|
BESLUIT van 10 oktober 2003
tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7
van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 3 september 2003, Directie Bijstand en
Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/WWB/03/70143;
Gelet op artikel 7
van de
Invoeringswet Wet werk en
bijstand;
De Raad van State
gehoord (advies van 18 september 2003, nr. W12.03.0369/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober
2003, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/WWB/03/76459;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
I
Begripsomschrijvingen
Art.
1.
Definitiebepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet werk en bijstand;
b. zelfstandige: de belanghebbende
van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen
op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
1º. voldoet aan de wettelijke vereisten
voor de uitoefening daarvan;
2º. voldoet aan het urencriterium,
bedoeld in artikel 3.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
3º. alleen of samen met degenen met wie
hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap
in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s
daarvan draagt;
c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf
of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na
bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige
inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of
zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;
d. boekjaar: de periode van twaalf
maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd;
e. netto-inkomen: het over het
boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4,
van de wet, met toepassing van artikel
6, tweede lid;
f. bruto-inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen,
bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4,
van de wet, zonder toepassing van artikel
31, derde lid, van de wet en
artikel 6, tweede lid;
g. jaarnorm: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som
van de bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3,
van
de wet, verhoogd met de vergoeding, bedoeld in
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet,
en de verleende bijzondere bijstand;
h. totaalvermogen: het vermogen, bedoeld in artikel 34,
eerste lid, onderdeel a, van
de wet, zonder aftrek van de aanwezige
schulden en zonder de in artikel
34, tweede lid, onderdeel a en e, van de
wet bedoelde bezittingen in aanmerking te nemen;
i. eigen vermogen: het verschil tussen het totaalvermogen en
de aanwezige schulden;
j. bank: bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht:
k. ondernemer in de binnenvaart: de zelfstandige die arbeid
verricht door:
1º. het vervoeren of opslaan van goederen met behulp van een
schip dat bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen op
de Nederlandse binnenwateren, stromen en riviermonden, alsmede op de
Dollard, de Waddenzee en het IJsselmeer;
2º. het slepen of duwen van de in onder
1º bedoelde schepen met een boot die blijkens zijn bouw daarvoor is
bestemd en niet tevens is ingericht voor het vervoer van goederen.
HOOFDSTUK
II
Algemene
bepalingen
§
1. Algemeen
Art.
2.
Kring van
rechthebbenden
-1. Algemene bijstand kan worden verleend
aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als
zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep
levensvatbaar is;
b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit
hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat
levensvatbaar is;
c. de zelfstandige van 55 jaar of ouder wiens bedrijf of
zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of
zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar
onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit
een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien;
d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet
levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of
zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twaalf
maanden, te beëindigen;
e. de zelfstandige die om gezondheidsredenen niet of slechts
beperkt in staat is tot het uitoefenen van zijn bedrijf of zelfstandig
beroep en die een uitkering ingevolge de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen heeft aangevraagd.
-2. Bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de
zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c
van het eerste lid.
-3. Bijstandverlening aan een persoon die
algemene bijstand ontvangt die voornemens is een bedrijf of zelfstandig
beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt
voor arbeid in dienstbetrekking kan gedurende een voorbereidingsperiode
van ten hoogste twaalf maanden worden voortgezet. In een zodanig geval:
a. zijn de artikelen 9, met
uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, en 10
van de wet niet van toepassing;
b. is de belanghebbende verplicht mee te werken aan
begeleiding door een door het college aangewezen derde.
Art.
3.
Bedrag om niet
-1. Bijstand in de vorm van een bedrag om
niet als bedoeld in de artikelen 12, 19,
21 en 22:
a. wordt niet verleend indien het eigen vermogen meer
bedraagt dan €|182 000,00;
b. wordt, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan €|43
308,00, doch minder dan €|182 000,00,
slechts verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30
procent van het totaalvermogen.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
aan de zelfstandige als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel c, bijstand in de vorm van een
bedrag om niet als bedoeld in de
artikelen 12 en 26 niet verleend indien het
eigen vermogen meer bedraagt dan €|127
400,00.
Art.
4.
Forfaitair bedrag
De bijstand die wordt verleend in de vorm van een bedrag om niet met
toepassing van artikel 12 wordt verhoogd met een
forfaitair bedrag dat overeenkomt met de loonbelasting en de premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de
bijstand verleent krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingspichtige is.
Art.
5.
Boekjaar
De algemene bijstand wordt per boekjaar vastgesteld.
§
2. Inkomen
Art.
6.
Het inkomen
-1. In afwijking van artikel
32, eerste lid, onderdeel b, van de wet
wordt bij de bijstandverlening aan een zelfstandige rekening gehouden
met het inkomen over een boekjaar. Een teruggave van inkomstenbelasting
en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als
inkomen aangemerkt.
-2. Bij de bijstandverlening aan een
zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven,
gesteld op 23 procent van dat inkomen.
§
3. Vermogen
Art.
7.
Het vermogen
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het voor de uitoefening
van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen, waaronder
mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn
gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.
Art.
8.
Vermogensvaststelling
-1. De voor de uitoefening van het bedrijf
of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden
van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het
economisch verkeer.
-2. In afwijking van het eerste lid worden
de volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd:
a. onderhanden werken, halffabrikaten, eindproducten en te
velde staande gewassen worden gewaardeerd op basis van de gemaakte
kosten, arbeidskosten daaronder begrepen;
b. handelsvoorraden en grondstoffen worden gewaardeerd op
basis van de aanschaffingswaarde, voor zover nodig gecorrigeerd met een
aftrek wegens incourantheid;
c. immateriële activa, zoals goodwill en melkquotum, worden
gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij rekening wordt
gehouden met de afschrijving;
d. levensverzekeringen die zijn aangegaan voor de
financiering van onroerende zaken worden opgenomen tegen de contante
waarde;
e. aandelen in coöperaties en inkoopverenigingen alsmede
andere vormen van ledenkapitaal worden gewaardeerd op basis van de
fiscale boekwaarde;
f. land en tuinbouwgrond wordt gewaardeerd op de waarde in
verpachte staat.
-3. In afwijking van het tweede lid,
onderdeel a, kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de
plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op de
waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze
bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is
sprake in het geval dat er in meer dan twee opeenvolgende jaren lage
opbrengstprijzen zijn verkregen al dan niet in combinatie met lage
fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden.
-4. Onder schulden wordt mede verstaan:
a. uit de jaarrekening blijkende schulden wegens
niet-uitbetaald loon aan kinderen;
b. reserveringen in verband met
belastingclaims die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van
de bezittingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
-5. Het college laat, indien daartoe
aanleiding bestaat, de onroerende zaken taxeren door een taxateur.
-6. Het college laat de waarde van de
bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde omstandigheden daartoe
aanleiding geven.
Art.
9.
Het vermogen
tezamen met anderen
Bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of
zelfstandig beroep tezamen met één of meer anderen uitoefent, wordt
onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen.
§
4. Algemene bijstand
Art.
10. Vormen van
bijstand
Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in
de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of
gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van
een bedrag om niet.
Art.
11.
Uitbetaling van
lening
-1. Algemene bijstand heeft voorlopig de
vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt
uitbetaald.
-2. Zodra het inkomen bekend is over het
boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend,
wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor
zover het vermogen van de zelfstandige de van toepassing zijnde grens
van artikel 3 niet te boven gaat, tot die hoogte
omzetting plaats in een bedrag om niet.
Art.
12.
Definitieve
vaststelling netto-inkomen
-1. Het college neemt een nadere
beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, nadat het college het netto-inkomen uit bedrijf of
zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld.
-2. Indien de verleende bijstand,
vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde
netto-inkomen:
a. minder is dan de jaarnorm, wordt ambtshalve voor het
verschil bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te
verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar
evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar
bijstand is verleend, waarbij de als geldlening verstrekte bijstand
wordt omgezet in een bedrag om niet;
b. gelijk is aan de jaarnorm, wordt
de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet;
c. meer is dan de jaarnorm, wordt
de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest
van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.
Art.
13.
Handhaving van
renteloze lening
In afwijking van artikel 12
wordt, voor zover het eigen vermogen de van toepassing zijnde
vermogensgrens, genoemd in artikel 3, overschrijdt, de
renteloze geldlening gehandhaafd na afloop van het tijdvak waarin
bijstand is verleend. Met ingang van het jaar volgend op het laatste
jaar van de bijstandverlening wordt hierop een jaarlijkse aflossing van
ten minste 10 procent voldaan.
§
5. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal
Art.
14.
Vormen van bijstandverlening aan zelfstandigen
-1. Bijstand aan een zelfstandige ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit
verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening,
borgtocht of een bedrag om niet.
-2. Een voorschot als bedoeld in artikel 52
van de
wet kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal.
-3. Bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan personen als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking die arbeid als zelfstandige verrichten
of gaan verrichten.
Art.
15.
Rentedragende
geldlening
Bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening ter voorziening in
de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het
volgende:
a. de rente van de geldlening bedraagt 8 procent per jaar
gedurende de gehele looptijd van de geldlening;
b. de looptijd van de geldlening is
ten hoogste tien jaar.
Art.
16.
Borgtocht
Bijstand in de vorm van borgtocht ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het volgende:
a. de borgtocht heeft geen betrekking op de rente en kosten
van die geldlening waarvoor borgtocht wordt aangegaan;
b. de looptijd van de geldlening
waarvoor borgtocht wordt aangegaan, is ten hoogste tien jaar;
c. de borgtocht kan alleen worden
aangegaan met een bank of een daartoe door het college erkende
rechtspersoon die zonder winstoogmerk kredieten verstrekt aan
ondernemers;
d. het bedrag dat de zelfstandige
na uitwinning verschuldigd is, wordt aangemerkt als een lening, waarop
de artikelen 40 tot en met 43 van toepassing zijn;
e. uitwinning door de bank kan
slechts plaatsvinden na toestemming van het college.
Art.
17.
Aflossing schuld
Het college kan bijstand verlenen aan de zelfstandige ter gedeeltelijke
of volledige betaling van een bedrijfsschuld, mits de bijstand wordt
verleend op grond van artikel
2, tweede lid.
HOOFDSTUK
III
Nadere
bepalingen voor groepen zelfstandigen
§
1. Gevestigde zelfstandigen
Art.
18.
Duur algemene
bijstand gevestigde zelfstandigen
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel a, wordt gedurende ten hoogste twaalf maanden
algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste
24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is
gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.
Art.
19.
Verlening van
bedrag om niet
In afwijking van artikel 11
wordt aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, algemene bijstand verleend als een
bedrag om niet, indien:
a. de uitkeringsduur ten hoogste zes maanden is;
b. de inkomensvorming in het
betreffende bedrijf of zelfstandig beroep regelmatig over het jaar
verloopt en het inkomen duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm,
bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3,
van
de wet, en de verleende bijzondere bijstand;
en
c. het vermogen van de zelfstandige
het bedrag, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, niet te boven gaat.
Art.
20.
Bedrijfskapitaal
gevestigde zelfstandige
-1. Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, kan ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of
borgtocht worden verleend tot een bedrag van ten hoogste €|189
110,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep.
-2. Indien aan een zelfstandige, als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a,
bijstand wordt verleend zowel ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal als ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten
van het bestaan, wordt de bijstand verleend met toepassing van het
eerste lid.
Art.
21.
Omzetting in
bedrag om niet bij geldlening en borgtocht
-1. De op grond van de
artikelen 15 en 20 verleende bijstand wordt
ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet indien
het netto-inkomen in het boekjaar van de aanvraag dan wel in het daaraan
voorafgaande jaar lager is dan de jaarnorm. Het bedrag om niet bedraagt
het verschil tussen de jaarnorm en het netto-inkomen doch ten hoogste
het verschil tussen het eigen vermogen en de toepasselijke
vermogensgrens, bedoeld in artikel
3, eerste lid. De zelfstandige bepaalt het boekjaar waarover de
bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.
-2. De op grond van de
artikelen 15 en 20 verschuldigde rente wordt
ambtshalve kwijtgescholden en reeds betaalde rente terugbetaald indien
het netto-inkomen in één of beide boekjaren volgend op het boekjaar
van de aanvraag lager is dan de jaarnorm. Het bedrag is ten hoogste de
voor dat boekjaar geldende renteverplichting op grond van
artikel 15, doch niet meer dan het verschil tussen de
jaarnorm en het netto-inkomen in het boekjaar.
-3. Indien de bijstand is verleend in de
vorm van borgtocht op grond van de artikelen 16 en
20, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing op de door de bank verstrekte lening. De aldus berekende
bedragen worden verstrekt als een bedrag om niet. Aan deze bijstand
wordt de voorwaarde verbonden dat het wordt aangewend ter aflossing of
tot rentebetaling op de door de bank verstrekte lening.
-4. Het bedrag van de op grond van het
eerste lid in een bedrag om niet omgezette bijstand, of het bedrag van
de op grond van het tweede lid kwijtgescholden of terugbetaalde rente
dan wel het op grond van het derde lid berekende bedrag om niet, kan
tezamen met de over hetzelfde boekjaar verleende bijstand ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 4,
niet meer bedragen dan de jaarnorm.
Art.
22.
Bedrijfskapitaal
om niet gevestigde zelfstandige
Bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan aan een zelfstandige
als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel a, worden verleend in de vorm van
een bedrag om niet tot ten hoogste €|9456,00
indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam lager is dan de som van
de bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3,
van
de wet, en de verleende bijzondere bijstand en
diens vermogen de grens, genoemd in artikel 3, eerste
lid, niet te boven gaat. Deze bijstand gaat niet samen met bijstand als
bedoeld in artikel
20.
§
2. Beginnende zelfstandigen
Art.
23.
Duur algemene
bijstand beginnende zelfstandige
-1. Aan de persoon, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, wordt na de beëindiging van de
uitkering uit hoofde van werkloosheid gedurende ten hoogste 36 maanden
algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk
indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet
volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of
zelfstandig beroep.
-2. Toekenning van algemene bijstand als
bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd zodra het bedrijf of
zelfstandig beroep niet meer levensvatbaar is.
-3. Het college onderzoekt of het bedrijf
of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is:
a. zes maanden na aanvang van de bijstandverlening, bedoeld
in het eerste lid, en daarna na een periode van respectievelijk zes en
twaalf maanden;
b. bij verlenging van de toekenning
van algemene bijstand om redenen van medische of sociale aard als
bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, en vervolgens telkens na een
periode van twaalf maanden.
Art.
24.
Bedrijfskapitaal
beginnende zelfstandige
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel b, kan ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal uitsluitend bijstand in de vorm van een rentedragende
geldlening of borgtocht worden verleend tot een bedrag van ten hoogste
€|34 816,00. Dit bedrag geldt per bedrijf
of zelfstandig beroep.
§
3. Oudere zelfstandigen
Art.
25.
Duur algemene
bijstand en inkomenseis oudere zelfstandige
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel c, wordt algemene bijstand verleend voor de duur
dat hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep naar verwachting een
bruto-inkomen zal behalen dat gemiddeld minstens €|7511,00
per boekjaar bedraagt.
Art.
26.
Bedrijfskapitaal
oudere zelfstandige
Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt aan
de zelfstandige, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel c, slechts verleend tot ten hoogste
€|9456,00. Deze bijstand wordt verstrekt
in de vorm van een bedrag om niet of, voor zover het eigen vermogen meer
bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 3, tweede
lid, in de vorm van een renteloze lening.
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing.
§
4. Beëindigende zelfstandigen
Art.
27.
Duur algemene
bijstand beëindigende zelfstandige
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel d, wordt algemene bijstand verleend gedurende ten
hoogste twaalf maanden. Verlenging van deze termijn met ten hoogste
twaalf maanden is op verzoek van de zelfstandige mogelijk voor zover de
beëindiging naar het oordeel van het college een langere termijn
noodzakelijk maakt.
§
5. Arbeidsongeschikte zelfstandigen
Art.
28.
Duur algemene
bijstand arbeidsongeschikte zelfstandige
Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdeel e, wordt algemene bijstand verleend tot het
tijdstip waarop een beslissing ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is genomen.
§
6. Voorziening in met voorbereiding van bedrijf of zelfstandig
beroep samenhangende kosten
Art.
29.
Voorbereidingskosten
-1. Bijstand in de met de voorbereiding
samenhangende kosten, bedoeld in artikel 2, derde lid,
kan worden verleend aan een persoon als bedoeld in artikel 2,
derde lid.
-2. Deze bijstand heeft voorlopig de vorm
van een renteloze geldlening.
-3. Indien de belanghebbende in
aansluiting op de voorbereidingsperiode:
a. geen bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt
de geldlening omgezet in een bedrag om niet, tenzij
de belanghebbende niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel
17 van de wet, of een tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan;
b. een bedrijf of beroep als
zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een
rentedragende geldlening.
§
7. Zelfstandigen die een bedrijf of zelfstandig beroep alleen of
samen met anderen uitoefenen in een samenwerkingsverband of in de vorm
van een rechtspersoon
Art.
30.
Zelfstandigen in
samenwerkingsverband
-1. Bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of
zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een
vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten
vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke
aansprakelijkheid, wordt slechts verleend indien hoofdelijke
aansprakelijkheid voor de uit de bijstandverlening voortvloeiende
verplichtingen wordt aanvaard door:
a. alle vennoten of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig
beroep wordt uitgeoefend;
b. de besloten vennootschap en de
coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid.
-2. De eis van aanvaarding van hoofdelijke
aansprakelijkheid geldt niet voor de commanditaire vennoot wiens inbreng
uitsluitend uit kapitaal bestaat.
-3. Bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan de vennoot in een
maatschap die daar alleen arbeid inbrengt. Deze vennoot behoeft geen
hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de aan de andere
vennoten verleende bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
Art.
31.
Vennoten en leden
Op de bijstandverlening, bedoeld in artikel 30, is artikel 21
op ieder van de vennoten of leden van overeenkomstige toepassing, mits
de zelfstandige is aan te merken als een persoon als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a.
Art.
32.
Vermogensgrenzen
bij samenwerkingsverbanden
Indien bijstand wordt verleend aan een zelfstandige die zijn bedrijf of
zelfstandig beroep uitoefent in een samenwerkingsverband of in de vorm
van een rechtspersoon, gelden de bedragen van de vermogensgrenzen,
bedoeld in artikel
3, voor ieder van de vennoten of leden afzonderlijk.
Art.
33.
Besloten
vennootschap of coöperatieve vereniging
Ten aanzien van de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep
uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap of een coöperatieve
vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, wordt onder netto-inkomen
als bedoeld in artikel
1, onderdeel e, mede verstaan de naar evenredigheid van het
aantal zelfstandigen in een boekjaar omgerekende nettowinst van deze
rechtspersoon verminderd met de hierover verschuldigde
vennootschapsbelasting.
§
8. Zelfstandigen in het buitenland
Art.
34.
Zelfstandigen in
het buitenland
De bijstand die met toepassing van artikel 37 wordt
verleend, heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Het
bepaalde bij en krachtens artikel
11, tweede lid, is op deze geldlening van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
IV
De
aanvraag
Art.
35.
De aanvraag
-1. De aanvraag wordt ingediend bij het
college.
-2. Indien het een aanvraag betreft om als
zelfstandige bijstand te ontvangen, stelt het college binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op bijstand bestaat.
-3. Het college kan de termijn, bedoeld in
het tweede lid, verlengen met ten hoogste dertien weken indien het
college niet in staat is tijdig een besluit te nemen. Van de verlenging
doet het college mededeling aan de zelfstandige, onder vermelding van
het tijdstip waarop de termijn voor het nemen van een besluit zal
verstrijken.
-4. Het college besluit niet tot
toekenning van bijstand dan nadat de juistheid en volledigheid van de
door de zelfstandige verstrekte gegevens is onderzocht.
-5. Als buiten toedoen van de zelfstandige
het onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de door hem
verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden voltooid,
besluit het college op de aanvraag op voet van de dan bekende gegevens.
Art.
36.
Aanvraag bijstand
door ondernemers in de binnenvaart
De bijstand aan een ondernemer in de binnenvaart wordt verleend, indien
hij verblijft op het grondgebied van:
a. de provincies Groningen, Friesland en Drenthe: door het
college van de gemeente Groningen;
b. de provincies Overijssel en
Flevoland: door het college van de gemeente
Zwolle;
c. de provincie Gelderland en de gemeenten
Bergen, Boxmeer, Cuijk, Gennep, Grave, Lith, Mook en Middelaar en Oss:
door het college van de gemeente Nijmegen;
d. de provincie Utrecht: door het
college van de gemeente Nieuwegein;
e. de provincie Noord-Holland: door
het college van de gemeente Amsterdam;
f. de provincie Zuid-Holland: door het college van de gemeente
Rotterdam;
g. de provincie Zeeland: door het
college van de gemeente Terneuzen;
h. de provincie Noord-Brabant, met uitzondering van de gemeenten
Asten, Boxmeer, Cranendonck, Cuijk, Deurne, Grave, Helmond, Lith, Mierlo,
Oss en Someren: door het college van de gemeente
Geertruidenberg;
i. de gemeenten
Asten, Cranendonck, Deurne, Helmond, Mierlo en Someren en de provincie
Limburg, met uitzondering van de gemeenten
Bergen, Gennep en Mook en Middelaar: door het college van de gemeente
Maasbracht.
Art.
37.
Aanvraag bijstand
door zelfstandigen in het buitenland
-1. Bij zeer dringende redenen van
tijdelijke aard kan aan de zelfstandige die als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente
is ingeschreven en die zich uit hoofde van zijn bedrijf of beroep
tijdelijk in het buitenland bevindt, door Onze Minister
bijstand worden verleend volgens door hem te stellen regels. [Rbzb]
-2. Hoofdstuk 6, paragraaf
6.5, van de wet en hoofdstuk VI
zijn van toepassing op terugvordering en verhaal van kosten van bijstand
die door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het Rijk in
plaats van de gemeente treedt.
HOOFDSTUK
V
Verplichtingen
§
1. Algemeen
Art.
38.
Bevordering van
de zelfstandige bestaansvoorziening en leveren jaarcijfers
-1. Het college legt bij de
bijstandverlening verplichtingen op die het college nodig acht voor een
doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening.
-2. De zelfstandige aan wie bijstand wordt
verleend, is verplicht naar behoren een administratie te voeren. De
zelfstandige legt deze binnen zes maanden na afloop van het boekjaar op
de volgende wijze over aan het college:
a. uit eigener beweging over ieder boekjaar waarover
uitkering is verleend als bedoeld in
hoofdstuk II, paragraaf 4, of aanspraak kan worden gemaakt op
bijstand als bedoeld in artikel 21; of
b. op verzoek van het college.
-3. Ten aanzien van de zelfstandige die
zijn bedrijf of zelfstandig beroep gedurende ten minste een halfjaar
niet of nagenoeg niet uitoefent, zijn de artikelen 9
en
10 van de wet
van toepassing.
§
2. Verplichtingen verbonden aan de bijstand ter voorziening aan de
behoefte aan bedrijfskapitaal en maatregelen bij het niet nakomen van
deze verplichtingen
Art.
39.
Verplichtingen
verbonden aan de geldlening en borgtocht
-1. Het college legt in de beschikking
waarin de bijstand wordt toegekend in elk geval vast:
a. indien de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een
rentedragende geldlening op grond van de
artikelen 20 of 24:
1º. de bestemming van de geldlening;
2º. de verplichtingen tot betaling van
rente en aflossing alsmede de betalingstermijnen;
3º. dat het bedrag van de lening,
behoudens in de gevallen waarin artikel 21, tweede
lid, van toepassing is en met inachtneming van artikel 41,
terstond opeisbaar is bij het niet nakomen van de verplichtingen tot
betaling van rente en aflossing;
b. indien de bijstand wordt
verstrekt in de vorm van borgtocht op grond van artikel
16, dat aan de verplichtingen opgenomen in de leningsovereenkomst
met de bank dient te worden voldaan.
-2. In de beschikking tot toekenning van
de bijstand wordt voorts opgenomen dat het bedrag van de lening terstond
opeisbaar is:
a. indien zij niet overeenkomstig de bestemming is besteed;
b. op het moment dat de
zelfstandige het bedrijf of zelfstandig beroep overdraagt of beëindigt;
c. in geval van surseance van
betaling of faillissement van de zelfstandige, van één van de vennoten
of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep in een
samenwerkingsverband wordt uitgeoefend, of van de rechtspersoon.
-3. Het college kan aan het verlenen van
bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn
gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand
verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
Art.
40.
Rente- en aflossingsverplichtingen/aanmaning
Indien de zelfstandige ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente-
en aflossingsverplichtingen voldoet, wordt het geleende bedrag
teruggevorderd.
Art.
41.
Uitstel of
verlaging van betaling
-1. De zelfstandige die geheel of
gedeeltelijk niet in staat is aan de rente- en aflossingsverplichtingen
te voldoen, kan een met redenen omkleed verzoek om uitstel of verlaging
van betaling bij het college indienen.
-2. Uitstel van aflossing en betaling van
rente wordt ten hoogste
voor een periode van één jaar verleend. Het college kan zo nodig deze
periode tweemaal met ten hoogste één jaar verlengen. Over de gehele
looptijd van de lening kan maximaal gedurende een aaneengesloten of
onderbroken periode van drie jaar uitstel worden verleend.
-3. Het uitstel heeft bij voorrang betrekking op de aflossing.
De vordering wegens uitstel van betaling van rente is niet rentedragend.
-4. Indien blijkt dat de zelfstandige
duurzaam niet aan de verplichtingen kan voldoen of, indien de periode
van drie jaar, bedoeld in het derde lid, is verstreken, zijn de lening
en de eventuele achterstallige rente terstond opeisbaar en worden deze
teruggevorderd.
-5. Indien blijkt dat de financiële
omstandigheden van de zelfstandige zodanig zijn dat deze geacht kan
worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, worden de vanaf de
vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond
teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare
tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en
aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.
Art.
42.
Schuldregeling
Indien op grond van dit besluit een lening is verstrekt, werkt het
college mee aan een schuldregeling of aan een akkoord voor zover dit
noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig
beroep, of dit bij de beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep
tot stand kan komen. Deze medewerking wordt slechts verleend, indien:
a. het gedeelte van de lening dat door gestelde zekerheden
wordt gedekt buiten het akkoord blijft; en
b. alle concurrente schuldeisers
evenredige medewerking verlenen.
Art.
43. Beëindiging
bedrijf of zelfstandig beroep
-1. Bij beëindiging van het bedrijf of
zelfstandig beroep wordt de lening, behoudens in het geval artikel 42
toepassing vindt, volledig terugbetaald. Gestelde zekerheden worden
volledig uitgewonnen. In afwijking daarvan blijft, op verzoek van de
betrokkene en voor zover mogelijk, een lening onder hypothecair verband,
verbonden aan de eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt
deze tot de onbelaste waarde van deze woning gevestigd.
-2. Indien na beëindiging van het bedrijf
of zelfstandig beroep een deel van de lening resteert en deze niet met
toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend,
wordt het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos.
Gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of
zelfstandig beroep dient 50 procent van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm,
bedoeld in hoofdstuk 3, paragrafen 3.2
en
3.3, van de wet,
besteed te worden voor aflossing van deze lening.
Art.
43a.
-1. Bij beëindiging van het bedrijf of
zelfstandig beroep vangt de aflossing van de geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding aan op het moment van beëindiging van de
bijstandverlening.
-2. De aflossing van de geldlening onder
verband van hypotheek of verpanding vindt maandelijks plaats gedurende
ten hoogste tien jaar.
-3. Het college stelt het maandbedrag van
de aflossing vast aan de hand van het inkomen, bedoeld in paragraaf
3.4 van de wet,
en de noodzakelijke, voor rekening van de zelfstandige en zijn gezin
komende, bijzondere bestaanskosten. Indien de omstandigheden daartoe
aanleiding geven, wijzigt het college het maandbedrag van de aflossing.
-4. Bij een inkomen van de zelfstandige en
zijn gezin als bedoeld in het derde lid dat niet uitgaat boven de van
toepassing zijnde bijstandsnorm,
bedoeld in de paragrafen 3.2 en 3.3
van de de wet,
wordt geen aflossing gevergd.
-5. Indien de zelfstandige en zijn gezin
tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig zijn in het
voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel
van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke
rente verschuldigd.
Art.
43b.
-1. Indien door toepassing van artikel
43a, derde of vierde lid, na afloop van de aflossingsperiode
van tien jaar de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment
maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de
geldlening.
-2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is
de wettelijke rente, verminderd met 3 procent.
-3. Indien de zelfstandige naar het oordeel
van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet
kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de
verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die
daardoor niet wordt betaald, bijgeschreven bij het nog niet afgeloste
deel van de geldlening.
-4. Indien de zelfstandige naar het oordeel
van het college geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente
bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
-5. Over een bijgeschreven rentevordering
is geen rente verschuldigd.
Art.
43c.
-1. Bij verkoop van de woning dan wel bij
vererving van de woning na het overlijden van de zelfstandige of, indien
het een echtpaar betreft, na het overlijden van de langstlevende
echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede
de op grond van artikel 43b, vierde lid,
bijgeschreven rente, terstond afgelost.
-2. Indien bij de verkoop van de woning op
basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het
voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag
van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil
kwijtgescholden.
Art.
43d.
Aan de zelfstandige of langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel
43c, eerste lid, wordt, telkens na afloop van een
kalenderjaar, een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van
de rentevorderingen.
HOOFDSTUK
VI
Terugvordering
Art.
44.
Terugvordering
-1. Bij de toepassing van artikel
58 van de wet worden kosten van bijstand
door het college teruggevorderd met toepassing van artikel 12, tweede lid, onderdeel
c, en de hoofdstukken V en VI.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
Art.
45.
Ten onrechte
verleende bijstand
-1. Het college vordert de bijstand van
de zelfstandige terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is verleend als gevolg van:
a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de wet;
b. het niet nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 38, eerste en tweede
lid; of
c. een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in het geval het
bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten betreft.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt teruggevorderd voor zover de zelfstandige dit
redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het
tweede lid vindt niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt
meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot
terugvordering.
-4. De lening die de zelfstandige bij de beëindiging
op grond van artikel 43 gehouden is terug te betalen,
is een lening als bedoeld in artikel 58,
eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Art.
46.
Naderhand
terugvordering van bijstand
Kosten van bijstand worden van de zelfstandige teruggevorderd, voor
zover:
a. hij naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf
3.4, van de wet beschikt of kan
beschikken;
b. bijstand is verleend met een
bepaalde bestemming en naderhand door hem vergoedingen of
tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
Art.
47.
Terugvordering
van bijstand in de vorm van een geldlening
Onverminderd de artikelen 40 en 41
worden kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening van de
zelfstandige teruggevorderd indien hij hieruit voortvloeiende
verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
HOOFDSTUK
VII
Financiering
Art.
48.
Vergoeding ten
laste gebleven kosten
-1. Onze Minister
vergoedt, ten laste van ’s Rijks kas, 75 procent van de in een
kalenderjaar ten laste van de gemeente gebleven
kosten van:
a. algemene bijstand aan zelfstandigen,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, c,
d en e, waaronder begrepen de
loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die
daarover verschuldigd zijn, voor zover de algemene bijstand niet bij
wijze van voorschot op grond van artikel 52
van de
wet is verleend;
b. bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
-2. In afwijking van het eerste lid is de vergoeding 100 procent indien de bijstand
is verleend aan ondernemers in de binnenvaart.
-3. Onder ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene bijstand aan zelfstandigen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan de lasten in een
kalenderjaar verminderd met de baten in dat jaar in verband met de door
de gemeente verleende algemene bijstand aan zelfstandigen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a.
-4. Onder ten laste van de gemeente
gebleven kosten van bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt
verstaan de lasten in een kalenderjaar verminderd met een bij ministeriële
regeling vast te stellen norm voor de baten in dat jaar in verband met
de door de gemeente verleende bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. [RfvIIB]
Art.
48a. Uitkering voor verlening van algemene bijstand aan
beginnende zelfstandigen
Onze Minister
verstrekt jaarlijks ten laste van
’s Rijks kas aan het college een uitkering als onderdeel van de
uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste
lid, van de
wet, voor de kosten van algemene
bijstand aan zelfstandigen, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, en de belanghebbende, bedoeld in artikel
2, derde lid.
Art.
49.
Voorschot op
de vergoeding
-1. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het verlenen van voorschotten op de
vergoeding, bedoeld in artikel
48. [RfvIIB]
-2. Indien de uitvoering van dit besluit
ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister
besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van
het eerste lid gestelde regels voortvloeit.
Art.
50.
Uitkering ten
laste gebleven kosten
-1. Voor de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 48, die op grond
van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in aanmerking
komen, verstrekt Onze Minister
jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan de gemeente een uitkering,
met dien verstande dat geen uitkering wordt verstrekt voor op grond van artikel 52
van
de wet verleende algemene bijstand. De
uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaande aan het
kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister vastgesteld.
-2. Het bedrag van de uitkering wordt
volgens bij ministeriële regeling te stellen regels berekend aan de
hand van het voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat
beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij deze
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het
verzamelen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag
van de uitkering. [RfvIIB] [RugB]
[RugBu05] [RugBu06]
[RugBu07] [RugBu08]
[RugBu09] [RugBu10]
[RugBu11] [RugBu12]
Art.
51.
Verhoging
uitkering
-1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel
50, tweede lid, kan in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft
en in het daaropvolgende jaar bij wet worden verhoogd indien de
ontwikkeling van de uitkeringslasten daartoe aanleiding geeft.
-2. Indien het totale bedrag wordt
herzien, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in
artikel 50, eerste lid, wordt verhoogd binnen een
periode van vier weken na de herziening door Onze Minister
vastgesteld.
-3. Indien toepassing is gegeven aan het
tweede lid, wordt voor de toepassing van
artikel 52 onder het bedrag van de uitkering
verstaan: het bedrag van de uitkering inclusief de verhoging, bedoeld in
het tweede lid.
Art.
52.
Uitkeringstekort
-1. Indien bij de vaststelling van de ten
laste van de
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
54, blijkt dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld
in artikel
50, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het
bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel
50, wordt door Onze Minister ten laste
van ’s Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend.
-2. De hoogte van de aanvullende uitkering
is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 50,
eerste lid, en 115% van het bedrag van de uitkering.
Art.
53.
Betaling
uitkering, verhoging en aanvullende uitkering [RfvIIB]
Onze Minister stelt regels inzake de
betaling van:
a. de uitkering, bedoeld in artikel 50,
eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 51
wordt verhoogd;
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
52.
Art.
54.
Vaststelling
-1. Onze Minister
stelt de ten laste van de gemeente gebleven
kosten, bedoeld in de artikelen 48 en 50,
de vergoeding, bedoeld in artikel 48,
en de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 52,
vast binnen één jaar na ontvangst door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid,
van de Financiële-verhoudingswet.
-2. Indien de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft, is ontvangen door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden de
ten laste van de gemeente gebleven kosten ambtshalve door Onze Minister
vastgesteld.
Art.
55.
Niet in
aanmerking te nemen kosten
-1. De volgens opgave van het college ten
laste gebleven kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in
artikel 54, eerste lid, buiten aanmerking gelaten,
indien:
a. het bijstand betreft die is verleend in strijd met de bij
of krachtens de wet of dit besluit gestelde
regels of die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk VI
is of wordt teruggevorderd;
b. niet is voldaan aan artikel
18, tweede lid, van de wet voor een
bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd
indien het college op een juiste wijze toepassing zou hebben gegeven aan
dit artikel.
-2. Indien als gevolg van het niet hebben
voldaan door het college aan de bij of krachtens de
artikelen 17, 43,
44 en 53a,
eerste lid, van
de wet of artikel 35
gestelde regels niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag de
ten laste van de gemeente
gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens
door Onze Minister te stellen regels
hiervoor een bedrag vastgesteld. [RfvIIB]
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van
toepassing voor zover naar het oordeel van Onze Minister: [BfmIIBW]
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe
betekenis zijn;
b. het college zich voldoende heeft ingespannen om de
tekortkomingen op te heffen.
Art.
56.
Vergoeding
uitvoeringskosten en kosten van onderzoek
-1. Onze Minister
vergoedt ten laste van ’s Rijks kas: [RfvIIB]
a. aan gemeenten, bedoeld in artikel
36, een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per besluit op
een aanvraag van ondernemers in de binnenvaart om verlening van algemene
bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal;
b. 90% van de kosten van aan derden opgedragen onderzoek
inzake verlening van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2,
voor zover de kosten een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag
niet overschrijden.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel
b, is de vergoeding 100% indien het onderzoek of de
begeleiding betrekking heeft op ondernemers in de binnenvaart.
-3. Onder onderzoek, bedoeld in het eerste
en tweede lid, wordt verstaan een bedrijfseconomisch of
bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de taxatie van
vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke rapportage, voor
zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van dit besluit.
Art.
57.
Voorschot op
de vergoeding
-1. Onze Minister
stelt regels met betrekking tot het verlenen van voorschotten op de
vergoeding, bedoeld in
artikel 56. [RfvIIB]
-2. Indien de uitvoering van dit besluit
door het college ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister
besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van
het eerste lid gestelde regels voortvloeit.
Art.
58.
Vaststelling
-1. Onze Minister
stelt de vergoeding, bedoeld in artikel 56, vast
binnen één jaar na ontvangst door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid,
van de Financiële-verhoudingswet.
-2. Indien de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft, is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt
de vergoeding ambtshalve door Onze Minister vastgesteld.
Art.
59.
Niet voor
vergoeding in aanmerking komende kosten van onderzoek
De kosten, bedoeld in artikel 56, eerste lid,
onderdeel b, en tweede lid, worden niet vergoed:
a. indien het onderzoek is opgedragen aan
een deskundige derde die onder verantwoordelijkheid van het college
werkzaam is;
b. voor zover zij hoger zijn dan de
door
Onze Minister vast te stellen maximaal
voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor onderzoek.
HOOFDSTUK
VIII
Slotbepalingen
Art.
60.
Indexering
bedragen en herziening percentages
-1. Onze Minister
herziet, met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar, met de
procentuele stijging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie de
bedragen, genoemd in de artikelen 3,
20, 22, 24, 25
en 26.
-2. Onze Minister herziet het
rentepercentage, genoemd in
artikel 15, voor zover de rente die banken in
rekening brengen bij het verstrekken van leningen aan bedrijven daartoe
aanleiding geeft.
-3. Onze Minister stelt het in artikel
6, tweede lid, genoemde percentage zodanig vast dat dit gelijk is
aan het gemiddeld bedrag dat voor personen die de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog
niet hebben bereikt over de
algemene bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies
volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene
bijstand verhoogd met deze loonbelasting en premies.
Art.
60a. Overgangsbepaling
Hoofdstuk VII blijft van toepassing op de vaststelling
van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in de artikelen
54 en 58, zoals dit hoofdstuk luidde vóór
inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009
tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb.
2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen
vóór die van inwerkingtreding van die wet.
Art.
61.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Art.
62.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 oktober
2003
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
Uitgegeven de veertiende
oktober 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[10 oktober 2003]
[Zie
ook de nota van toelichting bij het Bbz,
red.]
Algemeen
In
de toekomst wordt de bijstandverlening aan zelfstandigen neergelegd in
een aparte wet, waarin zoveel mogelijk bestaande
socialezekerheidsregelingen voor zelfstandigen worden opgenomen. Deze
zelfstandigenwet, waarvan het streven is dat zij per 1 januari 2005 in
werking treedt, gaat in elk geval gelden voor de huidige doelgroepen van
het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz), met uitzondering van de personen die zich bevinden in de
voorbereidingsperiode ter oriëntatie op het zelfstandig
ondernemerschap, en voor de doelgroepen van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz). Vooruitlopend op deze
zelfstandigenwet is besloten om de bijstandverlening aan zelfstandigen
niet in de Wet werk en
bijstand (Wwb) op te nemen. Zoals in het
algemene deel van de memorie van toelichting bij de
Wwb is aangekondigd, wordt de bijstandverlening aan zelfstandigen
tijdelijk geregeld in de
Invoeringswet Wwb (Invoeringswet), in
afwachting van de nieuwe wet voor zelfstandigen.
Artikel 7 Invoeringswet
voorziet hierin. Het nieuwe Bbz (Bbz 2004) is derhalve gebaseerd op artikel 7
Invoeringswet. In verband met het vervallen
van de Algemene bijstandswet (Abw) zijn
de bepalingen die in deze wet zijn opgenomen en die betrekking hebben op
de bijstandverlening aan zelfstandigen naar het Bbz 2004 overgebracht.
Aangezien veel van deze Abw-bepalingen nader zijn uitgewerkt in het Bbz
2004, is er, omwille van de overzichtelijkheid, voor gekozen om deze
bepalingen niet in een apart hoofdstuk in het Bbz 2004 bij elkaar te
houden, maar om ze op daarvoor voor de hand liggende plaatsen in het Bbz
2004 te integreren. De nieuwe indeling kan bovendien als basis dienen
voor de nieuwe zelfstandigenwet daar zij de mogelijkheid biedt om op een
redelijk eenvoudige wijze andere doelgroepen erin op te nemen.
Het
Bbz ging voorheen uit van de bepalingen voor
gevestigde zelfstandigen. Voor andere categorieën zelfstandigen
(beginnende, oudere, beëindigende en arbeidsongeschikte zelfstandigen)
waren uitzonderingsbepalingen opgenomen. In verband met de
overzichtelijkheid en vooruitlopend op de zelfstandigenwet is ervoor
gekozen de doelgroep van gevestigde zelfstandigen niet meer centraal te
stellen: na de algemene bepalingen volgen de nadere bepalingen per
doelgroep waaraan bijstand kan worden verleend onder toepassing van het
besluit.
De financiering van het Bbz 2004 is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de
Abw en het Bbz: 25% budget en
75% declaratie.
Slechts de indeling van het Bbz 2004 is gewijzigd: inhoudelijk hebben er
geen wijzigingen plaatsgevonden. Alle bepalingen uit het Bbz, alsmede de
relevante Abw-bepalingen betreffende
zelfstandigen zijn gehandhaafd. Er kan derhalve worden volstaan met een
beknopte algemene toelichting op de indeling van het Bbz 2004. Voor een
nadere inhoudelijke toelichting op de artikelen wordt verwezen naar de
artikelsgewijze toelichting bij de Abw en bij
het Bbz-oud.
De
bepalingen die uit de
Abw zijn overgeheveld naar dit besluit
betreffen de omschrijving van het begrip zelfstandigen (artikel 1),
de kring van rechthebbende zelfstandigen (artikel 2 en hoofdstuk
III), de vorm van de bijstand (hoofdstuk II, paragraaf 4
en 5) en een specifieke vermogensvrijlating voor
zelfstandigen (hoofdstuk II, paragraaf
3). Verder zijn de artikelen uit de Abw in het Bbz 2004 opgenomen
die betrekking hebben op de wijze waarop het inkomen uit bedrijf of
zelfstandig beroep naar een nettobedrag wordt omgerekend (artikel 7),
algemene verplichtingen voor zelfstandigen (artikel 38),
de aanvraag (hoofdstuk IV), algemene
terugvorderingsbepalingen (hoofdstuk VI), het begrip
ondernemer in de binnenvaart (artikelen 1 en 36)
de bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland (artikelen 34
en 37) en indexeringsbepalingen (hoofdstuk
VII). Voor zover er in het Bbz 2004 niet wordt afgeweken van de
Wwb, is de Wwb van toepassing op de
bijstandverlening aan zelfstandigen. Het gaat hierbij onder meer om de
algemene bepalingen, de uitsluitingsgronden, de inlichtingenplicht, de bijstandsnormen,
de verhoging en verlaging van de bijstand, de opschorting en herziening
van de bijstand en het verhaal van bijstand.
Indeling
Hoofdstuk I
In hoofdstuk
I, Begripsomschrijvingen, zijn de definitiebepalingen opgenomen. Het gaat hierbij om de
definitie van de begrippen zelfstandige, levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroep,
boekjaar, inkomen, jaarnorm, vermogen, bank en ondernemer in de binnenvaart. In de
artikelen 1 en 4 van het Bbz
2004 is de bepaling opgenomen dat bij de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van
de bijstandsnorm tevens een verhoging plaatsvindt met de over de bijstand verschuldigde ziekenfondspremie. Dit
omdat veel zelfstandigen die bijstand op grond van het Bbz 2004 ontvangen door hun
inkomenspositie verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet
(Wet
zelfstandigen in Zfw). Het ontvangen van bijstand op grond van het Bbz 2004 op zich is, anders dan bij algemene bijstand, geen grond voor
ziekenfondsverzekering. Wel is de zelfstandige premie verschuldigd over de belastbare bijstandsuitkering. De
zelfstandige moet de
ziekenfondspremie betalen aan de belastingdienst. Daarom wordt de ziekenfondspremie
over de bijstandsuitkering aan de verplicht ziekenfondsverzekerde zelfstandige
uitgekeerd. Door de ziekenfondspremie op te nemen in de artikelen 1 en
4 van het Bbz 2004 wordt geregeld
dat de ziekenfondspremie wordt vergoed en rechtstreeks aan de zelfstandige kan
worden uitgekeerd. Zodoende wordt onduidelijkheid hieromtrent weggenomen.
Hoofdstuk II
Hoofdstuk
II, Algemene bepalingen, bestaat uit vijf paragrafen: Algemeen,
Inkomen, Vermogen, Algemene
bijstand en Bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal.
In paragraaf 1 (Algemeen)
zijn opgenomen: de personenkring, de vermogensgrenzen - in relatie tot
het kunnen verlenen van uitkering om niet - en de verhoging van de
bijstand om niet. De personenkring bestaat uit gevestigde, beginnende,
oudere, beëindigende en arbeidsongeschikte zelfstandigen. Daarnaast is
in artikel
2, derde lid, de doelgroep opgenomen van personen die zich met
behoud van bijstand gedurende een voorbereidingsperiode van maximaal
twaalf maanden kunnen oriënteren op het zelfstandig ondernemerschap.
In paragraaf 2 (Inkomen)
zijn in
artikel 6 de artikelen 45,
tweede lid en 47, derde lid, van de Abw
opgenomen.
In paragraaf 3 (Vermogen)
is geregeld welk vermogen in aanmerking wordt genomen en hoe het
vermogen moet worden gewaardeerd. Het artikel dat de vermogensgrenzen
aangeeft, is opgenomen in
paragraaf 1
(Algemeen) en niet in deze paragraaf, omdat de grenzen gerelateerd zijn
aan de verlening van bijstand om niet.
In paragraaf 4 (Algemene
bijstand) zijn in
artikel 10 de mogelijke vormen van algemene bijstand
opgenomen. Dit artikel 10 is nieuw, maar is
gebaseerd op artikel
23, derde lid, Abw en de artikelen 10
en
11 van
het oude Bbz. Verder is in artikel 12 de
definitieve vaststelling van de algemene bijstand geregeld.
De uitkering voor levensonderhoud bestaat,
gelijk aan de tot 2004 geldende regelgeving, uit de algemene bijstand
als bedoeld in hoofdstuk 3 Wwb,
verhoogd met de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor de
volgende kostensoorten:
- de verschuldigde woonkosten, voor zover de kosten niet uit de bijstandsnorm
kunnen worden betaald en geen subsidie op grond van de Huursubsidiewet
of de Wet
bevordering eigenwoningbezit wordt
ontvangen;
- de verschuldigde premie voor een particuliere ziektekostenverzekering
van zelfstandigen die niet verplicht verzekerd zijn op grond van de
Wet
zelfstandigen in Zfw;
- de verschuldigde premie voor een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Bij de beoordeling van de vraag of de
bijzondere bijstand kan worden verleend, is het gestelde in de
artikelsgewijze toelichting Bbz (op artikel
1, onderdeel f ) van belang met betrekking tot eventuele
acceptatieproblemen na afloop van de bijstandverlening in het geval de
verzekering moet worden onderbroken, omdat geen vergoeding van de kosten
vanuit de bijstand worden verstrekt.
In paragraaf 5 (Bijstand
ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal) zijn in artikel 14
de mogelijke vormen van bijstand ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal opgenomen. Artikel 14, eerste lid,
is nieuw, maar is gebaseerd op paragraaf 2
van
Bbz-oud. Verder bevat deze paragraaf 5
nadere bepalingen over de rentedragende geldlening en de borgtocht,
alsmede de bepaling dat bedrijfskapitaal kan worden verleend ter
betaling van een bedrijfsschuld.
Hoofdstuk III
In hoofdstuk III zijn de bijstandsmogelijkheden per doelgroep
zelfstandigen opgenomen, en de specifieke nadere bepalingen per doelgroep. De
opsommingen in dit hoofdstuk zijn limitatief. Het gaat om de volgende doelgroepen:
Paragraaf 1 bevat nadere bepalingen voor
gevestigde zelfstandigen. Hierin is opgenomen de maximale
uitkeringsduur, het maximumbedrag van de bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal in de vorm van een
rentedragende geldlening of borgtocht, het bedrag om niet en de rentekwijtschelding, bedrijfskapitaal om
niet, de uitkering
levensonderhoud om niet en de bepaling dat aan een gevestigde zelfstandige die
gelijktijdig behoefte heeft aan bedrijfskapitaal en aan een uitkering
voor het levensonderhoud de bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht wordt verstrekt.
Paragraaf 2 heeft betrekking op
beginnende zelfstandigen. In deze paragraaf is opgenomen: de maximale
uitkeringsduur, de (her)beoordelingstermijn van het recht op uitkering, de
levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroep en het maximumbedrag van de
bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal in de vorm van een
rentedragende geldlening of borgtocht.
Paragraaf 3 bevat de nadere bepalingen voor
oudere zelfstandigen. Hierin is opgenomen de inkomenseis als
voorwaarde voor het recht op uitkering en het behoud daarvan (tot het bereiken van de leeftijd van 65
jaar) en het maximumbedrag en de vorm van de bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.
In paragraaf 4 staan nadere bepalingen voor de groep van beëindigende zelfstandigen. Hierin is de
maximale uitkeringsduur opgenomen, alsmede de gemeentelijke
bevoegdheid van verlenging van de uitkeringsduur.
Paragraaf 5 bevat de nadere bepalingen voor
arbeidsongeschikte zelfstandigen. Hierin is de maximale
uitkeringsduur opgenomen. Niet meer is opgenomen de
bepaling dat na het tijdstip waarop een beslissing ingevolge de WAZ is
genomen slechts bijstand kan worden verleend op grond van de bepalingen
betreffende gevestigde, oudere of beëindigende zelfstandigen (artikel
8,
vierde lid, laatste volzin, Abw). Uit de nieuwe indeling volgt impliciet
dat de zelfstandige die niet (meer) als arbeidsongeschikte zelfstandige kan worden
aangemerkt, uitsluitend op andere gronden bijstand kan
ontvangen.
Paragraaf 6 betreft de
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten: in artikel 29 is bepaald dat aan een
persoon die zich met behoud van bijstand gedurende een voorbereidingsperiode
van maximaal twaalf maanden kan oriënteren op
het zelfstandig ondernemerschap een voorbereidingskrediet tot een in het
artikel opgenomen maximumbedrag kan worden verleend en is de vorm van deze bijstand
bepaald.
Voorts zijn in paragraaf
7 enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot de
bijstandverlening aan
zelfstandigen die het bedrijf in een
samenwerkingsverband of in de vorm van een rechtspersoon
uitoefenen. In paragraaf 8 zijn enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot de
bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland.
In artikel 31
in
paragraaf 7 is ter verduidelijking een bepaling
opgenomen dat
artikel 21 alleen van toepassing is op vennoten of
leden die worden aangemerkt als gevestigde zelfstandigen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a. Hiermee wordt benadrukt dat
artikel 21 niet van toepassing is op diegene die als
beginnende zelfstandige toetreedt tot het samenwerkingsverband of de
rechtspersoon en evenmin op diegene die niet als zelfstandige in de zin
van het Bbz 2004 kan worden aangemerkt.
Hoofdstuk IV
In hoofdstuk
IV is opgenomen dat de aanvraag bij het college wordt ingediend.
Ook zijn hierin geregeld de termijn waarbinnen het college het recht op
bijstand moet vaststellen en welke colleges belast zijn met de
bijstandverlening aan ondernemers in de binnenvaart. Tevens is de
bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland opgenomen in dit
hoofdstuk.
Hoofdstuk V
In hoofdstuk V
zijn in
paragraaf 1 de verplichtingen opgenomen ter
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening. De bepaling (in artikel 10
Bbz-oud) dat de zelfstandige binnen zes
maanden na afloop van het boekjaar de administratie aan het college
overlegt, is nu in dit hoofdstuk ondergebracht en uitgebreid, om
duidelijk te maken dat het college de administratie van de zelfstandige
ook voor andere doeleinden dan de definitieve vaststelling van de
algemene bijstand moet kunnen inzien. Te denken valt aan de beoordeling
van een verzoek om uitstel van de rente- en aflossingsverplichtingen en
de beoordeling van de aanspraak op een bedrag om niet als bedoeld in artikel 21.
In paragraaf 2 zijn de
nadere verplichtingen verbonden aan de verlening van bijstand ter
voorziening in bedrijfskapitaal opgenomen, met inbegrip van de
maatregelen bij het niet nakomen van deze verplichtingen. Het gaat
hierbij onder meer om de rente- en aflossingsverplichtingen, de
mogelijkheden van uitstel of verlaging van deze verplichtingen, de
opeisbaarheid van de geldlening, de terugvordering bij het niet nakomen
van de verplichtingen en de beëindiging van het bedrijf of zelfstandig
beroep en om de schuldregeling.
In artikel 43, eerste lid,
is de aflossing geregeld van een hypothecaire geldlening die na
beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep gehandhaafd blijft.
In het Bbz zijn nadere bepalingen van het
Besluit
krediethypotheek bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard
voor de aflossing van deze hypothecaire geldleningen. Aangezien het
Besluit krediethypotheek bijstand met ingang van 2004 van rechtswege is
vervallen, is in Bbz 2004 opgenomen dat specifieke bepalingen van het
Uitvoeringsbesluit Wik van overeenkomstige toepassing zijn op de
aflossing van deze hypothecaire geldleningen. De betreffende bepalingen
van het Uitvoeringsbesluit Wik zijn inhoudelijk gelijk aan de
betreffende bepalingen van het Besluit krediethypotheek bijstand.
Hoofdstuk VI
In hoofdstuk VI
zijn de terugvorderingsbepalingen uit de
Abw overgenomen, voor zover zij van
belang zijn bij de bijstandverlening aan zelfstandigen. Op grond van artikel 44
Bbz 2004 kan het college afzien van terugvordering indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. Uit een oogpunt van deregulering wordt
het daarom niet meer nodig geacht om de artikelen
78a, 78b en 78c
Abw in het Bbz op te nemen (afzien van
terugvordering om verschillende redenen). Artikel
78, tweede lid, Abw (het in
aanmerking nemen van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen
wordt niet als terugvordering beschouwd) is niet opgenomen omdat de
bijstand aan zelfstandigen per boekjaar wordt vastgesteld en in het
algemeen wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening,
waardoor deze bepaling niet van toepassing is op de bijstandverlening
aan zelfstandigen. Artikel 83, tweede lid,
Abw (terugvordering gestelde borgtocht)
is evenmin opgenomen, aangezien in het Bbz 2004 zelf bepalingen zijn
opgenomen met betrekking tot de terugvordering van bijstand in de vorm
van borgtocht. Artikel
83, eerste lid, Abw is anders
geformuleerd in het nieuwe
artikel 47. De terugvordering van bijstand ter
voorziening in bedrijfskapitaal is al opgenomen in
hoofdstuk V. De terugvordering van andere geldleningen is opgenomen
in dit artikel. Het gaat hierbij om de terugvordering van algemene
bijstand die op grond van het vermogen van de zelfstandige als renteloze
geldlening wordt gehandhaafd.
Er is een voorziening getroffen voor het in
stand houden van de
artikelen 14 tot en met
14f van de Abw. Dit is
vooruitlopend op het tot stand komen van een aparte wet waarin de
bijstandverlening aan zelfstandigen wordt neergelegd. In deze nieuwe wet
worden zoveel mogelijk bestaande regelingen met betrekking tot
zelfstandigen opgenomen. Dit geldt ook voor het huidige maatregelen- en
boetenbeleid.
Hoofdstuk
VII. Financiering
De huidige financieringswijze van de bijstand aan zelfstandigen wordt niet gewijzigd. Reden hiervoor is het
verwachte tijdelijke karakter van
dit besluit, gelet op het voornemen van het kabinet te komen tot een nieuwe
wet waarin de inkomensvoorzieningen voor zelfstandigen worden opgenomen. Aangezien de
Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz bij de inwerkingtreding van de Wwb
komt te vervallen, is de financiering
van het Bbz in het besluit zelf geregeld. In artikel 56 is een definitie van
de begrippen onderzoek en begeleiding opgenomen.
Hoofdstuk VIII
De slotbepalingen
zijn in
hoofdstuk VII opgenomen. Het gaat om indexering en
wijziging van bedragen en percentages.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|
|