|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 960
Invoering van de Wet
werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand)
| Nr.r6 |
NOTA
NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG |
Inhoudsopgave
| x[Algemeen,
red.] |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemene uitgangspunten |
| 3 |
[Opzet van
Ioaw, Ioaz en Wik, red.] |
| 3.1 |
Ioaw en
Ioaz |
| 3.2 |
Wik |
| 4 |
Invoeringstraject |
| xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikelen
2 t/m 68 |
Ontvangen 12 augustus 2003
[Algemeen,
red.]
1.
Inleiding [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen een verduidelijking waarom voor een ander regime van
bijstand wordt gekozen voor de Ioaw en Ioaz. Zij vragen om een uitleg
van deze ongelijke behandeling en een verbetering van de voorstellen uit
een oogpunt van het tegengaan van discriminatie.
De
reden dat de Ioaw en Ioaz
slechts beperkt worden veranderd, is gelegen in
het karakter van deze regelingen als specifieke inkomensvoorziening voor
de categorieën personen waarvoor deze voorzieningen zijn bedoeld.
Daarbij speelt ook een rol dat deze regelingen de komende tijd zullen
veranderen. Hierop wordt nader ingegaan in het antwoord op de vraag van
de leden van de SGP-fractie.
Anders dan de leden van de
PvdA-fractie veronderstellen, is de gemeentelijke bevoegdheid tot verhaal vanwege
onderhoudsplicht niet gekoppeld aan de leeftijd van belanghebbende.
Bij de Ioaw en de Ioaz gaat het om
gerechtvaardigde verschillen die de ratio vormen van het bestaan van
deze regelingen. Er is daarmee sprake van een voldoende motivering van
een ongelijke behandeling.
2.
Algemene uitgangspunten [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen waarom de reïntegratie- en de afstemmingsverordening
niet verplicht in samenhang worden getroffen opdat een samenhangend
geheel van rechten en plichten gelijktijdig van kracht wordt.
Eén van de uitgangspunten van deze wet is dat er zo weinig mogelijk
uitvoeringsvoorschriften worden opgelegd aan de gemeenten. Dit
uitgangspunt komt onder andere tot uitdrukking in artikel 8
[8] Wwb. Het feit dat in de
Wwb is bepaald dat op drie terreinen de gemeentelijke beleidsregels
worden vastgelegd in een verordening geeft de gemeente ruimte naar eigen
inzicht één, twee of drie verordeningen op te stellen.
In paragraaf 6.1 van de nota naar aanleiding
van het verslag over de Wwb is aangegeven dat het kabinet de gemeenten
in de gelegenheid stelt rblz.|2|
de reïntegratie- en de afstemmingsverordening binnen één jaar na
inwerkingtreding van de wet, maar wel gelijktijdig, in te voeren.
De
leden van de
CDA-fractie vragen of het naast elkaar bestaan van de
financieringssystematiek en regels en verplichtingen van Wwb,
Ioaw, Ioaz en Wik niet leidt tot een hoge administratieve lastendruk voor
gemeenten.
Het
kabinet is van mening dat het naast elkaar bestaan van de
financieringssystematiek, regels en verplichtingen zowel van de Wwb
als
van de Ioaw, Ioaz en
Wik niet zal leiden tot een hoge administratieve
lastendruk voor gemeenten. Ook onder de huidige regelgeving geldt dat er
voor wat betreft de Ioaw, Ioaz en Wik al sprake is van een op onderdelen
afwijkend regime ten aanzien van regels en verplichtingen. Voor de Wik geldt daarbij bovendien nog dat deze regeling qua
financieringssystematiek ook nu al afwijkt van de huidige Abw.
Daar waar de verschillende regelingen
overeenkomst vertonen zoals bijvoorbeeld op het onderdeel rechten en
plichten zijn Ioaw, Ioaz en Wik via de Invoeringswet
Wwb meer in
overeenstemming gebracht met de systematiek van de Wwb.
De
leden van de
CDA-fractie vragen hoe de zorgvuldige behandeling
gewaarborgd wordt van belanghebbenden die onder deze diverse regimes
vallen.
Ook
in de huidige situatie nemen Ioaw, Ioaz
en Wik een aparte plaats in
naast de Abw, hetgeen niet heeft geleid tot onzorgvuldige behandeling
van de belanghebbenden. Naar de mening van het kabinet is er geen
aanleiding om te veronderstellen dat de wijziging van Abw naar Wwb
nadelige invloed zal hebben op de zorgvuldige behandeling van
belanghebbenden onder de regimes van Ioaw, Ioaz of Wik.
[3.
Opzet van Ioaw, Ioaz en Wik, red.] [MvT;
V]
3.1.
Ioaw en Ioaz [MvT;
V]
Het is de leden van
de
PvdA-fractie niet duidelijk of het maatregelenbesluit [Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz, red.] nu wel of niet
van kracht blijft voor de Ioaw en Ioaz. Deze onduidelijkheid is er ook
met betrekking tot het boetebesluit [Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.]. Wordt het boetebesluit voor deze
regelingen gewijzigd in stand gehouden? Waarom wordt niet gekozen voor
een aanpassing zodat voor mensen met een bijstandsuitkering, of ze nu 53
of 58 jaar zijn, dezelfde rechten en verplichtingen gelden? Hoe zit het
met de sollicitatieplicht van Ioaw en Ioaz en met die van een jongere
partner?
In
paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Invoeringswet is aangegeven dat in de Ioaw en de
Ioaz het thans
vigerende boeten- en maatregelenbesluit worden gehandhaafd. Dit laat
onverlet dat het vigerende maatregelenbesluit gewijzigd zal worden
overeenkomstig de toezegging tot uniformering van de nadere regels met
betrekking tot de zwaarte van sancties in het kader van de socialezekerheidswetten (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 800
XV, nr. 19). Daar
is ook aangegeven dat deze keuze voortvloeit uit het feit dat in deze
regelingen, anders dan in de Wwb, maatwerk alleen aan de orde is bij
reïntegratie en niet bij het vaststellen van de uitkering. In
tegenstelling tot de sluitstukfunctie van de bijstand gaat het in de Ioaw
en Ioaz om specifieke inkomensvoorzieningen voor bepaalde groepen.
De vergelijking die in deze vraag wordt gemaakt tussen personen van 53
dan wel 58 jaar gaat dan ook voorbij aan het feit dat het bij de Ioaw
en Ioaz niet gaat om mensen met een bijstandsuitkering, maar om mensen voor
wie de wetgever heeft gekozen voor een specifieke inkomensvoorziening.
rblz.|3|
3.2.
Wik [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de beide wijzigingen zoals nu in een reeks van
artikelen voor de Wik zijn voorgenomen eerder aan de Kamer zijn overlegd
en met gemeenten en kunstenaarsverenigingen zijn besproken. Deze leden
vragen tevens of de brutering van de Wik een bijdrage levert aan de
oplossing van het probleem dat veel gemeenten zeer lang wachten met het
beschikbaar stellen van een eindejaarsafrekening waardoor kunstenaars
soms meer dan één jaar moeten wachten op belastingteruggave.
Bedoeling van de beide voorgenomen wijzigingen in de Wik
was om
vooruitlopend op een algehele herziening van de Wik per 1 januari 2005
de centrumgemeenten en de kunstenaars al tegemoet te komen op een
tweetal door hen gesignaleerde knelpunten. De geraadpleegde
centrumgemeenten en vertegenwoordigers uit het kunstenveld hebben
aangegeven positief te staan tegenover de voorgestelde wijziging waarmee
van voorschotverlening op basis van een renteloze lening wordt
overgegaan naar een voorlopige bruto uitkering. Ook de wijziging van de
verrekeningssystematiek kan rekenen op instemming van de gemeenten en
het kunstenveld.
Naar aanleiding van signalen dat de invoering
van de genoemde wijzigingen per 1 januari 2004 op problemen stuit bij de
centrumgemeenten is in overleg met de VNG [Vereneniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] onderzocht in
hoeverre er inderdaad sprake is van een invoeringsprobleem. Naar thans
blijkt, kunnen centrumgemeenten en automatiseerders, vanwege de aandacht
en mankracht die noodzakelijk is voor de implementatie van de Wwb, niet
of nauwelijks capaciteit beschikbaar maken voor de noodzakelijke
aanpassing van de Wik-automatisering en men verzoekt dan ook om uitstel
van de invoering van wijziging van de Wik.
In verband met de risico’s die zijn verbonden
aan het niet tijdig gereed hebben van de administratieve ondersteuning
en het belang dat moet worden gehecht aan een zo voorspoedig mogelijk
verlopende implementatie van de Wwb zelf, heeft het kabinet besloten om
tegemoet te komen aan de geluiden uit de uitvoering en de invoering van
de genoemde wijzigingen in de Wik uit te stellen tot aan het moment van
algehele herziening van de Wik per 1 januari 2005. Bij
nota van
wijziging is de Invoeringswet Wwb op dit punt aangepast.
4.
Invoeringstraject [MvT;
V]
De leden van de
fracties van CDA en CU constateren dat voor het invoeringstraject van de
Wwb €|20 miljoen
beschikbaar is. Zij vragen of dit bedrag voldoende
is, gezien de ervaringen bij de wijziging van de Abw
in 1996.
In
paragraaf 6.2 van de nota naar aanleiding van het verslag Wwb is
ingegaan op de beschikbare middelen voor de invoering van de Wwb
en de
toereikendheid daarvan, mede gezien de bedragen die in 1995 en 1996 voor
de invoering van de Abw beschikbaar zijn gesteld.
De
regering geeft aan dat zij bereid is om enkele nader te bepalen
onderdelen van de Wwb later in 2004 in te voeren. Daarbij wordt verwezen
naar een noodzaak om de uitvoeringslasten te beperken in het
invoeringsjaar. De leden van de
CDA-fractie vragen hoe deze stellingname
zich verhoudt tot een soortgelijke uitspraak in de memorie van
toelichting van de Wwb zelf? Welke onderdelen wil de regering later
invoeren? De leden van de CDA-fractie nodigen de regering uit om hier op
korte termijn duidelijkheid over te bieden voorafgaande aan de plenaire
behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in de
Tweede Kamer.
rblz.|4|
Het antwoord op deze vraag is te vinden in paragraaf 6.1 van de
nota naar aanleiding van het verslag Wwb (Gefaseerde invoering).
De
leden van de
PvdA-fractie vragen welke waarborgen het Rijk de gemeenten
biedt om te zorgen dat uitkeringen tijdig en juist worden verstrekt.
Het
uitkeringsregime in de Wwb wijkt slechts op een beperkt aantal plaatsen
af van de Abw. Hierbij gaat het om situaties waarin de betrokkenen een
vrijlating van arbeidsinkomsten genoten, de betrokkenen bijzondere
bijstand ontvingen op grond van een categoriale regeling, situaties
waarin een andere vrijlating gaat gelden voor het eigen vermogen in
eigen huis, woonwagen of woonschip en situaties waarin de nieuwe
saldomethode voor het vaststellen van het eigen vermogen gevolgen heeft
voor de hoogte van de uitkering. In deze situaties kunnen gemeenten
bepalen op welk moment in de overgangsperiode van twaalf maanden de
hoogte van de uitkering opnieuw wordt vastgesteld. De verwachting is
daarom dat het tijdig en juist verstrekken van de uitkeringen in het
algemeen geen problemen zal opleveren. Deze verwachting is bevestigd in
de hoorzittingen Wwb. Ook in de onlangs gehouden risicoanalyse is de
kans op problemen bij de uitkeringenverstrekking laag ingeschat.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen naar hoe gemeenten in staat worden
gesteld in de beperkte implementatietijd de noodzakelijke wijzigingen in
te voeren en zich daarop voor te bereiden. Het gaat dan om een breed
scala, van opvangen van bezuinigingen tot scholing en informeren van
cliënten.
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het laatste antwoord
in paragraaf 6.1 van de nota naar aanleiding van het verslag over de
Wwb.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet met nadere voorstellen te
komen om de gemeenten te ondersteunen bij de invoering door uitstel van
de invoering met één jaar, het realiseren van de besparingen in latere
jaren en door te investeren in de personele ondersteuning van gemeenten.
In
paragraaf 6.1 van de nota naar aanleiding van het verslag Wwb is het
kabinet ingegaan op de wenselijkheid om de Wwb
per 1 januari 2004 in te
voeren en op de ondersteuning die de gemeenten daarbij wordt geboden.
Artikelgewijs
Artikel
2 [2]. [Intrekking
wetten en besluit,
red.] [MvT;
V]
Naar de mening van de leden van de
PvdA-fractie laat de formulering in
artikel 2 [2], het derde lid, onduidelijkheid bestaan of via dit artikel
omwille van de invoering tijdelijk een wetsartikel buiten werking wordt
gesteld, of aangepast of blijvend. Deze leden verzoeken om aanpassing
van dit lid van artikel 2 [2]. Voorts menen zij dat bij aanpassing op grond
van artikel 2 [2]
het derde lid automatisch dient te vervallen
één jaar
nadat de wet is ingevoerd. Ten slotte wensen deze leden dat de
ministeriële regeling wordt voorgelegd aan de Kamer alvorens zij in
werking treedt.
In
dit lid wordt bepaald dat van de artikelen van de Abw, de
Wiw en het
ID-besluit die op grond van het tweede lid doorwerken (terwijl die
wetten en dat besluit al zijn ingetrokken en de Wwb
al in werking is
getreden), zo nodig kan worden afgeweken. Dit kan van belang zijn als de
doorwerkende bepalingen niet geheel aansluiten op de Wwb. Deze afwijking
is rblz.|5|
tijdelijk, namelijk zolang als de
desbetreffende artikelen doorwerken. Dit wordt in het
inwerkingtredingsbesluit geregeld. Het kabinet is met deze leden van
mening dat deze periode maximaal één jaar na de invoering van de Wwb moet zijn.
Artikel
3 [3]. [Toeslagenverordening, red.]
[MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen of de regering kan uitleggen waarom naar
haar oordeel de toeslagenverordening volgens de Wwb
dezelfde kan blijven
als de verordening gebaseerd op artikel 38 van de
Abw.
De Wwb
heeft inderdaad een andere opzet en beleidsvisie dan de Abw, maar in
de systematiek waarmee de hoogte van de bijstandsnorm
(inclusief toeslagen
en verlagingen op de norm) wordt bepaald, is echter bewust niets
veranderd. Dit leidt tot een zeer beperkte aanpassing van de
gemeentelijke toeslagenverordening. Alleen artikel 27
[27] over de
woonsituatie is enigszins aangepast.
Artikel
5 [5]. [Aanvragen, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
PvdA-fractie constateren dat de ingangsdatum van de
bijstand de dag van aanmelding bij het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] is en dat die bepaling
overeenkomt met datgene wat in de SUWI-wetten en de
Algemene
bijstandswet is bepaald. Er is echter sprake van een nieuwe formulering.
Deze leden vragen hierop een reactie van het kabinet.
In
artikel 44 [44] Wwb is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag
van aanmelding bij het CWI. Dit is hetzelfde als het, bij
Invoeringswet SUWI
toegevoegde, artikel 68a Abw. Er is dus geen sprake van een nieuwe
formulering.
Artikel
6 [6]. [Terugvordering,
verhaal, boetes en maatregelen, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen hoe lang de verplichtingen tot
terugvordering, verhaal, boetes en maatregelen op grond van de Abw
mogelijk blijven. Acht de regering
het niet wenselijk dat er een maximale overgangstermijn in de wet wordt
opgenomen?
In
reactie op deze vraag, die verband houdt met de huidige tekst van
artikel 6 [6] van de Invoeringswet bij dit wetsvoorstel, kan gemeld worden
dat deze bepaling bij nota van wijziging (bijgevoegd) in het geheel komt
te vervallen. Bij nader inzien is gebleken dat er geen noodzaak bestaat
voor deze overgangsbepaling. Door het schrappen van artikel 6
[6] van de
Invoeringswet wordt, conform aanwijzing 166 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving, de hoofdregel van het overgangsrecht immers weer van
kracht: de onmiddellijke of exclusieve werking van de nieuwe wet. Dit
betekent dat de nieuwe regels tevens van toepassing zijn op de reeds
bestaande rechtsposities en verhoudingen op het gebied van
terugvordering, verhaal, boetes en maatregelen. Daarnaast is in artikel
4 [4] van de Invoeringswet bij dit wetsvoorstel geregeld dat besluiten die
zijn genomen op grond van de Abw na invoering van de
Wwb van rechtswege
gelden als besluiten genomen op grond van de Wwb. Daarmee is op basis
van het hierboven beschreven overgangsrecht voor zowel cliënt als gemeente
helder welke rechten en plichten hier gelden. Op deze wijze
wordt bovendien voorkomen dat er twee afzonderlijke stelsels naast
elkaar bestaan met alle afbreukrisico’s van dien.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen of de lokale sanctiemaatregelen alleen
van toepassing kunnen zijn op die bijstand die verstrekt is op basis rblz.|6|
van de
nieuwe Wwb
na het van kracht
worden van de betreffende artikelen van de Wwb en dat sancties op eerder
versterkte bijstand conform de Algemene bijstandswet ook volgens de oude
regeling opgelegd worden.
In
artikel 6 [6] van de Invoeringswet is vastgelegd dat het antwoord op de
vraag of het Abw- dan wel het Wwb-regime van toepassing is, wordt
bepaald door de periode waarop de verleende bijstand betrekking heeft.
Deze keuze was gebaseerd op het uitgangspunt dat niet het tijdstip
waarop de gemeente besluit tot terugvordering, verhaal of het opleggen
van een boete bepalend moet zijn voor de keuze van het regime, maar de
periode waarop de bijstand betrekking heeft. Die periode is immers niet
door de gemeente te beïnvloeden.
Bij nader inzien is het kabinet tot de
conclusie gekomen dat de gevolgen van deze keuze voor de uitvoering
zodanig zijn dat een ander regime de voorkeur verdient. Doorslaggevend
is daarbij het argument dat fraude soms pas na jaren kan worden ontdekt.
Het in het wetsvoorstel voorgestelde regime zou dan als consequentie
hebben dat de gemeente jaren lang een dubbel beleid moet voeren bij
naderhand ontdekte fraude: het Abw-regime als de fraude betrekking heeft
op de periode vóór de Wwb en het Wwb-regime als de fraude is gepleegd na
invoering van de Wwb. Dat leidt niet alleen tot een extra belasting van
de uitvoering, maar kan ook, zoals deze leden terecht opmerken, bij de
gemeente en de klant verwarring veroorzaken.
In de nota van wijziging is daarom
artikel 6 [6]
van de Invoeringswet komen te vervallen. Dit betekent dat op alle
besluiten ten aanzien van terugvordering, boeten en verhaal die zijn
genomen na de inwerkingtreding van de Wwb de bepalingen bij of krachtens
de Wwb van toepassing zijn. Voor een gemeente die gebruik maakt van de
mogelijkheid van de gefaseerde invoering geldt als wisseldatum de door
de gemeente te kiezen datum waarop de Wwb volledig is ingevoerd.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet een nadere toelichting te
geven op de verschillende aanpak tussen verhaal op ex-partners in Ioaw
en Wwb en de Algemene
bijstandswet.
De Ioaw
kent in het geheel geen verhaalsplicht en hiervoor zijn geen
beleidswijzigingen in de toekomst voorzien. De Wwb
kent geen
verhaalsplicht meer op ex-partners, maar biedt gemeenten de bevoegdheid
om een belanghebbende elders een verzoek tot toekenning van een
uitkering tot levensonderhoud voor kinderen in te [laten, red.] dienen
(artikel 56 [56]
Wwb). De
Abw kent verplicht verhaal door gemeenten op ex-partners
vanwege onderhoudsverplichtingen jegens kinderen en partners.
De gemeente moet na inwerkingtreding van een
nieuwe kinderalimentatieregeling afzien van verhaal op een ex-partner,
ook in reeds lopende gevallen, omdat hiervoor in de Wwb bewust niet
langer een wettelijke basis is geregeld. Een nieuw
kinderalimentatiestelsel zoals beoogd, maakt verhaal van bijstand op
ex-partners namelijk overbodig.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen of de gemeente de vrijheid heeft af te
zien van fraudeonderzoek bij witte fraude, zwarte fraude of samenwoningsfraude alsmede om af te zien van vervolging of sanctionering.
Zij vragen het kabinet wat het met deze vorm van regelgeving heeft
beoogd.
Het
kabinet verwacht van de Wwb dat deze de gemeenten zal stimuleren tot een
krachtiger bestrijding van fraude, gelet op de grotere financiële
verantwoordelijkheid. Het kabinet wijst er daarbij op dat ook in de
huidige wet niet is aangegeven op welke wijze de fraudebestrijding moet
worden ingericht. Het kabinet ziet dan ook geen reden op dit punt in de
Wwb aan gemeenten meer regels te stellen dan in de Abw.
rblz.|7|
Hoewel dit
niet als een wettelijke opdracht in de Wwb
is
opgenomen, heeft een gemeente voor een adequate fraudebestrijding een
duidelijk vastgesteld beleid nodig. Bij afwezigheid van beleid zou
willekeur ontstaan met de daaruit voortvloeiende risico’s van
bezwaarprocedures op grond van het gelijkheidsbeginsel.
Artikel 18 [18], tweede lid, van de Wwb
draagt de gemeente
op om, op grond van een bij verordening vastgesteld beleid, de uitkering
te verlagen indien de betrokkene de uit de Wwb voortvloeiende
verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Eén van deze verplichtingen
is de verplichting van de betrokkene om aan de gemeente alle informatie
te verstrekken die van belang is om het recht op bijstand te kunnen
vaststellen. Een adequate fraudebestrijding is een onontbeerlijke
schakel tussen de inlichtingenplicht van de klant en de opdracht aan de
gemeente de uitkering te verlagen dan wel aangifte te doen van een
strafbaar feit bij het OM.
De vrijheid om af te zien van vervolging of
sanctionering beperkt zich dus tot de beoordelingsruimte die de gemeente
heeft om de verwijtbaarheid van de gedraging van de klant vast te
stellen.
De gemeente heeft altijd ruimte voor een vorm
van efficiencyafweging bij haar controle- en opsporingsbeleid. Het
controle- en opsporingsbeleid van een gemeente onder de Wwb onderscheidt
zich daarin niet van het controle- en opsporingsbeleid bij andere
regelingen (inclusief de huidige Abw). Zo vormt deze ruimte de ratio van het
werken met risicogroepen en risicoprofielen. Een versterkte aandacht
voor deze wijze van werken als gevolg van de financiële systematiek van
de Wwb is dan ook uit oogpunt van een adequate fraudebestrijding niet
bezwaarlijk.
De systematiek van de Wwb maakt het mogelijk
dat als gevolg van politieke prioritering en besluitvorming door de raad
of het college van B&W de mate waarin gemeenten aandacht besteden
aan fraudebestrijding enigszins kan verschillen. Hiervoor is uiteengezet
dat dit verschil bij een rechtmatige uitvoering van de wet beperkt zal
zijn, gelet op de verplichting die de gemeente heeft om consequenties te
verbinden aan het door de klant niet nakomen van diens
inlichtingenplicht. Bovendien zal een niet adequate fraudebestrijding de
gemeente voor financiële risico’s plaatsen door de volledige
budgettering van het inkomensdeel en door de beperktere mogelijkheden
die zo’n gemeente heeft voor een aanvullende uitkering als bedoeld in
artikel 74 [74] Wwb.
Artikel
7 [7]. [Zelfstandigen, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen of de regering een verduidelijking kan
geven hoe de algemene maatregel van bestuur met betrekking tot
zelfstandigen zal worden ingevuld.
De
bijstandverlening aan zelfstandigen zal, op grond van artikel 7
[7] van de
Invoeringswet Wwb, tijdelijk worden geregeld in het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]. Dit gebeurt in afwachting van de
nieuwe wet voor zelfstandigen, waarvan het wetsvoorstel naar verwachting
in 2004 ter behandeling aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Gelet
op het tijdelijke karakter van het nieuwe Bbz is gekozen voor
ongewijzigde voortzetting van de bijstandverlening aan zelfstandigen.
Slechts de indeling van het Bbz wordt gewijzigd, aangezien de bepalingen
met betrekking tot de bijstandverlening aan zelfstandigen die thans in
de Algemene bijstandswet zijn opgenomen naar het Bbz zullen worden
overgebracht. De nieuwe indeling van het Bbz zal door middel van een
transponeringstabel aan de gemeenten worden verduidelijkt.
rblz.|8|
Artikel
9 [9]. [Vrijlating
arbeidsinkomsten, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen of de vrijlatingmogelijkheden niet te
beperkt zijn op grond van de Wwb en het onderhavige
wetsvoorstel. Deze
leden verwijzen naar hun inbreng op dit punt bij het
wetsvoorstel Wwb.
De leden van de
PvdA-fractie hebben grote bezwaren tegen het voornemen van het kabinet om de vrijlating van
inkomsten af te schaffen. Zij vragen om een inhoudelijke reactie.
Voor het antwoord op deze vragen verwijst het kabinet naar paragraaf 4.2
van de nota naar aanleiding van het verslag over de Wwb (Vrijlating van
arbeidsinkomsten).
De
leden van de
PvdA-fractie vragen welk volume aan middelen vrijkomt in
2004 indien de vrijlating wordt afgeschaft. Is het de gemeenten
toegestaan via een gemeentelijke verordening een belastingvrije premie
maandelijks te verstrekken voor mensen die noodgedwongen in deeltijd
werken? Of mag de gemeente een dergelijk premie alleen eenmaal per jaar
verstrekken? Mag dat dan belastingvrij? Telt de premie dan mee voor de
bepaling van de hoogte van de huursubsidie?
Voor het antwoord op deze vragen verwijst het kabinet naar paragraaf 4.2
van de nota naar aanleiding van het verslag over de Wwb (Vrijlating van
arbeidsinkomsten).
Artikel
10 [10]. [Categoriale
bijzondere bijstand, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen waarom er in de nieuwe wet ruimte zal
zijn voor een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering als
bijzondere bijstand. Zij vragen of er objectief ook andere
uitzonderingen mogelijk zijn voor collectieve bijstand.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet in te gaan op de effecten
van het instrument aanvullende collectieve ziektekostenverzekering. Zij
verzoeken het kabinet alle gemeenten in staat te stellen een collectieve
verzekering af te sluiten.
Het
kabinet onderkent dat een collectieve aanvullende
ziektekostenverzekering (hierna: CAV) de door de leden van de
PvdA-fractie genoemde positieve effecten kan hebben. Dat laat echter
onverlet dat de gemeente met de CAV
treedt in het aan het Rijk
voorbehouden generieke inkomensbeleid. Mede gelet op het uitgangspunt
dat, omwille van de eenduidigheid en ter voorkoming van
precedentwerking, alle categoriale regelingen dienen te worden
afgeschaft, ziet het kabinet geen aanleiding om voor de CAV
een nog
ruimere overgangsbepaling te maken.
De overgangsbepaling berust op de overweging
dat het wegvallen van een bestaande CAV
voor de gemeente kan leiden tot
uitvoeringsproblemen. Gemeenten die in de afgelopen jaren, om hen
moverende redenen, geen aanleiding hebben gevonden om een CAV
af te
sluiten, worden daar niet mee geconfronteerd. Ook bezien vanuit de
positie van de betrokken gemeenten is er voor het kabinet dan ook geen
reden om de overgangsbepaling te verruimen.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen of er door het overgangsrecht bij de
collectieve aanvullende ziektekostenverzekering niet bewust
rechtsongelijkheid gecreëerd wordt. Past het niet meer in de aard van
de wet om, als de mogelijkheid blijft bestaan, alle gemeenten zelf de
keuze te laten maken?
Ten
aanzien van de door de leden van de
PvdA-fractie gestelde
rechtsongelijkheid als gevolg van het overgangsrecht voor CAV’s merkt
het kabinet rblz.|9|
op dat hier sprake is van de
handhaving van de, gedurende een reeks van jaren gegroeide, status quo
tussen gemeenten met en zonder CAV. Gelet op het meergenoemde belang van
afschaffing van alle categoriale regelingen ziet het kabinet geen
aanleiding om alle gemeenten zelf de keuze te laten maken.
Artikel
11 [11]. [Woonwagen
en -schip, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
PvdA-fractie vragen waarom er een wijziging wordt
voorgesteld van het aan een schip of woonwagen verbonden vermogen. Zij
vragen of dit voorstel eerder aan de Kamer is voorgelegd en of hierover
is overlegd met de VNG en Divosa.
De
wijziging van het aan een schip of wagen verbonden vermogen wordt
voorgesteld in artikel 50 [50]
Wwb en is niet gebaseerd op een evaluatie. De
wijziging beoogt de rechtsgelijkheid te bevorderen tussen eigenaren van
een woning enerzijds en die van een schip of wagen anderzijds. Voorts
beoogt de wijziging het hiaat in te vullen dat door de rechtspraak is
geconstateerd in de Abw ten aanzien van de behandeling van het in eigen
schip of wagen gebonden vermogen (zie artikelsgewijze toelichting bij
artikel 50 Wwb).
In artikel 11
[11] Invoeringswet Wwb is het
overgangsrecht geregeld voor eigenaren van schip of woonwagen die reeds
bijstand ontvangen. Voor hen geldt dat, zolang zij bijstand blijven
ontvangen, een oververmogen in schip of wagen er niet toe leidt dat de
bijstand wordt omgezet in leenbijstand. Dit is mede gebaseerd op de
overweging dat een deel van het vermogen in schip of wagen kan zijn
opgebouwd tijdens de bijstandsperiode. Daarmee wordt de lijn
doorgetrokken die geldt voor bezitters van een eigen woning in de
bijstand. Ook bij die groep blijft in de regel het bedoelde vermogen
buiten aanmerking.
De opvatting van de landelijke organisatie van
woonwagenbewoners is niet bekend. Van VNG en
Divosa is geen reactie
ontvangen op de betreffende bepalingen.
Artikel
13 [13]. [Verhaal, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
PvdA-fractie constateren dat na invoering van de Wwb
de
mogelijkheid tot verhaal een vrije keuze van de gemeente
wordt, in
afwachting van de nieuwe regels voor kinderalimentatie. Waarom geeft de
regering de gemeenten ten aanzien van het verhaalsrecht op Ioaw
en Ioaz niet dezelfde bevoegdheid, zo vragen deze leden.
Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat verhaal op
onderhoudsplichtigen in het geheel niet voorkomt in de Ioaw
en Ioaz.
Evenmin wordt verhaal in deze regelingen in de toekomst beoogd, omdat
dit niet aan zou sluiten bij het karakter van deze inkomensvoorzieningen
Artikel
15 [15]. [Uitbesteding, red.]
[MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen wat precies de betekenis is van de
verplichting tot uitbesteding voor de opvolgers van de Wiw-dienstbetrekkingen en
ID-banen [zie Besluit in- en doorstroombanen,
red.]. Deze leden willen tevens weten wat
de gevolgen zijn voor de activiteiten van bijvoorbeeld een bestaande
organisatie voor stadswachten die met gesubsidieerde arbeidskrachten
werkt in opdracht van een gemeente. Wat zijn de verplichtingen en
vrijheden voor een gemeente ten aanzien van de aanbesteding van
activiteiten in het kader van gesubsidieerde arbeid?
Het
kabinet verwijst deze leden naar paragraaf 3.2.5 van de nota naar
aanleiding van het verslag Wwb.
rblz.|10|
Artikel
17 [17]. [Uitkeringen
gemeenten, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen wanneer de gemeenten de indicaties
krijgen van de budgetten en wat de formele status daarvan is.
De gemeenten hebben via de Verzamelbrief van 14 juli 2003 indicaties voor
de budgetten Wwb 2004 ontvangen. Deze indicaties berusten op de meest
recente inzichten in het macrobudget 2004.
Conform de in paragraaf
5.1.1 van de memorie
van toelichting bij de Wwb beschreven methodiek wordt in september 2003
het macrobudget 2004 vastgesteld. De gemeenten ontvangen aansluitend een
beschikking waarin hun budget voor 2004 wordt vastgesteld.
De
leden van de
CDA-fractie vragen of de regels en de verplichtingen bij
uitbesteding en aanbesteding voor gemeenten bij Ioaw
en Ioaz overeenkomstig de Wwb
zijn.
Voor de Ioaz en Ioaw
gelden dezelfde verplichtingen met betrekking tot
uitbesteding en tot aanbesteding volgens het Besluit
SUWI als voor de Wwb.
Artikel
22 [22]. [Toezicht, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
PvdA-fractie vragen welke gegevens de gemeenten precies
moeten verstrekken aan IWI [Inspectie Werk en
Inkomen, red.] wil de Inspectie haar taak goed kunnen
uitvoeren.
Het
toezicht op de rechtmatige uitvoering van het overgangsrecht geschiedt
op basis van de integrale, jaarlijkse verantwoording die gemeenten aan
de Minister van SZW afleggen. In beginsel kan de gemeente volstaan met
de verklaring dat zij de Wwb en het daarop betrekking hebbende
overgangsrecht rechtmatig heeft uitgevoerd. Dit betekent dat fouten
gemaakt in de uitvoering, indien deze gerelateerd worden aan de
financiële omvang, minder bedragen dan 1% van het financieel beslag.
Slechts wanneer de gemeente deze grens overschrijdt, moet zij de aard en
de omvang van de tekortkomingen specificeren voor de Minister van SZW.
IWI gebruikt deze verantwoording ook voor haar toezicht. Voor nadere
informatie over de verantwoording van de gemeente aan de Minister van
SZW, en daarmee ook aan de toezichthouder, wordt verwezen naar hoofdstuk
9 van de nota naar aanleiding van het verslag inzake de Wwb.
Artikel
25 [25]. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie constateren dat de regering de Wik
zodanig wil
aanpassen dat het inkomen van een kunstenaar over de uitkeringsloze
periodes uitsluitend in aanmerking komt voor zover dit hoger is dan 100%
van het van toepassing zijnde sociaal minimum. Deze leden vragen het
oordeel van het kabinet over deze bepaling in relatie tot de beperkte
vrijlatingsmogelijkheden voor belanghebbenden onder de Wwb.
Anders dan de leden van deze fractie veronderstellen, kent de Wik
geen vrijlatingsregel. In de huidige Wik wordt het volledige jaarinkomen - met uitzondering van de
Wik-uitkering
van de kunstenaar en de echtgenoot - in aanmerking genomen voor de vaststelling van het definitieve
uitkeringsrecht over een kalenderjaar. Dit jaarinkomen wordt omgerekend
naar een gemiddeld maandbedrag, ongeacht of de kunstenaar het hele jaar
gebruik heeft gemaakt van de Wik of slechts een gedeelte van het jaar.
In paragraaf 3.2 van deze nota heeft het
kabinet uiteengezet waarom alsnog wordt afgezien van deze wijziging.
rblz.|11|
Artikelen
26 tot en met 68 [26-68] [MvT;
V]
De
taakafbakening die de regering hier voorstelt tussen UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] en WW staat
naar de mening van de leden van de
PvdA-fractie haaks op de SUWI-wetten.
De relevantie van de voorstellen ontgaat deze leden. Zij vragen een
toelichting op de beweegreden van dit voorstel.
Op
deze problematiek is ingegaan in paragraaf
6.3 van de nota naar
aanleiding van het verslag Wwb.
De
leden van de
PvdA-fractie vragen of, ten aanzien van de doorgeleiding
van WW-ers vanuit het UWV aan het eind van de WW-periode, de gemeente
kan worden gezien als aannemer en uitvoerder van bepaalde
reïntegratietaken.
De gemeente
kan op basis van de wet optreden als aannemer van bepaalde
reïntegratietaken c.q. voorzieningen voor een WW-klant in plaats van
het UWV. Hierover kunnen gemeente en UWV afspraken maken. Deze
reïntegratietaken c.q. voorzieningen dienen net als de voorzieningen in
de Wwb op grond van artikel 7 [7], vierde lid, te worden uitbesteed. De
gemeente is dus geen uitvoerder van deze voorzieningen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|