|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 870
Vaststelling
van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening
van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand)
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemeen |
| 3 |
Arbeidsinschakeling
en reïntegratie |
| 3.1 |
Rechten
en plichten |
| 3.2 |
Reïntegratie |
| 3.3 |
Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden |
| 4 |
Inkomenswaarborg
en armoedeval |
| 4.1 |
Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte |
| 4.2 |
Middelentoets |
| 4.3 |
Langdurigheidstoeslag |
| 4.4 |
Bijzondere bijstand en
afschaffen categoraal beleid |
| 4.5 |
Budgetbeheer en
bijstand in natura |
| 4.6 |
Armoedeval |
| 5 |
Financiering |
| 5.1 |
Financieringssystematiek |
| 5.2 |
[Financieringssystematiek
werkdeel, red.] |
| 6 |
Uitvoering
en samenwerking |
| 6.1 |
Overleg met gemeenten |
| 6.2 |
Gevolgen voor
gemeenten |
| 6.3 |
Samenwerking in de
SUWI-keten |
| 7 |
Vereenvoudiging |
| 7.1 |
Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting |
| 7.2 |
Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand |
| 7.3 |
Omzetting
boetesysteem in een verlaging van de uitkering |
| 7.4 |
Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften |
| 7.5 |
Beleidsinnovatie |
| 8 |
Rijkstoezicht |
| 9 |
Informatiebeleid |
| 10 |
Overige
inkomensvoorzieningen |
| 11 |
Financiële
gevolgen |
| 12 |
Rechtsbescherming |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 85 |
Vastgesteld 14 juli 2003
De
vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid ¹, belast met het
voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt
verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte
opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare
behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.
1. Samenstelling:
Leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Rouvoet
(CU), De
Vries (VVD), De Wit (SP), Van Gent (GL), Verburg
(CDA), Hamer (PvdA), voorzitter,
Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Mosterd
(CDA), Smits (PvdA), Örgü
(VVD), Weekers (VVD),
Rambocus (CDA), De Ruiter (SP), Ferrier
(CDA),
ondervoorzitter, Van Loon-Koomen (CDA), Bruls
(CDA), Varela (LPF), Eski
(CDA), Aptroot (VVD), Smeets
(PvdA), Douma (PvdA),
Stuurman (PvdA), Kraneveldt (LPF) en Hirsi
Ali (VVD).
Plv. leden: Depla (PvdA),
Dittrich (D66), Van der Vlies (SGP), Blok
(VVD), Kant (SP), Halsema (GL), Smilde
(CDA),
Verbeet (PvdA), Timmer (PvdA), Tonkens (GL),
Omtzigt (CDA), Adelmund (PvdA), Van
Miltenburg (VVD), Visser (VVD), Algra
(CDA),
Lazrak (SP), Vietsch (CDA), Van Dijk
(CDA),
Hessels (CDA), Hermans (LPF), Van Oerle-van
der Horst (CDA), Wilders (VVD), Van
Dijken (PvdA), Blom (PvdA), Kalsbeek
(PvdA),
Eerdmans (LPF) en Schippers (VVD).
Algemeen
1. Inleiding
[MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Alvorens in te gaan op de beleidswijzigingen tengevolge van het voorstel
hebben deze leden er behoefte aan in te gaan op de
rechtsplicht van de overheid ten aanzien van de bijstand.
De leden van de CDA-fractie
onderschrijven de eigen verantwoordelijkheid van de burger voor de
voorziening in het bestaan van zichzelf en zijn of haar gezin. De overheid
heeft de plicht betrokkene zo mogelijk zelf in staat te stellen zelfstandig
in zijn bestaan te voorzien. Ook bij dreigend verlies van de mogelijkheid
tot zelfstandige voorziening in het bestaan heeft de overheid haar taak
tot bijstand. De meest voor de hand liggende bestaansvoorziening is
algemeen geaccepteerde arbeid, toch merken deze leden op dat dit niet de
enige normale bestaansvoorziening behoeft te zijn.
Op basis van deze
verantwoordelijkheden kent dit wetsvoorstel een plicht tot arbeidsinschakeling
vormgegeven in de sollicitatieplicht en een aanspraak op ondersteuning
bij arbeidsinschakeling door reïntegratie. Het uiteindelijke doel moet
daarbij altijd een volledige participatie in de maatschappij zijn. Samengevat vormt dit
de eerste doelstelling van de wet: werk.
De tweede overheidstaak
strekt ertoe om inkomensondersteuning in de vorm van bijstand te bieden
daar waar geen andere voorzieningen beschikbaar zijn en er geen
zelfstandig bestaan mogelijk is. Het gaat er daarbij om te voorzien in de
noodzakelijke kosten van het bestaan ingeval de normale
bestaansvoorzieningen niet of ontoereikend functioneren. In het gehele complex van
bestaanvoorzieningen heeft de financiële bijstand rblz.|2|
een complementair karakter
en neemt zij de laatste plaats in; na de bijstand is er geen
voorziening meer.
Het beantwoorden van de
vraag in welke gevallen en tot welke mate bijstand moet worden
verleend, kan slechts plaatsvinden op grond van een oordeel over de
individuele situatie van betrokkene. De uitvoering moet dus optimaal rekening
houden met de individuele omstandigheden en de mogelijkheden van de
persoon.
De persoon zal in het geheel
van zijn relatie tot zijn omgeving moeten worden gezien en met name
ook in relatie tot het gezin waartoe hij of zij behoort. De mate van
bijstandverlening is afhankelijk van de gezamenlijke middelen van de gezinsleden
en van de gezamenlijke behoeften. Het gezin ofwel huishouden is immers
een zelfstandige economische eenheid. Indien de behoeften gelijk
zijn, maar er zoals bij de categoriale regelingen geen rekening gehouden wordt
met de individuele situatie, betekent het toekennen van een gelijke
uitkering in feite rechtsongelijkheid. Samengevat vormt dit de tweede
doelstelling van de wet: financiële bijstand. Daar waar dit voorstel
spreekt over werk en bijstand worden deze beide doelstellingen reeds
onderkend in de Bijstandswet zoals die in 1962 werd ingediend door de
KVP-ministers Klompé en Veldkamp. Zij het dat deze twee doelstellingen daar
worden vervat onder de noemer bijstand. De maatschappelijke
ontwikkelingen maken het, naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie,
noodzakelijk dat het element werk nader wordt geëxpliciteerd.
Resumerend beoogt het
wetsvoorstel meer dan voorheen bijstandsgerechtigden te activeren tot intrede of
herintrede in betaald werk. Uitgangspunt is dat mensen
daarbij een eigen verantwoordelijkheid hebben. Het principe "werk
boven inkomen" staat voorop. De leden van de CDA-fractie zijn van
mening dat de overheid de taak heeft om mensen te helpen bij het zoeken
naar werk als dat niet op eigen kracht lukt. Bovendien is het een
wezenlijke taak van de overheid om diegenen die (nog) niet in staat zijn om
zelfstandig (in voldoende mate) in hun levensonderhoud te voorzien met een inkomen
te ondersteunen. De leden van de CDA-fractie vinden het
daarbij van groot belang dat mensen met respect benaderd worden.
Vanuit het CDA-beginsel van
de gespreide verantwoordelijkheid kunnen de leden van de CDA-fractie
van harte instemmen met het voornaamste uitgangspunt van het
wetsvoorstel. Dit uitgangspunt houdt in dat aan de gemeente een meer centrale
verantwoordelijkheid wordt gegeven om mensen te ondersteunen bij
het vinden van werk en/of het ondersteunen met een inkomen. Dat gaat
gepaard met een vergrote beleidsruimte en verantwoordelijkheid voor
gemeenten; zij kunnen immers het meest gericht het benodigde
maatwerk bieden. Gemeenten kunnen samen met andere lokale/regionale
partners meer inzicht verkrijgen in de arbeidsmarkt en in de positie van mensen
en specifieke groepen. Zo zien deze leden veel meer voordelen in het neerleggen van de verantwoordelijkheid
bij de gemeenten dan in een
sterke centrale verantwoordelijkheid van de rijksoverheid.
Tegelijkertijd zijn deze leden van oordeel dat de rijksoverheid de normen voor het
inkomensbeleid moet blijven bepalen.
Gemeenten zullen dan ook de
volledige budgetverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand gaan krijgen. Gemeenten die een besluit tot
ondersteuning bij reïntegratie of bijstand (inkomensondersteuning) nemen, dienen ook de
financiële gevolgen van een zodanig besluit te dragen.
Ze worden daardoor meer alert op het nemen van de juiste beslissing. De
leden van de CDA-fractie onderschrijven in principe deze
beleidswijzigingen. Gemeenten moeten wel in de juiste positie verkeren of worden
gebracht om die 100% budgettaire verantwoordelijkheid te dragen. Parallel hieraan
zal vereenvoudiging van regelgeving en deregulering plaats
moeten vinden.
De leden van de CDA fractie
herkennen een aantal voor haar aangelegen punten in het voorliggende wetsvoorstel.
rblz.|3|
Het eerste herkenbare punt
is dat de rijksoverheid primair verantwoordelijk behoort te zijn voor het
inkomensbeleid. De bijzondere bijstand moet zijn bijzondere karakter
terug krijgen, daartoe wordt het categoriaal gemeentelijk inkomensbeleid
afgeschaft. Gemeenten zijn bij uitstek in staat om maatwerk te leveren
als het gaat om de bestrijding van armoede. Voor gemeenten ligt er dan
ook een ondersteunende taak als het gaat om mensen die langdurig van een
laag inkomen moeten leven. Deze leden zien dit in samenhang met de
door haar gewenste invoering van inkomensafhankelijke kostenmaximering voor wonen,
zorg en kinderen.
Het tweede voor het CDA
herkenbare voornemen is dat de gemeentelijke financiering van het Fonds
werk en inkomen wordt verhoogd. Hierdoor krijgen gemeenten een groter
financieel belang bij een doelmatige uitvoering van de bijstandsregelingen.
Dit leidt ertoe dat gemeenten een betere kosten-batenafweging kunnen
maken, waarbij kosten voor het terugdringen van bijstandsuitgaven worden
vergeleken met te verwachten opbrengsten. Naar
verwachting van deze leden leidt dit tot een gerichter activeringsbeleid en een
verbetering van de fraudebestrijding. Met uitvoeringsorganisaties
dienen goede prestatieafspraken te worden gemaakt.
Het voornemen de diverse
arbeidsmarktmiddelen om te zetten in vrij in te zetten
reïntegratiebudgetten voor gemeenten is ook een voor het CDA herkenbaar punt. Zo kan door
een gemeentelijk activerend arbeidsmarktbeleid optimaal maatwerk worden
geleverd bij de begeleiding van betrokkenen naar regulier werk. Daarbij
past ook het omzetten van gesubsidieerde arbeid in reguliere banen,
zodat mensen perspectief geboden kan worden.
De leden van de CDA-fractie herkennen ten
slotte zowel het streven naar beter evenwicht tussen
rechten en plichten van burgers en gemeenten met een hernieuwd appèl op
de eigen verantwoordelijkheid, alsook het streven naar deregulering en
vereenvoudiging.
De leden van de
PvdA-fractie
hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornoemde
wetsvoorstel. Deze leden hebben waardering voor de bereidheid van de
regering om over te gaan tot verregaande decentralisatie, deregulering en ontschotting
van de Bijstandswet en de Wet
inschakeling werkzoekenden (hierna: Wiw). Een concept waarin de wijze
van sturing door de
rijksoverheid op taken die door een andere overheid worden uitgevoerd
fundamenteel gewijzigd wordt, past in deze tijd. Het roestvrij stalen harnas van
verfijnde nadere regelgeving past niet meer. Deze regelgeving die de
gemeenten in de doeltreffendheid van hun functioneren belemmerde, met name de
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996
(hierna: Rau 1996) en de Monitor Scholing en Activering, heeft zich ook aan het zicht
van de Kamer onttrokken.
Het feit dat de Raad van
State in zijn advies het op één na zwaarste negatieve advies heeft gegeven, is
veelzeggend voor de kwaliteit van het - naar het oordeel van de leden van
de PvdA-fractie - onvoltooide en onvoldoende doordachte wetsvoorstel. Een
wetsvoorstel dat wel in potentie mogelijkheden heeft, zo
menen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie
hebben zeer kritische vragen over de uitwerking van het concept, de positie
van de klant, het volume en het instrumentarium voor werk, het principe dat
werk moet lonen, de ruimte voor armoedebestrijding en
minimabeleid, de mogelijkheden voor schuldhulpverlening, de wijze van financiering,
de invoering en overige aspecten. Daarnaast
beschouwen de leden van de PvdA-fractie het als een zeer ernstig feit dat
instemming met het wetsvoorstel in zijn huidige vorm van nagenoeg alle relevante
en betrokken organisaties ontbreekt. Het maatschappelijke draagvlak
en de instemming van belanghebbenden zijn bij een zeer verstrekkend
wetsvoorstel als het onderhavige van eminent belang om een goede
invoering en uitvoering mogelijk te maken. Het rblz.|4|
komt deze leden voor dat de
voorbereiding van het wetsvoorstel te overhaast, te weinig doordacht en
onvoldoende afgestemd tot stand is gekomen.
De leden van de PvdA-fractie
verzoeken de regering dan ook nadrukkelijk om zich bij de verdere
behandeling van het wetsvoorstel open te stellen voor aanpassingen die
dienstbaar zijn aan het draagvlak voor het wetsvoorstel onder belanghebbenden. Het
gaat dan om de eenduidige uitwerking van het wetsvoorstel, verbeteringen daar waar sprake is van strijdige
prikkels voor cliënten en
de gemeenten, het versterken van kansen voor de cliënt, het opheffen van
beperkingen van mogelijkheden van gemeenten om mensen
efficiënt en doelmatig naar arbeid toe te leiden en mensen in het kader van
armoedebestrijding en minimabeleid effectief te helpen met activering,
schuldhulpverlening en zorg.
Deze leden wijzen de
regering erop dat de voorgenomen bezuinigingen de gemeenten op alle drie de
werksoorten (werkdeel, inkomensdeel en bijzondere bijstand) in de
Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) zeer ernstig zullen beperken in hun taak.
Deze maatregelen staan haaks op de toenemende werkloosheid, de te voorziene sterke groei van het aantal
bijstandsklanten
vanwege de conjunctuur en
het voorgenomen rijksbeleid.
Het heeft deze leden ook
bevreemd dat besparingen worden ingeboekt lang voordat deze kunnen
worden gerealiseerd, namelijk pas na de volledige invoering van de wet.
Als de regering de oprechte
wens heeft om de invoering van de Wwb succesvol te laten zijn, dan
zal niet alleen de invoeringsdatum en het verdeelsysteem aangepast
moeten worden, maar zijn ook aanpassingen noodzakelijk bij de genoemde
knelpunten, zo menen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie
steunen de gedachte van decentralisatie en deregulering, hoewel dat
natuurlijk geen doel op zichzelf is. Deregulering en decentralisatie staan ten
dienste van het doel van de Bijstandswet, namelijk uitvoering geven
aan artikel 20, tweede lid (aanspraken op sociale zekerheid) en derde
lid (recht op bijstand van overheidswege) van de Grondwet. Centraal staat,
naar het oordeel van de PvdA-fractie, het recht op bijstand van
overheidswege voor hen die niet zelf in hun onderhoud kunnen voorzien. Met grote
instemming van de PvdA-fractie werd in de nieuwe Algemene
bijstandswet van 1996 het recht op bijstand breder gedefinieerd dan het
voorzien in inkomen alleen. Werk gaat voor inkomen. Datzelfde uitgangspunt is
ook gekozen in de aanpak van armoedebestrijding in 1995.
Bijstandverstrekking is sindsdien primair gericht op het verwerven van arbeid en
daarnaast het bieden van een inkomenswaarborg. De Raad van State gaf dat al
aan. De SUWI-wetgeving is met een zelfde visie tot stand
gekomen. Bij de bijstandverlening is het evenzeer van belang om vast te
stellen dat er sociale activering is voor hen voor wie betaalde arbeid op
afzienbare termijn geen begaanbare weg is vanwege sociale of
maatschappelijke oorzaken of een arbeidshandicap. Voorts vormt dienstverlening
zoals budgetteren, armoedebestrijding en schuldhulpverlening een
wezenlijk onderdeel van bijstandverstrekking. Onderschrijft de regering
deze interpretatie van het Grondwetsartikel? Waarom heeft de regering in
de aanhef van de wet niet verwezen naar de opdracht die het Grondwetsartikel de regering geeft?
Met "de 1990-maatregel"
werd voortaan van vrouwen verwacht dat zij vanaf hun 18e jaar
economisch zelfstandig zouden zijn. Daarop zijn ook de volksverzekeringen en
socialeverzekeringswetgeving aangepast. Zou naar het oordeel van de regering
in de Wwb het beginsel moeten worden opgenomen dat van een ieder participatie mag worden verwacht? Of
volstaat de
sollicitatieplicht? De leden van de PvdA-fractie vragen naar de opvatting van de regering.
Immers sollicitatieplicht is niet hetzelfde als activering en participatie.
Daarnaast stellen de leden
van de PvdA-fractie een aantal fundamentele vragen. Welke
verantwoordelijkheid heeft en houdt de rijksoverheid voor de uitvoering van het recht
op bijstand dat in de Grondwet gewaarborgd
rblz.|5|
is? Hoe wil de regering zich
verantwoorden over het gevoerde beleid? Is de regering het eens met de
stelling van de Algemene Rekenkamer (ARK-onderzoek naar alleenstaande ouders in
de bijstand) dat de minister niet alleen
systeemverantwoordelijk blijft na decentralisatie via de Wwb, maar ook
resultaatverantwoordelijk, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Welke doelstellingen
verbindt de regering hieraan?
Is de regering van mening
dat ook de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd, vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie
merken op dat de regering het voornemen heeft geuit om de gemeenten
te beperken in de verhoging van de gemeentelijke belastingen na
de afschaffing van de onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) voor
gebruikers. Kan de regering uitleggen hoe een voorgenomen maatregel om
de gemeenten te beperken in de wijze waarop zij hun belastinggebied inrichten zich verhoudt tot het grondwettelijk recht de eigen financiële
huishouding in te richten.
De leden van de
VVD-fractie
hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het
wetsvoorstel
Wet werk en bijstand. Deze leden onderschrijven volkomen hetgeen de regering
in haar inleiding van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel heeft opgeschreven, te weten: "Iedere Nederlander hier te lande
wordt geacht zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien door middel
van arbeid. Als dit niet mogelijk is en er geen andere voorzieningen
beschikbaar zijn, heeft de overheid de taak hem te helpen met het zoeken
naar werk en, zo lang met werk nog geen zelfstandig bestaan mogelijk
is, met inkomensondersteuning. Deze verantwoordelijkheid vormt het sluitstuk van een
activerend stelsel van sociale zekerheid". De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat met de
implementatie van onderhavig
wetsvoorstel bovenstaand uitgangspunt veel beter tot zijn recht
zal laten komen.
Hoewel deze leden de
uitgangspunten van de wet onderschrijven, hebben zij toch een aantal
opmerkingen en vragen aan de regering. Deze zijn in de volgende
hoofdstukken van
het verslag opgenomen.
De leden van de
fractie van
GroenLinks hebben kennisgenomen van het wetvoorstel Wet werk en
bijstand. De leden missen concrete en gekwantificeerde doelstellingen van dit
wetsvoorstel en dat betreuren zij. Zonder doelstellingen is, een
aantal jaren na inwerkingtreding van de wet, immers niet te beoordelen of de
effecten in de praktijk wenselijk en voldoende zijn.
Zo vernemen zij graag welke
bijdrage voorliggend wetsvoorstel zal leveren aan de bestrijding
van armoede in Nederland en zien hiervoor meetbare en afrekenbare
doelstellingen geformuleerd. Hetzelfde geldt voor het aantal huishoudens
op of onder het minimum in 2007, het aantal mensen dat dankzij
reïntegratie-inspanningen van hun gemeente een betaalde baan heeft gevonden
en het aantal mensen dat doorstroomt van een gesubsidieerde baan naar
een regulier betaalde baan.
De financiële
verantwoordelijkheid voor de verlening van bijstand en de bekostiging van
reïntegratie van bijstandsgerechtigden komt volledig bij de gemeenten te liggen, zo
constateren de leden van de fractie van GroenLinks. Zij vragen een nadere
onderbouwing van de keuze voor deze vergaande decentralisatie en
een inschatting van de gedragseffecten bij gemeenten. De leden vrezen
dat de doelstelling om te besparen op de uitgaven aan bijstandverlening en reïntegratie de doelstellingen van bestrijding van armoede en
maximale ondersteuning bij het activeren van bijstandsgerechtigden zal
overschaduwen. Deze vrees wordt versterkt door de grote vrijheden die
gemeenten krijgen als het gaat om de invulling van hun
reïntegratieverplichting. Idem waar het de vaststelling van de hoogte van de uitkering
betreft, welke gemeenten immers mogen koppelen aan subjectieve
criteria, zoals de mate van inspanning van de cliënt. De leden van de
fractie van GroenLinks vragen daarom waarom er rblz.|6|
in voorliggend wetsvoorstel
niet voor is gekozen om op deze twee aspecten, reïntegratieverplichting en hoogte van de uitkering, landelijke
criteria te formuleren.
De leden van de
D66-fractie
hebben met grote belangstelling kennis genomen van het
voorliggende, belangrijke wetsvoorstel.
Deze leden kunnen in
hoofdlijnen de onderliggende doelstellingen van dit wetsvoorstel onderschrijven;
de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van mensen; een grote
verantwoordelijkheid van
gemeenten zowel financieel, beleidsmatig als
uitvoeringstechnisch; minder en eenvoudiger regels.
Voor deze leden moet de
cliënt centraal staan. De leden van de D66-fractie onderkennen dat duurzame,
betaalde arbeid nog steeds de beste manier is om niet in armoede te
geraken. Tegelijkertijd menen deze leden dat ook onderkend moet worden dat er
mensen zijn die daartoe (nog) niet in staat zijn en waarvoor een goed en
een solide vangnet moet zijn.
De leden van de D66-fractie
onderschrijven van harte de doelstelling van het wetsvoorstel om te komen
tot deregulering, ontschotting en decentralisatie. Gemeenten worden nu
belemmerd in het kunnen bieden van maatwerk aan hun burgers door een
veelvoud aan regelgeving, complexe systemen voor verantwoording
en budgettaire schotten.
De leden van de D66-fractie
stemmen daarom van harte in dat met dit wetsvoorstel veel
administratieve rompslomp voor de gemeentelijke sociale diensten komt te
vervallen en dat de beleidsruimte die gemeenten krijgen, wordt vergroot,
zodat daadwerkelijk maatwerk kan worden geboden.
Deze leden wijzen op de
keerzijde van maatwerk, namelijk ongelijkheid. De vraag rijst in hoeverre
de hierdoor ontstane rechtsongelijkheid tussen gemeenten gerechtvaardigd en
verdedigbaar zal zijn.
De leden van de D66-fractie
zien in dit wetsvoorstel kansen (grotere verantwoordelijkheid voor
burger en gemeente, minder en eenvoudiger regels) maar ook risico’s,
met name voor gemeenten (volledige budgettering van de bijstand en van de
gemeentelijke reïntegratiemiddelen). In deze baten-en-kansenanalyse moet een evenwichtige balans liggen.
Deze leden vragen in
hoeverre de beoogde doelstellingen met dit wetsvoorstel worden gehaald en hebben
nog
een aantal vragen en opmerkingen die in de verschillende hoofdstukken van het verslag worden uiteengezet.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie hebben met weinig enthousiasme kennis genomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Zij kunnen
weinig waardering opbrengen
voor de enorme spoed waarmee de regering dit omvangrijke en op
onderdelen omstreden wetsvoorstel wil behandelen. Gelet op alle zeer kritische
en soms ronduit negatieve commentaren van zowel de Raad van State
als de
gemeenten en de betrokken maatschappelijke
organisaties zouden zij het buitengewoon onverstandig vinden als wordt vastgehouden aan inwerkingtreding per 1 januari 2004.
Deze leden hebben de indruk
dat de budgettaire doelstellingen het hier winnen van het gezonde
verstand. Als zij het mis hebben, nodigen zij de regering uit hen ervan te
overtuigen dat dat het geval is.
De leden van de fractie van
de ChristenUnie constateren dat voor het nu voorliggende wetsvoorstel
nog bijzonder weinig draagvlak bestaat. In de eerste plaats is de ronduit
afwijzende opstelling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(hierna: VNG) en ook tal van individuele gemeenten opvallend.
Daarnaast laten ook de Raad voor de financiële verhoudingen, Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.], de
FNV
en het CNV, cliëntenorganisaties, de Chronisch zieken en
Gehandicapten Raad
(hierna; CG-raad) en andere min of meer direct betrokken
organisaties zich in hoofdzakelijk negatieve bewoordingen uit over het wetsvoorstel.
Wat opvalt in de commentaren, zeker ook van de VNG, die geacht
wordt de belangen te vertegenwoordigen van rblz.|7|
de overheden die de wet
zullen moeten uitvoeren, en de Raad voor de financiële verhoudingen,
zijn de stevige kwalificaties. Wie termen als "onmogelijk",
"onverantwoord", "onaanvaardbaar", "onverstandig" en
"onrechtvaardig" gebruikt
in zijn commentaar op een wet heeft kennelijk wel heel fundamentele en
zwaarwegende bezwaren. Deze leden vragen welke gevolgen dit heeft
voor de opstelling van de regering. Sluit het niet tegen beter weten in de ogen
voor zoveel kritische commentaren?
De leden van de
SGP-fractie
hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende
wetsvoorstel en de daarbij behorende toelichting. Dit wetsvoorstel is vanwege
zijn aard en complexiteit van groot direct belang voor de portemonnee
van alle uitkeringsgerechtigden in de bijstand, maar ook voor
mensen in een Wiw- of een instroom/doorstroom(hierna:
ID)-baan.
De leden van de SGP-fractie
steunen in hoofdlijnen het doel van de wet, namelijk dat de burger waar
mogelijk zijn inkomen verwerft door eigen arbeid, zodat hij slechts
financieel afhankelijk is van de overheid zolang en voor zover hij niet zelf kan
voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. De aan het woord zijnde leden benadrukken de eigen verantwoordelijkheid van de burger om zelf in
zijn inkomen te voorzien. Daarnaast wijzen deze leden ook op het
grote belang van familie en kerkelijke instellingen voor het
verlenen van bijstand. Ten slotte komt ook de overheid in beeld. De aan het woord
zijnde leden zien de overheid als een "schild voor de zwakken"
en beschouwen het daarom als een groot voorrecht dat elke burger die niet in
eigen inkomsten kan voorzien een uitkering wordt verstrekt.
Hoewel de leden van de
SGP-fractie het doel van het wetsvoorstel steunen, hebben ze over een
aantal onderdelen nog een aantal vragen. Deze zijn in de volgende
hoofdstukken van het verslag verwerkt.
2. Algemeen
[MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
zijn het eens met de regering dat rechten en plichten in het kader van de
wet duidelijk moeten zijn.
Het valt op dat daar waarin
de Grondwet de individuele Nederlander die in nood verkeert centraal stelt
en van een recht op bijstand van overheidswege spreekt, de regering zich in
het wetsvoorstel richt op de
gemeenten en de verantwoordelijkheid
van de gemeenten voor de uitvoering van de bijstand. Zou de positie van
de cliënt in het verwerven van arbeid, en het krijgen van ondersteuning,
niet centraal moeten staan, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de PvdA-fractie
vragen of de regering meent dat er kwaliteitscriteria voor de
uitvoering van de wet moeten zijn waarmee de rechten van cliënten worden
vastgelegd, opdat zij optimaal van de springplank bijstand gebruik kunnen
maken?
Het heeft de leden van de
PvdA-fractie verbaasd dat de positie van de klant niet gebruikt is om
een beter evenwicht in rechten en plichten weer te geven in een nieuwe
regelvrije omgeving. Regels om de gemeenten van overheidswege voor te
schrijven hoe te handelen, worden afgeschaft. Dat is een goede zaak, zo
menen deze leden. Daarvoor in de plaats behoort een goed evenwicht
te komen in de balans van rechten en plichten van de cliënten en
van de gemeenten. Immers, die balans houdt de gemeente scherp en het
publieke debat in de raad wint aan kwaliteit als cliëntenorganisaties en
maatschappelijke organisaties zichtbaar en hoorbaar zijn. Daarvoor
moeten ook aan de kant van cliënten en cliëntenorganisaties rechten worden geformuleerd
om tegengas te kunnen geven en gehoord te worden.
Immers, aan de huidige bepalingen in de Algemene
bijstandswet inzake
cliëntenparticipatie wordt door te veel gemeenten marginaal
invulling geven. Wat is de visie van de regering op rblz.|8|
deze overwegingen? Is de
regering bereid op onderdelen aanpassingen te maken?
De leden van de PvdA-fractie
zijn van mening dat in de wet het recht op adequate informatie voor
cliënten opgenomen zou moeten worden. De hulp van de gemeente om
informatie bij derden te krijgen, is overigens wel gewaarborgd, maar het
recht op een passend aanbod niet, noch het recht op voorzieningen die belemmeringen van arbeidstoetreding
opheffen (kinderopvang,
adequate scholing). En wat te denken van de mogelijkheid tot een
trekkingsrecht op faciliteiten en voorzieningen, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie.
Is de regering bereid
aanpassingen aan te brengen?
De leden van de PvdA-fractie
vragen om de cliëntenparticipatie beter te waarborgen in het
wetsvoorstel. De cliëntenraad zou gehoord moeten kunnen worden door de
gemeenteraad. Veel gemeenten staan dat tot op heden niet toe. Het verslag
van de cliëntenraad zou als openbaar stuk door de gemeenteraad moeten
worden behandeld. De gemeenten zouden de cliëntenraden en
maatschappelijke organisaties om advies moeten vragen over de te maken
verordeningen en deze adviezen in openbaarheid moeten bespreken.
Vastgelegd zou kunnen worden
het recht om gehoord te worden en gevraagd en ongevraagd
adviezen te geven. Wat is de visie van de regering hierop?
Tevens vragen de leden van
de PvdA-fractie of de regering een opsomming kan geven van alle
instrumenten die de cliënt in de huidige situatie en in het wetsvoorstel ten
dienste staan om optimaal met eigen inspanning aan het werk te komen? Welke
rechten hebben cliënten op deze voorzieningen? Welke
plichten hebben de gemeenten om deze voorzieningen te verstrekken? Welke van de
instrumenten zijn speciaal gericht op het verwerven van duurzame
arbeid? Welke instrumenten houden een beloning in zich zoals "werken moet
lonen"?
De passage waarin de
regering stelt "dat de hoogte van de uitkering wordt gekoppeld aan het
getoonde verantwoordelijkheidsbesef en aan het nakomen van
verplichtingen", roept vragen op bij de leden van de PvdA-fractie. Immers, elders zegt de
regering dat aan de hoogte van de uitkeringen in dit wetsvoorstel niet getornd wordt. Dit lijkt inconsistent. Het kan
zijn dat de regering bedoelt
dat de Wet boeten en maatregelen wordt vervangen door een
sanctiesysteem van kortingen op de uitkering. Als dat wordt bedoeld, dan vinden de
leden van de PvdA-fractie dat de regering onnodig verwarring zaait.
Graag willen zij duidelijkheid omtrent de bedoeling van de regering. Want als
het werkelijk zo is dat per gemeente een verschillend beleid mogelijk
is over de hoogte van de uitkering, hoe verhoudt zich dat met de
Grondwet waarin staat dat mensen in gelijke gevallen gelijk behandeld
dienen te worden (artikel 1, Grondwet). Is een gemeentelijke verordening,
als het om een grondrecht gaat, een wettelijk instrument van voldoende
waarde om in gelijke gevallen mensen ongelijk te behandelen?
Deze leden vragen om een
uitvoerige toelichting vanwege de wetgeschiedenis en de
komende jurisprudentie.
Is met de invoering van deze
wet het verstrekken van een bijstandsuitkering onderdeel geworden van het
voeren van de eigen financiële huishouding van de gemeenten? Wordt de
uitkering dan gezien als een overeenkomst onder voorwaarden? Hoe
verdraagt zich dat met het Grondwetsartikel over het recht op bijstand, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Deze leden vragen een
onderbouwing van het nieuwe sanctiesysteem in de bijstand.
Hoe verhoudt zich dit tot de
vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die de
regering heeft voorbereid? Gaat voor de bijstand blijvend een ander
sanctieregime heersen dan in de andere rblz.|9|
socialezekerheidswetten? Of
heeft de regering andere maatregelen in voorbereiding?
De leden van de PvdA-fractie
menen dat de omslag naar een uitvoering gericht op uitstroom en
reïntegratie reeds is gemaakt, maar dat het van groot belang is dat de
belemmeringen die vooral door rijksregelgeving worden opgeworpen, worden
opgeruimd. Graag zien zij een reactie van de regering tegemoet.
De regering zegt dat zij de
systematiek van centrale, door het Rijk opgelegde normen wenst te handhaven.
De leden van de PvdA-fractie stemmen daarmee in. Wel
wordt het systeem van een vaste basisnorm en een toeslag voor die
cliënten die een woning delen en de kosten van wonen met andere kunnen
delen of anderszins geen of aanzienlijk minder woonkosten hebben,
gehandhaafd. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom dat systeem wordt
gehandhaafd. Immers, de reden van het systeem norm plus toeslagen
was dat de gemeenten zelf 100% verantwoordelijk werden voor de toeslag en de
norm konden declareren. Nu de gemeenten voor de volledige
uitkering 100% verantwoordelijk zijn, vervalt een separate financiering en
administratie van de toeslag. Indien in de wet geen separate norm zou
worden opgenomen voor een niet-alleenwonende, kan met een bepaling worden
volstaan dat de gemeente de uitkering met een maximum van 20 procentpunt mag korten indien woonlasten
geheel ontbreken of een
gedeelte daarvan indien kosten gedeeld kunnen worden. Deze
vereenvoudiging zou veel van de huidige verwarring over de bijstandsnorm de
wereld uit helpen en leidt tot substantiële vereenvoudiging. De leden
van de PvdA-fractie vragen de regering om een reactie en om deze optie
te onderzoeken.
Het voornemen om de
gemeenten alleen verstrekking van individuele bijzondere bijstand toe te
staan, bevreemd de leden van de PvdA-fractie in hoge mate. Immers, juist de
categoriale bijstand heeft de gemeenten een instrument opgeleverd
waarmee bureaucratie tegen wordt gegaan. Het ontgaat deze leden waarom
wel 65-plussers gebruik kunnen blijven maken van de categoriale
bijstand, maar chronisch zieken en minima met kosten voor kinderen niet.
Immers, categoriale bijstand biedt de mogelijkheid om zonder bonnetjes en met
een forfaitair bedrag een ondersteuning te geven in kosten waarin
het inkomen onvoldoende voorziet en waarvoor het Rijk tot op de dag van
vandaag wel erkent dat deze kosten er zijn, maar niet in staat is,
bijvoorbeeld in de fiscaliteit, daarvoor voorzieningen te treffen. Natuurlijk is
inkomenspolitiek voorbehouden aan het Rijk. Juist daarom werd in het
wetsvoorstel Lang laag de categoriale bijstandverstrekking beperkt tot een
drietal doelgroepen, waarbij de hoogte van de verstrekking via een
convenant van Rijk, gemeente en Sociale Alliantie zou worden vastgesteld.
Daarin hadden alle partijen bewilligd. De leden van de PvdA-fractie dringen
er bij de regering op aan het behoud van categoriale bijstand voor
chronisch zieken en kosten van kinderen opnieuw in overweging te
nemen en vragen de regering om een reactie. Opgemerkt moet worden dat de
halvering van het budget voor bijzondere bijstand de klok terugdraait
naar 1996. De leden van de PvdA-fractie achten deze handelswijze van
de regering beschamend.
De leden van de PvdA-fractie
stemmen in met de overweging van de regering dat er een directe
relatie is tussen de beleidsmatige verantwoordelijkheden voor de gemeenten en de mate
van financiële verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zij vragen
zich vervolgens juist daarom ook af of de balans tussen de beleidsmatige verantwoordelijkheden van de
gemeenten en het thans
opgenomen financieel risico van €|17 000,-
per cliënt wel in evenwicht is.
Ook hebben deze leden aarzeling bij het volume (10% van het gehele budget)
van het eigen risico van de gemeenten in verhouding tot het draagvlak
van de gemeenten binnen de eigen begroting. Bestaat er niet het risico
van zware fondsvorming en buffers die de lasten op de schouders van
burgers in individuele gemeenten zouden bezwaren, zo vragen deze
leden.
rblz.|10|
De leden van de PvdA-fractie
vragen naar een reactie op het onderzoek van Nyfer "Budget voor de
bijstand" (juni 2003, Bruijnzeel e.a.). Zij vragen de regering om een reactie
op de analyse van het effect van de Wwb op de gemeentelijke financiële
huishouding. Zij vragen tevens om een reactie op alle aanbevelingen van
Nyfer.
Ook hebben de leden van de
PvdA-fractie aarzelingen bij de wijze waarop het macrobudget wordt
vastgesteld en de waarborgen die conjuncturele invloed zouden beperken.
Het ontgaat deze leden
waarom iedere individuele klant voor de volle rekening van de gemeente zou
moeten komen. Immers, lokale of regionale niet-beïnvloedbare factoren
leiden tot snelle en forse uitgaven die de gemeente onvoldoende zelf
kan beïnvloeden. Deze kritiek wordt ook door de Raad van
State, de Raad
voor de financiële verhoudingen en de VNG gedeeld.
Ter illustratie: zo’n 60
klanten extra zijn goed voor een jaarlijkse extra uitgaven van €|1 miljoen.
In de maand mei 2003 zijn 14 000 mensen in de WW terechtgekomen. Een
substantieel deel van die WW-gerechtigden zal na enige tijd in de
Algemene bijstandswet terechtkomen. Daar kan de gemeente niets aan doen. Die
instroom gaat zo snel dat het denkbaar is dat de gemeenten al in de
problemen komen tijdens een lopend begrotingsjaar als zij de kosten moeten
voorfinancieren, dan wel voor dat jaar niet vergoed krijgen. De
leden van de PvdA-fractie zien graag een reactie hierop.
De kosten van de uitvoering
van de Bijstandswet lopen evenals de bijzondere bijstand via het
gemeentefonds. Daarover hebben de leden van de PvdA-fractie een tweetal
vragen. De minister heeft vorig jaar toegezegd een eerdere toezegging over
de doormeting van de kosten van uitvoering van de Algemene bijstandswet
in het gemeentefonds aan de Kamer toe te zenden. Deze meting is tot
op heden niet door de Kamer ontvangen. Met dit wetsvoorstel ontstaat
urgentie op het beschikbaar komen van de gegevens. Deze leden verzoeken om de
toezending vóór 15 augustus 2003 van de doormeting van de
bijstandsuitvoeringskosten van de gemeenten die in 1996 op ƒ5000,- per
bijstandscliënt werden geraamd. Wat is het huidige geïndexeerde tarief
per bijstandsklant? Hoe wordt na invoering van het nieuwe
financieringssysteem de huidige berekeningsystematiek gehandhaafd? Het
uitvoeringsbudget is gedurende enige jaren bij een dalend bestand bevroren
opdat goede uitstroomresultaten van gemeenten voor een aantal
jaren een extra budget biedt voor verdere uitstroomactiviteiten.
Immers de gemeenten hebben verder nooit extra geld gekregen voor de extra
inspanning die van hen gevraagd wordt op het gebied van uitstroom.
Thans is het volume bijstandsgerechtigden stijgend. Worden de
uitvoeringskosten opnieuw gekoppeld aan het aantal
uitkeringsgerechtigden?
De leden van de PvdA fractie
kunnen zich goed vinden in de systeemwijziging van de financiering,
namelijk de omzetting van een bevoogdend en hoog gedetailleerd
declaratiestelsel naar een systeem van budgetteren (het werken met forfaitaire
bedragen). Maar de vormgeving van de prikkels van €|17 000,-
per klant
komt deze leden te fors voor. Deze leden nodigen de regering uit de
vormgeving van de prikkels opnieuw te bezien. En wel op een zodanige wijze
dat er een evenwicht is tussen de mate van beïnvloeding van het volume
door de gemeente en de zwaarte van de prikkels. Graag zien zij een
reactie van de regering tegemoet.
Deze leden ondersteunen de
vereenvoudiging die met het vaststellen van een forfaitair bedrag beoogd
wordt in de regelgeving tussen Rijk en gemeente. Een separate vraag
is dan in welke mate en op grond van welke overwegingen het
budget wordt aangepast op volume en kostprijsmutaties. In theorie zou dat kunnen
betekenen dat ieder willekeurig percentage van het budget
gekozen kan worden waarbinnen de gemeenten zelf een risico
dragen. De hoogte van dat percentage is door de regering niet
beargumenteerd. De leden van de PvdA-fractie vragen rblz.|11|
welke reden op grond van
welke berekeningen tot de keuze van 10% hebben geleid. Waarom niet 5%?
De leden van de PvdA-fractie
constateren dat de Raad van State, de Raad voor de financiële
verhoudingen, de VNG, Divosa en alle andere betrokken organisaties geen
goed woord over hebben over het ontwikkelde verdeelmodel waar al vijf jaar
aan wordt gewerkt. Nog steeds, zo bleek ook uit de hoorzitting
van de Tweede Kamer van 13 juni jl., zijn er onverklaarbare verschillen
tussen gemeenten. Een flinke reeks van gemeenten, die al een aantal
jaren een goed en effectief uitstroombeleid hebben, scoren negatief in
het verdeelmodel. Waarom heeft de regering niet overwogen om bij de
invoering van het wetsvoorstel, dat met een enorme werkbelasting van de
uitvoeringsorganisaties gepaard zal gaan, de bandbreedte van de
hardheidclausule op 3,75% te zetten in plaats van 10%? Waarom heeft de
regering gekozen voor een gefaseerde invoering? Waarom is niet gekozen voor
het in de tijd aanscherpen van de hardheidscriteria? Zolang de regering nog niet
in staat is lokale, regionale of sectorgewijze werkloosheidsfluctuaties in
voldoende mate in het verdeelmodel te laten uitkomen, zal het
hardheidcriterium zacht moeten zijn. Immers, de rekening voor een
onvoldoende werkend verdeelmodel ligt bij de burgers van de gemeenten waarvoor
het model onvoldoende is. Deze burgers zullen via bezuinigen op
voorzieningen of de verhoging van de OZB voor eigenaren voor een sluitende
begroting en rekening moeten zorgen.
Naar mate in de tijd het
verdeelmodel verbetert, zal het hardheidscriterium strakker kunnen worden
gesteld. Wat is hierop de reactie van de regering? De beoogde vereenvoudiging
van de regelgeving heeft de warme instemming van de leden van de
PvdA-fractie. Ook kunnen deze leden zich voorstellen dat de complexe Wet
boeten
en maatregelen in de huidige vorm verdwijnt. Al vragen deze
leden wel of dat ook de bedoeling van de regering is als het gaat om de andere
socialezekerheids- en verzekeringswetten.
Wel constateren deze leden
dat er spanning bestaat tussen het eerste Grondwetsartikel dat mensen
in gelijke omstandigheden gelijk behandeld worden door de overheid en
de keuze om per gemeente een eigen sanctiesysteem vast te
stellen. Bij eenzelfde feit kan dit namelijk variëren van geen sanctie of een
waarschuwing bij de ene gemeente, terwijl in een andere gemeente de uitkering
gedurende drie maanden wordt ingehouden. Waar liggen voor de regering
de grenzen en wat is de opvatting over die mogelijke ongelijke behandeling in normering van sancties?
De leden van de PvdA-fractie
vragen wie naar het oordeel van de regering de poortwachtersfunctie,
waarvan de gemeenten financieel afhankelijk zijn, moet vervullen. Is dat het
Centrum voor werk en inkomen (CWI) of ligt de verantwoordelijkheid bij de
gemeente?
Deze leden vragen of voor
een evenwichtig reïntegratiebeleid wel voldoende ruimte en middelen
voor de gemeenten beschikbaar zijn als de regering de gemeenten een
80%- tot 100%-aanbesteding voorschrijft. Graag zien zij een reactie
van de regering tegemoet.
De regering stelt dat het
toezicht op de uitvoering van de bijstand zich beperkt tot het
rechtmatigheidstoezicht. De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister naast
systeemverantwoordelijk ook resultaatverantwoordelijk blijft voor de uitvoering
van de Wwb. Is de regering het ermee eens dat toezicht op en verantwoording van de doeltreffendheid
van de wet integrale
onderdelen zijn van de verantwoording van het gevoerde beleid op basis van
deze wet? Kan de regering aangeven waarom toezicht op
rechtmatigheid tijdens het uitvoeringsproces wordt uitgeoefend? Waarom wordt
dat niet achteraf gedaan? Heeft de regering de indruk dat de accountants
van gemeenten opgewassen zijn tegen de bredere taak die van hen
gevraagd wordt, namelijk ook de toets op rechtmatigheid en doeltreffendheid van de
bijstand? Kan de regering precies aangeven hoe de controle
vanuit de Inspectie Werk en Inkomen (hierna:
rblz.|12|
IWI)
plaatsvindt? Welke
controle oefent de ministeriële accountantsdienst uit bij de uitvoering van de
Wwb, welke controle de gemeentelijke accountantdienst en welke
controle de gemeentelijke rekenkamer. Welke instantie controleert op dossierniveau? Komen er
controleprotocollen?
Kan de regering daarvan
voorbeelden geven? Hoe zal de regering controle uitoefenen op of
verantwoording vragen over de kwaliteitsaspecten, randvoorwaarden,
doelgroepenbeleid zoals de
Kamer dat formuleert, sluitende aanpak, uitstroom en
resultaat van bijstandverstrekking? Te meer daar in het Nationaal
actieplan armoedebestrijding de regering deze taken en het behalen van
streefcijfers op zich heeft genomen. Op welke wijze en met welke informatie op
welke momenten gaat de minister zich in de Kamer over het door gemeenten gevoerde beleid verantwoorden? Graag
zien deze leden een
overzicht van de regering tegemoet.
Hoe wordt het beleid ten
aanzien van armoedebestrijding, schuldhulpverlening, budgettering en categoriale
bijstand verantwoord?
De leden van de PvdA-fractie
menen dat de regering zich tot op heden uitermate vaag opstelt over
de wijze waarop de uitvoering van de wet op rijksniveau verantwoord
wordt. Zij vragen nadrukkelijk om meer duidelijkheid. Deze leden menen dat het
definiëren van de verantwoordingscriteria onderdeel behoort te zijn van de wet. Al was het alleen maar omdat,
indien niet vooraf vaststaat
aan welke criteria de uitvoering - de gemeenten - moeten
voldoen, de uitvoering altijd zal falen. Deze leden vragen van de regering een
uitwerking van de meetpunten en kwaliteitscriteria ten aanzien van het
doelgroepenbeleid en de evenredigheidstoets op verschillende groepen.
De leden van de PvdA-fractie
vragen of de regering precies kan aangeven welke bepalingen en
wetsartikelen uit de SUWI-wetgeving niet meer in het onderhavige wetsvoorstel
zijn opgenomen en waarom?
De regering stelt dat
transparantie van groot belang is voor de uitvoering van de Wwb. De leden van de
PvdA-fractie stemmen daarmee in. Het is ook daarom dat uit een oogpunt
van wederkerigheid en een evenwicht van rechten en plichten voor de
cliënten dat deze leden het volgende voorstel doen. Indien de gemeente in
gebreke is bij de uitvoering van de Wwb, zou een tijdelijk ophoging van
de uitkering een passende sanctie voor de gemeente, in casu B&W,
kunnen zijn. Een raadscommissie of een externe onafhankelijke commissie zou
daartoe kunnen besluiten. Een overheid van deze tijd moet niet bang
zijn fouten te erkennen, zo menen deze leden. Is de regering het
daarmee eens? Ook zou de wettelijke rente ontstaan door niet-tijdige
of niet-juiste uitkeringen door de gemeente moeten worden betaald. Deze
leden vragen de regering om een reactie op beide voorstellen.
Bij de begrotingsbehandeling
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in december
2001 werd een motie 25 met algemene stemmen aangenomen. De motie
vraagt om de uitwerking van het gelijkstellen van het tweedegraadsbloedverwantschap met het
eerstegraadsbloedverwantschap in de bijstand en de
Algemene Ouderdomswet. Kort gezegd komt het erop neer
dat broers en zusters niet langer onderhoudsplichtig jegens elkaar zijn volgens
de Algemene bijstandswet en Algemene Ouderdomswet en
dat samenwonende broers en zusters geen gekorte uitkering meer
krijgen. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering deze bepaling in
het voorliggende wetsvoorstel op te nemen.
Zowel de leden van de
PvdA-fractie als de leden van de VVD-fractie
constateren dat er in het
wetsvoorstel geen concrete doelstellingen zijn geformuleerd.
Zij vragen of de regering
kan aangeven wat nu de concrete meetbare doelstellingen van het
wetsvoorstel zijn. Kan de regering een toetsingskader presenteren met daarin
opgenomen een genormeerde set van prestatie-indicatoren,
waardoor de uitrol en het succes van de wet beoordeeld kan worden en van een
monitor kan worden voorzien? Kan de regering rblz.|13|
in een tabel de
onderscheiden doelstellingen vertalen in genormeerde prestatie-indicatoren,
waarbij 2002 als nulsituatie geldt?
De leden van de VVD-fractie
merken daarnaast op dat het de controleerbaarheid van het beleid ten goede
komen als de regering bijvoorbeeld termen als "zoveel mogelijk
moet worden beperkt", "zo kort mogelijk verblijf", "evenwichtig
reïntegratiebeleid" worden belegd met genormeerde prestatie-indicatoren.
De leden van de
VVD-fractie vragen in algemene zin in hoeverre de
gemeenten in staat zijn het
financieel risico van de budgettering te dragen. Dit gezien de
oplopende werkloosheid en zeer waarschijnlijk daardoor een groter beroep
op de bijstand. Daarnaast zal door de ingrepen in de WAO en
WW het
beroep op de bijstand zeer waarschijnlijk ook toenemen. Ook vragen
deze leden hoe het objectief verdeelmodel rekening houdt met het
arbeidsvolume in de verschillende regio’s, zoals bijvoorbeeld
Oost-Groningen.
Naar de mening van de leden
van de VVD-fractie betekent de
wet een forse stelselwijziging van
de bijstand en de reïntegratie. Deze aanpassing heeft grote impact op de
lokale uitvoering van werk en inkomen. De invoering van de wet op 1
januari aanstaande lijkt daarom erg snel. Verwacht de regering geen
grote problemen bij een zo snelle implementatie? Zijn de gemeenten in staat
om zo snel de wet geïmplementeerd te hebben? Op welke wijze wordt
gewaarborgd dat de klant niet de dupe wordt van een te snelle
invoering? En is het niet mogelijk om een aantal onderdelen van de wet op een
later tijdstip in te voeren zodat de druk van het implementatietraject
enigszins wordt verminderd? Of dat onderdelen van de vigerende Bijstandswet
als het gaat om de rechten en de plichten van de klant in een
overgangsjaar blijven bestaan voor zover nog geen gemeentelijke verordening is
vastgesteld?
De leden van de VVD-fractie
hebben geconstateerd dat er geen evaluatieparagraaf in de wet is opgenomen.
Wel
wordt in artikel 84 [84]
van de wet gesteld dat de wet na vier
jaar zal worden geëvalueerd. Dit is echter naar het oordeel van deze fractie
niet voldoende. Volgens de VVD-fractie moet een voortgangsrapportage met
een tussentijdse evaluatie minstens elk jaar aan de Tweede Kamer
worden aangeboden. Kan de regering voorzien in een evaluatieparagraaf in
onderhavige wet? Hoe en met welke frequentie gaat de regering
voorzien in voortgangsrapportages over de wet?
De leden van de VVD-fractie
betreuren het - overigens samen met de leden van de Raad van State
- dat er geen ervaringsgegevens zijn op grond waarvan een volledige
budgettering van de bijstand getoetst zou kunnen worden. Zo ontbreekt
een evaluatie van de 25%-budgettering die er op dit moment al is. Wat
is er aan informatie beschikbaar over de kwaliteit en effectiviteit van de
uitvoering van de Bijstandswet na invoering van de budgettering van 25% van
de bijstandsuitgaven? Waarom heeft er nog geen evaluatie naar de
budgettering van 25% van de bijstandsuitgaven, ondanks meerdere
toezeggingen aan de Kamer, plaatsgevonden? Kan de Kamer een dergelijke
evaluatie nog tegemoet zien?
Kan op basis van de
jaarverantwoordingen van de gemeenten over het jaar 2001 een overzicht
worden gepresenteerd van alle individuele gemeenten waarbij een
confrontatie wordt gemaakt van het 25%-budget van de gemeenten met de door
de gemeenten verrichte bijstandsuitgaven? Wanneer wordt de evaluatie
van de Algemene
bijstandswet over de periode 2000-2003
aan de Kamer aangeboden? En zijn in deze evaluatie ook
prestatie-indicatoren over de effectiviteit van de Bijstandswet opgenomen?
De leden van de VVD-fractie
vragen of er andere landen in Europa zijn die gebruik maken van een
dergelijke manier van budgettering van hun sociale vangnet. Zo ja, wat
zijn hun ervaringen hiermee. Zo nee, op welke wijze voeren zij hun sociaal
vangnet wat betreft budgettering uit?
rblz.|14|
De leden van de VVD-fractie
hebben vernomen dat sommige gemeenten, zoals de gemeente Den Bosch, mensen die een uitkering aanvragen een
"arbeidscontract" met het
daarbij behorende loon in plaats van een "echte" uitkering
aanbieden. In hoeverre worden deze gemeenten onder de Wwb
hiertoe in de
gelegenheid gesteld? Welke belemmeringen doen zich (nog) voor?
In de structurele situatie
wordt het werkdeel in de structurele situatie verdeeld op basis van het aantal bijstandsgerechtigden. Het is een goede zaak dat
dan bijvoorbeeld niet het
aantal mensen met een gesubsidieerde baan in de verdeling wordt
meegenomen, omdat de Wwb er mede op is gericht om de wildgroei aan
gesubsidieerde arbeid in te dammen. Echter, de gemeenten die de work-firstaanpak in de praktijk willen toepassen, hebben in formele (en niet in
feitelijke) zin minder bijstandsgerechtigden en zouden door het toepassen
van die aanpak bij de voorgestelde verdeling minder W-budget ontvangen.
Zij worden door de toepassing van dat concept feitelijk gestraft.
Dat lijkt een ongewenste situatie. Hoe gaat de regering hiermee in de
toekomst om?
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen een reactie op de stelling dat
gemeenten mogelijk hun reïntegratie-inspanningen zullen richten op
de meest kansrijken binnen
het cliëntenbestand. Zeker met de gebrekkige uitwerking van het "recht
op reïntegratie" voor individuele personen lijkt de stelling gerechtvaardigd
dat dat deel van de bijstandsgerechtigden met de grootste afstand tot de
arbeidsmarkt en dus een beperkte kans op een reguliere baan, niet in
aanmerking zal komen voor op activering gerichte inspanningen. De leden
vragen de regering dan ook nadere garanties te geven ter voorkoming van een
dergelijke "afroming" binnen gemeenten. Naar de mening van de leden
van de fractie van GroenLinks blijkt uit voorliggend wetsvoorstel dat de regering
de discussie over de hoogte van het sociaal minimum uit de weg gaat. Zij vragen de regering hoe men tot het
impliciete oordeel is
gekomen dat de huidige hoogte van de basisuitkering van de Bijstandswet voldoende
is om van te leven. In dit verband vragen zij ook te reageren
op het NIBUD-onderzoek eerder dit jaar, waaruit is gebleken dat met name
meerpersoonshuishoudens op het sociaal minimum enorme problemen
hebben om rond te komen. Ook vragen zij de in het Hoofdlijnenakkoord voorgestelde kortingen op de huursubsidiebijdrage
te betrekken bij een
gefundeerd oordeel over de hoogte van de uitkering.
Daarnaast vragen de leden
van de fractie van GroenLinks de regering een inkomenseffectrapportage op
te stellen, waarin de huidige Bijstandswet wordt afgezet tegen het
voorgestelde wetsvoorstel.
De leden van de fractie van
GroenLinks vragen waarom een specifieke groep binnen het
cliëntenbestand, zoals chronisch zieken en gehandicapten, niet als zodanig wordt
benoemd in de wet of de toelichting. Zij vragen de regering te
beargumenteren waarom voor chronisch zieken en gehandicapten geen
specifieke regeling is opgesteld waar het de categoriale ontheffing van de
sollicitatieplicht betreft. Hetzelfde geldt voor de categoriale bijzondere
bijstand voor mensen met ernstige gezondheidsproblemen. Waarom mogen gemeenten
meerkosten voor deze groep niet categoriaal vaststellen?
Ook vragen de leden van de
fractie van GroenLinks de regering nader in te gaan op de effecten van voorliggend wetsvoorstel voor mensen met een
ID- en Wiw-baan. Zij
constateren dat met het oog op de gesubsidieerde arbeid een overgangsregime
in de financiering wordt voorgesteld, maar vragen wat het effect van
voorliggend wetsvoorstel zal zijn op het volume aan Wiw- en ID-banen.
Daarnaast vragen zij een
garantie aan de regering dat gedwongen ontslagen absoluut voorkomen zullen worden. Tot slot op dit punt vragen de leden verheldering over
de opmerkingen van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (Trouw, 30 juni 2003) dat het rblz.|15|
overgangsregime met
betrekking tot gesubsidieerde arbeid met één jaar wordt verlengd.
De leden van de fractie van
GroenLinks zijn van mening dat de cliëntenparticipatie onvoldoende is uitgewerkt
in
voorliggend wetsvoorstel. In plaats van een enkele
verwijzing naar de vrijheid van gemeenten om, op basis van de Gemeentewet,
het actief betrekken van cliënten vorm te geven, bepleiten deze leden
de verplichting om een cliëntenraad in te stellen en de rechten en
bevoegdheden van deze raad in de wet op te nemen. Graag vernemen zij
een reactie van de regering op deze suggestie.
De leden van de
D66-fractie merken op dat de Raad van State allereerst constateert dat volgens de
regering kennelijk sprake is van een verstoring van het evenwicht tussen de
gerichtheid op werk enerzijds en de inkomenswaarborg anderzijds.
De Raad van State vraagt de regering om de verstoring verder te
verklaren. De regering noemt het niet expliciet in haar antwoord, maar doelt
zij niet met name op de oorzaken die de armoedeval tot effect
hebben, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie
zijn enigszins teleurgesteld in de mate waarin cliëntenparticipatie in dit
wetsvoorstel gestalte krijgt en vragen de regering de cliëntenparticipatie bij
de
gemeenten in lijn te brengen met de cliëntenparticipatie zoals
omschreven in de Wet SUWI, waarin werd gesteld dat
"cliëntenparticipatie onmisbaar is in een uitvoeringsstructuur waarin de klant centraal
staat".
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat de toelichting er geen twijfel over laat
bestaan dat in de toekomst wordt uitgegaan van het beginsel dat werk boven
inkomen gaat. In de omschrijving van de verantwoordelijkheidsverdeling
herkennen zij zich grotendeels. Wel zijn zij van oordeel dat de passages
hierover in de inleiding van de toelichting blijk geven van miskenning
van het gegeven dat sommigen jammer genoeg zeer langdurig of
zelfs altijd zullen zijn aangewezen op een door de overheid gefinancierd
vangnet. Terecht signaleert de regering verderop in de toelichting dat er
mensen zijn die geen perspectief hebben op inschakeling in het
arbeidsproces. Zeker in tijden van economische tegenwind is het een illusie te denken
dat de bijstand voor allen die daarop zijn aangewezen een tijdige
aangelegenheid is.
Waar een vergelijking wordt
gemaakt met de huidige Bijstandswet wordt gesteld dat rechten en
plichten van de betrokken burger meer dan tot dusverre op elkaar worden
afgestemd. Kunnen de verschillen schematisch worden weergegeven? Vindt de
regering dat die afstemming van rechten en plichten momenteel in
geen enkele gemeente goed is geregeld?
De keuze voor meer
decentralisatie en deregulering wordt vrij breed onderschreven. Belangrijk
nadeel is echter de onvermijdelijke rechtsongelijkheid die daardoor ontstaat. Wil
de indiener dit aspect nader belichten? Hoe kan worden gegarandeerd
dat geen sprake is van onacceptabele rechtsongelijkheid,
bijvoorbeeld in het kader van terugvorderings- of toeslagenbeleid?
De leden van de fractie van
de ChristenUnie hebben moeite met de introductie van de algemeen geldende
verplichting tot reïntegratie. Zij komen daarop terug in het kader
van artikel 9.
De leden van de fractie van
de ChristenUnie gaan ervan uit dat gemeenten, door de slechte
economische conjunctuur gecombineerd met een enorme korting op het
reïntegratiebudget, genoodzaakt zullen zijn prioriteiten te moeten
stellen voor wat betreft de reïntegratieactiviteiten. Zij vragen in dat kader
aandacht voor de positie van de meest kansarme groepen, zoals verslaafden
en dak- en thuislozen. Te voorzien is dat deze groepen in de nieuwe
situatie niet of nauwelijks in aanmerking komen voor
reïntegratieactiviteiten. Gemeenten die deze groepen niet direct in beeld hebben, omdat ze
reïntegratie van andere categorieën veel kansrijker rblz.|16|
en dus efficiënter
achten, zullen hiervoor niet op de vingers worden getikt. Hoe worden de belangen van de kansarme groepen en daarmee
een "evenwichtige aanpak"
desondanks nog enigszins gewaarborgd?
De leden van de
SGP-fractie beoordelen de verdere decentralisatie, waarbij
gemeenten een zeer
grote rol krijgen bij de uitvoering van de Wwb, als positief. De
pendant daarvan is altijd dat er grote verschillen gaan ontstaan in het beleid
dat door gemeenten wordt gevoerd. Ziet de regering het gevaar dat er rechtsongelijkheid kan ontstaan, bijvoorbeeld
dat de ene gemeente veel
soepeler omgaat met de sollicitatieplicht bij alleenstaande ouders met
jonge kinderen in de bijstand dan de andere gemeente?
3.
Arbeidsinschakeling en reïntegratie [MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
constateren dat de Wiw en het ID-besluit
worden samengevoegd. Dit vormt de kern
van de gesubsidieerde arbeid. Deze leden constateren dat de regering
terecht de bureaucratie in de regelingen voor gesubsidieerde arbeid
aanpakt, maar deze leden zijn ook bang dat de regering het kind met het
badwater weggooit. Immers, ongedeelde budgetten, tezamen met zeer forse
bezuinigingen in een periode dat de werkloosheid sterk toeneemt, zal er
gemakkelijk toe kunnen leiden dat gesubsidieerde banen als relatief
"dure oplossing" door
gemeenten worden opgeheven. Kan de regering
garanderen dat er geen gedwongen ontslagen als gevolg van voorgenomen
bezuinigingen zullen vallen?
Kan de regering, vragen de leden van de
PvdA-fractie, ook aangeven welk percentage van de mensen die nu op een Wiw-
of ID-baan zit binnen een termijn van één jaar kan doorstromen naar
een reguliere baan? Wat gebeurt er met al die anderen? Moeten die
gefinancierd worden uit het toekomstige Wwb-reïntegratiebudget of
gaat de regering voor de bestaande gevallen een nieuwe regeling treffen?
Welk deel van het totale toekomstige reïntegratiebudget zou gemoeid
zijn met behoud van het huidige aantal ID- en Wiw-banen?
Kan de regering, zo vragen deze leden, nog eens
precies uitleggen wat men bedoelt met de zinsnede dat "gesubsidieerde
arbeid, als voorziening in het kader van deze
wet, weliswaar algemeen
geaccepteerde arbeid is, maar geen einddoel kan zijn"? Mag de werknemer
op een gesubsidieerde arbeidsplaats daarom van de gemeente verwachten
dat zij zo nodig ondersteuning geeft, gericht op doorstroom naar
ongesubsidieerde arbeid"? Deze leden vragen hoe de zinsnede "geen
einddoel is" moet worden opgevat. Betekent dit volgens de regering dat
gesubsidieerde arbeid nooit een einddoel kan zijn in de meeste gevallen?
Hoe groot acht men, op basis van het huidige bestand, de groep binnen de
gesubsidieerde arbeid voor wie doorstroom niet voor de hand ligt? Kan de
regering zich voorstellen dat gesubsidieerde banen voor een bepaalde
groep ook vangnetbanen kunnen zijn, dat wil zeggen voor langere tijd
gereserveerd blijven voor langdurig werklozen. Wat bedoelt de regering
in bovengenoemde zinsnede overigens precies met "gesubsidieerde
arbeid"? Gaat het daarbij alleen om ID- en Wiw-banen of ook om de Wet
sociale werkvoorziening (hierna: Wsw)? Vat men alle banen waarin gebruik
wordt gemaakt van subsidies, ook als het om regelingen als de specifieke
afdrachtskorting (hierna: SPAK) gaat, op als gesubsidieerde banen?
Welke conclusies trekt de regering uit het feit
dat de doorstroom tussen Wiw en ID (4 procent) en tussen Wiw-dienstbetrekkingen (27 procent) en
Wiw-werkervaringsplaatsen (27-42
procent) sterk verschilt?
De leden van de PvdA-fractie willen graag weten
wat er gebeurt met de rechtspositie van de huidige Wiw-ers. De huidige
CAO wordt al een aantal jaren bevroren in afwachting van nieuwe wet- en
regelgeving. Kan de rblz.|17|
regering garanderen dat opgebouwde
arbeidsvoorwaarden voor deze groep veilig worden gesteld?
Vindt de regering, zo vragen de leden van de
PvdA, dat het voor de hand ligt dat alle reïntegratietrajecten, waar
sprake is van werk of werkervaring, plaatsvinden op basis van een
arbeidsovereenkomst? Kan de regering in dit verband ingaan op de recente
ontwikkelingen in Amsterdam, waar in plaats van Wiw-banen stageplaatsen
aangeboden worden?
Zowel de leden van de PvdA-fractie als de leden van de
VVD-fractie hebben vragen over de omzetbelasting op reïntegratietrajecten.
De leden van de PvdA-fractie willen weten of
het juist is dat de uitvoering van de huidige Wiw-dienstbetrekkingen
onder bepaalde voorwaarden zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Is het
ook juist, zo vragen deze leden, dat straks over alle
reïntegratietrajecten van
gemeenten omzetbelasting berekend wordt? Zal
dat leiden tot hogere lasten voor gemeenten, juist omdat de wettelijke
grond voor de vrijstelling al wegvalt met het verdwijnen van de Wiw?
Deze omzetbelasting, zo begrijpen deze leden, kan niet gedeclareerd
worden op grond van het BTW-compensatiefonds. Om welk bedrag gaat het
hier, zo willen de leden van de PvdA-fractie graag weten? Hoe denkt de
regering deze extra belasting te compenseren?
De leden van de VVD-fractie constateren dat
Wiw-reïntegratietrajecten thans zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Met de nieuwe wet
zullen deze trajecten wel BTW-plichtig worden. Worden
gemeenten hiervoor
gecompenseerd?
De leden van de VVD-fractie merken op dat er op verschillende
plaatsen in de wet wordt gezinspeeld dat reïntegratietrajecten gericht
moeten zijn op duurzame arbeid. Deze leden vinden het echter vreemd dat
mensen in de bijstand per se klaargestoomd moeten worden voor duurzame
arbeid. Telkens tijdelijk werk is wellicht toch ook een serieuze optie?
Het gaat er tenslotte om dat mensen zo weinig mogelijk beroep hoeven
doen op een uitkering. Bovendien zullen mensen die vaker tijdelijke
baantjes hebben gehad, op den duur gemakkelijker "duurzame" arbeid
vinden. Voorkomen moet worden dat uitkeringsgerechtigden met de wet in
de hand een recht doen gelden op "duurzame" arbeid en wellicht
daardoor langer in de uitkering blijven dan nodig is. Hoe is de in de
memorie van toelichting meermalen genoemde duurzame arbeid precies
gedefinieerd? Is de regering van mening dat tijdelijke arbeid onder de
definitie van de in de wet geformuleerde "algemeen geaccepteerde
arbeid" valt? Met andere woorden, moeten mensen tijdelijke arbeid
accepteren indien dat door de sociale dienst wordt aangeboden? Indien
mensen dat aanbod weigeren, kan dan een sanctie worden opgelegd? Door
mensen in een uitkering te verplichten om (ook) tijdelijke arbeid te
accepteren, kan de werking van de arbeidsmarkt worden verbeterd. Sommige
sectoren kunnen geen tijdelijk personeel vinden, terwijl veel mensen
inactief in de uitkering zitten, waardoor zij zich wenden tot
buitenlandse arbeid. Bovendien kan tijdelijke arbeid de kans op het
vinden van duurzame arbeid vergroten. Is de regering het ermee eens dat
het verplichten van mensen om tijdelijke arbeid te accepteren de werking
van de arbeidsmarkt kan verbeteren en dat het een nuttige manier kan
zijn om de zelfredzaamheid te vergroten?
Het
is de leden van de fractie van
GroenLinks opgevallen dat de plichten van
personen meer en concreter zijn uitgewerkt dan hun recht op
ondersteuning bij reïntegratie. Bovendien hebben
gemeenten enorme
vrijheden, zowel beleidsmatig als in individuele gevallen, om de
plichten van hun cliënten te operationaliseren. De stelling in de
memorie van toelichting dat individuele afwegingen door de gemeenten
willekeur voorkomen, achten de leden van de fractie van GroenLinks
fundamenteel onjuist. Daarom horen zij graag van de regering op welke
rechten individuen zich rblz.|18|
kunnen beroepen als het gaat om de
reïntegratieverplichting van de gemeente. Zij vinden het betreffende
wetsartikel en de toelichting hierop weinig substantieel en tamelijk
abstract. De leden suggereren daarom om, in aansluiting op de door de
FNV geformuleerde rechten, welke op 18 juni aan de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn overhandigd, dergelijke
basisrechten op te nemen in de
wet. De leden vragen daarom een
onderbouwde reactie op de opname van reïntegratierechten in het
algemeen en de twaalf suggesties van de FNV in het bijzonder. Daarbij
wijzen de leden van de fractie van GroenLinks op bevredigende ervaringen
van enkele vestigingen van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV) met de introductie van
persoonsgebonden budgetten voor mensen die vanuit een uitkering willen
reïntegreren.
In dit verband vragen de leden van de fractie
van GroenLinks ook een standpunt van de regering als het gaat om de
verantwoordelijkheid van werkgevers, zowel in de publieke als in de
private sector, om bijstandsgerechtigden in dienst te nemen. Overweegt
de regering om werkgevers, vrijblijvend en zo nodig dwingend via
bijvoorbeeld quotering, te bewegen tot het leveren van een bijdrage aan
de reïntegratie van bijstandsgerechtigden? Overigens vragen zij in dit
verband ook aandacht voor de bezuinigingen op de subsidies in het kader
van de SPAK en vermindering langdurig werklozen (hierna: VLW). Kan de
regering aangeven wat het effect van deze bezuinigingen, immers reeds
ingegaan per 1 januari 2003, is op de arbeidsinschakeling van
laaggeschoolden en langdurig werklozen?
De
leden van de D66-fractie constateren dat met
dit wetsvoorstel het begrip "passende
arbeid" losgelaten en een nieuw begrip "algemeen
geaccepteerde arbeid" wordt geïntroduceerd. De leden van de
D66-fractie begrijpen dat het begrip "passende arbeid" wordt
vervangen, maar aarzelen om het nieuwe begrip te omarmen. Het
wetsvoorstel legt in beginsel aan iedereen de verplichting op om naar
vermogen "algemeen geaccepteerde arbeid" te verkrijgen en te
aanvaarden. Deze algemeen geaccepteerde arbeid wordt alleen getoetst op
de mogelijkheden van een cliënt in verband met gezondheid en
belastbaarheid. De leden van de D66-fractie vinden het daarnaast van
belang dat bij het opleggen van verplichtingen ten aanzien van
aanvaarding van werk er rekening moet worden gehouden met de
voorgeschiedenis van de bijstandsgerechtigde en dat in het begrip
algemeen geaccepteerde arbeid beter de aspecten van duurzame arbeid
zouden moeten worden meegewogen. Zij vragen de regering om een reactie
op dit punt.
3.1.
Rechten en plichten [MvT;
NnavhV]
Naar de mening van de leden van de CDA-fractie
staat het uitgangspunt werk boven inkomen centraal in het
wetsvoorstel.
De artikelen 9 [9]
en 10 [10] (samen met
artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a, en
artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel a) worden in de toelichting het hart
van het wetsvoorstel genoemd. Deze artikelen stellen dat om in
aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, een belanghebbende
verplicht is om naar vermogen arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.
Hieruit vloeit onder andere voort dat rechten en plichten direct aan
elkaar gekoppeld zijn.
Voor de leden van de CDA-fractie is het van
groot belang dat iedereen jonger dan 65 jaar zoveel mogelijk mee kan
doen en ook daadwerkelijk meedoet in het arbeidsproces. Dit vraagt van
zowel de werkgevers als de werknemers een grote inzet. Binnen de nieuwe
Wwb dienen mensen ook terdege aangesproken te worden op hun inzet om via
arbeid zelf in hun bestaan te voorzien. Mensen aanspreken op die inzet
dient wel rekening te houden met de realiteit, met de situatie waarin
bijvoorbeeld een bijstandsgerechtigde functioneert. Zo vinden de leden
van de CDA-fractie het juist rblz.|19|
dat bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en
ouder een sollicitatieplicht hebben. Het uitgangspunt moet evenwel ook
zijn dat er sprake is van een realistische aansluiting op de
mogelijkheden van de arbeidsmarkt. Dit kan betekenen dat in een
ongunstige economische situatie de kansen op werk voor deze groep
relatief klein zijn. Eenzelfde redenering kan worden opgezet voor
gehandicapten die geheel of gedeeltelijk kunnen werken. Onderschrijft de
regering deze visie en zal en kan hiermee op uitvoerend niveau bij de
gemeenten voldoende rekening worden gehouden? Waarop baseert de regering
deze mening?
Gehandicapten die aangewezen zijn op Wsw-werk
hebben ter overbrugging van de wachttijd tussen school en Wsw-plaatsing
tot nu toe Wiw. Hoe denkt de regering de wachtlijsten voor een
Wsw-plaatsing weg te werken? Wat is haar visie op de relatie van de Wsw met het onderhavige wetsvoorstel? Kan de
Wsw een grotere rol spelen in
het begeleiden van arbeidsgehandicapten naar betaald werk?
De leden van de CDA-fractie achten de
verplichting voor een belanghebbende om naar vermogen algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden (artikel 9
[9] Wwb) een
wezenlijk verschil met de bepalingen in de Algemene
bijstandswet waarin
het begrip passende arbeid nog centraal staat. Wat betekent dit voor de
huidige groep bijstandsgerechtigden en met name voor hen die reeds
langere tijd werkloos zijn? Hoe verhoudt de gangbare regelgeving en
jurisprudentie zich tot de introductie van het begrip algemeen
geaccepteerde arbeid? Bovendien zal tengevolge van de Wwb elk college
van B&W meer dan voorheen maatgerichte beslissingen moeten nemen.
Dat kan leiden tot een vergrote diversiteit in de interpretatie van het
begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Wat is de zienswijze van de
regering hierop? Verwacht de regering een toename van het aantal
bezwaar- en beroepsprocedures door belanghebbenden tegen beslissingen
van colleges van B&W? Wat betekent dat voor de uitvoeringspraktijk?
De leden van de CDA-fractie nodigen de regering uit het verschil tussen
algemeen geaccepteerde arbeid en passende arbeid nader te preciseren.
De leden van de CDA-fractie vragen of het juist
is dat passende arbeid na verloop van één jaar voor cliënten precies
hetzelfde inhoud als "algemeen geaccepteerde arbeid". Dit omdat het
begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" duidelijk verschilt van het
begrip passende arbeid. Zij vragen of het juist is dat een cliënt met
een academische opleiding van vijf jaar die na de WW in de bijstand belandt
direct een aangeboden baan van ongeschoold werk, bijvoorbeeld als
schoonmaker, moet aanvaarden? Hoe had de situatie er voor deze persoon
uitgezien bij het begrip passende arbeid in de oude Algemene
bijstandswet? Op grond van gewetensbezwaren kan een cliënt aangeboden
werk weigeren. Kan de regering dit toelichten met een voorbeeld?
De leden van de CDA-fractie nemen met genoegen
kennis dat gesubsidieerde arbeid weliswaar gezien wordt als algemeen
geaccepteerde arbeid, maar niet als einddoel op zich. Dat betekent dat
doorstroming van een gesubsidieerde arbeidsplaats naar een reguliere
baan uitgangspunt wordt bij het gebruik van dit arbeidsmarktinstrument.
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de werknemer op een
gesubsidieerde arbeidsplaats zo nodig ondersteuning van de gemeente
daarbij mag verwachten. Is de veronderstelling juist dat dit ook
betekent dat de betreffende werknemer verplicht is om te willen
doorstromen, vragen de leden van de CDA-fractie.
De
leden van de PvdA-fractie zijn het in algemene zin eens met de regering
dat er een evenwicht dient te zijn tussen rechten en plichten, maar
hebben niet de indruk dat deze in het wetsvoorstel in evenwicht zijn. Er
is terecht wel een plicht tot werk en participatie, maar het recht op
reïntegratie wordt niet expliciet genoemd. Het gaat slechts om het
recht door de gemeente geholpen te worden bij de reïntegratie, maar
niet een recht op rblz.|20|
een specifieke voorziening. Wat is precies het
verschil? Ook de leden van de PvdA-fractie zijn voor eigen
verantwoordelijkheid, maar zou dat ook niet kunnen betekenen dat
individuen recht op reïntegratie en keuzevrijheid bij de vormgeving
zouden kunnen hebben, bijvoorbeeld middels een rugzakje of een voucher?
Kan de regering nog eens het precieze verschil uitleggen tussen recht en
aanspraak?
De leden van de PvdA-fractie delen de visie van
de regering dat werk boven inkomen moet staan. Zij vragen of de huidige
voorstellen daar bij aansluiten. Aan welke termijn denkt de regering, zo
vragen deze leden, als ze het heeft over "zo snel mogelijk" aan de
slag komen? Aan een periode van zes maanden, één jaar? En hoe voorkomt men
dat mensen in zogenaamde draaideursituaties belanden? Met andere
woorden, definieert de regering uitstroom naar arbeid als duurzame
arbeid? Gaat het hier om een periode van zes maanden of twaalf maanden?
De
leden van de SGP-fractie vragen naar een nadere toelichting op de term
"algemeen geaccepteerde arbeid". Kan de regering aangeven wie bepaalt
wat algemeen geaccepteerd is?
3.1.1. Afstemming van de uitkering op het nakomen van verplichtingen
[MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie constateren dat de gevolgen van het niet
nakomen van verplichtingen door de gemeente zelf wordt bepaald
(blz. 5 MvT). Hoe ver strekt de vrijheid van de gemeente in dit geval? Moet er
een relatie zijn tot de niet-nagekomen verplichting?
Stel een persoon met een uitkering op grond van
de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) krijgt een
reïntegratietraject aangeboden van een gemeente. Kan de gemeente de
betrokkene met de Anw-uitkering een sanctie op de Anw-uitkering doen
opleggen wanneer betrokkene de reïntegratie weigert? Zo ja, welke
criteria gelden hiervoor? Anders gezegd, kan de uitkeringsinstantie voor
de Anw in dit geval besluiten tot een sanctie op de Anw-uitkering?
De
leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan uitleggen waar het
huidige maatwerk in het sanctiebeleid tekortschiet en wat precies de
vorm van sancties is waar de regering aan denkt? Waarom zou in de
huidige regelgeving de gemeente niet meteen kunnen ingrijpen? Ook nu kan
de uitbetaling van de uitkering onmiddellijk gestaakt of verlaagd worden
als men meent dat een cliënt zich niet aan de regels of voorschriften
houdt. De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere uitleg.
3.1.2. De verplichtingen tot werk [MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie vinden dat er nadrukkelijker dan tot nu toe een
relatie gelegd moet worden tussen de verplichte inburgering en het
vinden van een duurzame arbeidsplaats. Dit bevordert naar de mening van
deze leden beide doelstellingen. Dat kan onder andere door meer gebruik
te maken van zogeheten duale programma’s, waarin maatwerk per individu
het uitgangspunt is. Wat is de zienswijze van de regering hierop? In
hoeverre ondersteunt het voorliggende wetsvoorstel het maatgericht
werken aan inburgering en arbeidsintegratie?
De
leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat haar
"algemeen geaccepteerde arbeid" is? Kan de regering enkele voorbeelden
geven? Kan ze ook enkele voorbeelden geven van "niet algemeen
geaccepteerde arbeid"? Wat moeten zij zich daar concreet bij
voorstellen? Gaat het dan om illegale arbeid, om 100% gesubsidieerde
arbeid of om banen waarin sociale activering gecombineerd wordt met
betaald werk? Mede vanwege de wetsgeschiedenis en de uitvoering door
gemeenten rblz.|21|
vragen deze leden de regering de criteria te noemen op grond
waarvan gemeenten moeten beoordelen wat "algemeen geaccepteerde
arbeid" is. Deze leden vragen wat precies het verschil is tussen
algemeen geaccepteerde arbeid en passende arbeid. Deze leden vragen de
regering om aan de hand van voorbeelden het verschil duidelijk te maken.
Deze leden vragen ook hoe de opvatting van de regering, zoals verwoord
bij het debat over de wetswijziging over Algemene
bijstandswet en
scholing (15 april 2003, handelingen 62-3724), past bij het begrip
algemeen geaccepteerde arbeid. Immers, tijdens deze wetsbehandeling werd
de opvatting dat het in de bijstand gaat om duurzame arbeid door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend en
gesteund. In dat kader is het van belang dat alleenstaande ouders of
arbeidsgehandicapten die arbeid en zorg moeten combineren een hoger
opleidingsniveau nodig kunnen hebben om met een deeltijdbaan uit de
bijstand te komen. Nu de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid die opvatting heeft onderschreven, hoe kan het dan dat
algemeen geaccepteerde arbeid aanvaard moet worden waardoor het streven
naar duurzame arbeid niet mogelijk wordt? Oftewel, vakken vullen in
deeltijd voor een onvoldoende geschoolde alleenstaande ouder leidt niet
tot uitstroom naar duurzame arbeid. Vindt de regering dan dat voorrang
aan scholing gegeven moet worden, omdat volledige en duurzame uitstroom
uit de bijstand de voorkeur heeft boven een blijvend verblijf in de
bijstand in combinatie met deeltijdwerk, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie. Kort gezegd: als passende arbeid duurzaam is en algemeen
geaccepteerde arbeid tijdelijk, waaraan moet in welke omstandigheden dan
de voorkeur gegeven worden? Kunnen hiervan voorbeelden worden gegeven?
De leden van de PvdA-fractie hebben veel moeite
met de ondoorzichtige wijze waarop gesubsidieerde arbeid wordt
gedefinieerd binnen het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Deze leden
begrijpen daar niets van. Wat bedoelt de regering nu eigenlijk? Moet uit
de tekst gelezen worden dat arbeidsinschakeling pas als zodanig wordt
erkend als er geen sprake is van gesubsidieerd werk? Hoever strekt dat?
Is werk dat met een werkgeverssubsidie tot stand komt geen algemeen
geaccepteerd arbeid? Hoe zit het dan met werk van een gedeeltelijk
arbeidsgehandicapte? Deze leden vinden deze definitie onwerkbaar.
Betaald werk is arbeid en algemeen geaccepteerd naar het oordeel van de
leden van de PvdA-fractie. Als het de bedoeling van de regering is om
via de definitie van algemeen geaccepteerd werk de doorstroom van een
gesubsidieerde arbeidsplaats af te dwingen, dan is naar het oordeel van
deze leden de regering op de verkeerde weg. Deze leden bevelen de
regering aan de definitie van arbeid, indien het begrip passende arbeid
wijzigt, nader te omschrijven.
De leden van de PvdA-fractie willen
graag weten hoe de regering oordeelt over gesubsidieerde arbeid als
reïntegratiemogelijkheid. Wat is het antwoord van de regering op de
vraag dat gesubsidieerde arbeid als gevolg van dit wetsvoorstel zal
verdwijnen omdat het alleen nog een relatief dure reïntegratievorm zal
zijn? Delen zij de angst, zoals door verschillende sprekers geuit
tijdens de hoorzitting, dat gemeenten erop zullen inzetten om mensen zo
snel mogelijk uit de bijstand te krijgen en dus zullen beginnen met
"gemakkelijke gevallen" en kortlopende reïntegratietrajecten? De
leden wijzen in dit verband ook nog maar eens op het wegvallen van
fiscale maatregelen zoals de SPAK en de VLW. De leden van de
PvdA-fractie vinden het onbegrijpelijk dat de regering in tijden van
recessie en toenemende werkloosheid dit gehele instrumentarium schrapt.
En hoe oordeelt de regering over het, ook door de Raad van State
geconstateerde, risico dat gemeenten vanwege de bezuinigingen de
voorkeur geven aan goedkopere regelingen, zoals werkervaringsplaatsen in
plaats van
ID-banen? Acht de regering het ook mogelijk en wenselijk dat
gesubsidieerde arbeid uiteindelijk zal worden vervangen door werken met
behoud van uitkering? Wat vindt de regering ervan dat op een dergelijke rblz.|22|
wijze een fundamenteel verschil wordt gecreëerd tussen degenen die
werken met een arbeidscontract en degenen die dit niet doen? Hoe
verhoudt dit zich tot het proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt?
En wat zijn de consequenties voor de betekenis die aan vrijwilligerswerk
wordt toegekend? Vindt de regering niet dat een onderscheid moet worden
aangebracht tussen werken met behoud van uitkering in de vorm van
vrijwilligerswerk enerzijds en werken tegen prestatie, al dan niet in
de vorm van (gesubsidieerde) arbeid, anderzijds?
De leden van de PvdA-fractie constateren dat
met het wegvallen van veel van de bestaande gesubsidieerde arbeid ook
veel zinvolle en belangrijke arbeid in de collectieve sector zal
wegvallen. Hoe denkt de regering dit op te lossen en hoe denkt ze dat
gemeenten dit op gaan lossen? Welke budgetten zouden ermee gemoeid zijn
als alle huidige ID-ers en Wiw-ers in reguliere functies volgens de
laagste loonschalen in reguliere CAO’s zouden worden ondergebracht?
Waarom heeft de regering het advies van de Raad
voor werk en inkomen (hierna: RWI) eigenlijk niet overgenomen om
gesubsidieerde arbeid te continueren in de vorm van gereserveerde
arbeid? Kan de regering haar argumenten tegen, de in het veld breed
gedragen, optie nog eens systematisch aangeven?
De
leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de
gemeente de arbeidsplicht
kan opleggen als iemand een inburgeringstraject volgt. Kan de gemeente
iemand die een inburgeringstraject volgt, verplichten om een fulltimebaan te accepteren, zodat hij/zij niet meer afhankelijk is van de
uitkering? Indien het volgen van een inburgeringstraject het opleggen
van de arbeidsplicht belemmert, zou strategisch gedrag van de deelnemer
ertoe kunnen leiden dat het afronden van het traject wordt uitgesteld.
Dat is uiteraard ongewenst, omdat een traject zo snel mogelijk moet
worden afgerond en uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk moeten
uitstromen. Op welke wijze is gewaarborgd dat dergelijk strategisch
gedrag onmogelijk is?
De
leden van de fractie van
GroenLinks vragen of een verantwoorde zorg voor
kinderen het enige punt van afweging is bij het opleggen van
verplichtingen aan personen. Geldt hetzelfde recht op ondersteuning en
maatwerk van de gemeente indien mensen actief zijn als mantelzorger
voor naaste familieleden of vrienden?
3.1.3. Ontheffingen [MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie zouden ook in de
nieuwe wet de vrijstelling van
de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5
jaar gehandhaafd willen zien. Deze leden vinden dat deze ouders zelf de
keuze moeten kunnen maken tussen werktaken en zorgtaken. Ook
alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering dienen de mogelijkheid
te hebben om te kiezen voor de opvoeding en zorg van hun kinderen. In
het voorstel van wet hebben ze deze keuze niet. Die situatie vinden de
leden van de CDA-fractie onjuist. Als argument noemt de regering dat het
voor deze ouders te moeilijk wordt om na vijf jaar weer terug te keren in
het arbeidsproces. Waar is die veronderstelling op gebaseerd? Waarom
wordt niet gekozen voor de mogelijkheid voor een verplichting om zich
gedurende bijvoorbeeld de laatste twee jaar van die vijf jarige periode actief
voor te bereiden op het arbeidsproces in plaats van een algemene
arbeidsplicht? Dit laatste zou, rekening houdend met de zorgtaken van de
ouder, via cursussen of stages ingevuld kunnen worden.
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe
de gemeente aandacht dient te besteden aan de wijze waarop rekening
wordt gehouden met zorgtaken. Kan de regering dit met voorbeelden verduidelijken?
rblz.|23|
De stelling dat er geen arbeidsverplichting is voor 65-plussers
ligt naar de mening van de leden van de PvdA-fractie
voor de hand. De
afschaffing van de categoriale vrijstelling voor ieder ander is
verdedigbaar indien aan voorwaarden wordt voldaan. De regering gaat
echter niet in op de voorwaarden die verbonden zijn aan het stellen van
gehele of gedeeltelijke arbeidsplichten. Evenmin over de voorwaarden die
verbonden zijn aan de individuele vrijstelling van beschikbaarheid voor
de arbeidsmarkt. Als het gaat om ouderen is niet gewezen op het advies
van het RWI. Als het gaat om de arbeidsinschakeling voor alleenstaande
ouders of arbeidsgehandicapten, geeft de regering geen invulling aan
voorwaarden, faciliteiten, aanspraken en de verplichte beschikbaarheid
van dienstverlening. De
leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere uitwerking waarin
met de genoemde aspecten rekening gehouden wordt.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat de
visie van de regering is ten aanzien van ontheffingen. Wat is de
doelstelling die bij het afschaffen van de ontheffing van de
arbeidsplicht hoort? Welke besparingen worden geraamd? Hoe groot is de
groep van alleenstaande ouders met een kind onder de 5 jaar die nu
ontheven is van de arbeids- en reïntegratieplicht? Hoe groot is de
groep 57,5-jarigen en gedeeltelijk of volledig arbeidsgehandicapten
binnen de bestanden? Welke verplichtingen gelden in dat verband voor de Anw-ers? Hoe groot is de groep van bijstandsgerechtigden die om sociale
of medische redenen een ontheffing heeft gekregen?
De
leden van de SGP-fractie wijzen de in het wetsvoorstel neergelegde
verplichting dat ook alleenstaande ouders met jonge kinderen in de
bijstand actief moeten solliciteren af. De aan het woord zijnde leden
zijn van mening dat deze ouders minimaal vijf jaar ontheven moeten zijn
van arbeidsplicht. Deelt de regering deze opvatting? De leden van de
SGP-fractie zijn tevens van mening dat deze ouders in de bijstand reeds
na twaalf maanden ook een langdurigheidstoeslag zouden moeten krijgen totdat
de kinderen vijf jaar worden. Juist deze groep mensen zit financieel erg
krap. Is de regering bereid het wetsvoorstel in deze zin bij te stellen?
Ten principale zijn de leden van de SGP-fractie van mening dat de
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar niet in de Bijstandswet
thuishoren, maar onder een apart regime moeten vallen. Deze
groep mensen moet niet de arbeidsmarkt worden opgejaagd, maar verdient
de mogelijkheid om zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Door deze
groep mensen uit de bijstand te halen, ontstaat volgens de aan het woord
zijnde leden een duidelijker onderscheid met degenen die zo spoedig uit
de bijstand moeten. Deelt de regering die opvatting?
3.2.
Reïntegratie [MvT;
NnavhV]
3.2.1. Gemeentelijke verantwoordelijkheid [MvT;
NnavhV]
Het
is naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie
een goede zaak dat
de zorgplicht in de
wet overeind is gebleven. De regering vertaalt
terecht de zorgplicht tot de verantwoordelijkheid van de gemeente
voor
het leveren van ondersteuning en voorzieningen in de richting van
arbeidsinschakeling, scholing of activering. Die zorgplicht legt een
verantwoordelijkheid bij de gemeente ten opzichte van de cliënt. De
regering vertaalt de zorgplicht niet naar een recht op de levering van
ondersteuning en voorzieningen, terwijl er wel een recht op bijstand
bestaat.
Hoe vrij is de gemeente in het kiezen van
voorzieningen en ondersteuning? Welke kwaliteitscriteria gelden? Is
alleen het resultaat uitstroom geldig? Of zijn ook zaken als de
kwaliteit van dienstverlening en de kwaliteit van het verblijf in de
bijstand als uitstroom niet mogelijk is van belang? Hoe wordt dat
zichtbaar en welke verplichtingen hebben de gemeenten daarin?
rblz.|24|
De leden van de VVD-fractie constateren dat
gemeenten vrij zijn
om reïntegratie-instrumenten in te zetten. Met het reïntegratiebudget
kunnen gemeenten gesubsidieerde arbeid creëren. Gemeenten kunnen op
deze wijze een aantal gemeentelijke taken door gesubsidieerde krachten
laten uitvoeren die anders door particuliere bedrijven zou zijn
uitgevoerd. Op welke wijze wordt voorkomen dat oneerlijke concurrentie
en verdringing van reguliere arbeid optreedt?
De
leden van de fractie van
GroenLinks zijn benieuwd naar de mogelijkheden
die
gemeenten hebben om een deel van de inkomsten uit arbeid van
deeltijdwerkers vrij te laten. De leden constateren namelijk dat
gemeenten de mogelijkheid krijgen om tot een bedrag van €|1944,- per jaar
een onbelaste premie te verlenen om bij te dragen aan
arbeidsinschakeling van een bijstandsgerechtigde. Mag een gemeente, zo
vragen de leden, deze premie desgewenst uitkeren als een "bonus" in
die zin dat hiermee wordt bevorderd dat het accepteren van deeltijdwerk
daadwerkelijk tot een stijging van het netto besteedbaar huishoudinkomen
leidt? Zo nee, welke mogelijkheden hebben gemeenten om te bevorderen dat
het aannemen van deeltijdwerk daadwerkelijk lonend is voor betrokkenen?
3.2.2. Aanspraak van belanghebbende op ondersteuning bij reïntegratie
[MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie vragen wat de inhoud van het recht is van een
belanghebbende om geholpen te worden bij reïntegratie (artikel 10
[10] Wwb).
In hoeverre moeten een gemeenteraad en/of college van B&W hierover
beleidsregels vastleggen in een verordening? Hoe verhoudt dit recht zich
tot de beschikbare budgetten?
Voor personen onder 23 jaar geldt in de Algemene
bijstandswet een garantie op scholing en werk. Kan deze
garantie naar mening van de regering nog steeds waargemaakt worden door
gemeenten?
De
leden van de PvdA-fractie constateren dat, als de
gemeente een bepaalde
voorziening niet heeft, geen geld heeft of geen zin heeft, er geen
afdwingbaar recht is op een verstrekking of voorziening. Hoe verhoudt
zich dat, zo vragen zij, tot het recht op zorg zoals de regering die op
het gebied van volksgezondheid heeft vastgelegd? Waarom gaat de regering
niet verder dan dat de klant aanspraak kan maken op een beschikbare
voorziening? Wat is de feitelijke betekenis van aanspraak. Is dat een
recht? Is er recht op sluitende aanpak? Als de gemeente bijvoorbeeld in
gebreke blijft bij het leveren van een sluitende aanpak, is dat voor de
cliënt afdwingbaar? Is sluitende aanpak te zien als een vorm van
bijstand waarin de overheid van rechtswege moet voorzien? Zo vragen de
leden van de PvdA-fractie. Zij vragen de regering meer precies uiteen te
zetten hoe de balans van rechten en plichten, aanspraken en
verstrekkingen naar hun zienswijze in balans blijft. Zij vragen daarbij
ook te betrekken de mogelijke ontwikkeling van jurisprudentie in relatie
tot andere beleidsterreinen. Welke rechten heeft, naar het oordeel van de
regering, de cliënt op weg naar reïntegratie? Is het aanspraak maken
op een voorziening gelijk te stellen met het recht op een voorziening?
Bestaat er voor de cliënt een recht op
uitstroom als onderdeel van de bijstand als vangnetfunctie. Is dat recht
afdwingbaar als de gemeente in gebreke blijft, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie.
In
de SUWI-wetten is de verplichting tot de functie klantbegeleider of
casemanager vastgelegd. Vele gemeenten hebben in het kader van de Agenda
voor de Toekomst onder meer deze functie ingevuld en vanuit het project
gefinancierd. In 2007 is door het onverwachte staken van de financiering
door deze regering de functionaliteit niet meer gewaarborgd. De leden
van de PvdA-fractie vragen waarom de functie niet, net zoals in de SUWI-wetten, wordt vastgelegd? Zij vragen hoe gewaarborgd kan worden rblz.|25|
dat
deze kwaliteitsimpuls in klantbehandeling overeind blijft? Wie gaat dat
trouwens betalen?
De
leden van de VVD-fractie vragen welke rechten belanghebbenden kunnen
ontlenen aan de in het wetsvoorstel geformuleerde aanspraak op
ondersteuning bij reïntegratie? In hoeverre houden de
gemeenten de
ruimte om telkens de meest efficiënte en effectieve
reïntegratietrajecten aan te bieden? Wat wordt precies onder
ondersteuning bij reïntegratie verstaan? Voorziet de regering niet dat
dit nader ingevuld zal gaan worden door jurisprudentie? Verwacht de
regering dat door de aanspraak het beroep op reïntegratie zal stijgen?
Zo ja, met hoeveel zullen de kosten stijgen en op welke wijze worden die
gecompenseerd? Indien er door de betrokkenen in een gemeente meer
aanspraak gemaakt wordt op reïntegratie dan er aan werkbudget
beschikbaar is, op welke wijze wordt het daaruit voortkomende tekort
gefinancierd?
Het
is de leden van de fractie van
GroenLinks onduidelijk welke
mogelijkheden personen hebben indien zij hun belangen geschaad zien door
ontoereikende reïntegratie-inspanningen van de gemeente. De leden
vragen daarom een onderbouwing van het "recht op reïntegratie" en
verzoeken de regering uit te spreken dat individuele personen niet,
financieel of anderszins, de dupe worden van nalatigheid van hun
gemeente. Een voorbeeld is de combinatie van arbeid en zorg. In de
memorie van toelichting bij de wet wordt gesteld dat gemeenten een
adequate voorziening dienen te treffen, maar de regering zal begrijpen
dat "adequaat" een niet te toetsen voorwaarde is. Waarom wordt dit
niet nader geconcretiseerd? De leden van de fractie van GroenLinks
vragen voorts in hoeverre de verantwoordelijkheid voor de kosten van
kinderopvang voor rekening van de bijstandsgerechtigde dan wel van de
gemeente komen.
Ook vragen deze leden op welke wijze gemeenten,
indien het alleenstaande moeders met jonge kinderen betreft, de
zorgplicht van de vaders betrekken bij een beoordeling van de
mogelijkheden tot het verrichten van betaalde arbeid van de zorgende
moeder. Daarnaast zijn zij benieuwd naar de mogelijkheden voor
deeltijdwerk voor (met name) alleenstaande ouders. Waarom wordt dit niet
nader geoperationaliseerd in de
wet en de toelichting?
3.2.3. Niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond
van de Algemene nabestaandenwet [MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie constateren dat de taak voor
gemeenten om ook
niet-uitkeringsgerechtigden (hierna: NUG-ers) en mensen met een Anw-uitkering indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden
expliciet is opgenomen in de nieuwe Wwb. Op welke wijze zijn de
reïntegratiemogelijkheden voor gemeenten aangepast aan deze nieuwe
taak? Is het reïntegratiebudget aangepast?
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe de regering kan waarborgen dat
NUG-ers en Anw-ers naar evenredigheid door de
gemeenten geholpen worden.
Een bijstandsklant aan het werk helpen levert €|17 000,- per jaar op.
Levert de uitstroom van een NUG-er of Anw-er niet meer dan de kosten op,
of zelfs dat niet? Hoe wil de gemeente een sanctie opleggen,
bijvoorbeeld het terugbetalen van trajectkosten? Wordt een dergelijke
sanctie onderdeel van de gemeentelijke verordening? Hoe transparant zal
de afweging zijn of het gebrek aan resultaat te wijten valt aan het
gebrekkig functioneren van het reïntegratiebedrijf of aan de cliënt?
De
leden van de VVD-fractie constateren dat de
gemeenten de plicht hebben
om NUG-ers indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden. De
vraag is wat de effectiviteit is van het aanbieden van
reïntegratietrajecten rblz.|26|
aan deze groep. Is het niet zo dat de trajecten
vaak gevolgd worden door mensen die zonder traject ook aan de slag
kunnen, terwijl de trajecten de mensen die het echt nodig hebben niet
bereiken? Is de regering niet van mening dat voor deze groep eigenlijk
een volledig eigen verantwoordelijkheid zou moeten gelden en dat actieve
ondersteuning door de overheid niet aan de orde zou moeten zijn?
Stimulering van het arbeidsaanbod zou in dat geval met name moeten
plaatsvinden door de inrichting van een effectief fiscaal stelsel.
3.2.4. Een sluitende aanpak [MvT;
NnavhV]
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe de voornemens van de regering zich
verhouden tot Europese afspraken over de sluitende aanpak, in het
bijzonder die van jongeren, waarbij
gemeenten binnen zes maanden werk of
scholing aangeboden moeten hebben. Als dit niet meer landelijk geregeld
is, wat voor trajecten voor werk en of scholing zullen dit dan worden?
Kan de regering bevestigen dat het voorgenomen beleid het einde van de
sluitende aanpak voor jongeren betekent, in de zin dat niet langer
gegarandeerd is dat iedere jongere binnen zes maanden werk of scholing
krijgt aangeboden?
Wat denkt de regering van de zogenaamde nultrajecten waarover al wordt gesproken, waaraan geen concrete afspraken
over scholing of werk verbonden zijn en jongeren feitelijk met behoud
van uitkering moeten gaan werken? Wie bepaalt dan of ze een regulier
arbeidscontract moeten krijgen of niet?
Hoe
ziet de regering voor zich dat op Europees niveau in het kader van het
Nationaal Actieplan Werkgelegenheid gerapporteerd moet gaan worden via
een algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB)? Hoe zal die AMvB er in
hoofdlijnen uit gaan zien? Acht de regering het bestrijden van
jeugdwerkloosheid niet dermate belangrijk dat hiervoor nu al duidelijk
moet zijn hoe één en ander verantwoord gaat worden naar Europa?
In
dit verband willen de leden van de PvdA ook graag een reactie op het
voorstel van de FNV om in bedrijfs- en scholingsfondsen voorstellen te
doen geld in te zetten waarmee uitkeringsgerechtigden een echte kans
krijgen op betaalde arbeid. Is de regering bereid met sociale partners
over deze optie serieus te overleggen?
3.2.5. Uitbesteding en aanbesteding [MvT;
NnavhV]
De
leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een transparante en
efficiënt werkende reïntegratiemarkt. Een open aanbesteding past hier
zeker in. Zij vragen echter of alle individuele belanghebbenden en
doelgroepen op de juiste wijze geholpen kunnen worden via een
aanbestedingsprocedure zoals die is neergelegd in het Besluit
SUWI. In
artikel 7 [7] wordt de mogelijkheid opgenomen om een deel van de totale
reïntegratieactiviteiten niet uit te besteden. De leden van de
CDA-fractie nodigen de regering uit om precies aan te geven om welk deel
het gaat, zowel in geld als naar soorten activiteiten. Wordt daarbij
rekening gehouden met bepaalde complexe doelgroepen? Kan de huidige
praktijk gehandhaafd blijven, waarbij
gemeenten 20% van hun
reïntegratieactiviteiten niet hoeven aan te besteden? Wat betekenen
deze uit- en aanbestedingsverplichtingen precies voor gesubsidieerde
arbeid?
De Wwb beoogt minder en eenvoudige regels voor
de uitvoering door gemeenten. Een gemeente wordt 100% financieel
verantwoordelijk voor de uitvoering van zowel het werk- als het
inkomensdeel van de Wwb. Dat leidt tot een stimulans bij gemeenten om de
beschikbare middelen zo optimaal mogelijk te besteden. In hoeverre past
het om nog verplichte extra aanbestedingsvereisten in het wetsvoorstel
op te nemen? Waarom rblz.|27|
wordt niet volstaan met de algemene Europese en
nationaalrechtelijke aanbestedingsregels?
Onderdeel van de keten is de reïntegratie. De leden van de PvdA-fractie
hebben geen begrip voor de gedwongen winkelnering die al eerder tot een
kameruitspraak heeft geleid. Als
gemeenten het financieel risico dragen,
dan is het niet meer dan fair dat zij ook zelf beslissen over de aard en
het soort van de reïntegratie-instrumenten, inclusief het al dan niet
aanbesteden.
De leden van de PvdA-fractie constateren dat
reïntegratietrajecten in het nieuwe wetsvoorstel zoveel mogelijk dienen
te worden uitbesteed. Is de regering van mening dat de
reïntegratiemarkt voldoende transparant en concurrerend is om gemeenten
te verplichten reïntegratietrajecten bij derden uit te besteden? Waar
baseert de regering deze mening op?
De verplichte openbare uitbesteding geldt ook
voor activiteiten in het kader van gesubsidieerde arbeid, zoals
bemiddeling, begeleiding en eventueel gemandateerd werkgeverschap bij
gemeenten. Dat zal, zo geven veel uitvoeringsorganisaties aan, voor
ID en Wiw de nekslag betekenen. De leden van de PvdA-fractie willen graag
een reactie op deze noodkreet, zoals onder andere geuit door de NSOW [Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening, red.].
Zij vragen de regering daarbij specifiek in te gaan op de continuïteit
van deskundigheid.
De regels die de regering stelt aan
aanbesteding en uitbesteding zijn naar het idee van de leden van de
fractie van de PvdA ook inconsequent. Als gemeenten, zoals in de Wwb,
100% risicodragend worden voor de bijstand, dan hoort daar ook bij dat
ze kunnen beslissen over de wijze van aanbesteding en uitbesteding, zo
stellen deze leden. Hoe consequent is de regering in haar visie minder
regels te willen stellen en te willen dereguleren als op deze en andere
terreinen toch steeds weer nieuwe regels gesteld worden? Deze leden
verzoeken de regering de consequenties van haar beleidsvisie nog eens
goed te doordenken.
De leden van de fractie van de PvdA kunnen zich
niet aan het idee onttrekken dat door de opgelegde beperkingen de
regering eerder de regels dan de mens centraal stelt. Immers, als je de
mens centraal wilt stellen en niet de regels, dan hoort daar een
gecombineerde uitvoering van Wsw, Wiw en ID als mogelijkheid bij. Daar
zijn in steden als Deventer en Den Bosch goede ervaringen mee opgedaan.
Gedwongen aanbesteding kan opheffing van deze publieke infrastructuur
betekenen. De leden zien hier graag een reactie op. In het bijzonder
willen ze een reactie op de situatie in Den Bosch. De situatie hier
loopt voorop bij andere gemeenten. Maar ook Den Bosch gaf aan zo’n
vier jaar tijd nodig te hebben gehad beleid aan te passen aan vrije
aanbesteding. Ook in Enschede, zo constateren deze leden, wordt
geëxperimenteerd met vrije aanbesteding. Welke lessen vallen daar uit
te trekken? Hoe lang denkt de regering dat gemeenten en
uitvoeringsorganisaties gemiddeld nodig hebben om zich aan de nieuwe
situatie aan te passen?
De leden van de PvdA-fractie willen graag een
reactie op diverse alternatieven om de aanbesteding van
reïntegratietrajecten vorm te geven. In het bijzonder willen ze een
reactie om het voorstel de aanbestedingsregels te beperken tot de fases
1 tot en met 3 en niet voor fase 4 [zie artikel
2.1 Regeling SUWI, red.], gezien de extra inspanningen die nodig
zullen zijn voor de laatste groep. Ook willen ze in het bijzonder een
reactie op het voorstel om gemeenten een overgangstermijn te geven van
zo’n drie à vier jaar om zich voor te bereiden op de vrije aanbesteding. In
dit verband wijzen deze leden op de situatie in steden als Den Bosch en
Enschede, waaruit blijkt dat enige tijd nodig is om tot goede resultaten
te komen.
De
leden van de VVD-fractie constateren dat het aanbestedingsregime van het
Besluit SUWI voor
gemeenten kan komen te vervallen op het moment dat
blijkt dat een goed werkende reïntegratiemarkt tot stand is gekomen.
Het is goed om nu al te formuleren wat exact onder een goed werkende rblz.|28|
reïntegratiemarkt wordt verstaan, zodat daar reeds nu al naartoe kan
worden gewerkt en met name de gemeentelijke uitvoering weet waar deze
aan toe is. Kan de regering in objectief meetbare termen aangeven wat
verstaan wordt onder een goed werkende reïntegratiemarkt en op welke
wijze monitoring plaatsvindt? Daarnaast vinden de leden van de VVD-fractie het vreemd dat er enerzijds een decentralisatie van
verantwoordelijkheden richting gemeenten plaatsvindt, terwijl het
wetsvoorstel anderzijds een verplichte aanbesteding voorschrijft. Dit
geldt zelfs voor de fase-4-cliënten, waar in veel gevallen al een goede
publieke infrastructuur voor is. Moet niet eerst bezien worden of de
marktwerking vanzelf tot stand komt?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in artikel 7
[7] is
geregeld op welke wijze de gemeente taken inzake de Wwb mogen
uitbesteden. De regering wordt gevraagd om de uitbestedingsmogelijkheden
nader toe te lichten. Voor de reïntegratie bestaat een goeddeels
volledige uitkeringsplicht. De mogelijkheden bij de vaststelling en
uitbetaling van de uitkering lijken beperkt. Wat mag de gemeente nu
precies wel en wat mag de gemeente nu precies niet uitbesteden? Zou het
niet beter zijn om rond de uitbesteding volledige beleidsvrijheid te
introduceren? In dat geval kan de gemeente in elke situatie de meest
doelmatige en effectieve oplossing kiezen.
De
leden van de fractie van
GroenLinks begrijpen niet waarom
gemeenten
worden verplicht om het grootste deel van de reïntegratieactiviteiten
uit te besteden. Juist bij het decentraliseren van de financiële
verantwoordelijkheid voor inkomensvoorziening naar gemeenten zou men
verwachten dat gemeenten vrij zijn om de reïntegratie binnenshuis te
doen dan wel uit te besteden. Deze leden vragen daarom een nadere
onderbouwing van deze keuze.
De
leden van de fractie van
de ChristenUnie vragen in hoeverre een
voorgeschreven uitbesteding van reïntegratieactiviteiten past in het
streven naar deregulering en decentralisatie. Deze uitbesteding kan toch
geen doel op zich zijn? In het verlengde hiervan informeren zij naar de
stand van zaken rond het kwaliteitskeurmerk van Borea
[Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven, red.]. Zijn er nog veel
reïntegratiebedrijven die zich hieraan niet conformeren?
3.3. Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vinden sociale
activering een geschikte methode om sommige mensen weer actief te laten
meedoen in de samenleving.
Moet sociale activering naar de mening van de
regering altijd gericht zijn op arbeid? Zo nee, in welke situaties is
dit niet het geval? Kan de regering de percentages die genoemd worden
bij het experiment Sociale Activering ook vertalen naar absolute
aantallen betrokken personen?
Het
is de leden van de PvdA-fractie onduidelijk wat in
paragraaf 3.3 bedoeld
wordt. Moeten de
gemeenten werken aan draaideurklanten? Mensen die
steeds kort werken om zo bij een aantrekkende conjunctuur veel misschien
snel plaatsbare klanten te hebben? Deze leden begrijpen er niks van. De
komende vier jaar, zo niet langer, zullen er grote groepen mensen in de
bijstand terechtkomen door rijksbeleid en conjunctuur die voor de
bijstand naijlt. De tijden van bestandsdalingen zijn voor jaren voorbij.
Hoe dan relatief lagere bestanden worden opgebouwd anders dan gewoon
arbeidstoeleiding is niet duidelijk. Of gaat het hier om een verstopt
pleidooi om niet te investeren in duurzame arbeidstoeleiding.
rblz.|29|
Resultaten uit het verleden blijken, meer dan menigeen denkt,
succesvol te zijn. Dat blijkt uit de door de regering gepresenteerde
cijfers. De leden van de PvdA-fractie vragen dat beeld te completeren.
Immers de kortdurende bijstandsklanten zijn een sterk vlottend bestand.
Uit de cijfers blijkt niet welk deel van het zittende jaarbestand op de
jaarteldatum bestaat uit mensen die korter dan één jaar in de bijstand
zitten, welk deel één tot vijf jaar en welk deel langer dan vijf jaar. Kan de
regering deze cijfers per omgaande verstrekken?
Interessant is ook te weten waarnaar de
uitstroom van de drie categorieën plaatsvindt: werk, AOW, verhuizen,
partner? Graag zien deze leden een overzicht en cijfers tegemoet.
De
leden van de PvdA-fractie menen dat tegenover het recht op bijstand de
plicht tot het verwerven van optimale zelfredzaamheid met betaalde
arbeid bestaat. Indien dat niet mogelijk is, dan is sociale activering
wenselijk. Natuurlijk zouden de gemeenten over voldoende budget moeten
kunnen beschikken om sociale activering als onderdeel van de sluitende
aanpak aan te bieden. Hebben de gemeenten daarvoor voldoende middelen,
zo vragen deze leden.
4.
Inkomenswaarborg en armoedeval [MvT;
NnavhV]
4.1. Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte
[MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of naar de
mening van de regering de systematiek van uitkeringsnormen voldoende het
bestaansminimum garandeert voor een alleenstaande en een eenoudergezin
die geen kosten met anderen kunnen delen. Kunnen deze groepen van
cliënten met succes aanspraak maken op een toeslag van 20%? Zo ja,
waarop is die mening van de regering gebaseerd? Zo neen, bestaat
daardoor niet de mogelijkheid dat deze groepen, juridisch correct, onder
het bestaansminimum komen?
Elders hebben de leden van de PvdA-fractie
gevraagd naar de overweging
om de bestaande verlaagde norm voor niet-alleenwonende alleenstaande en
alleenstaande ouders nog steeds verlaagd vast te stellen. De reden die
in 1995 gold was dat de
gemeenten de 20% toeslag zelf zouden betalen en
dus volledig voor eigen risico namen. Dat argument is nu vervallen. Met
een bepaling dat de gemeente de uitkering kan verlagen tot maximaal 20% indien woonlasten afwezig zijn of een gedeelte daarvan indien
woonlasten kunnen worden gedeeld, zal een aanzienlijke administratieve
besparing optreden. Deze leden vragen de regering om een reactie op dit
voorstel.
4.2. Middelentoets
[MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen waarom niet
tot op zekere hoogte is toegestaan om inkomsten uit deeltijdarbeid te
behouden als opstap naar een volledige baan. In zijn algemeenheid vragen
deze leden of de mogelijkheden voor vrijlating van bepaalde
inkomensdelen niet te beperkt zijn, daar waar deze mogelijkheden in
individuele gevallen bij kunnen dragen aan het vinden van een reguliere
baan. Wat is de opvatting van de regering hierover? In hoeverre is de
beperking van deze vrijlatingsmogelijkheden bovendien te verenigen met
de vergrote beleidsvrijheid en individueel maatwerk voor
gemeenten?
De
leden van de CDA-fractie constateren dat vrijlating van specifieke
regelingen die het karakter hebben van schadevergoeding of smartengeld
ter beoordeling van het college van B&W worden gelaten, dan wel
worden opgenomen rblz.|30|
in een ministeriele regeling. De leden van de CDA-fractie vragen
of het niet juister is, gelet op de gevoeligheid van deze zaken, voor
een aantal zeer gevoelige gevallen reeds nu van rijkswege duidelijkheid
te scheppen? Zo ja, kan de regering een aantal voorbeelden geven die
vrijgelaten moeten worden?
De
leden van de PvdA-fractie zijn ernstig teleurgesteld over het voornemen
van de regering om de vrijlating af te schaffen. Het gehanteerde
argument als zou de armoedeval in het geding zijn, snijdt geen hout. In
de eerste plaats is de vrijlating in de huidige wet slechts bestemd voor
mensen die vanwege medische of sociale omstandigheden met instemming van
de sociale dienst alleen in deeltijd kunnen werken. Dat geldt ook voor
nagenoeg alle alleenstaande ouders met kleine of opgroeiende kinderen.
Als blijkt dat een zwaardere belasting mogelijk is, dan kan de gemeente
besluiten tot intrekking van de vrijlatingfaciliteit. Immers, bij het
verwerven van een inkomen uit arbeid ontstaat ook het recht op een
arbeidskorting. Voor de leden van de PvdA-fractie geldt als uitgangspunt
dat arbeid moet lonen. Juist daarom ondersteunen deze leden het
dringende verzoek van gemeenten en andere organisaties om een
vrijlatingfaciliteit toe te staan. De financiële prikkels voor de
gemeente zijn zo fors dat de kans dat de gemeente iemand die wel kan
werken rustig in de uitkering laat zeer gering is.
Ook voor mensen met een arbeidshandicap is het
belangrijk dat bij deeltijd werk er enige extra inkomsten tegenover
staan.
Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie om
een vrijlating van inkomsten toe te staan voor werkende 65-plussers met een onvolledige
AOW.
De leden van de PvdA-fractie vragen
hoeveel geld thans wordt besteed aan de vrijlating op inkomsten? Kunnen
de gemeenten dat budget benutten voor een premiestelsel? Bij de
invoering van de Bijstandswet in 1996 werd gesteld dat het om een bedrag
van ƒ150 miljoen gaat, dat later vanuit de Algemene
bijstandswet is
toegevoegd aan de Wiw. Inmiddels is de arbeidsparticipatie hoger. Is de
regering bereid dat budget aan het werkdeel van de Wwb
toe te voegen of
kunnen de gemeenten dat benutten voor premies via de bijzondere
bijstand?
De leden van de PvdA-fractie vragen naar de
opvattingen van de regering over de vrijlating van ontvangen
smartengeld. Vindt de regering dat mensen die een vergoeding krijgen
voor materiële schade deze in beginsel moeten kunnen aanwenden voor
vervanging van geleden schade? Vindt de regering dat mensen die een
vergoeding krijgen voor immateriële of letselschade deze gelden ook
voor langere termijn mogen benutten ter compensatie van de beperking die
is opgetreden? Is er naar de opvatting van de regering een beperking aan
het te ontstane vermogen of aan de jaarlijkse aanwending van het
vermogen? De leden van de PvdA achten deze beantwoording van belang
vanwege de wetsgeschiedenis en de rechtspositie van de cliënt. Immers,
als gemeenten willekeurig met rechten omgaan, is dat niet in het belang
van de rechtsorde noch in het belang van de cliënt. Is de regering het
ermee eens dat de gemeenten daar waar zij een afweging maakt deze
transparant, toetsbaar en toegankelijk voor de belanghebbende moet zijn?
Wat betekent het voor de rechtsgang van de
uitkeringsgerechtigde die in beroep gaat tegen een beslissing van de
gemeente over een verrekening van smartengeld? Mag de beroepsrechter op
een zaak waarbinnen de gemeente de vrijheid heeft ongetoetst een eigen
oordeel te vellen het besluit ook inhoudelijk toetsen en wordt daarbij
de wetgeschiedenis meegewogen of wordt alleen beoordeeld of de gemeente
het recht heeft de betreffende beslissing te nemen? Aan welke criteria
toetst de beroepsinstantie een dergelijk beslissing, vragen de leden van
de PvdA-fractie. Indien de regering ervoor kiest een ministeriele
regeling op te stellen, wat rblz.|31|
zal dan de inhoud van de regeling zijn? Deze
leden vragen om een concept.
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich in grote lijnen vinden
in de aanpassingen voor het berekenen van de schuldpositie, waardoor
nieuw ontstane schulden wel betrokken kunnen worden bij de vaststelling
van het (gebrek aan) vermogen.
De
leden van de VVD-fractie vragen waarom de mogelijkheid wordt afgeschaft
voor
gemeenten om de inkomsten uit arbeid gedeeltelijk vrij te laten?
Ligt het, mede gezien de budgettering van de bijstand, niet meer in de
rede om de mogelijkheden van gemeenten rond de vrijlating en het
verstrekken van stimuleringspremies juist te verruimen?
4.3. Langdurigheidstoeslag
[MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
zijn voorstander
van de voorgestelde langdurigheidtoeslag, omdat in het algemeen geldt
dat de inkomenspositie moeilijker wordt naarmate mensen langer in de
bijstand zitten. Zij constateren dat één van de voorwaarden om in
aanmerking te komen voor deze toeslag luidt dat een belanghebbende vijf jaar een bijstandsuitkering heeft. Waarom is niet gekozen voor
drie jaar en
uitbetaling nadat in het vierde jaar gebleken is dat de belanghebbende
ondanks een positieve inzet geen werk kan vinden? Wat zouden de extra
kosten zijn die hiermee gemoeid zijn? Het CDA heeft ter voorkoming van
de armoedeval het systeem van heffingskortingen geïntroduceerd. Het
gaat dan om een systeem van heffingskortingen (lastenmaximalisatie) op
het terrein van zorg, wonen, kinderen. In het nieuwe regeerakkoord is
als variant hierop een systeem van toeslagen afgesproken. Deze toeslagen
worden in de komende jaren gefaseerd ingevoerd. De leden van de
CDA-fractie vragen de regering of een systeem van toeslagen (c.q.
heffingskortingen) te zijner tijd de langdurigheidstoeslag niet kan
vervangen?
Stel een wasmachine gaat onherstelbaar kapot.
Dat gebeurt bij bijstandsgerechtigde A in jaar 4 van de
bijstandverlening en bij bijstandsgerechtigde B in jaar 6. Zouden deze
gevallen, die voor het overige identiek zijn, volgens de regering
verschillend behandeld moeten en kunnen worden in het kader van de
individuele bijzondere bijstand vanwege de langdurigheidtoeslag. Graag
een toelichting van de regering.
De
leden van de CDA-fractie willen graag een reactie van de regering op de
stelling van de Federatie van Ouderverenigingen dat gehandicapten
dikwijls blijvend moeten leven op het minimumniveau en wel werken. Door
dit werken krijgen zij geen langdurigheidstoeslag. Deelt de regering
deze opvatting? Acht de regering dit redelijk? Kan de regering hierover
uitleg geven?
Het
feit dat de regering twee aspecten van het voorstel Lang laag heeft
overgenomen, te weten de langdurigheidtoeslag en de categoriale bijslag
voor 65-plussers, verheugt de leden van de PvdA-fractie. Dit genoegen
verbleekt wel tegen het licht dat de regering de wachttijd op vijf jaar
stelt. Ook tegen het gegeven dat de regering stelt dat gedurende die
vijf jaar geen inkomen uit arbeid mag zijn verkregen, hebben de leden van de
PvdA-fractie ernstig bezwaar. Ook het verbod op het verstrekken van
categoriale bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten en de
collectieve ziektekostenverzekering vinden deze leden onverteerbaar.
De leden van de PvdA-fractie onderschrijven dat
bij de toekenning van een lang-laaguitkering het ontbreken van een
verder arbeidsmarktperspectief een voorwaarde is. Immers, voor mensen
waarvoor wel een arbeidsmarktperspectief aanwezig is, is er de fiscale
arbeidskorting bij werkaanvaarding of de premie uit de Wiw
bij scholing of
werkervaring.
rblz.|32|
Daarnaast is er de individuele bijzondere bijstand. Naar het
inzicht van de leden van de PvdA-fractie zou ook de vrijlating van
inkomsten nodig zijn indien men maar in deeltijd beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt. Deze leden vragen de regering om voor mensen die maar
beperkt beschikbaar zijn, werken lonend te maken.
De leden van de PvdA-fractie vragen een
onderbouwing van de vijfjaarstermijn die de regering stelt. Welke
referentiekader is daarvoor gekozen? Niet de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen waarin de termijn op drie jaar gesteld is. Dat is de
termijn waarvan de wetgever tot op heden vindt dat het maximaal
verantwoord is te leven op of onder het bijstandsminimum. In dit geval is
dat ook blijkens jurisprudentie 94% van de bijstandsnorm. De meeste
mensen die lang een inkomen hebben op het bestaansminimum, hebben
leenbijstand. Dat is immers de voorliggende voorziening. Op grond
daarvan hebben de meeste mensen geen reserveringscapaciteit en wordt
bijzondere bijstand na drie jaar ook om niet verstrekt. Deze leden
dringen er daarom op aan de termijn van drie jaar te handhaven voor de
lang-laagregeling en vragen de regering dat standpunt te heroverwegen.
Met verbazing hebben de leden van de PvdA-fractie ook gezien dat de
regering als voorwaarde voor het krijgen van een lang-laaguitkering
stelt dat in die periode geen inkomen uit arbeid verkregen mag zijn.
Daarop vragen deze leden een toelichting.
Zij vragen de regering dan ook commentaar te
geven op de volgende voorbeelden.
Iemand met een
verstandelijke handicap en Wajong-uitkering werkt al jaren 16 uur per
week tegen 50% van de loonwaarde in het vrije bedrijf. Meer zit er niet
in. Daardoor is zijn inkomen €|15,- per maand meer dan de 100%
Wajong-uitkering. Daar staan overigens niet vergoede kosten tegenover.
Per saldo is zijn besteedbaar inkomen minder dan toen hij nog niet
werkte. Mag naar het oordeel van de regering zo iemand een
lang-laaguitkering?
Een alleenstaande moeder met kinderen heeft al
zes jaar bijstand en een inkomen op het minimum. Zij was eerst
gedeeltelijk arbeidsgeschikt en heeft tien uur per week gewerkt; dat was
twee jaar geleden. Dat gaat niet meer om gezondheidsreden. Mag zo’n
mevrouw een lang-laaguitkering? Iemand met acht jaar een 80-100%
WAO-uitkering op het sociaal minimum en volledige arbeidsongeschikt
heeft twee jaar geleden met hulp van het UWV geprobeerd om in deeltijd te
werken. Daar hield hij overigens geen extra geld aan over. Dat bleek
fysiek niet haalbaar. Hij kan niet meer werken. Mag hij een
lang-laaguitkering?
De
leden van de fractie van
GroenLinks hebben een aantal vragen over de
langdurigheidstoeslag. Uit de wetstekst en de
toelichting blijkt dat de
toekenning van een dergelijke toeslag tot de beleidsvrijheid van de gemeente
behoort. Waarom is er niet voor gekozen om deze toeslag als
recht voor de langdurige minima in de
wet op te nemen? Waarom is het
gegeven van "vijf jaar ononderbroken op het sociaal minimum" niet
wettelijk verankerd als voldoende voorwaarde om aanspraak te kunnen
maken op de toeslag? De leden van de fractie van GroenLinks vrezen
immers dat door de beleidsvrijheid van gemeenten, in combinatie met de
financiële verantwoordelijkheid voor de bijstandverlening, gemeenten
eerder meer dan minder drempels zullen opwerpen voordat de toeslag
daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Deze leden vragen waarom de regering
ervoor heeft gekozen om de langdurigheidstoeslag enkel op aanvraag te
verschaffen.
De
leden van de D66-fractie constateren dat de langdurigheidstoeslag alleen
kan worden toegekend als de betrokkene gedurende de afgelopen vijf jaar
een inkomen heeft gehad op minimumniveau en over dezelfde periode geen
inkomen heeft genoten uit of in verband met arbeid. Wel moet de
betrokkene voldoende geprobeerd hebben "algemeen geaccepteerde"
rblz.|33|
arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Staan deze twee voorwaarden niet
op gespannen voet met elkaar in de zin dat het gevaar van
schijnsollicitaties toeneemt, vragen de leden van de D66-fractie.
Immers, nul inkomsten uit arbeid gedurende vijf jaar bieden het
vooruitzicht op een langdurigheidstoeslag? Vindt de regering deze eis
derhalve bij nader inzien niet te strikt?
De beoogde opzet van de
langdurigheidstoeslag vinden de leden van de fractie van
de ChristenUnie te mager. Zij pleiten ervoor de referteperiode te beperken tot drie
jaar. De argumenten voor die termijn zijn eind 2002 ruimschoots
gewisseld bij de behandeling van het initiatiefvoorstel van collega
Noorman-Den Uyl (wetsvoorstel Lang laag, Kamerstukken 28 508). Verder zijn zij er nog
niet van overtuigd dat het wenselijk is personen die zelf een inkomen op
het minimumniveau verwerven uit te sluiten. Als deze categorie
rechthebbend zou zijn, zou in elk geval het argument van de armoedeval
in dit opzicht geen opgeld doen. In het commentaar van Schulinck BV op
het wetsvoorstel (brief aan de Kamer, 20 mei 2003) wordt in dit verband
zelfs gesteld dat het uitsluiten van deze categorie discriminerend
lijkt.
In het verlengde hiervan vragen zij om een
reactie op de suggestie om onderdeel c van het eerste lid
[36] te schrappen,
omdat het overbodig is. Elders in de wet (artikel
9 [9], artikel 18
[18]) is
namelijk afdoende de sollicitatieplicht vastgelegd. Het onderdeel voegt
dus niets toe, tenzij het de bedoeling is dat nalatigheid op dit punt
negatieve gevolgen heeft voor zowel de algemene bijstand als de
langdurigheidstoeslag.
De
leden van de SGP-fractie vinden de langdurigheidstoeslag een uiterst
magere uitkomst van de toezegging van de regering om degenen die
langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen tegemoet te komen. De
termijn van 60 maanden vinden de leden van de SGP-fractie veel te lang.
Deze leden vragen naar de reden waarom gekozen is voor vijf in plaats
van drie jaar?
4.4. Bijzondere bijstand en
afschaffen categoraal beleid [MvT;
NnavhV]
Voor de leden van de CDA-fractie
is categorale
bijzondere bijstand een vreemd fenomeen. Bijzondere bijstand gaat uit
van de bijzondere situatie van een individuele bijstandsgerechtigde.
Door bijzondere bijstand categoraal toe te passen, wordt ervan uitgegaan
dat die bijzondere situatie voor een hele categorie
uitkeringsgerechtigden in dezelfde mate geldt. Het resultaat kan zijn
dat een bepaalde groep mensen te gemakkelijk bijzondere bijstand krijgt
en dat daardoor weer onnodig een armoedeval ontstaat. De leden van de
CDA-fractie vinden wel dat diegenen die extra ondersteuning nodig hebben
die ook moeten krijgen. Deze leden vragen de regering de gevolgen van de
veranderingen van de Algemene
bijstandswet naar de Wwb voor de laagste
inkomens te laten zien en tevens aan te geven wat de effecten zijn van
andere beleidsvoornemens in 2004 en 2005. Anders gesteld: hoe veranderen
de inkomens van de mensen met de laagste inkomens in totaliteit tengevolge van de veranderingen in de sociale zekerheid? Hoe wordt er
gecompenseerd? Hoe verhouden deze veranderingen zich ten opzichte van
andere inkomensgroepen?
De leden van de CDA-fractie vinden dat er een
verschil is tussen individuele toetsing op basis van algemene
beleidslijnen en categoriale bijzondere bijstand. Kan de regering
garanderen dat de individuele bijzondere bijstand onder invloed van
jurisprudentie niet zal overgaan in categorale bijzondere bijstand?
Ook bij het toepassen van beleidsregels zal er
namelijk sprake zijn van een individuele toets op de aanwezigheid en
noodzaak van de kosten, schrijft de regering. Kan de regering dit
bedoelde verschil tussen categorale bijzondere bijstand en individueel
bepaalde bijzondere bijstand aan de hand van enkele voorbeelden
expliciteren? Hoe beoordeelt de regering de veronderstelling rblz.|34|
dat door
het niet meer mogelijk zijn van categorale bijstand de uitvoeringskosten
voor
gemeenten toenemen?
De
leden van de CDA-fractie vragen wat de bezuiniging in 2004 van
€|150
miljoen op het budget voor de bijzondere bijstand betekent voor het
armoedebeleid van de
gemeenten. Kunnen gemeenten deze bezuiniging
opvangen naar het oordeel van de regering, doordat ze besparingen kunnen
realiseren op andere onderdelen van de uitgaven tengevolge van de Wwb?
Zo ja, hoe? Hoe beoordeelt de regering de uitspraak van sommige
gemeenten dat door de bezuiniging van €|150 miljoen op de bijzondere
bijstand het gemeentelijk armoedebeleid zwaar onder druk komt te staan?
De leden van de CDA-fractie merken op dat
gehandicapten en chronisch zieken binnen de Algemene
bijstandswet aanspraak konden maken op vergoeding van kosten die direct en specifiek
te maken hadden met hun handicap of ziekte. Te denken valt bijvoorbeeld
aan specifieke kosten met betrekking tot kleding en wonen. Wat verandert
er voor deze groep mensen tengevolge van de overgang van Algemene
bijstandswet naar Wwb?
De leden van de CDA-fractie wensen een
gemotiveerde uitleg waaruit, naar het oordeel van de regering,
schuldhulpverlening betaald moet worden: uit de bijzondere bijstand of
uit het werk- of inkomensdeel.
De
leden van de PvdA-fractie willen weten wat de besteding van het budget
bijzondere bijstand was in 2001 en 2002. Hoeveel individuele bijzondere
bijstand werd aan welke kosten soorten besteed? Hoeveel geld werd
uitgegeven aan categoriale bijstand, hoeveel aan woonlasten,
ziektekosten, hoeveel aan ouderen? Hoeveel aan
niet-bijstandsgerechtigden werd besteed, hoeveel aan kosten van
kinderen, hoeveel aan schuldhulpverlening?
In het budget bijzondere bijstand zijn volgens
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (zie het meest
recente AO [algemeen overleg, red.] schuldhulpverlening) de kosten van de schuldhulpverlening
opgenomen.
Zij vragen of een overzicht kan worden gegeven
van wat er in de afgelopen tien jaar aan middelen aan het gemeentefonds is
toegevoegd op titel van (categoriale) bijzondere bijstand? Kan een
overzicht worden verstrekt van de afgelopen tien jaar, waarin de uitgaven
bijzondere bijstand per bijstandsgerechtigde worden gepresenteerd? Kan
aangegeven worden wat gemiddeld per cliënt de uitvoeringskosten zijn
voor de bijzondere bijstand en de categoriale bijzondere bijstand?
In de Invoeringswet wordt een overgangstermijn
vastgelegd voor de afbouw van de collectieve ziektekostenverzekering.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering naar de argumenten om de
gemeenten niet meer toe te staan om een collectieve verzekering af te
sluiten. Immers, het is een veel duurdere gang van zaken als mensen voor
iedere medische voorziening of verstrekking waarvoor eigen bijdragen
verschuldigd zijn waarin het inkomen niet voorziet, naar de bijzondere
bijstand moeten. Deze leden herinneren de regering eraan dat met
genoegen werd ingestemd met het initiatief van de gemeenten voor een
collectieve verzekering voor brand bij woonwagens.
Deze leden vragen naar de voorwaarden en
argumenten waaronder en waarom de gemeenten zelf hun risico’s
effectief en efficiënt kunnen verzekeren. Wanneer en op welke gronden
wil het Rijk de gemeenten dwingen tot kostbare uitvoeringprocedures,
zoals de individuele verstrekking. Zou het in dat geval niet logisch
zijn dat de rijksoverheid de uitvoeringskosten van individuele bijstand
zelf betaalt, zo vragen deze leden.
De categoriale bijstand voor chronisch zieken
en de kosten van kinderen is bestemd voor mensen met een minimuminkomen,
ongeacht de herkomst van het inkomen. Dat kan ook inkomen uit arbeid
zijn. Juist daarom speelt de armoedeval bij het verwerven van arbeid
geen rol bij deze verstrekking. rblz.|35|
Zij vragen de regering om een
onderbouwing van hun stelling als zou er bij deze vorm van categoriale
bijstand sprake zijn van de armoedeval.
De leden van de PvdA-fractie vragen of en hoe de gemeenten
gecompenseerd worden voor de toename van de uitvoeringskosten voor de
bijzondere bijstand? Wat is de raming van de VNG
en Divosa over de
meerkosten voor het verstrekken van individuele bijzondere bijstand?
Het afschaffen van categoriale bijstand gaat
gepaard met een zeer forse toename van aanvragen van bijzondere
bijstand, onder meer voor schoolgeld, schoolreisjes, sportactiviteiten,
reiskosten, fiets, boekengeld en overige aanvragen. De cliënten zullen
bij de aanvraag aannemelijk moeten maken dat de voorliggende voorziening
niet passend is en dat er geen afloscapaciteit is voor leenbijstand. En
dat voor iedere aanvraag opnieuw (artikel 15
[15]). Mogen gemeenten
individuele cliënten een forfaitair bedrag geven voor een omschreven
doel als bijzondere bijstand, zonder het overleggen vooraf of achteraf
van bonnetjes, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Voor chronisch zieken is inmiddels vastgesteld
dat er sprake is van hoge indirecte kosten waarvoor geen compensatie
beschikbaar is. Het is geen regering tot op heden gelukt om via de
belasting een vorm te vinden waardoor gehandicapten en chronisch zieken
met een laag inkomen gecompenseerd kunnen worden. De categoriale
bijstand biedt die mogelijkheid. Het argument van de regering dat er
verschillend beleid tussen gemeenten ter zake zou kunnen worden gevoerd,
komt wat vreemd over nu het wetsvoorstel juist is gemaakt om dat
verschillend beleid mogelijk te maken ter wille van effectiviteit.
Overigens is in het wetsvoorstel Lang laag juist voorgesteld, voor de
kosten van chronisch zieken en kinderen een vast bedrag - dat
landelijk geldt - af te spreken tussen Rijk, gemeenten en Sociale Alliantie. Van ongelijke behandeling is dan in dit geval geen sprake.
Het zou de regering sieren als zij dat voorstel overnemen, zo menen de
leden van de PvdA-fractie.
Veel gemeenten hebben een woonlastenfonds
waarbinnen de kosten van wonen gecompenseerd worden voor mensen waarbij
het instrument huursubsidie tekortschiet. Dit omdat er (vanwege
gezondheid) hoge energielasten zijn of er sprake is van een eigen - goedkoop
- huis met maximale hypotheek en de woonlasten niet uit het minimuminkomen te dragen zijn. Blijft in het kader van deze wet, naar
het oordeel van de regering, de mogelijkheid van een woonlastenfonds in
stand, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Nagenoeg alle Nederlandse gemeenten voeren een
minimabeleid. Veel gemeenten vinden dat door gemeenten gesubsidieerde
voorzieningen voor iedere burger toegankelijk moeten zijn. Dat vertaalt
zich in deels inkomensafhankelijke tarieven. De leden van de
PvdA-fractie vragen of in het voorliggende wetsvoorstel iets aan deze
bevoegdheden van de gemeenten wijzigt. Deze leden gaan er overigens van
uit dat deze principes, die onderdeel vormen van het grondwettelijk
recht van de gemeenten tot het voeren van hun eigen financiële
huishouding, in stand blijven.
Als gevolg van het schrappen van het
gebruikersdeel van de OZB zal de kwijtschelding van deze OZB vrijvallen
binnen het gemeentelijk budget voor het minimabeleid. Hoe groot is dat
landelijk gezien, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Ook vragen deze leden hoe de regering het
Nationale actieplan armoedebestrijding verder wil uitvoeren en
doelstellingen wil halen nu de gemeenten geen middelen meer hebben om
armoedebestrijding, schuldhulpverlening, maar ook om budgettering te
financieren.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de
gemeenten de nieuwe risico’s voor de bijstand, de afbraak van de
bijzondere bijstand en de indirecte afbraak van het gemeentelijke
armoedebestrijdingbeleid moeten financieren. rblz.|36|
Die omzetting van beleid
kan toch niet van de ene op de andere dag? De gemeenten zijn
verplichtingen aangegaan. Hoe betrouwbaar is de rijksoverheid in de ogen
van mensen als de bijzondere bijstand in een keer met 45% bijna wordt
gehalveerd, zo vragen deze leden.
De
afschaffing van de mogelijkheid tot verlening van categoriale bijzondere
bijstand bevreemdt de leden van de fractie van
GroenLinks om drie
redenen. Ten eerste gaat dit in tegen de decentralisatie, die met
voorliggend wetsvoorstel wordt beoogd. Waarom mogen
gemeenten niet zelf
afwegen of zij aan individuen dan wel aan groepen van individuen
bijzondere bijstand verstrekken? Ten tweede verwachten de leden van de
fractie van GroenLinks dat indien gemeenten geen categoriale bijstand
mogen verstrekken op basis van een lokale verordening of regeling, dit
tot extra bureaucratische lasten voor de gemeenten gaat leiden. Een
reeks individuele beschikkingen lijkt immers tot meer ambtelijke
belasting te leiden dan wanneer beschikt kan worden op basis van een
regeling. Ten derde begrijpen de leden het argument van de
rechtsongelijkheid niet. Zij erkennen dat het huidige systeem van
categoriale verstrekking kan leiden tot rechtsongelijkheid tussen
gemeenten, maar zien met de voorgestelde regeling rechtsongelijkheid
binnen een gemeente ontstaan. Om genoemde drie redenen, waarmee wordt
aangesloten bij kritiek van onder meer Divosa, vragen de leden van de
fractie van GroenLinks een beter beargumenteerde onderbouwing van dit
wetsartikel.
De
leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel
iedere vorm van categoriale bijzonder bijstand verbiedt; slechts in
individuele gevallen wordt het geven van extra inkomensondersteuning
(toeslag) toegestaan. Verschillende organisaties en ook de Raad van
State wijzen erop dat
gemeenten met een groot cliëntenbestand, na enige
tijd individueel getoetst te hebben, cliënten zullen gaan coderen en
vervolgens groepsgewijs gaan behandelen. Hierdoor ontstaan eigenlijk
vanzelf weer de categorieën waar de regering nu juist vanaf wil. De
Raad van State stelt dat het te verwachten is dat gemeentebesturen
beleidsregels gaan vaststellen die inhoudelijk zullen overeenkomen met
de vroegere regels voor de verlening van categoriale bijzondere bijstand en vraagt de regering het verbod op categoriale bijstand te
heroverwegen. De regering ziet hier geen aanleiding toe. De leden van de
D66-fractie vragen de regering verder de stelling te onderbouwen dat het
maken van beleidsregels door gemeenten niet zal leiden tot het de facto
ontstaan van nieuwe categorieën voor bijzondere bijstand.
De
leden van de fractie van
de ChristenUnie hebben grote moeite met de
voorgenomen afschaffing van de categoriale bijzondere bijstand. Zij zijn
beducht voor een toename van de loketafhankelijkheid van veel
rechthebbenden. Daarnaast wordt van verschillende zijden gewezen op de
mogelijkheid dat de lokale overheid via een omweg toch weer categoriale
bijstand zal introduceren, al mag dat dan niet zo heten. Bovendien gaat
het argument dat individuele bijzondere bijstand ook voldoende soelaas
biedt, omdat er een langdurigheidstoeslag wordt geïntroduceerd, naar
hun oordeel evenzeer op indien wordt gekozen voor handhaving van de
categoriale bijzondere bijstand.
Kan de regering bij benadering aangeven welke
extra uitvoeringskosten voor
gemeenten zijn verbonden aan het afschaffen
van de bijzondere bijstand?
De leden van de fractie van de ChristenUnie
informeren in dit kader voorts naar de mogelijkheden van integrale
schuldhulpverlening onder het regime van de nieuwe
wet. Daarvoor is geen
afzonderlijke bepaling, hoewel de nood zeer hoog is met meer dan 200 000
huishoudens met problematische schulden. Valt niet te voorzien dat
gemeenten genoodzaakt zijn hieraan nog minder aandacht te besteden dan
nu het geval is, rblz.|37|
onder andere tengevolge van de voorgestelde
bezuiniging op het terrein van de bijzondere bijstand?
4.5. Budgetbeheer en
bijstand in natura [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
constateren dat het instrumentarium voor budgetbeheer en bijstand
in natura wordt uitgebreid. Betekent dit dat bij een schuldsanering de
niet met een cliënt gemaakte afspraken over budgetbeheer na enige
tijd eenzijdig door cliënt kunnen worden opgezegd?
De leden van de
PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat budgetteren voor sommige klanten
wenselijk is. Nu zijn er nog
gemeenten die deze kostbare en bewerkelijke
voorziening weigeren. Kunnen cliënten recht doen gelden op
budgettering indien zij daarom verzoeken. Wanneer en op welke gronden kan de
gemeente weigeren.
Hoe verhoudt artikel 46
[46],
vierde en vijfde lid, zich tot de keuze van de gemeente om tot budgettering over te
gaan? Is zo’n beslissing herroepbaar op grond van artikel
46 [46], vijfde lid?
Wat zijn de extra kosten
van budgettering ten opzichte van een reguliere uitkering? Welke personeelskosten hangen samen met deze extra noodzakelijke
dienstverlening? Hoeveel
gemeenten voeren zelf de budgettering uit? Hoeveel gemeenten
besteden dat uit aan bijvoorbeeld de stadsbank? Wat zijn de daarmee
samenhangende kosten per cliënt?
Als het gaat om bijstand
in natura, wie bepaalt of iemand aantoonbaar niet in staat is om zelf te
voorzien in de essentiële algemene levensbehoeften? Kan iemand tegen zo’n
beslissing in beroep? Wie controleert het realiteitsgehalte van de kosten van de
bijstand in natura en wat gebeurt er met het resterende budget? Mag de
gemeente als iemand zich aan de regels houdt toch een deel van
het inkomen achterhouden of voor niet-noodzakelijke uitgaven reserveren? In
welke mate mag de gemeente inkomen reserveren dat bestemd is
voor niet-directe levensbehoeften? Blijft artikel 46
[46] van kracht? Hoe
verhoudt artikel 46 [46], vierde en vijfde
lid, zich tot de bepaling over bijstand in natura? De
leden van de PvdA-fractie vragen daarop een nadere toelichting.
Deelt de regering de
mening van de leden van de PvdA-fractie dat als regel het verstrekken van
bijstand in natura een taak is van mensen uit het zorgcircuit en niet van
de ambtenaar van de sociale dienst?
Er wordt door de regering
geen inzicht gegeven in de omvang en samenstelling van de problematiek van
dak- en thuislozen, verslaafden of mensen die niet met geld
kunnen omgaan en daarin begeleiding nodig hebben. Ook wordt niet
aangegeven hoe groot de omvang is van de doelgroep. Wat is de huidige omvang
van de groep dak- en thuislozen in de bijstand? Welk percentage
van de dak- en thuislozen in de bijstand zal naar verwachting een
bijstandsuitkering in natura verkrijgen?
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de gemeenten verplicht zijn om budgettering te leveren
aan een cliënt die daarom vraagt en aantoonbaar kan laten zien dat hulp
in het budgetteren nodig is? Waaruit betalen de gemeenten de meerkosten
die met budgetteren samenhangen? Worden de uitvoeringkosten in het gemeentefonds daarmee opgehoogd?
De leden van de
fractie van
GroenLinks zetten vraagtekens bij de voorgestelde introductie van de
mogelijkheid voor
gemeenten om bijstand in natura te verstrekken.
Naast het principiële argument, namelijk de overtuiging dat de bijstand als
vangnet niet verder ondergraven dient te worden en deze basisvoorziening
dus voor een ieder beschikbaar moet zijn, vinden de leden verstrekking van
bijstand in natura weinig effectief. De afhankelijkheid van individuen wordt
hiermee vergroot, terwijl de doelstelling van de
wet juist is om mensen
aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheden en daarmee te activeren.
Zij vragen de regering daarom hoe zij het rblz.|38|
mogelijk achten dat, door
een dergelijke paternalistische maatregel, voor mensen de stap van
uitkeringsafhankelijkheid naar economische en maatschappelijke zelfstandigheid
eenvoudiger kan worden. Daarnaast vragen zij de regering te
reageren op argumenten van bijvoorbeeld de directeur van Bouwman
Verslavingszorg, namelijk dat verslaafden zich volledig zullen afkeren van de
lokale overheid, onzichtbaar worden voor het lokaal gezag en, mogelijk, hun
heil zullen zoeken in de criminaliteit.
Ook vragen de leden van
de fractie van GroenLinks of, als het om de hulp aan verslaafden gaat, het
regeringsbrede beleid volstaat. Met andere woorden: hoe wordt de
verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport geoperationaliseerd als het gaat om de maatschappelijke opvang
en de hulp aan verslaafden die willen afkicken?
4.6. Armoedeval
[MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
merken op dat de regering meent dat het wetsvoorstel een bijdrage
levert aan het tegengaan van de armoedeval door de afschaffing van
de categoriale bijzondere bijstand en door de wijze waarop de
langdurigheidtoeslag is vormgegeven. Is het juist dat de mensen die categoriale
bijstand krijgen in het wetsvoorstel, nog steeds individuele bijzondere
bijstand kunnen aanvragen in bijzondere omstandigheden?
Kan een gekwantificeerd
overzicht gegeven worden van de voorgestelde maatregelen en de
uitwerking op de armoedeval waarbij onderscheid wordt gemaakt naar
alleenstaande moeders met kinderen onder de 5 jaar, chronisch zieken en
gehandicapten en arbeidsongeschikten? Hoe groot is het aantal huishoudens
dat naar de opvatting van de regering in aanmerking komt voor de
lang-laaguitkering? Hoeveel mensen met een WAO-,
Wajong-, Anw-uitkering en
hoeveel met een bijstandsuitkering?
De leden van de
fractie van
GroenLinks constateren dat de regering de armoedeval wil oplossen
door de armoede te vergroten. De leden stemmen in met het
beginsel dat "werk moet lonen", maar zien betere oplossingen om de stap
van uitkering naar werk, ook in financieel opzicht, aantrekkelijker te maken.
Zo vragen zij de regering te beoordelen of invoering van een negatieve
inkomstenbelasting (earned income tax credit) en de fiscalisering van
inkomensafhankelijke regelingen, als de kinderbijslag en de
huursubsidie, niet
een groter effect hebben als prikkel om betaald werk te accepteren.
5.
Financiering [MvT;
NnavhV]
5.1.
Financieringssystematiek [MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
onderscheiden drie verdeelsystematieken in het voorstel van de
regering, te weten de vaststelling en werking van het macrobudget, het
verdeelmodel en de prikkelwerking van het eigen risico voor de
gemeenten.
Onderschrijft de regering deze driedeling? Deze leden hebben daarover kritische
vragen. De regering gaat uit van de premisse dat er een onderscheid te
maken is tussen conjuncturele en beleidsmatige toename van het
bijstandsvolume en de reïntegratieactiviteiten van de gemeente. De leden van de
PvdA-fractie vragen daarom om openbaarmaking van het SEOR-rapport dat
bij de oordeelsvorming behulpzaam kan zijn.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie dringen erop aan bij de invoering van een nieuwe financieringssystematiek te waken voor voorspelbare
problemen. Zij hebben
kennis genomen van de drie kritische commentaren van de Raad
voor de financiële verhoudingen.
rblz.|39|
5.1.1. Macrobudget [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of de wijze van vaststelling van het macrobudget door het
Rijk
zodanig is getoetst dat met een grote mate van zekerheid gesteld kan
worden dat het macrobudget de werkelijkheid van het benodigde budget voor
het inkomensdeel sterk benadert? Blijkt dit uit berekeningen die
uitgevoerd zijn voor de jaren 1998 tot en met 2002?
De leden van de
PvdA-fractie vragen hoe hard de raming van het Centraal
Planbureau (hierna: CPB)
is. Dit gezien de forse kritiek van Nederlandse vooraanstaande economen
(Volkskrant en NRC op 27 juni 2003) op de kwaliteit en de hardheid
van de CPB-cijfers.
De voorjaarsnota laat
zien dat er een substantiële bijstelling van de Algemene
bijstandswet plaatsvindt?
Vindt die bijstelling per 1 september aanstaande opnieuw
plaats? Welke risico’s lopen de
gemeenten als het CPB een onjuiste raming
heeft gemaakt? Vindt er achteraf geen enkele correctie plaats?
Waarom is het tijdstip
van de vaststelling van de raming gekozen in september? Is dat
betrouwbaarder? Kan de regering precies aangeven wat de bijstelling naar
beneden in de voorjaarsnota 2003 heeft veroorzaakt? Heeft het CPB gegevens
over de wijze en het moment waarop de bijstandscijfers de WW-stijging hebben gevolgd? Wanneer vindt in de
gemeente de toestroom van
schoolverlaters plaats? Wat kunnen de gemeenten verwachten van
een beroep op de Algemene bijstandswet indien de jeugdwerkloosheid
inmiddels 10% is? Wat is de CPB-raming voor de ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid en het bijstandsbestand?
Waarom is niet gekozen
voor een systeem waarbinnen ramingen op een vast moment geijkt worden
met daarbij de mogelijkheden tot nacalculatie? Nu is het zo dat raming
op raming geplaatst wordt.
Door het gekozen systeem
ter vaststelling van het macrobudget zullen de gemeenten zelf een deel
van het conjunctuurrisico en rijksbeleidsmaatregelen moeten dragen. De
regering heeft aangegeven dat voor deze beide kostenfactoren
volledige compensatie zou plaatsvinden. De leden van de PvdA-fractie zien
hier gaarne een toelichting van de regering.
Wat opvalt in de
financieringssystematiek is dat de regering steeds uitgaat van een door de
gemeente te realiseren batig saldo bij goed functioneren. Het ontgaat de leden van
de PvdA-fractie welke kans de gemeenten hebben op het
realiseren van een batig saldo (bij een goed werkend verdeelmodel dat
nu nog ontbreekt) in tijden van recessie en overheidsbeleid dat een
sterke toestroom naar de bijstand als resultante heeft. Kan de regering
aangeven wat de werkelijke mogelijkheden zijn om tot een batig saldo te
komen voor de gemeenten de komende vier jaar, met inachtneming van het
eigen risico van de laatste vier maanden van een lopend begrotingsjaar?
De leden van de
PvdA-fractie willen een scherper beeld krijgen van de stijging van de lasten
die voortkomen uit de groei van het bijstandsvolume de komende jaren. Daarom
vragen deze leden om een nadere raming van het
volume-effect van het voorgenomen rijksbeleid en de effecten van de
conjunctuur.
Kunnen de gemeenten
verwachten dat de komende acht jaar als gevolg van de rijksmaatregelen het
volume van bijstand zal stijgen? Het gaat dan om voorgenomen WAO-maatregelen,
WW-maatregelen, WW-vervolguitkering, WW-referte, bezuinigingen
op reïntegratiegelden, beperken werkgeverspremie bij herintreding langdurig werklozen, etc. Wat is het
gevolg van de huidige
laagconjunctuur op het bijstandsvolume de komende vier jaar? Hoe
evenwichtig over het land gespreid zal de volumestijging plaatsvinden? De leden
van de PvdA-fractie vragen aan de regering een prognose met
doorrekening van het CPB voor wat betreft het volume in de komende acht jaar, de
bijstandsinstroom, de beperking van de uitstroommogelijkheden op
grond van bovengenoemd beleid en conjunctuur. rblz.|40|
Zij vragen dat ook
voor de toename van de Ioaw en de Ioaz. Zij ontvangen deze prognose
uiterlijk vóór 15 augustus aanstaande.
Hoe betrouwbaar zijn de CBS-ramingen en hoe betrouwbaar zijn de ramingen van het CPB als
het gaat om te verwachten stijging van het volume van de bijstand op
grond van conjunctuur en rijksbeleid (bekorting WW, WAO, etc)? Kan de
regering een overzicht geven van de ramingen van het bijstandsvolume voor de jaren van 1999, 2000, 2001, 2002 en het eerste
kwartaal van 2003? Kan de regering een geactualiseerde prognose geven per 1
april 2003 via het CPB over de instroom van de bijstand op grond van
de toename van de WW en de beperking van de toegang tot de WAO?
Vooral de eerste is relevant, omdat de bijstandscijfers bij laagconjunctuur
vanwege de tussenliggende WW-uitkering naijlen. De sterke toename van de WW met 14 000 per maand in mei 2003
zullen leiden tot een
bepaald percentage toename in de bijstand. Wat is daarvan de verwachting?
Welke gegevens moeten
door de gemeenten worden verstrekt om een goede prognose van het
CBS mogelijk te maken, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Welke
detaillering is daarvoor noodzakelijk? Is er sprake van een beperkte set van
gegevens ten opzichte van de huidige uitvraag? Zo ja, waar zitten de
verschillen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
De regering wil in
september van een lopend begrotingsjaar het macrobudget voor het volgend
begrotingsjaar vaststellen. Dat bestaat voor een substantieel deel uit een
prognose van het CPB. Er vindt geen nacalculatie plaats. Dat betekent, zo
menen de leden van de PvdA-fractie, dat de gemeenten feitelijke
conjuncturele groei van het bestand en de feitelijke groei op grond van
rijksbeleid zelf moeten dragen. Dat staat haaks op de bewering van de regering
dat de gemeenten geen risico dragen voor rijksbeleid en
conjunctuur. Hebben deze leden dat goed begrepen? Of is deze interpretatie niet
juist, zo vragen deze leden.
Waarom vindt geen
gedeeltelijke nacalculatie plaats? Immers, de instroom in de bijstand vanuit de
WW, de instroom van schoolverlaters en een toename van
echtscheidingen boven de raming is toch precies vast te stellen en kan de
gemeenten niet verweten worden. Wat is het antwoord van de regering op deze
vraag?
Is berekend wat het
maximale risico zou zijn bij het afromen of opplussen van het macrobudget voor
gemeenten op basis van nacalculatie? Immers, de gemeenten dragen zowel
risico tijdens een lopend begrotingsjaar voor ramingen die niet juist
blijken te zijn als voor de afwijkingen van de laatste vier maanden van het jaar
die doorwerken in een volgend begrotingsjaar? Kan de regering een
aantal scenario’s maken waarin zichtbaar wordt wat de risico’s voor een
aantal individuele gemeenten (van verschillende grootte) zijn indien de
CPB-ramingen afwijken van de werkelijkheid in een lopend begrotingsjaar?
Hoe kwetsbaar is een
systeem dat jaar na jaar raming op raming zet, terwijl nacalculatie niet
plaatsvindt, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Deze leden vragen
overigens de cijfers over de bijstandspopulatie uit bijlage I van de memorie
van toelichting te actualiseren voor 2002 over alle zes tabellen. Deze
leden vragen voorts de in- en uitstroom van de bijstand van de maanden
januari, februari, maart, april en mei 2003 nu blijkt dat het CBS wel
met 100% accuratesse over deze cijfers beschikt.
De leden van de
PvdA-fractie stemmen in met een ander regime van berekening van het macrobudget
voor
65-plussers. Nu de regering erkent dat het volume 65-plussers
niet door de gemeente beïnvloedt kan worden, vragen deze leden wel
waarom er dan geen nacalculatie plaatsvindt. Immers, de hoogte van de
uitkering(ssuppletie) kan zeer veel verschillen,
terwijl in de
verdeelsleutel voor het macrobudget geen verschil gemaakt wordt. Kan de regering
een voorbeeld over drie achtereenvolgende jaren geven waaruit blijkt dat
het verschil tussen de raming en nacalculatie marginaal is? Hoe groot
zijn de verschillen minimaal en maximaal?
rblz.|41|
Wat is de langetermijnprognose over de toename van het aantal mensen dat op deze regeling een
beroep doet? In hoeverre beperkt zich deze toename tot grote
gemeenten of gemeenten met een meer dan gemiddeld aantal oudere allochtonen
in de populatie?
De afgelopen periode
hebben ouderenorganisaties gepleit voor een eenvoudiger uitvoering
van de Algemene bijstandswet voor 65-plussers. Immers, er is geen
arbeidsmarktverplichting. De maandelijkse invulling van loonstrookjes als
voorwaarde voor de uitkering ligt dan niet voor de hand.
Er is geopperd dat de
Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) deze toeslag tot AOW-niveau zou kunnen
uitvoeren. Heeft de regering deze optie overwogen? Heeft er overleg met de
VNG over plaatsgevonden? Is het de gemeenten na het
wegvallen van de Rau 1996 toegestaan zelf een veel eenvoudiger procedure te kiezen voor de doelgroep 65-plussers?
De leden van de
VVD-fractie constateren dat in de huidige financieringssystematiek van het 25%-budget
een
toegekend budget niet neerwaarts kan worden aangepast. Bij
een tegenvallende ontwikkeling van het bijstandsvolume wordt het
budget, op basis van nacalculatie, naar boven bijgesteld. In de nieuwe systematiek wordt het definitieve budget in
september van het
uitvoeringsjaar op basis van een raming vastgesteld en kan het eerder
toegekende budget neerwaarts worden bijgesteld. Waarom wordt in het voorliggend wetsvoorstel van de huidige systematiek
afgestapt? En wat verzet
zich ertegen om het definitieve budget binnen de gekozen
systematiek met nacalculatie op t+1 vast te stellen?
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de raming van de budgetten, voor zowel het inkomensdeel als voor
de reïntegratie. De
leden vragen hoe tot het inzicht is gekomen dat het macrobudget voor het
inkomensdeel de komende jaren kan dalen. Ook vragen zij in hoeverre
hier rekening is gehouden met de voornemens in het Hoofdlijnenakkoord
met betrekking tot de WW en de WAO. Wat is, naar de mening van de
regering, de extra toestroom in de bijstand als gevolg van de strengere
normen voor toekenning van een WW- of WAO-uitkering?
Ook vragen deze leden of
gemeenten schuldhulpverlening dienen te financieren uit het
bijstandsbudget. Schuldhulpverlening, nu voor de helft gericht op
bijstandsgerechtigden, kan immers een noodzakelijke voorwaarde zijn om tot activering
van mensen te komen.
Naar de mening van de
leden van de fractie van GroenLinks wordt uit de toelichting onvoldoende
duidelijk hoe het macrobudget voor de bijstandsuitgaven wordt
vastgesteld. Zij vragen hierover een nadere toelichting.
Het is deze leden helder
dat de economische vooruitzichten voor een bepaald begrotingsjaar
van invloed zijn op het bijstandsvolume, maar zien daarnaast graag een
financiële onderbouwing van het budget per verwachte
bijstandsgerechtigde. Met andere woorden, wat is het bedrag dat een individuele
gemeente tegemoet kan zien voor één bijstandsgerechtigde? Hoe is dit bedrag
opgebouwd als het gaat om (1) de basisuitkering, (2) de bijzondere
bijstand, (3) de eventuele langdurigheidstoeslag en (4) de middelen voor
reïntegratie? De leden vragen de regering om, uiterlijk medio
augustus, de in de toelichting genoemde AMvB in concept aan de Kamer voor
te leggen.
Het bevreemdt de leden
van de fractie van GroenLinks dat, los van de economische
omstandigheden en dus van de feitelijke ontwikkeling van het bijstandsvolume,
gemeenten worden geacht rond te komen met het geprognosticeerde bedrag
voor het macrobudget. Zij vragen daarom een reactie op de stelling
dat de rekening voor macro-economische omstandigheden die slechter zijn dan
voorspeld bij gemeenten wordt neergelegd.
rblz.|42|
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering meent dat het halen van de
bezuinigingsdoelstellingen niet afhankelijk is van externe factoren, zoals de
Raad
van State ten dele veronderstelt. Wel beaamt de regering dat het aantal
uitkeringen niet volledig is te beïnvloeden door het reïntegratiebeleid van
de
gemeenten en dat daarom het macrobudget voor de uitkeringen
worden aangepast aan de wijzigingen in de conjunctuur en het rijksbeleid.
Betekent dit concreet dat wanneer de werkloosheid blijft stijgen als gevolg
van de dalende conjunctuur de macrobudgetten zullen worden verhoogd?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen om een nadere toelichting op het
voornemen het macrobudget in september van het lopende jaar vast te
stellen. Brengt dit
gemeenten bij neerwaartse bijstelling niet enorm in de
problemen? Wat verzet zich tegen achteraf vaststellen? Divosa
vraagt in dit
kader aandacht voor het probleem van de "interne verwurging";
gemeenten kunnen alleen besparingen realiseren ten koste van andere
gemeenten.
5.1.2. Verdeelsystematiek [MvT;
NnavhV]
De
leden van de
CDA-fractie vinden het terecht dat geleidelijk van een historisch model naar een
objectief verdeelmodel wordt toegewerkt. Bij deze leden bestaan echter
wel zorgen over het objectief verdeelmodel. De Raad van State heeft over
deze zaak ook een aantal belangwekkende adviezen gegeven. De
vraag dient zich aan of er wel één objectief verdeelmodel mogelijk zal blijken te
zijn. Heeft de regering de overtuiging dat er straks een dergelijk
model zal zijn voor alle
gemeenten? Zo ja, wanneer zal dat zijn in relatie tot
het streven om het voorliggend wetsvoorstel per 1 januari 2004 in te
laten gaan? In hoeverre komt de beoogde gefaseerde inwerkingtreding van het
objectief verdeelmodel hieraan tegemoet? Geldt deze gefaseerde invoering
ook voor kleine en middelgrote gemeenten? Zal voor kleine gemeenten, met een klein aantal uitkeringsgerechtigden,
hetzelfde objectief
verdeelmodel gehanteerd kunnen worden als voor de grotere gemeenten? Zo
niet, wordt er dan blijvend met verschillende modellen gewerkt?
De regering schrijft: "Een objectief verdeelmodel zorgt ervoor dat gemeenten die structureel
beter presenteren dan andere gemeenten hier ook structureel voor
worden beloond. Kan de regering uitleggen dat deze situatie ook vanaf het
begin zal gelden? In hoeverre belemmeren grote verschillen tussen gemeenten het ontstaan van deze situatie voor
gemeenten?
Het verbaast de leden van
de PvdA-fractie dat de regering zelf aangeeft dat het verdeelmodel
onvolkomen is. Er is aan dit econometrisch model acht jaar gewerkt. Een eerdere
zeperd ontstond toen de regering een al ingediend wetvoorstel moest
intrekken vanwege de onvolkomenheden van het verdeelmodel. Het verdeelmodel voor 2002, 2003 en 2004 en verdere
jaren voldoet niet. Er
zitten onverklaarbare verschillen tussen
gemeenten in. Nu is het
bijstandsbestand van sommige gemeenten wel te verklaren. Oude industriegebieden
waar handwerk vervangen is door bedrijvigheid in de dienstensector
hebben te maken met een populatie waar generatie op generatie werkloos
was. Het scholingniveau, de uitval in het onderwijs, kan van oudsher voor een
andersoortige populatie zorgen. Ook in het gemeentefonds zijn onderliggende kostenverdelingen gemaakt op basis
van historische
structuren die als kostendrager in een verdeelmodel fungeren. Het ontgaat de
leden van de PvdA-fractie ten enen male waarom dit verdeelmodel
niet wordt gerepareerd op basis van de historische arbeidsmarkt en
bijstandspopulatie. Is de regering bereid alsnog het verdeelmodel te herijken?
rblz.|43|
Het verbaast deze leden
dat niet het systeem van het objectief verdeelmodel van het gemeentefonds is
gebruikt, zoals dat eerder door deze fractie aan de regering
is gevraagd. De acceptatie van een verdeelmodel vindt plaats via de
mental map. Als die referentie ontbreekt, zal er geen draagvlak voor het
verdeelmodel zijn.
De leden van de
PvdA-fractie zijn ongelukkig met het feit dat het overgrote deel van de gemeenten
(400) door het hanteren van historische cijfers in de verdeelsystematiek de
facto geen positief saldo na één begrotingsjaar kan overhouden op grond
van eigen effectief beleid. Deze leden vragen de regering te bezien op
welke wijze voor een goed functionerende gemeente het wel mogelijk
is een overschot op het inkomensdeel mee te nemen over het jaar heen
naar het werkdeel.
De regering geeft aan
gebruik te maken van WW-cijfers uit de regio om de werkloosheid te bepalen.
Gaat het dan om werklozen per gemeente of per CWI. Die vraag is
relevant, omdat de randgemeenten als regel minder werklozen hebben dan de
centrumgemeenten. Hoe zit het met de verdeling van het aantal WAO-ers?
Worden die per gemeente geteld?
De regering heeft gekozen
voor een gefaseerde invoering van het verdeelmodel van het macrobudget. Waarom heeft de regering niet gekozen voor
een eenmalige omzetting
naar één forfaitair bedrag voor uitkeringskosten en laat dan vervolgens de
bandbreedte in een aantal jaren oplopen? Waarom is niet gekozen
voor het in de tijd aanscherpen van de hardheidscriteria? Zolang de regering nog
niet in staat is lokale, regionale of sectorgewijze werkloosheidsfluctuaties
in voldoende mate in het verdeelmodel te laten uitkomen, zal
het hardheidscriterium zacht moeten zijn. Immers, de rekening voor een
onvoldoende werkend verdeelmodel ligt bij de burgers van de gemeenten
waarvoor het model onvoldoende is. Deze burgers zullen, via
bezuinigingen op voorzieningen of de verhoging van de OZB voor eigenaren,
voor een sluitende begroting en rekening moeten zorgen.
Naar mate in de tijd het
verdeelmodel verbetert, zal het hardheidscriterium strakker kunnen worden
gesteld.
Het mag duidelijk zijn
dat naar de opvatting van de leden van de PvdA-fractie een jaarlijkse evaluatie
van het verdeelmodel noodzakelijk zal zijn alvorens tot een hogere
bandbreedte in de uitgavencompensatie gekozen kan worden.
Deze leden menen ook dat
het risico per uitkeringsgerechtigde, dat ligt tussen de €|12 000,- en
€|17
000,- per jaar (afhankelijk samenstelling huishouden), te fors is. Dit bedrag
staat in geen enkele verhouding tot de beïnvloedbaarheid van externe factoren, die
in hoge mate het bijstandsvolume per gemeente bepalen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de gemeenten risico dragen voor een netto uitkering of
een gebruteerde uitkering?
In een ambtelijke
voorbeeldberekening werd een risico van €|80,-
per inwoner gecalculeerd. Dat
komt neer op een bedrag van €|175,- per huishouden. Het huidige risico
bedraagt iets meer dan €|6,- per inwoner. De leden van de PvdA-fractie
vragen of deze berekening correct is.
De leden van de
VVD-fractie constateren dat de toekenning van het budget op basis van een
model gebeurt waarbij de grootte van de gemeente
ook van invloed
is. Het budget voor grote gemeenten wordt op basis van objectieve
criteria vastgesteld. Het budget voor kleine gemeenten wordt op basis
van historische gegevens bepaald. Dit zou kunnen betekenen dat
kleine gemeenten die in het verleden slecht presteerden nu een groter budget
krijgen toegekend dan andere kleine gemeenten (of zelfs
grotere gemeenten) die in het verleden goed hebben gepresteerd. Onderkent de
regering dit probleem? Wat doet de regering met het advies van de
Raad voor de financiële verhoudingen om een gewogen gemiddelde van de
bijstandslasten over een aantal jaren als basis te nemen voor de
verdeling van het budget voor kleine gemeenten?
rblz.|44|
En waarom is een
objectief model voor kleine gemeente op dit moment niet mogelijk?
De leden van de
VVD-fractie merken op dat de
ID-banen, Wiw-banen en Wsw-banen niet
gelijkelijk over het land zijn verdeeld. Mogelijk heeft het aantal beschikbare banen
wel invloed op het lokale bijstandsvolume. Op welke wijze wordt met het
aantal gesubsidieerde banen in de schatting van het objectief
verdeelmodel rekening gehouden?
Zij vragen of de regering
een overzicht kan geven van alle met name genoemde Nederlandse
gemeenten waarin de werkelijke bijstandsuitgaven staan en het toegekende
budget als ware het objectief verdeelmodel al helemaal ingevoerd?
De leden van de
fractie van
GroenLinks zijn benieuwd naar de effecten van het voorgestelde verdeelmodel in de praktijk. Zij gaan ervan uit dat
het mogelijk moet zijn
om, op basis van het voorgestelde model en de weging van criteria, een
meerjarige raming te produceren van wat individuele
gemeenten tot en met 2007
aan rijksbijdrage tegemoet kunnen zien. Zij vragen daarom om,
eveneens medio augustus, een overzicht aan de Kamer aan te bieden
waarin per gemeente wordt aangegeven wat hun huidige budget is voor
bijstandverlening en reïntegratie en hoe dit budget zich de komende
jaren zal ontwikkelen. De leden van de fractie van GroenLinks zien graag
nader beargumenteerd of voorliggend verdeelmodel voldoende garanties biedt
voor de eerbiediging van regionale verschillen. Zo is het
hen onduidelijk of regio’s met een relatieve achterstand in economische
ontwikkeling aanspraak kunnen maken op voldoende middelen voor
verlening van bijstand en investeringen in de reïntegratie van hun inwoners.
Met de regering zijn de
leden van de D66-fractie van mening dat volledige budgettering een
belangrijk onderdeel vormt van de beoogde aanpak, waarbij dan wel
gemeenten
over een zo groot mogelijke beleidsruimte beschikken die in balans
moet zijn met de volledige financiële verantwoordelijkheid. Deze leden vragen in
hoeverre deze balans met dit wetsvoorstel is gevonden.
Deze leden wijzen op een
mogelijke toename van financiële risico’s voor gemeenten door deze
volledige verantwoordelijkheid van gemeenten voor de uitvoering van de Wwb. Deze leden vragen in dit verband of de omvang van het
macrobudget (het voor de gemeenten totaal beschikbare budget) in alle gevallen
toereikend zal zijn om 100% van de bijstandslasten af te dekken. Dit heeft
mede te maken met het gehanteerde verdeelmodel met daarin de eis dat het
kenmerk "aantal bijstandsgerechtigden" niet in het model is opgenomen.
Kan de regering nader ingaan op de reden waarom deze eis is
geformuleerd en bezwaren opnoemen van het eventueel loslaten van die eis?
Vreest de regering voor afname van de prikkelwerking? Zo ja, waarom, zo vragen
deze leden.
De leden van de
D66-fractie constateren dat voor gemeenten waarvoor het objectief
verdeelmodel wordt toegepast, herverdeeleffecten optreden die mede het gevolg zijn
van het nog niet foutloos functioneren van het model. Kan de regering
inzicht geven in de omvang van de hier bedoelde verdeeleffecten?
Gemeenten die een
verdeling krijgen op basis van het historisch aandeel en in het verleden een
bijstandsbeleid hebben gevoerd waarbij het voorkómen van de instroom in de
bijstand vruchten heeft afgeworpen, hebben feitelijk een gering
historisch aandeel. In wezen worden deze gemeenten nu gestraft voor hun
gevoerde beleid aangezien ze een relatief laag budget krijgen. Hoe kijkt
de regering aan tegen de stelling dat verdeling op basis van het
historisch aandeel goed presterende gemeenten straft en slecht presterende
gemeenten beloont? Is de regering bereid een reactie te geven op het advies
van de Raad voor de financiële verhoudingen om een rblz.|45|
gewogen gemiddelde van de
bijstandslasten over een aantal jaren als basis te nemen voor de
verdeling van het budget van de kleinere gemeenten?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie memoreren aan het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen, waarin wordt gesteld dat de betrekkelijk geringe
invloed van het gemeentelijk beleid op de ontwikkeling van het aantal
bijstandsontvangers niet rechtvaardigt dat de financiële risico’s volledig bij
de
gemeenten komen te liggen. Zeker niet in combinatie met een ontmanteling van
de bufferfunctie van de eigen belastingmiddelen, in casu de afschaffing
van het gebruikersdeel van de OZB. Ook in het voorliggend
wetsvoorstel is volgens de Raad nog steeds niet voldaan aan de
voorwaarde dat de verdeelsystematiek van het macrobudget voor het inkomensdeel
dient aan te sluiten bij de onvermijdelijke kosten die gemeenten
hebben bij de uitvoering van de bijstand. De Raad is bijzonder kritisch ten
aanzien van het objectief verdeelmodel. Terecht wijst hij erop dat
gemeenten die landelijke prijzen voor de uitvoering van de bijstand in de wacht
hebben gesleept, zoals Dordrecht en Ede, op grond van dit model slecht scoren en dat het model voor gemeenten met
een minder fraaie
reputatie, zoals Rotterdam en Amsterdam, juist positief uitpakt. Dat lijkt er
zonder meer op te duiden dat het model niet deugdelijk is. In dit licht is het
ook merkwaardig dat het huidige model nooit is geëvalueerd, in
tegenstelling tot eerdere toezeggingen. Kan hiervoor een verklaring worden
gegeven?
De brief die de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 juni jl. aan Dordrecht
heeft verzonden, bevestigt de leden van de fractie van de ChristenUnie in
hun overtuiging dat het verdeelmodel niet rijp is voor brede invoering. Zij
kunnen zich voorstellen dat gemeenten als Dordrecht meer waarde hechten aan
de totstandkoming van een goed werkend objectief verdeelmodel
dan aan de toezegging van de staatssecretaris dat de optredende ex-anteherverdeeleffecten beleidsmatig zullen worden ingedamd. Deze leden
zouden het buitengewoon onverstandig vinden als de regering besluit tot
invoering op korte termijn, in de verwachting dat het model in de loop van
de gefaseerde invoering nog verder zal worden verbeterd. Zou het niet
van wijsheid getuigen dit instrument eerst breed toe te passen als gegarandeerd kan worden dat de kansen op mislukken
minimaal zijn? De
voorgestelde stapsgewijze verhoging met 20 procentpunten per jaar zou naar de
opvatting van de leden van de fractie van de ChristenUnie ook pas gerealiseerd
kunnen worden als aan die voorwaarde is voldaan.
Ook in zijn meest recente
advies adviseert de Raad voor de financiële verhoudingen af te zien
van de voorgestelde financieringssystematiek. Daarmee wordt één van
de fundamenten van het wetsvoorstel aangetast. De leden van de fractie
van de ChristenUnie vinden dat de regering hier veel te lichtvaardig mee
omgaat. Zij zijn van mening dat niet kan worden volstaan met een
verwijzing naar de doorontwikkeling van het objectief verdeelmodel. Vindt de
regering het verantwoord dat het betreffende vervolgonderzoek nog niet
is afgerond, terwijl intussen wel wordt aangekoerst op vrij brede
toepassing van het model over een klein halfjaar? Deze leden
verzoeken de regering in dit kader nader te onderbouwen waarom geen gevolg wordt
gegeven aan de aanbeveling om de variabele "aantal
bijstandsontvangers" op te nemen in het objectief verdeelmodel.
Waarom is deze variabele
in strijd met het objectieve karakter van het model?
De reactie van de
regering dat de introductie van het 100%-budgetmechanisme gepaard gaat met het
verstrekken van verregaande beleidsvrijheid en deregulering is
overigens niet overtuigend. Hiermee wordt voorbijgegaan aan het
feit dat de gemeenten in belangrijke mate afhankelijk zijn van
macro-economische ontwikkelingen, waarop ze geen invloed hebben.
rblz.|46|
Ook de afwijzende
reactie
van de regering op de suggestie van de Raad voor de financiële
verhoudingen om bij het historisch verdeelmodel een gewogen gemiddelde van de
bijstandsuitkering in een aantal jaren te nemen, waarbij het
laatste jaar voor meer dan de helft meetelt, vinden deze leden niet
overtuigend. De regering verdisconteert in haar reactie, naar het oordeel van de
leden van de fractie van de ChristenUnie, onvoldoende de overweging van de
Raad dat de dynamiek van het aantal bijstandsontvangers in
kleine gemeenten van jaar op jaar relatief groot is. Ten aanzien van het
maximale negatieve herverdeeleffect lijkt de regering een veel groter bedrag
per inwoner te accepteren dan de Raad voor de financiële verhoudingen
adviseert. Is het juist dat het gaat om 10% van het budget in 2004? Kan
dit nader worden onderbouwd en kan daarbij in absolute termen worden
aangegeven welke budgettaire gevolgen dat in het meest negatieve
scenario met zich kan meebrengen voor gemeenten? Wil de indiener daarbij
ingaan op de opmerking van de Raad voor de financiële verhoudingen
dat gemeenten die het nadeel willen opvangen door een OZB-verhoging,
de OZB-tarieven met 30 tot zelfs 45% moeten laten stijgen, ervan uitgaande dat de OZB voor gebruikers inderdaad
wordt afgeschaft (pagina
11, advies Raad voor de financiële verhoudingen, 6 juni 2003)?
De leden van de
SGP-fractie stemmen in met het in het wetsvoorstel gekozen
financieringsmodel. Maar de aan het woord zijnde leden wijzen wel op de grote gevolgen
en de vele risico’s voor
gemeenten. De leden van de SGP-fractie zijn
van mening dat voldaan moet worden aan de voorwaarde dat de verdeelsystematiek van het macrobudget voor het
inkomensdeel dient aan te
sluiten bij de onvermijdelijke kosten die gemeenten hebben bij de
uitvoering van de bijstand.
5.1.3.
Budgetoverschot en -tekort: toetsingscommissie [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen waarom in het uiteindelijke wetsvoorstel is afgezien om eventuele
niet-bestede gelden uit het inkomensdeel verplicht in zetten voor
het werkdeel.
De leden van de
CDA-fractie constateren dat
gemeenten op grond van een hardheidsclausule onder
strenge voorwaarden een aanvulling op het toegekende budget kunnen
krijgen. Hoe is de rechtszekerheid voor gemeenten gewaarborgd?
Kan de regering met voorbeelden illustreren in welk geval wel en in welk
geval niet aan die voorwaarden wordt voldaan? Tevens vragen zij hoe de
hoogte van de eigenrisicodrempel van 10% is bepaald. Een
toetsingscommissie toetst of een gemeente in aanmerking komt voor een aanvullende
uitkering. Kan de regering uitleggen dat de objectiviteit van deze
toetsing met name op het punt van verwijtbaarheid voldoende gegarandeerd
zal zijn? Welke vrijheid heeft de minister om van het advies van de
toetsingscommissie af te wijken?
De leden van de
CDA-fractie hebben een vraag met betrekking tot de rol van de
toetsingscommissie als bedoeld in artikel
73 [73]. De toetsingscommissie toetst een verzoek van
een gemeente onder andere op de doeltreffendheid van het
gevoerde beleid naast de rechtmatigheid. In hoeverre past een
dergelijke toets op doeltreffendheid in relatie tot de niet-gemeentespecifieke
toets op de doeltreffendheid van de Wwb door de minister conform
artikel 76 [76]? Welke criteria en voorwaarden zullen gelden voor de werkwijze
van de toetsingscommissie?
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat het risico voor
gemeenten dat samengaat met budgetteren niet alleen qua volume maar ook qua percentage omhoog gaat.
Op dit moment hebben de gemeenten een risico van 3,75% (15% van
25%). Dat gaat per 1 januari 2004 van de ene dag op de andere over
naar 10%. Die stijging is naar de opvatting van de leden van de PvdA-fractie
niet in evenwicht met de middelen van de rblz.|47|
gemeente om inkomen te
genereren of buffers om risico’s op te vangen. Burgers van de eigen gemeente zullen via belastingen en bezuinigingen
dat moeten betalen. Dat
kan toch niet de bedoeling zijn, zo vragen deze leden.
Naar de mening van de
leden van de PvdA-fractie ligt het risico per uitkeringsgerechtigde tussen de €|12 000,-
en €|17
000,- per jaar (afhankelijk samenstelling
huishouden). Vanwege de gebrekkige nauwkeurigheid van de CPB-raming, de lokale
en regionale effecten zullen de gemeenten over moeten gaan op de vorming
van een risicoreserve of buffer. Het Nyfer-onderzoek laat zien dat het vormen
van een buffer van 10% bijstand voor gemeenten gelijk staat
met nagenoeg alle kosten voor sociaal-cultureel werk (Nyfer, bladzijde
27) in de gemeenten. In de vier grote gemeenten is een buffer van 10% gelijk
aan een zesde van alle onderwijsuitgaven. Deze gegevens verontrusten de
leden van de PvdA-fractie zeer. Is deze opstelling van Nyfer juist, zo
vragen deze leden. Welke buffers denkt de regering zullen bij dit risico
door de gemeenten moeten worden aangehouden? Hoeveel gemeenten zullen
een artikel-12-status [artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet:
aanvullende rijksuitkering, red.] krijgen op basis van de verdeling voor het jaar
2004 en de verdere jaren tot en met 2007? Welke zijn dat?
Het komt deze leden voor
dat de forse kritiek van de Raad van State, de Raad voor financiële verhoudingen, de
VNG, Divosa
voor de regering
aanleiding moet vormen om
tot een matiging van het risico per uitkeringsgerechtigde te komen en het
verdeelmodel en macrobudget beter op de externe factoren te
passen. Hierdoor ontstaat een evenwichtiger balans tussen de door de
gemeenten beïnvloedbare factoren en autonome ontwikkelingen, dan wel in
gang gezet rijksbeleid. Is de regering daartoe bereid? Wat zijn de
financiële effecten indien aan het eind van de planperiode de beoogde besparing wel
gehaald wordt, maar dat met de bezuiniging op de bijstand niet aan
het begin van de planperiode wordt gestart. De regering wordt
gevraagd om een concept van de AMvB inzake een tekort.
Een daadwerkelijke
verhoging van het eigen risico is dus 6,25 procentpunt. Is deze berekening juist, zo
vragen de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de
PvdA-fractie vinden dat in het startjaar met een kleine bandbreedte van 4% van
het totale budget gestart moet worden. Naarmate het verdeelmodel
betrouwbaarder blijkt, kan een iets hoger risico gekozen worden. Deze
leden vinden het onacceptabel dat een artikel-12-status op basis van een
verdeelmodel zou ontstaan. Zij vragen de regering ervoor te zorgen dat zo’n
effect niet voorkomt.
Nu de regering zo
nadrukkelijk zegt dat voor het jaar 2004 een percentage van 10% geldt, vragen de
leden van de PvdA-fractie of de regering het voornemen heeft om dat
percentage hoger vast te stellen? Waarom was het prikkelpercentage
bedoeld? Om de gemeente te motiveren alles op alles te zetten om mensen aan het werk te helpen? Toch niet om de gehele
gemeentelijke
infrastructuur om zeep te helpen? Na lezing van het Nyfer-rapport vragen de leden naar de
proportionaliteit in de prikkelwerking en de beïnvloedbaarheid van
de volumes waarmee de gemeente te maken krijgt.
De leden van de
PvdA-fractie hebben vragen over de criteria waarmee de toetsingscommissie
toetst. Zij vragen een meer uitvoeriger toelichting op deze criteria. Deze leden
vragen ook de Raad voor de financiële verhoudingen als toetsingscommissie te
fungeren.
De leden van de
PvdA-fractie wensen dat de AMvB als bedoeld in artikel
74 [74], derde lid, in concept
wordt voorgelegd.
De leden van de
PvdA-fractie vinden dat de komende vier jaar de gemeenten wel degelijk een
compensatie moeten krijgen indien deze boven de door de regering genoemde
bandbreedte uitsteekt. Pas als het verdeelmodel en de CPB-ramingen een hoger
betrouwbaarheidsgehalte hebben, dan kan de zware procedure via
een toetsingscommissie lopen. Overigens vinden deze leden dat ook binnen
de bandbreedte van 10% bij bijzondere rblz.|48|
omstandigheden waar de
gemeente geen invloed op heeft er compensatie moet zijn. Zij begrijpen niet wat er redelijk en billijk aan is dat een
gemeente in één klap het
gehele sociaal-cultureel werk moet opdoeken, omdat er een fabriek is
gesloten of er een asielcentrum in de gemeente wordt gevestigd, waardoor
het bijstandsbestand met 10% omhoogschiet. De gemeenten zullen, naar
de mening van de leden van de PvdA-fractie, fondsen en/of reserves
moeten opbouwen om fluctuaties in de kosten van bijstand te kunnen opvangen. Welk percentage fondsvorming van het
bijstandsvolume vindt de
regering verstandig? Wat is daarover in de Wet
financiering decentrale overheden (hierna: Fido) bepaald? Wat betekent dat voor de risicoparagraaf in de gemeentelijke begroting? Hoe groot is
het landelijk volume dat
jaarlijks zal moeten worden gereserveerd? Is dat 10%, gelijk aan een
bedrag van €|400 miljoen? Moet dat al in 2004 worden gereserveerd?
Graag zien zij een antwoord van de regering tegemoet.
De leden van de
VVD-fractie vragen op welke wijze concreet en objectief wordt vastgesteld of wel
of geen aanvullende uitkering wordt toegekend indien
gemeenten met een
tekort groter dan de eigenrisicodrempel een beroep doen op het Rijk
voor aanvullende financiering? Kan de regering overigens aangeven waarom
gekozen is voor een risicodrempel van 10%? Waarom niet lager of
hoger?
Wat is op grond van de
door de regering gemaakte simulaties het grootste financiële risico
uitgedrukt in euro en in euro per hoofd? Welke gemeente is of welke gemeenten
zijn dat? Hoe groot is dat bedrag als percentage van de totale
gemeentebegroting? Met welk percentage zouden de lokale lasten moeten stijgen om
een eventueel tekort, gelijk aan het maximale risico, volledig te
dekken?
De
leden van de fractie van
GroenLinks vragen de regering hoe wordt omgegaan met
gemeenten
die een zogeheten "artikel-12-status" hebben. Hoe zal het Rijk omgaan
met het bijstandsbeleid van dergelijke gemeenten? Daarnaast
vragen deze leden of een onderbouwde inschatting gegeven kan worden van
het aantal gemeenten dat, als gevolg van de invoering van voorliggend
wetsvoorstel, in een artikel-12-situatie terecht kan komen.
[5.2.
Financieringssystematiek werkdeel, red.] [MvT;
NnavhV]
5.2.1. Macrobudget
werkdeel [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen hoe het macrobudget voor het werkdeel wordt samengesteld? Wordt
rekening gehouden met conjuncturele invloeden zoals bij
vaststelling van het macrobudget voor het inkomensdeel?
De leden van de
PvdA-fractie hebben zelf eerder gesuggereerd dat, als de regering budgetten wil
samenvoegen en wil flexibiliseren, er ook mogelijkheden zijn dit te doen met
budgetten voor inburgering, zorg en onderwijs. Kan de regering aangeven
of in de toekomst ook delen van zorg en inburgeringbudgetten aan het flexibel reïntegratiebudget worden
toegevoegd?
Zowel de leden van de
PvdA-fractie als de leden van de VVD-fractie
constateren dat het reïntegratiebudget dat de
gemeenten toegekend krijgen niet fluctueert
met de conjunctuur en ook niet wordt aangepast voor rijksbeleid. Terwijl
zowel het rijksbeleid als de conjunctuur gevolgen hebben voor het aantal te
reïntegreren bijstandsgerechtigden. De regering geeft hiervoor geen
argumentatie. Periodiek zal onderzocht worden of de hoogte van het budget nog
adequaat is. De regering geeft niet aan op welke wijze hierbij het
begrip "adequaat" wordt geoperationaliseerd. Beide fracties
willen van
de regering weten hoe de regering het begrip rblz.|49|
"adequaat"
operationaliseert. Welke genormeerde prestatie-indicatoren hanteert de regering bij
de veronderstelling dat het budget voor reïntegratiemiddelen
voldoende is? Wat is de nulsituatie hierbij? Kan de regering aangeven in
welke mate de verschillende doelgroepen op dit moment gebruik maken van
de middelen, zoals die in het flexibele reïntegratiebudget worden
opgenomen? Wat is de argumentatie van de regering om het flexibele reïntegratiebudget niet aan te passen aan
conjuncturele
ontwikkelingen dan wel rijksbeleid? Kan de Kamer ook nog na invoering van
onderhavige wet een landelijk beeld krijgen over de mate waarin de
verschillende doelgroepen gebruik maken van de verschillende instrumenten uit het
flexibele reïntegratiebudget of worden in dit kader
informatieverplichtingen voor de gemeenten geschrapt?
Naar de mening van de
leden van de VVD-fractie ligt er een sterke relatie tussen
inburgeringstrajecten en reïntegratie in het kader van de Wwb. Reguliere arbeid is in
veel gevallen de beste manier om in te burgeren. Is door de regering
overwogen om de middelen voor inburgering op te nemen in het werkdeel?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat het macrobudget voor het inkomensdeel
meebeweegt met de conjunctuur, terwijl dit niet voor het
werkdeel geldt. Kan dit nader worden toegelicht? Deze keuze maakt op de leden
van de fractie van de ChristenUnie geen consistente indruk, gezien het uitgangspunt van
de nieuwe wet "werk boven inkomen".
Het is deze leden niet
duidelijk waarom bij de vaststelling van het budget alleen wordt gekeken naar
het aantal bijstandsgerechtigden. Dit lijkt geen recht te doen aan het
feit dat de reïntegratietaak op een veel grotere doelgroep betrekking heeft. Wanneer
zullen naar verwachting de gesprekken met
gemeenten over het overgangsregime, zoals opgenomen in de Wwb,
kunnen worden afgerond?
De leden van de fractie van de ChristenUnie gaan ervan uit dat
daarbij het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen ter zake
nadrukkelijk zal worden betrokken.
Deze leden vragen hoe
reëel de kans is dat, door de enorme bezuiniging op het werkdeel,
gedwongen ontslagen zullen vallen onder werknemers die afhankelijk zijn van
gesubsidieerde arbeid.
5.2.2. Verdeelsystematiek
werkdeel [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen hoe de verdeelsystematiek van het macrobudget er meer
concreet uit zal zien. Is gemiddelde uitkeringsduur het enige criterium dat
geldt? Waarom wel of niet?
Voor de eerstkomende
jaren zal gewerkt worden met een overgangsregime. In hoeverre is dat in
strijd met het doel van een vrij besteedbaar reïntegratiebudget voor
gemeenten? Is er sprake van een spreiding van de bezuinigingen op de
gesubsidieerde arbeid in plaats van een bezuiniging per 1 januari 2004?
De leden van de
PvdA-fractie vragen om de concept-AMvB van de verdeelsystematiek van
het werkdeel.
De voorgenomen
herverdeeldeling van de middelen uit het werkdeel vallen slecht uit voor de
groep
gemeenten die eerder als probleemaccumulatiegebieden de eerste
gesubsidieerde banen kregen. Het voorliggende systeem straft hen af. De
leden van de PvdA-fractie vragen om een wijziging van het verdeelsysteem mede op basis van de bijstandsdichtheid
per gemeente.
Indien de regering het
verdeelsysteem ingrijpend wil veranderen, zal een zeer lange periode voor
de herverdelingen moeten worden uitgetrokken. Wil de regering een
overzicht verstrekken van het huidige budgetverdeelsysteem, het voorgenomen
verdeelsysteem over een periode van tien jaar rblz.|50|
en een variant waarbij de bijstandsdichtheid als verdeelfactor is
meegenomen? Met dat laatste
wordt ook recht gedaan aan de probleemaccumulatie.
5.2.3. Budgetoverschot
werkdeel [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen waarom
gemeenten niet delen van het werkdeel wat in enig
jaar niet uitgegeven is, kunnen reserveren voor volgende jaren, mits de
bestemming wel geoormerkt blijft ten behoeve van
reïntegratieactiviteiten. Waarom wordt er verschil gemaakt in de regels voor het
inkomensdeel ten opzichte van het werkdeel?
De leden van de
PvdA-fractie begrijpen niet waarom de regering met zo een ingewikkelde
financiële constructie komt. Zeker om bureaucratie tegen te gaan, vragen deze
leden om een gewoon budget voor het werkdeel. Overschotten kunnen
gedurende vier jaar gespaard of ingezet worden voor meerjarige
verplichtingen. Na deze bezuinigingen lijkt het deze leden beter de
gemeenten nog
enige ruimte te gunnen.
De leden van de PvdA
constateren dat gemeenten wel veel meer vrijheid krijgen om reïntegratie
zelf te regelen, maar dat dit samengaat met een zeer forse bezuiniging op
het werkdeel. Dat is in totaal een bedrag van €|680 miljoen
(€|160 miljoen bovenop de €|520 miljoen
die voor 2003 staat ingeboekt en
vooral gesubsidieerde arbeid treffen). Daar komt nog eens bij dat
middelen die de gemeenten overhouden in het werkdeel moeten terugvloeien naar
het Rijk en dus niet meer voor een volgend jaar gebruikt mogen worden. Deze leden willen graag een nadere toelichting
hoe het moeten teruggeven
van het werkdeel zich verhoudt tot de visie van de regering dat
gemeenten beleidsvrijheid en eigen verantwoordelijkheid moeten dragen en
beloond
moeten worden voor goed gedrag. Waarom geldt dat dan niet
voor het werkdeel en waarom mogen middelen die over zijn
niet naar het volgende jaar overgeheveld worden? Deze leden constateren
dat de gemeente het zo nog moeilijker wordt gemaakt om iets als
gesubsidieerde banen te financieren. Zij willen graag weten wat er gebeurt als
gemeenten uitgaven voor het werkdeel spreiden over meerdere jaren.
Mogen er dan ook geen reserveringen meer worden ingeboekt op de volgende
jaren uit het budget voor het huidige jaar? Is de regering niet bang dat
dit een extra stimulans zal zijn om voor goedkopere, kortdurende reïntegratietrajecten te kiezen, waarvan zeker degenen
met een grotere afstand
tot de arbeidsmarkt lang niet altijd profijt van zullen hebben?
De leden van de PvdA-fractie hebben met verbazing kennis genomen van het voornemen van de
regering om een mogelijk jaaroverschot van het werkdeel af te romen. Dat
nu past niet in het risico dragen door de gemeenten, de meer dan
forse bezuinigingen op reïntegratiegelden en de onmogelijkheid om
jaarlijks precies het budget op te maken. Voorts is het van belang dat de
gemeenten in werktoeleidings- of werkervaringsprojecten of gesubsidieerde
werkplaatsen meerjarige verplichtingen kunnen aangaan. Afroming van (tijdelijke) overschotten past daar niet
bij. De leden van de
PvdA-fractie vragen, mede gezien de groeiende werkloosheid, waarom de regering de
overschotten de komende vier jaar niet bij de gemeenten laat.
Vervolgens kan na evaluatie bezien worden of substantiële fondsvorming op dit deel
heeft plaatsgevonden.
Als de gemeenten geen
substantiële besparingen kunnen realiseren in 2004, is het dan
fatsoenlijk om wel een forse bezuiniging per 1 januari 2004 op te leggen? Te meer
daar deze vooral op de uitvoeringskosten rust. Wordt daarmee het
instrumentarium (onder andere personeel en scholing) om de verandering voor te
bereiden niet beknopt? Gaat dat niet ten koste van een zorgvuldige
invoering, zo vragen deze leden.
rblz.|51|
De leden van de VVD-fractie constateren dat als
gemeenten goed presteren en hun budget niet
volledig benutten, deze het inkomensgedeelte van dit budget mogen
gebruiken voor andere doeleinden. Het werkgedeelte van het budget mag echter
niet zelf door de gemeente benut worden. Waarom heeft de
regering hiervoor gekozen?
De meeneemregeling op het
werkdeel heeft naar de mening van de leden van de VVD-fractie een
aantal ongewenste effecten. De uitvoering komt onder druk te staan om
het budget zoveel mogelijk uit te putten en de sociale diensten worden
terughoudend in het aangaan van langeretermijnverplichtingen,
wat juist van belang kan zijn wanneer gewerkt wordt op basis van no cure,
no
pay. Tevens kunnen gemeenten door de meeneemregeling niet meer
reserveren in vette jaren ten gunste van de magere jaren.
Onderschrijft de regering het bestaan van deze ongewenste effecten? Welk
meeneempercentage vindt de regering in dat opzicht acceptabel? Ware het niet
beter terug te keren naar de situatie waarin in het geheel geen sprake
was van een meeneemregeling, mede omdat gezien de omvangrijke
bezuinigingen geen stuwmeren met ongebruikt geld te verwachten zijn
(de reden waarom de meeneemregeling is geïntroduceerd)?
6.
Uitvoering en samenwerking [MvT;
NnavhV]
6.1. Overleg met gemeenten
[MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen de regering of zij een nadere uitleg en onderbouwing kan geven op
de passage op bladzijde 21 van de memorie van toelichting waarin
wordt gesteld dat "doordat eerst in verloop van een aantal jaren toegegroeid wordt naar de meest wenselijke verdeling van de budgetten van meet
af aan sprake is van een verantwoorde financieringssystematiek".
De leden van de
CDA-fractie hechten aan een spoedige maar evenzeer een zorgvuldige invoering van
de Wwb. In de memorie van toelichting wordt gewag gemaakt van een
eventuele invoering van de Wwb op een later tijdstip. De leden van de
CDA-fractie nodigen de regering uit aan te geven om welke onderdelen het
gaat en op welk moment die onderdelen dan wel zullen ingaan. Vindt
de regering dat per 1 januari 2004 de Wwb voor alle
gemeenten op alle
onderdelen moet ingaan? Kan dit? In hoeverre en op welke onderdelen wordt
een gefaseerde invoering overwogen? Er zullen gemeentelijke
verordeningen moeten worden gemaakt die vóór 1 januari 2004
rechtskracht moeten hebben. Bovendien moeten die verordeningen maatwerk per gemeente
kunnen leveren. Dit maakt modelverordeningen via de VNG
moeilijk.
Zullen de noodzakelijke verordeningen op tijd van kracht kunnen
worden volgens de regering? Kan de regering uitleggen dat dit tijdpad haalbaar is? Wat is de consequentie als het tijdpad niet gehaald
wordt? Blijft dan de huidige Algemene
bijstandswet van toepassing?
De leden van de
CDA-fractie merken op dat volgens enkele deskundigen (onder andere het bedrijf
Centric) het niet mogelijk is om de benodigde ICT-aanpassingen voor met
name het inkomensdeel per 1 januari 2004 gereed te hebben. Dat zou
de invoering van de Wwb per genoemde datum bemoeilijken dan wel
niet mogelijk maken. Wat is het oordeel van de regering over deze
stellingname?
De leden van de
CDA-fractie wijzen op het standpunt van de Raad van State dat het
wetsvoorstel op het punt van ruimte voor en toerusting van de gemeenten moet worden
heroverwogen. Is de regering van oordeel dat met de consultatie
van de gemeenten en de daaruit voortvloeiende maatregelen voldoende
tegemoet is gekomen aan de kritiek van de Raad van State? Kan de
regering nog eens uitleggen waarop de regering dit baseert?
rblz.|52|
De leden van de PvdA-fractie constateren dat, ondanks de kritiek van de
Raad van State, de
regering in gebreke is gebleven bij het informeren van de Kamer over het
standpunt en de kritiek van de VNG. De regering heeft alleen vermeld op welke
onderdelen er aanpassingen hebben plaatsgevonden. Mede vanwege de medebewindstaak achten deze leden dat
onzorgvuldig. Deze leden
verzoeken voorts in te gaan op de kritiek per punt van de VNG, die het
huidige wetsvoorstel in deze vorm afwijst. Ook verzoeken deze leden in
te gaan op de kritiek van Divosa, FNV,
CNV, Landelijke Cliëntenraad
en andere maatschappelijke organisaties, per aangemeld kritiekpunt, en
het standpunt van de regering daaromtrent weer te geven.
De leden van de
PvdA-fractie waarderen het feit enige aanpassingen hebben plaatsgevonden.
Niettemin moet duidelijk zijn voor de regering dat het wetsvoorstel in
deze vorm geen draagvlak heeft bij alle belanghebbende organisaties. De balans
tussen kansen en risico’s slaat volledige door naar de risico’s
in de ogen van de belanghebbende organisaties.
De regering wenst in
ieder geval te starten op 1 januari 2004 met de decentralisatie en
deregulering en de daarbij behorende financiële verantwoordelijkheden en vermindering van
administratieve lasten. Dit nu komt de leden van de
PvdA-fractie als onverantwoord voor. Daarover hebben zij een aantal vragen en
opmerkingen.
Tijdens de door de Tweede
Kamer gehouden hoorzittingen over de Wwb kwam naar voren dat de automatisering van de administratie
ten minste vijftien maanden vraagt
(informatiestructuur, architectuur bouw, test en uitrol). Gezien de desastreuze
ervaringen bij het CWI achten deze leden het een keiharde voorwaarden dat
er een normale voorbereidingstijd wordt uitgetrokken voor een zorgvuldige
ICT-toepassing. Deze leden vragen aan de regering of zij denkt dat
deze procedure sneller en even gedegen kan? Zo ja, hoe? Welke
voorbeelden heeft de regering daarvoor? Hoelang was de doorlooptijd van andere
de het Rijk opgedragen geautomatiseerde systemen tussen opdracht
ontwerp en uitvoering indien 480 zelfstandige afnemers (of een vergelijkbaar aantal) daarvan gebruik moesten maken en
inpassen in het geheel
van de gemeentelijke administratie en werkbeheersing systemen?
Wat is de zin van het
schrappen van de Rau 1996, zo vragen deze leden, als de administratie per 2004
niet anders dan via de huidige voorschriften kan worden uitgevoerd? Welke
onderdelen van de Rau 1996 zijn overigens wel los te zien? Zoals
bijvoorbeeld de hercontroles? Is de regering bereid om de hercontrolevoorschriften
per 1 januari 2004 af te schaffen?
Heeft de regering
overwogen om alleen de ontschotting van het werkdeel per 1 januari 2004 in te
voeren?
De leden van de
PvdA-fractie vragen welke onderdelen van de Wwb de regering zelf later wil
invoeren naar aanleiding van de kritiek van de Raad van State.
Is het waar dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onlangs heeft aangegeven
om het herverdeelsysteem van het werkdeel van het budget één jaar
uit te stellen? Is de regering bereid ook de verdeling van de ontschotte
werkdeelgelden opnieuw te bezien? Het lijkt de leden van de PvdA-fractie
onverteerbaar dat in de
gemeenten waar de regering tot op heden de
grootste prioriteit legde op terugdringen van de moeilijk plaatsbare
werklozen zij in korte tijd de helft van het budget verliezen, zoals
bijvoorbeeld de gemeente Den Haag. Dit terwijl de urgentie van de
problematiek van de langdurige werkloosheid in deze gemeenten nog steeds het
hoogst is en er goede prestaties door de gemeenten geleverd zijn.
Hoe geloofwaardig is de regering als zij een stelstel wil invoeren van
kansen en risico’s voor de gemeenten als zij de behaalde resultaten op
basis van beloften uit het verleden in één veeg van tafel zwiept, zo vragen
de leden van de PvdA-fractie.
rblz.|53|
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering het noodzakelijk acht op 1 januari 2004 te
starten met de voorgestelde decentralisatie en deregulering en de
daarbij behorende financiële verantwoordelijkheid van
gemeenten en met de
vermindering van administratieve lasten. Zij vragen in hoeverre deze datum
haalbaar is. Het voorgestelde gefaseerd invoeren van de Wwb
achten deze
leden ook geen optie en vragen de regering hierop nader terug te
komen.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie menen dat van cruciaal belang in de discussie over het
voorliggende wetsvoorstel de invoeringstermijn is. Zij memoreren in dit
verband aan de vorig jaar ingediende en helaas verworpen motie-Van Dijke
(Kamerstukken 28 600 XV, nr. 75), waarmee werd beoogd de invoering in elk geval
één jaar, tot 1 januari 2005, uit te stellen. De roep om uitstel klinkt alom,
maar de regering volhardt vooralsnog in inwerkingtreding per 1 januari 2004.
Hebben de berichten die onlangs in de media verschenen dat Amsterdam en Rotterdam niet wensen mee te werken aan
de invoering van de wet
per 1 januari aanstaande de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid inmiddels ook via formele kanalen bereikt?
Deze leden willen
volstrekte helderheid over de planning die de regering voor ogen heeft. Wanneer
dient het wetsvoorstel uiterlijk door de Eerste Kamer te zijn behandeld,
wil nog sprake zijn van een verantwoorde invoering op 1 januari aanstaande?
Kan worden aangegeven hoe
gemeenten in hun, in de zomer voor te bereiden en in november vast te stellen, begroting
kunnen anticiperen op een
nog niet aangenomen en nog te amenderen wet? Hoe kan de hele
uitvoering op lokaal niveau en in de CWI's, inclusief training van medewerkers, adequaat worden vormgegeven in
een tijdsbestek van
enkele weken? Is de automatisering in enkele weken volledig aan te passen?
Is het reëel te veronderstellen dat de gemeenten uiterlijk binnen drie maanden na de jaarwisseling drie substantiële verordeningen
hebben vastgesteld?
Wanneer zijn de verschillende AMvB’s naar verwachting gereed?
Wanneer zal de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden Algemene
bijstandswet [zie Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Abw, red.] kunnen worden gepresenteerd?
Wat is de reactie van de
regering op de stelling van de VNG dat een gefaseerde invoering geen oplossing
is voor de korte voorbereidingstijd, gezien de verschillende "communicerende
vaten" in het wetsvoorstel? En heeft de regering er
kennis van genomen dat zeer veel gemeenten reeds hebben aangegeven weinig
of niets te voelen voor gefaseerde invoering? Zo ja, wat doet de
regering met dat signaal?
Deze leden verzoeken de
regering nader in te gaan op de suggestie om in enkele voorbeeldgemeenten
bij wijze van experiment over te gaan tot volledige budgettering,
zodra dat verantwoord wordt geacht. Welke, onoverkomelijke, nadelen
zijn aan die optie verbonden? De leden van de fractie van de
ChristenUnie veronderstellen dat daarvoor dan wel een wettelijke grondslag
dient te worden geformuleerd in het onderhavige wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel heeft
verschillende kenmerken van een haastklus. Zo springt de datum van
indiening in het oog. De leden van de fractie van de ChristenUnie hadden het
correcter gevonden als een niet-demissionair kabinet tot indiening van
een zo ingrijpend wetsvoorstel was overgegaan. Waarom is niet gewacht op
de beëdiging van het tweede kabinet-Balkenende?
De enorme spoed laat zich
naar het oordeel van deze leden niet eenduidig verklaren. In de
toelichting bij deze wet en de Invoeringswet worden hierover boeiende uitspraken
gedaan. Het is volgens de regering "in ieder geval noodzakelijk" dat
op 1 januari 2004 wordt gestart met de voorgestelde decentralisatie en
deregulering alsmede met de daarbij horende financiële
verantwoordelijkheid van gemeenten en vermindering van de administratieve lasten,
en met de afschaffing van de categoriale bijzondere rblz.|54|
bijstand en de
invoering van de langdurigheidstoeslag. Het is de leden van de fractie van
de ChristenUnie niet duidelijk waarom het noodzakelijk is dat daarmee
uitgerekend op 1 januari 2004 wordt gestart. Welke overwegingen liggen
daaraan ten grondslag? De regering schrijft voorts dat het nodig is
"het
momentum te benutten om door de nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden
en bevoegdheden de uitvoering van bijstand en reïntegratie
op een effectieve manier te stimuleren". Op welk momentum wordt hier
precies gedoeld? En waarom kan één en ander niet net zo goed per 1 januari
2005 plaatsvinden? Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de spoed zich primair laat verklaren door
budgettaire motieven.
Vanaf volgend jaar zijn immers de eerste besparingen ingeboekt. Kan de
regering die indruk bevestigen? Zo ja, waarom wordt dat aspect dan niet belicht in de toelichting? Zo nee, wil de regering
daarmee dan zeggen dat
het budgettaire aspect niet of nauwelijks aanleiding is voor de enorme spoed?
De spoed blijkt voorts
uit het nazenden van een transponeringstabel alsmede van een reactie
op de zeer kritische adviezen van de Raad voor de financiële
verhoudingen, en uit de omissies waarop de Raad van State in zijn advies heeft
gewezen, zoals het verzuim in de toelichting melding te maken van onder andere
het overleg met het gemeentelijk veld en van prognoses over de
ontwikkeling van het bestand van bijstandsgerechtigden bij ongewijzigd beleid.
Die prognoses hebben deze leden in de bijlage bij de memorie van toelichting overigens niet aangetroffen.
Kunnen die alsnog kenbaar
worden gemaakt?
De leden van de fractie
van de ChristenUnie merken op dat de regering de noodzaak onderstreept van
ingrijpende wijziging van de bijstandswetgeving, terwijl die nog geen acht
jaar geleden ook al volledig op de schop is gegaan en het
Fonds werk en inkomen (hierna: FWI) nog maar sinds 2001 in werking is.
Zij herinneren eraan dat de invoering van de nieuwe wet destijds ook
gepaard is gegaan met enorme problemen in de uitvoering bij een groot
aantal gemeenten. De toen ingezette koers richting activerende werking wordt
in het voorliggende voorstel versterkt. Kennelijk is het klimaat
hier rijp voor, gelet op het feit dat over de doelstellingen en de uitgangspunten van
het wetsvoorstel weinig verschil van mening bestaat, al dringt
zich de vraag op wat nu exact de kwalitatieve en kwantitatieve
doelstellingen van de wet zijn. Zou het niet van wijsheid getuigen als de regering
dit gegeven koestert door in goed overleg met de gemeenten te bezien op welke wijze tegemoet kan worden gekomen aan
de bezwaren en de
kritiek? De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn ervan overtuigd dat
de regering daarmee ook zichzelf een dienst bewijst. Zij zal toch
niet lijdzaam willen toezien hoe een overhaaste invoering van zijn nieuwe wet op
een enorm fiasco uitloopt?
De leden van de
SGP-fractie stellen vast dat de regering grote haast maakt met de invoering van
het wetsvoorstel. Hoewel de datum van 1 januari 2004 via de parlementaire
behandeling waarschijnlijk gehaald gaat worden, is het nog maar sterk
de vraag of alle
gemeenten de stelselwijziging op zo’n korte termijn
kunnen halen. De aan het woord zijnde leden hebben hierbij grote
vraagtekens. Zij maken zich zorgen over met name de gemeenten die minder
armslag hebben. De leden van de SGP-fractie zien liever dat de wet later
wordt ingevoerd dan dat er onzorgvuldig wordt gehandeld. Kan de
regering garanties geven dat bij invoering op 1 januari 2004 er bij gemeenten
geen "ongelukken" gebeuren?
6.2. Gevolgen voor
gemeenten [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of de regering kan uitleggen waarom de Wwb
niet gevoeliger
zal zijn voor het ontstaan van geschillen dan de Algemene
bijstandswet.
Wil de regering daarbij met name de punten maatwerk en verschillen
tussen
gemeenten betrekken?
rblz.|55|
De leden van de PvdA-fractie vragen welke bedragen de regering beschikbaar stelt voor de
implementatie van de
wet. Welk bedrag is in 1995 en 1996 beschikbaar gesteld?
De uitvoeringskosten op gemeentelijk niveau zullen fors zijn. Naast
ICT-kosten is er de scholing en het trainen van het personeel en het scholen
en trainen van de gemeenteraad. Welke ondersteuning is er voor 400 kleine
gemeenten waarvoor op dit gebied nagenoeg geen beleidsexpertise
beschikbaar is?
Hoe ondersteunt en
faciliteert de regering VNG, Divosa
en gemeenten? Immers er zijn grote
verschillen tussen gemeenten bij de ontwikkeling van de beleids-, managements-
en werkprocessen. Juist omdat iedere gemeente de uitvoering
van de Wwb op de eigen interne organisatie en werkprocessen moet
afstemmen, is een uniform systeem gezien de verschillende grootte van
gemeenten moeilijk haalbaar.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de beleidsmogelijkheden van gemeenten zoals de
regering die voorstelt niet in ernstige mate beperkt worden door het feit dat
er maar twee ICT-systemen zijn (naast drie zelfbouwers). Wat blijft er over van de
gemeentelijke beleidsvrijheid als iedere afwijking van het door de gebruiksgroep bepaalde gemiddelde
door een
gemeente zelf duur
betaald moet worden?
Gaat de regering de
gemeenten ook financieel steunen opdat zij daadwerkelijk van de voorgestelde
beleidsvrijheid gebruik kunnen maken en zo een grotere efficiencywinst kunnen realiseren?
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat de uitvoering van de Bijstandswet aan het
college van burgemeester en wethouders (hierna: college van B&W) is
opgedragen. Het college van B&W wordt door de gemeenteraad
gecontroleerd. De raad is beleidsbevoegd. De leden van de PvdA-fractie vragen of in
het kader van dualisering de gemeenteraad over voldoende instrumenten
beschikt om haar controlerende taak voor wat betreft de Wwb waar te
maken. Welke hulpmiddelen en scholing heeft de gemeenteraad nodig om een
volwaardige tegenspeler te zijn? Het gaat hier om een nieuwe en
complexe taak. Is in de kosten daarvan voorzien? In hoeverre is het nodig
dat in het verkeer tussen het college van B&W en de gemeenteraad nadere
regels omtrent de bescherming van persoonsgegevens vanuit de Wwb worden
gesteld?
Heeft de regering het
College bescherming persoonsgegevens in dit verband om advies
gevraagd? Zo ja, wat is het oordeel?
In het licht van de
stimuleringsregeling waarmee vooral kleinere gemeenten worden
aangemoedigd samen te werken [zie Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Abw, red.], hebben de leden van de PvdA-fractie wel een
opmerking. Heeft de regering niet overwogen, zoals dat tijdens de SUWI-debatten ook al door de leden van de PvdA-fractie is gesuggereerd, om de
complexe uitvoering van de bijstand naar de centrumgemeenten over
te hevelen? Terwijl daarentegen de armoedebestrijding, de bijzondere bijstand,
het gemeentelijk minimabeleid, het budgetteren en de sociale activering bij iedere gemeente blijft? De leden
van de PvdA-fractie
vragen om een reactie van de regering. Daarbij vragen zij ook om een
langetermijnbeschouwing over de ontwikkeling van het Wwb-beleid in
zijn totaliteit, zowel het werkdeel als het inkomensdeel.
6.3. Samenwerking in de
SUWI-keten [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie wijzen op het verhoogd risico van een onvoldoende reïntegratieresultaat
ten laste van de
gemeenten tengevolge van de Wwb, ondanks het
gegeven dat er op centraal niveau afspraken zijn gemaakt tussen de
uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid om de doelstelling
"werk
boven inkomen" te realiseren. Met name de volledige budgetverantwoordelijkheid
voor het inkomensdeel legt de financiële prikkel eenzijdig bij
gemeenten. Gemeenten zijn niet alleen verantwoordelijk voor het begeleiden van
werkzoekenden. In de SUWI-opzet is er een belangrijke rol voor het
CWI ¹ om de eerste intake van werkzoekenden te rblz.|56|
verrichten alsmede de
eerste behandeling van een aanvraag van een bijstandsuitkering. Dit maakt een adequate en nadrukkelijke samenwerking
tussen een gemeente en
het CWI noodzakelijk. Waarop baseert de regering haar oordeel dat
de bestaande afspraken in het kader van het Besluit
SUWI voldoende waarborg zijn om dit risico te voorkomen? Welke
(financiële) sancties
zijn er voor een inadequaat functionerend CWI? Worden er nieuwe prikkels
of sancties overwogen op grond van de ervaringen met SUWI
sinds de
invoering per 1 januari 2002? Is de regering van mening dat een
heroverweging van de afspraken in het kader van het Besluit SUWI
nodig kan
zijn tengevolge van de nieuwe Wwb?
Is de regering bereid om
de adviezen van de Raad van State inzake de juridische complexiteit
van de artikelen 41 [41], 42
[42] en
43 [43] op te volgen? Waarom wel of niet?
1. Gelet op het
begrippenkader van de Wet SUWI dient volgens
de redactie "het CWI" (het Centrum
voor werk en inkomen) op de meeste plaatsen in deze paragraaf te
worden vervangen door "de CWI" (de Centrale
organisatie werk en inkomen).
De leden van de
PvdA-fractie zijn het eens met het uitgangspunt dat de
gemeenten een onderdeel
van de keten vormen om werkzoekenden aan het werk te helpen. Maar
de gemeenten en niet het CWI, het UWV
of de reïntegratiebedrijven
hebben een risico van €|17 000,- per cliënt indien de reïntegratie
dan wel de
strenge poortwachter mislukt. De leden van de PvdA-fractie vragen aan
de regering om uit te leggen waarom het redelijk en billijk is dat de
gemeenten voor de volle 100% het risico dragen van een niet goed presterend
CWI, het UWV en reïntegratiebedrijven. De gemeenten, maar ook de
Raad van State en de Raad voor de financiële verhoudingen hebben hier
scherpe kritiek op. De regering gaat daar onvoldoende op in. De
leden van de PvdA-fractie vragen een behoorlijke argumentatie van de
regering waarom de gemeenten het financieel risico voor het CWI dragen. Via
prestatiecontracten kan een zakelijke relatie ontstaan tussen gemeenten
en CWI. Daarin horen ook sancties.
Zou het niet beter zijn
dat het CWI, indien het niet binnen de gestelde tijd en niet kwalitatief op
orde de gegevens overdraagt, de eerste maand van de uitkering vergoed aan
de gemeente? Zou een sanctie voor het UWV niet beter zijn? Als iemand
vanuit de WW doorstroomt naar de bijstand, dan is het UWV in gebreke gebleven bij de reïntegratie. In dat geval zou
het UWV
een volledig reïntegratiebudget voor een moeilijk plaatsbare werkloze moeten meegeven bij de
overdracht van de klant aan de gemeente. Eerder bij de behandeling
van de SUWI-wetten heeft de regering op voorstel van de PvdA-fractie
gezegd sympathie te hebben voor zo’n voorstel. Wel wilde men de
ontwikkeling even afwachten en beloofde daar later op terug te komen. Naar het
oordeel van de PvdA-fractie is een groter risico voor de gemeenten niet
aanvaardbaar zonder financiële prikkels voor het CWI en het UWV. Deze leden
vragen de regering om een voorstel daarover. De regering erkent dat
een bedrijfsverzamelgebouw het einddoel moet zijn voor de SUWI-intake
en de integratie. De leden van de PvdA-fractie zijn het daarmee van
harte eens. Daarom vragen deze leden op welke termijn en met welke
stimulerings- en drukmiddelen deze faciliteiten volledig zullen zijn
ingevoerd.
Het heeft de leden van de
PvdA-fractie verbaasd dat de flexibiliteit, die mogelijk zou moeten zijn
voor het overdragen van taken van de gemeente naar het CWI, niet ook
voor het CWI zou kunnen gelden. Namelijk dat de overdracht van CWI-taken,
zoals de volledige uitvraag voor de bijstandsintake, niet naar de gemeente
wordt overgeheveld. Deze leden vragen aan de regering deze
flexibiliteit mogelijk te maken in functionerende bedrijfsverzamelgebouwen.
De gemeenten zouden samen
met het CWI afspraken kunnen maken, waarbij met name de kansrijke werklozen door het CWI
worden afgehandeld en de
werklozen die een intensiever traject nodig hebben zonder tijdverlies
direct door kunnen naar de sociale dienst. Een zelfde aanpak zou gekozen
kunnen worden voor het UWV, waardoor de inzet van reïntegratiebedrijven ook sneller tot stand kan komen. Heeft de regering deze optie
overwogen in samenhang met de vereenvoudiging rblz.|57|
van de kwalitatieve
intake? Tenslotte is het tegengaan van bureaucratie ook het afschaffen van
dubbel werk.
Het heeft de leden van de
PvdA-fractie enigszins bevreemd dat het CWI claimt de poortwachter
van de bijstand te zijn. Zolang het CWI niet beslist over de intake en de
toets op volledigheid en juistheid zal die taak te allen tijde bij de
gemeente blijven liggen (zij betalen immers en vaak uit eigen zak) en ligt de
poortwachtersfunctie bij de gemeenten. Het eerste contact en de eerste weg
naar werk ligt bij het CWI; dat is belangrijk genoeg. Deze leden zien
niet in waarom verwarring geschapen wordt en vragen de regering om
helderheid.
De kwaliteit van de
samenwerking in de keten zal naar de opvatting van de leden van de
PvdA-fractie worden bepaald door de informatie-uitwisseling op cliëntniveau.
Daarvoor zullen de te ontwikkelen programma’s voor het
CWI, de gemeenten en het UWV naadloos op elkaar moeten aansluiten. Voorts
zal bij de ontwikkeling van de onderscheiden systemen door alle
partijen ervoor moeten worden gewaakt dat de systemen onderling raadpleegbaar zijn. Bij de hoorzitting over de
Wwb hebben de leden van de
PvdA-fractie verontrust kennis genomen van de insteek van het CWI die
met het ontwikkelen van hun nieuwe programma op de betreffende vraag
zei dat ze de gemeenten informeerden over wat ze aan het doen waren,
zodat de gemeenten zich aan hun konden aanpassen. Dat lijkt deze
leden de wereld op zijn kop. De regering heeft de verantwoordelijkheid en
de regie op de ontwikkeling van een goed communicerend ICT-netwerk. Het kan naar het oordeel van deze leden niet zo zijn dat
één van de
partijen een stand-aloneapplicatie maakt die niet interactief met de gemeenten en
het UWV communiceert op cliëntniveau.
De intake en de
cliëntgegevens dienen online worden overgedragen. Twee computers op
één bureau
zoals nu het geval is, zou beschamend zijn na zulke forse investeringen
die voorzien zijn. Juist omdat er bij de gemeenten maar een zeer
beperkt aantal systemen draaien (twee, plus drie zelfbouwers) kan dat niet op veel
problemen stuiten. Deze leden vragen de regering om hen te
verzekeren dat er geen herhaling optreedt als het geval was met de
kapitaalvernietiging van AGORA. Hoe zeker is naar het oordeel van de
regering dat het nu door het CWI ontwikkelde systeem ook in de toekomst communiceert met de
gemeentelijke en de UWV-systemen en dat
aanpassingen in de afspraken tussen gemeenten en CWI (eerdere of latere
overdracht van cliënten) ook in de systemen passen? Heeft de regering het nu
ontwikkelde systeem aan een second opinion door een onafhankelijke
instantie onderworpen?
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat de regionale platforms arbeidsmarktbeleid
(hierna: RPA’s), door overleg op uitvoerend niveau en regionale initiatieven,
een belangrijke bijdrage leveren aan het matchen van werklozen en dus aan
de werkgelegenheid kunnen bieden. Met teleurstelling hebben de leden de wat
halsstarrige reactie van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid gehoord tijdens het debat naar aanleiding van het
algemeen overleg over SUWI op 26 juni jongsleden, waarbij hij meedeelde
niet bereid te zijn een bijdrage te leveren aan een gefaseerde afbouw in
twee jaar van de rijkssubsidie. Deze leden wijzen erop dat de
regering een besparing van ƒ71 miljoen heeft gerealiseerd met het
afschaffen van de RPA’s. Het feit dat binnen drie jaar een landelijke dekking
van de RPA’s is bereikt, is een eerste stap. Uit de evaluatie blijkt dat het
instrument te kort tijd heeft gehad om al uitontwikkeld te zijn.
Dat pleit naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie tot een gefaseerde afbouw
van de rijkssubsidie in twee jaar. Deze leden verzoeken de regering de voorgenomen beslissing te heroverwegen.
Nu de gemeenten 100%
risico dragen voor gesubsidieerd werk en arbeidstoeleiding, wat is
er dan bij de gemeente nog voor ruimte om voor derden, anders dan tegen
de kostprijs sociale activering en maatschappelijke participatie te
realiseren? Welke vergoeding geeft het UWV thans aan rblz.|58|
de gemeenten indien zijn
voor WAO-ers sociale activering organiseert? Is deze vergoeding
kostendekkend?
De gemeente zou als
degene die de regie heeft over het ontstaan en gebruik van het
bedrijfsverzamelgebouw naar de mening van de leden van de PvdA-fractie de
opdracht moeten krijgen om zich te verantwoorden voor het bestaan van een
cliëntenplatform bedrijfsverzamelgebouw alsmede het tot stand komen van het inlichtingenloket zoals tijdens de
SUWI-behandeling via
motie is vastgelegd en toegezegd door de regering. Wil de regering
bevorderen dat deze procedure in gang gezet wordt?
Een groot punt van zorg
van de leden van de VVD-fractie is het functioneren van het
CWI in relatie
tot de financiële verantwoordelijkheid die de
gemeenten krijgen met een
nieuwe Bijstandswet. De CWI’s functioneren bij lange na nog niet
voldoende. Toch zijn zij degene die de poortwachtersfunctie hebben wat betreft
instroom in de bijstand. Is het volgens de regering verantwoord om
gemeenten voor wat betreft de instroom afhankelijk te laten zijn van een CWI
dat door de reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid
nog niet onder controle is? Kan een overzicht worden verstrekt van de
lokale en regionale verschillen in kwaliteit tussen de CWI’s? Hoe monitort
de regering de prestaties van individuele CWI’s? Zijn hier reeds
resultaten te melden? Op welke wijze ademt het budget voor de uitvoeringskosten
van de CWI met de conjunctuur mee? Welke instrumenten heeft een
gemeente als een CWI niet goed functioneert?
De leden van de
D66-fractie constateren dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen
gemeenten
en CWI's. Door de 100%-budgetteringssystematiek ligt er
een prikkel bij
gemeenten om de inspanningen voor reïntegratie zo succesvol mogelijk te
laten zijn. De Raad van State stelt dat die prikkel bij de CWI’s
ontbreekt. Goede afspraken en duidelijke communicatie tussen gemeente en CWI
vormen naar de mening van de leden van de D66-fractie de beste
basis voor het goed kunnen uitoefenen van de poortwachtersfunctie van
laatstgenoemde. Zij zijn evenwel van mening dat de uitvoering van de
taak van CWI’s om mensen zo snel mogelijk weer aan het werk te helpen,
verbeterd zal moeten worden.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie informeren op welke wijze een gemeente
van de CWI
goed functioneren kan afdwingen. Is het denkbaar dat de intake tengevolge
van de nieuwe wet weer terug gaat naar de gemeenten?
7.
Vereenvoudiging [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of de regering kan garanderen dat door de nieuwe Wwb
de
administratieve lastendruk afneemt. Is deze afname ook kwantitatief
te benaderen en uit te drukken in een percentage? Wordt op deze wijze het
algemene beleid van 25% minder administratieve lasten gehaald?
De leden van de
fractie van
GroenLinks constateren dat bureaucratiebestrijding één van de doelstelling
van de Wwb is. Zij vragen de regering deze doelstelling te
kwantificeren en daarbij het huidige bijstandsregime af te zetten tegen het
voorgestelde. De leden vragen op dit punt inzichtelijk te maken wat de huidige
overheadkosten per bijstandsgerechtigde zijn en in welke mate
deze, naar de inschatting van de regering, zullen dalen.
rblz.|59|
7.1. Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen waarom niet is gekozen voor een verplichting tot
fraudebestrijding en rapportage aan de gemeenteraad hierover. Leidt de
huidige bepaling in het wetsvoorstel niet tot het risico dat individuele
gemeenten
complexe fraude niet zullen gaan aanpakken?
De leden van de
PvdA-fractie vragen op welke wijze een goede fraudebestrijding wordt gewaarborgd als de
gemeenten zelf keuzes kunnen maken over de hoogte van
de sanctie en bijvoorbeeld het al of niet vervolgen van witte
fraude. Bestaat niet het risico dat de kosten van fraudebestrijding hoger
zijn dan de te verhalen uitkering en de gemeente vervolgens uit een
oogpunt van efficiency afziet van nader onderzoek? Waar en hoe is bepaald
dat de gemeente verplicht is fraude te bestrijden? Kan de gemeente ervoor
kiezen fraude niet te verhalen? Hoe zit het met witte belastingfraude?
Kan de gemeente ervoor kiezen dat niet te verhalen?
Hebben naar de opvatting
van de regering de gemeenten in dit wetsvoorstel de beleidsvrijheid om af
te zien van fraudemaatregelen uit een oogpunt van
doelmatigheid, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Vindt de regering dat er
landelijke normen moeten zijn?
Het valt op dat de
bepaling die stelt dat onverschuldigde bijstandsbetalingen die niet binnen twee jaar
teruggevorderd zijn niet meer verhaalbaar zijn [, is geschrapt, red.]. De
leden van de PvdA-fractie vragen waarom die bescherming van cliënt
is opgeheven.
De leden van de
VVD-fractie hebben bij de hoorzittingen
vernomen dat de omzetting van de verplichting van terugvordering naar een
bevoegdheid tot grote, niet gewenste, verschillen kan leiden tussen
gemeenten met betrekking tot de fraudeaanpak. Komt de bestrijding van
misbruik en oneigenlijk gebruik in zijn algemeenheid niet in het gedrang als
de gemeenten slechts bevoegd zijn om tot terugvordering over te gaan? Hoe gaat de
regering dit monitoren? Verwacht de regering ook minder te
constateren fraudegevallen? Houdt de regering er rekening mee dat er te
grote verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten met betrekking
tot fraudebestrijding? Zo nee, waar baseert de regering dit op? In
hoeverre mag in de ogen van de regering een kosten-batenafweging een rol spelen bij het
terugvorderen van fraudebedragen? Hoe denkt de regering
over de suggestie dat een antifraudebeleid gevoerd moet worden waar
de invulling daarvan aan de gemeenteraad wordt overgelaten?
De leden van de
SGP-fractie vragen wat de consequenties zijn van de invoering van de
terugvorderings- en intrekkingsbevoegdheid in plaats van de huidige plicht tot
terugvordering en intrekking, mede gelet op de jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep van 30 juli 2002 (USZ 2002, 256) en van 7 juni
2000 (USZ 2000, 202). In die jurisprudentie wordt namelijk de uitoefening
van de bevoegdheid verbonden aan een bepaalde termijn, terwijl in de
situatie dat er een verplichting bestaat dit niet aan een termijn is gekoppeld.
De leden van de
SGP-fractie merken op dat de huidige wet ervan
uitgaat dat je pas kunt
terugvorderen als je het besluit hebt ingetrokken. In het wetsvoorstel blijft naar
de mening van deze leden onduidelijk of de intrekking een sine qua non is voor
terugvordering. Is het inderdaad de bedoeling dat eerst wordt besloten
tot intrekking?
7.2. Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of er geen situatie bestaat waarin een alleenstaande ouder met
recht op alimentatie die zelf niet in staat is de alimentatie te innen
tijdelijk of blijvend een verlaging van de bijstand kan worden opgelegd?
rblz.|60|
De leden van de
PvdA-fractie achten het belangrijk dat de mogelijkheden en afweging om over te
gaan tot verhaal vereenvoudigd worden. Zeker nu evaluatie al eerder heeft
laten zien dat de kosten tot verhaal van kleinere bedragen vaak hoger zijn
dan de revenuen. Deze leden hebben wel vragen. Er is een
kan-bepaling opgenomen. Moeten de
gemeenten in een verordening vastleggen op
welke wijze de gemeente omgaat met de verhaalsparagraaf? Als de
gemeenten in verordeningen verschillend beleid vaststellen, kan in een beroepsprocedure de rechter het verhaal afwijzen
vanwege ongelijke
behandeling tussen gemeenten in dezelfde gevallen? De leden van de
PvdA-fractie vragen of zolang de nieuwe alimentatiewetgeving nog niet gereed is, dan
toch de huidige verhaalsrichtlijnen vervallen. Kunnen
gemeenten zelf kiezen in hoelang zij terug gaan voor het moment van de
scheiding om de bijdrage voor de ex-partner te verhalen?
7.3. Omzetting
boetesysteem in een verlaging van de uitkering [MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
constateren dat in dit wetsvoorstel de Wet boeten niet meer wordt
opgenomen. Blijft de Wet boeten, maatregelen en terug-en invordering
sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) nog wel van kracht voor de Ioaw, de
Ioaz, de Wik en
de sociale verzekeringen en volksverzekeringen? Bij het tot stand komen van de Wet BMT is gesteld dat deze vooruitliep op de vierde
tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De regering heeft
aangekondigd op 20 juni jongstleden dat de vierde tranche van de Awb
naar de Raad van State is gezonden en dat hierin de bestuurlijke
boeten zijn geregeld alsmede de procesgang, regels voor de invordering van
schulden aan de overheid, de wettelijke rente en de bevoorschotting.
De leden van de
PvdA-fractie vragen in hoeverre de vierde tranche Awb tot wijzing van de
nu
voorgestelde vorm van het sanctiesysteem van de Wwb zal leiden? Krijgen
de
gemeenten dan wel weer de bevoegdheid tot het geven van boeten.
Komen de bepalingen omtrent het verhaal van een uitkering overeen met het
onderhavige wetsvoorstel? Is het de bedoeling dat de Wet BMT voor alle
veertien wetten sociale zekerheid zal worden ingetrokken? Kan de
regering een vergelijking maken van de bepalingen in de Algemene
bijstandswet en de bepalingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen.
De regering is ruimhartig
in het formuleren van verplichtingen van de cliënt en dat is naar het
oordeel van de leden van de PvdA-fractie terecht.
Als het gaat om de
rechten van de cliënt worden deze door de regering beperkt. Het recht om
gelijk behandeld te worden in gelijke situaties als het om sancties gaat, is
in dit wetsvoorstel in het geding. In welke mate moet naar het oordeel van
de regering bij het bepalen van de zwaarte van de sanctie de ernst van
de overtreding en de verwijtbaarheid in relatie tot de persoonlijke
omstandigheden worden meegewogen? In welke mate is Europese regelgeving mede
bepalend voor de aard en de systematiek van opgelegde sancties? Is
maatwerk willekeur? Of moet de grondslag voor maatwerk verifieerbare en
vergelijkbare criteria bevatten om rechtsgelijkheid te waarborgen? Wat vindt
de regering dat sancties niet op grond van maatwerk, maar op grond
van verschillende politieke opvattingen tussen verschillende
gemeenteraden worden opgelegd? Denkt de regering dat de burger de overheid
betrouwbaar vindt als sancties per gemeente verschillen? Op welke wijze denkt de regering
zich te verantwoorden
over de fraudebestrijding
op gemeentelijk niveau zoals in het recente algemene overleg
over fraudebestrijding door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is toegezegd?
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen een nadere toelichting op de keuze in voorliggend
wetsvoorstel om de bevoegdheid tot verlaging van de uitkering,
inclusief de vaststelling van een verordening hiervoor, rblz.|61|
aan de
gemeenten over te
laten. De leden begrijpen niet dat waar het de verstrekking van
categoriale bijstand betreft de regering voor een landelijk verbod hierop kiest met
het argument van rechtsgelijkheid, maar dat als het gaat om de
verlaging van de uitkering dit juist aan gemeenten wordt overgelaten. Deelt
de regering de vrees dat gemeenten die niet rondkomen met het
verleende budget massaal zullen gaan korten op de hoogte van de uitkering?
Hoe wordt gegarandeerd dat een eventuele verlaging van de
uitkering geschiedt op basis van zuiver objectieve criteria? En waarom is
niet gekozen voor een uitwerking van het regime voor verlaging van de
uitkering nader te definiëren in een AMvB?
7.4. Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften [MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
constateren dat er geen voorschriften komen voor de inrichting van de
administratie, heronderzoeken, debiteurenonderzoek en
beëindigingonderzoek. Naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie is dat een
goede zaak. De vraag is wel, nu de
gemeenten maar kunnen kiezen tussen
twee ICT-leveranciers, hoe vrij de keuze van de gemeente is om zelf
optimaal efficiënt binnen de eigen gemeentelijke financiële huishouding
deze administratie in te richten. Deze leden vragen de regering naar hun
inschatting en opvatting over de werkelijke ruimte van de gemeenten.
7.5. Beleidsinnovatie
[MvT;
NnavhV]
De leden van de PvdA-fractie
vinden een experimenteerartikel in de
wet van belang. De
omschrijving van de regering is echter onduidelijk als het gaat om de ruimte die men
wil scheppen. Deze leden vragen voorbeelden van experimenten. Kan de
regering voorbeelden geven die betrekking hebben op rechten van betrokkenen? En op plichten van betrokkenen?
Deze leden ontvangen
graag een opzet van de door de regering voorgenomen algemene maatregel van bestuur.
8.
Rijkstoezicht [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
zijn van mening dat de Tweede Kamer in de situatie van de nieuwe Wwb
de minister zal moeten kunnen aanspreken op de werking van de
Wwb.
De minister is verantwoordelijk voor het systeem, maar ook voor de
resultaten van het systeem. Met name ten aanzien van de
doeltreffendheid van de wet verandert die verantwoordelijkheid: de gemeente
(gemeenteraad) is verantwoordelijk voor de controle op de
doeltreffendheid van het beleid, terwijl de minister alleen verantwoordelijk is voor
de doeltreffendheid van het beleid op landelijk niveau. Welke gevolgen
heeft dat concreet voor het streven naar minder administratieve lasten en
voor de rol van de IWI namens de minister? Kan meer informatie via
bijvoorbeeld het CBS gevraagd worden in plaats van rechtstreeks aan de
gemeenten? Kan de regering voorbeelden noemen?
De leden van de
CDA-fractie vragen de regering duidelijk aan te geven welke gegevens de
regering nodig heeft en welke gegevens die onder de Algemene
bijstandswet wel
nodig waren nu niet meer nodig zijn. Moet de minister op de hoogte
zijn van het feit dat in een individuele gemeente de Wwb niet goed wordt
uitgevoerd? Zo ja, hoe komt de minister aan de daarvoor benodigde
informatie en welke vervolgstappen kan de minister dan zetten? De IWI krijgt
in de Wwb de rol van toezichthouder namens de minister. De IWI kan op grond van diverse wetsartikelen informatie
opvragen bij en van
gemeenten. Hoe garandeert de regering dat op deze wijze niet alsnog extra
informatievragen en regelgeving voor gemeenten gaan ontstaan? Hoe zal de
toetsing van de rechtmatigheid plaatsvinden in relatie tot de huidige
werkwijze onder de Algemene bijstandswet? rblz.|62|
Wanneer treedt het Rijk
wel op als toezichthouder bij de individuele gemeente en wanneer niet?
De leden van de
PvdA-fractie merken op dat door de uitvoeringsorganisaties zorg wordt geuit over de
mate waarin de Rau 1996 of andere verantwoordingsvoorschriften
worden vervangen door nieuwe met een zelfde regeldichtheid en
administratieve belasting. Hoe kan de regering waarborgen dat de
regelgeving over verantwoording en dan vooral de uitvraag daadwerkelijk
beperkt wordt? Hoe gaat de regering zich daarover verantwoorden?
De leden van de
PvdA-fractie wijzen erop dat de Tweede Kamer in de veronderstelling
verkeerde dat bij de invoering van de nieuwe Algemene
bijstandswet er sprake
zou zijn van een aanzienlijke beperking van nadere regelgeving. Dat bleek
niet het geval. Uit het zicht van de Kamer is toen een nieuwe bureaucratie
van regelgeving uit de grond gestampt. Nu wordt deze afgeschaft. Welke
waarborgen zijn er dat een soortgelijk proces wordt voorkomen? Hoe en
wanneer gaat de regering zich hierover verantwoorden.
In dat kader hebben de
leden van de PvdA-fractie nog enige vragen. Hoeveel verzamelbrieven,
circulaires, ministeriele besluiten en AMvB’s zijn sinds 1 september
2002 tot 1 juli 2003 naar de
gemeenten gestuurd op het gebied van de
bijstand en de Wiw? Hoeveel onderwerpen bevatten die? Hoeveel en welke van
deze onderwerpen zullen in het kader van de Wwb
niet meer aan de
gemeenten worden gestuurd als regel of richtlijn? De leden van de
PvdA-fractie vragen of, indien de gemeente met single-auditsystemen gaat
werken en de externe accountant de controle doet, deze dan ook op
rechtmatigheid wordt gedaan? Wordt deze dan ook op doeltreffendheid gedaan?
Komen er landelijke controleprotocollen? In welke mate wordt de departementale accountantsdienst nog betrokken in
de controle op de
gemeenten of de controle op de accountants van de gemeenten? Indien een
gemeentelijke rekenkamer in opdracht van de gemeente onderzoek doet,
hebben dan de gemeenteraadsleden die zitting hebben in die rekenkamer toegang tot de individuele
cliëntendossiers? Ambtenaren
dienen de ambtseed af te leggen als het gaat om het vertrouwelijk houden van
gegevens van cliëntendossiers. Geldt dat ook voor gekozen
gemeenteraadsleden?
Zowel de leden van de
PvdA-fractie als de VVD-fractie
vragen met welke periodiciteit de Kamer
wordt geïnformeerd over het landelijke beeld met betrekking tot de
doeltreffendheid en de rechtmatigheid van de bijstandswet. Welke
normen hanteert de IWI daar waar het gaat om de doeltreffendheid? Kan de
regering precies aangeven welke informatiestromen van de
gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden geschrapt en kan
daarbij een indicatie worden gegeven van de omvang van de besparingen op de uitvoeringskosten voor
gemeenten die dit met
zich meebrengt? Kan de regering precies aangeven welke toezichtsinformatie
met betrekking tot de doeltreffendheid de Kamer niet meer zal ontvangen met daarbij de huidige informatievoorziening als
nulsituatie? Kan de
regering precies aangeven welke toezichtinformatie met betrekking tot de
rechtmatigheid de Kamer niet meer zal ontvangen met daarbij de huidige
informatievoorziening als nulsituatie? Kan de regering precies aangeven wat
onder het begrip rechtmatigheid valt? Valt fraude hier ook onder?
De
leden van de
VVD-fractie constateren dat de
gemeenten weliswaar financieel worden
losgelaten door het Rijk, maar als gekeken wordt naar de verantwoording die ze
beleidsmatig moeten afleggen, is daarvan geen sprake. Zij vinden dit
zeker in het begin een goede zaak. Ook na verloop van tijd moeten de
gemeenten die onvoldoende/voldoende presenteren zich stelselmatig blijven
verantwoorden. Is het echter niet mogelijk om rblz.|63|
gemeenten die na de
budgettering goed blijken te presteren ook qua beleidsmatige
verantwoording meer vrijheid te geven? Dit levert een extra prikkel op om goed te
presteren.
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen waarom het rijkstoezicht zich zo nadrukkelijk
richt op de rechtmatigheid van de bestedingen door een gemeente. Zij wijzen
hierbij op opmerkingen van diverse wethouders dat sturing op output,
bijvoorbeeld "hoeveel mensen zijn uitgestroomd", de bestuurslasten voor
zowel Rijk als gemeenten verder kunnen verlagen.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie missen een algemene beschouwing over de
toezichtsfilosofie die ten grondslag ligt aan de nieuwe opzet van het
toezicht. Kan nader worden aangegeven in welke opzichten het toezicht op
rijksniveau precies zal wijzigen ten opzichte van de huidige situatie op de
onderdelen rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid? Wat
vindt de regering van de gedachte dat het toezicht op rijksniveau meer op
afstand kan worden geplaatst, nu wordt gekozen voor vergaande
decentralisatie?
9.
Informatiebeleid [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen wat de consequentie van de Wwb is voor de afspraken in het
kader van de Agenda voor de Toekomst en de sluitende aanpak? Is de
regering van mening dat het aantal indicatoren voor de monitor voor de
Agenda voor de Toekomst verminderd kan worden? Is er een
verplichte benchmark tussen
gemeenten nodig? Zo ja, waarom?
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de regering precies kan aangeven welke informatie over de
bijstand
gemeenten niet meer aan het departement en het CBS hoeven te
leveren na invoering van de Wwb? Kan de regering precies aangeven
welke informatie over de bijstand de Kamer niet meer ontvangt na
invoering van de Wwb?
Het bevreemdt de leden
van de PvdA-fractie dat de cliënt, waar de wet en de uitvoering om draait,
niet als bron en onderwerp van informatiebeleid wordt gezien. Het doel
van de wet is mensen opvangen met inkomen, activering en hulp en zoveel mogelijk terugleiden naar de arbeidsmarkt. Dan zou de cliënt toch
in de verantwoording centraal moeten staan, zo menen deze leden. Zij
vragen de regering om een nadere beschouwing over dit aspect, waarbij
aandacht dient te worden besteed aan de volgende elementen. Wat is het resultaat van wetgeving voor groepen cliënten? Wat
is de kwaliteit van de
regelgeving? Wat heeft het gekost? Heeft de regering overwogen om een vorm van
certificering te laten ontwikkelen rond de kwaliteit van cliëntbehandeling waardoor waarborgen voor de cliënt
kunnen worden vastgelegd?
Daarin zou de Landelijke Cliëntenraad, de VNG
en Divosa een
belangrijke rol hebben.
Kwaliteitscriteria van de
uitvoering van de wet zijn cliëntenparticipatie, waarborgen voor
cliëntenraden zoals het faciliteren en het gehoord worden door de
gemeenteraad, het hanteren van een persoonsgebonden reïntegratiebudget,
beroep en bezwaarrechten, second opinion, ombudsfunctie, waarborgen
over de toegankelijkheid van complexe formulieren en processen
(formulierenteams), huisbezoek, helpdesk, online informatie,
klanttevredenheidsmetingen, onderzoek naar niet-gebruik van voorzieningen en
bijzondere bijstand onder doelgroepen, verantwoording op aantal
klachten, de afdoening en doorlooptijd daarvan, verantwoording van het
aantal beroeps- en bezwaarprocedures en het resultaat daarvan in
toekenning of afwijzing.
Ook macroniveau behoort
tot de kwaliteitscriteria naast rechtmatigheid en kwaliteit van
klantbehandeling, zij het op een vereenvoudigd niveau.
rblz.|64|
Bijvoorbeeld hoeveel
gemeenten voldoen aan de certificering, het percentage beroep en bezwaar en de
mate van honorering van het beroep als landelijk beeld. Ook zou
gewerkt kunnen worden met een faciliteitenscore. Dat wil zeggen dat
op landelijk niveau beschikbaar is het percentage van gemeenten die geheel
of gedeeltelijk genoemde (als voorbeeld) faciliteiten beschikbaar
stellen. Het verslag van het college van B&W aan de raad vormt hiervoor de
bron. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om een reactie
hierover.
Naar de mening van de
leden van de PvdA-fractie valt op dat de regering in de aanhef zegt alleen
zicht te willen hebben op de hoogte van de uitgaven, de
effectiviteit van beleid en de rechtmatigheid van de uitvoering. Daarin ontbreekt de
doeltreffendheid van de uitvoering. Juist de Algemene Rekenkamer heeft
bij het onderzoek naar het resultaat van het beleid rond vrouwen in de
bijstand geconcludeerd, na de reactie van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat resultaat van beleid wel degelijk tot
de ministeriele verantwoordelijkheid behoord. De leden van de PvdA-fractie
vragen daarover helderheid en een standpunt aan de regering.
Heeft de regering Actal [Adviescollege toetsing
administratieve lasten, red.] om advies gevraagd? Zo ja, waar is het oordeel? De leden van de
PvdA-fractie kunnen zich goed vinden in het afwijken van generieke regels als het
gaat om verantwoordingseisen naar gemeentegrootte. Wel achten deze
leden het van groot belang dat de verantwoording van de wetsuitvoering op
rijksniveau een goed en betrouwbaar beeld geeft van resultaat en
kwaliteit van wetgeving. Als kwaliteitscriteria wordt naast rechtmatigheid ook
de effectiviteit en kwaliteit van het gevoerde beleid verantwoord. Deze
leden vragen een overzicht van onderwerpen die onderdeel vormen van
de jaarlijkse verantwoording van de regering aan de Kamer over de
uitvoering van de Wwb en een lijst van onderwerpen waarop steekproefsgewijs
onderzoek wordt gedaan.
In dat kader vragen de
leden ook of er nog onderzoek bij de gemeente op dossierniveau zal plaatsvinden, bijvoorbeeld door de
IWI. Dat zou naar het oordeel van de leden
van de PvdA-fractie niet meer het geval moeten zijn.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de regering gaat voorzien in een evaluatieparagraaf in het
wetsvoorstel Wwb. Welke elementen zijn naar het oordeel van de
regering het meest kwetsbaar en zouden met een snellere frequentie
geëvalueerd moeten worden? Hoe en met welke frequentie gaat de
regering voorzien in een voortgangsrapportage aan de Kamer over de Wwb? Welke
elementen gaat de regering opnemen in deze rapportage? Graag
zien zij een opzet en uitwerking van de kant van de regering tegemoet.
De leden van de
VVD-fractie vragen hoe gewaarborgd wordt dat de rapportage- en
monitoringslast van de sociale diensten daadwerkelijk wordt verminderd? Hoe
wordt gewaarborgd dat de sociale diensten voor wat betreft de aan te
leveren informatie van tevoren weten waar zij aan toe zijn en niet meer te
pas en te onpas gevraagd worden om aanvullende informatie? Welke
informatie gaat u concreet van de sociale diensten vragen?
10.
Overige inkomensvoorzieningen [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of het UWV verantwoordelijk gemaakt moet worden voor de
werkloos geworden werknemer. De gemeente zal toch immers ook altijd
ouderen in de bijstand houden. Wordt het systeem als geheel door deze
overgang helderder en wat zijn de praktische gevolgen voor de
cliënten?
Tevens vragen zij of door
het niet meenemen van de Ioaw en Ioaz
in de Wwb straks voor mensen
die nu in deze wet zitten problemen kunnen rblz.|65|
ontstaan omdat zij dan
bij verandering van wetgeving geen gebruik kunnen maken van
overgangsrechten voor werk en vermogen die nu wel gelden?
De leden van de
CDA-fractie vragen waarom de financiering van de nieuwe zelfstandigenwet
niet mee zal lopen in de volledige budgettering.
De leden van de
PvdA-fractie vragen welke beleidsvoornemens de regering heeft met
de Bijstandsregeling Zelfstandigen [Besluit
bijstandverlening zelfstandigen, red.]? Wie gaat die uitvoeren?
Nu in de Ioaz een aantal
afvloeiings-, vangnet- en afbouwregelingen van Landbouw (agrariërs) en
van Verkeer (binnenvaart en vervoer) zijn opgenomen, wie gaat deze taken dan
uitvoeren?
In welke mate worden de
gemeenten extra belast indien zij verschillende administratieve systemen
naast elkaar moeten laten bestaan?
De leden van de
PvdA-fractie hebben grote aarzelingen bij de voornemens van de regering om
gedeeltelijk arbeidsongeschikten en ouderen bij de gemeente weg te halen.
Vooral de participatie en sociale activering is een expertise die bij de
gemeente ligt. Van het inkopen door het UWV is nog weinig
terechtgekomen.
De Wsw biedt juist aan mensen met beperkingen werkgelegenheid en
expertise. De kennis van het UWV gaat niet verder dan het
opdrachtgeverschap voor marktpartijen. Die laatste zijn dezelfde waaraan de
gemeenten opdrachten verstrekt. Het komt deze leden voor dat de
regering meer op zoek is naar compensatie voor het UWV vanwege het verlies
aan taken. Dat taakverlies zal zeker het gevolg zijn van de Wet
administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten, de bekorting van de
WW en de door de regering in onderzoek zijnde
gedeeltelijke privatisering van de WW en het privatiseren van de looncompensatie
arbeidsongeschikten (ex-WAO). Is dat wel zo verstandig,
vragen de leden van de PvdA-fractie. Immers het UWV of de verzekeraar
heeft als regel al enige tijd de gelegenheid gehad om mensen terug te leiden
naar de arbeidsmarkt. Mensen die moeilijk plaatsbaar zijn, komen via
het maatwerk van de gemeenten in combinatie met sociale activering
eerder aan de slag. Deze leden vragen commentaar en geruststelling van de
regering op hun zorgen over de richting die de regering zich voorneemt.
Enige tijd is met de
gedachte gespeeld om de uitvoering van de Toeslagenwet (hierna: TW)
naar de gemeenten over te hevelen, constateren de leden van de
PvdA-fractie. Dit mede vanwege het bijstandsachtige karakter van de TW. Wat
is de opvatting van de regering daarover?
De leden van de
SGP-fractie merken op dat in het wetsvoorstel een aantal andere
wetten worden
geïntegreerd of ingetrokken. Daaronder vallen de Ioaw
en Ioaz. De aan het
woord zijnde leden hebben bij een eerdere herinrichting van
de Algemene
bijstandswet in 1992 gepleit voor integratie in de
Algemene bijstandswet. Toen was de reactie van de regering echter dat door
het samenbrengen van verschillende uitkeringsregimes in één wet de Algemene
bijstandswet daarmee zelf ingewikkelder zou worden. De regering
geeft in dit wetsvoorstel aan dat de Ioaw en Ioaz worden
ingetrokken en dat in de Invoeringswet de bijstandsuitkering tijdelijk wordt geregeld
tot in 2004 een aparte wet zal worden aangeboden aan de Kamer. De leden
van de SGP-fractie zijn van mening dat juist het huidige
voorstel van de regering een ingewikkelde constructie is. Waarom is niet gekozen
voor de integratie in het huidige wetsvoorstel? Waarom wordt anderzijds
niet gewacht met de intrekking van de Ioaz totdat de regering een
nieuw wetsvoorstel naar de Kamer stuurt?
rblz.|66|
11.
Financiële gevolgen [MvT;
NnavhV]
De leden van de CDA-fractie
vragen of de regering kan aangeven waarop de geschatte besparingen
oplopend tot €|250 miljoen zijn gefundeerd.
De leden van de CDA-fractie vinden dat in het werkdeel alle middelen die gericht zijn op
reïntegratieactiviteiten, samengebracht moeten worden in
een vrij besteedbaar en
flexibel reïntegratiebudget. Dat biedt naar het oordeel van deze leden
gemeenten de meest optimale mogelijkheden om individuele belanghebbenden een traject naar een reguliere baan aan te
bieden. Volgens de
memorie van toelichting zullen per 1 januari 2004 vooralsnog alleen de
budgetten van het ID-besluit en de Wiw worden ondergebracht in dat budget. Waarom is
dat zo beperkt? Waaruit bestaat het budget van het werkdeel
per 1 januari 2004, zowel in geld als naar oorsprong? Waarom zijn
bijvoorbeeld niet de budgetten voor scholing en activering en een deel
van de budgetten voor inburgering hieraan toegevoegd? Welke budgetten zullen
naar het oordeel van de regering in de toekomst toegevoegd
worden en wanneer? Hoe beoordeelt de regering deze beperkte opzet van
een vrij besteedbaar reïntegratiebudget in relatie tot de beoogde
besparingen op dit budget?
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de regering bereid is de bezuiniging op het inkomensdeel naar
latere jaren op te schuiven? Immers zolang in 2007 de beoogde €|250
miljoen bezuiniging is gerealiseerd en de kosten van uitstel van de
bezuiniging voorafgaand aan de invoering worden opgevangen, dan is voor de regering
een meerjarenbegroting geen nadeel.
Te denken valt aan een
temporele schuif. Is het niet uiterst ongewoon, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie, dat voorafgaand aan een zo complex omzettingsproces zo een
zware bezuiniging wordt ingezet?
Deze leden verzoeken
voorts een uitdraai van iedere Nederlandse gemeente
waarin is
opgenomen het berekende budget per gemeente op basis van het huidige
verdeelmodel in 2002 (25% budget plus 75% werkelijke uitgaven), het berekende
budget op basis van het voorgestelde systeem voor 2003 per
gemeente (25% budget en raming 75% uitgaven) en de prognose voor 2004,
2005, 2006 en 2007.
Vervolgens vragen deze
leden hoeveel van de grote gemeenten te veel en hoeveel te weinig aan het
budget hebben, waarbij de gemeenten met namen worden genoemd.
Welke gemeenten zullen in die jaren gebruik moeten maken van de
hardheidsclausule? Welke gemeenten zullen de artikel-12-status
krijgen? Hoeveel geld moeten gemeenten zelf uit eigen begroting bijdragen omdat
zij aan het budget tekortkomen? Hoeveel gemeenten hebben meer dan
10% over op hun budget? Welke gemeenten zijn dat? Hoeveel geld is
er gemoeid met het uitbetalen van de risico’s boven de
hardheidsclausule?
Hoeveel gemeenten krijgen
een budget dat boven hun uitgaven ligt? Hoeveel krijgen een
budget dat meer dan 10% boven de uitgaven ligt? Wordt dat afgeroomd?
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de meerjarenprognose over de groei van het
bijstandsbudget. Tevens vragen zij een meerjaren-CPB-berekening tot en met
2007 waarin zijn opgenomen de conjuncturele effecten op de bijstand
op basis van de groei van de werkloosheid en de voorziene groei vanwege rijksmaatregelen. Het gaat dan om voorgenomen
maatregelen op het
terrein van WAO, de WW en overige maatregelen van rijksbeleid.
Zij verzoeken
bovengenoemde doorrekeningen en nadere gegevens vóór 10 augustus aanstaande
beschikbaar te stellen, opdat de behandeling van het wetsvoorstel in de
laatste week van augustus gewaarborgd wordt.
De regering stelt dat de
conjuncturele risico’s bij het Rijk liggen, maar is het niet zo dat de eerste 10%
van de conjuncturele risico’s bij de gemeente liggen, vragen de leden
van de PvdA-fractie.
rblz.|67|
De
leden van de
VVD-fractie constateren dat het volledig budgetteren van de bijstandsuitgaven,
naar de mening van de regering, een besparing zal opleveren van €|150
miljoen in 2004, oplopend tot €|250 miljoen in 2006. De regering geeft geen
toelichting op deze raming. Kan een onderbouwing worden gegeven van de
raming van de besparing van €|250
miljoen? Hoe wordt gemeten dat de
besparing ook daadwerkelijk is gerealiseerd? Waarom kan nu wel een
besparing als gevolg van budgettering van de bijstandslasten worden
geraamd terwijl dit bij de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz nog niet
kon? Waarom worden geen effecten van de budgettering na 2006
verwacht? Is het effect van de budgettering dan uitgewerkt?
De leden van de
VVD-fractie vragen welke middelen beschikbaar zijn gesteld voor de
langdurigheidstoeslag? Welke P-maal-Q-onderbouwing ligt aan deze raming ten
grondslag? Waar is het bedrag terug te vinden op de rijksbegroting?
De leden van de
D66-fractie constateren dat als gevolg van de
Wwb €|70 miljoen wordt onttrokken
aan het gemeentefonds. Hier bovenop wordt reeds in 2004 €|150
miljoen bezuinigd op het gemeentelijk minimabeleid. Reden van de korting is
de afname van het aantal bijstandsgerechtigden en de gestegen uitgaven
voor de bijzondere bijstand. De VNG zegt hierop in feite dat die instroom
in de bijstand als gevolg van het toenemende aantal werklozen niet zal
dalen, waardoor de onderbouwing van de regering niet meer valide is. Hoe
gaat de regering om met deze kritiek?
12.
Rechtsbescherming [MvT;
NnavhV]
Als het om de regels over
de verlaging van de uitkering gaat, hebben de leden van de PvdA-fractie
vragen. Is het niet verwarrend dat de grond voor verlaging van de
uitkering tweeledig kan zijn? Namelijk een lagere uitkering omdat men
kosten van wonen kan delen en een lagere uitkering als sanctie vanwege een
overtreding of verwijtbaar handelen. Hoe verhoudt zich de
bevoegdheid tot het verlagen van een uitkering met de vierde tranche van de
Awb? Welke risico’s kleven aan ongelijke verordeningen op vergelijkbare of
gelijke overtredingen? Zal dat in de juristprudentie standhouden? Het komt de
leden van de PvdA-fractie voor dat de belangrijke wijziging
het beperken van rechten en het vergroten van plichten voor cliënten
betreft? Is dat juist?
De leden van de
PvdA-fractie worstelen met de aanpak die gekozen is uit een oogpunt van
rechtsbescherming. De regering voert de Wwb
voor het inkomensdeel in
medebewind uit met de gemeente. De bijstand is een in de
Grondwet gewaarborgd
recht. Kan op grond van gedragingen dat recht via een gemeentelijke
verordening (tijdelijk) ontzegd worden? Is dat uit een oogpunt van
proportionaliteit rechtmatig?
Kan het college van
B&W iemand een zodanig sanctie opleggen dat deze als gevolg daarvan geheel
van de uitkering voor onbepaalde tijd wordt uitgesloten? Past dat
binnen de werking van de Grondwet? Kan het zolang het college van B&W
dat besluit driemaandelijks opnieuw neemt? Voorstelbaar is opschorting,
voorstelbaar is een boete, maar ontzegging lijkt een te zware sanctie.
Hebben mensen die recht op bijstand hebben minder recht op gelijke
behandeling in gelijke gevallen dan andere burgers, vragen de leden
van de PvdA-fractie.
Is de regering wel fair
bezig als ze het verlagen van de uitkering voorstelt als hulpmiddel om
reïntegratie te bevorderen terwijl het feitelijk gaat over het sanctioneren van
ongewenst gedrag? Welke norm wenst de regering te hanteren bij het
bepalen van de beleidsruimte voor de gemeenten om de hoogte van de
uitkering te beknotten vanwege een sanctie? Heeft de rijksoverheid hier geen
rol als beschermer van rechtsgelijkheid? Vindt de rblz.|68|
regering dat een
parkeerboete van dezelfde orde is als een sanctie door het verlagen van de
middelen van het bestaansminimum? Zijn daar grenzen aan? In welke
mate is de gemeente gehouden aan proportionaliteit, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie. Nu de gemeente zelf een verordening vaststelt
inzake sancties, welke waarborgen moeten daarin zin opgenomen inzake de
bepalingen van het EVRM? Gelden hoor en wederhoor, geldt ne bis
in idem? Zijn in de verordening beroepsrechten gewaarborgd? Gelden de
andere bepalingen van boeten en maatregelen? Is het de gemeente
toegestaan op andere gronden een uitkering te verlagen dan de gronden
die in de gemeenteverordening zijn vast gelegd? Moet in de
gemeenteverordening tevoren de hoogte van de sanctie in relatie tot de aard van
de overtreding worden vastgelegd?
Wanneer ontstaat strijd
met de bij wet opgelegde zorgplicht van de gemeente en het bij Grondwet gewaarborgde recht op bijstand? Graag zien de leden van de
PvdA-fractie een aantal voorbeelden tegemoet. Moet de gemeente
overleggen met het openbaar ministerie (hierna: het OM) bij een overtreding
waar de hoogte van het bedrag de €|6000,- nadert? Moet de
gemeente
overleggen met het OM over de gemeentelijke verordening?
De leden van de
fractie van
GroenLinks constateren dat voor bijstandsgerechtigden de reguliere wegen van
bezwaar en beroep openstaan. Zij vragen de regering te
beargumenteren of deze vorm van rechtsbescherming voldoende laagdrempelig
en effectief is. Zij geven de regering in overweging om de
ondersteuning van individuen bij problemen met hun gemeente
te verankeren in de
wet, bijvoorbeeld door het uitbreiden van de dekkingsgraad van
sociaal raadslieden naar alle gemeenten.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat de regering ervan uitgaat dat de Wwb
met zich meebrengt dat de rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep
zich meer dan voorheen moeten richten op de lokale regelgeving in
plaats van de landelijke. Zij informeren of dit naar verwachting tot een
taakverzwaring voor het justitiële apparaat zal leiden. Zijn los daarvan ook meer
beroepszaken te verwachten, gelet op de toegenomen kans op
rechtsongelijkheid?
Artikelsgewijs
Artikel 1
[1]. [Organen,
red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie merken op dat in artikel
1 [1], onderdeel a, wordt
verwezen naar artikel 10 [10], derde lid, en
artikel 40 [40], eerste lid. Gelet op het feit
dat in artikel 10 [10], derde lid, slechts wordt vastgelegd dat
artikel 40 [40], eerste
lid, van overeenkomstige toepassing is, lijkt een verwijzing in artikel 1
[1] naar artikel 10
[10] overbodig. Deze leden stellen voor deze verwijzing te
schrappen.
Artikel 6
[6]. [Niet-uitkeringsgerechtigde, arbeidsinschakeling en sociale activering,
red.] [MvT]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen hoe wordt bepaald of werk valt onder de noemer
"algemeen geaccepteerde arbeid". Zij vinden het volstrekt logisch dat
prostitutie hiervan in elk geval wordt uitgesloten, al lijkt dit niet
consistent in het licht van de recente - door deze leden niet gesteunde
- legalisering van bordelen. Voor werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen, geldt ook een
uitzondering. De vraag dringt zich op hoe en door wie wordt
vastgesteld dat een beroep wordt gedaan op gewetensbezwaren.
rblz.|69|
Artikel 7
[7]. [Opdracht
burgemeester en wethouders, red.] [MvT]
De leden van de
PvdA-fractie zijn het niet eens met de verplichte aanbesteding aan derden van de
gemeenten. Door te kiezen voor een financiële prikkel heeft de regering
gekozen voor een drukmiddel om de gemeenten te bewegen zoveel
mogelijk mensen aan het werk te helpen. Een beperkende bepaling die de vorm van
reïntegratie voorschrijft, werkt contraproductief naar het
oordeel van deze leden. Het belang van de overheid van een goed werkende
reïntegratiemarkt kan ook op andere wijze bevorderd worden. De leden van de
PvdA-fractie vragen de regering om enige bezinning. Een convenant
met de gemeenten voor een periode die eindigt op de volledige invoering
van de Wwb zou een passender instrument zijn. In zo’n convenant zou
een verhouding van uitbesteding en eigen trajecten kunnen worden afgesproken.
Artikel 9
[9]. [Plicht tot
arbeidsinschakeling, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie willen weten wie bepaalt wat algemeen geaccepteerd is? Moet een
belanghebbende werk aannemen dat nadelig (maar niet onmogelijk) is
voor zijn fysieke en/of geestelijke gesteldheid of werk dat zijn
carrièrekansen (op termijn) negatief beïnvloedt?
De leden van de
fractie van
GroenLinks constateren dat
gemeenten de bevoegdheid krijgen
mensen te laten werken met behoud van uitkering. Zij geven de regering in
overweging om deze tewerkstelling te koppelen aan een maximumtermijn
van bijvoorbeeld zes maanden, waarna het recht op een
daadwerkelijk loon ontstaat. Ook vragen zij of mensen die gaan werken met behoud
van uitkering aanspraak kunnen maken op een onkostenvergoeding bovenop hun basisuitkering.
Daarnaast vragen de leden
van de fractie van GroenLinks een nadere definiëring van het
begrip "algemeen geaccepteerde arbeid": wat moet hieronder precies worden
verstaan? Kan daarnaast een opsomming worden gegeven van
werkzaamheden welke niet als "algemeen geaccepteerd" worden beschouwd?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie hebben met grote teleurstelling kennis genomen van het
voorstel de bestaande vrijstellingen voor alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan vijf jaar - op basis van artikel
107, tweede lid, Algemene
bijstandswet - te schrappen. De onderliggende argumentatie heeft deze
leden allerminst overtuigd. Bij de totstandkoming van de
nieuwe Algemene
bijstandswet is er heel bewust voor gekozen de zorg voor
de kleinste kinderen te laten prevaleren boven arbeidsparticipatie. Deze
zorg werd destijds volkomen terecht als een belangrijke
maatschappelijk investering gezien. Onder de werkingssfeer van de huidige wet wordt
arbeidsparticipatie van de betreffende categorie ouders overigens
gestimuleerd door het toeslagenbeleid. Uitgangspunt hierbij is echter wel
vrijwilligheid. Dat moet naar de overtuiging van de leden van de fractie van
de ChristenUnie zo blijven. Zij zouden het zeer op prijs stellen als de
regering deze wens - die bij de doelgroep ook vrij breed leeft - wil
honoreren en een regeling wil treffen conform het huidige artikel
107,
tweede lid, Algemene
bijstandswet.
Deze leden vragen naar
aanleiding van het eerste lid, onderdeel a, in welke mate de regering
ervan uitgaat dat de vervanging van het begrip passende arbeid door de
term algemeen geaccepteerde arbeid zal leiden tot verdringingseffecten
op de arbeidsmarkt; zullen hoogopgeleiden niet de plaatsen gaan bezetten
van laagopgeleiden?
rblz.|70|
Artikel 10
[10].
[Aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie hebben verschillende vragen bij de ondersteuning bij het verkrijgen van
algemeen geaccepteerde arbeid. Wat gebeurt er als de gemeente
niet voldoende middelen vrijmaakt om te voorzien in de aanspraak
van een cliënt? Waar kan de cliënt naartoe om de aanspraak geldend te
maken?
Mag de gemeente vooraf
een onderscheid naar doelgroepen en aanspraken maken? Mag de
gemeenten in de vorm van doelgroepenbeleid onderscheid maken
in het beschikbaar stellen van budget. Kan de gemeenten een verzoek tot
reïntegratie weigeren vanwege het niet beschikbaar zijn van voldoende
budget, ook niet als het gevraagde traject passend is?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen of uit de toelichting op artikel
10, eerste
lid, kan worden afgeleid dat de aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling
geheel afhankelijk is van de budgettaire ruimte van de gemeente.
Betekent dit dat iemand die wil reïntegreren op een moment dat de
gemeente geen middelen meer heeft voor dit doel met lege handen staat?
Aanspraak is, voor zover zij het hebben begrepen, in elk geval niet gelijk
aan recht.
Aansluitend informeren
zij hoe kan worden gewaarborgd dat sprake is van een evenwichtige
aanpak van de verschillende in de
wet genoemde groepen en de doelgroepen
daarbinnen? Is dat volledig een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad? Valt
niet te voorzien dat gemeenten zich minder zullen inspannen
voor Anw-gerechtigden en
niet-uitkeringsgerechtigden, omdat die geen
uitkeringslasten voor de gemeente met zich
meebrengen en er dus in elk geval geen financiële prikkel is tot activering
van die groepen over te gaan?
Artikel 12
[12].
[Onderhoudsplicht ouders, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie hebben een aantal vragen over de onderhoudsplicht van ouders. Stel
twee jongeren van elk 19 jaar hebben een kind en wonen volledig
zelfstandig. Welke norm is hier van toepassing? Geldt de norm voor een echtpaar
omdat men anders onder het bestaansminimum zakt? Kan, moet de bijstand hier verhaald worden op de ouders?
Wanneer kan verhaal
achterwege blijven?
Artikel 13
[13]. [Uitsluiting
van bijstand, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat, in tegenstelling tot de
Algemene
bijstandswet waar in
artikel 9, tweede lid, onderdeel c, personen die 19 uur of meer per week
besteden aan een opleiding van het recht op algemene bijstand worden
uitgesloten, artikel 13 [13]
Wwb
dergelijke bepalingen niet kent. Uit de memorie
van toelichting blijkt echter geenszins dat het de bedoeling is deze groep
wel het recht op bijstand toe te kennen. De PvdA-fractie vraagt de regering om een
reactie en wil weten hoe dit zich verhoudt tot het
wetsvoorstel tot verruiming van de scholingsmogelijkheden binnen de Algemene
bijstandswet?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie informeren of de conclusie juist is dat personen
die 19 uur of meer per week besteden aan een opleiding, onder de werking van
de
nieuwe wet niet zijn uitgesloten van het recht op algemene
bijstand.
rblz.|71|
Artikel 14
[14]. [Niet-noodzakelijke kosten,
red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat in de Wwb
ten opzichte van de Algemene
bijstandswet de bestuurlijke boete (artikelen
14a tot en met 14f Algemene
bijstandswet) is
geschrapt. In artikel 14f van de Algemene
bijstandswet (dat ook van
toepassing is bij terugvordering en deels bij verhaal) is echter ook
verrekening, pseudo-verrekening en vereenvoudigd derdenbeslag geregeld.
Hierdoor is het in de Algemene
bijstandswet mogelijk om een vordering
op eenvoudige wijze te innen, veelal zonder tussenkomst van een deurwaarder.
Door het ontbreken van
een met artikel 14f overeenkomstige bepaling vervalt tevens het
voorschrift dat bij verrekening (en pseudo-verrekening) de beslagvrije voet in
acht genomen moet worden. Dit kan ertoe leiden dat bij invordering van
een terugvorderingsschuld de bijstandsgerechtigde iedere maand zijn hele
uitkering ter aflossing moet inleveren, met alle problemen van dien. De
PvdA-fractie vraagt wat de motivatie van de regering voor genoemde
verslechteringen is?
De leden van de
SGP-fractie vragen waarom de verrekening en
pseudo-verrekening, als bedoeld in
artikel 14f van de huidige Algemene
bijstandswet, vervallen
is.
Artikel 18
[18]. [Afstemming, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of door verandering van het systeem van boeten in de
Algemene
bijstandswet naar een systeem van kortingen op de uitkering in de Wwb
een hogere sanctie mogelijk is op het niet nakomen van een
verplichting in het kader van de Wwb.
Het college van B&W
kan bepalen welke bijstandsnorm bij co-ouderschap van toepassing is. Tot
welke uitkomsten kan in dat geval artikel
18 [18], eerste lid, leiden, vragen de leden
van de CDA-fractie?
De leden van de
PvdA-fractie vragen de regering precies aan te geven in welke gevallen er sprake
is van een punitieve maatregel bij het korten van de uitkering. De regering
stelt dat de gemeente per voorgenomen korting de verwijtbaarheid van
nalatigheidsgedrag of anderszins moet vaststellen om zo te kunnen besluiten
of er sprake is van verwijtbaarheid die het korten van de uitkering
rechtvaardigt. Hiermee geeft de regering aan dat er sprake is van een
sanctie. Dan is toch onontkoombaar dat ook de eisen die gelden op grond van
artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing zijn, zo vragen deze
leden. Is de
regering bereid over de interpretatie van de maatregel en het punitieve karakter
daarvan aan het Europees Hof advies te vragen?
Tevens constateren de
leden van de PvdA-fractie dat in het oorspronkelijke artikel
14b waarborgen
voor de cliënt in geval van sancties werden geregeld. Zoals
bijvoorbeeld het niet verplicht zijn tot het afleggen van een verklaring en het
recht om mededeling te krijgen in een voor hem begrijpelijke taal. Deze
bepalingen komen voort uit het EVRM. Op welke wijze zullen de gemeenten
deze bepalingen in hun verordening moeten opnemen? Zijn zij
verplicht deze en andere bepalingen die uit het EVRM en de Awb (ook
vierde tranche) voortvloeien in hun verordening op te nemen? In welke mate kan een
gemeente verweten worden als zij bij het verlagen van de uitkering om reden
van sanctie niet rechtmatig handelt op grond van het EVRM?
Wanneer kan op grond van
het EVRM het voornemen tot het opleggen van een sanctie
als criminal charge worden gezien? Welke procedures zullen de
gemeenten ter zake moeten hanteren?
rblz.|72|
Aan welke bepalingen in de Algemene wet
bestuursrecht
moeten de gemeenten voldoen? Graag zien deze leden een overzicht
tegemoet.
Welke vorm van vrijheid
hebben de gemeente daarin nu de Wwb daarover niets meldt? Zijn zij
gehouden aan de uitvoeringsvoorschriften Awb? Hebben cliënten het
recht om mondeling of schriftelijk hun zienswijze naar voren te brengen
voordat een uitkering gekort wordt?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat
gemeenten op grond van dit artikel
zelf bij verordening de hoogte van de maatregelen moeten bepalen. Zijn
gemeenten naar het oordeel van de regering voldoende geëquipeerd om
hieraan adequaat invulling te geven? Kan worden aangegeven in welke mate deze beleidswijziging risico’s met zich
meebrengt voor wat
betreft de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid? Is daarnaast maatwerk niet
nu ook reeds mogelijk? En in hoeverre kan een eventuele verlaging van
de uitkering met terugwerkende kracht worden opgelegd?
De leden van de fractie
van de ChristenUnie verzoeken de regering de stelling dat artikel 18
[18] strookt met artikel 6 EVRM nader te onderbouwen.
Artikel 20
[20]. [Jongerennormen, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie informeren of de jongerennormen in artikel 20
[20] voldoende
speelruimte bieden om tot verlaging over te gaan. Kan dit nader
worden toegelicht?
Artikel 21
[21].
[Normen 21-65
jaar, red.] [MvT]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen of is overwogen normen te hanteren van
100, 90 en 70% voor respectievelijk gehuwden, alleenstaande ouders en
alleenstaanden, met daaraan gekoppeld de mogelijkheid deze onder
omstandigheden te verlagen. Waarom is hiervan afgezien?
Artikel 24
[24]. [Afwijking norm
gehuwden, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie hebben een vraag over de passage in de
memorie van toelichting
op pagina 52 waarin staat dat "aangezien de bijstand als gevolg van
de afwijkende normvaststelling niet voorziet in de bestaankosten van de
echtgenoot, dienen diens eventuele middelen niet onverkort in beschouwing
te worden opgenomen". Kan dit niet onbedoeld een voordeel betekenen
voor het eenoudergezin waartoe de bedoelde echtgenoot
behoort, betekenen? Graag zien zij een uitleg van deze passage tegemoet.
Artikel 25
[25].
[Alleenstaande
(ouder), red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen waarom niet expliciet in dit artikel
is geregeld dat
gemeenten
een plicht hebben om de normbijstand te verhogen met een toeslag,
mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten.
Het is de leden van de
fractie van
de ChristenUnie niet duidelijk hoe is te controleren dat
budgettaire overwegingen bij de toeslagverdeling geen rol mogen spelen
rblz.|73|
Artikel 26
[26].
[Gehuwden, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of op grond van artikel 26
[26] een verlaging van de norm kan worden
vastgesteld voor een echtpaar dat een kamer verhuurt van hun
eigen woning?
Artikel 27
[27].
[Woonsituatie, red.] [MvT]
Eerder hebben de leden
van de PvdA-fractie voorgesteld om het 20%-deel vanwege het niet alleen
een woning bewonen of geen woonlasten hebben te laten vervallen.
Volstaan zou kunnen worden met een bepaling in artikel
27 [27] waarbij het te korten
bedrag vanwege het geheel of beperkt hebben van woonlasten maximaal
20% of een evenredig deel daarvan is.
Artikel 28
[28].
[Schoolverlaters, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of
gemeenten de plicht hebben om zorg te dragen voor een
adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. Kan op grond
van artikel 28 [28]
schoolverlaters een wachttijd van een
halfjaar voor een
uitkering in het kader van de Wwb worden opgelegd? Zo nee, hoe groot kan de
verlaging op grond van artikel 28 [28]
maximaal zijn?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie verzoeken de regering nader te motiveren waarom in
dit artikel wordt afgeweken van recente jurisprudentie op grond waarvan de
schoolverlatersverlaging geheel of gedeeltelijk achterwege moet blijven
als een schoolverlater met bijvoorbeeld een bijbaantje een hoger inkomen heeft dan de studiefinanciering (zie
CRvB,
07-12-1999, nr. 98/1937 Algemene
bijstandswet).
Artikel 29
[29].
[Alleenstaande
van 21 of 22 jaar, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen waardoor de verlaging op grond van
artikel 29 [29]
wordt
begrensd? Heeft dit te maken met het van toepassing zijnde bestaansminimum?
Is de eenmalige premie van €|1944,- per kalenderjaar
belastingvrij?
Artikel 30
[30]. [Verordening, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom de verlagingen van
artikel 18 [18]
Wwb
niet in deze
zelfde verordening mogen worden opgenomen (zie artikel 30
[30], derde lid)?
Het is de leden van de
fractie van
de ChristenUnie niet duidelijk hoe de verordening waarvan in
dit artikel sprake is zich verhoudt tot de verordening van artikel
18 [18]. Moet op
grond van artikel 8 [8]
niet worden geconcludeerd dat het dezelfde
verordening betreft?
Artikel 31
[31]. [Middelen, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen waarom in artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel c,
met betrekking tot de alleenstaandeouderkorting niet is gekozen voor een
leeftijdsgrens van het jongste kind van 12 jaar in plaats van 5 jaar.
Artikel 32
[32]. [Inkomen, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie hebben een vraag over de passage waarin wordt gesteld dat
"het
een eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid is om ingeval de betrokkene
de kosten met een ander kan delen, de hoogte van de bijstand daarop af
te stemmen. Kan een gemeente op grond rblz.|74|
daarvan de bijstand voor
een inwonende alleenstaande vaststellen op 50% van de norm en voor
een inwonende ouder op 70% van de norm? Tevens merken zij op dat
een eenmalige premie gericht op arbeidsinschakeling als inkomen wordt aangemerkt. Is dat niet in strijd met het doel
van de
wet, namelijk
mensen te stimuleren om een betaalde reguliere arbeidsplaats te
verwerven?
Artikel 34
[34]. [Vermogen, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het juist is dat het vrij te laten vermogen niet beïnvloed
wordt door interen of sparen tijdens de bijstandsperiode? Is het
niet logisch dat een gemeente op grond van artikel 51
[51] zelf bepaalt
of bijstand voor vervanging van een niet-afgeschreven duurzaam gebruiksgoed om
niet door de gemeente wordt verleend of via
garantstelling door de gemeente aan de kredietbank?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie gaan ervan uit dat bij de vaststelling van het
vermogen de tijdens de bijstandverlening ontstane schulden buiten
beschouwing worden gelaten. Is die veronderstelling juist en wordt in de
artikelsgewijze toelichting niet ten onrechte heel algemeen gesproken van schulden,
ongeacht het moment waarop ze zijn ontstaan? Is er bewust voor gekozen
geen rekening te houden met besteding en waardevermindering van
vermogen in dit artikel? Kan in dit kader ook worden aangegeven hoe
gemeenten moeten handelen bij overname van bijstandscliënten uit
andere gemeenten?
Artikel 40
[40]. [Woonplaats en
adresgegevens, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie verzoeken om een toelichting op de keuze voor een
imperatieve bepaling in het derde lid van dit artikel, mede in het licht van de
keuze voor een facultatieve bepaling in artikel
54 [54].
Artikel 44
[44]. [Toekenning, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat in de toelichting wordt gesteld dat de
ingangsdatum van de bijstand de dag van aanmelding bij het CWI
is en dat die
bepaling overeenkomt met datgene wat in de SUWI-wetten en de
Algemene
bijstandswet is bepaald. Er is echter sprake van een nieuwe formulering.
In de bepaling van de Wwb wordt de ingangsdatum zo gedefinieerd dat het
van de snelheid van de voortvarendheid van het CWI afhangt (en
de wachttijden daar) welke ingangsdatum van kracht is. Die bepaling
vormt een rechtsonzekerheid die niet passend is. Het is aan het CWI om te
zorgen dat zij de dag van aanmelding op dezelfde dag registreert als de
dag van de feitelijke aanmelding dan wel de eerste komst naar het CWI.
Wachttijden, niet-werkende ICT-toepassingen en dergelijke mogen niet ten
koste gaan van rechten van cliënten. Deze leden vragen hierop een reactie
van de regering.
Artikel 47
[47]. [Realisatie en
vormgeving, red.] [MvT]
Het is de leden van de
fractie van
de ChristenUnie niet duidelijk waarom niet is gekozen voor een
opzet van de cliëntenparticipatie analoog aan de Wet
SUWI.
Artikel 50
[50]. [Eigen woning, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen om een nadere motivering van de verslechtering van
de positie van bijstandsgerechtigden met een eigen woning ten
opzichte van de huidige situatie. Is de keuze voor rblz.|75|
deregulering belangrijker
dan het handhaven van de relatief sympathieke krediethypotheek?
Artikel 51
[51]. [Duurzame
gebruiksgoederen, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie vragen of er bewust voor is gekozen in het tweede lid
geen bepaling op te nemen inzake de beslagvrije voet, conform het tweede
lid van artikel 21 Algemene
bijstandswet.
Artikel 56
[56]. [Kinderalimentatie, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het college van B&W op grond van
artikel 56 [56]
alleen
kinderalimentatie van de ex-partner kan vorderen of kan er ook een hogere
bijdrage van de ex-partner gevraagd kan worden in het onderhoud van een
eenoudergezin?
Hebben de leden van de
PvdA-fractie goed begrepen dat het verhaal van de bijstandsuitkering op
een ex-echtgenoot uit de
wet geschrapt is?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het voorstel
belanghebbenden in voorkomende gevallen te verplichten zelf kinderalimentatie te
regelen. Zij zijn van oordeel dat dit prematuur is, in het licht van de
regeringsvoornemens de alimentatie in 2004 te herzien op basis van de
voorstellen van de IBO-werkgroep
[IBO:
interdepartementaal beleidsonderzoek, red.]. Wat verzet zich ertegen het artikel te
schrappen?
Artikel 57
[57]. [Noodzakelijke
betalingen en bijstand in natura, red.] [MvT]
Het
CDA onderschrijft om
conform artikel 57 [57]
in uitzonderlijke gevallen noodzakelijke betalingen
en bijstand in natura te verstrekken.
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie verzoeken de regering te reageren op de door
sommigen geuite zorg dat dak- en thuislozen op een illegale manier zullen
trachten aan geld te komen als hun uitkering geheel in natura wordt
uitgekeerd.
Artikel 58
[58]. [Bevoegdheid
terugvordering, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het met het intrekken van het
Besluit krediethypotheek bijstand nog steeds mogelijk blijft dat
gemeenten bij eigen verordening een krediethypotheek vestigen op een woning. Is dit zelfs niet noodzakelijk
wanneer de cliënt in zijn eigen woning blijft wonen?
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie zien graag een nadere onderbouwing tegemoet van het voorstel
om in het eerste lid, met betrekking tot de terugvordering, te
kiezen voor een facultatieve bepaling. Waarom blijft geen verplichting
tot terugvordering bestaan, gezien het risico van rechtsongelijkheid en het
niet serieus nemen van handhavingstaken?
Deze leden gaan ervan uit
dat het niet de bedoeling is dat bij invordering van een schuld de
bijstandsgerechtigde iedere maand zijn hele uitkering ter
aflossing moet inleveren.
Zij vragen of de wettekst deze mogelijkheid voldoende uitsluit.
Aansluitend informeren zij of het college van B&W op grond van de nieuwe wet
minder mogelijkheden bij de inning van de bijstandsvordering ter
beschikking heeft dan momenteel op grond van artikel 14, onderdeel f,
[artikel 14f, red.] Algemene
bijstandswet het geval is.
rblz.|76|
Artikel 59
[59]. [Terugvordering
gezinsleden, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
SGP-fractie vragen naar duidelijkheid over de verwijzing in het tweede lid. In de
oude Algemene bijstandswet (artikel
84) werd verwezen naar artikel 65
van de Wet SUWI, in de Wwb
staat artikel 17 en in de artikelsgewijze
toelichting wordt verwezen naar artikel 18 van de
Wet SUWI.
Daarnaast vragen de leden
van de SGP-fractie of in vergelijking met artikel 84
Algemene
bijstandswet bewust een wijziging is aangebracht. In artikel 59
[59] Wwb staat dat de
kosten van bijstand "kunnen" worden teruggevorderd, terwijl in
artikel 84 staat dat deze kosten zonder meer worden teruggevorderd. Wat is de reden van deze
wijziging?
De leden van de
SGP-fractie vragen waarom de tekst van artikel 59
[59] Wwb identiek is aan de tekst
van artikel 84, tweede lid, van de Algemene
bijstandswet zoals die
luidde vóór 1 januari 1999. Naar de mening van de aan het woord zijnde
leden zal gezien het feit dat in de Wwb onder "gezin" tevens wordt
verstaan "de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende
kinderen", artikel 59 [59], tweede lid, van het wetsvoorstel doel missen in die
gevallen waarin de verzwegen echtgenoot of partner een gezamenlijke
huishouding heeft gevoerd met een alleenstaande ouder die bijstand
ontvangt.
Artikel 61
[61]. [Bevoegdheid verhaal, red.] [MvT;
NnavhV]
Hebben de leden van de
PvdA-fractie het goed begrepen dat op grond van
artikel 61 [61], eerste en
tweede lid, er geen verhaal op de ex-partner meer mogelijk is anders dan in
het onderhoud van de kinderen? En dat het verhaal op de alimentatie
voor de kinderen (straks in een nieuwe vorm) gehandhaafd blijft?
Als dat zo is, geldt die
bepaling dan ook voor bestaande verhaalszaken? Wat is de ingangsdatum
van het beëindigen van het huidige verhaal op de ex-partner?
Is er terugwerkend
kracht?
Indien de gemeente niet
tijdig een verordening maakt waarin zij aangeeft hoe met verhaal wordt
omgegaan, vervalt dan automatisch de rechtsgrond onder het eerder in
gang
gezette verhaal?
In welke mate is de
rechtsgelijkheid in het geding als de ene gemeente wel besluit tot het
instellen van verhaal op de ex-partner (niet kinderalimentatie) en de ander niet?
Houdt die ongelijke
behandeling stand bij de rechter gezien de forse jurisprudentie rond verhaal op
alimentatie? Houdt een door de gemeente gekozen verhaal op de
ex-partner op grond van de nieuwe wet stand? Of is de vrijheid van de
gemeente tot het instellen van verhaal op de ex-partner beperkt tot in
de wet genoemde situaties?
Hoe wordt de hoogte van
de bijstandsuitkering bepaald als de rechter bij de echtscheiding een
alimentatie voor de ex-echtgenoot heeft vastgesteld (los van een
kinderonderhoudsplicht) en deze niet uitbetaalt? Krijgt de bijstandsgerechtigde dan
de bijstand bij wijze van (gedeeltelijk) voorschot. Berust bij haar/hem de
verplichting om de alimentatie zelf in te vorderen? Wordt daarin door de
gemeente aan de cliënt bijstand verleend?
Is de regering bereid,
ook al zou de Wwb voor een deel een latere invoeringsdatum krijgen,
de artikelen 56 [56], 61
[61] en
62 [62] Wwb wel per 1 januari 2004 in te voeren?
Waarom is artikel 81,
derde lid, uit de Algemene
bijstandswet geschrapt, vragen de leden van de
PvdA-fractie. Deze bood een extra recht aan de cliënt om langer dan
twee jaar [om niet langer dan twee jaar, red.] geconfronteerd te kunnen worden met fouten van het
uitkeringsorgaan. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering deze bepaling
opnieuw op te nemen.
Nu blijkt dat in de
transponeringstabel, zoals aan de Kamer is gezonden, niet is aangegeven dat
artikel 81, derde lid, (dat rechten voor de cliënt rblz.|77|
regelt) is geschrapt, wil
de regering een overzicht leveren van geschrapte bepalingen die als recht
voor de cliënt beschouwd kunnen worden?
Wil de regering ook een
lijst leveren van geschrapte bepalingen die als een verplichting voor de
cliënt beschouwd kunnen worden?
Artikel 67
[67]. [Inlichtingenverplichting gemeenten, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie constateren dat de toelichting op dit artikel
vermeldt dat waar het
uitwisselen van bijstandsrelevante gegevens overigens noodzaakt tot een
verdragsrechtelijke of anderszins bindende grondslag, die grondslag gelegd zal
worden. Welke belemmeringen zijn er op dit moment om
internationale gegevensuitwisseling in het kader van dit artikel mogelijk te
maken? Kunnen die belemmeringen opgelost worden vóór de inwerkingtreding
van de nieuwe Wwb? Zo nee, wat betekent dat voor de uitvoering van de
Wwb?
Artikel 72
[72]. [Verlaging
uitkering inkomensdeel, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie merken op dat artikel 72
[72] verwijst bij het verlagen van het
inkomensdeel naar artikel 76 [76], tweede lid. Is dit juist of moet dit
artikel 76 [76],
derde lid, zijn? Is de verlaging van 1% niet laag wanneer het om zeer
ernstige tekortkomingen gaat? Moet dit percentage voor elke aanwijzing die
conform de voorwaarden van artikel 76 [76]
niet wordt
opgevolgd even
hoog zijn?
Artikel 76
[76]. [Toezicht, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
CDA-fractie vragen of de regering nader in kan gaan op het derde lid, waarin is
geregeld dat rijkstoezicht zich alleen zal richten op ernstige tekortkomingen
in de rechtmatige uitvoering van de
wet bij individuele
gemeenten. Kan de
regering nader ingaan, zo nodig met voorbeelden, wat hieronder wordt verstaan?
Artikel 77
[77]. [Verslag over
de uitvoering, red.] [MvT]
De leden van de
CDA-fractie merken op dat informatie aan de rijksoverheid via een voorlopig verslag
en een verslag wordt verstrekt. Dit is onder de Wwb
niet anders dan
onder de Algemene
bijstandswet. Waarin zit dan de verlichting van de
administratieve lasten? Kan het voorlopig verslag en het verslag niet (meer)
ineengeschoven worden?
Artikel 82
[82]. [Goede
uitvoering, red.] [MvT;
NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat in de
wet een tijdelijke delegatiebepaling voor de
gehele wet is opgenomen. Wat is daarvan de reden? Waarom is zo ruim
de gehele wet genomen? Het lijkt wel een blanco cheque, zo menen
de leden van de PvdA-fractie. Zij voelen daar niets voor. In de eerste
plaats is een AMvB niet amendeerbaar door de Kamer. In de tweede
plaats is het uiterst ongebruikelijk om voor de hele werking van de wet het
instrument AMvB te kiezen, ook al is die tijdelijk. Juist het stalen harnas
van regels uit de huidige AMvB in combinatie met de forse reeks van AMvB’s
op basis van de huidige wet vraagt om een sterke beperking van de
bevoegdheden voor het instellen van AMvB’s. Deze leden stellen de
regering voor hier de bepaling te schrappen. In de relevante artikelen waar
de regering van verwacht dat spoedheidshalve een AMvB noodzakelijk zou
kunnen zijn, zal dat per artikel dienen te worden aangegeven.
Daarbij dient ook duidelijke te zijn waarom een regulier
wetgevingstraject op voorhand niet altijd mogelijk is. De leden van de PvdA-fractie
vragen een vergelijking tussen het aantal AMvB’s uit de huidige Algemene
bijstandswet en die van de Wwb, na invulling van rblz.|78|
de behoefte van de
regering om aanvullende regelgeving op te stellen. Het lijkt deze leden niet
meer dan juist dat de regering eerlijk openheid van zaken geeft.
Artikel 83
[83]. [Innovatie, red.] [MvT]
De leden van de
CDA-fractie ondersteunen de opname van de mogelijkheid voor experimenten. Voor
het overige hopen zij dat zo weinig mogelijk gebruik gemaakt zal
worden van die mogelijkheid, omdat de nieuwe Wwb
flexibel genoeg moet
werken om eigen invulling en uitvoering door een gemeente
mogelijk te maken.
Artikel 84
[84]. [Evaluatie, red.]
De leden van de
PvdA-fractie vinden het onbegrijpelijk dat zo’n ingrijpend wetsvoorstel pas na vier
jaar geëvalueerd wordt. Deze leden vragen op de kwetsbare onderdelen
zoals het verdeelmodel, het risico voor de
gemeenten, de werking en
betrouwbaarheid van de ramingen, de ontwikkeling van aanvullende regelgeving door de regering via besluiten, de
regiefunctie van de
regering inzake ICT mede in relatie tot het SUWI-traject, de
jurisprudentie, bezwaar en beroep en andere nader te definiëren aspecten, een
jaarlijkse
evaluatie.
Artikel
85 [85].
[Inwerkingtreding,
red.] [NnavhV]
De leden van de
PvdA-fractie ontvangen graag een concept van het voorgenomen regeringsbesluit over de
inwerkingtreding van de Wwb. Daarbij willen zij graag zien
in samenhang welke artikelen de regering per 1 januari 2004 wenst in
te voeren en welke later.
Daarbij dient toegelicht
te worden of bepaalde regelingen en hoe lang op de oude of de nieuwe
wijze dienen te worden uitgevoerd.
Welke beroeps- en
bezwaarregelingen zijn van kracht indien bestaande situaties in de oude
regeling of in een overgangstermijn vallen? Graag zien zij dat de regering
dit per artikel aangeeft.
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen de regering nader te onderbouwen waarom
invoering van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2004 wenselijk
en haalbaar wordt geacht. Zij vragen of de wens tot het doorvoeren van
bezuinigingen op de rijksbegroting, zowel waar het inkomensvoorziening
als het reïntegratiebudget betreft, hierbij voor de regering wellicht het
enige of doorslaggevende argument is. Zij wijzen daarbij ook op het
oordeel van
gemeenten dat dit organisatorisch, in het bijzonder waar het de
informatie- en communicatietechnologie en het instrueren van de
uitvoerders voor de uitvoering van de wet betreft, tot grote problemen gaat
leiden en begrijpen niet waarom de regering de zwaarwegende argumenten
van de VNG naast zich neerlegt.
De voorzitter van de
commissie,
Hamer
De adjunct-griffier van
de commissie,
Esmeijer
|