|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 960
Invoering van de Wet
werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemene uitgangspunten |
| 2.1 |
Verordeningen |
| 2.2 |
Algemeen geldende
arbeidsverplichting met mogelijkheid van individuele ontheffing |
| 2.3 |
Wijzigingen in de
centrale regelgeving voor de hoogte van de te verlenen bijstand |
| 3 |
Opzet van
Ioaw, Ioaz en Wik |
| 3.1 |
Ioaw en
Ioaz |
| 3.2 |
Wik |
| 4 |
Invoeringstraject |
| xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Definities |
| xxs |
Artikel
1 |
| Hoofdstuk
2. Overgangsrecht |
| x |
Artikelen
2 t/m 22 |
| Hoofdstuk
3. Wijziging van
andere wetten |
| x |
Artikelen
23 t/m 68 |
| Hoofdstuk
4. Overige en
slotbepalingen |
| x |
Artikelen
69 t/m 72 |
Algemeen
1. Inleiding
[V;
NnavhV]
Het
wetsvoorstel Wet werk en
bijstand (Wwb) strekt ter vervanging van de Algemene bijstandswet (Abw),
de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), de Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz (WFA) en het Besluit in-
en doorstroombanen (ID-besluit).
Zowel de intrekking van de Abw, Wiw, de WFA en het ID-besluit als
de invoering van de Wwb vergt invoerings- en overgangsbepalingen; zie
hiervoor hoofdstuk 2 [2]
van het wetsvoorstel en deze toelichting.
De voorstellen tot wijziging
van andere wetten, die zijn bijeengebracht in hoofdstuk 3
[3] van
dit wetsvoorstel, hebben zowel betrekking op het terrein van de sociale zekerheid als
op andere beleidsterreinen. Het meest ingrijpend zijn de wijzigingen in de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en in de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). In hoofdstuk 3 van
deze toelichting wordt dit nader uitgewerkt. Beide regelingen zijn
enerzijds verwant aan de regelgeving ten aanzien van bijstand, anderzijds
hebben ze een eigen positie. Daardoor is het niet wenselijk de aanpak van de
Wwb in alle opzichten te volgen. Ook bij de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik) wordt in dit voorstel van wet
een aantal wijzigingen
voorgesteld. Deze vloeien deels voort uit het vervallen van de Abw en
deels uit conclusies die zijn getrokken uit de evaluatie van de Wik. Dit
laatste betreft een tweetal wijzigingen, die al kunnen worden ingevoerd
binnen de huidige systematiek van de Wik. Dat laat onverlet dat de Wik integraal zal worden herzien per 1 januari 2005.
In de
Wwb is bij bijstandverlening aan zelfstandigen en bij verhaal van bijstand op
onderhoudsplichtige ouders ervan uitgegaan dat het beoogde nieuwe beleid op beide
terreinen is ingevoerd. Dit nieuwe beleid - dat mede zal worden gestoeld op
andere regelgeving dan de Wwb - behelst een nieuwe inkomensvoorziening voor zelfstandigen respectievelijk een
nieuw stelsel van
kinderalimentatie. Deze invoeringswet regelt daarom voorshands de voorzetting
van de bestaande regelgeving op deze beleidsterreinen. rblz.|2|
Deze komt te
vervallen bij de realisatie van het voorgenomen nieuwe beleid.
2. Algemene uitgangspunten
[V;
NnavhV]
Uitgangspunt voor het
overgangsrecht is dat de Wwb zo spoedig en zo volledig als redelijkerwijs
mogelijk is toepassing zal gaan vinden. Het karakter van de Wwb - waarin een sterk accent ligt op de eigen verantwoordelijkheid en beleidsruimte van
gemeenten - houdt in dat gemeenten daartoe in
belangrijke mate zelf de mogelijkheden hebben. Voor die onderdelen van de
wet is geen centraal overgangsregime nodig. Het centraal geregelde
overgangsregime kent een tweetal elementen. In de eerste plaats geldt voor
degenen op wie het overgangsregime betrekking heeft dat burgemeester en
wethouders binnen twaalf maanden de op grond van de Abw, de
Wiw of het ID-Besluit genomen besluiten in overeenstemming brengen met
de Wwb (artikel 4 [4], derde lid). In de tweede plaats is in
artikel 2 [2], tweede lid, geregeld dat, in combinatie met een latere inwerkingtreding
van één of meer artikelen van de Wwb, het vervallen van bepalingen uit
de Abw, de Wiw of het ID-Besluit bij koninklijk besluit later kan worden
gesteld dan de algemene inwerkingtredingsdatum van de Wwb. Dit laat
onverlet dat eerdere op grond van de Abw, de Wiw of het ID-besluit
genomen besluiten moeten worden beschouwd als besluiten op grond van
de Wwb (artikel 4 [4], eerste lid) waarvoor dus ook het financiële regime
van de Wwb geldt, ook zolang een aantal bepalingen van de oude regelgeving nog
enige tijd van kracht zijn.
Het centraal geregelde
overgangsregime kan zich dus beperken tot die onderdelen van de wet waarin
centrale regels zijn gesteld die afwijken van de eerdere regelgeving ter
zake. Dit betreft:
1. het vaststellen van een
drietal verordeningen;
2. het invoeren van een
algemeen geldende arbeidsverplichting met de mogelijkheid van individuele
ontheffing;
3. wijzigingen in de
centrale regelgeving voor de hoogte van de bijstand;
4. uitbesteding
reïntegratieactiviteiten. Hierop zal nader worden ingegaan in de artikelsgewijze
toelichting.
2.1. Verordeningen
De Wwb
kent bij drie
onderdelen de opdracht aan
gemeenten het beleid vast te leggen in een
verordening. Behalve de al onder de Abw voorgeschreven toeslagenverordening betreft
dit de nieuw vast te stellen verordeningen voor ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen (reïntegratieverordening) en voor de verlaging van de
uitkering bij het niet
nakomen van verplichtingen (afstemmingsverordening). Voor de nieuw vast te
stellen verordeningen krijgen gemeenten enige extra tijd
om deze vast te stellen. In de toelichting op artikel 2 is aangegeven wat
het kabinet daarbij voor ogen staat. Gelet op het voornemen van het
kabinet de Wwb in te voeren per 1 januari 2004, is daarbij aangegeven dat de
verordeningen uiterlijk na drie maanden in werking moeten treden.
Ten aanzien van de
reïntegratieverordening (artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel a, Wwb) geldt het volgende. Het is
aan de gemeente om ondersteuning en voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling die zijn aangeboden vóór de invoering van de Wwb zo nodig aan
deze verordening aan te passen. Deze invoeringswet stelt daarvoor
geen regels. Voor degenen die eerst vanaf de invoering van de Wwb recht
hebben op bijstand geldt van meet af aan de plicht tot
arbeidsinschakeling zoals vastgelegd in artikel 9
[9] van de Wwb. De gemeente is op grond van
artikel 7 [7] van de Wwb
verantwoordelijk
voor rblz.|3|
de
ondersteuning en het
aanbieden van voorzieningen. Aan deze verantwoordelijkheid wordt geen afbreuk gedaan
door het feit dat er gedurende maximaal drie maanden nog geen
reïntegratieverordening is.
De gemeente dient dus zonder de
aanwezigheid van een verordening haar besluiten ter zake voldoende
te motiveren op basis van vastgesteld beleid. Ook in deze situatie geldt
dat de gemeente, behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkene, zelf
kan bepalen of het naderhand nodig is een nieuw besluit te nemen op
basis van de reïntegratieverordening.
Voor personen met een
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en voor niet-uitkeringsgerechtigden bestaat niet de
arbeidsverplichting maar wel
de aanspraak op ondersteuning en op de naar het oordeel van
burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte voorzieningen. Ook voor deze
categorieën geldt dat burgemeester en wethouders, zolang er nog
geen reïntegratieverordening is, een besluit moeten nemen rechtstreeks op
grond van de Wwb en dat het aan hen is, behoudens een eerder verzoek daartoe van betrokkene, om te bepalen of
het naderhand nodig is een
nieuw besluit te nemen op basis van de reïntegratieverordening.
In de afstemmingsverordening
(artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel b, Wwb) legt de
gemeente haar beleid vast op
welke wijze de uitkering wordt verlaagd wegens onvoldoende betoond
besef van verantwoordelijkheid of het niet nakomen van verplichtingen.
Deze verlaging treedt mede in de plaats van een tweetal algemene
maatregelen van bestuur op grond van de Abw, namelijk het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz en het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Tot het van kracht worden
van de afstemmingsverordening vindt de vaststelling van de algemene bijstand
plaats met inachtneming van de bepalingen van deze besluiten. Dat
betekent dat de artikelen 14 tot en met 14f
van de Abw
nog van kracht
blijven tot drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de Wwb
of tot zoveel eerder als de betreffende gemeentelijke verordening
van kracht is geworden.
Het is wenselijk dat de
reïntegratie- en de afstemmingsverordening in samenhang worden getroffen
om daarmee op gemeentelijk niveau een samenhangend beleid van
rechten en plichten te realiseren. Dit wordt echter niet wettelijk
voorgeschreven.
2.2. Algemeen geldende
arbeidsverplichting met mogelijkheid van individuele ontheffing
Nieuwe
uitkeringsgerechtigden
Voor personen die vanaf de
datum van inwerkingtreding van de Wwb recht hebben op algemene
bijstand is de plicht tot arbeidsinschakeling op grond van de Wwb onverkort
van toepassing. Dat betekent dat nieuwe cliënten verplicht zijn om
algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en om gebruik te maken van
een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening,
waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling,
alsmede mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Uitgangspunt van de nieuwe
wet is om aan alle cliënten
een arbeidsverplichting op te leggen, tenzij zeer dringende redenen dat
- op tijdelijke basis - niet mogelijk maken. Voor alleenstaande ouders
geldt dat de gemeente rekening moet houden met een verantwoorde
invulling van de combinatie van werk en zorg.
Overgangstermijnen voor
bestaande uitkeringsgerechtigden
Voor cliënten die al op de
peildatum of daarvoor recht hadden op algemene bijstand geldt een overgangstermijn. De
gemeente zal immers van
alle bestaande cliënten de
rechten en plichten opnieuw moeten vaststellen op basis van de Wwb
en op
basis van de nieuw op te stellen gemeentelijke verordening. De overgangstermijn loopt tot uiterlijk
één
rblz.|4|
jaar na de datum van
inwerkingtreding van de Wwb. De rechten en plichten van de cliënt
worden vastgelegd in een nieuw op te stellen beschikking, die de oude
beschikking en het eventueel bijbehorende trajectplan op basis van
artikel 70 van de Abw vervangt. Deze nieuwe beschikking dient te worden
opgesteld op basis van de gemeentelijke verordening en dient zo
specifiek mogelijk de concrete, individuele rechten en plichten van de
cliënt te omschrijven. Duidelijkheid is immers een vereiste met het oog op
het nieuwe afstemmingsartikel. Zodra de nieuwe beschikking is
opgesteld, gelden de nieuw vastgestelde rechten en plichten voor de cliënt.
Alle cliënten hebben dan uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding
van de Wwb een nieuwe beschikking.
Hoe de gemeente komt tot zo’n
nieuwe beschikking is aan de gemeente. Niet in alle gevallen zullen
immers uitgebreide gesprekken tussen de casemanager en de cliënt
noodzakelijk zijn. Verwacht mag worden dat veel gemeenten, mede naar
aanleiding van de gemaakte afspraken in het kader van de Agenda voor de
Toekomst, de meeste cliënten al hebben beoordeeld in de periode
voorafgaand aan de invoering van de Wwb en op grond van die beoordeling
nadere verplichtingen hebben vastgesteld. In die gevallen is er alleen
nog een toets noodzakelijk op de nieuwe gemeentelijke verordening op
grond van artikel 8 [8]
van de Wwb. Het ligt daarbij voor de hand om te
bezien of reeds gemaakte afspraken met de cliënt in een lopend
trajectplan, voor zover passend in de plicht tot arbeidsinschakeling van de nieuwe wet, in de
nieuwe beschikking kunnen worden voortgezet. Een meer
uitgebreid onderzoek zal echter wel nodig zijn als er sprake is van
een individuele of categorale ontheffing van één of meer
arbeidsverplichtingen. In die gevallen zal de gemeente immers moeten vaststellen welke
voorzieningen er worden aangeboden om de weg naar arbeidsinschakeling in te slaan en in welke uitzonderlijke
gevallen er alsnog een
tijdelijke ontheffing gegeven wordt.
2.3. Wijzigingen in de
centrale regelgeving voor de hoogte van de te verlenen
bijstand
Een algemeen uitgangspunt
van deze invoeringswet is dat na één jaar de Wwb
ook voor de oude
gevallen onverkort geldt. In paragraaf 2.2 is al behandeld wat dit betekent
voor het opleggen van de arbeidsverplichting en voor de afstemming van de
uitkering op het betoonde verantwoordelijkheidsbesef.
De Wwb kent een beperkt
aantal centraal geregelde wijzigingen voor de hoogte van de te verlenen
bijstand. Ook hier is dus het uitgangspunt dat uiterlijk na één jaar alle
oude gevallen een uitkering krijgen conform de vereisten van de Wwb. Omdat
het uitkeringsregime in de Wwb slechts op een aantal plaatsen afwijkt
van de Abw, zal dit in het algemeen geen problemen opleveren. In de
artikelsgewijze toelichting zal dit nader worden uitgewerkt voor de
verschillende situaties waarin door de Wwb een wijziging van de
uitkering ontstaat. Dit zijn:
a. betrokkene genoot een
vrijlating van arbeidsinkomsten. Deze vrijlating komt in de Wwb te vervallen;
b. betrokkene ontving
bijzondere bijstand op grond van een categoriale regeling die in de Wwb komt
te vervallen;
c. voor de betrokkene geldt
een andere vrijlating van het vermogen in het eigen huis, woonwagen of woonschip;
d. de nieuwe saldomethode
van de vaststelling van het eigen vermogen.
Indien vaststaat dat de
uitkering niet verandert als gevolg van de invoering van de Wwb, hoeft de
gemeente ook geen nieuw besluit te nemen. In deze invoeringswet wordt
daarom geregeld dat een uitkering op grond van de Abw vanaf de datum
van invoering overgaat in een uitkering op grond van de Wwb. In de
situaties dat de uitkering door de Wwb wel verandert, is het aan de
gemeente om te bepalen op welk moment in de rblz.|5|
overgangsperiode van twaalf
maanden de hoogte van de uitkering opnieuw wordt vastgesteld.
3. Opzet van
Ioaw, Ioaz en Wik [V;
NnavhV]
Van de wetten die met
deze
invoeringswet worden gewijzigd, hebben de Ioaw,
Ioaz en Wik een aparte positie. Deze vloeit voort uit de verwantschap
van deze regelingen met de Abw en daarmee ook met de
Wwb. Al deze wetten worden, evenals
de Wwb, door burgemeester en wethouders in medebewind uitgevoerd.
Ook in het doel van deze wetten - het bieden van een
minimuminkomensvoorziening - ligt een belangrijke verwantschap met de
Wwb. De andere inhoud
van deze regelingen ontstaat doordat de regelingen zich richten op speciale groepen voor wie het strikt
aanvullende karakter van de Wwb als minder wenselijk wordt ervaren. De Wik
onderscheidt zich verder
doordat in deze regeling het bevorderen van het kunstenaarschap een
zelfstandige doelstelling is en de betrokken kunstenaar een keuze kan
maken tussen een beroep op de Wik en op de Wwb.
3.1. Ioaw en
Ioaz [V;
NnavhV]
In hoofdstuk 10 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Wwb is
reeds ingegaan op de toekomst van de Ioaw en de
Ioaz. Het kabinet gaat ervan uit dat deze regelingen in hun huidige vorm een tijdelijk karakter
hebben. Bij de Ioaz vloeit dit voort uit het voornemen om per 1 januari
2005 te komen tot een Wet inkomensvoorziening zelfstandigen, waarin zoveel
mogelijk de bestaande regelingen worden opgenomen die zich
richten op het bieden van een minimuminkomensbescherming
aan zelfstandigen. De Ioaw zal sterk worden beïnvloed door de
nieuwe regeling voor arbeidsongeschikten. Daardoor is onduidelijk hoe
lang de Ioaw nog in de huidige opzet zal blijven bestaan.
Uit oogpunt van beperking
van uitvoeringslasten verdient het aanbeveling dat de Ioaw
en de Ioaz zoveel mogelijk meelopen met de opzet van de Wwb. Zo is de opzet van
rechten en plichten, die een centraal onderdeel vormt van de Wwb,
overgenomen in de gewijzigde opzet van Ioaw
en Ioaz. Het kabinet is echter
van oordeel dat het beoogde tijdelijke karakter van deze regelingen en de
mogelijkheid dat in de toekomstige regelingen geen sprake zal zijn van
volledige budgettering voldoende reden is om vast te houden aan de financiële verhouding
Rijk/gemeenten van 75/25.
Om deze reden kunnen de Ioaw en de Ioaz
niet volledig aansluiten bij de systematiek van de Wwb. Zo
zal de verplichte terugvordering in beide wetten worden gehandhaafd en
zullen er centrale uitvoeringsvoorschriften van kracht blijven. Een
ander onderdeel van de Wwb dat niet wordt meegenomen in de Ioaw
en Ioaz betreft de gemeentelijke verordening voor het
verlagen van de uitkeringen bij het niet nakomen van verplichtingen. In
plaats daarvan worden het maatregelenbesluit en het
boetebesluit
gehandhaafd. Deze keuze hangt samen met het feit dat in de Ioaw
en Ioaz, in
tegenstelling tot de Wwb, maatwerk alleen aan de orde is bij reïntegratie en
niet bij het vaststellen van de uitkering.
Deze beperkte aansluiting
bij de systematiek van de Wwb laat onverlet dat zowel bij Ioaw
als Ioaz reïntegratie en uitstroom een centrale doelstelling
is en dat het bijbehorende
instrumentarium van de Wwb ook geldt voor deze regelingen.
In de artikelsgewijze
toelichting van de Ioaw wordt waar mogelijk verwezen naar die op de
Ioaz.
3.2. Wik
[V;
NnavhV]
In de huidige Wik
wordt in
veel artikelen verwezen naar artikelen en rblz.|6|
begrippen uit de huidige Abw.
Deze verwijzingen worden vervangen door een begrippenkader dat
aansluit bij de Wwb. Het gaat er hierbij in eerste instantie om op basis van de
huidige uitgangspunten een ongestoorde uitvoering van de Wik ook na
het vervallen van de Abw mogelijk te maken. De hiervoor
noodzakelijke wijzigingen in de huidige Wik zijn vooral van technische aard.
De Wik is geëvalueerd in
2002. Uit de evaluatierapporten die november 2002 zijn gepubliceerd,
blijkt dat doel en opzet van deze regeling positief worden beoordeeld. Het
blijkt echter ook dat de uitvoering als ingewikkeld en bureaucratisch wordt
ervaren en dat er behoefte bestaat om in de Wik meer activerende en
stimulerende impulsen aan te brengen, gericht op het realiseren van een
renderende al dan niet gemengde beroepspraktijk als kunstenaar, waaronder
begrepen het onder verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs
Cultuur en Wetenschappen vallende flankerend beleid. Deze uitkomsten zijn
aanleiding om per 1 januari 2005 te komen tot een algehele herziening van
de Wik, waarin de gesignaleerde knelpunten worden weggenomen.
Vooruitlopend om deze
herziening worden in deze invoeringswet vast een tweetal knelpunten opgelost
die van meer technische aard zijn en die de uitvoering eenvoudiger
maken. Dit betreft de brutering van de uitkering en de methodiek van de
verrekening van inkomsten met de uitkering. In de artikelsgewijze toelichting wordt dit nader uitgewerkt.
4. Invoeringstraject
[V;
NnavhV]
De nieuwe wet betekent een
ingrijpende wijziging van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en
gemeenten.
Ter ondersteuning van de activiteiten van gemeenten en gebaseerd
op de Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001, red.] wordt voor invoering en implementatie
bij gemeenten een bedrag beschikbaar gesteld van €|20 mln. Van dit bedrag is
€|5 mln nodig voor specifieke implementatieactiviteiten
en €|15 mln voor eenmalige
invoeringskosten van gemeenten. De
implementatiekosten hebben voornamelijk betrekking op deskundigheidsbevordering
van gemeenten, het ontwikkelen van handreikingen en algemene voorlichting aan
burgers. De eenmalige invoeringskosten bij gemeenten hebben
voornamelijk betrekking op opleiding van medewerkers, voorlichting aan klanten, extra heronderzoeken in het overgangsjaar
en incidentele kosten van
automatisering.
Over de wijze waarop de
geraamde middelen zullen worden ingezet, vindt in het kader van de
implementatie nader overleg plaats met de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.].
In het
algemeen deel van de
memorie van toelichting bij de Wwb is aangegeven dat het in ieder
geval noodzakelijk is dat op 1 januari 2004 wordt gestart met de
voorgestelde decentralisatie en deregulering alsmede met de daarbij
behorende financiële verantwoordelijkheid van
gemeenten en vermindering
van administratieve lasten. Dit geldt ook voor de afschaffing van de
categoriale bijzondere bijstand, in combinatie met de invoering met de
langdurigheidstoeslag. Dit is nodig om het momentum te benutten om door
de nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden de
uitvoering van bijstand en reïntegratie op een effectieve manier te
stimuleren.
Het kabinet is bereid, gelet
op de noodzaak van een beperking van de uitvoeringslasten in het
invoeringsjaar, te bezien of, naast hetgeen al in deze toelichting is
aangegeven, enkele nadere te bepalen onderdelen van de Wwb
later in 2004 worden
ingevoerd. Het kabinet zal in dat geval gebruik maken van artikel
70 [70].
De wenselijkheid van snelle
invoering laat onverlet dat de
gemeenten voldoende voorbereidingstijd
dienen te hebben om zich adequaat op de Wwb
voor te bereiden.
Uitgangspunt daarbij is dat de uitkeringen tijdig en op de juiste wijze worden
verstrekt.
rblz.|7|
In overleg
met VNG en Divosa
heeft het kabinet een implementatieplan opgesteld om
gemeenten te ondersteunen bij de invoering van deze
wet.
Het gaat hierbij om
activiteiten als checklists van de voor elke gemeenten noodzakelijke veranderingen,
"toolkits" voor het opstellen van verordeningen, programma’s van eisen voor
de noodzakelijke ICT-aanpassingen, ambassadeursnetwerk van
voorlopende gemeenten, voorlichting en uitwisseling van best practices.
De aan ICT gerelateerde
risico’s voor het proces van juiste en tijdige verstrekking van de
uitkering zijn weliswaar aanwezig, maar kunnen met behulp van bovenstaande
maatregelen voor gemeenten voldoende worden beperkt.
Bij de
implementatieactiviteiten zal de CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.] worden betrokken, omdat ook bij de CWI aanpassingen
zullen moeten plaatsvinden als gevolg van invoering van de Wwb. Dat
zal niet alleen passief gebeuren, zoals door toezending van materiaal dat
ook de
gemeenten ontvangen, maar ook actief. Hierbij kan worden
gedacht aan het uitwerken van de planning van implementatieactiviteiten en
aan deelname van de CWI in expertmeetings. Daarnaast heeft het kabinet
in het kader van het Programma Ketenresultaten 2003-2004 afspraken
gemaakt met de raden van bestuur van CWI, UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] en VNG. Belangrijk
onderdeel hiervan is de gegevensuitwisseling tussen de partners in de
keten van werk en inkomen.
Met de ondersteuning bij de
implementatie en met de investeringen in de relatie tussen de CWI en
gemeenten is het kabinet van mening dat de risico’s van invoering per
1 januari 2004 beheersbaar zijn.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel
1 [1].
Begripsbepalingen
In dit artikel wordt bepaald
dat waar in hoofdstuk 2 [2]
van deze wet over de Algemene bijstandswet (Abw),
de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), het Besluit in- en
doorstroombanen (ID-besluit) of de Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz (WFA)
wordt gesproken, deze wetten en dit besluit, alsmede de daarop
gebaseerde nadere regelgeving, worden bedoeld zoals deze gelden op
de dag voordat de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking treedt: de
peildatum.
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
Artikel 2
[2].
Intrekking wetten
en besluit [V;
NnavhV]
Omdat de
Abw, de Wiw, de WFA
en het ID-Besluit worden geïntegreerd in de
Wwb, kunnen deze wetten en
dit besluit worden ingetrokken. De op de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)
en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) betrekking hebbende artikelen van de
WFA worden in die wetten zelf opgenomen; zie de artikelen 23
[23] en
24 [24]. De
Ioaw
en de Ioaz worden eveneens gewijzigd in verband met de Wwb. Op grond
van artikel 21 van het ID-Besluit vervalt dit besluit overigens met
ingang van 1 januari 2004, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet
(i.c.
het wetsvoorstel Wwb) bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie
aan de gemeente, bedoeld in dit besluit, is geregeld. Door het besluit
ook in te trekken, wordt bewerkstelligd dat er geen onhelderheid kan
bestaan over het feit dat het ID-besluit met de inwerkingtreding van de Wwb vervalt.
rblz.|8|
Het kabinet is voornemens
in
het inwerkingtredingsbesluit van deze wet en de Wwb
(op grond van het
tweede lid onderscheidenlijk artikel 85
[85] van de Wwb) te regelen dat:
- artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel a en b, van de
Wwb (reïntegratie- en afstemmingsverordening) en
artikel 35 van de Ioaw en de
Ioaz (reïntegratieverordening)
drie maanden na de inwerkingtreding van de Wwb
in werking treden,
waarbij overigens geldt dat als de betreffende verordeningen eerder door de
gemeenteraad zijn vastgesteld, burgemeester en wethouders
deze uiteraard moeten toepassen;
- artikel 10 [10]
van de Wwb
en
artikel 36 van de Ioaw en de
Ioaz (aanspraak op ondersteuning)
treden in werking op het tijdstip dat de reïntegratieverordening in
werking treedt, doch uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van
de Wwb;
- artikel 18 [18], tweede en
derde lid, van de Wwb
(afstemming) en de daarbijbehorende bepalingen
omtrent de plichten van de belanghebbende treden in werking op het
tijdstip dat de afstemmingsverordening in werking treedt, doch
uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van die
wet;
- de artikelen 14 tot en
met 14f en 142a van de Abw (boeten en maatregelen) en de daarbijbehorende
bepalingen omtrent de plichten van de belanghebbende vervallen op
het tijdstip dat de afstemmingsverordening in werking treedt, doch
uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van de Wwb. Zie hierover ook
paragraaf
2.1 van het algemene deel van deze toelichting.
Het kabinet beoogt in het
inwerkingtredingsbesluit geen andere zaken te regelen dan bovengenoemde,
behalve dat artikel 77 [77], tweede lid, van de
Wwb
(voorlopig verslag over
de uitvoering) in werking treedt met ingang van het tweede kalenderjaar
waarop die wet betrekking heeft. Mocht het in het kader van de goede
invoering van de Wwb op enig moment nodig blijken ook andere zaken te
regelen dan het kabinet momenteel noodzakelijk acht, dan zal daartoe
gebruik worden gemaakt van artikel 71
[71] [artikel 70 [70], red.] (zie de toelichting bij dat
artikel).
Doordat de Wiw wordt
ingetrokken, vervalt ook de verordeningsplicht van artikel
3, tweede lid, van
die wet (subsidies aan personen). De gemeentelijke regels met betrekking tot
subsidies aan personen vallen onder de verordeningplicht van
artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel a, van de
Wwb
en artikel 36 van de Ioaw en de
Ioaz (reïntegratieverordening).
Op grond van het derde lid
kan bij ministeriële regeling rekening worden gehouden met gevolgen van de
toepassing van het tweede lid. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan situaties waarin de latere overgang van de Abw
op de genoemde punten
in de praktijk niet zonder meer aansluit op de Wwb.
Artikel 3
[3].
Toeslagenverordening [V;
NnavhV]
De verordening, bedoeld in
artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel c, van de Wwb
(toeslagenverordening; zie
ook artikel 30 [30]
van die
wet), is formeel dezelfde als die bedoeld in artikel
38 van de Abw. Op grond van dit artikel hoeft de gemeenteraad inhoudelijk
geen nieuwe verordening vast te stellen. Desgewenst kan de gemeente
de bestaande verordening op enig moment uiteraard wel aanpassen,
bijvoorbeeld in verband met artikel 27
[27] van de Wwb; technische wijzigingen
zijn misschien wel nodig.
Artikel 4
[4].
Omzetting
besluiten
Met dit artikel wordt
geregeld dat burgemeester en wethouders niet op de datum waarop de Wwb
in
werking treedt alle besluiten (met name uitkeringsbeschikkingen,
maar ook premiebeschikkingen) die zij op grond van de Abw, de
Wiw en het ID-Besluit
hebben genomen opnieuw hoeven te nemen. Die besluiten
gelden vanaf dat moment als besluiten op grond rblz.|9|
van de Wwb. De gemeente
moet
vervolgens binnen twaalf maanden de betreffende besluiten - middels een beschikking waartegen bezwaar en beroep open staat
- in overeenstemming brengen met de
Wwb, waarbij
de artikelen 8 tot en met 12 [8-12]
van deze wet uiteraard in acht moeten worden genomen. Zie hierover ook
paragraaf 2.2 van het algemene deel van deze toelichting.
Het voordeel van deze
bepaling is dat er na de inwerkingtreding van de Wwb in principe geen twee
wetten tegelijk gelden, maar alleen de nieuwe. Een nadeel is dat er
besluiten kunnen zijn die materieel niet geheel voldoen aan de Wwb.
De rechten en plichten die voortvloeien uit dergelijke besluiten blijven
echter gelden totdat het besluit door burgemeester en wethouders is aangepast,
tenzij in deze wet iets anders wordt voorgeschreven; zie de
artikelen 8 tot en met 12 [8-12]. In dringende gevallen kan dit betekenen dat
burgemeester en wethouders bepaalde besluiten met voorrang zullen moeten
wijzigen.
Besluiten die burgemeester
en wethouders op grond van de Wiw en het ID-besluit hebben genomen
ten aanzien van personen met een Ioaw- of
Ioaz-uitkering gelden, na de
inwerkingtreding van de Wwb, uiteraard als besluiten op grond van de Ioaw
en de Ioaz. Verder moeten ook Ioaw-
en Ioaz-besluiten binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Wwb
door burgemeester en
wethouders in overeenstemming worden gebracht met de nieuwe
artikelen 37 en 37a (arbeidsplicht en ontheffing) van die wetten; zie de
artikelen 23 [23] en 24
[24] van deze
wet.
Uit het vijfde lid volgt dat
ook besluiten die burgemeester en wethouders nemen op grond van artikel
2 [2], tweede lid, bijvoorbeeld boeten en maatregelen in de eerste drie maanden na
de inwerkingtreding van de Wwb (zie de toelichting op artikel
2), gelden als door hen genomen besluiten op grond van de Wwb en dat deze
besluiten binnen twaalf maanden in overeenstemming moeten worden gebracht met
de Wwb.
Artikel 5
[5]. Aanvragen [V;
NnavhV]
Uit het bovenstaande vloeit
voort dat vóór de inwerkingtreding van de Wwb
in principe alleen de Abw geldt en erna slechts de
Wwb. In dit artikel wordt bepaald dat,
afhankelijk van wanneer het recht op bijstand ingaat, wordt beslist op
grond van de Abw (vóór/op de peildatum) of de Wwb (erna). Aangezien het
recht op bijstand niet eerder in kan gaan dan op de datum van melding bij
de Centrale organisatie werk en inkomen of de gemeente
(artikel 68a,
eerste lid, Abw en artikel
44 [44], eerste lid,
Wwb), zal na de inwerkingtreding van de Wwb
op
bijstandsaanvragen al snel alleen nog maar die wet van toepassing zijn.
Op aanvragen voor een Ioaw- of
Ioaz-uitkering wordt na de inwerkingtreding
van de artikelen 23 [23]
en 24 [24]
van
deze wet besloten overeenkomstig de wet zoals die op dat moment luidt.
Artikel 6
[6].
Terugvordering,
verhaal, boetes en maatregelen [V;
NnavhV]
Als na de inwerkingtreding
van de Wwb blijkt dat vóór of op de peildatum (of erna op grond van
artikel 2 [2], tweede lid; zie ook de toelichting op dat
artikel, waaruit blijkt dat
dit voor terugvordering en verhaal niet wordt beoogd) verleende bijstand
op grond van de Abw moest worden teruggevorderd of verhaald dan wel een boete of maatregel moest worden opgelegd,
dan moeten burgemeester en
wethouders overeenkomstig de Abw deze bijstand terugvorderen
of verhalen dan wel een boete of maatregel opleggen. Op deze manier wordt voorkomen dat de vraag
óf wordt teruggevorderd
of verhaald dan wel welke
sanctie (een boete of maatregel dan wel een - mogelijke
zwaardere - verlaging) wordt opgelegd, afhankelijk is van wanneer de mogelijkheid
hiertoe wordt vastgesteld.
Na de inwerkingtreding van
de Wwb kan de gemeente beslissen om op grond van de Abw genomen
besluiten inzake boetes, maatregelen, terugvordering en verhaal conform de
Wwb te
wijzigen (bijvoorbeeld verder afzien van rblz.|10|
terugvordering), voor zover
het tenminste na de peildatum verleende bijstand betreft.
Artikel 7
[7].
Zelfstandigen [V;
NnavhV]
In het
algemene deel van de
toelichting bij de Wwb wordt aangekondigd dat er een wet in
voorbereiding is waarin alle regelgeving met betrekking tot zelfstandigen wordt
gebundeld. In verband hiermee zijn er in de Wwb geen bepalingen opgenomen
met betrekking tot zelfstandigen. In afwachting van die nieuwe wet wordt
in
dit verband op grond van dit artikel het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen aangepast en aangevuld [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]. Hierbij kan, net als bij de Abw,
worden afgeweken van de volgende artikelen en paragrafen van de Wwb:
- artikel 9 [9]: plicht tot
arbeidsinschakeling;
- artikel 10 [10]: aanspraak op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling;
- artikel 32 [32]: inkomen;
- artikel 34 [34]: vermogen;
- artikel 40 [40]: woonplaats
en adresgegevens;
- artikel 41 [41]: aanvraag bij
CWI;
- paragraaf 6.1 [6.1]: vorm
bijstand;
- paragraaf 6.4 [6.4]:
terugvordering;
- paragraaf 7.1 [7.1]:
financiering.
Artikel 8
[8].
Vermogen
Mede op grond van
jurisprudentie (uitspraken van 2 mei 2000, JABW 2000/103, en 2 januari 2001,
JABW 2001/55) is er in de Wwb voor gekozen om bij de bepaling van het
vermogen rekening te houden met schulden, ongeacht of die bij aanvang
van de bijstand aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandverlening zijn
ontstaan. De strekking van deze jurisprudentie is dat artikel 51 van de Abw
er niet aan in de weg staat om bij de (her)beoordeling van het
recht op uitkering tijdens de bijstandsperiode, naast de ontvangen positieve
vermogensbestanddelen, tevens de negatieve vermogensontwikkelingen
tijdens die periode in aanmerking te nemen. In de Abw
was bepaald
dat met schulden alleen rekening wordt gehouden voor zover die bij
de aanvang van de bijstandverlening aanwezig zijn.
Daarnaast wordt in de Wwb,
evenals in de Abw, bij de aanvang van de bijstandsuitkering
vastgesteld wat voor betrokkene het resterende bedrag van het vrij te laten
vermogen is. Een toename van het vermogen naderhand wordt tot dat bedrag
vrijgelaten. Deze vaststelling moet zo nodig voor degenen aan wie op de peildatum algemene bijstand werd verleend,
net als de herbeoordeling,
bedoeld in artikel 4 [4], derde lid, plaatsvinden binnen twaalf maanden na de
inwerkingtreding van de Wwb. Het resterende bedrag van het vrij te laten
vermogen wordt bepaald aan de hand van het vermogensbedrag
zoals dat laatstelijk vóór of op de peildatum door burgemeester en
wethouders is vastgesteld. Het resterende vrij te laten vermogen is het vrij
te laten vermogen, bedoeld in artikel 43
[43], derde lid, van de Wwb, verminderd
met het hiervoor bedoelde vermogensbedrag.
Artikel 9
[9].
Vrijlating
arbeidsinkomsten [V;
NnavhV]
Met de inwerkingtreding van
de Wwb vervalt de vrijlating van arbeidsinkomsten. Vanaf die datum worden alle
inkomsten uit arbeid op de uitkering in mindering gebracht. Voor
diegenen die op de peildatum al een vrijlating van inkomsten uit
arbeid hebben, geldt een overgangsregeling. Deze overgangsregeling is
opgesteld met het oog op een geleidelijke overgang van de oude naar de
nieuwe situatie zodat een al te abrupte inkomensachteruitgang van
cliënten met een vrijlating wordt voorkomen.
rblz.|11|
De regeling gaat in met
ingang van het tweede kwartaal van het jaar waarin de Wwb
in werking
treedt, omdat dit de datum is waarop de gemeentelijke
reïntegratieverordening uiterlijk gereed moet zijn. De overgangsregeling houdt in
dat de op de peildatum genoten vrijlating vanaf dat tweede kwartaal in
drie stappen wordt afgebouwd en wel volgens de volgende
systematiek. Gedurende het tweede kwartaal geldt een vrijlating van 75% van
de arbeidsinkomsten met een maximum van 75% van de op de peildatum
ontvangen vrijlating. Gedurende de volgende twee kwartalen lopen deze
percentages af van 50% in het derde tot 25% in het vierde kwartaal. In het
tweede jaar na de inwerkingtreding van de Wwb is geen vrijlating meer
mogelijk. De vrijlating geldt alleen voor zover en voor zolang er sprake is
van daadwerkelijk verkregen inkomsten.
Met het afschaffen van de
vrijlating van arbeidsinkomsten wordt nadrukkelijker inhoud gegeven aan het
complementaire karakter van de bijstand: de bijstand vult aan op
hetgeen mensen zelf kunnen verdienen. De vrijlating van de arbeidsinkomsten
belemmert doorstroom naar grotere deeltijdbanen dan wel bijstandsonafhankelijkheid.
Het verrichten van
deeltijdarbeid zou beschouwd moeten worden als een stap op weg naar uitstroom.
Door het gericht inzetten van voorzieningen zoals scholing, kinderopvang
of een premie kunnen bijstandscliënten worden gestimuleerd verdere
stappen te zetten naar bijstandsonafhankelijkheid. Het valt daarom aan te
bevelen dat
gemeenten in hun verordening rekening houden
met de specifieke situatie van cliënten die op de peildatum een
vrijlating van arbeidsinkomsten hebben. Door een gerichte inzet van
bijvoorbeeld het premie-instrument kan zowel de inkomensachteruitgang worden
verzacht of geheel worden weggenomen en kan er daarmee een extra
stimulans ontstaan om een grotere deeltijdbaan te zoeken.
Artikel 10
[10].
Categoriale
bijzondere bijstand [V;
NnavhV]
Anders dan de
Abw kent de Wwb
geen recht op categoriale bijzondere bijstand voor personen
jonger dan 65 jaar. Het kabinet acht het gewenst dat voor deze groep alleen
het op de datum van de inwerkingtreding van de Wwb lopende recht op
categoriale bijzondere bijstand gedurende een redelijke termijn
gehandhaafd blijft. Daarom is bepaald dat voor zover aan een persoon die vóór de
inwerkingtreding van de Wwb een recht op categoriale bijzondere
bijstand is toegekend dat (mede) betrekking heeft op een periode na de
peildatum, deze persoon dit recht behoudt tot het moment dat in de betreffende
beschikking is bepaald, doch uiterlijk tot één jaar na die
inwerkingtreding.
Ten aanzien van categoriale
bijzondere bijstand in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering geldt een afzonderlijk overgangsrecht.
Het betreft hier vaak langer
lopende contracten tussen gemeente en
ziektekostenverzekeraar die bezwaarlijk beëindigd kunnen worden. Voorts
stuit de
overheveling van belanghebbenden naar een andere verzekering op
administratieve en verzekeringstechnische problemen. Ook dient
voorkomen te worden dat het draagvlak voor een lopende verzekering vervalt
doordat het aantal verzekerden om een kritische grens daalt. In verband
hiermee is bepaald dat gemeenten op de datum van de
inwerkingtreding van de Wwb lopende collectieve aanvullende ziektekostenverzekering
kunnen voortzetten tot een door de gemeente te bepalen moment
en deze desgewenst ook kunnen verlengen. Om te voorkomen dat de
gemeenten bij contractverlenging in een ongunstige onderhandelingspositie komen
doordat zij aan de bestaande contractpartner zijn
gebonden, krijgen de gemeenten de mogelijkheid om na afloop van een bestaand
contract met een andere verzekeringsmaatschappij een contract aan te gaan.
Gemeenten die een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering
hebben, kunnen nieuwe verzekerden toelaten zodat het aantal
verzekerden niet onder vorengenoemde kritische rblz.|12|
grens
daalt. Hierbij heeft
het kabinet mede in aanmerking genomen dat een dergelijke verzekering
niet in betekenende mate bijdraagt aan de armoedeval. Genoemde
mogelijkheden worden herzien indien ontwikkelingen in het zorgstelsel daartoe
aanleiding geven. Gemeenten die op de peildatum geen collectieve
aanvullende verzekering hebben lopen, hebben niet de bevoegdheid
om een dergelijke verzekering aan te gaan. Het overgangsrecht beoogt
aan te sluiten bij de bestaande situatie, waarin in bepaalde gemeenten wel en
in andere gemeenten geen gebruik wordt gemaakt van een collectieve aanvullende verzekering. Het financiële voordeel
van een collectieve
aanvullende verzekering kan bestaan uit een premiereductie en/of een
uitgebreider vergoedingenpakket. Voor zover een gemeente na invoering van de
Wwb niet de mogelijkheid heeft van een collectieve aanvullende
verzekering dan wel daar niet meer voor kiest, kan zij op basis van individuele
bijzondere bijstand financiële compensatie bieden voor de kosten van een individuele aanvullende ziektekostenverzekering.
Daarnaast heeft een gemeente
de mogelijkheid om aan degenen die individueel aanvullend
verzekerd zijn bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten
die niet onder die verzekering vallen.
Artikel 11
[11].
Woonwagen en
-schip [V;
NnavhV]
In
de
Wwb zijn bepalingen
opgenomen over de wijze waarop met het in een woonboot of woonwagen gebonden vermogen bij de
bijstandverlening
rekening moet worden
gehouden. Dit is een wijziging ten opzichte van de Abw. Om te
voorkomen dat woonboot- of woonwagenbewoners die vóór de inwerkingtreding
van de Wwb een bijstandsuitkering ontvangen, worden
geconfronteerd met de omzetting van reeds toegekende bijstand om niet
in een lening, is in dit artikel voor deze gevallen bepaald dat de vorm
van de bijstandverlening na de invoering van de Wwb
niet wijzigt. Dit
betekent dat indien de bijstand onder de Abw om niet is verleend, deze
ook onder de Wwb om niet wordt verleend. Een belangrijke reden hiervoor
is dat een deel van het in de woonwagen of woonschip gebonden vermogen
is opgebouwd tijdens de bijstandsperiode. Het in aanmerking nemen van
dit deel van het vermogen vindt ook niet plaats bij
bezitters van een eigen woning. Om praktische redenen is ervoor gekozen om
gemeenten niet te belasten met het "uitzuiveren" van het tijdens de bijstand
opgebouwde deel van het vermogen. Voorts is overwogen dat in verband met
de hoge bedragen die hier in het geding zijn de rechtszekerheid een
navenante overgangstermijn vereist. Tevens is in aanmerking genomen dat
het een ingrijpende beslissing is om een woonruimte (woning,
woonwagen, woonschip) in eigendom te nemen. Daarbij moeten alle
consequenties voor de betrokkene kenbaar zijn, ook waar het betreft de gevolgen
voor toekomstige bijstandverlening. Het is in strijd met de
rechtszekerheid om betrokkenen die in het verleden een dergelijke beslissing hebben
genomen achteraf te confronteren met een gewijzigd bijstandsregime.
Het kan voorkomen dat de
woonboot- of woonwagenbewoners, bijvoorbeeld in verband met
werkaanvaarding, enige tijd geen bijstand hebben ontvangen en na de peildatum
wederom een beroep op bijstand doen. Zonder overgangsrecht zijn
de bepalingen van de Wwb dan onmiddellijk onverkort van toepassing.
Uit billijkheidsoverwegingen en om het armoedevalrisico te
voorkomen, is erin voorzien dat degenen op wie het eerste lid van deze bepaling
van toepassing is het daaruit voortvloeiende recht behouden indien de
bijstandverlening binnen één jaar na de inwerkingtreding
van de Wwb is beëindigd en
binnen datzelfde jaar wordt hervat. Voor de duur van
deze periode is aangesloten bij de in deze wet gebruikelijk periode van
één jaar.
rblz.|13|
Artikel 12
[12].
Krediethypotheek
Voor de gevallen waarin
vóór de inwerkingtreding van de Wwb bijstand is verleend met toepassing van
artikel 20 van de Abw of artikel
4, vierde lid, laatste volzin, van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, en de krediethypotheek is
gevestigd, blijft het bepaalde bij of krachtens die artikelen van toepassing. Deze bepaling laat de
gemeenten geen
ruimte voor hertaxatie in de
betreffende gevallen.
In het tweede lid is bepaald
dat voor de zekerheidstelling het regime van de Wwb geldt indien de
bijstand is aangevraagd na de publicatie van die wet in het
Staatsblad. Met
de keuze voor deze datum worden twee zaken bereikt. In de eerste plaats
hangt daarmee de keuze tussen het Abw- en het
Wwb-regime alleen af van de situatie van de betrokkene. In de tweede
plaats wordt met een
vroegere datum dan de inwerkingtredingsdatum van de Wwb bereikt dat het
gunstiger regime van de Wwb ook kan gelden in situaties dat de
zekerheidstelling plaatsvindt na de inwerkingtreding van de Wwb doch mede
betrekking heeft op bijstand die is verstrekt vóór de peildatum.
Verder heeft de keuze voor deze datum als praktisch voordeel dat dan
de voor de juridische afwikkeling van bijstandsaanvraag en
krediethypotheek vereiste wettekst voorhanden is.
Artikel 13
[13].
Verhaal [V;
NnavhV]
Zoals in
paragraaf 6.2 van
de toelichting bij de Wwb wordt aangeven, treden de artikelen
56 [56], 61
[61] en 62
[62] van de Wwb (verhaal) in werking zodra de nieuwe
kinderalimentatiewetgeving in werking treedt. Dit brengt met zich mee dat de mogelijkheid van
verhaal op de ex-partner komt te vervallen zodra de artikelen
56 [56], 61
[61] en
62 [62] van de Wwb zijn ingevoerd. Als de Wwb
eerder in werking treedt dan
de nieuwe kinderalimentatiewetgeving, blijven de Abw-artikelen met
betrekking tot verhaal zolang van toepassing, zij het als bevoegdheid van
de
gemeenten in plaats van een verplichting.
In artikel 6
[6] is bepaald dat
de bepalingen van de Abw van toepassing zijn op verhaal van bijstand
verleend op of vóór de peildatum. Dit geldt dus ook als de verhaalsactie in
zo’n geval is gestart na de peildatum. De omzetting van de
verhaalsplicht in een bevoegdheid, zoals vastgelegd in dit artikel, heeft alleen
betrekking op bijstand die na de peildatum is verleend.
Artikel 14
[14].
Gesubsidieerde
arbeid
Op grond van
artikel 7 [7],
eerste lid, onderdeel b, juncto artikel
6 [6], onderdeel a, van de
Wwb vallen
werknemers niet onder de reïntegratieverantwoordelijkheid van de gemeente. Dit zou,
gezien artikel 69 [69], eerste lid, onderdeel a, van de Wwb, betekenen dat
dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen op grond van de Wiw
of het ID-Besluit niet uit het gemeentelijke reïntegratiebudget kunnen
worden gefinancierd. Met dit artikel wordt die onwenselijke situatie
voorkomen. Hiermee wordt tevens geregeld dat personen met een dergelijke
baan ook aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij
reïntegratie (vgl. artikel 10 [10], tweede lid, van de Wwb). Aangezien personen met een
Wiw- of een ID-baan geen uitkeringsgerechtigde meer zijn, maar werknemer,
is dit artikel ook van toepassing op banen die door voormalige Ioaw-ers
of
Ioaz-ers worden vervuld.
Artikel 15
[15].
Uitbesteding [V;
NnavhV]
In artikel 8 van de
Wiw is
opgenomen dat de werkzaamheden rondom de Wiw-dienstbetrekkingen
(artikel 4 Wiw) zijn uitgezonderd van
het uitbestedingsvereiste. In
het ID-Besluit is niets opgenomen over uitbesteding; wel is bij
circulaire (20 december 2002) mede met het oog rblz.|14|
op de Wwb
aangegeven dat
ervan wordt uitgegaan dat
gemeenten bij de besteding van de middelen
van het ID-besluit voor andere voorzieningen - dan arbeidsplaatsen - de
regels op grond van artikel 4.1 van het
Besluit SUWI in acht nemen. Om een
optimale werking van de reïntegratiemarkt tot stand te laten komen,
geldt in de Wwb het uitbestedingsvereiste voor het totale vrij besteedbare
reïntegratiebudget en gaat het uitbestedingsvereiste dus ook gelden voor de
werkzaamheden rondom de opvolgers van de Wiw-dienstbetrekkingen en
ID-banen.
Artikel 15 [15]
regelt het
overgangsregime voor de uitbesteding van activiteiten die voorheen betrekking
hadden op de uitvoering van artikel 4 van de Wiw
en artikel 6 van het ID-Besluit. Voor de overige reïntegratieactiviteiten geldt
- net als nu op
grond van de Wiw het geval is - dat met ingang van de
inwerkingtreding van de Wwb uitbesteding verplicht is. In het artikel is een
onderscheid gemaakt tussen bestaande overeenkomsten (personen die vóór
inwerkingtreding van de Wwb een Wiw-dienstbetrekking hadden of werkzaam waren op
een ID-baan) en nieuwe overeenkomsten. Onder nieuwe overeenkomsten
wordt verstaan personen aan wie een arbeidsovereenkomst
wordt aangeboden die dezelfde of vergelijkbare kenmerken heeft als de dienstbetrekking op grond van
artikel 4 van
de Wiw (detacheringsbanen)
of artikel 6 van het ID-Besluit. Het verlengen van arbeidsovereenkomsten na
afloop van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt daarbij
niet als nieuwe overeenkomst beschouwd. Er is geen sprake van een
nieuwe overeenkomst als de feitelijke werkplek wijzigt maar de
arbeidsovereenkomst in stand blijft.
Om gemeenten de tijd te
geven te voldoen aan de uitbestedingsverplichting voor de opvolgers van de
Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen geldt dat gemeenten
de activiteiten voor oude gevallen niet hoeven uit te laten voeren
door derden. Ook kunnen gemeenten door deze bepaling de huidige Wiw/ID-uitvoeringsorganisaties
die nog niet voldoen aan de vereisten om
mee te kunnen dingen op de reïntegratiemarkt - wat betreft de
rechtspersoonlijkheid en/of de werkwijze, methodiek, cultuur en personeel
- een
kans geven om gedurende het overgangsregime te
transformeren tot reïntegratiebedrijf dat wel aan deze vereisten
voldoet. Deze
activiteiten kunnen dus worden vervuld door de organisatie die thans ook de
werkzaamheden met betrekking tot artikel 4 van de Wiw
en het ID-besluit
uitvoert.
Tijdens het eerste
kalenderjaar waarin de Wwb van kracht is, geldt eveneens dat gemeenten de
activiteiten voor nieuwe detacheringsbanen niet hoeven uit te besteden. Ook
als deze organisaties na de overgangstermijn niet meedingen naar de
uitvoering van reïntegratiewerkzaamheden ten behoeve van nieuw ingestroomde belanghebbenden, kan de gemeente
ervoor kiezen de reeds
gestarte werkzaamheden op grond van de overgangsregeling door de
huidige Wiw/ID-organisatie te laten voortzetten. Hieraan is geen einddatum
verbonden.
Artikel 16
[16].
Meeneemregeling
In de
Wiw is thans bepaald
dat het scholings- en activeringsbudget dat in enig jaar niet is besteed,
wordt toegevoegd aan het scholings- en activeringsbudget van het
daaropvolgende jaar. In de Regeling uitvoering en financiering
Wet inschakeling werkzoekenden is
vastgelegd dat aan dit meenemen een maximum is verbonden. Eveneens is
bepaald dat
gemeenten overschotten op het zogeheten vast budget die
ontstaan door het realiseren van minder dienstbetrekkingen dan op
grond van het verleende vast budget was toegestaan, toevoegen aan het
scholings- en activeringsbudget van het volgend jaar.
In dit artikel is geregeld
dat bij invoering van de Wwb geldt dat deze overschotten worden
toegevoegd aan het werkfonds dat aan de gemeente wordt toegekend op grond van
de Wwb.
Voorts is in dit artikel
geregeld dat het overschot dat in het jaar voorafgaand aan rblz.|15|
de invoering van
de Wwb ontstaat doordat dienstbetrekkingen worden gerealiseerd tegen
een lager bedrag dan het bedrag waarop de gemeente, gelet op de
geldende normbedragen, recht heeft ("efficiencywinst"), mag worden toegevoegd
aan het werkfonds op grond van de Wwb of in het kader van de
Wet sociale werkvoorziening mag worden besteed. Met dit artikel
wordt beoogd de huidige regelgeving ten aanzien van de bestemming van overschotten op verleende subsidies zoveel
mogelijk voort te zetten.
Artikel 17
[17].
Uitkeringen
gemeenten [V;
NnavhV]
De budgetten van de
gemeenten voor de Wwb-uitkeringslasten en de reïntegratie voor het
eerste kalenderjaar na de inwerkingtreding van de Wwb kunnen formeel pas
worden vastgesteld na die inwerkingtreding. Op grond van dit artikel
gebeurt dit binnen vier weken na de inwerkingtreding. Uiteraard krijgen de
gemeenten al wel eerder indicaties van de budgetten.
De budgetten voor de Ioaw-
en
Ioaz-uitkeringslasten die voor het eerste kalenderjaar na de
inwerkingtreding van de artikelen 23
[23] en
24 [24]
zijn vastgesteld op grond van de
WFA veranderen uiteraard niet doordat de desbetreffende WFA-bepalingen worden
geïntegreerd in de Ioaw en de
Ioaz.
Artikelen
18 [18], 19
[19] en 20
[20].
Verantwoording
Met deze artikelen wordt
geregeld dat de financiële verantwoordingen van de Abw, de
Wiw en het ID-Besluit
over de jaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wwb
plaatsvinden op grond van respectievelijk de WFA, de
Wiw en het ID-besluit. Ook de bepalingen over het toezicht en de informatievoorziening van
de Abw, de Wiw en het ID-besluit blijven van toepassing op de
uitvoering van die wetten en dat besluit na inwerkingtreding van de Wwb.
De financiële verantwoording van de Ioaw en de
Ioaz over de jaren voorafgaande aan de
inwerkingtreding van de artikelen 23
[23] en
24 [24]
van deze wet vindt niet plaats op
grond van de WFA, maar op grond van die wetten (waarin overigens hetzelfde
wordt geregeld als in de WFA; zie de artikelen 23
[23] en
24 [24]).
Artikel 21
[21].
Bezwaar- en
beroepschriften
Op bezwaar- en
beroepschriften tegen besluiten op grond van de Abw, de
Wiw of het ID-Besluit
waarop vóór de inwerkingtreding van de Wwb (of
vóór het vervallen van de
desbetreffende op grond van artikel 2
[2], tweede lid, doorwerkende
bepalingen; zie de toelichting op dat artikel en op artikel
4, vijfde lid) nog
niet is beslist of waarop, gezien artikel 12
[12] van
deze wet, de Abw van toepassing
blijft, wordt besloten met toepassing van die wetten of dat besluit.
Artikel 140 van de Abw betreft een verzoek om onverwijlde bijstand aan de
voorzitter van gedeputeerde staten (vgl. artikel 81
[81] van de Wwb).
Artikel 22
[22].
Toezicht [V;
NnavhV]
De Inspectie Werk en Inkomen
houdt toezicht op de goede invoering van de Wwb, overeenkomstig dit hoofdstuk.
rblz.|16|
Hoofdstuk 3. Wijziging van
andere wetten
§ 3.1. Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
Artikel
23 [23].
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen
B [B]
Aangezien voor wat
betreft de bepalingen aangaande arbeidsinschakeling wordt aangesloten bij de
Wwb, worden in de
Ioaz de definitiebepalingen van de begrippen
arbeidsinschakeling en sociale activering in de Ioaz opgenomen.
C [C]
In artikel 6 worden de
onjuiste verwijzingen naar artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet en
artikel 644 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek vervangen door artikel
1,
onderdeel g, van de Werkloosheidswet en artikel 6:1 van de
Wet arbeid en zorg.
D [D]
Hoewel de
inlichtingenplicht waarschijnlijk de meeste betekenis heeft inzake de verlening van
uitkering, kan het ook van belang zijn dat burgemeester en wethouders kennis
dragen van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de
arbeidsinschakeling van de individuele belanghebbende. Om deze reden heeft de in
het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting
betrekking op zowel de arbeidsinschakeling als het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het
bedrag van de uitkering
dat aan hem wordt betaald. Uitgangspunt blijft dat van de belanghebbende
die een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening
verlangd kan worden dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt
die het de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of
het beroep op die voorziening terecht wordt gedaan. Het feit dat
burgemeester en wethouders niet alleen bij een uitkeringsaanvraag of een
aanvraag tot ondersteuning bij arbeidsinschakeling, maar ook in andere stadia
van uitkeringsverlening en arbeidsinschakeling concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende
vragen, laat onverlet dat
de belanghebbende onverwijld uit eigen beweging inlichtingen
dient te verstrekken indien het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
die feiten en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed
kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op uitkering.
Verstrekt de belanghebbende niet of niet alle gevraagde inlichtingen en
bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de beoordeling door
burgemeester en wethouders van het recht op uitkering of ondersteuning bij
arbeidsinschakeling.
Het tweede lid bevat een
algemene medewerkingsverplichting die zowel geldt ten aanzien van de
arbeidsinschakeling als de verlening van de uitkering. Burgemeester
en wethouders vertalen de algemene medewerkingsverplichting
in individuele situaties in één of meer concrete verplichtingen. Zo kan
bijvoorbeeld van de belanghebbende gevergd worden dat hij medewerking verleent aan een huisbezoek. Het niet
verlenen van de specifiek
verlangde medewerking kan voor burgemeester en wethouders aanleiding
vormen het recht op uitkering op te schorten, met toepassing
van artikel 17. Het derde en het vierde lid bieden ondersteuning van de
hoofdverplichting tot het verstrekken van relevante informatie. Zij dienen om
de juistheid van de verschafte informatie te kunnen verifiëren. Het
zich kunnen legitimeren met een geldig legitimatiebewijs is een voorwaarde om
aanspraak te kunnen maken of te behouden rblz.|17|
op een voorziening
ingevolge deze wet. Derden mogen zich ook met een rijbewijs legitimeren.
Voor belanghebbenden geldt dit niet, omdat een rijbewijs de
nationaliteit niet vermeldt, die van belang is voor de vaststelling van het recht op
uitkering (artikel 6).
E [E]
Artikel 36 is in de
Ioaz vervangen door een nieuw artikel 37a. De verwijzing naar
artikel 36 is hierop
aangepast. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de
foutieve verwijzing in artikel 14, vierde lid, naar het derde en vierde lid
te wijzigen in de juiste verwijzing naar het tweede en derde lid.
F
[F]
In artikel 18 was bepaald
dat bij een besluit tot toekenning of voortzetting van de uitkering, in een
bijlage, mededeling wordt gedaan van de rechten en plichten van de
belanghebbende die verband houden met de toekenning of voortzetting van de
uitkering. Dit artikel vervalt in verband met de nieuwe bepalingen
betreffende de rechten en plichten in hoofdstuk
III. In het nieuwe systeem wordt
in beginsel aan iedereen de verplichting opgelegd om naar vermogen algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. De gemeente
geeft bij aanvang van de uitkeringssituatie aan wat de opgelegde
verplichtingen zijn en wat de directe gevolgen zijn voor de uitkering indien
betrokkene één of meer van deze verplichtingen niet nakomt. Deze
gevolgen worden door de gemeente zelf bepaald.
G [G]
Met het vervallen van
artikel 18 vervalt tevens de verwijzing naar artikel
18, vierde lid, in artikel 20, eerste lid. De verwijzing in
artikel 20, eerste lid,
naar artikel 35, eerste
lid, onderdeel c, wordt aangepast aan het nieuwe artikel
37, dat artikel
35 in de
Ioaz vervangt. Voor de Ioaw geldt dat de verwijzingen naar
artikel 18, vierde lid, en artikel
35, eerste lid, onderdeel c, zijn opgenomen in
artikel 20, derde lid, van deze wet.
H [H]
Hoofdstuk
III,
Verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid en voorzieningen, wordt
vervangen door hoofdstuk III, Rechten en plichten. Hiermee komt in de
Ioaz werk boven inkomen centraal te staan, in de lijn van de
Wwb.
I [I]
Burgemeester en
wethouders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de twee hoofdtaken
van
deze wet. Het gaat om het ondersteunen van personen met een
uitkering op grond van deze wet bij het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid. Bij deze ondersteuning zijn burgemeester en wethouders
verantwoordelijk voor het bepalen en aanbieden van voorzieningen gericht
op arbeidsinschakeling, indien voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid het aanbieden van een
voorziening naar het
oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is. Daarnaast gaat het om
het verstrekken van een uitkering op grond van deze wet. De
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden nader toegelicht bij de
artikelen 36 en 37.
Op grond van het tweede
lid moeten burgemeester en wethouders bij het aanbieden van de voorzieningen samenwerken met de
Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI) en
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).
rblz.|18|
De werkzaamheden in het
kader van de voorzieningen - inclusief de werkzaamheden met betrekking tot
gesubsidieerde arbeid - worden zoveel mogelijk uitgevoerd door
een reïntegratiebedrijf (derde lid). Onder reïntegratiebedrijf
wordt verstaan een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van beroep of
bedrijf de inschakeling van personen in het arbeidsproces bevordert.
Alleen indien de gevraagde voorzieningen niet op de markt worden aangeboden, kunnen de voorzieningen ook bij
andere dan een
reïntegratiebedrijf of arbodienst worden ingekocht. Dit impliceert overigens dat
in de relatie van de gemeente met onder meer de lokale
welzijnsorganisaties en de ROC’s [Regionale
Opleidingen Centra, red.] een verzakelijking tot stand wordt gebracht.
Wanneer er sprake is van
aanbod van voorzieningen op de markt, gelden de aanbestedingsvereisten
uit het Besluit SUWI. Deze houden in dat er een transparante aanbestedingsprocedure moet worden gevolgd waarbij
meerdere offertes moeten
worden gevraagd op basis van vooraf vastgestelde criteria. Beoordeling van
de offertes vindt plaats op basis van vergelijkbare kosten. Op
deze manier wordt een transparante en efficiënt functionerende
reïntegratiemarkt tot stand gebracht met een level playing field voor reïntegratiebedrijven. Hiermee kan de betrokkene een aanbod
worden gedaan dat de uitstroom uit de uitkering het best bevordert. Voor
de gelden die worden
ingezet als cofinanciering bij Equal-projecten en bij projecten in het kader
van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met
werkloosheid bedreigde werknemers (Svww) is geen
aanbestedingsprocedure vereist. Zoals aangegeven in het algemeen deel van deze
memorie
gelden de aanbestedingsregels uit het Besluit SUWI
totdat een goed werkende
reïntegratiemarkt tot stand is gekomen.
In het eerste lid,
onderdeel b, wordt tot uitdrukking gebracht dat burgemeester en wethouders
verantwoordelijk zijn voor het verlenen van een uitkering op grond van
deze wet. Deze verantwoordelijkheid heeft betrekking op de sturing van de
uitvoering, op het voeren van beleid en op het vaststellen van het recht
op uitkering, de hoogte of duur van de uitkering en op het bedrag dat
wordt uitbetaald. Het vierde lid geeft aan welke uitvoeringstaken daarbij
wel en niet aan derden kunnen worden uitbesteed. Onder derden wordt in dit
verband niet verstaan personen die bijvoorbeeld via een
uitzendonderneming of organisatieadviesbureau zijn ingehuurd, omdat de door
hen verrichte werkzaamheden aangemerkt kunnen worden als werkzaamheden die door het bestuursorgaan zijn
verricht. Indien de
gemeentelijke uitvoeringsorganisatie door de structurele inzet van ingehuurde
krachten feitelijk wordt ontmanteld, is materieel sprake van niet-geoorloofde uitbesteding. De in het vierde lid opgenomen beperking heeft
betrekking op alle rechten en plichten van belanghebbende. Dit scala aan rechten en
plichten, dat varieert van de claimbeoordeling tot het vaststellen van betalingsverplichtingen in het kader
van terugvordering, is
ruimer dan de in de artikelen 36 en 37 geregelde rechten en plichten. Dat
de in een gemeente te treffen mandaatregeling er de facto niet toe mag
leiden dat het "verbod van uitbesteding" wordt omzeild, laat onverlet
dat burgemeester en wethouders de vaststelling en beoordeling wel kunnen
mandateren aan andere bestuursorganen, zoals het college van
burgemeester en wethouders van een andere gemeente of de CWI. De uitvoering van
de wet blijft daarmee binnen het publieke domein. Overigens maakt
de Awb uiteraard ook mandatering mogelijk aan de eigen
gemeentelijke ambtenaren.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de aan- en uitbesteding.
rblz.|19|
J [J]
De gemeenteraad heeft een
duidelijke verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit de
grotere beleidsruimte die
gemeenten krijgen, zowel wat
betreft de invulling van het reïntegratiebeleid als wat betreft de invulling van
de rechten en plichten van de cliënt. De gemeenteraad moet, mede met het oog op
de rechtszekerheid van de cliënt, het eigen gemeentelijk beleid
in een verordening vastleggen.
De regels met betrekking
tot de reïntegratie worden toegelicht bij artikel 37.
K
[K], L
[L] en M [M]
Artikelen 36, 37 en 37a
De artikelen 36 en
37
hangen samen met de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, en
35, eerste
lid, van
de
Ioaz. De belanghebbende is, om in aanmerking te komen voor
een uitkering op grond van deze wet, verplicht naar vermogen arbeid te
verkrijgen en te aanvaarden. Voor zover burgemeester en wethouders het
noodzakelijk vinden om daarbij ondersteuning te bieden, dient de
belanghebbende daarvan gebruik te maken. Hiertegenover staat dat hij in dat
geval ook een aanspraak heeft op een dergelijke ondersteuning,
overeenkomstig de gemeentelijke verordening.
Hieronder wordt
achtereenvolgens aandacht besteed aan: voorzieningen, gesubsidieerd werk
(als
specifieke voorziening), de aanspraak en de verordening, alsmede de
arbeidsverplichting en de mogelijkheden tot ontheffing daarvan.
Voorzieningen
Artikel
34, eerste lid,
onderdeel a, geeft aan dat burgemeester en wethouders verantwoordelijk zijn
voor het bepalen en aanbieden van voorzieningen. Doel van het inzetten van
voorzieningen is arbeidsinschakeling. In artikel 4a, onderdeel a,
wordt aangegeven dat hiermee algemeen geaccepteerde arbeid wordt bedoeld,
waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van een
voorziening.
Voor de
arbeidsinschakeling zijn verschillende instrumenten in te zetten. Het kan gaan om
onder
meer scholing, training, kinderopvang of loonkostensubsidie. Ook
kunnen instrumenten worden ingezet waarbij tussendoelen worden
geformuleerd die nog niet uitgaan van werk. Dit betekent dat ook sociale
activering ingezet kan worden. Al naargelang de startpositie van de belanghebbende kan het gaan om verschillende
soorten voorzieningen.
Vooral voor de groepen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan het
nodig zijn dat er voorafgaand aan of naast reïntegratieactiviteiten
ook activiteiten worden aangeboden om te komen tot het beheersbaar maken
van lichamelijke, psychische en/of sociale problemen. Ook kunnen trajecten als ondersteuning worden ingezet,
gericht op het
hanteerbaar maken van financiële problemen.
Het is de bedoeling dat
gemeenten daarbij zoveel mogelijk gebruik proberen te maken van voorliggende voorzieningen zoals de
WSF 2000, de AWBZ, de Wbk [Wet
basisvoorziening kinderopvang, zie Wet
kinderopvang, red.], etc. Er
zijn immers middelen voor deze voorzieningen beschikbaar. Mochten deze
voorliggende voorzieningen niet in voldoende mate kunnen bijdragen aan
de doelstelling, dan kan een gemeente besluiten middelen uit
het reïntegratiebudget in te zetten, voor zover zij daarbij blijven binnen de
wettelijke kaders van de genoemde wetten.
Ook het leveren van
nazorg om terugval in de uitkering te voorkomen, behoort tot de mogelijkheden en kan in sommige gevallen een werkbaar
alternatief zijn voor
langdurige en soms kostbare trajecten. Met nazorg wordt bedoeld allerlei
vormen van jobcoaching, begeleiding op de werkplek, advisering en dergelijke.
rblz.|20|
Gesubsidieerd werk
Gesubsidieerd werk kan
als één van de voorzieningen worden ingezet om arbeidsinschakeling te
bevorderen. In de wet zijn geen specifieke eisen opgenomen voor
gesubsidieerde arbeid. Er geldt alleen de algemene bepaling dat alle
voorzieningen moeten dienen om de belanghebbende uiteindelijk aan
ongesubsidieerd werk te helpen.
De gemeente kan de
belanghebbende een dienstverband aanbieden dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd wordt uit het vrij besteedbaar
reïntegratiebudget. Het
kan daarbij gaan om een dienstverband met een reguliere werkgever, met
een reïntegratiebedrijf of met de gemeente zelf. Bemiddeling naar een
gesubsidieerde arbeidsplaats en eventuele begeleiding tijdens de werkzaamheden
op die arbeidsplaats vallen onder de aanbestedingsregels voor
het reïntegratiebudget.
In collectieve en
individuele arbeidsovereenkomsten kunnen voor de reïntegratie benodigde
arbeidsvoorwaardelijke bepalingen door gemeenten zelf geregeld
worden. Indien gewenst, kan voor het dienstverband gebruik gemaakt worden
van een detacheringsconstructie. Indien het dienstverband hierbij
met de gemeente gesloten wordt, zal een gemandateerd werkgeverschap moeten worden uitbesteed aan een
reïntegratiebedrijf.
Indien de gemeente of een reïntegratiebedrijf ervoor kiest zelf een
dienstverband met betrokkene aan te gaan, kan het wenselijk zijn slechts een contract
voor bepaalde tijd af te sluiten en in de arbeidsvoorwaarden bepalingen op te nemen
over ontbinding van rechtswege of opzegging van het
dienstverband in geval van een aanbod van niet-gesubsidieerd werk.
Ook de omvang van het
dienstverband is niet aan regels gebonden. In het geval dat een duaal traject
- bijvoorbeeld scholing en werkervaring - het
meest passende traject is
voor betrokkene, kan ook een deeltijdarbeidsovereenkomst worden aangeboden. Het
loon wordt dan zo nodig aangevuld tot bijstandsniveau.
Verordening en aanspraak
op ondersteuning
Artikel
35, eerste lid,
bepaalt dat het door de gemeente gevoerde beleid ten aanzien van de reïntegratie van de doelgroepen waarvoor zij de
verantwoordelijkheid
draagt, wordt vastgelegd in een door de gemeenteraad vast te stellen
verordening. In het tweede lid van artikel 35 wordt bepaald dat de gemeente
in de verordening expliciet aandacht schenkt aan de wijze waarop
rekening wordt gehouden met zorgtaken.
Personen
die op grond van
deze wet een uitkering ontvangen, hebben op grond van artikel 36 een
aanspraak op ondersteuning bij het verkrijgen van algemeen
geaccepteerde arbeid en de naar het oordeel van burgemeester en wethouders
noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Indien burgemeester en wethouders een aanvraag afwijzen, zullen zij dit
met redenen omkleed moeten doen. Tegen deze beslissing staat bezwaar
en beroep open voor de belanghebbende. Burgemeester en
wethouders moeten een individuele afweging maken ten aanzien van de een
aanvraag voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling. De gemeente kan uiteraard
bij de opstelling van de verordening rekening houden met de beschikbare middelen die zij vrij wil maken
voor haar
reïntegratiebeleid. Bepalingen over het de gemeente ter beschikking staande
budget voor deze voorzieningen zijn opgenomen. De aanspraak op een
gemeentelijke reïntegratie-inspanning geldt ook voor personen aan wie burgemeester en wethouders tijdelijk een ontheffing
hebben verleend. Het kan
immers vóórkomen dat de betrokkene van mening is dat de situatie
is veranderd en dat toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is.
Wanneer de uitkering aan gehuwden wordt verleend, geldt de
aanspraak op een voorziening voor beide partners. De aanspraak op
ondersteuning geldt evenzeer voor personen die op grond van artikel
34, eerste
lid, onderdeel a, werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid in het kader van
een door de gemeente aangeboden voorziening. rblz.|21|
Dit betekent dat
indien
voor betrokkene een voorziening, bijvoorbeeld scholing, noodzakelijk
wordt geacht om vanuit gesubsidieerde arbeid naar ongesubsidieerd werk uit
te stromen, de gemeente hierin kan voorzien.
Plicht tot
arbeidsinschakeling en ontheffing
In artikel 37 is volstaan
met een algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De
concrete invulling van de verplichtingen wordt zoveel mogelijk afgestemd
op het individu en door burgemeester en wethouders in een
beschikking gespecificeerd.
Zoals eerder aangegeven,
kunnen er geen nadere eisen worden gesteld aan regulier werk ten
aanzien van de aard, de omvang en de beloning. Uitzondering hierop is de
situatie waarin arbeid moet worden gecombineerd met zorg voor kinderen.
In die gevallen kan er een individuele afweging plaatsvinden op grond
waarvan arbeid die in beginsel geaccepteerd zou moeten worden, niet
geaccepteerd hoeft te worden omdat bijvoorbeeld werktijden en reistijden
niet te combineren zijn met de zorg voor kinderen.
Indien de belanghebbende
deelneemt aan een inburgeringsprogramma, dient dit programma te
worden afgerond. Ook als de belanghebbende werk aanvaardt, blijft
afronding van het inburgeringsprogramma verplicht. De
belanghebbende moet dan ook aan de gemeente melden dat hij werk aanvaardt. De
gemeente dient dan zoveel mogelijk via individuele maatwerkafspraken met de
belanghebbende te bewerkstelligen dat een combinatie van werk en
inburgering mogelijk wordt. Overigens verdient het de voorkeur om zoveel
mogelijk duale trajecten na te streven, gelet op het belang van een zo
snel mogelijk verlopende reïntegratie en inburgering.
Het uitgangspunt van
individueel maatwerk geldt uiteraard ook voor de door burgemeester en
wethouders aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
Steeds wordt bij iedere belanghebbende onderzocht wat diens individuele
capaciteiten en mogelijkheden zijn en op welke wijze arbeidsinschakeling
het best bevorderd kan worden. Het reïntegratieadvies van de CWI speelt in dit proces een belangrijke rol. Voor personen met een
grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste
stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is daarom geen grond voor het
verlenen van een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Anderzijds geldt echter
ook dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn
uit te stromen naar
reguliere arbeid.
Een andere specifieke
groep is de categorie belanghebbenden met zorgtaken. Met zorgtaken wordt de
zorg voor kinderen bedoeld. Om te voorkomen dat de afstand tot de
arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het
arbeidsproces en dat de uitstroomkansen verkleinen, dienen ook aan hen arbeidsverplichtingen te worden opgelegd. Bij de
invulling van de
arbeidsverplichtingen moet de gemeente rekening houden met een
verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. De gemeente is ook
verantwoordelijk voor de voorzieningen die nodig zijn om deze combinatie
daadwerkelijk te kunnen realiseren. Zij moet in de verordening aangeven hoe
daaraan invulling wordt gegeven.
Eventueel
aanwezige
belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen
door het aanbieden van voorzieningen. Toch kunnen zich bij
uitzondering tijdelijk situaties voordoen dat ook voorzieningen niet
toereikend zijn om de aanwezige belemmeringen geheel of gedeeltelijk op
te heffen. In deze situaties dienen burgemeester en wethouders de op te
leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de
betrokkene nog wel heeft (artikel 37a). Medische belemmeringen zijn dus
als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Om een juiste,
individuele beoordeling te garanderen, verdient het aanbeveling zoveel mogelijk gebruik
te maken van adviezen van onafhankelijke, rblz.|22|
externe deskundigen. Een dergelijk advies kan ook bestaan uit de indicatie
voor de Wsw.
N [N]
Met het invoegen van
artikel 37a en de verordeningsbevoegdheid zoals vastgelegd in
artikel 35
hebben burgemeester en wethouders reeds voldoende mogelijkheden
om maatwerk toe te passen voor die belanghebbenden die werkzaamheden zonder
beloning gaan verrichten.
O [O]
Artikel 40 is vervallen
in verband met het nieuwe artikel 34, eerste lid, aanhef en
onder b,
waaruit blijkt dat de uitvoering berust bij burgemeester en wethouders.
P [P]
In dit artikel wordt de
juiste aanduiding van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties opgenomen.
Q [Q]
Als uitgangspunt blijft
bestaan dat cliënten en hun vertegenwoordigers betrokken moeten worden
bij de uitvoering van deze wet. Gemeenten blijven ook vrij in de
keuze van de manier waarop cliëntenparticipatie georganiseerd wordt. Zo
bestaat de mogelijkheid een cliëntenraad of -panel op te richten,
maar er kan ook gedacht worden aan klanttevredenheidsonderzoeken. Hierbij moet rekening
worden gehouden met de samenwerking met de
CWI en het UWV en met de nieuwe cliëntgroepen: de
niet-uitkeringsgerechtigden en de personen met een Anw-uitkering.
R [R]
Artikel 43 vervalt in
verband met het nieuwe artikel 34, vierde lid.
S [S]
De toevoeging van een
onderdeel n luidende "derden die in het kader van de uitoefening van beroep
of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen" hangt samen
met het nieuwe artikel 34, derde lid.
T [T]
Aan de lijst van
instanties waaraan burgemeester en wethouders gegevens kunnen of moeten
verstrekken (artikel 48, eerste lid) worden buitenlandse organen en
bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba toegevoegd. Het
dient hierbij te gaan om de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen
belang.
U
[U]
In hoofdstuk IV wordt
paragraaf 3 (Toezicht) vervangen. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de
systematiek van de Wwb, worden de toezichtsbepalingen uit de
Wwb overgenomen in
de
Ioaz.
Paragraaf 4
(Beleidsinformatie) wordt vervangen door een nieuwe paragraaf 4 (Informatie). Hiermee
zijn de bepalingen betreffende beleidsinformatie en informatievoorziening
aangepast aan de informatiebepalingen rblz.|23|
uit de Wwb,
eveneens om zoveel mogelijk bij de systematiek van de Wwb aan te
sluiten.
V
[V]
De WFA
komt met de
inwerkingtreding van de Wwb te vervallen. Dit vanwege het feit dat voor
de Wwb een andere financieringssystematiek geldt dan voor de Abw.
Hiermee is de WFA niet meer van toepassing op de Wwb. De financiering van
de Wwb wordt nu nader uitgewerkt in de Wwb zelf.
Met betrekking tot de
uitkeringsuitgaven en uitvoeringskosten van de
Ioaz blijft in
tegenstelling tot de Wwb dezelfde financieringssystematiek gelden. Dat betekent dat
de WFA van toepassing blijft op de Ioaz. Hiertoe zijn de bepalingen uit de
WFA die van toepassing zijn en blijven op de Ioaz opgenomen in de Ioaz zelf, met uitzondering van het artikel in de WFA dat betrekking heeft
op terugvordering van de uitkering. Dit komt overeen met de Wwb. In
het nieuwe hoofdstuk V, Financiering, zijn twaalf nieuwe artikelen
geplaatst die gaan over de financiering van de uitkeringsuitgaven en uitvoeringskosten van
de Ioaz. Het gaat om de artikelen 56 tot en met 59h. Dit zijn
de artikelen 3, 4,
5, 6, 8,
9, 10, 11,
12, 13, 14 en
15 uit de WFA. De
voorhangprocedure van artikel 5, derde lid, is niet wettelijk geregeld vanwege het
tijdelijke karakter die de Ioaz en de Ioaw in hun huidige vorm hebben. Voor
wat betreft de Ioaw geldt dat artikel
59e niet van toepassing is. Dit
artikel regelt de vergoeding van uitvoeringskosten voor door burgemeester en
wethouders bij de toepassing van artikel 14, derde lid, van de
Ioaz aan derden opgedragen onderzoek. De artikelen
59f tot en met 59h in de
Ioaz slaan terug op artikel
59e en zijn daarmee ook niet van
toepassing op de Ioaw.
In het nieuwe artikel 59i
van de
Ioaz is de financiering van de voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, geregeld:
burgemeester en wethouders brengen deze kosten ten laste van het werkdeel
van de Wwb. In de Ioaw
is dit in artikel 59e geregeld. Dit betekent in feite dat
de
gemeenten één reïntegratiebudget krijgen voor de Wwb, de
Ioaz én
de Ioaw.
Voor de duidelijkheid is
een transponeringstabel toegevoegd voor wat betreft de overname van
de WFA in de Ioaz en de Ioaw:
|
Artikel uit de WFA
|
Artikel in de
Ioaz
|
Artikel in de Ioaw
|
| 1xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Niet van toepassing
|
Niet van toepassing
|
| 2 |
Niet van toepassing
|
Niet van toepassing
|
| 3 |
56
|
56
|
| 4 |
57
|
57
|
| 5 |
58
|
58
|
| 6 |
59
|
59
|
| 7 |
Niet van toepassing
|
Niet van toepassing
|
| 8 |
59a
|
59a
|
| 9 |
59b
|
59b
|
| 10 |
59c
|
59c
|
| 11 |
59d
|
59d
|
| 12,
eerste lid, onderdeel d, en derde lid |
59e
|
Niet van toepassing
|
| 13 |
59f
|
Niet van toepassing
|
| 14 |
59g
|
Niet van toepassing
|
| 15 |
59h
|
Niet van toepassing
|
Artikel 24
[24].
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
De wijzigingen van de
Ioaw komen inhoudelijk voor het grootste deel overeen met die van de
Ioaz; zie de toelichting bij artikel 23. Wanneer de wijzingen in de
Ioaw afwijken van die in de Ioaz, is dat in de toelichting bij de Ioaz aangegeven.
rblz.|24|
Artikel 25
[25].
Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [V;
NnavhV]
Uitgangspunt voor de
wijzigingen die rechtstreeks voortvloeien uit de inwerkingtreding van de
Wwb en de intrekking van de Abw
is dat ze het karakter van de Wik niet
aantasten, maar er slechts toe dienen om een ongestoorde en
ongewijzigde voortzetting van de Wik te garanderen. In de meeste gevallen kan
worden volstaan met het vervangen van in de huidige Wik opgenomen
verwijzingen naar artikelen en begrippen uit de Abw naar die van de Wwb.
Vanwege het in
vergelijking met de Abw fundamenteel andere karakter van de Wwb, waarin als
gevolg van de 100% financiële verantwoordelijkheid van de
gemeenten gekozen
is voor de daarbij behorende gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheid,
is dit voor de Wik echter niet in alle gevallen mogelijk. Het kabinet is van mening dat de financieringssystematiek
van de Wik, waarin
uitkeringslasten en uitvoeringslasten voor 100% gedeclareerd worden
bij het Rijk, vooral in situaties als terugvordering van ten onrechte
verstrekte uitkering en het toepassen van maatregelen het rechtvaardigt dat de
huidige verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en Rijk
voor wat betreft de Wik gehandhaafd blijft.
Dit laatste neemt niet
weg dat het kabinet de Invoeringswet Wwb
wil aangrijpen om daar waar
het karakter van de Wik dit toelaat de noodzakelijke wijzigingen op een
dusdanige wijze door te voeren dat er vooruitlopend op de definitieve
wijziging van de Wik al vereenvoudigingen kunnen worden gerealiseerd.
Enkele wijzigingen
gericht op vereenvoudiging en deregulering van de Wik
Uit de evaluatie van de
Wik blijkt dat de uitvoering en de kunstenaars vooral problemen
ondervinden met het vaststellen van de hoogte van het eigen inkomen van de
kunstenaar en met de daaraan gekoppelde vaststelling van het definitieve recht
op een Wik-uitkering. Nauw verbonden met deze
vaststellingssystematiek kunnen er problemen ontstaan als het gaat om de
Wik in relatie tot
andere inkomensafhankelijke regelingen zoals huursubsidie,
gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid en studiefinanciering.
De
netto-uitkeringssystematiek
In de huidige
Wik wordt
de uitkering in eerste instantie verleend in de vorm van een renteloze
lening. Na beëindiging van het kalenderjaar waarin de renteloze
lening is verstrekt, wordt, zodra het eigen inkomen van de kunstenaar over
dat kalenderjaar bekend is, het definitieve recht op de Wik-uitkering en de
hoogte hiervan vastgesteld. Afhankelijk van de hoogte van het eigen
inkomen van de kunstenaar wordt de in het desbetreffende kalenderjaar verstrekte
renteloze lening geheel of gedeeltelijk omgezet in een netto uitkering om niet.
Voor de vaststelling van
de hoogte van de eigen inkomsten van een kunstenaar wordt
uitgegaan van de inkomsten die een kunstenaar gedurende het gehele kalenderjaar
heeft verworven, dus inclusief een eventuele periode waarin de
kunstenaar geen Wik-uitkering heeft ontvangen. De bovenomschreven systematiek knelt op een aantal plaatsen.
De
netto-uitkeringsystematiek heeft tot gevolg dat de gemeenten voor de vaststelling van de netto
hoogte van het eigen inkomen van de kunstenaar zelf moeten vaststellen
hoeveel belasting over dat inkomen verschuldigd is. Het aantal mogelijke
inkomensbronnen maakt dit tot een lastig en omslachtig gebeuren,
waarvoor veelvuldig contact tussen de uitvoering en kunstenaars
noodzakelijk blijkt te zijn. Wachten op de definitieve aanslag van de
belastingdienst is onwenselijk omdat dan eerst zeer ver in het volgende kalenderjaar
(t+1) kan worden vastgesteld hoe hoog de definitieve Wik-uitkering
over het voorgaande kalenderjaar (t) is en welk deel van de renteloze
lening uit het kalenderjaar t dient te worden terugbetaald door de kunstenaar. De
late inkomensvaststelling verhoudt zich rblz.|25|
slecht met de systematiek
van de Wik en daarnaast is het voor kunstenaars van belang dat zij zo
snel mogelijk weten waar zij aan toe zijn. Daarbij veroorzaakt het
systeem van een renteloze lening een groot aantal aansluitproblemen met
inkomensafhankelijke regelingen als huursubsidie,
studiefinanciering en
gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid en met de belastingwetgeving. In
het kalenderjaar waarin de Wik-uitkering als lening is verstrekt, telt deze
niet mee als inkomen. Hierdoor kan het gebeuren dat een kunstenaar over het
desbetreffende kalenderjaar een dusdanig laag belastbaar inkomen heeft
dat fiscale aftrekposten, heffingskortingen e.d. niet kunnen worden
gehonoreerd. In het daaropvolgende jaar kan het tegenovergestelde het
geval zijn. De oorspronkelijk als lening verstrekte Wik-uitkering wordt in
dat jaar immers omgezet in een (belastbare) uitkering om niet. Het gevolg
hiervan kan zijn dat de kunstenaar in dat jaar, in combinatie met eigen
inkomsten, een dusdanig hoog fiscaal inkomen heeft dat hij/zij niet in aanmerking komt voor inkomensafhankelijke regelingen.
Bruto-uitkeringssystematiek
Daarom wordt het volgende
gewijzigd. De Wik-uitkering wordt direct in de vorm van een bruto
uitkering, overeenkomstig de Ioaw- en de
Ioaz-uitkering, als voorschot verstrekt.
Brutering betekent minder uitvoeringslasten voor
gemeenten, vooral op
het gebied van de verrekening van de eigen inkomsten van de kunstenaar met de
Wik-uitkering. Daar waar het bij een netto uitkering
vooral de gemeente is die de belastingdruk op de eigen inkomsten van de
kunstenaar op voorhand moet vaststellen, wordt deze vaststelling bij
brutering van de uitkering neergelegd bij de belastingdienst en de cliënt. Doordat de
uitkering niet langer in eerste instantie wordt verstrekt als een
renteloze lening, maar direct als een (voorlopige) bruto-uitkering, worden
de aansluitingsproblemen met inkomensafhankelijke regelingen eveneens
goeddeels opgelost. De maandelijkse bruto-uitkering wordt verhoogd met
maandelijkse vakantie-uitkering. Het kabinet is van mening dat
deze systematiek beter aansluit bij de inkomenssituatie van de
kunstenaar, die meer lijkt op die van een zelfstandige dan van een persoon in
loondienst.
Geen lening maar een
voorlopige uitkering
De reden dat bij de
inwerkingtreding van de Wik is gekozen een systeem van een renteloze lening
gekoppeld aan een jaarlijkse definitieve vaststelling van het recht op een
Wik-uitkering is dat het vanwege de aard van de inkomsten van kunstenaars
en de sterk wisselende hoogte van die inkomsten niet mogelijk is om de inkomsten zuiver naar een maand toe te
rekenen. Het kabinet acht
het gewenst dat de systematiek van jaarlijkse vaststelling ook bij
brutering van de Wik-uitkering gehandhaafd blijft. Eén en ander kan eenvoudig
worden gerealiseerd door de maandelijkse Wik-uitkering in eerste
instantie te verstrekken als een voorlopige uitkering en de definitieve
vaststelling van de hoogte van de Wik-uitkering na beëindiging van het kalenderjaar waarin de uitkering is ontvangen te laten
plaatsvinden. Een gevolg
hiervan is dat kunstenaars die vanwege te hoge eigen inkomsten een deel
van de Wik-uitkering terug moeten betalen dat deel van de uitkering
inclusief de daarover betaalde belasting en premie moeten terugbetalen. Deze
situatie kan echter uitsluitend voorkomen als de terugbetaling
betrekking heeft op een deel van de uitkering die in het voorgaande kalenderjaar
is uitbetaald. Terugbetaling over het kalenderjaar heen kan grotendeels
worden voorkomen door al gedurende het lopende kalenderjaar rekening te
houden met de inkomsten. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt evenwel
grotendeels bij de kunstenaar zelf. Overigens kan de kunstenaar de door
hem terug te betalen belasting en premie in voorkomende gevallen
terugvragen bij de belastingdienst.
rblz.|26|
Het in aanmerking te
nemen inkomen van de kunstenaar
Door voor de vaststelling
van de hoogte van het eigen inkomen van de kunstenaar uit te gaan
van de inkomsten over het gehele kalenderjaar worden ook de inkomsten
van een kunstenaar over de eventuele "uitkeringsloze periode(s)"
meegerekend. Achtergrond van deze vaststellingsmethodiek is
dat calculerend gedrag, bijvoorbeeld door de uitkering op te zeggen
alvorens men daadwerkelijk over de eigen inkomsten beschikt, wordt
voorkomen. Uit de evaluatie blijkt echter dat deze systematiek tot gevolg
heeft dat kunstenaars niet gestimuleerd worden om de uitkering op te
zeggen op het moment dat zij tijdelijk over een maandelijks inkomen
beschikken dat boven het geldende sociaal minimum ligt. Immers
ongeacht of men nu wel of niet een Wik-uitkering ontvangt, het eigen
inkomen wordt meegenomen bij de vaststelling van het definitieve recht
op
en de hoogte van een Wik-uitkering, met als mogelijk gevolg
terugvordering van een deel van de verstrekte Wik-uitkering. Dit in
combinatie met het feit dat het opzeggen van de Wik-uitkering stopzetting
van de ziekenfondsverzekering tot gevolg kan hebben, maakt dat de Wik te
veel wordt gebruikt als een continue inkomensaanvulling en
minder als een voorziening waarop uitsluitend in periodes waarin het
financieel minder gaat een beroep wordt gedaan. Naar de mening van het
kabinet dient dit laatste aspect in de Wik meer te worden benadrukt, maar
dan wel onder het gelijktijdig tegengaan van calculerend gedrag.
Het kabinet wil dit
bereiken door het inkomen over de uitkeringsloze periodes uitsluitend in
aanmerking te nemen voor zover dit hoger is dan 100% van het van
toepassing zijnde sociaal minimum. Door over de uitkeringsloze periode
uitsluitend het inkomen in aanmerking te nemen dat boven het sociaal
minimum uitstijgt, wordt bereikt dat het voor kunstenaars aantrekkelijker wordt om
de Wik-uitkering te beëindigen in tijden dat zij over voldoende
eigen inkomsten beschikken (hiphoppen). Ook zal deze systematiek meer dan voorheen motiveren tot het verwerven van
een zo groot mogelijk
aandeel eigen inkomsten. Niet de hoogte van de eigen inkomsten is
namelijk de bepalende factor, maar de uitkeringsduur; hoe korter een uitkering,
hoe groter het financiële voordeel voor een kunstenaar. De omschreven
verrekensystematiek geeft
gemeenten meer dan voorheen de
mogelijkheid om al in een vroeg stadium aan een Wik-uitkeringsgerechtigde
aan te geven of hij over het gehele jaar genomen een gedeelte van
de uitkering zal moeten terugbetalen. Voor de verrekensystematiek zal
een verrekenmodel beschikbaar worden gesteld.
Voorschot bij aanvraag
De huidige
Wik biedt niet
de mogelijkheid om aan een kunstenaar een voorschot te verstrekken
in afwachting van de beslissing tot (voorlopige) toekenning van een
Wik-uitkering. Indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is,
bijvoorbeeld in verband met een acuut gebrek aan middelen, kan thans niet
anders worden gehandeld dan aan betrokkene een voorschot op basis
van de Abw te verstrekken. Het verstrekte voorschot dient na toekenning van
de Wik uitkering te worden verrekend met de te verstrekken Wik-uitkering. Deze
werkwijze is al gecompliceerd als het om een kunstenaar
gaat die woonachtig is in de Wik-centrumgemeente zelf, maar wordt nog
extra gecompliceerd als de kunstenaar uitsluitend voor de Wik woonachtig is in de centrumgemeente. In dat laatste geval moet de
kunstenaar zich voor een voorschot Abw wenden tot de gemeente
waarin
hij/zij woonachtig is en dient er na toekenning van de Wik-uitkering
verrekening plaats te vinden tussen de woongemeente en de centrumgemeente.
De gewijzigde
uitkeringssystematiek maakt het mogelijk om in de Wik zelf een mogelijkheid op de te
nemen om in gevallen waarin dit gelet op alle omstandigheden wenselijk
is een voorschot te verlenen. Het kabinet is rblz.|27|
van mening dat deze
mogelijkheid, gezien de besparing op de uitvoeringslasten, zo snel mogelijk in de
Wik dient te worden opgenomen.
A
[A]
De Wik
zal wat betreft de
begrippen middelen, inkomsten en vermogen aan gaan sluiten bij de Wwb. De in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a en b, opgenomen verwijzingen
naar de artikelen in de Abw vervallen en zijn vervangen door
verwijzingen naar de van toepassing zijnde artikelen in de Wwb.
B [B]
Artikel
2a, eerste lid,
onderdeel a, wordt in die zin gewijzigd dat verwezen wordt naar het in
artikel 34 [34], tweede lid, onderdeel d, van de Wwb
genoemde bedrag. Door
deze wijziging blijft de extra vrijlating voor een door de kunstenaar in
eigendom bewoonde woning gelijk aan die in de Wwb.
In artikel 2a, eerste
lid, onderdeel b, wordt de verwijzing naar de Abw
gewijzigd in het van
toepassing zijnde artikel uit de Wwb.
C [C]
Wat betreft het begrip
gezamenlijke huishouding wordt in artikel 3 aangesloten bij de begripsbepaling in
de Wwb.
D
[D]
In verband met de
overgang naar een bruto-uitkeringssystematiek dienen de in artikel 4 opgenomen
bedragen te worden omgezet in brutobedragen. Het uitgangspunt blijft
de netto maandelijkse bijstandsnorm voor respectievelijk een
alleenstaande, een alleenstaande ouder en een gehuwde, inclusief de in
artikel 25 [25] van de Wwb genoemde maximale toeslag voor een
alleenstaande ouder. Deze bedragen worden verhoogd met de maandelijkse
vakantie-uitkering. De netto uitkeringsbedragen worden vervolgens
verhoogd met de daarover verschuldigde loonbelasting, premies
volksverzekeringen en ziekenfondspremie. Door middel van deze systematiek wordt
bewaakt dat het sociaal minimum voor bijstandscliënten en kunstenaars netto op
hetzelfde niveau ligt.
E [E]
De verwijzing in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, naar de Abw
wordt veranderd in Wwb. De
zinsnede vanaf "tenzij" vervalt. De in artikel 47 van de Wik
opgenomen
overgangsbepaling was uitsluitend in het jaar van inwerkingtreding van de
Wik (1999) van kracht. Op grond van artikel 24 van de
Wik kan vanaf de inwerkingtreding van deze wet aan een kunstenaar
een voorschot worden
verstrekt in afwachting van de definitieve vaststelling van het
recht op een Wik-uitkering. Met de gewijzigde redactie wordt bereikt
dat personen die algemene bijstand ontvangen op grond van de Wwb niet
tegelijkertijd een beroep kunnen doen op de Wik. Uiteraard kan iemand die
in het verleden algemene bijstand heeft ontvangen op grond van de Wwb en voldoet aan de toelatingscriteria
voor de Wik, wel een
beroep doen op deze wet.
In onderdeel f worden de
onjuiste verwijzingen naar artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet
en artikel 644 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek vervangen door de
juiste verwijzingen naar artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet
en artikel 6:1 van de Wet arbeid en
zorg.
rblz.|28|
F [F]
Artikel
8, eerste lid,
vervalt. De Wik-uitkering wordt niet langer voorlopig verstrekt in de vorm van
een lening, maar als een bruto uitkering.
Met de gewijzigde
redactie van het tweede lid wordt deels aangesloten bij de systematiek uit de
Wwb waarin wordt aangegeven dat in de gevallen waarin er sprake is van
vermogen uit een door de belanghebbende in eigendom bewoonde woning
de bijstand als leenbijstand dient te worden verstrekt. In afwijking
van de Wwb blijft in de Wik de verplichte zekerstelling gehandhaafd.
Overeenkomstig de Wwb kan deze zekerstelling plaatsvinden middels een
krediethypotheek of verpanding.
G [G]
Vanwege de invoering van
de bruto-uitkeringssystematiek wordt in artikel
9, eerste lid, onderdeel
a, b en c, volstaan met het weergeven van de bruto uitkeringsbedragen
voor achtereenvolgens alleenstaanden, eenoudergezinnen en gehuwden. Het betreft
hier de maandelijkse bruto Wik-uitkeringen inclusief vakantietoeslag. Voor de vaststelling van de
hoogte van deze bedragen
is dezelfde systematiek van toepassing als uiteengezet in de
toelichting bij artikel 25, onderdeel D, van deze
wet.
H [H]
Artikel 10
De redactie van het
eerste lid is aangepast aan de bruto-uitkeringssystematiek. Hierdoor kan in het
eerste lid worden volstaan met de bepaling dat zodra het inkomen van
de kunstenaar en zijn gezin over het kalenderjaar bekend is het definitieve
recht op en de hoogte van de Wik-uitkering over dat kalenderjaar
wordt vastgesteld.
Het tweede lid betreft de
definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in
artikel 9 van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars. Voor de definitieve
vaststelling van het recht op een Wik-uitkering en de hoogte hiervan is
het totale inkomen van de kunstenaar (eigen inkomsten plus de
verstrekte Wik-uitkering) over het kalenderjaar waarin een Wik-uitkering is
ontvangen bepalend. Op dit inkomen wordt in mindering gebracht: over de periode
waarin een Wik-uitkering is ontvangen het van toepassing
zijnde bedrag genoemd in artikel 10, tweede lid van de Wik
(125% van het
sociaal minimum) en over de eventuele uitkeringsloze periode in
het betreffende kalenderjaar het bedrag genoemd in het derde lid
van dit artikel (100% van het sociaal minimum). In het derde lid,
onderdeel b, van dit artikel wordt bepaald dat een eventueel positief resultaat van de
bovenstaande berekening als te veel ontvangen Wik-uitkering
wordt teruggevorderd. In geval van een negatieve uitkomst heeft de
kunstenaar overeenkomstig het derde lid onderdeel a, nog recht op een
aanvullende uitkering.
Door over de
uitkeringsloze periode uitsluitend het inkomen in aanmerking te nemen dat boven het
sociaal minimum uitstijgt, wordt bereikt dat het voor kunstenaars
aantrekkelijker wordt om de Wik-uitkering te beëindigen in tijden dat zij over
voldoende eigen inkomsten beschikken (hiphoppen). Niet de
hoogte van de eigen inkomsten is namelijk de bepalende factor, maar de duur van
de periode waarin in een kalenderjaar een Wik-uitkering is
ontvangen; hoe korter een uitkering, hoe groter het financiële voordeel voor een
kunstenaar. Ook draagt deze verrekensystematiek er meer dan voorheen toe
bij dat kunstenaars gemotiveerd worden tot het verwerven van een zo
groot mogelijk aandeel eigen inkomsten.
Voor de
verrekensystematiek zal het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een
verrekenmodel beschikbaar stellen.
De in het tweede lid
opgenomen brutobedragen ter hoogte van 125% van rblz.|29|
het
corresponderende
sociaal minimum zijn vastgesteld overeenkomstig de in de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 4 van de Wik uiteengezette werkwijze.
I [I]
Artikel 11 vervalt. In de
maandelijkse Wik-uitkering is de vakantietoeslag al inbegrepen. Deze
systematiek sluit beter aan bij de inkomenssituatie van de kunstenaar, die
meer lijkt op die van een zelfstandige dan van een persoon in loondienst.
De bruto-uitkeringssystematiek heeft tot gevolg dat de Wik-uitkering inclusief loonbelasting,
premies volksverzekering en ziekenfondspremie is.
J [J]
Artikel 12
In verband met de
brutering van de Wik is de redactie van dit artikel aangepast aan de
bruto-uitkeringssystematiek. In de artikelsgewijze toelichting bij de
wijziging van artikel 4 van de Wik is al uiteengezet op welke wijze de
brutobedragen in de Wik worden vastgesteld. Vanwege de koppeling van de in de
Wik opgenomen bruto-uitkeringsbedragen en brutotoetsingsbedragen
aan de bijstandsnorm wordt in dit artikel verwezen naar
artikel 37
eerste, tweede en derde lid.
K [K]
en L [L]
Artikelen 18 tot en met 18d
In de
Wwb zijn geen
bepalingen opgenomen aangaande boeten en maatregelen. Reden hiervoor is de
grotere eigen verantwoordelijkheid van de
gemeenten die een
uitvloeisel is van de gewijzigde financiële verhouding bij de Wwb.
Daar de financiering en
verantwoordelijkheidsverdeling in de Wik niet wijzigen, worden de onder
de artikelen 14b tot en met 14f
in de Abw
opgenomen bepalingen integraal als
de artikelen 18 tot en met 18d overgenomen in de Wik.
M [M]
Met het invoegen van een
nieuw artikel 19a wordt bij de beoordeling van het recht op een
uitkering de koppeling van de persoonsgegevens van de belanghebbende aan de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor de Wik
ingevoerd.
Deze koppeling hangt samen met de juiste inschrijving van
het woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens aan het
recht op overheidsprestaties. Het doel hiervan is een
bijdrage te leveren aan de fraudebestrijding door de betrouwbaarheid van het
adresgegeven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te
vergroten. Dit wordt bereikt door het belang van de burger bij
een correcte inschrijving in de basisadministratie te vergroten: een
onjuiste inschrijving kan gevolgen hebben voor de betreffende
overheidsprestatie.
In het nieuwe artikel 19a
worden tevens het eerste en tweede lid uit artikel 20 van de Wik
overgenomen.
rblz.|30|
N [N]
Door het opnemen van het
eerste en tweede lid uit artikel 20 in het nieuwe
artikel 19a worden de overgebleven leden vernummerd tot eerste tot en
met derde lid.
O [O]
Artikel
21, tweede lid,
vervalt in verband met de maandelijkse uitbetaling van de vakantietoeslag
P [P]
en Q [Q]
Artikelen 23 tot en met artikel 23i
Onder de
Wwb wordt de
terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering een
verantwoordelijkheid van de
gemeenten. Om die reden zijn in de Wwb geen
terugvorderingsbepalingen overeenkomstig de artikelen 78a,
78b, 81, 82,
85, 86
en 87 van de Abw opgenomen.
In verband met de
ongewijzigde financieringssystematiek en verantwoordelijkheidsverdeling
in de Wik blijft terugvordering van een ten onrechte verstrekte
of te veel verstrekte Wik-uitkering een gemeentelijke verplichting. De hierop
betrekking hebbende artikelen uit de Abw worden om die reden onder
de artikelen 23 en 23a
tot en met 23i
opgenomen in de Wik.
R [R]
Artikel 24
Met de invoering van dit
artikel wordt het mogelijk om in gevallen waarin dit naar de mening van burgemeester en wethouders, gelet op alle
omstandigheden,
noodzakelijk is, een voorschot te verstrekken in afwachting van de beslissing op de
aanvraag voor een Wik-uitkering. Deze bevoegdheid is beperkt
tot situaties waarin de individuele omstandigheden in een concreet geval het
verstrekken van een voorschot rechtvaardigen. Indien de belanghebbende
beschikt over bijvoorbeeld spaargeld, is een voorschot niet op
zijn plaats. Voorschotverlening is evenmin aan de orde indien al op
voorhand kan worden vastgesteld dat de belanghebbende geen recht op een
Wik-uitkering heeft.
Het voorschot wordt
verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Indien de belanghebbende recht
blijkt te hebben op een Wik-uitkering, wordt het voorschot verrekend met
de te verstrekken Wik-uitkering. Indien na voltooiing van het
onderzoek blijkt dat de belanghebbende geen recht heeft op een
Wik-uitkering, dan wordt het verstrekte voorschot van de belanghebbende
teruggevorderd.
S [S]
Deze technische wijziging
van artikel 30 vloeit voort uit de aangepaste naam van de
Minister van
Binnenlandse Zaken.
T [T]
Artikel 32
De verwijzingen naar de
Abw zijn aangepast aan de Wwb.
rblz.|31|
U [U]
De artikelen 47 en
48
vervallen. Hierin wordt overgangsrecht geregeld dat van toepassing was op het
jaar na inwerkingtreding van de Wik (1999). Deze artikelen zijn niet
langer van toepassing. Artikel 49, de evaluatiebepaling, vervalt omdat die niet
meer van toepassing is.
V [V]
In artikel 50 wordt
Stichting Voorzieningsfonds voor Kunstenaars te 's-Gravenhage gewijzigd in Kunstenaars
& Cultuur en Ondernemerschap (Kunstenaars & CO) te
Amsterdam.
Artikelen 26 tot en met
68 [26-68] [V;
NnavhV]
In de
artikelen 26 tot en
met 68 [26-68] wordt een aantal wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
andere departementen voornamelijk
in technische zin
aangepast aan de Wwb. De inhoudelijke wijzigingen en die wijzigingen die
technisch van aard zijn maar toch enige verduidelijking behoeven,
worden hierna toegelicht.
Afbakening
verantwoordelijkheden UWV en gemeente
In de
Werkloosheidswet (WW; zie artikel
28 [28]) en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea; zie artikel 33 [33]) worden de volgende wijzigingen aangebracht.
In artikel 73 van de
WW
en artikel 10a van de Wet
Rea is nu geregeld dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) ook tot taak heeft zijn
uitkeringsgerechtigden in aanmerking te brengen voor Wiw-voorzieningen, zoals
de dienstbetrekking, werkervaringsplaats en sociale activering. Het
UWV vergoedt de gemeente de kosten van deze voorzieningen, welke
kosten ten laste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf,
artikel 93b, eerste lid, WW), het Uitvoeringsfonds voor de overheid (UFO,
artikel 97g, eerste lid, WW) of het Reïntegratiefonds
(artikel 43,
tweede lid, Wet Rea). Verder is in de Wiw geregeld dat gemeenten aan
verzoeken van het UWV moeten meewerken. Ook is geregeld dat in het kader
van de sluitende aanpak voor jongeren door het UWV trajectplannen worden
vastgesteld. Voorts kan bij algemene maatregel van bestuur nog een
nadere taakverdeling tussen de gemeenten en UWV worden gemaakt in
geval van een gecombineerde UWV- of gemeentelijke uitkering (artikel
72,
tweede lid, WW en artikel
14, vierde lid, Wet Rea). Deze artikelen
dienen in verband met de invoering van de Wwb
te worden aangepast.
In de Wwb worden de
voorzieningen namelijk niet nader uitgewerkt: de gemeente biedt
voorzieningen aan gericht op arbeidsinschakeling, waaronder sociale activering
(artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a, Wwb). Bij gemeentelijke verordening
worden regels gesteld voor het aanbieden van die voorzieningen aan uitkeringsgerechtigden. In feite worden
- in ieder
geval op wetsniveau - geen regels meer gesteld over rblz.|32|
het soort voorzieningen dat door gemeenten wordt
georganiseerd. De gemeenten besteden de uitvoering
van de voorzieningen uit en krijgen net als het UWV geld voor de inkoop
van de reïntegratietrajecten en -activiteiten die ze aan hun cliënten
kunnen aanbieden. Om die reden is het niet langer nodig dat in de socialeverzekeringswetten wordt geregeld dat door de gemeente aan te bieden
voorzieningen door het UWV bij gemeenten worden ingekocht. Het UWV
kan immers direct of via gemeenten bij reïntegratiebedrijven gesubsidieerde arbeid of
socialeactiveringsactiviteiten
inkopen. Dit betekent dat
artikel 73 van de WW (en de bepalingen over de financiering) en
artikel 10a (en 43, tweede lid, in verband met de financiering) van
de Wet Rea kunnen vervallen.
Nu, zoals gezegd, geen
regels meer op wetsniveau worden gesteld over het soort voorzieningen
dat door gemeenten wordt aangeboden, kunnen ook de bepalingen
vervallen die een sluitende aanpak voor jongeren voorschrijven onder verwijzing naar de
Wiw.
In artikel 7 [7], derde lid,
van de Wwb
is verder een bepaling opgenomen over de taakverdeling
tussen de gemeenten en het UWV. Daarin wordt bepaald dat het UWV en de
gemeenten kunnen overeenkomen dat de gemeente de
reïntegratievoorzieningen aanbiedt aan personen die ook een uitkering ontvangen
van het UWV. Dit dient ook geregeld te worden in de WW en Wet Rea. Daartoe
zijn in dit wetsvoorstel artikel 72, tweede lid, van de
WW en artikel 14
van de Wet Rea aangepast. Daarin wordt nu geregeld dat een gemeente
en het UWV dit kunnen overeenkomen. Daarmee komt de bepaling
die voorschreef dit nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen,
te vervallen.
Het UWV en gemeenten
kunnen overeenkomen dat het UWV een vergoeding betaalt aan de gemeente
voor de reïntegratietrajecten. In de artikelen 93b
en 97g van de WW en
artikel 43, tweede lid, van de Wet Rea is daartoe
bepaald dat deze
vergoedingen ten laste komen van het AWf, UFO respectievelijk het Reïntegratiefonds.
Voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling
In de
Wwb worden de
voorzieningen zoals voorheen vervat in de Wiw en het
ID-Besluit niet nader
uitgewerkt: de gemeente biedt voorzieningen aan gericht op
arbeidsinschakeling op grond van artikel 7
[7], eerste lid, onderdeel a. Dit betekent dat de
verwijzingen naar de Wiw en de het ID-besluit vervangen dienen te
worden door een verwijzing naar artikel 7
[7], eerste lid, onderdeel a, van de
Wwb.
Waar nodig is de verwijzing nader gespecificeerd door aan te geven welke
voorzieningen bedoeld worden, bijvoorbeeld gesubsidieerde arbeid.
Verzamelwet sociale
verzekeringen 2003
Bij de wijziging van een
aantal artikelen is rekening gehouden met wijzigingen die in het wetsvoorstel
Verzamelwet sociale verzekeringen 2003 zijn opgenomen. Dit geldt
voor de wijzigingen in artikel 29b van de
Ziektewet (zie artikel 27,
onderdeel A [A]), artikel 50 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (zie
artikel 31, onderdeel B) en artikel 2 van de
Wet Rea
(zie artikel 33, onderdeel B [B]). De wijzigingen betreffen het weer laten
vervallen van toevoegingen die zijn opgenomen in het wetsvoorstel Verzamelwet sociale verzekeringen 2003.
Verhaal
Zoals in
paragraaf 6.2
van de toelichting bij de Wwb wordt aangeven, treden de artikelen
56 [56],
61 [61] en 62
[62] Wwb (verhaal) in werking zodra de nieuwe
kinderalimentatiewetgeving in werking treedt. Als de Wwb
eerder in werking treedt,
blijven de Abw-artikelen met betrekking tot verhaal van toepassing, zij het als
bevoegdheid van de
gemeenten in plaats van een verplichting. Dit laatste
is geregeld in artikel 13 [13]
van dit
wetsvoorstel. In die artikelen waarin verwezen
wordt naar de verhaalsbepalingen van de Abw (hoofdstuk
VII) dient
dan ook een verwijzing te worden opgenomen naar artikel 13
[13] van
dit wetsvoorstel.
Artikel 47
[47].
[Wet inburgering nieuwkomers, red.]
Ingevolge de
Wet
inburgering nieuwkomers (Win) vindt de sanctionering van de wettelijke inburgeringsverplichtingen van een nieuwkomer plaats
door middel van het
opleggen van een bestuurlijke boete (artikelen 18 tot en met
20). Daarnaast kunnen
de verplichtingen tot inburgering deel uitmaken van de aan de bijstandsuitkering verbonden verplichtingen.
Omdat
bijstandsgerechtigde nieuwkomers daardoor in principe dubbel kunnen worden
gesanctioneerd (zowel een boete als een korting op de uitkering), is ter
voorkoming daarvan in de Win een anticumulatiebepaling rblz.|33|
opgenomen (artikel
18, vijfde lid). Daarnaast is, om te voorkomen dat het op twee
verschillende manieren sanctioneren van dezelfde wettelijke bepalingen
leidt tot verschillende sancties, in de algemene maatregel van bestuur op
grond van de Win waarin de hoogte van de boetes is geregeld (het
Boetebesluit inburgering nieuwkomers) aangesloten bij het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Door deze koppeling tussen beide algemene
maatregelen van bestuur is het financiële beloop van de sancties gelijk,
ongeacht of het niet naleven van inburgeringsverplichtingen op grond van de
Abw of de Win wordt gesanctioneerd.
Als gevolg
van de Wwb dient niet alleen de verwijzing naar de Algemene bijstandswet in de
anticumulatiebepaling in de Win te worden vervangen
door een verwijzing naar
de Wwb, maar dient tevens een oplossing gevonden te worden voor
het feit dat de koppeling tussen deze algemene maatregelen van bestuur
verloren gaat, aangezien het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz onder
de Wwb wordt vervangen door een gemeentelijke verordening (de zogenaamde
afstemmingsverordening van artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel b, van de
Wwb). Omdat een koppeling met de Wwb wel noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van het sanctiesysteem in het kader van de Win, wordt
daarom tevens voorgesteld de hoogte van de boete in het kader van de Win niet langer bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen,
maar bij gemeentelijke verordening. Hierdoor kan de koppeling met de
sancties in het kader van de Wet werk en bijstand ten aanzien van
bijstandsgerechtigde nieuwkomers op gemeentelijk niveau gehandhaafd blijven.
Artikel 60
[60].
[Wet inkomstenbelasting 2001, red.]
De laatste zinsnede van
het gewijzigde artikel 3.104, onderdeel f, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 voorziet erin dat de langdurigheidstoeslag, evenals de uitkeringen en
verstrekkingen op grond van de Wet werk en
bijstand die bedoeld zijn
ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten, onbelast is.
Artikel 61
[61].
[Wet op
de loonbelasting 1964, red.]
De premie die op grond
van artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel j, van de Wwb
door het college van
burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader
van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling behoort alleen dan niet
tot het loon als in het jaar waarin de premie is verstrekt geen onkostenvergoeding voor het verrichten van
vrijwilligerswerk is
verstrekt als bedoeld in artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel k, van de
Wwb. Dit
voorbehoud voorkomt dat onduidelijkheid kan ontstaan ten aanzien van
de vraag of niet ten titel van premie een bedrag is verstrekt dat verband
houdt met het verrichten van vrijwilligerswerk. Een dergelijke
verstrekking doorkruist namelijk de fiscale behandeling van vergoedingen
voor
vrijwilligerswerk.
Artikelen
66 [66],
67 [67]
en 68 [68]
In een drietal wetten,
vallende onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, staat een aantal uitgewerkte artikelen waarin de
Algemene bijstandswet wordt genoemd. Voorgesteld wordt daarom deze
artikelen niet te wijzigen, maar in te trekken (het betreft de artikelen
66 [66], 67,
onderdeel B [B], en 68, onderdeel A
[A]).
Hoofdstuk 4. Overige en
slotbepalingen
Artikel 69
[69].
Indexering
Onder de vigeur van de
Abw worden de bedragen genoemd in de Abw rblz.|34|
telkens aangepast aan de
ontwikkeling van het nettominimumloon, de nettoaanspraak op
minimumvakantiebijslag en het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De
dientengevolge herziene bedragen worden in de Staatscourant
gepubliceerd en treden in werking op het moment dat de herzieningen van het
nettominimumloon, de nettoaanspraak op minimumvakantiebijslag en
het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie in werking treden. In het
wetsvoorstel Wwb zijn de bedragen opgenomen zoals gepubliceerd in de
Staatscourant van 13 december 2002, nr. 241
(pag. 11), welke bedragen
in werking zijn getreden op 1 januari 2003. Dit betekent dat de in de Wwb
genoemde bedragen op de datum van inwerkingtreding van de Wwb nog
geïndexeerd moeten worden met de wijzigingen die na 1 januari 2003
hebben plaatsgevonden. Artikel 69 [69]
bepaalt daarom dat de in de Wwb opgenomen bedragen worden herzien met de
wijzigingen die sinds 1
januari 2003 hebben plaatsgevonden en dat van deze herziening
mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.
Artikel 70
[70].
Goede
invoering
Op grond van dit artikel
kunnen bij ministeriële regeling met het oog op de goede invoering van de
Wwb regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van
het bepaalde bij of krachtens die wet en deze
wet. Hierbij kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan het aanpassen van invoeringstermijnen en
het regelen van de gevolgen van eventuele invoeringsproblemen, maar
ook aan zaken die in het verlengde liggen van de in de toelichting op
artikel 2 bedoelde zaken waarvan de noodzaak of wenselijkheid deze te
regelen pas in een later stadium bekend wordt. Bij dit laatste zal dan
uiteraard ook rekening worden gehouden met overgangsrechtelijke
complicaties.
Artikel 71
[71].
Omhanging
besluiten
Ingevolge
artikel 2 [2],
eerste lid, van deze wet wordt een aantal (wettelijke) regelingen ingetrokken.
Als gevolg hiervan komen de op die regelingen gebaseerde
uitvoeringsregelingen van rechtswege te vervallen. Voor een viertal mede op de
Algemene bijstandswet gebaseerde besluiten, te weten het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, het Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik, het Besluit extramurale
vrijheidsbeneming en sociale zekerheid en het Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten, is het ongewenst dat deze vervallen. Het onderhavige artikel
voorziet erin dat de hiervoor genoemde besluiten mede onder de Wet werk en
bijstand komen te hangen.
Artikel 72
[72].
Inwerkingtreding
De Invoeringswet
Wwb treedt in beginsel tegelijk in werking met de Wwb. In het
inwerkingtredingsbesluit van deze wet en de Wwb zal het gebruik van de
mogelijkheden die dit artikel, artikel 2
[2], tweede lid van
deze wet en artikel 85
[85] van de
Wwb bieden om verschillende artikelen en onderdelen daarvan van
deze wet en
de Wwb enerzijds en de Abw, de Wiw
en het ID-Besluit anderzijds
later in werking te laten treden dan wel later te laten vervallen,
zorgvuldig moeten worden afgestemd.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|