|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemeen |
| 3 |
Arbeidsinschakeling en
reïntegratie |
| 3.1 |
Rechten en plichten |
| 3.2 |
Reïntegratie |
| 3.3 |
Ontwikkelingen in
het bestand van bijstandsgerechtigden |
| 4 |
Inkomenswaarborg en
armoedeval |
| 4.1 |
Uitkeringsnormen:
systematiek en hoogte |
| 4.2 |
Middelentoets |
| 4.3 |
Langdurigheidstoeslag |
| 4.4 |
Bijzondere bijstand
en afschaffen categoriaal beleid |
| 4.5 |
Budgetbeheer en
bijstand in natura |
| 4.6 |
Armoedeval |
| 5 |
Financiering |
| 5.1 |
Financieringssystematiek inkomensdeel |
| 5.2 |
Financieringssystematiek werkdeel |
| 6 |
Uitvoering en
samenwerking |
| 6.1 |
Overleg met
gemeenten |
| 6.2 |
Gevolgen voor
gemeenten |
| 6.3 |
Samenwerking in de
SUWI-keten |
| 7 |
Vereenvoudiging |
| 7.1 |
Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting |
| 7.2 |
Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand |
| 7.3 |
Omzetting van het
boetesysteem in een verlaging van de uitkering |
| 7.4 |
Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften |
| 7.5 |
Beleidsinnovatie |
| 8 |
Rijkstoezicht |
| 9 |
Informatiebeleid |
| 10 |
Overige
inkomensvoorzieningen |
| 11 |
Financiële gevolgen |
| 12 |
Rechtsbescherming |
| xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Algemeen |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 8 |
| Hoofdstuk
2. Rechten en plichten |
| x |
Artikelen
9 t/m 18 |
| Hoofdstuk
3. Algemene bijstand |
| x |
Artikelen
19 t/m 34 |
| Hoofdstuk
4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing
bedragen |
| x |
Artikelen
35 t/m 39 |
| Hoofdstuk
5. Uitvoering |
| x |
Artikelen
40 t/m 47 |
| Hoofdstuk
6. Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten |
| x |
Artikelen
48 t/m 68 |
| Hoofdstuk
7. Financiering, toezicht en informatie |
| x |
Artikelen
69 t/m 78 |
| Hoofdstuk
8. Slotbepalingen |
| x |
Artikelen
79 t/m 83 |
| xBijlage
1 |
Algemeen
1. Inleiding
[V;
NnavhV]
Iedere Nederlander hier
te lande wordt geacht zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien door
middel van arbeid.
Als dit niet mogelijk is en er geen andere voorzieningen beschikbaar zijn, heeft de
overheid
de taak hem te helpen met het zoeken naar werk en, zo lang met werk nog geen zelfstandig
bestaan mogelijk is, met inkomensondersteuning. Deze verantwoordelijkheid
vormt het sluitstuk van een activerend stelsel van sociale zekerheid. Werk boven inkomen dus.
Tot dusverre is deze
overheidstaak neergelegd in verschillende wettelijke regelingen, te
weten de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden
en het Besluit in- en doorstroombanen.
Met dit voorstel van Wet
werk en bijstand (Wwb) worden de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw), de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz (WFA) en het Besluit in-
en doorstroombanen (ID-besluit) ingetrokken. Zowel de intrekking van de
Abw, Wiw, de WFA
en het ID-besluit als de invoering van de Wwb worden in het wetsvoorstel
Invoeringswet Wwb geregeld.
rblz.|2|
Voor het realiseren van
werk boven inkomen is het nodig dat het stelsel van regelingen maximaal effectief werkt.
Dit wetsvoorstel - dat in de plaats komt van eerder genoemde regelingen - creëert
daarvoor de mogelijkheden. Daarbij is kritisch gekeken welke regels kunnen vervallen.
Deze wet kent de volgende
uitgangspunten. In de eerste plaats dient de eigen verantwoordelijkheid van
de burger centraal te staan om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het
eigen bestaan te voorzien. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn
in het eigen bestaan te
voorzien, hebben zij een aanspraak op de overheid hen daarbij te ondersteunen. Dit
wetsvoorstel legt die ondersteunende verantwoordelijkheid bij de gemeente.
In de tweede plaats dient
de gemeente zo goed mogelijk te zijn toegerust om de burger te helpen op weg naar werk
en hem indien nodig daarbij een inkomenswaarborg te bieden. In de derde plaats dient de
regelgeving zo te zijn ingericht dat de gemeenten een zo groot mogelijke
beleidsruimte en
beleidsverantwoordelijkheid hebben om het doel van de wet te realiseren.
De regelgeving
dient dus
de verantwoordelijkheden en mogelijkheden van burgers en gemeenten zo goed
mogelijk te activeren.
Deze aanpak wordt op een
aantal manieren uitgewerkt. In de eerste plaats wordt gekozen voor een duidelijk stelsel van
rechten en plichten van de betrokken burger die meer dan tot dusverre op elkaar
worden
afgestemd. In de tweede plaats krijgen gemeenten
de volledige verantwoordelijkheid,
de ruimte en de middelen voor het voeren van een actief reïntegratiebeleid.
Ruimte en middelen ontstaan door het creëren van één
ongedifferentieerd en vrij besteedbaar
reïntegratiebudget waarmee gemeenten optimaal maatwerk kunnen leveren. Gemeenten kunnen
dan alle denkbare instrumenten inzetten om ervoor te zorgen dat een uitkeringsgerechtigde
uitstroomt naar de arbeidsmarkt of dat de afstand tot de arbeidsmarkt vermindert.
De verantwoordelijkheid
van gemeenten wordt geactiveerd doordat zij de mogelijkheid krijgen daarvoor zelf
beleid te ontwikkelen. Gemeenten worden ook financieel volledig verantwoordelijk voor
de
uitvoering van deze wet. Dat betekent dat zij de positieve financiële gevolgen ervaren wanneer
mensen zo snel mogelijk aan de slag komen. Actief beleid wordt zo beloond. Ook daarvan
gaat een krachtige stimulans uit om mensen, waar mogelijk, zo snel mogelijk toe te leiden
naar de arbeidsmarkt.
In de derde plaats wordt
deze aanpak ondersteund door vermindering en vereenvoudiging van de regelgeving. Daarmee
wordt het oplossend vermogen op het lokale niveau versterkt. Vermindering en
vereenvoudiging van regels en terugdringing van rapportageverplichtingen
van gemeenten zorgen ook voor een aanzienlijke vermindering van de bureaucratie en
daarmee voor een
geringere belasting van gemeenten. Hierdoor kunnen gemeenten meer aandacht besteden aan
reïntegratie en zal er minder vaak sprake zijn van onrechtmatige uitvoering van de wet. In
combinatie met de stimulans van de volledige financiële verantwoordelijkheid zal
dit leiden tot versterking van het functioneren van gemeenten bij de uitvoering van bijstand
en reïntegratie.
2. Algemeen
[V;
NnavhV]
In dit hoofdstuk wordt
het nieuwe stelsel op hoofdlijnen beschreven. In de specifieke
hoofdstukken zullen deze
thema's verder worden uitgewerkt.
Rechten en plichten van
burgers en gemeenten
Voor het activeren van
verantwoordelijkheden van burgers en gemeenten is het noodzakelijk dat rechten en plichten
van beiden duidelijk zijn. Er is een algemeen geldende verplichting tot
reïntegratie, waarvan
alleen in individuele gevallen kan worden afgeweken.
rblz.|3|
De hoogte van de
uitkering wordt gekoppeld aan het betoonde verantwoordelijkheidsbesef en
aan het nakomen van
verplichtingen. De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van cliënten die
niet op
eigen kracht aan de slag komen. Daarbij wordt een voorziening aangeboden gericht op
arbeidsinschakeling indien dit naar het oordeel van de gemeente nodig is.
Het beleid ter zake wordt
vastgelegd in een verordening. De gemeente dient er daarbij voor te zorgen
dat verschillende
groepen op een evenwichtige manier aan bod komen. Aanvullend op deze reïntegratieopdracht van de gemeente heeft de cliënt een aanspraak op
ondersteuning daarbij door de gemeente.
Omslag in de
gemeentelijke uitvoering naar een op uitstroom en reïntegratie gerichte
werkwijze
De regelgeving dient
maximale mogelijkheden en stimulansen te bieden voor reïntegratie en participatie, ook voor
mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Zowel het zittend bestand als
de nieuwe
instroom moet zo snel mogelijk op het goede spoor worden gezet. Daarvoor is het wenselijk
dat gemeenten alle denkbare instrumenten kunnen inzetten. De gemeenten worden daarin
ondersteund door één vrij besteedbaar reïntegratiebudget en door vereenvoudiging en
bundeling van regelgeving.
Inkomenswaarborg
Het grote belang van een
op uitstroom en reïntegratie gerichte aanpak laat onverlet dat de inkomenswaarborg een
kernfunctie blijft van de nieuwe wet.
In dit wetsvoorstel is
ervoor gekozen de huidige systematiek van centrale normen en gemeentelijke toeslagen
ongewijzigd te laten. Dit is in de huidige systematiek immers geen knelpunt.
Verlening van bijzondere
bijstand vindt alleen plaats op basis van maatwerk. Daarmee wordt helder dat
inkomenspolitiek is voorbehouden aan het Rijk. Wel is in dit
wetsvoorstel een extra toeslag geregeld voor
personen die gedurende lange tijd over niet meer beschikken dan een minimuminkomen en die
geen perspectief hebben op inschakeling in het arbeidsproces.
Financiering
Meer beleidsmatige
verantwoordelijkheden voor gemeenten kunnen niet los worden gezien van de
wijze van
financiering. Daarom worden gemeenten volledig financieel verantwoordelijk voor de
uitvoering van deze wet. Het Rijk verschaft hun daartoe een vast budget dat bestaat uit
een inkomensdeel en een werkdeel. Het budget voor het inkomensdeel beweegt mee met de
conjunctuur. Er is daarnaast een hardheidsclausule die aan een gemeente
onder strenge voorwaarden
de mogelijkheid biedt van een aanvulling op het toegekende budget.
Middelen die de gemeente
overhoudt op het werkdeel vloeien terug naar het Rijk. Een overschot in het
inkomensdeel is vrij besteedbaar. Deze systematiek is nodig om de gemeenten een maximale
stimulans te geven de in het werkdeel ter beschikking gestelde middelen volledig te
benutten, in combinatie met de stimulans om ook middelen uit het inkomensdeel zo nodig
voor reïntegratie te kunnen inzetten. De werking van deze systematiek zal te zijner tijd worden
geëvalueerd.
Deregulering en
vereenvoudiging
Vereenvoudiging van de
regelgeving is een belangrijk instrument om de uitvoering te ondersteunen bij
het
realiseren van een op uitstroom en reïntegratie gerichte werkwijze.
Deze vereenvoudiging wordt langs een aantal sporen bereikt. Oogmerk is steeds dat de
gemeente meer mogelijkheden krijgt
eigen keuzes te maken. Het gaat hierbij om omzetten van rblz.|4|
verplichtingen in
bevoegdheden, vervanging van de boetes door een verlaging van de uitkering, het afschaffen
van uitvoeringsvoorschriften, het beperken van nadere regelgeving en vermindering van
rapportageverplichtingen aan het Rijk.
Gewenste resultaten in
beleid en gemeentelijke uitvoering
Het wetsvoorstel moet
leiden tot een aantal resultaten.
In de eerste plaats dient
de instroom in de uitkering zoveel mogelijk te worden beperkt (actieve poortwachter).
Voor degenen die een beroep moeten doen op de inkomenswaarborg dient het verblijf in
de
uitkering zo kort mogelijk te zijn door een activeringsbeleid gericht op
uitstroom en door inzet
van reïntegratie-instrumenten.
In de tweede plaats dient
het reïntegratiebeleid evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke
kenmerken
daarin worden betrokken. In de derde plaats dienen
beleid en uitvoering transparant te zijn. Voor de betrokkene dient duidelijk te zijn aan
welke verplichtingen hij moet voldoen. Deze aanpak wordt ondersteund door goede handhaving en
fraudebestrijding, zowel preventief als repressief.
Verantwoording, toezicht
en informatievoorziening
Het
college van burgemeester en wethouders verantwoordt zich tegenover de gemeenteraad over de
uitvoering van de
wet in volle omvang. De gemeenteraad kan een sterke beleidsmatige invloed
uitoefenen, onder meer door de lokale verordeningen die zij vaststelt.
Tegenover de minister
verantwoordt het college van burgemeester en wethouders zich over de naleving van de
wettelijke voorschriften en de besteding van het geoormerkte reïntegratiebudget. De
minister kan daarnaast informatie over het lokale beleid verzamelen ten behoeve van de
beleidsvorming.
Het toezicht dat onder
gezag van de minister wordt uitgeoefend, richt zich op de rechtmatigheid van de
uitvoering en op de doeltreffendheid van deze wet.
Via het integrale
uitvoeringsverslag verstrekt de gemeente informatie die de minister voor
verschillende doeleinden
(vaststelling en verdeling macrobudget, beleidsvoering, toezicht) nodig heeft.
SUWI
De inrichting van de
uitvoering van de sociale zekerheid, zoals deze is neergelegd in de Wet structuur
uitvoering werk
en inkomen (Wet SUWI), blijft ook in deze wet van kracht. De grotere verantwoordelijkheden
die
de gemeenten met dit wetsvoorstel krijgen, versterkt de noodzaak van de in dit
wetsvoorstel opgenomen verplichting tot intensieve samenwerking in de
keten van werk en inkomen, in
het bijzonder tussen de gemeenten en de CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.]. Daarbij spelen de overeenkomsten die
gemeenten sluiten met hun CWI, de zogenaamde Service Niveau Overeenkomsten of
SNO's,
een belangrijke rol.
3. Arbeidsinschakeling en
reïntegratie [V;
NnavhV]
Centraal in het
wetsvoorstel staat - voor personen jonger dan 65 jaar - het uitgangspunt
werk boven inkomen. De
introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid
beoogt
dit uitgangspunt sterker te benadrukken. In de toelichting op artikel 6 wordt nader op dit
onderscheid ingegaan.
Alle inspanningen van
betrokkene en gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder
arbeidsinschakeling
wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat
daarbij
gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt
aangeboden. Met deze laatste beperking wordt aangegeven dat gesubsidieerde arbeid,
als voorziening in het kader van deze wet, weliswaar rblz.|5|
algemeen geaccepteerde arbeid is,
maar geen einddoel kan zijn. De werknemer op een gesubsidieerde arbeidsplaats mag daarom
van de gemeente verwachten dat zij zo nodig ondersteuning geeft gericht op doorstroom
naar ongesubsidieerd werk.
Reïntegratie is het
geheel van activiteiten dat leidt tot arbeidsinschakeling. De wet stelt
het college van burgemeester
en wethouders daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht de cliënt bij zijn
arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij wordt een voorziening
aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is.
Het primaat van
arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft
een voorziening aan te bieden
in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot.
Deze
verantwoordelijkheden van cliënt en gemeente voor arbeidsinschakeling
en reïntegratie vraagt om een heldere
formulering van rechten en plichten van belanghebbende. Hij moet gebruik kunnen
maken van
voorzieningen gericht op inschakeling in het arbeidsproces als dat naar het oordeel van de
gemeente nodig is. Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van
verplichtingen speelt het toepassen van maatwerk door gemeenten een
hoofdrol. Het wetsvoorstel beoogt
verder een grotere snelheid van het reïntegratieproces te bewerkstelligen door de
gemeenten een grotere beleidsruimte te geven bij de invulling van de individuele rechten en
plichten en bij het aanbieden van voorzieningen.
Door de toepassing van
maatwerk ontstaan er verschillen tussen gemeenten in de uitvoering van deze
wet, die
voortvloeien uit de aard en de bedoeling ervan. Door een grotere beleidsruimte en de
daaraan verbonden grotere financiële verantwoordelijkheid zullen gemeenten immers in veel
sterkere mate dan tot nu toe een eigen gemeentelijk beleid moeten gaan ontwikkelen.
3.1. Rechten en plichten
[V;
NnavhV]
3.1.1. Afstemming van de
uitkering op het nakomen van verplichtingen [V;
NnavhV]
Rechten en plichten zijn
twee kanten van één medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden
aan de plicht
zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de
vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar
ook van de mate waarin de
opgelegde verplichtingen worden nagekomen.
Tot nu toe is deze
koppeling vormgegeven door de mogelijkheid van een maatregel. Deze bestaat uit
een korting
op de uitkering met een vaststaande termijn en een percentage dat is gekoppeld aan
standaardcategorieën van gedragingen die wijzen op een tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid.
Deze standaardisering doet echter geen recht aan de individuele situatie en aan
de
persoonlijke omstandigheden. Daardoor hebben gemeenten
onvoldoende mogelijkheden tot
maatwerk.
In het thans voorgestelde
systeem geeft de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan wat de
opgelegde
verplichtingen zijn en wat de directe gevolgen zijn voor de uitkering
indien betrokkene één of meer
van deze verplichtingen niet nakomt. Deze gevolgen worden door de gemeente zelf bepaald.
Omdat de gemeente zowel de hoogte en vorm van de uitkering alsook de individuele rechten en
plichten vastlegt in de beschikking, kan zij direct ingrijpen als de betrokkene zich niet
houdt aan de vastgestelde verplichtingen.
3.1.2. De verplichtingen
tot werk [V;
NnavhV]
Het wetsvoorstel legt in
beginsel aan iedereen de verplichting op om naar rblz.|6|
vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen en te aanvaarden. Door geen beperkende voorwaarden te stellen
aan aard en de
omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, wordt bereikt dat
een
eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Uiteraard dient er wel
gekeken te worden naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband
met gezondheid en belastbaarheid. Wanneer betaalde arbeid nog niet aan de orde is,
dient betrokkene gebruik te maken van door de gemeente
aangeboden voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling (reïntegratieverplichting). Er worden geen nadere voorwaarden
gesteld aan de invulling door de gemeente van de
reïntegratieverplichting, zodat optimaal maatwerk
mogelijk is.
In zijn algemeenheid
geldt dat door arbeidsinschakeling niet alleen de personen zelf, maar ook hun
eventuele
kinderen uiteindelijk profiteren van een betere sociaal-economische ontwikkeling. Daarmee
kan
een cultuur van armoede worden doorbroken, die soms van generatie op generatie
wordt doorgegeven.
Maatwerk bij het opleggen
van verplichtingen is vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo
wordt de
integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een reïntegratietraject,
maar
ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen
van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse
samenleving. Maatwerk is eveneens van
belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen
dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het
arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten
er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een
combinatie mogelijk maakt van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben
betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden
gesteld, zoals reistijd en werktijden.
Door een zorgvuldige, op
de persoon toegesneden, afweging wordt willekeur voorkomen. Op deze wijze worden
waarborgen geschapen voor een verantwoorde combinatie van reïntegratie en betaalde
arbeid met de
opvoeding van kinderen. Categoriale ontheffing van alleenstaande ouders is met deze
aanpak
niet meer aan de orde.
3.1.3. Ontheffingen
[V;
NnavhV]
Voor personen van 65 jaar
of ouder geldt geen verplichting tot arbeidsinschakeling. Bij personen jonger
dan 65
jaar acht het kabinet het niet wenselijk dat er groepen worden uitgesloten van
reïntegratieactiviteiten. Iedereen heeft immers mogelijkheden en
talenten die benut kunnen worden om te
werken dan wel stappen op weg naar werk te zetten. De arbeids- en
reïntegratieverplichtingen uit de wet gelden dan ook voor iedereen
jonger dan 65 jaar. Door
geen categoriale
ontheffingen meer toe te staan, wordt bereikt dat een ieder zich naar
zijn mogelijkheden inzet voor
werk en daarbij op de juiste manier door de gemeente
wordt ondersteund. Wel kunnen burgemeester en wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van
opleggen van reïntegratieverplichtingen, voor zover en voor zolang reïntegratie niet in
redelijkheid mogelijk is.
Het gegeven dat voor
personen van 65 jaar of ouder geen verplichting geldt tot arbeidsinschakeling en
dat voor hen de uitkeringsafhankelijkheid niet door gemeentelijk beleid is te
beïnvloeden, heeft ertoe geleid dat hiermee rekening is gehouden in de financieringssystematiek
van de uitkeringen. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf
5.1.1 van deze memorie.
rblz.|7|
3.2. Reïntegratie
[V;
NnavhV]
3.2.1. Gemeentelijke
verantwoordelijkheid [V;
NnavhV]
De gemeente
draagt een
algemene zorg voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden
en personen met een Anw-uitkering. Het is aan de gemeente om te beoordelen, mede met
behulp van het advies van de CWI, of betrokkene op eigen kracht in staat is
algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden of dat de betrokkene ondersteuning nodig heeft richting
arbeidsinschakeling. In dat laatste geval is de gemeente vervolgens verantwoordelijk voor het
leveren van deze ondersteuning in de vorm van voorzieningen. Deze kunnen bestaan uit
onder meer scholing, loonkostensubsidie, gesubsidieerde arbeid, sociale activering,
premies, kinderopvang en stages. Aan de vormgeving en de mate waarin deze voorzieningen worden
ingezet, stelt het wetsvoorstel geen eisen. Hierdoor kan de gemeente de ondersteuning
optimaal afstemmen op andere gemeentelijke beleidsterreinen zoals zorg en onderwijs,
en op de lokale arbeidsmarkt.
Ook krijgt de gemeente
ruimere mogelijkheden om personen met medische belemmeringen en/of meervoudige
problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en
welzijnsinstellingen. Gemeenten hebben immers een bijzondere verantwoordelijkheid voor
mensen met een meervoudige problematiek.
Voor deze personen
waarbij naast bijvoorbeeld een laag opleidingsniveau en weinig werkervaring ook
een verslavings-, dak- en thuisloosheids- en/of sociaal-psychische problematiek speelt, is
reguliere arbeid in veel gevallen niet op korte of langere termijn te realiseren. De gemeente
kan aan deze groep voorzieningen, waaronder sociale activering, aanbieden die vooralsnog
zelfstandige participatie als tussendoel hebben. De gemeente zal periodiek in overleg met
betrokkene moeten bekijken wat voor vervolg er mogelijk is om de afstand tot de
arbeidsmarkt verder te verkleinen. Inschakeling in reguliere, niet-gesubsidieerde
arbeid blijft daarbij het
einddoel. Dit vergt een integrale, programmatische (op elkaar aansluitende
onderdelen) en ontwikkelingsgerichte aanpak waarbij voorzieningen tegelijkertijd
of
volgtijdelijk worden ingezet.
In het wetsvoorstel wordt
geregeld dat de gemeente in een verordening haar reïntegratiebeleid concretiseert en hierbij
een evenwichtige aanpak laat zien van de groepen belanghebbenden waar zij
voor
verantwoordelijk is. Dit betreft dan zowel evenwicht in de aanpak van uitkeringsgerechtigden,
de niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de
Anw als
evenwicht in de aanpak van doelgroepen zoals ouderen, vrouwen en etnische minderheden,
binnen deze categorieën.
3.2.2. Aanspraak van
belanghebbende op ondersteuning bij reïntegratie [V;
NnavhV]
Naast de
verantwoordelijkheid van gemeenten om voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan
te bieden, is in het wetsvoorstel een aanspraak van de betrokkene opgenomen op
ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie. Het gaat daarbij niet
om een recht op een specifieke
voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de
reïntegratie. Een dergelijke aanspraak stimuleert de eigen
verantwoordelijkheid van de betrokkene voor
zijn reïntegratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten niet ten onrechte personen negeren
of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen.
Het is aan de gemeente om
te beoordelen op welke wijze het verzoek van de betrokkene wordt gehonoreerd. De
gemeente bepaalt allereerst, mede op basis van het reïntegratieadvies van de
CWI, of een
ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Vervolgens moet de gemeente bepalen
uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen
binnen wat de gemeente, mede rblz.|8|
gelet op de beschikbare financiële kaders, in een
verordening heeft opgenomen over haar reïntegratiebeleid.
Van belang bij de
uiteindelijke keuze van een traject is een actieve opstelling van de
cliënt in de contacten met de
casemanager en met het reïntegratiebedrijf. Cliënten die hun eigen
traject mee kunnen samenstellen,
zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op de persoonlijke voorkeur en persoonlijke
aandacht
zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde reïntegratie. De ideeën en voorstellen
van de cliënt worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het
arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op
termijn) duurzame
plaatsing in een reguliere baan.
De aanspraak op
ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie geldt ook voor personen
aan wie de gemeente tijdelijk
een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de betrokkene van
mening is
dat de situatie is veranderd en dat toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is.
3.2.3.
Niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van
de Algemene nabestaandenwet [V;
NnavhV]
Gemeenten
hebben sinds 1
januari 2002 de taak om ook "niet-uitkeringsgerechtigden" (werklozen zonder
uitkering) en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw)
indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden. Deze taak vloeit voort uit het algemeen
belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een
gunstige economische ontwikkeling. In het wetsvoorstel is daarom expliciet als taak voor
de gemeente
opgenomen om ook te voorzien in voorzieningen voor reïntegratie van
niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van
de Anw.
De
niet-uitkeringsgerechtigde en degene met een Anw-uitkering kunnen net
als de uitkeringsgerechtigde
aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente bij zijn reïntegratie. Het is
aan
de gemeente om te bepalen óf betrokkene daadwerkelijk een traject nodig heeft om op de
arbeidsmarkt aan de slag te komen, en zo ja, welk aanbod passend is. Hierbij geldt net als
voor de uitkeringsgerechtigde dat het moet gaan om de kortste weg naar duurzame
arbeidsparticipatie. De gemeente kan met de betrokkene afspraken maken
over de gevolgen van het niet
nakomen/voortijdig afbreken van een reïntegratietraject, bijvoorbeeld terugbetaling
trajectkosten.
3.2.4. Een sluitende
aanpak [V;
NnavhV]
Ter voorkoming van
langdurige werkloosheid zijn binnen de EU richtsnoeren opgesteld. Het betreft de
afspraak om te
realiseren dat alle nieuwe werklozen binnen één jaar (jongeren binnen
zes maanden) een
traject wordt aangeboden (richtsnoer 1).
Met dit wetsvoorstel
worden de voorwaarden gecreëerd om een sluitende aanpak te realiseren. Door
het afschaffen van
de voorschriften rond reïntegratie-instrumenten krijgen de gemeenten
de
mogelijkheid om
betrokkenen sneller een passend aanbod te doen. Ook het feit dat gemeenten
financieel
verantwoordelijk worden, zal hiertoe bijdragen. Daarnaast zal de aanscherping van de
plichten van de uitkeringsgerechtigde, in combinatie met de aanspraak op
reïntegratievoorzieningen, ertoe leiden dat betrokkenen meer dan nu
zélf initiatief zullen nemen om zo snel mogelijk
op de arbeidsmarkt aan de slag te komen.
De Europese richtsnoeren
vereisen een nauwkeurige rapportage die is opgenomen in het Nationaal Actieplan voor
Werkgelegenheid (NAP). De oplevering door gemeenten van de voor het NAP relevante
gegevens is in het wetsvoorstel geregeld via een algemene maatregel van bestuur.
rblz.|9|
3.2.5. Uitbesteding en aanbesteding
[V;
NnavhV]
Met de inwerkingtreding
van de Wet SUWI worden reïntegratieactiviteiten in beginsel uitgevoerd door de
private
reïntegratiemarkt. Het kabinet is van mening dat de creativiteit,
effectiviteit en efficiëntie van de markt
moeten worden benut om de kortste weg naar reguliere arbeid te vinden. Een goed werkende
reïntegratiemarkt is bovendien in het belang van de gemeenten
aangezien daarmee een
groter aanbod van activiteiten en een betere prijs-kwaliteitverhouding kunnen worden
gerealiseerd.
Voorwaarden voor een goed
werkende reïntegratiemarkt is dat er voldoende aanbieders zijn, de markt
voldoende
transparant is en dat er geen toetredingsdrempels zijn. Er zijn meer dan
630 reïntegratiebedrijven, waarvan 25% in het gemeente/UWV-segment
opereert [UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]. Er zijn op dit moment
nauwelijks toetredingsdrempels. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de
helft de laatste drie
jaar is toegetreden. In het kader van transparantie is het door Borea [Brancheorganisatie
Reïntegratiebedrijven, red.] ontwikkelde
kwaliteitskeurmerk en de Reïntegratiemonitor van de RWI [Raad
voor werk en inkomen, red.] van belang,
waarmee gemeenten de prestaties
van reïntegratiebedrijven kunnen vergelijken.
Om de reïntegratiemarkt
optimaal te laten functioneren en te voorkomen dat door sterke banden met
gemeentelijke diensten gemeenten ervoor kiezen om de gemeentelijke dienst niet aan concurrentie
bloot te
stellen, dienen - conform de Wet SUWI - zoveel mogelijk reïntegratieactiviteiten
te worden uitbesteed. De uitbesteding geldt ook voor activiteiten in het
kader van gesubsidieerde
arbeid, zoals bemiddeling, begeleiding en een eventueel gemandateerd
werkgeverschap, indien bij detacheringsconstructies wordt gekozen voor werkgeverschap bij
gemeenten.
Het voorgaande laat
onverlet dat er ruimte nodig kan blijken te zijn voor activiteiten die
niet via de markt kunnen
worden gerealiseerd. Daarom is in artikel 7
[7], zesde lid, de mogelijkheid opgenomen om
via een
ministeriële regeling vast te stellen welk deel van de totale reïntegratieactiviteiten
niet hoeft te worden uitbesteed.
Bij het uitbesteden
dienen de aanbestedingsregels te worden gevolgd die zijn opgenomen in het
Besluit SUWI. Zoals
reeds eerder aangekondigd in de notitie "Naar een werkende reïntegratiemarkt"
(Kamerstukken II 2002-2003, 28 719, nr. 1) kan het aanbestedingsregime van het Besluit
SUWI voor gemeenten vervallen op het moment dat blijkt dat een goed werkende
reïntegratiemarkt tot stand is gekomen. Dan gelden alleen de algemene
regels: de Europese
aanbestedingsregels en de bepalingen van de Mededingingswet.
Zolang de
reïntegratiemarkt in ontwikkeling is en gemeenten
niet automatisch
kiezen voor de beste prijs-kwaliteitverhouding blijven de aanbestedingsregels bestaan. De
aanbestedingsregels
zorgen voor een transparante en toetsbare besluitvorming en stellen reïntegratiebedrijven in
staat met elkaar en met aan gemeente gelieerde bedrijven eerlijk te concurreren.
De
aanbestedingsverplichtingen kunnen op verschillende manieren worden
ingevuld. Er kan worden gebruik gemaakt
van raamcontracten met geselecteerde reïntegratiebedrijven, maar gemeenten
kunnen er ook
voor kiezen om voor trajecten op ad-hocbasis enkele offertes aan te vragen. Er hoeft
geen
grootscheepse aanbestedingsronde plaats te vinden. Gemeenten zijn niet verplicht samen te
werken
met andere gemeenten om aan hun uit- en aanbestedingsverplichtingen
te voldoen. Dit kan echter vanuit kostenoogpunt voor gemeenten wel aantrekkelijk zijn.
Gemeenten wordt
geadviseerd om bij de aanbesteding om een vergaande vorm van resultaatfinanciering te
hanteren om te garanderen dat bij reïntegratiebedrijven de focus is gericht op
een zo kort
mogelijke weg rblz.|10|
naar (duurzaam) regulier werk. Hierbij wordt resultaat in eerste instantie
gedefinieerd als duurzame uitstroom (langer dan zes maanden) naar een reguliere
baan. Voor de groep moeilijk bemiddelbaren is er ook ruimte voor andere resultaten. Duurzame
uitstroom kan voor deze
groep nog te ver weg zijn. Gesubsidieerde arbeid en sociale activering zijn voor deze
groep instrumenten om (op termijn) weer terug te keren naar de arbeidsmarkt en kunnen
voor deze groepen - afhankelijk van het gemeentelijke beleid ter zake - ook een
resultaat zijn. Het kabinet schrijft de gemeenten geen vorm van
resultaatfinanciering
voor. De gemeenten hebben vanwege de eigen financiële verantwoordelijkheid
al
belang bij het zoeken naar de meest effectieve vormgeving van de aanbestedingsprocedure.
3.3. Ontwikkelingen in
het bestand van bijstandsgerechtigden [V;
NnavhV]
Gemeenten
bepalen voor
een belangrijk deel door hun reïntegratiebeleid het bestand van bijstandsgerechtigden.
Gemeenten hebben er belang bij om werkzoekenden snel op te pakken en kunnen langdurig
werkzoekenden met maatwerk terugleiden naar reguliere arbeid. De effecten
betreffen op de
korte termijn een verbetering van de uitstroom op trajecten. Een tweede effect is op de
langere termijn. Het is in het belang van de gemeenten een bestand te hebben van werkzoekenden
met een relatief korte uitkeringsduur, zodat op het moment dat er een vacature vrijkomt of
de conjunctuur aantrekt er een maximaal aantal mensen beschikbaar is voor deze functie. Dit
zal op de langere termijn leiden tot een relatief laag aantal bijstandsgerechtigden.
Voor inzicht in een
aantal relevante kenmerken van de huidige bijstandspopulatie wordt verwezen naar
bijlage 1.
1. Uitstroom naar
reguliere arbeid
Uit de uitstroomcijfers
van de bijstand blijkt dat van de uitstroom (108 750 in 2001) 40% korter dan
één jaar
in de bijstand heeft gezeten, 40% tussen de één en vijf en jaar en 20%
langer dan vijf jaar.
Uit rapportages over Wiw
en ID-regeling [ID-besluit, red.] blijkt dat in de periode
1999-2001 vanuit Wiw-dienstbetrekkingen
16% tot 17% en vanuit Wiw-werkervaringsplaatsen 27% oplopend tot 42% is doorgestroomd naar
arbeid. Vanuit ID-banen is 4% doorgestroomd naar reguliere arbeid.
2. Experiment sociale activering
Verondersteld wordt dat
de groep bijstandsgerechtigden die een socialeactiveringstraject krijgt
aangeboden zeer
moeilijk bemiddelbaar is en dat deze groep, ook op termijn, moeilijk naar reguliere
arbeid is
toe te leiden. In het slotonderzoek inzake de bijstandsexperimenten artikel 144
Abw (2002)
blijkt dat het instrument sociale activering, dat als doel heeft
langdurig bijstandsgerechtigden te
stimuleren maatschappelijk actief te worden en mogelijk een eerste stap op de weg die
uiteindelijk kan leiden tot het vinden van betaald werk, een zinvol instrument is. Het leidt
voor betrokkenen tot meer sociale contacten, verbetering van het psychisch welbevinden en
vergroting van zelfvertrouwen.
Van de deelnemers is 16%
uitgestroomd naar betaald werk en 17% naar een opleiding, vrijwilligerswerk
of
andere onbetaalde activiteiten. Van de mensen die erin slagen betaald werk te vinden, blijkt 88%
dat ook te behouden.
4. Inkomenswaarborg en
armoedeval [V;
NnavhV]
4.1. Uitkeringsnormen:
systematiek en hoogte [V;
NnavhV]
In deze wet wordt de
systematiek van uitkeringsnormen gehandhaafd zoals deze geldt in de Abw. Deze
systematiek is
uiteengezet in de artikelsgewijze toelichting. In deze algemene memorie wordt alleen
ingegaan op rblz.|11|
de wijzigingen ten opzichte van de Abw bij de middelentoets, de
bijzondere bijstand en de nieuw ingevoerde langdurigheidstoeslag.
4.2. Middelentoets
[V;
NnavhV]
De in dit wetsvoorstel
voorgestelde systematiek van de middelentoets komt in grote lijnen overeen met
die van de Abw. Dat zal in de artikelsgewijze toelichting nader worden uitgewerkt. Op een aantal
punten wijkt de nieuwe wet echter af.
In de eerste plaats komt
de vrijlating van arbeidsinkomsten te vervallen van categorieën personen met
een
ontheffing van de arbeidsverplichting. Daarmee wordt voorkomen dat door de vrijlating een
vergroting van de armoedeval optreedt. Wel worden voor alleenstaande ouders twee fiscale
heffingskortingen vrijgelaten, namelijk de alleenstaandeouderkorting en de combinatiekorting.
Deze vrijlating draagt niet bij aan een vergroting van de armoedeval, omdat ze behouden blijft
bij de uitstroom naar werk.
In de tweede plaats wordt
de vrijlating van een aantal specifieke regelingen die het karakter hebben
van een
schadevergoeding of smartengeld niet meer in de wet geregeld, maar ter beoordeling gelaten
van burgemeester en wethouders, dan wel opgenomen in een ministeriële regeling.
In de derde plaats wordt
de vaststelling van het vermogen gewijzigd. Uit de uitvoeringspraktijk van
de afgelopen jaren is gebleken dat de huidige manier van vaststelling op een aantal bezwaren
stuit. De belangrijkste daarvan was dat nieuw ontstane schulden niet bij de vaststelling van
het vermogen konden worden betrokken. Daarom wordt nu geregeld dat de gemeente
de waarde
van het vermogen vaststelt op het verschil tussen bezittingen en reëel opeisbare schulden.
4.3.
Langdurigheidstoeslag [V;
NnavhV]
Algemeen
In dit wetsvoorstel zijn
bepalingen opgenomen op grond waarvan mensen van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65
jaar die minstens vijf jaar ononderbroken aangewezen zijn geweest op een inkomen op
het sociaal minimum (= uitkeringsnorm) jaarlijks - op aanvraag - in aanmerking kunnen komen
voor een aanvullende toeslag. Deze bedraagt voor gehuwden €|454,- en voor een
alleenstaande ouder respectievelijk alleenstaande 90% (€|408,-)
respectievelijk 70% (€|318,-) van dit bedrag. Deze toeslag
kan door de gemeente
alleen worden toegekend indien betrokkene gedurende de afgelopen
vijf jaar een inkomen heeft gehad op minimumniveau en over dezelfde periode geen
inkomen heeft genoten uit of in verband met arbeid. Het gedurende een zo lange periode niet
genieten van inkomen uit of in verband met arbeid is een goed hanteerbaar criterium om
vast te stellen dat het niet aannemelijk is dat betrokkene op korte termijn in
staat zal zijn
te werken.
Aspecten met betrekking
tot het inkomensbeleid
Aan de bijstand ligt het
uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening
in de
algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van de component reservering, in
beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een
minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen
te verhogen. Dat is ook de
reden geweest om het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten voor personen van 65 jaar
of ouder hoger te stellen dan voor degenen jonger dan 65 jaar. Met de introductie van de
langdurigheidstoeslag ontstaat ook voor degenen jonger dan 65 jaar een hogere
bijstandsnorm in
die gevallen dat zij door het ontbreken van een perspectief op arbeid in een vergelijkbare
inkomenssituatie komen als personen van 65 jaar of ouder. Evenals de hogere
rblz.|12|
norm voor personen
van 65 jaar of ouder is de langdurigheidstoeslag dan ook niet gerelateerd aan bepaalde
kosten. Het betreft dus een generieke inkomensondersteunende maatregel die, evenals de
bijstandsnormen, op landelijk niveau is geregeld.
Uit het voorgaande volgt
dat voor de hoogte van de langdurigheidstoeslag aansluiting is gezocht bij de
uitkeringsnorm die geldt voor gehuwde personen van 65 jaar of ouder.
Deze norm is gelijk aan de netto-uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet en weerspiegelt de inkomensverbetering
die is doorgevoerd voor de betreffende doelgroep. Als gevolg van de al gerealiseerde
inkomensverbetering voor personen van 65 jaar of ouder blijft deze doelgroep buiten het
bereik van de regeling.
Een belangrijk verschil
tussen personen van 65 jaar of ouder en personen jonger dan 65 jaar is dat voor
de laatste
categorie niet is vast te stellen of het arbeidsmartktperspectief
blijvend ontbreekt. Mede door het
reïntegratiebeleid van de gemeente kan voor hen betaald werk na verloop van tijd weer tot
de mogelijkheden behoren. Om deze reden wordt de langdurigheidstoeslag
voor één jaar toegekend en in één belastingvrij bedrag uitbetaald. Hiermee wordt bereikt dat
er op het moment van uitbetaling ruimte ontstaat binnen het budget waaruit hogere kosten
kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven.
Indien na één jaar blijkt
dat opnieuw aan de voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag is voldaan, kan
deze opnieuw
worden toegekend.
Aspecten met betrekking
tot het activeringsbeleid
Het vooralsnog ontbreken
van arbeidsmarktperspectief is van essentiële betekenis; het vormt de rechtvaardigingsgrond
voor een afwijkende regeling voor de specifieke doelgroep. Het maken van het
juiste
onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden met en zonder arbeidsmarktperspectief
vraagt om specifieke aandacht van de uitvoering. Bij aanwezigheid van
arbeidsmarktperspectief zou de langdurigheidstoeslag een ongewenste
bonus vormen op een langdurig verblijf in
de uitkering en een onaanvaardbare bijdrage leveren aan de armoedeval.
Voor de
langdurigheidstoeslag geldt als uitgangspunt dat het ontbreken van arbeidsmarktperspectief
ten principale moet worden gezien als een tijdelijke, zij het soms langdurige, situatie die
van jaar tot jaar beoordeeld dient te worden.
De toekenning van de
langdurigheidstoeslag betekent niet dat de betrokkene op grond van het ontbreken van
arbeidsmarktperspectief gedurende twaalf maanden wordt uitgesloten van activeringsactiviteiten.
De gemeente zal waar nodig met inzet van voorzieningen het arbeidsmarktperspectief
van de betrokkene dienen te bevorderen.
Of het ontbrekende
arbeidsmarktperspectief aanleiding geeft tot toekenning van de langdurigheidstoeslag is
mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of betrokkene zich voldoende
heeft
ingespannen om aan werk te komen of werk te behouden. Een ieder is immers primair zelf
verantwoordelijk voor de voorziening in het bestaan. In het kader van deze regeling verbindt
het kabinet hieraan de consequentie dat geen recht bestaat op een langdurigheidstoeslag als
de belanghebbende op een uitkering is aangewezen omdat niet of onvoldoende is meegewerkt
aan het verkrijgen of behouden van arbeid.
Indien bij gehuwden aan
beide echtgenoten de arbeidsverplichting is opgelegd, dient van beiden het
arbeidsmarktperspectief te worden vastgesteld. Indien één van beiden arbeidsmarktperspectief
heeft, bestaat voor betrokkenen geen recht op langdurigheidstoeslag.
Doelgroep
De regeling is mede
bedoeld voor andere uitkeringsgerechtigden zonder arbeidsmarktperspectief.
Hiertoe behoren mensen met een uitkering krachtens de Anw,
Ioaw of Ioaz voor wie er
geen arbeidsmarktperspectief is. Zoals eerder aangegeven, behoren daartoe niet
degenen rblz.|13|
met inkomen in verband met arbeid, dus met een WW-
of
WAO-uitkering. Een uitzondering hierop
vormen degenen met een WAO-uitkering die grote beperkingen hebben met
betrekking tot de benutbare mogelijkheden. Indien de aanvrager een arbeidsongeschiktheidsuitkering
naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% ontvangt, kan de
langdurigheidstoeslag worden verstrekt indien bij het laatste verzekeringsgeneeskundige
onderzoek is vastgesteld dat er zodanige beperkingen zijn met betrekking
tot de
benutbare mogelijkheden dat van het arbeidskundige onderzoek kan worden afgezien
(vgl. artikel 2 van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten) en de
betrokkene ook voldoet
aan de overige voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag. Wellicht
ten overvloede
zij vermeld dat de regeling vanuit het oogpunt van arbeidsmarktperspectief
voorts niet geldt voor werkenden en uitkeringsgerechtigden die naast hun uitkering arbeid
verrichten.
4.4. Bijzondere bijstand
en afschaffen categoriaal beleid [V;
NnavhV]
Algemeen
Door bijzondere
omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat in het individuele
geval de uitkeringsnorm niet
volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke kosten.
Voor zover de
belanghebbende voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening
en deze uitgaven naar het oordeel van burgemeester en wethouders evenmin uit de eigen
middelen kan voldoen, kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt.
Uitgaande van het
maatwerkprincipe past het niet dat burgemeester en wethouders bijzondere bijstand
verlenen aan personen bij wie niet is vastgesteld of de betreffende
kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn en of ze
daadwerkelijk gemaakt
zijn. Er dient dus altijd een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats
te vinden.
In deze wet zijn daarom
de categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar afgeschaft. Het
vervallen
van deze gemeentelijke regelingen sluit aan bij het uitgangspunt dat het algemeen, generiek
inkomensbeleid voorbehouden dient te zijn aan het Rijk en de beleidsruimte voor
gemeenten om een eigen inkomensbeleid te voeren moet worden beperkt. Door de afschaffing van
de categoriale bijzondere bijstand wordt een einde gemaakt aan ongerichte
inkomenssuppleties en krijgt de bijzondere bijstand weer de
oorspronkelijke maatwerkfunctie terug.
Voorts draagt de
afschaffing bij aan het verminderen van de armoedeval en tevens aan meer
rechtsgelijkheid; thans
laten deze regelingen soms grote verschillen zien.
Voor personen van 65 jaar
of ouder treedt geen wijziging op in de categoriale regelingen. Immers, in
hun situatie
speelt de armoedeval geen rol. Ook is de langdurigheidstoeslag op hen niet van toepassing.
De individuele
uitvoering van de bijzondere bijstand laat onverlet dat gemeenten
daarvoor beleidsregels kunnen
opstellen. Dit kan ook de overgang vergemakkelijken van categoriale naar
individuele
bijzondere bijstand. Beleidsregels kunnen bijdragen aan de
rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en
mede van belang zijn voor de doelmatigheid van de uitvoering. Door de afschaffing
van de
categoriale bijzondere bijstand is het echter niet meer mogelijk om bijzondere bijstand te
verstrekken zonder dat behoeft te worden vastgesteld of de betreffende kosten voor de betrokkene
ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Dit impliceert dat bij de
toetsing van een aanvraag aan de beleidsregels rekening dient te worden gehouden met de
feitelijke noodzaak van de kosten. Tegenover de gevolgen die deze toets voor de uitvoering kan
betekenen, staat de verwachting dat de introductie van de langdurigheidstoeslag de
rblz.|14|
druk op de uitvoering van de individuele bijzondere bijstand zal doen afnemen.
Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van de bijzondere bijstand rekening
houden met de draagkracht van
belanghebbende. Zij hebben hierbij de volledige vrijheid. Dit betekent dat zij zelf
bepalen welk
deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt
genomen.
4.5. Budgetbeheer en
bijstand in natura [V;
NnavhV]
In bepaalde gevallen kan
het in de rede liggen om eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid met
betrekking tot de besteding van de uitkering tijdelijk los te laten en
een op de persoon toegesneden pakket van voorzieningen aan te bieden. Oogmerk daarbij is het zo
spoedig mogelijk
hervinden van de zelfstandigheid.
Het pakket kan bestaan
uit het rechtstreeks uit de uitkering doorbetalen van vaste lasten, verstrekkingen
in natura, en dergelijke, afhankelijk van de situatie van betrokkene. Het aanbod van
voorzieningen geldt in algemene zin voor personen die aantoonbaar niet in staat zijn om zelf
te voorzien in de
essentiële algemene levensbehoeften.
Bij de algemene bijstand
geldt dat, indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde
besteding van zijn bestaansmiddelen, burgemeester en wethouders aan de bijstand de verplichting kunnen
verbinden dat de
belanghebbende eraan meewerkt dat zij in diens naam noodzakelijke betalingen uit de
toegekende uitkering verrichten. Ook kan in dat geval worden besloten om
aan het recht op bijstand
de verplichting te verbinden om de uitkering in natura te accepteren. Dit onderdeel in
de wet
betekent een verruiming van het gemeentelijk instrumentarium om meest kwetsbare groepen
een vangnet te bieden. Eén van die groepen wordt gevormd door de dak- en thuislozen.
Budgetbeheer en bijstand in natura, in combinatie met de bepaling over
de afstemming van de
bijstand op de woonsituatie, maken het de gemeenten
mogelijk om een passende oplossing te
bieden voor dak- en thuislozenopvang en daarmee een invulling te geven aan de
gemeentelijke zorgplicht voor deze kwetsbare groep in de samenleving.
4.6. Armoedeval
[V;
NnavhV]
Op het snijvlak van
reïntegratie en inkomenswaarborg ligt de armoedeval. De armoedeval vormt een
duidelijke
hindernis bij het bevorderen van de arbeidsparticipatie.¹
Bijstandsgerechtigden die
weer gaan werken zullen in de huidige situatie (aanmerkelijk) meer dan het
minimumloon
moeten gaan verdienen om er netto op vooruit te gaan. Een effectieve aanpak van deze
problematiek is ook nodig in het licht van afspraken in Europees verband
over het
arbeidsmarktbeleid, waarin Nederland in het bijzonder wordt aanbevolen maatregelen te treffen om
de hoge inactiviteit aan te pakken.
Dit wetsvoorstel levert
een bijdrage aan het tegengaan van de armoedeval door de afschaffing van de
categoriale
bijzondere bijstand en door de wijze waarop de langdurigheidstoeslag is
vormgegeven.
Daarnaast acht het
kabinet een bredere aanpak van de armoedevalproblematiek geboden.
Naar
aanleiding van het
verschijnen van het rapport van de Werkgroep Harmonisatie Inkomensafhankelijke
Regelingen (WHIR) ² heeft het toenmalige kabinet in zijn standpunt het advies
onderschreven dat
het bestrijden van de armoedeval een rblz.|15|
brede meerjarige aanpak vergt. In de vorig
jaar
door de Minister van SZW aan de Tweede Kamer aangeboden notitie Scenario's
armoedevalbestrijding zijn hiertoe de mogelijkheden geschetst.³ Het
Strategisch Akkoord onderstreepte de
noodzaak van een brede meerjarige aanpak en bevat een concretisering van
maatregelen die zowel op het beleid van het Rijk als op de decentrale overheden betrekking
hebben. Als gezegd, vormt het afschaffen van de categoriale bijzondere bijstand hiervan een
onderdeel. In de afgelopen jaren zijn diverse maatregelen genomen. De arbeidskorting is elk
jaar met meer dan de inflatiecorrectie toegenomen, evenals de combinatiekorting. Ook
hebben aanpassingen in de huursubsidie plaatsgevonden, zoals het verdwijnen van de
kinder-
en koopkrachttoeslagen, en in de fiscale kinderopvangtabel. Het huidige kabinet heeft aan
de andere in het Strategisch Akkoord genoemde maatregelen geen uitvoering meer kunnen
geven. Onverlet blijft dat ook in de huidige conjunctuur een structurele aanpak van de
armoedeval noodzakelijk blijft.
1. Ministerie van SZW,
Notitie scenario's armoedevalbestrijding, 3 juni 2002 en het Nationaal
Actieplan, blz. 38-41.
2. Werkgroep Harmonisatie
Inkomensafhankelijke Regelingen, De armoedeval, analyse en oplossingen, Den Haag,
februari 2000.
3. Ministerie van SZW,
Notitie scenario's armoedevalbestrijding, 3 juni 2002.
5. Financiering
[V;
NnavhV]
Het FWI [Fonds werk
en inkomen, red.] betreft een
uitkering op de SZW-begroting. De totale uitkering is opgebouwd uit twee delen, het
inkomens-
en het werkdeel. Elk deel heeft zijn eigen financieringssystematiek.
5.1.
Financieringssystematiek inkomensdeel [V;
NnavhV]
5.1.1. Het macrobudget
[V;
NnavhV]
De voorgenomen
financieringssystematiek - waarbij de stimulans voor gemeenten
om goed
te presteren is gelegen in
het inkomensdeel - vereist een nauwgezette en op objectieve gronden gebaseerde raming.
Essentieel daarbij is dat een verantwoord macrobudget wordt vastgesteld dat toereikend is om de
totale bijstandsuitgaven van alle gemeenten te financieren.
Om dit te bewerkstelligen,
wordt de volgende systematiek gehanteerd, die zal worden neergelegd in een
algemene maatregel van bestuur.
Macrobudget bijstand voor
personen tot 65 jaar ¹
Het macrobudget voor het
begrotingsjaar (t) wordt geraamd in september van het daaraan voorafgaande
jaar.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Abw-volumeraming uit de
SZW-begroting voor jaar (t). Deze raming wordt afgestemd met het Centraal Planbureau (CPB) en
is gebaseerd op:
1. actuele gegevens over
de feitelijke ontwikkeling van het bijstandsvolume op dat moment;
2. de economische
vooruitzichten uit de MEV [Macro Economische Verkenning, red.] voor het begrotingsjaar;
3. de verwachte effecten
van gewijzigd beleid.
De genoemde gegevens zijn
grotendeels gebaseerd op gegevens van het CBS [Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.] (snelstatistiek,
bijstandskenmerkenstatistiek)
en op de MEV. Deze gegevens worden door de gemeenten
aan het CBS verstrekt.
1. In de toelichting wordt
gesproken over MEV (t) en CEP (t) [Centraal Economisch Plan, red.].
• MEV (t) wordt
uitgegeven in september (t-1) en betreft het jaar (t).
• MEV (t+1) wordt
uitgegeven in september (t) en betreft het jaar (t+1).
• CEP (t) wordt
uitgegeven in maart (t) en betreft het jaar (t).
Begrotingsjaar 2004:
vaststelling van het macrobudget geschiedt op basis van MEV 2004, welke
wordt uitgegeven in september
2003. De aanpassing van het macrobudget geschiedt op basis van CEP 2004 en
de conjuncturele
ontwikkeling tussen CEP 2004 (publicatiedatum maart 2004) en MEV 2005 (publicatiedatum
september 2004).
In september van het
begrotingsjaar zelf wordt het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar
beneden aangepast.
Daartoe wordt gebruik gemaakt van een geactualiseerde raming van het bijstandsvolume in
het begrotingsjaar op grond van de meest actuele inzichten in de werkloosheid. De
gegevens
van het bijstandsvolume in het begrotingsjaar zelf worden niet in de raming betrokken omdat
er dan een vermenging zou optreden van de raming en het beleid van gemeenten.
Het voorgaande betekent
dat er geen nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke
macrobijstandsuitgaven.
Een voordeel van deze wijze van vaststelling van het macrobudget is dat de
wijze waarop de
wet wordt uitgevoerd niet via nacalculatie invloed heeft op de hoogte van het
macrobudget en daarmee ook niet op het budget van de afzonderlijke gemeenten. Het verschil
tussen het vastgestelde en het aangepaste macrobudget komt voor rekening van het Rijk.
Bij de aanpassing in september van het lopende begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe
rblz.|16|
ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse aanpassing vanwege de loon- en prijsbijstelling
verwerkt.
Macrobudget voor
categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke
bijstandsuitkering
Mede naar aanleiding van
de constatering dat gemeenten geen invloed kunnen uitoefenen op het aantal
bijstandsgerechtigden van 65 jaar of ouder is besloten om voor deze
categorie een separaat budget te ramen. Gemeenten
blijven volledig financieel verantwoordelijk, maar het financiële
risico voor
de groep van 65 jaar of ouder wordt op voorhand zo gering mogelijk gehouden door het
budget
zo nauw mogelijk aan te laten sluiten bij de werkelijke kosten. Budgettering geniet de
voorkeur boven een declaratiesystematiek, aangezien laatstgenoemde systematiek gepaard gaat
met administratieve lasten voor gemeenten en het Rijk. Bovendien sluit budgettering van de
bijstand aan deze groep aan op de uitgangspunten van de Wwb: deregulering en
vermindering administratieve lastendruk.
Het macrobudget voor de
bijstand aan personen van 65 jaar of ouder wordt geraamd als het product
van het geraamde
uitkeringsvolume en de geraamde gemiddelde uitkering.
Ook binnen de huidige WFA
wordt het aantal bijstandsgerechtigden van 65 jaar of ouder met een al dan niet
gedeeltelijke bijstandsuitkering afzonderlijk geraamd.
De raming van het volume
bijstandsuitkeringen aan personen van 65 jaar of ouder wordt gekoppeld aan
de raming
door de Sociale verzekeringsbank van het volume gekorte AOW-uitkeringen. In de praktijk
levert
deze methodiek een betrouwbare kortetermijnraming op die nauwkeurig aansluit bij
de realisaties.
Voor de raming van de
gemiddelde uitkering wordt aangesloten bij de meest recente realisatiegegevens.
5.1.2. Verdeelsystematiek
[V;
NnavhV]
Verdeelsystematiek
macrobudget voor personen tot 65 jaar
Voor het budgetteren van
de bijstand is een systematiek nodig om het macrobudget te verdelen over
gemeenten.
Deze verdeling moet zodanig geschieden dat de gemeenten voldoende middelen
krijgen om aan hun uitkeringsverplichtingen te kunnen voldoen. Tegelijkertijd moet een
dergelijke systematiek zodanig werken dat gemeenten die hun uitkeringsbeleid
effectief dan wel ineffectief uitvoeren, beloond worden dan wel
gestimuleerd worden om het beter te
gaan doen. Dit vereist dat de vormgeving van het verdeelmodel uiterst zorgvuldig geschiedt.
De voor een volgend
begrotingsjaar toe te passen verdeelsystematiek wordt neergelegd in een algemene maatregel van
bestuur.
Op 1 januari 2001 is een
begin gemaakt met een gedeeltelijke (25%) budgettering van de middelen voor
gemeenten
ten behoeve van het verstrekken van Abw-, Ioaw
en Ioaz-uitkeringen. Bij de
vaststelling van de gemeentelijke budgetten voor 2002 is voor het eerst gebruik gemaakt
van het
objectief verdeelmodel.¹
Het objectief
verdeelmodel doet per gemeente een prognose van de uitgaven voor
bijstand. Deze prognose is
gebaseerd op een aantal gemeentelijke kenmerken die in beginsel niet
door het beleid te beïnvloeden zijn. Vandaar de aanduiding "objectief". De voorspelde
uitgaven per gemeente worden gebruikt
in de verdeelsleutel waarmee een macrobudget voor de uitkeringslasten wordt
verdeeld over de gemeenten. Dit macrobudget wordt onafhankelijk van de uitkomsten van het
verdeelmodel vastgesteld, zoals hierboven is uiteengezet.
Het objectief
verdeelmodel vormt derhalve een belangrijk onderdeel van de
FWI-systematiek. Reeds in het eerste jaar
van de introductie van het FWI is in een bestuurlijk overleg SZW-VNG
[Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
afgesproken dat
toepassing rblz.|17|
van het objectief verdeelmodel voor de verdeling van het gebudgetteerde deel van
de uitkeringslasten gepaard dient te gaan met een gedegen onderhoudstraject. Dit
onderhoudstraject heeft tot doel de kwaliteit van het model te waarborgen en zo mogelijk
te verbeteren.
Bij de
ontwikkeling van
het model zijn van meet af aan criteria geformuleerd waaraan een verdeelmodel dient te
voldoen: plausibiliteit (de gehanteerde variabelen geven samen een aannemelijke verklaring
van de objectieve noodzaak tot bijstandverlening van gemeenten), transparantie (de werking
van het model is ook voor niet-ingewijden inzichtelijk), actualiteit, stabiliteit
en
afwezigheid van systematische herverdeeleffecten.
1. Zie Besluit
uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor het jaar 2002,
Staatsblad
2001,
nr. 459, 26 september 2001.
Er is een apart objectief
model ontwikkeld voor de kleinere gemeenten. Bij een aanzienlijk aantal kleinere gemeenten
doen zich grote tot zeer grote herverdeeleffecten voor die redelijkerwijs niet of
niet geheel aan het eigen gemeentelijk beleid kunnen worden toegeschreven. Gezien de
omvang van de herverdeeleffecten werd het tot nu toe niet verantwoord geacht het
objectieve model toe te passen voor de kleinere gemeenten. In 2004 zal bij de verdeling van
het macrobudget voor kleine gemeenten gebruik worden gemaakt van historische kosten.
Overigens is het streven erop gericht dat op termijn ook voor de
kleinere gemeenten overgeschakeld
kan worden op een (gedeeltelijke) objectieve verdeling.
Bij de verdeling van het
macrobudget geldt - evenals dit reeds het geval is binnen de huidige WFA - het
volgende
onderscheid in gemeentegrootteklassen:
- Kleine gemeenten:
minder dan 40 000 inwoners.
- Middelgrote gemeenten:
tussen 40 000 en 60 000 inwoners.
- Grote gemeenten: meer
dan 60 000 inwoners. Voor deze grootteklasse geldt de voorwaarde dat zoveel
mogelijk zal worden verdeeld op basis van het objectief verdeelmodel.
De verdeelsystematiek
geschiedt in twee stappen.
Stap 1: verdeling van het
macrobudget in drie compartimenten: een budgetaandeel per
gemeentegrootteklasse.
Bij deze verdeling wordt gebruik gemaakt van beide objectieve verdeelmodellen (model
voor de 40 000 + gemeenten en het model voor de
60 000 - gemeenten).
Stap 2: verdeling van
budgetaandeel per gemeentegrootteklasse conform onderstaande.
- Kleine gemeenten:
Voor deze grootteklasse
vindt verdeling plaats op basis van het historisch model (op basis van historische kosten in
één jaar (jaar (t-3))
- Grote gemeenten:
Aan de hand van een
groeipad van vier jaar wordt voor de grote gemeenten toegegroeid naar een
situatie waar
het objectief verdeelmodel voor 100% wordt toegepast. Jaar 2004: 40% objectief.
Met stappen van 20 procentpunten wordt 100% bereikt in het jaar 2007.
- Middelgrote gemeenten:
De verdeelsystematiek is
een gewogen combinatie van de systematiek voor kleine en grote gemeenten.
Naarmate
het inwoneraantal van een gemeente
de 60 000 inwoners nadert, wordt de
verdeelsystematiek meer bepaald door de systematiek van de grote gemeenten.
Door te werken met drie
gemeentegrootteklassen wordt voorkomen dat kleine fluctuaties in het inwonertal van een
gemeente tot gevolg heeft dat de gemeente met in de tijd sterk afwijkende
verdeelsystematieken wordt geconfronteerd.
De optredende
herverdeeleffecten voor gemeenten waarvoor het objectief model wordt toegepast, zijn
mede een
gevolg van het nog niet foutloos functioneren van het model. Daarom zullen
herverdeeleffecten ex ante rblz.|18|
worden beperkt. Ook zal het objectief
verdeelmodel stapsgewijs worden
ingevoerd: in 2004 40% objectief, in 2005 60%, in 2006 80% en vanaf 2007 100%. In
deze
periode moeten werkende weg verbeteringen worden gerealiseerd van het objectief verdeelmodel
(dus: een groeimodel). In dat verband is het van belang vast te stellen dat de toetsingscommissie
waar gemeenten terecht komen als zij een tekort hebben dat uitgaat boven de
eigenrisicodrempel, mede tot taak heeft ideeën te genereren ter
verbetering van het objectief verdeelmodel.
Het objectief
verdeelmodel voor de grote gemeenten (40 000+ model) is recent opnieuw geschat voor
het jaar 2000.¹ Het betreffende onderzoeksrapport is als bijlage 2 opgenomen.
1. "Stabiliteit en
herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000",
APE, februari 2003.
Verdeelsystematiek
macrobudget voor personen van 65 jaar of ouder
Verdeling van het
macrobudget zal geschieden op basis van historische bijstandslasten 65
jaar of ouder dan wel een
andere verdeelmaatstaf die nauw aansluit bij de werkelijke uitkeringslasten per
gemeente met betrekking tot deze categorie uitkeringsgerechtigden.
Het verdelen van een
separaat macrobudget voor personen tot aan 65 jaar op grond van het objectief
verdeelmodel
leidt niet tot het opnemen van andere verdeelmaatstaven in het objectief verdeelmodel.
Het heeft echter wel gevolgen voor de waarden van de verdeelcoëfficiënten
van dit model. Deze zullen opnieuw worden vastgesteld. Reële inschatting is dat -
gelet op het aandeel bijstandslasten 65-plussers op de totale
bijstandslasten - de nieuwe waarden
nauwelijks van de huidige waarden zullen afwijken.
5.1.3. Budgetoverschot en
- tekort; toetsingscommissie [V;
NnavhV]
Tussen het definitief
toegekende budget van het inkomensdeel en de werkelijke uitgaven zal een
verschil ontstaan. De
individuele gemeente kan zowel een overschot hebben als een tekort. Een budgetoverschot is vrij besteedbaar,
de wet schrijft geen
bestedingsrichting voor.
Bij een budgettekort zal
de gemeente in eerste instantie zelf op haar begroting moeten zoeken naar een oplossing voor
het financiële tekort. Indien het tekort groter is dan een bij algemene
maatregel van bestuur
vast te stellen drempelwaarde, heeft het college de mogelijkheid een verzoek voor
een
aanvullende uitkering in te dienen bij de toetsingscommissie, als
bedoeld in artikel 73 [73]. Voor het jaar
2004 zal de hoogte van de eigenrisicodrempel worden vastgesteld op 10%.
De toetsingscommissie
heeft tot taak een oordeel te vellen over de vraag of de tekortgemeente in het
betreffende
begrotingsjaar te maken heeft gehad met een uitzonderlijke situatie, waarmee bij de
vaststelling van het gemeentebudget geen rekening is gehouden. Voorts
heeft de toetsingscommissie tot taak het toetsen van de vraag of de tekortgemeente verwijtbaar
heeft gehandeld. De
toetsingscommissie toetst derhalve op de volgende onderdelen:
1. Is sprake van een
budgettekort boven de eigenrisicodrempel Wwb?
2. Is er bij de
tekortgemeente sprake van een uitzonderlijke situatie op de lokale arbeidsmarkt? Hierbij
kan
gedacht worden aan de volgende voorbeelden:
- vestiging van een
asielcentrum binnen de gemeente;
- forse instroom in de
bijstand vanwege uitstroom uit de WW die op zijn beurt verklaard kan worden uit
een
massaontslag in de voorliggende periode.
3. Heeft de
tekortgemeente verwijtbaar gehandeld? De toetsing van de kwaliteit van
het gevoerde beleid richt
zich op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wwb en de doeltreffendheid van het
gevoerde beleid. De toetsingscommissie baseert zich hierbij op de beschikbare bronnen
bij IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.]
en gemeenten.
rblz.|19|
De hier
genoemde criteria
zullen nader worden uitgewerkt in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 74 [74], derde lid.
Recht en hoogte van de
aanvullende uitkering zal worden bekrachtigd via een beschikking, welke op
grond van de
Algemene wet bestuursrecht open staat voor bezwaar en beroep.
De hier beschreven aanpak
betekent dat de gemeente niet automatisch een aanvullende financiering ontvangt en
dat de hoogte van de aanvullende uitkering op voorhand niet vaststaat. Dit is een
wezenlijke wijziging ten opzichte van de systematiek van aanvullende uitkeringen zoals
geregeld binnen de huidige WFA. Daarin heeft een gemeente recht op een aanvullende uitkering
zodra het budgettekort uitstijgt boven het plafond van het eigen risico,
waarbij tevens op
voorhand de hoogte van de aanvullende uitkering bekend is.
Financiering aanvullende
uitkeringen
Een tekortgemeente kan
een verzoek tot aanvullende financiering over het begrotingsjaar indienen na
afloop van
dat jaar. Eventuele aanvullende uitkeringen die de toetsingscommissie honoreert, worden
door de Minister van SZW op declaratiebasis verstrekt. De dekking van deze uitgaven vindt
plaats binnen de bestaande regels budgetdiscipline. Indien in de loop
der tijd het aan de hand van uitvoeringsinformatie mogelijk blijkt de omvang van het bedrag van
aanvullende uitkeringen
te ramen, dan wordt hier rekening mee gehouden in de financieringssystematiek.
5.2.
Financieringssystematiek werkdeel [V;
NnavhV]
5.2.1. Het macrobudget
werkdeel [V;
NnavhV]
Het Rijk stelt een
macrobudget voor het werkdeel vast. Dit macrobudget is geoormerkt en dient ter
financiering
van de reïntegratieactiviteiten die de gemeenten
inzetten bij de uitvoering van hun
reïntegratietaak. In de wet is de bestedingsrichting gedefinieerd van
het budget werkdeel.
5.2.2. Verdeelsystematiek
werkdeel [V;
NnavhV]
De gemeente
is verplicht
de middelen uit het reïntegratiebudget in te zetten aan reïntegratieactiviteiten
ten behoeve van inwoners voor wie die activiteiten naar het oordeel van de gemeente nodig of
wenselijk zijn. Bij de verdeling van het macrobudget zal zoveel mogelijk rekening moeten
worden gehouden met het aantal personen per gemeente dat in aanmerking komt voor
ondersteuning bij het vinden van (reguliere of gesubsidieerde) arbeid. Het gaat hierbij om zowel
uitkeringsgerechtigden als niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op
grond van de Anw.
De verdeelsystematiek zal
worden opgenomen in een algemene maatregel van bestuur.
Voor de structurele
situatie zal de verdeling van het macrobudget plaatsvinden op objectieve
gronden, namelijk het
aantal bijstandsgerechtigden, gecorrigeerd voor de gemiddelde uitkeringsduur.
Vertrekpunt hierbij is dat gemeenten die een zwaardere reïntegratietaak
hebben relatief meer
middelen worden toegekend. Hierbij geldt als aanname dat de gemiddelde uitkeringsduur
een benadering is van de zwaarte van de reïntegratietaak, i.c. van de hoogte van de
reïntegratieprijs.
Voor de eerstkomende
jaren zal gewerkt worden met een overgangsregime. Reden om over te gaan tot
een
overgangsregime is dat het Rijk de gemeenten in staat moet stellen om
lopende betalingsverplichtingen
gesubsidieerde arbeid te financieren. Binnen het overgangsregime wordt het
macrobedrag
gesubsidieerde arbeid jaarlijks naar beneden bijgesteld als gevolg van de taakstellende
ombuiging op het aantal gesubsidieerde rblz.|20|
banen. Deze is identiek voor alle
gemeenten. Voor de individuele gemeente betekent dit dat binnen het totale gemeentebudget
het deel dat is bedoeld
ter financiering van gesubsidieerde arbeid jaarlijks afneemt. Het
restant wordt volgens de nieuwe systematiek verdeeld, waarbij via een rekenregel wordt
gegarandeerd dat elke
gemeente een budget ontvangt dat groter is dan het bedrag aan lopende verplichtingen
gesubsidieerde arbeid.
5.2.3. Budgetoverschot
werkdeel [V;
NnavhV]
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid hanteert bij de vaststelling van de bestede middelen het kasstelsel,
terwijl gemeenten
het lasten-batenstelsel gebruiken.
Gemeenten gaan op het
terrein van de reïntegratie in het begrotingsjaar verplichtingen aan, bijvoorbeeld door het
afsluiten van reïntegratiecontracten met private reïntegratiebedrijven
en contracten gesubsidieerde
arbeid. De uit deze aangegane verplichtingen resulterende kosten en uitgaven vallen voor
een deel in het lopende begrotingsjaar en voor een deel in (het) aansluitende
begrotingsja(a)r(en).
Bij de vaststelling van
de besteding van het werkdeel betrekt de minister alleen de kosten die daadwerkelijk zijn
gemaakt in het betreffende begrotingsjaar. Het budgetoverschot, zijnde
het positieve verschil tussen
het budget en de gemaakte kosten, vloeit terug naar het Rijk.
Het ligt echter voor de
hand om bij de vaststelling van het bedrag dat terugvloeit naar het Rijk
rekening te houden met
het feit dat niet alle lopende verplichtingen in het begrotingsjaar leiden tot kosten.
Vandaar dat de gemeenten de mogelijkheid wordt geboden om een bepaald bedrag van het budget
mee
te nemen naar het volgende begrotingsjaar. Dit bedrag dient ter dekking van aangegane
verplichtingen. De meeneemregeling is niet bedoeld ter volledige dekking van aangegane
verplichtingen die in het volgende begrotingsjaar zullen resulteren in kosten.
In de tweede plaats is
enige flexibiliteit nodig omdat de beleidsinspanningen van gemeenten tussen de
jaren enigszins
kunnen variëren. Om die reden zal - net als thans ten aanzien van het
scholings- en activeringsbudget in de Wiw het geval is - de mogelijkheid worden
gecreëerd om een beperkt voorschot te nemen op middelen die in het komende jaar zullen worden
toegekend.
Om reden van eenvoud
wordt - net als thans in de Wiw het geval is - het mee te nemen bedrag vastgesteld als
een percentage van het toegekende budget voor het werkdeel. Door het via nadere
regelgeving
stellen van een maximum wordt voorkomen dat zich stuwmeren van reïntegratiemiddelen
bij
gemeenten vormen, waarmee deze middelen de facto aan de allocatiebevoegdheid van
de wetgever worden onttrokken.
In het uitvoeringsverslag
dient de gemeente onder meer een opgave te verstrekken van de rechtmatig
gemaakte
kosten in het werkdeel in het uitvoeringsjaar en aan te geven welk bedrag ze wenst mee te
nemen naar het volgende uitvoeringsjaar.
6. Uitvoering en
samenwerking [V;
NnavhV]
6.1. Overleg met
gemeenten [V;
NnavhV]
Mede gelet op de in
artikel 114 van de Gemeentewet
neergelegde verplichting om voorgenomen beleid
met
substantiële effecten te toetsen bij de gemeenten
is over dit wetsvoorstel op brede
schaal gecommuniceerd en overleg gevoerd met het gemeentelijke veld. Dit heeft op
verschillende manieren vorm gekregen:
rblz.|21|
- regionale bijeenkomsten
van SZW met gemeenten waarin uitvoerig over de bedoeling en de opzet van
het
wetsvoorstel is gecommuniceerd;
- bestuurlijk en
ambtelijk overleg met de VNG en met wethouders over de belangrijkste thema's uit het
wetsvoorstel;
- ambtelijk overleg met
gemeentelijke uitvoerders over specifieke onderdelen van het wetsvoorstel;
- overleg met het
uitvoeringspanel gemeenten en het automatiseringsplatform gemeenten over de
uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel.
Dit overleg zal verder
worden voortgezet in het kader van de implementatie van deze wet.
Uit dit scala aan
overleggen is een duidelijk beeld ontstaan van de mogelijkheden die het nieuwe
systeem voor de gemeenten biedt, de risico's die daaraan voor gemeenten zijn verbonden, alsmede de
problemen en oplossingen in de uitvoering. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de
gemeenten in de Wwb
zowel kansen als risico's zien. Deze balans hangt samen met de
beleidskeuze om de volledige budgettering van de bijstand en van de gemeentelijke
reïntegratiemiddelen (risico's) te koppelen aan een vergaande
decentralisatie en deregulering (kansen).
De VNG heeft zich niet
willen vastleggen op een formeel standpunt over de Wwb. De VNG heeft wel een
aantal
eisen aangegeven waaraan de Wwb zou moeten voldoen. Deze hebben vooral betrekking
op de
omvang van de middelen die via budgettering of anderszins aan de gemeenten ter beschikking
worden gesteld.
De verschillende
overleggen met de gemeenten hebben geleid tot aanpassingen in
het wetsvoorstel. De
belangrijkste aanpassingen zijn:
- vergroting van de
beheersbaarheid van het financieringsmodel door het stapsgewijs invoeren van het
objectief verdeelmodel;
- vastlegging in de wet
van de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld;
- het in de wet opnemen
van een meeneemregeling voor het werkdeel;
- een gewijzigde visie op
het arbeidsmarktperspectief als toelatingscriterium voor de langdurigheidstoeslag als
bedoeld in artikel 36 [36]
van de Wwb;
- invoering van een
experimenteerartikel voor beleidsinnovatie.
De uitvoerbaarheid van
de
wet en het invoeringstraject is besproken met het uitvoeringspanel gemeenten
en met het
automatiseringsplatform gemeenten. In deze overleggen is door gemeenten
vooral gewezen
op de tijd die zij nodig hebben om nieuw beleid te formuleren voor arbeidsinschakeling
en
verlaging van de uitkeringen, mede gelet op de noodzaak dit beleid vast te leggen in een
verordening en dit in de uitvoering te implementeren.
Het kabinet is van
oordeel dat het in ieder geval noodzakelijk is dat op 1 januari 2004
wordt gestart met de
voorgestelde decentralisatie en deregulering en de daarbij behorende
financiële verantwoordelijkheid van
gemeenten en vermindering van administratieve lasten. Dit geldt ook voor de
afschaffing
van de categoriale bijzondere bijstand, in combinatie met de invoering van de
langdurigheidstoeslag. Dit is nodig om het momentum te benutten om door de nieuwe verdeling van
verantwoordelijkheden en bevoegdheden de uitvoering van bijstand en reïntegratie op een
effectieve manier te stimuleren. Doordat eerst in verloop van een aantal
jaren toegegroeid wordt
naar de meest wenselijke wijze van verdeling van de budgetten is van meet af aan sprake van
een verantwoorde financieringssystematiek.
Gelet op de noodzaak van
een beperking van de uitvoeringslasten in het invoeringsjaar, is het kabinet,
mede op advies
van de Raad van State, rblz.|22|
bereid te bezien of enkele nader te bepalen andere onderdelen
van de Wwb later kunnen worden ingevoerd. De keuze en de wijze van invoering daarvan kunnen
worden geregeld in het inwerkingtredingsbesluit van deze wet en in de Invoeringswet.
Vanwege het belang van
een goede voorbereiding op de invoering van de Wwb wordt door het ministerie
van SZW,
in overleg met gemeenten, een implementatieplan opgesteld om de gemeenten de
nodige
ondersteuning te bieden. Daarbij gaat het onder meer om deskundigheidsbevordering,
expertmeetings, uitwisseling best practices en het bieden van ondersteuning bij het
opstellen van verordeningen.
Het kabinet zal aan een
aantal gemeenten dat eerder met de nieuwe systematiek van start wil gaan,
via een
experiment daartoe de gelegenheid geven.
6.2. Gevolgen voor
gemeenten [V;
NnavhV]
De Wwb
heeft niet alleen
in de invoerings- en overgangsperiode maar ook structureel belangrijke effecten voor
het proces van beleid en uitvoering.
Door de decentralisatie
en deregulering krijgt de gemeente de mogelijkheid de uitvoering zo in te richten dat de
doelen van de wet op een zo doelmatig mogelijke manier worden gerealiseerd. Hierdoor,
en door de vermindering van de rapportageverplichtingen aan het Rijk, kan capaciteit in
de uitvoering worden vrijgemaakt. Dit maakt het voor de gemeenten mogelijk hun eigen
beleids- en verantwoordingscyclus op een adequate wijze in te richten. Een actieve uitvoering
van de Wwb betekent een intensivering van de uitvoering van
bijstandverlening en
reïntegratie. De positie van de kleinere gemeenten vraagt daarbij extra
aandacht. Om die reden is
een Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden Abw
in voorbereiding.
Deze
regeling maakt een subsidie mogelijk voor gemeenten die een samenwerkingsverband
opzetten voor de uitvoering van de Abw.
6.3. Samenwerking in de
SUWI-keten [V;
NnavhV]
Gemeenten
en CWI
zijn
onderdeel van de keten om werkzoekenden naar reguliere arbeid toe te leiden.
Er is sprake
van een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie tussen CWI en gemeenten. CWI heeft in de
keten een
belangrijke poortwachtersfunctie. Essentieel is het voorkomen van uitkeringsinstroom. Dit
betekent dat zoveel mogelijk werkzoekenden aan het werk moeten worden geholpen, bij
voorkeur nog voordat men aanspraak op een uitkering maakt. Het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] is erop gericht om
mensen zo snel mogelijk (weer) aan het werk te helpen en de instroom in een uitkering te
voorkomen. Waar dat niet binnen zes maanden mogelijk wordt geacht, draagt CWI de klant over met een
reïntegratieadvies. De door de SUWI-wetgeving gewijzigde uitvoering per 1 januari
2002 is inmiddels nog pas ruim één jaar operationeel. In de praktijk bestaat een
gedifferentieerd beeld over het functioneren van de samenwerking CWI en gemeenten. De uitvoering
van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid kan verder worden verbeterd om
werkzoekenden snel aan het werk te krijgen. Gemeenten kunnen een belangrijke bijdrage
leveren aan het functioneren van de CWI's en daarmee aan de kwaliteit en
beperking
van hun eigen bestand.
De SUWI-regelgeving biedt
de ruimte om te komen tot samenwerkingsafspraken, waarbij de gemeente
de mogelijkheid
heeft om van meet af aan betrokken te zijn bij de aanpak van de klanten binnen de
SUWI-keten. Dat kan worden gerealiseerd doordat CWI en gemeenten op lokaal niveau goede
afspraken maken over de gewenste kwaliteit, gezamenlijke kwaliteitsmetingen en de
wijze van verantwoording naar elkaar. Goede afspraken en
informatieoverdracht
kunnen onnodige dubbele intakes rblz.|23|
voorkomen. Omgekeerd is van belang dat het CWI goede
feedback van de gemeenten krijgt om het functioneren als poortwachter te kunnen
verbeteren.
Op landelijk niveau
hebben de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid onlangs met elkaar
nadere afspraken
gemaakt om de doelstelling "werk boven inkomen" volledig te realiseren.
Eén en
ander
is verankerd in het Programma Ketenresultaten 2003 en 2004. Op basis van deze resultaten
maken UWV/CWI afspraken met individuele
gemeenten.
De uitgangspunten van dit programma zijn: (prestatie)afspraken tussen ketenpartners, landelijke kaders met
ruimte voor lokale/regionale invulling, het voorop stellen van de uitstroom naar de
arbeidsmarkt en tot slot het in gezamenlijkheid meten van de behaalde resultaten.
Het programma bevat prestatieafspraken gericht op overdrachtsmomenten zoals bijvoorbeeld afspraken
met betrekking tot adequate
dienstverlening op lokatie, samenloop, reïntegratieadviezen en beperking uitstroom
WW naar Abw. Ook zijn er
prestatieafspraken gericht op de outcome van de keten in zijn
totaliteit. Daarnaast bevat het programma kwaliteitsafspraken over
proces en ICT [informatie- en communicatietechnologie, red.] en samenwerking
zoals onder meer afspraken over de belangrijkste werkprocessen, (intake
WW/Abw, reïntegratieadvies, melding einde uitkering en kennisgeving
verwijtbaar gedrag. In dit kader
wordt tevens de koppeling van werkproces uitkeringsintake Abw uitgewerkt (inhoud,
proces, kwaliteitseisen en wederkerigheid) en worden de mogelijkheden bezien voor
vereenvoudiging van het proces.
Op het moment dat een individueel CWI slecht
presteert, en afspraken met de gemeenten niet tot de
gewenste
resultaten leiden, kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
het CWI [de CWI, red.] hierop aanspreken. De minister maakt jaarlijks met CWI prestatieafspraken over te behalen resultaten. Het
CWI [de CWI, red.] verantwoordt zich aan de minister over zijn
[haar, red.] prestaties via kwartaal- en
jaarverslagen.
7. Vereenvoudiging
[V;
NnavhV]
In het
inleidende hoofdstuk van deze memorie is al aangegeven welke betekenis het kabinet toekent
aan een
vereenvoudiging van de uitvoering. In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op een
aantal
specifieke maatregelen die het kabinet voorstelt om deze vereenvoudiging te
bereiken.
7.1. Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting [V;
NnavhV]
Gelet op de nieuwe
verdeling van verantwoordelijkheden kan in dit wetsvoorstel worden volstaan met
een
bevoegdheid tot terugvordering. De gemeente kan, gelet op de financiële
stimulans en de eigen beleidsruimte, een goede afweging maken wanneer van terugvordering
kan worden afgezien. Deze eigen beleidsruimte laat onverlet dat van gemeenten verwacht
mag worden dat zij een terugvorderingsbeleid voeren dat een effectieve bijdrage levert aan
een adequate
fraudebestrijding.
In de Algemene
bijstandswet (Abw) had de gemeente, behoudens bijzondere omstandigheden,
de verplichting een
uitkering die ten onrechte is verstrekt terug te vorderen. Veelal gaat
het daarbij om vorderingen
als gevolg van uitkeringsfraude; het kan echter ook gaan om het rekening houden met
achteraf ontvangen middelen. In de Abw waren er echter ook een groot aantal bepalingen
opgenomen die aangeven in welke gevallen de gemeente kan afzien van terugvordering, omdat
volledige terugvordering niet in alle situaties een reële mogelijkheid
is
7.2. Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand [V;
NnavhV]
Uit het eindrapport van
de IBO-werkgroep "Alimentatiebeleid" (SZW) [IBO:
interdepartementaal beleidsonderzoek, red.], dat rblz.|24|
op 7 juni 2002 aan de Kamer is
aangeboden,
blijkt dat het bestaande (kinder)alimentatiestelsel resulteert in onevenredige financiële
lasten voor de verzorgende ouder (meestal vrouw) na een echtscheiding of
beëindiging van een relatie. Door het veelal uitblijven van (kinder)alimentatie doet
genoemde doelgroep in de helft van de gevallen (er zitten circa 100 000 alleenstaande
ouders in de bijstand) een groter beroep op de Abw
dan noodzakelijk is. De kosten die hieraan
verbonden zijn komen onnodig ten laste van de collectiviteit.
Zoals aangekondigd in het
Kabinetsstandpunt (Kamerstukken II 2002-2003, 28 795, nr. 1) bij het eindrapport van de
IBO-werkgroep Alimentatiebeleid is een andere regeling van kinderalimentatie bedoeld
om de financiële positie van de verzorgende ouder te verbeteren. In dit rapport wordt in
tegenstelling tot het huidige alimentatiestel voorrang gegeven aan kinderalimentatie boven
andere financiële keuzes die ouders maken na een scheiding. Deze kinderalimentatie biedt
een belangrijke basis voor het bereiken of handhaven van economische
zelfstandigheid van de verzorgende ouder (meestal vrouw).
Volgens de aanbevelingen
uit voornoemd rapport dient een kinderalimentatie via eenvoudige, duidelijke en
begrijpelijke normen door de overheid te worden vastgesteld, mede
teneinde draagvlak hiervoor te
vergroten. Voorts moet bij de vormgeving van het kinderalimentatiestelsel
rekening worden gehouden met de ontvlechting van financiële belangen van de ouders na
hun scheiding of beëindiging relatie. Daarnaast beveelt de IBO-werkgroep
aan dat de overheid zorg draagt voor een laagdrempelig intermediair voor de vaststelling en inning
van kinderalimentatie indien ouders onderling niet tot afspraken ter
zake
komen.
De voorstellen van de
IBO-werkgroep moeten er in 2004 toe leiden dat er een hervormd stelsel voor
(kinder)alimentatie
van kracht wordt. Anticiperend hierop wordt in dit wetsvoorstel een aantal
wijzigingen doorgevoerd. In de Invoeringswet zal worden geregeld dat de bevoegdheid tot
verhaal van bijstand op de onderhoudsplichtige ex-partner wordt gehandhaafd, voor het
geval dat en voor zolang de nieuwe alimentatiewetgeving nog niet in werking is getreden.
Indien alimentatie jegens
kind(eren) na invoering van een vernieuwd kinderalimentatiestelsel niet of in
onvoldoende
mate tot stand komt tussen de ouders, kan de gemeente
de belanghebbende
verplichten zelf een verzoek in te dienen bij een bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen uitvoeringsinstantie. De belanghebbende hoeft dus zelf niet met de
ex-partner in de slag te gaan. De gemeente heeft "als stok achter de deur" de mogelijkheid om de
uitkering van
belanghebbende te verlagen indien deze verplichting niet wordt
nagekomen. Zoals blijkt uit artikel
18 [18] kan van een verlaging worden afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Het is uiteindelijk aan burgemeester en wethouders om te
bepalen in welke gevallen het
redelijk is van de bijstandsgerechtigde te vergen dat deze een verzoek indient voor
kinderalimentatie.
Met een eigentijds
kinderalimentatiestelsel is genoemde verschuiving aanvaardbaar en past binnen het
streven van
dit kabinet om burgers waar mogelijk aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheden.
Toepassing van overig
verhaal (schenkingen, nalatenschappen en ouders van 18- tot en met 20-jarigen aan wie
in
aanvulling op de norm bijstand wordt verleend) blijft in voorkomende gevallen een bevoegdheid
van gemeenten
7.3. Omzetting van het
boetesysteem in een verlaging van de uitkering [V;
NnavhV]
Tot de verplichtingen die
aan de betrokkene worden opgelegd behoort, naast de plicht om passend werk te
aanvaarden en mee te werken aan een reïntegratietraject, de plicht burgemeester en
wethouders te voorzien van rblz.|25|
alle informatie die door hen worden gevraagd om het recht op uitkering
te kunnen vaststellen. Zolang burgemeester en wethouders niet over deze informatie
beschikken, kunnen zij de uitkering niet vaststellen en schorten zij het recht op uitkering op
totdat deze informatie wel is verkregen. De nieuwe wet wijkt op dit punt
niet af van de oude.
Indien informatie die voor het recht op een uitkering wordt verzwegen of
onjuist wordt verstrekt
met het oogmerk een hogere uitkering te krijgen, is er sprake van uitkeringsfraude. Voor
uitkeringsfraude beneden de aangiftegrens bij het openbaar ministerie is in
de huidige Bijstandswet het regime opgenomen van de bestuurlijke boete.
In deze wet is de
bestuurlijke sanctie vervangen door een aanpassing van de uitkering.
Deze wordt daarmee afgestemd
op de mate waarin de betrokkene aan zijn verplichting heeft voldaan om burgemeester en
wethouders de juiste informatie te verstrekken die van belang is voor het recht op
uitkering. Op deze wijze onstaat er één regime voor handhaving van
alle aan de uitkering verbonden verplichtingen. Daardoor wordt een meer effectieve handhaving
mogelijk waarbij de gemeente in alle gevallen waarin de betrokkene verwijtbaar zijn verplichtingen niet
nakomt, met een lik-op-stukaanpak de uitkering daarop kan afstemmen. In die gevallen waarin
het benadelingbedrag groter is dan de in de aangifterichtlijn sociale zekerheid genoemde grens
(€|6000,-) blijft de verplichting voor gemeenten gehandhaafd om
proces-verbaal op te maken
en aangifte te doen bij het openbaar ministerie. Verlaging van de uitkering is ook mogelijk
door middel van extra terugvordering indien de fraude pas na het beëindigen van de
uitkering wordt geconstateerd en er niet voor het volledige uitkeringsbedrag is
gefraudeerd. Voor die ex-cliënten waarbij zo'n extra terugvordering
niet mogelijk is, zullen met
het openbaar ministerie nadere afspraken worden gemaakt voor aangifte en afhandeling.
Er zijn echter ook in die situatie mogelijkheden voor een extra financiële correctie. Zo
is geregeld dat de gemeente de bevoegdheid heeft de terugvordering te verhogen met
wettelijke rente en gemaakte kosten. Ook heeft de gemeente op grond van artikel 18
[18] de bevoegdheid
om bij een eventuele nieuwe aanvraag om bijstand rekening te houden met eerder
gepleegde inlichtingenfraude indien dit eerder niet mogelijk was.
7.4. Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften [V;
NnavhV]
De nieuwe verdeling van
verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten biedt voldoende waarborgen en stimulansen
om te bewerkstelligen dat de gemeente planmatig werkt en zich voldoende inspant om de
rechtmatigheid van de uitkeringen vast te stellen.
Om die reden zijn in deze
wet geen voorschriften opgenomen over de inrichting van de administratie en
over het
uitvoeren van heronderzoeken, debiteurenonderzoeken en
beëindigingsonderzoeken. Hetzelfde geldt voor de in de Abw
opgenomen verplichting tot het
maken van een beleidsplan
en beleidsverslag op de onderdelen uitstroom, fraudebestrijding en cliëntenparticipatie.
7.5. Beleidsinnovatie
[V;
NnavhV]
Met dit wetsvoorstel
wordt beoogd de effectiviteit van arbeidstoeleiding en inkomenswaarborg te
verbeteren. De gemeenten worden optimaal toegerust om deze effectiviteit in de
uitvoering te realiseren en krijgen daarbij een grote mate van beleidsvrijheid. Dat laat
onverlet dat er behoefte kan ontstaan aan een verdergaande beleidsruimte van
gemeenten indien daardoor mogelijkheden ontstaan om de effectiviteit van
het systeem verder te
verbeteren.
In het wetsvoorstel is
daarom een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt dat gemeenten een beleidsexperiment
uitvoeren waarin wordt rblz.|26|
afgeweken van een aantal artikelen van deze wet. Omdat de
effectiviteit van het systeem voornamelijk is gekoppeld aan de
activerende werking van de wet,
hebben de experimentbepalingen betrekking op de artikelen die gaan over de opdracht aan de
gemeenten en de rechten en plichten van betrokkenen bij reïntegratie. Verder zijn experimenten
mogelijk ten aanzien van de vrijlating van middelen; ook hierbij dient het te gaan om de
activerende werking van de wet. Ten slotte is met dit doel een
experimenteermogelijkheid opgenomen voor de financiering van gemeenten. Zo'n bepaling
maakt het mogelijk om
beleidsvernieuwingen op hun waarde te onderzoeken en daarmee de beslissing om al dan niet
tot wetswijziging over te gaan zo goed mogelijk te onderbouwen. Vanzelfsprekend dient een
dergelijke aanpak met de nodige waarborgen te worden omkleed. Dat houdt onder meer in
dat bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zal worden aangegeven van welke
artikelen van de wet kan worden afgeweken en voor welke periode. Tevens zullen daarin een
aantal procedurele waarborgen worden geregeld. Deze werkwijze maakt het mogelijk
gerichte keuzes te maken van wat in een experiment kan worden meegenomen.
Als uitgangspunt geldt
dat het moet gaan om de vergroting van de doeltreffendheid van het systeem,
dus om het beter
realiseren van de in hoofdstuk 2 van de memorie behandelde gewenste resultaten in
de
gemeentelijke uitvoering.
8. Rijkstoezicht
[V;
NnavhV]
In artikel 76
[76] wordt het
toezicht geregeld. In deze memorie van toelichting wordt de reikwijdte van het
toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de wet nader uiteengezet. Het toezicht
op de doeltreffendheid van deze wet heeft uitsluitend betrekking op de vraag in welke mate de
uitvoering door de gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van de wet. Deze
vorm van toezicht richt zich, anders dan het geval is in het kader van de
Abw, niet op de
prestaties van individuele gemeenten. De toezichthouder kan de gemeente
in dit kader dan ook niet
aanspreken op haar prestaties. Dit laat onverlet dat het landelijk
beeld van de
doeltreffendheid van de wetsuitvoering wel wordt opgebouwd uit informatie op
gemeentelijk niveau.
Het toezicht dat gericht
is op individuele gemeenten zal beperkt blijven tot de rechtmatigheid van de
uitvoering.
Evenals onder de Abw ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de controle op de
rechtmatigheid van de uitvoering bij de gemeente zelf.
De wijze waarop in deze
wet het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering is geregeld, zal om
twee redenen
bijdragen aan een vermindering van de rapportageverplichtingen van de gemeenten aan
het Rijk.
In de eerste plaats wordt door de deregulering - in het bijzonder door het vervallen van de
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996
- de reikwijdte van
het toezicht aanzienlijk
ingeperkt. In de tweede plaats is in artikel
76 [76], derde lid, geregeld dat
het rijkstoezicht zich alleen
zal richten op ernstige tekortkomingen in de rechtmatige uitvoering van deze wet.
De Inspectie Werk en
Inkomen oefent het toezicht uit onder gezag van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. In dit kader kan de inspectie ook thematische onderzoeken instellen
(bijvoorbeeld of een evenwichtige benadering gevolgd wordt voor bepaalde doelgroepen).
Daarnaast kan zij ook steekproefsgewijs onderzoek doen.
Bovendien is een
hardheidsclausule ingebouwd, waarbij de Inspectie Werk en Inkomen onderzoek zal doen in het
geval dat een gemeente beroep doet op een aanvullende uitkering. Voor wat betreft de
rechtmatige uitvoering van de wet heeft de minister wettelijke bijsturingsinstrumenten
in de vorm van de aanwijzing en de financiële maatregel.
rblz.|27|
9. Informatiebeleid
[V;
NnavhV]
De Minister van SZW
is
verantwoordelijk voor de werking van het gehele systeem van financiering,
regelgeving
en uitvoering. Dit betekent dat de minister inzicht dient te hebben in de hoogte van de
uitgaven, de effectiviteit van het beleid en de rechtmatigheid van de uitvoering.
Meer specifiek heeft de minister informatie nodig ten behoeve van de volgende taken:
In de eerste plaats de
vaststelling van het macrobudget en de verdeling daarvan over de gemeenten.
Ten tweede de
beoordeling van de rechtmatigheid van de uitgaven. Ten slotte de beoordeling van de
effectiviteit van het systeem en de verantwoording daarover aan het parlement. Inzicht in de
effectiviteit van individuele gemeenten is alleen nodig voor de beoordeling van de
effectiviteit van het systeem.
De informatie die de
minister nodig heeft, wordt verzameld via statistieken, monitoren, onderzoek en
verslaglegging door de gemeente (B&W). Informatie die gebruikt wordt
voor de oordeelsvorming over gemeenten (of dat nu in de vorm van een toezichtsoordeel of in een
"publieke
vergelijking" gebeurt) of voor de vaststelling en verdeling van
budgetten dient aan bepaalde
kwaliteitscriteria te voldoen. Gedacht kan worden aan een expliciete
verklaring van B&W of een oordeel
door een extern deskundige, zoals een accountant.
In het informatiebeleid
wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het "single-information"-principe: informatie die
door de minister is verzameld, is voor alle functies van de minister beschikbaar. In de
regelgeving wordt daarom geen onderscheid meer gemaakt naar "beleidsinformatie"
of "toezichtsinformatie".
Nieuw is de introductie
van een "voorlopig" verslag vlak na afloop van het
kalenderjaar met het oog op de verkrijging
van actuele informatie ten behoeve van de eigen verantwoording van SZW aan het
parlement, nu de huidige systematiek van kwartaaldeclaraties verdwijnt.
De informatie die met dit voorlopige verslag wordt verzameld, zal zo beperkt mogelijk zijn en bij
voorkeur aanvullend op al beschikbare informatie, om de administratieve lasten voor
gemeenten zoveel
mogelijk te beperken.
In de nieuwe wet wordt de
mogelijkheid gecreëerd om af te wijken van de generieke regels. Een voorbeeld hiervan zou
kunnen zijn dat verschil wordt gemaakt naar gemeentegrootte. In Nederland zijn
494 gemeenten. De 400 kleinste gemeenten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor nog geen 20% van
de
uitgaven op het terrein van werk en inkomen. Toch gelden voor de kleinste
gemeente van
Nederland dezelfde verantwoordingseisen als voor de grootste gemeente van Nederland.
In dit wetsvoorstel worden de informatie-eisen gedifferentieerd naar gemeentegrootte om de
lasten meer te laten aansluiten bij verantwoordelijkheden en risico's.
De differentiatie kan
zowel de inhoud als de frequentie van de informatieverzameling betreffen.
Afwijken van de generieke
regels zal niet gebeuren ten aanzien van variabelen die nodig zijn voor de
vaststelling van
het macrobudget en de verdeling hiervan over gemeenten.
Eén van de doelstellingen
van deze wet is de administratieve lasten voor
gemeenten tot een minimum
te beperken.
Naast de eerder in deze memorie behandelde onderwerpen wordt dit gerealiseerd door:
- Het vooraf benoemen van
een beperkt aantal eenduidige doelstellingen waardoor de effectiviteit van
het
systeem en de uitvoering eenvoudiger kan worden gemeten.
- De vermindering van het
aantal statistieken en/of monitoren op persoonsniveau en waar mogelijk vervallen van
kenmerken in statistieken en/of monitoren die blijven bestaan.
rblz.|28|
- Gebruikmaking van
elektronische gegevensverzameling waardoor hergebruik (zowel binnen SZW als
door middel van
terugkoppeling naar gemeenten) eenvoudiger wordt.
- Verdere uitbouw van
gegevensstandaardisatie ter ondersteuning van gemeenten.
- Meer gebruik maken van
statistische informatie, bijvoorbeeld op het gemeentelijk niveau, waardoor
veel aanvullende
onderzoeken kunnen vervallen. Hiervoor worden procedureafspraken
gemaakt met CBS en gemeenten.
- En ten slotte
samenwerking met gemeenten en tussenorganisaties met als doel zoveel mogelijk
afstemming
tussen de informatievoorziening aan het Rijk, de interne informatievoorziening van
gemeenten (productbegroting, verslaglegging aan gemeenteraad) en de verschillende
faciliteringsinstrumenten als Benchmark GSD's, model uitvoeringskosten, kwaliteitsmodel
Single Audit en ICT.
Ter ondersteuning van de
rol van de gemeenteraad in het duale stelsel en de transparantie ten behoeve
van de burger en
het parlement dient voor iedereen inzichtelijk te zijn wat de kwaliteit van de
uitvoering van individuele gemeenten is. Een instrument dat hiervoor
ingezet gaat worden, is een publiek overzicht waarin per gemeente
een aantal kerngegevens op een rij
worden gezet.
10. Overige
inkomensvoorzieningen [V;
NnavhV]
In de Invoeringswet zal
de bijstandverlening aan zelfstandigen tijdelijk worden geregeld. In de
toekomst wordt de bijstandverlening aan zelfstandigen neergelegd in een aparte wet, waarvan het
wetsvoorstel
naar verwachting in 2004 ter behandeling aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.
In een
aparte wet zal de bijstandverlening aan zelfstandigen worden geregeld op een wijze die
recht doet aan de afwijkende positie van zelfstandigen. Een dergelijke wet biedt
tevens de mogelijkheid om daarin zoveel mogelijk bestaande regelingen voor zelfstandigen op te
nemen. Hierdoor kan de nu complexe en versnipperde regelgeving voor zelfstandigen,
alsmede de uitvoering van de diverse regelingen, sterk vereenvoudigd worden. De
zelfstandigenwet gaat in elk geval gelden voor de huidige doelgroepen
van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz), met uitzondering van degenen die nog in een oriëntatiefase zijn ter
voorbereiding op hun bestaan als zelfstandige.
Het is de bedoeling dat
de zelfstandigenwet ook gaat gelden voor de Ioaz-doelgroepen. In het licht van
deze veranderingen zal de Ioaz vooralsnog niet worden vereenvoudigd.
De financiering van de
nieuwe zelfstandigenwet zal niet meelopen in de volledige budgettering. Hierop
vooruitlopend blijven het Bbz [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]
en de Ioaz tot die tijd eveneens uitgezonderd van de
financieringsstructuur van deze wet: de financiële verhouding van het Bbz en de
Ioaz blijft
ongewijzigd 75% declaratie en 25% budgettering.
Een zelfde aanpak geldt
voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw).
De Ioaw is aan de gemeenten
ter uitvoering opgedragen. Er wordt gewerkt aan de opzet van een
nieuwe wettelijke
regeling voor arbeidsongeschikten. Overwogen wordt de bepalingen aangaande de
gedeeltelijk
arbeidsongeschikten en de jonggehandicapten in deze nieuwe regeling te
incorporeren
en deze groepen uit de Ioaw te halen. Eén en ander heeft grote gevolgen voor de
Ioaw.
Dit roept ook de vraag op of de gemeenten verantwoordelijk moeten blijven voor de
uitkeringsverstrekking van de overgebleven groep, de oudere werkloos geworden werknemers. Het
ligt in de rede het UWV ook hiervoor verantwoordelijk te maken.
Vooralsnog wordt de
systematiek van 25% budgettering voor gemeenten gehandhaafd. Definitieve
besluitvorming zal plaatsvinden in het kader van de stelselherziening
van de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
rblz.|29|
Binnen het geheel van
door de gemeenten uit te voeren inkomensvoorzieningen neemt de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik) een aparte plaats in. Bij de Wik staat niet de inkomensbescherming en de
daaraan gekoppelde reïntegratieverplichting voorop, maar het bevorderen van het
zelfstandig kunstenaarschap door het bieden van een inkomensvoorziening.
Gelet op dit specifieke karakter van de Wik blijft voor deze regeling ook bij de invoering van
de Wwb elke vorm van budgettering achterwege. Wel heeft het kabinet het voornemen te
komen tot een wijziging van de Wik waarmee de effectiviteit van de bevordering van het
zelfstandig kunstenaarschap zal worden versterkt.
11. Financiële gevolgen
[V;
NnavhV]
Per 1 januari 2004 worden
de volgende geldstromen onder één noemer gebracht op de SZW-begroting:
· Inkomensdeel: het
macrobudget ter financiering van de bijstandsuitgaven.
· Werkdeel: bestaande
uit de huidige middelen in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) en de
regeling Instroom-Doorstroom [Besluit in- en
doorstroombanen, red.], na verwerking van de overeengekomen
taakstelling.
Inkomensdeel
Het macrobudget bestaat
uit de som van de geraamde uitgaven over de jaren 2004 e.v. voor het gebudgetteerde deel
en het declaratiedeel voor bijstand, Ioaw en Ioaz
bij ongewijzigd beleid (dus 25%
budgettering). Op deze geraamde uitgaven verwacht het kabinet
besparingen te realiseren door een groter belang van gemeenten
bij een rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de
bijstand. Het gaat in 2004 om €|150 mln, oplopend tot
€|250
mln per jaar met ingang van 2006.
Werkdeel
In de periode
2003-2006 vinden ombuigingen plaats op de totaal beschikbare reïntegratiemiddelen.
Het aandeel voor de gemeenten
is vastgesteld op 80%. Vooruitlopend op
deze wet vanaf 2004,
waarin de middelen voor ID-banen en Wiw
als ongeoormerkt budget zullen worden
opgenomen, zijn bij de gemeenten voor het jaar 2003 ombuigingen ingeboekt ten bedrage van
€|520 mln. Vanaf 2004 zijn per saldo ombuigingen ingeboekt die bij de gemeenten oplopen
van €|600
mln in 2004 naar €|680
mln structureel vanaf 2005. Gemeenten kunnen volgens
de huidige meerjarenraming na verwerking van deze ombuigingen binnen het
FWI beschikken over ruim €|1,6
mld per jaar aan middelen voor hun reïntegratiebeleid.
Voorlopig zullen vanaf
2004 alleen de budgetten van het ID-besluit en de
Wiw worden opgenomen in het
flexibel
reïntegratiebudget voor gemeenten. De mogelijkheid is opengehouden om in de
toekomst meer geldstromen onder te brengen onder het flexibel reïntegratiebudget voor
gemeenten.
Onderstaande tabel geeft
het huidige meerjarig financiële beeld van de geldstromen van het FWI (bedragen x
€|1 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x2004x |
x2005x |
x2006x |
x2007x |
| Budget
inkomensdeel: ¹
|
4
480
|
4
377 |
4
204 |
4
207
|
| Flexibel
reïntegratiebudget:
|
1
583
|
1
598
|
1
616
|
1
616
|
1. Bedragen Ioaw
en Ioaz zijn niet meegenomen aangezien deze regelingen niet in
de nieuwe wet zijn
ondergebracht.
rblz.|30|
Over deze wet is advies
gevraagd aan de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv).
De Rfv stemt in
beginsel
in met de voorgestelde volledige budgettering. Naar de mening van de Raad moet dan echter
wel aan een tweetal voorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats dient het
vastgestelde macrobudget exact de economische conjunctuur te volgen. In
de tweede plaats mogen gemeenten niet worden geconfronteerd met onvolkomenheden in de verdeelsystematiek
van
het macrobudget. Zolang niet aan deze voorwaarden is voldaan, is volgens de Raad volledige
budgettering prematuur. De Raad is wel van oordeel dat de voorgestelde
vereenvoudiging een bijdrage levert aan een effectieve en efficiënte
uitvoering van het beleid.
Het kabinet is van mening
dat volledige budgettering een belangrijk onderdeel is van de voorgestelde
aanpak,
waarbij een zo groot mogelijke beleidsruimte van de gemeenten
in balans is met een
volledige financiële verantwoordelijkheid. Het kabinet heeft echter wel
oog voor de risico's waar
de Rfv op wijst. Uitgangspunt voor het kabinet is een systeem waarbij de conjuncturele risico's
bij het Rijk liggen en de risico's van het door de gemeenten gevoerde beleid bij
gemeenten. In hoofdstuk 5 van deze toelichting is deze systematiek uiteengezet.
12. Rechtsbescherming
[V;
NnavhV]
De gemeenten
moeten op
grond van artikel 8 [8], eerste en tweede lid, een tweetal verordeningen opstellen over
onderwerpen die voorheen landelijk werden geregeld: reïntegratie (artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel a)
en de verlaging van de algemene bijstand (artikel
18 [18], tweede lid). Daarnaast is één van
de
doelstellingen van de Wwb dat de gemeenten meer maatwerk moeten leveren. Het is
aan de gemeenten om hierbij het gewenste evenwicht tussen maatwerk en regelgeving vorm te
geven.
Het bovenstaande roept de
vraag op of hierdoor meer geschillen zullen ontstaan. Vooropgesteld dient te
worden dat maatwerk niet noodzakelijkerwijs tot meer geschillen leidt. Goed maatwerk is juist
dat een ieder krijgt wat het beste voor hem is. Ook het feit dat iets
bij gemeentelijke verordening
in plaats van bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt geregeld,
leidt niet zonder meer tot meer geschillen. Hierbij is het natuurlijk wel van belang dat de
verordeningen aan de eisen van de Wwb voldoen (hierbij kan gebruik worden gemaakt van
landelijke checklists). Als de gemeente haar verordening juist toepast, ook wat betreft de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en daarbij goed maatwerk levert, is er geen enkele
reden te veronderstellen dat de Wwb structureel tot meer geschillen zal leiden.
Bijvoorbeeld bij de toeslagenverordening op grond van de Abw
is zowel gebleken
dat gemeenten
goede verordeningen kunnen maken als dat dit niet tot meer geschillen leidt. Op de
korte termijn kunnen meer geschillen echter niet worden uitgesloten. Aan de ene kant zullen de
gemeenten ervaring met de nieuwe verordeningen moeten opdoen en aan de andere kant
brengt de Wwb voor een deel van de bijstandsgerechtigden belangrijke wijzigingen in hun
rechten en plichten met zich mee. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan het
afschaffen van de categoriale ontheffing van de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met
kinderen onder de 5 jaar. Deze groep zal hiertegen mogelijk in bezwaar gaan, omdat men
van mening is dat er sprake is van een dringende reden (zorgtaken) voor ontheffing van deze
arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9 [9], tweede lid, van de
Wwb. Deze effecten kunnen
overigens worden beperkt door een goede ondersteuning van de gemeenten en duidelijke
voorlichting aan de cliënten.
Overigens brengt de Wwb
met zich mee dat er op bovengenoemde punten verschillen tussen gemeenten zullen
ontstaan. Dit heeft
onder rblz.|31|
andere tot gevolg dat de rechtbanken en de
Centrale Raad
van Beroep
zich meer dan voorheen zullen moeten richten op de lokale regelgeving in plaats van de
landelijke.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1.
Algemeen
§ 1.1. Begripsbepalingen
Artikelen
1 [1]
en
2 [2]. Organen,
premies en kinderbijslag [V;
NnavhV]
Deze artikelen bevatten
een aantal begripsbepalingen. Alleen het begrip inrichting (artikel
1, onderdeel g) behoeft
enige nadere toelichting. Of iemand in een inrichting verblijft dan wel zelfstandig woont, is
van
belang voor de bepaling van de bijstandsnorm
die van toepassing is (zie ook
artikel 23 [23]). Bij
de bepaling van het begrip inrichting wordt zowel de doelstelling als het feitelijk
functioneren van de betreffende organisatie in ogenschouw genomen. De feitelijke werkzaamheden
kunnen onder meer blijken uit het door de instelling aangeboden voorzieningenpakket. Bij
de uitvoering van deze wet zal vooral moeten worden beoordeeld of de inrichting voorziet in
kost en inwoning van de betrokkene. Aangezien dit in de meeste inrichtingen, zoals
verzorgingstehuizen, verpleegtehuizen en opvangtehuizen, het geval is,
is de verlening van bijstand
aan personen in inrichtingen slechts in een beperkt aantal gevallen aan de orde.
De in artikel 1
[1],
onderdeel g, onder 2º, opgenomen begripsomschrijving strekt ertoe om
ten aanzien van de
voorzieningen voor maatschappelijke opvang een objectief waarneembare scheidslijn te trekken
tussen datgene dat als, al dan niet begeleid, zelfstandig wonen kan worden beschouwd en
datgene dat als verblijf in een inrichting moet worden bezien. Het gaat daarbij om voorzieningen
waarbij aan personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van
psychosociale of maatschappelijke aard in ieder geval slaapgelegenheid wordt
geboden in opvangcentra en -tehuizen, anders dan in de vorm van zelfstandige huisvesting,
tezamen met de mogelijkheid van begeleiding en hulpverlening gedurende meer dan de
helft van ieder etmaal. Onder hulpverlening en begeleiding in de zin van het begrip inrichting
dient te worden verstaan de inzet van beroepskrachten die door de instelling zijn
aangesteld voor het bieden van verzorging en verpleging dan wel voor het
door hen toepassen van
agogische methodieken. Wordt hulpverlening en begeleiding in deze betekenis
gedurende meer
dan de helft van ieder etmaal geboden, dan is sprake van een inrichting in de zin van
artikel 1 [1], onderdeel g, onder 2º.
Een instelling voor
maatschappelijke opvang kan meerdere voorzieningen omvatten. Als een voorziening voor
maatschappelijke opvang wel de mogelijkheid van hulpverlening en begeleiding
omvat, maar
de betreffende cliënt hiervan geen gebruik maakt, dan is voor deze voorziening toch
sprake
van een inrichting in de zin van deze wet en is artikel 23
[23] van toepassing.
Bij de
opvangvoorzieningen voor dak- en thuislozen, zoals bijvoorbeeld de
sociale pensions, beperkt de voorziening
zich veelal tot het bieden van slaapgelegenheid. Binnen deze voorzieningen zijn in de
regel geen of slechts in beperkte mate mogelijkheden tot het bieden van begeleiding en
hulpverlening. In deze situaties is dan ook geen sprake van een
inrichting in de zin van deze wet en
kan aan personen die gebruik maken van dergelijke voorzieningen de norm van
artikel 21 [21]
worden toegekend, uiteraard voor zover het gaat om personen van 21 jaar of ouder. De
artikelen 25 tot en met 30 [25-30] (toeslagen en verlagingen) zijn in deze
gevallen onverkort van toepassing.
rblz.|32|
Blijf-van-mijn-lijfhuizen
zijn vanaf hun oprichting primair beschouwd als woonvoorzieningen,
waarbij de gebruik(st)er voor de toepassing van deze wet als zelfstandig
wonend wordt beschouwd.
Ook de projecten voor begeleid wonen voldoen niet aan de definitie van het begrip
inrichting, omdat deze projecten bedoeld zijn als woonvoorziening met een zeer beperkte
mogelijkheid tot begeleiding.
Artikel
3 [3]. Gezamenlijke
huishouding en woning
Het partnerbegrip komt
overeen met het partnerbegrip in de Algemene
bijstandswet (Abw). De reeds
ontwikkelde
jurisprudentie ter zake blijft derhalve van betekenis.
Naar aanleiding van deze
jurisprudentie is het vierde lid, onderdeel a, gewijzigd. In tegenstelling tot de Abw
is een periode aangegeven waarin burgemeester en wethouders zonder nader onderzoek
kunnen concluderen dat de belanghebbenden een gezamenlijke huishouding voeren indien
zij voor de verlening van bijstand eerder in die periode als gehuwden zijn aangemerkt.
Deze periode is gesteld op twee jaar. Deze termijn wordt ook gehanteerd in de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid.
Gehuwden
In de begripsomschrijving
van de met gehuwden gelijkgestelde personen (tweede lid, onderdeel a) is
het
criterium "duurzaam" niet opgenomen. Dit heeft tot doel te voorkomen dat
personen die feitelijk
een gezamenlijke huishouding voeren pas na verloop van enige tijd ook als zodanig voor de
bijstandverlening worden aangemerkt. Het niet opnemen van het duurzaamheidscriterium
heeft niet tot gevolg dat een kortdurend verblijf in de woning van een ander er al toe leidt dat
de betrokkenen worden geacht elkaars partners te zijn. Daartoe dient er immers sprake van te
zijn dat de betrokkenen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Bij tijdelijk verblijf is
daarvan geen sprake.
Van "duurzaam
gescheiden levende" echtgenoten is sprake indien het een door beide betrokkenen of
door één
van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder
afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander
gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Ook een door geen van
beide echtgenoten gewilde toestand die voor de voorzetting van de echtelijke samenleving
een daadwerkelijk
beletsel vormt en waarvan redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de echtelijke samenleving
kan worden hervat, kan worden aangemerkt als een situatie van duurzaam gescheiden
leven. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de echtgenoot voor langere tijd in een
psychiatrische inrichting is opgenomen en geen positieve wijziging in
diens geestestoestand is te
verwachten. Voorts kan worden gedacht aan de in Nederland wonende politieke vluchteling die
gedwongen is geweest zijn gezin in het land van herkomst achter te laten.
Er is een toereikende
rechtvaardiging om voor de bloedverwanten in de eerste graad een uitzondering
te maken op
de gelijkstelling met gehuwden. Het gaat hierbij om de relatie tussen ouders en
kinderen, waarbij de samenwoning in de regel voortvloeit uit de huidige
of vroegere
afhankelijkheidsrelatie van het kind ten opzichte van de ouders. Hierbij
is geen sprake van een
vrijwillige keus om een nieuwe, voorheen nog niet bestaande gezamenlijke
huishouding te gaan
voeren, hetgeen ten grondslag ligt aan de huwelijkse samenlevingsvorm die het uitgangspunt
vormt voor een gelijke behandeling van andere samenlevingsvormen.
Gezamenlijke huishouding
In het derde lid wordt
verduidelijkt in welke situaties sprake is van gezamenlijke huisvesting.
Daarvoor is
doorslaggevend of de betrokkenen rblz.|33|
feitelijk dezelfde woning bewonen. In
de redactie van dit lid
wordt dit aangegeven door te spreken van "het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning".
Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld aan het loutere feit dat één
van hen elders een eigen
woning heeft, ongeacht of deze daar feitelijk gehuisvest is, de
conclusie wordt verbonden dat er
geen sprake kan zijn van een gezamenlijk gevoerde huishouding. Het begrip
"woning" is
gekozen, omdat dit aansluit bij de Huursubsidiewet. Dit is voor burgemeester en
wethouders een duidelijk hanteerbaar begrip. In de uitvoering van de Huursubsidiewet wordt
onder een woning een zelfstandige woning verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van
een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte,
was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen
toegang
houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te
hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn.
Huurders van een woning
in zogenoemde centraalwonenprojecten hebben meestal de beschikking over een
geheel zelfstandige wooneenheid. Daarnaast heeft men met andere bewoners de mogelijkheid
om van gemeenschappelijke voorzieningen gebruik te maken. Ondanks de aanwezigheid
van die gemeenschappelijke voorzieningen is in geval van een geheel zelfstandige
wooneenheid toch sprake van een woning.
In de praktijk worden
burgemeester en wethouders geconfronteerd met samenwonende partners die meedelen dat
hun relatie er een is van verhuurder en onderhuurder of kostgever en kostganger. Ook als
de
betrokkenen documenten overleggen waaruit dat zou moeten blijken, behoeft dat niet
te betekenen dat burgemeester en wethouders hen als alleenstaanden moeten aanmerken. De
loutere aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt
betaald, staat er immers niet aan in de weg dat de betrokkenen mogelijk
in feite een gezamenlijke
huishouding voeren. Bij onderhuurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke
relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig
is die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging
die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de
overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat
ook het geval is in andere
situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, dienen
burgemeester en
wethouders een onderzoek in te stellen naar de feitelijke omstandigheden van de
betrokkenen. Als daaruit blijkt dat de betrokkenen in werkelijkheid een gezamenlijke
huishouding voeren, moet worden geconcludeerd dat de overgelegde stukken een onjuiste
weergave zijn van de feitelijke situatie en dat de betrokkenen als
partners dienen te worden
aangemerkt. Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke
huishouding kunnen
burgemeester en wethouders steunen op de jurisprudentie die in de loop der jaren is ontwikkeld.
In het vierde lid worden
de situaties aangegeven waarin burgemeester en wethouders zonder nader onderzoek kunnen
concluderen dat de betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Uit de
aanhef van
dit lid blijkt dat deze bepaling betrekking heeft op samenwonenden. Van een gezamenlijke
huishouding wordt derhalve uitgegaan als de betrokkenen én gezamenlijk gehuisvest
zijn én verkeren in één van de hier genoemde situaties. Onderdeel b ziet ook op de situatie
dat, hoewel er geen erkenning van een kind heeft plaatsgevonden, uit de relatie van de
betrokkenen een kind is geboren. Dit laatste is geen gegeven dat in de bevolkingsadministratie
is opgenomen. Handelingen of mededelingen van de betrokkenen kunnen echter aanwijzing
zijn dat hiervan sprake is, bijvoorbeeld dat de man aangifte doet van de geboorte van het
kind.
rblz.|34|
Artikel
4 [4]. Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin
Uit
artikel 3 [3], eerste
lid, onderdeel a, vloeit voort dat twee personen die bloedverwant zijn
in de eerste graad en een
gezamenlijke huishouding voeren, niet als gehuwd worden aangemerkt. Om te
voorkomen dat deze
personen, die wel een gezamenlijke huishouding voeren, evenmin als alleenstaanden kunnen
worden aangemerkt, is in artikel 4 [4],
onderdeel a en b, de zinsnede "tenzij het
betreft een
bloedverwant in de eerste graad" opgenomen. Gezien de begripsomschrijvingen
(onderdeel a en b) kan de co-ouder noch als een alleenstaande, noch als een alleenstaande
ouder worden aangemerkt. Omdat de betrokkene de zorg heeft voor kinderen, valt hij niet
onder de definitie van een alleenstaande. Omdat de betrokkene niet de volledige zorg voor de
kinderen heeft, kan hij evenmin als een alleenstaande ouder worden aangemerkt. Burgemeester
en wethouders dienen derhalve op grond van de algemene individualiseringsbepaling
van artikel 18 [18], eerste lid, vast te stellen welke landelijke
bijstandsnorm op de
betrokkene van toepassing is.
Onderdeel c is vooral van
belang vanwege het beginsel dat de bijstand aan personen die een gezin vormen, wordt
verleend als gezinsbijstand. Dit beginsel vloeit voort uit de artikel
11 [11], vierde lid, en artikel 18
[18], eerste en vierde lid. Onderdeel
d bevat een algemene omschrijving van het begrip "kind".
Onder kind wordt mede het geadopteerde kind begrepen. Pleegkinderen worden voor
deze wet niet
als kind aangemerkt. Het is gebruikelijk dat het pleeggezin voor dit kind een vergoeding
ontvangt. Is niettemin ten behoeve van een pleegkind bijstand noodzakelijk, dan wordt
dit kind als zelfstandig subject aangemerkt. Wat betreft het ten laste komende kind wordt een
leeftijdsgrens van 18 jaar gehanteerd. Hiermee wordt aangesloten bij het ook in
andere
regelingen op het terrein van de sociale zekerheid bestaande
uitgangspunt dat kinderen vanaf 18
jaar doorgaans als economisch zelfstandig kunnen worden beschouwd.
Een kind dat weliswaar
financieel ten laste van de ouders komt, doch dat in het buitenland woonachtig is, kan niet
worden aangemerkt als een ten laste komend kind in de zin van deze wet, aangezien de
werkingssfeer van deze wet zich niet uitstrekt tot degenen die buiten Nederland woonachtig zijn
(artikel 11 [11], eerste lid).
Artikel
5 [5]. Bijstand en
voorliggende voorziening
In het kader van
deze wet
wordt onder bijstand zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand
verstaan. De bijstandsnorm, te weten de op grond van
hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 [3.2], op belanghebbende
van
toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van hoofdstuk 3, paragraaf
3.3 [3.3], door burgemeester en wethouders vastgestelde verhoging of verlaging, wordt geacht
toereikend te zijn ter voorziening in de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van
het bestaan, dat wil zeggen in de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op
minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Doen zich evenwel in de individuele
situatie bijzondere omstandigheden voor en leiden deze tot extra noodzakelijke
bestaanskosten die naar het oordeel van burgemeester en wethouders in
die concrete situatie niet
kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het
inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm, dan kan er aanleiding zijn tot het
verlenen van bijzondere bijstand. Ook degenen die geen algemene bijstand ontvangen,
kunnen, indien zij onvoldoende financiële draagkracht hebben, voor bijzondere bijstand in
aanmerking komen.
In verband met het
uitgangspunt dat deze wet in het stelsel van bestaansvoorziening de
plaats inneemt van de laatste
voorziening, speelt het begrip voorliggende voorziening (onderdeel f) een bepalende rol.
De
begripsomschrijving brengt tot uitdrukking dat elke andere bestaansvoorziening
rblz.|35|
voor
deze wet, als sluitstukvoorziening, het karakter heeft van een voorliggende voorziening,
die met voorrang op deze wet dient te worden toegepast. De
bijstandverlening is
complementair ten opzichte van een voorliggende voorziening. Indien zich in het bereik of de
werking van een voorliggende voorziening wijzigingen voordoen, dient de uitvoering van
deze wet daarbij aan te sluiten. De gegeven begripsomschrijving laat dit toe.
Artikel
6 [6]. Niet-uitkeringsgerechtigde, arbeidsinschakeling en sociale activering
[V]
Onder het begrip
arbeidsinschakeling wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid,
waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel
7 [7], eerste lid,
onderdeel a. Hiermee wordt aangegeven dat gesubsidieerde arbeid als voorziening in het kader
van deze wet geen einddoel kan zijn. De verantwoordelijkheid van de gemeente
om personen
te ondersteunen richting arbeidsinschakeling (artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel a) reikt
daarmee verder dan het aanbieden van gesubsidieerde arbeid. De werknemer op een
gesubsidieerde arbeidsplaats mag van de gemeente verwachten dat zij indien nodig
ondersteuning geeft gericht op doorstroom naar ongesubsidieerd werk.
Voor zowel reguliere
betaalde arbeid als voor gesubsidieerde arbeid gaat het om algemeen geaccepteerde arbeid. Met
het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" (onderdeel b) wordt bedoeld
arbeid die
algemeen maatschappelijk aanvaard is. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd
zijn, zoals
prostitutie, worden hiermee uitgesloten. Ook worden werkzaamheden uitgesloten die ingaan
tegen de integriteit van de persoon, zoals werkzaamheden die gewetensbezwaren
oproepen.
De arbeid die wordt
aangeboden hoeft dan ook niet beperkt te blijven tot die arbeid die gangbaar is
voor de
betrokken persoon, omdat hij bijvoorbeeld die arbeid in het verleden
heeft verricht en daarmee wellicht meer affiniteit heeft dan met de aangeboden arbeid.
Met deze omschrijving
wordt uitdrukkelijk afstand genomen van het begrip "passende arbeid",
zoals dat in eerdere
regelgeving werd gehanteerd. Uitgangspunt van de nieuwe wet is immers dat de weg naar
werk zo
kort mogelijk dient te zijn en dat, mede gelet op het vangnetkarakter van deze wet, dan ook
elke vorm van arbeid geaccepteerd dient te worden. Er kunnen door de gemeente of door de
cliënt geen eisen gesteld worden aan de aansluiting van de arbeid aan
het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau. Ook arbeid van
tijdelijke aard dient
geaccepteerd te worden. Het kan in individuele gevallen mogelijk zijn
dat ook een verhuizing aan de
orde kan komen, indien de reistijd erg lang gaat worden.
Onder algemeen
geaccepteerde arbeid wordt eveneens verstaan alle vormen van gesubsidieerde
arbeid,
met uitzondering van dienstbetrekkingen in het kader van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw);
hiervoor gelden de voorwaarden van de Wsw.
Sociale activering, zoals
gedefinieerd in artikel 6 [6], onderdeel c, heeft tot doel personen met een grote
afstand tot de
arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt of, indien dit nog
niet mogelijk is, als tussendoel het bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan
het maatschappelijk leven door bijvoorbeeld zelfstandig, dus zonder externe begeleiding,
vrijwilligerswerk te
verrichten of deel te nemen aan activiteiten in de wijk of buurt. Belanghebbenden moeten
dan op eigen kracht kunnen deelnemen aan deze activiteiten. Hiertoe kan de gemeente
afspraken maken met de betreffende instellingen.
Zie voor het begrip
niet-uitkeringsgerechtigden paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze
memorie van toelichting.
rblz.|36|
§ 1.2.
Opdracht gemeente
De gemeente
is in
medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van deze
wet. Deze verantwoordelijkheid valt
uiteen in een opdracht aan burgemeester en wethouders en aan de gemeenteraad.
Artikel
7 [7]. Opdracht
burgemeester en wethouders [V]
Burgemeester en
wethouders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de twee hoofdtaken van
deze wet.
Het gaat om het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, van personen
met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) en niet-uitkeringsgerechtigden, bij het verkrijgen van algemeen
geaccepteerde arbeid. Bij deze ondersteuning
zijn burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor het bepalen en aanbieden van
voorzieningen indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling.
Daarnaast gaat het om het verlenen van bijstand. De voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling worden nader toegelicht bij de artikelen 9
[9] en
10 [10]; de
bijstand komt vooral aan de orde
bij de artikelen 11 tot en met 16 [11]
en bij de
hoofdstukken 3 [3]
en 4 [4].
Op grond van het tweede
lid moeten burgemeester en wethouders bij het aanbieden van de voorzieningen samenwerken
met de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). Deze bepaling is het spiegelbeeld van artikel 8
van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).
De
verantwoordelijkheidsverdeling tussen burgemeester en wethouders en het
UWV is geregeld in de Wet SUWI en houdt kort gezegd in dat burgemeester en wethouders verantwoordelijk zijn
voor de ondersteuning, waaronder het aanbieden van voorzieningen, aan
bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een
uitkering op grond van de Anw en dat
het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van personen met een
UWV-uitkering. In
afwijking van deze hoofdregel kunnen burgemeester en wethouders met het UWV
overeenkomen dat zij deze verantwoordelijkheid overnemen van het UWV, overeenkomstig
artikel 7 [7], derde lid. Het kan hierbij zowel gaan om personen met alleen een UWV-uitkering
als om personen die zowel een UWV-uitkering ontvangen als een uitkering op grond van
deze wet. Dit kan van toepassing zijn wanneer de gemeente
in het kader van een
wijkgerichte aanpak ook WAO-ers of WW-ers in een
reïntegratietraject zou willen opnemen.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot het tweede
tot en met vijfde lid. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd onder welke
voorwaarden gemeenten de reïntegratie kunnen overnemen en hoe de financiering wordt
geregeld. Zo ligt het voor de hand om als voorwaarde vast te leggen dat betrokkene niet al bij
het UWV een traject volgt.
De werkzaamheden in het
kader van de voorzieningen - inclusief de werkzaamheden met betrekking tot
gesubsidieerde arbeid - worden in beginsel uitgevoerd door een
natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in het
arbeidsproces bevordert (vierde lid). Een gemeentelijke dienst valt niet onder deze definitie.
Eén en ander impliceert
dat in de relatie van de gemeente met onder meer de lokale welzijnsorganisaties en
de Regionale Opleidingen Centra (ROC's) een verzakelijking tot stand wordt
gebracht zodat ook
het aanbod van deze instellingen op de markt kan worden ingekocht.
Het voorgaande laat
onverlet dat er ruimte nodig kan zijn voor activiteiten die niet via de markt kunnen
worden
uitbesteed. In paragraaf 3.2.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is
aangegeven dat bij rblz.|37|
ministeriële regeling kan worden bepaald dat een
deel van de reïntegratieactiviteiten niet hoeft te worden uitbesteed.
Voor de gelden die worden
ingezet als cofinanciering bij Equal-projecten en bij projecten in het kader
van de
Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde
werknemers (Svww) is geen aanbestedingsprocedure vereist. Ditzelfde geldt voor
kinderopvang.
Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze memorie van toelichting gelden de aanbestedingsregels uit
het Besluit SUWI totdat een goed werkende reïntegratiemarkt tot stand is
gekomen.
In het eerste lid,
onderdeel b, wordt tot uitdrukking gebracht dat burgemeester en
wethouders verantwoordelijk zijn
voor het verlenen van bijstand. Deze verantwoordelijkheid heeft betrekking op de
sturing
van de uitvoering, op het voeren van beleid en op de toepassing van discretionaire
bevoegdheden bij de individuele gevalsbehandeling. Het vijfde lid geeft
aan welke uitvoeringstaken daarbij wel en niet aan derden kunnen worden uitbesteed. Onder
derden wordt in dit
verband niet verstaan personen die bijvoorbeeld via een uitzendonderneming of
organisatieadviesbureau zijn ingehuurd, omdat de door hen verrichte werkzaamheden aangemerkt
kunnen worden als werkzaamheden die door het bestuursorgaan zijn verricht. Indien de
gemeentelijke uitvoeringsorganisatie door de structurele inzet van ingehuurde krachten
feitelijk wordt ontmanteld, is materieel sprake van niet-geoorloofde uitbesteding.
De in het vijfde lid
opgenomen beperking heeft betrekking op alle rechten en plichten van belanghebbende. Dit scala
aan rechten en plichten, dat varieert van de claimbeoordeling tot het vaststellen van
betalingsverplichtingen in het kader van terugvordering en verhaal, is ruimer dan de in
hoofdstuk 2 [2] geregelde rechten en plichten.
Dat de in een gemeente te
treffen mandaatregeling er de facto niet toe mag leiden dat het "verbod van
uitbesteding" wordt omzeild, laat onverlet dat burgemeester en
wethouders de vaststelling en beoordeling wel kunnen mandateren aan andere bestuursorganen, zoals het
college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente of de CWI. De uitvoering
van de wet blijft daarmee
binnen het publieke domein. Overigens maakt de Algemene wet bestuursrecht
(Awb)
uiteraard ook mandatering mogelijk aan de eigen gemeentelijke ambtenaren.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
aan- en
uitbesteding.
Artikel
8 [8]. Opdracht
gemeenteraad
De gemeenteraad heeft in
de nieuwe wet een duidelijke verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid
vloeit voort uit de grotere beleidsruimte die gemeenten
krijgen in deze wet, zowel
wat betreft de
invulling van het reïntegratiebeleid als wat betreft de invulling van de rechten en plichten
van de cliënt (afstemmingsartikel). Daarnaast worden gemeenten volledig financieel
verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet. Dit brengt met zich mee dat de gemeenteraad, mede
met het oog op de rechtszekerheid van de cliënt, het eigen gemeentelijk beleid in
een verordening moet vastleggen.
De gemeenteraad is op een
drietal terreinen verantwoordelijk voor het bij verordening stellen van regels. De regels met
betrekking tot de reïntegratie (onderdeel a) worden toegelicht bij
artikel 10 [10]. De
regels,
bedoeld in de onderdelen b en c, worden toegelicht bij de
artikelen 18 [18] en 30
[30]. Het is aan de gemeenten om een beleidskeuze te maken ten aanzien van het benutten van
modelverordeningen van de VNG of van elkaar. Het ligt echter voor de hand dat gemeenten niet zozeer gebruik
zullen maken van modelverordeningen, maar eerder van bijvoorbeeld checklisten. De
gemeenteraad zal immers haar eigen beleidsruimte zoveel
mogelijk rblz.|38|
willen benutten ten aanzien van
de aard en omvang van de in te zetten voorzieningen, de wijze waarop rekening wordt
gehouden met de combinatie van arbeid en zorg, de wijze waarop invulling wordt gegeven
aan een evenredige benadering van doelgroepen en de wijze waarop de afstemming wordt
ingekaderd.
Verder speelt de
gemeenteraad een belangrijke rol bij de controle op de uitvoering van
deze wet door burgemeester en
wethouders. Zie hiervoor hoofdstuk 8 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting en de toelichting bij de artikelen 76 en
77.
Hoofdstuk 2.
Rechten en plichten
§ 2.1.
Arbeidsinschakeling
In dit hoofdstuk wordt
een toelichting gegeven op de arbeidsinschakeling en de ontheffing. Ook wordt daarbij
ingegaan op de voorzieningen.
Artikelen
9 [9] en 10
[10]. Plicht
tot en aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling [V;
NnavhV] [V;
NnavhV]
De artikelen 9
[9] en
10 [10] vormen, samen met de artikelen 7
[7], eerste lid, onderdeel
a, en 8 [8], eerste
lid, onderdeel a, het hart van
dit wetsvoorstel. De belanghebbende is, om in aanmerking te komen voor een
bijstandsuitkering, verplicht naar vermogen arbeid te verkrijgen en te
aanvaarden. Voor zover burgemeester
en wethouders het noodzakelijk vinden om daarbij ondersteuning te bieden, dient de
belanghebbende daarvan gebruik te maken.
Hiertegenover staat dat
hij in dat geval ook een aanspraak heeft op een dergelijke ondersteuning,
overeenkomstig de gemeentelijke verordening.
Hieronder wordt
achtereenvolgens aandacht besteed aan: voorzieningen, gesubsidieerd werk
(als specifieke
voorziening), werken met behoud van uitkering, de aanspraak en de verordening, alsmede de
arbeidsverplichting en de mogelijkheden tot ontheffing daarvan.
Voorzieningen
In paragraaf 3.2.1 van
het algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds ingegaan op de beleidsruimte van
burgemeester en wethouders en op de verschillende mogelijkheden van een
voorziening. Het
is de bedoeling dat gemeenten daarbij zoveel mogelijk gebruik proberen te maken van
voorliggende voorzieningen als de Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Er zijn immers middelen voor deze voorzieningen
beschikbaar. Mochten deze voorliggende voorzieningen niet in voldoende
mate kunnen bijdragen aan de
reïntegratie van betrokkene, dan kan een gemeente
besluiten middelen uit het
reïntegratiebudget in te zetten, voor zover zij daarbij blijven binnen
de wettelijke kaders van de
genoemde wetten.
Ook het leveren van
nazorg om terugval in de bijstand te voorkomen, behoort tot de mogelijkheden. Dit kan in
sommige gevallen een goed alternatief zijn voor langdurige en soms kostbare trajecten.
Met nazorg wordt bedoeld allerlei vormen van jobcoaching, begeleiding op de
werkplek, advisering en dergelijke.
Gesubsidieerd werk
Gesubsidieerd werk kan
als één van de voorzieningen worden ingezet om arbeidsinschakeling te bevorderen. In
de wet zijn geen specifieke eisen opgenomen voor gesubsidieerde arbeid. Er geldt alleen de algemene
bepaling dat alle voorzieningen moeten dienen om de belanghebbende
uiteindelijk aan ongesubsidieerd werk te helpen.
De gemeente kan de
belanghebbende een dienstverband aanbieden dat rblz.|39|
geheel
of gedeeltelijk gefinancierd wordt uit
het vrij besteedbaar reïntegratiebudget. Het kan daarbij gaan om een dienstverband met een
reguliere werkgever, met een reïntegratiebedrijf of met de gemeente zelf. Bemiddeling naar
een gesubsidieerde arbeidsplaats en eventuele begeleiding tijdens de werkzaamheden op die
arbeidsplaats vallen onder de aanbestedingsregels voor het reïntegratiebudget.
In collectieve en
individuele arbeidsovereenkomsten kunnen voor de reïntegratie benodigde
arbeidsvoorwaardelijke
bepalingen door gemeenten zelf geregeld worden. Indien gewenst, kan voor het
dienstverband gebruik gemaakt worden van een detacheringsconstructie.
Indien het dienstverband hierbij
met de gemeente gesloten wordt, zal een gemandateerd werkgeverschap moeten
worden uitbesteed aan een reïntegratiebedrijf. Indien de gemeente of een reïntegratiebedrijf
ervoor kiest zelf een dienstverband met betrokkene aan te gaan, kan het wenselijk zijn slechts
een contract voor bepaalde tijd af te sluiten en in de arbeidsvoorwaarden
bepalingen op te nemen over ontbinding van rechtswege of opzegging van het dienstverband in
geval van een aanbod van niet-gesubsidieerd werk.
Ook de omvang van het
dienstverband is niet aan regels gebonden. In het geval dat een duaal traject - bijvoorbeeld
scholing en werkervaring - het meest passende traject is voor betrokkene, kan ook een
arbeidsovereenkomst in deeltijd worden aangeboden. Het loon wordt dan zo nodig aangevuld
tot bijstandsniveau.
Werken met behoud van
uitkering
Binnen de uitgangspunten
van deze wet is het eveneens mogelijk dat werkzaamheden worden verricht met behoud van
uitkering. Dat kan onder omstandigheden op eigen initiatief van de cliënt, maar ook als
onderdeel van een reïntegratietraject of in het kader van activiteiten
in de sfeer van sociale
activering. In alle gevallen staat de positieve bijdrage aan de
mogelijkheden voor arbeidsinschakeling
centraal.
De programma's kunnen
dus nooit louter dienen als een budgetvriendelijke oplossing voor het doen verrichten van
maatschappelijk nuttige activiteiten waarvoor geen of onvoldoende publieke financiering
voorhanden is. Hieruit volgt dat de verplichting om mee te werken aan werken met behoud van
uitkering alleen mag worden opgelegd indien de te verrichten werkzaamheden
noodzakelijk zijn om uit te stromen naar regulier werk. Dit houdt in dat
de gemeente
heeft
vastgesteld dat de cliënt baat heeft bij het opdoen van werkervaring
dan wel enige tijd nodig heeft om
te wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid, zoals
regelmaat, gezagsverhouding, etc. Daarmee is altijd sprake van een beperkte periode. Gedacht
kan worden aan het instrument proefplaatsing (thans voor arbeidsgehandicapten
opgenomen in de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten), op grond waarvan cliënten maximaal zes maanden met
behoud van uitkering bij een (reguliere) werkgever mogen werken. Over het algemeen zullen
de werkzaamheden gepaard moeten gaan met goede individuele begeleiding en afstemming
op de capaciteiten van de cliënt. Daarnaast is het van belang dat de gemeente rekening
houdt met de grenzen van het arbeidsrecht. Als de feitelijke situatie
niet wezenlijk verschilt van
een situatie waarbij sprake is van een dienstbetrekking, kan de betrokkene via de rechter
loonbetaling afdwingen. Als gevolg van jurisprudentie worden de volgende maatstaven
gehanteerd bij het vaststellen of al dan niet sprake is van een dienstbetrekking:
1. er
dient sprake te zijn van een persoonlijke verplichting om arbeid te verrichten,
2. die arbeid
wordt verricht onder gezag van een ander (gezagsverhouding), 3. die ander betaalt voor de
arbeid een zeker bedrag dat beschouwd kan worden als loon en 4. aan deze maatstaven wordt
gedurende een zekere tijd voldaan.
Voor cliënten die weinig
of geen perspectief hebben op uitstroom naar reguliere arbeid kan de gemeente ervoor kiezen om
onbeloonde arbeid op rblz.|40|
eigen initiatief van de cliënt te honoreren, om zo maatschappelijk
isolement te voorkomen of te doorbreken.
Verordening en aanspraak
op ondersteuning
Artikel
8 [8], eerste lid,
onderdeel a, bepaalt dat het door de gemeente gevoerde beleid ten aanzien van de
reïntegratie van de doelgroepen waarvoor zij de verantwoordelijkheid
draagt, wordt vastgelegd in een
door de gemeenteraad vast te stellen verordening. In het tweede lid van artikel 8
[8] is bepaald
dat de gemeente in de verordening expliciet aandacht schenkt aan een evenwichtige aanpak van
de verschillende in de wet genoemde
groepen, en de doelgroepen daarbinnen, zoals
etnische minderheden, arbeidsgehandicapten, jongeren, etc. Ook de
aandacht voor mensen met een zeer
grote afstand tot de arbeidsmarkt valt hieronder. De gemeente dient tevens aandacht te
besteden aan de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken.
Personen die algemene
bijstand ontvangen, personen met een uitkering op grond van de Anw
en
niet-uitkeringsgerechtigden hebben op grond van artikel 10
[10] een aanspraak
op ondersteuning bij het
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en de naar het oordeel van burgemeester en
wethouders noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Indien burgemeester en wethouders een aanvraag om ondersteuning afwijzen, zullen zij dit
met redenen omkleed moeten doen. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open
voor de belanghebbende.
Burgemeester en
wethouders moeten bij hun besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat
geldt voor alle hiervoor
genoemde categorieën. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging,
zoals het reïntegratieadvies van het CWI, de beoordeling van het reïntegratieadvies, de
aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de
beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen
die beschikbaar zijn gesteld
door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening. De gemeente
moet dus naar
aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging
maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen
alleen is geen voldoende afwijzingsgrond van een dergelijk verzoek. Het kan immers mogelijk zijn
dat er een alternatief aanbod gedaan kan worden. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk
aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke
vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al
dan niet op langere termijn.
De aanspraak op een
gemeentelijke reïntegratie-inspanning geldt ook voor personen aan wie burgemeester en
wethouders tijdelijk een ontheffing hebben verleend. Het kan immers voorkomen dat de
betrokkene van mening is dat de situatie is veranderd en dat toeleiding
naar de arbeidsmarkt weer aan
de orde is.
Wanneer de bijstand aan
gehuwden wordt verleend, geldt de aanspraak op een voorziening voor beide partners. De
aanspraak op ondersteuning geldt evenzeer voor personen die op grond van
artikel 7 [7],
eerste lid, onderdeel a, werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid in het kader van een door de
gemeente aangeboden voorziening. Dit betekent dat indien voor betrokkene een
voorziening, bijvoorbeeld scholing, noodzakelijk wordt geacht om vanuit gesubsidieerde arbeid
naar ongesubsidieerd werk uit te stromen, de gemeente hierin kan voorzien.
Plicht tot
arbeidsinschakeling en ontheffing
Omdat een individuele, op
de persoonlijke omstandigheden toegesneden benadering uitgangspunt is van
deze wet, is in artikel
9 [9], eerste lid, volstaan met een algemene omschrijving van de
plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen wordt
zoveel mogelijk afgestemd rblz.|41|
op het individu en door burgemeester en wethouders in een
beschikking gespecificeerd. Het is aan gemeenten
om een invulling te geven aan de aard en
omvang van de voorzieningen.
Zoals eerder aangegeven,
kunnen er geen nadere eisen worden gesteld aan regulier werk ten aanzien van de aard, de
omvang en de beloning. Uitzondering hierop is de situatie waarin arbeid moet worden
gecombineerd met zorg voor kinderen. In die gevallen kan er een individuele afweging
plaatsvinden op grond waarvan arbeid die in beginsel geaccepteerd zou moeten worden, niet
geaccepteerd hoeft te worden omdat bijvoorbeeld werktijden en reistijden niet te
combineren zijn met de zorg voor kinderen en het niet mogelijk is dit probleem te ondervangen
door het aanbieden van een voorziening.
Indien de cliënt
deelneemt aan een inburgeringsprogramma dient dit programma te worden afgerond. Ook als de
cliënt werk aanvaardt, blijft afronding van het inburgeringsprogramma verplicht
(artikelen 9 en
12 van de Wet inburgering nieuwkomers (Win)). De cliënt moet dan ook aan de
gemeente melden dat hij werk aanvaardt. De gemeente dient dan zoveel mogelijk via individuele
maatwerkafspraken met de cliënt te bewerkstelligen dat een combinatie
van werk en inburgering
mogelijk wordt. Overigens verdient het de voorkeur om zoveel mogelijk duale trajecten na te
streven, gelet op het belang van een zo snel mogelijk verlopende reïntegratie en
inburgering.
Het uitgangspunt van
individueel maatwerk geldt uiteraard ook voor het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling. Steeds wordt bij iedere belanghebbende onderzocht wat diens
individuele capaciteiten en mogelijkheden zijn en op welke wijze arbeidsinschakeling het
best bevorderd kan worden. Het reïntegratieadvies van de CWI
speelt in dit proces een
belangrijke rol. Onderdeel van de verplichtingen kan zijn het deelnemen
aan een inburgeringscursus
overeenkomstig de Win.
Voor personen met een
grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste stap zijn. Deelname aan
deze activiteiten is daarom geen grond voor het verlenen van een tijdelijke ontheffing van
de arbeidsverplichtingen. Anderzijds geldt echter ook dat de verplichtingen afgestemd
moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar
reguliere arbeid.
Een andere specifieke
groep is de categorie belanghebbenden met zorgtaken. Met zorgtaken wordt de zorg voor
kinderen bedoeld. Om te voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te
lange afwezigheid uit het arbeidsproces en dat de uitstroomkansen verkleinen, dienen ook
aan hen arbeidsverplichtingen te worden opgelegd. Bij de invulling van de
arbeidsverplichtingen moet de gemeente rekening houden met een
verantwoorde invulling van de
combinatie werk en zorg. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de voorzieningen die nodig
zijn om deze combinatie daadwerkelijk te kunnen realiseren. Zij moet in de verordening
aangeven hoe daaraan invulling wordt gegeven.
Eventueel aanwezige
belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het
aanbieden van voorzieningen. Toch kunnen zich bij uitzondering tijdelijk situaties
voordoen dat ook voorzieningen niet toereikend zijn om de aanwezige belemmeringen geheel of
gedeeltelijk op te heffen. In deze situaties dienen burgemeester en wethouders de op te
leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene nog wel heeft
(artikel 9 [9], tweede lid). Medische belemmeringen zijn dus als zodanig geen aanleiding
voor een ontheffing. Om een juiste, individuele beoordeling te garanderen, verdient het
aanbeveling zoveel mogelijk gebruik te maken van adviezen van onafhankelijke, externe
deskundigen. Een dergelijk advies kan ook bestaan uit de indicatie voor de
Wsw.
rblz.|42|
§ 2.2.
Bijstand
Artikel
11 [11]. Rechthebbenden
In overeenstemming met de
Grondwet (artikel 20, derde lid) wordt gesproken van een recht op bijstand van
overheidswege. Het recht op bijstand van iedere burger impliceert de
plicht van de overheid in
voorkomende gevallen bijstand te verlenen. Deze plicht rust op burgemeester en
wethouders, aan wie de uitvoering van deze wet
in medebewind is opgedragen. Het recht op
bijstand vindt zijn begrenzing in het begrip "noodzakelijke kosten van het
bestaan". De
eindverantwoordelijkheid die de overheid op zich neemt voor de voorziening in het
bestaan van haar onderdanen in het geval alle andere bestaansmogelijkheden
tekortschieten, kan niet verder strekken dan het voorzien in het noodzakelijke. Welke
kosten van het bestaan als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt, is in belangrijke mate
afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van persoon of gezin. Een volledige
objectivering van het centrale begrip noodzakelijke kosten van het bestaan is dan ook niet
mogelijk. De uitvoerende verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders brengt mee dat
dit college in voorkomende gevallen beoordeelt of bepaalde kosten, gelet op het
specifieke geval, al dan niet als noodzakelijk zijn aan te merken. Niet
de belanghebbende zelf, doch
de gemeentelijke overheid oordeelt dus over de noodzaak van bepaalde kosten.
Bijstand kan ook worden
verleend wanneer er een gebrek aan middelen dreigt, zonder dat dit gebrek reeds feitelijk is
ingetreden. Dit biedt de mogelijkheid van een zeker preventief optreden.
In het vierde lid is
bepaald dat de aanspraak op gezinsbijstand een gemeenschappelijke aanspraak is van beide
echtgenoten, die aan beiden gezamenlijk toekomt. Deze bepaling heeft raakvlakken met
artikel 43 [43], tweede lid, en artikel
45 [45], vierde lid.
Vreemdelingen (tweede en
derde lid)
In verband met de
Koppelingswet hebben naast Nederlanders ook diegenen die aan een Nederlander gelijk zijn
gesteld recht op bijstand. Dit zijn alle vreemdelingen die in Nederland rechtmatig verblijf
houden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l, van de Vreemdelingenwet
2000.
Daaronder vallen dus ook de EU/EER-onderdanen die over een EU-verblijfsrecht beschikken.
Voor een verblijf korter
dan zes maanden is er geen bestaande Europese regelgeving. Er heeft zich wel jurisprudentie
ontwikkeld op het gebied van werkzoekenden. Deze kunnen gedurende zes maanden
werk zoeken.
De EU/EER-onderdaan die
in Nederland verblijft gedurende de vrije periode (conform artikel 3.3, eerste lid, onderdeel
d,
van het Vreemdelingenbesluit
2000: zes maanden) mag hier verblijven zonder document. In zijn
paspoort wordt een stikker geplakt. Op het moment dat hij ten laste komt van de Staat of van
andere openbare lichamen gaat zijn verblijfsrecht verloren (artikel 3.3, tweede lid, van het
Vreemdelingenbesluit
2000).
Voor een periode van zes
maanden tot vier jaar kan een EU/EER-onderdaan als economisch actief of economisch niet
actief in Nederland verblijven.
De EU/EER-onderdaan die
in Nederland verblijft als economisch actief (werken) moet het merendeel van zijn
inkomsten verkrijgen uit reële en daadwerkelijke arbeid. In het
algemeen moet meer dan 50% van de
betreffende bijstandsnorm worden verkregen uit arbeid. Het overige mag aangevuld
worden uit eigen middelen of uit middelen van de openbare kas.
Op het moment dat een
beroep op een bijstandsuitkering wordt gedaan, dient de vreemdeling
een verblijfskaart te
tonen - afgegeven door of namens de vreemdelingendienst - waaruit blijkt dat hij rechtmatig
in het rblz.|43|
land verblijft voor de duur van de werkzaamheden of op andere manier aan te
tonen dat hij over een EU-verblijfsrecht beschikt. Zo nodig kan hij naar
Justitie worden
doorverwezen teneinde een document te verkrijgen als bedoeld in artikel
9 van de Vreemdelingenwet
2000.
Wanneer een
bijstandsuitkering wordt verleend, melden burgemeester en wethouders dit
aan de vreemdelingendienst.
Het is de vreemdelingendienst die beoordeelt of een beroep op de openbare kas gevolgen
heeft voor het recht op verblijf. Pas na een daarop gerichte beschikking van de
vreemdelingendienst zal het verblijfsrecht vervallen en kan de verblijfskaart worden
ingetrokken. In de tussentijd mag de bijstandsuitkering niet beëindigd worden.
De EU/EER-onderdaan die
hier verblijft als economisch niet actief (studenten of niet-werkenden zoals gepensioneerden of
arbeidsongeschikten) moet beschikken over voldoende middelen van bestaan, dus
ten minste gelijk aan de betreffende bijstandsnorm. Deze personen kunnen een verblijfskaart
aanvragen die vijf jaar geldig is met de aantekening dat bij een beroep op de publieke middelen
het verblijfsrecht vervalt. Er zijn echter niet-actieve EU-onderdanen die toch bijzondere
bijstand aanvragen. Recht op bijstand bestaat dan omdat het verblijf
niet van rechtswege eindigt.
Eerst zal de verblijfskaart moeten worden ingetrokken door de vreemdelingenpolitie. De
EU/EER onderdaan kan tegen intrekking van zijn verblijf bezwaar/beroep
aantekenen. Zolang niet onherroepelijk op zijn verblijfstitel is beslist,
bestaat recht op bijstand. Bijstandverlening is niet aan de orde als uitzetting is gelast.
Burgemeester en wethouders kunnen aan
de code in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) zien wat de verblijfsstatus van de
vreemdeling is.
Het kan voorkomen dat een
economisch niet-actieve hier te lande verblijft zonder over een verblijfskaart te
beschikken. Zolang hij over voldoende eigen inkomsten beschikt, beschikt
hij van rechtswege over een EU-verblijfsrecht. Zodra hij niet meer over voldoende
bestaansmiddelen
beschikt, komt dit verblijfsrecht evenwel van rechtswege te vervallen. Recht op bijstand bestaat
er in een dergelijk geval niet, tenzij aan de betrokken persoon alsnog een verblijfsvergunning
zou worden verleend krachtens de Vreemdelingenwet
2000.
Artikel
12 [12]. Onderhoudsplicht ouders [V;
NnavhV]
Jongeren tot 21 jaar
kunnen een beroep doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Gezien het karakter van de bijstand
als sluitstukvoorziening is het gerechtvaardigd om de bijstandverlening daarop
af te stemmen. Er kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan dat de jongeren
altijd voor hun bestaanskosten volledig een beroep op de ouders kunnen doen. Voor zover
dit beroep niet mogelijk is, wordt voorzien in een recht op bijzondere bijstand. Als
aanvullende bijzondere bijstand wordt verleend omdat de jongere niet in staat is de ouderlijke
onderhoudsplicht te effectueren, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid deze op de
ouders te verhalen. Daarmee kan worden voorkomen dat de beslissing tot
bijstandverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.
Artikel
13 [13]. Uitsluiting
van bijstand [V;
NnavhV]
Dit artikel geeft weer
welke personen vanwege de omstandigheid waarin ze verkeren van
bijstandverlening zijn
uitgesloten.
Eerste lid
[13:1], onderdeel a
Degenen aan wie rechtens
hun vrijheid is ontnomen, komen niet in aanmerking voor algemene en bijzondere
bijstand. In de noodzakelijke kosten van het bestaan van deze personen wordt voorzien
door het ministerie van Justitie. De financiële verantwoordelijkheid van de Minister van
Justitie heeft mede betrekking op perioden van weekendverlof. Voor de rblz.|44|
kosten van het aanhouden
van woonruimte in de periode dat de betrokkene rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan
in de regel geen bijzondere bijstand worden verleend. Het behoort tot de eigen
verantwoordelijkheid van de betrokkene om ter zake een afdoende regeling
te treffen. In acute
noodsituaties waarin dit niet mogelijk is, kan mogelijk de gemeente
op
grond van zeer dringende
redenen bijzondere bijstand verstrekken voor woonkosten op grond van artikel
16 [16]. Het betreft
echter slechts heel uitzonderlijke situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van
de omstandigheden noodzakelijk is. Zij die (de laatste periode van) hun vrijheidsstraf
extramuraal doorbrengen, kunnen een beroep doen op bijstand indien zij behoren tot de bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën personen. Het derde lid opent hiertoe
de mogelijkheid. Het kan daarbij onder andere gaan om personen die in aanmerking komen voor
deelname aan een penitentiaire programma en om terbeschikkinggestelden
aan wie proefverlof is verleend.
Eerste lid
[13:1], onderdeel b
Degenen die hun militaire
dienstplicht vervullen, vallen onder de zorg van de Minister van
Defensie; zij zijn
derhalve uitgesloten van het recht op bijstand. Deze uitsluiting betreft
zowel de algemene als de
bijzondere bijstand, aangezien genoemde zorg van de Minister van Defensie in principe
álle noodzakelijke bestaanskosten omvat. Ten tijde van de indiening van
dit wetsvoorstel is met
betrekking tot de vervulling van de militaire dienstplicht de opkomstplicht opgeschort.
Deze opschorting kan binnen zeer korte tijd weer ongedaan worden gemaakt zodra de
internationale veiligheidssituatie daartoe aanleiding geeft. Gelet op deze bestaande
mogelijkheid van snelle reactivering van het dienstplichtstelsel is het
van belang dat deze wet
voorziet in de onderhavige uitsluiting van het recht op bijstand.
Eerste lid
[13:1], onderdeel c
Werkstaking of
uitsluiting van het werk dient voor de bijstandverlening een
uitsluitingsgrond op te leveren, aangezien
het verlenen van bijstand aan degenen die rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn bij een
dergelijk arbeidsconflict zou neerkomen op een ongewenste beïnvloeding door de
overheid van dat conflict. De uitsluitingsgrond geldt slechts voor zover het gebrek aan middelen
het gevolg is van die werkstaking of uitsluiting van het werk. Deze bepaling leidt ertoe dat
iemand die, voorafgaand aan de staking of uitsluiting van het werk, vanwege een deeltijdbaan
aanvullende bijstand ontvangt of die reeds bijzondere bijstand ontvangt, in geval van
staking of uitsluiting van het werk deze bijstand behoudt.
Eerste lid
[13:1], onderdeel d
Als tijdelijk verblijf
buiten Nederland wordt aangemerkt een normale vakantieperiode in het buitenland van in
beginsel vier weken. Verblijft iemand langer buiten Nederland, dan brengt
het in artikel 11 [11]
vastgelegde territorialiteitsbeginsel met zich mee dat geen recht
bestaat op bijstand. Voorts geldt in
deze situatie dat betrokkene zich onttrekt aan een juiste uitvoering van
deze wet. Dit sluit
zowel het verlenen van algemene als van bijzondere bijstand uit. In het verlengde van de
bestaande jurisprudentie bestaat er ook geen recht op bijstand indien de
noodzaak van het langere
verblijf buiten Nederland zou vast staan of als dit langere verblijf te wijten is aan overmacht.
Voor personen van 65 jaar
of ouder geldt dat zij gedurende een aaneengesloten periode van maximaal dertien weken
buiten Nederland mogen verblijven (vierde lid). Deze langere periode hangt samen met
het ontbreken van een arbeidsverplichting voor deze categorie.
Eerste lid
[13:1], onderdeel e
Personen jonger dan 18
jaar zijn in de gezinsbijstand begrepen. Hun noodzakelijke rblz.|45|
bestaanskosten worden
gerekend tot de bestaanskosten van de ouder of ouders, die ten aanzien van hen
onderhoudsplichtig zijn. Zij kunnen derhalve bij de verlening van
bijstand niet worden aangemerkt als een
zelfstandig rechtssubject dat recht heeft op bijstand.
Eerste lid
[13:1], onderdeel f
Bestaanskosten die de
afbetaling van schulden betreffen, kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als
noodzakelijke bestaanskosten in de zin van deze
wet. De overheid biedt via deze wet iedere
burger immers de zekerheid van toereikende middelen om in het noodzakelijke te voorzien
en neemt daarmee de noodzaak weg tot het maken van schulden louter om in de
noodzakelijke bestaanskosten te kunnen voorzien. Schulden ontstaan dus, uitzonderingen
daargelaten, niet uit een gebrek aan het noodzakelijke, doch uit de
wijze van besteding van de
middelen.
Tweede lid
[13:2], onderdeel a
De bijstand die eventueel
moet worden verleend aan 18- tot 21-jarigen die in een inrichting verblijven, wordt geheel
als bijzondere bijstand verleend. Het komt slechts zeer incidenteel voor dat aan deze groep
bijstand moet worden verstrekt. Nog meer dan bij de andere personen jonger dan 21 jaar zal de
te verlenen bijstand afhangen van de persoonlijke omstandigheden. Bij personen in deze
leeftijdscategorie wordt van de ouders over het algemeen een bijdrage gevraagd in de kosten van
het verblijf in de inrichting. De bijstand die, rekening houdend met deze onderhoudsplicht,
moet worden verleend, zal in voorkomende gevallen minder bedragen dan het landelijke
normbedrag. Een juiste aansluiting op de bestaanskosten van de
betrokkene en de ouderlijke
onderhoudsplicht kan dus alleen worden bereikt door de hoogte van de bijstand geheel af te
stemmen op de individuele omstandigheden van de betrokkene. Daarvoor vormt de bijzondere
bijstand het aangewezen instrument.
Tweede lid
[13:2], onderdeel b
In dit onderdeel is
geregeld dat er geen samenloop kan plaatsvinden van twee uitkeringen ter
zake van de algemene
noodzakelijke bestaanskosten, namelijk algemene bijstand ingevolge deze
wet en uitkering
krachtens de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik). Samenloop van een Wik-uitkering en
bijzondere bijstand is wel mogelijk, zij het dat er geen bijzondere bijstand kan worden
verleend voor beroepskosten in de zin van de Wik.
Tweede lid
[13:2], onderdeel c
Er bestaat geen recht op
algemene bijstand als gevolg van de vrijwillige opname van onbetaald verlof. Dit
geldt niet alleen de direct betrokken persoon, maar ook zijn echtgenoot of de daarmee gelijk te
stellen persoon. Het recht op bijstand is uitgesloten voor zover het ontbreken van middelen te
wijten is aan het opgenomen onbetaalde verlof. Niet beoogd is immers diegenen die reeds
nu, in aanvulling op een deeltijdbaan, aanvullende bijstand krijgen tot het voor hen geldende
sociaal minimum, het recht op de reeds bestaande aanvullende bijstand te ontnemen. Met
andere woorden, mocht in dergelijke gevallen een beroep op extra aanvullende bijstand
worden gedaan in verband met het opgenomen onbetaalde verlof, dan zal een dergelijk beroep niet
kunnen worden gehonoreerd voor zover het gebrek aan middelen het gevolg is van dat verlof.
Een uitzondering is
getroffen voor de alleenstaande ouder die onbetaald ouderschapsverlof opneemt op grond van
hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. Deze uitzondering is gebaseerd op de overweging dat het
voor alleenstaande ouders van belang is om de aanwezige aansluiting met de
arbeidsmarkt zoveel mogelijk te behouden.
rblz.|46|
Artikel
14 [14]. Niet-noodzakelijke kosten [V;
NnavhV]
Het begrip noodzakelijke
kosten van het bestaan is in de huidige wet niet nader omschreven.
In dit
artikel is
aangegeven welke kosten in ieder geval niet tot de noodzakelijke bestaanskosten worden
gerekend. Het betreft hier kosten die, vanwege hun aard, niet onder de werkingssfeer van
deze wet kunnen worden gebracht. Zoals uit de zinsnede
"in ieder geval" blijkt, is geen
limitatieve opsomming beoogd. Het is niet gewenst een uitgebreide
negatieve lijst in de wet op te
nemen van alle kostensoorten die niet tot de noodzakelijke
bestaanskosten worden gerekend. Een
dergelijke lijst zou burgemeester en wethouders in voorkomende bijzondere gevallen te
zeer kunnen belemmeren bij het vinden van een passende oplossing. Alleen de belangrijkste
kostensoorten die in de jurisprudentie consequent als niet noodzakelijk worden
aangemerkt, zijn opgenomen. Indien iemand reeds een algemenebijstandsuitkering
ontvangt en deze uitkering mede voor één van de genoemde kostensoorten wenst aan te wenden,
staat dit betrokkene uiteraard vrij. Bedoelde aanwending mag evenwel niet
vervolgens tot een
toekenning van extra bijstand leiden, aangezien dan alsnog langs indirecte weg
bijstand
voor deze kosten zou worden verleend.
Artikel
15 [15]. Voorliggende
voorziening
Inkomensaanvulling op
grond van deze wet is niet aan de orde wanneer binnen een voorliggende voorziening
(artikel 5 [5], onderdeel f) een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van
een
voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. Budgettaire overwegingen
om bepaalde kosten niet in de voorliggende voorziening op te nemen of overwegingen ten
aanzien van de vaststelling van de reikwijdte van de voorliggende
voorziening vallen hier
dus niet onder. Of een voorziening gezien haar aard en doel passend en toereikend is, is
afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele
geval en wordt mede
bepaald door hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht.
Het tweede lid strekt
ertoe de toegang tot bijstand op grond van dit wetsvoorstel open te houden voor
personen die
hun ambitie om als kunstenaar in het bestaan te voorzien, hebben opgegeven. In zo'n
geval moet het mogelijk zijn dat die persoon bij het ontbreken van voldoende
bestaansmiddelen een beroep kan doen op de inkomensaanvullende
voorzieningen in het kader van deze
wet. Voor een dergelijk persoon gelden vanaf het moment van instroming in de wet
uiteraard ook alle aan de wet verbonden plichten en rechten, zoals de plicht algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden.
Artikel
16 [16]. Zeer dringende
redenen
De plaats en functie van
deze wet als laatste voorziening in het stelsel van sociale zekerheid brengt
enerzijds mee dat
deze wet dient open te staan voor een zeer ruime kring van rechthebbenden.
Anderzijds betekent dit dat aan de uitsluitingsgronden die voor bepaalde
personen gelden geen absoluut karakter kan worden gegeven. In bijzondere gevallen dient,
wanneer zich daartoe zeer dringende redenen voordoen, de mogelijkheid aanwezig te zijn om
een persoon die geen
recht op bijstand heeft, toch financieel bij te staan. Dit artikel geeft
de bevoegdheid daartoe aan
burgemeester en wethouders. Uitsluitend vanwege het feit dat het de belanghebbende ontbreekt
aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien, kan nog niet worden gesproken
van zeer dringende redenen zoals in het artikel bedoeld. Vast dient te staan dat sprake is
van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende
verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het rblz.|47|
verlenen van bijstand volstrekt
onvermijdelijk is. Met dit artikel is dus niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te
bieden ten aanzien van de toepassing van uitsluitingsgronden.
Bij toepassing van dit
artikel kan zowel sprake zijn van de verlening van algemene als van bijzondere
bijstand.
§ 2.3.
Inlichtingenplicht en afstemming
Artikel
17 [17]. Inlichtingenplicht
Hoewel de
inlichtingenplicht waarschijnlijk de meeste betekenis heeft inzake de
verlening van bijstand, kan het ook van
belang zijn dat burgemeester en wethouders kennis dragen van feiten en omstandigheden
die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling van de individuele belanghebbende.
Om deze
reden heeft de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting betrekking op zowel
de arbeidsinschakeling als het recht op bijstand. Uitgangspunt blijft dat
van de belanghebbende die
een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening verlangd kan worden dat hij
voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van
die voorziening mogelijk
maakt te beoordelen of het beroep op die voorziening terecht wordt gedaan. Het feit dat
burgemeester en wethouders niet alleen bij een aanvraag om bijstand of om ondersteuning bij
arbeidsinschakeling, maar ook in andere stadia van bijstandverlening en
arbeidsinschakeling
concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen, laat onverlet dat de
belanghebbende onverwijld uit eigen beweging inlichtingen dient te verstrekken indien het
hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten en omstandigheden, of de
daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
zijn recht op bijstand. Verstrekt de belanghebbende niet of niet alle
gevraagde inlichtingen en
bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de beoordeling door burgemeester en
wethouders van het recht op bijstand of ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
Het tweede lid bevat een
algemene medewerkingsverplichting die zowel geldt ten aanzien van de arbeidsinschakeling
als de verlening van bijstand. Burgemeester en wethouders vertalen de algemene
medewerkingsverplichting in individuele situaties in één of meer
concrete verplichtingen. Zo kan bijvoorbeeld van de belanghebbende gevergd worden dat hij
medewerking verleent aan
een huisbezoek. Het niet verlenen van de specifiek verlangde medewerking kan voor
burgemeester en wethouders aanleiding vormen de verlening van bijstand op te schorten,
met toepassing van artikel 54 [54].
Het derde en het vierde
lid bieden ondersteuning van de hoofdverplichting tot het verstrekken van
relevante informatie.
Zij dienen om de juistheid van de verschafte informatie te kunnen verifiëren. Het
zich
kunnen legitimeren met een geldig legitimatiebewijs is een voorwaarde om aanspraak te kunnen
maken of te behouden op een voorziening ingevolge deze
wet. Derden mogen zich ook met
een rijbewijs legitimeren. Voor belanghebbenden geldt dit niet, omdat een rijbewijs de
nationaliteit niet vermeldt. De nationaliteit is van belang voor de vaststelling van de
identiteit van de belanghebbende en zodoende voor de vaststelling van
het recht op bijstand (artikel 11 [11]).
Artikel
18 [18]. Afstemming [V;
NnavhV]
Het
individualiseringsbeginsel staat centraal in deze
wet. Dit beginsel
stoelt op verschillende uitgangspunten, die op
verschillende plaatsen in de wet tot uitdrukking komen. Burgemeester en wethouders moeten de
bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende of het gezin.
rblz.|48|
Dit artikel komt in de
plaats van het boeten- en maatregelenbeleid in de Abw. Het opleggen van een
boete of
maatregel wordt vervangen door een aanpassing van de uitkering. Wanneer burgemeester en
wethouders constateren dat de belanghebbende zich niet aan de uit deze
wet voortvloeiende verplichtingen (inclusief die aan hem door burgemeester en wethouders in
de beschikking zijn opgelegd) houdt of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid
toont, zijn zij gehouden
de bijstand te verlagen. Dit houdt ook in dat als betrokkene aan burgemeester en
wethouders geen juiste informatie heeft verstrekt die van belang is voor
het recht op uitkering,
burgemeester en wethouders de uitkering lager kunnen vaststellen (tweede
lid). Burgemeester en
wethouders kunnen bij het vaststellen van de verlaging rekening houden
met de persoonlijke
omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen.
De eigen
verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening houdt in
dat aan het verkrijgen van een
uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze verplichtingen gelden
vanaf de melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld.
Als bijvoorbeeld bij
aanvang van de uitkering blijkt dat betrokkene door eigen toedoen zijn baan heeft
verloren en
als gevolg daarvan een beroep moet doen op bijstand, is hij daardoor niet de verplichting
nagekomen om waar mogelijk in het eigen bestaan te voorzien. Dit geldt ook in situaties waarin
betrokkene door zijn handelen of nalaten het recht verspeelt op een voorliggende voorziening,
bijvoorbeeld een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
(WW). Verder kan het gaan
om situaties waarin de betrokkene te weinig zijn best heeft gedaan om aan het werk te komen,
bijvoorbeeld door te weinig solliciteren of het weigeren van aangeboden arbeid.
Een bijzondere situatie
waarin sprake is van het niet nakomen van aan de uitkering verbonden
verplichtingen is
wanneer betrokkene zich zeer ernstig misdraagt jegens burgemeester en wethouders
of hun
ambtenaren. Onder de term "zeer ernstig misdragen" kunnen diverse vormen van agressie
worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
Op grond van in een
verordening vast te leggen criteria dienen burgemeester en wethouders in
individuele gevallen te
bepalen welke verplichtingen van toepassing zijn en wat de verlaging van de
uitkering is
indien een verplichting niet wordt nagekomen. Burgemeester en wethouders moeten er
daarbij zorg voor dragen dat zij tijdig worden geïnformeerd door betrokkenen, zoals de
CWI,
het reïntegratiebedrijf of het Regionaal Opleidingen
Centrum, over de naleving door de
belanghebbende van de vastgestelde verplichtingen. In de tweede volzin van het tweede lid wordt
nog eens geëxpliciteerd dat van een verlaging van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm
van verwijtbaarheid ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de belanghebbende
door overmacht niet in staat is geweest één of meer afspraken volledig na te komen.
Burgemeester en
wethouders kunnen de verlaging voor een bepaalde periode opleggen of totdat de
belanghebbende
de tekortkomingen heeft hersteld. Burgemeester en wethouders beoordelen uiterlijk
drie
maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van
belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (derde lid).
Bij het besluit tot het verlagen van de bijstand én bij de heroverweging vormen de algemene
beginselen van behoorlijk
bestuur centrale uitgangspunten. Omwille van de rechtszekerheid dienen de rechten en
plichten die voor de belanghebbende van toepassing zijn in de beschikking te worden
vermeld.
rblz.|49|
EVRM en vierde tranche
Awb
De verenigbaarheid van
het maatregelensysteem met de eisen die uit artikel 6 van het Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
voortvloeien, is
onder meer toegelicht in de memorie van toelichting bij de Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3,
blz. 11-13).
Kort samengevat, is daarin gesteld dat voor het antwoord op de vraag of de maatregel aangemerkt
moet worden als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, onder meer het karakter van het
vergrijp en de aard en zwaarte van de sanctie bepalend zijn, vgl. EHRM, 21-02-1984, NJ
1988, 937 (Oztürk). De aard van het vergrijp - het niet naleven van aan de
bijstandverlening
verbonden verplichtingen - is niet strafrechtelijk; zo is bijvoorbeeld
het niet solliciteren
geen strafbaar feit. De plicht tot solliciteren ontstaat pas door het ontvangen van een
uitkering. De rechten en plichten, verbonden aan de uitkering, vormen twee kanten van dezelfde
medaille: worden de plichten niet nagekomen, dan kan ook het recht niet (volledig) geldend
worden gemaakt. De aard van de sanctie - de maatregel - is evenmin strafrechtelijk:
met deze
sanctie wordt niet beoogd leed toe te voegen. Tot op heden blijkt evenmin uit de
rechtspraak, zowel nationaal als internationaal, dat de maatregel
aangemerkt moeten worden als een
"criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM.
Het kabinet is op basis
van deze overwegingen van mening dat het opleggen van een maatregel niet als
een
"criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM dient te worden
aangemerkt.
Het voorontwerp van wet
vierde tranche Algemene wet bestuursrecht bevat onder meer een algemene regeling voor de bestuurlijke boete. De
intrekking of wijziging van een aanspraak op financiële middelen wordt daarin
uitdrukkelijk niet aangemerkt als een bestuurlijke boete, zo blijkt uit
artikel 5.4.1.1, tweede lid. In
de toelichting bij het artikel wordt gesteld dat de vermindering of intrekking van de
aanspraak op een uitkering niet aangemerkt kan worden als een punitieve sanctie. In dit verband
wordt in de toelichting bij wijze van voorbeeld gewezen op de situatie waarin een uitkering
wordt ingetrokken omdat de uitkeringsgerechtigde onvoldoende solliciteert. Er bestaat
geen algemene rechtsplicht tot solliciteren; die plicht ontstaat pas
door het ontvangen van een
uitkering. De rechten en plichten, verbonden aan de uitkering, vormen twee kanten van dezelfde
medaille: worden de plichten niet nagekomen, dan kan ook het recht niet (volledig) geldend
worden gemaakt. In hetzelfde deel van de toelichting wordt tevens melding gemaakt van het
feit dat het verminderen of intrekken van een uitkering onder omstandigheden
als een
boete kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake indien de gedraging, die daartoe
aanleiding geeft, niet of slechts in een ver verwijderd verband staat
tot de uitkeringsrelatie. In
de Wwb is ervoor gekozen de inlichtingenplicht integraal onderdeel te laten zijn van de aan de
uitkering verbonden verplichtingen. Het al dan niet voldoen aan de inlichtingenplicht wordt
immers door zowel de justitiabele als de gemeente
als uitvoerende instantie ervaren als een
gedraging die in direct verband staat met de uitkeringsrelatie. Het opleggen van een
maatregel vanwege het niet nakomen van een inlichtingenplicht is daarmee
bezwaarlijk aan te merken
als een boete, dan wel punitieve sanctie.
Hoofdstuk 3.
Algemene bijstand
§ 3.1. Algemeen
Artikel
19 [19]. Voorwaarden
In dit artikel wordt ter
bepaling van de hoogte van de algemene bijstand een uitwerking gegeven van
de in artikel 11 [11], eerste lid, opgenomen voorwaarde
rblz.|50|
dat de belanghebbende in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de
noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien. Van dergelijke omstandigheden is, voor wat de
verlening van
algemene bijstand betreft, sprake als de alleenstaande of het gezin niet over in
aanmerking
te nemen vermogen beschikt en als het inkomen de in dat geval geldende bijstandsnorm
niet te boven gaat. In paragraaf 3.4 van dit hoofdstuk
[3.4] worden de begrippen inkomen en
vermogen nader uitgewerkt en wordt ook aangegeven welke inkomens- en vermogensbestanddelen
buiten beschouwing blijven. De middelentoets is evenzeer van toepassing op de toeslag
waarmee de norm wordt verhoogd als op de landelijk geregelde normen.
De totaal over een maand
uit te betalen bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de totale bijstandsnorm en het
totaal ontvangen inkomen over die maand (zie ook artikel
45 [45]). Van deze totale
uitkering wordt
4,9% gereserveerd als vakantietoeslag. Het percentage van 4,9 geeft de
verhouding weer
tussen de nettoaanspraak op vakantietoeslag en het maandloon inclusief vakantietoeslag
die bij het nettominimumloon bestaat. De vakantie-uitkering wordt ook berekend over
de
toeslag als bedoeld in artikel 25 [25].
Het kan voorkomen dat de
belanghebbende over het inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag heeft,
bijvoorbeeld bij alimentatie. De procentuele vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld
over de bijstandsuitkering kan er in zo'n situatie toe leiden dat de belanghebbende te zijner
tijd slechts een relatief lage vakantietoeslag zal ontvangen. Het ontmoet geen bezwaar als
burgemeester en wethouders dan een hoger bedrag als vakantiegeld voor de betrokkene
reserveren. Deze zal daarmee uiteraard moeten instemmen.
De bijstandsuitkering
wordt als een netto bedrag vastgesteld. De gemeente
neemt de door de belanghebbende over de
bijstand verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremies voor haar
rekening. Met
betrekking tot de ziekenfondspremie betreft dit zowel het werkgevers- als het
werknemersaandeel in de procentuele premie. Op grond van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 neemt de gemeente ook de verschuldigde belasting en premies ten aanzien van
de door een bijstandsgerechtigde ontvangen alimentatie voor zijn rekening. Dit betreft
slechts de alimentatie ten behoeve van de echtgenoot of gewezen echtgenoot.
§ 3.2. Normen
Artikel
20 [20]. Jongerennormen [V;
NnavhV]
Dit artikel sluit aan op
artikel 12 [12] (onderhoudsplicht ouders) en bevat de landelijk geregelde normen voor
personen van
18 tot 21 jaar. Daaronder worden ook de echtparen begrepen waarvan één of beide
partners tot deze leeftijdscategorie behoort. De normen zijn afgeleid
van de kinderbijslagbedragen
die voor deze leeftijdscategorie gelden. Voor echtparen waarvan één of elk van de partners
jonger dan 21 jaar is, is de landelijke norm gelijk aan de som van de normen die voor elk van
hen als alleenstaande zou hebben gegolden.
Jongeren met kinderen
behoren individueel en objectief te worden beoordeeld ten aanzien van huisvestingskosten en
persoonlijke uitgaven, met inachtneming van het feit dat ook de ouders van deze
jongeren
medeverantwoordelijkheid dragen (tweede lid). De ouderlijke onderhoudsplicht strekt
zich echter niet uit over eventuele kinderen van de jongere zelf. Dit is
aanleiding om de norm
voor jongeren met kinderen te verhogen.
rblz.|51|
Artikel
21 [21]. Normen 21-65
jaar [V]
Dit artikel bevat de
landelijk geregelde uitkeringsbedragen voor personen van 21 jaar of
ouder doch jonger dan 65 jaar.
Het onderscheid in landelijke normen is beperkt tot de leefvorm. Dat wil zeggen dat
geen ander
onderscheid is aangebracht dan die tussen alleenstaanden, alleenstaande ouders en
echtparen of daaraan gelijkgestelde ongehuwd samenwonenden. Deze normen bedragen
respectievelijk 50, 70 en 100% van het nettominimumloon. Verdere afstemming van
het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten is een gemeentelijke bevoegdheid (het
gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid; zie paragraaf 3.3 van dit
hoofdstuk [3.3]).
Artikel
22 [22]. Normen 65 jaar
of ouder
Dit artikel regelt een
aparte ouderennorm voor ouderen met onvolledige AOW-rechten. Indien er naast
de AOW-uitkering
geen of onvoldoende aanvullend pensioen is, wordt de AOW-uitkering van deze
ouderen via de
bijstand aangevuld tot het relevante sociaal
minimum. De ouderennorm sluit aan bij
het AOW-niveau. De normbedragen voor echtparen, alleenstaande ouders en alleenstaanden
zijn gelijk aan de netto-AOW-uitkering voor deze groepen. Dit heeft tot gevolg dat de
100-70-50-verhouding zoals die voor personen vanaf 21 jaar geldt, niet
van toepassing is op de
ouderen. Aansluiting bij het netto-AOW-niveau houdt tevens in dat het gemeentelijke toeslagen-
en verlagingenbeleid niet van toepassing is op ouderen. Dit leidt ertoe dat ook alleenstaande
65-plussers die bij hun kinderen inwonen een uitkering op het niveau van de AOW
ontvangen.
De norm voor gehuwden
waarvan de ene echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan
65 jaar, is eveneens afgeleid van het AOW-niveau (onderdeel d). Indien voor beide
echtgenoten de toepasselijke norm voor een alleenstaande bij elkaar
geteld zou worden, zou deze hoger uitkomen dan de AOW-uitkering. Dit is uitdrukkelijk niet de
bedoeling.
Artikel
23 [23]. Normen in
inrichting
Personen die ter
verpleging of verzorging in een inrichting (artikel
1 [1], onderdeel g)
verblijven, worden niet
geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting, verwarming,
onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting. De daaraan verbonden kosten
zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit anderen
hoofde wordt vergoed. Gelet op dit verschil in noodzakelijke bestaanskosten geldt voor
personen in inrichtingen een aparte bijstandsnorm. Deze is afgestemd op de beperkte
uitgaven die voor rekening van de belanghebbende blijven. In de uitzonderlijke situatie
dat verpleeg- of verzorgingskosten voor rekening van de belanghebbende zelf
komen, kan daarin worden voorzien door middel van bijzondere bijstand.
De normen voor personen
in een inrichting zijn, evenals de overige normen, gekoppeld aan het nettominimumloon,
met toepassing van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden voor de
indexering.
Anders dan bij de budgetmethode, waarbij de hoogte van de normen wordt gerelateerd aan die
van bepaalde aanwezige kosten, behoeven daarmee geen arbitraire uitspraken te worden
gedaan over hetgeen waaraan belanghebbenden de bijstand worden geacht te besteden. Het
gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid is niet van toepassing.
De situatie kan zich
voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met zijn kind in een inrichting verblijft. In
dergelijke gevallen zijn de kosten die de belanghebbende voor het kind moet maken, meestal
zodanig dat de kinderbijslag daartoe een toereikende vergoeding biedt. Derhalve kan worden
volstaan met het normbedrag voor een alleenstaande. Voor de rblz.|52|
gevallen dat hogere kosten dienen
te worden gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders de bijstand daarop afstemmen door
aanvulling met bijzondere bijstand.
Het normbedrag voor
gehuwden is van toepassing als beide echtgenoten in de inrichting verblijven.
Indien
slechts één van de echtgenoten in een inrichting verblijft, wordt een
goede afstemming op de omstandigheden bereikt door de normuitkering te stellen op de som van de
normuitkeringen die voor ieder afzonderlijk zouden gelden (tweede lid). Dit komt
derhalve neer op samentelling van
de norm voor een zelfstandig wonende alleenstaande of alleenstaande ouder en
die voor een in een inrichting verblijvende persoon, over het algemeen naar het normbedrag voor
een alleenstaande.
In artikel 13
[13], tweede
lid, onderdeel a, is bepaald dat voor personen jonger dan 21 jaar die in
een inrichting verblijven geen recht op algemene bijstand bestaat. In de situatie dat
een persoon jonger dan 21
jaar in een inrichting verblijft, kan bijzondere bijstand worden verleend
voor zover de jongere
geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders.
Artikel
24 [24]. Afwijking norm
gehuwden [V;
NnavhV]
Dit artikel betreft de
norm die van toepassing is als voor één van de echtgenoten een uitsluitingsgrond
geldt.
In een dergelijke situatie dient te worden voorkomen dat door de
bijstandverlening aan
degene die wél recht op bijstand heeft, indirect tevens bijstand wordt verleend aan de
niet-rechthebbende partner. Dit wordt voorkomen door voor de rechthebbende partner de
norm te stellen op die voor een alleenstaande of, als deze één of meer tot zijn last
komende kinderen jonger dan 18 jaar heeft, die voor een alleenstaande ouder. De toets op de
gezamenlijke middelen is ook bij deze afwijkende vaststelling van de norm van kracht.
Aangezien de bijstand als gevolg van de afwijkende normvaststelling niet
voorziet in de
bestaanskosten van de echtgenoot, dienen diens eventuele middelen echter
niet onverkort in beschouwing
te worden genomen (artikel 32 [32], derde en vierde lid).
§ 3.3.
Verhoging en verlaging
Artikel
25 [25]. Alleenstaande
(ouder) [V;
NnavhV]
Dit artikel regelt de
verhoging van de landelijke bijstandsnorm met een toeslag van maximaal 20% van het
wettelijk minimumloon, voor alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar of
ouder en
jonger dan 65 jaar die niet in een inrichting verblijven. Uit de gegeven
omschrijving vloeit voort
dat de toeslag op elk bedrag binnen dit maximum kan worden vastgesteld, mits dit
aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Hiermee is ook duidelijk dat
gemeenten een plicht hebben de bijstand op dat niveau vast te stellen. Budgettaire overwegingen
mogen bij de toeslagverlening geen rol spelen.
De landelijke
uitkeringsniveaus voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
veronderstellen dat de betrokkene de
kosten geheel met een ander kunnen delen en sluiten dus in de situatie dat dit niet het
geval is
niet zonder meer aan bij de feitelijke noodzakelijke bestaanskosten van de belanghebbende.
De
hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten wordt mede bepaald door de mate waarin de
belanghebbende de kosten met een ander kan delen. De woonsituatie is hierbij van
doorslaggevende betekenis. Dit laat onverlet dat ook alle andere
uitgaven in aanmerking dienen te
worden genomen waarbij partners schaalvoordeel hebben door het gezamenlijk opbrengen van
alle kosten van huisvesting en huishouding. Bij de relatief hogere kosten waarmee
alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd, kan met name worden gedacht aan duurzame
gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan
vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten.
Bij de beoordeling of de
belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten rblz.|53|
heeft, is in voorkomende gevallen niet
bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt. Beoordeeld dient te
worden of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen
worden gedeeld. Daartoe wordt in
dit artikel gesproken van het "kunnen delen" van de kosten. Met deze omschrijving wordt
niet beoogd dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn
woonsituatie aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan.
Burgemeester en
wethouders zijn niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
rekening te houden met lagere
bestaanskosten. Zij hebben de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande
ouders,
zonder nader onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken.
Met een maximale toeslag
bedraagt de maximale bijstandsuitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders
respectievelijk 70 en 90% van het nettominimumloon. Dit is toereikend voor
de
voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten voor alleenstaanden en
alleenstaande ouders. Dit laat onverlet dat burgemeester en wethouders
de bevoegdheid hebben om,
als de omstandigheden daartoe aanleiding vormen, de bijstand op een hoger bedrag vast te
stellen. De rechtvaardiging voor een verhoging is gelegen in bijzondere individuele
omstandigheden. De eventuele extra bijstand wordt dan ook als bijzondere bijstand
aangemerkt.
Artikel
26 [26]. Gehuwden [V;
NnavhV]
Het landelijke
uitkeringsniveau voor gehuwden gaat ervan uit dat de echtgenoten samen geheel de
kosten van de
gezamenlijke huishouding en huisvesting dragen. Ingeval de gehuwden deze kosten met
een ander kunnen delen, kan dit reden zijn om de landelijke norm te verlagen. Zij hebben
in dat geval lagere algemene bestaanskosten dan waarin de landelijke norm voorziet. Bij
alleenstaanden en alleenstaande ouders kunnen burgemeester en wethouders door middel
van de toeslag rekening houden met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de
kosten met een ander.
De verlening van een
toeslag aan gehuwden is niet aan de orde. Voor hen geldt immers de
maximale landelijke norm
van 100%. De verlaging kan niet worden toegepast bij de bijstandsnorm
voor gehuwden in een inrichting (zie ook de toelichting bij artikel
23).
Evenals burgemeester en
wethouders bij alleenstaanden en alleenstaande ouders niet verplicht
zijn bij de
toeslagverlening rekening te houden met lagere bestaanskosten, zijn zij
dat ook niet bij gehuwden voor wat
betreft de verlaging.
Artikel
27 [27]. Woonsituatie [V]
Naast het kunnen delen
van de algemene bestaanskosten met een ander kunnen er aanzienlijke lagere
algemene
bestaanskosten zijn als gevolg van het ontbreken van bepaalde kosten.
Bij de bijstandverlening moet
met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. Hiertoe is
een aparte
rechtsgrond opgenomen, omdat de in de artikelen 25
[25] en
26 [26] genoemde rechtsgrond voor een
toeslag en verlaging uitsluitend ziet op het kunnen delen van de kosten met een ander. Van lagere
bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een
woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers.
Hiervan is echter ook sprake ingeval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de
bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van
het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene
bijstand. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht een verlaging op
grond van dit artikel
toe te passen. Als rblz.|54|
burgemeester en wethouders wel gebruik willen maken van deze
verlagingsmogelijkheid, is voor de toepassing daarvan doorslaggevend dat
niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn.
Afzonderlijke aandacht
verdient de situatie van dak- en thuislozen. In de regel zullen zij geen
kosten hebben voor het
aanhouden van woonruimte. De intentie van artikel 27
[27] is niet dat gemeenten
kunnen
volstaan
met het verstrekken van een lager bedrag aan bijstand vanwege het enkele feit van het
ontbreken van woonruimte. Daarmee zou het voorzieningenniveau voor deze kwetsbare groep
tekortschieten. Het is aan de gemeenten om zorg te dragen voor een adequaat
voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. Artikel 27
[27] in combinatie
met artikel 57 [57]
biedt daartoe
de mogelijkheden. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen
moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Dit dient bij de vaststelling van de uitkeringshoogte
te worden betrokken. Indien
de belanghebbende er blijk van heeft gegeven de kosten van de dak- en thuislozenopvang
stelselmatig niet te betalen, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om aan de
bijstand de verplichting te verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat deze kosten
rechtstreeks worden overgemaakt aan de betreffende instantie. Voorts hebben
burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de bijstand in de vorm van dag/nachtverblijf aan te
bieden door middel van bijstand in natura als bedoeld in artikel
57 [57], onderdeel b.
Artikel
28 [28]. Schoolverlaters [V;
NnavhV]
Op grond van dit artikel
hebben burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de landelijke norm of
de
toeslag lager vast te stellen als de belanghebbende recent zijn scholing
of beroepsopleiding heeft beëindigd. De bijstandsuitkering ligt - veelal aanmerkelijk
- hoger
dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden.
Waar de belanghebbende
tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit
studiefinanciering, nemen zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij
zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De invloed van
inkomsten bijvoorbeeld uit arbeid of stagevergoeding van de belanghebbende tijdens de
studie speelt hierbij geen rol. De verlaging van de bijstandsuitkering kan
slechts plaatsvinden in de periode van een halfjaar na de beëindiging van de
scholing of de
beroepsopleiding.
Artikel
29 [29]. Alleenstaande
van 21 of 22 jaar [V;
NnavhV]
Voor personen jonger dan
23 jaar gelden leeftijdsgerelateerde minimumjeugdlonen. Om werkloosheidsvaleffecten
te voorkomen, dient er een juiste afstemming te zijn tussen de verdiencapaciteit van
jongeren en de bijstandsnormen. Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de
mogelijkheid om de toeslag voor alleenstaanden van 21 of 22 jaar lager
te stellen als zij van
oordeel zijn dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte daarvan zodanig is dat de
uitstroom naar de arbeidsmarkt zou worden belemmerd.
Artikel
30 [30]. Verordening [V;
NnavhV]
In dit artikel is bepaald
dat het door de gemeente gevoerde beleid ten aanzien van de verhoging of
verlaging van de bijstandsnorm wordt vastgelegd in een door de gemeenteraad vast te stellen
verordening. Uit
het eerste lid blijkt dat dit beleid een categoriaal karakter dient te dragen. Uit de
verordening moet blijken voor welke categorieën er een verhoging of
verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het
bedrag van die verhoging
of verlaging wordt rblz.|55|
vastgesteld. De verordening heeft derhalve een zodanig karakter dat een
belanghebbende daaruit concreet kan aflezen welke verhoging of verlaging in zijn
situatie geldt.
In het derde lid wordt
verduidelijkt dat de bevoegdheid van de gemeente om de bijstand op categorale
wijze hoger of
lager vast te stellen, beperkt blijft tot de in de voorafgaande artikelen
genoemde situaties. Verdergaande categorale bevoegdheden zouden afbreuk doen aan de
betekenis van de
wettelijke kaders om een toereikende bijstandverlening te garanderen.
In het vierde lid wordt
nadrukkelijk gewezen op de algemene individualiseringsbevoegdheid van gemeenten. De
gemeenten behouden de verantwoordelijkheid om de algemene bijstand - dat wil
zeggen de
landelijk geregelde bijstandsnorm en de bij gemeentelijke verordening geregelde
verhogingen of
verlagingen - afwijkend vast te stellen als de individuele omstandigheden van de
betrokkene daartoe aanleiding geven.
Maximale toeslag
In het tweede lid,
onderdeel a, wordt als voorwaarde voor de verordening gesteld dat de verhoging voor
alleenstaanden en alleenstaande ouders die alleen wonen, wordt gesteld
op de maximale toeslag van 20%, genoemd in artikel 25
[25], tweede lid. De reden hiervoor is dat deze groep in een
situatie verkeert waarin zij doorgaans de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten in het geheel niet met
een ander kunnen delen. De eerste toetsing of de belanghebbende inderdaad
alleen woont, kan plaatsvinden aan de hand van het bevolkingsregister. De
feitelijke situatie is echter doorslaggevend en dient door de gemeente
nader te worden
onderzocht, bijvoorbeeld aan de hand van bewijsstukken of zo nodig een huisbezoek.
In individuele situaties
kan het desondanks voorkomen dat een ander bepaalde kosten voor zijn rekening neemt.
Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat de ex-echtgenoot de woonlasten
betaalt,
veelal als onderdeel van de alimentatieverplichtingen. Met deze lagere bestaanskosten kan
rekening worden door de verlaging van de toeslag of bijstandsnorm
op grond van
artikel 27 [27]
dan
wel onder toepassing van artikel 33 [33]
in het kader van de
inkomstenverrekening.
De gemeenten worden ook
geconfronteerd met zogenaamde LAT-relaties. Ten behoeve van de vaststelling van de
toepasselijke landelijk bijstandsnorm heeft de gemeente reeds de woonsituatie
beoordeeld.
In zo'n geval kan de betrokkene slechts als een alleenstaande worden beschouwd als de
gemeente tot de conclusie gekomen is dat deze zijn hoofdverblijf in de eigen woning heeft.
Alsdan voldoet de betrokkene aan de voorwaarde om voor de toeslag van 20% in
aanmerking te komen. Over het algemeen is een dergelijk uitkeringsbedrag
ook benodigd. In een
LAT-relatie worden weliswaar in zekere mate kosten gedeeld, maar dat heeft over het algemeen
niet als gevolg dat de noodzakelijke bestaanskosten op een lager niveau kunnen worden
gesteld. Als de ander in belangrijke mate uitgaven van de bijstandsontvanger voor
zijn rekening neemt waardoor diens bestaanskosten wel lager zijn, biedt de
individualiseringsbevoegdheid (artikel 18
[18], eerste lid) de mogelijkheid
om zo nodig de bijstandverlening in
overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie van de betrokkene.
De verwijzing naar de
artikelen 27 [27], 28
[28] en 29
[29] strekt ertoe dat deze wettelijke opdracht om een toeslag
van 20% te verlenen niet de in deze artikelen gegeven bevoegdheden van de gemeente
doorkruist om de bijstandsnorm of toeslag lager te stellen. Ook
ingeval de betrokkene alleen woont, kan
de
gemeente dus besluiten geen of een lagere toeslag te verlenen, aangezien de betrokkene
tot één van deze categorieën behoort.
rblz.|56|
§ 3.4.
Middelen
Artikel
31 [31]. Middelen [V;
NnavhV]
Het complementaire
karakter van de bijstand brengt mee dat in deze wet
een ruime definitie van het
begrip middelen
wordt gehanteerd (eerste lid). Dit uitgangspunt wordt geëxpliciteerd door in dit artikel
te
bepalen dat alle vermogens- en inkomensbestanddelen tot de middelen worden gerekend. Daarbij
is, gelet op de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, tevens
aangegeven dat, naast de middelen waarover de belanghebbende feitelijk de beschikking heeft,
mede in aanmerking worden genomen de middelen waarover de belanghebbende
redelijkerwijs kan beschikken. Omdat de bijstand als gezinsbijstand
wordt verstrekt, dienen -
behoudens het bepaalde in het tweede lid, onderdeel h - de middelen van alle gezinsleden in
aanmerking te worden genomen, ook als die middelen door derden worden ontvangen, zoals
kinderalimentatie (zie echter het tweede lid, onderdeel h).
Het tweede lid bevat een
limitatieve opsomming van niet in aanmerking te nemen middelen, die
overeenkomt met die
in de Abw, behoudens dat de jonggehandicaptenkorting is toegevoegd. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het
kalenderjaar een
uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, tenzij
voor hem de ouderenkorting geldt. De jonggehandicaptenkorting is voor de systematiek van
de bijstand vergelijkbaar met de ouderenkorting. Waar deze laatste korting via de
normensystematiek bij de bijstandverlening is betrokken (artikel
22 [22]), is
er, gezien de beperktere
omvang van de doelgroep, ten aanzien van de jonggehandicapten ervoor gekozen om de korting
niet tot de middelen te rekenen.
Voor de beoordeling van
de bijstandsbehoevendheid dient te worden uitgegaan van de feitelijk besteedbare
middelen (derde lid). De middelen worden allereerst in aanmerking genomen na aftrek van
de
daarover verschuldigde belasting en premies. Het karakter van deze wet als laatste
bestaansvoorziening brengt mee dat het op het moment van
bijstandverlening feitelijk aanwezige netto-inkomen het uitgangspunt vormt voor de vaststelling van het recht
op en de hoogte van de
bijstand. Net als bij de inkomensvaststelling in het algemeen, kan hierbij niet worden
uitgegaan van eventuele toekomstige te betalen of terug te ontvangen belasting en premies.
Deze worden slechts in beschouwing genomen op het moment dat de belanghebbende deze
feitelijk verschuldigd is of ontvangt. Bij periodiek ontvangen inkomen zijn over het algemeen
reeds in de sfeer van de voorheffing loonbelasting en premies ingehouden. Het kan
voorkomen dat over de ontvangen middelen alsnog op aanslag inkomstenbelasting en
premies volksverzekeringen dienen te worden afgedragen. Deze worden met terugwerkende
kracht in mindering gebracht op het inkomen. Daardoor blijkt dat het inkomen netto
lager
is dan waarvan aanvankelijk was uitgegaan. Voor een dergelijke aanslag kan derhalve met
terugwerkende kracht bijstand worden verleend in de mate dat de bijstand op een hoger
bedrag zou zijn vastgesteld indien de totale verschuldigde belasting en premies reeds in het
kader van de loonbelasting op het inkomen waren ingehouden. Het is daarbij niet van belang
of de belanghebbende op het moment van de aanslag nog steeds een bijstandsuitkering
ontvangt of niet. Ingeval de aanslag betrekking heeft op een jaar
waarin de betrokkene slechts
gedurende een beperkte periode bijstandsafhankelijk was, zal een
toedeling dienen plaats te vinden
naar de periode waarover bijstand is ontvangen. Successierechten en vergelijkbare heffingen
worden voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld aan belasting. Omdat uit de
bijstandsuitkering de nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan, worden deze premies niet
als minderingspost in aanmerking genomen. Bij
rblz.|57|
uitkeringen kan het voorkomen dat daarop
een
aan werknemerspremies equivalente inhouding - de vereveningsbijdrage -
heeft plaatsgevonden. Ook deze dient uiteraard te worden betrokken bij de vaststelling van de
inkomenspositie.
Op het inkomen kan ook
een pensioenpremie zijn ingehouden of een premie voor een regeling voor vervroegde
uittreding. Aangezien ook zo'n inhouding tot een lager besteedbaar
inkomen leidt, dient ook daarmee
rekening te worden gehouden voor zover deze een verplicht karakter draagt. Hetzelfde geldt
voor andere, voor de werknemer verplichte, inhoudingen, zoals bijvoorbeeld voor door
het bedrijf beschikbaar gestelde werkkleding.
Bij ministeriële
regeling wordt geregeld dat voor de berekening van de nettovakantietoeslag wordt uitgegaan van de
belasting- en premiepercentages die gelden op het moment dat het inkomen wordt
ontvangen
waarover de aanspraak op vakantietoeslag bestaat (vierde lid).
Op het uitgangspunt dat
alle inkomens- en vermogensbestanddelen tot de middelen behoren, zijn in het
tweede lid
een aantal uitzonderingen gemaakt. Hierbij gaat het in eerste instantie om middelen die over
de
kas lopen van de belanghebbende, maar niet voor haar of hem zijn bestemd (onderdeel
a),
vergoedingen voor noodzakelijke bestaankosten (onderdelen b tot
en met e) en vergoedingen voor
bepaalde specifieke kosten (onderdelen f en g). De ouderlijke onderhoudsbijdrage die de
belanghebbende jonger dan 21 jaar ontvangt zou zonder een nadere bepaling als
inkomen moeten worden aangemerkt dat op de landelijke bijstandsnorm
in mindering komt
(onderdeel n). Omdat de bijdrage al heeft geleid tot een lagere
vaststelling van de bijzondere
bijstand, zou de belanghebbende niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken als deze ook
als inkomen zou worden aangemerkt en op de uitkering in mindering gebracht.
Gezien het complementaire
karakter van de bijstand, het primaat van de eigen verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan en ter voorkoming van de werkloosheidsval worden
inkomsten uit arbeid volledig op de bijstand in mindering gebracht.
Een uitzondering daarop
vormen de alleenstaande ouders. Voor hen geldt dat volledige uitstroom naar betaalde
arbeid soms niet direct mogelijk is, omdat zij arbeid en zorg moeten combineren. Het is echter
wel van belang dat zij een band met de arbeidsmarkt houden. Teneinde deeltijdarbeid
en met name ook grotere deeltijdbanen te stimuleren, worden voor hen de arbeid en zorg
gerelateerde heffingskortingen vrijgelaten, totdat het kind de leeftijd
van vijf jaar bereikt. Het
betreft de aanvullende alleenstaandeouderkorting en de combinatiekorting. Het
voordeel van een vrijlating van deze heffingskortingen is dat deze in tegenstelling tot de
vrijlatingsregeling in de Abw de alleenstaande ouder motiveren om het aantal uren
dat gewerkt
wordt stapsgewijs te vermeerderen.
Vanwege de positieve
prikkel die van de premie zal uitgaan bij de activering van de bijstandsgerechtigde, is
wel voorzien in vrijlating van een eenmalige premie die de belanghebbende
ontvangt
in het kader van de inschakeling in arbeid, tot een bedrag van maximaal
€|1944,- per
kalenderjaar (onderdeel j). De gemeente
kan een dergelijk premie verstrekken met het oog
op het bevorderen van positief gedrag gericht op uitstroom naar betaalde arbeid. Om te
voorkomen dat de extra stimulans na verloop van tijd vermindert omdat er een bepaalde
mate van gewenning optreedt, kan de premie slechts eenmaal per kalenderjaar worden
versterkt. De premie moet in één bedrag worden uitgekeerd en mag dus niet in termijnen worden
verstrekt, mede om te voorkomen dat de premie fiscaal gezien wordt als een periodieke
uitkering en daarom doorwerkt in de inkomensafhankelijke regelingen. Voor elke nieuwe premie
moet een nieuw besluit worden genomen, op basis van nieuwe omstandigheden in de
voortgang van de reïntegratie van de belanghebbende. Het is uitdrukkelijk niet de
bedoeling dat de premie een structureel karakter draagt.
rblz.|58|
In onderdeel
k wordt
geregeld dat een onkostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk die
wordt verstrekt door de organisatie waarbij de belanghebbende vrijwilligerswerk
verricht, voor ten hoogste €|20,- per week, met een maximum van
€|700,- per jaar, wordt
vrijgelaten. Dit bedrag is afgestemd op de fiscale forfaitaire vrijwilligersregeling,
zoals die op grond van de Coördinatiewet sociale verzekeringen geldt voor de
werknemersverzekeringen.
Of het uit een oogpunt
van bijstandverlening verantwoord is vergoedingen die de belanghebbende
ontvangt
en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op al dan niet immateriële schade, niet
als middel in aanmerking worden genomen, is in de eerste plaats ter beoordeling aan
burgemeester en wethouders (onderdeel m). Zij baseren hun oordeel op de bijzondere bestemming en
de hoogte van de vergoedingen. Voorts kan bij ministeriële regeling worden bepaald
dat vergoedingen die de belanghebbende ontvangt niet als middel in aanmerking worden genomen
(onderdeel l). Het gaat dan om algemene schadevergoedingsregelingen
en om landelijke regelingen bestemd voor specifieke doelgroepen.
Giften worden eveneens
niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift,
uit oogpunt van bijstandverlening verantwoord is (onderdeel m). Hierbij wordt geen
onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van
personen. Door de giften niet in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat
deze wet
een ontmoediging
vormt voor de
vrijgevigheid van instellingen of personen. Gezien het minimumbehoeftekarakter
van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt
dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de
bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op
bijstandsniveau gebruikelijk is. Wat betreft de bestemming is met name
van belang of de gift
betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen.
Als dit het geval is, of als de
gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig
in aanmerking te nemen.
Artikel
32 [32]. Inkomen [V;
NnavhV]
Voor de vaststelling van
de hoogte van de bijstand is van belang of de middelen die op grond van de
bepalingen van
paragraaf 3.4 [3.4] in aanmerking worden genomen, als inkomen dan wel als vermogen
moeten worden
aangemerkt. Het vermogen speelt uitsluitend een rol bij de bepaling van het recht op
bijstand
als zodanig, terwijl de inkomsten tevens van belang zijn voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering. Het vermogen wordt voor een deel buiten beschouwing gelaten; het
inkomen wordt in beginsel geheel in aanmerking genomen.
In dit artikel wordt
aangegeven welke middelen als inkomen worden aangemerkt.
Een eerste criterium
(eerste lid, onderdeel a) daarbij is gelegen in het karakter ervan:
middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen - zoals loon en uitkeringen - kunnen
worden ingezet voor de
voorziening in het levensonderhoud, waarop de bijstand slechts behoeft aan te vullen.
Het is niet mogelijk om van deze in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen een
uitputtende opsomming te geven. Daarom is in het eerste lid volstaan met het noemen van een
aantal inkomensbronnen dat als inkomen in beschouwing worden genomen. Ook eenmalig
ontvangen inkomens die naar hun aard hiermee overeenkomen, bijvoorbeeld een
zogeheten alimentatieafkoopsom, dienen als inkomen in aanmerking te worden genomen. Een
teruggave of voorlopige teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen wordt
eveneens als inkomen aangemerkt. Zo'n restitutie leidt immers naderhand tot
rblz.|59|
een hoger netto-inkomen dan waarvan aanvankelijk bij de bijstandverlening was uitgegaan. Gelet op
het bepaalde in artikel 31 [31]
gaat het hierbij alleen om een belastingteruggave die
geen betrekking heeft op specifieke aftrekposten. Vanwege het karakter daarvan wordt
ook een eenmalige premie gericht op arbeidsinschakeling als inkomen aangemerkt. Aangezien
deze tot een bedrag van €|1906,- buiten beschouwing wordt gelaten
(artikel 31 [31], tweede lid,
onderdeel j), gaat het hierbij slechts om het gedeelte waarmee de premie dit bedrag te
boven gaat.
Een tweede criterium
(eerste lid, onderdeel b) voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen
is de periode
waarop de inkomsten betrekking hebben. Daarbij is het uitgangspunt gehanteerd dat het
inkomen dient te worden toegerekend aan de periode waarop dit betrekking
heeft. Hiermee wordt tevens een betere aansluiting bereikt met de
terugvorderingsbepalingen, waarin immers voor het antwoord op de vraag of tot een te hoog bedrag bijstand is
ontvangen,
van belang is of
inkomsten zijn ontvangen over een periode waarover bijstand is verleend.
Bovendien wordt zo
voorkomen dat de hoogte van de in totaal te verlenen bijstand afhangt van het tijdstip waarop
deze tot uitbetaling komt.
De
periode waarop de
inkomsten betrekking hebben, is bij arbeidsinkomsten de periode waarin de
arbeid is
verricht waaruit deze inkomsten zijn verkregen. Bij uitkeringen (socialezekerheidsuitkeringen,
pensioenen, alimentatie, studiefinanciering en dergelijke) is dat de periode waarvoor de
uitkering bestemd is. Bij bedragen ineens dient evenzeer te worden beoordeeld op welke
periode deze kunnen worden geacht betrekking te hebben. Op grond van artikel
58 [58], derde lid,
hoeft niet voor elk inkomen dat achteraf blijkt te worden ontvangen een
terugvorderingsprocedure
ingesteld te worden. Middelen die in de voorafgaande drie maanden zijn ontvangen, kunnen
worden verrekend.
Het niet als inkomen in
aanmerking nemen van inkomsten omdat zij geen betrekking hebben op een periode waarover
beroep op bijstand wordt gedaan, betekent overigens niet op voorhand dat deze
middelen buiten beschouwing blijven. Op grond van artikel
34 [34], eerste
lid, onderdeel b, worden de tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen, die niet als inkomen
worden beschouwd, immers
als vermogen aangemerkt.
Aangezien bij de bijstandsnormen de aanspraak op vakantietoeslag is inbegrepen, dient
voor een goede toetsing van de
inkomsten ook de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag in beschouwing
te worden
genomen. Dit staat niet in de weg aan een latere verrekening met de opgebouwde
aanspraken op
vakantietoeslag op grond van de bijstand. De vakantietoeslag is loon dat op een later
tijdstip wordt uitbetaald. Ook andere betalingen kunnen dit karakter van
uitgesteld loon hebben.
Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een dertiende maand of aan
winstdelingsregelingen.
Gelet op hun vergelijkbare karakter is het billijk ook deze betalingen toe te rekenen aan de
periode waarin de aanspraak daarop is verworven en, voor zover deze aanspraak buiten de
bijstandsperiode valt, de betreffende betaling niet als inkomen aan te merken. Het tweede lid
beoogt deze handelwijze aan te geven. In het inkomen kunnen ook aanspraken begrepen zijn
op een doorbetaling van het loon gedurende de vakantieperiode. Dergelijke aanspraken
dienen, gelet op het doel ervan, als bestaansvoorziening tijdens die periode te worden
aangemerkt en niet te worden toegerekend aan de periode waarin de aanspraak is verworven.
Een andere benadering zou ongelijkheid betekenen ten opzichte van degene van wie het loon
tijdens de vakantieperiode wordt doorbetaald.
In de situatie dat
slechts voor één van de echtgenoten recht op bijstand bestaat, wordt op grond van het
derde lid
de bijstandsnorm zodanig vastgesteld dat niet indirect bijstand aan de niet-rechthebbende
partner wordt verstrekt. Omdat de bijstand niet voorziet in de bestaanskosten van de
echtgenoot van de rechthebbende, zou onverkorte toepassing van de rblz.|60|
gezamenlijke
middelentoets zijn bestaansmogelijkheden in gevaar kunnen brengen. Als hoofdregel geldt dat het
inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot in aanmerking wordt genomen voor zover het
gezamenlijke inkomen, met inbegrip van de aan de rechthebbende te verlenen bijstand, meer
zou bedragen dan de voor de gehuwden geldende noodzakelijke bestaanskosten. Voor de
vaststelling of het gezamenlijke inkomen meer zou bedragen dan de relevante
gehuwdennorm,
dient uiteraard eerst de bijstandsuitkering te worden vastgesteld die zou worden verstrekt als
geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot. Als blijkt
dat het gezamenlijke inkomen de grens van de gehuwdennorm te boven
gaat, wordt de "definitieve" uitkering vastgesteld nadat rekening is
gehouden met het
eventuele meerinkomen.
Als de gehuwden tijdelijk
gescheiden leven, kan het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in
beschouwing worden genomen voor zover deze de kosten van de door hem zelfstandig
gevoerde
huishouding te boven gaat (vierde lid). Aangezien in dit artikel uitsluitend een
afwijkende bepaling ten aanzien van het inkomen is opgenomen, blijft derhalve de toets op het
gezamenlijke vermogen onverkort van toepassing. Verder geldt ook in deze gevallen
artikel 18 [18], eerste lid, bijvoorbeeld als de niet-rechthebbende echtgenoot onderwijs of een
beroepsopleiding volgt.
Artikel
33 [33]. Bijzondere
inkomsten
In deze
wet is ervoor
gekozen voor inkomsten in natura de waarderingsgrondslag te bepalen op het
daarvoor door
betrokkene opgeofferde bedrag. In de regel zal dit bedrag de geldswaarde zijn van het
deel van de arbeidsbeloning dat is aangewend ter verkrijging van het inkomen in
natura. Voorts
kan (een deel van) de geldswaarde van alimentatie zijn aangewend ter verkrijging van een
inkomen in natura in de vorm van woongenot. De gemeente
kan in deze situatie kiezen
tussen toepassing van artikel 33 [33]
of artikel
27 [27]. Voor deze wijziging van
de waarderingsgrondslag is
gekozen omdat de in de Abw geldende waarderingsgrondslag van de lagere bestaanskosten in
de uitvoeringspraktijk moeilijk hanteerbaar is gebleken. Er is dus niet gekozen voor de
mogelijkheid om de inkomsten in natura te waarderen op de waarde in het economische verkeer. Het
is immers denkbaar dat betrokkene om budgettaire redenen niet zou hebben gekozen voor
hetgeen hij in natura ontvangt als hij daarvoor in plaats van de opgeofferde waarde de
waarde in het economisch verkeer zou moeten voldoen. Met de gekozen
waarderingsgrondslag wordt aangesloten bij de keuze die de betrokkene
maakt ten aanzien van zijn
bestedingen. Dit biedt de betrokkene de mogelijkheid om te bepalen of
het opgeofferde bedrag in de
juiste verhouding staat tot zijn bestedingsmogelijkheden. Een uitzondering hierop geldt
echter bij disproportionaliteit tussen het opgeofferde bedrag en de waarde van het inkomen in
natura in het economische verkeer. Bestaat de disproportionaliteit uit een objectief bezien
aanmerkelijk hogere waarde van het inkomen in natura dan het opgeofferde bedrag, dan
kan sprake zijn van een gift, die beoordeeld dient te worden aan de hand van
artikel 31 [31],
tweede lid, onderdeel m. Bestaat de disproportionaliteit uit een
objectief bezien aanmerkelijk
lagere waarde van het inkomen in natura dan het opgeofferde bedrag, dan kan in de opgeofferde
waarde een inkomen zijn besloten waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Ter zake
is artikel 31 [31], eerste lid, van toepassing.
Het tweede lid heeft tot
doel het inkomen uit studiefinanciering op een in het kader van de
bijstandverlening juiste
wijze in aanmerking te nemen. Het inkomen uit studiefinanciering kan van
belang zijn bij
de verlening van bijzondere bijstand aan een studerende en bij de verlening van
algemene rblz.|61|
bijstand aan de partner van de studerende. Door het inkomen uit studiefinanciering te
stellen op het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, wordt bereikt
dat de in de studiefinanciering begrepen tegemoetkoming voor directe studiekosten en de
eventuele forfaitaire vergoeding voor de ziektekostenverzekering buiten beschouwing blijven en
dat rekening wordt gehouden met de eventuele - rentedragende - lening en de ouderlijke
bijdrage. Omdat op deze wijze de ouderlijke bijdrage reeds is verdisconteerd in de
wijze waarop de ontvangen studiefinanciering wordt gewaardeerd, spreekt het vanzelf dat
deze verder als inkomen van de studerende buiten beschouwing blijft. Om te voorkomen dat
dezelfde inkomsten tweemaal in mindering worden gebracht - zowel bij de studiefinanciering als
bij de bijstandverlening - dient het normbudget te worden verminderd met het
bedrag
waarmee in het kader van de studiefinanciering rekening is gehouden met de inkomsten
van de studerende, de zogeheten draagkracht. Dezelfde systematiek geldt voor de
tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten (derde lid).
Het is een eigen
gemeentelijke verantwoordelijkheid om, ingeval de betrokkene de kosten
met een ander kan delen, de
hoogte van de bijstand daarop af te stemmen. Voor de vaststelling van de hoogte
van deze
inkomsten is verder van belang dat de gemeenten
bij de beoordeling van de toeslag of, waar
het
om echtparen gaat, een verlaging reeds rekening kunnen houden met de aanwezigheid van een
huurder, onderhuurder of kostganger (vierde lid). Deze inkomsten kunnen uiteraard slechts
op de uitkering in mindering worden gebracht voor zover de gemeente
deze nog niet
heeft verdisconteerd in het kader van de toeslag of verlaging.
Personen van 65 jaar of
ouder hebben in veel gevallen de beschikking over een particuliere oudedagsvoorziening als
aanvulling op het wettelijke AOW-pensioen. Deze voorziening kan de vorm hebben van
spaargeld, maar ook van een periodieke uitkering. In het vijfde lid is
een bescheiden vrijlating
opgenomen van een particuliere oudedagsvoorziening. Daarmee wordt een gelijke
behandeling
mogelijk gemaakt tussen degenen met alleen een als periodieke uitkering ontvangen
oudedagsvoorziening en degenen waarvan de aanvulling op de AOW-uitkering bestaat uit de
vrijgelaten rente (artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel
i) over het bescheiden vermogen.
Artikel
34 [34]. Vermogen [V;
NnavhV]
In de
Abw is bepaald dat
met schulden alleen rekening wordt gehouden voor zover die bij de aanvang
van de bijstandverlening aanwezig zijn. Mede op grond van jurisprudentie over
de Abw is er in deze wet voor gekozen dat rekening wordt gehouden met schulden, ongeacht of die bij aanvang van de
bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandverlening zijn ontstaan. De
vermogenspositie wordt gesteld op het saldo van de waarde van de
bezittingen en de schulden. De
bezittingen kunnen zowel uit geldswaarden bestaan als uit op geld waardeerbare goederen.
Voor de waardering van deze laatstgenoemde bezittingen in natura is in het tweede lid,
onderdeel a, een nadere bepaling opgenomen. Ook in het kader van de vermogensvaststelling kan
niet worden volstaan met het in ogenschouw nemen van de feitelijk aanwezige
bezittingen. Er dient tevens te worden nagegaan of er sprake is van bezittingen waarover de
belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel worden alle bezittingen op het
moment van aanvang van de bijstand in aanmerking genomen, ongeacht de herkomst
daarvan. Door in dit onderdeel het begrip "bezittingen" te gebruiken
in plaats van "middelen"
wordt bereikt dat artikel 31 [31]
hierop niet van toepassing is. Op grond van
het laatstgenoemde artikel worden bepaalde middelen buiten beschouwing gelaten.
rblz.|62|
Bij de
beoordeling van de op de bezittingen in mindering te brengen schulden is niet van belang op
welke termijn de
belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijk aanwezige
schuld sprake zijn, een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te
bestaan. De
belanghebbende dient dit aan te tonen. Het kan voorkomen dat op het
moment van de bijstandsaanvraag
een betalingsverplichting nog niet onomstotelijk vaststaat, bijvoorbeeld omdat
betrokkene deze in rechte betwist. Dan kan slechts met de betreffende schuld rekening worden
gehouden wanneer is komen vast te staan dat betrokkene ook daadwerkelijk tot die
terugbetaling verplicht is.
Ook tijdens de
bijstandsperiode kan de belanghebbende middelen ontvangen die niet als inkomen,
maar als
vermogen dienen te worden aangemerkt. Dit is aangegeven in onderdeel b van het eerste lid.
Deze
bepaling is het complement van artikel 32
[32]. Tijdens de bijstand ontvangen middelen die op
grond van dat artikel niet als inkomen worden aangemerkt, worden dus als vermogen
beschouwd. Het gaat hierbij enerzijds om middelen die naar hun aard niet als inkomen
kunnen worden beschouwd, zoals de teruggave van belasting en premies die de zelfstandige
eventueel ontvangt, en anderzijds om middelen die weliswaar het karakter van inkomen
hebben, doch die geen betrekking hebben op de bijstandsperiode. Bij de waardering van
bezittingen dient te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer bij vrije
oplevering.
Bij de aanvang van de
bijstandverlening geldt een vermogensvrijlating, die als volgt kan worden
geïllustreerd.
• Voorbeeld a
Vermogen bij aanvang van
de bijstandverlening: €|4000,-.
Vrij te laten vermogen
(afgerond): €|10 000,-.
Resterend vrij te laten
vermogen (€|10 000,- - €|4000,- =):
€|6000,-.
Met het resterende deel
van het vrij te laten vermogen wordt rekening gehouden als belanghebbende
tijdens de bijstandverlening vermogen verwerft, zijnde bezittingen of middelen die voor de
bijstandverlening niet als inkomen zijn aangemerkt. Het is dus niet zo dat op het moment van
vermogensverwerving tijdens de bijstandsperiode recht bestaat op volledige toepassing van
het vrij te laten bescheiden vermogen. Evenmin is het zo dat het totale vermogen bij de
toepassing van deze bepaling in aanmerking dient te worden genomen; het gaat om het bedrag
dat aan vermogen dat tijdens de bijstandverlening verworven is. Eén en ander is geregeld in
het vierde lid. De werking van deze bepaling, in combinatie met de nieuwe vermogensbepaling,
illustreren wij met de volgende voorbeelden.
• Voorbeeld b
Situatie bij aanvang van
de bijstandverlening
Zie voorbeeld a.
rblz.|63|
Vermogensmutatie tijdens
de bijstandverlening
Door een erfenis van €|5000,- neemt het vermogen toe van
€|4000,- naar €|9000,-. Het resterende vrij te laten
vermogen
bedraagt (vorige resterende vrijlating €|6000,- - erfenis
€|5000,- =) €|1000,-.
Het recht op algemene bijstand blijft bestaan.
Volledigheidshalve merken
wij op dat de vermogensmutatie, zijnde de erfenis van €|5000,-, bij de vrijlating
moet worden
betrokken en niet het "nieuwe" vermogen van €|9000,-.
• Voorbeeld c
Situatie bij aanvang van
de bijstandverlening
Als voorbeeld a.
Vermogensmutatie tijdens
de bijstandverlening
Door besteding is het
vermogen van €|4000,- naar €|3000,- gedaald. Door een erfenis van
€|5000,- neemt het
vermogen
vervolgens toe van €|3000,- naar €|8000,-. Ook nu bedraagt het resterende vrij
te laten vermogen (vorige
resterende vrijlating €|6000,- - erfenis
€|5000,- =) €|1000,- en blijft het recht op algemene
bijstand bestaan. De daling van het vermogen als gevolg van de besteding
heeft dus geen invloed.
• Voorbeeld d
Situatie bij aanvang van
de bijstandverlening
Als voorbeeld a.
Vermogensmutatie
tijdens
de bijstandverlening
Door een erfenis van €|11
000,- neemt het vermogen toe van €|4000,- naar
€|15 000,-. Van het vrij te laten
vermogen resteert
nog een bedrag van €|6000,-. Het bedrag van de erfenis overschrijdt dit bedrag met
(€|11 000,- - €|6000,- =)
€|5000,-. Deze overschrijding leidt tot (tijdelijke) beëindiging van de algemene bijstand.
• Voorbeeld e
Situatie bij aanvang van
de bijstandverlening
De schulden bedragen meer
dan de bezittingen, zodat er een negatief vermogen is van €|25
000,-. De vermogensvrijlating
wordt dus niet aangesproken en blijft staan op €|10
000,-.
Vermogensmutatie tijdens
de bijstandverlening
Door een erfenis van €|20
000,- daalt het negatieve vermogen naar €|5000,-. Het vrij te laten vermogen wordt
nul (een
negatief vrij te laten vermogen is niet mogelijk). Belanghebbende behoudt echter recht op
algemene bijstand omdat zijn vermogen (€|5000,- negatief) lager is dan het vrij te laten
vermogen (zijnde nul).
• Voorbeeld f
Situatie bij aanvang van
de bijstandverlening
Als voorbeeld e.
Vermogensmutatie tijdens
de bijstandverlening
Door een erfenis van €|30
000,- ontstaat een positief vermogen van €|5000,-. Het vrij te laten vermogen wordt
nul (een
negatief vrij te laten vermogen is niet mogelijk). Het positieve vermogen van
belanghebbende (€|5000,-) overschrijdt het vrij te laten vermogen (zijnde
€|0,-). Deze overschrijding leidt tot
(tijdelijke) beëindiging van de algemene bijstand.
Opgemerkt wordt dat voor
de toepassing van deze bepaling dient te worden uitgegaan van het in het
derde lid genoemde
bedrag zoals dat geldt op het moment dat belanghebbende tijdens de
bijstandverlening vermogen verwerft.
Van enkele
vermogensbestanddelen is het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen
in aanmerking te nemen en om
te vergen dat ze voor het levensonderhoud worden ingezet als deze het vrijgelaten
vermogen te boven gaan. Hierover zijn bepalingen opgenomen in het tweede lid. Dit geldt
allereerst voor bezittingen in natura die, wat hun aard en waarde
betreft, algemeen gebruikelijk
zijn (onderdeel a). Zo wordt een gebruikelijke woninginrichting niet als
vermogen aangemerkt. Ook
bezittingen in natura die voor de belanghebbende, gelet op diens persoonlijke
omstandigheden, noodzakelijk zijn, dienen buiten beschouwing te blijven
bij de beoordeling van diens
vermogenspositie. Anders dan bij inkomsten in natura, dienen de bezittingen waarvan de
tegeldemaking wordt gevergd, in aanmerking te worden genomen naar de waarde in het
economisch rblz.|64|
verkeer. Hierbij kan zich immers niet de situatie voordoen
dat een waardering naar de
waarde in het economisch verkeer ertoe kan leiden dat de belanghebbende over
onvoldoende bestaansmiddelen komt te beschikken. Hierbij kan bijvoorbeeld
worden
gedacht aan - vaak kostbare - voorzieningen in verband met invaliditeit.
Een bescheiden vermogen
staat niet in de weg aan de verlening van algemene bijstand (tweede lid, onderdeel
b,
en het derde lid). Dit vrij te laten bescheiden vermogen is gedurende de hele bijstandsperiode
van toepassing, hetgeen is uitgewerkt in het vierde lid.
Het zou onbillijk zijn om
tijdens de bijstandsperiode opgebouwde spaargelden als vermogen in aanmerking te nemen
als daarmee de grens van het bescheiden vermogen zou worden overschreden.
Op grond
van onderdeel c blijven deze buiten beschouwing.
Onderdeel
d, betreffende
de vrijlating van het vermogen gebonden in de eigen bewoonde woning met bijhorend erf,
geldt op grond van artikel 3 [3], zesde lid, ook voor het vermogen dat is gebonden in eigen
woonschip en woonwagen. Om redenen van vereenvoudiging is voor het vermogen gebonden in de
eigen bewoonde woning met bijhorend erf gekozen voor één vaste vrijlating in plaats van
voor een vrijlating aan de voet, verhoogd met de helft van het meerdere van het
vermogen. Voorts geldt deze vrijlating onafhankelijk van die van het bescheiden vermogen,
bedoeld in onderdeel b.
Ten aanzien van
uitkeringen in verband met geleden immateriële schade kan het onbillijk
zijn om deze als vermogen in
aanmerking te nemen (onderdeel e). Gelet op de wijze waarop dergelijke uitkeringen,
indien deze de vorm hebben van een bedrag ineens, tot uitbetaling komen, is het bovendien
zeer wel mogelijk om het aanwezige vermogen te herleiden tot zo'n uitkering,
voor zover deze
niet kan worden geacht te zijn besteed.
Met het vierde lid wordt
beoogd dat het niet-gebruikte deel van het bescheiden vermogen alsnog kan
worden
gebruikt indien tijdens de bijstand vermogen ontvangen wordt. Dit voorkomt dat reeds bij de
ontvangst van een relatief klein vermogen de bijstand tijdelijk zou moeten worden beëindigd.
Hoofdstuk 4.
Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
§ 4.1. Aanvullende
inkomensondersteuning
Artikel
35 [35]. Bijzondere
bijstand
Degene die als gevolg van
bijzondere individuele omstandigheden wordt geconfronteerd met noodzakelijke
bestaanskosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de
aanwezige draagkracht te boven
gaan, heeft recht op bijzondere bijstand (eerste lid; zie ook artikel
11 [11], eerste lid). Welke kosten
daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de omstandigheden in het individuele geval
en
kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld. Het kan hierbij om zeer diverse
kostensoorten gaan, te meer daar het recht op bijzondere bijstand, behoudens het gestelde in
artikel 15 [15], niet naar kostensoort is begrensd. Bepalend is dat sprake is van kosten die uit
bijzondere individuele omstandigheden voortkomen en die in het concrete geval als
noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Het betreft hier dus bij uitstek een kwestie van maatwerk;
een landelijke normering van de bijzondere inkomensaanvulling is niet aan de orde.
Voor de verlening van
bijzondere bijstand is het geen vereiste dat men algemene bijstand krachtens
deze wet ontvangt. Ook degene die uit een andere bron dan deze wet beschikt over een inkomen dat
naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet toereikend is ter voorziening in
rblz.|65|
bepaalde
bijzondere noodzakelijke kosten kan een beroep op bijzondere bijstand doen. Zoals
aangegeven in paragraaf 4.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is het
niet wenselijk dat bijzondere bijstand wordt verleend aan personen bij wie niet is vastgesteld
of de betreffende kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk
noodzakelijk zijn en of ze daadwerkelijk gemaakt zijn. Algemeen,
generiek inkomensbeleid is
voorbehouden aan het Rijk; de gemeenten hebben dan ook geen bevoegdheden om op lokaal
niveau een categoraal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling te
voeren. In het derde lid is een uitzondering gemaakt voor personen van 65 jaar
of ouder (derde
lid). In hun situatie speelt immers de armoedeval geen rol. Bovendien kunnen zij niet in
aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel
36 [36].
De voorgestelde regeling
met betrekking tot de categoriale bijzondere bijstand en de beperking daarvan tot
personen van 65 jaar of ouder is voor de doelgroep limitatief en laat dus geen ruimte voor
eigen gemeentelijk beleid.
Burgemeester en
wethouders hebben in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de
vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat
zij zelf bepalen welk deel van de
middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De
vrijlatingsbepalingen ex artikel 34 [34]
(vermogen) zijn daarom niet
verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand. Deze
wet geeft de gemeenten
ook op dit punt dus
meer bevoegdheden dan de Abw. Ook de vaststelling van de draagkracht in het inkomen van
belanghebbende is een
bevoegdheid van gemeenten. Overwegingen die bij de vaststelling van de draagkracht een rol
kunnen spelen, betreffen de aard van de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele
buitengewone lasten van de belanghebbende en overige persoonlijke
omstandigheden.
Om bijzonderebijstandverlening in "kruimelvoorzieningen" tegen te gaan, hebben burgemeester en
wethouders de bevoegdheid om een wettelijk gemaximeerd drempelbedrag toe te passen (tweede
lid).
Artikel
36 [36]. Langdurigheidstoeslag
Voor de
langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de persoon die - afgezien van
de hieronder vermelde
voorwaarden - (a) gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaande aan
de datum
van aanvraag een inkomen heeft gehad dat niet hoger is geweest dan de voor die persoon
van toepassing zijnde bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft,
(b)
gedurende die periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft gehad en
(c) gedurende
die periode voldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid.
Op de regel dat geen
recht bestaat op de langdurigheidstoeslag als inkomsten in verband met arbeid
zijn genoten,
geldt - zoals al is aangeven in paragraaf 4.3 van het algemeen deel van deze memorie
van
toelichting - een uitzondering voor personen die naar een arbeidsongeschiktheidspercentage
van 80 tot 100% een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten. Dit impliceert echter niet dat voorbij kan worden
gegaan aan inkomsten uit arbeid die
de betrokkene in de ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaande aan de datum
van aanvraag heeft gehad. Indien in deze periode, bijvoorbeeld voorafgaande aan de
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid zijn
genoten, staat dit
dus aan toekenning van de langdurigheidstoeslag in de weg. De beoordeling van het
recht
op de toeslag van personen met één van de hiervoor genoemde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen rblz.|66|
zal plaatsvinden aan de hand van een door de
UWV aan
de gemeenten
toe te
zenden verklaring.
Voor het verkrijgen van
een langdurigheidstoeslag geldt voorts nog als voorwaarde dat betrokkene na
afloop van
de periode van 60 maanden binnen een tijdsbestek van twaalf maanden niet reeds voor
een toeslag in aanmerking is gebracht. Indien derhalve een persoon voor een
langdurigheidstoeslag in aanmerking is gebracht, kan deze persoon pas
twaalf maanden daarna - indien
hij alsdan nog steeds aan de voorwaarden voor deze toeslag voldoet - opnieuw voor een
langdurigheidstoeslag in aanmerking worden gebracht.
Zie verder paragraaf 4.3
van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
§ 4.2.
Aanpassing bedragen
Artikel
37 [37]. Nettominimumloon en prijsindexcijfer
Bij de Wet koppeling met
afwijkingsmogelijkheid is de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag zodanig aangepast dat de algemene welvaartsontwikkeling ook tot
uitdrukking komt in de
inkomens van werknemers en uitkeringsgerechtigden op minimumniveau. In het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is al aangegeven dat de
bijstandsnormen
gekoppeld zijn aan het nettominimumloon. Daardoor is gegarandeerd dat de algemene
welvaartsontwikkeling ook tot uitdrukking komt in de bijstandsnormen.
Artikel
38 [38]. Aanpassing
normen en bedragen
Artikel 38
[38] bewerkstelligt
dat de in dit artikel genoemde bedragen en normen van rechtswege wijzigen
wanneer het nettominimumloon, respectievelijk het
netto-ouderdomspensioen wijzigt. In het vijfde
lid is bepaald dat de minister de gewijzigde bedragen en datum waarop deze ingaan publiceert in
de Staatscourant, dit om de kenbaarheid van de gewijzigde normen en bedragen te
waarborgen.
In het eerste lid,
onderdeel a, worden de artikelen genoemd waarin de bedragen zijn opgenomen die
rechtstreeks zijn gekoppeld aan het minimumloon (bedragen voor personen van 21 tot 65 jaar en de
maximale toeslag), dan wel de ontwikkeling volgen van het nettominimumloon (voor
personen die jonger zijn dan 21 jaar). Het percentage aan in de algemene
bijstand opgenomen
vakantietoeslag wordt gesteld op de verhouding tussen de aanspraak op vakantietoeslag en het
nettominimumloon (eerste lid, onderdeel b). Het tweede lid betreft de bedragen voor de
vrijlating van de eenmalige premie gericht op arbeidsinschakeling en de onkostenvergoeding voor
het verrichten van vrijwilligerswerk.
De normbedragen voor
personen van 65 jaar of ouder zijn gelijk aan de netto-AOW-bedragen (derde lid).
Daarbij
wordt rekening gehouden met de voor de belanghebbende van toepassing zijnde
ouderenkorting en
eventuele aanvullende ouderenkorting.
Ook de normbedragen voor
personen in een inrichting volgt de ontwikkeling van het nettominimumloon
(vierde lid).
Op grond van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw zijn deze personen echter
rechtstreeks verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet. Zij zijn daarvoor
een op grond van genoemd besluit
vast te stellen premie verschuldigd. In het nettominimumloon is een nominale
ziekenfondspremie begrepen. Aangezien personen in een inrichting deze nominale premie niet zijn
verschuldigd, wordt voor de berekening van het normbedrag het nettominimumloon
verminderd met deze nominale premie.
rblz.|67|
Artikel
39 [39]. Aanpassing
middelen
Artikel 39
[39] bewerkstelligt, evenals artikel 38
[38], dat de in dit artikel genoemde
bedragen van rechtswege wijzigen
wanneer het inkomen op grond van de WSF
2000 wijzigt, respectievelijk het prijsindexcijfer
van
de gezinsconsumptie stijgt. In het derde lid is bepaald dat de minister
de gewijzigde bedragen en
datum waarop deze ingaan, publiceert in de Staatscourant, dit om de kenbaarheid van de
gewijzigde bedragen te waarborgen.
In artikel 33
[33] is een
waarderingsregel gegeven voor het op grond van de WSF 2000 ontvangen inkomen.
De bedragen die
daarvoor worden gehanteerd, worden gesteld op de som van de budgetten voor
levensonderhoud, vermeerderd met de vergoeding die studerenden ontvangen
als zij ten onrechte geen reisvoorziening (de OV-kaart) hebben ontvangen (eerste lid). Deze
vergoeding is een goede
maatstaf voor de geldswaarde die de reisvoorziening vertegenwoordigt.
Het buiten beschouwing te
laten deel van een periodiek ontvangen particuliere oudedagsvoorziening,
de
vrijlating van het in de woning gebonden vermogen, het niet in aanmerking te nemen
bescheiden vermogen, het drempelbedrag in de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag
worden aangepast aan de hand van de ontwikkeling van het prijsindexcijfer (tweede
lid).
Hoofdstuk 5.
Uitvoering
§ 5.1. De aanvraag
Op de aanvraag is
titel
4.1 (beschikkingen) van de Awb van toepassing. De beslistermijn bedraagt in
beginsel acht
weken (artikel 4:13 van de Awb).
Artikel
40 [40]. Woonplaats en
adresgegevens [V;
NnavhV]
De woonplaats van de
belanghebbende wordt vastgesteld op grond van de artikelen 10, eerste lid, en 11
van Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijk
persoon zich in zijn woonstede bevindt en bij gebreke van woonstede ter
plaatse van zijn
werkelijk verblijf. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door
daden, waaruit zijn wil blijkt
om haar prijs te geven. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben
verplaatst wanneer hij daarvan op wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken
gemeentebesturen heeft kennisgegeven.
Op grond van het tweede
lid van artikel 40 [40]
worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld
over de bijstandverlening aan adreslozen door centrumgemeenten.
Het derde, vierde en
vijfde lid hangen samen met de koppeling van de juiste inschrijving van het
woonadres in de GBA
aan het recht op overheidsprestaties. Het doel hiervan is een bijdrage te leveren
aan de
fraudebestrijding door de betrouwbaarheid van het adresgegeven in de GBA
te vergroten. Dit wordt
bereikt door het belang van de burger bij een correcte inschrijving in de basisadministratie te
vergroten: een onjuiste inschrijving kan gevolgen hebben voor de betreffende
overheidsprestatie.
Artikel
41 [41]. Aanvraag bij
CWI
Dit artikel legt de
procedure vast van een aanvraag bij de CWI voor een bijstandsuitkering. De CWI doet
de intake van
deze aanvraag. Deze fase van de behandeling van een verzoek om een uitkering is van
essentieel belang om de betrokkene vanaf het moment van melding te begeleiden naar werk en
om via een actieve poortwachter te bewerkstelligen dat alleen personen een uitkering
krijgen voor wie er geen andere mogelijkheid rblz.|68|
is om in het bestaan te voorzien. Een actieve rol
van de CWI en een goede samenwerking met de gemeenten
speelt hierbij een essentiële
rol.
Het eerste lid betreft de
hoofdregel voor het indienen van aanvragen van algemene bijstand. Overeenkomstig
artikel 28
van de Wet SUWI wordt de tot burgemeester en wethouders gerichte aanvraag
ingediend bij de CWI.
In het tweede lid worden
de categorieën van aanvragen opgesomd die, in afwijking van de hoofdregel,
niet bij de CWI, maar rechtstreeks bij burgemeester en wethouders moeten
worden ingediend. Hierbij gaat het in de eerste plaats om aanvragen van bijzondere bijstand.
Daarnaast geldt dit voor
aanvragen van algemene bijstand voor mensen die in een inrichting verblijven, gevestigde
zelfstandigen en personen die ouder zijn dan 65 jaar. Op deze categorieën is de
hoofdregel niet van toepassing, omdat hierbij arbeidsinschakeling niet
aan de orde is en het
indienen van de aanvraag bij de CWI dus geen meerwaarde heeft. De uitzondering op de
hoofdregel wordt ook gemaakt voor aanvragen voor personen zonder adres als bedoeld in artikel 1
van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Op grond van het derde lid
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ook andere categorieën van
aanvragen worden aangewezen die, in afwijking van de hoofdregel, rechtstreeks bij
burgemeester en wethouders moeten worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt geboden om in te
kunnen spelen op ontwikkelingen in de praktijk. Hierbij kan gedacht worden aan aanvragen van
personen ten aanzien van wie op het moment waarop ze hun aanvraag
indienen
redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat werk of een op de arbeidsinschakeling
gericht traject vooralsnog niet aan de orde is. Tevens sluit deze
bepaling aan op hetgeen in de socialeverzekeringswetten, met name de
WW,
op dit punt geregeld wordt. De bedoeling van
het vierde lid is het voor gemeenten mogelijk te maken om categorieën van
aanvragen die, gezien het tweede en derde lid, eigenlijk bij
burgemeester en wethouders ingediend
moeten worden, toch bij de CWI in te laten dienen. Uiteraard is hierbij geen
sprake van eenzijdig
opleggen van de gemeente aan de CWI, maar gebeurt dit in overeenstemming met
deze
organisatie. Dit houdt in dat de gemeente, voordat zij de verordening opstelt,
wijzigt of intrekt, hierover overleg voert met de CWI en dat er
afspraken vastgelegd worden over de
indiening van de betreffende categorieën van aanvragen.
Het vijfde lid geeft aan
dat het door burgemeester en wethouders bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt
respectievelijk overgelegd moeten worden, alsmede van de wijze en het tijdstip
waarop dit
moet gebeuren, onverlet laat wat hierover bij of krachtens de Wet
SUWI voor de CWI-fase
wordt geregeld. Bij dit laatste gaat het om de inlichtingenverplichtingen
jegens de CWI en (het tijdstip van) de overdracht van de aanvraag door deze organisatie aan
burgemeester en wethouders.
Artikel
42 [42]. Doorzending
De doorzending van
geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd
is, wordt reeds
geregeld in artikel 2:3 van de Awb. De
Awb biedt echter geen afdoende regeling voor
domiciliegeschillen. Het tweede lid van artikel 42
[42] legt op burgemeester en
wethouders waar de belanghebbende werkelijk verblijft de verplichting op
om, hangende een
domiciliegeschil, de bijstandsaanvraag te beoordelen. Hierdoor wordt voorkomen dat een
dergelijk geschil ertoe leidt dat vertraging optreedt in de
bijstandverlening en de
belanghebbende buiten zijn eigen toedoen onnodig in financiële problemen geraakt.
De beslistermijn begint
te lopen vanaf de mededeling van de doorzending of van de beslissing inzake
het geschil.
rblz.|69|
Artikel
43 [43]. Vaststelling
op aanvraag
Normaliter wordt het
recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vastgesteld (artikel 4:1 van
de Awb). Op grond van het
eerste lid is het echter mogelijk dat burgemeester en wethouders het recht op bijstand
ambtshalve vaststellen, bijvoorbeeld met het oog op spoedgevallen waarin
de wil van de belanghebbende niet kenbaar kan worden gemaakt. In dat geval hoeft geen
aanvraag meer te worden ingediend.
Het tweede lid hangt
samen met artikel 11 [11], vierde lid, waarin wordt bepaald dat het recht op bijstand de
echtgenoten
gezamenlijk toekomt.
Indien één van de
echtgenoten uitdrukkelijk weigert in te stemmen met het aanvragen van bijstand en
daardoor het
belang van de overige gezinsleden in het gedrang komt, kan het recht op bijstand
eveneens
ambtshalve worden vastgesteld (derde lid).
§ 5.2.
Toekenning, vaststelling en betaling
Artikel
44 [44]. Toekenning [V;
NnavhV]
In dit artikel wordt
geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding,
tenzij op die dag nog geen recht
op bijstand bestaat. Het komt namelijk voor dat mensen zich melden voordat zij
bijvoorbeeld werkloos worden of gaan scheiden. In dat geval wordt de bijstand toegekend vanaf
de dag dat het recht op bijstand bestaat. Het derde lid van dit artikel is bedoeld om te
voorkomen dat te veel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.
Artikel
45 [45]. Vaststelling
en betaling
De vaststelling van de
hoogte van de algemene bijstand, waarbij de financiële omstandigheden van de
betrokkene van belang zijn, vindt als regel per kalendermaand plaats. In het eerste lid is dit
algemene uitgangspunt tot uitdrukking gebracht. De uitbetaling van de algemene bijstand vindt
eveneens per kalendermaand plaats. De bepaling in de Abw
dat de betaling achteraf plaatsvindt, is vervallen. Hiermee wordt beoogd burgemeester en wethouders de
mogelijkheid te bieden om te bepalen of de betaling van de algemene
bijstand plaatsvindt in de maand
waarop die betrekking heeft, dan wel of de algemene bijstand wordt betaald na afloop van de
maand waarop deze betrekking heeft.
Wat betreft de
vakantietoeslag blijft uitbetaling in de maand juni het uitgangspunt. De
uitbetaling hoeft niet
gelijktijdig plaats te vinden met die van de algemene bijstand over de maand juni. Burgemeester
en wethouders kunnen de vakantietoeslag voorafgaand aan de betaling van de algemene
bijstand over de maand juni uitbetalen indien naar hun oordeel het recht van belanghebbende
op vakantietoeslag over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden in voldoende mate
vast staat. Eerdere uitbetaling, anders dan in juni, zal plaatsvinden indien de
algemene bijstand tussentijds wordt beëindigd, bijvoorbeeld wegens aanvaarding van arbeid in
loondienst. De tussenvoeging "voor zover niet reeds eerder betaald" ziet mede op de
bijzondere gevallen waarin, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, is besloten de
opgebouwde vakantie-uitkering eerder dan in de maand juni geheel of gedeeltelijk uit te
betalen. Op die wijze kan zo nodig worden voldaan aan een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene
voor een eerdere uitbetaling, bijvoorbeeld in verband met een bepaalde aanschaffing.
Het tweede lid voorziet
in de mogelijkheid om zowel voor wat betreft de vaststelling als de betaling af te
wijken van
het bepaalde in het eerste lid. Grond voor de afwijking is het individualiseringsbeginsel
dat is geformuleerd in artikel 18 [18], eerste lid. Vaststelling van de algemene bijstand over
rblz.|70|
een afwijkende periode impliceert een afwijkende toepassing van de inkomenstoets. Om
burgemeester en wethouders maximaal in staat te stellen maatwerk te leveren, is, anders dan in
de Abw, niet aangegeven onder welke voorwaarden de afwijkende inkomenstoets dient
plaats te vinden. Het ligt in de rede dat de bepaling toepassing zal
vinden in de situatie dat het
patroon van de inkomensverwerving en de hoogte van het inkomen daartoe aanleiding geeft.
Uit oogpunt van rechtszekerheid dient de belanghebbende van tevoren in kennis te zijn
gesteld van de toepassing van deze bepaling. De betrokkene moet immers redelijkerwijs
bekend zijn met de consequenties van de toepassing van deze bepaling zodat daarmee
rekening
kan worden gehouden bij de besteding van inkomen en bijstand.
Deze bepaling zal mede
van betekenis zijn voor degenen die tussen twee bijstandsperiodes in
gedurende een korte
periode een relatief hoog inkomen verwerven, waarbij rekening moet worden
gehouden met de
tijdelijkheid ervan. Met een beroep op deze bepaling kunnen burgemeester en
wethouders de bijstand weigeren of eerst op een latere datum laten
ingaan, mits de betrokkene over voldoende middelen beschikt om die periode te overbruggen. Daarbij
is uiteraard de
vrijlating van een bescheiden vermogen niet aan de orde. Als de
betrokkene in het geheel niet over
middelen beschikt, zal de gemeente er doorgaans niet aan kunnen
ontkomen om bijstand te
verlenen. Artikel 18 [18], eerste lid, biedt echter de mogelijkheid om de bijstand af te stemmen op
het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan.
Als de maandelijkse
betaling voor de belanghebbende problematisch is, bijvoorbeeld omdat hij
onvoldoende overzicht
heeft over zijn inkomsten en uitgaven, kan een maandelijks betalingsritme tot
financiële moeilijkheden leiden. Het is inherent aan deze
wet dat dan
ook ten aanzien van de betaalwijze maatwerk kan worden geleverd door een afwijkende betaling
van de bijstand. Het
tweede lid biedt daartoe de bevoegdheid aan burgemeester en wethouders. Het moge
duidelijk zijn dat, als de gemeente op grond van individuele omstandigheden afwijkt
van het maandelijkse betalingsritme, zij vrij is in het kiezen van een ander ritme. Het tweede
lid biedt bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om, ter voorkoming dat iemand in financiële
moeilijkheden geraakt, wekelijks een bedrag voor de dagelijkse levensbehoeften uit te
betalen en eens per maand voor vaste lasten. Uiteraard dient daarbij wel
bij de van toepassing
zijnde bijstandsnorm te worden aangesloten. In voorkomende gevallen waarin zich
bestedingsmoeilijkheden voordoen, kan er aanleiding zijn een stap verder
te gaan, doordat de gemeente in
naam van de belanghebbende uit diens bijstandsuitkering bepaalde noodzakelijke
betalingen,
zoals de huur en de energierekening, verricht dan wel de bijstand in natura betaalt. Met
name
ter verbetering van de mogelijkheden tot schuldpreventie is hieromtrent in
artikel 57 [57]
een afzonderlijke bepaling opgenomen.
Het derde lid bevat de
specifieke uitzonderingen op de hoofdregel betreffende de vaststelling per
kalendermaand.
Allereerst betreft dit de in onderdeel a genoemde situatie waarin de belanghebbende
voor het
eerst, of na langere onderbreking, bijstand gaat ontvangen of waarin de bijstand, anders dan
tijdelijk, wordt beëindigd. Deze uitzondering houdt in dat bij aanvang van de bijstand dient te
worden vastgesteld of de betrokkene gedurende de afgelopen periode van ten minste 30 dagen
over de middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien en in die
periode dus geen algemene bijstand heeft ontvangen. Als dat het geval is,
wordt de hoogte van de
uitkering vastgesteld over het deel van de kalendermaand volgend op het ontstaan van de
bijstandsbehoevendheid. Dit wil zeggen dat de bijstandsnorm
naar rato van dit maanddeel wordt
vastgesteld en slechts het inkomen over dat deel in beschouwing wordt genomen. Bij
beëindiging van de bijstand doet zich de situatie voor dat rblz.|71|
niet op voorhand met zekerheid
kan worden vastgesteld of de belanghebbende inderdaad gedurende langere tijd
bijstandsonafhankelijk zal zijn. Aangezien in het merendeel van de
gevallen de bijstand niet slechts
kortdurend wordt onderbroken, kan de gemeente er bij beëindiging over het
algemeen in eerste
aanleg van uitgaan dat in de komende periode van ten minste 30 dagen niet
opnieuw bijstand
behoeft te worden verstrekt. De bijstandsnorm wordt dan gedurende de laatste
bijstandsmaand
naar rato van de periode van bijstandsbehoevendheid in die maand vastgesteld en de
eventuele middelen worden slechts over dit maanddeel in aanmerking genomen. Als de
belanghebbende echter binnen een periode van 30 dagen wederom bijstandsbehoevend blijkt
te zijn, dient alsnog de uitkering over deze maand opnieuw te worden vastgesteld met
toepassing van de gegeven hoofdregel. Dan dient in voorkomende gevallen rekening te
worden gehouden met de middelen die bij de beëindiging van de voorafgaande
bijstandsperiode niet in aanmerking zijn genomen. Deze per saldo niet-verrekende inkomsten
kunnen op grond van artikel 58 [58], derde lid, worden verrekend met de uitkering over de
volgende maand.
De andere situaties
waarin een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel zijn in onderdeel
b
aangegeven. Vaststelling van de bijstand over de gehele kalendermaand zou
in deze situaties betekenen
dat bijstand wordt verleend over een periode dat de belanghebbende van het recht op
bijstand
is uitgesloten of beroep op een voorliggende voorziening kan doen. Om dit te voorkomen, dient
in dergelijke gevallen de hoogte van de algemene bijstand eveneens te worden
vastgesteld naar evenredigheid van de periode waarin de belanghebbende wel recht op bijstand
heeft. In de situatie dat één van de gehuwden slechts voor een deel van de maand van het recht op
bijstand is uitgesloten, worden voor dat deel van de maand de artikelen 25
[25] en
32 [32], derde
lid, toegepast.
De gesplitste uitbetaling
van de algemene bijstand aan rechthebbende echtgenoten is regel. Dit impliceert dat
daartoe niet eerst een expliciet verzoek van betrokkenen aan vooraf
behoeft te gaan (vierde lid).
Indien de uitbetaling van de gehele gezinsuitkering geschiedt aan één
van de echtgenoten, dient
evenwel, blijkens een gezamenlijk verzoek daartoe, duidelijk te zijn
dat de andere echtgenoot hiermee instemt. Er is geen aanleiding het voorschrift tot gesplitste
uitbetaling mede
betrekking te doen hebben op bijzondere bijstand. Gezien het karakter
van de bijzondere bijstand
als voorziening in bepaalde specifieke kosten, ligt het voor de hand dat
deze wordt uitbetaald aan
de persoon op wie de betreffende bijzondere kosten betrekking hebben.
In het vijfde lid is de
doorbetaling geregeld van de algemene bijstand in geval van overlijden. In
navolging van andere
wetten op het terrein van de sociale zekerheid is bij overlijden van de alleenstaande ouder de
uitbetaling van de bijstand geregeld aan het kind of de kinderen in de zin van
deze wet. Tevens
wordt een overlijdensuitkering toegekend aan de alleenstaande ouder van wie het
laatste
tot zijn last komende kind komt te overlijden. Ook deze alleenstaande ouder, die
als gevolg van het overlijden van dat kind terugvalt naar de bijstandsnorm
voor een
alleenstaande, bevindt zich in een situatie waarvoor de overlijdensuitkering
bestemd is; een situatie namelijk waarin het van belang is dat een
zekere geleidelijkheid in acht
wordt genomen bij de aanpassing aan de veranderde omstandigheden.
De bepaling houdt
overigens niet in dat de ten tijde van het overlijden door de belanghebbende
daadwerkelijk ontvangen bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet.
Bepaald is immers dat de
op dat tijdstip van toepassing zijnde bijstandsnorm blijft gehandhaafd. Dit
impliceert dat eventuele inkomsten aan die bijstandsnorm worden getoetst
en dus niet aan de
bijstandsnorm die zou hebben gegolden indien artikel
45 [45], vijfde lid, niet
van toepassing zou zijn
geweest.
rblz.|72|
Artikel
46 [46]. Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging
Aangezien verstrekte
bijstand dient ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan, dient
deze niet
vatbaar te zien voor vervreemding en verpanding (eerste lid). Beslag op algemene bijstand
(derde lid) is slechts geldig voor zover de belanghebbende ten minste blijft beschikken over de
zogenaamde beslagvrije voet (artikel 475d Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering), waarvan
de basishoogte 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm
bedraagt.
Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag. Ter bescherming van belanghebbende is tevens
bepaald dat een machtiging tot het in ontvangst nemen van bijstand altijd herroepen kan
worden.
§ 5.3.
Cliëntenparticipatie
Artikel
47 [47]. Realisatie en
vormgeving [V]
Als uitgangspunt blijft
bestaan dat cliënten en hun vertegenwoordigers betrokken moeten worden bij de
uitvoering
van deze wet. Gemeenten blijven ook vrij in de keuze van de manier waarop
cliëntenparticipatie georganiseerd wordt. Zo bestaat de mogelijkheid
een cliëntenraad of -panel op te richten,
maar er kan ook gedacht worden aan klanttevredenheidsonderzoeken. Hierbij moet
rekening worden gehouden met de samenwerking met de CWI
en het UWV en met de nieuwe
cliëntgroepen: de niet-uitkeringsgerechtigden en de personen met een Anw-uitkering.
Hoofdstuk 6.
Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
§ 6.1. Vorm bijstand
Artikel
48 [48]. Geldlening en
borgtocht
Deze paragraaf regelt de
vorm waarin de bijstand waarop recht bestaat, wordt verleend. De artikelen in
deze
paragraaf zijn niet bepalend voor de vraag of al dan niet een recht op
bijstand bestaat. Alleen wanneer
iemand niet over voldoende middelen beschikt, kan bijstand worden verleend. Hieruit vloeit
voort dat de bijstand doorgaans "om niet" wordt verstrekt. In het
eerste lid wordt deze hoofdregel aangegeven. Dit sluit niet uit dat in bepaalde gevallen
terugvordering en verhaal
van om niet verstrekte bijstand aan de orde kunnen zijn. Op de gegeven hoofdregel zijn
uitzonderingen mogelijk. Deze worden in de overige bepalingen van deze paragraaf geregeld.
Zoals blijkt uit de formulering van het eerste lid dient in andere dan de in die bepalingen
genoemde situaties de bijstand om niet te worden verleend. Ook bij de bepaling van de vorm van
de bijstand is maatwerk een vereiste.
In bijzondere
omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders op grond van het tweede
lid in de daar genoemde
situaties de bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening of borgtocht. Aanleiding
hiertoe kan er zijn indien redelijkerwijs kan worden aangenomen (bijvoorbeeld vanwege het
bestaan van een aanspraak) dat de belanghebbende op korte termijn ten aanzien van
de periode waarover hij bijstand vraagt alsnog voldoende middelen tot zijn beschikking krijgt.
Ook indien de bijstandsaanvraag is te wijten aan het feit dat de betreffende persoon blijk
heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan, kan het in de rede liggen dat aan te verstrekken bijstand de
vorm van een geldlening of borgtocht wordt gegeven. Wanneer de gevraagde
bijstand
betrekking heeft op een waarborgsom, rblz.|73|
is leenbijstand de aangewezen vorm, aangezien
belanghebbende
de waarborgsom op een later moment weer terugontvangt.
De artikelen 13
[13], eerste
lid, onderdeel f, 48 [48], tweede lid, onderdeel
d, en 49 [49]
hebben in onderlinge
samenhang
bezien onder meer betrekking op de vraag in welke gevallen, op welke wijze en in welke
vorm
bijstand kan worden verleend voor schulden. Vanuit de gedachte dat een
ieder verantwoordelijkheid draagt voor de eigen schulden is het uitgangspunt
dat - bijzondere situaties daargelaten - geen bijstand wordt verleend voor schulden. Voorts wordt
het wenselijk geacht om
in gevallen waarin de gemeente
van oordeel is dat in het concrete geval bijstandverlening voor schulden geboden is, aan de gemeente zelf over te laten of de bijstand wordt verleend
om niet, dan wel in de vorm van een geldlening of borgtocht. Als voorbeeld kan worden
genoemd de situatie waarin de betrokkene ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast
beschikte over een inkomen dat de bijstandsnorm
ruim overschreed en een lening afsloot op
basis van dat inkomen. De schuldenlast hoeft dan lang niet altijd voort
te vloeien uit een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat door onvoorzienbare
omstandigheden het
inkomen sterk daalt nadat de lening is afgesloten, waardoor de betrokkene niet meer aan
de aflossingsverplichtingen kan voldoen.
Indien de bijstand in de
vorm van een geldlening wordt verleend, kan het, in verband met het risico dat
de
belanghebbende niet voldoet aan de rente- en aflossingsverplichtingen,
gewenst zijn zo mogelijk zekerheden te bedingen. Het derde lid geeft burgemeester en wethouders
deze bevoegdheid. Bij bijstandverlening van beperkte omvang is het mogelijk dat de kosten
in verband met het
vestigen van zekerheden onevenredig hoog zijn ten opzichte van het
reële belang dat door zekerheidstelling wordt gediend. In dat geval ligt het voor de hand dat
van het stellen van
zekerheden wordt afgezien.
Artikel
49 [49]. Schuldenlast
In
de toelichting op
artikel 48 is reeds aangegeven dat er zich situaties kunnen voordoen waarin aan de
hoofdregel
van artikel 13 [13], eerste lid, onderdeel f - geen recht op bijstand heeft degene die bijstand
vraagt ter aflossing van een schuldenlast - niet onverkort kan worden vastgehouden. Hier wordt
nader ingegaan op de situaties waarin bijstandverlening voor schulden toch mogelijk
is. Ook de jurisprudentie biedt de ruimte om in zeer bijzondere omstandigheden bijstand
te verlenen voor het betalen of verminderen van een schuld. De toegestane uitzonderingen
op genoemde algemene regel zijn evenwel zeer specifiek van aard. Of zich zeer dringende
redenen voordoen die een afwijking van de gegeven hoofdregel
rechtvaardigen, is ter beoordeling aan
burgemeester en wethouders. De jurisprudentie geeft daarbij enig houvast. In
de toelichting op artikel 48 is reeds aangegeven dat bijstand in de
betaling van een schuld
gerechtvaardigd kan zijn indien het ontstaan en voortbestaan van die schuld is
veroorzaakt doordat de
belanghebbende in het verleden slechts beschikte over een inkomen onder het bijstandsniveau
en in zijn geval ook overigens van ontoereikende middelen kan worden gesproken.
Het voorgaande impliceert
dat deze wet geen uitgebreide rol kan spelen in het kader van schuldsanering.
Schuldsanering is een taak die vooral door gemeentelijke kredietbanken wordt vervuld.
In de
praktijk komt het voor dat een kredietbank niet tot het verstrekken van een saneringskrediet
overgaat, aangezien het inkomen van betrokkene te weinig zekerheid biedt dat deze aan de
aflossing kan voldoen. Wanneer om die reden de kredietbank tot een afwijzing van de aanvraag
voor een saneringskrediet heeft besloten, kan het wenselijk zijn, indien schuldsanering
noodzakelijk en urgent is doordat het voortbestaan van de schuld betrokkene in zijn
bestaan bedreigt, dat borgstelling op grond van deze wet plaatsvindt, rblz.|74|
zodat de kredietbank alsnog tot
de verstrekking van een saneringskrediet kan besluiten. Onderdeel a biedt daartoe de
mogelijkheid. Voor de toepassing van dit onderdeel is dus vooral de noodzaak en urgentie van
de schuldsanering doorslaggevend en niet de aard van de kosten die tot de schuld hebben
geleid.
Artikel
50 [50]. Eigen woning [V;
NnavhV]
Ten opzichte van de
Abw kent dit wetsvoorstel een aantal wijzigingen in de regeling van de gevolgen
voor de bijstand
van het vermogen gebonden in voor bewoning bestemde zaken. Zo is de regeling niet
alleen van toepassing op registergoederen, maar ook op niet-registergoederen zoals woonwagens en woonschepen onder een bepaald tonnage. Het
wetsvoorstel beoogt
hiermee de rechtsgelijkheid te bevorderen en het hiaat in te vullen dat
in deze door de rechtspraak
is geconstateerd. Voorts is het aan burgemeester en wethouders om te bepalen of de als
lening verstrekte bijstand al dan niet wordt gezekerd door middel van
een hypotheek- of, waar het
niet-registergoederen betreft, pandovereenkomst. Ter zake van die overeenkomsten zijn geen
aanvullende bepalingen in deze wet opgenomen. De betreffende bepalingen uit het
civiele recht bieden voldoende soelaas. Voor de vrijlating van het vermogen gebonden in de
eigen woning met bijhorend erf wordt verwezen naar artikel
34 [34], tweede lid, onderdeel d.
Artikel
51 [51]. Duurzame
gebruiksgoederen [V;
NnavhV]
Tot de algemeen
voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de aanschaf,
vervanging of
reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter. Indien men ten
minste
beschikt
over een inkomen op het niveau van het sociaal
minimum, dus ook indien men een algemene
bijstandsuitkering ontvangt, wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig
geacht om hiervoor te reserveren, dan wel achteraf gespreid te betalen. Via de algemene
normbijstand wordt dus tevens reeds bijstand verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen. Doet
zich evenwel de bijzondere situatie voor dat een dergelijk goed bijvoorbeeld aan
vervanging toe is, terwijl betrokkene nog niet voldoende heeft
gereserveerd, dan ligt het voor de hand
dat de alsdan te verstrekken bijzondere bijstand, mede gezien het duurzame karakter van het
goed, de vorm van een geldlening heeft. Alvorens leenbijstand kan worden verstrekt, dient
vast te staan dat de belanghebbende de benodigde geldlening niet kan verkrijgen via de normale
kredietverlenende instanties. Teneinde een optimale inschakeling van de reguliere
kredietverlening mogelijk te maken, ook voor degenen met een laag
inkomen en derhalve een beperkte
aflossingscapaciteit, biedt het voorgestelde artikel tevens de mogelijkheid
bijstand te
verlenen in de vorm van borgtocht. Voor het verlenen van borgtocht kan slechts aanleiding
zijn indien is komen vast te staan dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door
de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt. Voorkomen dient te worden dat de
mogelijkheid van borgstelling leidt tot een onterechte afwenteling van het bedrijfsrisico van
kredietverlenende instellingen op de bijstand.
Burgemeester en
wethouders bepalen de hoogte van de aflossingsbedragen en de duur van de
aflossing. Het wordt ook
aan hen overgelaten vast te stellen of er aanleiding is de betreffende bijstand
geheel of voor
een deel te verlenen om niet. Eén en ander dient te worden beoordeeld naar de
omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Uit oogpunt van deregulering is
ervan afgezien om te bepalen dat de aflossingsbedragen zodanig worden vastgesteld dat de
belanghebbende ten minste blijft beschikken over een inkomen op het niveau van de in het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen beslagvrije rblz.|75|
voet, namelijk 90% van
de toepasselijke bijstandsnorm. Hiermee is evenwel geenszins beoogd dat een inbreuk
wordt gemaakt op de bestaande praktijk dat de aflossingsbedragen zodanig worden
vastgesteld dat die voor de belanghebbende niet onevenredig bezwarend
zijn.
Artikel
52 [52]. Voorschot
Dit artikel geeft
burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bijstand te verlenen bij wijze van
voorschot. Deze
bevoegdheid is beperkt tot situaties waarin de individuele omstandigheden in een
concreet geval voorschotverlening noodzakelijk maken.
De mogelijkheid van
voorschotverlening kent een beperking in duur. Deze sluit aan bij de in de
Awb opgenomen termijn
waarbinnen een beslissing op de aanvraag dient te worden genomen. Uit het
karakter
van de voorschotverlening volgt dat deze tot een zo kort mogelijke periode beperkt dient te
blijven. Over het recht op bijstand bestaat immers geen zekerheid. Als het de belanghebbende
verweten kan worden dat burgemeester en wethouders niet tijdig de beschikking hebben over
bepaalde aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht
op bijstand, ligt het voor de hand dat hiermee bij de voorschotverlening
rekening wordt gehouden.
Het voorschot wordt
verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Dit illustreert het voorlopige
karakter van
het voorschot en het gegeven dat dit moet worden terugbetaald. Als het onderzoek is
afgerond
en de belanghebbende voor bijstand in aanmerking blijkt te komen, wordt het voorschot
verrekend met de toegekende bijstand. Is het voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verleend, dan kan dit van de belanghebbende worden teruggevorderd.
Artikel
53 [53]. Voorschot UWV
Voor zover bijstand wordt
verleend met betrekking tot de periode waarover het UWV
een op grond van
de WW, de ZW,
de WAO, de WAZ, de Wajong of de
TW onverschuldigd verleend voorschot terugvordert,
kan deze bijstand krachtens dit artikel ter verrekening met dat voorschot worden betaald
aan het UWV. In overeenstemming met soortgelijke verrekeningsbepalingen in
voornoemde wetten kan op grond van dit artikel betaling aan het UWV van de te verrekenen
bijstand plaatsvinden zonder machtiging van de bijstandsgerechtigde.
§ 6.2.
Opschorten en herzien
Artikel
54 [54]. Onjuiste
gegevens en onvoldoende medewerking
Het opschorten van het
recht op uitkering en het herzien en intrekken van toekenningsbeschikkingen
zijn geen verplichtingen meer voor burgemeester en wethouders, maar bevoegdheden.
Hiermee krijgt het college ruimte om de te nemen beslissingen af te stemmen op lokaal beleid
en specifieke individuele omstandigheden. Uit oogpunt van rechtszekerheid voor de
belanghebbende kan de in het eerste lid bedoelde opschorting van het recht op uitkering niet
langer duren dan acht weken. Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende in de
gelegenheid het verzuim, waarvoor tot opschorting is overgegaan, binnen een door hen
gestelde termijn te herstellen. Welke hersteltermijn in het individuele geval wordt geboden,
behoort tot de beleidsvrijheid van burgemeester en wethouders. De enige wettelijke
beperking vloeit voort uit de in de tijd begrensde mogelijkheid om het
recht op uitkering op te
schorten. Wanneer de belanghebbende het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde
termijn
herstelt, kunnen burgemeester en wethouders het recht op bijstand
beëindigen vanaf de eerste dag
waarover dat recht is opgeschort. rblz.|76|
Deze wijze van beëindigen is geen belemmering voor
terugvordering van bijstand die als gevolg van betaalsystematiek reeds
is uitgekeerd over een
periode waarop de opschorting betrekking heeft.
Indien de belanghebbende
de op hem rustende inlichtingenplicht jegens burgemeester en wethouders en de
CWI niet
of niet behoorlijk nakomt, kunnen burgemeester en wethouders op grond van het derde
lid
een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken. Ook indien de bijstand ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kunnen burgemeester en wethouders een besluit
tot toekenning van bijstand herzien of intrekken. Op basis van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur kan dit alleen indien de belanghebbende redelijkerwijs kon
begrijpen dat hij te veel of ten onrechte bijstand ontving. De bijstand
die tegen de achtergrond van
een herzienings- of intrekkingsbesluit ten onrechte of te veel is verleend, kunnen
burgemeester en wethouders terugvorderen op grond van artikel 58
[58] van deze
wet.
§ 6.3.
Aanvullende verplichtingen
Artikel
55 [55]. Nadere
verplichtingen
Dit artikel geeft
burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, naast de verplichtingen
die op grond van hoofdstuk 2 [2]
aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, vanaf de dag van melding
aan de
belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot
arbeidsinschakeling, dan wel verband houden met aard en doel van een
bepaalde vorm van bijstand of strekken tot vermindering of te beëindiging van de bijstand.
Het opleggen van deze
nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer in de persoon
gelegen problemen
aan arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of
verslavingsproblemen. Een actieve, zo nodig bemiddelende opstelling van burgemeester en
wethouders om dergelijke factoren, door inschakeling van professionele hulp, weg te nemen, is
alsdan zeer gewenst. Burgemeester en wethouders kunnen, indien zij dit noodzakelijk achten
voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van belanghebbende, aan de
bijstand de verplichting verbinden dat belanghebbende een medische behandeling ondergaat dan
wel enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening die naar zijn aard met een
medische behandeling kan worden vergeleken. De zorgvuldigheid vergt dat burgemeester en
wethouders, alvorens een dergelijke verplichting op te leggen, het deskundig advies inwinnen
van een arts.
Artikel
56 [56]. Kinderalimentatie [V;
NnavhV]
Dit artikel regelt de
bevoegdheid van burgemeester en wethouders om belanghebbende in voorkomende gevallen te
verplichten zelf (kinder)alimentatie te regelen; zulks geschiedt via een
verzoek ter zake bij
een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instelling. In paragraaf 6.2
van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds ingegaan op de inrichting van een
nieuw kinderalimentatiestelsel. Kenmerk van dit stelsel is een doorzichtiger en beter
uitvoerbaar systeem van kinderalimentatievaststelling en -betaling. Zo'n systeem maakt het
reëel dat ook de alimentatiegerechtigde zelf een vordering tot levensonderhoud ten
behoeve van zijn kind(eren) instelt. Het is dan ook reëel dat burgemeester en
wethouders de onderhoudsgerechtigde zo nodig verplichten zo'n
vordering in te stellen. Tot de
invoering van het nieuwe alimentatiestelsel zal de Abw-verhaalswetgeving inzake minderjarige
kinderen en ex-partners, zoals neergelegd in de artikelen 92 tot en met
98 en 101 tot en met 105 van de Abw, van kracht blijven in de vorm van een discretionaire
rblz.|77|
bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Dit wordt geregeld in de
Invoeringswet bij dit wetsvoorstel.
Artikel
57 [57]. Noodzakelijke
betalingen en bijstand in natura [V]
Wanneer er naar het
oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde
besteding van zijn bestaansmiddelen, kan aan het recht op inkomensaanvulling de
verplichting worden verbonden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat in diens naam noodzakelijke
betalingen worden
verricht uit de toegekende uitkering. Ook kan worden besloten om de uitkering in natura te
verstrekken. De redenen waarom hiertoe besloten kan worden, beperken zich niet uitsluitend tot
situaties waarin de belanghebbende zich in een problematische schuldsituatie
bevindt
of daarin dreigt te geraken. Ook in situaties waarbij de belanghebbende beschermd moet worden
tegen het afglijden in de maatschappij en tekortschiet in zijn zelfredzaamheid - zoals
dakloosheid, psychosociale problemen, verslaving en schulden - kunnen aanleiding geven
om toepassing te geven aan dit artikel. Als de belanghebbende niet aan de verplichting
meewerkt dat in zijn naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand
worden verricht,
kan het verlenen van bijstand worden afgewezen dan wel beëindigd. De uitbreiding
van de
wettelijke mogelijkheden en gemeentelijke bevoegdheden op dit punt heeft een versterking van
het vangnetkarakter van deze wet tot gevolg.
Bijstand in natura is een
vorm waarbij de uitkering geheel of gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar
rechtstreeks
in de vorm van goederen en/of diensten wordt verstrekt. De gemeente
kan bijvoorbeeld
fungeren
als inkoper van goederen en diensten en die leveren aan de belanghebbende. Een
voorbeeld hiervan is het voorzien in een slaapplaats voor een dak- of thuisloze. De met de
naturaverstrekkingen gemoeide kosten kunnen, zowel feitelijk als forfaitair, worden
verrekend met de uitkering. Een afgeleide vorm van bijstand in natura is
die waarbij de bijstand zelf
in de vorm van een geldbedrag wordt toegekend en aan dat geldbedrag een bepaalde
bestedingsverplichting wordt verbonden.
§ 6.4.
Terugvordering
Artikel
58 [58]. Bevoegdheid
terugvordering [V;
NnavhV]
In paragraaf 6.1 van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven dat het, door
de grote beleids- en financiële verantwoordelijkheid van gemeenten
die met dit
wetsvoorstel wordt beoogd, niet nodig is aan gemeenten een verplichting op te leggen tot
terugvordering.
De situaties waarin
terugvordering aan de orde is, zijn in dit wetsvoorstel niet gewijzigd. Terugvordering
van
verleende bijstand, die op basis van deze wet een executoriale titel in
de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering oplevert, is
alleen mogelijk in de in
het eerste lid genoemde situaties. Ten onrechte of te veel betaalde bijstand kan
worden teruggevorderd. Evenzeer kan bijstand die bij wijze van voorschot is verleend,
worden teruggevorderd wanneer vastgesteld is dat geen recht op die bijstand bestaat. Ook
bijstand die in de vorm van een geldlening of als borgtocht is verleend,
kan worden
teruggevorderd. Hierbij kan ook worden gedacht aan de als geldlening
verstrekte bijstand waarbij
burgemeester en wethouders zekerheidstelling hebben gevraagd op de eigen
woning. Met het vervallen
van het op de Abw gebaseerde Besluit
krediethypotheek bijstand hebben burgemeester en
wethouders de volledige beleidsruimte om extra zekerheden voor een
lening te vragen en om te
bepalen wanneer en met welke bedragen de geldlening wordt terugbetaald.
Ten slotte
kan het
voorkomen dat de rblz.|78|
bijstand onverschuldigd is betaald. Ook in die
situaties kan de bijstand worden
teruggevorderd.
Het tweede lid regelt dat
de terugvordering, indien de bijstandskosten door een andere gemeente
worden vergoed,
zo nodig door die gemeente geschiedt of wordt voortgezet.
Het derde lid maakt het
mogelijk dat gecumuleerde inkomsten die over een voorafgaande periode ineens zijn
ontvangen niet over één maar over ten hoogste drie daaropvolgende maanden direct met de
bijstand kunnen worden verrekend zonder dat daarvoor een formele actie tot terugvordering
hoeft te worden gestart. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij invalkrachten in het
onderwijs; het inkomen komt vaak pas na enkele maanden tot uitbetaling.
Gemaakte kosten van
bijstand omvatten mede de daarover verschuldigde loonbelasting en premies
ingevolge de
socialezekerheidswetten (vierde lid). Terugvordering van over de bijstand afgedragen
belasting en premies blijft achterwege voor zover deze belasting en premies door de
gemeente verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het UWV. De mogelijkheid daarvoor
doet zich voor bij verrekening binnen het kalenderjaar. Bij gebreke van tijdige
betaling kunnen burgemeester en wethouders de vordering verhogen met de wettelijke rente
en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Burgemeester en wethouders kunnen
hiertoe ook besluiten indien de bijstand als gevolg van fraude volledig kan worden teruggevorderd
zodat de mogelijkheid ontbreekt van een verlaging als bedoeld in artikel
18 [18], tweede lid.
Artikel
59 [59]. Terugvordering
gezinsleden [V;
NnavhV]
Ten aanzien van gehuwden
en daarmee gelijkstelden wordt de bijstand overeenkomstig artikel
18 [18], vierde lid, als
gezinsbijstand verleend en derhalve als één geheel vastgesteld.
Daarbij wordt rekening gehouden
met de middelen van de tot het gezin behorende personen. Dit laatste dient op
overeenkomstige wijze te geschieden indien met betrekking tot verleende gezinsbijstand
terugvordering aan de orde is. De terugvordering is dan niet alleen
gericht op de persoon aan wie de
bijstand is betaald, maar tevens op de personen die in de gezinsbijstand
zijn begrepen (eerste
lid).
In het tweede lid is
geregeld dat, indien de bijstand op grond van artikel
18 [18], vierde lid,
als gezinsbijstand had moeten
worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de
verplichtingen, bedoeld in artikel 18 [18]
of de artikelen
28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de
Wet SUWI, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand
mede
worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand
rekening had moeten worden gehouden. Hiermee is beoogd om, indien het voeren van een
gezamenlijke huishouding niet of niet tijdig aan burgemeester en wethouders is gemeld, de
kosten van bijstand mede terug te kunnen vorderen van de partner van de betrokkene.
Terugvordering van de betrokkene die de bijstand heeft ontvangen, geschiedt ingevolge
artikel 58 [58] van deze wet.
Artikel
60 [60]. Besluit tot
terugvordering
Terugvordering behelst
zowel het nemen van het terugvorderingsbesluit als de tenuitvoerlegging daarna.
Om één en ander effectief te laten verlopen, dienen burgemeester en wethouders een aantal
beslissingen te nemen. In de eerste plaats dienen burgemeester en wethouders de eerder
toegekende uitkering te herzien waardoor de betrokkene juridisch in de rblz.|79|
juiste uitkeringssituatie
wordt geplaatst. In de tweede plaats dienen burgemeester en wethouders een
terugvorderingsbesluit te nemen (eerste lid). In dat besluit wordt de
grond aangegeven waarop wordt
teruggevorderd alsmede de hoogte van het terug te vorderen bedrag. Ten
slotte nemen
burgemeester en wethouders een invorderingsbeslissing waarin wordt vastgesteld over
welke periode en met welke termijnbedragen de betrokkene het verschuldigde bedrag
terugbetaalt. In het terugvorderingsbesluit zal informatie moeten worden verstrekt
over de
wijze waarop dat besluit ten uitvoer wordt gelegd. Op grond van het tweede lid is de
betrokkene verplicht de inlichtingen te verstrekken die met het oog op
de terugvordering van belang zijn.
Zoals bij de toelichting
op artikel 58 reeds is aangegeven, levert terugvordering van de kosten van
bijstand, als bedoeld
in de artikelen 58 [58]
en 59 [59] van
deze wet, een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met betrekking tot het executoriaal
beslag is, overeenkomstig de Abw, voorzien in de mogelijkheid van vereenvoudigd
derdenbeslag. De vordering tot terugvordering ingevolge deze wet
is
preferent en volgt onmiddellijk na
de vorderingen in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Evenals onder het
Abw-regime kan een belanghebbende op wiens inkomen beslag wordt gelegd vanwege een
bijstandschuld kiezen voor een bestuursrechtelijke of een civielrechtelijke
rechtsgang indien hij het hiermee niet eens is. De bestuursrechter kan
zich uitspreken over de
rechtmatigheid van het terugvorderingbesluit. Indien de bestuursrechter oordeelt dat het
terugvorderingsbesluit onrechtmatig is, vervalt hiermee tevens de
rechtsgrond voor het beslag dat
immers is verbonden aan het bestreden besluit. De civiele rechter daarentegen kan zich
slechts uitspreken over de wijze waarop de beslaglegging wordt uitgevoerd, maar niet
over (de inhoud van) het terugvorderingbesluit in de zin van de Awb. Dit laatste aspect is
immers voorbehouden aan de bestuursrechter. Door bovenstaande verschillen in rechtsgang
zal er in de praktijk niet licht sprake zijn van competentiegeschillen zoals de
RvS [Raad van State, red.] in theorie
voor mogelijk houdt. Voorts zijn geen signalen uit de uitvoeringspraktijk of
jurisprudentie bekend waaruit het tegendeel blijkt.
§ 6.5. Verhaal
Artikelen
61 [61] en 62
[62].
Bevoegdheid en besluit tot verhaal [V;
NnavhV]
Deze artikelen geven
burgemeester en wethouders de wettelijke mogelijkheid om eventuele bijzondere
bijstand die
is verstrekt te verhalen op ouders van meerderjarige kinderen in de leeftijd van 18 tot 21
jaar die een zelfstandig beroep op bijstand doen. Gezien de afstemming van de landelijke
bijstandsnormen op het kinderbijslagniveau is er geen aanleiding om algemene bijstand te
verhalen. Het verhaal blijft dus beperkt tot bijzondere bijstand.
Verhaal van bijstand op
onderhoudsplichtigen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde minderjarige kinderen en
ex-partners wordt met de komst van een nieuw kinderalimentatiestelsel
overbodig. Hierop is reeds ingegaan in de toelichting op artikel
56. Voorts behouden
burgemeester en wethouders de mogelijkheid om bijstand te verhalen in relatie tot
schenkingen
en nalatenschappen. Het afschuiven van kosten naar de overheid door het doen van
schenkingen
van een belanghebbende wordt ten principale onaanvaardbaar geacht. Daarnaast is het
mogelijk op de nalatenschap van een belanghebbende te verhalen indien laatstgenoemde nog
een schuld heeft aan de gemeente die niet (geheel) is terugbetaald. Deze schuld kan
bijvoorbeeld verband houden met bijstand die als geldlening is verstrekt
of als gevolg van borgtocht
is verleend.
Een besluit tot verhaal
levert in deze wet een executoriale titel op, zodat
rblz.|80|
burgemeester en wethouders
zonder
tussenkomst van de rechter tot incasso kunnen overgaan.
§ 6.6.
Gegevensuitwisseling
Artikel
63 [63]. Inlichtingenverplichting werkgever
Dit artikel bepaalt dat
(ex-)werkgevers
en (ex-)opdrachtgevers tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden de door
burgemeester en wethouders gevraagde inlichtingen verstrekken, dan wel uit
eigen
beweging aan de sociale dienst wijzigingen doorgeven als burgemeester en
wethouders reeds eerder
om dergelijke inlichtingen hebben gevraagd. De term inlichtingen is breed op te vatten. Voor
de uitvoering van deze wet is immers onder meer informatie vereist over de persoon, de
gezinssituatie, de woonsituatie en het inkomen. Uitgangspunt daarbij is steeds dat het moet gaan
om inlichtingen die burgemeester en wethouders nodig hebben voor de uitvoering van deze
wet.
Artikel
64 [64]. Inlichtingenverplichting instanties
In dit artikel is
vastgelegd welke instanties verplicht zijn desgevraagd en kosteloos aan burgemeester en
wethouders inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de uitvoering
van deze wet (eerste, derde, vierde en vijfde lid). Aan de lijst van instanties die in de
Abw zijn
opgenomen, zijn toegevoegd
de reïntegratiebedrijven (eerste lid, onderdeel n). Deze toevoeging is van belang
voor burgemeester en wethouders om een zo goed mogelijk inzicht te hebben in de naleving
van de in het kader van een reïntegratietraject aan de betrokkene opgelegde verplichtingen
en om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de effectiviteit van het reïntegratietraject.
In het negende lid is de mogelijkheid gehandhaafd om bij algemene maatregel van bestuur nog
andere instanties en personen aan te wijzen van wie inlichtingen en opgaven kunnen worden
gevraagd. Wel is, in afwijking van de Abw, met het oog op een zo groot mogelijke
effectiviteit van deze gegevensverstrekking geen nadere beperking opgenomen van de aard van
de te verstrekken gegevens.
In het tiende lid is
bepaald dat deze gegevensverstrekking kan worden beperkt door de gegevens alleen
te
verstrekken aan ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
Van de in deze artikelleden geboden mogelijkheden is tot dusverre een beperkt gebruik gemaakt,
namelijk de
gegevensverstrekking over kentekenbewijzen door de Rijksdienst voor het Wegverkeer aan
ambtenaren met opsporingsbevoegdheid. Het is echter van belang over deze mogelijkheden te
kunnen blijven beschikken, omdat het daarmee mogelijk wordt gemaakt om zowel op een
dynamische als zorgvuldige wijze burgemeester en wethouders nieuwe mogelijkheden te
bieden om gegevens te verkrijgen die van belang zijn voor de uitvoering van deze wet.
In het tweede lid is
bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen
de
gegevensverstrekking plaatsvindt door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau (IB). Deze aanpak wordt
met dit wetsvoorstel niet gewijzigd (zie ook het zesde, zevende en achtste
lid van artikel 63
van de Wet SUWI en het Besluit Inlichtingenbureau
gemeenten). Het beleid blijft erop
gericht om na te gaan voor welk gegevensverkeer verstrekking via het IB een doelmatige aanpak is
en om zo nodig, rekening houdend met de mogelijkheden van instanties, gemeenten
en
het IB zelf, nieuwe verstrekkingen via het IB te regelen.
Hiermee wordt de
continuïteit en veiligheid van de informatie-uitwisseling, voor zover
deze via elektronische weg
verloopt, gewaarborgd. Op de gegevens die via Suwinet of het IB worden verkregen,
is,
naast uiteraard de Wet
bescherming persoonsgegevens, bijlage XIV rblz.|81|
"Beveiliging Suwinet
1.0" (een nadere uitwerking van artikel
6.4, eerste lid, van de
Regeling SUWI) van toepassing.
Gemeenten zijn bij elektronische gegevensuitwisseling via het Suwinet of het IB
verplicht het beveiligingsbeleid zoals verwoord in deze bijlage toe te passen.
Artikel
65 [65]. Geheimhoudingsplicht
Degenen die betrokken
zijn bij de uitvoering van deze wet dragen kennis van persoonlijke informatie
van degenen
die bijstand aanvragen of ontvangen dan wel gebruik maken van een reïntegratietraject.
Voor hen geldt een geclausuleerde geheimhoudingsplicht. Alleen die bekendmakingen zijn
toegelaten die op grond van deze wet zijn voorgeschreven of toegelaten, dan wel noodzakelijk zijn
voor de uitvoering daarvan. Op overtreding van de geheimhoudingsplicht kan
ingevolge artikel 272 van het Wetboek
van Strafrecht een gevangenisstraf of een
geldboete volgen.
De geheimhoudingsplicht
wijkt af daar waar enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht, waar de
betrokkene toestemt in het verwerken van zijn gegevens of indien de bedoelde gegevens niet te
herleiden zijn tot het individu. Ook kunnen gegevens worden verstrekt voor het
verrichten van wetenschappelijk onderzoek of statistiek, met
inachtneming van de persoonlijke
levenssfeer van het individu. Bij het verstrekken van gegevens is het uitgangspunt dat wordt
nagegaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt tot het ontvangen van die
gegevens redelijkerwijs bevoegd is.
Artikel
66 [66]. Vermoeden
misdrijf
Dit artikel beschrijft de
inlichtingenverplichting in het kader van een vermoeden van misdrijf. Aan de
bepaling uit de Abw is toegevoegd dat ook als er een misdrijf is gepleegd jegens een buitenlands
overheidsorgaan, burgemeester en wethouders verplicht zijn de informatie
waarvan zij kennis hebben genomen ter kennis te brengen van dat buitenlands
overheidsorgaan. Deze
uitbreiding is noodzakelijk gebleken omdat misdrijven steeds vaker een grensoverschrijdend
karakter hebben.
Artikel
67 [67]. Inlichtingenverplichting gemeenten [V;
NnavhV]
In het eerste lid worden
de instanties genoemd aan wie burgemeester en wethouders uit eigen beweging bevoegd zijn en
desgevraagd verplicht gegevens te verstrekken voor zover het de uitvoering
betreft van deze wet. Nieuw ten opzichte van de Abw is dat deze inlichtingenplicht ook geldt jegens
buitenlandse organen en jegens bestuursorganen van de Nederlandse
Antillen en Aruba, voor zover de verstrekking daarvan noodzakelijk is voor de vervulling van een taak
van zwaarwegend algemeen belang. De noodzaak van deze aanvulling vloeit voort uit het
toenemende belang van
gegevensverkeer met buitenlandse instanties voor een adequate uitvoering van deze wet.
Bij het verstrekken van gegevens aan buitenlandse organen binnen en buiten de EU en aan
bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba gelden uiteraard de
desbetreffende kaderstellende bepalingen van de Wet
bescherming persoonsgegevens alsook
die van de toepasselijke materiewet. Waar het uitwisselen van bijstandsrelevante
gegevens overigens noodzaakt tot een verdragsrechtelijke of anderszins bindende grondslag, zal
die grondslag worden gelegd.
Evenals bij
gegevensverstrekking aan burgemeester en wethouders dient ook bij gegevensverstrekking
door
hen het proportionaliteitsbeginsel in acht te worden genomen (tweede lid).
Het derde lid maakt het
mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de
gevallen waarin en de
manier waarop in elk geval gegevens dienen te worden verstrekt. In het vierde
lid is de
mogelijkheid opgenomen om nog andere instanties aan te wijzen ten behoeve van wie
rblz.|82|
de
inlichtingenverplichting van burgemeester en wethouders geldt. Ten aanzien van deze
mogelijkheden geldt wat is opgemerkt in de toelichting op artikel 64
over de noodzaak van een zowel
dynamische als zorgvuldige aanpak om te komen tot nieuwe mogelijkheden voor
gegevensverstrekking door burgemeester en wethouders, alsmede de bescherming van
persoonsgegevens daarbij.
Artikel
68 [68]. Sociaal-fiscaal nummer
Dit artikel regelt de
verplichting voor gemeenten het sociaal-fiscaal
nummer op te nemen in hun
administratie. In het
tweede lid is bepaald dat bij het gegevensverkeer met andere instanties, voor zover
de
instanties daartoe bevoegd zijn, zoveel mogelijk van dit nummer gebruik gemaakt wordt.
Omdat de lijst van instanties is uitgebreid met private reïntegratiebedrijven, is
in dit wetsvoorstel geregeld dat dit nummer door hen alleen mag worden gebruikt voor het
verrichten van de werkzaamheden die zij op grond van artikel
7 [7], eerste lid, onderdeel a,
en tweede lid, in opdracht van een gemeente uitvoeren. Uiteraard moeten zij daarbij
voldoen aan de eisen van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Hoofdstuk 7.
Financiering, toezicht en informatie
§ 7.1. Financiering
Artikelen 69
[69] en
71 [71]. Verdeling uitkeringen en aanpassing uitkering inkomensdeel
In deze paragraaf wordt
de invulling van het Fonds werk en inkomen (FWI) geregeld. Het FWI betreft een
specifieke uitkering op de begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
en bestaat uit twee delen (artikel 69 [69], eerste lid). Elk deel heeft zijn eigen
financieringssystematiek. Het inkomensdeel is het ongeoormerkte budget
dat de gemeente kan gebruiken
ter financiering van de gemeentelijke bijstandsuitgaven, inclusief loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd zijn,
alsmede de bedragen die gemoeid zijn met de langdurigheidstoeslag (artikel
36 [36]). Het
werkdeel betreft de geoormerkte middelen ter financiering van
voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7
[7], eerste lid, onderdeel
a.
Voor nadere informatie
over de systematiek wordt verwezen naar de paragrafen 5.1 en
5.2 van het
algemeen deel van
deze memorie van toelichting. De verdeling van beide soorten uitkeringen geschiedt
op
grond van afzonderlijke verdeelsystematieken die worden neergelegd in een
algemene maatregel van bestuur (artikel 69
[69], tweede lid). Op grond van
het artikel 69 [69], derde lid,
onderdeel a, kan het deel van de uitkering voor het inkomensdeel dat voor 65-plussers is
bestemd apart worden berekend.
Uiterlijk 1 oktober
voorafgaand aan het begrotingsjaar ontvangen de gemeenten via een beschikking
twee
budgetten voor respectievelijk het inkomens- en het werkdeel. Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze memorie van toelichting wordt het macrobudget voor het inkomensdeel
definitief vastgesteld in september van het lopende begrotingsjaar. Dit resulteert in diezelfde
maand in een aanpassing van de gemeentebudgetten voor het inkomensdeel. Het
macrobudget voor het werkdeel wordt niet aangepast.
rblz.|83|
Artikel
70 [70]. Vaststelling
kosten en terugvordering werkdeel
Het inkomensdeel van
het FWI
betreft ongeoormerkte middelen. In tegenstelling tot de WFA hoeven burgemeester en
wethouders zich niet te verantwoorden over de werkelijke rechtmatig gemaakte
kosten. De minister dient echter wel te beschikken over betrouwbare informatie omtrent de werkelijke
uitkeringslasten vanwege zijn rol als budgetverstrekker en systeembeheerder.
Daarnaast heeft de minister deze informatie nodig voor het periodiek actualiseren van de
verdeelcoëfficiënten van het onderliggende objectieve verdeelmodel. Deze informatie ontvangt
de minister via het uitvoeringsverslag op grond van artikel
77 [77]. De middelen van het werkdeel
van het FWI daarentegen vormen wel geoormerkte middelen (eerste en tweede lid).
Uitgaven die betrekking hebben op het inkomen van personen, zoals uitkeringslasten,
bijzondere bijstand en aflossing van schulden, komen niet ten laste van
dit budget. Ook
uitvoeringskosten mogen niet ten laste van dit budget worden gebracht (artikel
69 [69], eerste lid, onderdeel a). Bij de verantwoording over de besteding zal moeten blijken in hoeverre de
middelen
rechtmatig zijn besteed; onrechtmatig ingezette middelen worden volledig teruggevorderd
(derde lid). Verder geldt dat een eventueel budgetoverschot, minus het bedrag van de
zogenoemde meeneemregeling, terugvloeit naar het Rijk (vierde lid). De meeneemregeling betreft
de in de algemene maatregel van bestuur op te nemen mogelijkheid voor elke
gemeente om aan
te geven welk deel van het toebedeelde maar niet in het lopende begrotingsjaar bestede
budget de gemeente wenst mee te nemen naar het volgende begrotingsjaar ter
dekking van financiële verplichtingen die zijn aangegaan in het lopende
begrotingsjaar maar pas
in het volgende begrotingsjaar zullen leiden tot kosten.
Artikel
72 [72]. Verlaging
uitkering inkomensdeel [V;
NnavhV]
Op grond van
artikel 76 [76],
derde lid, kan de minister de gemeente een aanwijzing geven indien naar zijn
mening de
rechtmatige uitvoering van de wet ernstige tekortkomingen kent. Wanneer burgemeester en
wethouders de aanwijzing niet naar behoren opvolgen, dan heeft de minister de mogelijkheid
tot het opleggen van een financiële maatregel welke ten laste komt van het budget voor het
inkomensdeel. Zie verder de toelichting bij artikel
76.
Artikelen 73
[73] en
74
[74].
Toetsingscommissie en aanvulling uitkering inkomensdeel
Zie hierover
paragraaf
5.1.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Artikel
75 [75]. Betaling
uitkeringen, aanpassing uitkering en aanvullende uitkering
De gemeenten
ontvangen de
uitkeringen voor het inkomens- en het werkdeel aan de hand van een
bevoorschottingssystematiek. Betaling zal geschieden op kwartaalbasis.
De mutatie van het macrobudget voor het inkomensdeel, en in het verlengde daarvan de wijziging van de gemeentebudgetten, zal
worden verrekend met de te betalen voorschotten in het vierde kwartaal van
het lopende
begrotingsjaar. Betaling van de vastgestelde aanvullende uitkeringen voor het
begrotingsjaar (t) zal geschieden via de bevoorschottingssystematiek in het begrotingsjaar
(t+2).
rblz.|84|
§ 7.2.
Toezicht
Artikel
76 [76]. Toezicht [V;
NnavhV]
In het eerste lid wordt
geregeld dat de minister verantwoordelijk is voor het toezicht op de rechtmatige
uitvoering
van deze wet door burgemeester en wethouders en op de doeltreffendheid van deze
wet. In hoofdstuk 8 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven
waarom in de nieuwe wet geen sprake meer is van toezicht op de doeltreffendheid van de
uitvoering door individuele gemeenten.
Met rechtmatige
uitvoering wordt gedoeld op de naleving van de in de wet opgenomen voorschriften
alsmede op
de besteding van het reïntegratiebudget overeenkomstig de wettelijke bestemming.
Met betrekking tot de inzet van het reïntegratiebudget kunnen ook de in de
Wet SUWI opgenomen
bepalingen een rol spelen. De uitvoering van louter gemeentelijk beleid valt buiten het
domein van de rijkstoezichthouder, evenals de doelmatigheid en doeltreffendheid van de
gemeentelijke uitvoering. Ten opzichte van de huidige situatie maakt het rijkstoezicht een
terugtredende beweging. Tegelijkertijd wordt de controlerende rol van de
gemeenteraad
belangrijker. De raad zal immers niet alleen beoordelen of burgemeester
en wethouders zich bij de
uitvoering van de wet gehouden hebben aan de centrale regelgeving, maar ook of het college
op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de financiële en beleidskaders die uit de
wet voortvloeien dan wel geheel autonoom zijn gesteld, alsmede de doelmatigheid en
doeltreffendheid van de lokale uitvoering. Het beoordelingsdomein van de
rijkstoezichthouder is
derhalve beperkter dan die van de gemeenteraad.
De wijze waarop de gemeente
uitvoering geeft aan het door haarzelf vastgestelde beleid kan wel een
rol spelen indien
de gemeente verzoekt om een aanvullende uitkering.
Bij het toezicht op de
rechtmatigheid geldt, zoals dat ook in de huidige wetten het geval is,
dat de wet de norm is waaraan
de uitvoering wordt beoordeeld en dat via het toezicht geen andere eisen aan de
uitvoering
worden gesteld.
In het tweede lid wordt
de met de Wet SUWI gecreëerde situatie voortgezet dat de
Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) het
toezicht namens de minister uitvoert. Hierbij blijft ongewijzigd dat de
IWI, als signalerend toezichthouder, belast is met het verzamelen van informatie
en de oordeelsvorming over de rechtmatigheid van de uitvoering. De bevoegdheid tot interveniëren
is, blijkens het derde
lid, uitsluitend voorbehouden aan de minister.
Het derde lid biedt de minister de mogelijkheid om bij ernstige tekortkomingen ter zake van de rechtmatigheid van de
uitvoering de gemeente een aanwijzing te geven.
Vanwege de tijd- en beleidsgebondenheid
van het begrip "ernstige tekortkomingen" alsmede de
incidentele toepassing ervan is het
niet zinvol een opsomming te geven van alle denkbare situaties die als zodanig aangemerkt
kunnen
worden. Wel zal het corrigerend vermogen van de gemeenteraad een belangrijke factor
zijn. Indien de controle door de gemeenteraad ertoe leidt dat de gemeente zelf al tot
correctie van onrechtmatige uitvoering overgaat, zal er voor de minister
geen aanleiding bestaan
te interveniëren.
In deze wet
heeft de
aanwijzing het karakter van een opdracht aan de gemeente om binnen een door
de minister
gestelde termijn tot wetsconforme uitvoering over te gaan. Hiermee krijgt de aanwijzing een
beperkter karakter dan in de Abw. Daarentegen blijft onveranderd dat van de bevoegdheid tot
het geven van een aanwijzing terughoudend gebruik zal worden gemaakt, dat burgemeester
en wethouders in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven, dat de aanwijzing
wordt gepubliceerd
rblz.|85|
in de Staatscourant en dat de minister met de aanwijzing niet treedt in
individuele gevallen.
In de extreme situatie
dat het gemeentebestuur een aanwijzing niet of niet geheel opvolgt, kan de
minister het budget
van de gemeente verlagen op grond van artikel
72 [72].
De minister kan de
toezichtsmiddelen aanwijzing en de financiële correctie op het ongeoormerkte
budget voor
het inkomensdeel alleen volgtijdelijk inzetten. Is naar zijn oordeel sprake van
zodanig ernstige tekortkomingen dat de inzet van zware correctiemiddelen
noodzakelijk is, dan kan
in eerste aanleg uitsluitend sprake zijn van een aanwijzing tot uitvoering overeenkomstig
de eisen van de wet. De bevoegdheid tot het treffen van een financiële maatregel kan
de minister eerst uitoefenen nadat hij heeft vastgesteld dat de gemeente de aanwijzing
niet of niet volledig heeft opgevolgd binnen de door hem gestelde termijn.
Het is belangrijk dat bij
een gemeentelijk verzoek om een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel
74 [74], eerste
lid, gebruik wordt gemaakt van de informatie en oordelen die de IWI
heeft over de uitvoering van de
wet in de betreffende gemeente. Omdat deze taak nog niet aan de IWI is toegekend, is het,
met het oog op artikel 37 van de Wet
SUWI, van belang dat de taak een wettelijke grondslag
krijgt. Hierin wordt in het tweede lid voorzien.
§ 7.3. Informatie
Artikel
77 [77]. Verslag over
de uitvoering [V]
Burgemeester en
wethouders dienen jaarlijks een verslag in bij de minister
over de
uitvoering van de wet. Nieuw is dat
dit verslag niet alleen ten behoeve van de toezichtsfunctie van de minister wordt
ingediend,
maar dat de minister het verslag breder in zal zetten: zowel ten behoeve van het
toezicht
als ten behoeve van de beleidsvorming, de raming van het macrobudget en de
toepassing van de verdeelmaatstaven. Om zijn verantwoordelijkheid voor de werking van het gehele
systeem van regelgeving, financiering en uitvoering waar te maken, heeft de
minister
informatie nodig over de doeltreffendheid van de uitvoering door individuele
gemeenten,
zonder daar toezicht op te houden. Daarom zal het jaarlijkse verslag meer informatie bevatten
dan alleen nodig is voor het toezicht. Met deze manier van werken wordt bevorderd dat
informatie zoveel mogelijk eenmalig wordt verzameld om vervolgens meervoudig te kunnen
worden gebruikt. De bedoeling hiervan is mede de bestuurslasten voor de gemeenten tot een
minimum te beperken. In lijn met zowel de bestuurlijke verhoudingen tussen
Rijk en gemeenten
als de dualisering van het gemeentebestuur baseert de minister zijn oordeel over de
uitvoering op door de gemeente verstrekte informatie. Daarbij wordt nog sterker dan voorheen de
controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door burgemeester en
wethouders benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag eerst
vaststelt alvorens dit aan de minister te zenden. Uit een bij te voegen accountantsverklaring dient de
getrouwheid van de
verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet te
blijken. Tevens dienen
burgemeester en wethouders het verslag te voorzien van een oordeel van de gemeenteraad over
de uitvoering van de wet.
In mei dient de minister
zich tegenover het parlement te verantwoorden over de uitvoering van zijn
beleid in het
voorgaande jaar. Daarom heeft de minister spoedig na afloop van het jaar behoefte aan
informatie over de uitvoering in het afgesloten jaar. Hiertoe wordt het voorlopige verslag
geïntroduceerd. Om onnodige belasting van gemeenten te voorkomen, zal dit verslag zo minimaal
mogelijk van inhoud zijn. Dit onder meer door voor de verantwoording in de
maand mei zoveel mogelijk gebruik te maken van informatie die de minister al tot zijn
beschikking heeft.
Zowel het verslag over de
uitvoering als het voorlopige verslag worden rblz.|86|
ingediend op basis van een door
de minister
vastgesteld model. Dit model wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. In dezelfde
regeling worden ook regels gesteld over de inleverdata van beide verslagen. Daarnaast
maakt een onderzoeks- en rapportageprotocol voor de gemeentelijke accountant,
alsook een modelaccountantsverklaring, onderdeel uit van de ministeriële regeling. Voor de wijze
waarop burgemeester en wethouders laten blijken wat het oordeel van de gemeenteraad is over
de uitvoering van de wet gelden vormvoorschriften; dit oordeel kan bijvoorbeeld blijken uit
raadsnotulen. Burgemeester en wethouders kunnen echter ook een andere wijze kiezen.
Nieuw is de mogelijkheid dat de nadere regels kunnen worden afgestemd op categorieën van
gemeenten. Zo is denkbaar dat kleinere gemeenten bepaalde informatie minder vaak hoeven te
leveren of dat beneden een bepaald budget een apart accountantsonderzoek
achterwege kan blijven.
Artikel
78 [78]. Informatievoorziening
Naast het jaarlijkse
uitvoeringsverslag heeft de minister ook andere informatie nodig voor zowel toezicht
als de
beleidsvorming. Deze informatie wordt verzameld in de vorm van statistieken, monitoren
en onderzoeken. Ook in dit artikel komt het principe van hergebruik van eenmaal verzamelde
informatie tot uitdrukking. Dit gebeurt met het doel de uitvoeringslasten voor
gemeenten tot een minimum te beperken. Informatie die de
minister verzamelt, blijft niet
beperkt tot gebruik voor één functie - beleidsvorming, verantwoording
of toezicht - maar kan door
hem steeds voor alle functies worden gebruikt. Daarbij gelden voor informatie ten behoeve
van de verantwoording en het toezicht op rechtmatigheid, in het algemeen strengere
kwaliteitseisen. In het eerste lid van dit artikel is ook opgenomen dat
de gemeenteraad desgevraagd
informatie aan Onze Minister verstrekt. De reden hiervoor is dat met de dualisering van
het gemeentebestuur de gemeenteraad een grotere verantwoordelijkheid
heeft gekregen voor de controle op de uitvoering door burgemeester en wethouders. Deze
verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking in de aansturing van de gemeentelijke
accountant,
de rekenkamerfunctie en de controlerende taak van de gemeenteraad zelf. Vanuit
zijn verantwoordelijkheid voor de werking van het systeem van uitvoering, controle en
toezicht kan de minister aan de gemeenteraad vragen bijvoorbeeld mee te werken aan
onderzoeken waarbij de werking van dit systeem wordt getoetst.
Op basis van het tweede
lid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Deze nadere regels
betreffen zowel de inhoud van de gevraagde inlichtingen, bijvoorbeeld de inhoud
van de
periodieke statistische informatievoorziening, als de periodiciteit van
de gevraagde informatie of de vorm waarin de inlichtingen worden verstrekt. Met dit laatste
wordt bedoeld of de
informatie bijvoorbeeld langs elektronische weg dient te worden aangeleverd dan wel op
een andere wijze. Het is de bedoeling in de toekomst steeds meer te werken met elektronische
informatieverzameling. Ook zal in de nadere regelgeving worden geregeld dat bij de
verzameling van informatie die tot individuele personen herleidbaar is, zoals statistische
informatie, de informatie aan een derde wordt geleverd. Een voorbeeld
van een derde is het Centraal
Bureau voor de Statistiek. Het is met het oog op de bescherming van persoonsgegevens
nadrukkelijk niet de bedoeling om tot individuele personen herleidbare informatie bij het
ministerie van SZW zelf te bewaren.
rblz.|87|
Hoofdstuk 8.
Slotbepalingen
Artikel
79 [79]. Begrip besluit
Evenals dat in het kader
van de Abw het geval is, biedt dit artikel de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te
dienen, c.q. beroep in te stellen tegen het nalaten van een handeling
die strekt tot uitvoering van
een besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of tegen het verrichten van
een handeling die afwijkt van zo'n besluit. Het betreft hier een uitvoeringshandeling die
naar het oordeel van belanghebbende ten onrechte achterwege blijft of een handeling die naar
het oordeel van belanghebbende afwijkt van het besluit tot het verlenen of terugvorderen
van bijstand. Indien bijvoorbeeld een uitkering zou worden beëindigd in afwachting
van een nader te nemen beslissing of indien een uitkering zou worden verminderd zonder
dat daaraan een beslissing ten grondslag ligt of zonder dat de ter zake genomen
beslissing aan de belanghebbende is medegedeeld, biedt de onderhavige bepaling belanghebbende
de mogelijkheid hiertegen te appelleren. Voor de goede orde zij erop gewezen dat
geenszins is beoogd om aan deze bepaling een ruimere strekking te geven
dan deze in de Abw heeft.
Dit brengt dan ook met zich mee dat bijvoorbeeld een oproeping om bij burgemeester en
wethouders te verschijnen niet onder de werking van dit artikel valt.
Artikel
80 [80]. Cassatie
In het verlengde van het
feit dat de rechtsgang met betrekking tot besluiten op basis van dit wetsvoorstel
overeenkomt
met de rechtsgang die in andere socialezekerheidswetten is neergelegd, is ook in dit
wetsvoorstel voorzien in de mogelijkheid van cassatie.
Artikel
81 [81]. Onverwijlde
bijstand
De in de
Abw vervatte
mogelijkheid van onverwijlde bijstandverlening door de voorzitter van gedeputeerde
staten
in het geval burgemeester en wethouders geen of ontoereikende toepassing
hebben gegeven
aan hun bevoegdheid om in situaties waarin de noodzaak daartoe aannemelijk is bij
wijze
van voorschot bijstand te verlenen, is in dit wetsvoorstel gehandhaafd. Het betreft
hier een noodvoorziening ter overbrugging van de bestuurlijke voorfase.
De beslissing van de
voorzitter van gedeputeerde staten vervalt van rechtswege, zodra de beslissing van
burgemeester en wethouders inzake de verlening van algemene bijstand onherroepelijk is
geworden of zodra de rechtbank op het ingestelde beroep heeft beslist.
Deze beslissing vervalt
uiteraard tevens met ingang van de datum waarop een door de rechtbank getroffen voorlopige
voorziening in werking treedt.
De bijstand waartoe de
voorzitter van gedeputeerde staten besluit, wordt verleend bij wijze van voorschot in de vorm van
een renteloze lening. Dit voorschot kan nadien met eventueel te verlenen
bijstand worden
verrekend. Mocht nadien blijken dat belanghebbende geen recht op bijstand heeft, dan
kan
het voorschot worden teruggevorderd.
Artikel
82 [82]. Goede
uitvoering [V;
NnavhV]
Naast de in
het
wetsvoorstel bij concrete onderwerpen opgenomen delegatiebepalingen kan een
algemene bevoegdheid
tot het stellen van regels niet worden gemist. Ter waarborging van een goede
uitvoering kan
snel bijsturen noodzakelijk zijn. De bevoegdheid is geclausuleerd tot de noodzaak in
verband met een goede uitvoering van deze wet. De bevoegdheid is gewenst
met het oog op onvoorzienbare gevallen waarin op korte termijn aanvullende of
bijsturende regelgeving nodig is en de rblz.|88|
totstandkoming van formele
wetgeving niet kan worden
afgewacht. In verband daarmee is hiervoor de vorm van de tijdelijke delegatie gekozen.
Artikel
83 [83]. Innovatie [V]
In paragraaf
7.5 van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds toegelicht dat experimenten een
belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het doeltreffender uitvoeren van
deze wet.
De precieze vormgeving
van een experiment zal steeds bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
bepaald: hoe wordt van welke bepalingen afgeweken (eerste lid). Deze algemene
maatregel van
bestuur zal, op grond van het zesde lid van dit artikel, vooraf aan beide kamers der
Staten-Generaal worden voorgelegd.
Bij een experiment zal
een aantal toelatingseisen voor deelname gaan gelden. Het kabinet acht dit van
belang met het
oog op een goede beheersbaarheid van de financiële en sociale risico's
waarmee experimenten
gepaard kunnen gaan. De minister kan op grond van bij of krachtens algemene maatregel
van
bestuur vastgelegde criteria gemeenten
aanwijzen die mogen deelnemen aan het
experiment (derde lid). Gemeenten moeten hiervoor een verzoek indienen. Bij
ministeriële
regeling kan worden bepaald aan welke voorwaarden een dergelijk verzoek moet voldoen en hoeveel
gemeenten er maximaal aan het experiment kunnen deelnemen. In bepaalde omstandigheden
kan de minister de aanwijzing ook weer intrekken. Zowel aan de aanwijzing als aan de
intrekking kunnen voorschriften worden verbonden.
Experimenten zijn per
definitie van tijdelijke aard en de looptijd dient dus beperkt te
worden. Anderzijds dient er
voldoende tijd beschikbaar te zijn om conclusies te kunnen trekken over de effecten van een
experiment en de eventuele bredere toepassing. Het kabinet denkt daarom aan een looptijd van
experimenten van ten hoogste drie jaar (eerste en tweede lid). Verder is
het is van belang om te onderzoeken of de doelstellingen van experimenten worden
bereikt (vijfde lid). Mede op
grond van de evaluatie kan worden bepaald of een experiment tot wetswijziging moet leiden
(tweede en vijfde lid).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
(M. Rutte)
rblz.|89|
BIJLAGE
1
Uitkomsten over het
aantal uitkeringen krachtens de Algemene
bijstandswet worden ontleend aan
de Bijstandskenmerkenstatistiek. Voor deze statistiek wordt informatie
verzameld door het CBS bij de gemeenten,
die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet. De
uitkomsten zijn gebaseerd op de (maandelijkse) opgaven van alle gemeenten. Er is
gewoonlijk 100% respons, zodat er sprake is van integrale waarneming. De uitkomsten
zijn hierdoor in statistisch opzicht zeer nauwkeurig. De hier gepresenteerde uitkomsten
geven niet het aantal personen weer dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering, maar
het aantal uitkeringen dat aan huishoudens is toegekend. Dit is met name van belang bij
huishoudens van (echt)paren: hoewel bij (echt)paren beide partners voor gelijke delen recht
hebben op de uitkering, is er toch sprake van slechts één uitkering en
worden alleen de
kenmerken van degene die de uitkering daadwerkelijk heeft aangevraagd in
beschouwing genomen.
In deze publicatie worden
de aantallen uitkeringen vermeld die worden toegekend krachtens de Algemene bijstandswet
(Abw). Het betreft uitkeringen aan thuiswonenden, dus niet uitkeringen die
worden
toegekend aan mensen die in instellingen of inrichtingen verblijven. De uitkomsten worden
gedetailleerd naar leeftijd en leefvorm en duur in bijstand van de
aanvrager.
Tabel 1. Uitkeringen aan
thuiswonenden met periodieke algemene bijstand naar leeftijd en
leefvorm, ultimo [tweede kwartaal, red.] 2002:
|
Leeftijdxxxxxxxxxx
|
Totaal
¹
|
Leefvorm
|
| Alleenstaande
|
Alleenstaande ouder
|
Gehuwden
|
| Jonger dan 21 jaar
|
8
320xxx |
5
820xxx |
2
230xxx |
200xxx |
| 21-22 jaar
|
8
270xxx |
4
740xxx |
3
100xxx |
410xxx |
| 23-25 jaar
|
14
860xxx |
7
740xxx |
6
040xxx |
1
060xxx |
| 26-30 jaar
|
31
880xxx |
14
140xxx |
14
170xxx |
3
530xxx |
| 31-35 jaar
|
41
630xxx |
16
240xxx |
19
290xxx |
6
040xxx |
| 36-40 jaar
|
44
200xxx |
16
900xxx |
19
920xxx |
7
310xxx |
|
41-45 jaar
|
40 830xxx |
18 740xxx |
15 260xxx |
6 760xxx |
|
46-50 jaar
|
35 500xxx |
21 780xxx |
7 880xxx |
5 800xxx |
|
51-55 jaar
|
35 690xxx |
25 960xxx |
2 930xxx |
6 760xxx |
|
56-57,5 jaar
|
10 630xxx |
8 010xxx |
350xxx |
2 260xxx |
|
57,5-60 jaar
|
21 760xxx |
16 280xxx |
390xxx |
5 080xxx |
|
61-64 jaar
|
24 750xxx |
18 200xxx |
170xxx |
6 340xxx |
| xx
|
xxx |
xxx |
xxx |
xxx |
|
Subtotaal
|
318 320xxx |
174 530xxx |
91 710xxx |
51 540xxx |
| xx
|
xxx |
xxx |
xxx |
xxx |
|
65 jaar of ouder
|
20 580xxx |
13 590xxx |
90xxx |
6 430xxx |
1. inclusief leefvorm
anders of onbekend.
Tabel 2. Uitkeringen van
thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodiek algemeen bijstand naar
duur en leefvorm, ultimo [tweede kwartaal 2002, red.]:
| Duurxxx
|
Totaal
¹
|
% |
Leefvorm
|
| Alleenstaande
|
%
|
Alleenstaande
ouder
|
%
|
Gehuwden
|
% |
|
2001
|
|
<1 jaar
|
63 590
|
19,7
|
36 440
|
20,9
|
19 100
|
20,3
|
7 840
|
14,6
|
|
1-2 jaar
|
40 010
|
12,4
|
20 210
|
11,6
|
14 020
|
14,9
|
5 630
|
10,5
|
|
2-3 jaar
|
29 250
|
9,1
|
13 900
|
8,0
|
10 830
|
11,5
|
4 410
|
8,2
|
|
3-4 jaar
|
24 180
|
7,5
|
11 220
|
6,4
|
8 570
|
9,1
|
4 320
|
8,1
|
|
>4 jaar
|
165 970
|
51,4
|
93 000
|
53,2
|
41 400
|
44,1
|
31 360
|
58,6
|
|
x
|
xxxxxxv |
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
|
Totaal ²
|
322 970
|
100,0
|
174 770
|
100,0
|
93 910
|
100,0
|
53 540
|
100,0
|
|
2002
|
|
<1 jaar
|
65 790
|
20,7
|
38 750
|
22,2
|
18 680
|
20,4
|
8 200
|
15,9
|
|
1-2 jaar
|
39 590
|
12,4
|
19 760
|
11,3
|
14 020
|
15,3
|
5 750
|
11,2
|
|
2-3 jaar
|
27 590
|
8,7
|
13 010
|
7,5
|
10 420
|
11,4
|
4 070
|
7,9
|
|
3-4 jaar
|
22 000
|
6,9
|
10 160
|
5,8
|
8 370
|
9,1
|
3 420
|
6,6
|
|
>4 jaar
|
163 360
|
51,3
|
92 870
|
53,2
|
40 220
|
43,9
|
30 090
|
58,4
|
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
x
|
|
Totaal
|
318 320
|
100,0
|
174 530
|
100,0
|
91 710
|
100,0
|
51 540
|
100,0
|
1. inclusief leefvorm
anders of onbekend.
2. exclusief duur
onbekend.
rblz.|90|
Tabel 3. Uitkeringen van
thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodieke algemene bijstand naar
opleidingsniveau: ¹
| Opleidingsniveau
|
Absoluut (x1000)
|
In % van
het totaal
|
| 1997
|
1998
|
1997
|
1998
|
| Basisonderwijs
|
152 |
133
|
x33 |
x32 |
| MAVO |
x49 |
x39 |
x11 |
x10 |
| VBO |
x80 |
x73 |
x17 |
x18 |
| HAVO/VWO |
x29 |
x33 |
xv6 |
xv8 |
| MBO |
x90 |
x82 |
x20 |
x20 |
| HBO/WO |
x58 |
x51 |
x13 |
x12 |
| x |
x |
x |
x |
x |
| Totaal
² |
459
|
414
|
100
|
100
|
1. Jaargemiddelden.
2. Inclusief
opleidingsniveau onbekend.
De in tabel 4
gepresenteerde uitkomsten betreffen in- en uitstroom van
bijstandsuitkeringen. Bijstandsuitkeringen die
in het verslagjaar aanvangen, worden tot de instroom gerekend, ook al had de
uitkeringsgerechtigde al eerder in het verslagjaar een (beëindigde) bijstandsuitkering.
Bijstandsuitkeringen die in de loop van het jaar worden beëindigd,
worden tot de uitstroom
gerekend, ook al krijgt de bijstandsgerechtigde later in het verslagjaar
weer een nieuwe
bijstandsuitkering.
Voor het totaal van de
bijstandsuitkeringen geldt in principe dat de stand per 1 januari van
het verslagjaar, vermeerderd
met de instroom en verminderd met de uitstroom, de stand per ultimo verslagjaar moet
opleveren.
Per ultimo 2000 en 2001
worden echter circa respectievelijk 120 en 200 uitkeringen méér geteld. Deze
verschillen
ontstaan doordat er uitkeringsgerechtigden zijn die in de loop van het jaar van thuiswonend
in
niet-thuiswonend veranderen en andersom. Niet-thuiswonenden worden in de uitkomsten
niet meegeteld.
rblz.|91|
Tabel 4. Toekenningen en
beëindigingen van Abw-uitkeringen:
| Leeftijdxxxxxxxxx|
|
Periode
|
Aantal
uitkeringen begin van het jaar |
Instroom
|
Uitstroom
|
Aantal
uitkeringen einde van het jaar |
| Jonger
dan 65 jaar |
2000
|
363 190xxx |
105 250xxx |
132 200xxx |
334 990xxx |
|
2001
|
334 990xxx |
97 200xxx |
108 750xxx |
322 080xxx |
|
Jonger dan 25 jaar
|
2000
|
29 960xxx |
25 810xxx |
24 200xxx |
26 300xxx |
|
2001
|
26 300xxx |
24 030xxx |
19 710xxx |
25 990xxx |
|
25-34 jaar
|
2000
|
92 470xxx |
35 210xxx |
44 400xxx |
78 900xxx |
|
2001
|
78 900xxx |
32 090xxx |
34 630xxx |
72 420xxx |
|
35-44 jaar
|
2000
|
98 910xxx |
24 940xxx |
34 000xxx |
91 670xxx |
|
2001
|
91 670xxx |
23 750xxx |
28 820xxx |
87 350xxx |
|
45-54 jaar
|
2000
|
79 640xxx |
13 220xxx |
18 570xxx |
75 670xxx |
|
2001
|
75 670xxx |
12 080xxx |
15 260xxx |
72 300xxx |
|
55-64 jaar
|
2000
|
62 210xxx |
6 070xxx |
11 040xxx |
62 450xxx |
|
2001
|
62 450xxx |
5 250xxx |
10 340xxx |
64 040xxx |
|
65 jaar of ouder
|
2000
|
17 350xxx |
3 850xxx |
3 690xxx |
18 660xxx |
|
2001
|
18 660xxx |
3 720xxx |
3 360xxx |
20 170xxx |
Tabel 5. Uitstroom
thuiswonenden met periodieke algemene bijstand naar duur van uitkering,
2001:
| Duur
|
Jonger dan 65 jaar
|
65 jaar of ouder
|
| <1
jaar
|
x43
140 |
x750 |
| 1-2 jaar
|
x18
950 |
x630 |
| 2-3 jaar
|
x10
480 |
x400 |
| 3-4 jaar
|
xx7
220 |
x290 |
| 4-5 jaar
|
xx7
840 |
x390 |
| >5 jaar |
x21
120 |
x920 |
| x
|
x
|
x
|
|
Totaal
|
108 750
|
3 360
|
Tabel 6. In- en
uitstroom van bijstandsuitkeringen ¹ naar gemeentegrootte en leefvorm,
2001:
|
Gemeentegroottexxxxxx| |
Totaal
|
Leefvorm
|
| Alleenst.
|
Alleenst.
ouder |
Gehuwden
|
Anders
|
Onbekend
|
|
Instroom
|
| <5
000 inwoners |
110x |
60x |
20x |
30x |
0x |
x
|
|
5 000-10 000 inwoners
|
1 630x |
850x |
450x |
280x |
10x |
50x |
|
10 000-20 000 inwoners
|
7 500x |
4 140x |
2 020x |
1 130x |
50x |
160x |
|
20 000-50 000 inwoners
|
20 840x |
11 450x |
5 710x |
3 090x |
100x |
490x |
|
50 000-100 000 inwoners
|
18 520x |
10 800x |
4 990x |
2 510x |
30x |
190x |
|
100 000-150 000 inwoners
|
11 350x |
6 980x |
2 830x |
1 420x |
100x |
30x |
|
150 000-250 000 inwoners
|
13 790x |
8 850x |
3 170x |
1 610x |
120x |
40x |
| >250 000 inwoners |
27 180x |
18 450x |
5 530x |
3 130x |
70x |
|
|
x |
xxxxxxxv |
x |
x |
x |
x |
x |
|
Totaal
|
100 920x |
61 570x |
24 730x |
13 200x |
480x |
940x |
|
Uitstroom
|
| <5
000 inwoners
|
110x |
70x |
30x |
20x |
0x |
x
|
|
5 000-10 000 inwoners
|
1 620x |
850x |
430x |
270x |
30x |
50x |
|
10 000-20 000 inwoners
|
8 090x |
4 480x |
2 090x |
1 270x |
90x |
170x |
|
20 000-50 000 inwoners
|
22 370x |
12 180x |
5 900x |
3 620x |
180x |
500x |
|
50 000-100 000 inwoners
|
20 060x |
11 600x |
5 030x |
3 150x |
50x |
240x |
|
100 000-150 000 inwoners
|
12 410x |
7 740x |
2 780x |
1 770x |
100x |
20x |
|
150 000-250 000 inwoners
|
15 700x |
10 030x |
3 180x |
2 120x |
270x |
100x |
| >250 000 inwoners |
31 740x |
20 880x |
6 640x |
4 160x |
70x |
x
|
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
Totaal
|
112 110x |
67 820x |
26 050x |
16 370x |
790x |
1 070x |
Bron: CBS,
Bijstandskenmerkenstatistiek
|