouders gebleven kosten,
bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de in een kalenderjaar door de
gemeente
verleende uitkering, bedoeld in het eerste lid, verminderd met alle
ontvangsten van de gemeente in dat jaar in verband met de verlening van
uitkering, waaronder begrepen de bedragen die de gemeente ontvangt door
toepassing van
artikel 20a.
Art. 57.
-1.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 56.
-2. Indien de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders,
of de administratie, bedoeld in artikel 41,
ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de
voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste
lid gestelde regels voortvloeit.
§ 2. Uitkering
Art. 58.
-1. Voor de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 56,
die op grond van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in
aanmerking komen, verstrekt
Onze Minister jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan de gemeente
een uitkering. De uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaande
aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister
vastgesteld.
-2. Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het
voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is
voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens deze
maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent het verzamelen en
vaststellen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag
van de uitkering.
Art. 59.
-1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 58,
tweede lid, kan in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft en in het
daaropvolgende jaar bij wet worden verhoogd indien de ontwikkeling van
de uitkeringslasten daartoe aanleiding geeft.
-2. Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in
artikel 58, eerste lid, wordt verhoogd binnen een periode van vier
weken na de herziening door
Onze Minister vastgesteld.
-3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt voor de
toepassing van de artikelen 59a
en
59b onder het bedrag van de uitkering verstaan: het bedrag
van de uitkering inclusief de verhoging, bedoeld in het tweede lid.
Art. 59a.
-1. Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel
59c, blijkt dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten,
bedoeld in
artikel 58, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115%
van het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 58,
of meer dan het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat
wordt verkregen door een bedrag van €|6,81
te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door
Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas aan de gemeente een
aanvullende uitkering toegekend.
-2. De hoogte van de aanvullende uitkering is:
a. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, en 115% van het bedrag van de uitkering; of, indien dit
groter is,
b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, en het in het eerste lid bedoelde totaalbedrag.
-3. Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen
bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd.
-4. Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan
de statistiek "Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art. 59b.
Onze Minister stelt regels inzake de betaling van:
a. de uitkering, bedoeld in
artikel 58, eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 59
wordt verhoogd;
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a.
§ 3. Vaststelling
Art. 59c.
-1.
Onze Minister stelt de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 56
en 58, de vergoeding, bedoeld in artikel 56,
en de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a,
vast binnen één jaar na ontvangst van het verslag en de daarop
betrekking hebbende verklaring, bedoeld in artikel
54, eerste lid.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een
daarop betrekking hebbende verklaring, worden de ten laste van de
gemeente gebleven kosten ambtshalve vastgesteld.
Art. 59d.
-1. De volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste gebleven
kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel
59c, eerste lid, buiten aanmerking gelaten, indien:
a. het uitkering betreft die is verleend in strijd met bij of
krachtens deze wet gestelde regels of die niet of niet volledig
overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf
5, is of wordt teruggevorderd;
b. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 20
of 20a
gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten
zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste
wijze toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
-2. Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 19
en
41 gestelde regels niet kan worden
vastgesteld of en voor welk bedrag de ten laste van de gemeenten
gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens
door
Onze Minister te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover naar
het oordeel van Onze Minister:
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn;
b. burgemeester en wethouders zich voldoende hebben ingespannen om
de tekortkomingen op te heffen.
§ 4.
Uitvoeringskosten
Art. 59e.
-1.
Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas 90% van de
kosten van bij de toepassing van
artikel 14, tweede en derde lid, aan derden opgedragen onderzoek.
-2. Onder onderzoek wordt verstaan een bedrijfseconomisch of
bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de taxatie van
vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke rapportage, voor
zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij of
krachtens artikel
14, tweede en derde lid, gestelde regels.
Art. 59f.
-1.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 59e.
-2. Indien de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders,
of de administratie, bedoeld in artikel 41,
ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de
voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste
lid gestelde regels voortvloeit.
Art. 59g.
-1.
Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in artikel 59e,
vast binnen één jaar na ontvangst van het verslag en daarop betrekking
hebbende verklaring, bedoeld in
artikel 54, eerste lid.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een
daarop betrekking hebbende verklaring, wordt de vergoeding ambtshalve
vastgesteld.
Art. 59h.
De kosten, bedoeld in
artikel 59e, eerste lid, worden niet vergoed:
a. indien het onderzoek of de begeleiding is opgedragen aan een
deskundige derde die onder verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders werkzaam is;
b. voor zover zij hoger zijn dan de door
Onze Minister vast te stellen maximaal voor vergoeding in aanmerking
komende kosten voor onderzoek of begeleiding.
§ 5. Voorzieningen
Art. 59i.
Burgemeester en wethouders brengen de kosten van voorzieningen als
bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten,
ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 69
[69],
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.
Art.
24
[24].
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers [MvT]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel g, wordt "artikel 55,
eerste lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 37
[37],
eerste lid, van de Wet werk en bijstand.
2. In het tweede lid, wordt de zinsnede "eerste lid,
onderdeel e," vervangen door: eerste lid, onderdeel h,.
B.
Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 4a.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als
bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel a;
b. sociale activering: het verrichten van onbeloonde
maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of,
als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
maatschappelijke participatie.
C.
Artikel 6, eerste lid, onderdeel d, wordt als volgt
gewijzigd:
1. De zinsnede "artikel 1,
onderdeel i, van de Werkloosheidswet"
wordt vervangen door:
artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet.
2. De zinsnede "artikel 644 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek" wordt vervangen door:
artikel 6:1 van de Wet arbeid en zorg.
D.
Artikel 13 wordt vervangen door:
Art. 13.
-1. De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of
onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op
uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van
de uitkering dat aan hem wordt betaald.
-2. De belanghebbende is verplicht aan burgemeester en wethouders
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze wet.
-3. Burgemeester en wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet de
identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd
een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op grond
van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in
artikel 107 van de Wegenverkeerswet
1994 terstond ter inzage te
verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
van deze wet.
E.
Artikel 14, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "in het derde en vierde lid" wordt
vervangen door: in het tweede en derde lid.
2. De zinsnede "artikel 36"
wordt vervangen door:
artikel 37a.
F.
Artikel 18 vervalt.
G.
Artikel 20, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "artikel 13,
tweede of derde lid, artikel 18, vierde
lid," wordt vervangen door:
artikel 13, tweede lid,.
2. De zinsnede "artikel 35,
eerste lid, onderdeel c," wordt vervangen door: artikel
37, eerste lid, onderdeel c.
H.
De titel van hoofdstuk III
wordt vervangen door: Rechten en plichten.
I.
Artikel 34 wordt vervangen door:
Art. 34.
-1. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor:
a. het ondersteunen van personen die een uitkering op grond van
deze wet ontvangen bij arbeidsinschakeling en, indien burgemeester en
wethouders daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen
sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk achten,
voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening; en
b. het verlenen van een uitkering aan de werkloze werknemer,
bedoeld in artikel
2.
-2. Burgemeester en wethouders werken bij de uitvoering van het eerste
lid, onderdeel a, samen met de Centrale organisatie werk en inkomen
en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-3. Burgemeester en wethouders laten werkzaamheden die in het kader van
de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het
tweede lid, worden uitgevoerd zoveel mogelijk verrichten door derden die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevorderen.
-4. Burgemeester en wethouders kunnen de uitvoering van deze wet,
behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de
belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn
omstandigheden, door derden laten verrichten. Burgemeester en wethouders
kunnen de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling
mandateren aan bestuursorganen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het derde en vierde lid.
J.
Artikel 35 wordt vervangen door:
Art. 35.
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het
ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34,
eerste lid, onderdeel a.
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval
betrekking op de taken vermeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
K.
Artikel 36 wordt vervangen door:
Art. 36.
-1. Belanghebbenden die een uitkering ontvangen, hebben overeenkomstig
de verordening, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, aanspraak op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en de naar het oordeel van burgemeester en
wethouders noodzakelijk geachte voorziening gericht op
arbeidsinschakeling.
-2. Artikel 11 is van overeenkomstige
toepassing.
L.
Artikel 37 wordt vervangen door:
Art. 37.
-1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van
melding, bedoeld in artikel
16a, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen;
b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is
bij de Centrale organisatie werk en inkomen
en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond
van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders
aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht
op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar
zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
-2. Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten, gelden de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.
M.
Artikel 37a wordt vervangen door:
Art. 37a.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en
wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van
één of meer verplichtingen als bedoeld in artikel 37.
Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voor zover
hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een
voorziening als bedoeld in
artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
N.
Artikel 38 vervalt.
O.
Artikel 40 vervalt.
P.
In artikel 41, tweede lid, wordt na "Onze Minister van Binnenlandse Zaken"
de volgende zinsnede ingevoegd: en Koninkrijksrelaties.
Q.
Artikel 42 wordt vervangen door:
Art. 42.
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de realisatie en vormgeving
van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet, met inachtneming
van artikel 150 van de Gemeentewet.
R.
Artikel 43 vervalt.
S.
Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid vervalt de zinsnede ",
indien burgemeester en wethouders op grond van
artikel 43, derde lid, aan de Centrale organisatie werk en inkomen
mandaat hebben verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening
van uitkering,".
2. In het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel m door een puntkomma een onderdeel
toegevoegd, luidende:
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
de arbeidsinschakeling van personen bevorderen.
3. In het derde lid vervalt de zinsnede ", indien
burgemeester en wethouders op grond van
artikel 43, derde lid, aan de Centrale organisatie werk en inkomen
mandaat hebben verleend tot het nemen van besluiten inzake de verlening
van uitkering,".
T.
Artikel 48, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e
door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van
zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de
vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang.
U.
In hoofdstuk IV wordt de
paragrafen 3 en 4 vervangen door:
§ 3. Toezicht
Art. 52.
-1.
Onze Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door
burgemeester en wethouders;
b. de doeltreffendheid van deze wet.
-2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze
Minister uitgeoefend door de
Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd
van die inspectie. De artikelen 37,
38, 42 en 44
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 53.
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige
uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de
gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, een
aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake
individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen
waarbinnen burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming
hebben gebracht met deze aanwijzing.
§ 4. Informatie
Art. 54.
-1. Burgemeester en wethouders dienen jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het
verslag omvat mede een opgave van de ten laste van burgemeester en
wethouders gebleven kosten, bedoeld in artikel
56, eerste lid, en is voorzien van een verklaring van de accountant
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle
omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid
van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de
gemeenteraad over de uitvoering van de wet.
-2. Voorafgaand aan het verslag, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders bij Onze Minister een voorlopig verslag in
over de uitvoering.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het
voorlopig verslag, het verslag en over de verklaring en het onderzoek
dat resulteert in deze verklaring. Deze regels kunnen voor bepaalde
categorieën van gemeenten verschillen.
Art. 55.
-1. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken
desgevraagd aan
Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de
statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking
tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop burgemeester en wethouders en de
gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en
verstrekken.
-3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de bescheiden,
bedoeld in artikel
54, worden kosteloos verstrekt.
V.
Hoofdstuk V komt te luiden:
HOOFDSTUK V. Financiering
§ 1. Vergoeding
Art. 56.
-1.
Onze Minister vergoedt, ten laste van ’s Rijks kas, 75% van de in
een kalenderjaar ten laste van burgemeester en wethouders gebleven
kosten van uitkeringen, waaronder begrepen de premies volksverzekeringen
en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd zijn.
-2. Onder ten laste van burgemeester en wethouders gebleven kosten,
bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de in een kalenderjaar door de
gemeente
verleende uitkering, bedoeld in het eerste lid, verminderd met alle
ontvangsten van de gemeente in dat jaar in verband met de verlening van
uitkering, waaronder begrepen de bedragen die de gemeente ontvangt door
toepassing van
artikel 20a.
Art. 57.
-1.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 56.
-2. Indien de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders,
of de administratie, bedoeld in artikel 41,
ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de
voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste
lid gestelde regels voortvloeit.
§ 2. Uitkering
Art. 58.
-1. Voor de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 56,
die op grond van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in
aanmerking komen, verstrekt
Onze Minister jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan de gemeente
een uitkering. De uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaande
aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister
vastgesteld.
-2. Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het
voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is
voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens deze
maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent het verzamelen en
vaststellen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag
van de uitkering.
Art. 59.
-1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 58,
tweede lid, kan in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft en in het
daaropvolgende jaar bij wet worden verhoogd indien de ontwikkeling van
de uitkeringslasten daartoe aanleiding geeft.
-2. Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in
artikel 58, eerste lid, wordt verhoogd binnen een periode van vier
weken na de herziening door
Onze Minister vastgesteld.
-3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt voor de
toepassing van de artikelen 59a
en
59b onder het bedrag van de uitkering verstaan: het bedrag
van de uitkering inclusief de verhoging, bedoeld in het tweede lid.
Art. 59a.
-1. Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel
59c, blijkt dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten,
bedoeld in
artikel 58, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115%
van het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 58,
of meer dan het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat
wordt verkregen door een bedrag van €|6,81
te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door
Onze Minister ten laste van ’s Rijks kas aan de gemeente een
aanvullende uitkering toegekend.
-2. De hoogte van de aanvullende uitkering is:
a. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, en 115% van het bedrag van de uitkering; of, indien dit
groter is,
b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, en het in het eerste lid bedoelde totaalbedrag.
-3. Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen
bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd.
-4. Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan
de statistiek "Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art. 59b.
Onze Minister stelt regels inzake de betaling van:
a. de uitkering, bedoeld in
artikel 58, eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 59
wordt verhoogd;
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a.
§ 3. Vaststelling
Art. 59c.
-1.
Onze Minister stelt de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 56
en 58, de vergoeding, bedoeld in artikel 56,
en de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a,
vast binnen één jaar na ontvangst van het verslag en de daarop
betrekking hebbende verklaring, bedoeld in artikel
54, eerste lid.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een
daarop betrekking hebbende verklaring, worden de ten laste van de
gemeente gebleven kosten ambtshalve vastgesteld.
Art. 59d.
-1. De volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste gebleven
kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel 59c,
eerste lid, buiten aanmerking gelaten, indien:
a. het uitkering betreft die is verleend in strijd met bij of
krachtens deze wet gestelde regels of die niet of niet volledig
overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf
5, is of wordt teruggevorderd;
b. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 20
of 20a
gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten
zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste
wijze toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
-2. Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 19
en
41 gestelde regels niet kan worden
vastgesteld of en voor welk bedrag de ten laste van de gemeenten
gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens
door
Onze Minister te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover naar
het oordeel van Onze Minister:
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn;
b. burgemeester en wethouders zich voldoende hebben ingespannen om
de tekortkomingen op te heffen.
§
4.
Voorzieningen
Art. 59e.
Burgemeester en wethouders brengen de kosten van voorzieningen als
bedoeld in artikel
34, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten,
ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 69
[69],
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand.
Art.
25 [25]. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [MvT]
De Wet
inkomensvoorziening kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt de zinsnede "bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3,
paragraaf 1 en 2, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: bedoeld in paragraaf 3.4
[3.4]
van de
Wet werk en bijstand, zonder toepassing
van de
artikelen 31 [31], derde lid, en 32
[32],
eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet werk en bijstand.
2. In onderdeel b wordt de zinsnede "bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3,
paragraaf 1 en 3, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: bedoeld in paragraaf 3.4
[3.4]
van de
Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 2a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. het vermogen voor zover dit minder bedraagt dan het bedrag,
genoemd in artikel 34 [34], tweede lid,
onderdeel d, van de Wet werk en bijstand;
en.
2. In onderdeel b wordt de zinsnede "artikel 54
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 34
[34],
derde lid, van de Wet werk en bijstand.
C.
In artikel 3, onderdeel d, wordt de
zinsnede "als bedoeld in artikel 3,
tweede tot en met zesde lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: als bedoeld in
artikel 3 [3], tweede tot en met vijfde lid, van de Wet werk en bijstand.
D.
Artikel 4, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder 1º wordt "€|779,94"
vervangen door: €|1024,10.
2. Onder 2º wordt "€|1002,77"
vervangen door: €|1207,43.
3. Onder 3º wordt "€|1114,19"
vervangen door: €|1349,13.
E.
Artikel 5, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand
ontvangt;.
2. In onderdeel f wordt de zinsnede "artikel 1,
onderdeel i, van de Werkloosheidswet"
vervangen door: artikel 1, onderdeel g,
van de Werkloosheidswet en "artikel 644
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek" door: artikel 6:1
van de
Wet arbeid en zorg.
F.
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot
en met het zesde lid tot eerste tot en met vijfde lid.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De uitkering van de kunstenaar, bedoeld in artikel 4a,
wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek
of verpanding tot een bedrag gelijk aan het bedrag van het vermogen,
bedoeld in artikel 4a.
3. In het tweede lid wordt na "onder verband van
hypotheek" telkens de volgende zinsnede ingevoegd: of verpanding.
4. In het derde lid wordt na "onder verband van
hypotheek" de volgende zinsnede ingevoegd: of verpanding, wordt
"tweede lid" vervangen door: eerste lid en "derde
lid" vervangen door: tweede lid.¹
5. In het vierde lid wordt na "onder verband van
hypotheek" de volgende zinsnede ingevoegd: of verpanding.
6. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de vaststelling van de waarde van de woning.
G.
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De uitkering bedraagt per maand voor:
a. een alleenstaande: €|648,04;
b. een alleenstaande ouder: €|828,31;
c. gehuwde: €|954,73.
2. In het derde lid wordt "onderdeel a, b
of c, van
artikel
10" vervangen door: onderdeel b, van artikel
10.
H.
Artikel 10 komt te luiden:
Art. 10.
-1. Zodra het inkomen van de kunstenaar en zijn gezin over het
kalenderjaar waarin uitkering is verleend, bekend is, wordt de hoogte
van de uitkering, bedoeld in
artikel 9, definitief vastgesteld.
-2. Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering,
bedoeld in het eerste lid, wordt van het volgende uitgegaan:
a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is
ontvangen, wordt niet in aanmerking genomen het inkomen tot een maximum
per maand van:
1º. €|1024,10 voor een alleenstaande;
2º. €|1207,43 voor een alleenstaande
ouder;
3º. €|1349,13 voor gehuwden;
b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende
meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin in het
betreffende kalenderjaar uitkering is verleend, voor zover dat tezamen
met het bedrag, genoemd in artikel
9, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan;
1º. €|1355,98 voor een alleenstaande;
2º. €|1673,05 voor een alleenstaande
ouder;
3º. €|1871,42 voor gehuwden.
-3. Indien het bedrag van de verleende uitkering, bedoeld in artikel 9:
a. lager is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering,
wordt voor het verschil ambtshalve uitkering verleend;
b. hoger is dan de definitief vastgestelde hoogte van de
uitkering, wordt het bedrag dat hoger is dan de definitief vastgestelde
uitkering teruggevorderd met toepassing van artikel 23a.
-4. Indien de uitkering is verleend in de vorm van een geldlening onder
verband van hypotheek of verpanding wordt de ambtshalve toe te kennen
uitkering, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, begrepen onder
die geldlening.
I.
Artikel 11 vervalt.
J.
Artikel 12 komt te luiden:
Art. 12.
Onze Minister herziet telkens met ingang van de dag waarop het nettominimumloon
wijzigt de in de artikelen 4, 9
en
10 genoemde bedragen. Artikel
37 [37], eerste, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand
is van overeenkomstige toepassing.
K.
Artikel 18 komt te luiden:
Art. 18.
-1. Indien burgemeester en wethouders jegens de kunstenaar een handeling
verrichten waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd,
is de kunstenaar niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
kunstenaar wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de
kunstenaar een boete op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de
kunstenaar onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de kunstenaar die de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de
kunstenaar worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en wethouders de kunstenaar in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de kunstenaar zijn zienswijze mondeling naar voren brengt,
dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de kunstenaar die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die de kunstenaar kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
L.
Na artikel 18 worden vier nieuwe artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 18a.
-1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of
de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze
waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 18d
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de kunstenaar die het in het eerste lid bedoelde
besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de
kunstenaar wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Art. 18b.
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de kunstenaar een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen,
dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74
van het Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste en tweede lid mededeling aan burgemeester en wethouders.
Art. 18c.
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en
wethouders de kunstenaar overeenkomstig
artikel 18, vierde lid, in de gelegenheid
hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake
aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt
de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar
ministerie aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 18d.
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd, levert een executoriale
titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het zevende lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering op grond
van deze wet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet werk en bijstand
ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer
gelegd door verrekening met die bijstand of uitkering.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd inmiddels een uitkering
op grond van deze wet of een uitkering als bedoeld in het tweede lid
ontvangt van een andere gemeente
dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente
het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is
van de kunstenaar, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt
op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet,
de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet
of de Wet
arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank,
het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is,
op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering op grond
van deze wet of een uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid
ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering
toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt het
besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling
met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd,
vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan wel van het tweede, derde of vierde lid in
combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete
verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. De betekening en tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan
geschieden door de deurwaarder, bedoeld in
artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel
256 van die wet is van overeenkomstige toepassing.
-9. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door burgemeester
en wethouders op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie
een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g,
behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in
artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en
wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel
geschiedt zodanig dat de kunstenaar blijft beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt niet zolang de kunstenaar zijn verplichting,
bedoeld in artikel
17, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
M.
Na artikel 19 wordt een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 19a.
-1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op
uitkering op:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald
op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Indien bij de beoordeling van het recht op een uitkering blijkt dat
het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf of van zijn
echtgenoot afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven,
schorten burgemeester en wethouders het recht op een uitkering op.
-3. Geen opschorting vindt plaats, indien:
a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het
recht op of de hoogte van de uitkering;
b. de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen
verwijt kan worden gemaakt; of
c. daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders
dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Burgemeester en wethouders doen schriftelijk mededeling van de
opschorting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan de belanghebbende
en stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen een door hen te stellen
termijn het verzuim te herstellen.
-5. De opschorting wordt beëindigd zodra het burgemeester en wethouders
gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook
na de krachtens het vierde lid gestelde termijn nog bestaat, herzien
burgemeester en wethouders het besluit tot toekenning van de uitkering
of trekken zij dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
een uitkering is opgeschort.
N.
In artikel 20 vervallen het eerste en tweede
lid, onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot eerste
tot en met derde lid.
O.
In artikel 21 vervallen het tweede lid
alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
P.
Artikel 23 komt te luiden:
Art. 23.
Kosten van de uitkering worden door de gemeente
teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in dit
hoofdstuk.
Q.
Na artikel 23 worden negen nieuwe
artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 23a.
-1. In afwijking van
artikel 23 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van de
kunstenaar, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk
van verdere terugvordering van de uitkering af te zien, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de kunstenaar niet zal kunnen
voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid
bedoelde, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet
tot stand zal komen; en
c. de vordering van de gemeente
wegens de teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. de terugvordering van de uitkering als gevolg van verwijtbaar
gedrag van de kunstenaar;
b. vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of
goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen
verhaald kunnen worden.
-3. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot
het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in
werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot
stand is gekomen.
-4. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot
het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of
ten nadele van de kunstenaar gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt
een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen,
bedoeld in het eerste lid;
b. de kunstenaar zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig
de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou
hebben geleid.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
Art. 23b.
In afwijking van artikel
23 kunnen burgemeester en wethouders, onder voorwaarden die
Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien
indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te
stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 23c.
-1. In afwijking van
artikel 23 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
kunstenaar:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag
over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke
rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde
termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de kunstenaar in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is
gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15,
tweede lid, onderdeel c, of de
artikelen 28, tweede lid, en 29,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen
welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt,
behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
Art. 23d.
-1. Een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de
kunstenaar teruggevorderd.
-2. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening
of intrekking van een besluit tot toekenning van een uitkering en ter
zake van weigering van een uitkering herzien burgemeester en wethouders
een dergelijk besluit of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 16,
eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel
15, tweede lid, onderdeel
c, of de artikelen 28, tweede lid,
en 29, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;
b. indien anderszins een uitkering ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is verleend.
-3. Als de kunstenaar in het geval, bedoeld in het eerste lid, het
verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekken
burgemeester en wethouders na het verstrijken van deze termijn het
besluit tot toekenning van een uitkering in met ingang van de eerste dag
waarover het recht op een uitkering is opgeschort.
-4. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd
voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-5. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats
indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de
datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Art. 23e.
Kosten van een uitkering worden van de kunstenaar teruggevorderd voor
zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover de uitkering
is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4
[3.4]
van de Wet werk en bijstand beschikt of
kan beschikken.
Art. 23f.
Terugvordering geschiedt door burgemeester en wethouders van de gemeente
die de uitkering heeft verleend.
Art. 23g.
-1. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd
wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
dat het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, op de wijze als
omschreven in artikel 23h
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. De persoon van wie kosten van de uitkering worden teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te
verstrekken die voor terugvordering ingevolge dit hoofdstuk van belang
zijn.
Art. 23h.
-1. Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in
de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 18d is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de kunstenaar gedurende drie jaar de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, burgemeester en
wethouders de aflossingsbedragen lager vaststellen.
Art. 23i.
Onder kosten van een uitkering in de zin van dit hoofdstuk wordt
verstaan de door de gemeente
betaalde uitkering verhoogd met de loonbelasting en de premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies
niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst
en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
R.
Artikel 24 komt te luiden:
Art. 24.
-1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, indien de noodzaak
daartoe aannemelijk is, zonder voorafgaand onderzoek naar de voorwaarden
voor het recht op uitkering als bedoeld in artikel 4
bij wijze van voorschot een uitkering te verlenen. De uitkering die bij
wijze van voorschot wordt verleend, heeft de vorm van een renteloze
geldlening.
-2. Indien een uitkering wordt verleend over een periode waarover met
toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, kan deze
uitkering zonder machtiging van de kunstenaar worden verrekend met dit
voorschot.
-3. Burgemeester en wethouders vorderen een ingevolge het eerste lid
verleend voorschot terug van de kunstenaar voor zover zij na het
onderzoek vaststellen dat over de betrokken periode geen recht op een
uitkering bestaat.
S.
In artikel 30, tweede lid, wordt na "Onze Minister van Binnenlandse Zaken"
de volgende zinsnede ingevoegd: en Koninkrijksrelaties.
T.
Artikel 32 komt te luiden:
Art. 32.
De artikelen 63 tot en
met 68 [63-68] van de Wet werk en bijstand
zijn van overeenkomstige toepassing.
U.
De artikelen 47, 48
en
49
vervallen.
V.
In artikel 50 wordt
"Voorzieningenfonds voor Kunstenaars" vervangen door:
Kunstenaars & Cultuur en Ondernemerschap.²
1. Volgens de redactie
dient artikel 25, onderdeel F, onder 4, te worden
vervangen door:
4. In het derde lid wordt
na "onder verband van hypotheek" ingevoegd "of verpanding", wordt "tweede lid" vervangen
door " eerste
lid" en "derde lid" vervangen door: tweede lid.
2. Volgens de redactie dient onderdeel V te worden vervangen
door:
V.
In artikel 50 wordt
"Voorzieningenfonds voor Kunstenaars te 's-Gravenhage" vervangen door:
Kunstenaars & Cultuur en Ondernemerschap te Amsterdam.
Art.
26
[26].
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen [MvT]
De Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, onderdeel n, ten
eerste, wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
B.
In artikel 14, eerste lid, wordt de
zinsnede "artikel 8, tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden"
vervangen door:
artikel 7 [7], vierde lid, van de
Wet werk en bijstand.
C.
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede volzin van het derde lid vervalt.
2. In het vijfde lid vervalt de zinsnede "dan wel een
oordeel over de noodzaak om de betrokken werkzoekende in aanmerking te
laten komen voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4
of 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden.
D.
In artikel 28, eerste lid, wordt telkens
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
E.
Artikel 37, onderdeel b, komt te luiden:
b.
1º. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wet werk en bijstand,
de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen door burgemeesters en wethouders, en de
doeltreffendheid van die wetten;
2º. het geven van het oordeel over de uitvoering van de Wet werk en
bijstand, bedoeld in
artikel 74 [74], vierde lid, van die wet;
3º. het toezicht, de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de
uitvoering van de Wet sociale
werkvoorziening en de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars door burgemeester en wethouders, en
op de doeltreffendheid van die wetten;.
F.
In artikel 56, eerste lid, wordt de
zinsnede "een omstandigheid als bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: een omstandigheid als
bedoeld in artikel 18 [18], tweede lid, van
de Wet werk en bijstand.
G.
In artikel 62, eerste en tweede lid, wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
27
[27].
Ziektewet [MvT]
De Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 29b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Na "werkvoorziening" wordt de komma vervangen door:
of.
2. De zinsnede "of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld
in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden,
voor zover de situatie, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, van die wet,
van toepassing is," vervalt.
B.
In artikel 45g, derde lid, wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
28
[28].
Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 26, eerste lid, onderdeel f,
wordt "de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden"
vervangen door: de voorzieningen, bedoeld in
artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a,
van de Wet werk en bijstand.
B.
In artikel 27g, derde lid, wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
C.
Artikel 72, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op werknemers als bedoeld in
het eerste lid indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen met burgemeester en wethouders van een gemeente
overeenkomen dat op die werknemers
artikel 7 [7], eerste lid, aanhef en onder a,
van de Wet werk en bijstand
van toepassing is.
D.
Artikel 73 vervalt.
E.
Artikel 93b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Vergoedingen aan gemeenten die worden
overeengekomen ter uitvoering van
artikel 72, tweede lid, komen ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds.
2. Het derde lid vervalt.
F.
Artikel 97g wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Vergoedingen aan gemeenten die worden
overeengekomen ter uitvoering van
artikel 72, tweede lid, voor zover dat
artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel 78a,
komen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
2. Het derde lid vervalt.
Art.
29
[29].
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 29g, derde lid, wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 79a, derde lid, komt te luiden:
-3. Dit artikel is niet van toepassing op de premie over het loon van de
persoon die arbeid verricht als bedoeld in artikel 2
van de Wet sociale
werkvoorziening.
Art.
30
[30].
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
In artikel 54, derde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
31
[31].
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [MvT]
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als
volgt gewijzigd:
A.
In artikel 46, derde lid, wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 50, derde lid, onderdeel b, vervalt.
Art.
32
[32].
Toeslagenwet [MvT]
In artikel 14g, derde lid, van de
Toeslagenwet wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
33
[33].
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten [MvT]
De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1, onderdeel m, vervalt, onder verlettering van de
onderdelen n, o, p en
q tot onderdelen m, n, o en p.
B.
In artikel 2, vijfde lid, onderdeel b,
vervalt de zinsnede "of op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4
van de Wiw, voor zover de situatie, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, van die wet van
toepassing is".
C.
In artikel 3, tweede lid, wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
D.
Artikel 10a vervalt.
E.
Artikel 12, eerste lid, onderdeel a, wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a,
wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
2. In het tweede lid wordt "binnen het kader van de Wiw
instrumenten" vervangen door: voorzieningen als bedoeld in artikel 7
[7],
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand.
F.
Artikel 14 komt te luiden:
Art. 14. Nadere
verantwoordelijkheidsverdeling
-1. Artikel 10 is niet van toepassing op
arbeidsgehandicapten die recht hebben op een uitkering op grond van de WAO,
de WAZ of de
Wajong, die niet tevens recht hebben op
uitkering op grond van hoofdstuk IIa
of IIb van de WW,
indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
met het college van burgemeester en wethouders van een gemeente
overeenkomt dat op die arbeidsgehandicapten artikel 7
[7],
eerste lid, aanhef en onder a, van de
Wet werk en bijstand van toepassing is.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de overgang van de taak van de werkgever op grond van artikel
8, op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 10
of op de gemeenten op grond van artikel 12,
alsmede voor het geval dat voor een arbeidsgehandicapte werknemer
meerdere werkgevers verantwoordelijk zijn.
G.
Artikel 43, tweede lid, komt te luiden:
-2. Vergoedingen aan gemeenten die worden
overeengekomen ter uitvoering van
artikel 14, eerste lid, komen tevens ten
laste van het Reïntegratiefonds.
Art.
34
[34].
Wet brutering
overhevelingstoeslag lonen [MvT]
In artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
35
[35].
Wet
premieregime bij marginale arbeid [MvT]
Artikel 1, onderdeel f, van de Wet premieregime bij marginale arbeid
wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
2. Na de zinsnede "een combinatie van deze uitkeringen en
die" wordt ingevoegd: bij de.
Art.
36
[36].
Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen [MvT]
In artikel XII van de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand,.
Art.
37
[37].
Algemene
Kinderbijslagwet [MvT]
De Algemene
Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 7, zevende lid, vervalt, onder vernummering van het achtste
tot en met twaalfde lid tot zevende tot en met elfde lid.
B.
In artikel 8, onderdeel a, wordt
"artikel 7, elfde lid" vervangen
door: artikel 7, tiende lid.
C.
In artikel 17g, derde lid, wordt
"de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
38
[38].
Algemene
nabestaandenwet [MvT]
In artikel 45, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet
wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
39
[39].
Algemene
Ouderdomswet [MvT]
In artikel 17i, derde lid, van de Algemene
Ouderdomswet wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
Art.
40
[40].
Wet arbeid en
zorg [MvT]
De Wet arbeid en zorg
wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 7:3, tweede lid, onderdeel c,
wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
B.
In artikel 7:22, derde lid, wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
§
3.2. Justitie
Art.
41
[41].
Algemene wet
bestuursrecht [MvT]
In onderdeel F, ten tweede, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht
wordt na "hoofdstuk VII van de
Algemene bijstandswet" ingevoegd:, artikel 13
[13]
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand en de artikelen 52
[52]
en
81 [81] van de
Wet werk en bijstand.
Art.
42
[42].
Beroepswet [MvT]
In onderdeel C, onder 25, van de bijlage bij de Beroepswet
wordt "en Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet"
vervangen door: , Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet, Invoeringswet Wet werk en bijstand en
Wet werk en bijstand.
Art.
43
[43].
Burgerlijk
Wetboek [MvT]
In artikel 159a van het Burgerlijk
Wetboek, Boek 1, wordt "artikel 93
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 13
[13]
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.
Art.
44
[44].
Faillissementswet [MvT]
In artikel 33, vierde lid, van de Faillissementswet
wordt "Hoofdstuk VII
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 13
[13]
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.
Art.
45
[45].
Wet op de
rechtsbijstand [MvT]
Artikel 1, onderdeel k, van de Wet
op de rechtsbijstand komt te
luiden:
k. Bijstandsnorm: de norm voor gehuwden, genoemd in artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand,
verminderd met het overeenkomstig
artikel 19 [19], derde lid, van die wet
vastgestelde bedrag van de vakantietoeslag.
Art.
46
[46].
Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering [MvT]
Het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 475d wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:
-1. De beslagvrije voet bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden
aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3
[3]
van Wet werk en bijstand
die beiden 21 jaar of ouder zijn: 90 procent van de norm, genoemd in
artikel 21 [21], onderdeel c, respectievelijk artikel
22 [22], onderdeel c en
d, van die wet;
b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel
4 [4], onderdeel a en
b, van de Wet werk en bijstand die
21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn:
1º. indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is: 90
procent van dat inkomen inclusief de vakantieaanspraak, doch ten minste
90 procent van de norm, genoemd in artikel 21
[21],
onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand,
en ten hoogste 90 procent van die norm nadat deze eerst is verhoogd met
het bedrag, genoemd in artikel 25 [25],
tweede lid, van
die wet;
2º. indien het periodieke inkomen niet bij de beslaglegger bekend is:
90 procent van de norm, genoemd in artikel 21
[21],
onderdeel a en b, van de Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande van 65 jaar of ouder en een alleenstaande
ouder van 65 jaar of ouder: 90 procent van de norm, genoemd in artikel
22 [22], onderdeel a en
b, van die wet.
-2. De beslagvrije voet bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden
aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners zonder ten laste komende
kinderen die beiden jonger zijn dan 21 jaar: 90 procent van de norm,
genoemd in artikel
20 [20], eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;
b. echtgenoten of geregistreerde partners zonder ten laste
komende kinderen waarvan één van hen jonger is dan 21 jaar: 90 procent
van de norm, genoemd in artikel
20 [20], eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand;
c. een alleenstaande jonger dan 21 jaar: 90 procent van de norm,
genoemd in artikel
20 [20], eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
d. een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar: 90 procent van de
norm, genoemd in artikel
20 [20], tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
e. echtgenoten of geregistreerde partners die beiden jonger zijn
dan 21 jaar met één of meer ten laste komende kinderen: 90 procent van
de norm, genoemd in artikel
20 [20], tweede lid, onderdeel b, van de Wet werk en bijstand;
f. echtgenoten of geregistreerde partners waarvan één van hen
jonger is dan 21 jaar met één of meer ten laste komende kinderen: 90
procent van de norm, genoemd in
artikel 20 [20], tweede lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
2. In het vierde lid wordt "artikel 31
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel
23 [23] van de Wet werk en bijstand.
3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt "de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de Wet werk en bijstand.
B.
In artikel 585, onderdeel b, wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
Art.
47
[47].
Wet
inburgering nieuwkomers [MvT
+ bis]
Artikel 18 van de Wet
inburgering nieuwkomers wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vijfde lid wordt "een maatregel als bedoeld in artikel 14
van de
Algemene bijstandswet is opgelegd" vervangen door: de bijstand
is verlaagd op grond van
artikel 18 [18], tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
2. Het zevende lid komt te luiden:
-7. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld over de
hoogte van de boete.
§
3.3. Economische Zaken
Art.
48
[48].
Handelsregisterwet 1996 [MvT]
In artikel 15, tweede lid, onderdeel e, van de Handelsregisterwet
1996 wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
§
3.4. Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Art.
49
[49].
Huursubsidiewet [MvT]
De Huursubsidiewet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 17, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt "de artikelen
30, eerste lid, onderdeel
a, en 33, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de artikelen
21 [21], onderdeel a, en 25
[25],
tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
2. In onderdeel b wordt "artikel
30, eerste lid, onderdeel
c, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 26d, derde lid, komt te luiden:
-3. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten te verrekenen met
aanspraken op een bijzondere bijdrage in de huurlasten van de huurder.
C.
In artikel 27, tweede lid, wordt "artikel 30,
eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
Art.
50
[50].
Wet
bevordering eigenwoningbezit [MvT]
De Wet bevordering
eigenwoningbezit wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 11, eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 1º wordt "de artikelen
30, eerste lid, onderdeel
a, en 33, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de artikelen
21 [21], onderdeel a, en 25
[25],
tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
2. In onderdeel 2º wordt "artikel 30,
eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt "de artikelen
30, eerste lid, onderdeel
a, en 33, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de artikelen
21 [21], onderdeel a, en 25
[25],
tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
2. In onderdeel b wordt "artikel
30, eerste lid, onderdeel
c, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
C.
Artikel 36, derde lid, komt te luiden:
-3.
Onze Minister kan besluiten te verrekenen met aanspraken op een
bijzondere bijdrage van de eigenaar-bewoner.
D.
In artikel 41, eerste lid, wordt "artikel 30,
eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 21
[21],
onderdeel c, van de Wet werk en bijstand.
§
3.5. Binnenlandse Zaken
Art.
51
[51].
Ambtenarenwet [MvT]
In artikel 134, derde lid, van de Ambtenarenwet
wordt "de Wet inschakeling werkzoekenden"
vervangen door: arbeid verricht met behulp van een voorziening als
bedoeld in artikel 7 [7], eerste lid,
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.
Art.
52
[52].
Uitkeringswet
KNIL-beroepsmilitairen [MvT]
In artikel 7 van de Uitkeringswet
KNIL-beroepsmilitairen wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door: Wet werk en bijstand.
Art.
53
[53].
Uitkeringswet
KNIL-dienstplichttijd [MvT]
In artikel 6 van de Uitkeringswet
KNIL-dienstplichttijd wordt
"Algemene Bijstandswet" vervangen door: Wet werk en bijstand.
Art.
54
[54].
Wet algemene
regels herindeling [MvT]
In artikel 72 van de Wet
algemene regels herindeling wordt "de artikelen 63
en
64 van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: de artikelen 40
[40]
en
42 [42] van de
Wet werk en bijstand en kosten van
ondersteuning bij arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 10
[10]
van die
wet.
Art.
55
[55].
Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
[MvT]
In artikel 27, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
Art.
56
[56].
Wet op de
lijkbezorging [MvT]
In artikel 22 van de Wet
op de lijkbezorging wordt "Hoofdstuk VII
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: Artikel 13
[13]
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.
Art.
57
[57].
Wet
Rietkerk-uitkering [MvT]
In artikel 9 van de Wet
Rietkerk-uitkering wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
§
3.6. Defensie
Art.
58
[58].
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen [MvT]
In artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
ten tweede, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt "Algemene
Bijstandswet" vervangen door:
Wet werk en bijstand.
Art.
59
[59].
Uitkeringswet
financiële compensatie langdurige militaire dienst [MvT]
In artikel 5 van de Uitkeringswet
financiële compensatie langdurige militaire dienst wordt "Algemene Bijstandswet (Stb. 1973,
395)" vervangen door:
Wet werk en bijstand.
§
3.7. Financiën
Art.
60
[60].
Wet
inkomstenbelasting 2001 [MvT
+ bis]
De Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 3.104, onderdeel f, komt te luiden:
f. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet werk en bijstand
die zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten,
waaronder begrepen uitkeringen als bedoeld in artikel 36
[36]
van
die wet;.
B.
In artikel 6.3, eerste lid, onderdeel c, wordt "hoofdstuk VII
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel 13
[13]
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand.
Art.
61
[61].
Wet op de
loonbelasting 1964 [MvT
+ bis]
In de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt na artikel 11a een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 11b.
Tot het loon behoren voorts mede niet:
a. een premie als bedoeld in artikel 31
[31],
tweede lid, onderdeel j, van de Wet werk en bijstand,
mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vergoeding is
verstrekt als bedoeld in artikel 31 [31],
tweede lid, onderdeel k, van de Wet werk en bijstand;
b. een vergoeding als bedoeld in artikel 31
[31],
tweede lid, onderdeel k, van de Wet werk en bijstand.
Art.
62
[62].
Wet op het
consumentenkrediet [MvT]
Artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
op het consumentenkrediet komt te luiden:
a. waaraan als kredietnemer deelneemt:
1º. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3
[3]
van de Wet werk en bijstand
van wie het gezamenlijk nettomaandinkomen niet hoger is dan de norm,
genoemd in artikel 21 [21], onderdeel c,
van
die wet;
2º. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4
[4],
onderdeel b, van de Wet werk en bijstand
van wie het nettomaandinkomen niet hoger is dan 90 procent van de norm,
bedoeld onder 1º; of
3º. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4
[4],
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand
van wie het nettomaandinkomen niet hoger is dan 70 procent van de norm,
bedoeld onder 1º; dan wel.
§
3.8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Art.
63
[63].
Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek [MvT]
In het tweede en vierde lid van artikel 7.52 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door: Wet werk en bijstand.
Art.
64
[64].
Wet
studiefinanciering 2000 [MvT]
In artikel 3.17, derde lid, onderdeel a, van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door:
Wet werk en bijstand.
Art.
65
[65].
Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank [MvT]
In het tweede lid van artikel 9e van de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank wordt "artikel 122
van de
Algemene bijstandswet" vervangen door: artikel
64 [64] van de Wet werk en bijstand.
§
3.9. Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Art.
66
[66].
Wet
stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede fase [MvT
+ bis]
Artikel X van de Wet stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede
fase vervalt.
Art.
67
[67].
Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 [MvT
+ bis]
De Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 64 wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door: Wet werk en bijstand.
B.
Artikel 74 vervalt.
Art.
68
[68].
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 [MvT
+ bis]
De Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wordt als volgt
gewijzigd:
A.
Artikel 51 vervalt.
B.
In artikel 60a wordt "Algemene bijstandswet"
vervangen door: Wet werk en bijstand.
HOOFDSTUK
4
Overige
en slotbepalingen
Art.
69
[69].
Indexering [MvT]
Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
worden de in de
hoofdstukken 3 [3] en 4
[4] van voornoemde wet
genoemde bedragen en percentages op de in paragraaf 4.2
[4.2]
van
die wet voorgeschreven wijze herzien,
voor zover de ontwikkeling van het nettominimumloon,
de nettoaanspraak op minimumvakantiebijslag en het prijsindexcijfer van
de gezinsconsumptie, gerekend vanaf 1 januari 2003, daartoe aanleiding
geeft. Van de herziene normen en bedragen en van de dag waarop de
herziening plaatsvindt, wordt door
Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
Art.
70
[70].
Goede
invoering [MvT]
Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de goede invoering van
de Wet werk en bijstand
regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het
bepaalde bij of krachtens voornoemde wet
of deze wet.
Art.
71
[71].
Omhanging
besluiten [MvT]
-1. Na inwerkingtreding van artikel 3
[3],
vijfde lid, van de Wet werk en bijstand
berust het
Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 mede
op dat artikel.
-2. Na inwerkingtreding van artikel 11
[11],
derde lid, van de Wet werk en bijstand
berust het
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik
mede op dat artikel.
-3. Na inwerkingtreding van artikel 13
[13],
derde lid, van de Wet werk en bijstand
berust het
Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid mede op
dat artikel.
-4. Na inwerkingtreding van artikel 64
[64],
tweede, zevende en achtste lid, van de Wet werk en bijstand
berust het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten
mede op dat artikel.
Art.
72
[72].
Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
Art.
73
[73].
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald ¹: Invoeringswet Wet werk en bijstand.
1. Volgens de redactie
dient na "aangehaald" te worden ingevoegd: als.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
|
|