|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| xAx |
ADVIES
RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT |
Hieronder zijn opgenomen het
advies van de Raad van State d.d. 22 april 2003 en het nader rapport d.d.
9
mei 2003, aangeboden aan de Koningin door de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.¹ Het advies van de Raad van State is cursief
afgedrukt.
1. De oorspronkelijke tekst
van het voorstel van wet en van de
memorie
van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad
van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt
Tweede Kamer.
Bij Kabinetsmissive van 17
december 2002, nr. 02.005788, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, drs. M. Rutte, bij de Raad van State
ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met
memorie van toelichting tot vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door
gemeenten
(Wet werk en bijstand).
Met
het voorstel van Wet
werk en bijstand (Wwb) wordt beoogd te bevorderen dat de burger waar mogelijk
zijn inkomen verwerft door eigen arbeid, zodat hij slechts financieel
afhankelijk is van de overheid zolang en voor zover hij niet zelf kan voorzien
in de noodzakelijke kosten van bestaan. De daaraan verbonden
verantwoordelijkheid van de overheid wordt blijkens de toelichting beschouwd als
het sluitstuk
van een activerend stelsel van sociale zekerheid. Het aantal niet-actieven op
de Nederlandse arbeidsmarkt is naar internationale maatstaven hoog. Het
gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2002 van de Europese Commissie wijst
de hoge inactiviteit aan als één van de grootste knelpunten van de
Nederlandse arbeidsmarkt. Ook de recente globale richtsnoeren voor het
economisch beleid sporen Nederland aan tot extra inspanningen om het aantal
niet-actieven te verminderen en om het aantal actieven op de arbeidsmarkt
te vergroten.¹
Het wetsvoorstel is erop
gericht personen die recht hebben op bijstand of een daarmee vergelijkbare
uitkering (hierna: bijstandsgerechtigden) meer dan voorheen te activeren tot
intrede of herintrede in betaald werk. Van bijstandsgerechtigden wordt daartoe een actieve
opstelling en inbreng verwacht. Voor hen die niet (meer) door
eigen arbeid kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan, geldt
ingevolge het wetsvoorstel een inkomenswaarborg, zoals die thans nog wordt
geboden door de Algemene bijstandswet (Abw). Het wetsvoorstel
legt de
centrale verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de reïntegratie van
bijstandsgerechtigden bij de gemeenten. De
gemeentebesturen worden daartoe gestimuleerd
doordat het wetsvoorstel hun meer verantwoordelijkheid en
ruimte geeft voor individueel en op de lokale omstandigheden afgestemd maatwerk, in
samenhang met een 100%-budgettering van de gemeentelijke uitgaven
voor bijstand en daarmee vergelijkbare uitkeringen. De Raad van State
kan zich
vinden in de richting van het wetsvoorstel, maar meent dat de uitwerking
tekortschiet op een aantal belangrijke punten, die onder meer betrekking hebben
op de ruimte voor en de toerusting van de rblz.|2|
gemeenten. Hij meent daarom
dat het voorstel in zoverre dient te worden heroverwogen.
1. Deze richtsnoeren zijn
onder meer weergegeven in het Nationaal Actieplan
werkgelegenheid Nederland 2002 (hierna:
Nationaal Actieplan), blz. 61-71.
Het nieuwste voorstel voor "Globale richtsnoeren" van de Europese Commissie dateert
van 8 april 2003.
Het wetsvoorstel is van
grote betekenis voor de gemeenten. Het standpunt van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is als
zodanig in de toelichting
echter niet behandeld. De Raad, als laatste adviseur in het wetgevingstraject, moet
erop kunnen rekenen
dat aan hem een "rijp" voorstel om advies wordt voorgelegd. Daarvoor
is van belang dat alle adviezen van wettelijke adviesorganen en eventuele
reacties van andere geraadpleegde instanties en organisaties beschikbaar
zijn en, mét de reactie van de regering, in het voorstel zijn verwerkt voordat de
Raad om advies wordt gevraagd. Eén en ander is ook van belang voor de volgende
stadia van het wetgevingstraject.
De Raad heeft bij brief van
17 februari 2003 aan Staatssecretaris Rutte gevraagd op welke wijze invulling is gegeven aan het bestendig gebruik en de
verplichting van artikel 114
van de Gemeentewet om de gemeenten,
of een voor deze representatieve
instantie, in de gelegenheid te stellen hun oordeel te geven omtrent voor hen
belangrijke wetsvoorstellen. Op diens verzoek heeft de staatssecretaris daarop,
samen met de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, in een
beraadslaging als bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de Raad van State, inzicht
gegeven in de uitkomsten van met gemeenten en de VNG gevoerd overleg. Daarbij
werden de volgende punten genoemd als de belangrijkste zorgen van de
gemeenten:
- de 100%-budgettering;
- het feit dat de intake
van bijstandsgerechtigden niet door de gemeenten zelf gebeurt;
- de verplichte uit- en
aanbesteding van reïntegratieactiviteiten.
In het vervolg van dit
advies zal de Raad op elk van deze punten ingaan.
Blijkens de mededeling van
de Directeur van Uw kabinet van 17 december 2002, nr. 02.005788, machtigde Uwe Majesteit de
Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde
voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 22 april 2003, nr. W12.02.0561/IV, bied ik U hierbij aan.
De Raad van State maakt een
aantal opmerkingen bij het voorstel. Hierop wordt onderstaand ingegaan.
Het kabinet constateert met
genoegen dat de Raad - ondanks kritiek op onderdelen
- zich kan vinden in
de
richting van het wetsvoorstel, te weten:
- het meer dan voorheen
activeren van bijstandsgerechtigden tot intrede of herintrede in betaald werk;
- het leggen van de
centrale verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de reïntegratie van
bijstandsgerechtigden bij de gemeenten.
Ook is het kabinet verheugd
met het feit dat de Raad zich in algemene zin kan vinden in de wijze waarop in
het wetsvoorstel deze twee onderwerpen, en hun onderlinge verhouding, zijn
geregeld.
De Raad
constateert terecht
dat het wetsvoorstel van grote betekenis is voor
gemeenten. Tegen die achtergrond zijn dan ook op diverse manieren het
gemeentelijk veld, inclusief
de VNG, geconsulteerd bij de voorbereiding van het wetsvoorstel. In
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, zoals dat aan de Raad is voorgelegd,
is aan dit overleg met gemeenten geen aandacht besteed. Deze omissie is inmiddels hersteld. In
hoofdstuk 6 van het algemeen
deel van de memorie van
toelichting is nu expliciet aangegeven met wie en op welke wijze overleg heeft
plaatsgevonden en welke invloed dit heeft gehad op de inhoud van het
wetsvoorstel.
Inleidende opmerkingen
1. De
ervaringen met de Algemene bijstandswet: verstoord evenwicht?
In de toelichting wordt
vermeld dat voor het realiseren van "werk boven inkomen" een
stelsel van
regelingen nodig is dat maximaal effectief werkt.¹ Dit suggereert dat sprake is van
een verstoring van het evenwicht tussen de gerichtheid op werk
enerzijds en de inkomenswaarborg anderzijds, zoals die beide aan de orde zijn bij
het vormgeven van het sluitstuk van het stelsel van sociale zekerheid. De
toelichting bevat geen nadere uitleg van deze verstoring. rblz.|3|
Waar echter deze verstoring
van evenwicht de aanleiding lijkt te zijn voor het wetsvoorstel, adviseert de
Raad haar nader te analyseren en te verklaren, tegen de achtergrond van
bijna 40 jaar praktijk met de Abw, en mede gezien de relatief recente herziening
van deze wet in 1996. Ook toen werd immers al een evenwicht beoogd tussen de
gerichtheid op werk en het bieden van een inkomenswaarborg.²
1. Memorie van
toelichting, algemeen deel, hoofdstuk 1. Inleiding,
tweede alinea.
2. Zie de Abw, artikelen 106
en 111-115.
1. Naar de mening van het
kabinet vloeit de noodzaak van een nieuwe aanpak in het stelsel van bijstand
en reïntegratie voort uit de constatering dat het geheel aan instrumenten en
mogelijkheden die de gemeenten
in dat stelsel hebben niet maximaal
effectief werkt. Sinds de herziening van de Algemene Bijstandswet in 1996 is het
inzicht gegroeid dat de effectiviteit van de bijstandverlening gebaat is
bij verdere integratie van het beleid rond werk en inkomensondersteuning,
waarbij de uitstroom naar werk voorop moet staan.
Ook is het inzicht gegroeid
dat voor uitstroom naar werk maatwerk per cliënt is vereist. Gemeenten hebben
aangegeven dat een grotere beleidsruimte, minder uitvoeringsvoorschriften en
het omlaag brengen van de administratieve lasten benodigd zijn om deze aanpak
te kunnen realiseren.
Ook de evaluatie van de Algemene bijstandswet
(Abw) over de periode 1996-1999 "Lijnen naar de toekomst" en het
interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) over het
arbeidsmarktbeleid "Aan de slag" komen tot deze conclusies.
Beide inzichten worden met
dit wetsvoorstel op een integrale manier uitgewerkt. Zo zijn in het wetsvoorstel zowel de Abw als de
Wet inschakeling
werkzoekenden en het Besluit
in- en doorstroombanen opgenomen en is daarbij een vergaande
deregulering en daarmee gepaard gaande vermindering van administratieve lasten
doorgevoerd.
2. Een nieuw evenwicht?
Het wetsvoorstel zoekt op
twee belangrijke punten een nieuw evenwicht, namelijk tussen de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en die van de
gemeentebesturen, en tussen
de twee functies van het sluitstuk van de sociale zekerheid, inkomenswaarborg
en minimaliseren van beroep op bijstand.² Bij de verhouding tussen
inkomenswaarborg en minimaliseren van het beroep op bijstand ligt een duidelijk
accent op het laatste.
De Raad kan zich in algemene
zin vinden in de wijze waarop het wetsvoorstel deze twee onderwerpen, en
hun onderlinge verhouding, regelt. Dit neemt niet weg dat hij hierna een
aantal kritische opmerkingen zal maken, in het bijzonder over de beperkingen die het
wetsvoorstel de gemeentebesturen oplegt, zowel ten aanzien van de
bijzondere bijstand als ten aanzien van de poortwachtersfunctie voor het
reïntegratietraject en de vormgeving van dat traject. Deze beperkingen hebben een extra
gewicht gezien de voorgestelde 100%-budgettering, met het
bijbehorende financiële risico voor de gemeenten.
Wat betreft de uitvoering
van de Wwb is sprake van een verschuiving van verantwoordelijkheid van de
rijksoverheid naar de gemeenten. Deze verschuiving als zodanig
waardeert de Raad positief. Voorwaarde is dan echter wel dat de gemeentebesturen
voldoende vrijheid hebben om aan hun nieuw bepaalde
verantwoordelijkheid daadwerkelijk inhoud te geven en dat zij voldoende zijn toegerust
voor de hun opgedragen taken. De Raad meent dat het wetsvoorstel bij het
regelen van de verhouding tussen rijksoverheid en gemeenten, uit een oogpunt
van toedeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en toerusting,
deels tekortschiet en deels onvoldoende is onderbouwd. Verder meent hij
dat het voorstel kan leiden tot grote - zo niet te grote - financiële risico’s
voor de gemeenten.
2. Memorie van toelichting,
algemeen deel, hoofdstuk 1. Inleiding,
tweede en derde alinea.
2. Naar de mening van het
kabinet is ook op die onderdelen van de wet waarvan de Raad
veronderstelt dat de gemeenten
beperkt zijn in hun mogelijkheden, sprake van
een passende beleidsruimte voor gemeenten. Hierop zal in een aantal
paragrafen van dit nader rapport meer specifiek worden ingegaan. Dit betreft
de beperkingen ten aanzien van de categoriale bijzondere bijstand (punt
5), de intake: Centra voor werk en inkomen als poortwachter
(punt 8) en de
uit- en aanbesteding van reïntegratietrajecten (punt 10).
Op de financiële risico’s
die de gemeenten met dit wetsvoorstel lopen, zal worden ingegaan bij de onderdelen macrobudget, objectief verdeelmodel en
tekorten (punten 10, 11 en 12).
rblz.|4|
3. Doelgroep
Voor de beoordeling van het
wetsvoorstel is het gewenst een goed inzicht te hebben in de populatie van
bijstandsgerechtigden. Het gaat dan om kenmerken die in het licht van de
doelstelling van de wet van belang zijn, zoals leeftijdopbouw, leefsituatie, opleiding,
herkomst (bijvoorbeeld andere uitkering), uitkeringsduur,
arbeidsmarktperspectief. Ook gegevens over de ervaringen met en de effecten van de
reactiveringsinspanningen tot dusverre en prognoses over de
ontwikkeling van het bestand van bijstandsgerechtigden bij ongewijzigd beleid zijn van
belang. Deze gegevens ontbreken in de toelichting. De Raad
adviseert deze
informatie alsnog op te nemen.
3. Het advies van de
Raad is
overgenomen. In paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting en in de daarbij behorende
bijlage zijn
gegevens opgenomen die
inzicht verschaffen in de populatie van bijstandsgerechtigden. Naar aanleiding van de
opmerkingen van de Raad is in dit onderdeel van de memorie van
toelichting tevens ingegaan op de ervaringen met en de effecten van de reactiveringsinspanningen en op prognoses over de
ontwikkeling van het bestand
van bijstandsgerechtigden.
4. Externe factoren
De Raad vraagt er voorts de
aandacht voor dat de doeltreffendheid van de voorgestelde Wwb
voor het bevorderen van arbeidsparticipatie voor een
belangrijk deel wordt
bepaald door factoren buiten de invloedssfeer van de gemeenten. Het betreft hier
onder meer de ontwikkeling van en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de
reïntegratiemarkt (beschikbaarheid en kwaliteit van
reïntegratiebedrijven), onderwijs- en scholingsmogelijkheden, een deel van de determinanten
van de armoedeval (zie hierna, onder punt 7) en de beschikbaarheid van
zorgvoorzieningen, zoals in het bijzonder kinderopvang. Bovendien wordt het
wetsvoorstel aangeboden op een moment waarop de economische perspectieven
verslechteren en de werkloosheid groeit. Daardoor neemt de druk op de
taakstelling van de gemeentebesturen ingevolge de Wwb toe, terwijl de
mogelijkheden tot reïntegratie van hun bijstandscliënten afnemen. Daar komt verder
nog bij dat de rijksoverheid zich ziet gesteld voor een aanzienlijke
ombuigingstaakstelling.
De Raad adviseert om in de toelichting in te gaan op de invloeden van deze en dergelijke externe factoren
op de effectiviteit van de Wwb en op eventuele beleidsvoornemens ten
aanzien van deze externe factoren die de doeltreffendheid van de Wwb kunnen
bevorderen.
4. Het kabinet deelt de
opvatting van de Raad van State dat het aantal uitkeringen niet volledig is
te beïnvloeden door het reïntegratiebeleid van gemeenten. Hiermee wordt in
het wetsvoorstel rekening gehouden door het macrobudget voor de
uitkeringen aan te passen bij wijzigingen in de conjunctuur en in het
rijksbeleid. Binnen de mogelijkheden die de conjuncturele situatie biedt, wordt de
effectiviteit van het reïntegratiebeleid geoptimaliseerd als de gemeenten maatwerk
kunnen leveren. Het wetsvoorstel biedt de gemeenten daarvoor maximale
ruimte en stimulansen. De gemeente kan hierdoor beter inspringen op
de mogelijkheden van de cliënt en haar uitvoeringsproces meer enten
op uitstroom. Deze efficiency- en effectiviteitsslag is de ratio achter de
geraamde budgettaire opbrengst van de nieuwe wet. Het behalen van deze
opbrengst is niet afhankelijk van externe factoren of andere beleidsvoornemens.
Dat neemt niet weg dat het aantal mensen dat niet actief is op de arbeidsmarkt
verder kan worden verminderd door bijvoorbeeld de verdere ontwikkeling van
de reïntegratiemarkt, de vermindering van de armoedeval en door vergroten
van het aantal plaatsen voor kinderopvang.
Inkomenswaarborg
5. Categoriale bijzondere
bijstand
Het wetsvoorstel maakt een
einde aan de mogelijkheid voor gemeentebesturen om zonder voorafgaande
individuele toetsing categorieën bijstandsgerechtigden een toeslag op de
basisuitkering te geven. De gemeentebesturen behouden wel de mogelijkheid
om bijzondere bijstand toe te kennen op basis van een individuele
toetsing. De Raad vraagt er de aandacht voor dat indien individuele toetsing
het
uitgangspunt dient te zijn bij het eventueel verlenen van bijzondere bijstand, er
bij grote(re) aantallen uitkeringsgerechtigden de rblz.|5|
nodige categorieën gelijke
gevallen zullen blijken (te ontstaan) van personen die elk individueel in
aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Verwacht mag worden dat dan uit
overwegingen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, en mede in het belang van de
doelmatigheid van de uitvoering van de wet door de
gemeentebesturen, beleidsregels worden vastgesteld die inhoudelijk zullen
overeenkomen met de vroegere regels voor de verlening van categoriale bijzondere
bijstand. Het college waarschuwt dat zonder dergelijke beleidsregels de opdracht tot het maatwerk van de individuele
toetsing, zeker bij
grote(re) aantallen personen die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, niet
uitvoerbaar zal blijken te zijn.
De Raad adviseert om hier in de toelichting aandacht aan te besteden en het verbod op het categoriaal
verlenen van bijzondere bijstand te heroverwegen.
5. Het kabinet ziet geen
aanleiding om de afschaffing van de categoriale bijzondere bijstand te
herzien. Aan categoriale bijzondere bijstand zijn belangrijke nadelen
verbonden: ongerichte inkomenssuppletie, rechtsverschillen tussen gemeenten
en een
substantiële bijdrage aan de armoedeval. Voorts stelt het kabinet
zich op het standpunt dat het algemeen, generiek inkomensbeleid voorbehouden
dient te zijn aan het Rijk en dat daarmee de beleidsruimte van gemeenten
voor een eigen inkomensbeleid moet worden beperkt. Het voorstel van
het kabinet voor een langdurigheidstoeslag voorziet beter dan via categorale
regelingen in een aanvullende generieke inkomensondersteuning voor die situaties waarin
dat nodig is.
Het kabinet kan zich
voorstellen dat gemeenten
gebruik maken van beleidsregels bij de uitvoering van
de
bijzondere bijstand. Gemeenten maken hiervan thans reeds gebruik en zij
behouden hun mogelijkheden op dit punt. Het is echter niet zo dat er via
beleidsregels de facto weer sprake kan zijn van categoriale bijzondere
bijstand. Ook bij het toepassen van beleidsregels zal er namelijk sprake
moeten zijn
van een individuele toets op de aanwezigheid en de noodzaak van de kosten.
Dit is de essentie van het verschil tussen categoriale bijzondere
bijstand en individuele bijzondere bijstand. Tegenover de gevolgen die deze toets
voor de uitvoering kan hebben, staat de verwachting dat de introductie van de langdurigheidstoeslag de druk op de
uitvoering van de
individuele bijzondere bijstand zal doen afnemen.
In de paragrafen 4.3 en
4.4
van het algemeen deel van de memorie van toelichting is het
bovenstaande nader uitgewerkt.
6. Langdurigheidstoeslag
Artikel 36 [36]
van het
wetsvoorstel voorziet erin dat personen die gedurende ten minste vijf jaar
onafgebroken een inkomen hebben gehad op ten hoogste het bijstandniveau en die in
deze periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid hebben ontvangen, in
aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag. Paragraaf 4.2 van de
toelichting motiveert deze toeslag onder meer door op te merken dat het
voor deze categorie personen niet aannemelijk is dat zij op korte termijn in
staat zullen zijn om werk te vinden en dat met de toeslag wordt bereikt dat
betrokkenen financiële ruimte krijgen voor bijvoorbeeld vervangingsuitgaven. De
Raad kan de langdurigheidstoeslag niet anders zien dan als een vorm van
categoriale bijzondere bijstand, weliswaar uitgevoerd door het
gemeentebestuur, maar nu exclusief toegekend op rijksniveau, door de
wetgever.
Het voorstel voor een
langdurigheidstoeslag roept allereerst de vraag op naar de toereikendheid van het
algemenebijstandsniveau (het normbedrag met inbegrip van de component
reservering, maar zonder het bedrag van de langdurigheidstoeslag)
gedurende de eerste vijf jaar. In het verlengde daarvan verdient de motivering van
de periode - vijf jaar - de aandacht. Waar één van de motieven voor de
langdurigheidstoeslag de vervangingsuitgaven betreft, wijst de Raad erop dat ook
al binnen de periode van vijf jaar sprake kan zijn van vervangingsuitgaven.
Deze kunnen binnen die periode aanleiding geven tot het verlenen van
bijzondere bijstand, ook aan hen die naderhand ook in aanmerking komen voor de
langdurigheidstoeslag. Dat roept, wat betreft deze uitgaven, de vraag op naar
de gelijkheid van behandeling op dit punt tussen bijstandsgerechtigden aan
weerskanten van de streep van vijf jaar en maakt de vraag naar de
rechtvaardiging van het feitelijk creëren van twee bijstandsniveaus extra
klemmend. Voorts
verdient nog de aandacht dat de langdurigheidstoeslag kan leiden tot negatieve
effecten op de bereidheid werk te rblz.|6|
aanvaarden (pogen "de vijf
jaar te halen"; ontmoedigen van tijdelijk aanvaarden van werk in die
periode).
Het wetsvoorstel kiest
uitdrukkelijk voor het afschaffen van categoriale bijzondere bijstand.
Centraal staat verder het decentralisatiemotief, waardoor rekening kan worden gehouden
met lokale en regionale omstandigheden en verschillen, en individueel
maatwerk mogelijk is. Het wetsvoorstel draagt zo de gemeentebesturen op
bijzondere bijstand te verlenen per geval, op basis van een individuele beoordeling.
De Raad meent dat het bij die opdracht past dat de gemeentebesturen ook de
ruimte hebben om in de vorm van door hen te verlenen bijzondere bijstand
ondersteuning te bieden aan uitkeringsgerechtigden die in het bijzonder door de
duur van de periode waarin zij aangewezen zijn geweest op een inkomen
op bijstandsniveau, specifieke financiële problemen zijn gaan
ondervinden. Het voorstel van de langdurigheidstoeslag als een op rijksniveau
toegekende categoriale bijzondere bijstand past naar het oordeel van de Raad niet
in het systeem van het wetsvoorstel. Daarom, en mede gezien de hiervoor
opgeworpen vragen, adviseert het college het wetsvoorstel op dit punt te
heroverwegen.
6. De langdurigheidstoeslag
betekent inderdaad, zoals de Raad aangeeft, een nuancering van het standpunt
over de toereikendheid van het algemenebijstandsniveau. In de memorie van toelichting is aangegeven onder welke omstandigheden deze
nuancering naar het oordeel van het kabinet nodig is. Het wetsvoorstel voorziet op
tweeërlei wijze in een uitzondering op de regel dat de bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan mede
bestemd is voor aanschaf van
duurzame gebruiksgoederen. De eerste uitzondering is de
bijzondere bijstand, de tweede de langdurigheidstoeslag. Het wetsvoorstel biedt de
mogelijkheid om bij de bijzondere bijstand via maatwerk rekening te houden
met te ontvangen of reeds ontvangen langdurigheidstoeslag. Dit zal bijdragen aan de
gelijkheid van behandeling aan weerszijden van de door de
Raad genoemde "streep van vijf jaar".
Terecht wijst
de Raad op de
mogelijke negatieve gevolgen van de toeslag op de bereidheid tot
(tijdelijk) aanvaarden van werk. Het kabinet meent met die gevolgen rekening te hebben
gehouden door te bepalen dat geen recht op de toeslag bestaat als de
betrokkene naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders
onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
aanvaarden.
De reden dat het kabinet in
een wetsvoorstel waarin het decentralisatiemotief centraal staat, gekozen
heeft voor een centrale regeling van de langdurigheidstoeslag is de volgende. De toeslag
is niet, zoals categoriale bijzondere bijstand, gerelateerd aan bepaalde
kosten, maar vormt een uitzondering op de regel van de toereikend van het
algemenebijstandsniveau. Het betreft hier daarmee een generieke inkomensondersteunende maatregel, zij het met individuele
toetsing. Daarom acht het
kabinet de wijze waarop de toeslag is vormgegeven passend in het systeem van
het wetsvoorstel. In paragraaf 4.4 van het algemeen deel van de memorie
van toelichting is dit nader toegelicht.
7. Armoedeval
Het voorstel bevat een
aantal maatregelen dat de reïntegratie van bijstandsgerechtigden moet bevorderen. Het gaat
daarbij vooral om maatregelen die een einde moeten maken aan
het gemeentelijke categoriale inkomensbeleid en om een aantal aanscherpingen
(zoals die van het criterium passende arbeid en het afschaffen van
uitzonderingen op de verplichting tot participatie in reïntegratieactiviteiten
voor bepaalde categorieën personen jonger dan 65 jaar). Een belangrijk aspect
van het reïntegratiebeleid is de aanpak van het probleem van de armoedeval.
De armoedeval vormt een duidelijke hindernis bij het bevorderen van
arbeidsparticipatie.¹ Bijstandsgerechtigden die weer gaan werken, zullen in de
huidige situatie (aanmerkelijk) meer dan het minimumloon moeten gaan verdienen om er netto op vooruit te
gaan.² Daarbij
moet bovendien worden
bedacht dat velen, bijvoorbeeld bijstandsmoeders, een dergelijke inkomenssprong
moeten bewerkstelligen met deeltijdarbeid. Uit de Sociale Nota 2002 ³ komt naar
voren dat eerder getroffen maatregelen - vooral in de fiscale sfeer - de
problematiek van de armoedeval nog niet hebben kunnen wegnemen. Een effectieve aanpak van deze problematiek is ook nodig
in het licht van afspraken
in Europees verband over het arbeidsmarktbeleid, rblz.|7|
waarin Nederland in het
bijzonder wordt aanbevolen maatregelen te treffen om de hoge inactiviteit aan
te pakken.
Ook hier wordt de armoedeval
als één van de belangrijkste oorzaken genoemd. Het trok overigens de aandacht van de
Raad dat de uitkomsten van een
onderzoek in de gemeente
Den Haag 4
de betekenis van de armoedeval als obstakel voor reïntegratie
lijken te relativeren.
De belangrijkste
determinanten van de armoedeval zijn de individuele huursubsidie, de
gemeentelijke regelingen voor kwijtschelding van lokale belastingen en
waterschapsomslagen en het gemeentelijke inkomensondersteuningsbeleid (bijzondere bijstand,
schuldhulpverlening en maatschappelijke participatie). Het
wetsvoorstel kan mogelijk een bijdrage leveren aan de aanpak van de armoedevalproblematiek
voor zover deze voortkomt uit
gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid. Voor een effectieve aanpak van
de armoedevalproblematiek is
echter een bredere aanpak nodig, die ook de determinanten buiten de
sfeer van de gemeenten
omvat. Dan gaat het in het bijzonder om de individuele
huursubsidie. De Raad acht zo’n bredere aanpak te meer nodig omdat
oplossingen voor de problematiek van de armoedeval hun weerslag kunnen hebben
op het systeem en het niveau van de bijstand.
Het college adviseert in de toelichting nader in te gaan op de betekenis van de armoedeval als obstakel voor
reïntegratie en op de hiervoor bedoelde bredere aanpak van de armoedevalproblematiek, en zo nodig het
wetsvoorstel aan te
passen.
1. Zie bijvoorbeeld de
notitie van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, aangeboden aan de Voorzitter
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
bij brief van 3 juni 2002 (SZW 0 200 391) en het Nationaal Actieplan, blz.
38-41.
2. "Armoedeval: is
ontsnappen mogelijk?", COELO/SGBO, Groningen/Den
Haag, 2000, en "Anatomie van de armoedeval", Economisch Statistische Berichten, 18
februari 1999.
3. Kamerstukken II 2001-2002,
28 001, nr. 2.
4. "Armoedemonitor 2000",
onderzoek van sociale dienst Den Haag,
gemeenteraadsstuk (raadpleegbaar op website
van gemeente Den Haag, onder "bestuurlijke
stukken"), deel 3, Armoedeval.
7. Het kabinet deelt de
opvattingen van de Raad over de noodzaak van een effectieve aanpak van de
armoedeval. Een effectieve aanpak van deze problematiek is ook nodig in
het licht van afspraken in Europees verband over het arbeidsmarktbeleid,
waarin Nederland in het bijzonder wordt aanbevolen maatregelen te treffen om de
hoge inactiviteit aan te pakken.
Met de afschaffing van de
categoriale bijzondere bijstand en de wijze waarop de langdurigheidstoeslag
is vormgegeven, wil het kabinet daaraan een bijdrage leveren. In
paragraaf 4.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is nadere
aandacht besteed aan de betekenis van de armoedeval als obstakel voor reïntegratie.
Het kabinet is met de Raad van mening dat ook op andere terreinen dan de
Wet
werk en bijstand (Wwb) beleid gewenst is om de armoedeval te beperken.
In de vorig jaar door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer aangeboden
notitie Scenario’s armoedevalbestrijding zijn hiertoe de mogelijkheden
geschetst.¹
In paragraaf 4.6 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op het
kabinetsbeleid voor een bredere aanpak van de armoedeval.
2. Ministerie van
SZW,
Notitie scenario’s armoedevalbestrijding, 3
juni 2002.
Reïntegratie
8. De intake:
Centra voor
werk en inkomen als poortwachter
Op de weg naar reïntegratie
hebben de Centra voor werk en inkomen (CWI’s) in zoverre de poortwachtersfunctie dat zij voor de
gemeenten, evenals voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de intake verrichten. De
taak van de CWI’s omvat
zowel de (eerste) behandeling van de uitkeringsaanvraag als de toeleiding naar werk.
Deze structuur beperkt de gemeentebesturen in hun mogelijkheden al
direct bij de voordeur invloed uit te oefenen op de instroom in de bijstand.
De invloed van de gemeenten is slechts een indirecte: zij loopt via de
overeenkomsten met de CWI’s. De CWI-structuur leidt er in elk geval toe dat de
gemeentebesturen pas na verloop van enige tijd zelf direct contact krijgen met
hun cliënten. Verder valt niet uit te sluiten dat de gemeenten (dan) het
intakewerk in belangrijke mate zullen moeten overdoen, om zelf een zo goed en
actueel mogelijk beeld te krijgen van de cliënt en diens situatie en mogelijkheden.
De Raad
merkt op dat de regeling van de aanvraag bij het CWI in de artikelen
41 [41], 42
[42] en 43
[43] ook juridisch ingewikkeld is.
Dit alles betekent dat de
gemeentebesturen wat betreft de omvang van de instroom in de bijstand in
eerste instantie afhankelijk zijn van de CWI’s en van de wijze waarop deze hun
taken (kunnen) vervullen, en van de prioriteiten (tussen inschrijving en
toeleiding naar werk en tussen gemeenten en UWV) die de CWI’s daarbij
(moeten) stellen. Daarentegen legt
het wetsvoorstel de verantwoordelijkheid
voor
reïntegratie, en de financiële risico’s voor de bijstand, volledig bij de
gemeenten. Het wetsvoorstel beoogt door de rblz.|8|
100%-budgettering voor de
gemeenten, met het bijbehorende financiële risico, de gemeentebesturen te
prikkelen zich zo goed mogelijk in te spannen voor de reïntegratie. Een
dergelijke financiële prikkel ontbreekt bij de CWI’s.
De Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(SUWI), waarvan de CWI’s deel uitmaken, is
nog in opbouw. Intussen legt het oplopen van de werkloosheid een toenemende
druk op de CWI’s. Dat beperkt de mogelijkheden van de CWI’s om ook aan de
toeleiding van cliënten naar werk voldoende aandacht te geven.
In zo’n situatie rijst te meer de vraag of het verantwoord is de gemeenten
voor de intake volledig afhankelijk te laten zijn van de CWI’s.
De Raad adviseert, gezien
het voorgaande, in de toelichting in te gaan op de afhankelijkheid van de
gemeenten van de CWI’s, en op de problemen die daaruit kunnen voortvloeien,
uit een oogpunt van doelmatigheid en van verdeling van financiële
risico’s. In verband daarmee is het ook van belang inzicht te geven,
bijvoorbeeld op basis van evaluatiegegevens, in het functioneren van de CWI’s
tot nu toe.
8. Er is sprake van een
samenwerkings- en afhankelijkheidsrelatie tussen CWI en
gemeenten. De
SUWI-regelgeving biedt de ruimte om te komen tot samenwerkingsafspraken,
waarbij de gemeente de mogelijkheid heeft om van meet af aan betrokken te zijn bij
de aanpak van de klanten binnen de SUWI-keten. Dat kan worden gerealiseerd
door op lokaal niveau goede afspraken te maken over de gewenste kwaliteit,
gezamenlijke kwaliteitsmetingen en de wijze van verantwoording naar elkaar.
Met goede afspraken en informatieoverdracht kan worden voorkomen dat dubbele
intakes worden uitgevoerd. Ook is het van belang dat het CWI goede
feedback van de gemeenten krijgt om het functioneren als poortwachter te kunnen
verbeteren.
Op landelijk niveau hebben
de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid onlangs met elkaar nadere afspraken gemaakt om de doelstelling
"werk boven inkomen"
volledig te realiseren. Eén en ander is verankerd in het Programma Ketenresultaten
2003 en 2004. De uitgangspunten van dit programma zijn:
(prestatie)afspraken tussen ketenpartners, landelijke kaders met ruimte voor
lokale/regionale invulling, het voorop stellen van uitstroom naar de arbeidsmarkt en tot
slot het in gezamenlijkheid meten van deze resultaten.
In paragraaf 6.3 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting is hier nader op ingegaan.
In mei 2003 wordt de Kamer
geïnformeerd over de stand van zaken in de uitvoering door de CWI en de
samenwerking in de keten (onder meer Voortgangsrapportage SUWI,
jaarverslagen CWI en UWV en het jaarverslag van de
Inspectie Werk en Inkomen).
9. Uit- en aanbesteding
Artikel 7 [7], vierde lid,
bepaalt dat de gemeentebesturen werkzaamheden in het kader van voorzieningen
gericht op arbeidsinschakeling zoveel mogelijk laten verrichten door derden die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van
personen in de arbeid bevorderen. Bij het gebruik van aanbod van
reïntegratievoorzieningen op de markt gelden de aanbestedingsvereisten uit het
Besluit SUWI.¹ De gemeenten
(evenals het UWV) dienen een transparante en
toetsbare aanbestedingsprocedure te volgen, waarbij verschillende offertes
worden gevraagd, op basis van vooraf vastgestelde criteria. De verplichting
tot uit- en aanbesteding van de reïntegratieactiviteiten wordt gemotiveerd door de
wens om effectief met reïntegratiemiddelen om te gaan en een transparante en
efficiënt werkende reïntegratiemarkt tot stand te brengen.
Naar het de Raad voorkomt,
wordt met het financieel verantwoordelijk maken van de gemeenten voor de
uitvoering van de wet beoogd dat de inzet van reïntegratiemiddelen voor
elke gemeente optimaal plaatsvindt. In de memorie van toelichting wordt echter
niet aangetoond dat door het opleggen aan de gemeentebesturen van de
verplichting tot uitbesteding en de daaraan gekoppelde verplichting tot rblz.|9|
aanbesteding voor het merendeel van de
contracten, voor elk
afzonderlijk gemeentebestuur de meest effectieve en efficiënte inzet van
reïntegratiemiddelen wordt bereikt.
De Raad wijst er in dit
verband op dat voor de aanbesteding Europeesrechtelijke en nationaalrechtelijke
regels gelden.² Naleving daarvan leidt tot aanbestedingsprocedures die
kosten met zich brengen en de nodige tijd vergen (tijdens welke de bekostiging van de bijstanduitkering voor de
betrokken cliënt
doorloopt). Daar komt nog bij dat de verplichting tot uit- en aanbesteding leidt tot
contracten die pas na verloop van enige tijd kunnen worden geëvalueerd en
vervolgens zo nodig bijgesteld. Zo’n vertraging in de terugkoppeling is te meer
een reëel risico nu om prijstechnische redenen valt te verwachten dat de
contracten uit een oogpunt van aantallen te begeleiden cliënten over het algemeen
van een behoorlijke omvang zullen (moeten) zijn. Die vermoedelijk grote
omvang van financieel aantrekkelijke contracten zal er naar verwachting ook toe
leiden dat kleinere gemeenten worden genoopt tot samenwerking in de
uitbesteding. Of ook dan nog altijd optimaal kan worden ingespeeld op de lokale
situatie is zeer de vraag. Verder trok het de aandacht van de Raad dat de
toelichting geen informatie bevat over de werking van de reïntegratiemarkt tot
dusverre, noch een evaluatie daarvan. Zicht daarop is nodig voor het antwoord op
de vraag of het (nu al) verantwoord is de gemeenten vergaand te
dwingen zich op die markt te begeven.
Een optimale inzet van
reïntegratiemiddelen zou, nu ook de financiële risico’s van de uitvoering van de
wet
volledig worden gelegd bij de gemeentebesturen, ermee gebaat kunnen zijn
indien de gemeentebesturen (vooralsnog) meer vrijheid zouden hebben
om volgens eigen beleid vorm te geven aan de reïntegratietaakstelling
dan
het wetsvoorstel hun thans biedt.
De Raad adviseert in de
toelichting nader in te gaan op de spanning tussen het streven naar marktwerking
voor de reïntegratie - met de daarbijbehorende verplichting tot uit- en
aanbesteding - enerzijds en de doelmatigheid voor de gemeenten bij het uitvoeren
van de hun opgelegde verplichting tot het bevorderen van de
reïntegratie van hun bijstandscliënten anderzijds.
1. Toelichting op artikel
7,
vierde alinea.
2. De Richtlijn Diensten
(Richtlijn nr. 92/50/EEG van de Raad van de Europese
Unie van 18 juni 1992 betreffende de
coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten voor dienstverlening (PbEG L
209), laatstelijk gewijzigd bij de
toetredingsakte van Oostenrijk, Finland en Zweden), geïmplementeerd in de
Raamwet
EEG-voorschriften aanbestedingen.
9. Het kabinet meent dat een
goed werkende reïntegratiemarkt bijdraagt aan het realiseren van een hogere effectiviteit en efficiency bij de inzet van
instrumenten en middelen
voor reïntegratie. Om die reden is bij de SUWI-regelgeving ervoor gekozen
om de reïntegratietaken door de markt te laten uitvoeren. Een goed werkende
reïntegratiemarkt is ook in het belang van de gemeenten
aangezien daarmee
een groter aanbod van activiteiten en een betere prijs-kwaliteitverhouding kan worden gerealiseerd.
Om ervoor te zorgen dat er
een "level playing field" is voor alle aanbieders op deze markt, is bij de
SUWI-regelgeving gekozen voor uit- en aanbestedingsregels. Deze regels moeten
ervoor zorg dragen dat inderdaad de beste prijs/kwaliteit gekozen
wordt. Hiermee wordt voorkomen dat aan gemeente gelieerde bedrijven een
voorkeurspositie kunnen krijgen. In paragraaf 3.2.5 van het algemeen deel van
de
memorie van toelichting wordt hier nader op ingegaan.
Het kabinet deelt niet de
zorg van de Raad van State dat de aanbestedingsverplichting tot extra kosten
en tot
tempoverlies leidt. Door bijvoorbeeld te kiezen voor raamcontracten
kan een cliënt direct aan een traject deelnemen. Gezien de positieve effecten
van marktwerking is het kabinet er verder van overtuigd dat de kosten die
gekoppeld zijn aan de aanbesteding ruimschoots zullen worden terugverdiend.
Het kabinet is verder van
mening dat eventuele samenwerking tussen gemeenten het inspelen op
de lokale situatie niet in de weg hoeft te staan. Reïntegratiebedrijven
kunnen immers ook op deze lokale situatie inspelen. Over de ontwikkeling van de
reïntegratiemarkt heeft het kabinet op 28 november 2002 het
trendrapport van onderzoeksbureau Regioplan ("Op weg naar
volwassenheid")
naar het parlement gestuurd (Kamerstukken II 2002-2003, 28 719, nr. 1).
Financiering
10. Macrobudget
a. Gemeenten worden, anders
dan in de huidige situatie onder de Abw, door het stelsel van 100% budgettering financieel volledig verantwoordelijk voor de
uitvoering van de Wwb. Voor
alle gemeenten gezamenlijk wordt jaarlijks een macrobudget vastgesteld. Het
macrobudget voor het inkomensdeel wordt geraamd op basis van de
Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau. In de
raming van het bijstandsvolume zijn realisatiecijfers van het voorgaande
jaar,
alsmede het effect van wijzigingen in de conjunctuur rblz.|10|
en van voorgenomen
beleidsmaatregelen verwerkt.¹ De verwijzing naar de MEV suggereert een
objectieve vaststelling van het budget dat de gemeenten nodig hebben. Echter, het
Rijk bepaalt aan de hand van de genoemde gegevens welk macrobudget in
enig jaar beschikbaar komt. Daarbij is niet zeker gesteld dat dit budget
voldoende zal zijn gevrijwaard van de invloed van financiële problemen van de
rijksoverheid.
De vraag dringt zich op of
een meer objectieve vaststelling van het macrobudget mogelijk is. De Raad
adviseert om hier in de toelichting nader op in te gaan.
1. Memorie van
toelichting, algemeen deel, paragraaf 5.1.1, eerste
tekstblok.
b. Verder wijst de Raad erop
dat omstandigheden buiten de invloedsfeer van de gemeenten wel voor een
belangrijk deel de uitvoering van de Wwb en de daarmee
gemoeide uitgaven
kunnen bepalen. Het college mist bij het voorstel een beschouwing over het al
dan niet doorwerken van belangrijke externe factoren (zie hiervoor,
onder punt 4) op de macrobudgetten voor het inkomensdeel en het
werkdeel. De gemeenten dragen via de 100%-budgettering intussen wel volledig het
financiële risico voor de uitvoering van de Wwb. Dit onderstreept eens
te meer het belang van het afschermen van het macrobudget van de invloed
van factoren die niet voor rekening van de gemeenten mogen komen, tenzij ze tijdig en toereikend in hun budgetten
worden gecompenseerd.
De Raad adviseert gezien het
voorgaande inzicht te geven in de relatie tussen de macrobudgetten en relevante externe
factoren en waar nodig het stelsel
aan te passen.
10.a. De voorgenomen
financieringssystematiek - waarbij de stimulans voor gemeenten om goed te
presteren is gelegen in het inkomensdeel - vereist een nauwkeurige raming.
Essentieel daarbij is dat er een verantwoord macrobudget wordt vastgesteld dat
toereikend is om de macrobijstandsuitgaven te financieren. Om te
waarborgen dat het macrobudget niet beïnvloed wordt door andere factoren, zoals
de door de Raad genoemde financiële problemen van de rijksoverheid, is in
de wet vastgelegd dat het macrobudget is gebaseerd op een objectieve raming
voor het inkomensdeel. In de objectieve raming worden meegenomen:
- de actuele gegevens over
de feitelijke ontwikkeling van het bijstandsvolume op dat moment;
- de economische
vooruitzichten uit de Macro Economische Verkenningen voor het betreffende jaar;
- de verwachte effecten
van gewijzigd beleid.
b. Ten aanzien van het
macrobudget voor het inkomensdeel geldt dat in de loop van het begrotingsjaar
het macrobudget wordt bijgesteld op basis van een geactualiseerde raming
van het bijstandsvolume voor dat jaar. Deze actualisatie vindt plaats in
september en is gebaseerd op de in het voorjaar beschikbare raming van het
bijstandsvolume voor het lopende jaar (CEP) [Centraal Economisch Plan, red.] en op de werkloosheidsraming op
dat moment. Realisatiecijfers van de bijstand worden op dat moment niet meegenomen. Op deze wijze ademt het budget
maximaal mee met de
conjunctuur, zonder dat de hoogte ervan afhankelijk is van de effectiviteit van het
gemeentelijk reïntegratiebeleid.
Het macrobudget voor het
werkdeel is voor de komende jaren vastgelegd in de meerjarenbegroting. Hierbij
kan een deel van het budget van het lopende jaar naar het volgende jaar
meegenomen worden, mede om het mogelijk te maken dat lopende verplichtingen
in het daaropvolgende jaar kunnen worden betaald. In beginsel loopt
de hoogte van het budget mee met de loon-prijscomponent van de rijksbegroting.
Periodiek zal worden onderzocht of de hoogte van dit budget nog
adequaat is.
In hoofdstuk 5 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting wordt nader op beide punten
ingegaan.
11. Objectief
verdeelmodel
Het macrobudget voor het
inkomensdeel wordt volgens een objectief verdeelmodel over de gemeenten verdeeld,
aldus
het wetsvoorstel. Blijkens de toelichting vormt dit
model een essentieel onderdeel van de systematiek van het Fonds werk en
inkomen.¹ Er wordt al lang gewerkt aan de ontwikkeling van een objectief
verdeelmodel, maar het is, naar het schijnt, nog steeds niet mogelijk gebleken een
bevredigend objectief verdeelmodel vast te stellen. rblz.|11|
Voor de
kleinere
gemeenten blijkt nog steeds gewerkt te moeten worden met een verdeling waarbij
gebruik wordt gemaakt van historische kosten.² Dit roept de vraag op of
erop kan
worden vertrouwd dat het wel mogelijk zal zijn om een objectief
verdeelmodel voor alle gemeenten vast te stellen en wat de consequenties zijn voor
de uitvoering van de wet en de positie van de gemeenten daarbij als zo’n
model niet (voor alle gemeenten) kan worden vastgesteld.
De Raad acht indiening
van het wetsvoorstel niet verantwoord zolang een zo essentieel onderdeel als
het objectieve verdeelmodel niet gereed is, althans als geen reëel uitzicht
bestaat op het binnen afzienbare termijn gereed komen van een aanvaardbaar
objectief verdeelmodel voor alle gemeenten en zolang aldus dit model niet kan
worden betrokken in de beoordeling van het wetsvoorstel. Het college adviseert,
gelet hierop, de indiening van het wetsvoorstel aan te houden zolang niet
ook het objectieve verdeelmodel beschikbaar is en inzicht kan worden
gegeven in de desbetreffende uitvoeringsmaatregel.
1. Memorie van
toelichting, algemeen deel, paragraaf 5.1.2, vijfde tekstblok.
2. "Een objectief
verdeelmodel voor het gebudgetteerde deel van
de bijstandslasten - Samenvatting voor
bestuurders en beleidsmakers", ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maart
2001, blz. 8, en de brief van 19 april
2001 over het Verdeelmodel Fonds werk en inkomen van
de toenmalige Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, blz. 2 en 3.
11. De voorgenomen
100%-budgettering van de bijstand is van groot belang.
De 100%-budgettering
bevordert dat gemeenten afwegingen maken die maximaal sturen op het bereiken van adequate resultaten op het terrein van de
reïntegratie. De
budgettering vereist een systematiek van verdeling van het macro beschikbare budget
over de individuele gemeenten. Deze verdeelsystematiek zal in de structurele
situatie in meer of mindere mate, afhankelijk van de grootte van de
gemeente, gebaseerd zijn op een historisch ¹ of een objectief
verdeelmodel ².
De grote gemeenten (meer dan 60 000 inwoners) zullen in de structurele situatie een
budget ontvangen dat voor 100% via het objectieve verdeelmodel is
vastgesteld. Voor de kleine gemeenten (minder dan 40 000 inwoners) vindt vooralsnog
verdeling plaats op basis van historische kosten. De verdeelsystematiek voor
de middelgrote gemeenten is in de structurele situatie een gewogen combinatie
van de systematiek voor kleine en grote gemeenten. Door te werken met drie
gemeentegrootteklassen wordt voorkomen dat kleine fluctuaties in het
inwonertal van een gemeente tot gevolg heeft dat de gemeente met afwijkende
verdeelsystematieken wordt geconfronteerd.
1. Bij het historisch
model is de verdeling van het budget gebaseerd op
realisatiecijfers uit het verleden.
2. Het objectief
verdeelmodel betreft een model waarbij aan de hand
van tien maatstaven - die de sociaal-economische infrastructuur van de
gemeenten weerspiegelen - per gemeente het
benodigde bedrag aan bijstandsuitgaven
wordt berekend.
Om de herverdeeleffecten
voor gemeenten te beperken, heeft het kabinet ervoor gekozen om niet in
één keer over te gaan op het objectief verdeelmodel,
maar om hier geleidelijk - in een periode van vier jaar - naar toe te groeien. In het eerste
jaar ligt daarom het accent op het historisch model. Het ligt in de rede om
gebruik te maken van de opgedane ervaringen (i.c. het resultaat in termen van
ex-postherverdeeleffecten) met toepassing van het objectief verdeelmodel om
in de komende jaren het bestaande model verder door te ontwikkelen. Mede
gebaseerd op de ervaringen met het objectief verdeelmodel bij de 25%-budgettering in de WFA, en recente onderzoeksresultaten, is het kabinet van
mening
dat de huidige vormgeving van het objectief verdeelmodel een
aanvaardbaar startpunt is voor dit groeipad.
Voor de kleine
gemeenten
(minder dan 40 000 inwoners) wordt enkel het historisch model ingezet aangezien het huidige objectief verdeelmodel voor de
kleine gemeenten geen
goede resultaten in termen van ex-anteherverdeeleffecten zien. De oorzaak
hiervan
is met name gelegen in de statistiek: als gevolg van een scala aan
incidentele factoren ontstaan te grote jaarlijkse fluctuaties in de
endogene (bijstandsuitgaven per inwoner) en de tien exogene (i.c. de
verdeelmaatstaven) variabelen.
Daarnaast bestaat via de
eigenrisicodrempel de mogelijkheid tot correctie: binnen de Wwb
is een hardheidsclausule opgenomen die de tekortgemeente
in staat stelt een
verzoek tot aanvullende uitkering in te dienen bij een daartoe in het leven geroepen
toetsingscommissie.
De keuze objectief of
historisch model is belangrijk, maar niet doorslaggevend voor de mogelijkheid om
over te gaan op een systeem met 100% gebudgetteerde uitkeringslasten. Het
feit dat voor elke gemeente
een budget wordt vastgesteld waarmee in
beginsel alle bijstandsuitgaven moeten worden gefinancierd, is, zoals
hierboven is aangegeven, cruciaal.
Een objectief
verdeelmodel zorgt ervoor dat gemeenten die structureel beter presteren dan andere
gemeenten hier ook structureel voor worden beloond. rblz.|12|
In paragraaf 5.1.2 van
het algemeen deel van de memorie van toelichting is nader ingegaan op het
objectief verdeelmodel.
12. Tekorten
Bij een budgettekort op
het inkomensdeel zal een gemeente
daarvoor in eerste instantie zelf een oplossing moeten zoeken. De gemeente kan dan wel een
aanvullende uitkering
aanvragen bij de minister. Als, na toetsing, zo’n aanvulling wordt
verstrekt, komt deze ten laste van het voor alle gemeenten geldende
macrobudget.¹
Budgettekorten van individuele gemeenten worden daarmee afgewenteld op de
gezamenlijke andere gemeenten. Afhankelijk van bij algemene maatregel
van bestuur vast te stellen toetsingscriteria kan deze systematiek worden gezien
als een adequaat correctiemechanisme op het objectieve verdeelmodel.
Nu echter nog geen inzicht wordt gegeven in deze toetsingscriteria, kan de
Raad niet beoordelen of de genoemde afwenteling al dan niet een ongewenst
risico inhoudt voor de gezamenlijke gemeenten.
De Raad adviseert in de toelichting inzicht te bieden in de hiervoor bedoelde toetsingscriteria.
1. Artikel
74 [74], eerste lid.
12.
Een gemeente met een
tekort boven de eigenrisicodrempel Wwb
heeft de mogelijkheid om een verzoek tot een aanvullende uitkering in te dienen bij de
toetsingscommissie. De
toetsingscommissie heeft tot taak een oordeel te vellen over de vraag of
de tekortgemeente in het betreffende begrotingsjaar te maken heeft gehad met een
uitzonderlijke situatie en het toetsen van de vraag of de tekortgemeente
verwijtbaar heeft gehandeld. In paragraaf 5.1.3 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de toetsingscriteria. Hier
wordt volstaan met het noemen van de onderdelen waarop de
toetsingscommissie zal toetsen:
1. Is sprake van een budgettekort boven de eigenrisicodrempel Wwb?
2. Is er bij de
tekortgemeente sprake van een uitzonderlijke situatie op de lokale arbeidsmarkt?
3. Kan de overschrijding
worden toegeschreven aan de beleidskeuzes van de tekortgemeente, kijkend
naar rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering?
Uitvoering
13. Uitvoeringslast
De gemeentebesturen
krijgen door
het wetsvoorstel een zware verantwoordelijkheid, niet in het minst
ook
omdat het wetsvoorstel op een aantal onderdelen bij te nemen besluiten -
op aanvraag of ambtshalve - jegens cliënten maatwerk vraagt. Gewezen
kan worden op:
a. De reïntegratie van
bijstandvragers
Het wetsvoorstel verlangt
van de gemeentebesturen maatwerk waar het betreft de afstemming van
de reïntegratie op de individuele cliënt, het bezien van zijn situatie en
mogelijkheden, het ontwerpen van een daarbij passend pakket aan ondersteuning
en van beloningen en straffen, en het regelmatig evalueren en bijstellen
van het individuele pakket. In voorkomende gevallen dienen gemeenten ook de
noodzaak van ontheffing van de plicht tot reïntegratie-inspanning
voor cliënten tot 65 jaar (opnieuw) te bezien. Bijzondere
aandacht
vereisen positie en mogelijkheden van de alleenstaande ouder.
b. Inkomenssteun
Maatwerk is ook aan de
orde bij de bedragen die kunnen worden toegekend naast de algemeen geldende uitkering, of die bij wijze van
korting kunnen
worden ingehouden van de
cliënt, afhankelijk van diens inspanning en motivering om terug te
keren naar betaald werk. Regelmatig wordt opnieuw bezien of betrokkene zich
voldoende inzet om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.
c. Fraudebestrijding
Onverminderd geldt voor
de gemeentebesturen dat zij zich moeten blijven inspannen voor het
opsporen en corrigeren van fraude, bijvoorbeeld door cliënten die zwart- of
grijswerken. Zeker ook dit maatwerk stelt bijzondere rblz.|13|
eisen aan de
uitvoeringsorganisatie, ook in de sfeer van informatie-uitwisseling met andere
instanties.¹
1. Zie het "Handhavingsarrangement
2003" en het "Opsporingsbeleidsplan 2003", 10 maart 2003 aangeboden aan de
Tweede Kamer, vermeld in Stcrt. 2003,
nr. 49.
Al met al betekent een
actieve uitvoering van de wet voor de gemeenten een forse uitvoeringslast.
Verder veronderstelt zij ambtelijke en bestuurlijke bereidheid tot eventueel
confronterend optreden. De toelichting gaat niet in op de vraag in hoeverre elk
van de gemeenten daarvoor, naar omvang en kwaliteit van de
uitvoerende personen en diensten, en naar budget, voldoende is of zal worden
toegerust. Schaalverschillen tussen gemeenten zullen hierbij ook een rol spelen. De
uitvoeringslast kan kleinere gemeenten immers noodzaken tot regionale
samenwerking, met de daaraan verbonden voor- en nadelen. Deze
uitvoeringslasten onderstrepen het belang van een goede voorbereiding op de
invoering van de Wwb en van een toereikende termijn daarvoor.
De Raad beveelt aan in de
toelichting aan het voorgaande aandacht te besteden en daarbij ook
in te gaan op regionale samenwerking. Tevens ware daarbij in te gaan op de
vraag of, in de fase van de invoering van de Wwb, is voorzien in bijzondere
ondersteuning - financieel of anderszins - van de gemeenten ten behoeve van
de uitvoering van deze wet. Ook ware aan te geven of is (of zal
worden) overwogen de wet gefaseerd in te voeren, of om de uiteindelijke invoering
te laten voorafgaan door experimenten in een aantal gemeenten.
13.
Het wetsvoorstel Wwb vraagt gemeenten om maatwerk toe te passen richting de cliënt. Het
kabinet meent dat dit in het belang is van cliënt én voor het beperkten van het
beroep op de bijstand. Uitvoeringsvoorschriften die gemeenten nu nog beletten
om maatwerk toe te passen, worden, mede op verzoek van gemeenten,
afgeschaft.
Het toepassen van
maatwerk zal van gemeenten voor de ene cliënt een intensivering ten
opzichte van de huidige inspanningen vergen, terwijl een andere cliënt juist
minder intensief benadert hoeft te worden. Het schrappen van
uitvoeringsvoorschriften en het bieden van een vrij besteedbaar reïntegratiebudget
betekent ook dat gemeenten aanzienlijk minder capaciteit hoeven te besteden aan
rapportageverplichtingen richting het Rijk.
Het kabinet is het dan
ook wél eens met de conclusie van de Raad dat de gemeentebesturen een
grote verantwoordelijkheid krijgen met dit wetsvoorstel, maar niet
met de conclusie van de Raad dat het wetsvoorstel al met al een forse
uitvoeringslast betekent ten opzichte van de huidige situatie.
In hoofdstuk 6 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de consequenties van de
Wwb voor de uitvoering door
gemeenten.
De zorg dat
gemeenten nog
niet voldoende zouden zijn toegerust om confronterend op te
treden, deelt het kabinet niet. Ook de huidige wetgeving gaat
ervan uit dat
gemeenten confronterend optreden als dat nodig is.
Het belang van een goede
voorbereiding op de invoering van de Wwb onderschrijft het kabinet
ten volle. In overleg met gemeenten wordt daarom door het
ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid een implementatieplan opgesteld om de gemeenten
de nodige ondersteuning te bieden. Daarbij gaat het onder
meer om deskundigheidsbevordering, expertmeetings, uitwisseling best
practices en om het bieden van ondersteuning bij het
opstellen van
verordeningen.
In hoofdstuk 6 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting wordt hier nader op ingegaan.
Daarbij wordt ook aandacht besteed aan regionale samenwerking.
Het kabinet is van
oordeel dat het in ieder geval noodzakelijk is dat op 1 januari 2004 wordt gestart met
de
voorgestelde decentralisatie en deregulering en de daarbij behorende 100%
financiële verantwoordelijkheid van gemeenten en de vermindering van
administratieve lasten. Dit geldt ook voor de afschaffing van de categoriale bijzondere
bijstand, in combinatie met de invoering van de langdurigheidstoeslag.
Dit is nodig om het momentum te benutten om door de nieuwe verdeling van
verantwoordelijkheden en bevoegdheden de uitvoering van bijstand en
reïntegratie op een effectieve manier te stimuleren. Doordat eerst in verloop van een
aantal jaren toegegroeid wordt naar de meest rblz.|14|
wenselijke wijze van
verdeling van de budgetten is van meet af aan sprake van een verantwoorde
financieringssystematiek.
Gelet op de noodzaak van
een beperking van de uitvoeringslasten in het invoeringsjaar, is het
kabinet, mede op advies van de Raad, bereid te bezien of enkele nader te bepalen
overige onderdelen van de Wwb later kunnen worden ingevoerd. De keuze
daarvan en de wijze van invoering kan worden geregeld in het
inwerkingstredingsbesluit van deze wet en in de Invoeringswet Wet werk en
bijstand.
14. Gemeentelijke
verordeningen
Artikel 8 [8]
draagt elk
gemeentebestuur op een verordening te maken. Ook dat betekent een uitvoeringslast, al valt te verwachten dat de
VNG via een
modelverordening de gemeenten daarbij zal ondersteunen. In dat geval kan zich echter het risico
voordoen dat het streven naar lokaal maatwerk wordt gefrustreerd indien
gemeenten gebruik gaan maken van de genoemde modelverordening.
De Raad adviseert om in
de toelichting op het voorgaande in te gaan.
14. Het kabinet onderkent
de door de Raad gesignaleerde mogelijke spanning tussen modelverordeningen
en lokaal maatwerk. In hoofdstuk 12 van het algemeen deel van de
memorie van toelichting wordt hierop thans ingegaan. De conclusie daarbij is
dat het gezien de doelstellingen van het wetsvoorstel
Wwb niet zozeer voor de
hand ligt de gemeenten te ondersteunen met modelverordeningen, maar
eerder met bijvoorbeeld checklisten die gemeenten kunnen
gebruiken bij het opstellen van hun verordeningen.
Geschillen
15. Geschillen
Het wetsvoorstel veronderstelt, verdergaand dan thans de Abw, maatwerk door de
gemeenten. Beoogd
wordt de gemeentebesturen in dat verband de nodige vrijheid te geven
voor het nemen van de verschillende besluiten die rechtsgevolgen hebben
voor de betrokken cliënten. Die gevolgen kunnen ingrijpend zijn.
De Raad adviseert in
de toelichting in te gaan op de gevoeligheid van de Wwb
voor het ontstaan van
geschillen naar aanleiding van deze besluiten en op de effecten daarvan voor het
systeem van rechtsbescherming.
15. Met
het wetsvoorstel wordt inderdaad beoogd dat de gemeenten in het bijzonder met betrekking
tot de reïntegratie en afstemming van de uitkering van belanghebbenden meer
maatwerk kunnen leveren. Met betrekking tot beide onderwerpen moeten
de gemeenten echter ook bij verordening regels stellen. Het is aan de
gemeenten om hierbij het gewenste evenwicht tussen maatwerk en regelgeving
vorm te geven. In de memorie van toelichting wordt nader ingegaan in
hoeverre dit tot meer geschillen zal leiden en op de effecten daarvan voor het systeem
van rechtsbescherming. De conclusie daarbij is dat de Wwb
als zodanig niet
gevoeliger is voor het ontstaan van geschillen dan de Abw
en dat geen structurele effecten voor het systeem van rechtsbescherming
worden verwacht.
16. Afstemmingsbepaling
Artikel 18 [18], tweede lid,
draagt burgemeester en wethouders op de bijstandsnorm te verlagen in een aantal
met name genoemde gevallen waarin het gedrag van de cliënt daartoe
aanleiding geeft, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het komt de
Raad voor dat in bepaalde gevallen zo’n maatregel is aan te merken als een
punitieve sanctie.
Het college adviseert
daarop in te gaan, gelet op de eisen die voortvloeien uit artikel 6 van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, en daarbij ook aandacht te besteden aan het voorontwerp van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
16. Het systeem van het
opleggen van maatregelen aan bijstandsgerechtigden die niet aan de aan de
bijstand verbonden verplichtingen voldoen, maakt nu al deel uit van de Abw
en is
als zodanig overgenomen in het wetsvoorstel Wwb. De maatregel bestaat uit
het voor een bepaalde periode verlagen van de bijstandsnorm. In de Abw
is geregeld dat het niet nakomen van de informatieplicht rblz.|15|
gesanctioneerd
wordt met een boete. Deze boete is niet overgenomen in de Wwb: voorgesteld wordt
ook in een dergelijke situatie een maatregel op te leggen. Van een punitieve
sanctie is daarmee echter geen sprake. In het wetsvoorstel Wwb maakt de
inlichtingenplicht integraal onderdeel uit van de aan de uitkering
verbonden verplichtingen. In dat licht bezien heeft het kabinet ervoor gekozen ook in het
geval de belanghebbende de inlichtingenplicht niet nakomt, een maatregel op
te leggen in plaats van een boete.
Ook het zich zeer ernstig
misdragen jegens het college van burgemeester en wethouders wordt in dit
wetsvoorstel beschouwd als het niet nakomen van een aan de uitkering
verbonden verplichting, waarvoor een maatregel kan worden opgelegd.
Conform de wens van de
Raad is in de toelichting op artikel 18 ingegaan op artikel 6 van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden alsmede op het voorontwerp van wet vierde tranche
Algemene wet bestuursrecht.
Overige opmerkingen
17.
Informatie-uitwisseling; bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Vooral de onderdelen van
het wetsvoorstel die maatwerk meebrengen, noodzaken tot het
verkrijgen van (controle)informatie van andere instanties, zoals CWI (intake) en
UWV
(uitstroming).
De Raad adviseert in
de toelichting nader in te gaan op de vraag in hoeverre is gewaarborgd dat de
desbetreffende systemen voor informatie-uitwisseling van meet af aan efficiënt en
effectief zullen werken. Daarbij ware tevens aandacht te besteden, mede gelet
op het advies van het College bescherming persoonsgegevens ¹, aan het vraagstuk van de
bescherming van de uit te wisselen persoonsgegevens.
1. Advies van 10 december
2002 aan Staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, kenmerk z2002-1302.
17. Het belang van een
doeltreffende en efficiënte informatie-uitwisseling wordt door het kabinet
onderschreven. Voor de Wwb wordt dan ook bij de elektronische
informatie-uitwisseling zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande wettelijke
verplichtingen en structuren in het kader van Suwinet en het Inlichtingenbureau,
waardoor continuïteit en zekerheid van de informatie-uitwisseling wordt gewaarborgd.
De bescherming van de uit
te wisselen persoonsgegevens is ook in het kader van de Wwb van groot belang. In
de memorie van toelichting van artikel 67
wordt al vermeld dat bij
informatie-uitwisseling in het kader van de Wwb de Wet
bescherming persoonsgegevens van kracht is. De toelichting op de artikelen 64 en
67 van
het wetsvoorstel is naar aanleiding van het advies van de Raad
aangepast.
18. Alimentatie
Ingevolge artikel 56
[56] wordt de verantwoordelijkheid voor het instellen van een vordering tot (kinder)alimentatie
waarop aanspraak bestaat ook bij de belanghebbende zelf gelegd: burgemeester
en wethouders kunnen de belanghebbende verplichten dit te
regelen via een verzoek ter zake bij een bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen instelling.¹ De mogelijkheid van verhaal op onderhoudsplichtigen
zal komen te vervallen zodra het alimentatiestelsel zal zijn aangepast. De
gekozen benadering kan ertoe leiden dat een belanghebbende in de klem komt tussen de
ex-partner en de gemeente, met alle gevolgen van dien voor
zijn of haar financiële positie. Daarmee lijkt
het wetsvoorstel een
achteruitgang te (kunnen) betekenen voor de positie van alimentatiegerechtigden.
De Raad adviseert in
de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het voorstel op dit punt
aan te passen.
1. Zie ook de memorie van
toelichting, algemeen deel, paragraaf 6.2.
18. In de
Wwb wordt
geanticipeerd op de komst van een nieuw kinderalimentatiestelsel zoals afgesproken in het
Strategisch Akkoord. Zoals aangekondigd in het
Kabinetsstandpunt (Kamerstukken II 2002-2003, 28 795, nr. 1) bij het
eindrapport van de Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO)-werkgroep
Alimentatiebeleid is een andere regeling van kinderalimentatie juist bedoeld om de
financiële positie van de verzorgende ouder te rblz.|16|
verbeteren. Deze
kinderalimentatie biedt een belangrijke basis voor het bereiken of handhaven van
economische zelfstandigheid van de verzorgende ouder.
Volgens de aanbevelingen
uit dit rapport dient kinderalimentatie via eenvoudige, duidelijke en begrijpelijke normen door de overheid te worden
vastgesteld, mede
teneinde draagvlak hiervoor te vergroten. Daarnaast beveelt de IBO-werkgroep aan dat
de overheid zorg draagt voor een laagdrempelig intermediair voor de
vaststelling en inning van kinderalimentatie indien ouders onderling niet tot
afspraken ter zake komen.
Door op deze wijze het
nieuwe kinderalimentatiestelsel in te vullen, wordt voorkomen dat de verzorgende ouder die een beroep doet op
bijstand onder
druk komt te staan van de
ex-partner. De bepaling in artikel 56 [56], eerste lid, dat het college van
burgemeester en wethouders aan de bijstandsgerechtigde de verplichting kan opleggen
een vordering tot kinderalimentatie in stellen, is dan ook niet meer dan een
"stok achter de deur" om ervoor te zorgen dat de bijstandsgerechtigde het
recht op kinderalimentatie effectueert. Bovendien wordt, zoals blijkt uit
artikel 18 [18] van dit wetsvoorstel, bij het niet nakomen van deze verplichting
afgezien van een verlaging van de uitkering indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
In paragraaf 7.2 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting is nader verduidelijkt dat
onder de nieuwe systematiek het verhaal op ex-partners wordt
afgeschaft en dat de in te stellen vordering dus alleen betrekking heeft op
kinderalimentatie.
19. Overige
inkomensvoorzieningen
In hoofdstuk 9 van het
algemeen deel van de toelichting wordt ingegaan op met de bijstand vergelijkbare regelingen, zoals de bijstandverlening
zelfstandigen [Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, red,].
Daarbij ontbreekt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). De Raad
adviseert om, uit
een oogpunt van volledigheid, in dit hoofdstuk ook in te gaan op de
Wik-uitkering.
19. Het kabinet neemt het
advies van de Raad over om in de memorie van toelichting ook in te
gaan op de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Zie hiervoor
hoofdstuk 10 van
het algemeen deel van de toelichting.
20. Verplichtingen
bijstandsgerechtigden
a. Bijstandsgerechtigden
zijn ingevolge artikel 9 [9], eerste lid, onderdeel a, verplicht naar vermogen
algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Het begrip "passende
arbeid" vervalt. Dit past in de benadering dat reïntegratie voorop moet staan.
Artikel 9 [9], eerste lid, onderdeel b, verplicht bijstandsgerechtigden ertoe om gebruik te maken
van door burgemeester en wethouders aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale
activering, gericht op
arbeidsinschakeling. De definitie van "sociale activering" is
opgenomen in artikel 6 [6], onderdeel
c: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle
activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog
niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie. Uit de toelichting lijkt te kunnen worden afgeleid dat het bij dat laatste gaat om de
verplichting tot meewerken aan programma’s die moeten leiden tot betaald werk
(zoals cursussen). De formulering in
het wetsvoorstel lijkt echter niet uit te
sluiten dat het daarbij ook kan gaan om het opdragen van maatschappelijk nuttig
geachte activiteiten waarvoor geen of onvoldoende publieke financiering
bestaat (bijvoorbeeld: het schoonmaken of schoonhouden van publieke ruimten,
zoals het strand).
De Raad adviseert de
reikwijdte en strekking van artikel 9 [9]
op dit punt te verduidelijken in de
toelichting.
b. In de toelichting bij
de artikelen 9 en 10 staat dat bij samenloop met een inburgeringstraject
afronding van het inburgeringsprogramma verplicht is, ook als de betrokkene
intussen betaald werk heeft gevonden.
De Raad adviseert te
vermelden op welke bepaling deze verplichting kan worden gebaseerd.
20.a. Bij de door de
gemeente
aan te bieden voorzieningen dient er een duidelijke relatie te
zijn tussen de ingezette voorziening en het vergroten van de kansen van betrokkene
op de arbeidsmarkt. Dat geldt ook voor voorzieningen onder de noemer sociale
activering.
rblz.|17|
Het laten
verrichten van
maatschappelijk nuttige activiteiten waarvoor geen of onvoldoende publieke
financiering bestaat, kan niet het uitgangspunt zijn bij het samenstellen van het
aanbod aan voorzieningen.
Naar aanleiding van het
advies van de Raad is de reikwijdte en de strekking van
artikel 9 [9]
verduidelijkt.
b. De verplichting om een
inburgeringsprogramma af te ronden, is gebaseerd op de Wet
inburgering nieuwkomers, met name de artikelen 9
[9] en
12 [12]. Deze
bepalingen gelden
vooralsnog alleen voor nieuwkomers. In het Strategisch Akkoord van het
demissionaire kabinet is aangegeven dat deze verplichting zal worden uitgebreid voor
zogenoemde oudkomers. In zijn Circulaire van 4 juni 2002 (ABG/DB/02/35 283a)
heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, mede namens de Minister
voor Grotesteden- en Integratiebeleid, gemeenten nader
geïnformeerd over de relatie tussen het inburgerings- en reïntegratiebeleid. Dit
naar aanleiding van signalen van gemeenten over onhelderheid in de
prioriteitstelling ten aanzien van inburgering en reïntegratie. In de circulaire is het
uitgangspunt dat nieuwkomers en oudkomers een inburgeringsprogramma
afronden. Dit moet tot uitdrukking komen in de afspraken die de gemeente
met hen maakt, waarbij vooralsnog slechts sprake is van een verplichting
voor nieuwkomers.
21. Terugvordering
Artikel 60 [60]
regelt de
terugvordering van de kosten van bijstand. Aangenomen moet worden dat tegen een
desbetreffend besluit de voorzieningen van de Awb openstaan.
Tegelijkertijd levert een terugvorderingsbesluit een executoriale titel op in de zin van
Boek 2 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit betekent dat
het gemeentebestuur, als executant, op grond van artikel 435 Rv "tegelijkertijd"
beslag kan leggen. Wil de bijstandsgerechtigde zich verzetten tegen een
beslag, dan zal hij een executiegeschil moeten aanspannen zoals
genoemd in artikel 438 Rv. Daarmee staat de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming tegen een terugvorderingsbesluit naast de privaatrechtelijke
in
het kader van het executiegeschil (een overeenkomstige situatie doet zich voor
bij het opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder dwangsom).
Gemeentebesturen die willen overgaan tot executie zijn niet verplicht de
uitkomst van de eventuele publiekrechtelijke procedure (bijvoorbeeld een
uitspraak in het kader van een voorlopige voorziening) af te wachten. Indien zij die
uitkomst niet zouden afwachten, betekent dit echter dat de rechtbank in het kader
van een privaatrechtelijk executiegeschil voor de vraag kan worden gesteld
of het terugvorderingsbesluit rechtmatig is.
De Raad adviseert in
de toelichting op het voorgaande in te gaan en
het voorstel zo nodig aan te
passen.
21. Terugvordering op
basis van artikel 60 [60]
is grotendeels identiek aan het
terugvorderingregime
onder de Abw. Het enige verschil is dat voor
gemeenten in
het wetsvoorstel Wwb geen verplichting meer geldt tot terugvordering, maar dat hiervoor een
bevoegdheid in de plaats is gekomen. Aanpassing van artikel 60
[60] wordt derhalve
niet noodzakelijk geacht. In de toelichting op dit artikel wordt thans wel
ingegaan op de gevolgen van het feit dat tegen een terugvorderingsbesluit
een bestuursrechtelijke en een civielrechtelijke rechtsgang openstaan.
22. Toezicht; informatie
a. Artikel 76
[76], eerste
lid, onderdeel b, bepaalt dat de minister toezicht houdt op de doeltreffendheid van
de wet. Blijkens de toelichting ² gaat het hier om toezicht op de doeltreffendheid op
het niveau van het systeem van de wet (bijvoorbeeld of een evenwichtige
benadering wordt gevolgd voor de verschillende doelgroepen) en niet van
de uitvoering door de individuele gemeenten. In feite lijkt het daarmee
te gaan om het (laten) verrichten van onderzoek en het interpreteren van
informatie die anderszins (zoals in de vorm van de gegevens die worden verkregen
ingevolge de artikelen 77 [77]
en 78 [78]) over de uitvoering van de wet beschikbaar komt,
om aldus inzicht te verkrijgen in de effectiviteit van de wet. Zo bezien,
lijkt
een specifieke bevoegdheidsgrondslag voor deze activiteit niet direct
nodig. De formulering "Toezicht op de doeltreffendheid" brengt de bewuste
activiteit bovendien minder gelukkig onder woorden.
De Raad adviseert
het voorstel in het licht van het voorgaande nader te bezien.
1. Algemeen deel,
hoofdstuk 7.
rblz.|18|
b. Artikel 77 [77], eerste
lid, draagt burgemeester en wethouders op jaarlijks een verslag in te dienen over
de uitvoering van de wet. Ingevolge het derde lid van
artikel 77 [77]
kunnen bij
ministeriële regeling regels worden gesteld inzake, onder meer, dit verslag.
De Raad meent dat de
hoofdzaken van de verslagplicht in de wet zelf behoren te worden
geregeld en
dat, als substantiële uitwerking nog nodig is, deze kan gebeuren bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur.
Het college adviseert
het wetsvoorstel dienovereenkomstig aan te passen.
22.a. Het toezicht op de
doeltreffendheid van deze wet staat niet synoniem voor beleidsevaluatie.
Het toezicht op de doeltreffendheid van deze wet heeft betrekking op de vraag in
welke mate de uitvoering door de gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan
de doelen van de wet. Deze vorm van toezicht, die in lijn is met de
"Kaderstellende visie op toezicht" (Kamerstukken II 2000-2001, 27 831, nr. 1), vereist
een specifieke bevoegdheidsgrondslag. De uitkomsten van dit toezicht kunnen
uiteraard wel een rol spelen bij de evaluatie als bedoeld in artikel 84
[84] van
het wetsvoorstel. Voor alle duidelijkheid wordt nog eens benadrukt dat het
doeltreffendheidstoezicht zich niet richt op de prestaties van
individuele gemeenten en dat de toezichthouder de gemeente in dit kader ook niet kan
aanspreken op haar prestaties. Dit laat onverlet dat het landelijk beeld van de
doeltreffendheid van de wetsuitvoering wel wordt opgebouwd uit informatie
op gemeentelijk niveau. Naar aanleiding van het advies van de Raad
is de
betekenis van het toezicht op de doeltreffendheid van deze wet in hoofdstuk 8
van het algemeen deel van de memorie van toelichting
verduidelijkt.
b. In de nadere
regelgeving op basis van artikel 77 [77], derde lid, worden de modellen vastgesteld
waarmee het college van burgemeester en wethouders de minister informeert
over de uitvoering van de wet. Het gaat daarbij om de volgende modellen:
• model verslag over de
uitvoering, plus handreiking;
• bijlagen bij het
verslag over de uitvoering:
• model
accountantsverklaring, plus controle- en rapportageprotocol;
• model rapportage
oordeel gemeenteraad;
• model opgave kosten;
• model voorlopig
verslag over de uitvoering, plus handreiking.
Daarnaast worden in de
nadere regelgeving de data van indiening van het verslag en het voorlopig
verslag geregeld.
Omdat de modellen niet
alleen zijn gebaseerd op de wet, maar ook op nadere regelgeving, én omdat
de
modellen jaarlijks worden aangepast aan de actualiteit, ligt het
niet voor de hand om de inhoud van de modellen bij wet of algemene maatregel van
bestuur vast te leggen. Dit komt de inzichtelijkheid van de modellen of de
flexibiliteit waarmee aanpassingen kunnen worden doorgevoerd niet ten
goede. Dit laatste geldt nog sterker nu de informatie die met het (voorlopig)
verslag wordt verzameld niet alleen wordt gebruikt in het kader van de
verantwoording, maar ook voor de beleidsontwikkeling en -evaluatie, ramingen en
het toezicht op de doeltreffendheid van de wet. Het kabinet laat
het wetsvoorstel op dit punt daarom ongewijzigd.
Uiteraard blijft de
inhoud van de modellen binnen de kaders van de wet en de nadere regelgeving. De
jaarlijkse wijzigingen zullen tot een minimum beperkt dienen te blijven.
Wijzigingen in de modellen worden overigens altijd vooraf afgestemd met een
vertegenwoordiging van gemeenten.
23. Intrekking
Algemene bijstandswet; Invoeringswet
a. De Wwb zal onder meer
de Abw vervangen. Het feit dat de Abw zal worden ingetrokken, wordt echter
niet duidelijk in de toelichting
behandeld, en evenmin het voornemen om
de Wwb in te voeren bij Invoeringswet.
De Raad adviseert de
toelichting dienaangaande aan te vullen.
b. In de toelichting bij
de artikelen 9 en 10 staat dat bij samenloop met een inburgeringstraject
afronding van het inburgeringsprogramma verplicht is, ook als de betrokkene
intussen betaald werk heeft gevonden.
De Raad adviseert te
vermelden op welke bepaling deze verplichting kan worden gebaseerd.
rblz.|19|
23.a. De inleiding van
hoofdstuk 1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt aangevuld met een passage over
het wetsvoorstel
Invoeringswet Wet werk en bijstand, waarin onder andere de intrekking van de Abw
wordt geregeld.
b. Op dit punt is reeds
ingegaan bij punt 20b.
24. Voorbehoud
De Raad onderkent de
mogelijkheid dat
het wetsvoorstel door latere voorstellen nog
wijzigingen ondergaat. Voor zover dat het geval mocht zijn, behoudt de Raad zich het
recht voor op de desbetreffende onderdelen, en zijn advisering daarover,
terug te komen indien de bedoelde latere voorstellen daartoe aanleiding
geven.
24. Het kabinet neemt
kennis van dit voorbehoud van de Raad.
25. Voor redactionele
kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende
bijlage.
25. Alle redactionele
kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om
het wetsvoorstel en de memorie van
toelichting, naast
enkele wijzigingen van ondergeschikt belang, nog op de volgende punten te
wijzigen en aan te vullen:
- Verdeling van het
macrobudget inkomensdeel in een gedeelte voor personen jonger dan 65
jaar en een gedeelte voor personen van 65 jaar of ouder (artikel
69 [69], derde
lid, onderdeel a; paragraaf 5.1.1 van de algemene
toelichting). Deze
onderverdeling is wenselijk omdat de activerende werking van de wet alleen
betrekking kan hebben op personen jonger dan 65 jaar;
- Het opnemen van de
mogelijkheid van een ministeriële regeling te treffen voor de beperking van de
verplichte uitbesteding van reïntegratie (artikel
7 [7], vierde lid; paragraaf 3.2.5 van de
algemene toelichting). Deze mogelijkheid is wenselijk voor een
optimale afstemming tussen de ontwikkeling van een goed werkende
reïntegratiemarkt en de beleidsruimte voor gemeenten;
- Beperking tot
kinderalimentatie van de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot
toekenning van een uitkering voor levensonderhoud (artikel
56 [56], eerste lid; paragraaf 7.2 van de algemene
toelichting). Deze wijziging sluit aan bij de
voorstellen uit het IBO-rapport alimentatiebeleid over de onderhoudsplicht tussen
ex-partners voor kinderen;
- Nadere
verduidelijking van de wijze van vaststelling van het vermogen (artikel
34 [34], vierde lid,
en de toelichting op dit artikel).
De
Raad van State geeft U
in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn
gehouden.
De Vice-President van de
Raad van State,
H.D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken het
hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde
memorie van
toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
rblz.|20|
BIJLAGE
bij het advies
van de Raad van State van 22 april 2003, nr. W12.02.0561/IV, met
redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Memorie van toelichting
- In het algemeen deel,
paragraaf 3.2.5, "SUWI-besluit" vervangen door: Besluit
SUWI.
- In het algemeen deel,
paragraaf 3.2.5, de vindplaats vermelden van het wetsvoorstel Markt en overheid.
- In de toelichting op
artikel 11 "Vreemdelingenbesluit" steeds vervangen door: Vreemdelingenbesluit
2000.
Overal "burgemeester en wethouders" vervangen door
"het college", en daarvoor een
definitiebepaling opnemen, nu "Het college" de standaardaanduiding is geworden na
inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Gemeentewet
en enige
andere wetten tot dualisering van de inrichting, de bevoegdheden en de
werkwijze van het gemeentebestuur (Wet
dualisering gemeentebestuur).
Verantwoordelijkheid
volgt uit de taken en bevoegdheden die de wet kan toebedelen, derhalve in
artikel 76 [76], aanhef, "is verantwoordelijk voor het toezicht" vervangen
door: houdt toezicht op.
|