|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| Nr.r13 |
NOTA
NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG |
Inhoudsopgave
| x[Algemeen,
red.] |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemeen |
| 3 |
Arbeidsinschakeling
en reïntegratie |
| 3.1 |
Rechten
en plichten |
| 3.2 |
Reïntegratie |
| 3.3 |
Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden |
| 4 |
Inkomenswaarborg
en armoedeval |
| 4.1 |
Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte |
| 4.2 |
Middelentoets |
| 4.3 |
Langdurigheidstoeslag |
| 4.4 |
Bijzondere bijstand en
afschaffen categoraal beleid |
| 4.5 |
Budgetbeheer en
bijstand in natura |
| 4.6 |
Armoedeval |
| 5 |
Financiering |
| 5.1 |
Financieringssystematiek |
| 5.2 |
[Financieringssystematiek
werkdeel, red.] |
| 6 |
Uitvoering
en samenwerking |
| 6.1 |
Overleg met gemeenten |
| 6.2 |
Gevolgen voor
gemeenten |
| 6.3 |
Samenwerking in de
SUWI-keten |
| 7 |
Vereenvoudiging |
| 7.1 |
Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting |
| 7.2 |
Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand |
| 7.3 |
Omzetting
boetesysteem in een verlaging van de uitkering |
| 7.4 |
Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften |
| 7.5 |
Beleidsinnovatie |
| 8 |
Rijkstoezicht |
| 9 |
Informatiebeleid |
| 10 |
Overige
inkomensvoorzieningen |
| 11 |
Financiële
gevolgen |
| 12 |
Rechtsbescherming |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 85 |
| xAppendix
A: Tabel met vergelijking
werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve budgetten |
| xAppendix
B: Tabel met vergelijking
WFA-budgetten 2002, 2003 en indicatief Wwb-budget 2004 |
| xAppendix
C: Tabel van uitgaven en
budgetten WFA 2001 |
Ontvangen 12 augustus 2003
[Algemeen,
red.]
Met belangstelling hebben
wij kennis genomen van het verslag van de Vaste Commissie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Het doet ons genoegen dat de fracties in
meerderheid kunnen instemmen met de hoofdlijnen van het het
wetsvoorstel Wet werk en bijstand (Wwb).
De punten waarop het
commentaar van de fracties op hoofdlijnen betrekking heeft, betreffen:
- de hoogte en de
verdeling van de beschikbare budgetten voor de uitkeringslasten
(inkomensdeel) en het vrij besteedbare reïntegratiebudget (werkdeel);
- de invloed van gemeenten
op de hoogte van het bestand aan uitkeringsgerechtigden en de afhankelijkheid
van
het functioneren van de Centra voor werk en inkomen
(CWI) [zie ook Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI), red.];
- de verplichte
uitbesteding van reïntegratieactiviteiten;
- het risico van gedwongen
ontslagen voor ID-ers en Wiw-ers;
- de benodigde tijd voor
een goede implementatie;
- de doelstellingen waarop
de minister kan worden afgerekend;
- het afschaffen van
categoriale bijzondere bijstand en het afschaffen van de vrijlating;
- toezicht en de informatie-uitvraag;
- het afschaffen van de
categoriale ontheffing van de arbeidsverplichting.
In de navolgende hoofdstukken
van de nota naar aanleiding van het verslag wordt op deze punten
uitgebreid ingegaan.
Ten opzichte van
het wetsvoorstel Wwb en de Invoeringswet Wwb zijn de volgende punten nader
uitgewerkt:
- de verdeelsystematiek
van het inkomensdeel en werkdeel. Het kabinet heeft de werking van het
objectief verdeelmodel verder verbeterd. Daarnaast wordt het ex-anteherverdeeleffect op maximaal 15% gezet. Dat betekent dat voor een gemeente
het verschil tussen het historische kostenaandeel en het
budgetaandeel als uitkomst van het objectief verdeelmodel niet méér mag
bedragen dan 15% van het objectieve budgetaandeel.
- Bij de verdeling van het
reïntegratiebudget wordt in 2004 dezelfde verhouding in de budgetten
per gemeente gehanteerd als in 2003. Eén rblz.|2|
en ander zal worden geregeld
in het
Besluit Wwb. De inhoud van dit besluit is bij deze nota
meegezonden.
- Het percentage vrije
ruimte bij de verplichte uitbesteding van reïntegratieactiviteiten.
Dit wordt gesteld op 20% van de middelen die besteed worden aan
reïntegratieactiviteiten. Dit zal worden geregeld bij ministeriële regeling.
- De invulling van de
meeneemregeling.
- Gemeenten krijgen de
mogelijkheid om overschotten op het reïntegratiebudget geheel
mee te nemen naar een volgend jaar, tot een maximum van 25% van het
toegekende budget. Dit zal worden geregeld in het Besluit Wwb.
- Bij nota van wijziging
op de Invoeringswet Wwb wordt de mogelijkheid geboden om te experimenteren
met een andere verdeling van taken tussen CWI en
gemeenten. Doel van de experimenten is te bewerkstelligen dat
werkzaamheden rond de intake, fasering en het reïntegratieadvies
efficiënter worden vormgegeven.
- De gemeenten krijgen de
mogelijkheid om onderdelen van de wet die verband houden met de
rechten en plichten per 1 januari 2005 in te voeren of zoveel eerder als
gemeenten dit zelf wensen. Dit zal worden geregeld in het inwerkingtredingsbesluit Wwb en in de ministeriële regeling op grond van
artikel 70 [70]
van
de Invoeringswet Wwb.
- Er wordt een
coördinatiepunt ICT ingesteld om gemeenten te ondersteunen bij de inrichting en
aanpassing van hun ICT.
- De projectfinanciering
van de regionale platforms arbeidsmarkt (RPA’s) wordt met één jaar
verlengd (€|1 miljoen).
In de nota zullen deze
punten nader worden toegelicht.
Bij de opbouw van deze nota
is ervoor gekozen een aantal thema’s die in het verslag in verschillende
hoofdstukken zijn behandeld, zoveel mogelijk in samenhang te
beantwoorden. Dit met het oog op de toegankelijkheid en samenhang van de
antwoorden. Een aantal thema’s die in het verslag zijn behandeld in de
hoofdstukken 1 (inleiding) en 2 (algemeen) worden daarom behandeld in de
specifieke hoofdstukken 3 tot en met 12. Om de toegankelijkheid te vergroten, is verder waar
nodig vraag en antwoord voorzien van een kopje met de inhoud.
De hoofdstukindeling van de
nota volgt die van het verslag.
Tegelijk met deze nota
worden de volgende stukken als bijlagen meegezonden: ¹
- de inhoud van de concept-AMvB’s (Besluit Wwb
- betreft de
financieringssystematiek - ;
Bijstandsbesluit zelfstandigen [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]; Besluit financiering Ioaw en
Ioaz [zie Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz voor het jaar 2004, red.];
Aanpassingsbesluit Wwb);
- de reactie van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het advies
d.d. 15 juli
2003 van de Raad voor werk en inkomen over de Wwb;
- het antwoord van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de brief van de
FNV
d.d.
5 juni 2003 met voorstellen voor de Wwb;
- de door Atos KPMG
opgestelde risicoanalyse over de Wwb;
- het APE-rapport van
augustus 2003 "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet werk en bijstand".
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
rblz.|3|
1. Inleiding
[MvT;
V]
Relatie met de Grondwet
De leden van de
PvdA vragen
het kabinet naar de interpretatie van artikel
20, tweede en derde lid,
van de Grondwet. De leden van de PvdA-fractie vragen welke
verantwoordelijkheid de rijksoverheid heeft en houdt voor de uitvoering van het
recht op bijstand dat in de Grondwet gewaarborgd is. Ook vragen zij op welke
wijze het kabinet zich verantwoordt over het gevoerde beleid. Zij
vragen het kabinet of ook de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd.
In artikel
20, tweede lid,
van de Grondwet is bepaald dat bij wet regels moeten worden gesteld
omtrent de aanspraken op sociale zekerheid. Denk hierbij aan wetgeving
op het terrein van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. Het
tweede lid van artikel 20 geeft uitsluitend de opdracht tot wetgeving en
geeft geen aanduidingen over de omvang van het stelsel, de hoogte van
de bij wet te regelen zekerheid, etcetera.
artikel 20, derde lid, van
de Grondwet geeft de wetgever de opdracht het "recht op
bijstand" te
regelen als een sluitstuk van de sociale verzekeringen voor de Nederlanders die
hier te lande niet kunnen voorzien in het bestaan. Wat betreft de
bijstand is dit nu gerealiseerd door middel van de Abw en wordt dit
gerealiseerd door middel van de Wwb. Net als in het tweede lid geeft de Grondwet
geen regels voor bijvoorbeeld de hoogte van de bij wet te regelen
bijstand, noch over de vraag welk overheidsorgaan die bijstand moet uitvoeren.
De rijksoverheid heeft naast
de grondwettelijke opdracht om aanspraken op sociale zekerheid en het
recht op bijstand te regelen tevens de algemene, in de artikelen 19 en
20,
eerste lid, geregelde, zorgplicht "voor de bevordering van voldoende
werkgelegenheid" en de zorg voor de "bestaanszekerheid der
bevolking". Aan deze zorgplicht wordt door de overheid door middel van
diverse maatregelen voldaan, niet alleen door de Wwb, maar ook door
bijvoorbeeld het Actieplan Jeugdwerkloosheid (SZW/OCW,
Kamerstukken II 2002-2003, 23
972, nrs. 60 en 64) en het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (Kamerstukken II 2002-2003, 21 501-18, nr. 174).
Uitgangspunt is dat de minister
zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt
over de uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten "meibrief" en de
daaropvolgende bespreking met het parlement. Ook bij de evaluatie van de
wet op grond van artikel 84 [84]
verantwoordt de minister zich over de
doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
De vraag van de leden van de
PvdA-fractie of de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd, kan
bevestigend worden beantwoord. Hoewel aan gemeenten zeer veel ruimte
wordt gelaten om eigen beleid te voeren, zijn zij verplicht mee te werken
aan de uitvoering van de wet. In deze constructie bestaat voor de
uitvoering van de wet een wederzijdse afhankelijkheid tussen Rijk en gemeenten.
Participatieplicht
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of, tegen de achtergrond van de "1990-maatregel", op grond
waarvan vrouwen die zijn geboren na 31 december 1971 geacht worden
economisch zelfstandig te zijn, in de Wwb wordt uitgegaan van een
participatieplicht of dat een sollicitatieplicht volstaat.
De Wwb
gaat uit van het
vertrekpunt dat van iedere bijstandsgerechtigde verwacht mag worden dat hij
of zij zich inspant om economische zelfstandigheid te bereiken. In dit kader
zijn categoriale vrijstellingen van de sollicitatieplicht vervallen en wordt van
gemeenten gevraagd om bij het rblz.|4|
vormgeven van het
reïntegratiebeleid expliciet rekening te houden met de combinatie
"arbeid en zorg".
Kern van de "1990-maatregel" is dat economische zelfstandigheid van vrouwen geboren vóór 31
december 1971 niet verwacht kon worden. Sinds 1990 is het aanbod van
faciliteiten om economische zelfstandigheid van iedere Nederlander te
realiseren aanzienlijk uitgebreid. Daarom vindt het kabinet het thans
verantwoord om ook aan vrouwen die niet tot de "1990-generatie"
behoren, sollicitatieverplichtingen op te leggen.
Het kabinet is het met de
leden van de PvdA-fractie eens dat een sollicitatieplicht iets anders is dan een
participatieplicht. Het kabinet ziet participatieplicht als een
verplichte deelname aan zinvolle maatschappelijke activiteiten anders dan via
betaalde arbeid en gaat ervan uit dat de leden van de PvdA dat net zo
zien.
Er is bewust voor gekozen om
in de Wwb geen participatieplicht op te nemen. Participatie kan
uiteraard wel als voorziening worden ingezet die op kortere of langere
termijn leidt tot werk. In dat geval is de belanghebbende verplicht daaraan mee te
werken. Wanneer economische zelfstandigheid ook op termijn niet haalbaar
is, dan kan de belanghebbende worden gestimuleerd tot
deelname aan andere vormen van maatschappelijk zinvolle activiteiten.
Uitgangspunt van de bijstandverlening is dat van
een ieder verwacht kan worden dat hij of zij
persoonlijk verantwoordelijk is voor het vinden van een zelfstandige
bestaansvoorziening.
Het opleggen van een
sollicitatieverplichting aan belanghebbenden is dan een logisch vervolg. Van de
belanghebbende wordt immers verwacht dat alles in het werk wordt
gesteld om inschakeling in de arbeid te realiseren. De belanghebbende is
verplicht algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en is, wanneer
dat (nog) niet tot de mogelijkheden behoort, verplicht gebruik te maken
van voorzieningen, waaronder sociale activering. Anders dan in de Algemene
bijstandswet is niet gekozen voor een opsomming van de op de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen,
maar is volstaan met het
opnemen van een algemene verplichting tot arbeid.
Deze algemene omschrijving
maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders de concrete
verplichtingen toespitsen op de individuele mogelijkheden en
omstandigheden van de belanghebbende.
Verantwoordelijkheid
minister
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het kabinet de stelling van de Algemene Rekenkamer (ARK-onderzoek
naar alleenstaande ouders in de bijstand) onderschrijft dat
de minister na decentralisatie via de Wwb niet alleen verantwoordelijk
blijft voor het systeem, maar ook voor het resultaat. Ook vragen zij welke
doelstellingen het kabinet hieraan verbindt.
In haar rapport
"Alleenstaande ouders in de bijstand" (Kamerstukken II 2002-2003, 28 875,
nrs. 1-2)
concludeert de Algemene Rekenkamer dat de gemeenteraad
verantwoordelijk wordt voor het toezicht op de doeltreffende uitvoering van het beleid en
dat de verantwoordelijkheid van de minister
zich concentreert
op de werking van het systeem. Deze laatste verantwoordelijkheid leidt
er volgens de Algemene Rekenkamer toe dat de minister zich goed dient
te informeren over hoe het systeem functioneert en wat het oplevert. Zijn de
resultaten slecht en is dit het gevolg van tekortkomingen in het
systeem, dan moet de minister het systeem verbeteren of vervangen, aldus de
Algemene Rekenkamer.
Het kabinet onderschrijft de
opvatting van de Algemene Rekenkamer over de ministeriële verantwoordelijkheid. Deze opvatting sluit goed aan bij de
verantwoordelijkheid die het
Rijk draagt voor de uitvoering van de Wwb
in medebewind. Deze
verantwoordelijkheid heeft in het bijzonder betrekking op de rechtszekerheid voor
de burger, de algemene bijstandsniveaus, rblz.|5|
het stelsel van werk en
bijstand, de financiering daarvan, de wetshandhaving en, als medewetgever, de
kwaliteit van de centrale regelgeving. De verantwoordelijkheid van
de Minister van SZW voor de doeltreffendheid van de wet heeft
nadrukkelijk geen betrekking op de prestaties van individuele gemeenten.
Die verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente.
Gemeentelijke belastingen
De leden van de
PvdA merken
op dat het kabinet voornemens is om gemeenten te beperken in de
verhoging van de gemeentelijke belastingen na de afschaffing van de OZB
voor gebruikers. Zij vragen het kabinet uit te leggen hoe een voorgenomen
maatregel om de gemeente te beperken in de wijze waarop zij hun belastinggebied inrichten zich verhoudt tot het
grondwettelijk recht een
eigen financiële huishouding in te richten.
De wijze van maximering
dient nader uitgewerkt te worden. Overleg daarover wordt door het Rijk in het
najaar gevoerd met de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.]. Over de uitkomsten hiervan en de
uitwerking wordt de Tweede Kamer nog nader geïnformeerd. Daarbij wordt
tevens aandacht besteed aan de ruimte voor lokale autonomie.
Doelstellingen
De leden van de
fractie van
VVD en PvdA vragen of het kabinet kan aangeven wat nu de concrete
meetbare doelstellingen van het wetsvoorstel zijn. Zij vragen of het
kabinet een toetsingskader kan presenteren met daarin opgenomen een
genormeerde set van prestatie-indicatoren, waardoor de uitrol en het succes van
de wet beoordeeld kan worden en van een monitor kan worden
voorzien. De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet in een tabel de
onderscheiden doelstellingen te vertalen in genormeerde
prestatie-indicatoren, waarbij 2002 als nulsituatie geldt. De leden van de VVD-fractie
merken daarbij op dat het gebruik van termen als "zoveel mogelijk"
en "zo kort mogelijk" moet worden beperkt.
De leden van de
GroenLinks-fractie vernemen graag welke bijdrage voorliggend wetsvoorstel zal leveren aan
de bestrijding van armoede in Nederland en zien hiervoor meetbare en
afrekenbare doelstellingen geformuleerd. Hetzelfde geldt voor het
aantal huishoudens op of onder het minimum in 2007, het aantal mensen dat dankzij
reïntegratie-inspanningen
van hun gemeente een
betaalde baan heeft gevonden en het aantal mensen dat
doorstroomt van een gesubsidieerde baan naar een regulier betaalde baan.
Het kabinet hecht er, net
als de Kamer, aan dat vastgesteld kan worden dat de Wwb
werkt. Het kabinet
streeft ernaar in 2006 5% minder bijstandslasten te hebben dan zonder de
Wwb het geval zou zijn, gecorrigeerd voor de ontwikkeling in de
conjunctuur. Als gevolg van de verwachte conjuncturele ontwikkeling zullen naar
huidige inzichten de totale bijstandslasten stijgen. Voor het bepalen
van het afzonderlijke effect van de Wwb op de ontwikkeling van
bijstandslasten achteraf is een afzonderlijke analyse nodig.
Tevens beoogt het kabinet
met de Wwb een grotere effectiviteit van reïntegratietrajecten: de
mate waarin een reïntegratietraject leidt tot uitstroom naar regulier
werk. Streven is om het percentage van personen dat uitstroomt naar
reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject, met
een kwart te laten toenemen in 2007. De precieze vormgeving van deze
doelstelling zal nog nader worden bezien in het licht van de vraag hoe de meting
van resultaten en effecten zonder administratieve belasting en onnodige regelgeving vorm kan krijgen.
Het kabinet zal geen
doelstelling formuleren voor het aantal mensen dat doorstroomt van een
gesubsidieerde baan naar een reguliere baan. Het doel voor het kabinet is
weliswaar uitstroom naar een reguliere baan, rblz.|6|
maar het is aan gemeenten
hoe zij willen bereiken dat mensen uitstromen naar een reguliere baan. Het
kabinet heeft daarom geen streven met betrekking tot de mate
waarin gemeenten gesubsidieerde arbeid inzetten en ervoor zorgen dat mensen
uit een gesubsidieerde baan uitstromen.
Het aantal huishoudens dat
een inkomen heeft op het sociaal minimum is niet direct gekoppeld aan
deze wet en leent zich daarom minder goed als afrekenbaar streefdoel. Het
betreft niet alleen bijstandsgerechtigden, maar ook mensen met een
socialezekerheidsuitkering op minimumniveau, 65-plussers met alleen AOW, eventueel aangevuld met bijstand en
mensen met het minimumloon.
Een gebalanceerde set van
streefdoelen, ingaande op financiële en niet-financiële risico’s op armoede, is
geformuleerd in het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (NAP 2003), zoals deze begin juli jl. aan de Tweede
Kamer is aangeboden.
Het succes van de wet zal
via de in artikel 84 [84]
voorgeschreven evaluatie worden beoordeeld. De opzet
van deze evaluatie zal in overleg met de Tweede Kamer tot stand
komen. Daarnaast zullen bovenstaande doelstellingen worden opgenomen in de
SZW-begroting 2004.
Decentralisatie
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de keuze voor deze
vergaande decentralisatie en een inschatting van de gedragseffecten bij gemeenten.
De keuze voor verdergaande
decentralisatie heeft tot doel het oplossend vermogen van de
gemeentelijke uitvoering te versterken en daarmee de activerende werking van het
systeem van bijstand en reïntegratie te vergroten. Bovendien wordt
in dit wetsvoorstel het maatwerk vooropgesteld.
Eén en ander zal naar verwachting leiden tot een uitvoering die
meer is toegesneden op de
verantwoordelijkheden en mogelijkheden van hen die een beroep doen op
deze wet.
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen waarom er in dit wetsvoorstel niet voor gekozen is om landelijke criteria te formuleren voor de
reïntegratieverplichting en
de hoogte van de uitkering.
Het kabinet geeft de
gemeente zoveel mogelijk beleidsvrijheid om de verordening waarin de
verlagingen van de uitkeringen wegens het niet nakomen van verplichtingen
wordt geregeld, zo goed mogelijk af te stemmen op de
reïntegratieverordening. Dit past ook bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid om
zoveel mogelijk werkzoekenden te reïntegreren. Gemeenten hebben hun eigen
beleidskeuzes voor de manier om dit te bereiken. Ook zullen tussen
gemeenten verschillen bestaan in afspraken met reïntegratiebedrijven
en andere ketenpartners doordat deze afspraken zijn toegesneden op maatwerk
voor de klant en op lokale en regionale arbeidsmarktverschillen. Het
formuleren van landelijke criteria voor sancties ontneemt gemeenten de mogelijkheid om het afstemmingsartikel op
de lokale beleidskeuzes en
afspraken aan te passen.
Het kabinet verwacht dat
gemeenten deze beleidsvrijheid goed zullen gebruiken. De normale
bezwaar- en beroepsprocedures staan open voor die klanten die menen ten
onrechte te worden benadeeld. Het kabinet deelt daarom niet de vrees
van deze leden dat door de bezuinigingen de doelstellingen van
bestrijding van armoede en maximale ondersteuning bij het activeren van
bijstandsgerechtigden in het gedrang gaan komen.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen hoe te controleren is dat budgettaire overwegingen bij
de toeslagverdeling geen rol spelen.
rblz.|7|
Het kabinet verwacht niet
dat budgettaire overwegingen een rol zullen spelen bij de
toeslagverdeling. Dit effect heeft zich ook niet voorgedaan bij de invoering in 2001 van
de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA). Uit
evaluatieonderzoek zal moeten blijken of deze veronderstelling correct is.
Draagvlak
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat voor het nu voorliggende wetsvoorstel
nog bijzonder weinig draagvlak bestaat. Zij vragen het kabinet of het
niet tegen beter weten in de ogen sluit voor zoveel kritische
commentaren.
Het kabinet maakt een andere
analyse van de opvattingen in de samenleving dan de leden van de
CU-fractie. Een breed samengesteld adviesorgaan als de Raad voor
werk en inkomen - waarin naast werkgevers en werknemers ook de gemeenten
zijn vertegenwoordigd - heeft een positief advies uitgebracht over de Wwb. De Raad geeft daarin aan zich in hoofdlijnen in de principes van het
wetsvoorstel te kunnen vinden. Het advies van de Raad is als bijlage
bij deze nota gevoegd. De FNV kon zich vinden in veruit de meeste
aanbevelingen van het advies. De FNV/CNV hebben aangegeven in de brief van 5
juni jl. aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat
zij vinden dat de cliënt meer centraal moet staan en dat de Wwb
meer conjunctuurbestendig moet worden gemaakt.
De reactie op deze brief is
eveneens als bijlage bij deze nota gevoegd. De werkgeversorganisaties
hebben in hun brief aan de Vaste Commissie aangegeven in te stemmen met
de hoofdlijnen van de wet en dringen erop aan vast te houden aan de vijf
jaar bij de langdurigheidstoeslag en de voorgestelde verhouding
tussen verplichte en vrije uitbesteding van 80/20%.
Gemeenten geven aan
enthousiast te zijn over de grotere mate van eigen beleidsverantwoordelijkheid
die door de Wwb mogelijk wordt gemaakt. Daartegenover staat dat zij
risico’s zien met betrekking tot de volledige budgettering van de
bijstand. Het kabinet merkt hierbij op dat grotere verantwoordelijkheden en
grotere bevoegdheden niet zijn te scheiden. Anders zou er een
onevenwichtig systeem ontstaan met daaraan verbonden afbreukrisico’s
voor de effectiviteit van de reïntegratie en inkomenswaarborg.
Wel is het beleid van het
kabinet erop gericht de aan de Wwb verbonden risico’s van de gemeenten
voor gemeenten beheersbaar te maken. Hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk
5 van de nota.
De cliëntenorganisaties
maken zich zorgen over de effecten van de wet voor de inkomenspositie van
bijstandsgerechtigden alsook over de aanscherping van de rechten
en plichten. Op de rechten en plichten respectievelijk de inkomenspositie wordt
ingegaan in paragraaf 3.1 (rechten en plichten) respectievelijk
hoofdstuk 2 (inkomenseffectrapportage).
rblz.|8|
2. Algemeen
[MvT;
V]
Positie cliënt
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of de positie van de cliënt in het verwerven van arbeid, en het
krijgen van ondersteuning niet centraal zou moeten staan in het
wetsvoorstel, onder meer omdat de Grondwet de individuele
Nederlander die
in nood verkeert centraal stelt en spreekt van een recht op bijstand van
overheidswege.
In hoofdstuk
1 van deze nota
is het kabinet al ingegaan op de betekenis van de Grondwet. Naast de
uitwerking van de in de Grondwet gegeven opdracht tot het bij wet
regelen van bijstandverlening acht het kabinet het ook van belang om de
nodige waarborgen te scheppen die de burger in staat stellen om
diezelfde overheid zo nodig op haar zorgplicht te wijzen. Dit principe wordt
in de Wwb onder meer geconcretiseerd door het toekennen van een
"aanspraak op ondersteuning" (artikel
10 [10]). Het kabinet is daarom van oordeel dat er
sprake is van een adequate borging van sociale grondrechten.
Cliëntenparticipatie
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet in het wetsvoorstel de cliëntenparticipatie beter
te waarborgen en het recht om te worden gehoord vast te leggen.
Tevens vragen deze leden het kabinet of het heeft overwogen een vorm van
certificering te laten ontwikkelen rond de kwaliteit van de cliëntenbehandeling,
waardoor waarborgen voor de cliënt kunnen worden vastgelegd.
De
leden van de GL-fractie bepleiten de gemeente te verplichten een
cliëntenraad in te stellen en de rechten en bevoegdheden van deze raad
in de wet op te nemen.
De leden van de fracties van
D66 en ChristenUnie vragen het kabinet de cliëntenparticipatie bij de
gemeenten in lijn te brengen met de cliëntenparticipatie zoals omschreven in de
Wet SUWI.
In de
Wwb is de zorgplicht
voor cliëntenparticipatie explicieter verankerd dan in de Abw. Het kabinet
onderschrijft hiermee het belang van een waarborg voor de invalshoek
van de cliënt. De wijze waarop deze cliëntenparticipatie vorm krijgt, is primair de
verantwoordelijkheid van de gemeente. De individuele
gemeente is het best in staat om, afhankelijk van de lokale
omstandigheden, cliëntenparticipatie in te richten. Afhankelijk van de gemeentegrootte
kennen gemeenten meer en minder geïnstitutionaliseerde vormen van cliëntenparticipatie. Door middel van handreikingen
cliëntenparticipatie,
waarin zowel beleidsmatige kanten als praktische voorbeelden aan
de orde komen, heeft het ministerie van SZW de ontwikkelingen bij
gemeenten gestimuleerd.
Uit een recent onderzoek
(Cliëntenparticipatie. Onderzoek naar de optimale vormgeving en de stand van
zaken bij gemeenten, SZW-werkdocument 263,
oktober 2002) is gebleken dat cliëntenparticipatie bij gemeenten is
ingeburgerd. Zo had in 2001 nagenoeg elke gemeente enige vorm van
cliëntenparticipatie, in 1998 was dit ongeveer de helft. In 2001 had 77%
van de gemeenten een structurele, verplichtende vorm van cliëntenoverleg
(cliëntenraad of iets vergelijkbaars), in 1998 nog niet een kwart. Het klanttevredenheidsonderzoek is in opkomst.
Het verschil in de
vormgeving van cliëntenparticipatie in de Wet SUWI en de Wwb wordt verklaard doordat
de (medebewind)relatie tussen Rijk en gemeenten van een andere
aard is dan de relatie tussen Rijk en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).
De bij wet ingestelde ZBO’s worden namelijk gericht aangestuurd
door de Minister van SZW via bijvoorbeeld het goedkeuren van het
jaarplan en het vaststellen van prestatie-indicatoren. De gemeente heeft als
autonome overheid met een democratisch rblz.|9|
gekozen gemeenteraad
meer mogelijkheden om eigen beleid te ontwikkelen. De Wwb
nodigt
de gemeenten hiertoe ook nadrukkelijk uit. Een extra wettelijke
bepaling ter zake van een vorm van certificering heeft naar de mening van het
kabinet dan ook geen toegevoegde waarde.
Instrumenten
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet een opsomming te geven van alle instrumenten die in
de huidige situatie en in het wetsvoorstel ten dienste staan van de
cliënt. Zij vragen daarbij aan te geven welke van deze instrumenten speciaal zijn
gericht op het verwerven van duurzame arbeid en welke een beloning inhouden zoals
"werken moet lonen".
De instrumenten die de
cliënt in de huidige situatie ten dienste staan om optimaal met eigen
inspanning aan het werk te komen, zijn divers, onder andere:
- alle persoonlijke
initiatieven voor informatie over banen/deelname aan activiteiten die niet
door de gemeente worden aangeboden;
- gebruik maken van de
basisdienstverlening CWI;
- verzoek om ondersteuning
door de gemeente (ook bij doorstroom vanuit gesubsidieerde arbeid);
- het actief meewerken aan
een reïntegratietraject (activering, scholing, hulpverlening,
werkervaringsplaatsen, detacheringsbanen, leer-werkbanen, etc);
- verzoek om persoonlijk
reïntegratiebudget;
- verzoek om kinderopvang
/ Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
(KOA-regeling);
- verzoek om
activeringspremie;
- deelname aan
vrijwilligerswerk.
Deze instrumenten zijn onder
de Wwb ook beschikbaar. De veronderstelling is dat onder de Wwb de inzet
van reïntegratieactiviteiten door gemeenten zal veranderen
omdat wettelijke beperkingen met betrekking tot de inzet van
instrumenten worden opgeheven. De variatie en verscheidenheid van
reïntegratieactiviteiten wordt groter; uitgangspunt daarbij is maatwerk.
De huidige
vrijlatingsregeling komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komt een vrijlating van een
tweetal heffingskortingen, gericht op de combinatie van arbeid en
zorg. Deze vrijlating geldt voor alleenstaande ouders met kinderen jonger
van vijf jaar. Ook krijgen gemeenten de mogelijkheid de inspanning om aan werk
te
komen te belonen met een eenmalige, onbelaste
premieverstrekking.
Onderzoek ¹ geeft aan dat
eigen initiatief, motivatie en de combinatie van werk en leren c.q. werk met
begeleiding/nazorg de meeste kans geven op duurzame arbeid.
1. M. Coenen-Hanegraaf, B.
Valkenburg, M. Ploeg en H. Coenen (1998):
Begeleid werken: theorie en methodiek van een
individuele, vraaggerichte benadering, Utrecht (uitgeverij Jan van Arkel).
Rechtsgelijkheid
De leden van de
fracties van
de PvdA, D66, de CU en de
SGP hebben vragen gesteld over het
risico op een toename van de rechtsongelijkheid tussen cliënten als gevolg
van de Wwb.
Met betrekking tot het
vraagstuk van de gelijke behandeling moet een onderscheid worden gemaakt
tussen (het gevaar voor) ongelijke behandeling binnen een gemeente
en
ongelijke behandeling landelijk gezien, als gevolg van beleidsmatige
verschillen in de uitvoering tussen gemeenten onderling.
Met betrekking tot ongelijke
behandeling binnen een gemeente geldt het volgende. Het
gelijkheidsbeginsel zoals geformuleerd in artikel 1 van de
Grondwet brengt met zich mee
dat een gemeente bij de uitvoering van de Wwb
moet waarborgen dat
mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Gemeenten zijn, voortvloeiend uit de beginselen van
behoorlijk rblz.|10|
bestuur, zowel bij het
opstellen van verordeningen als bij individuele beslissingen aan dit
uitgangspunt gebonden. Welke gevallen gelijk zijn, is afhankelijk van het
gehanteerde gezichtspunt.¹ Binnen de vanuit dit gezichtspunt afgebakende
sfeer moet er sprake zijn van gelijke behandeling. Het kader voor deze gelijke
behandeling wordt in de eerste plaats geschapen door de gemeentelijke verordening, als bedoeld in
artikel 8 [8],
eerste lid, onderdeel b. De
gemeenteraad kan en moet bij verordening duidelijk regels vaststellen op het
gebied van onder meer het verlagen van de algemene bijstand. Een verordening
zal altijd enige ruimte aan het uitvoeringsorgaan laten om
in individuele gevallen te beslissen. Dit is nodig om het wenselijke
maatwerk te kunnen leveren. Risico’s op ongelijkheid als keerzijde van
"maatwerk", waar ook de leden van de fractie van D66 op wijzen, zijn inherent
aan regelingen met discretionaire ruimte. Naast het toezicht door de
gemeenteraad op de uitvoering staat de individuele burger uiteraard de
rechtsgang op basis van de Algemene wet bestuursrecht tot zijn
beschikking. Het kabinet verwacht dat een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling
zal worden voorkomen door een goede verordening en
optreden van de gemeenteraad en zo nodig zal worden geredresseerd via
rechterlijke toetsing.
Met betrekking tot ongelijke
behandeling als gevolg van beleidsmatige verschillen in de uitvoering
tussen gemeenten onderling geldt dat enige ongelijkheid een bewust
aanvaard en ook toelaatbaar gevolg is van de keuze voor decentralisatie
van bevoegdheden. De verschillen in beleid en uitvoering tussen gemeenten
kunnen en zullen als gevolg van de Wwb
groter worden. Het kabinet
ziet dit echter niet als een gevaar, maar als een positief gevolg, omdat de
verschillen die mogelijk als gevolg van de nieuwe systematiek ontstaan, functioneel zullen zijn voor het bereiken van
de doelstellingen van de
wet. Het gemeentelijk beleid vindt tenslotte enerzijds haar oorsprong in wettelijke
kaders en anderzijds haar legitimatie in het lokale democratische
bestel. Dit kan de mogelijkheid met zich meebrengen - de leden voor
de fractie van de SGP wijzen hierop - dat de ene gemeente soepeler omgaat
met de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders dan de andere.
Individuele verschillen bij de uitvoering komen op deze wijze voort
uit een zorgvuldig ontwikkeld en omschreven beleid op lokaal niveau.
Overigens laat de praktijk van de afgelopen jaren zien dat op die onderdelen
van de Abw
waar de gemeenten al eigen beleidsruimte hadden, de
verschillen tussen gemeenten niet bijzonder groot werden (zie
bijvoorbeeld het onderdeel gemeentelijke toeslagen in de evaluatie Abw 1996-1999).
Daarnaast mag voorts worden verwacht dat gemeenten, zowel door de
veel grotere transparantie en kenbaarheid van hun beleid als door de
versterking van de positie van de gemeenteraad, er ook zelf voor zorgen dat er
geen ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen gemeenten.
Over de bedoeling van de
wetgever met betrekking tot de vervanging van de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid door een sanctiesysteem van kortingen op de uitkering
- waar de
leden van de PvdA-fractie naar vragen - merkt het kabinet het volgende op. Het
is juist dat in de Wwb is gekozen voor een systeem waarin gemeenten de mogelijkheid krijgen om de uitkering te
verlagen indien een cliënt
de verplichtingen die voor hem of haar verbonden zijn aan de
bijstandsuitkering niet voldoende naleeft. Artikel 18
[18] vervangt daarmee zowel de
maatregelen als de boeten uit de huidige Abw. In zijn uitwerking
zullen bij overtreding van verplichtingen die betrekking hebben op de
arbeidsinschakeling en het niet voldoen aan de informatieverplichtingen
alleen kortingen op de uitkering kunnen worden toegepast zoals in het
huidige stelsel bij de toepassing van de maatregelen. De nadere regeling via een
gemeentelijke verordening garandeert dat binnen de gemeente een beleid wordt
gekozen waarbij in gelijke
gevallen gelijk wordt
gehandeld. Het juridische karakter van een verordening is daarmee niet verschillend
van een algemene maatregel van bestuur zoals het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz. De regels worden alleen op het rblz.|11|
niveau van de gemeente
vastgesteld. Een stelsel van bestuurlijke boeten kan niet op lokaal niveau
nader worden vormgegeven en vraagt wel om regelgeving op nationaal
niveau.
Voor dit sanctiesysteem in
dit wetsvoorstel is gekozen omdat het wenselijk is op gemeentelijk niveau in
het handhavingsbeleid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de
algemene uitgangspunten van de wet en het beleid. De op dit terrein
voorgeschreven verordening biedt gemeenten de ruimte om de (prioriteiten bij)
handhaving optimaal te laten sporen met het lokale reïntegratie- en
inkomensbeleid.
1. Zie: D.W.P. Ruiter: Het
ongrijpbare gelijkheidsbeginsel,
geschriften VAR XCIII, 1985, Alphen aan den
Rijn.
Huishouding gemeenten
De
leden van de
PvdA-fractie
vragen of met de Wwb het verstrekken van een bijstandsuitkering
onderdeel is geworden van de eigen financiële huishouding van de gemeenten. Zij vragen tevens of de uitkering gezien moet worden als een
overeenkomst onder voorwaarden.
Het onderscheid tussen taken
die gerekend worden tot de "eigen huishouding" en taken die uitgevoerd
moeten worden in medebewind is terug te vinden in artikel 124 Gemeentewet. Zolang de verstrekking van de bijstandsuitkering een taak
is die bij formele wet van gemeenten wordt gevorderd, behoort het niet
tot de eigen huishouding, maar tot een taak die in medebewind wordt
uitgevoerd. De Wwb verschilt in dat opzicht niet van de
Abw. Het recht
op bijstand wordt in de Wwb niet aangetast en verandert niet van
karakter. Van een "overeenkomst onder voorwaarden" in juridische zin kan dus
niet worden gesproken. Desondanks is het kabinet wel van mening
dat het recht op bijstand niet vrijblijvend is en dat aan dit recht
verplichtingen verbonden zijn.
Sancties
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een onderbouwing van het nieuwe sanctiesysteem in de
bijstand. Zij vragen het kabinet aan te geven hoe dit systeem zich verhoudt tot de
vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die het
kabinet heeft voorbereid. Zij willen van het kabinet weten of voor de
bijstand blijvend een ander sanctieregime gaat heersen dan in de andere socialezekerheidswetten, dan wel of het kabinet andere maatregelen in
voorbereiding heeft.
Zoals reeds is aangegeven in
paragraaf 7.3 van de memorie van toelichting, wordt met het nieuwe
sanctieregime voor de bijstand beoogd om tot één regime te komen voor
handhaving van alle aan de uitkering verbonden verplichtingen. Dit biedt de
mogelijkheid voor een slagvaardig lik-op-stukbeleid, waarbij de klant
direct wordt geconfronteerd met de gevolgen van een onvoldoende
verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het eigen bestaan of met het
geven van niet juiste inlichtingen die nodig zijn voor het vaststellen van de
uitkering.
Het sanctiesysteem in het het
wetsvoorstel Wwb verhoudt zich als volgt tot het wetsvoorstel vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wetsvoorstel vierde tranche
bevat een aantal algemene bepalingen inzake handhaving (artikel I,
onderdeel M, voegt een titel 5.1 toe aan de
Awb) en een nieuwe titel met bepalingen over de bestuurlijke boete (artikel I,
onderdeel AA, voegt een titel
5.4 toe aan de Awb). Het wetsvoorstel Wwb kent de gemeenten niet de
bevoegdheid toe boetes op te leggen aan cliënten. Daarnaast stelt
artikel 5.4.1.1, tweede lid, van de aan de Awb toe te voegen titel 5.4 buiten
twijfel dat het verlagen van een uitkering niet als een boete moet worden
gezien. Het wetsvoorstel vierde tranche Awb kan daarmee buiten beschouwing
blijven voor zover dit handelt over de bestuurlijke boete.
rblz.|12|
De algemene bepalingen in de
Awb met betrekking tot de handhaving zijn wel van belang voor het in
de Wwb neergelegde sanctiesysteem. Deze regels zijn op basis van
artikel 5.0.2 van de voorgestelde nieuwe titel 5.1 van de
Awb ook van
toepassing op het verlagen van een uitkering; tot een wijziging van de Wwb
op dit
punt zal het naar verwachting echter niet leiden.
Bij uitkeringsfraude houdt
de gemeente de mogelijkheid bij het openbaar ministerie aangifte te
doen
wanneer het bedrag aan fraude hoger is dan de grens die is opgenomen in
de aangifterichtlijn sociale zekerheid, van €|6000,-.
Er zal worden bezien of het
wenselijk is het voor de bijstand voorgestelde regime van één soort
sanctie (uitsluitend nog de verlaging van de uitkering) ook uit te breiden naar de
socialeverzekeringswetten.
Belemmeringen
rijksregelgeving
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een reactie van het kabinet op de stelling dat het van groot
belang is belemmeringen op te ruimen die vooral door rijksregelgeving
worden opgeworpen.
Het kabinet onderschrijft de
opvatting dat het van groot belang is om bij de omslag naar een op
uitstroom gerichte uitvoering de belemmeringen in de regelgeving weg te
nemen. De stelling van deze leden dat deze omslag al is gemaakt, deelt
het kabinet in zoverre dat gemeenten op brede schaal bezig zijn deze
omslag te maken. Juist door deze aanpak constateren gemeenten echter dat er in
de huidige regelgeving belemmeringen liggen om deze omslag zo
volledige en effectief mogelijk te laten zijn. Om die reden zijn deregulering
en derapportage belangrijke pijlers van dit
wetsvoorstel.
Normensystematiek
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een reactie van het kabinet op het voorstel de
normensystematiek substantieel te vereenvoudigen door alleen te bepalen dat de
gemeente de uitkering met een maximum van 20
procentpunt mag korten indien
woonlasten geheel ontbreken, of een gedeelte daarvan, indien
kosten gedeeld kunnen worden. Ook de leden van de CU-fractie vragen of
is overwogen normen te hanteren van 100, 90 en 70% voor respectievelijk
gehuwden, alleenstaande ouders en alleenstaanden, met daaraan gekoppeld de
mogelijkheid deze onder omstandigheden te verlagen. Zij vragen
waarom hiervan wordt afgezien.
Het kabinet is van mening
dat een systeem van verlagingen niet zal leiden tot een substantiële vereenvoudiging en ook niet strookt met de uitgangspunten
van de Wwb. Evenals de
bestaande toeslagen dienen verlagingen in overeenstemming te zijn
met de aan- of afwezigheid van noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit
voorstel leidt daarom niet tot een vereenvoudiging. Het niveau van noodzakelijke
bestaanskosten wordt niet alleen bepaald door de hoogte van
de woonlasten en het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten.
Daarnaast moet de bijstand eveneens kunnen worden afgestemd op
de lagere bestaanskosten van schoolverlaters en op de hoogte van het
minimumjeugdloon van 21- en 22-jarigen. Voorts heeft een systeem waarbij de landelijke normen worden vastgesteld
op 100, 90 en 70% met de
mogelijkheid om deze onder omstandigheden te verlagen, voor de gemeenten als nadeel dat de bewijslast betreffende de lagere noodzakelijke
kosten van bestaan van de belanghebbende naar de gemeente verschuift.
Dit zal naar de mening van het kabinet leiden tot een ongewenste
hogere uitvoeringslast. Het door het kabinet voorgestelde systeem heeft,
net als de huidige Abw, voor de gemeenten het voordeel dat het de
verantwoordelijkheid van de cliënt is om aannemelijk rblz.|13|
te maken dat er
hogere bestaanskosten aanwezig zijn als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten.
Uit het voorgaande volgt dat
de door de leden van de PvdA-fractie geopperde mogelijkheid om te volstaan
met een bepaling in artikel 27 [27]
waarbij het te korten bedrag
maximaal 20% of een evenredig deel daarvan is, door het kabinet niet wordt
overgenomen.
Gehandicapten en chronisch
zieken
De leden van de
CDA-fractie
vragen wat er voor gehandicapten en chronisch zieken verandert tengevolge
van de overgang van Algemene bijstandswet naar Wwb.
De leden van de fracties van
PvdA en GroenLinks dringen er bij het kabinet op aan het behoud
van categoriale bijstand voor chronisch zieken en voor kosten van kinderen
opnieuw in overweging te nemen. De leden van de GroenLinks-fractie
vragen daarbij waarom er voor deze groepen geen specifieke regeling is
opgesteld voor de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht.
Het behoud van enkele
categoriale regelingen is niet alleen in strijd met het uitgangspunt dat,
omwille van de eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle
categoriale regelingen dienen te worden afgeschaft; het is ook niet in het
belang van de doelgroep. Juist voor chronisch zieken en kosten van
kinderen geldt dat de belanghebbenden meer zijn gebaat met de individuele
bijzondere bijstand. Die doet meer recht aan de individuele variatie in de
hoogte van de betreffende kosten en de persoonlijke omstandigheden van de
belanghebbende dan een forfaitaire categoriale verstrekking die, doordat
die niet gerelateerd is aan werkelijke kosten, zowel te hoog als te
laag kan zijn.
Ook ten aanzien van de
arbeidsverplichting geldt dat met een maatwerkaanpak beter rekening kan worden
gehouden met de mogelijkheden van mensen dan met een
categoriale ontheffing.
Poortwachtersrol
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet te verhelderen wat de
poortwachtersrol is van CWI
en gemeenten. Het heeft deze leden bevreemd dat de
CWI claimt de
poortwachter van de bijstand te zijn. Zolang het CWI niet beslist over de intake,
ligt de poortwachtersfunctie naar het oordeel van deze leden bij de
gemeenten.
De minister
maakt met de CWI in het kader van de jaarplancyclus afspraken over de te leveren
prestaties. De poortwachtersquote voor de Abw
is een belangrijke
prestatie-indicator. Deze poortwachtersquote is de som van de preventiequote en
de uitstroomquote. De preventiequote is het percentage van werkzoekenden waarbij de CWI voorkomt dat er recht ontstaat op een uitkering.
De uitstroomquote is het percentage van werkzoekenden in fase 1 die zich aanmelden
bij de CWI en binnen zes maanden uitstromen. Uit voorlopige
cijfers van de eerste kwartaalrapportage van de CWI 2003 blijkt dat over het
eerste kwartaal 2003 de preventiequote gemiddeld 34% was. De
cijfers over de uitstroomquote zijn beschikbaar vanaf de derde
kwartaalrapportage 2003.
Voor alle andere cliënten
ligt de poortwachtersfunctie primair bij de gemeenten.
Omvang reïntegratiebudget
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet of er wel voldoende middelen zijn voor
reïntegratie, gelet op het aanbestedingsvereiste van 80% tot 100%.
rblz.|14|
Het kabinet is van mening
dat door een vrij besteedbaar reïntegratiebudget de middelen efficiënter en
effectiever kunnen worden ingezet. Dit vergroot de ruimte die gemeenten hebben om een evenwichtig reïntegratiebeleid te
waarborgen. Door middel van transparante aanbestedingsprocedures
wordt de concurrentie tussen marktpartijen bevorderd; dit beoogt een
prijsverlagend en resultaatverhogend effect. Ook hierdoor neemt de
efficiëntie en effectiviteit van de bestede middelen toe.
Verantwoording, toezicht en
controle
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de positie van de accountants van gemeenten en naar de
precieze invulling van de controle door de IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.], bijvoorbeeld door onderzoek
op dossierniveau. Zij vragen het kabinet of het de mening van deze leden
deelt dat toezicht op en verantwoording van de doeltreffendheid van
de wet daarvan integrale onderdelen zijn. Ook vragen deze leden aan te
geven waarom toezicht op de rechtmatigheid niet achteraf wordt gedaan.
Zij vragen voorts aan te geven hoe het kabinet aan gemeenten verantwoording kan vragen over zaken waarover
ook de Kamer wil worden
geïnformeerd, zoals bijvoorbeeld bij het Nationale actieplan
armoedebestrijding.
De leden van de
CDA-fractie
vragen welke gevolgen de grotere verantwoordelijkheid van de gemeenteraad
heeft
voor het streven naar minder administratieve lasten en
voor de rol van IWI. Deze leden vragen of meer informatie via bijvoorbeeld
het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek,
red.] kan worden gevraagd.
IWI
oefent haar
toezichtstaak uit in de context van een medebewindsarrangement dat in belangrijke mate
gekleurd wordt door een vergaande toekenning van bevoegdheden
en verantwoordelijkheden aan gemeenten en de aansluiting op het
duale gemeentelijk bestuur. Single audit blijft daarbij de aangewezen
werkwijze.
De invoering van het gemeentelijk duale stelsel en de nieuwe financieringssystematiek voor de
Wwb, in
samenhang
met vergaande deregulering en vereenvoudiging van de
centrale regelgeving, geven veel gewicht aan de controlerende en bijsturende
rol van de gemeenteraad. Dit gewicht wordt versterkt doordat een aantal aspecten van de uitvoering uitsluitend op
lokaal niveau wordt
verantwoord, zoals de rechtmatige uitvoering van de lokale regels en de
doeltreffendheid en de doelmatigheid van de lokale uitvoering. Hoewel de raad
niet de formele rol van toezichthouder bekleedt, sluit het
rijkstoezicht aan op het lokale verantwoordingsproces en de uitkomsten daarvan.
Zoals de inspecteur-generaal van IWI aangeeft in zijn op 15 juli 2003 aan
de Tweede Kamer (nr. SZW0300470) aangeboden visie, is het rijkstoezicht
op de uitvoering van de Wwb toezicht op metaniveau, waarbij IWI zich richt op
het systeem van sturing, beheersing en verantwoording bij
gemeenten. Ook onder de Wwb geldt dat het rijkstoezicht zich in beginsel baseert op
informatie die het gemeentebestuur aanreikt: via statistieken,
monitors of het verslag over de uitvoering. Eigen onderzoek bij individuele
gemeenten zal in de regel niet noodzakelijk zijn. In beginsel vindt de
beoordeling van de rechtmatige wetsuitvoering tot op dossierniveau alleen op
lokaal niveau plaats, met name in het kader van de interne controlefunctie
of door de accountant van de gemeente. De verantwoordingsverplichting
voor gemeenten over de rechtmatige wetsuitvoering wordt anders
van opzet en minder gedetailleerd dan thans nog het geval is. Gemeenten
kunnen in beginsel volstaan met een verklaring dat zij de wet rechtmatig
uitvoeren. Slechts wanneer hiervan geen sprake is omdat de
financiële fouten meer bedragen dan 1% van het financieel beslag, worden gemeenten, op
basis van de te stellen nadere regels inzake het verslag over de
uitvoering, verplicht de aard en omvang van de tekortkomingen te
specificeren. De verantwoording moet worden voorzien rblz.|15|
van een verklaring van de
accountant waaruit blijkt dat de gemeentelijke verantwoordingsinformatie
betrouwbaar is en dat de gemeentelijke uitvoering, voor zover
daarover verantwoording moet worden afgelegd aan de Minister van
SZW,
rechtmatig heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de verklaring van de
accountant en het onderzoek dat in deze verklaring resulteert, zal
op grond van artikel 77 [77], derde lid, een protocol worden vastgesteld. Dit
protocol, dat zeer beperkt van omvang zal zijn, geeft uitsluitend aan
waaraan het onderzoek en de verklaring van de accountant moeten voldoen;
het kan en zal niet voorzien in additionele uitvoeringsvoorschriften
voor gemeenten.
De gemeente hoeft zich
tegenover de Minister van SZW niet te verantwoorden over aspecten van de
uitvoering waaraan bij of krachtens de wet geen eisen zijn gesteld.
Rijksbeleid dat wel door de Tweede Kamer is geaccordeerd, maar niet
expliciet is doorvertaald naar de wet, blijft derhalve buiten de
verantwoording die de gemeente aan de minister moet afleggen over de uitvoering
van de Wwb. Indien gegevens over de uitvoering van dit type rijksbeleid van
belang zijn, kan gemeenten verzocht worden die gegevens op
vrijwillige basis aan het Rijk te leveren. Of het Rijk een dergelijk verzoek
aan gemeenten richt, zal van geval tot geval kritisch worden bezien, in
het licht van de nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten.
Het kabinet deelt de visie
van de inspecteur-generaal dat de hierboven geschetste hoofdlijn van de
invulling van het rijkstoezicht niet uitsluit dat IWI in voorkomende gevallen
ook eigenstandig onderzoek kan instellen, tot op dossierniveau.
Eigenstandig onderzoek komt in het bijzonder aan de orde bij toezicht op het
bereiken van de doelen van de wet en de werking van het systeem van
de wet en, in geval van ernstige tekortkomingen, bij de rechtmatigheid van de
uitvoering. Ook ter beoordeling van de betrouwbaarheid en
geldigheid van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie kan IWI bij een steekproef
van gemeenten of accountants een zogenaamd validatieonderzoek instellen.
Het jaarlijkse verslag van
de inspectie met haar landelijk oordeel over de rechtmatigheid van de
uitvoering heeft betrekking op het voorgaande jaar en is in die zin toezicht
achteraf. Overigens zal IWI enige capaciteit vrijhouden om actuele onderwerpen die
zich gedurende het jaar voordoen te onderzoeken. Naar het zich
laat aanzien, hoeft hier onder de Wwb nog maar sporadisch gebruik van
te worden gemaakt.
Voor de beantwoording van de
vraag of meer informatie via bijvoorbeeld het CBS kan worden gevraagd,
wordt verwezen naar hoofdstuk 9, Informatiebeleid.
Informatie over
rechtmatigheid
De
leden van de VVD-fractie
vragen hoe de ministeriële verantwoordelijkheid in het kader van de Wwb
betrekking heeft op de rechtmatige uitvoering van de wet in enge zin en op
de doeltreffendheid van de werking van de wet. De leden van de PvdA-fractie
vragen of het kabinet wil aangeven welke informatiestromen van
de gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
worden geschrapt en welke besparing dat betekent voor de
uitvoeringskosten.
Uitgangspunt is dat de
minister zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt over de
uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten
"meibrief" en de daaropvolgende bespreking met de Tweede Kamer. Daarin zal aan de hand van
de in de begroting opgenomen (VBTB-)doelstellingen worden
verantwoord of die doelstellingen zijn gerealiseerd en of er aanvullende
maatregelen zijn getroffen om de effectiviteit van het rijksbeleid verder te
vergroten. Ook bij de evaluatie van de wet op grond van artikel 84
[84] verantwoordt
de minister zich over de doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
rblz.|16|
De verantwoording over de
rechtmatige uitvoering van de wet door gemeenten en de
doeltreffendheid van de wet zal jaarlijks plaatsvinden aan de hand van het door
IWI
op te stellen jaarverslag. Deze verantwoording van het kabinet zal, als
gevolg van de ontwikkelingen ten aanzien van het rijkstoezicht en de
wijze van verantwoording door gemeenten, beperkter en minder
gedetailleerd zijn. De verantwoording zal betrekking hebben op het aantal
gemeenten dat een rechtmatigheidsprobleem heeft van meer dan een nader te
bepalen percentage van het financieel beslag (zie hiervoor ook hoofdstuk
9),
op het aantal gemeenten dat haar reïntegratiebudget niet geheel heeft uitgegeven
dan wel onrechtmatig heeft besteed met het daarbij behorende
financieel beslag, en een oordeel over de mate waarin de uitvoering door de
gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van de wet. Ten
aanzien van aspecten van laatstbedoeld onderwerp kan de Tweede Kamer ook
geïnformeerd worden via afzonderlijke rapportages van IWI, in
aanvulling op haar jaarverslag, indien nader onderzoek noodzakelijk is.
Ook zal worden verantwoord
of ten aanzien van geconstateerde rechtmatigheidstekortkomingen
aanleiding is geweest tot bijsturende maatregelen door de minister,
en zo ja, waaruit die maatregelen hebben bestaan en welke effecten
die maatregelen teweeg hebben gebracht.
Met de huidige
informatievoorziening als ijkpunt zal de Tweede Kamer minder informatie ontvangen
over de rechtmatige wetsuitvoering:
- de omvang van het
rechtmatigheidsdomein neemt sterk af als gevolg van de forse deregulering.
Hierdoor gelden minder rechtmatigheidseisen en behoeft de gemeente zich
derhalve over minder aspecten aan de minister te
verantwoorden. Het beeld van de uitvoering dat de minister en de Tweede Kamer
verkrijgen, wordt minder gedetailleerd;
- rechtmatigheidsproblemen
die niet aan de wet, maar uitsluitend aan eigen, lokale regels zijn
gerelateerd, vallen buiten de toezichtsverantwoordelijkheid van het Rijk. Dergelijke
problemen blijven buiten de gemeentelijke
verantwoording aan de minister en leiden, wanneer zij de publiciteit halen,
dan ook niet tot bemoeienis van IWI of de minister.
Informatieverstrekking aan de Tweede Kamer zal dan niet aan de orde zijn. Op zich is
dit niet
nieuw, maar het zal - als gevolg van de deregulering - aan betekenis
sterk toenemen.
Volledigheidshalve wordt
gemeld dat de Tweede Kamer met de invoering van de Wwb
geen informatie
meer zal ontvangen over de wetsuitvoering door individuele gemeenten.
Op het onderwerp
uitvoeringskosten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7, Vereenvoudiging.
In hoofdstuk 9,
Informatiebeleid, wordt nader ingegaan op de vormgeving, inhoud en omvang van de
informatiestromen van gemeenten naar het Rijk.
Doelgroepen
De leden van de
PvdA-fractie vragen aan het kabinet een uitwerking van de meetpunten en
kwaliteitscriteria ten aanzien van het doelgroepenbeleid en de evenredigheidstoets op
verschillende groepen.
Op grond van
artikel 8 [8]
van
de Wwb is de gemeenteraad, ter zake van het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling, verplicht bij verordening regels te stellen. In deze verordening
concretiseert de gemeente haar reïntegratiebeleid en geeft zij, toegespitst op de
lokale omstandigheden, blijk van een evenwichtige aandacht voor de groepen
belanghebbenden waarvoor zij verantwoordelijk is. Het is
de gemeenteraad die het college controleert op de uitvoering van het in de
verordening gestelde.
rblz.|17|
De verantwoordelijkheid voor een evenwichtige benadering van doelgroepen is hiermee belegd bij gemeenten. In het systeem van de
Wwb past het niet daarbij van
rijkswege kwaliteitscriteria te formuleren.
Bepalingen SUWI-wetgeving
De leden van de
PvdA-fractie vragen welke bepalingen uit de
SUWI-wetgeving niet meer in het
wetsvoorstel zijn opgenomen.
Alle bepalingen die door de
SUWI-wetgeving in de Abw
zijn opgenomen, zijn overgenomen in de Wwb, behalve
artikel 70 van de Abw. Dit artikel
over het besluit tot
toekenning of herziening van de bijstand is in het kader van de deregulering
vervallen. Tevens is door een omissie in artikel 18
[18] van de Wwb
geen
verwijzing opgenomen naar de informatieverplichtingen van de artikelen
28, tweede
lid, en 29, eerste lid, van de Wet
SUWI in artikel 18 [18]
van de Wwb.
Dit wordt bij nota van wijziging hersteld. Verder wordt de Wet
SUWI in
artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb alleen in technische zin aangepast.
Tevens wordt in
artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb
een
experimenteerartikel in de Wet SUWI opgenomen.
Onjuiste uitvoering
De leden van de
PvdA-fractie stellen een tijdelijke verhoging van de uitkering voor als een passende
sanctie voor de gemeente indien deze in gebreke blijft bij de
uitvoering. Ook stellen zij dat wettelijke rente moeten worden betaald indien de
uitkering niet tijdig of niet juist is verstrekt.
Het kabinet ziet geen reden
het voorstel van deze leden over te nemen. De gemeente
heeft de opdracht
de Wwb uit te voeren binnen de bij of krachtens deze wet en het eigen
gemeentelijk beleid gestelde regels. Voor de cliënt gelden de reguliere
bezwaar- en beroepsprocedures. Onderdeel van deze rechtsbescherming is
dat de gemeenten veroordeeld kunnen worden tot het vergoeden van kosten
die door de cliënt zijn gemaakt indien deze in de procedure in het
gelijk wordt gesteld.
Tweedegraads bloedverwanten
De leden van de
PvdA-fractie vragen in de Wwb de bepaling op te nemen dat broers en zusters in het
kader van de bijstandverlening niet langer als onderhoudsplichtig worden
aangemerkt.
Naar aanleiding van motie 25
bij de behandeling van de begroting 2001 van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de toenmalige
Staatssecretaris
van SZW onderzoek toegezegd
naar vorm, mogelijkheden en kosten van het gelijkstellen van de
tweedegraads bloedverwantschap aan de eerstegraads bloedverwantschap. Daarop is de motie ingetrokken. Bij
brief van 17 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 85) heeft het kabinet
invulling gegeven aan de toezegging. In deze brief is aangegeven dat het kabinet
van oordeel is dat er geen redelijke en objectieve criteria aanwezig zijn om
tweedegraads bloedverwanten die samenwonen en een gemeenschappelijk
huishouden voeren anders te behandelen dan alle andere ongehuwd
samenwonenden. Het kabinet handhaaft dit standpunt en is niet van plan een gelijkstelling van tweedegraads
bloedverwantenschap aan
eerstegraads bloedverwantschap te heroverwegen.
rblz.|18|
Implementatie
De leden van de
VVD-fractie
informeren of het kabinet geen grote problemen verwacht bij de
snelle implementatie en of de gemeenten in staat zijn om zo snel
de wet
te implementeren. Daarnaast vragen zij op welke wijze wordt
gewaarborgd dat de klant niet de dupe wordt van een te snelle invoering. Ook de
leden van de SGP-fractie geven aan dat het nog maar de vraag is of alle
gemeenten de stelselwijziging op zo’n korte termijn kunnen halen. Ze
maken zich in het bijzonder zorgen over de gemeenten die minder armslag
hebben. Deze leden vragen of het kabinet kan garanderen dat bij
invoering op 1 januari 2004 er bij gemeenten geen "ongelukken" gebeuren.
De invoeringsdatum van 1
januari 2004 biedt de gemeenten niet de gelegenheid voor een diepgaande en
uitgebreide voorbereiding op de invoering van de Wwb. Het kabinet acht
het daarom zijn verantwoordelijkheid om gemeenten zoveel mogelijk
bij de invoering te ondersteunen, waar mogelijk in overleg en/of
samenwerking met VNG en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]. In paragraaf 6.2 van deze nota gaat het
kabinet in op de wijze van ondersteuning. Eventueel kunnen gemeenten
overigens op sommige onderdelen van de Wwb ervoor kiezen om
voorlopig het "oude beleid" voort te zetten en eerst in 2004 een visie te
ontwikkelen en nieuw beleid in te zetten. Dit betreft met name die
onderdelen van de Wwb waar een "moet"-bepaling in de Abw
is omgezet in een
"kan"-bepaling in de Wwb. Bovendien kan een gemeente in het kader
van de gefaseerde invoering onderdelen van de wet op een door haar te
bepalen datum later invoeren, doch uiterlijk twaalf maanden na inwerkingtreding
van de Wwb. Op deze gefaseerde invoering wordt bij de volgende vraag nader ingegaan.
SZW zal de voortgang van de
voorbereidingen van de gemeenten volgen. Zo nodig zal het ondersteuningsaanbod worden aangepast op punten
waarin gemeenten
achterblijven. Hoewel het kabinet geen garanties kan geven voor de inzet en de
keuzes van individuele gemeenten, meent het kabinet dat met het
voorgaande aan gemeenten voldoende mogelijkheden en ondersteuning wordt
geboden om problemen per 1 januari 2004 te voorkomen. Daarmee kan
ook worden voorkomen dat de klant de dupe wordt van een te snelle
invoering.
Wat betreft de positie van
de klant is het vanzelfsprekend van groot belang dat de
uitkeringenverstrekking niet in gevaar komt. Daarop wordt ingegaan in hoofdstuk
4 van
de nota naar aanleiding van het verslag over de Invoeringswet Wwb.
Gefaseerde invoering
De leden van de
fracties van CDA, PvdA en
VVD vragen of het niet mogelijk is een aantal onderdelen van
de wet later in te voeren, zodat de druk op het implementatietraject
enigszins wordt verminderd. De leden van de fractie van D66 hebben
aangegeven de gefaseerde invoering geen reële optie te vinden.
Uitgangspunt voor het
kabinet is dat in ieder geval de volgende onderdelen van het wetsvoorstel in alle
gemeenten per 1 januari 2004 zijn ingevoerd:
- de volledige
budgettering van de bijstand;
- het volledig ontschotte
en vrij besteedbare reïntegratiebudget;
- de voorgestelde
deregulering in het inkomensdeel: omzetten verplichte terugvordering in bevoegdheden, afschaffen
Rau 1996, afschaffen van de verplichting voor een
beleidsplan en beleidsverslag;
- de nieuwe opzet van het
toezicht waarbij het toezicht op de doeltreffendheid van individuele gemeenten
komt te vervallen en waarbij de rblz.|19|
minister ten aanzien van de
rechtmatigheid alleen ingrijpt bij ernstige tekortkomingen;
- het vervallen van de
mogelijkheid voor categoriale bijzondere bijstand;
- de invoering van een
centraal geregelde langdurigheidstoeslag;
- het vervallen van de
bestaande vrijlating van arbeidsinkomsten.
De overige onderdelen van de Wwb
betreffen de rechten en plichten van de individuele cliënt. Voor
zover deze wijzigen door de invoering van de Wwb, krijgen gemeenten de
mogelijkheid deze onderdelen na 1 januari 2004 in één keer later in
te voeren, doch niet later dan 1 januari 2005. Een gemeente kan binnen deze
randvoorwaarden die invoeringsdatum zelf bepalen ("opting in"). Het
gaat daarbij om de aanspraak op ondersteuning bij reïntegratie, invoering
van algemeen geaccepteerde arbeid, de omzetting van categoriale ontheffing
van de arbeidsverplichting in het opleggen van een arbeidsverplichting
dan wel het ontheffen daarvan op basis van maatwerk, het afstemmen van
de uitkering op de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen, alsmede
die onderdelen van het uitkeringsregime die, al dan niet als gevolg
van eigen gemeentelijk beleid, wijzigen als gevolg van de Wwb.
Bovenstaand voorstel is
voorgelegd aan het Uitvoeringspanel Gemeenten. Het Uitvoeringspanel heeft aangegeven een voorkeur te houden voor een latere
invoering van de Wwb. Als wordt uitgegaan van de door het kabinet gemaakte
keuze om de hiervoor genoemde punten in ieder geval per 1 januari
2004 in te voeren, biedt het faseringsvoorstel ook naar het oordeel van het
Uitvoeringspanel extra ruimte om de Wwb in 2004 op een goede manier in
te voeren.
Evaluatie
De leden van de
fracties van PvdA en VVD vragen het kabinet of er wordt voorzien in een
evaluatieparagraaf. De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe en met welke
frequentie het kabinet gaat voorzien in voortgangsrapportages over
de wet. Tevens vragen zij wanneer de evaluatie van de Abw
over de
periode 2000-2003 zal worden aangeboden.
De leden van de PvdA-fractie
vragen welke elementen naar het oordeel van het kabinet het meest
kwetsbaar zijn en dus met een snellere frequentie geëvalueerd zouden moeten worden. Deze leden willen tevens van het kabinet vernemen hoe
en met welke frequentie het de Kamer gaat voorzien van een
voortgangsrapportage over de Wwb
en welke elementen in deze
rapportages worden opgenomen. Deze leden zien graag een opzet en
uitwerking van de kant van het kabinet tegemoet. De leden van de PvdA-fractie
vragen verder naar de wijze waarop het verdeelmodel, het risico
voor gemeenten en de werking en betrouwbaarheid van de ramingen worden
geëvalueerd.
Het Strategisch Akkoord
formuleerde in 2002 reeds de hoofdlijnen op het gebied van reïntegratie en
bijstand, die in het onderhavige wetsvoorstel zijn uitgewerkt. Aangezien
daarmee de koers uitgezet was, is afgezien van een integrale evaluatie van
de huidige Algemene bijstandswet over de periode 2000-2003. Wel
zijn op deelterreinen evaluaties verricht, waarover het parlement tussentijds is
geïnformeerd. Voor het deelterrein budgettering van de bijstand geldt dat
het Strategisch Akkoord ook hier de lijn al uitgezet heeft, namelijk dat
het financiële belang voor gemeenten om mensen uit de bijstand te
laten stromen maximaal wordt. De in artikel 84
[84] van de Wwb
opgenomen
evaluatiebepaling voorziet in een evaluatie binnen vier jaar na inwerkingtreding van de wet. Daarmee wordt enigszins
afgeweken van de in de Aanwijzingen voor de
regelgeving (aanwijzing 164) opgenomen vuistregel
dat de evaluatietermijn in beginsel op vijf jaar dient te worden gesteld.
De achterliggende reden van
de keuze voor vier jaar is dat het enerzijds wenselijk is de Wwb
zo
spoedig mogelijk te evalueren, maar dat een rblz.|20|
kortere evaluatietermijn dan vier jaar weinig helderheid zal verschaffen over de doeltreffendheid en de
effecten van de Wwb. Oordelen over de werking van de nieuwe aanpak
van bijstand en reïntegratie kan alleen door de onderdelen daarvan - zoals verantwoordelijkheden en incentives
- in onderlinge samenhang
te bezien. Conclusies over deze onderlinge samenhang zijn pas na
verloop van tijd te trekken. Dit geldt te meer daar voor het onderhavige
wetsvoorstel een gefaseerde invoering is voorzien. Een binnen korte tijd na
invoering van de wet uitgevoerde evaluatie zal slechts informatie opleveren
over de invoering van de wet.
De informatie voor de
evaluatie zal in eerste aanleg uit bestaande informatiestromen worden gehaald:
statistieken, monitors het verslag over de uitvoering. Voor de
evaluatie wordt zoveel mogelijk informatie hergebruikt. Naast een
integrale evaluatie wil het kabinet de ontwikkelingen binnen de Wwb
volgen en het
parlement hierover informeren. Dit zal geschieden met behulp
van de reguliere informatie via statistieken, monitors en
verantwoordingsverslagen, aangevuld met incidenteel onderzoek. Het betreft de implementatie
van de wet, de voortgang bij het bereiken van de
doelstellingen en de werking van de financieringssystematiek.
Bij de
financieringssystematiek loopt een onderhoudstraject voor het objectief verdeelmodel. Dat
betekent in elk geval dat de actualiteit en stabiliteit van het model en
de herverdeeleffecten tussentijds zullen worden onderzocht. Zoals het
onderzoek naar stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de
bijstand bij de aanbieding van dit wetsvoorstel is meegezonden,
zullen ook toekomstige onderzoeken in dit kader aan het parlement
worden aangeboden. De werking en de betrouwbaarheid van de ramingen is een
continu proces van evaluatie en verbetering. Ramingen en realisaties
zullen net als nu met elkaar vergeleken worden in het jaarverslag
van SZW. De reguliere begrotingscyclus biedt de mogelijkheid om de
ramingen kritisch te volgen.
Mede door de gefaseerde
invoering is het niet mogelijk voor de deelaspecten van het brede beleidsterrein
werk en bijstand periodiek, voorafgaand aan de eindevaluatie over
vier jaar, één evaluatiemoment in te bouwen. Naast de reguliere
jaarverantwoording van SZW zal, wanneer daar voor deelaspecten
geëigende momenten zijn, tussentijds gerapporteerd worden.
Het kabinet zal mede naar
aanleiding van de parlementaire behandeling van de wet een plan van
aanpak voor de evaluatie en voortgangsrapportage opstellen. De Tweede Kamer
zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.
Resultaten WFA
De leden van de
VVD-fractie
vragen welke informatie beschikbaar is over de kwaliteit en
effectiviteit van de uitvoering van de Bijstandswet na invoering van de
budgettering van 25% van de bijstandsuitgaven. Voorts vragen deze leden waarom er
nog geen evaluatie naar de budgettering van 25% van de
bijstandsuitgaven heeft plaatsgevonden, ondanks meerdere toezeggingen aan de Kamer.
Bevindingen en oordelen over
de kwaliteit van de gemeentelijke uitvoering zijn weergegeven in het jaarverslag
IWI 2002, voor wat betreft de
terreinen "rechtmatigheid", "handhaving en
fraudebestrijding" en
"reïntegratie,
uitstroom en sociale activering". Bevindingen en oordelen uit het jaarverslag IWI 2002 ten aanzien van de gemeentelijke uitvoering op deze
drie terreinen zijn als
volgt:
- rechtmatigheid Abw, Ioaw
en Ioaz: een omvangrijke groep gemeenten van wisselende
samenstelling, gemiddeld ongeveer één op de drie gemeenten, blijkt de
rechtmatigheid van de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz in 1998
tot en met 2000 niet voldoende op orde te rblz.|21|
hebben. Voor het
vergoedingsjaar 2001 ziet de inspectie hierin geen verbetering optreden;
- handhaving en
fraudebestrijding: IWI constateert dat in 2001 vooral bij een aantal grotere gemeenten
de opsporing van fraude traag verloopt, waardoor de gemiddelde
fraudebedragen en uitstaande debiteurenbedragen onnodig hoog oplopen. Het
aantal geconstateerde fraudegevallen is daardoor niet zo hoog als
het had kunnen zijn. De Inspectie constateert tevens dat
gemeenten wel meer fraude hebben geconstateerd dan in het midden van de
jaren negentig, maar dat de daadwerkelijke incasso tot op heden is achtergebleven. De geconstateerde
daling van de ontvangsten
aan boeten hangt samen met de achterstanden in de verwerking van de
belastingsignalen bij de grotere gemeenten. IWI constateert
dat naast het opleggen van boeten ook het incasseren daarvan meer
aandacht dient te krijgen;
- reïntegratie, uitstroom
en sociale activering: hoewel gemeenten zich in toenemende mate inspannen om
resultaten te boeken, constateert IWI dat het realiseren van een
sluitende aanpak nog niet volledig is gelukt. Een sluitende aanpak heeft
tot doel werklozen en arbeidsgehandicapten die nog mogelijkheden hebben
om te werken een reïntegratietraject aan te
bieden. Daarnaast stelt de Inspectie vast dat ten opzichte van 2001 het inkoop- en aanbestedingsbeleid in 2002 is
verbeterd. In toenemende
mate formuleren gemeenten inkoopbeleid op dit terrein.
De WFA is ingevoerd per 1
januari 2001. De aangekondigde evaluatie van de 25%-budgettering heeft
niet plaatsgevonden vanwege het in het Strategisch Akkoord van kabinet-Balkenende I opgenomen beleidsvoornemen te komen tot 100% budgettering
van de bijstandslasten.
Afroming bij reïntegratie
De leden van de
fracties van
GroenLinks en de ChristenUnie vragen het kabinet nadere garanties te
geven ter voorkoming van afroming binnen gemeenten. Ook de leden van
de PvdA-fractie vragen het kabinet of het niet bang is dat de
voorgestelde systematiek en de bezuinigingen een extra stimulans zal zijn
voor gemeenten om voor goedkopere, kortdurende trajecten te kiezen, waarvan
zeker degenen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt
niet altijd profijt van zullen hebben.
Door de gewijzigde
financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun klanten
de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten en daarbij
uitgaan van maatwerk voor de individuele klant. Gemeenten hebben er ook baat
bij in te zetten op moeilijkere doelgroepen vanwege een langdurig beslag
op het inkomensdeel. De gemeenten krijgen ruimere
mogelijkheden om voor complexe doelgroepen passende voorzieningen in te zetten,
zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen.
Daarnaast moeten gemeenten
in een verordening het reïntegratiebeleid concretiseren, waarbij
sprake moet zijn van een evenwichtige aanpak van alle doelgroepen.
Betrokkenen kunnen hierbij aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente bij
reïntegratie. Het kabinet is van mening dat hierdoor een evenwichtige aanpak van verschillende doelgroepen
voldoende wordt gewaarborgd.
Toereikendheid uitkering
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe men tot het impliciete oordeel is
gekomen dat de huidige hoogte van de basisuitkering van de Bijstandswet voldoende
is om van te leven. In dit verband vragen zij ook te reageren
op het NIBUD-onderzoek [NIBUD: Nationaal Instituut
voor Budgetvoorlichting, red.] eerder dit jaar. Ook vragen zij de in het
Hoofdlijnenakkoord voorgestelde kortingen op de rblz.|22|
huursubsidiebijdrage te
betrekken bij een gefundeerd oordeel over de hoogte van de uitkering.
Uit onderzoek blijkt dat het
aandeel mensen met een minimuminkomen dat moeilijkheden heeft met rondkomen, is gedaald van 37% in 1995 naar
23% in 2000.¹ Er is geen
aanleiding om aan te nemen dat het sociaal minimum onvoldoende is om
van te leven. Het aangewezen zijn op een minimuminkomen staat niet gelijk aan financiële armoede. Het onderzoek
van het NIBUD naar het
financieel rondkomen van gezinnen met vier of meer kinderen brengt dit
goed in beeld. Eerder dit jaar heeft de Minister van SZW per brief aan de
Tweede Kamer (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 93)
gereageerd op dit onderzoek.
De individuele huursubsidie
is een voorliggende voorziening en is daarmee niet van invloed op
de, van het nettominimumloon afgeleide, bijstandsnormen. Over de in
het Hoofdlijnenakkoord voorgestelde versobering van de individuele
huursubsidie vanaf 2005 wordt de Tweede Kamer door de desbetreffende
bewindspersoon geïnformeerd.
1. SCP/CBS, Armoedebericht
2002.
Inkomenseffectrapportage
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen het kabinet een inkomenseffectrapportage op te
stellen waarin
de
huidige Bijstandswet wordt afgezet tegen de
Wet werk
en bijstand.
De invoering van de
Wet
werk en bijstand heeft geen effect op de kern van de inkomensbescherming
zoals opgenomen in de huidige Bijstandswet. De hoogte van het
sociaal
minimum wordt niet aangetast. De grotere nadruk op uitstroom en
reïntegratie en het meer expliciet voorbehouden van inkomenspolitiek aan
het Rijk brengen met zich mee dat daarnaast voor individuele
huishoudens inkomenseffecten kunnen ontstaan. De belangrijkste punten
betreffen:
- het afschaffen van
categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar. Hier staat
tegenover de invoering van een toeslag voor personen die gedurende lange tijd
over niet meer beschikken dan een minimuminkomen en die geen perspectief
hebben op inschakeling in het arbeidsproces. Voor
langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief zullen de
inkomenseffecten daarom gemiddeld genomen gering zijn. Voor minima
die tot op heden profiteren van categoriale regelingen, maar niet in
aanmerking komen voor de toeslag, kunnen negatieve
inkomenseffecten ontstaan indien zij niet in aanmerking komen voor de op
individuele basis te verstrekken bijzondere bijstand. De omvang van deze
negatieve effecten kent een grote spreiding en hangt sterk af van de
invulling die gemeenten hebben gegeven aan de mogelijkheden die de Bijstandswet
bood;
- het vervangen van de
vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën personen met een
ontheffing van de arbeidsverplichting door het vrijlaten van de
aanvullende alleenstaandeouderkorting en van de combinatiekorting voor
alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar. Hier speelt ook mee dat
de gemeente een ieder een eenmalige, onbelaste premie kan verstrekken
van maximaal €|1944,- in het kader van de arbeidsinschakeling.
In de bijlage
"Beleidsmaatregelen met niet-generieke inkomenseffecten" bij de begroting 2004 die
op de derde dinsdag van september aan uw Kamer zal worden
aangeboden, wordt nader ingegaan op (een kwantificering) van de inkomenseffecten
van alle maatregelen van het kabinet.
Verstoring evenwicht
De leden van de
D66-fractie vragen of de Raad van State in
zijn advies, bij de opmerkingen over
de verstoring van het evenwicht tussen de rblz.|23|
gerichtheid op werk en de inkomenswaarborg [paragraaf
2, red.], niet in het bijzonder doelt op de oorzaken die de
armoedeval tot effect hebben.
In paragraaf 1 van het
nader rapport is het kabinet ingegaan op dit verstoorde evenwicht. Het
zwaartepunt in deze uiteenzetting lag op de noodzaak van meer
mogelijkheden en meer maatwerk. Dit om het primaat van werk boven inkomen te
kunnen effectueren.
Het kabinet deelt de
opvatting van de leden van de
D66-fractie dat de armoedeval leidt tot een
beperking van de effectiviteit van reïntegratie-inspanningen. Het kabinetsbeleid is dan
ook gericht op beperking van de armoedeval. Daarnaast
richt het het wetsvoorstel Wwb zich op de inspanningen die de
gemeenten leveren
voor reïntegratie en inkomenswaarborg. De eerder genoemde
passage in het nader rapport heeft alleen betrekking op die gemeentelijke
inspanningen.
Verschillen rechten en
plichten tussen Wwb en Abw
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet de verschillen in de rechten en plichten
van de cliënt in de Wwb ten opzichte van de huidige wet schematisch
weer te geven. Zij willen tevens weten of naar het oordeel van het
kabinet deze afstemming van rechten en plichten in geen enkele gemeente
goed
is geregeld.
Met de passage waar de
leden van de fractie van de ChristenUnie naar verwijzen, wordt bedoeld
dat het recht op uitkering is gekoppeld aan een algemeen geldende
verplichting tot reïntegratie. Het niet of onvoldoende nakomen van deze
verplichting door de belanghebbende zal moeten leiden tot een verlaging
van de uitkering.
Onder de huidige Bijstandswet zijn de arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd. De
inlichtingenplicht is in de Wwb niet anders geregeld dan in de
Abw. In het
huidige Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz zijn de verwijtbare
gedragingen gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de
uitkering gestandaardiseerd.
In de Wwb zal de
gemeente, op grond van in een verordening vast te leggen criteria, in elk
individueel geval bepalen welke verplichtingen van toepassing zijn en wat de
verlaging is als die verplichtingen niet of niet voldoende worden
nagekomen. Burgemeester en wethouders moeten de bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Aldus wordt een
duidelijker relatie gelegd en kan betere afstemming plaatsvinden tussen het
nakomen van de verplichting en de hoogte van en het recht op
uitkering.
Het kabinet is niet van
mening dat de afstemming thans in geen enkele gemeente goed is
geregeld. Wel is gebleken dat het huidige systeem van min of meer
gestandaardiseerde maatregelen onvoldoende mogelijkheden biedt voor maatwerk.
Bureaucratie
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet welke waarborgen er zijn dat de Wwb
niet zal
leiden tot een nieuwe bureaucratie van regelgeving.
In de
Wwb is, op een veel
consequentere manier dan in de Abw, gekozen voor een zo groot
mogelijke beleidsruimte van gemeenten. Dit heeft onder meer tot gevolg dat
de mogelijkheden voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
om nadere regels te stellen, zijn beperkt.
rblz.|24|
3. Arbeidsinschakeling en
reïntegratie [MvT;
V]
Voorkomen gedwongen
ontslagen en effect Wwb op gesubsidieerde arbeid
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen wat het effect van de Wwb
zal zijn op het volume
aan Wiw- en ID-banen. De leden van de fractie van de PvdA vragen het
oordeel van het kabinet over gesubsidieerde arbeid als
reïntegratiemogelijkheid. Verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid zal verdwijnen
omdat het alleen nog een relatief dure reïntegratievorm zal zijn? Deelt het
kabinet de angst dat gemeenten erop zullen inzetten om mensen zo
snel mogelijk uit de bijstand te krijgen en dus beginnen met gemakkelijke
gevallen en kortlopende trajecten? En hoe oordeelt het kabinet over
het risico dat gemeenten vanwege de bezuinigingen voorkeur geven aan
goedkopere regelingen in plaats van ID-banen?
Daarnaast constateren de
leden van de PvdA-fractie dat met het wegvallen van veel van de
bestaande gesubsidieerde arbeid ook veel zinvolle en belangrijke
arbeid in de collectieve sector zal wegvallen. Deze leden vragen hoe het
kabinet dit denkt op te lossen en hoe het kabinet denkt dat gemeenten dit
oplossen.
Met de introductie van
het volledig ongedifferentieerde reïntegratiebudget in de Wwb
maken gemeenten
zelf de afweging op welke manier en in welke mate gesubsidieerde
arbeid als reïntegratievoorziening zal worden ingezet. Zij zijn vrij om
te bepalen welke voorzieningen zij willen inzetten en kunnen ook nieuwe voorzieningen ontwikkelen. Het kabinet ziet gesubsidieerde
arbeid primair als
reïntegratievoorziening, gericht op uitstroom naar regulier werk, en
niet als vervangende werkgelegenheid in maatschappelijke sectoren.
Door de gewijzigde
financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun
klanten de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten. Als
blijkt dat gemeenten met efficiëntere voorzieningen dan ID-banen uitstroom
naar arbeid realiseren, dan vindt het kabinet dat een goede ontwikkeling.
Uiteindelijk telt het resultaat: de werkloze zo snel mogelijk naar
ongesubsidieerde arbeid toeleiden. Het effect van de Wwb op het volume
ID- en Wiw-banen is daarom niet op voorhand in te schatten. Wel is de
verwachting dat deze zal dalen, omdat dit instrument niet voor alle
werkzoekenden de meest efficiënte weg is naar de arbeidsmarkt en gemeenten het budget
doelmatiger in gaan zetten dan voorheen. Het kabinet gaat ervan
uit dat gemeenten niet alleen gemakkelijke gevallen zullen oppakken
en kortlopende trajecten zullen inzetten. Gemeenten hebben er
immers ook belang bij moeilijker te reïntegreren doelgroepen te laten
uitstromen naar werk vanwege hun potentieel langdurig beslag op het
inkomensdeel.
De leden van de
PvdA-fractie, GroenLinks en de
ChristenUnie vragen wat de effecten zijn van de
Wwb voor mensen met een ID-
of Wiw-baan en of het kabinet kan
garanderen dat er geen gedwongen ontslagen zullen vallen als gevolg van de
voorgenomen bezuinigingen.
De bezuiniging op het
gemeentelijke reïntegratiebudget wordt voor het overgrote deel al in 2003
gerealiseerd. In eerste instantie heeft het kabinet gemeenten er in september
2002 op gewezen dat gedwongen ontslagen voorkomen kunnen worden
door reeds bestaande vacatures en uitstroom uit ID- en Wiw-banen niet
op te vullen. Daarbij is uitgegaan van het gemiddelde landelijke
uitstroompercentage op ID- en Wiw-banen in voorgaande jaren. Door deze
uitstroom niet op te vullen, kan de benodigde bezuiniging gerealiseerd
worden.
rblz.|25|
Aanvullend heeft het
kabinet nog een aantal maatregelen genomen. Reeds per 1 januari 2003
is het ID-besluit gedereguleerd en vereenvoudigd. Het budget ID-banen wordt
niet meer taakstellend op basis van het aantal banen toegekend,
maar is vrij besteedbaar aan arbeidsplaatsen en andere
reïntegratieactiviteiten. Dit is zowel ten behoeve van de doorstroom van werknemers in
ID-banen naar ongesubsidieerde banen als ten behoeve van de
arbeidsinschakeling van andere werkzoekenden. Dit reeds vooruitlopend op het vrij
besteedbare reïntegratiebudget binnen de Wwb. Tevens kunnen gemeenten
ook middelen uit het scholings- en activeringsbudget van de Wiw
besteden aan
uitstroombevordering van werknemers in ID-banen naar ongesubsidieerde arbeid.
Daarnaast heeft het
kabinet €|40 miljoen beschikbaar gesteld om knelpunten bij de
Wiw als gevolg van
de bezuinigingen te mitigeren.
Ten slotte is in 2003 de
regeling Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10 000
ID-banen
ingevoerd. Via deze regeling kunnen 10 000 van de huidige ID-banen in
maatschappelijke sectoren worden omgezet in reguliere banen. Deze
stimuleringsregeling levert daarmee een bijdrage aan het behoud van
maatschappelijk nuttige functies in maatschappelijke sectoren en behoud van
werkgelegenheid voor de betreffende gesubsidieerde werknemers.
Het kabinet heeft met
sociale partners en de VNG over onder andere
deze regeling het convenant
gesubsidieerde arbeid 2003 afgesloten. De ondertekenaars van het convenant zijn
van mening dat met de subsidieregeling "regulier maken 10 000
ID-banen" en het aanvullende Wiw-pakket gedwongen ontslagen als gevolg van de bezuinigingen niet nodig hoeven
te zijn.
De leden van de
PvdA-fractie stellen de vraag of het kabinet kan garanderen dat de opgebouwde
arbeidsvoorwaarden voor deze groep veilig worden gesteld.
De ID-werknemers hebben
een reguliere arbeidsovereenkomst met een werkgever waarvoor de in
de sector geldende CAO leidend is. De huidige Wiw-ers zijn in dienst
bij de gemeente op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Bij nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb is gewaarborgd dat
voor deze werknemers een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van
kracht blijft. De arbeidsvoorwaarden voor de Wiw-werknemers zijn
geregeld in de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO Wiw. Het is aan
de CAO-partijen om deze CAO al dan niet voort te zetten en
eventueel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden met inachtneming van het
bepaalde in de Invoeringswet Wwb. Als de CAO rechtsgeldig wordt
opgezegd, worden de in de CAO opgenomen bepalingen geacht
onderdeel uit te maken van de individuele arbeidsovereenkomst van de
Wiw-ers. Van deze
bepalingen kan slechts na wilsovereenstemming tussen gemeente en Wiw-werknemer worden afgeweken. Bij de verdeling van het werkdeel over de gemeenten is rekening
gehouden met de lopende
verplichtingen die gemeenten hebben voor hun Wiw- en ID-banen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met werknemers die niet binnen
één jaar
doorstromen en of er voor deze groep een nieuwe regeling komt. Deze leden willen
tevens weten welk deel van het werkdeel is gemoeid met behoud van
huidige aantal ID- en Wiw-banen. Tevens vragen zij welke
budgetten ermee gemoeid zouden zijn als alle huidige ID-ers en Wiw-ers in
reguliere functies volgens de laagste loonschalen in reguliere CAO’s zouden
worden ondergebracht.
Het toekomstige
ongedifferentieerde reïntegratiebudget bestaat uit de huidige middelen voor
Wiw- en ID-banen en het
Wiw-scholings- en activeringsbudget.
Gesubsidieerde arbeid kan in de toekomst uit deze rblz.|26|
middelen betaald
(blijven) worden; hiervoor komt geen nieuwe regeling. Het is aan de gemeenten
om te bepalen welke voorziening zij gedurende welke tijd willen
inzetten voor hun doelgroep; ook voor de huidige Wiw- en ID-werknemers. Het vrij
besteedbare budget geeft gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk
te bieden; ook voor de groep met een grotere afstand tot de
arbeidsmarkt.
Voor 2003 is €|1,3
miljard toegekend voor ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen en
-werkervaringsplaatsen. Ultimo 2003 zijn er naar verwachting
nog 45 500 ID-banen en 25
000 Wiw-dienstbetrekkingen bezet. Het precieze aantal ID-banen
is moeilijk aan te geven, omdat gemeenten in 2003 al een vrij
besteedbaar ID-budget hebben. Daarmee is het dus niet mogelijk om precies aan
te geven welk bedrag in 2004 door gemeenten zal worden uitgegeven aan
gesubsidieerde arbeid. In totaal is in 2004 €|1,6
miljard aan flexibel
reïntegratiebudget voor de gemeenten beschikbaar. De precieze omvang van de
benodigde middelen die zouden zijn gemoeid met het regulier
onderbrengen van de huidige Wiw-ers en ID-ers in de laagste loonschalen is
eveneens moeilijk te geven. Zoals aangegeven, is in 2003 €|1,3 miljard toegekend aan gemeenten
voor ID- en Wiw-banen. Dit geeft een goede indicatie van
de benodigde middelen, maar bedacht moet worden dat de beloning in
een ID-baan tot maximaal 150% WML [wettelijk
minimumloon, red.] kan oplopen.
De leden van de
CDA-fractie stellen vast dat de werknemer op een gesubsidieerde arbeidsplaats
zo nodig
ondersteuning mag verwachten van de gemeente bij doorstroom
naar reguliere arbeid, aangezien gesubsidieerde arbeid niet wordt gezien
als een einddoel op zich. Deze leden vragen of de veronderstelling juist is
dat dit ook betekent dat de betreffende werknemer verplicht is om te willen
doorstromen.
De leden van de PvdA-fractie
vragen het kabinet wat er wordt bedoeld met de zinsnede dat
gesubsidieerde arbeid weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid is, maar geen
einddoel kan zijn.
In de
Wwb wordt onder
arbeidsinschakeling verstaan: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht
op arbeidsinschakeling. Het kabinet is van mening dat gesubsidieerde arbeid
een voorziening is gericht op arbeidsinschakeling en daarmee geen einddoel
is. Einddoel is algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen
gebruik wordt gemaakt van een voorziening. De werknemer op een
gesubsidieerde arbeidsplaats mag daarom van de gemeente
ondersteuning
verwachten die is gericht op doorstroom naar ongesubsidieerde arbeid
en heeft ook de plicht daaraan medewerking te verlenen. Indien de
gemeente gesubsidieerd werk aanbiedt, dient er sprake te zijn van
algemeen geaccepteerde arbeid. Dat wil zeggen: werkzaamheden die niet ingaan tegen de
integriteit van de persoon.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of, behalve de ID- en Wiw-banen, ook
sociale werkvoorziening en SPAK [specifieke afdrachtskorting, red.]
worden beschouwd als gesubsidieerde arbeid.
Onder gesubsidieerde
arbeid verstaat het kabinet in het kader van de Wwb arbeid die met inzet
van een Wwb-voorziening, dus met aanvullende middelen, wordt verricht
in het kader van de arbeidsinschakeling. De dienstbetrekkingen in
het kader van de sociale werkvoorziening vormen een aparte
voorziening die los gezien moeten worden van gesubsidieerde arbeid in het kader van
de Wwb en waarvoor de voorwaarden van de Wsw gelden.
Fiscale regelingen, zoals de SPAK, vallen niet binnen de definitie van een
voorziening in het kader van de Wwb; banen waarbij de werkgever van deze
regeling gebruik maakt, worden dus niet gezien als gesubsidieerde banen in
het kader van de Wwb.
rblz.|27|
De leden van de PvdA-fractie
willen weten of het klopt dat de uitvoering van de huidige Wiw-dienstbetrekkingen onder bepaalde voorwaarden is
vrijgesteld van
omzetbelasting.
Klopt het ook, zo vragen
deze leden zich af, dat straks over alle reïntegratietrajecten
van gemeenten omzetbelasting berekend wordt? Zal dat leiden tot hogere
lasten voor gemeenten, juist omdat de wettelijke gronden voor de
vrijstelling al wegvallen met het verdwijnen van de Wiw? Deze omzetbelasting,
zo begrijpen deze leden, kan niet gedeclareerd worden op grond van het
BTW-compensatiefonds. Om welk bedrag gaat het hier, zo willen
de leden van de PvdA graag weten. De leden van de VVD-fractie vragen het
kabinet of de gemeenten hiervoor worden gecompenseerd.
De uitvoering van de
huidige Wiw(-dienstbetrekkingen) door gemeenten
e.d. is inderdaad
vrijgesteld van omzetbelasting, mits daarmee geen winst wordt beoogd. De opdracht
om uitvoering van de reïntegratietaken zoveel mogelijk uit te besteden
aan private instellingen of personen heeft inderdaad tot gevolg dat de gemeente, afhankelijk van de voorzieningen die worden ingekocht, over
leveringen en diensten die niet zijn vrijgesteld, omzetbelasting
verschuldigd is. De gemeente heeft geen recht op een bijdrage uit het
BTW-compensatiefonds voor de omzetbelasting die in rekening wordt gebracht
voor reïntegratievoorzieningen die worden verstrekt of ter
beschikking gesteld aan individuele derden (bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden).
Alleen bepaalde voorzieningen zijn vrijgesteld. Globaal kan gezegd worden
dat voorzieningen die te maken hebben met scholing en langdurig
werklozen vrijgesteld zijn en voorzieningen als casemanagement en
begeleiding niet.¹ Voor een nadere beschrijving van voorzieningen die
vrijgesteld zijn, wordt onder andere verwezen naar artikel 11 van de Wet
op de omzetbelasting 1968.
Wanneer de levering of
dienst plaatsvindt aan of ten behoeve van de gemeente zelf,
bijvoorbeeld de door het reïntegratiebedrijf in rekening gebrachte
uitvoeringskosten of apparaatskosten, kan de gemeente voor de betaalde
omzetbelasting een beroep doen op het BTW-compensatiefonds.
Omdat gemeenten in
verband met SUWI voor een deel van de bestedingen uit het scholings- en activeringsbudget omzetbelasting moeten
gaan betalen, heeft er
vanaf 2002 een generieke ophoging van het Wiw-scholings- en
activeringsbudget plaatsgevonden (voor het jaar 2003 bedraagt de toevoeging
€|7,6 mln). Deze ophoging is vanaf 2004 toegevoegd aan het vrij besteedbaar
reïntegratiebudget. Of de Wwb leidt tot hogere lasten voor
gemeenten vanwege de omzetbelasting is niet vast te stellen. Dit komt doordat
het afhangt van de voorzieningen die gemeenten inzetten.
1. Vrijgestelde
voorzieningen zijn onder andere (beroeps)onderwijsvoorzieningen, waaronder
praktijkopleidingen voor langdurig werklozen, en leveringen
en diensten van sociale aard mits de
onderneming geen winst beoogd.
Overgangsregime
verdeelsystematiek werkdeel
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen verheldering over de opmerkingen van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Trouw, 30 juni 2003) dat
het overgangsregime met betrekking tot gesubsidieerde arbeid met één jaar wordt
verlengd.
Het kabinet heeft
besloten om het in de algemene memorie bij de hoofdwet
Wwb opgenomen overgangsregime, betreffende de verdeelsystematiek
van het macrobudget
werkdeel Wwb, niet te hanteren voor het jaar 2004. Voor het
jaar 2004 is gekozen voor een verdeelsystematiek die aansluit bij de
verdeling van de beschikbare middelen Wiw en ID
in het jaar 2003. Een
verdeelsystematiek die is gebaseerd op de status quo van het jaar 2003 komt
in het bijzonder de grote gemeenten, respectievelijk gemeenten die relatief
veel personen op gesubsidieerde arbeidscontracten hebben geplaatst,
tegemoet. Zij krijgen één jaar langer de tijd om rblz.|28|
verdere reductie van
gesubsidieerde arbeidsplaatsen te realiseren. Vanaf het jaar 2005 wordt de
verdeelsystematiek gehanteerd zoals beschreven in de memorie van
toelichting bij de hoofdwet Wwb met inbegrip van het overgangsregime.
Doorstroom naar
ongesubsidieerde arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen welk percentage Wiw-ers en
ID-ers binnen één jaar kan
doorstromen naar een reguliere baan. Deze leden vragen tevens welke
conclusies het kabinet trekt uit het feit dat de doorstroom tussen Wiw en ID en
tussen Wiw-dienstbetrekkingen en Wiw-werkervaringsplaatsen verschilt.
Er kan door het kabinet
niet zonder meer een uitspraak worden gedaan over het percentage
werknemers op een ID- en Wiw-baan dat binnen
één jaar uit kan stromen.
Deze zijn onder meer afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Wel
beschikt het kabinet over een aantal jaren ervaringsgegevens.
Verwacht mag worden dat de invoering van de Wwb
en de door het kabinet
ingezette acties tot bevordering van de uitstroom een gunstig effect hebben
op de (positieve) uitstroompercentages. Alleen voor het jaar 2002 zijn
er cijfers beschikbaar van de totale uitstroom naar reguliere arbeid. In 2002
stroomde een kwart van de totale uitstroom van de Wiw-dienstbetrekkingen
uit naar reguliere arbeid.
Het verschil in
doorstroom tussen Wiw-dienstbetrekkingen, Wiw-werkervaringsplaatsen
en ID-banen is te verklaren uit het feit dat deze voorzieningen open
staan voor verschillende doelgroepen, uitgaan van een andere
financieringssystematiek en andere eisen stellen aan doelgroep en
werkzaamheden.
Ervaringsgegevens
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2000
|
2001
|
2002
|
|
Wiw-dienstbetrekkingen
(uitstroom als aandeel van beginstand + instroom):
|
| totale uitstroom |
29%
|
29%
|
33%
|
| waarvan positieve
uitstroom ¹ |
x
|
62%
|
60%
|
|
Wiw-werkervaringsplaatsen (uitstroom als
aandeel van beginstand + instroom):
|
| totale uitstroom
|
63%
|
64%
|
58%
|
| waarvan positieve
uitstroom
|
59%
|
66%
|
69% ¹
|
|
ID-banen (uitstroom als
aandeel van gemiddelde stand):
|
| totale uitstroom |
x
|
11,9%
|
10,3%
|
| waarvan positieve
uitstroom |
x
|
41%
|
43%
|
1. Uitstroom naar een
reguliere of anders gesubsidieerde baan of scholing
Gesubsidieerde arbeid als
vangnet
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet aan te geven hoe groot, op basis van het huidige
bestand, de groep is binnen de gesubsidieerde arbeid voor wie
doorstroom niet voor de hand ligt, ermee rekening houdend dat
gesubsidieerde banen voor een bepaalde groep een vangnet kunnen zijn.
Een dergelijke schatting
kan niet worden gemaakt. Daarvoor is de doorstroompotentie van
personen die op een gesubsidieerde arbeidsplaats werkzaam zijn te divers.
Hoe gemeenten vormgeven aan de beleidsinzet van gesubsidieerde arbeid
als opstap naar ongesubsidieerde arbeid of als een meer
permanente voorziening, is een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten. Verwacht
mag worden dat gemeenten, na invoering van de Wwb, hierop bewust
beleid zullen voeren. Met het vrije rblz.|29|
reïntegratiebudget en de vermindering van de regels zijn zij bovendien
beter in staat om een op
de persoon gericht traject voor deze personen aan te bieden. Doel is te
allen tijde een traject naar reguliere arbeid. Het kabinet deelt de opvatting van deze leden dat dit niet in alle gevallen
mogelijk is. In zo’n
situatie is ook een gesubsidieerde baan mogelijk voor langere tijd. Wel is van
belang dat gemeenten periodiek blijven onderzoeken of deze personen een
volgende stap richting reguliere arbeid kunnen zetten.
Gereserveerde arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom het kabinet het advies van de RWI
[Raad voor werk en inkomen, red.] niet heeft
overgenomen om gesubsidieerde arbeid te continueren in de vorm van
gereserveerde arbeid.
In het Beleidskader Werk
en Inkomen 2002 heeft de RWI het voorstel gedaan voor het inzetten
van gereserveerde arbeid. In reactie op dit voorstel heeft het kabinet
aangegeven geen systeem van gereserveerde arbeid in te zetten, omdat met
de komst van één ongedifferentieerd, flexibel, vrij besteedbaar
reïntegratiebudget gemeenten optimaal maatwerk kunnen bieden om werkzoekenden
op persoonsgerichte wijze te begeleiden. De inzet van gesubsidieerde
banen blijft daarbij mogelijk.
Verantwoordelijkheid
werkgevers
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen een standpunt van het kabinet als het gaat om de
verantwoordelijkheid van werkgevers, zowel in de publieke als in de
private sector, om bijstandsgerechtigden in dienst te nemen.
Het kabinet is van mening
dat ook werkgevers een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het
reïntegreren van bijstandsgerechtigden. Het is in het belang van werkgevers
dat zoveel mogelijk mensen in Nederland aan het werk zijn of kunnen
worden ingeschakeld indien de conjunctuur weer aantrekt. Hiertoe is ook
van belang dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen om
bijstandsgerechtigden die stage lopen bij een bedrijf zoveel mogelijk te leren.
Het kabinet is niet van
plan om werkgevers de verantwoordelijkheid om bijstandsgerechtigden te reïntegreren dwingend op te leggen. Een
verplichting zou de
concurrentiepositie van bedrijven kunnen verslechteren en daarmee de totale
werkgelegenheid uiteindelijk kunnen verminderen.
Bezuinigingen SPAK en VLW
De
leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet aan te geven wat het effect van de
bezuiniging op de SPAK en VLW [vermindering langdurig werklozen, red.], reeds ingegaan op 1 januari 2003, is op de
arbeidsinschakeling van laaggeschoolden en langdurig werklozen.
In 2003 wordt een eerste
stap gezet in het afbouwen van de SPAK tot nul in 2006. Bij de VLW kan
geen instroom meer plaatsvinden. Als gevolg hiervan kan de
werkgelegenheid onder laagopgeleiden en langdurig werklozen dalen. Hiertegenover
staat dat middelen die hiermee vrijgespeeld worden, ingezet worden
voor een verhoging van de arbeidskorting. Dit heeft een positief
werkgelegenheidseffect. Er is door het kabinet gekozen voor meer
arbeidsaanbodstimulerende maatregelen in plaats van vraagstimulerende maatregelen. Daarnaast
heeft de gemeente de mogelijkheid om een loonkostensubsidie
binnen de Wwb in te zetten als voorziening om mensen te
reïntegreren. Het exacte partiële effect van deze maatregelen rblz.|30|
op de
werkgelegenheid voor laaggeschoolden en langdurig werklozen tot nu toe is niet aan
te geven.
Werk met behoud van
uitkering
Door de leden van de
fracties van de PvdA, GroenLinks en de VVD zijn vragen gesteld over de
wettelijke randvoorwaarden zoals die gelden voor de mogelijkheid om met
behoud van uitkering (onbetaald) werk te verrichten. De leden van
de fracties van PvdA en GroenLinks vragen naar de verschillen tussen
werken met behoud van uitkering enerzijds en het werken tegen een
arbeidsovereenkomst anderzijds. Deze leden stellen onder meer voor om bij
alle reïntegratietrajecten waar werk of werkervaring aan de orde is,
direct
of na een termijn van bijvoorbeeld zes maanden uit te gaan van
een dienstbetrekking, met recht op loonbetaling. De leden van de fractie
van de PvdA informeren voorts of het kabinet het mogelijk en wenselijk acht dat gesubsidieerde arbeid uiteindelijk zal
worden vervangen door
werken met behoud van uitkering en hoe een dergelijke ontwikkeling
zich eventueel verhoudt tot het proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen in dit verband voorts
naar het onderscheid
tussen werken met behoud van uitkering in de vorm van vrijwilligerswerk en
werk tegen een prestatie voor de werkgever. Tevens zijn de leden van
de fractie van de PvdA geïnteresseerd in de mening over de zogenaamde
nultrajecten, waaraan geen concrete afspraken over scholing
of werk verbonden zijn en jongeren feitelijk met behoud van uitkering
moeten gaan werken. De leden van de fractie van GroenLinks informeren in
dit verband of mensen die gaan werken met behoud van uitkering
aanspraak kunnen maken op een onkostenvergoeding boven de basisuitkering.
Tot slot zijn de leden van de VVD fractie geïnteresseerd in de
mogelijkheden voor gemeenten om een arbeidscontract met het daarbij behorende
loon aan te bieden in plaats van een "echte" uitkering.
Onder de noemer
"werken
met behoud van uitkering" gaat een brede variëteit aan
activiteiten schuil. Deze activiteiten lopen uiteen van regulier
vrijwilligerswerk tot
korte werkstages. Het doel en het karakter van de werkzaamheden is sterk
afhankelijk van de mogelijkheden van de doelgroep voor inschakeling in
reguliere arbeid. Werkstages zijn gericht op het opdoen van vaardigheden
of bepaalde werkervaring in het kader van een reïntegratietraject en
kunnen daarom de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling van betrokkene vergroten.
De ervaring leert dat het (tijdelijk) verrichten van
werkzaamheden met behoud van uitkering een goede bijdrage kan leveren aan
de uitstroom naar betaalde arbeid en/of zelfstandige maatschappelijke participatie.¹ Het doel van de activiteiten is dus niet
primair het realiseren
van het bedrijfsdoel van de werkgever. Wanneer de overeengekomen arbeid
primair in woord en daad gericht is op het nut voor de stagiair, i.c. het
opdoen van vaardigheden of een bepaalde werkervaring, is er in beginsel geen
sprake van een arbeidsovereenkomst (zie HR 29 oktober 1982, NJ
1983, 230). Natuurlijk heeft de rechter het laatste woord bij de toetsing of
er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Cliënten en gemeenten
zijn daarentegen gebonden aan de rechten en plichten die voortkomen
uit de Wwb. Dat wil onder meer zeggen dat steeds getoetst moet
worden of de activiteiten nog wel bijdragen aan het vergroten van de kansen
van betrokkene op uitstroom. Om deze reden bestaan er bij het
kabinet reserves tegenover de zogenaamde nultrajecten, waaraan geen concrete
afspraken over scholing of opleiding verbonden zijn.
Tussen productieve arbeid
ten dienste van de werkgever enerzijds én de activiteiten die hierboven zijn gedefinieerd als "werken met behoud van uitkering"
anderzijds
bestaan dus enkele fundamentele verschillen. Het rblz.|31|
ligt daarom niet voor de
hand dat bij alle reïntegratietrajecten waar sprake is van werk of werkervaring, sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het
kabinet acht het thans
evenmin noodzakelijk of wenselijk om de "tewerkstelling" te koppelen aan een
vaste termijn, omdat daarvoor de verschillen tussen cliënten enerzijds en de aard en het doel van de werkzaamheden
anderzijds te groot
zijn. Immers, waar een periode van zes maanden voor werkstages
een adequate richtsnoer vormen, is een halfjaar vaak te kort voor
activiteiten in het kader van sociale activering of vrijwilligerswerk.
Werken met behoud van
uitkering is een ander instrument dan gesubsidieerde arbeid. Bij
gesubsidieerde arbeid is de werknemer over het algemeen wél in staat om
productieve arbeid te verrichten, maar kan er (bijvoorbeeld door een
tekort aan werkervaring) een groot verschil ontstaan tussen de
loonkosten van de werkgever en de mate waarin een gemiddelde werknemer deze
productieve arbeid verricht. De gemeente kan er dan voor kiezen om
een tijdelijke loonkostensubsidie te verlenen. Door deze verschillen
verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid op den duur wordt
vervangen door werken met behoud van uitkering. Het beleid van de gemeente
Amsterdam, zoals dat uit de publiciteit naar voren komt, waarbij de instroom
in gesubsidieerde arbeid wordt vertraagd door de inzet van "voortrajecten" acht het kabinet daarom niet wenselijk. Voor cliënten die niet
in staat zijn om op korte termijn deel te nemen aan (regulier) betaalde
arbeid kan vrijwilligerswerk een goed alternatief vormen. Om deze
activiteiten financieel te stimuleren, bestaan een aantal instrumenten. Zo kunnen
gemeenten eenmaal per kalenderjaar een premie uitkeren van
maximaal €|1944,-. Ook kan, evenals in de huidige
Abw
is geregeld, een
forfaitaire kostenvergoeding worden verstrekt voor het verrichten van
vrijwilligerswerk (tot ten hoogste €|20,-
per week met een maximum van €|700,-
per jaar), die niet wordt verrekend met de uitkering. Deze
kostenvergoeding kan worden verstrekt door de organisatie waar vrijwilligerswerk
wordt verricht, maar eventueel ook door de gemeente zelf.
Verschillende gemeenten
waaronder de gemeente 's-Hertogenbosch overwegen om cliënten in
plaats van uitkering een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Vanuit de Wwb
doen zich in beginsel geen bijzondere belemmeringen voor bij de
inzet van het inkomensdeel voor het uitbetalen van loon in plaats van
een uitkering. Het inkomensdeel is tenslotte vrij besteedbaar, dus kan
dit budget door de gemeente ook worden ingezet in de vorm van "loon". De cliënt is in beginsel verplicht om gebruik te maken van een
door het college aangeboden voorziening gericht op
arbeidsinschakeling.
Daarnaast moet worden
bedacht dat een dergelijke inzet van het inkomensdeel zich bevindt
op het snijvlak van de Wet werk en bijstand en het arbeidsrecht. Indien
de cliënt daadwerkelijk een arbeidscontract wordt aangeboden, zijn
gemeenten hiermee gebonden aan het (reguliere) arbeidsovereenkomstenrecht.
Dit betekent dat de beleidsvrijheid van gemeenten haar beperking
vindt in de algemene grenzen die het arbeidsovereenkomstenrecht
met zich mee brengt.
1. S. Serail en I. van de
Pas: Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering,
stand van zaken en lessen na 6 jaar
experimenteren in de Algemene bijstandswet, 2002, Den Haag, Elsevier
bedrijfsinformatie.
3.1. Rechten en plichten
[MvT;
V]
Positie cliënt
Door de
fracties van PvdA, VVD,
GroenLinks en CDA zijn vragen gesteld over de balans tussen
rechten en plichten van de cliënt, het doel, de aard en de reikwijdte van de
in de Wwb opgenomen "aanspraak op
ondersteuning" voor de cliënt en
voorts de mogelijke jurisprudentie als gevolg van dit nieuwe begrip.
rblz.|32|
Het kabinet deelt het
belang dat de leden van de fracties van de PvdA en
GroenLinks hechten aan
de positie van de cliënt bij reïntegratie. Voor de Bijstandswet belangrijke
uitgangspunten als persoonlijke verantwoordelijkheid en individualisering
kunnen tenslotte nauwelijks invulling krijgen als niet enkele fundamentele aanspraken voor de cliënt gewaarborgd
worden.
Het kabinet deelt,
samengevat, de opvatting van deze leden dat een aantal basisrechten verankerd
dienen te zijn in wet- en regelgeving. Er is echter niet gekozen voor een
nadere concretisering in de Wwb. De redenen daarvoor zijn tweeërlei.
In de eerste plaats dienen deze "basisrechten" zich naar de opvatting
van het kabinet niet te beperken tot alleen bijstandsgerechtigden,
maar moeten zij zich uitstrekken tot alle werkzoekenden met of zonder een
uitkering. Het kabinet heeft vastgesteld dat de meest essentiële rechtsnormen inmiddels goed tot uitdrukking komen in
de diverse wet- en
regelgeving, die in een directe relatie met dit wetsvoorstel staan. De Wet
SUWI is
daarvan een goed voorbeeld, maar ook aan de Algemene wet
bestuursrecht, de Gemeentewet, en tot slot, de Grondwet en internationale verdragen.
De leden van de
VVD-fractie vragen of voorzien wordt of het begrip ondersteuning bij reïntegratie door
jurisprudentie nader zal worden ingevuld.
De in de
Wwb omschreven
kaders zijn zo geformuleerd dat aan gemeenten de
randvoorwaarden worden geboden om aan de in deze wet betrekkelijk nieuw
geïntroduceerde begrippen, waaronder een aanspraak op ondersteuning voor de
cliënt, nader gestalte te geven. Met andere woorden, beoogd is om
gemeenten voldoende "gereedschap" te geven om de in dit wetsvoorstel
voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende
handvatten bieden voor de gemeente én de cliënt bij het beoordelen van de
criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures.
Het kabinet vertrouwt erop dat, gezien de expertise die door
gemeenten is opgebouwd met het opstellen van verordeningen in combinatie met de
procedurele waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming,
een ongewenste toename van jurisprudentie én administratieve lasten
voor de gemeente voorkomen wordt.
In die gevallen dat
geprocedeerd wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend
opstellen bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De
rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid
anderzijds brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de (politieke)
stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen kan
dat betekenen dat aan het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te
nemen, eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter. Een al te zeer inhoudelijke inkleuring van
begrippen blijft dan
achterwege.
In het hiernavolgende
zal, mede op verzoek van de leden van de fractie van
GroenLinks,
specifiek worden ingegaan op de twaalf suggesties van de FNV.
1. Keuzerecht. Naar de
mate waarin voor cliënten keuzemogelijkheden worden ingebouwd binnen
de (reguliere) werkprocessen, is onderzoek uitgevoerd in
samenwerking met Regioplan Beleidsonderzoek.¹ Een belangrijke constatering
was dat veel gemeenten en reïntegratiebedrijven bij het samenstellen van
het projectplan rekening houden met de wensen van de
cliënt. De gemeente heeft echter het laatste woord. Wel staat voor de
cliënt vanzelfsprekend bezwaar en/of beroep open tegen de beslissing
van de gemeente met betrekking tot de verplichting om deel te
nemen aan een reïntegratietraject.
2. Recht op begeleider/vertrouwenspersoon. Het kabinet kan zich vinden in
het uitgangspunt dat uitkeringsgerechtigden in beginsel het recht moeten
hebben om iemand mee te
nemen naar een keuring of een gesprek. Tevens kan vaak een
beroep worden gedaan op organisaties van cliënten. rblz.|33|
Ons is niet gebleken dat de bestaande wet- en of regelgeving
op dit terrein tekort zou
schieten. In voorkomende gevallen staan er voor cliënten
verschillende mogelijkheden open om "beklag" te doen. Nadere regels op
dit
terrein voor reïntegratiebedrijven worden mede daarom op dit moment niet
overwogen.
3. Initiatiefrecht wordt
geregeld in artikel 10 [10]
van de Wwb.
4. Budgetrecht. Door
gemeenten kan op grond van de Wwb in individuele gevallen een
persoonsgebonden reïntegratiebudget worden verstrekt. Een landelijk
geregeld "budgetrecht" wijst het kabinet echter af. De Kamer is hierover
separaat geïnformeerd.²
5. Recht op een vaste
consulent. Het kabinet hecht, zoals hierboven reeds is beschreven, veel
waarde aan de begeleiding van een cliënt bij reïntegratie. In het kader van
SUWI is
in de wet vastgelegd dat gemeenten, evenals UWV en
CWI,
bevorderen dat cliënten zoveel mogelijk met een vast aanspreekpunt (dat
optreedt als begeleider en trajectcoördinator) te maken hebben. Uit het
eerder genoemde onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met
Regioplan Bedrijfsonderzoek (zie onder 1) kan worden geconstateerd
dat een zeer groot aantal gemeenten ook daadwerkelijk invulling
heeft gegeven aan dit uitgangspunt.
6. Recht op behouden van
oude (uitkerings)rechten. Het onderwerp speelt mijns inziens niet
bij bijstandsgerechtigden en valt daarom buiten het bereik van de Wwb.
7. Recht op informatie.
Een recht op informatie is een prominent beginsel van "algemeen behoorlijk
bestuur". Daarnaast staat het geformuleerd in de SUWI-wetgeving en
kan het worden afgeleid uit de Gemeentewet.
8. Recht op maatwerk. Het
kabinet ondersteunt dit pleidooi voor maatwerk van de FNV van harte.
Maatwerk is daarom een centraal uitgangspunt van de Wwb
en komt tevens terug in de SUWI-wetgeving.
9. Recht op actieve
ondersteuning. In beginsel kan elke cliënt die dat naar zijn of haar oordeel
nodig heeft, een beroep doen op ondersteuning van het CWI en/of de
gemeente. De wijze waarop het kabinet een feitelijke aanspraak op begeleiding
wenst te waarborgen, komt ook naar voren in (de wetsgeschiedenis van) de Wet
SUWI.³ Tevens is een aanspraak op
ondersteuning geregeld in de Wwb.
10. Recht op volwaardige
en duurzame banen. Op grond van artikel 19 van de
Grondwet heeft de
overheid de zorg voor bevordering van voldoende
werkgelegenheid. Daartoe worden in het kader van het werkgelegenheidsbeleid
van het kabinet talrijke activiteiten ontwikkeld. De steun van sociale
partners is daarbij overigens onontbeerlijk. Garantie op werk kan de
overheid niet bieden.
11. Beroepsrecht.
Cliënten kunnen bezwaar en beroep aantekenen tegen besluiten van de
gemeente. Onafhankelijkheid is gewaarborgd in de beroepsfase.
12. Baangarantie. In het
kader van het reïntegratiebeleid kunnen diverse instrumenten worden
ingezet waardoor werkgevers personen in dienst nemen of houden. De
overheid kan, evenmin als de sociale partners, een baangarantie
realiseren.
1. Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, Mogelijkheden voor een
actieve rol van de cliënt bij
reïntegratie, 2003, Den Haag.
2. SZW-03-438.
3. Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nrs. 97 en 107.
De leden van de
fractie
van GroenLinks en de PvdA willen graag van het kabinet horen op welke
rechten individuen zich kunnen beroepen als het gaat om de
reïntegratieverplichting van de gemeente. Om deze rechten nader te concretiseren,
suggereren de leden van de fractie van GroenLinks om, in aansluiting op door de
FNV geformuleerde rechten, dergelijke
basisrechten op te nemen
in de wet. In dit verband vragen deze leden om een onderbouwde reactie
op de opname van basisrechten in het algemeen en de twaalf suggesties
van de FNV in het bijzonder. Daarbij wijzen de leden van de fractie
van GroenLinks op de bevredigende ervaringen van enkele UWV’s [uvi's, uitvoeringsinstellingen,
red.] met de
introductie van persoonsgebonden budgetten rblz.|34|
voor mensen die willen
reïntegreren. Ook de leden van de fractie van de PvdA wijzen op het belang
van keuzevrijheid van de cliënt en de mogelijkheden om cliënten een rugzakje
en/of een voucher toe te kennen.
Een aspect als
keuzevrijheid komt ook expliciet terug in de door de FNV
geformuleerde
basisrechten. Daarom komt dit punt hieronder, wanneer op elk door de FNV
geformuleerd recht afzonderlijk wordt ingegaan, vanzelf aan de orde. Overigens is
het wel van belang om op te merken dat de kwaliteit van deze "basisrechten" sterk bepaald wordt door de wijze
waarop in de praktijk
hieraan invulling wordt gegeven. Dit geldt ook voor de door de leden van de
fracties van PvdA en GroenLinks genoemde kwaliteitscriteria. Deze laten zich naar het oordeel van het kabinet niet
goed sturen door nadere
regels in wet- en regelgeving. In dit verband is het verheugend dat ook
Divosa de kwaliteit van de dienstverlening op de agenda heeft gezet en
dientengevolge een quick scan cliënttevredenheid voor het eerst als
mogelijkheid in de benchmark sociale diensten ¹ heeft opgenomen. Uit de
resultaten van deze quick scan blijkt dat de meeste cliënten vinden dat
consulenten voldoende tijd en aandacht aan hen schenken, voldoende
voorlichting geven en snel en efficiënt werken. Hoewel op onderdelen
zeker nog verbetering mogelijk is, valt toch te verwachten dat deze
positieve trend zich zal voortzetten. Onder meer omdat de kwaliteit van de
dienstverlening van de overheid door dit kabinet nadrukkelijk op
de agenda is gezet.²
In de Wwb is niet
expliciet aangegeven wat de precieze reikwijdte of inhoud van de aanspraak
op ondersteuning is. Het kabinet heeft daar niet voor gekozen, omdat zij
dit niet vond passen bij de aard en de doelstellingen van dit artikel. Artikel
10 [10] moet samen met de opdracht aan de gemeente om regels op te stellen met betrekking tot een evenwichtige
benadering van
doelgroepen (artikel 8 [8], tweede lid, Wwb), worden gezien als voorwaardenscheppend. Het
doel van beide artikelen is om betekenis te geven aan de zorgplicht van de
overheid, respectievelijk de gemeente.
Bij het besluit op een
aanvraag om ondersteuning zal de gemeente een individuele afweging
moeten maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Overwegingen daarbij zijn
de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de
noodzaak van een traject, de aanwezigheid van voorzieningen en hulpverlening of alternatieven daarvoor evenals de
financiële middelen die
beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van een
gemeentelijke verordening. De gemeenteraad houdt bij het vaststellen van de
verordening rekening met de beschikbare financiële middelen. Het ontbreken
van financiële middelen is echter onvoldoende afwijzingsgrond in een
individuele beslissing.
Door in de wet vast te
leggen dat belanghebbenden aanspraak hebben op ondersteuning, is er voor
betrokkenen een titel om deze aanspraak op te eisen. Daarmee is niet
gezegd dat betrokkene recht heeft op een bepaalde, specifieke voorziening en
deze specifieke voorziening kan eisen. Er is altijd een individuele beoordeling door de gemeente noodzakelijk.
De basis voor deze
individuele beoordeling wordt door de gemeente vastgelegd in de met
betrekking tot dit artikel voorgeschreven verordening.
1. SGBO, 2003, Benchmark
Sociale Diensten. Rapportage 2001, maart
2003.
2. Zie ook het
hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels,
2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637,
nr. 19).
De leden van de
fracties
van het CDA en de VVD hebben enkele vragen over de functie en de
risico’s van deze verordening.
Bij het vormgeven van
dit
wetsvoorstel is door het kabinet bewust gekozen voor het
voorschrijven van verordeningen op diverse terreinen, omdat hierdoor de
randvoorwaarden worden geboden voor een zorgvuldige uitvoering van de
wetgeving. Met andere woorden, beoogd is om gemeenten voldoende gereedschap te geven om de in dit wetsvoorstel
voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende handvatten bieden voor de gemeente
en de cliënt bij het beoordelen van de rblz.|35|
criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures.
Het kabinet vertrouwt
erop dat, gezien de expertise die door gemeenten is opgebouwd
met het opstellen van verordeningen in combinatie met de procedurele
waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming, een ongewenste toename
van jurisprudentie en van administratieve lasten voor de gemeente
voorkomen wordt.
Wanneer geprocedeerd
wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend opstellen
bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De
rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid
anderzijds
brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen
kan dat betekenen dat aan
het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen,
eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter.
Voor de reactie op de
twaalf suggesties van de FNV
wordt verwezen naar het antwoord op de brief
van de FNV van 5 juni 2003, dat als bijlage bij deze nota wordt
meegezonden.
Tot slot zal, op verzoek
van de leden van de fracties van PvdA en ChristenUnie, meer specifiek
worden ingegaan op de rechten en de plichten van cliënten en de
verschillen met de huidige situatie. Onder de huidige Bijstandswet zijn de
arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd in hoofdstuk VIII van
de wet. De Wwb kent een algemene verplichting om mee te werken aan
inschakeling in arbeid, deze is terug te vinden in artikel
9 [9]. In artikel
14 van de Abw wordt de basis gelegd voor de handhaving van de arbeidsverplichtingen. Deze worden uitgewerkt in het
huidige
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Hier zijn de verwijtbare gedragingen
gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de uitkering
gestandaardiseerd. Op grond van artikel 18
[18] Wwb
kan niet-nakoming van de
verplichtingen worden gesanctioneerd en worden daarvoor bij verordening regels
gesteld.
In hoofdlijnen zijn er
echter geen verschillen ten opzichte van de huidige situatie. Artikel 10
[10] Wwb kan gezien worden als een uitbreiding van de rechten.
Relatie Wsw en Wwb
De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet naar de visie op de relatie tussen de
Wsw en
dit
wetsvoorstel en of de Wsw een grotere rol kan spelen in het begeleiden
van arbeidsgehandicapten naar betaald werk. Zij vernemen graag van het
kabinet hoe het de wachtlijsten voor een Wsw-plaatsing wil
wegwerken
Het kabinet merkt
allereerst op dat de wachtlijst sinds 1998 fors is teruggelopen: van ruim 20 000 tot
ongeveer 5600 ultimo 2002. Deze daling zet nog altijd door, al gaat
het minder snel dan in voorgaande jaren. Het plaatsen van personen
vanaf de wachtlijst in een Wsw-dienstbetrekking of een
begeleid-werkenarbeidsplaats vergt maatwerk. Er zal dus altijd nog enige wachtlijst blijven
bestaan. Binnen de Wwb blijft gesubsidieerde arbeid mogelijk. Het
staat gemeenten vrij om voor schoolverlaters met een Wsw-indicatie op de
Wsw-wachtlijst een tijdelijke voorziening te treffen uit Wwb-middelen,
op dezelfde manier als dit nu mogelijk is uit Wiw-middelen.
Het kabinet merkt verder
op dat de doelstelling en doelgroep van de Wsw niet verandert door de
komst van de Wwb. Doel van de Wsw is het scheppen van aangepaste
werkgelegenheid voor personen die vanwege lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden
tot regelmatige arbeid in staat zijn. Voor het overgrote deel van de
Wsw-doelgroep is reïntegratie naar vormen van reguliere,
niet-gesubsidieerde arbeid niet reëel. Doel en doelgroep van het reïntegratiedeel van de
Wwb komen overeen met de doelstelling en doelgroep rblz.|36|
van de oude Wiw en ID. Bij de Wwb ligt de nadruk op een tijdelijke voorziening gericht op
reïntegratie op de reguliere arbeidsmarkt. Een klein deel van de Wwb doelgroep
valt waarschijnlijk onder de criteria van de Wsw en komt ervoor in
aanmerking.
Dankzij de nieuwe wijze
van indiceren is het aantal potentiële uitstromers onder de Wsw-werknemers
die onder de nieuwe wet zijn geplaatst, vrij gering. Daartegenover
staat dat de praktijk van periodieke herindicatie tot een snellere uitstroom
uit de Wsw kan leiden. Deze groep kan immers bij een verbetering in de arbeidscapaciteit door de indicatiecommissie bij
herindicatie beoordeeld
worden als niet langer aangewezen op aangepaste arbeid en dus niet meer
behorend tot de doelgroep.
Voor zover deze
arbeidsgehandicapten vallen onder de Wsw-doelgroep, kan de Wsw als wettelijke
voorziening een rol spelen bij toeleiding naar ongesubsidieerd werk.
Voor zover zij niet onder de Wsw-doelgroep vallen, omdat zij na indicatie
"te goed zijn bevonden", zal reïntegratie uit Wwb-middelen gefinancierd
dienen te worden. Een aantal SW-bedrijven [SW: sociale werkvoorziening, red.]
die voor gemeenten de Wsw
uitvoeren, heeft zich inmiddels ook op de reïntegratiemarkt
begeven. De reïntegratieactiviteiten van deze bedrijven spelen zich echter niet
af in het kader van Wsw en vormen een verbreding van het
activiteitenpakket naast de uitvoering van de Wsw. Wsw-middelen worden dus alleen ingezet
voor de eigen doelgroep.
Duurzame arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen zich af aan welke termijn het kabinet denkt wanneer in de
Wwb wordt gezegd dat personen "zo snel
mogelijk" aan de slag komen. Zij
vragen het kabinet duurzame arbeid te definiëren en aan te geven hoe wordt
voorkomen dat mensen in draaideursituaties belanden.
Gelet op de financiële
verantwoordelijkheid van gemeenten gaat het kabinet ervan uit dat het
vooral aan de gemeenten is om doelen te stellen binnen welke termijn
personen aan werk worden geholpen. Dit zal mede afhankelijk zijn van
óf,
en zo ja, welke ondersteunende voorziening daarbij noodzakelijk is.
Uitgangspunt voor
uitstroom uit de bijstand is duurzame economische zelfstandigheid. Dit zal
in de regel tot uiting komen in de vorm van arbeid, al dan niet in deeltijd.
We gaan daarbij ervan uit dat gemeenten belang hebben bij duurzame
volledige uitstroom.
Gemeenten hebben
niettemin ook rekening te houden met de individuele situatie van personen.
Daar waar vanwege deeltijdarbeid of tijdelijke arbeid blijvende
economische zelfstandigheid nog niet aan de orde is, zal dit wel het perspectief
blijven waar naar gestreefd zal moeten worden. Met het oog op
verantwoording en doeltreffendheid van de wet vindt het kabinet het niettemin
noodzakelijk om aan te geven welke definitie van duurzame plaatsing/arbeid wordt gehanteerd. In de
vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is
aangegeven dat het kabinet onder "duurzaamheid"
verstaat: een situatie waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een
reguliere baan vervult (en in die periode geen uitkering meer ontvangt).
Om te voorkomen dat
personen na het aanvaarden van werk toch (steeds) weer terugvallen in de
bijstand, ligt het voor de hand dat gemeenten vooral aandacht schenken
aan de achterliggende oorzaken hiervan. Oorzaken kunnen liggen in
de sfeer van: individuele omstandigheden, in de persoon gelegen
kenmerken, al dan niet inzetten van voorzieningen, kwaliteit van de
aangeboden voorziening, kenmerken van de regionale arbeidsmarkt (bijvoorbeeld
seizoensarbeid) e.d. StimulanSZ zal voor gemeenten over dit onderwerp een
handreiking opstellen.
Het kabinet verwijst
tevens naar paragraaf 3.3 van deze nota waar wordt ingegaan op
draaideurklanten.
rblz.|37|
3.1.1. Afstemming van de
uitkering op het nakomen van verplichtingen [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie constateren dat gevolgen van het niet nakomen van
verplichtingen door de gemeente zelf wordt bepaald
(blz. 5 MvT). Zij vragen hoe ver
de vrijheid van de gemeente in dit geval strekt en of er een relatie moet
zijn tot de niet-nagekomen verplichting.
De vrijheid van de
gemeente strekt zich allereerst uit tot de grenzen die in
de wet zijn aangegeven.
Dat wil zeggen dat de gemeente een besluit tot verlaging van de
uitkering dat een langere geldigheidsduur heeft dan drie maanden, na die drie
maanden moet heroverwegen.
Naast de grenzen die door
dit wetsvoorstel zijn aangegeven, dient de gemeente bij het
vaststellen van de verordening als bedoeld in artikel
8 [8], eerste lid, onderdeel
b, het
proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen. Dat houdt in dat de hoogte
van de op te leggen maatregel goed moet zijn afgewogen tegen de ernst
van de verwijtbare nalatigheid van de betrokkene.
De leden van de
PvdA-fractie vragen om een nadere uitleg waar het huidige maatwerk in het
sanctiebeleid tekortschiet en wat nu precies de vorm van sancties is waar
het kabinet aan denkt.
In het wetsvoorstel staat
de individualisering centraal; dat komt tot uitdrukking in de
concretisering van de rechten en de verplichtingen en wordt doorgetrokken in de
individualisering van het sanctiebeleid.
De gemeente zal bij de
toekenning van de bijstand de belanghebbende informeren over de op hem
van toepassing zijnde rechten en verplichtingen en hem gelijktijdig op de
hoogte brengen welke gevolgen worden verbonden aan het niet of
onvoldoende naleven van die verplichtingen. Het gegeven dat elke
gemeente een op de lokale situatie toegesneden verlagingsbeleid kan
vormgeven en in een verordening kan vastleggen, sluit beter aan bij de
achterliggende filosofie van de Wwb.
Het huidige centraal
vormgegeven maatregelenbeleid heeft in de praktijk het niet-beoogde effect
van uniformering.
De voorgestelde
decentralisering van het verlagingsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid
om zowel aan de plichtenkant als met betrekking tot de gevolgen van het
niet of onvoldoende naleven van de verplichtingen optimaal maatwerk te
leveren.
De mate van verlaging van
de uitkering, de duur van die verlaging alsmede de wijze waarop
met de ernst van de gedraging en met de persoonlijke
omstandigheden rekening wordt gehouden, wordt door de gemeente in een
verordening vastgelegd.
Het gaat derhalve niet om
de vraag of de gemeente onder de huidige regelgeving niet direct
zou kunnen ingrijpen; de bedoeling van de thans voorgestelde regelgeving
is dat de gemeente op dit onderwerp zelf beleid kan maken, toegesneden op
de lokale situatie en met voldoende mogelijkheden voor maatwerk.
3.1.2. De verplichtingen
tot werk [MvT;
V]
Algemeen geaccepteerde
arbeid
Door de
fracties van CDA,
PvdA, VVD, D66 en
SGP is gevraagd om een toelichting op de
reikwijdte van het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid"; de verschillen
met het begrip "passende arbeid" en de relatie tussen algemeen
geaccepteerde arbeid en duurzame uitstroom. De leden van de CDA-fractie vragen
voorts of het juist is dat passende arbeid na verloop van één jaar voor
cliënten precies hetzelfde inhoudt als algemeen geaccepteerde arbeid. Dit
omdat het begrip algemeen geaccepteerde rblz.|38|
arbeid duidelijk
verschilt van het begrip passende arbeid. Zij vragen of het juist is dat een cliënt
met een academische opleiding van vijf jaar die na de WW in de bijstand
belandt, direct een aangeboden baan van ongeschoold werk, bijvoorbeeld als
schoonmaker, moet aanvaarden en wat de situatie voor deze klant is onder
de oude Algemene bijstandswet.
Tevens vragen de leden
van de CDA-fractie of een toename wordt verwacht van het aantal
bezwaar- en beroepsprocedures door de invoering van het begrip algemeen
geaccepteerde arbeid.
De leden van de
VVD-fractie vragen of de gemeente een sanctie kan opleggen als de
betrokkene algemeen geaccepteerde arbeid weigert.
Tot slot informeren de
leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van gesubsidieerde arbeid
versus algemeen geaccepteerde arbeid.
De wijziging van het
begrip "passende arbeid" in "algemeen geaccepteerde
arbeid" heeft een
tweeledige doelstelling. In de eerste plaats komt het accent duidelijker te
liggen bij snelle uitstroom uit de uitkering. In de tweede plaats krijgt de
gemeente meer ruimte voor het maken van eigen afwegingen. Bij deze
doelstellingen past geen sluitende definitie.
Kern van de wijziging is
dat alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is, geaccepteerd moet worden.
Opleidingsniveau en/of beroepsverleden spelen daarbij geen rol
meer.
Algemene grenzen van wat "algemeen
geaccepteerd" is, zijn niet in eerste instantie te vinden in de
Wwb, maar veeleer in aanverwante wet- en regelgeving, zoals de
arbeidswetgeving.
In dit verband is, zoals
de leden van de PvdA-fractie zich afvragen, illegale arbeid niet algemeen
geaccepteerd. Arbeid tegen een loon dat lager is dan de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag voorschrijft, is evenmin "algemeen
geaccepteerd".
In hoeverre de gemeente
daarnaast nog rekening moet en/of wil houden met de persoonlijke
situatie van de betrokkene is afhankelijk van de eigen afweging.
Dit impliceert dat de
sociale dienst cliënten mag verplichten om tijdelijke arbeid te
aanvaarden en
dat een eventuele weigering van een dergelijk aanbod kan worden
gesanctioneerd.
De leden van de
VVD-fractie vragen in dit kader tevens naar de zienswijze van het kabinet op de
relatie tussen een verplichting tot het verrichten van tijdelijke arbeid en de
werking van de arbeidsmarkt en de mogelijkheden om door middel van
tijdelijke arbeid de zelfredzaamheid te vergroten.
Het kabinet merkt
hierover het volgende op. Een verplichting tot het verrichten van tijdelijke
arbeid kan inderdaad een bijdrage leveren aan een verdere
flexibilisering van de arbeidsmarkt en kan in dit opzicht helpen om bepaalde
knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen. Ook kan dit onder omstandigheden
de zelfredzaamheid van betrokkene vergroten, omdat van de werknemer
verwacht mag worden dat hij of zij zelf uitziet naar ander werk.
Het is juist dat er een
spanningsveld kan optreden tussen snelle uitstroom en duurzame
arbeid. In de vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is aangegeven
dat het kabinet onder "duurzaamheid" verstaat: een situatie
waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een reguliere baan vervult
(en in die periode geen uitkering meer ontvangt).
De leden van de
fracties VVD, PvdA en
D66 vragen om een toelichting op het aspect duurzame
uitstroom in relatie tot algemeen geaccepteerde arbeid.
Het ligt, naar het
oordeel van het kabinet, niet in de lijn van het karakter van deze wet om in dit
verband een duidelijke voorkeur uit te spreken voor één van beide
prioriteiten. De gemeente zal in voorkomende rblz.|39|
gevallen steeds zelf
moeten beoordelen in hoeverre van betrokkene mag worden gevraagd om
tijdelijke arbeid, eventueel in deeltijd, te accepteren of dat, gelet op de
risico’s op terugval in de bijstandsuitkering of arbeidsongeschiktheid,
het meer voor de hand
ligt om bijvoorbeeld eerst een (scholings)traject af te
laten ronden. Indien de gemeente het risico op terugval in de bijstand
groot acht, ligt het voor de hand om aandacht te schenken aan de
achterliggende oorzaken hiervan. Een individuele afweging is dus geboden.
Een vergelijkbare
individuele afweging geldt ook voor de situaties waarin een cliënt bijvoorbeeld,
zoals de leden van de CDA-fractie schetsen, "na een academische opleiding
van vijf jaar na de WW in de bijstand belandt en een baan aangeboden
krijgt als bijvoorbeeld schoonmaker". De gemeente mag mede op basis van het
criterium "algemeen geaccepteerde arbeid" van de cliënt vergen dat hij of
zij dit aanbod aanvaardt. Dit kan iets verschillen van de huidige situatie:
toepassing van het begrip "passende arbeid", zoals dat gehanteerd
wordt in de Abw, zou impliceren dat iemand op academisch niveau pas na
een werkloosheidsduur van achttien maanden geacht wordt om een baan
onder VMBO-niveau te accepteren. Voor een schoolverlater geldt nu
reeds dat wat betreft de aard van de arbeid en het ervoor benodigde
opleidingsniveau alle arbeid als passende arbeid wordt aangemerkt, tenzij het
loon minder bedraagt dan het wettelijk toegestane
minimum. Voor een
academicus, niet zijnde schoolverlater, wordt vanaf de aanvang van zijn
werkloosheid alle arbeid waarvoor wetenschappelijk of hoger
beroepsonderwijsniveau is vereist onder de huidige bepalingen als passende arbeid
aangemerkt.
Het werkloosheidsrisico
van betrokkene is steeds een centraal criterium. Naarmate de
vooruitzichten op ander en beter aansluitend werk voor de betrokkene groter zijn,
zal eerder en meer rekening gehouden kunnen worden met aspecten als
vorig beroep en opleidingsniveau. Dit geldt ook voor een aspect als de
woonsituatie. In specifieke gevallen kan van de betrokkene verwacht
worden dat arbeid geaccepteerd wordt die verandering van woonplaats met zich
meebrengt. Naast het werkloosheidsrisico wordt de uitkomst van
deze belangenafweging vanzelfsprekend ook bepaald door de
omstandigheden op de regionale arbeidsmarkt en persoonlijke
omstandigheden, zoals de gezinssituatie, fysieke beperkingen en een eventuele spanning
tussen de aangeboden arbeid en de (geloofs)overtuiging. In
de memorie van toelichting is al uitgebreid ingegaan op de bijzondere situatie
van alleenstaande ouders.
De leden van de
fracties
van het CDA en de ChristenUnie vragen het kabinet in te gaan op de
betekenis van gewetensbezwaren.
Over het algemeen zal
gelden dat aan dergelijke strikt persoonlijke omstandigheden slechts
betekenis zal worden gehecht voor zover deze zwaarwegend zijn en een
onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten werk. Een
beroep op dergelijke gronden werd erkend in een zaak waarin een
islamitische vrouw niet als enige vrouw werkzaam hoefde te zijn met één of meer
mannen ¹ en in een casus waarin een godsdienstig bezwaar bestond tegen
werken op zondag.²
Zoals uit het
bovenstaande antwoord blijkt, verschilt de term "algemeen geaccepteerde
arbeid"
gradueel van het begrip "passende arbeid" en is de precieze invulling van
deze term voorts afhankelijk van individuele- en regionale factoren. Het
kabinet verwacht daarom geen ernstige toename van bezwaar- en
beroepsprocedures of belasting van de uitvoeringspraktijk.
1. RSV/1984/12.
2. RSV/1988/105.
Tot slot informeren de
leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van
gesubsidieerde
versus algemeen geaccepteerde arbeid en de reikwijdte van dit begrip waar het
gaat om arbeid van een (gedeeltelijk) arbeidsgehandicapte.
rblz.|40|
Gesubsidieerde
arbeid kan
worden ingezet als voorziening in het kader van de Wwb. Een aanbod
van de gemeente moet in beginsel (onder de randvoorwaarden zoals die
boven zijn geschetst met betrekking tot algemeen geaccepteerde arbeid)
door de cliënt worden aanvaard als zijnde een passend aanbod. Van uitstroom is alleen sprake als algemeen geaccepteerde
arbeid wordt verricht
waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening in het
kader van de Wwb. Werk van een arbeidsgehandicapte, waarvoor slechts gebruik
wordt gemaakt van een Rea-voorziening, wordt
wel gedefinieerd als arbeidsinschakeling, omdat de Wet Rea een ander doel
en een ander karakter heeft dan de bijstandswetgeving.
Inburgering
De leden van de
VVD-fractie vragen in hoeverre de gemeente arbeidsverplichtingen op kan leggen als iemand
een inburgeringstraject volgt en of dat ook kan betekenen
dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te aanvaarden, zodat
hij/zij niet meer afhankelijk is van de uitkering.
De leden van de
CDA-fractie vinden dat er nadrukkelijker dan tot nu toe een relatie gelegd moet
worden tussen de verplichte inburgering en het vinden van een duurzame
arbeidsplaats. Dit bevordert naar de mening van deze leden beide
doelstellingen. Dat kan onder andere door meer gebruik te maken van
zogeheten duale programma’s, waarin maatwerk per individu het
uitgangspunt is. Zij vragen naar de zienswijze van het kabinet hierop. Tevens
vragen zij in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel het maatgericht werken
aan inburgering en arbeidsintegratie ondersteunt.
Het kabinet onderkent dat
er een sterke relatie ligt tussen inburgeringstrajecten en reïntegratie in het
kader van de Wwb en dat deelname aan betaalde arbeid vaak een
belangrijke randvoorwaarde is voor een succesvolle integratie in de
Nederlandse samenleving. Om deze reden kan de gemeente
aan iemand die
op grond van de Wet inburgering nieuwkomers
(Win) deelneemt aan een
inburgeringsprogramma ook arbeidsverplichtingen opleggen. Dit kan
betekenen dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te
accepteren.
De gemeente dient er
daarbij voor te zorgen dat er geen spanning ontstaat tussen het
uitgangspunt van de Win (integratie in de Nederlandse samenleving) en van de
Wwb (economische zelfstandigheid). In beginsel is het zo dat integratie
in de Nederlandse samenleving een randvoorwaarde is om economisch
zelfstandig te kunnen functioneren. Dit omdat een goede beheersing van
de Nederlandse taal essentieel is voor een duurzame deelname aan
betaalde arbeid. Het is echter heel goed mogelijk en zelfs wenselijk dat
naast het inburgeringsprogramma arbeidsverplichtingen worden opgelegd, opdat
beide trajecten elkaar kunnen aanvullen en versterken.
In de, ook door de leden van de CDA-fractie genoemde duale trajecten,
die zowel taal- en/of opleidingscomponenten bevatten als
werkcomponenten, kunnen beide prioriteiten optimaal tot uitdrukking komen. De
inzet van deze trajecten wordt door het kabinet daarom van harte
ondersteund. Om te voorkomen dat de uitstroom uit de uitkering door toedoen
van de deelnemer aan het inburgeringsprogramma wordt belemmerd, kan aan
de deelnemer op grond van de Win een sanctie worden
opgelegd. Het sanctiesysteem van de Win is via de Invoeringswet
Wwb evenals onder de Abw gekoppeld aan de handhavingssystematiek
van de Wwb. Eventueel strategisch gedrag van de deelnemer kan daardoor
door de gemeente worden voorkomen en, indien nodig,
gesanctioneerd.
rblz.|41|
3.1.3. Ontheffingen
[MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie zouden ook in de nieuwe wet de vrijstelling van de arbeidsplicht voor
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar gehandhaafd willen
zien. De leden vinden dat deze ouders zelf de keuze moeten kunnen maken
tussen werktaken en zorgtaken. Ook alleenstaande ouders met een
bijstandsuitkering dienen de mogelijkheid te hebben om te kiezen voor
de opvoeding en zorg van hun kinderen. In het wetsvoorstel hebben ze
deze keuze niet. Die situatie vinden de leden van de CDA-fractie onjuist.
Als argument noemt het kabinet dat het voor deze ouders te moeilijk wordt
om na vijf jaar weer terug te keren in het arbeidsproces. Waar is die
veronderstelling op gebaseerd? Waarom wordt niet gekozen voor de mogelijkheid betrokkene te verplichten om zich gedurende
bijvoorbeeld de laatste twee jaar van die vijfjarige periode actief voor te bereiden op het
arbeidsproces in plaats van een algemene arbeidsplicht? Dit laatste zou,
rekening
houdend met de zorgtaken van de ouder, via cursussen of stages
ingevuld kunnen worden.
De leden van de PvdA-fractie
vragen wat de visie is van het kabinet ten aanzien van ontheffingen.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet opnieuw een regeling te treffen
conform het huidige artikel 107, tweede lid, van de
Abw. Ten principale zijn
de leden van de SGP-fractie van mening dat de alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar niet in de Bijstandswet thuishoren,
maar onder een apart regime moeten vallen. Deze groep mensen
verdient de mogelijkheid om zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Door deze
groep mensen uit de bijstand te halen, ontstaat volgens de aan het woord
zijnde leden een duidelijker onderscheid met degenen die zo spoedig
uit de bijstand moeten. De leden van de SGP vragen of het kabinet die
opvatting deelt. De leden van de SGP-fractie vinden dat alleenstaande
ouders met kinderen jonger dan 5 jaar ontheven moeten zijn van
arbeidsplicht. De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts
in hoeverre de verantwoordelijkheid voor de kosten van kinderopvang
voor rekening van de bijstandsgerechtigde dan wel van de gemeente
komen. Ook vragen deze leden op welke wijze gemeenten, indien het
alleenstaande moeders met jonge kinderen betreft, de zorgplicht van de
vaders betrekken bij een beoordeling van de mogelijkheden tot het verrichten van
betaalde arbeid van de zorgende moeder. Daarnaast zijn zij
benieuwd naar de mogelijkheden voor deeltijdwerk voor (met name) alleenstaande
ouders. Zij vragen waarom dit niet nader wordt geoperationaliseerd
in de wet en de toelichting.
Een belangrijke reden om
de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar te laten vervallen, is het gegeven dat het
voor deze ouders na vijf jaar te moeilijk wordt om weer terug te keren in
het arbeidsproces. Deze stelling wordt onder meer gesteund door onderzoek
(RWI, 2003,
Arbeidsmarktanalyse 2003, blz. 31), waarin wordt aangetoond dat als de werkloosheid langer dan twee jaar
duurt, er een grote kans is op permanent verblijf in een
uitkeringssituatie. Daar komt bij dat naarmate mensen langdurig van een minimum inkomen
moeten rondkomen dit meer problemen geeft en de risico’s
op sociale uitsluiting toenemen.
Alleenstaande ouders met
(jonge) kinderen lopen het meeste risico op armoede; de kans op een
laag inkomen is ruim driemaal zo groot als het landelijk gemiddelde (SCP "Armoedemonitor 2001", blz.
15).
Bovendien blijkt er een belangrijke relatie te bestaan tussen de
financiële armslag van het gezin en de schoolprestaties van de
kinderen.¹ De
positie van eenoudergezinnen en hun kinderen is dus bijzonder kwetsbaar.
Internationaal onderzoek bevestigt bovenstaande
gegevens, maar laat bovendien zien dat het risico op een laag inkomen
voor alleenstaande ouders in Nederland groter is dan in veel andere
(Europese) landen.² Dergelijk internationaal vergelijkend onderzoek
maakt bovendien het rblz.|42|
verband tussen een laag inkomen en deelname aan betaalde arbeid voor
deze groep goed zichtbaar.
De hierbovenstaande
gegevens, gecombineerd met de doelstellingen van de Wwb, waren voor het
kabinet voldoende reden om de categoriale ontheffing van de
arbeidsverplichtingen voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan
5 jaar te laten vervallen. Het kabinet is het dan ook niet eens met de
opvatting van de leden van de SGP-fractie dat alleenstaande ouders minimaal vijf jaar
ontheven moeten zijn van de arbeidsplicht of dat voor deze groep
een apart regime, los van de Wwb, gecreëerd moet worden.
Andere overwegingen waren dat ook veel alleenstaande ouders
zélf gemotiveerd zijn om uit
te stromen naar betaalde arbeid ³ en tevens dat de leeftijdsgrens van 5
jaar in de praktijk weinig recht doet aan de individuele situatie van de
alleenstaande ouder. De Wwb beoogt om een individuele benadering te realiseren,
waarin rekening gehouden wordt met zorgtaken voor alle alleenstaande
ouders. De optie die wordt voorgesteld door de leden van de
CDA-fractie om alleenstaande ouders de laatste twee jaar van de vijfjarige
periode waarin zij ontheven zijn actief voor te bereiden op terugkeer
naar de arbeidsmarkt, wordt om deze reden niet overwogen. Rekening
houden met de combinatie arbeid en zorg gaat echter in het kader van
de Wwb niet zover dat, zoals de leden van de fractie van
GroenLinks
vragen, ook de zorgplicht van vaders betrokken moet worden bij het
opleggen van de arbeidsverplichtingen aan de alleenstaande moeder.
In plaats van een
categoriale ontheffing is ervoor gekozen meer te investeren in de randvoorwaarden
voor het opleggen van arbeidsverplichtingen voor deze groep. Onder meer door, zoals de leden van de fractie van
GroenLinks
vragen, te voorzien in kosteloze kinderopvang voor
bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden die gebruik maken van een door de
gemeente ingezet instrument gericht op arbeidsinschakeling. Naar verwachting treedt
in 2005 het voorstel voor de Wet basisvoorziening
kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet
kinderopvang, red.] in werking. Ook is in
dat
wetsvoorstel geregeld dat (alleenstaande) ouders aanspraak maken op een
volledige vergoeding van de kinderopvang, zolang zij deelnemen aan reïntegratieactiviteiten.
Het bevorderen van
keuzevrijheid van de ouders is een essentieel uitgangspunt van de Wbk.
Naast de Wbk is er de
laatste jaren meer wetgeving tot ontwikkeling gekomen die de
keuzevrijheid van alleenstaande ouders vergroot. De Wet arbeid en zorg en de
Wet aanpassing
arbeidsduur, maar ook de wijzigingen in het belastingstelsel,
zijn daar voorbeelden van. Als gevolg van de specifiek op
alleenstaande ouders gerichte heffingskortingen zijn alleenstaande ouders bij
uitstroom naar werk met een inkomen op het niveau van het minimumloon al economisch zelfstandig met een baan voor circa 30 uur per
week.
Onder meer door de
totstandbrenging van deze wetten, maar ook door bijvoorbeeld de
experimenten dagindeling met behulp van ESF-subsidies [ESF: Europees
Sociaal Fonds, red.] ook de komende jaren
voort te zetten, wil het kabinet tot uitdrukking brengen dat investeren in
zorg, naast de bevordering van de arbeidsparticipatie, een belangrijke
prioriteit is.
Echter, volledige
honorering van de keuzevrijheid van (alleenstaande) ouders, zoals de leden
van de fracties van de CU en het CDA wensen, is niet consistent met de
doelstellingen van de Wwb.
1. Dronkers et al: In Arm
Nederland, armoede en verzorgingsstaat.
Amsterdam University press 1999.
2. J. Plantenga: Alleenstaande ouders en de systematiek van de
verzorgingsstaat, 1999, Utrecht, Economisch
instituut.
3. T. Knijn en F. van Wel: Zorgen voor de kost, 1999, Utrecht, Uitgeverij
SWP.
Tot slot informeren de
leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks naar de mogelijkheden
voor deeltijdarbeid en verdere scholing voor deze groep.
Deeltijd arbeid kan,
onder omstandigheden, inderdaad een eerste opstap vormen naar volledige
uitstroom. In de Wwb is daarom geregeld dat voor
rblz.|43|
alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar de aan arbeid en zorg gerelateerde
heffingskortingen worden vrijgelaten bij het vaststellen voor de hoogte van de
bijstandsuitkering. Daarnaast kan de gemeente in individuele gevallen
deeltijdarbeid voor alleenstaande ouders met kinderen stimuleren door
het verstrekken van eenmalige premie. Deze mogelijkheid staat open voor alle alleenstaande ouders, ongeacht de
leeftijd van het jongste
kind.
Het kabinet heeft, net
als de PvdA-fractie, geconstateerd dat veel alleenstaande ouders
laaggeschoold
zijn ¹ en vaak al lang uit het arbeidsproces zijn. Een specifieke
aanpak kan daarom geboden zijn. Door middel van de experimenten dagindeling
is voor deze groep de afgelopen jaren al een aantal methodieken
gerealiseerd die in het bijzonder gericht zijn op de ondersteuning van
alleenstaande ouders bij de uitstroom naar betaald werk. Deze methodieken
worden, als gevolg van de toegenomen vraag van gemeenten, door
steeds meer reïntegratiebedrijven overgenomen. Verdere ontwikkeling van
het aanbod kan ook tot stand komen door de subsidies die in het
kader van het emancipatiebeleid worden verstrekt aan kleinschalige
projecten
die zich richten op de scholing en participatie van laagopgeleide vrouwen.
1. Zie: T. Knijn en F. van
Wel.
De leden van de
fractie
van de PvdA informeren naar de visie van het kabinet ten aanzien van
ontheffingen. In dit kader informeren zij naar de doelstelling die hoort bij het
afschaffen van de ontheffingen van de sollicitatieplicht en de besparingen die met
deze wijzigingen worden geraamd. De leden van de fractie van
GroenLinks vragen voorts waarom niet gekozen is voor de vormgeving van een
specifieke regeling voor een categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht
voor chronisch zieken en gehandicapten. Tevens vragen deze leden
of het recht op ondersteuning ook geldt voor mantelzorgers.
Het terugdringen van het
aantal ontheffingen van de sollicitatieplicht is een belangrijke ambitie
van dit kabinet. Aan deze ambitie ligt in belangrijke mate de noodzaak ten
grondslag om de arbeidsparticipatie structureel te bevorderen en zo de
concurrentiepositie van Nederland te herstellen.¹ Deze doelstelling ligt
ten grondslag aan de Wwb, maar tevens ook aan de voorgenomen
wijzigingen van de werkloosheidsregelingen en de
arbeidsongeschiktheidswetgeving.
Daarnaast wordt door het kabinet ook veel waarde gehecht aan
het bestrijden van sociale uitsluiting. Sociale uitsluiting kent
verschillende dimensies, waarvan uitsluiting van de (betaalde) arbeidsmarkt
één van de belangrijkste is.² Deelname aan vrijwilligerswerk of activiteiten in het
kader van sociale activering kan voor langdurig werklozen
sociaal isolement voorkomen en kan dienen als eerste stap tot
(her)intrede in de arbeidsmarkt. Sterk verminderde mogelijkheden om in te stromen in
betaald werk hoeven daarom niet automatisch een reden te zijn voor
ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Wwb gaat er wel vanuit,
en biedt daar ook de ruimte voor, dat gemeenten ook bij het opleggen van
de arbeidsverplichtingen een op de individuele bijstandsgerechtigde
toegesneden aanpak hanteren. Dat wil zeggen dat evenals op grond de
huidige Abw gedifferentieerd kan worden bij het maken van afspraken met cliënten over activiteiten gericht op arbeidstoeleiding
of (tijdelijk) sociale
activering. Afhankelijk van de specifieke situatie betekent dat dat een
cliënt bijvoorbeeld wel verplicht wordt om (enkele uren per dag) scholing te
volgen, maar nog niet geacht wordt om actief te solliciteren. Tevens is
het denkbaar dat van een cliënt om medische en/of sociale redenen niet
wordt verwacht dat hij of zij volledig participeert op de arbeidsmarkt, zodat
met een deeltijdbaan genoegen wordt genomen. Een zorgvuldige afweging,
waarbij in de eerste plaats recht wordt gedaan aan de capaciteiten van
de cliënt, staat dus voorop. Leidraad bij deze afweging is echter wel
dat het realiseren van economische zelfstandigheid uiteindelijk het doel is.
Met inachtneming van dit uitgangspunt is het voor rblz.|44|
het overige aan de
gemeente om te bepalen welke aspecten bij deze afweging betrokken worden.
Eventuele mantelzorgtaken kunnen dus, zoals de leden van de fractie van GroenLinks vragen, ook heel goed
meegewogen worden bij het maken en
handhaven van afspraken met cliënten. Een basis voor de wijze
waarop (mantel)zorgtaken een rol spelen bij het opleggen en handhaven van
de arbeidsverplichtingen moet worden geformuleerd in de
verordening met regels met betrekking tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in
artikel 8 [8]
Wwb. In deze verordening kunnen gemeenten tevens aangeven welke voorzieningen zij willen inzetten om
de belemmeringen voor
deelname aan arbeid of activeringsactiviteiten zoveel mogelijk weg te
nemen.
Vanzelfsprekend beseft
dit kabinet ook dat er zich, ondanks de bovengenoemde uitgangspunten, altijd
omstandigheden voor blijven doen waaronder een algehele ontheffing
van de arbeidsverplichtingen het meest reëel is. Wel geldt ook
hier dat een ontheffing in beginsel altijd tijdelijk is en dat gemeenten dus
gehouden zijn om van tijd tot tijd te (laten) beoordelen of de noodzaak voor de
ontheffing nog aanwezig is.
De redenen daarvoor zijn
in het bovenstaande uitgebreid aan bod gekomen.
Voorts vragen de leden
van de PvdA naar de omvang van de verschillende groepen die thans zijn
ontheven van de arbeidsverplichtingen en naar de besparingen die bij deze
wijziging zijn geraamd.
In de tabel hieronder
(cijfers 2001) wordt een goede indruk gegeven van de omvang van de groepen
bijstandsgerechtigden met een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.³
| Redenrontheffingxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
Percentages
|
Absolute aantallen
|
| Gehele of gedeeltelijke
ontheffing
|
x66 |
215 160
|
| Categoriale ontheffing
|
x22 |
x73 154 |
| Ouder dan 57,5 jaar
|
x11 |
x35
501 |
| Alleenstaande met kind
onder de 5 jaar
|
x12 |
x37 653 |
| Individuele ontheffing
|
x44 |
142 006 |
| Medische redenen
|
x21 |
x68
851 |
| Andere
redenen ¹ |
x22 |
x73 154 |
| Geen ontheffing
|
x32 |
104
320 |
|
Onbekend
|
xv2 |
xr6
520 |
|
Totaal aantal
bijstandsgerechtigden
|
100
|
326 000
|
1. Individuele
ontheffingen vanwege "andere redenen" bestaan voor een belangrijk deel
uit "sociale redenen",
gevolgd door "het volgen van noodzakelijk geachte scholing".
Voor de goede orde wordt
hierbij opgemerkt dat voor de inzet van het Wiw-instrumentarium of de
uitvoering van de Abw de officiële status van arbeidsgehandicapte niet
relevant is. De groep mensen die om medische redenen is ontheven van
de arbeidsverplichtingen mag daarom niet worden gelijkgeschakeld
met de groep bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap.
Het effect van deze
maatregelen is verwerkt in de vaststelling van het macrobudget voor de
uitkeringen. Bij de ramingen van het budget is er wel uitgegaan van de
veronderstelling dat gemeenten meer invloed zouden moeten kunnen
uitoefenen op de omvang van de bijstandspopulatie.
1. Gemeentelijk
ontheffingenbeleid. Een onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van gemeenten rond het
verlenen van arbeidsverplichtingen aan
bijstandsgerechtigden. Inspectie Werk en
Inkomen, 2002, Zoetermeer.
2. Zie ook het Hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels,
2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637,
nr. 19).
3. M. Kronauer: Social
Exclusion and Underclass - New concepts
for the analyses of poverty. In: Empirical
Poverty Research in Comparative Perspective, 1998, Aldershot: Ashgate.
Zorgtaken
De
leden van de CDA-fractie vragen hoe de gemeente in haar verordening,
waarin regels met betrekking tot voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling worden opgenomen, aandacht dient te besteden aan de
wijze rblz.|45|
waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. Zij verzoeken het
kabinet dit met voorbeelden te verduidelijken.
De
door de leden van de CDA-fractie bedoelde zinsnede is in
artikel 8 [8], tweede lid, opgenomen met het doel de beoogde evenwichtige benadering van
verschillende doelgroepen nader te concretiseren. Op deze wijze wordt
erkend dat zorgtaken voor een aantal groepen bijstandsgerechtigden een
belangrijke rol spelen bij de mogelijkheden om gebruik te maken van
activeringsinstrumenten én deel te nemen aan betaalde arbeid. De groep
alleenstaande ouders springt daarbij het meest in het oog, maar de
combinatie arbeid en zorg kan ook een relevante factor zijn voor
bijvoorbeeld niet-uitkeringsgerechtigden en (echt)paren met kinderen.
In het voorstel voor de Wet basisvoorziening
kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet
kinderopvang, red.], die naar
verwachting per 1 januari 2005 ingevoerd wordt, kunnen daarom ook deze
groepen in aanmerking komen voor de kosten voor kinderopvang. Ook in de
periode dat zij gebruik maken van een instrument gericht op
arbeidsinschakeling op basis van de Wwb.
Tot op heden is voor veel van deze groepen de
aanwezigheid van zorgtaken vaak een reden om (tijdelijk) een ontheffing
te verlenen van de arbeidsverplichtingen.¹ De Wwb
beoogt het aantal
cliënten aan wie tijdelijk een ontheffing wordt verleend van de
arbeidsverplichtingen terug te dringen en gemeenten in plaats daarvan
te stimuleren om in het reïntegratiebeleid structureel rekening te
houden met eventuele zorgtaken. Een categoriale ontheffing van groepen
met zorgtaken (bijvoorbeeld alleenstaande ouders) is dan niet meer aan
de orde. Deze doelstelling kan op een aantal manieren concreet worden
gerealiseerd. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld in de verordening aangeven
of, en zo ja, hoe dit aspect een criterium is bij aanbesteding van
voorzieningen bij reïntegratiebedrijven. Door de combinatie "arbeid en
zorg" als een criterium mee te nemen, kan de ontwikkeling van een
gericht aanbod voor een doelgroep als alleenstaande ouders in de
bijstand ondersteund worden. Ook biedt deze verordening ruimte om uit te
werken hoe gemeenten na de inwerkingtreding van de Wbk ouders willen
ondersteunen bij de inkoop van kinderopvang op basis van de Wbk [en hoe
dat, red.] gestalte
moet krijgen. Voorts kan de gemeente deze verordening aangrijpen om
richtlijnen te formuleren voor het toetsen van het begrip "algemeen
geaccepteerde arbeid" in relatie tot de zorgtaken van alleenstaande
ouders.
Tot slot leent deze bepaling zich ook voor het
leggen van een relatie met andere voor de combinatie "arbeid en
zorg"
relevante beleidsterreinen, zoals de thuiszorg, tiener- en
tussenschoolse opvang. De totstandkoming van meer brede arrangementen
vergelijkbaar met bijvoorbeeld de experimenten dagindeling wordt dan
bevorderd. Een integrale benadering van reïntegratie, arbeidsmarkt en
arbeid en zorg kan het resultaat zijn.
1. Research voor Beleid,
Activeringsinstrumenten in de Bijstand
(deelrapport: arbeidsverplichtingen) 1999.
Ouderen
De
leden van de fractie van de PvdA vragen om een toelichting op de
afschaffing van de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht voor
personen van 57,5 of ouder. Tevens verzoekt deze fractie het kabinet om
in te gaan op de voorwaarden waaronder arbeidsverplichtingen aan ouderen en
(arbeids)gehandicapten kunnen worden opgelegd, mede in
verband met de huidige economische situatie. Voorts verzoekt de PvdA-fractie
het kabinet om in dit kader ook te verwijzen naar het
advies van de RWI met betrekking tot invoering van de
sollicitatieplicht voor ouderen. De leden van de CDA-fractie delen het
uitgangspunt van het kabinet, maar vragen of er op uitvoerend niveau
voldoende rekening mee kan worden gehouden dat de kansen
van deze groep klein zijn.
rblz.|46|
Aan het afschaffen van de categoriale ontheffing van de
sollicitatieplicht voor onder meer personen van 57,5 of ouder liggen
verschillende redenen ten grondslag. De eerste reden komt voort uit de
algemene doelstelling en de systematiek van de Wwb. Het kabinet beoogt
in de Wwb het individualiseringsbeginsel meer centraal te stellen en gemeenten mede daardoor in staat te stellen een beter uitstroombeleid te
voeren. Bij dit uitgangspunt passen geen categoriale ontheffingen.
Een tweede overweging is de sociale en
economische noodzaak om de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit de komende jaren verder te laten toenemen. Om de
problematiek waarmee ons land zich de komende jaren geconfronteerd ziet
als gevolg van de demografische ontwikkelingen het hoofd te kunnen
bieden, is het essentieel dat de arbeidsdeelname van onder meer ouderen
extra gestimuleerd wordt.
Naar de mening van het kabinet biedt de Wwb gemeenten een goede basis om de randvoorwaarden voor deze doelstellingen
nader vorm te geven. Een algemene verplichting om naar vermogen algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, biedt meer
mogelijkheden om de arbeidsmarktcapaciteiten, die bij alle cliënten in
het bestand aanwezig zijn, optimaal te benutten. Deze doelstelling vormt
één van de kernelementen van de Wwb en mag niet afhankelijk worden
gemaakt van de economische situatie.
Daar komt bij dat er, min of meer parallel aan
de Wwb, enkele wetgevingstrajecten lopen die meer specifiek gericht zijn
op het verbeteren van de toegang tot de arbeidsmarkt. In het bijzonder
kan hier worden gewezen op de wetgeving op het terrein van gelijke
behandeling op grond van handicap en leeftijd. Vanzelfsprekend moet ook
worden erkend dat de conjunctuur van invloed is op de mate waarin met
succes personen van 57,5 jaar of ouder op korte termijn tot volledige
arbeidsdeelname gebracht kunnen worden. De afgelopen jaren is het aanbod
gegroeid van activiteiten die specifiek op deze doelgroep(en) zijn
toegesneden; in de vorm van (hoger) onderwijs voor ouderen,
taalcursussen voor (oudere) allochtonen, etc.
Het ongedifferentieerd reïntegratiebudget
biedt ruime mogelijkheden om deze groepen cliënten een passend aanbod
te doen, eventueel in samenwerking met zorg- en welzijnsvoorzieningen.
Aantal ontheffingen
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot
de groep alleenstaande
ouders is met een kind jonger dan 5 jaar die nu is ontheven van de
arbeids- en reïntegratieplicht.
Het
aantal alleenstaande ouders in de Abw met een kind jonger dan
5 jaar
dat categoriaal ontheven is van de arbeids- en reïntegratieplicht
bedroeg in 2001 37 653.
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep 57,5-jarigen
of ouder binnen de bestanden is.
Het
aantal 57,5- tot 65-jarigen dat categoriaal - afhankelijk van de
leeftijd op de instroomdatum geheel of gedeeltelijk voor enkele
arbeidsverplichtingen - is ontheven van de arbeidsverplichtingen
bedroeg in 2001 35 501 personen.
De
leden van de PvdA-fractie informeren naar de omvang van de groep
bijstandsgerechtigden die om medische of sociale redenen een ontheffing
hebben gekregen alsmede naar de omvang van de groep gedeeltelijk of geheel
arbeidsgehandicapten.
rblz.|47|
Er vindt op dit moment
geen feitelijke registratie plaats van het gegeven of een
bijstandsgerechtigde in het kader van de Wet Rea arbeidsgehandicapt is.
In 2001 is aan ongeveer 44% van de
bijstandsgerechtigden een ontheffing om medische en/of sociale redenen
verleend. Onder "sociale redenen" wordt hier ook "noodzakelijk
geachte scholing" verstaan.¹
1. Gemeentelijk
ontheffingenbeleid, Inspectie Werk en Inkomen, oktober 2002.
De leden van de
SGP-fractie zijn van mening dat
alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger 5 jaar reeds na
twaalf maanden ook een langdurigheidstoeslag zouden moeten krijgen. Juist
deze groep mensen zit financieel erg krap. Is het kabinet bereid het
wetsvoorstel in deze zin bij te stellen?
Het
kabinet ziet geen aanleiding om voor de groep alleenstaande ouders met
jonge kinderen de door de leden van de SGP-fractie
gevraagde
uitzondering te maken op de referteperiode voor de
langdurigheidstoeslag. Het doel van de langdurigheidstoeslag is niet een
compensatie voor vermeende verschillen in de toereikendheid van de uitkeringsnormen, maar een tegemoetkoming voor diegenen die langdurig in
de bijstand zitten en door gebrek aan arbeidsmarktperspectief geen
uitzicht hebben op inkomensverbetering
3.2. Reïntegratie
[MvT;
V]
3.2.1. Gemeentelijke verantwoordelijkheid
[MvT;
V]
De
leden van de VVD-fractie constateren dat gemeenten vrij zijn om
reïntegratie-instrumenten in te zetten. Gemeenten kunnen op deze wijze
een aantal gemeentelijke taken door gesubsidieerde krachten laten
uitvoeren die anders door particuliere bedrijven zouden zijn
uitgevoerd. De leden van de VVD vragen op welke wijze wordt voorkomen
dat oneerlijke concurrentie en verdringing van reguliere arbeid
optreedt.
Gemeenten kunnen het vrij besteedbaar reïntegratiebudget onder andere
inzetten voor gesubsidieerde arbeid. Doorstroming naar een reguliere
baan staat voorop. Hiermee wordt de kans op verdringing van reguliere
arbeid minder groot ten opzichte van de huidige situatie, waarin slechts
een beperkte doorstroom is van ID-ers en Wiw-ers naar reguliere
arbeid en zij dezelfde werkzaamheden doen als andere werknemers.
De inzet van loonkostensubsidies c.q.
gesubsidieerde arbeid mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie.
Oneerlijke concurrentie kan ontstaan als gemeenten zelf zich in de
hoedanigheid van ondernemer op de private markt begeven en daar - door
de inzet van gesubsidieerde arbeid - producten aanbieden die onder de
geldende marktprijs liggen. Er is echter geen sprake van oneerlijke
concurrentie als het gaat om een loonkostensubsidie ten behoeve van
publieke dienstverlening, waar private bedrijven geen aanbod kunnen
verzorgen.
Het kabinet ziet geen noodzaak om in de Wwb
een
verbod te treffen op oneerlijke concurrentie door zogenaamde openbare
bedrijven ¹ van de gemeenten tengevolge van gebruik van gesubsidieerde
arbeid. Ten eerste moet de gemeente de Europese staatssteunregels en die
inzake de Transparantierichtlijn naleven. Op het moment dat bijvoorbeeld
een gemeentelijke dienst of overheidsonderneming marktactiviteiten
onderneemt en hiervoor overheidsmiddelen (i.c. gesubsidieerde arbeid)
gebruikt, is in beginsel sprake van staatssteun ², hetgeen moet worden
aangemeld bij de Europese Commissie. Bedrijven die zich benadeeld voelen
door vermeende oneerlijke concurrentie door de gemeentelijke dienst of
overheidsonderneming kunnen zich met een klacht wenden tot de Europese
Commissie. Voorts kunnen zij bij de nationale rechter een verbod
vorderen van deze steun of terugvordering eisen van de verboden steun.
In geval van onrechtmatig verleende steun zou er door concurrenten rblz.|48|
schadevergoeding voor geleden schade kunnen worden gevorderd bij de
nationale rechter.
1. In het EG-recht, namelijk de
Transparantierichtlijn, wordt onder de term "openbare bedrijven"
verstaan: elk bedrijf
waarop overheden rechtstreeks of middellijk een
dominerende invloed kunnen uitoefenen uit
hoofde van eigendom, financiële deelneming of
de desbetreffende voorschriften. Het Hof
van Justitie heeft bepaald dat het
irrelevant is of dit bedrijf een van de overheid
onderscheiden rechtspersoon is. De verplichtingen van
de Transparantierichtlijn met betrekking tot
doorzichtigheid in de financiële
betrekkingen tussen de overheden en de openbare
bedrijven zijn dan van toepassing.
2. Indien een
overheidsonderneming of gemeentelijke dienst zich
op de markt begeeft, moet dit bedrijf een
marktconforme prijs aanbieden.
3.2.2. Aanspraak van
belanghebbende op ondersteuning bij reïntegratie [MvT;
V]
Klantmanagement
De
leden van de PvdA-fractie vragen de waarborging van de toepassing van
klantmanagement door gemeenten. Ook vraagt de PvdA-fractie naar de wijze
van financiering van klantmanagement.
In
het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met de VNG
afspraken
gemaakt over klantmanagement. In de bestuurlijke afspraken met de VNG
van 24 april 2001 is vastgelegd dat van rijkszijde een financiële
impuls beschikbaar wordt gesteld voor het op sterkte brengen van
klantmanagement, mits de betrokken gemeente bereid is een
resultaatsverplichting af te spreken. Deze afspraak is ingevuld door het
maken van bestuurlijke afspraken met de gemeenten uit de G4 en uit de
G26 en door middel van een stimuleringsregeling voor de gemeenten die
niet tot de G4 en de G26 behoren [zie Tijdelijke stimuleringsregeling
bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van
klantmanagement, red.]. Gemeenten ontvangen hierbij subsidie
voor klantmanagement indien zij door een extra inspanning
prestatieafspraken realiseren. Deze prestatieafspraken hebben betrekking
op het realiseren van trajecten tot en met 2004 en op uitstroom uit deze
trajecten tot en met 2006. Structurele subsidiëring van klantmanagement
door het ministerie van SZW is niet aan de orde, omdat het begeleiden
van klanten een reguliere taak is van gemeenten. Ook de reïntegratie
van bijstandsgerechtigden is al geruime tijd bij gemeenten belegd. De
tijdelijke subsidie is erop gericht om de interne organisatie in te
richten op het bevorderen van uitstroom. Overigens krijgen gemeenten
door de vereenvoudiging van regelgeving meer ruimte om personele inzet
te verschuiven van administratieve werkzaamheden naar klantcontacten.
In de Wet SUWI is vastgelegd dat gemeenten,
evenals UWV en CWI, bevorderen dat klanten zoveel mogelijk met een
klantmanager (die optreedt als begeleider en trajectcoördinator) als
vast aanspreekpunt te maken hebben (artikel 9). Deze wettelijke bepaling
zal ook na de inwerkingtreding van de Wwb van kracht blijven. Op deze
wijze is gewaarborgd dat gemeenten de toepassing van klantmanagement
blijven bevorderen.
3.2.3. Niet-uitkeringsgerechtigden en
personen met een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet [MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie constateren dat de taak voor gemeenten om ook
niet-uitkeringsgerechtigden (hierna: NUG-ers) en mensen met een Anw-uitkering indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden,
expliciet is opgenomen in de nieuwe Wwb. Zij vragen op welke wijze de
reïntegratiemogelijkheden voor gemeenten zijn aangepast aan deze nieuwe
taak. Daarnaast vragen zij naar de sanctiemogelijkheden voor iemand met
een Anw-uitkering bij weigering reïntegratie.
De leden van de PvdA vragen hoe het kabinet kan
waarborgen dat de NUG-ers en Anw-ers naar evenredigheid door de
gemeenten geholpen worden. Zij vragen wat reïntegratie van een NUG-er
oplevert. Daarnaast willen zij weten hoe een gemeente een sanctie kan
opleggen en vragen zij zich af hoe transparant de afweging zal zijn of
het gebrek aan resultaat te wijten valt aan het gebrekkige functioneren
van het reïntegratiebedrijf of aan de cliënt.
De leden van de VVD vragen wat de effectiviteit
is van het aanbieden van reïntegratietrajecten aan NUG-ers. Zij
vragen zich af of voor deze groep niet een volledig eigen
verantwoordelijkheid zou moeten gelden en dat actieve ondersteuning van de
overheid niet aan de orde moet zijn.
rblz.|49|
Gemeenten hebben met de invoering van de Wet
SUWI per 1 januari 2002
via de Wiw de verantwoordelijkheid gekregen voor de reïntegratie van
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers. Deze taak vloeit voort uit
het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie
als voorwaarde voor een gunstige economische ontwikkeling. Deze taak
wordt in de Wwb gecontinueerd en is dus niet nieuw voor gemeenten.
Gemeenten hebben met ingang van 2002 een bedrag van €|96,655
mln gekregen voor uitvoeringskosten en reïntegratietrajecten voor deze
nieuwe doelgroep. Deze middelen zijn vanaf 2003 ongeoormerkt aan het
scholings- en
activeringsbudget Wiw toegevoegd en maken daardoor deel
uit van het werkdeel van de Wwb. Voor 2004 wordt bij de verdeling van
het werkdeel uitgegaan van een status quo ten opzichte van 2003. In de
loop van 2004 wordt bezien of het aantal NUG-ers/Anw-ers per gemeente in de
nieuwe verdeelsystematiek voor het werkdeel wordt opgenomen.
Het kabinet is van mening dat er voldoende
waarborgen zijn voor een evenwichtige aanpak van de doelgroep, hoewel er
geen directe financiële stimulansen zijn. Naast het feit dat de
reïntegratie voor NUG-ers/Anw-ers een wettelijke verantwoordelijkheid is
van gemeenten, moeten gemeenten in hun reïntegratieverordening
expliciet opnemen hoe zij de evenwichtige aandacht voor hun doelgroepen
vormgeven. De doelgroep zelf heeft aanspraak op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ook
maakt de doelgroep deel uit van de onder de in de EU-richtsnoer 1
gemaakte afspraak om iedere nieuwe werkloze een traject aan te bieden
voordat hij één jaar werkloos is.
Voor de NUG-er/Anw-er geldt geen verplichting
tot reïntegratie. De doelgroep dient zich als werkloos werkzoekend in
te schrijven bij het CWI. Alleen als het CWI van oordeel is dat
betrokkene een reïntegratietraject nodig heeft, vindt doorverwijzing
naar de gemeente plaats. Omdat sprake is van vrijwilligheid, kan de
gemeente geen sanctie op de eventuele uitkering opleggen. Wel kan de
gemeente voor deze doelgroep specifieke beleidsregels opnemen in de
reïntegratieverordening. Deze regels kunnen betrekking hebben op de
inhoud, duur en financiering van een traject. In het trajectplan kunnen
verplichtingen voor de klant worden opgenomen, zoals de plicht tot het
betalen van een eigen bijdrage en afspraken over terugbetaling van de
kosten indien een traject niet succesvol wordt afgerond. Als er tussen
klant en gemeente een geschil ontstaat over de in het trajectplan
gemaakte afspraken, kan dit aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
3.2.4. Een sluitende aanpak
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie vragen of de garantie op scholing en werk nog
steeds kan worden waargemaakt voor personen jonger dan 23 jaar. Deze
leden vragen wat de consequentie van de Wwb
is voor de afspraken in het
kader van de sluitende aanpak.
De leden van de PvdA-fractie
vragen hoe de
voornemens van de kabinet zich verhouden tot Europese afspraken over de
sluitende aanpak, in het bijzonder die van jongeren, waarbij gemeenten
binnen zes maanden werk of scholing aangeboden moeten hebben. Zij vragen
wat voor trajecten voor werk en/of scholing dit zullen worden als dit
niet meer landelijk geregeld is. Zij vragen het kabinet te bevestigen
dat het voorgenomen beleid het einde van de sluitende aanpak voor
jongeren betekent, in de zin dat niet langer gegarandeerd is dat iedere
jongere binnen zes maanden werk of scholing krijgt aangeboden. Ook de
leden van de CDA-fractie vragen wat de consequentie is van de Wwb voor
de sluitende aanpak.
De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet
hoe op Europees niveau in het kader van het Nationaal Actieplan
Werkgelegenheid gerapporteerd moet gaan worden via een algemene
maatregel van bestuur en hoe deze AMvB er in hoofdlijnen uit gaat zien.
Zij vragen het kabinet of het rblz.|50|
bestrijden van jeugdwerkloosheid niet
dermate belangrijk is dat hiervoor nu al duidelijk moet zijn hoe één en
ander verantwoord gaat worden naar Europa.
Sluitende aanpak wordt in de Wwb niet dwingend voorgeschreven. Doordat
de Wwb condities en mogelijkheden voor gemeenten creëert meent het
kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te
leggen. Gemeenten hebben - door de gemeentelijke financiële
verantwoordelijkheid - al het belang om iedereen een aanbod te doen:
de schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van
cliënten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de
verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de
mogelijkheid iedere cliënt een traject op maat aan te bieden.
Voor jongeren geldt nog sterker dat het voor
gemeenten loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder
werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een
aanbod moeten krijgen. Hiermee moet worden voorkomen dat zij langdurig
in een uitkeringssituatie komen. Hierbij kunnen gemeenten kiezen om
duale trajecten aan te bieden teneinde werken te combineren met het
behalen van een startkwalificatie. In dit kader verwijst het kabinet
naar het plan van aanpak jeugdwerkloosheid, dat op 30 juni naar de Tweede Kamer is verzonden.
De voortgang ten aanzien
van sluitende aanpak zal worden gemonitord, mede in het licht van
de benodigde rapportages richting Europese Commissie. De
informatievoorziening ten behoeve van de sluitende aanpak maakt
onderdeel uit van de reguliere statistieken en monitors; deze worden bij
ministeriële regeling vastgesteld. De vormgeving van de verantwoording
richting Brussel zal niet veranderen.
De
leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is serieus met
sociale partners te overleggen over het voorstel van de FNV om in
bedrijfs- en scholingsfondsen voorstellen te doen geld in te zetten
waarmee uitkeringsgerechtigden een echte kans krijgen op betaalde
arbeid.
Het
kabinet ondersteunt van harte alle initiatieven van de sociale partners
om via bedrijfs- en scholingsfondsen een bijdrage te leveren aan de
reïntegratie van uitkeringsgerechtigden. In dit kader is in
voorbereiding een verruiming van de ESF-regelgeving, zodat het mogelijk
wordt scholingsfondsen als cofinanciering in te zetten voor
scholing/reïntegratie van werkloos werkzoekenden.
3.2.5. Uitbesteding en aanbesteding
[MvT;
V]
Verplichting tot uitbesteding
De
vraag rijst bij de leden van de fracties van
CDA, PvdA, VVD,
GroenLinks
en ChristenUnie of de 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten niet vanzelf leidt tot een goed werkende reïntegratiemarkt en
of het opleggen van een uitbestedingsverplichting en
aanbestedingsprocedures juist niet belemmerend werkt. Zij vragen zich
daarbij af of een 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten
ook niet volledige beleidsvrijheid moeten inhouden met betrekking tot de
besteding van het werkdeel. De leden van het CDA vragen waarom niet
wordt volstaan met de algemene Europese en nationaalrechtelijke
aanbestedingsregels. De leden van de VVD vragen of niet eerst moet
worden bezien of de marktwerking vanzelf tot stand komt. Zij vragen
verder of het niet beter zou zijn om rond de uitbesteding volledige
beleidsvrijheid te introduceren.
De
besteding van het werkdeel is vrij, de manier waarop echter niet:
hiervoor geldt de eis tot uitbesteding en de aanbestedingsregels uit
het rblz.|51|
Besluit SUWI. Van belang is allereerst te memoreren dat de
verplichting tot uitbesteding niet zomaar een element is in het beleid
van dit kabinet. Het uitgangspunt dat de uitvoering van taken met
betrekking tot reïntegratie van werkzoekenden en arbeidsgehandicapten
zoveel mogelijk dient plaats te vinden in het private domein, is de
uitkomst van jarenlange discussies tussen kabinet en parlement over de
scheiding van publieke en private taken en verantwoordelijkheden;
discussies die uiteindelijk geleid hebben tot het tot stand komen van de
Wet SUWI.
Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 hard
gewerkt aan de inrichting van hun organisatie en het opstarten van
aanbestedingsprocedures om te voldoen aan de eisen die hieraan in de Wet
SUWI en in de Europese aanbestedingsregels gesteld worden. De ervaringen
van gemeenten op dit terrein zijn over het algemeen positief.
Betrokkenen binnen gemeenten stellen desgevraagd dat de nieuwe situatie,
waarin gemeenten niet meer een subsidierelatie maar een
opdrachtgeverrelatie onderhouden met reïntegratiebedrijven, belangrijke
voordelen oplevert. De opdrachtgever stelt nu bijvoorbeeld duidelijkere
doelstellingen vast met bijbehorende resultaatindicatoren. Gemeenten
moeten reïntegratiebedrijven immers kunnen afrekenen op de geleverde
prestaties.
Het is verder duidelijk dat er binnen gemeenten
conflicterende belangen kunnen spelen. De oriëntatie binnen het
gemeentelijke apparaat is aan het verschuiven van het uitvoeren van
regelingen naar het reïntegreren van mensen, zoveel mogelijk in
reguliere banen. Maar het belang van de dienst "inkoop" spoort niet
zonder meer met de belangen van de dienst die de regelingen op het
terrein van gesubsidieerde arbeid uitvoert en andere gemeentelijke
diensten, zoals het lokale vervoer en de stadsreiniging, die
maatschappelijke taken met behulp van gesubsidieerde arbeid uitvoeren.
Deze diensten hebben vooral een belang bij continuïteit en een soepele
opvulling van beschikbaar komende arbeidsplaatsen. Vanuit deze belangen
is de keuze van veel gemeenten om klanten rechtstreeks naar de
beschikbare gesubsidieerde plaatsen te verwijzen zeker een begrijpelijke
keuze. Maar het is niet een keuze die per definitie de inschakeling in
de arbeid van de klant het best bevordert.
Binnen de Wwb staat de reïntegratie van de
klant centraal. De verplichting tot uitbesteding voorkomt dat gemeenten
belangen van eigen gemeentelijke diensten mee moeten nemen in hun
afweging en zorgt ervoor dat te allen tijde de belangen van de klant
centraal staan. Immers, de reïntegratiebedrijven bepalen wat het beste
is voor de klant en gemeentelijke afwegingen kunnen daarin geen rol
spelen. Het kabinet wil om bovengenoemde redenen vasthouden aan de
verplichting tot uitbesteding.
Met betrekking tot de aanbestedingsprocedures
geldt dat door een goede vormgeving de gemeente veel informatie krijgt
over prijzen, kwaliteit en producten van bestaande en nieuwe
reïntegratiebedrijven. De Europese aanbestedingsregels schrijven onder
andere voor dat activiteiten met een bedrag boven de €|200 000,- openbaar
dienen te worden aanbesteed. Daarnaast verplicht het EG-verdrag tot
gelijke behandeling en transparantie. De manier waarop het Europees Hof
en de Europese Commissie dit interpreteren, wijst in de richting van een
verplichting om bij overheidscontracten voor een passende mate van
openbaarheid te zorgen, zodat de dienstenmarkt voor concurrentie wordt
opengesteld en de onpartijdigheid van een aanbestedingsprocedure
getoetst kan worden.
Bij de vormgeving van SUWI
is ingezet op de
ontwikkeling van een goed functionerende reïntegratiemarkt, waarin de
markt concurrerend en transparant is. Het lichte regime van de Europese
aanbestedingsregels sluit hierbij onvoldoende aan. In artikel 4.1 van
het Besluit SUWI is daarom opgenomen dat gemeenten en
UWV een
transparante en toetsbare aanbestedingsprocedure moeten volgen waarbij
meer offertes worden gevraagd op basis van
vooraf gestelde criteria.
rblz.|52|
Op het moment dat er een
goed werkende reïntegratiemarkt tot stand is gekomen, kunnen de
(strengere) aanbestedingsregels van het Besluit SUWI
komen te vervallen,
zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel Wwb is aangekondigd. Dan
zullen alleen de Europese aanbestedingsregels en de Mededingingswet
nog
van toepassing zijn.
Goed werkende reïntegratiemarkt
De
leden van de VVD-fractie vragen wat onder een goed werkende
reïntegratiemarkt wordt verstaan. De leden van de PvdA-fractie
vragen
daarnaast of het kabinet van mening is dat de reïntegratiemarkt
voldoende transparant en concurrerend is om gemeenten te verplichten
reïntegratietrajecten bij derden uit te besteden. In het verlengde
hiervan informeren de leden van de ChristenUnie-fractie naar de stand
van zaken rond het kwaliteitskeurmerk van Borea [Brancheorganisatie
Reïntegratiebedrijven, red.].
In
de huidige situatie is het aantal reïntegratiebedrijven dusdanig dat
kan worden gesproken van een behoorlijk concurrerende markt. Er zijn
meer dan 630 reïntegratiebedrijven, waarvan naar schatting een derde
actief is binnen het gemeentelijke domein op het terrein van scholing en
activering.
De transparantie op de reïntegratiemarkt is de
laatste jaren toegenomen. Dit blijkt uit onder meer het trendrapport van
Regioplan en het onderzoek dat Orbis en Regioplan in opdracht van het
RPA Rijnmond recent hebben gedaan. Daarnaast werkt de Raad voor werk en
inkomen aan het verbeteren van de transparantie door onder meer de reeds
operationele reïntegratiemonitor en de nog te ontwikkelen
ervaringenbank en prestatiebenchmark. Het door Borea ontwikkelde
keurmerk geeft gemeenten bovendien houvast omtrent de betrouwbaarheid
van reïntegratiebedrijven bij het maken van een keuze. In 2002 hebben
27 reïntegratiebedrijven het Borea-keurmerk gekregen. Momenteel worden
27 andere reïntegratiebedrijven beoordeeld om te kijken of ook zij in
aanmerking komen voor het keurmerk. In totaal zijn er op dit moment 125
leden. De verwachting is dat naast deze leden nog diverse andere
bedrijven het keurmerk zullen aanvragen, aangezien het keurmerk dan een
voorwaarde wordt voor lidmaatschap van Borea. Naar verwachting
halverwege volgend jaar is bekend of deze bedrijven aan de voorwaarden
hebben voldaan.
Hoewel uit het eerder genoemde trendrapport
blijkt dat het opdrachtgeverschap van gemeenten nog voor verbetering
vatbaar is, slagen gemeenten er steeds beter in hun opdrachtgeverschap
goed vorm te geven.
Op welke manier er vanuit de huidige situatie
naar die streefsituatie, waarin voldoende concurrentie en transparantie
op de reïntegratiemarkt is, wordt toegewerkt, is beschreven in de
notitie "Naar een werkende reïntegratiemarkt" (Kamerstukken
II 2002-2003,
28 719, nr. 1). Concurrentie en transparantie worden gerealiseerd door
transparante en toetsbare aanbestedingsprocedures, de beschikbaarheid
van objectieve informatie over resultaten, prijzen en kwaliteit van de
verschillende reïntegratiediensten en contracten waarin
reïntegratiebedrijven worden afgerekend op resultaat. Voor een optimale
prijsvorming is het verder van belang dat opdrachtgevers en
reïntegratiebedrijf inzicht hebben in klantkenmerken. Een goed werkende
reïntegratiemarkt zal mede tot stand komen door de groei van de markt.
Op het moment dat ook het budget voor de ID-banen en de
Wiw-dienstbetrekkingen in de loop der jaren vrijkomt, zullen meer
bedrijven zich op de markt begeven. In hoeverre marktpartijen goed op
resultaat en de daarbij horende prijs concurreren - en de werking van
de reïntegratiemarkt verder verbetert - is mede afhankelijk van de
vormgeving van de aanbesteding.
Een concrete en meetbare doelstelling om de
werking van de reïntegratiemarkt weer te geven, die niet afhankelijk is
van de conjunctuur, is moeilijk rblz.|53|
te formuleren. De mate van transparantie
en het gebruik van gemeenten van de aanbestedingsprocedure geven voor
het kabinet mede aan in hoeverre het verplicht stellen van de
aanbesteding achterwege kan worden gelaten.
Deze maatstaven zijn echter niet goed in
kwantitatieve termen te vangen. Daarom kiest het kabinet ervoor om geen
concrete en meetbare termen op te nemen.
De ontwikkelingen op de reïntegratiemarkt
worden door het departement en de toezichthouder gevolgd en uw Kamer
wordt hierover geïnformeerd, onder meer middels de kwartaalrapportages
arbeidsmarktbeleid, het tweejaarlijkse trendrapport en de rapportages
van IWI. Bij de evaluatie van de Wwb zal aandacht worden besteed aan de
werking van de reïntegratiemarkt en of deze verder is verbeterd.
Gevolgen voor gemeentelijke
reïntegratie-instellingen
De
leden van de PvdA vragen wat de verplichting tot uit- en aanbesteding
betekent voor de gesubsidieerde banen en voor de instellingen die deze
banen uitvoeren.
Voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen geldt dat het oude
regime zonder uitbestedingsverplichting en aanbestedingsprocedures van
toepassing blijft.
Wat betreft nieuw te creëren gesubsidieerde
arbeidsplaatsen vanaf het moment van invoering Wwb
geldt in het eerste
jaar nog het oude regime, dat wil zeggen dat niet hoeft te worden
uitbesteed. Na dit eerste jaar zal alle nieuw te creëren gesubsidieerde
arbeid moeten worden uitbesteed. Gevolg hiervan is dat gemeentelijke
instellingen (diensten en aan gemeenten gelieerde bedrijven), die op dit
moment de regelingen voor de gesubsidieerde arbeid uitvoeren, moeten
worden verzelfstandigd. Zij moeten op een gelijk speelveld met andere
reïntegratiebedrijven concurreren dan wel zich ontwikkelen als
werkgever bij wie via een reïntegratiebedrijf werknemers kunnen worden
geplaatst (al dan niet gesubsidieerd). Dit betekent onder meer dat de
betrekkingen tussen gemeenten en de gemeentelijke bedrijven doorzichtig
dienen te zijn en er geen sprake mag zijn van kruissubsidiëring van
private activiteiten vanuit publieke middelen en van oneigenlijke
bevoordeling van deze bedrijven door aanbestedende gemeenten.
Voor gemeenten en de betreffende instellingen
is een verzelfstandiging een gecompliceerd proces: administratief maar
ook vanuit de optiek van de bedrijfscultuur. Verschillende fracties zijn
dan ook bang dat de verplichte uitbesteding van gesubsidieerde arbeid in
de Wwb de nekslag zal zijn voor bestaande Wiw- en ID-organisaties, dat
de continuïteit van deskundigheid in gevaar zal komen en dat de
publieke infrastructuur onder druk zal komen te staan. Voor het op
afstand plaatsen van uitvoeringsorganisaties hebben gemeenten tijd
nodig. Deze organisaties moeten de tijd kunnen krijgen om te voldoen aan
de vereisten om mee te kunnen dingen op de reïntegratiemarkt - wat
betreft de rechtspersoonlijkheid en/of de werkwijze, methodiek, cultuur
en personeel - en een kans te hebben om gedurende het overgangsregime
te transformeren tot reïntegratiebedrijf dat wel aan deze vereisten
voldoet. Juist daarom heeft het kabinet besloten om het eerder genoemde
overgangsregime te creëren voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en
ID-banen en hun opvolgers in het eerste kalenderjaar van de Wwb. In het
overgangsregime is geregeld dat reeds opgevulde ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen niet hoeven te worden uitbesteed. Ook staat het
kabinet gemeenten toe in het jaar 2004 nog openvallende Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen te herbezetten
(artikel 15 [15]
Invoeringswet).
De arbeidsplaatsen in het kader van de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw) vallen niet binnen de Wwb. De introductie
van de Wwb heeft dan rblz.|54|
ook geen gevolgen voor de Wsw of de uitvoering
daarvan voor gemeenten.
De
leden van de PvdA-fractie willen een reactie op de situatie in
's-Hertogenbosch. De situatie hier loopt voorop bij andere gemeenten. Ook in
Enschede, zo constateren deze leden, wordt geëxperimenteerd met vrije
aanbesteding. Zij vragen welke lessen daaruit te trekken vallen.
De
gemeente 's-Hertogenbosch heeft zo’n vier jaar de tijd nodig gehad om de hele
organisatie in te richten op werk boven inkomen. De uitbesteding volgens
aanbestedingsprocedures is slechts één van elementen in dit hele
traject. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft tijdens de hoorzitting aangegeven
geen probleem te hebben met de uitbesteding, mits er een vrije ruimte
blijft. De gemeente
Enschede heeft een onderzoek gedaan naar een drietal
omvangrijke aanbestedingsprocedures in 2001. Daarbij zijn zo’n 1400
reïntegratietrajecten aanbesteed. De uitkomsten van dit onderzoek zijn
nog niet openbaar, deze zullen medio september openbaar worden.
Reikwijdte uit- en aanbesteding
De
leden van de VVD-fractie vragen het kabinet om de
uitbestedingsmogelijkheden nader toe te lichten. Zij vragen wat de gemeente
nu precies wel en wat de gemeente nu precies niet mag
uitbesteden.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander
van een transparante en efficiënt werkende reïntegratiemarkt. Een open
aanbesteding past hier zeker in. Zij vragen echter of alle individuele
belanghebbenden en doelgroepen op de juiste wijze geholpen kunnen worden
via een aanbestedingsprocedure zoals die is neergelegd in het Besluit
SUWI.
De leden van de CDA-fractie nodigen het kabinet
uit om precies aan te geven welk deel van de totale
reïntegratieactiviteiten niet hoeft te worden uitbesteed, zowel in geld
als naar soorten activiteiten. Zij vragen of daarbij rekening wordt
gehouden met bepaalde complexe doelgroepen. Daarnaast vragen zij wat
deze uit- en aanbestedingsverplichtingen precies betekenen voor
gesubsidieerde arbeid.
De leden van de PvdA-fractie
vragen een reactie
op het voorstel om de aanbestedingsregels alleen te laten gelden voor
trajecten voor de fases 1 tot en met 3 en niet voor fase 4 gezien de extra
inspanningen die nodig zijn voor deze doelgroep. Tevens willen zij een
reactie op het voorstel om gemeenten een overgangstermijn van drie tot
vier jaar te geven om zich voor te bereiden op de aanbesteding.
Wanneer gemeenten zich niet tot de markt wenden voor
reïntegratiediensten voor moeilijke doelgroepen, dan zal er op die markt
ook geen aanbod voor dergelijke groepen ontstaan. Daarmee zou de cirkel
rond zijn: gemeenten kopen niet in op de markt omdat
reïntegratiebedrijven geen, op deze doelgroepen toegesneden, diensten
aanbieden en omgekeerd leveren reïntegratiebedrijven geen maatwerk
omdat er geen markt voor deze doelgroepen lijkt te bestaan. Het kabinet
heeft met de verplichting tot uitbesteden een krachtig signaal aan
marktpartijen gegeven dat het de moeite waard is om ook voor de
moeilijke doelgroepen dienstverlening te ontwikkelen. Een onderscheid
naar fases zoals de PvdA-fractie voorstelt ligt dan ook niet voor de
hand. Tevens zou dat de verantwoordingslast voor gemeenten rondom het
uitbesteden enorm verzwaren.
Het kabinet is wel van mening dat in de
ontwikkeling naar een goed werkende reïntegratiemarkt gemeenten, naast
een overgangstermijn voor de uitbesteding van gesubsidieerde arbeid, een
bepaalde mate van vrijheid moeten krijgen bij het verplichte uitbesteden
van het werkdeel. Reden hiervoor is dat momenteel mogelijk nog niet al
het aanbod dat gemeenten nodig hebben voor hun klanten (zowel in
kwantitatieve als in kwalitatieve zin) op de markt voorhanden is. Daarom
is het kabinet voornemens rblz.|55|
gemeenten voor 20% van het werkdeel vrije
ruimte te geven waarbinnen geen verplichting tot uitbesteding geldt en
de aanbestedingsprocedures zoals neergelegd in het Besluit
SUWI niet
hoeven te worden gevolgd. Zo zou een gemeente binnen deze 20% vrije
ruimte dus een voorziening, bijvoorbeeld sociale activering, door een
eigen gemeentelijke dienst kunnen laten uitvoeren of kan ze een
voorziening inkopen bij bijvoorbeeld een (welzijns)instelling zonder dat
ze daarbij de aanbestedingsprocedures heeft gevolgd. Daarnaast wordt het
hiermee mogelijk dat binnen deze 20% gemeenten direct ingaan op een
innovatief idee van een private werkgever en deze werkgever rechtstreeks
contracteren. Hierbij dient de gemeente overigens wel de Europese
aanbestedingsregels in acht te blijven nemen.
Uitgezonderd van de verplichte uitbesteding
worden de Wiw-dienstbetrekkingen en de ID-banen uit het overgangsregime
(artikel 15 [15]
Invoeringswet) en de eenmalige stimuleringspremies en de
kostenvergoedingen. Dit wordt geregeld bij ministeriële regeling.
Er is voor een percentage gekozen (in plaats
van een afwijkingsgrond zoals activiteiten die gekoppeld zijn aan de
fase van een klant of soorten activiteiten) omdat dit minder
administratieve verantwoordingslasten meebrengt voor gemeenten. Dit
percentage vrije ruimte komt overeen met het voormalige percentage vrije
ruimte binnen het Wiw-scholings- en activeringsbudget. Het budget waarop
het percentage in de Wwb van toepassing is, is echter het volledige
werkdeel.
Hierboven is reeds ingegaan op de
overgangssituatie voor gemeentelijke reïntegratiediensten. Dit stelt
deze gemeenten in staat deze bedrijven over meerdere jaren voor te
bereiden op de concurrentie met marktpartijen. Hiermee komt het kabinet
tegemoet aan de wens van de PvdA-leden voor een overgangstermijn van
drie à vier jaar bij de uitbesteding van de middelen voor vrijkomende ID-banen en
Wiw-dienstbetrekkingen. Het kabinet voelt er niet voor om een
overgangstermijn te hanteren om gemeenten zich voor te laten bereiden op
de aanbesteding. Reeds sinds 1 januari 2002 zijn gemeenten verplicht de
middelen voor het scholings- en activeringsbudget aan te besteden. Voor wat betreft de
mogelijkheden voor uitbesteding bij de vaststelling en uitbetaling van
de bijstand geeft de Wwb aan dat de werkzaamheden in het kader van het
verlenen van bijstand door B&W moeten worden uitgevoerd. Dit betreft
de werkzaamheden rond de vaststelling van het recht op bijstand en de
bepaling van de hoogte van de uitkering. Werkzaamheden die de
uitbetaling van de uitkering betreffen, kunnen, net als onder de Abw,
worden uitbesteed aan derden.
3.3. Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden [MvT;
V]
De leden van de
PvdA vragen wat wordt bedoeld met paragraaf 3.3
"Ontwikkelingen in het
bestand van bijstandsgerechtigden". Zij vragen of gemeenten moeten
werken aan draaideurklanten en of dit een verstopt pleidooi is om niet
te investeren in duurzame arbeidstoeleiding.
Het
kabinet wijst er in paragraaf 3.3 van het
algemeen deel van de memorie
van toelichting op dat gemeenten via hun reïntegratiebeleid invloed
kunnen uitoefenen op de samenstelling van hun bestand in termen van
uitkeringsduur en daarmee op langere termijn op de totale omvang van hun
bestand. Daarbij lijkt het raadzaam voor gemeenten om het
reïntegratiebeleid vanuit twee sporen in te zetten:
- ondersteuning aan hen die instromen in de Wwb
door directe
toeleiding naar werk of inzet van voorzieningen;
- ondersteuning en inzet van voorzieningen voor hen die al langdurig
een beroep doen op de bijstand.
Het is van belang dat gemeenten werkzoekenden
niet aan hun lot overlaten, ook al is er op korte termijn niet voor
iedereen werk voorhanden. Werkzoekenden moeten niet het perspectief van
werk uit het oog rblz.|56|
verliezen, zodat op het moment dat de conjunctuur
aantrekt ook daadwerkelijk zoveel mogelijk mensen aan het werk kunnen.
Het is van belang voor de economie dat zoveel mogelijk mensen direct
inzetbaar zijn en dat vacatures niet lang open hoeven te staan, zoals nu
in vele gevallen nog wel het geval is. De arbeidsmarkt is niet een
statisch geheel: continu zijn er vacatures die door werkzoekenden worden
ingevuld, terwijl andere mensen hun baan verliezen. Het bestand
werkzoekenden zal rouleren en ook al mocht niet voor iedereen de baan
duurzaam zijn, de mensen die werken doen hiermee ervaring op en leren
vaardigheden die hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Een oorzaak
dat werkzoekenden terugvallen in werkloosheid is het ontbreken van een
startkwalificatie. Voor deze werkzoekenden is het van belang dat werk
wordt gecombineerd met scholing, zodat zij de startkwalificatie kunnen
halen en een sterkere positie op de arbeidsmarkt krijgen.
De
leden van de PvdA vragen om de cijfers waaruit blijkt welk deel van het
zittende jaarbestand op de jaarteldatum bestaat uit mensen die korter
dan één jaar in de bijstand zitten, welk deel één tot vijf jaar en welk deel
langer dan vijf jaar.
Onderstaande tabel geeft de gevraagde indeling, geactualiseerd voor de
teldatum derde kwartaal 2002.
Uitkeringen aan
thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodieke algemene bijstand naar
duur en leefvorm, ultimo derde kwartaal 2002:
| Duur |
Totaal
¹ |
% |
Leefvorm |
| xxxxxxxx |
xxxxxxxr |
|
Alleen-
|staande| |
% |
Alleen-
staande
ouder |
% |
Gehuwden |
% |
| <1 jaar |
v66 460 |
v20,9 |
v39 230 |
v22,5 |
18 900 |
v20,6 |
v8 180 |
v16,1 |
| 1-5 jaar |
107 420 |
v33,9 |
v51 470 |
v29,6 |
39 410 |
v43,0 |
16 330 |
v32,1 |
| >5 jaar |
143 370 |
v45,2 |
v83 430 |
v47,9 |
33 370 |
v36,4 |
26 420 |
v51,9 |
| Totaal
² |
317 230 |
100,0 |
174
110 |
100,0 |
91 660 |
100,0 |
50 910 |
100,0 |
1. Inclusief leefvorm
anders of onbekend.
2. Het totaal kan door
afronding afwijken van de som van de elementen.
De leden van de PvdA-fractie vragen waarnaar
de uitstroom van de drie categorieën plaatsvindt: werk, AOW, verhuizen,
partner.
Uit
de Abw-statistiek komt thans geen actuele informatie beschikbaar over
uitstroom uit de Abw naar reden. Wel zijn er cijfers over de uitstroom
in zijn totaliteit en deelpopulaties. Dit houdt verband met de kwaliteit
van de gegevens die door de gemeenten over de uitstroom aan het
CBS
worden verstrekt, waarbij vaak het kenmerk over de reden van
beëindiging niet is gevuld. Met het CBS is een verbetertraject gestart.
In de kwaliteitsslag met het CBS wordt ernaar gestreefd de
betrouwbaarheid van de registratie van uitstroom naar werk zodanig te
verbeteren dat ook daarover afzonderlijke cijfers kunnen worden
gepubliceerd. Tevens wordt thans nagegaan - mede met het oog op de
voorgenomen derapportage voor gemeenten - op welke andere wijze
betrouwbare informatie over uitstroom beschikbaar kan komen. De
oplossing voor informatie over uitstroom wordt gezocht in koppeling van
de uitstromers uit het Abw-bestand met bestanden waaruit informatie kan
worden ontleend over de situatie waarin een persoon zich na beëindiging
van de uitkering bevindt.
De
leden van de CDA-fractie vragen of sociale activering naar de mening van
het kabinet altijd gericht moet zijn op arbeid. Zij vragen of het
kabinet rblz.|57|
de percentages die genoemd worden bij het experiment sociale activering ook kan vertalen naar absolute aantallen betrokken personen.
De leden van de PvdA-fractie
menen dat
tegenover het recht op bijstand de plicht tot het verwerven van optimale
zelfredzaamheid met betaalde arbeid bestaat. Indien dat niet mogelijk is,
dan is sociale activering wenselijk. Deze leden vragen of de gemeenten
daarvoor voldoende middelen hebben.
Alle voorzieningen van de Wwb hebben arbeidsinschakeling als doel.
Sociale activering wordt heel expliciet als één van de voorzieningen
van de Wwb genoemd en kan derhalve gefinancierd worden uit het werkdeel
van de Wwb. Bij de inzet van de voorziening sociale activering is het
vooraf moeilijk te bepalen of arbeidsinschakeling het uiteindelijke
resultaat zal zijn; sociale activering wordt immers ingezet voor mensen
met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, voor wie
arbeidsinschakeling en zelfs inzet in gesubsidieerd werk op korte
termijn nog niet aan de orde is. Het doel van de inzet van deze
voorziening is weliswaar arbeidsinschakeling, maar het resultaat na het
socialeactiveringstraject kan ook zijn dat alleen het tussendoel wordt
bereikt: zelfstandige maatschappelijke participatie. Ook voor het
bereiken van het tussendoel kan de voorziening worden ingezet. Om deze
reden is ook dit tussendoel in artikel 6
[6] en in de
toelichting expliciet
in de Wwb genoemd. Naar de mening van het kabinet hebben de gemeenten
voldoende middelen om in te zetten ter financiering van deze trajecten.
Experiment sociale activering
De
percentages genoemd op blz. 10 van de memorie van
toelichting zijn
afkomstig uit het onderzoek "Bijstandsexperimenten: impulsen tot
activering" dat 26 september 2002 naar de Tweede Kamer is gestuurd. De
percentages zijn gebaseerd op de gegevens van 35 bijstandsexperimenten
die in totaal 6417 uitstromers hadden op een totaal van 10 449
deelnemers. 1091 deelnemers (17%) zijn doorgestroomd naar opleiding,
projecten, zelfstandig vrijwilligerswerk of stage en 1027 deelnemers
(16%) zijn uitgestroomd naar een betaalde baan. De duurzaamheidsgegevens
zijn gebaseerd op 373 vragenlijsten die door ex-deelnemers zijn
ingevuld. 139 van deze ex-deelnemers hadden na uitstroom uit de
experimenten een betaalde baan; 121 (88%) van hen hadden ten tijde van
het slotonderzoek nog steeds een betaalde baan.
rblz.|58|
4. Inkomenswaarborg en
armoedeval [MvT;
V]
4.1. Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie vragen of het bestaansminimum voor een
alleenstaande en een eenoudergezin die geen kosten met anderen kunnen
delen, wordt gegarandeerd.
Dit
is het geval doordat in artikel 30 [30], tweede lid, aanhef en onder a,
Wwb is bepaald dat in de gemeentelijke verordening moet zijn vastgesteld
dat voor deze huishoudtypes de maximale toeslag van 20% geldt.
4.2. Middelentoets
[MvT;
V]
Vrijlating van arbeidsinkomsten
De
leden van de fracties van CDA, PvdA,
VVD en CU vragen waarom de regeling
voor vrijlating van de arbeidsinkomsten in de Wwb
komt te vervallen.
De leden van de PvdA-fractie vragen om een
vrijlating van inkomsten voor werkende 65-plussers met een onvolledige AOW. Naar het inzicht van de leden van de PvdA-fractie zou ook de
vrijlating van inkomsten nodig zijn indien men maar in deeltijd
beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Deze leden vragen het kabinet om
voor mensen die maar beperkt beschikbaar zijn, werken lonend te maken.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet
tot op zekere hoogte is toegestaan om inkomsten uit deeltijdarbeid te
behouden als opstap naar een volledige baan. In zijn algemeenheid vragen
deze leden of de mogelijkheden voor vrijlating van bepaalde
inkomensdelen niet te beperkt zijn, daar waar deze mogelijkheden in
individuele gevallen bij kunnen dragen aan het vinden van een reguliere
baan. Deze leden en de leden van de VVD-fractie vragen tevens in
hoeverre de beperking van deze vrijlatingsmogelijkheden te verenigen is
met de vergrote beleidsvrijheid en individueel maatwerk voor gemeenten.
De leden van de fractie van de ChristenUnie
vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen in artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel c, de
vrijlating van de aanvullende alleenstaande ouderkorting, alsmede de
combinatiekorting te beperken tot alleenstaande ouders met kinderen
jonger dan vijf jaar.
De leden van de fractie van GroenLinks zijn
benieuwd naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om de inkomsten uit
arbeid van deeltijdarbeiders vrij te laten gelet op de mogelijkheid van
een onbelaste premie tot een bedrag van €|1944,- per jaar.
De
huidige regeling voor vrijlating van arbeidsinkomsten is vervangen door
een regeling die beter aansluit bij de uitgangspunten van de Wwb. Eén
van die uitgangspunten is dat algemeen, generiek inkomensbeleid
voorbehouden dient te zijn voor het Rijk en dat de ruimte voor gemeenten
om een eigen inkomensbeleid te voeren, moet worden beperkt. Voor de
vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën van personen die om
medische of sociale redenen zijn aangewezen op het verrichten van arbeid
in deeltijd geldt dat dit instrument, in tegenstelling tot de
activeringspremie, meer kenmerken heeft van een vorm van
inkomensondersteuning dan van een activeringsinstrument. Dit wordt
vooral veroorzaakt door het structurele karakter en de systematiek van
de regeling, waardoor een uitbreiding van het aantal gewerkte uren
nauwelijks meer loont. Een ander bezwaar is dat de huidige
vrijlatingsregeling gekoppeld is aan een specifieke categorie
bijstandsgerechtigden, wat een "aanzuigende werking" heeft in die
zin
dat gemeenten groepen bijstandsgerechtigden definiëren als "medisch
en/of sociaal belemmerd" met als (enige) doel deze mensen in
aanmerking te brengen voor de vrijlating.¹ De rblz.|59|
nadelen hiervan zijn dat
er én geen recht meer wordt gedaan aan het belang dat gehecht wordt aan
een individuele benadering (maatwerk) én dat het risico bestaat dat
individuen ten onrechte worden geïndiceerd. Uit recent onderzoek is
gebleken dat de huidige premie- en vrijlatingsregelingen wel de deelname
aan deeltijdarbeid stimuleren, maar de uitstroom naar voltijdarbeid
belemmeren.² De vrijlatingsregeling sluit, samenvattend, niet goed aan
bij het uitgangspunt van de Wwb dat maatwerk "geleverd" moet worden en
dat economische zelfstandigheid het uitgangspunt moet zijn.
Daar komt bij dat deeltijdwerk als voordeel
heeft dat het een goede stap kan zijn naar volledige uitstroom, maar dat
aan het langdurig verrichten van deeltijdwerk ook enkele belangrijke
bezwaren kleven, zoals een slechter loopbaanperspectief met een
verminderde verdiencapaciteit en een geringere pensioenopbouw.
Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om een
zwaar accent te leggen op volledige uitstroom uit de uitkering, onder
meer door de arbeidskorting te verhogen. Het kabinet deelt dus de
opvatting van de PvdA-fractie dat arbeid moet lonen, maar heeft ervoor
gekozen de nadruk te leggen op arbeid die leidt tot economische
zelfstandigheid.
Het kabinet is van mening dat voor
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar in enkele
opzichten andere overwegingen gelden. De combinatie van een volledige
baan met de zorg voor jonge kinderen kan voor hen in een aantal gevallen
te zwaar zijn, zodat een deeltijdbaan gedurende deze eerste jaren een
oplossing kan betekenen. Anderzijds echter, moet ook voorkomen worden
dat deze groep ouders langer in deeltijd blijft werken dan gezien de
persoonlijke situatie van de ouder noodzakelijk geacht moet worden. In
dit verband is onder meer de constatering van de Algemene Rekenkamer
(ARK) ³ relevant dat de volledige uitstroom door werkende alleenstaande
ouders achterblijft doordat zij maximaal 20 uur per week werken en
daarom onvoldoende inkomsten hebben om de bijstand helemaal te verlaten.
Het kabinet is daarom van mening dat alleenstaande ouders met kinderen
ouder dan 5 jaar [5 jaar of ouder, red.] in beginsel moeten worden gestimuleerd om helemaal
uit te stromen.
Onderstaande grafiek laat zien dat de nieuwe
vrijlatingsregeling voor alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar, anders dan de huidige vrijlating, stimuleert tot uitbreiding
van het aantal gewerkte uren en dat het armoedevaleffect (de knik in de
inkomenslijnen) een fractie is van het effect bij de huidige vrijlating.
rblz.|60|

Zoals de leden van de CDA fractie aangeven, kan
deeltijd ook in andere, individuele gevallen bijdragen tot het vinden
van een reguliere baan. De Wwb kent gemeenten daarom de mogelijkheid toe
om eenmaal per kalenderjaar een onbelaste premie van maximaal €|1944,- te
verstrekken in het kader van inschakeling in arbeid. Vanzelfsprekend kan
deze premie ook meerdere jaren achter elkaar worden uitgekeerd indien
het gaat om mensen die, zoals de leden van de PvdA-fractie
suggereren,
vanwege hun specifieke omstandigheden niet volledig kunnen uitstromen.
Deze vormgeving voorkomt tegelijkertijd dat er gewenning optreedt bij de
belanghebbenden, waardoor het activerende effect beter behouden blijft.
Het biedt de gemeenten een optimale mogelijkheid om inhoud te geven aan
de door de leden van de PvdA-fractie genoemde financiële incentive om
bijstandsgerechtigden te laten uitstromen. Bovendien heeft de
activeringspremie onder de Wwb als voordeel dat deze, in tegenstelling
tot de huidige periodieke premies én de vrijlating, belastingvrij kan
worden uitgekeerd. Voor gemeenten heeft dit als voordeel dat dit fiscaal
voordeliger is, waardoor het verstrekken van premies minder zwaar drukt
op het budget. Belanghebbenden hebben van deze premie meer voordeel dan
van de huidige premie doordat dat de premie niet doorwerkt in
inkomensafhankelijke regelingen als de huursubsidie.
Het voorstel van de leden van de PvdA-fractie
om een vrijlating van arbeidsinkomsten toe te staan voor werkende
65-plussers met een onvolledige AOW-uitkering wordt door het kabinet
niet overgenomen. Zoals eerder uiteengezet in de brief d.d. 4 december
2001 van de minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid over analyse en beoordelingskader voorstellen
inkomensvervangende voorzieningen minima, zou een dergelijke vrijlating
niet alleen strijdig zijn met het rblz.|61|
complementaire van de bijstand, maar
ook leiden tot niet te rechtvaardigen verschillen tussen verschillende
groepen uitkeringsgerechtigden.
1. (SOZA-02-658).
2. SCP, De uitkering van
de baan, 2003, Den Haag.
3. (Kamerstukken II 2002-2003, 28
875).
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel geld thans wordt besteed aan de
vrijlating op inkomsten en of de gemeenten dat budget kunnen benutten
voor een premiestelsel. Bij de invoering van de Bijstandswet in 1996
werd gesteld dat het om een bedrag van ƒ150 miljoen gaat, dat later
vanuit de Algemene bijstandswet is toegevoegd aan de Wiw. Inmiddels is
de arbeidsparticipatie hoger. Deze leden vragen of het kabinet bereid is
dat budget aan het werkdeel van de Wwb toe te voegen.
Het
vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten is verwerkt in het
macrobudget voor het inkomensdeel en is dus niet beschikbaar voor
toevoeging aan het werkdeel.
Smartengeld
De
leden van de PvdA-fractie vragen naar de opvattingen van het kabinet
over de vrijlating van ontvangen smartengeld. De leden van de PvdA
achten deze beantwoording van belang vanwege de wetsgeschiedenis en de
rechtspositie van de cliënt. Immers, als gemeenten willekeurig met
rechten omgaan, is dat niet in het belang van de rechtsorde noch in het
belang van de cliënt. Zij vragen of het kabinet het ermee eens is dat
de afwegingen van gemeenten transparant, toetsbaar en toegankelijk voor
de belanghebbende moet zijn.
De leden van de CDA-fractie constateren dat
vrijlating van specifieke regelingen die het karakter hebben van
schadevergoeding of smartengeld ter beoordeling van het college van
B&W worden gelaten, dan wel opgenomen in een ministeriële regeling.
De leden van de CDA-fractie vragen of het niet juister is, gelet op de
gevoeligheid van deze zaken, voor een aantal zeer gevoelige gevallen
reeds nu van rijkswege duidelijkheid te scheppen. De leden van de
fracties van PvdA en CDA vragen in dit verband naar de inhoud van een
eventuele ministeriële regeling inzake materiële en immateriële
schadevergoeding.
Het
kabinet is van oordeel dat het aan de gemeenten is te beoordelen of een
vergoeding voor materiële schade in het individuele geval bij de
bijstandverlening in aanmerking moet worden genomen. Het is daarbij
redelijk om op een verzekeringsuitkering voor schade aan of verlies van
een bestanddeel van het bij de aanvang van de bijstandverlening
aanwezige vermogen het algemeen rechtsbeginsel van zaakvervanging toe te
passen; de verzekeringsuitkering vervangt geheel of gedeeltelijk het
desbetreffende vermogensbestanddeel. Voor zover het vermogen bij de
aanvang van de bijstand lager was dan de vermogensgrens, leidt de
verzekeringsuitkering in principe niet tot in aanmerking te nemen
vermogen. Indien andere bezittingen met de uitkering worden aangeschaft,
is het aan de gemeente te beoordelen of deze zaken algemeen gebruikelijk dan wel noodzakelijk zijn. Wanneer de middelen liquide
blijven dan wel goederen worden aangeschaft die niet als algemeen
gebruikelijk of noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, zal de gemeente
beoordelen of de verzekeringsuitkering plus het bij de aanvang van de
bijstandverlening aanwezige vermogen hoger zijn dan de van toepassing
zijnde vrijlatingsgrens van het vermogen.
Ook ten aanzien van het al dan niet in
aanmerking nemen van een vergoeding voor immateriële schade in het
individuele geval is het kabinet van opvatting dat dit ter beoordeling
is aan de gemeenten. Een bedrag uit hoofde van geleden immateriële
schade, van gederfde levensvreugde of van smartengeld is een
vermogensbestanddeel. Op grond van artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel m,
van het wetsvoorstel wordt een immateriële schadevergoeding niet tot de
middelen gerekend, tenzij dit uit oogpunt rblz.|62|
van bijstandverlening niet
verantwoord is. Deze beoordeling dient dus te worden overgelaten aan de
gemeente. Bij deze beoordeling zal de gemeente de bijzondere bestemming
en de hoogte van de immateriële schadevergoeding betrekken. Ingeval de
vergoeding oneigenlijke elementen bevat, bijvoorbeeld indien deze geheel
of gedeeltelijk een loondervend karakter heeft of exorbitant hoog is,
zal de gemeente in voorkomende gevallen besluiten tot welk bedrag de
vergoeding in aanmerking wordt genomen.
Voor zover de immateriële schadevergoeding door
de gemeente buiten beschouwing wordt gelaten, mag deze ook voor langere
termijn worden benut ter compensatie van de beperking die is opgetreden.
Een eenmaal vrijgelaten immateriële schadevergoeding blijft gedurende
de bijstandverlening buiten aanmerking. Dit geldt ook indien de
bijstandverlening na een onderbreking weer wordt hervat (artikel
34 [34],
eerste lid, onderdeel e). Volgens het kabinet is het in beginsel aan de
belanghebbende om te bepalen welke aanwending aan de vrijgelaten
immateriële schadevergoeding wordt gegeven als invulling van het
hervinden van zijn levensvreugde. Het is echter een bevoegdheid van de
gemeente om te bepalen dat de immateriële schadevergoeding in
aanmerking wordt genomen bij de verlening van bijzondere bijstand (artikel
35 [35], eerste lid).
Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie
of
het kabinet het ermee eens is dat gemeenten daar waar zij een afweging
maken over de immateriële schadevergoeding deze transparant, toetsbaar
en toegankelijk voor de belanghebbende moet zijn, antwoordt het kabinet
bevestigend. De gemeenten zijn daarbij mede gebonden aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet
bestuursrecht.
Het kabinet zal de immateriële en materiële
schadevergoedingen zoals genoemd in artikel 43, tweede
lid,
Abw en in de
Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet
(besluit van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 243) in een ministeriële regeling
opnemen.
De
leden van de PvdA-fractie vragen wat het betekent voor de rechtsgang van
de uitkeringsgerechtigde die in beroep gaat tegen een beslissing van de gemeente
over een verrekening van smartengeld. Deze leden vragen aan
welke criteria de beroepsinstantie zo’n beslissing toetst.
De
beroepsrechter zal een dergelijke beslissing toetsen op rechtmatigheid,
waarbij wordt gekeken of het besluit op goede gronden tot stand is
gekomen. Daarbij wordt beoordeeld of, de wetsgeschiedenis in aanmerking
nemende, een juiste wetstoepassing heeft plaatsgevonden. De
beroepsrechter zal vervolgens de hoogte van het al dan niet in
aanmerking te nemen bedrag van de immateriële schadevergoeding
marginaal toetsen, omdat de doelmatigheid niet door de beroepsrechter
mag worden beoordeeld. Bij deze marginale toetsing komen ook de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur aan de orde.
De beroepsrechter heeft in de regel geen
bevoegdheid een eigenstandig besluit te nemen omtrent de hoogte van het
vrij te laten bedrag. In dat geval vindt terugverwijzing naar de gemeente
plaats die, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van
de beroepsrechter is bepaald, een nieuw besluit dient te nemen.
4.3. Langdurigheidstoeslag
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie zijn voorstander van de voorgestelde
langdurigheidstoeslag, omdat in het algemeen geldt dat de
inkomenspositie moeilijker wordt naarmate mensen langer in de bijstand
zitten. Zij constateren dat één van de voorwaarden om in aanmerking te
komen voor deze toeslag luidt dat een belanghebbende vijf jaar een
bijstandsuitkering heeft. Zij vragen waarom niet is gekozen voor drie
jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar gebleken is dat de
belanghebbende ondanks een rblz.|63|
positieve inzet geen werk kan vinden. Tevens
vragen zij wat de hiermee gemoeide extra kosten zouden zijn.
Een
referteperiode van drie jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar
gebleken is dat de belanghebbende ondanks een positieve inzet geen werk
kan vinden, impliceert dat de betrokkene in omstandigheden verkeert
waarin een positieve inzet kan leiden tot werkaanvaarding. In een
dergelijke situatie is er volgens het kabinet geen sprake van ontbrekend
arbeidsmarktperspectief en kan de langdurigheidstoeslag niet aan de orde
zijn.
Indien gekozen zou worden voor de door deze
leden voorgestelde systematiek, zouden de kosten van de toeslag met 23%
toenemen.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet of een systeem van toeslagen
(c.q. heffingskortingen) ter zijner tijd de langdurigheidstoeslag niet kan
vervangen?
Het
kabinet acht het prematuur om thans aan te geven of het systeem van
toeslagen (c.q. heffingskortingen) te zijner tijd de langdurigheidstoeslag
kan vervangen.
De
leden van de CDA-fractie vragen het volgende. Stel een wasmachine gaat
onherstelbaar kapot. Dat gebeurt bij bijstandsgerechtigde A in jaar 4
van de bijstandverlening en bij bijstandsgerechtigde B in jaar 6.
Zouden deze gevallen, die voor het overige identiek zijn, volgens het
kabinet verschillend behandeld moeten en kunnen worden in het kader van
de individuele bijzondere bijstand vanwege de langdurigheidtoeslag.
Graag een toelichting van het kabinet.
Bij
de afstemming van bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van
duurzame gebruiksartikelen op de langdurigheidstoeslag dient optimaal
rekening te worden gehouden met de individuele omstandigheden en de
mogelijkheden van de persoon. In overeenstemming met de uitgangspunten
van de Wwb wordt deze beoordeling aan de gemeenten gelaten. Dit is
geregeld in artikel 35 [35], eerste lid, Wwb.
De
leden van de fracties van PvdA en SGP vragen een onderbouwing van de
termijn van vijf jaar voor de langdurigheidstoeslag. Zij verzoeken het
kabinet om heroverweging van de termijn. De leden van de PvdA-fractie
verwijzen daarbij naar de termijn van drie jaar die geldt bij de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) en de aflossing van leenbijstand.
De
langdurigheidstoeslag maakt een uitzondering op de toereikendheid van
het sociaal minimum. Die uitzondering is eerst na een langer
tijdsverloop, door het kabinet bepaald op vijf jaar, te rechtvaardigen.
De genoemde termijnen van drie jaar is geen voldoende
rechtvaardigingsgrond. Deze termijn heeft betrekking op regelingen
waarbij de betrokkenen gedurende een aantal jaren een inkomen onder het
sociaal minimum hebben; bij de langdurigheidstoeslag hebben de
betrokkenen een inkomen op het sociaal minimum. Voorts is de termijn van
vijf jaar gebaseerd op de overweging dat na vijf jaar de afstand tot de
arbeidsmarkt aantoonbaar groter is dan na drie jaar. Het kabinet ziet
daarom geen aanleiding de termijn te herzien.
De
leden van de CDA-fractie willen graag een reactie van de kabinet op de
stelling van de Federatie van Ouderverenigingen dat gehandicapten
dikwijls blijvend moeten leven op het minimumniveau en wel werken. Door
dit werken krijgen zij geen langdurigheidstoeslag. Zij vragen het kabinet of het deze
opvatting deelt.
rblz.|64|
De leden van de PvdA-fractie
vragen het kabinet commentaar te geven op een aantal
door deze leden genoemde voorbeelden.
De
voorwaarde voor de langdurigheidstoeslag dat geen inkomen uit arbeid mag
zijn verkregen, hangt samen met het feit dat de langdurigheidstoeslag
uitsluitend bedoeld is voor mensen met een grote afstand tot de
arbeidsmark die dus geen perspectief hebben op werk. Mensen die, al dan
niet in deeltijd, deelnemen op de arbeidsmarkt voldoen niet aan deze
voorwaarde. Zij vallen daarom niet onder het bereik van de regeling.
Naar het oordeel van het kabinet is een langdurigheidstoeslag die
gebaseerd is op iemands perspectieven bij deelname op de arbeidsmarkt
ongewenst en onuitvoerbaar. Heeft iemand in de referteperiode tijdelijk
deelgenomen aan de arbeidsmarkt, dan is sprake van recente werkervaring.
Er is dan geen sprake van een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Toegepast op de door deze leden gegeven
voorbeelden leidt dit tot de volgende uitkomsten.
De verstandelijk gehandicapte met een Wajong-uitkering die
parttime werkt en geen vooruitzichten heeft op
urenuitbreiding heeft geen recht op een langdurigheidstoeslag. Er is
immers sprake van deelname op de arbeidsmarkt en de perspectieven op die
markt kunnen geen rol spelen. Ten overvloede merkt het kabinet op dat
het vraagstuk van niet-vergoede kosten buiten de langdurigheidstoeslag
ligt.
De alleenstaande moeder en de
arbeidsongeschikte die gestopt zijn met werken komen voor de
langdurigheidstoeslag in aanmerking nadat er een periode van vijf jaar
is verstreken na de beëindiging van de werkzaamheden, uiteraard voor zover zij nadien niet weer aan het werk zijn
gegaan. Het kabinet tekent hierbij nadrukkelijk aan dat het wil
voorkomen dat de langdurigheidstoeslag aanleiding geeft om mensen
definitief af te schrijven door hen het stempel op te drukken "geen
arbeidsmarktperspectief". In de gegeven voorbeelden zullen betrokkenen
en de uitvoeringsinstanties samen werken aan de verbetering van de
arbeidsmarktpositie. De recente werkaanvaarding verkleint daarbij de
afstand tot de arbeidsmarkt.
De
leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal vragen over de
langdurigheidstoeslag. Uit de wetstekst en de
toelichting blijkt dat de
toekenning van een dergelijke toeslag tot de beleidsvrijheid van de gemeente
behoort. Deze leden vragen waarom er niet voor is gekozen om
deze toeslag als recht voor de langdurige minima in de wet op te nemen.
Waarom is het gegeven van "vijf jaar ononderbroken op het sociaal
minimum" niet wettelijk verankerd als voldoende voorwaarde om aanspraak
te kunnen maken op de toeslag?
Anders dan deze leden aangeven, behoort de toekenning van de
langdurigheidstoeslag niet tot de beleidsvrijheid van de gemeente. In
artikel 36 [36] Wwb is dwingend bepaald dat het college de toeslag dient toe
te kennen aan degenen die aan de gestelde, geobjectiveerde, voorwaarden
voldoen. Ook de hoogte van de toeslag is in dit artikel dwingend
voorgeschreven.
De
leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het kabinet ervoor heeft
gekozen om de langdurigheidstoeslag enkel op aanvraag te verschaffen.
Dat
de toeslag alleen op aanvraag kan worden verstrekt, is in lijn met de
algemene regel van vaststelling op aanvraag, zoals die is vastgelegd in
artikel 43 [43] Wwb.
De
leden van de D66-fractie vragen of de aan de langdurigheidstoeslag
verbonden voorwaarden niet met elkaar op gespannen voet staan, in die
zin dat het gevaar op schijnsollicitaties toeneemt omdat geen inkomsten rblz.|65|
uit of in verband met arbeid vooruitzicht bieden op een
langdurigheidstoeslag. Voorts vragen zij of de eis van gedurende vijf
jaar geen inkomsten uit arbeid bij nader inzien niet te strikt is.
De beoogde opzet van de langdurigheidstoeslag
vinden de leden van de fractie van de ChristenUnie te mager. Zij pleiten
ervoor de referteperiode te beperken tot drie jaar. Verder zijn zij er
niet van overtuigd dat het wenselijk is personen uit te sluiten die zelf
een inkomen op het minimumniveau verwerken [verwerven, red.]. Zij vragen om een reactie op
de suggestie om onderdeel c van het eerste lid te schrappen omdat het
overbodig is.
Het
kabinet is zich ervan bewust dat van de langdurigheidstoeslag een
negatieve stimulans kan uitgaan op de (bereidheid tot) deelname aan het
arbeidsproces. De termijn van vijf jaar achten wij niet te strikt,
gezien de eerder in deze paragraaf aangegeven ratio van die termijn. Om
de gemeenten maximaal in staat te stellen adequaat te reageren op de
mogelijke gevolgen van de negatieve stimulans, wordt de eis gesteld dat
betrokkene naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht
algemeen aanvaarde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Bij
schijnsollicitaties wordt niet aan deze eis voldaan.
Het kabinet wijst er verder op dat de
armoedeval ook optreedt als werkenden tot de doelgroep van de
langdurigheidstoeslag zouden worden gerekend. De vermindering van de
toeslag bij een inkomensverbetering gaat namelijk ten koste van het
besteedbare meerinkomen. Daardoor kan een negatieve invloed ontstaan op
de arbeidsdeelname, bijvoorbeeld op uitbreiding van het aantal werkuren.
Het kabinet is van oordeel dat het uitsluiten
van werkenden gerechtvaardigd is omdat werkenden voor wat betreft de
mogelijkheden van inkomensverbetering in een andere situatie verkeren
dan de door het kabinet beoogde doelgroep.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet de gevolgen van de
veranderingen van de Algemene bijstandswet naar de Wwb
voor de laagste
inkomens te laten zien en tevens aan te geven wat de effecten zijn van
andere beleidsvoornemens in 2004 en 2005. Anders gesteld: hoe veranderen
de inkomens van de mensen met de laagste inkomens in totaliteit tengevolge van de veranderingen in de sociale zekerheid en hoe wordt er
gecompenseerd. Hoe verhouden deze veranderingen zich ten opzichte van
andere inkomensgroepen?
Het
kabinet verwijst deze leden naar het antwoord in hoofdstuk 2 op de vraag
over inkomenseffectrapportage.
De
leden van de VVD-fractie vragen welke middelen beschikbaar zijn gesteld
voor de langdurigheidstoeslag? Welke P-maal-Q-onderbouwing ligt aan deze
raming ten grondslag? Waar is het bedrag terug te vinden op de
rijksbegroting?
De
kosten van de langdurigheidstoeslag zijn voor 2004 geraamd op €|53,8
miljoen. Voor 2004 is de Q van de langdurigheidtoeslag geraamd op 143
000 huishoudens, de gemiddelde P op €|377,-
per huishouden per jaar. De
middelen lopen via het macrobudget voor de uitkeringen.
4.4. Bijzondere bijstand en
afschaffen categoriaal beleid [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vinden dat er een verschil is tussen individuele toetsing op
basis van algemene beleidslijnen en categoriale bijzondere bijstand. Zij
vragen het kabinet te garanderen dat de individuele bijzondere bijstand
onder invloed van jurisprudentie niet zal overgaan in categoriale bijzondere
bijstand.
rblz.|66|
Het kabinet onderschrijft
de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat er een verschil
is tussen individuele toetsing op basis van algemene beleidslijnen en
categoriale bijzondere bijstand. Het kabinet acht het niet aannemelijk
dat de individuele bijzondere bijstand onder de invloed van de
jurisprudentie zal overgaan in categoriale bijzondere bijstand. Dit
hangt samen met de marginale wijze waarop de beroepsrechter de inhoud
van besluiten in het kader van de bijzondere bijstand toetst. Daardoor
treedt de beroepsrechter niet in de bestuurlijke gemeentelijke
bevoegdheden betreffende de afstemming op de individuele situatie.
Voorts geldt dat vanuit de gehoudenheid van de beroepsrechter aan de wet
er geen besluiten kunnen worden genomen waarbij, zoals bij categoriale
bijzondere bijstand, geen individuele toets plaatsvindt op de
aanwezigheid en de noodzaak van de kosten.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet het verschil tussen
categoriale bijzondere bijstand en individueel bepaalde bijzondere
bijstand aan de hand van enkele voorbeelden te expliciteren. Zij vragen
het kabinet de veronderstelling te beoordelen dat door het niet meer
mogelijk zijn van categoriale bijzondere bijstand de uitvoeringskosten
voor gemeenten toenemen. De leden van de D66-fractie vragen of het maken
van beleidsregels niet zal leiden tot het de facto ontstaan van nieuwe
categorieën voor bijzondere bijstand. De leden van de fractie van de
ChristenUnie vragen of het kabinet bij benadering kan aangeven welke
extra uitvoeringskosten zijn verbonden aan het afschaffen van de
categoriale bijzondere bijstand.
Een
voorbeeld van het verschil tussen categoriale en individuele bijzondere
bijstand is, in aanvulling op wat vermeld is ter zake van chronisch
zieken en kosten van kinderen, de vergoeding voor de aanschaf van
duurzame gebruiksgoederen. Bij categoriale bijzondere bijstand betreffen
de gemeentelijke regels de vergoeding van een vast bedrag en de door de gemeente
aangewezen categorie van personen die voor die vergoeding in
aanmerking komt. Deze personen ontvangen de vergoeding zonder dat wordt
nagegaan of, en zo ja, welke kosten zij daadwerkelijk maken. Wie geen
kosten heeft, krijgt eenzelfde vergoeding als degene die hogere kosten
heeft dan de vergoeding.
Bij individuele bijzondere bijstand kan de
gemeente beleidsregels opstellen betreffende de omstandigheden waaronder
de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen als bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt, bijvoorbeeld een
onvoorziene verhuizing of meerdere vervangingsuitgaven in een kort
tijdsbestek. Ook kan de gemeente normbedragen vaststellen, dat wil
zeggen aangeven tot welk bedrag de kosten maximaal vergoed worden. Een
normbedrag onderscheidt zich van een forfaitair bedrag doordat het
aangeeft tot welk bedrag daadwerkelijk gemaakte kosten maximaal vergoed
worden. Bij een forfaitair bedrag ontbreekt de band tussen de vergoeding
en de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Beleidsregels kunnen er inderdaad toe leiden
dat er bij de individuele bijzondere bijstand categorievorming ontstaat
rond bepaalde kosten. Een voorbeeld hiervan is een categorie die kosten
heeft in verband met chronische ziekte of met schoolgaande kinderen. Bij
de beleidsregels zijn gemeenten echter gehouden aan het kenmerkend
onderscheid tussen individuele en categoriale bijzondere bijstand,
namelijk dat alleen voor daadwerkelijk gemaakte kosten bijzondere
bijstand kan worden verleend en dat niet getreden mag worden in het aan
het Rijk voorbehouden generieke inkomensbeleid. Door beleidsregels op te
stellen, maakt de gemeente een meetlat voor het maatwerk. Toetsing van
de individuele omstandigheden van de aanvrager aan deze meetlat bepaalt
welk bedrag er aan individuele bijzondere
bijstand wordt verstrekt.
rblz.|67|
Als de gemeente de beleidsregels kenbaar maakt, bijvoorbeeld via
een voorlichtingsfolder, dragen de regels niet alleen bij aan een
effectieve en efficiënte uitvoering, maar dragen zij ook bij aan de
rechtszekerheid en aan het terugdringen van niet-gebruik. De burger weet
dan namelijk waar hij aan toe is.
Met betrekking tot de uitvoeringskosten voor de
gemeenten merkt het kabinet het volgende op. Tegenover de
gevolgen die de individuele toets voor de uitvoering kan hebben, staat
dat de uitvoeringskosten voor de categoriale bijzondere bijstand
vervallen en dat de introductie van de langdurigheidstoeslag naar
verwachting de druk op de uitvoering van de individuele bijzondere
bijstand zal doen afnemen. Voorts biedt de Wwb
de gemeenten de
mogelijkheid om op effectieve en efficiënte wijze invulling te geven
aan de uitvoering van de bijzondere bijstand.
De
leden van de CDA-fractie vragen wat de bezuiniging in 2004 van €|150
miljoen op het budget voor de bijzondere bijstand betekent voor het
armoedebeleid van de gemeenten. Kunnen gemeenten naar het oordeel van
het kabinet deze bezuiniging opvangen, doordat ze besparingen kunnen
realiseren op andere onderdelen van de uitgaven tengevolge van de Wwb.
Hoe beoordeelt het kabinet de uitspraak van sommige gemeenten dat door
de bezuiniging van €|150 miljoen op de bijzondere bijstand het
gemeentelijk armoedebeleid zwaar onder druk komt te staan?
De
verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand maakt onderdeel uit
van een reeks van maatregelen die het kabinet heeft genomen ter
bevordering van de arbeidsparticipatie. Bij de verlaging is rekening
gehouden met het sterk gedaalde aantal Abw-ers en de gestegen uitgaven
voor bijzondere bijstand, tot een niveau per Abw-er vergelijkbaar aan
dat van midden jaren negentig.
In beleidsmatig opzicht worden gemeenten in het
Hoofdlijnenakkoord geen beperkingen opgelegd. Uiteraard moeten gemeenten
wel rekening houden met de in de Wwb voorziene afschaffing per 2004 van
categoriale regelingen. Indien een gemeente ervoor kiest haar beleid te
handhaven, zal ze wel alternatieve financiering moeten vinden. Desgewenst
kan zij hiervoor ook een eventueel overschot op het inkomensdeel
aanwenden. Door de invoering van de Wwb en de afschaffing van de
categoriale regelingen worden gemeenten nog sterker dan thans aangezet
zich te richten op reïntegratie als beste middel om armoede te
bestrijden en hun middelen voor armoedebestrijding zo gericht mogelijk
in te zetten voor individueel maatwerk voor de meest kwetsbare groepen,
met vermijding van armoedevaleffecten. Dit spoort met de lijn in het
nieuwe Nationaal actieplan bestrijding armoede en sociale uitsluiting
(in juli 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden). Voorts wordt hiermee de
in het Strategisch Akkoord ingezette lijn bestendigd dat het primaat
voor het generieke inkomensbeleid bij het Rijk ligt.
Schuldhulpverlening
De leden van de
CDA-fractie wensen een gemotiveerde uitleg waaruit, naar het oordeel van het
kabinet, schuldhulpverlening betaald moet worden: uit de bijzondere
bijstand of uit het werk- of inkomensdeel. De leden van de fractie van
GroenLinks vragen of gemeenten schuldhulpverlening dienen te financieren uit
het bijstandsbudget, aangezien schuldhulpverlening een
noodzakelijke voorwaarde kan zijn voor activering.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie informeren in dit kader voorts naar de mogelijkheden van
integrale schuldhulpverlening onder het regime van de nieuwe wet.
rblz.|68|
Integrale
schuldhulpverlening is een taak van de gemeenten. Voor de financiering van de
schuldhulpverlening kan de gemeente gebruik maken van het fictief budget
bijzondere bijstand in de algemene uitkering uit het gemeentefonds of van
eigen gemeentelijke middelen. Financiering uit het werkdeel is mogelijk voor
zover schuldhulpverlening wordt ingezet als voorziening in het kader
van de arbeidsinschakeling. Daarbij geldt dan wel dat het niet mag gaan om
uitvoeringskosten en dat de werkzaamheden conform artikel
7 [7], vierde lid,
Wwb moeten worden uitgevoerd door derden. Financiering uit een
overschot op het inkomensdeel is eveneens mogelijk.
De leden van de
PvdA-fractie willen weten wat de besteding van het budget bijzondere
bijstand was in 2001 en 2002. Hoeveel individuele bijzondere bijstand werd
aan welke kostensoorten besteed? Hoeveel geld werd uitgegeven aan
categoriale bijstand, hoeveel aan woonlasten en ziektekosten, hoeveel aan
ouderen? Hoeveel werd besteed aan niet-bijstandsgerechtigden, kosten van kinderen en
schuldhulpverlening?
De door deze leden
gevraagde gegevens over de besteding van het fictief budget bijzondere
bijstand worden vastgelegd in de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid (MGA). Over
2001 en 2002 zijn momenteel nog geen gegevens beschikbaar. Wel is het
streven om de MGA 2001 vóór de plenaire behandeling van het het
wetsvoorstel Wwb naar de Tweede Kamer te sturen. De MGA 2002 komt in de
loop van 2004 beschikbaar.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of een overzicht kan worden gegeven van wat er in de
afgelopen tien jaar aan middelen aan het gemeentefonds is toegevoegd op titel
van (categoriale) bijzondere bijstand? Kan een overzicht worden verstrekt van de
afgelopen tien jaar, waarin de uitgaven bijzondere bijstand per bijstandsgerechtigde worden gepresenteerd? Kan
aangegeven worden wat
gemiddeld per cliënt de uitvoeringskosten zijn voor de bijzondere
bijstand en de categoriale bijzondere bijstand?
In de onderstaande tabel
staan de middelen die vanaf 1994 tot en met 2003 aan het
gemeentefonds zijn toegevoegd op titel van (categoriale) bijzondere bijstand. Deze
toevoegingen zijn exclusief accres en niet cumulatief. De bedragen voor de jaren
1995 tot en met 1997 hebben betrekking op een vergoeding als
gevolg van overheveling van taken van de bijstand naar de bijzondere
bijstand. De bedragen sinds 1998 zijn voor armoedebestrijding in brede zin.
Bedragen in miljoen euro:
| Jaar |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
| Bedrag |
|
20,4 |
20,4 |
20,4 |
113,4 |
44,9 |
0 |
11,3 |
0,3 |
20
¹ |
1. Deze toevoeging is
eenmalig en betreft de in het najaarsakkoord afgesproken langdurigheidstoeslag
2003.
Over de uitgaven uit het
fictief budget bijzondere bijstand en het aantal ontvangers van algemene
bijstand zijn de volgende gegevens beschikbaar:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
| Uitgaven fictief
budget bijzondere bijstand (x miljoen
euro) |
143,8 |
223,0 |
306,6 |
354,2 |
364,7 |
404,8 |
| Aantal ontvangers
algemene bijstand (x 1000) |
510 |
498 |
451 |
412 |
380 |
352 |
rblz.|69|
Noch over de
uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand, noch over die van de categoriale
bijzondere bijstand zijn gegevens beschikbaar.
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet naar de argumenten om de gemeenten niet meer
toe te staan om een collectieve verzekering af te sluiten.
Zoals hiervoor al is
aangegeven, hanteert het kabinet het uitgangspunt dat, omwille van de
eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle categoriale
regelingen dienen te worden afgeschaft. Voor de overwegingen die ertoe
hebben geleid dat voor de collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen
een uitzondering is gemaakt in de Invoeringswet, verwijzen
wij naar de toelichting bij artikel 10
van
die wet. Daar is onder meer
aangegeven dat het vaak gaat om langer lopende contracten die
bezwaarlijk door de gemeente eenzijdig kunnen worden beëindigd
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de voorwaarden en argumenten waaronder en waarom de
gemeenten zelf hun risico’s effectief en efficiënt kunnen verzekeren.
Wanneer en op welke gronden wil het Rijk de gemeenten dwingen tot
kostbare uitvoeringprocedures, zoals de individuele verstrekking. Zou het in
dat geval niet logisch zijn dat de rijksoverheid de uitvoeringskosten van
individuele bijstand zelf betaalt, zo vragen deze leden.
Het kabinet ziet een
collectieve aanvullende ziektekostenverzekering niet als een verzekering van
een risico van de gemeente. Bij een collectieve aanvullende
ziektekostenverzekering is het de belanghebbende die zich tegen ziektekosten
verzekert en niet de gemeente die zich verzekert tegen de gevolgen van de
- moeilijk als risico aan te duiden - wettelijke verplichting om bijstand te verlenen
voor medische kosten.
De collectieve
aanvullende verzekering mag geen afbreuk doen aan het uitgangspunt dat bij de
verlening van bijzondere bijstand de specifieke omstandigheden en
mogelijkheden in het individuele geval bepalend zijn.¹ De
uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand zijn begrepen in het fictief budget bijzondere
bijstand.
1. Zie Circulaire van de Minister
van SZW van 31 augustus 1999, kenmerk
BZ/UK/99/51103.
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet om een onderbouwing van hun stelling als zou
er bij categoriale bijstand voor chronisch zieken en kinderen sprake zijn
van de armoedeval.
Van een armoedeval is ook
sprake bij categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en
kosten van kinderen die mede wordt verleend aan mensen met inkomsten uit
arbeid. Dat is geen gevolg van de aard van de kosten of het inkomen,
maar van het feit dat de categoriale bijzondere bijstand stopt als een
bepaalde inkomensgrens wordt overschreden. Dat gaat dan ten koste van
het besteedbare meerinkomen boven die inkomensgrens en kan zelfs leiden tot
een lager besteedbaar inkomen dan vóór de overschrijding
van de inkomensgrens. De armoedeval doet zich niet alleen voor bij
werkaanvaarding, maar ook bij urenuitbreiding of loonsverhoging.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of en hoe de gemeenten gecompenseerd worden voor de toename
van de uitvoeringskosten voor de bijzondere bijstand. Zij vragen
tevens naar de raming van de VNG en Divosa over de meerkosten voor
het verstrekken van individuele bijzondere bijstand
De invoering van de
Wwb heeft geen invloed op de vergoeding van de uitvoeringskosten
bijzondere bijstand. Van de VNG en Divosa
is geen rblz.|70|
raming ontvangen over
meerkosten voor het verstrekken van bijzondere bijstand.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of gemeenten individuele cliënten een forfaitair bedrag
mogen geven voor een omschreven doel als bijzondere bijstand, zonder het
overleggen vooraf of achteraf van bonnetjes.
Met de afschaffing van de
categoriale bijzondere bijstand krijgt de individuele bijzondere bijstand weer
het oorspronkelijke maatwerkkarakter terug. Maatwerk vereist
een meetlat. De Wwb biedt de gemeenten ruime mogelijkheden om een
efficiënte en effectieve meetlat te maken, zowel inhoudelijk als
procedureel. Beleidsregels en werkinstructies zijn bij de verlening van bijzondere
bijstand van groot belang, zoals ook is aangegeven in het nader
rapport. De
kwaliteit van beleidsregels en werkinstructies is mede bepalend voor de druk op de uitvoering.
Het is aan de gemeente om
te bepalen hoe wordt vastgesteld en vastgelegd dat de belanghebbende de
kosten daadwerkelijk gemaakt heeft. De gemeente kan bijvoorbeeld
kiezen voor steekproefsgewijze controle, controle boven een
bepaald bedrag en/of controle op basis van risicoprofielen. Ook kan de gemeente
ervoor kiezen om de controle niet afzonderlijk uit te voeren, maar die
te laten samenvallen met een ander contact met de cliënt, bijvoorbeeld bij een heronderzoek.
Verstrekking van
forfaitaire bedragen past niet bij individuele bijzondere bijstand. Dit is namelijk
strijdig met het uitgangspunt dat bij de verlening van bijzondere bijstand
de specifieke omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval
bepalend zijn. Gemeenten kunnen wel, zoals zij nu ook al doen, werken met
normbedragen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid van een woonlastenfonds in stand
blijft.
Woonlastenfondsen waarbij
het huursubsidiebeleid - dat, evenals onder de
Abw, onder de Wwb
als voorliggende voorziening geldt - doorkruist
wordt, c.q. waarbij
forfaitaire vergoedingen worden verstrekt, kunnen onder de Wwb
niet in
stand blijven. Gemeenten houden de bevoegdheid om, al dan niet met toepassing van normbedragen, individuele bijzondere
bijstand te verlenen voor
woonkosten verbonden aan een eigen woning. Ook voor hoge
energielasten in verband met ziekte of handicap is en blijft individuele
bijzondere
bijstand mogelijk.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel iets aan de bevoegdheden van
de gemeenten wijzigt om een eigen minimabeleid te voeren. Deze leden
gaan er overigens van uit dat deze principes die onderdeel vormen van
het grondwettelijk recht van de gemeenten tot het voeren van hun eigen financiële huishouding in stand blijven.
Het gemeentelijk
minimabeleid omvat meerdere regelingen, te weten kwijtschelding van
gemeentelijke belastingen en heffingen, schuldhulpverlening, maatschappelijke
participatie (stadspassen en dergelijke) en categoriale regelingen
die niet onder de bijzondere bijstand vallen. Evenals aan categoriale
regelingen die wél onder de bijzondere bijstand vallen, maakt het
wetsvoorstel een einde aan de categoriale regelingen die níet onder de
bijzondere bijstand vallen. Zoals in de memorie van toelichting is
aangegeven, is er op dit punt geen ruimte voor eigen gemeentelijk beleid.
Het voorliggende
wetsvoorstel brengt geen verandering voor de kwijtschelding van gemeentelijke
belastingen en heffingen, de schuldhulpverlening en de voorzieningen voor
maatschappelijke participatie. Voor de voorzieningen
voor maatschappelijke participatie, zoals stadspassen, geldt dat die, evenals in
de bestaande situatie, uitsluitend betrekking rblz.|71|
mogen hebben op
sociaal-culturele en sportieve activiteiten. Het kan dus niet zo zijn dat
onder de noemer "voorziening voor maatschappelijke participatie"
andersoortige verstrekkingen worden gedaan die liggen op het vlak van de
afgeschafte categoriale regelingen en waaraan de bezwaren kleven die voor
het kabinet aanleiding zijn om de categoriale regelingen af te
schaffen.
Als gevolg van het
schrappen van het gebruikersdeel van de OZB zal de kwijtschelding van deze
OZB vrijvallen binnen het gemeentelijk budget voor het minimabeleid.
Hoe groot is dat landelijk gezien, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
In 2000 was met de
kwijtschelding van OZB-gebruikers een bedrag gemoeid van €|38 miljoen.¹ Bij afschaffing
van de OZB vindt compensatie via het gemeentefonds
plaats. In de berekening hiervoor zal dit bedrag worden meegenomen.
1. Bron: MGA 1999-2001. Het streven is de
MGA 2001 vóór de plenaire
behandeling van de Wwb naar de Tweede
Kamer te sturen.
De leden van de
PvdA
vragen hoe het kabinet het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (NAP) verder wil uitvoeren en doelstellingen wil
halen nu gemeenten geen middelen meer hebben om armoedebestrijding,
schuldhulpverlening en budgetbeheer te financieren.
Het NAP 2003, zoals dit
begin juli jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden, geeft overheidsbreed
streefdoelen en beleidsmaatregelen voor komende jaren weer, waarbij wordt
ingegaan op de terugdringing van zowel financiële als niet-financiële
risico’s op armoede. Deze streefdoelen worden onder de
verantwoordelijkheid van diverse departementen uitgevoerd en gefinancierd. De
gemeenten kunnen, zoals eerder in deze paragraaf is aangeven op vragen van de
fracties van CDA en ChristenUnie, hiervoor zo nodig zowel het werkdeel
als het inkomensdeel inzetten.
De leden van de
PvdA-fractie vragen hoe de gemeenten de nieuwe risico’s voor de bijstand, de
afbraak van de bijzondere bijstand en de indirecte afbraak van het
gemeentelijke armoedebestrijdingbeleid moeten financieren. Hoe betrouwbaar is de
rijksoverheid in de ogen van mensen als de bijzondere bijstand in
één keer met 45% bijna wordt gehalveerd, zo vragen deze leden.
Het kabinet onderschrijft
het standpunt van de leden van de PvdA-fractie
dat de omzetting van
beleid niet van de ene op de andere dag kan gebeuren. Het tijdstip
(junicirculaire 2003 Gemeentefonds) waarop de gemeenten van de
verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand kennis hebben kunnen
nemen, stelt hen in staat om het beleid tijdig bij te stellen en die
bijstelling aan de burgers kenbaar te maken. Het kabinet merkt hierbij verder op
dat verstrekkingen in het kader van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid
veelal een incidenteel karakter hebben en dus voor gemeenten
meestal geen langer lopende verplichtingen met zich meebrengen.
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen het kabinet waarom gemeenten niet zelf mogen
afwegen of zij aan individuen dan wel aan groepen van individuen
bijzondere bijstand verstrekken. Verder verwachten deze leden
extra bureaucratische lasten. Ten slotte begrijpen de leden het argument van
de rechtsongelijkheid niet. Om genoemde drie redenen, waarmee wordt
aangesloten bij kritiek van onder meer Divosa, vragen de leden van de
fractie van GroenLinks een beter beargumenteerde onderbouwing van dit
wetsartikel.
rblz.|72|
De stelling van de leden
van de fractie
van GroenLinks dat de afschaffing van de categoriale
regelingen ingaat tegen de decentralisatiegedachte van de Wwb doet niet af aan
de overwegende bezwaren die aan deze regelingen zijn verbonden en die de
aanleiding zijn voor de afschaffing. Categoriale regelingen
leiden niet alleen tot rechtsongelijkheid tussen gemeenten onderling, maar
ook tot rechtsongelijkheid binnen een gemeente. Categoriale
regelingen gaan a priori uit van gelijkheid tussen mensen die tot een
bepaalde categorie behoren en gaan voorbij aan de individuele situatie. Dat
leidt ertoe dat mensen die in ongelijke situaties verkeren gelijk worden
behandeld. Zo krijgen mensen die geen kosten hebben eenzelfde
verstrekking als mensen die hogere kosten hebben dan de verstrekking. Wij
merken dit evenzeer aan als rechtsongelijkheid als wanneer mensen die in een
gelijke situatie verkeren ongelijk worden behandeld.
Voor het antwoord op de
vraag over bureaucratische lasten verwijst het kabinet deze leden naar
het tweede antwoord van deze paragraaf.
4.5. Budgetbeheer en
bijstand in natura [MvT;
V]
Bijstand in natura
De leden van de
PvdA-fractie vragen wie bepaalt of iemand aantoonbaar niet in staat is om zelf te
voorzien in de essentiële algemene levensbehoeften en of zo iemand tegen zo’n
beslissing in beroep kan gaan. Zij vragen tevens hoe artikel 46
[46] zich
verhoudt tot de bepaling over bijstand in natura. Deze leden vragen of het
kabinet de mening deelt dat als regel het verstrekken van bijstand in natura
een taak is van mensen uit het zorgcircuit en niet van de ambtenaar van de
sociale dienst. Tevens vragen zij wat de huidige omvang is van de groep
dak- en thuislozen in de bijstand en welk percentage van de dak- en thuislozen
in de bijstand naar verwachting een bijstandsuitkering in
natura zal verkrijgen?
Het kabinet is van mening
dat primair gemeenten beoordelen of er gegronde redenen zijn om
aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot
een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Bijstand in natura is een
vorm van bijstandverstrekking waarbij de uitkering geheel of
gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar rechtstreeks in de vorm van goederen
en/of diensten wordt verstrekt. Bijstand in natura doet niets af
aan de hoogte van de bijstand waar de belanghebbende recht op heeft. Bijstand
in natura blijft daarmee bijstandverlening, waarvan het primaat bij
de gemeenten ligt. Dit laat onverlet dat gemeenten over de
uitwerking en de nadere vormgeving van bijstand in natura afspraken kunnen
maken met diverse (zorg)instanties.
De belanghebbende kan,
indien hij het er niet mee eens is dat zijn uitkering geheel of ten dele in
natura wordt verstrekt, via de reguliere weg bezwaar en beroep
aantekenen tegen het besluit van de gemeente. Hiermee is een
onafhankelijke toets op de rechtmatigheid van de naturaverstrekking gewaarborgd.
In het wetsvoorstel is
aangegeven dat de gemeente bijstand in natura kan verstrekken indien en
zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende
zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn
bestaansmiddelen. Indien deze gronden niet aanwezig zijn, kan de bijstand
niet in natura worden verstrekt. Het inhouden dan wel reserveren van een deel
van het inkomen voor niet-noodzakelijke uitgaven of niet-directe
levensbehoeften is dan slechts toegestaan met een machtiging van de belanghebbende.
In artikel 46
[46], vierde en
vijfde lid, staat aangegeven dat een machtiging tot het in ontvangst nemen
van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, steeds
herroepelijk is en dat elk hiermee strijdig beding nietig is. In het
wetsvoorstel wordt aan gemeenten de uitdrukkelijke rblz.|73|
bevoegdheid gegeven
om in voorkomende gevallen bijstand in natura te verstrekken.
Voor deze verstrekking behoeft de gemeente geen machtiging van de
belanghebbende te vragen. Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is derhalve niet van
toepassing op bijstand in natura.
Uit CBS-cijfers blijkt
dat ultimo 2001 2680 personen zonder vaste woon- of verblijfplaats een
bijstandsuitkering ontvingen. In deze groep vallen ook personen die beroepshalve
geen vaste woon- of verblijfplaats hebben, zoals binnenschippers en
kermisexploitanten die in een woonwagen wonen. Het aantal daken
thuislozen met een bijstandsuitkering wordt geschat op 2500. Het
aantal dak- en thuislozen dat naar verwachting een bijstandsuitkering in
natura zal verkrijgen, is niet bekend. Omdat bijstand in natura voor gemeenten een
nieuw instrument is, zal de praktijk moeten uitwijzen hoe vaak en bij
wie gemeenten dit instrument zullen gaan toepassen.
Budgetbeheer
De leden van de
PvdA
vragen of de gemeenten verplicht zijn om budgettering te leveren aan een
cliënt die daarom vraagt en aantoonbaar kan laten zien dat hulp in het
budgetteren nodig is. Deze leden vragen wanneer en op welke gronden de
gemeente budgettering kan weigeren. De leden van de CDA-fractie vragen
of bij schuldsanering de niet met een cliënt gemaakte afspraken door
hem eenzijdig kunnen worden opgezegd.
Budgetbeheer
- het uit
naam van de belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de
toegekende bijstand - is primair gericht op het voorkomen van
betalingsachterstanden dan wel het verder oplopen daarvan en is daarmee
onderdeel van het minnelijke traject schuldhulpverlening. De minnelijke
schuldhulpverlening kent geen centrale wettelijke kaders. De rol
die de rijksoverheid bij de minnelijke schuldhulpverlening speelt, is daar waar nodig
gericht op facilitering, subsidiering en stimulering van de
gemeentelijke uitvoering en niet op regulering daarvan. Het kabinet is
van mening dat een plicht voor gemeenten om budgetbeheer te leveren
niet past binnen deze kaders. De gemeente bepaalt dus in welke
gevallen tot budgetbeheer wordt overgegaan. Tegen het besluit ter zake
bestaat voor de cliënt de reguliere mogelijkheid van bezwaar en beroep.
De leden van de
PvdA-fractie vragen hoe artikel 46
[46],
vierde en vijfde lid, zich verhoudt tot de keuze van de
gemeente om tot budgettering over te gaan en of die keuze herroepbaar is.
Deze leden vragen wat de extra kosten van budgettering zijn, waaruit deze kosten
worden betaald en hoeveel gemeenten de budgettering uitvoeren
dan wel overlaten aan bijvoorbeeld de stadsbank.
De specifieke
uitvoeringskosten waar deze leden naar vragen, zijn niet bekend. Gemeenten dienen
de met budgetbeheer gemoeide uitvoeringskosten, net als de overige
uitvoeringskosten van de Wwb, te betalen uit de vrij besteedbare
middelen van het gemeentefonds. Er worden geen extra middelen toegevoegd
aan het gemeentefonds. Het is evenmin bekend hoeveel gemeenten
het budgetbeheer overlaten aan de stadsbank.
Budgetbeheer is, in
tegenstelling tot bijstand in natura, geen vorm van bijstandverlening.
Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is dus niet aan de orde bij budgetbeheer.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe zij het mogelijk achten dat, door een
dergelijke paternalistische maatregel, voor mensen de stap van
uitkeringsafhankelijkheid naar economische en maatschappelijke zelfstandigheid
eenvoudiger kan worden. Daarnaast vragen zij de kabinet te reageren op argumenten van bijvoorbeeld de directeur van
rblz.|74|
Bouwman Verslavingszorg,
namelijk dat verslaafden zich volledig zullen afkeren van de lokale
overheid, onzichtbaar worden voor het lokaal gezag en, mogelijk, hun heil
zullen zoeken in de criminaliteit.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie verzoeken het kabinet te reageren op de door
sommigen geuite zorg dat dak- en thuislozen op een illegale manier zullen
trachten aan geld te komen als hun uitkering geheel in natura wordt
uitgekeerd.
Naar de mening van het
kabinet krijgen gemeenten met deze regeling een instrument om voor
bepaalde kwetsbare groepen meer maatwerk te kunnen leveren.
Uitgangspunt daarbij is dat geen enkele uitkeringsgerechtigde als afgeschreven en
onbemiddelbaar wordt beschouwd. Vanuit dit uitgangspunt hebben gemeenten de (zorg)plicht om kwetsbare groepen
op weg te helpen naar
reïntegratie. Bijstand in natura voorziet in een vangnet voor de eerste
primaire noodzakelijke bestaanskosten, waardoor (verder) afglijden in de maatschappij kan worden voorkomen. Met individueel
maatwerk kan ervoor
worden gezorgd dat met inzet van de uitkering een slaapplaats en
voedsel kan worden geboden. Dit draagt naar de mening van het kabinet
bij aan een snellere reïntegratie. Goede samenwerking tussen gemeenten en
hulpverleningsinstanties zal moeten voorkomen dat mensen crimineel
gedrag gaan vertonen of op een illegale manier aan geld proberen
te komen.
De leden van de
fractie van GroenLinks vragen of, als het om de hulp aan verslaafden gaat, hoe de
verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport wordt geoperationaliseerd als het gaat om de maatschappelijke
opvang en de hulp aan verslaafden die willen afkicken.
Het kabinet verwijst naar
het rapport van de werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Maatschappelijke Opvang dat door het
kabinet vóór 1 oktober
2003 met de kabinetsreactie hierop aan de Tweede Kamer wordt toegezonden.
4.6. Armoedeval
[MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
vragen of het juist is dat de mensen die categoriale bijstand
krijgen in het wetsvoorstel nog steeds individuele bijzondere bijstand
kunnen aanvragen in bijzondere omstandigheden.
Deze mogelijkheid bestaat
omdat de categoriale bijzondere bijstand betrekking kan hebben op
een andere kostencategorie dan de kosten waarvoor individuele
bijzondere bijstand wordt gevraagd.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of een gekwantificeerd overzicht kan worden gegeven van de
voorgestelde maatregelen en de uitwerking op de armoedeval waarbij
onderscheid wordt gemaakt naar alleenstaande moeders met kinderen
onder de 5 jaar, chronisch zieken en gehandicapten en arbeidsongeschikten.
Deze leden vragen naar het aantal huishoudens dat naar de opvatting van
de kabinet in aanmerking komt voor de lang-laaguitkering en naar het aantal mensen
met een WAO-, Wajong-,
Anw-uitkering respectievelijk een
bijstandsuitkering?
Het effect van de
voorgestelde maatregelen op de armoedeval wordt in belangrijke mate bepaald
door het gevoerde gemeentelijk beleid en het huishoudtype waartoe de
betrokkene behoort. Het gebruik van de categoriale regelingen kent namelijk
een grote spreiding en de omvang van de verstrekkingen hangt
sterk af van de invulling die gemeenten hieraan hebben gegeven. Ook
speelt een rol in welke mate de gemeente de categoriale regelingen openstelde
voor werkenden en of zij deze doelgroep rblz.|75|
heeft kunnen bereiken. Gemiddeld lag de omvang van het jaarlijkse
bedrag aan categoriale
regelingen per huishouden op €|130,-. Over het algemeen hebben werkenden
in mindere mate van de categoriale regelingen geprofiteerd; uit onderzoek is gebleken dat zij veelal niet door de
gemeente werden bereikt.
Alleenstaanden met een baan op het niveau van het minimumloon
ontvingen, gegeven hun netto-inkomen in vergelijking met het inkomen uit
een
uitkering, veelal geen categoriale aanvulling. Voor deze groep neemt de
armoedeval dus met gemiddeld €|130,- af.
Voor alleenstaande ouders
kan het effect op de armoedeval kleiner zijn, omdat zij ook als ze
werken in aanmerking konden komen voor categoriale tegemoetkomingen en
mogelijk wel door de gemeenten bereikt zijn. Bezien over de hele linie
zal het afschaffen van categoriale regelingen voor personen jonger dan
65 jaar een positief effect hebben op de armoedeval, dat echter
niet eenduidig te kwantificeren is.
Voor alleenstaande ouders
speelt daarnaast het vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten.
Voor alleenstaande ouders met inkomsten uit arbeid naast de
bijstandsuitkering leidde deze vrijstelling tot een inkomen boven de norm. Dit
belemmerde de mogelijkheid tot volledige uitstroom. De nieuwe systematiek
waarbij wel een aantal fiscale heffingskortingen worden vrijgelaten leidt
tot een aanzienlijke vermindering van de armoedeval. Zie de grafiek in paragraaf 4.2 van deze nota. Daarnaast kan de armoedeval verkleind
worden als gemeenten premies verstrekken. Het uiteindelijke
gekwantificeerde effect op de armoedeval is hiermee afhankelijk van de mate waarin de
gemeente daadwerkelijk ook aan werkende alleenstaande ouders categoriale bijstand verstrekten, van de mate waarin
naast de
bijstandsuitkering ook inkomen uit arbeid wordt ontvangen en van de wijze waarop
gemeenten de mogelijkheden voor premieverstrekkingen benutten.
Voor chronisch zieken en
gehandicapten is van belang dat de langdurigheidstoeslag voor langdurige sociale
minima zonder arbeidsperspectief een extra tegemoetkoming
biedt. De armoedeval zou toenemen indien deze toeslag ook terecht
zou komen bij mensen voor wie inkomen uit arbeid een alternatief
zou zijn.
Het totaal aantal
huishoudens dat in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag is geraamd op 143 000
huishoudens. Daarvan zijn er 20 000 WAO-gerechtigden, 11 500
Wajong-gerechtigden, 1600 Anw-gerechtigden en 106
000 bijstandsgerechtigden.
De leden van de
fractie
van GroenLinks constateren dat de kabinet de armoedeval wil oplossen
door de armoede te vergroten. De leden stemmen in met het
beginsel dat "werk moet lonen", maar zien betere oplossingen om de stap
van uitkering naar werk, ook in financieel opzicht, aantrekkelijker te maken.
Zo vragen zij de kabinet te beoordelen of invoering van een negatieve
inkomstenbelasting (earned income tax credit) en de fiscalisering van
inkomensafhankelijke regelingen, als de kinderbijslag en de
huursubsidie, niet
een groter effect hebben als incentive om betaald werk te accepteren.
Het kabinet deelt niet de
opvatting van deze leden dat het de armoede vergroot om daarmee de
armoedeval op te lossen. De maatregelen in de Wwb
om de armoedeval
tegen te gaan, staan niet op zichzelf. Zij maken onderdeel uit van de
verdere aanpak van de armoedeval, die het inkomensbeleid van het
kabinet kenmerkt. Een aantal van de door de leden van deze fractie
genoemde maatregelen maakt onderdeel uit van die aanpak. Zo wordt de
huidige kinderkorting meer glijdend inkomensafhankelijk gemaakt en zal een aan de
belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstantie inkomensafhankelijke
regelingen gaan uitvoeren.
rblz.|76|
5. Financiering
[MvT;
V]
5.1.
Financieringssystematiek [MvT;
V]
Algemeen
De leden van de
fracties
van PvdA en GL vragen het kabinet om uiterlijk medio augustus het
concept-Besluit financieringssystematiek Wwb
voor te leggen.
De inhoud van het
concept-besluit is meegezonden met deze nota.
Vaststelling macrobudget
De leden van de
PvdA-fractie hebben aarzelingen bij de wijze waarop het macrobudget wordt
vastgesteld en de waarborgen die conjuncturele invloed zouden beperken.
Ze refereren hierbij aan de premisse van het kabinet dat er een
onderscheid te maken is tussen conjuncturele en beleidsmatige toename van
het bijstandsvolume en de reïntegratieactiviteiten van gemeenten. De leden
van de PvdA-fractie vragen naar het openbaar maken van het SEOR-rapport.
Bij de raming van het
macrobudget wordt rekening gehouden met niet door gemeenten te
beïnvloeden factoren zoals conjunctuur en wijzigingen in het rijksbeleid. Door
in september van het uitvoeringsjaar aan de hand van een actuele raming
het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar beneden aan te passen,
wordt geborgd dat het macrobudget in de pas loopt met de economische
conjunctuur. Het kabinet is van mening dat de gehanteerde methodiek
voldoende waarborgt dat de macrobudgetten van de opeenvolgende uitvoeringsjaren meelopen met de economische
conjunctuur. In paragraaf
5.1.1 wordt nader ingegaan op de wijze waarop de gemeentelijke
budgetten worden vastgesteld.
De Kamer is bij de
indiening van het wetsontwerp Wwb het rapport toegezonden
"Stabiliteit
en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000"
(februari 2003, APE). Vermoedelijk wordt door de leden van de PvdA-fractie
gerefereerd aan het onderzoeksrapport van hetzelfde
onderzoeksbureau dat het resultaat weergeeft van de vervolgopdracht dat aan dit bureau is
verstrekt teneinde te komen tot technische verbeteringen van het
objectief verdeelmodel van februari 2003. Dit rapport is tegelijkertijd
met deze nota meegezonden naar de Tweede Kamer.
Balans bevoegdheden en
financiële verantwoordelijkheden
De leden van de
PvdA-fractie nodigen het kabinet uit de vormgeving van de
financieringssystematiek opnieuw te bezien gezien de twijfels die deze leden hebben over het
evenwicht tussen de mate van beïnvloeding van het bijstandsvolume en de
zwaarte van de incentives voor de gemeenten. Deze leden vragen zich af
of het eigen risico van de gemeente in verhouding staat tot het draagvlak
van de gemeente binnen de eigen begroting. Ook de leden van de
D66-fractie vragen zich af in hoeverre de balans is gevonden tussen gemeentelijke bevoegdheden en financiële verantwoordelijkheid.
Door de vergaande
decentralisatie binnen de Wwb krijgen gemeenten de volledige
verantwoordelijkheid, de ruimte en de middelen voor het voeren van een actief beleid om
bijstandsgerechtigden zo kort mogelijk in de uitkering te laten
zitten. Bij een vergaande verantwoordelijkheid voor het beleid past ook een eigen
budget en daarmee een vergaande financiële verantwoordelijkheid.
Hiermee ervaren gemeenten de gevolgen van hun rblz.|77|
beleid en wordt actief
beleid beloond. De beleidsvrijheid en bijhorende financiële
verantwoordelijkheden zijn daarmee aan elkaar verbonden. Met deze budgettering wordt
vergaande deregulering mogelijk gemaakt ten aanzien van bijvoorbeeld
de mate van toezicht en de uitvoeringsvoorschriften als de Rau
1996.
Naar de opvatting van het
kabinet worden de gemeenten in staat gesteld om de financiële verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk te dragen. Zo
wordt het macrobudget op
een deugdelijke wijze geraamd en heeft het kabinet vertrouwen in het
geheel van de gehanteerde verdeelsystematiek. Dit geheel bestaat uit de
verbeterde versie van het objectief verdeelmodel in combinatie met een
gefaseerde invoering, een inperking vooraf van de herverdeeleffecten binnen
een bandbreedte van 15% (zowel positief als negatief) en het vangnet
van de hardheidsclausule achteraf. De inperking vooraf van de
herverdeeleffecten betekent dat voor een gemeente het verschil tussen het
historische kostenaandeel en het budgetaandeel als uitkomst van het
objectief verdeelmodel niet méér mag bedragen dan 15% van het objectieve
budgetaandeel.
Bij de beantwoording in
paragraaf 5.1.3 van de vraag naar de reactie van het kabinet op de
aanbevelingen uit het Nyfer-rapport wordt nader ingegaan op het eigen risico in
relatie tot het draagvlak binnen de gemeente.
Vergelijking andere
landen
De leden van de
VVD-fractie vragen of er ook andere landen in Europa zijn die gebruik maken van een
dergelijke manier van budgettering van hun sociale vangnet, en zo ja,
wat hun ervaringen daarbij zijn.
Binnen de landen van de
Europese Unie zijn grote verschillen waarneembaar in de
budgetteringssystematiek van het sociale vangnet.
De
uitvoeringsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland krijgen
per jaar een budget
toegewezen, maar moeten in ruil daarvoor aan een aantal beleidsdoelen ("targets") voldoen. Indien budgetten ontoereikend blijken te zijn, worden
aanvullende middelen verstrekt door de overheid. De
Scandinavische landen,
Duitsland en Oostenrijk budgetteren niet, maar hebben de
verantwoordelijkheid voor bijstands- en activeringsuitkeringen overgedragen aan de
gemeenten. De gemeenten hebben de bevoegdheid om zelf de hoogte van de
daartoe benodigde belasting vast te stellen en zijn ook verantwoordelijk
voor het bijstandsbeleid. Het activeringsgedeelte wordt soms via
rijkssubsidieprogramma’s (Scandinavië), soms via de arbeidsbureaus (Duitsland
en Oostenrijk) ondersteund. In zekere zin is sprake van concurrentie
tussen gemeenten om de belastingdruk laag te houden en daarmee is er
een stimulans om de uitkeringslasten te beheersen.
In de overige EU-landen
wordt niet met stimuli in de financieringsstructuur inkomensdeel gewerkt. Wel
moeten gemeenten in veel landen voor een (relatief klein)
deel bijdragen in de kosten van de reïntegratie om de efficiënte uitvoering
te garanderen.
5.1.1. Macrobudget
[MvT;
V]
Raming en vaststelling
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld en de
waarborgen die de conjuncturele invloed zouden beperken. Zij
stellen dat het kabinet heeft aangegeven dat gemeenten worden
gecompenseerd voor zowel het conjunctuurrisico als de
rijksbeleidsmaatregelen en vragen hoe dit zit.
De leden van de
PvdA-fractie willen een scherper beeld krijgen van de stijging van de lasten
die voortkomt uit de groei van het bijstandsvolume de komende jaren. Daarom
vragen deze leden om nadere ramingen van rblz.|78|
het volume-effect van het
voorgenomen rijksbeleid en de effecten van de conjunctuur. Deze leden
vragen aan het kabinet een prognose met doorrekening van het CPB
[Centraal Planbureau, red.] voor wat
betreft het volume in de komende acht jaar, de Abw-instroom, de
beperking van de uitstroommogelijkheden op grond van bovengenoemd beleid
en conjunctuur en de toename van de Ioaw en de
Ioaz. Zij ontvangen
deze prognose uiterlijk graag vóór 15 augustus a.s.
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de meerjarenprognose over de groei van het
bijstandsbudget. Tevens vragen zij een meerjaren CPB-berekening tot en met
2007 waarin zijn opgenomen de conjuncturele effecten op de bijstand
op basis van de groei van de werkloosheid en de voorziene groei vanwege rijksmaatregelen.
De leden van de fractie
van GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de raming van het
budget voor het inkomensdeel. Ook vragen de leden van de GroenLinks
fractie in hoeverre hier rekening is gehouden met de voornemens in het
Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot de WW en de
WAO en wat de extra
toestroom in de bijstand is als gevolg van de strengere normen voor
toekenning van een WW- of WAO-uitkering. Deze leden vragen een reactie
op hun stelling dat de rekening van macro-economische omstandigheden die
slechter zijn dan voorspeld bij de gemeenten wordt
neergelegd.
De leden van D66 vragen
zich af of de macrobudgetten zullen worden verhoogd wanneer de
werkloosheid blijft stijgen als gevolg van de dalende conjunctuur. Deze
leden vragen voorts of de omvang van het macrobudget toereikend
zal zijn om 100% van de bijstandslasten af te dekken.
Gelet op
artikel 69 [69],
tweede lid, Wwb heeft het kabinet de plicht bij de raming van het
macrobudget de conjuncturele ontwikkeling en de effecten van beleidsmaatregelen te
verwerken.
Voor de komende jaren
worden opwaartse bijstandsvolumes geraamd tengevolge van
maatregelen in het Hoofdlijnenakkoord. Tengevolge van de WW-maatregelen is een
weglek naar de bijstand geraamd van €|300
mln in 2007. Door
maatregelen in de WAO is €|50
mln extra bijstandsuitgaven
geraamd en door het
afschaffen van de WAZ €|75
mln in 2007. Het gevolg van de huidige
laagconjunctuur is dat de werkloze beroepsbevolking (WBB) toeneemt. Daar de
ontwikkeling van de WBB de indicator is op basis waarvan het
bijstandsvolume wordt geraamd, zal een hogere WBB leiden tot meer
bijstandsgerechtigden. Hiervoor wordt het beschikbare bijstandsbudget
aangepast.
De ontwikkeling van het
bijstandsvolume wordt op landelijk niveau geraamd, niet voor regio’s.
Via de verdeelsystematiek worden op basis van objectieve factoren - waaronder sociale infrastructuur
- de gemeentelijke bijstandsbudgetten
afgestemd op regionale ontwikkelingen.
Het informatieverzoek van
de leden van de PvdA-fractie
is voorgelegd aan het CPB. Het CPB kan niet
voorzien in ramingen met een termijn van acht jaar en op het niveau van
instroom en uitstroom. Het kabinet acht een dergelijke exercitie ook
niet zinvol, gezien de onzekerheid die gepaard gaat met prognoses over
een dergelijk lange periode.
Het kabinet meent dat het
risico zeer beperkt is dat de gemeenten lopen van een in september
niet-voorziene toename van het bijstandsvolume welke het gevolg is van
conjunctuur en van gewijzigd rijksbeleid. Het vertrekpunt is het
geraamde macrobudget. Bij de raming van het macrobudget wordt nauwkeurig de
volume- en prijscomponent alsmede het effect van rijksbeleid
geraamd. Dit macrobudget wordt in september van het lopend
uitvoeringsjaar aangepast. Het op deze wijze geraamde macrobudget wordt vervolgens verdeeld
over alle gemeenten op basis van de daartoe vastgestelde
verdeelsystematiek. Het resultaat is dat elke gemeente een uitkering
ontvangt waarin het effect van de conjunctuur en het gewijzigd rijksbeleid
zitten, verwerkt.
rblz.|79|
De leden van de PvdA-fractie
vragen of de eerste 10% van de conjuncturele risico’s niet bij de gemeente
liggen.
Wanneer het CPB in de
loop van het jaar zijn raming van de werkloze beroepsbevolking naar
boven of naar beneden bijstelt, leidt dat tot een evenredige bijstelling
van het bijstandsbudget bij de definitieve vaststelling van het budget in
september van het lopende jaar. Het conjuncturele risico in verband met de
omvang van het macrobudget ligt daarom bij het Rijk.
Voor gemeenten bestaat
een budgettair risico wanneer de uitvoering van de Wwb tot hogere
uitgaven leidt dan het gemeentelijk budget. Dit risico is echter niet
conjunctureel van aard.
Rol CPB en CBS
De leden van de
CDA-fractie vragen zich af of de wijze van vaststelling van het macrobudget door het
Rijk zodanig is getoetst dat met een grote mate van zekerheid gesteld kan
worden dat het macrobudget de werkelijkheid van het benodigde budget
voor het inkomensdeel sterk benadert. Blijkt dit uit berekeningen die uitgevoerd zijn voor de jaren 1998
tot en met 2002?
De leden van de PvdA-fractie
vragen hoe betrouwbaar de CBS-ramingen en hoe betrouwbaar de
ramingen van het CPB zijn als het gaat om te verwachten stijging van
de Abw op grond van conjunctuur en rijksbeleid. Deze leden vragen het
kabinet een overzicht te geven van de bijstandsvolumeramingen van 1999, 2000,
2001, 2002 en het eerste kwartaal van 2003 en een
geactualiseerde prognose per 1 april 2003 via het CPB over de instroom van de
bijstand op grond van de toename WW en de beperking toegang
WAO. De leden van
de PvdA-fractie merken voorts op dat de voorjaarsnota laat zien
dat er een substantiële bijstelling van de Abw plaatsvindt. Zij vragen
of die bijstelling per 1 september a.s. opnieuw plaatsvindt en welk
risico de gemeenten lopen als het CPB er naast zit. Vindt achteraf geen
enkele correctie plaats?
Deze leden vragen waarom
het tijdstip van de vaststelling van de raming is gekozen in september.
Zij vragen het kabinet precies aan te geven wat de bijstelling naar
beneden in de voorjaarsnota heeft veroorzaakt en welke gegevens het CPB heeft
over de wijze waarop de Abw-cijfers de WW-stijging wat later
volgen.
De leden van de PvdA
vragen verder welke gegevens door de gemeenten moeten worden verstrekt
om een goede prognose van het CBS mogelijk te maken en welke
detaillering daarvoor noodzakelijk is.
Onder de
Wwb zal het
macrobudget voor de bijstandslasten in september van het lopende jaar
worden aangepast aan de actuele raming van de conjuncturele
ontwikkeling in dat jaar. Als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het
macrobudget wordt gebruik gemaakt van de (geraamde) omvang van de
werkloze beroepsbevolking in een uitvoeringsjaar. Het CPB
acht deze raming in september van het uitvoeringsjaar voldoende
nauwkeurig om als grondslag te kunnen dienen voor de definitieve
vaststelling van het macrobudget. Gezien de behoedzaamheid die het CPB in zijn
ramingen betracht, is de kans op een te lage vaststelling van het
definitieve macrobudget gering.
Bij voorjaarsnota is de
raming van het volume Abw (thuiswonend jonger dan 65 jaar) ten opzichte
van de stand ontwerp-begroting 2003 per saldo met ca. 20 000 uitkeringen naar beneden bijgesteld tot een volume van ruim 346
000 uitkeringen. Deze bijstelling was eenmalig en werd veroorzaakt door het feit
dat de omslag van een dalend naar een stijgend bijstandsvolume later
plaatsvond dan verwacht.
Het CPB maakt geen aparte
raming van de instroom in de Abw als gevolg van de conjuncturele
toename WW. Het Abw- en WW-volume worden integraal geraamd op
basis van de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking. rblz.|80|
Ook de
jeugdwerkloosheid en de instroom van schoolverlaters in de bijstand worden
niet afzonderlijk geraamd, maar maken integraal deel uit van de ramingen
van respectievelijk de werkloze beroepsbevolking en het bijstandsvolume.
Het CBS
maakt geen
ramingen van de ontwikkeling van de bijstandspopulatie. De cijfers die het CBS
publiceert over de ontwikkeling van het bijstandsvolume zijn
gebaseerd op de gegevens die gemeenten verstrekken in het kader
van de bijstandskenmerkenstatistiek. Deze gegevens worden gebruikt bij het
opstellen van de ramingen. Hierbij spelen ook de door de gemeenten
bij de statistieken te verstrekken gegevens een essentiële rol. Dit
geldt vooral voor de kenmerken die ingaan op de hoogte van de verstrekte
uitkering en de componenten die deze uitkeringshoogte bepalen.
Naast het vervallen van de kwartaaldeclaratie is bij de persoonsstatistiek
voor het inkomensdeel van de Wwb sprake van het vervallen van een
derde van de inhoudelijke kenmerken. Voor een belangrijk deel betreffen
dit kenmerken die een multi-interpreteerbaar karakter hebben en
daarmee vaak leiden tot problemen bij het verkrijgen van betrouwbare
informatie. Deze inspanning kan daarom vervallen. Daarnaast worden enkele
kenmerken met het oog op een vlottere levering door de gemeenten
aangepast. Voorts worden enkele kenmerken toegevoegd. Dit juist met het oog op
de bij de raming benodigde gegevens en het verkrijgen van een
bruikbaar landelijk beeld over de effecten van de wetgeving. Dit betreft
echter allemaal gegevens die bij het reguliere administratieve proces bij de gemeenten
nu reeds een cruciale rol spelen, zodat gemeenten kunnen
volstaan met het voortaan ook betrekken van deze reeds aanwezige
gegevens bij de aan het CBS te verstrekken gegevens.
Het CPB onderzoekt de
betrouwbaarheid van zijn ramingen regelmatig. Om daarnaast het effect
van ramingsfouten op het macrobudget zoveel mogelijk uit te sluiten,
is er juist voor gekozen om het macrobudget pas in september van het lopende
jaar definitief vast te stellen. De raming van de werkloze
beroepsbevolking, die als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het macrobudget wordt
gebruikt, zal volgens het CPB op dat moment nauwelijks meer
afwijken van de uiteindelijke realisatie.
Tabel: verloop SZW-raming
bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):
| Uitvoeringsjaar
(t) |
Ramingsmoment |
| |
September t-1 |
September t |
Realisatie |
| 1999 |
415 |
388 |
381 |
| 2000 |
383 |
353 |
348 |
| 2001 |
340 |
326 |
328 |
| 2002 |
336 |
325 |
320 |
Tabel: verloop raming
bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):
| Uitvoeringsjaar |
Raming
september 2002 |
Volumeraming stand voorjaarsnota
2003 |
| 2003 |
365 |
346 |
Mogelijkheden batig saldo
inkomensdeel
Het ontgaat de leden van
de PvdA-fractie op basis waarvan het kabinet van mening is dat goed
presterende gemeenten een batig saldo op het inkomensdeel kunnen
realiseren, te meer daar het verdeelmodel in hun ogen onvoldoende goede
resultaten laat zien. Deze leden verzoeken het rblz.|81|
kabinet aan te geven wat
de werkelijke mogelijkheden zijn om tot een batig saldo te komen.
Het kabinet deelt niet de
mening dat het verdeelmodel onvoldoende goede resultaten laat
zien en meent dat het budget dat wordt verleend in beginsel voldoende zou
moeten zijn voor de betaling van de uitkeringslasten. Een batig saldo kan de
gemeente verkrijgen door een goed actief reïntegratiebeleid en
een goed fraudebeleid. Bij de beantwoording van de gestelde vragen over de
verdeelsystematiek wordt nader op dit onderwerp ingegaan.
Nacalculatie
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een systeem waarbinnen het
macrobudget uiteindelijk wordt geraamd op basis van nacalculatie.
Is bekend wat het maximale risico zou zijn bij het afromen of opplussen van
het macrobudget voor gemeenten op basis van nacalculatie? Kan de
regering een aantal scenario’s maken waarin de risico’s voor een
aantal individuele gemeenten zichtbaar worden? Hoe kwetsbaar is een systeem
dat jaar na jaar op raming zet terwijl nacalculatie niet plaatsvindt?
De leden van de fracties
van VVD en ChristenUnie vragen waarom in het voorliggend wetsvoorstel
van de huidige systematiek wordt afgestapt, waarbij het budget ook
benedenwaarts kan worden bijgesteld. Tevens vragen deze leden wat er zich tegen verzet om het definitieve budget binnen de gekozen
systematiek met nacalculatie op t+1 vast te stellen. De leden van de
fractie van de ChristenUnie vragen hierbij aandacht voor de door
Divosa gesignaleerde problematiek van de "interne verwurging"
door gemeenten.
Bij de definitieve
vaststelling in september van het begrotingsjaar 2004 wordt het macrobudget
voor dat jaar naar boven of naar beneden aangepast. Dit betekent dat er geen
nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke
macrobijstandsuitgaven.
De keuze om geen
nacalculatie toe te passen is gebaseerd op twee overwegingen:
1. in geval van
nacalculatie verkeren gemeenten nog tot ruim na een uitvoeringsjaar in
onzekerheid over de exacte hoogte van hun budget;
2. het budget baseren op
een nacalculatie houdt in dat de financiële voordelen die gemeenten
boeken door een goed scorend reïntegratiebeleid van het collectief van
gemeenten van het macrobudget van dat jaar reeds wordt
afgeroomd. Dit vermindert de stimulerende werking van de
budgetteringssystematiek.
Het verschil tussen het
vastgestelde en het aangepaste macrobudget komt ten gunste of ten laste
van het Rijk.
Het voorgaande betekent
echter niet dat realisatiecijfers bijstandsvolume geen rol spelen in deze
ramingsmethodiek. Bij de definitieve vaststelling van het macrobudget van
het lopend uitvoeringsjaar in september van het uitvoeringsjaar worden de
gerealiseerde volumecijfers van het voorgaande uitvoeringsjaar betrokken. Ervaringsgegevens vormen immers
altijd een basis bij
ramingen. Ook bij de eerste raming van het macrobudget (t+1) in september
(t) wordt gewerkt met ervaringscijfers van het uitvoeringsjaar (t-1).
Dit betekent dat het macrobudget voor het lopende jaar naar boven of naar
beneden wordt bijgesteld als achteraf blijkt dat de totale gerealiseerde
bijstandsuitgaven in het voorgaande jaar hoger of lager waren dan het
macrobudget voor dat jaar.
Het is dus niet zo dat
het systeem jaar na jaar raming op raming zet. In de voorgestelde systematiek
wordt het macrobudget wel degelijk jaarlijks geijkt aan de
gerealiseerde bijstandsuitgaven op de wijze zoals hiervoor is beschreven.
rblz.|82|
Bij de aanpassing in september van het lopende begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe
ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse aanpassing vanwege de loon en
prijsbijstelling verwerkt.
Risico’s individuele
gemeenten
De leden van de
PvdA-fractie vragen of het kabinet een aantal scenario’s kan maken waarin de
risico’s voor een aantal individuele gemeenten zichtbaar worden.
Deze vraag moet
ontkennend worden geantwoord. De reden hiervoor is dat bij het opstellen van
dergelijke scenario’s te veel aannames over beleidsmatige invullingen
en hun neerslag in bedragen die worden opgenomen in een gemeentelijke
begroting moeten worden gemaakt. De Wwb
geeft beleidsvrijheid aan gemeenten; het is aan hen om te komen tot
ordentelijke
gemeentelijke begrotingen die hen in staat stellen om het gekozen beleid
daadwerkelijk te kunnen financieren en uit te voeren. Binnen het
implementatietraject is het kabinet voornemens om de gemeenten tegemoet te
komen door het overleggen van enkele financieringsmodellen die
richtinggevend kunnen zijn voor de gemeenten.
Aanpassing tabellen uit
de bijlage bij de algemene memorie van toelichting
De leden van de
PvdA-fractie vragen overigens de cijfers over de bijstandspopulatie uit
bijlage 1 van de memorie van toelichting te actualiseren voor 2002 over alle zes
tabellen. Deze leden vragen voorts de in- en uitstroom van de bijstand
van de maanden januari, februari maart, april en mei 2003, nu blijkt dat
het CBS wel met 100% accuratesse over deze cijfers beschikt.
Helaas is het nog niet
mogelijk om de cijfers over de bijstandspopulatie uit bijlage 1 van de memorie van
toelichting geheel te actualiseren. Het CBS
heeft thans
beschikbaar aanvullende, voor het derde kwartaal 2002 geactualiseerde cijfers voor de aantallen
uitkeringen aan thuiswonenden jonger dan 65 jaar (tabel
1) en de aantallen uitkeringen periodieke algemene bijstand naar duur en
leefvorm (tabel 2).
Tabel
1
rblz.|83|
Tabel
2
Overigens is in tabel 1,
blz. 89, memorie van toelichting bij de Wwb
in de titel per abuis de
toevoeging ultimo tweede kwartaal 2002 weggevallen. In tabel 2,
blz. 89, van die memorie van toelichting is eveneens in de titel weggevallen dat het om
cijfers gaat van ultimo tweede kwartaal 2001 en ultimo tweede kwartaal 2002.
Zoals eerder gemeld in de
brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV,
nr. 31) zullen volgens afspraak met het CBS over versnelling van de
beschikbaarheid van stroomgegevens over de bijstandsregelingen,
vanaf september 2003 de in- en uitstroomgegevens over het eerste kwartaal
2003 kunnen worden geleverd en vervolgens steeds kwartaalgegevens
over in- en uitstroom binnen een halfjaar na dato.
Systematiek 65+
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom er geen nacalculatie plaatsvindt voor 65-plussers. Zij
vragen het kabinet een voorbeeld over drie achtereenvolgende jaren te geven waaruit
blijkt dat het verschil tussen de raming en nacalculatie marginaal
is.
Deze leden vragen voorts
of het kabinet de optie heeft overwogen de bijstand voor 65-plussers
te laten uitvoeren door de SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.]. Tevens vragen rblz.|84|
zij of de gemeenten na
het wegvallen van de Rau 1996 een veel eenvoudiger procedure mogen kiezen
voor de doelgroep 65-plussers.
Bij het macrobudget voor
65-plussers geldt dat:
- het gaat om een zeer
beperkt deel (3%) van het totale budget voor de Wwb;
- de bijstandsuitgaven
aan 65-plussers vooral afhankelijk zijn van demografische ontwikkelingen die goed
te voorspellen zijn.
Met het oog op de eenvoud
is ervoor gekozen om met betrekking tot de vaststelling van het Wwb-macrobudget zoveel mogelijk eenzelfde systematiek te hanteren voor de
samenstellende delen van dit budget. Gelet op de voorgaande punten is
er geen noodzaak om specifiek voor het deel van het macrobudget dat
betrekking heeft op bijstand aan 65-plussers met nacalculatie te werken.
Een systeem van nacalculatie brengt bovendien weer de nodige
bureaucratie met zich mee, terwijl het juist de bedoeling is dat de Wwb bijdraagt aan
het terugdringen daarvan.
De verdeling van het
macrobudget voor 65-plussers vindt plaats op basis van de historische
kostenaandelen met betrekking tot deze bijstandscategorie. Er wordt dus wel degelijk
een andere verdeelsleutel gebruikt dan voor de verdeling van het
macrobudget voor personen tot 65 jaar.
In onderstaande tabel is
de raming weergegeven van het aantal 65-plussers dat naar
verwachting een beroep zal doen op de bijstand. Het betreft een prognose op
landelijk niveau. Deze raming wordt niet verbijzonderd naar individuele gemeenten. Omdat het in de meeste gemeenten om kleine aantallen gaat,
is het niet mogelijk om een betrouwbare langetermijnprognose op gemeenteniveau te
maken.
Tabel: verwachte
ontwikkeling volume Abw 65+ (x 1000):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Raming volume Abw 65+ |
22,1 |
23,4 |
24,8 |
26,2 |
27,5 |
Een vergelijking tussen
raming en nacalculatie voor wat betreft het macrobudget kan niet worden
verstrekt. De methodiek voor de raming van het macrobudget 65+ is pas
recentelijk verfijnd, vooruitlopend op de financieringssystematiek
van de Wwb, waarin geen nacalculatie plaatsvindt. Een vergelijking van de
ramingen en realisaties uit het verleden geeft derhalve geen
representatief beeld voor de situatie onder de Wwb. Het budget voor bijstand
aan 65-plussers zal onder de Wwb verdeeld worden op basis van
historische kostenaandelen. De dynamiek in de gemeentelijke
bijstandsuitgaven ten behoeve van 65-plussers is geanalyseerd op basis van de jaaropgaven
van 1999, 2000 en 2001. De resultaten van deze analyse geven een
indicatie van de verschillen tussen het budget en de werkelijke uitgaven die
kunnen ontstaan bij het toepassen van de historische verdeelmaatstaf.
In onderstaande tabel is
aangegeven hoe de aandelen van gemeenten in de landelijke
bijstandsuitgaven voor 65-plussers tussen twee jaren verschillen. Voor vrijwel
alle gemeenten blijkt dit verschil minder dan een half procent te bedragen.
Voor alle gemeenten ligt het verschil tussen -1,7% (2001 ten opzichte
van 2000) en +3,4% (2000 ten opzichte van 1999). De verdeelsystematiek geeft derhalve geen
aanleiding om een systeem van nacalculatie te hanteren.
rblz.|85|
Tabel: dynamiek
bijstandsuitgaven aan 65-plussers:
| Procentuele stijging of
daling budgetaandeel |
Verandering in
budgetaandeel 2000 t.o.v. 1999 |
Verandering in
budgetaandeel 2001 t.o.v. 2000 |
Verandering in
budgetaandeel 2001 t.o.v. 1999 |
| <-1% |
vv0 |
vv1 |
vv0 |
| -1% t/m
-0,5% |
vv2 |
vv0 |
vv1 |
| -0,5% t/m 0% |
295 |
221 |
242 |
| 0% t/m +0,5% |
169 |
244 |
223 |
| +0,5% t/m +1% |
vv0 |
vv1 |
vv0 |
| >+1% |
vv1 |
vv0 |
vv1 |
Met de VNG is begin dit
jaar van gedachten gewisseld over mogelijke uitvoeringsmodaliteiten
voor bijstand aan 65-plussers. Van de zijde van het kabinet is toen
aangegeven dat uitvoering door de SVB uit oogpunt van doeltreffendheid en
doelmatigheid geen verbetering lijkt te bieden ten opzichte van de huidige
uitvoering door gemeenten.
Gemeenten bepalen zelf
welke gegevens de klant dient te overleggen om het recht op uitkering te
kunnen vaststellen. De
Wwb
wijkt op dit punt echter niet af van de Abw. Wat in de
Wwb
wel vervalt, is de verplichting tot een heronderzoek eens
per acht maanden, dan wel een andere door de gemeente vast te stellen
termijn die hoogstens achttien maanden bedraagt. Voor de groep 65-plussers
hadden en hebben de gemeenten dus voldoende mogelijkheden
voor een eenvoudige procedure.
Onderbouwing budget naar
onderdelen
De leden van
de GroenLinks-fractie vragen naar een financiële onderbouwing van het budget per
verwachte bijstandsgerechtigde, uitgesplitst naar het bedrag voor de
basisuitkering, bijzondere bijstand, eventuele langdurigheidstoeslag en middelen voor
reïntegratie.
Elke
gemeente
ontvangt
een budget voor het inkomensdeel Wwb, inclusief de langdurigheidstoeslag,
ter financiering van de algemene bijstand en een budget voor het
werkdeel Wwb. Bij de raming van het macrobudget inkomensdeel wordt
rekening gehouden met de verwachte groei van het macrobijstandsvolume. Het inkomensdeel kent, in tegenstelling tot het werkdeel, geen
voorgeschreven bestedingsrichting. Daarnaast ontvangt elke gemeente
een totaalbedrag algemene middelen uit het gemeentefonds, welke mede
is bedoeld ter financiering van bijzondere bijstand. Het betreft een
algemene uitkering, hetgeen aangeeft dat hier geen bestedingsrichting
bestaat.
Binnen de kaders van de Wwb
en gelet op de kwalitatieve karakteristieken van de bijstandspopulatie
is het vervolgens de concrete invulling van de beleidsvrijheid van
gemeenten die resulteert in een bedrag per bijstandsgerechtigde. Het kabinet kan de
gevraagde onderbouwing daarom niet leveren.
5.1.2. Verdeelsystematiek [MvT;
V]
Objectief verdeelmodel
De leden van de
PvdA-fractie
vragen waarom wordt gekozen voor een gefaseerde invoering van
het objectief verdeelmodel.
Het kabinet heeft om een
aantal redenen gekozen voor een gefaseerde invoering van het
objectief verdeelmodel. Allereerst brengt de overgang van een declaratiestelsel
naar een objectief verdeelmodel per definitie herverdeeleffecten met
zich mee. Fasegewijze invoering zorgt dat deze overgang een
geleidelijker verloop kent. Dit gegeven was ook bij de invoering rblz.|86|
van de WFA (25%
budgettering) aanleiding om gefaseerd over te gaan tot de toepassing
van het objectief verdeelmodel. Daarnaast is het kabinet van mening dat de
gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel de kans biedt dit
model in de komenden jaren verder te verfijnen. Het objectief
verdeelmodel laat voor het merendeel van de betrokken gemeenten resultaten zien
die overeenkomen met de verwachtingen. Voor enkele gemeenten is dit
echter niet het geval en behoeven de resultaten nader onderzoek. Het
kabinet heeft bureau APE de opdracht gegund om de aanbevelingen in het rapport
"Stabiliteit en herverdeeleffecten van het
verdeelmodel voor de
bijstand, 1998-2000"
verder uit te werken, in de verwachting dat de
technische verbeteringen resulteren in een verdere verbetering van het objectief verdeelmodel, zodat het model betere resultaten
laat zien in termen van ex-anteherverdeeleffecten. Een ander doel van dit onderzoek is om
het model geschikt te maken voor toepassing onder de
Wwb. Een separaat onderdeel binnen dit vervolgonderzoek
betreft de relatie tussen
de modeluitkomst en de sociale infrastructuur van de gemeente.
Dit vervolgonderzoek is
inmiddels afgerond. Het rapport "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet
werk en bijstand"
wordt tegelijkertijd met het verzenden van deze nota
aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden. Dit nieuwe objectief
verdeelmodel wordt gebruikt bij de vaststelling van de gemeentelijke uitkeringen
inkomensdeel Wwb
voor het uitvoeringsjaar 2004. Het nieuwe
objectief verdeelmodel levert een aanzienlijke verbetering in termen van
ex-anteherverdeeleffecten op ten opzichte van het verdeelmodel uit het
februari-2003-APE-rapport. Desalniettemin toont het patroon van ex-anteherverdeeleffecten ook bij dit verdeelmodel nog enkele positieve en
negatieve uitschieters.
Vandaar dat het kabinet
bij de toepassing van het objectief verdeelmodel buiten het model om een
grens hanteert ter indamming van al te grote - zowel positieve als
negatieve - uitschieters van ex-anteherverdeeleffecten. Deze grens is vastgesteld
op 15%. Daarnaast is gekozen voor een gefaseerde invoering van het gebruik van het objectief verdeelmodel om
ex-anteherverdeeleffecten te beteugelen.
Het kabinet is voornemens
om jaarlijks de actualiteit en stabiliteit van het model en de
herverdeeleffecten te onderzoeken. Voor een beschrijving van het nieuwe objectief
verdeelmodel wordt verwezen naar de bijlage bij het concept-Besluit Wwb
dat tegelijkertijd is meegestuurd naar uw Kamer. De Kamer heeft reeds de
beschikking over het rapport van het bureau APE, "Stabiliteit en
herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000",
welke bijlage bij het wetsontwerp Wwb
is meegezonden.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen waarom het objectief verdeelmodel nooit is
geëvalueerd.
De veronderstelling van
deze leden dat het objectief verdeelmodel nooit is geëvalueerd, is onjuist.
Bij de indiening van het wetsontwerp is tegelijkertijd met onderzoeksrapport
"Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de
bijstand, 1998-2000"
meegezonden.
Tegelijkertijd met deze
nota is het onderzoeksrapport verzonden waarin het objectief
verdeelmodel wordt beschreven zoals dit wordt gebruikt bij de verdeling van het
macrobudget inkomensdeel
Wwb
2004. In dat rapport kan worden
nagegaan wat de wijzigingen zijn ten opzichte van de voorgaande versie en de
redenen waarom daartoe is overgegaan.
In onderdeel D van de
bijlage bij het concept-Besluit Wwb
is een beschrijving opgenomen van de
wijzigingen van het huidige objectief verdeelmodel ten opzichte van het
vorige verdeelmodel.
De leden van de
CDA-fractie vragen of er wel één objectief verdeelmodel mogelijk zal
blijken te
zijn, en zo ja, wanneer. De leden van de VVD-fractie rblz.|87|
vragen waarom een
objectief verdeelmodel voor de kleine gemeenten op dit moment niet mogelijk
is.
De verdeling van het
macrobudget geschiedt in twee stappen. Stap 1 is de verdeling van het
macrobudget over drie categorieën gemeenten. Bij deze zogenoemde
compartimentering wordt het objectief verdeelmodel gebruikt voor de
gemeenten met meer dan 40 000 inwoners en voor de gemeenten met minder dan
60 000 inwoners. Stap 2 is de verdeling van het budget per categorie
over de onder deze categorie vallende gemeenten.
De gefaseerde invoering
van het objectief verdeelmodel betreft de verdeling van het budget voor de
middelgrote (40 000-60 000 inwoners) en grote (groter dan 60 000
inwoners) gemeenten. De verdeling van het budget voor kleine
gemeenten (kleiner dan 40 000 inwoners) geschiedt op basis van het historisch
model. Vooralsnog wordt het objectief verdeelmodel niet gehanteerd bij de
verdeling over deze categorie gemeenten aangezien het patroon van ex-anteherverdeeleffecten grote fluctuaties laat zien.
De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet of de stelling van het kabinet dat het objectief
verdeelmodel ervoor zorgt dat gemeenten die structureel beter
presteren dan andere gemeenten hier ook structureel voor worden beloond, ook
zal gelden vanaf het begin. Voorts vragen deze leden in hoeverre grote
verschillen tussen gemeenten het ontstaan van deze situatie voor
gemeenten belemmert.
Zoals is aangegeven, wordt
het objectief verdeelmodel gefaseerd ingevoerd. Dit betekent dat de bovengenoemde stelling
- te weten dat bij
toepassing van het
objectief verdeelmodel gemeenten die structureel beter presteren dan
nadere gemeenten ook structureel worden beloond - in mindere mate opgaat
voor de eerste jaren waarin het objectief verdeelmodel nog niet volledig zal
worden ingezet. In deze jaren wordt nog in sterke mate gewerkt met
historische kosten.
Grote verschillen tussen
gemeenten belemmeren op geen enkele wijze bovengenoemde stelling.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen zich af welke WW- en WAO-cijfers door het kabinet worden
gehanteerd.
Binnen het objectief
verdeelmodel zitten twee maatstaven "het aantal personen met maximale
WW-duur"
en met "het aantal personen met WAO/WAZ/Wajong-uitkering".
Deze gegevens zijn afkomstig van het CBS en gebaseerd op de
uitkeringsregistratie van het UWV. Toepassing van het objectief verdeelmodel
betekent dat de bijstandsuitgaven (in enge zin, dus exclusief Ioaw,
Ioaz en Bbz [zie Bbz
2004, red.]) per inwoner van gemeente X worden berekend aan de hand van de scores
van gemeente X op de negen maatstaven. Dat geldt dus ook voor de scores van gemeente X op deze twee
maatstaven. Vervolgens
wordt de uitkomst vermenigvuldigd met het aantal inwoners in de
leeftijd van 20 tot 64 jaar van gemeente X.
De leden van de
VVD-fractie vragen op welke wijze met het aantal gesubsidieerde banen rekening is
gehouden in de schatting van het objectief verdeelmodel.
Het kabinet merkt op dat
"gesubsidieerde
banen"
in de maatstaf "lage
inkomens"
van het
objectief verdeelmodel liggen besloten. Uit onderzoek blijkt dat dit model een
goede verklaring biedt voor de gemeentelijke bijstandsuitgaven.
rblz.|88|
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet nader in te gaan op de reden waarom het aantal
bijstandsgerechtigden niet in het objectief verdeelmodel is
opgenomen. Zij vragen zich af of dit te maken heeft met de vrees voor afname van
de prikkelwerking. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie
vragen waarom geen gevolg is gegeven aan het advies van de Raad voor
de financiële verhoudingen [Rfv, red.] om het aantal bijstandsgerechtigden op
te nemen in het objectief verdeelmodel.
Het objectief
verdeelmodel verklaart de bijstandsuitgaven per inwoner uit een aantal maatstaven
(modelexogenen).
Deze maatstaven kunnen voor wat betreft de uitvoering
van de Bijstandswet niet door de gemeente
worden beïnvloed. De
kracht van dit verdeelmodel ligt dan ook in de voorspellende waarde van de
objectieve
behoefte aan middelen ter financiering van bijstandsuitgaven van
een gemeente. Door "het aantal
bijstandsgerechtigden" op te nemen als één
van de exogenen van het model wordt het karakter van het objectief verdeelmodel
tenietgedaan. Immers, de te
verklaren variabele wordt
dan tevens als exogene opgevoerd. Daardoor valt het verband tussen
de objectieve maatstaven en de bijstandsuitgaven niet of nauwelijks meer
met econometrische methoden te bepalen. Feitelijk komt het
opnemen van het aantal bijstandsgerechtigden als maatstaf in het objectief
verdeelmodel neer op het inbouwen van het historisch model binnen het
objectief verdeelmodel. Een historisch verdeelmodel kenmerkt zich door het
ongewenste effect dat een slecht presterende gemeente een relatief
hoog aandeel in het macrobudget heeft.
De leden van de
D66-fractie merken op dat voor gemeenten waarvoor het objectief verdeelmodel
wordt toegepast herverdeeleffecten optreden die mede het gevolg zijn van
het nog niet foutloos functioneren van het model. Zij vragen het
kabinet inzicht te geven in de omvang van de hier bedoelde verdeeleffecten
De leden van de
SGP-fractie zijn van mening dat voldaan moet worden aan de voorwaarde dat de
verdeelsystematiek van het macrobudget inkomensdeel dient aan te
sluiten bij de onvermijdelijke kosten die gemeenten hebben bij de
uitvoering van de bijstand.
In onderstaande tabel
wordt een overzicht gegeven van de omvang van de herverdeeleffecten die
optreden als het objectief verdeelmodel voor alle gemeenten onverkort
wordt toegepast. Deze herverdeeleffecten zijn berekend door de
gemeentelijke bijstandsuitgaven 2001 te vergelijken met een fictief 100%
objectief budget voor 2001. Dit objectieve budget 2001 is berekend door het
objectief verdeelmodel toe te passen op het totaal van de uitgaven 2001. Voor de
toepassing van het objectief verdeelmodel is gebruik gemaakt van de
waarden van de objectieve verdeelkenmerken in 2001.
Het herverdeeleffect is
hier gedefinieerd als het verschil tussen de bijstandsuitgaven 2001 en
het fictieve objectieve budget 2001, uitgedrukt als percentage van het
budget. Onderstaande tabel geeft aan hoeveel gemeenten per
gemeentegrootteklasse zich in een bepaald interval bevinden voor wat betreft
de omvang van het herverdeeleffect. De uitgaven en budgetten
per gemeente waarop onderstaande tabel is gebaseerd, zijn opgenomen
in de tabel "Vergelijking werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve
budgetten" [appendix
A, red.].
rblz.|89|
Tabel:
frequentieverdeling herverdeeleffecten objectief verdeelmodel:
| Herverdeeleffect:
verschil tussen uitgaven en budget
in % van het objectieve
budget |
Gemeentegrootteklasse |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Groot
(>60r000 inwoners) |
Middelgroot
(40r000-60r000
inwoners) |
Klein (<40r000
inwoners) |
| <-25% |
v3 |
v1 |
60 |
| -25% t/m
-15% |
v3 |
v4 |
38 |
| -15% t/m
-10% |
v6 |
v2 |
21 |
| -10% t/m 0% |
22 |
v8 |
81 |
| 0% t/m +10% |
13 |
12 |
60 |
| +10% t/m +15% |
v3 |
v3 |
23 |
| +15% t/m +25% |
v5 |
v6 |
30 |
| >+25% |
v3 |
v4 |
56 |
De impact van de
beleidsmatige indamming van ex-anteherverdeeleffecten tot (in absolute termen)
15% kan eenvoudig uit de tabel worden afgelezen. Verder merkt
het kabinet op dat het objectief verdeelmodel niet wordt ingezet voor de
kleine gemeenten (<40 000 inwoners). In het jaar 2004 wordt voor grote
gemeenten het objectief verdeelmodel voor 40% van het budget toegepast.
Dit betekent voor individuele gemeenten dat herverdeeleffecten van
het objectief verdeelmodel worden beperkt tot 6% (40% van 15%).
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het kabinet bereid is het verdeelmodel alsnog te herijken
conform de verdeelsystematiek van het gemeentefonds. De leden
van de GroenLinks-fractie vragen of het objectief verdeelmodel voldoende
garanties biedt voor eerbiediging van regionale verschillen.
Het kabinet hecht
eraan
te wijzen op een aantal belangrijke overeenkomsten tussen het verdeelmodel
voor het gemeentefonds en dat voor de bijstandsuitgaven. In
beide gevallen is het uitgangspunt geweest de factoren en hun gewichten
te vinden die van invloed zijn op de kostenstructuur van het gemeentelijk
takenpakket respectievelijk de gemeentelijke bijstandsuitgaven. Met de
voorgestelde verdeelsystematiek voor de bijstandsuitgaven
verstrekt het kabinet gemeenten een budget dat in beginsel moet volstaan om
alle bijstandsuitgaven te financieren. Naar de mening van het kabinet
voldoet het voorliggende model voor de bijstandsuitgaven aan het
genoemde criterium van objectiviteit en biedt het een goede verklaring
van de verschillen in uitgaven tussen gemeenten.
Net als bij het
gemeentefonds kent het objectief verdeelmodel voor de bijstand een
onderhoudstraject om de kwaliteit van het model in de tijd te waarborgen en te
versterken.
Reeds bij de behandeling
van het wetsvoorstel WFA is uitvoerig ingegaan op de merites van een
dergelijke verdeelsystematiek. Bij de zoektocht naar de relevante factoren is,
net als bij het gemeentefonds, gezocht naar factoren die een
substantiële bijdrage leveren aan de verklaring van geconstateerde
uitgavenverschillen tussen gemeenten. Tot die factoren behoren onder andere
kenmerken van de lokale en regionale arbeidsmarkt. De grote waarde van het
objectief verdeelmodel ligt in het gegeven dat een gemeentelijk uitkeringsbedrag wordt bepaald aan de hand van
negen objectieve
maatstaven die de behoefte aan gemeentelijke bijstandsuitgaven
voorspelt. Het objectieve karakter van dit verdeelmodel wordt bepaald door
het
feit dat deze maatstaven juist geen directe relatie hebben met het gevoerde
volumebeleid van de gemeente op het terrein van de bijstandsregeling.
Het is immers niet de bedoeling dat uitgavenverschillen tussen gemeenten die het
gevolg zijn van gemeentelijk beleid worden gehonoreerd. Het
ligt daarom niet in de rede in de verdeelsystematiek rblz.|90|
de maatstaf
bijstandspopulatie op te nemen. Gemeenten kunnen immers door hun
beleid de omvang van deze factor beïnvloeden. Een voordeel van een
dergelijke verdeelsystematiek is dat dit verdeelmodel een incentive voor de
gemeente voor een actief reïntegratiebeleid met zich meebrengt, waarbij structureel goed beleid ook structureel voordeel
oplevert voor de
betreffende gemeente. Het is deze incentive die het kabinet overeind wil
houden binnen de
Wwb.
Historisch model
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet te bezien op welke wijze het voor goed
functionerende gemeenten die een uitkering krijgen toebedeeld op basis van het
historisch verdeelmodel mogelijk is een overschot op het inkomensdeel te
realiseren.
Kleine
gemeenten (tot aan
40 000 inwoners) ontvangen een uitkering op basis van het historisch
verdeelmodel, hetgeen betekent dat het aandeel in het macrobudget 2004
gebaseerd is op het historische kostenaandeel in 2001, gecorrigeerd voor
de mutatie in het inwoneraantal van de gemeente. Ook voor kleine
gemeenten is het wel degelijk mogelijk om een budgetoverschot te
genereren. Ze kunnen namelijk door een actief beleid aan het eind van het jaar
lagere bijstandsuitgaven hebben dan het budget dat zij dat jaar
ontvangen.
De leden van de
VVD-fractie vragen of het kabinet het probleem onderkent dat binnen het
historische model kleine gemeenten die in het verleden slecht presteerden nu een
groter budget krijgen dan andere kleine gemeenten. De leden van
de D66-fractie vragen hoe het kabinet aankijkt tegen de stelling dat
verdeling op basis van het historisch model de goed presterende gemeenten
straft en de slecht presterende gemeenten beloont.
Het kabinet geeft de
voorkeur aan het objectief verdeelmodel. Een objectief verdeelmodel zorgt ervoor
dat gemeenten die structureel beter presteren dan andere gemeenten hier
ook structureel voor worden beloond. Dit is voor het kabinet
dan ook één van de redenen om te opteren voor het gebruik maken van het
objectief verdeelmodel en om de komende jaren te investeren in
doorontwikkeling van dat verdeelmodel. Het streven is om op termijn ook voor
kleinere gemeenten over te schakelen op een objectief verdeelmodel. De keuze
objectief of historisch model is belangrijk maar niet doorslaggevend
voor de mogelijkheid om over te gaan op een systeem met 100%
gebudgetteerde uitkeringslasten. Het feit dat voor elke gemeente een budget wordt
vastgesteld waarmee in beginsel alle bijstandsuitgaven moeten
worden gefinancierd, is, zoals hierboven is aangegeven, cruciaal.
De leden van de
fracties
van VVD en D66 vragen wat het kabinet doet met het advies van de Raad
voor de financiële verhoudingen om een gewogen gemiddelde van de
bijstandslasten over een aantal jaren als basis te nemen voor de verdeling
van het budget voor de kleine gemeenten.
Het nemen van een gewogen
gemiddelde over een aantal jaren betekent dat de historische
verdeelmaatstaf minder actueel wordt. De soms matige ex-postaansluiting
tussen historisch budget en werkelijke uitgaven, door factoren zoals een
uitbreiding van het aantal (huur)huizen, komt ook door de vertraging bij het
beschikbaar komen van de gegevens over de historische kosten. Bij het baseren
op een meerjarig gemiddelde wordt dit effect groter.
Het kabinet merkt verder
op dat sterke fluctuaties in de bijstandsuitgaven vaak samenhangen met
incidentele ontvangsten van gemeenten op rblz.|91|
eerder verstrekte
bijstand door terugvordering, verrekening of verhaal. Bij een meerjarig gemiddelde
werken uitschieters in de bijstandsuitgaven meerjarig door in het
budget. Dit acht het kabinet onwenselijk.
De Raad draagt het aan
als een oplossing voor de overschrijding van de risicodrempel als gevolg
van sterk fluctuerende bijstandsuitgaven. Naar de mening van het kabinet
gaat dat argument maar beperkt op. Juist bij grote fluctuaties is de
kans groot dat het meerjarig gemiddelde flink afwijkt van de
uiteindelijk gerealiseerde bijstandsuitgaven. Het kabinet stelt derhalve dat het
advies van de Raad het probleem waarschijnlijk niet oplost.
Relatie hardheidscriteria
en verdeelmodel
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet waarom niet is gekozen voor een eenmalige
omzetting naar één forfaitair bedrag voor de financiering van uitkeringslasten en
dat bedrag vervolgens via een bandbreedte in een aantal jaren laten
oplopen. Tevens vragen deze leden waarom niet is gekozen voor het in de
tijd aanscherpen van de hardheidscriteria. Ze merken hierbij op dat het
hardheidscriterium zacht moet zijn zolang het kabinet niet in staat is
lokale, regionale of sectorgewijze werkloosheidsfluctuaties in voldoende mate in het
verdeelmodel tot uiting te laten komen. De leden van de
CDA-fractie vragen een onderbouwing van de stelling dat door de
gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel reeds vanaf het begin
sprake is van een verantwoorde financieringssystematiek.
Het kabinet ziet geen
aanleiding voor een in de tijd aanscherpen van de hardheidscriteria. Naar
zijn opvatting hoort bij de filosofie van de
Wwb
dat de financiële
verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk meteen vanaf het begin bij de gemeenten ligt. Dit wordt gerealiseerd met 100% budgettering in combinatie met een
hoge eigenrisicodrempel en bijbehorend conditioneel recht op
aanvullende uitkering.
Bij het ontwikkelen van
het voorliggende wetsontwerp is gekozen voor het zoveel mogelijk
reduceren van risico’s in de ex-antesfeer. Teneinde de financiële
verantwoordelijkheid van gemeenten zoveel mogelijk overeind te houden, ligt het voor
de hand om dit gepaard te laten gaan met een substantieel eigen
risico. Bovendien zou een verlaging van de eigenrisicorempel ertoe kunnen
leiden dat de aanvullende uitkering niet meer uit de begroting van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betaald zou kunnen worden, maar uit het macrobudget zou moeten
worden gefinancierd.
In het objectief
verdeelmodel zitten enkele maatstaven waarmee de aanbodzijde van de
regionale arbeidsmarkt in beeld wordt gebracht: de maatstaven "regionaal
klantenpotentieel minus aantal inwoners", "werklozen met maximale
WW-duur"
en "arbeidsongeschikten". Ook indicatoren voor de vraagzijde zijn
in het objectief verdeelmodel opgenomen en wel via de maatstaf
"banen handel, horeca en schoonmaak (op COROP-niveau ¹)" [COROP: Coördinatiecommissie
Regionaal Onderzoeks Programma voor de beschikbaarstelling van
statistische gegevens ten behoeve van het regionaal economisch beleid, red.].
1. De COROP-indeling
betreft een indeling in 40 gebieden. De indeling is
gebaseerd op de functionele samenhang
binnen een bepaalde regio tussen één of meer "centrale plaatsen" (stedelijke werk- en
verzorgingscentra, die binnen een bepaalde regio
als knooppunten van het maatschappelijk
verkeer fungeren). Deze is vervolgens
ingeperkt om enerzijds kengetallen over
toegevoegde waarde (naar bedrijfsklasse) en
bruto-investeringen (naar type en bestemming) op
dit niveau te kunnen presenteren en anderzijds
de provinciegrens als grens van het COROP-gebied aan te houden. Hiermee is de
COROP-indeling een regionaal niveau tussen gemeenten en
provincies.
De leden van de
PvdA-fractie
menen dat de hardheidscriteria zacht moeten zijn zolang het
kabinet niet in staat is om lokale, regionale of sectorgewijze
werkloosheidsfluctuaties in voldoende mate in het verdeelmodel te laten uitkomen. Naar
mate het verdeelmodel verbetert, kunnen de hardheidscriteria
strakker worden gesteld. Tot slot stellen deze leden dat een jaarlijkse
evaluatie van het verdeelmodel een noodzakelijke voorwaarde is voor het verder
doorvoeren van een hogere bandbreedte in de uitgavencompensatie.
Bij de raming van het
macrobudget wordt expliciet rekening gehouden met de conjuncturele werkloosheidsfluctuaties. Dit vertaalt zich
vervolgens rblz.|92|
via de
verdeelsystematiek in gemeentelijke uitkeringen. Binnen het objectief verdeelmodel
drukken de maatstaven "aantal personen met maximale WW-duur"
en "banen handel, horeca en
schoonmaak"
de
lokale, regionale en
sectorale werkloosheids- en arbeidsmarktfluctuaties uit. Samen met de overige
maatstaven wordt op deze wijze op het niveau van de individuele gemeente
de normatieve behoefte aan bijstandsuitkeringen verklaard.
Het is de bedoeling om
het onderhoudstraject voor het objectief verdeelmodel zoals we dat nu bij de
WFA kennen voort te zetten. Dat betekent in elk geval dat de
actualiteit en stabiliteit van het model en de herverdeeleffecten regelmatig zullen worden
onderzocht. Voor in de tijd strakkere hardheidscriteria
verwijst het kabinet naar bovenstaande beantwoording.
De leden van de
PvdA-fractie
stellen dat het risico per uitkeringsgerechtigde niet in verhouding staat
tot de beïnvloedbaarheid van externe factoren die in hoge mate
het bijstandsvolume bepalen.
Voor het antwoord op deze
vraag verwijst het kabinet naar paragraaf 5.1.3 onder
"Rapport Nyfer,
buffer voor risico’s".
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of de gemeenten het risico dragen voor een netto- of een
bruto-uitkering.
De gemeenten krijgen een
budget voor de bijstandsuitkeringen inclusief de daarover verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en
de ziekenfondspremie,
alsmede over de langdurigheidstoeslag. Ook het risico heeft dus daarop
betrekking.
In een ambtelijke
voorbeeldberekening werd een risico van €|80,- per inwoner gecalculeerd. Dat
komt neer op een bedrag van €|175,- per huishouden. Het huidige risico
bedraagt iets meer dan €|6,- per inwoner. De leden van de
PvdA-fractie
vragen of deze berekening correct is.
Binnen de huidige
WFA
geldt dat de eigenrisicodrempel is gedefinieerd als het kleinste getal
van enerzijds 15% van het 25%-budget en anderzijds €|6,81
(ƒ15,-) per
inwoner. In de praktijk betekent dit dat de eigenrisicodrempel voor grote
gemeenten
wordt gedefinieerd als €|6,81 per inwoner en voor kleine gemeenten als 15% van het 25%-budget.
Binnen de
Wwb
is de
eigenrisicodrempel gedefinieerd als 10% van het 100%-budget.
De PvdA refereert aan een
ambtelijke voorbeeldberekening van drie fictieve gemeenten. Een
budgettekort boven de eigenrisicodrempel van 10% kan worden uitgedrukt
als een bedrag per inwoner. In het gepresenteerde cijfervoorbeeld bleek dit
voor de fictieve grote gemeente inderdaad neer te komen op een bedrag van
€|80,- per inwoner. De uitkomst €|80,- per
inwoner uit het
cijfervoorbeeld kan echter niet zonder meer worden vergeleken met de €|6,81 per inwoner
uit de WFA. Ten eerste regelt de Wwb
een 100%-budgetmechanisme,
terwijl de WFA een 25%-budgetmechanisme
betreft. Ten tweede wijst het kabinet op de systematiek van de Wwb. Binnen de
nieuwe bijstandsregeling bestaat een evenwicht tussen
beleidsvrijheid (lusten) en bijbehorende financiële verantwoordelijkheid
(lasten). Het kabinet is van mening dat het hier voorgestelde evenwicht vereist dat het
eigen risico aanzienlijk is.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen of de hoogte van de eigenrisicodrempel gelijk
is aan 10% van het budget 2004. Voort vragen deze leden of in absolute
termen kan worden aangegeven welke budgettaire gevolgen dat in het meest
negatieve scenario met zich kan meebrengen voor gemeenten. Hierbij wordt het kabinet gevraagd tevens in te gaan op de
opmerking van de Raad voor de financiële verhoudingen rblz.|93|
dat gemeenten die een
nadeel willen opvangen via een OZB-verhoging de OZB-tarieven met 30 tot
45% moeten laten stijgen.
De hoogte van de
eigenrisicodrempel voor het uitvoeringsjaar 2004 is gelijk aan 10% van het
budget 2004 zoals dit definitief wordt vastgesteld in september 2004.
De vraag naar de
budgettaire gevolgen voor gemeenten in het meest negatieve scenario kan
door het kabinet niet worden beantwoord, omdat het Rijk geen inzicht en
geen invloed heeft op de budgettaire perikelen van individuele gemeenten.
Van het Rijk mag verwacht worden dat iedere gemeente een budget
inkomensdeel ontvangt dat haar in staat stelt om bijstandsuitgaven te
financieren, i.c. om artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel
b, van de
Wwb
uit te kunnen
voeren. Daartoe beschikt het kabinet over een deugdelijke
ramingsmethodiek voor het macrobudget met bijhorende aanpassingssystematiek en
over een gedegen verdeelsystematiek. Het is vervolgens aan gemeenten
om een adequate begroting op te stellen en een effectief
volumebeleid te voeren. Indien een gemeente aan de toetsingscriteria
voldoet, zal in het meest negatieve scenario voor een individuele gemeente een
tekort ontstaan van 10% van het budget.
Ten aanzien van de vraag
naar het effect van een tekort inkomensdeel op de gemeentebegroting
wordt verwezen naar de reactie van het kabinet in paragraaf 5.1.3 op het
Nyfer-rapport. Hier wordt volstaan met de constatering dat een tekort gezien
moet worden in relatie tot de totale middelen van de begroting. Het
spreekt voor zich dat een tekort moet worden opgevangen uit een combinatie van
hogere gemeentelijke ontvangsten en lagere gemeentelijke
uitgaven.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoeveel van de grote gemeenten te veel respectievelijk te
weinig budget hebben. Welke gemeenten zullen gebruik gaan maken van de
hardheidsclausule? Welke gemeenten zullen een artikel-12-status krijgen
[artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet: aanvullende
rijksuitkering, red.]? Hoeveel geld moeten gemeenten zelf uit eigen begroting bijdragen
omdat zij een budgettekort krijgen? Hoeveel gemeenten hebben meer dan
10% over van hun budget en welke gemeenten betreft dit?
Hoeveel geld is gemoeid met het uitbetalen van de risico’s boven de
hardheidsclausule?
Hoeveel gemeenten krijgen
een budget dat boven hun uitgaven ligt? Hoeveel krijgen een
budget dat meer dan 10% boven de uitgaven ligt? Wordt dat afgeroomd?
In deze paragraaf is de
tabel "frequentieverdeling herverdeeleffecten objectief
verdeelmodel"
opgenomen die aangeeft hoe de herverdeeleffecten van het objectief
verdeelmodel eruitzien. Hierbij moet worden bedacht dat het kabinet
voornemens is de herverdeeleffecten vooraf in te perken. Het uiteindelijke
overschot of tekort van een gemeente
wordt bepaald door de wijze
waarop zij haar beleid vormgeeft en uitvoert, en door lokale omstandigheden. Op voorhand is daarom niet aan te geven
hoeveel gemeenten
uiteindelijk tekorten zullen hebben en hoe groot die tekorten zullen zijn.
Berekeningen
De leden van de
VVD-fractie vragen om een overzicht te geven van alle met name genoemde
Nederlandse gemeenten waarin de werkelijke bijstandsuitgaven staan
en het toegekende budget als ware het objectief verdeelmodel al helemaal
ingevoerd.
In appendix A is een
tabel opgenomen met een vergelijking tussen de gemeentelijke
bijstandsuitgaven 2001 en de toegekende budgetten bij volledige toepassing van
het objectief verdeelmodel voor alle gemeenten. Het jaar 2001 is het
meest recente jaar waarover de werkelijke bijstandsuitgaven rblz.|94|
per gemeente
definitief vastgesteld zijn. De gehanteerde gemeente-indeling is die
van 1 januari 2003. Voor de gemeenten die onder de
Wwb
als
samenwerkingsverband gebudgetteerd worden, worden de uitgaven en budgetten
onder de naam van het betreffende samenwerkingsverband gepresenteerd.
De uitgaven in de tabel
hebben betrekking op de categorieën van bijstandsuitgaven in 2001
die in de toekomst onder de Wwb
zullen vallen. De bijstandsuitgaven aan
personen van 65 jaar of ouder zijn hierin niet meegenomen, omdat het
macrobudget voor deze categorie niet wordt verdeeld met het
objectief verdeelmodel.
Het fictieve objectieve
budget 2001 is berekend door het objectief verdeelmodel voor alle gemeenten, dus
ook voor de kleine gemeenten, toe te passen op het totaal van
de uitgaven 2001 in onderstaande tabel. Voor de toepassing van het
objectief verdeelmodel is gebruik gemaakt van de waarden van de objectieve
verdeelkenmerken in 2001. Er is geen rekening gehouden met de inperking
van de herverdeeleffecten tot 15%, zoals dat in de verdeelsystematiek
voor 2004 wel het geval is.
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen om medio augustus een overzicht aan de Kamer
aan te bieden waarin per gemeente
wordt aangegeven wat hun huidige budget is
voor bijstandverlening en reïntegratie en hoe dit budget zich de
komende jaren zal ontwikkelen.
De leden van de
PvdA-fractie
verzoeken een uitdraai van iedere Nederlandse gemeente waarin is
opgenomen het berekende budget per gemeente op basis van het
huidige verdeelmodel in 2002 (25% budget plus 75% werkelijke
uitgaven), het berekende budget op basis van het voorgestelde systeem voor
2003 per gemeente (25% budget en raming 75% uitgaven) en de
prognose voor 2004, 2005, 2006 en 2007.
Voor het antwoord
betreffende de vraag naar de verdeelsystematiek werkdeel wordt verwezen naar de
paragraaf 5.2.2 van deze nota.
De voorgestelde
verdeelsystematiek voor het budget voor bijstandverlening is dynamisch. De
toekomstige ontwikkeling van de gemeentelijke budgetten is afhankelijk
van de toekomstige ontwikkeling van de waarden van de
verdeelkenmerken in het objectief verdeelmodel en van de ontwikkeling van de
feitelijke bijstandsuitgaven per gemeente. Deze gegevens zijn daarom nu
nog niet bekend. Wat de bijstandsuitgaven per gemeente betreft, speelt
daarbij ook een rol dat deze naar verwachting aanmerkelijk zullen
worden beïnvloed door de volledige budgettering van de bijstandsuitgaven. Een
betrouwbare prognose van de budgetten per gemeente voor de jaren
2005, 2006 en 2007 kan op dit moment dan ook niet worden verstrekt.
Hetzelfde geldt voor de werkelijke bijstandsuitgaven van gemeenten voor zover
die in de verdeelsystematiek gebruikt worden.
Een prognose van de
Wwb-budgetten voor 2004 is daarentegen wel beschikbaar. Deze
prognose is medio juli tevens aan de gemeenten verstrekt. In appendix B
is een tabel opgenomen waarin de Wwb-budgetten 2004 worden
vergeleken met de WFA-budgetten van 2002 en 2003. Hierbij
dient opgemerkt te worden dat de WFA- en Wwb-budgetten niet exact
vergelijkbaar zijn. De WFA-budgetten hebben ook betrekking op
de Ioaw-, Ioaz- en Bbz-uitgaven. Het
Wwb-budget is niet van
toepassing op deze bijstandscategorieën. Daarnaast zijn de macrobudgetten, waarop de gemeentebudgetten in
bijgevoegde tabel zijn
gebaseerd, niet voor alle jaren even groot als gevolg van verschillen in
het bijstandsvolume en de verschillende bijstandsnormen en in de betreffende jaren. Het budget 2002 luidt in
prijzen 2002. Het budget
2003 en het de budgetindicatie Wwb
voor 2004 luiden in prijzen 2003.
rblz.|95|
De leden van de
VVD-fractie vragen of op basis van de jaarverantwoordingen van de gemeenten over het
jaar 2001 een overzicht kan worden gepresenteerd van
alle individuele gemeenten waarbij een confrontatie wordt gemaakt van het
25%-budget van de gemeenten met
de door de gemeenten
verrichte bijstandsuitgaven?
In appendix C worden de
uitgaven die gemeenten in 2001 hebben gedaan in het kader van de
WFA
vergeleken met het WFA-budget voor 2001. De gegevens over de
gemeentelijke uitgaven zijn afkomstig uit de jaaropgaven 2001. Voor de gemeenten
die over 2001 een gezamenlijke jaaropgave hebben ingediend, worden
de uitgaven en het budget gepresenteerd voor het betreffende
samenwerkingsverband.
Bij de verdeling van het
macrobudget 2001 werd nog geen gebruik gemaakt van het objectief
verdeelmodel. De verdeling voor dat jaar vond plaats op grond van de
historische kostenaandelen in 1998. Bovendien was het aanpassingsmechanisme voor het macrobudget in 2001 anders
dan onder de
Wwb
het
geval zal zijn: neerwaartse aanpassingen van het macrobudget waren in 2001
niet mogelijk.
De raming van het
bijstandsvolume is tussen september 2000 en september 2001 op basis
van de wijzigingen in de raming van de werkloze beroepsbevolking (i.c. de
Wwb-conjunctuurindicator) met ongeveer 14 000 uitkeringen
neerwaarts bijgesteld. Het macrobudget is daardoor uiteindelijk hoger
uitgevallen dan onder de Wwb
het geval zou zijn geweest.
Over 2001 zijn aan 31 gemeenten aanvullende uitkeringen verstrekt, voor een
totaalbedrag van €|2,6 mln.
5.1.3. Budgetoverschot en
budgettekort; toetsingscommissie [MvT;
V]
Hoogte eigenrisicodrempel
De leden van de
fracties
van PvdA, CDA en VVD vragen op grond van welke berekeningen het
kabinet is gekomen tot de keuze van 10% voor de hoogte van de eigenrisicodrempel. De leden van de PvdA-fractie vragen of de verhoging van het
eigen risico daadwerkelijk 6,25% is.
De leden van de
PvdA-fractie vragen wat de bedoeling van de incentive van de eigenrisicodrempel
is. Tevens vragen zij naar de verhouding tussen de prikkelwerking
en de beïnvloedingsmogelijkheid van gemeenten met betrekking
tot het bijstandsvolume.
Op basis van
modelsimulaties heeft het kabinet gekozen voor een percentage van 10%. De
eigenrisicodrempel van 10% geeft een flinke incentive aan de gemeente
om
adequaat volumebeleid te voeren, immers een overschrijding van de gebudgetteerde
uitkeringslasten blijft tot aan het niveau van de eigenrisicodrempel geheel voor rekening van de gemeente. Het
kabinet is van mening dat
dit een beargumenteerd eigen risico betreft. Binnen de WFA bestaat een
eigen risico van 15% van het 25%-budget dan wel €|6,81 per inwoner. Binnen de
Wwb
wordt alleen gewerkt met een
percentage: 10% van het
volledige budget. Doorvertaling van de procentuele eigenrisicodrempel binnen
de WFA naar een 100%-budgetmechanisme betekent een eigenrisicodrempel van 3,75%. Het verschil
tussen 10% en 3,75% is
inderdaad 6,25%.
Op de
beïnvloedingsmogelijkheden van gemeenten wordt ingegaan in paragraaf 5.1.3 van deze
nota bij de reactie van het kabinet op de aanbevelingen van Nyfer.
Grootste financiële
risico
De leden van de
VVD-fractie vragen wat op grond van de door het kabinet gemaakte simulaties het
grootste financiële risico is, uitgedrukt in euro en rblz.|96|
in euro per hoofd en
bij welke gemeente(n). Voorts vragen deze fractieleden hoe groot dat bedrag is
als percentage van de totale gemeentebegroting en met hoeveel procent de
lokale lasten zouden moeten stijgen om een eventueel tekort,
gelijk aan het maximale risico, volledig te dekken.
De gemeente
met het
hoogste eigen risico per hoofd van de bevolking is de gemeente
Rotterdam. De
omvang van het eigen risico kan worden berekend op grond van de
indicatieve
Wwb-budgetten voor 2004 die medio juli aan de
gemeenten zijn verstrekt. Het indicatieve Wwb-budget van Rotterdam (inkomensdeel) is
€|624 259
350,-, het 10%-risico derhalve €|62 425
935,-. Het aantal
inwoners per 1 januari 2003 bedraagt 599 472. Het eigen risico per hoofd is, afgerond,
€|104,-.
Op de relatie tussen het
risico en de gemeentelijke begroting wordt in deze paragraaf ingegaan
bij het onderdeel "Rapport Nyfer, buffer voor risico’s".
Relatie
eigenrisicodrempel en verdeelmodel
De leden van de
PvdA-fractie
constateren dat de Raad van State, de Raad voor de financiële
verhoudingen, VNG, Divosa en alle andere betrokken organisaties kritisch
staan ten opzichte van het objectief verdeelmodel. Vandaar dat zij vragen waarom
de eigenrisicodrempel niet lager wordt vastgesteld.
Het kabinet heeft bij de
inrichting van de concrete verdeelsystematiek rekening gehouden met de
opvattingen van genoemde organisaties. Het kabinet hecht er
overigens aan vast te stellen dat met de VNG
eerdere afspraken zijn gemaakt
over toepassing van een objectief verdeelmodel bij de verdeling van een
macrobudget voor bijstandslasten. Naar de opvatting van de VNG was
het verantwoord om het 25%-deel op grond van de WFA te verdelen op
basis van een objectief verdeelmodel. Het kabinet is van mening dat
toepassing van het vernieuwde objectief verdeelmodel ter
verdeling van het macrobudget beargumenteerd geschiedt. Bovendien wordt gekozen voor een gefaseerde invoering, wat
mogelijkheden biedt voor
het doorvoeren van verdere technische verbeteringen die de kwaliteit van het
objectief verdeelmodel gaandeweg verder verbeteren. Ook heeft het
kabinet ervoor gekozen voor het jaar 2004 de ex-anteherverdeeleffecten
van het objectief verdeelmodel beleidsmatig in te dammen tot (in absolute
termen) 15%. Dit alles bij elkaar brengt het kabinet tot de
overtuiging dat er een evenwicht bestaat tussen lusten (beleidsvrijheid) en
lasten (financiële verantwoordelijkheid) dat een eigenrisicodrempel van 10%
rechtvaardigt.
Tijdpad bezuinigingen
De leden van de
PvdA-fractie
vragen wat de financiële effecten zijn indien aan het eind van de
planperiode de beoogde besparing wel gehaald wordt, maar niet aan het
begin van de planperiode wordt gestart met de bezuiniging op de
bijstand.
Voor een antwoord op deze
vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 11.
De leden van de
PvdA-fractie
zijn van mening dat tekortgemeenten met een budgettekort dat
groter is dan de eigenrisicodrempel, gedurende de eerste vier jaar een
compensatie moeten krijgen. Pas nadat het verdeelmodel en de CPB-ramingen een
hogere betrouwbaarheid hebben, kan worden gestart met de
zware procedure van de toetsingscommissie. Deze rblz.|97|
leden zijn voorts van
oordeel dat ook compensatie zou moeten plaatsvinden indien het budgettekort
lager is dan de eigenrisicodrempel van 10%.
Het kabinet deelt de
opvatting dat een substantieel eigen risico alleen kan worden toegepast indien
sprake is van een zorgvuldige vaststelling van de gemeentelijke
uitkeringen. Naar de mening van het kabinet wordt aan deze voorwaarde voldaan.
Het kabinet ziet daarom
geen reden om af te wijken van de systematiek als opgenomen in het het
wetsvoorstel Wwb.
Het compenseren van een
tekortgemeente in het geval het budgettekort kleiner is dan de
eigenrisicodrempel holt de achterliggende gedachte bij de eigenrisicodrempel uit
en verdient daarom geen aanbeveling. Het kabinet heeft aan het
begin van deze paragraaf aangegeven dat 10% eigen risico niet te hoog is.
Ook ziet het kabinet geen
reden om af te wijken van zijn voornemen om meteen voor het eerste uitvoeringsjaar te starten met de procedure met
de toetsingscommissie,
aangezien het kabinet van mening is dat zowel de CPB-ramingen als het
verdeelmodel wel degelijk een hoge betrouwbaarheid hebben en dat de resterende risico’s bij de verdeelsystematiek
beperkt zijn door de
fasegewijze invoering en de ex-ante-inperking van de herverdeeleffecten binnen
een bandbreedte van 15%.
Toetsingscommissie
De leden van de
PvdA-fractie
vragen naar de criteria van de toetsingscommissie. De leden van de
CDA-fractie vragen hoe de rechtszekerheid van tekortgemeenten die
een beroep op aanvullende uitkering hebben ingediend bij de
toetsingscommissie is gewaarborgd en vragen voorbeelden wanneer aan een dergelijk
verzoek wel respectievelijk niet wordt voldaan. De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet uit te leggen dat de objectiviteit van de
toetsing door de toetsingscommissie met name op het punt van de
verwijtbaarheid voldoende gegarandeerd zal zijn. Tevens stellen deze leden de
vraag welke vrijheid de
minister
heeft om van het advies van de
toetsingscommissie af te wijken.
De leden van de
VVD-fractie vragen op welke wijze concreet en objectief wordt vastgesteld of een
tekortgemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering.
Iedere
gemeente
die meent
in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullende uitkering
heeft de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek daartoe. De
onafhankelijke toetsingscommissie baseert zijn advies op informatie van de
tekortgemeente en van IWI. Naar de mening van het kabinet is hiermee de objectiviteit voldoende gewaarborgd. De
minister
kan alleen met redenen
omkleed van het advies van de toetsingscommissie afwijken.
Ten aanzien van de rol
van de toetsingscommissie wordt verwezen naar de beschrijving zoals
opgenomen in het meegezonden concept-Besluit Wwb.
De toetsingscommissie als
bedoeld in artikel 73 [73]
toetst een verzoek van een gemeente
onder andere
op de doeltreffendheid van het gevoerde beleid. De leden van de
CDA-fractie vragen in hoeverre een dergelijke toets op doeltreffendheid
past in relatie tot de niet-gemeentespecifieke toets op de
doeltreffendheid van de
Wwb
door de
minister
conform artikel 76 [76]. Zij vragen
welke criteria en voorwaarden zullen gelden voor de werkwijze van de
toetsingscommissie.
De beoordeling door
IWI
van een verzoek van een gemeente
om een aanvullend budget moet
worden onderscheiden van de uitoefening van rblz.|98|
rijkstoezicht. Een
relatie met het doeltreffendheidsbegrip in artikel 76
[76] bestaat dan ook niet. Bij
algemene maatregel van bestuur worden procedurele en inhoudelijke regels
gesteld omtrent de aanvraag- en toetsingsprocedure. De procedurele
voorschriften hebben vooral betrekking op de bescheiden die de
gemeente bij het verzoek moet overleggen, zoals de jaarverantwoording met
bijbehorende oordelen van de accountant en de raad, maar ook een rapport
waarin gemotiveerd wordt om welk aanvullend bedrag het college
verzoekt. Deze motivering berust op een analyse van de oorzaken van het
budgettekort en de maatregelen die het college neemt dan wel reeds heeft
genomen om dit tekort terug te dringen.
De inhoudelijke
voorschriften hebben betrekking op de voorwaarden waaraan gemeenten moeten
voldoen om voor toekenning van een aanvullend budget in
aanmerking te komen. Het gaat hierbij om de aanwezigheid van een
budgettekort boven de eigenrisicodrempel
Wwb, het effect van de
arbeidsmarkt en het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering van dat beleid
op grond van de Wwb. Haar oordeel of de specifieke situatie te wijten is aan
het handelen van de gemeente baseert de toetsingscommissie
primair op basis van de door de gemeente ingediende bescheiden en op een
oordeel van IWI zoals genoemd in artikel 74
[74], vierde lid, van de
Wwb. Het
hangt derhalve van de feitelijke situatie af welke inspanningen de
toetsingscommissie zal beoordelen. Het kan gaan om de lokale
reïntegratieactiviteiten of fraudeaanpak, maar ook om de inzet van wettelijke bevoegdheden
en andere relevante uitvoeringsaspecten die van invloed kunnen zijn op
het budgettekort. Het is niet de bedoeling dat een landelijk normenkader
wordt ontwikkeld met betrekking tot inspanningen die redelijkerwijs van de
gemeente mogen worden verwacht. Per situatie wordt een weging gemaakt
op basis van de specifieke omstandigheden en mogelijkheden van de
betreffende gemeente.
Voor gemeenten met minder
dan 40 000 inwoners zal in beginsel inhoudelijk een lichter regime
gelden, waarbij de toets in hoeverre het handelen van de gemeente debet is
aan het ontstane budgettekort beperkt blijft tot de vaststelling dat het
verslag over de uitvoering conform de voorschriften is opgesteld en ingediend
en dat er geen sprake is van ernstige tekortkomingen als
bedoeld in artikel 76 [76]. Mocht de door de gemeente aangeleverde informatie
een indicatie geven dat het tekort is ontstaan door het gevoerde
gemeentelijke beleid, dan kan dit alsnog betrokken worden bij het oordeel
van de toetsingscommissie. Voor meer informatie wordt verwezen naar de
inhoud van het meegezonden concept-Besluit Wwb.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen om de Raad voor de financiële verhoudingen als
toetsingscommissie te laten fungeren.
Over de personele
invulling van de voorzitter en leden plus plaatsvervangende leden zal het kabinet
- mede op basis van overleg met de VNG en de beheerders van het gemeentefonds - in de loop van het uitvoeringsjaar 2004 met een uitwerking
komen.
Rapport Nyfer, buffer
voor risico’s
De leden van de
PvdA-fractie
wijzen op het gegeven dat de hoogte van de eigenrisicodrempel niet
in evenwicht is met de mogelijkheden van de gemeente
om inkomen te
genereren of buffers voor risico’s op te vangen.
Naar de opvatting van het
kabinet bestaat er wel evenwicht tussen de hoogte van de
eigenrisicodrempel en de mogelijkheden voor gemeenten om inkomen te genereren
respectievelijk buffers voor risico’s op te vangen. In beginsel
ontvangt elke gemeente een uitkering die voldoende is om de
bijstandsuitkeringslasten te financieren. De uitkering inkomensdeel
Wwb
is een specifieke
uitkering, maar kent geen bestedingsdoel en rblz.|99|
de besteding hoeft
derhalve ook niet te worden verantwoord. Het staat de gemeente vrij om algemene
middelen in te zetten ter financiering van bijstandsuitkeringen dan
wel om buffers voor risico’s aan te leggen.
De leden van de
PvdA-fractie
stellen op basis van een Nyfer-rapport dat gemeenten een buffer
zullen moeten aanhouden ter grootte van 10% van de uitkering inkomensdeel
Wwb
ter dekking van mogelijke risico’s als gevolg van onnauwkeurige
raming macrobudget en lokale en regionale effecten die niet goed
worden meegenomen in de raming van het macrobudget. Het kabinet wordt
gevraagd hierop te reageren.
De leden van deze fractie
vragen welk percentage fondsvorming van het bijstandsvolume het
kabinet verstandig vindt, respectievelijk volgens het kabinet vereist is en wat
daarover in de Wet Fido (financiering decentrale overheden) bepaald is.
Zij willen weten wat dit betekent voor de risicoparagraaf in de gemeentelijke
begroting.
In antwoord op eerdere
vragen is uiteengezet hoe het macrobudget wordt vastgesteld en hoe dit
wordt verdeeld over de gemeenten.
Met de
Wwb
krijgen
gemeenten meer beleidsvrijheid en bijhorende financiële verantwoordelijkheid. De
financiële gevolgen van het voorgenomen bijstandsbeleid moeten
worden bezien in samenhang met de overige beleidsterreinen en
bijhorende financiering. Het kabinet heeft geen opvatting over de gewenste hoogte
van een buffer voor risico’s. Het is aan de gemeenten om te bepalen
of, en zo ja, voor welk bedrag zij een buffer wensen op te nemen in de
gemeentelijke begroting.
Gemeenten kennen geen
fondsen, maar reserves en voorzieningen. In het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten (en daarvóór in het Besluit
comptabiliteitsvoorschriften 1995) wordt voorgeschreven hoe gemeenten met
voorzieningen en met de paragraaf weerstandsvermogen om dienen te gaan. Voorzieningen dienen te worden
gevormd voor een bepaald
soort verplichtingen. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen hoe
groot de voorziening dient te zijn. Daarbij dient de gemeente ook de sociale
structuur van de gemeente in aanmerking te nemen. Eenzelfde
redenering geldt voor het weerstandsvermogen. Iedere gemeente heeft een eigen
risicostructuur en bepaalt daarom haar eigen risico’s en de daarvoor
benodigde buffer, in de vorm van het weerstandsvermogen. Het is uiteraard zeer
belangrijk dat gemeenten aan de risico’s van de Wwb
en de
verplichtingen die dit met zich meebrengt, voldoende aandacht besteden.
Ten aanzien van de vraag
hoe groot het landelijke volume is dat jaarlijks zal moeten worden
gereserveerd, onthoudt het kabinet zich van een antwoord aangezien
reservevorming bij uitstek een uitkomst is van de besluitvorming binnen het
gemeentelijk domein.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen naar een reactie op het onderzoek van Nyfer "Budget voor
de bijstand"
(juni 2003, Bruijnzeel e.a.). Zij vragen het kabinet om een
reactie op de analyse van het effect van de
Wwb
op de gemeentelijke
financiële huishouding. Zij vragen tevens om een reactie op alle aanbevelingen van
Nyfer.
Nyfer onderschrijft de
wenselijkheid van grotere bevoegdheden voor gemeenten via 100%
budgettering van de bijstandslasten. De onderzoekers geven aan dat zowel de
economische organisatietheorie als de praktijkervaring leren dat het
arbeidsmarktbeleid slagvaardiger wordt wanneer één organisatie het
beleid, de inzet van middelen, de uitvoering van de uitkeringsverstrekking en
de toeleiding naar werk met elkaar combineert (Nyfer, blz. 11). Naar hun
mening geeft het wetsvoorstel Wet werk en bijstand gemeenten in beginsel voldoende ruimte om een effectief en efficiënt
arbeidsmarktbeleid te
voeren. De bijstandsgerechtigden krijgen te maken met heldere rechten en
plichten. Een groot voordeel van het nieuwe wetsvoorstel rblz.|100|
is dat gesubsidieerde arbeid wordt uitgesloten als einddoel van
de reïntegratie (blz. 15).
Ze geven vervolgens verschillende voorbeelden hoe gemeenten aanmerkelijk
effectiever beleid kunnen voeren dan nu het geval is. Wel geeft Nyfer
aan dat de gemeente op drie punten risico loopt:
1. Gemeenten hebben naar
de opvatting van Nyfer weinig invloed op de omvang van de bijstand.
Tegelijkertijd zijn er andere partijen die de instroom in de bijstand
bevorderen, waarbij Nyfer aangeeft dat het UWV niet wordt
gestimuleerd om werklozen en arbeidsongeschikten zo snel mogelijk te
reïntegreren.
2. Gemeenten hebben
weinig invloed op het beschikbare budget, waarbij Nyfer stelt dat de
neiging bij het Rijk groot is om financiële problemen door te schuiven naar
gemeenten. Daarnaast ziet Nyfer het verdeelmodel als een extern risico en
is van mening dat de verschillende gehanteerde criteria
binnen dat verdeelmodel voor discussie vatbaar zijn.
3. Op het terrein van de
organisatie van de bijstand geeft Nyfer twee factoren aan. Enerzijds
stelt Nyfer dat vanwege gewijzigd rijksbeleid (mutaties in de WW en
WAO) de taak voor de gemeenten kan worden vergroot. Anderzijds
wijst Nyfer op de interne organisatieperikelen van gemeenten en de werking
van het duale bestel.
Ad 1.
Het kabinet is ervan
overtuigd dat - naast de conjunctuur en de bevolkingssamenstelling/sociale infrastructuur, die tot uitdrukking komen in de gekozen
verdeelsystematiek - de manier waarop de gemeente
zijn reïntegratie- en
aanpalend beleid inzet wel degelijk van grote invloed is op de omvang van de
bijstandspopulatie. Het kabinet gaat ervan uit dat met de wijzigingen van de
wet het aantal bijstandsgerechtigden ten opzichte van de oude wet
omlaag kan worden gebracht. Ook Nyfer geeft aan dat er naast
theoretische, ook empirische redenen zijn om de bijstand te decentraliseren naar
gemeenten. "Uit tal van onderzoeken blijkt dat het bijstandsvolume sterk kan
afnemen wanneer de uitkeringsverstrekker daar baat bij heeft" (blz. 15).
Met de
Wwb
komt zowel het
budgetbeheer als het beleid om mensen uit te laten stromen naar
werk in één hand te liggen. Dit geeft de juiste voorwaarden voor een slagvaardig
beleid en een efficiënte organisatie.
De invloed van de
decentralisatie van beleid komt op diverse terreinen terug. De decentralisatie
geeft de gemeenten alle ruimte om zelf beleid te maken en alle mogelijke
instrumenten in te zetten. Het gaat om het integrale beleid van gemeenten om
bijstandsgerechtigden zo kort mogelijk in de uitkering te laten
zitten. De toegenomen vrijheid voor gemeenten betekent dat gemeenten een traject
kunnen aanbieden dat op maat is voor iedere cliënt. Dit
betekent ook dat zij hun cliënten goed moeten kennen en een goede
samenwerking en
informatie-uitwisseling met de ketenpartners en met de
reïntegratiebedrijven moeten hebben. Ook de wijze van inzet van het
reïntegratiebudget en de wijze waarop reïntegratiebedrijven worden afgerekend,
beïnvloeden het succes van het beleid. Het reïntegratiebeleid kan
hierbij ondersteund worden door een goed sanctiebeleid en een goed fraude- en
handhavingsbeleid. Het sanctiebeleid voor cliënten geeft stimuli
voor cliënten die onvoldoende moeite doen om in hun eigen bestaan te
voorzien. Maar ook een goed fraudebeleid zorgt voor stimuli voor
bijstandsgerechtigden om de zoekintensiteit naar een baan te verhogen. De
bedrijfsvoering van de gemeentelijke sociale dienst kan verder worden
geprofessionaliseerd en sterker worden gericht op het streven naar duurzame
uitstroom.
Op het UWV wordt
onderstaand ingegaan bij het punt "aanbevelingen".
Ad 2.
Gemeenten hebben niet op
alle factoren invloed die effect hebben op de omvang van de
bijstandspopulatie. Het meest voor de hand liggende rblz.|101|
voorbeeld hiervan is de
stand van de conjunctuur. Hiervoor wordt gecorrigeerd in het macrobudget.
Hetzelfde geldt voor een verhoging van het bijstandsvolume als
gevolg van beleid van het kabinet. Ook hiervoor zal het macrobudget worden
gecompenseerd. Dit is in de wet verankerd. In het verdeelmodel wordt
rekening gehouden met factoren als het aantal lage inkomens en het
aantal eenoudergezinnen. Diverse factoren waarop de gemeenten geen invloed
hebben, komen via deze variabelen terug. In het verdeelmodel wordt de
gemeente hiervoor gecompenseerd.
Een nadere toelichting op
het functioneren van het objectief verdeelmodel wordt gegeven in de
bijlage bij het concept-Besluit financieringssystematiek Wwb, dat tegelijkertijd
met deze nota naar aanleiding van het verslag naar de Eerste en
Tweede Kamer is verzonden.
Ad 3.
Zoals hierboven al is
aangegeven, houdt het Rijk bij de raming van het macrobudget inkomensdeel
rekening met de effecten van gewijzigd beleid. Een verwachte
extra instroom in de bijstand als gevolg van wijzigingen in WW en
WAO wordt
derhalve verwerkt in de raming en vaststelling van het macrobudget. Ten
aanzien van de opmerking over de interne organisatie bij gemeenten
volstaat het kabinet met de constatering dat de nieuwe bijstandsregeling
juist beoogt om een dusdanige financiële stimulans neer te leggen bij de
gemeente opdat deze haar interne organisatie efficiënt en effectief
inricht. Het kabinet gaat er hierbij van uit dat de gemeenteraad het college
van B&W in voldoende mate controleert in de mate waarin en de wijze
waarop het gemeentelijk beleid wordt ingericht en efficiënt en
effectief wordt uitgevoerd.
Over de effecten van de
Wwb
op de gemeentelijke huishouding merkt het kabinet het volgende op.
In de analyse van Nyfer wordt een vergelijking gemaakt tussen de hoogte
van het risico dat de gemeente
loopt en de kosten voor verschillende
uitgavenposten zoals sport, sociaal-cultureel werk en onderwijs.
Hieruit blijkt dat voor verschillende gemeenten de 10% eigen risico
vergelijkbaar is met de totale uitgaven in verschillende steden op het
sociaal-cultureel
werk.
Het eigen risico op het
inkomensdeel kan niet worden vergeleken met de uitgaven op posten als
het sociaal-cultureel werk, sport, etc. In tegenstelling tot genoemde
uitgavenposten is het eigen risico op het inkomensdeel geen structurele uitgave.
Zo kan ook niet worden gezegd dat een overschrijding op de Noord-Zuidlijn in
Amsterdam ertoe leidt dat één van de bovengaande
uitgavenposten verdwijnt. In de gemeenterekening houdt de gemeente rekening met
onvoorziene uitgaven. Meer relevant zijn de bijstandsuitgaven als
percentage van de totale uitgaven. Dit is gemiddeld 13,1% (zie ook tabel 2.1
in het Nyfer-rapport). Op dit bedrag loopt de gemeente ex post 10%
risico, oftewel 1,3% van de totale uitgaven van de gemeente, mits aan de
voorwaarden van een aanvullende uitkering wordt voldaan. Het ex-anterisico is veel beperkter door het beleidsmatig indammen van de
herverdeeleffecten van het objectief verdeelmodel tot 15% (voor 2004 wordt 40%
van het macrobudget op basis van het objectief verdeelmodel verdeeld).
Het ex-anterisico is hiermee maximaal 6% (40% van 15%), oftewel
0,8% van de totale uitgaven van de gemeente. Ook kleine gemeenten
lopen een risico van 10% op hun budget voor de uitkeringslasten. Door de
geringe schaalgrootte zal eerder een fluctuatie van het saldo van het
Inkomensdeel kunnen optreden, zowel in positieve zin als in negatieve zin.
Hiermee wordt rekening gehouden door een lichtere toetsing bij de
aanvullende uitkering voor kleinere gemeenten. Anderzijds is juist bij
kleinere gemeenten het percentage van de uitgaven aan bijstand als
percentage van de totale uitgaven aanzienlijk lager dan voor grote gemeenten.
Waar dit voor gemeenten in de klassen boven de 50 000 inwoners gemiddeld
tussen de 14,0 (>250 000) en 15,3 (150 000-250 000) zit, rblz.|102|
is dit
percentage voor de echt kleinere gemeenten met minder dan 5000 inwoners 4,6 en voor de
gemeenten tussen de 5000 en 10 000 inwoners 8,1.¹
1. Cijfers CBS
2003; zie
ook rapport Nyfer "Budget voor de bijstand", blz. 26.
Aanbevelingen Nyfer
1. Het macrobudget zou
twee componenten moeten bevatten: één component die alle
externe risico’s afdekt en daarnaast een beloning voor gemeenten die goed
presteren. Een driejarig vast budget dat wel compenseert bij economische tegenwind, maar niet afroomt bij
gunstige conjunctuur.
Het kabinet raamt een
macrobudget waarbij nauwkeurig gekeken wordt naar de volume- en
prijscomponent alsmede naar de effecten van gewijzigd rijksbeleid. Binnen de
volumecomponent zit de economische conjunctuur verwerkt. Dit
macrobudget wordt tijdens het uitvoeringsjaar bijgesteld. Dit
macrobudget wordt verdeeld over alle gemeenten. Iedere gemeente ontvangt op deze
wijze een uitkering die in beginsel toereikend is voor de financiering
van bijstandsuitgaven. Deze methodiek wordt jaarlijks herhaald,
waardoor de bijstandsramingen telkens gebaseerd worden op recente
gegevens.
Het voorstel van Nyfer
kent een groot budgettair risico voor het Rijk. Indien in een paar jaar
het aantal bijstandsgerechtigden meer dan verwacht omlaag gaat,
krijgen gemeenten - zonder dat zij hiervoor iets hebben hoeven doen - een te groot budget. Dit moet via ombuigingen op andere terreinen of door
hogere belastingen worden gecompenseerd.
2. Het is van belang dat
snel instrumenten worden ontwikkeld om de doelmatigheid en
rechtmatigheid te meten.
Het kabinet is van mening
dat informatie over doeltreffendheid zo snel mogelijk voor alle gemeenten beschikbaar moet komen. Zoals Nyfer aangeeft in haar
aanbeveling moet deze informatie in eerste instantie uit de praktijk komen en moet
via benchmarks tussen gemeenten zichtbaar worden welke resultaten
mogelijk zijn. De kernkaart zoals deze in de
Wwb
is opgenomen, kan hier een
bijdrage aan leveren. Informatie over rechtmatigheid wordt verplicht
verantwoord via het verslag over de uitvoering. Informatie over doelmatigheid is
ter
eigen keuze van de gemeente. Hiervoor heeft StimulanSZ een - niet openbare
- benchmark.
3. UWV en CWI moeten hun
bestaansrecht bewijzen of anders verdwijnen.
UWV en
CWI ondervinden
geen financiële stimuli van succesvolle of falende uitvoering.
Volgens Nyfer loopt de gemeente
hierdoor een risico, omdat de rekening van een
slecht functionerend UWV en CWI bij de gemeente terecht komt.
Het kabinet onderkent dat
in de praktijk steeds meer behoefte is ontstaan aan een grotere
beleidsvrijheid voor partijen om tussen gemeenten, CWI en UWV afspraken te maken
over een betere en effectievere samenwerking. In paragraaf 6.3 van deze
nota wordt ingegaan op de verdere uitwerking van de ruimte om hiertoe
te experimenteren en de werkprocessen van CWI en gemeenten
beter op elkaar aan te laten sluiten alsmede op het belang van goede
afspraken binnen de keten van werk en inkomen.
4a.
De gemeenten moeten
werk maken van werk: de balansbenadering
Het kabinet kan zich
vinden in de aanbeveling van Nyfer dat gemeenten zo snel mogelijk van start
gaan met een eigen gemeentelijk beleid dat is rblz.|103|
gebaseerd op de
verantwoordelijkheden die ze dragen voor geld, beleid en uitvoering. Hierbij
kan gebruik worden gemaakt van ervaringen in binnen- en buitenland.
Tevens onderschrijft het kabinet dat niet alleen de directe financiële
risico’s van het bijstandsbudget maatgevend zijn, maar dat ook de grotere
maatschappelijke kosten van een langdurig verblijf in de bijstand moeten worden
meegenomen. Volgens het kabinet valt dit overigens grotendeels
samen. Het is in het belang van de gemeenten niemand aan zijn lot over
te laten. Het financiële risico zorgt er mede voor dat ook de bijstandsgerechtigden met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt
- in een vroeg stadium - een traject naar werk krijgen aangeboden. Hiermee worden ook de
maatschappelijke kosten beperkt.
4b.
Het Rijk moet
werkelijk decentraliseren. Echte decentralisatie lukt alleen als gemeenten
zeker weten waar ze de komende jaren aan toe zijn. Het wetsvoorstel
geeft daarover onvoldoende zekerheid. Starten met een meerjarig budget
en heldere compensatie bij economische tegenslag zonder
tussentijdse afroming bij gunstige conjunctuur geeft gemeenten het signaal dat
het Rijk de decentralisatie en de gemeenten serieus neemt.
Op 4b is door het kabinet
reeds eerder ingegaan bij aanbeveling 1.
Artikel 12
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe wordt omgegaan met gemeenten die een
zogeheten artikel-12-status hebben. Daarnaast vragen deze leden zich af
of een onderbouwing kan worden gegeven van het aantal
gemeenten dat door de invoering van de
Wwb
in een artikel-12-status
terecht kan komen.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen naar het aantal gemeenten dat op basis van de verdeling
2004 een artikel-12-status zal krijgen. Dezelfde vraag wordt gesteld voor
de jaren tot en met 2007.
Een
gemeente
kan een artikel-12-status krijgen wanneer ze gedurende een structurele periode
(drie jaar) te kampen heeft met financiële tekorten. Op voorhand kan niet
worden aangegeven of en hoeveel gemeenten daadwerkelijk een artikel-12-status zouden kunnen krijgen.
Het kabinet maakt binnen
de financieringssystematiek geen onderscheid tussen gemeenten die wel respectievelijk niet te maken hebben met een
artikel-12-status. Ook
ten aanzien van het bijstandsbeleid van artikel-12-gemeenten is het
kabinet niet voornemens af te wijken van de algemene lijn die ten grondslag
ligt aan het voorliggende wetsvoorstel.
Uitvoeringskosten
De kosten van de
uitvoering van de Bijstandswet lopen evenals de bijzondere bijstand via het
gemeentefonds. Daarover hebben de leden van de
PvdA-fractie
een aantal
vragen.
Deze leden noemen een
bedrag van ƒ5000,- per bijstandscliënt dat in 1996 zou zijn geraamd. Dit
afgeronde bedrag zal, naar mag worden aangenomen, zijn afgeleid als de som
van enerzijds het bedrag dat per 1997 bij de introductie van de
nieuwe Financiële-verhoudingswet
gold voor de maatstaf "uitvoeringskosten
bijstandsontvangers" (ca. ƒ2370,- na
vermenigvuldiging met de uitkeringsfactor)
en anderzijds het bedrag dat toen gold voor de maatstaf "bijstandsontvangers"
(ca. ƒ2960,- na vermenigvuldiging met de uitkeringsfactor).
De laatste maatstaf hield vooral verband met het 10%-aandeel dat
de gemeenten destijds droegen in de bijstandsuitkeringen. Die verdeling (10%
gemeentelijk aandeel, 90% declarabel bij SZW) is nadien sterk gewijzigd; het belang van de maatstaf
"bijstandsontvangers"
rblz.|104|
is door die
wijziging navenant sterk teruggelopen. De ƒ5000,- van destijds is nu dan
ook niet meer relevant.
Bij de verdeling van het
gemeentefonds worden met betrekking tot de uitvoeringskosten twee verdeelmaatstaven gehanteerd, te weten
"uitvoeringskosten
bijstandsontvangers"
en "schaalfactor
uitvoeringskosten". Het gewicht van de eerstgenoemde verdeelmaatstaf bedraagt voor het uitkeringsjaar
2003 op dit moment €|1113,99 per bijstandsontvanger, waarbij het aantal
bijstandsontvangers bevroren is op het gemiddelde aantal naar de ultimostanden van de jaren 1995, 1996 en 1997. Het genoemd bedrag
per bijstandsontvanger is niet geïndexeerd. In algemene zin is de
ontwikkeling van het gemeentefonds gekoppeld aan de ontwikkeling van de
netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, de normeringsystematiek.
Via het jaarlijkse
onderhoudstraject van het gemeentefonds wordt bezien of er aanleiding is om de
hierboven beschreven verdeelsystematiek voor de uitvoeringskosten te
heroverwegen. Daartoe bleek tot nu toe nog geen aanleiding. Gewezen wordt
overigens op het lopende onderzoek van het onderzoeksbureau Cebeon
naar de herijking van de clusters sociale dienst/bijstand en zorg,
met als inzet tot drie nieuwe clusters te komen, die als voorlopige naam
hebben meegekregen de clusters Werk en Inkomen, Educatie en Gezondheid.
In het kader van dat onderzoek wordt ook aandacht besteed aan de
uitvoeringskosten bijstand en aan een eventuele herziening van de "bevroren"
aantallen bijstandsgerechtigden. De gemeentefondsbeheerders
zullen de Tweede Kamer te zijner tijd informeren over de resultaten van de
herijking en de conclusies die zij daaraan verbinden. Die informatie
zal de Kamer naar verwachting in het voorjaar van 2004 bereiken.
[5.2.
Financieringssystematiek werkdeel, red.] [MvT;
V]
5.2.1. Macrobudget
werkdeel [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen hoe het macrobudget voor het werkdeel wordt samengesteld. Zij
vragen naar de argumentatie van het kabinet om het flexibele
reïntegratiebudget niet aan te passen aan conjuncturele ontwikkelingen dan wel
rijksbeleid.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen welke genormeerde prestatie-indicatoren het kabinet hanteert bij
de veronderstelling dat het budget voor de
reïntegratiemiddelen voldoende is.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie constateren dat het macrobudget voor het inkomensdeel
meebeweegt met de conjunctuur, terwijl dit niet voor het
werkdeel geldt. Kan dit nader worden toegelicht? Deze keuze maakt op de leden
van de fractie van de ChristenUnie geen consistente indruk, gezien het uitgangspunt van de nieuwe
Wet werk en bijstand.
De leden van de fractie
van GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de raming van het
budget voor de reïntegratie.
Anders dan bij het
macrobudget inkomensdeel wordt het macrobudget werkdeel niet gekoppeld
aan conjuncturele ontwikkelingen en veranderingen in het rijksbeleid. Reden
hiervan is dat uitgaven aan reïntegratie niet één op één
gekoppeld kunnen worden aan de stand van de conjunctuur, terwijl dat bij de
uitgaven aan bijstandsuitkeringen wel het geval is. Het staat namelijk niet
op voorhand vast dat in een hoogconjunctuur (weinig
bijstandsgerechtigden) er minder uitgaven zijn aan reïntegratie dan in een
laagconjunctuur (veel bijstandsgerechtigden). In een hoogconjunctuur kunnen er relatief veel
moeilijk bemiddelbare groepen in het bestand zitten waarbij
reïntegratie relatief duur is, terwijl in een laagconjunctuur er relatief veel
makkelijk bemiddelbare groepen in het bestand zitten waarbij
reïntegratie minder duur is. Daarnaast geldt dat gemeenten niet alleen
bijstandsgerechtigden reïntegreren, maar ook NUG-ers en Anw-ers. Met
name die eerste groep zal zich waarschijnlijk in rblz.|105|
een hoogconjunctuur veel
aanbieden, waarvoor dan ook budget kan worden ingezet. Het is
derhalve niet nodig het budget mee te laten fluctueren met de conjunctuur.
Bovendien worden zo schommelingen voorkomen, waardoor gemeenten geen
onzekerheden hebben bij het aangaan van verplichtingen voor
reïntegratie. Door een efficiënte en effectieve inzet van het macrobudget
werkdeel kunnen gemeenten op het inkomensdeel budget vrijspelen dat
weer ingezet kan worden voor reïntegratie. Ook het (arbeidsmarkt)beleid
van het kabinet is erop gericht de werkgelegenheid te stimuleren en werkloosheid te verminderen, zeker in tijden van
een conjuncturele
neergang. Mocht het kabinetsbeleid forse negatieve of positieve consequenties
hebben op het bestand dat gemeenten moeten reïntegreren, dan zou overwogen kunnen worden of aanpassing van het
macrobudget werkdeel
wenselijk is. Bij eventuele verhoging van het budget geldt dat daar
ruimte voor moet zijn binnen de budgettaire kaders.
Relatie reïntegratie en
inburgering
Naar de mening van de
leden van de VVD-fractie ligt er een sterke relatie tussen
inburgeringstrajecten en reïntegratie in het kader van de
Wwb. Zij vragen of het kabinet
heeft overwogen om de middelen voor inburgering op te nemen in het
werkdeel. Ook de leden van de
PvdA-fractie
vragen of het kabinet kan aangeven
of in de toekomst ook delen van zorg en inburgeringsbudgetten aan
het flexibel reïntegratiebudget worden toegevoegd. De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet te beoordelen hoe deze beperkte opzet zich
verhoudt tot de beoogde besparingen op dit budget.
De departementen van
SZW, Justitie, OCW,
BZK en VWS verkennen momenteel tezamen met de
VNG de mogelijkheden van deregulering, het samenvoegen van budgetten
en het terugbrengen van administratieve lasten om een integrale
aanpak van gemeenten te stimuleren ter verhoging van de participatiegraad
van burgers.
De beoogde besparingen op
het werkdeel zijn alleen gerelateerd aan de behoefte aan en de
beschikbaarheid van financiële middelen voor reïntegratiebeleid. Het
is niet zo dat een verbreding van het werkdeel met bijvoorbeeld middelen
voor inburgering iets aan die behoefte of beschikbaarheid verandert.
De leden van de
fracties
van PvdA en VVD vragen of het kabinet kan aangeven in welke mate de
verschillende doelgroepen op dit moment gebruik maken van de
middelen, zoals die in het flexibel reïntegratiebudget worden opgenomen
In onderstaande tabel
wordt aangegeven welke (uitkerings)situatie van toepassing was vóór
instroom in gesubsidieerde arbeid. Naast de in de tabel genoemde
instrumenten zal het flexibel reïntegratiebudget ook het huidige
scholings- en
activeringsbudget Wiw
omvatten. Dat budget kan worden ingezet voor Abw-gerechtigden, personen met een
Anw-uitkering en
niet-uitkeringsgerechtigde werkloze werkzoekenden.
| Herkomst
(jaar 2002) |
ID-banen |
Wiw-DB |
Wiw-WEP |
| Abw/Ioaw/Ioaz |
v52,1% |
v61% |
v43% |
| Andere uitkering
(WAO/WW) |
vv8,9% |
vv6% |
v4% |
| Herintrederxxxxxxxxxxxxxxx |
vv5,7% |
v |
v |
| Wiw |
v25,2% |
v14% |
v36% |
| Overig contract
(Wsw/ID) |
vv8,1% |
v19% |
v17% |
| Totaal |
100,0% |
100% |
100% |
Bron: ID-monitor, ECORYS-NEI/Wiw-statistiek
EIM.
rblz.|106|
De leden van de fracties
van PvdA en VVD vragen of de Kamer ook na invoering van
onderhavige
wet een landelijk beeld kan krijgen over de mate waarin de
verschillende doelgroepen gebruik maken van de verschillende instrumenten uit het
flexibele reïntegratiebudget. Zij vragen tevens of in dit kader informatieverplichtingen voor de
gemeenten worden
geschrapt.
Met het oog op beperking
van de administratieve lasten voor de gemeenten zal
informatieverplichting voor de gemeenten minder gedetailleerd zijn dan tot op heden.
Daardoor wordt niet meer gevraagd naar afzonderlijke reïntegratie-instrumenten, maar wordt op een hoger niveau
onderscheiden, namelijk
het soort traject, waarbij een zeer globale categorie-indeling zal
worden gehanteerd. Het uitvragen op niveau van instrument is voor gemeenten immers veel bewerkelijker dan uitvragen
op trajectniveau.
Doelgroepen worden nog wel onderscheiden door middel van vraagstelling
naar de door de gemeenten bij de uitvoering duidelijk te onderscheiden categorieën zoals
Wwb-uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden
en Anw-gerechtigden, of door onderscheid naar
bevolkingscategorieën gebruik te maken van informatie uit bijvoorbeeld het GBA
[gemeentelijke basisadministratie, red.] die
aan de reïntegratiemonitor wordt toegevoegd. Deze laatste werkwijze
impliceert ook dat vragen die ingaan op informatie die in de GBA al is
opgeslagen, zoals etniciteit, niet in de desbetreffende monitors behoeven voor te
komen.
5.2.2. Verdeelsystematiek
werkdeel [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie
vragen om het concept-besluit van de verdeelsystematiek van
het werkdeel. Voorts vragen deze leden om een wijziging van de
voorgestelde verdeelsystematiek die is opgenomen in de algemene toelichting bij
het wetsontwerp Wwb. De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet een
overzicht te verstrekken van het huidig budgetverdeelsysteem,
het voorgenomen verdeelsysteem over een periode van tien jaar en
een variant waarbij de bijstandsdichtheid als verdeelfactor is
meegenomen.
Tegelijkertijd met het
verzenden van de nota naar aanleiding van het verslag ontvangt de Kamer
het concept-Besluit financieringssystematiek Wwb.
In de memorie van
toelichting bij het wetsontwerp Wwb is de voorgenomen nieuwe verdeelsystematiek
(structurele situatie en overgangsregime) kort beschreven. In
afwijking van hetgeen is gesteld in de memorie van toelichting
zal het aldaar beschreven overgangsregime pas vanaf het uitvoeringsjaar
2005 van start gaan.
Voor het uitvoeringsjaar
2004 zal op verzoek van VNG en gemeenten het beschikbare macrobudget
worden verdeeld op basis van de procentuele aandelen van de gemeenten
in het uitvoeringsjaar 2004. Dit betekent dat voor dat jaar is gekozen
voor een verdeelsystematiek welke is gebaseerd op de status quo voor het
jaar 2003. Het aandeel van een gemeente in 2004 is gelijk aan het
aandeel van deze gemeente in het totaal beschikbare budget in 2003. Het
macrobudget 2003 bestond uit vijf verschillende budgetten:
1. Wiw-normbudget
2. Wiw-declaratiedeel
dienstbetrekkingen
3. Wiw-declaratiedeel
werkervaringsplaatsen
4. Wiw-scholings- en activeringsbudget
5. ID-budget
Het aandeel voor een gemeente in 2003 wordt bepaald door de som van deze budgetten gedeeld
door het beschikbare macrobudget. Voor de budgetten 1, 4 en 5 komt
dit neer op het optellen van de toegekende budgetten. Voor de
budgetten 2 en 3 dient een systematiek te worden rblz.|107|
gehanteerd die het macro beschikbare declaratiebudget toedeelt aan gemeenten. Dit is als
volgt gebeurd:
- toedeling
declaratiedeel Wiw-dienstbetrekkingen: het budgetaandeel per gemeente is gebaseerd
op het aantal gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen
van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale aantal
gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen in het jaar 2002 - gemiddelde stand
over dat jaar op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te
vermenigvuldigen met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel
Wiw-dienstbetrekkingen;
- toedeling
declaratiedeel Wiw-werkervaringsplaatsen: het budgetaandeel per gemeente is gebaseerd
op het aantal Wiw-werkervaringsplaatsen
van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale
aantal Wiw-werkervaringsplaatsen in het jaar 2002 - gemiddelde stand
over dat jaar op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te
vermenigvuldigen met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget
declaratiedeel Wiw-werkervaringsplaatsen.
Beide budgetaandelen zijn
opgeteld bij de overige deelbudgetten om het totale budget van een
gemeente in 2003 te berekenen. Als bijlage is een overzicht opgenomen van
de procentuele aandelen per gemeente en de gemeentelijke uitkeringen
bij een gegeven macrobudget ter grootte van €|1 562 606
000,-.
De verdeelsystematiek
zoals opgenomen in de memorie van toelichting (overgangregime en
structurele situatie) zal één jaar later, dus vanaf 2005, aanvangen. Binnen de
overgangsperiode wordt rekening gehouden met enerzijds de lopende
verplichtingen gesubsidieerde arbeid van individuele gemeenten en anderzijds
de beleidsmatig vastgestelde landelijke uitstroom uit
gesubsidieerde banen.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen waarom de verdeelsystematiek werkdeel enkel is
gebaseerd op aantal bijstandsgerechtigden en stellen dat dit geen
recht doet aan het feit dat de reïntegratietaak een veel grotere doelgroep
betreft. Voorts vragen de leden wanneer de gesprekken met gemeenten
over het overgangsregime, zoals opgenomen in de Wwb, kunnen worden
afgerond. Zij gaan er hierbij tevens van uit dat het advies van de Raad
voor de financiële verhoudingen hier nadrukkelijk bij zal worden betrokken.
Er moet een onderscheid
worden gemaakt tussen enerzijds de verdeelsystematiek van de werkdeelmiddelen en
anderzijds de doelgroepen waarvoor de gemeenten de
beschikbaar gestelde middelen dient in te zetten. Het feit dat in de
voorgestelde verdeelsystematiek enkel de bijstandsgerechtigden, gecorrigeerd voor de
uitkeringsduur, zijn opgenomen, betekent dan ook niet dat
gemeenten enkel voor deze doelgroep voorzieningen dienen in te zetten. Het
budget is door gemeenten inzetbaar voor alle doelgroepen die
onder de reïntegratieopdracht van de
Wwb
vallen. Uit analyse van
voorlopige cijfers is gebleken dat de verhouding bijstandsgerechtigden
versus NUG-ers en Anw-ers weliswaar niet gelijk is voor alle gemeenten, maar
dat de afwijkingen binnen een beperkte marge liggen op grond waarvan
is besloten in de verdeelsystematiek te abstraheren van NUG-ers en Anw-ers.
Het kabinet zal nader
overleg voeren met de VNG over de mogelijkheid om
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers bij de verdeelsystematiek mee te nemen. Het zal een
definitief oordeel mede laten afhangen van de kwaliteit van de
beschikbare cijfers.
De leden van de
CDA-fractie vragen hoe de verdeelsystematiek er meer concreet uit zal zien.
Zij vragen in hoeverre het overgangsregime in strijd is met het doel van een
vrij besteedbaar reïntegratiebudget voor gemeenten. Tevens vragen
deze leden of er sprake is van een spreiding rblz.|108|
van de bezuinigingen op
de gesubsidieerde arbeid in plaats van een bezuiniging per 1 januari
2004 (zie MvT, blz. 19 en 20).
Het macrobudget van het
werkdeel wordt vanaf 2004 samengesteld uit de budgetten die voor de ID
en Wiw
op de begroting beschikbaar zijn.
De verdeelsystematiek
voor het werkdeel werkt als volgt. Voor iedere gemeente
wordt bepaald
hoeveel bijstandsgerechtigden er gemiddeld gedurende het jaar in de
klassen 0 tot 1 jaar, 1 tot 2 jaar, 2 tot 4 jaar en langer dan 4 jaar hebben
gezeten. De aantallen per klasse worden vermenigvuldigd met de wegingsfactoren
1/7, 2/7, 3/7 en 1/7 en bij elkaar opgeteld. Bij deze wegingsfactoren
is het uitgangspunt de behoefte van middelen van
verschillende bijstandsgerechtigden. Een langdurig werkloze is moeilijker terug te
leiden naar de arbeidsmarkt. Op basis van deze som wordt het aandeel van
een gemeente uit het macrobudget vastgesteld.
Via het overgangsregime
wordt er zorg voor gedragen dat de gemeenten een budget krijgen dat
rekening houdt met het resterende aantal gesubsidieerde banen en met de oploop in
de bezuinigingen. Het blijft echter de keuze van de gemeenten om
te bepalen waar de budgetten aan worden uitgegeven.
De bezuinigingen zoals
deze zijn ingezet in het Strategisch Akkoord worden onverminderd
voorgezet. In deze bezuinigingen wordt uitgegaan van een gefaseerde
verlaging van de inzet van gesubsidieerde arbeid.
5.2.3. Budgetoverschot
werkdeel [MvT;
V]
De leden van de
fracties
van CDA en VVD vragen waarom het kabinet heeft gekozen voor een
model waarbinnen een budgetoverschot op het inkomensdeel wel en een
budgetoverschot op het werkdeel niet zelf door gemeenten mag worden
benut. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA waarom er
verschil wordt gemaakt in de regels voor het inkomensdeel ten opzichte
van het werkdeel.
De
financieringssystematiek van de
Wwb
voor wat betreft het inkomensdeel stimuleert gemeenten om
een effectief volumebeleid (i.c. reduceren van onnodige instroom en
stimuleren van uitstroom) te voeren. Het kabinet vindt het in
samenhang daarmee van groot belang dat de voor reïntegratie beschikbare
middelen daadwerkelijk voor reïntegratie worden besteed en heeft dit
budget daarom geoormerkt om te voorkomen dat het reïntegratiebudget wordt
ingezet om eventuele tekorten op het inkomensdeel, dan wel eventuele andere
tekorten binnen de gemeentelijke begroting, te compenseren. Het
kabinet ziet graag dat een eventueel overschot wordt besteed aan
reïntegratie, maar stelt dit niet verplicht.
Als het gevolg van dit
verschil in wel en niet oormerken zijn er ook andere regels. Zo wil de
overheid kunnen controleren dat de voor reïntegratie beschikbaar gestelde
middelen daar daadwerkelijk aan besteed zijn.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoe het moeten teruggeven van een overschot op het werkdeel
zich verhoudt tot de beleidsvrijheid en eigen verantwoordelijkheid van gemeenten. Zij vragen het kabinet waarom het, gezien de groeiende
werkloosheid, de overschotten niet de komende vier jaar bij de gemeenten
laat.
De leden van de
VVD-fractie vragen welk meeneempercentage het kabinet acceptabel vindt, gelet
op de ongewenste effecten. Ware het niet beter terug te keren naar de
situatie waarin in het geheel geen sprake was van een meeneemregeling, mede
omdat gezien de omvangrijke bezuinigingen geen stuwmeren met ongebruikt geld te verwachten zijn?
De uitkering van het
werkdeel kent een bestedingsoormerk. Dit in tegenstelling tot de uitkering van het
inkomensdeel. Daarom moet de gemeente rblz.|109|
zich via het verslag over
de uitvoering verantwoorden over de mate waarin de toegekende
middelen zijn besteed. Het deel van het toegekende bedrag - uitgezonderd
het deel van het budget dat mag worden meegenomen op grond van de
meeneemregeling - dat niet is uitgegeven, vloeit terug naar het Rijk.
Het vrijgeven van een
uitkeringsoverschot op het werkdeel - hetzij voor een periode van vier
jaar, hetzij voor onbepaalde periode - draagt niet bij aan beleidsvrijheid.
Gemeenten hebben, gelet op artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a,
Wwb, tot taak
om personen die tot de doelgroep behoren te reïntegreren naar
betaalde arbeid. De financiële middelen daartoe worden door het Rijk verstrekt.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid inzake de invulling die ze hiervoor kiezen.
Het versterkt het belang van gemeenten om daadwerkelijk invulling
te geven aan de reïntegratietaakstelling wanneer een eventueel overschot
op de middelen die meegenomen mogen worden, terugvloeit naar
het Rijk. Mocht blijken dat een gemeente een dergelijk overschot
heeft, gaat het kabinet ervan uit dat deze gemeente blijkbaar met minder
middelen kan volstaan. Het terugsluizen van dit overschot naar het Rijk
ligt dan voor de hand.
Het kabinet is voornemens
om de meeneemregeling vast te stellen op 25%. Dit betekent dat
gemeenten een overschot volledig mogen meenemen naar een volgend
jaar, tot een maximum van 25% van het toegekende budget.
Volgens het kabinet biedt dit de gemeente voldoende flexibiliteit bij de
inzet van haar reïntegratiebudget. De meeneemregeling wordt nader toegelicht in
de bijgevoegde concept-inhoud van het Besluit financieringssystematiek Wwb.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het kabinet niet bang is dat de voorgestelde systematiek
en de bezuinigingen een extra stimulans zullen zijn voor gemeenten om
voor goedkopere, kortdurende trajecten te kiezen, waarvan zeker
degenen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt niet altijd profijt van
zullen hebben.
Door de gewijzigde
financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun
klanten de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten voor de
individuele klant en daarbij uitgaan van maatwerk. Gemeenten hebben er ook
baat bij in te zetten op moeilijkere doelgroepen vanwege de risico’s van
een langdurig beslag op het inkomensdeel. De gemeenten krijgen door
het vrij besteedbare reïntegratiebudget ruimere mogelijkheden om voor
complexe doelgroepen passende voorzieningen in te zetten, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen.
Daarnaast moeten
gemeenten in een verordening het reïntegratiebeleid concretiseren, waarbij
sprake moet zijn van een evenwichtige aanpak van alle doelgroepen.
Verder
kunnen betrokkenen aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente bij
reïntegratie. Het kabinet is van mening dat hierdoor een evenwichtige
aanpak van verschillende doelgroepen voldoende wordt gewaarborgd.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het, als de gemeenten geen substantiële besparingen
kunnen realiseren in 2004, fatsoenlijk is om wel een forse bezuiniging per
1 januari 2004 op te leggen, te meer daar deze vooral op de
uitvoeringskosten rust. Zij vragen of dit niet ten koste gaat van een zorgvuldige
invoering.
Het kabinet maakt een
andere analyse van de situatie in het jaar 2004 dan de leden van de
PvdA-fractie. In de eerste plaats wordt er in de taakstelling over het jaar 2004
(€|150 mln versus
€|250 mln structureel) rekening mee gehouden dat de
Wwb
in
dat jaar nog niet zijn volle effect heeft. In de tweede plaats zou een gemeente, juist door het grote financiële belang van de
Wwb, er
onverstandig aan doen om de eventuele problematiek van een niet-gerealiseerde taakstelling op te lossen door te bezuinigen op rblz.|110|
de uitvoeringskosten.
Daarmee zouden immers de mogelijkheden worden beperkt om structureel de
benodigde taakstelling te realiseren.
5.3. Relatie inkomens- en
werkdeel
De leden de CDA-fractie
vragen waarom in het wetsvoorstel is afgeweken van een aanvankelijke
overweging om eventuele niet-bestede inkomensgelden verplicht in te zetten
voor het werkdeel.
Het budget inkomensdeel
Wwb
betreft een specifieke uitkering die feitelijk fungeert als een algemene
uitkering. Dit budget kent geen bestedingsrichting en daarom bestaat er ook
geen verantwoordingsplicht van deze bestedingen. Dit
impliceert dat het niet uitmaakt wat de gemeente
met dit geld doet; de middelen
kunnen worden ingezet voor elke denkbare activiteit, bijvoorbeeld de
stadsschouwburg, uitkeringen verstrekken, reïntegratieactiviteiten.
Het kabinet ziet graag dat (een deel van) het overschot op het inkomensdeel wordt
ingezet om andere werkzoekenden te reïntegreren, maar kan
zich voorstellen dat een gemeente dit overschot inzet voor andere
prioriteiten. Het past bij het verschuiven van de verantwoordelijkheid van het
reïntegratiebeleid dat de gemeente hier zijn eigen afweging in maakt.
De leden van de
VVD-fractie merken op dat de gemeenten die de
work-firstaanpak in de
praktijk willen toepassen in formele (en niet in feitelijke) zin minder
bijstandsgerechtigden hebben. Zij worden door de toepassing van dat
concept feitelijk gestraft. Dat lijkt een ongewenste situatie. Zij vragen het
kabinet hoe hiermee in de toekomst om te gaan.
De
Wwb
biedt de
mogelijkheid om het inkomensdeel in te zetten voor voorzieningen waarbij
een arbeidscontract wordt aangeboden, zoals in geval van gesubsidieerde
arbeid en mogelijk bij een work-firstaanpak. Indien
uitkeringsgerechtigden een arbeidscontract krijgen, betekent dit dat zij uitstromen uit
de
uitkering. Aangezien het macrobudget afhankelijk is van het aantal
uitkeringsgerechtigden, leidt dit ertoe dat het macrobudget lager wordt. Daarnaast
zal deze wijziging in de realisatiecijfers van het aantal uitkeringen ook
gevolgen hebben voor de verdeling van het macrobudget voor zover gebruik wordt
gemaakt van de historische verdeelmaatstaf en voor de verdeling van
het werkdeel.
Het kabinet houdt vast
aan deze lijn, die conform de systematiek is die op dit moment bij de WFA
wordt gebruikt. De budgettaire consequenties om bijvoorbeeld personen op
gesubsidieerde banen mee te nemen bij het macrobudget kunnen zeer
groot zijn. Structurele inzet van gesubsidieerde arbeid zal hiermee worden
gestimuleerd en de kosten hiervan worden afgewenteld op het Rijk
via het macrobudget.
rblz.|111|
6. Uitvoering en
samenwerking [MvT;
V]
6.1. Overleg met gemeenten
[MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het tijdpad voor de verordeningen haalbaar is en wat er
gebeurt als dit tijdpad niet wordt gehaald.
De Wwb
schrijft voor drie
onderdelen aan gemeenten voor om het beleid vast te leggen in een
verordening. Eén daarvan, de toeslagenverordening, werd ook al
voorgeschreven door de Abw. Voor de andere twee verordeningen krijgen gemeenten, gelet
op het in hoofdstuk 2 van deze nota beschreven voorstel voor gefaseerde invoering, maximaal
twaalf maanden
extra om deze vast te
stellen. Het gaat hierbij om de verordening voor ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen, alsmede de verordening
voor het verlagen van de uitkering bij het niet nakomen van
verplichtingen.
Indien de gemeenteraad
deze verordeningen eerder vaststelt, kunnen deze verordeningen ook
eerder in werking treden.
Een modelverordening past
niet bij de opzet om gemeenten een zo groot mogelijke beleidsruimte
en beleidsverantwoordelijkheid te bieden. De ondersteuning aan
gemeenten zal daarom niet de vorm krijgen van een modelverordening, maar
die van een toolkit, die onder meer verschillende keuzemodellen voor (elementen van) de nieuwe verordeningen en diverse
checklists zal bevatten.
Nadat de Wwb is vastgesteld door het parlement, zullen deze instrumenten
zo snel mogelijk aan de gemeenten ter beschikking worden gesteld. Omdat
gemeenten extra tijd krijgen voor het opstellen van de nieuwe
verordeningen, worden geen problemen verwacht met het tijdpad
voor het opstellen van verordeningen.
De leden van de
CDA-fractie vragen het oordeel van het kabinet over de opvatting van sommige
externe deskundigen dat de invoering van de Wwb
per 1 januari 2004
wordt bemoeilijkt dan wel onmogelijk wordt gemaakt doordat het niet
mogelijk is de benodigde ICT-aanpassingen op tijd gereed te hebben.
De bevindingen van de
ICT-deskundigen dat het met name voor het inkomensdeel niet
mogelijk is vóór 1 januari 2004 de benodigde wijzigingen in de ICT gereed te
hebben, zijn voor het kabinet één van de redenen geweest om een
gefaseerde invoering mogelijk te maken. De gemeenten hebben daardoor
meer tijd om de door hen noodzakelijk geachte wijzigingen in de
ICT in te voeren.
De leden van de
CDA-fractie vragen of het kabinet van oordeel is dat met de consultatie van de
gemeenten en de daaruit voortvloeiende maatregelen voldoende is
tegemoet gekomen aan de kritiek van de Raad van
State. Zij verzoeken het
kabinet uit te leggen waarop het dit oordeel baseert.
Zoals aangegeven in het
nader rapport inzake de Wet werk en bijstand is ook op die onderdelen van
de wet waarvan de Raad veronderstelt dat de gemeenten beperkt zijn in
hun mogelijkheden, sprake van een passende beleidsruimte voor
gemeenten. Dit betreft de beperkingen ten aanzien van de categoriale bijzondere
bijstand, de intake door de Centra voor werk en
inkomen, de uit- en
aanbesteding van reïntegratietrajecten en de financiële risico’s.
Zoals ook aangegeven in
de memorie van toelichting bij de Wwb
is uitgebreid overleg
gevoerd met vertegenwoordigers van gemeenten, onder meer middels
regionale bijeenkomsten en bestuurlijk overleg. Dit heeft op diverse punten
geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel, zoals de vergroting van de
beheersbaarheid van het financieringsmodel, de rblz.|112|
vastlegging in de wet van
de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld, het opnemen van een
meeneemregeling voor het werkdeel, een gewijzigde visie op het arbeidsmarktperspectief als toelatingscriterium
voor de
langdurigheidstoeslag en het opnemen van een experimenteerartikel voor beleidsinnovatie.
Bovendien is de uitvoerbaarheid van de wet en het invoeringstraject
getoetst in het uitvoeringspanel gemeenten en het
automatiseringsplatform gemeenten.
Naar de mening van het
kabinet is met het bovenstaande afdoende gereageerd op de kritiek van de Raad
van State. Daarnaast heeft het kabinet een voorstel uitgewerkt voor
gefaseerde invoering van onderdelen van de Wwb. Zie hiervoor
hoofdstuk 2 van deze nota. Verder zal het ministerie van SZW de gemeenten
ondersteuning bieden bij de invoering van de Wwb. Een belangrijk
uitgangspunt is dat deze ondersteuning van, voor en door gemeenten wordt
geboden. Het ondersteuningsaanbod zal nauw aansluiten bij de vraag
vanuit gemeenten en vooral gericht zijn op terreinen waar zich
risico’s in het invoeringstraject kunnen voordoen. Op deze ondersteuning wordt
in paragraaf 6.2 nader ingegaan bij de beantwoording van de desbetreffende
vraag van de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de
PvdA-fractie verzoeken in te gaan op de kritiek per punt van de
VNG, die het
huidige voorstel in deze vorm afwijst. Ook verzoeken deze leden in te gaan op
de kritiek van Divosa, FNV,
CNV, Landelijke Cliëntenraad en andere
maatschappelijke organisaties, per aangemeld kritiekpunt, en het
standpunt van het kabinet daaromtrent weer te geven.
Onderstaand wordt een
overzicht gegeven van kritiekpunten die door de leden van de PvdA-fractie
genoemde organisaties zijn ingebracht. Ook commentaar van een aantal
individuele gemeenten is in het overzicht verwerkt. Het overzicht
pretendeert niet uitputtend te zijn. Wel geeft het overzicht een goed beeld
van de bezwaren vanuit het maatschappelijk veld.
Het standpunt van het
kabinet omtrent de genoemde kritiekpunten is te vinden in [het hoofdstuk
of, red.] de paragraaf
van deze nota die over het betreffende onderwerp handelt.
| Punt van kritiek |
Kritiek
van |
Behandeld in
hoofdstuk/
paragraaf |
| 1. Budgettering: |
| Inkomensdeel: |
| Ex-antetaakstelling van
€|150 mln |
Gemeenten;
VNG; Divosa |
11 |
| Neerwaartse bijstelling
is mogelijk tijdens uitvoeringsjaar |
Gemeenten; Eindhoven |
5.1.1 |
| Risico van de
financieringssystematiek inkomensdeel |
Gemeenten;
G4; Rotterdam; Ede; VNG; Rfv; Arnhem; Eindhoven |
5.1.3 |
| Geen vaststelling
macrobudget inkomensdeel op basis van feitelijke
realisatie |
Gemeenten; VNG |
5.1.1 |
| Moment aanpassing van
macrobudget inkomensdeel |
's-Hertogenbosch;
VNG |
5.1.1 |
| Kwaliteit objectief
verdeelmodel onvoldoende |
Ede;
Rfv; Dordrecht; VNG |
5.1.2 |
| Voorwaardelijk recht op
aanvullende uitkering |
Gemeenten |
5.1.3 |
| Criteria
toetsingscommissie |
Gemeenten |
5.1.3 |
| Mogelijkheden
beïnvloeden hoogte bestand
bijstandsgerechtigden |
Eindhoven |
5.1.3 |
| Apart budget voor 65+ |
G4 |
5.1.1 |
| Werkdeel: |
| Objectieve verdeling
werkdeel sluit niet aan bij behoeften
gemeenten |
Gemeenten; VNG |
5.2.1 |
| Meeneemregeling werkdeel |
Gemeenten; Divosa; 's-Hertogenbosch |
5.2.3 |
| Verbreding
werkdeel (inburgering-
en educatiegelden, Wsw) |
's-Hertogenbosch;
Borea; LWIW |
5.2.1 |
| Niet-uitkeringsgerechtigden
en Anw-ers krijgen geen traject
aangeboden |
ISHV |
5.2.2 |
| Verdeelmodel
werkdeel houdt
geen rekening met verleden |
G4; Rotterdam; Den Haag;
VNG; Koepel SW-bedrijven |
5.2.2 |
| Middelen werkdeel voor
intensivering klantmanagement |
Rotterdam; Amsterdam
(voor poortwachtersfunctie bij CWI) |
3.2.2 |
| Middelen
werkdeel (1. hoogte; 2. meeademen met conjunctuur) |
1. Den Haag; vakbonden
2. 's-Hertogenbosch; Divosa; |
5.2.1 |
| Instroom vanuit
WW, WAO |
FNV |
5.2.1 |
| Geoormerkt budget voor
gereserveerde banen |
FNV |
3 |
| 2. Rechten en plichten: |
| Afschaffing categoriale
ontheffing arbeidsverplichtingen
(alleenstaande ouders) |
Cliëntenorganisaties,
vakbonden; Equality |
3.1.3 |
| Afschaffing categoriale
ontheffing arbeidsverplichting
oudere werknemers |
Vakbonden;
cliëntenorganisaties; CSO; NISWO |
3.1.3 |
| Afschaffing categoriale
vrijlating van arbeidsinkomsten |
Cliëntenorganisaties,
vakbonden; G4; Sociale Alliantie; Rotterdam; CG-Raad; Dak- en
thuislozen/GGz; Equality; Divosa; VNG |
4.2 |
| Gemeentelijk vrijheid in
vaststelling uitkeringen (normen,
afstemmingsverordening) |
Cliëntenorganisaties,
vakbonden |
3.1.1 |
| a. Afschaffen categoriale
bijstand |
Gemeenten, cliëntenorganisaties,
vakbonden; G4; Ede; LCR; VNO; Eindhoven |
4.3 |
| b. Invoering
langdurigheidstoeslag |
Gemeenten; G4;
CG-raad; Sociale Alliantie; Rotterdam; Zoetermeer; VNG; Divosa; LCR |
4.3 |
| Taakstelling
bijzondere bijstand is te hoog |
G4; Rotterdam; Sociale
Alliantie; Deventer; Den Haag; VNG |
4.3 |
| Werken met behoud van
uitkering |
Amsterdam; Den Haag |
3 |
| Algemeen geaccepteerde
arbeid |
Vakbonden |
3.1.2 |
| Alimentatie |
LCR;
vakbonden (nieuw systeem nodig) |
7.1;
7.2 en artt. 56
[56],
59 [59]
en 60 [60] |
| Persoonlijk
reïntegratiebudget |
LCR; vakbonden |
3 |
| Cliëntenparticipatie
verplicht opleggen bij gemeenten |
LCR; vakbonden |
2 |
| Arbeidskorting niet tot
de middelen van de belanghebbende |
Vakbonden |
4.2 |
| Afschaffing
maatregelenbeleid leidt tot ongelijkheid |
Eindhoven |
7.3 |
| 3. Toezicht, informatie
en verantwoording: |
| Instellen van een
kernkaart |
Gemeenten; VNG |
9 |
| Mate van deregulering en
derapportage |
Gemeenten;
Divosa; VNG |
9 |
| Systeemverantwoordelijkheid
minister
onduidelijk
|
VNG |
1 |
| Risico toezicht via
achterkant |
VNG |
2 |
| 4.
SUWI (inclusief uitbesteding); aanpalend (arbeidsmarkt)beleid: |
| Uit- en
aanbestedingsverplichting |
Gemeenten,
VNG; LWIW; Koepel SW-bedrijven; Divosa |
3.2.5 |
| Samenwerking gemeenten
met CWI |
Gemeenten, VNG |
6.3 |
| Middelen Agenda voor de
Toekomst structureel |
G4; Den Haag |
3.2.2 |
| Armoede (door afschaffing
categoriale bijzondere bijstand, door
financiële incentives; door
bezuinigingen) |
Sociale Alliantie; FNV |
1 |
| 5. Invoering: |
| Invoering per 1 januari
2004 |
Gemeenten; VNG |
6.1 |
| ICT en invoering |
Leeuwarden; Den Haag; 's-Hertogenbosch; Divosa; Eindhoven |
6.1 |
| Uitvoeringskosten |
G4 |
5.1.3 |
| Invoeringskosten |
G4;
Gemeenten; Leeuwarden; VNG |
6.1 |
rblz.|114|
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet of een zorgvuldige ICT-toepassing sneller
kan dan de periode van vijftien maanden die bij de hoorzittingen is genoemd
alsmede welke voorbeelden daarvoor zijn. Deze leden vragen tevens naar
de doorlooptijd indien er sprake is van een door het Rijk opgedragen
systeem en 480 zelfstandige afnemers.
Het kabinet erkent dat
een zorgvuldige ICT-toepassing de nodige inspanningen zal vergen van gemeenten
en ICT-leveranciers. De vergelijking met CWI die door de leden van
deze fractie is genoemd, is naar het oordeel van het kabinet echter van
betrekkelijke waarde omdat bij CWI een nieuwe netwerkorganisatie moest
worden opgebouwd. Evenmin kan bij de
Wwb
worden gesproken van door
het Rijk opgedragen geautomatiseerde systemen waarvan 480
zelfstandige afnemers gebruik maken. Gemeenten bepalen immers zelf op
welke wijze zij de uitvoering inrichten en op welke manier daarbij
ondersteuning wordt geboden door ICT-toepassingen. De Wwb
verschilt daarin van
een project als de GBA.
De mogelijkheid om de
volledige reïntegratieverordening en het onderdeel rechten en plichten van
de klant later in te voeren dan 1 januari 2004 geeft een gemeente
desgewenst extra tijd om de uitvoering op alle onderdelen zo goed mogelijk met
ICT-toepassingen te ondersteunen.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoe het kabinet kan waarborgen dat de regelgeving over
verantwoording en dan vooral de uitvraag daadwerkelijk beperkt wordt, ook gezien
de zorg die de uitvoeringsorganisaties uiten. Ook vragen zij hoe
het kabinet zich daarover gaat verantwoorden.
De Abw
bevat
verschillende eisen waaraan gemeenten bij de uitvoering van de wet moeten
voldoen. Die eisen hebben onder meer betrekking op rblz.|115|
het regelmatig uitvoeren
van heronderzoeken en de inrichting van de administratie. De Abw
bevat voor de
minister
de opdracht - in de artikelen 71 en 117
- nadere
regels te stellen omtrent de onderzoekstermijnen en de administratie.
Soortgelijke bepalingen ontbreken in de
Wwb. De Wwb
vraagt slechts op een
beperkt aantal onderdelen concrete invulling van gemeentelijk beleid
(verordeningen). Voor het overige zijn gemeenten vrij en kunnen zij geen of
minder verstrekkende regelgeving dan in de Abw invoeren. Ook via de
verantwoording en het accountantsprotocol wordt de deregulering niet
ongedaan gemaakt, aangezien via deze instrumenten alleen wordt getoetst aan
de wettelijke normen en geen additionele eisen aan de uitvoering van de
wet gesteld kunnen worden. Dit laat onverlet dat de gemeente zelf belang
heeft bij een adequate inrichting van haar administratieve organisatie die het best
past bij het door de gemeente voorgestane beleid en die de
rechtsgelijke behandeling van haar klanten het beste waarborgt.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet of het heeft overwogen om alleen de ontschotting
van het werkdeel per 1 januari 2004 in te voeren.
Het kabinet heeft nimmer
alleen overwogen om alleen de ontschotting van het werkdeel per 1
januari 2004 in te voeren. Voor een goed werkend systeem van
bijstandverlening en reïntegratie is het immers nodig dat financiële
verantwoordelijkheid en beleidsmatige verantwoordelijkheid in het gehele systeem goed
op elkaar zijn afgestemd. De inzet van reïntegratiemiddelen is
immers slechts één van de middelen die nodig zijn om het beroep op bijstand
zo goed mogelijk te verwerken. Ook de budgettering van het inkomensdeel
draagt daartoe in belangrijke mate bij, evenals de voorgestelde
deregulering en beperking van uitvoeringsvoorschriften.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het waar is dat de staatssecretaris onlangs heeft aangegeven
om het herverdeelsysteem van het werkdeel met één jaar uit te
stellen. Zij vragen of het kabinet bereid is de verdeling van de ontschotte
werkdeelmiddelen opnieuw te bezien.
Voor het jaar 2004 zal
een verdeelsystematiek worden toegepast die is gebaseerd op de status
quo 2003. Dit betekent dat de verdeelsystematiek zoals opgenomen in de
algemene toelichting bij het wetsontwerp
Wwb
niet zal worden toegepast
voor het jaar 2004. Zie concept-Besluit financieringssystematiek Wwb.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoe geloofwaardig het kabinet is als zij een stelsel wil
invoeren van kansen en risico’s voor de gemeenten als zij de behaalde
resultaten op basis van beloften uit het verleden in één veeg van tafel zwiept.
Het kabinet houdt
rekening met in het verleden door gemeenten voor
ID en Wiw
aangegane
verplichtingen door een overgangsregime van zeven jaar te hanteren alvorens
volledig wordt overgegaan op de nieuwe, structurele verdeelsystematiek
(aantal bijstandsgerechtigden, gecorrigeerd voor uitkeringsduur).
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen of de berichten die onlangs in de media
verschenen dat Amsterdam en Rotterdam niet wensen mee te werken aan
de invoering van de
Wwb
per 1 januari 2004 de Staatssecretaris van
SZW inmiddels ook via formele kanalen hebben bereikt.
rblz.|116|
De
G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) hebben in hun brief van 26 mei 2003 aan de
Tweede Kamer, in afschrift aan de Staatssecretaris van
SZW, het kabinet
formeel laten weten op welke punten zij bezwaar maken. De invoeringsdatum
staat hierin niet vermeld. Ook uit diverse bilaterale contacten met
de betreffende wethouders van Amsterdam en Rotterdam is het kabinet
niet gebleken dat deze gemeenten geen uitvoering willen geven aan
invoering van de
Wwb
per 1 januari 2004. Wel hebben beide wethouders gewezen op de risico’s die samenhangen met
de relatief korte
implementatietijd.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen wanneer het wetsvoorstel uiterlijk door de Eerste
Kamer dient te zijn behandeld, wil er nog sprake zijn van een verantwoorde
invoering op 1 januari aanstaande.
Het kabinet hecht groot
belang aan een verantwoorde invoering van de
Wwb
per 1 januari 2004.
Hiervoor is het noodzakelijk dat de behandeling van het wetsvoorstel in
beide kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk doch in ieder
geval nog dit jaar plaatsvindt, zodat de Wwb
tijdig in het Staatsblad kan
worden gepubliceerd. Voor een zo goed mogelijk draagvlak bij gemeenten
zijn voor het kabinet verder van belang de afspraken in het kader
van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS), dat op 4 maart 1999 door
Rijk, IPO en VNG werd ondertekend. Zoals overeengekomen in BANS heeft het kabinet
een "Checklist voor rijksregelgeving en beleid met relevantie
voor decentrale overheden"
opgesteld, waarin omgangsregels tussen
overheden zijn afgesproken over de totstandkoming van regelgeving en
beleid. Hierin is opgenomen dat de periode tussen de aanvaarding van
beleid of regelgeving en de inwerkingtreding redelijk moet zijn in
relatie tot de aard van het voorstel en in overleg wordt vastgesteld; als
uitgangspunt wordt een termijn aangehouden van drie maanden na de
officiële afkondiging. Het kabinet hecht er daarom aan dat de behandeling
van dit wetsvoorstel door de Tweede en de Eerste Kamer het mogelijk maakt
dat deze bestuurlijke afspraken ook bij de invoering van de Wwb
van
waarde zullen zijn.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om bij nota van wijziging de bevoegdheid op te nemen
om de Wwb
zo nodig met toepassing van artikel 16 van de
Tijdelijke referendumwet in werking te laten treden; geen aan de inwerkingtreding
voorafgaand referendum, omdat de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet of kan worden aangegeven hoe
gemeenten
in hun, in de zomer voor te bereiden en in november vast te stellen,
begroting kunnen anticiperen op een nog niet aangenomen en nog te
amenderen wet. Verder willen deze leden weten hoe de uitvoering en de automatisering tijdig kunnen worden ingericht en
of het reëel is te
veronderstellen dat de gemeenten hun nieuwe verordeningen uiterlijk drie maanden na
invoering van de
Wwb
hebben vastgesteld.
Om gemeenten in staat te
stellen de noodzakelijke aanpassingen in de begroting 2004 te kunnen
doen, heeft het kabinet in de verzamelbrief van 14 juli jl. gemeenten
voorlopige cijfers verstrekt. Deze cijfers zijn indicatief omdat de laatste
inzichten van het CPB in de Macro Economische Verkenningen noodzakelijk zijn voor de
raming van de te verstrekken budgetten. Direct op de verzamelbrief volgend zijn er vier regionale bijeenkomsten voor gemeenten
georganiseerd op 16 en 17 juli met als hoofdthema de financieringssystematiek
en toelichting op de indicatieve cijfers. Hieraan hebben honderden
medewerkers van 233 gemeenten deelgenomen. De sinds 1 juli operationele
informatielijn voor gemeenten over de
Wwb
heeft tot nu toe vooral financiële vragen van gemeenten beantwoord.
rblz.|117|
Omdat een aantal
gemeenten heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben voor het
vaststellen van de verordeningen, biedt het kabinet, zoals is aangeven in
hoofdstuk 2 van deze nota, de gelegenheid daartoe door de wet gefaseerd in te
voeren en gemeenten tot uiterlijk 1 januari 2005 de tijd te geven. Er zijn echter
ook gemeenten die hebben aangegeven eerder te willen beginnen. Die mogelijkheid wordt ook geboden.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen wanneer de verschillende AMvB's naar verwachting
gereed zijn.
De inhoud van alle
AMvB’s
(financiering, Bijstandsbesluit zelfstandigen, aanpassingsbesluit) zijn
met deze nota meegezonden en zullen direct na de behandeling van het het
wetsvoorstel Wwb
door de Tweede Kamer aan de Raad van State worden
voorgelegd. Aan de Raad van State zal om een spoedadvies worden
gevraagd, zodat de AMvB’s tegelijk met de Wwb
en de Invoeringswet in het
Staatsblad kunnen worden geplaatst.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen wanneer de Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Abw kan worden gepresenteerd.
Het kabinet wijst erop
dat deze stimuleringsregeling inmiddels is gepubliceerd (Staatscourant 28 mei
2003, nr. 102). De Tweede Kamer is hierover op 16 juni geïnformeerd
door toezending van een verzamelbrief aan gemeenten (SOZA-03-371).
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet te reageren op de stelling van de
VNG dat
een gefaseerde invoering geen oplossing is voor de korte
voorbereidingstijd, gezien de verschillende "communicerende
vaten"
in het wetsvoorstel. Deze leden vragen of het kabinet er kennis van heeft genomen
dat zeer
veel gemeenten reeds hebben aangegeven weinig of niets te voelen
voor gefaseerde invoering, en zo ja, wat er met dit signaal gebeurt.
De stellingname van
VNG
en sommige gemeenten dat gefaseerde invoering geen oplossing is, vloeit
voort uit de voorkeur om niet op 1 januari 2004 te beginnen met de
volledige budgettering en de daaraan verbonden taakstelling. Dit laat
onverlet dat het voor gemeenten wenselijk is dat aan hen, onder de door het
kabinet gestelde condities van wat per 1 januari 2004 moet worden
ingevoerd, de mogelijkheid wordt geboden van enige ruimte in de uitvoering.
Dat is ook naar voren gekomen in het Uitvoeringspanel.
De leden van de
ChristenUnie-fractie verzoeken het kabinet om nader in te gaan op de suggestie om
in enkele voorbeeldgemeenten bij wijze van experiment over te gaan
tot volledige budgettering, zodra dat verantwoord wordt geacht.
In dit voorjaar heeft er
met een aantal potentiële voorbeeldgemeenten en VNG
en Divosa overleg plaatsgevonden over de mogelijkheid om al vooruitlopend
op de invoering van de
Wwb
te gaan werken met volledige budgettering van het
inkomensdeel en bijbehorende deregulering op het werkdeel. De betreffende
gemeenten vonden echter deelname aan een dergelijk experiment niet
opportuun, met name door de beperkte looptijd van het experiment tot
aan invoering van de Wwb, dus tot 1 januari 2004.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet waarom met de indiening van een zo
ingrijpend wetsvoorstel niet is gewacht op de beëdiging van het tweede
kabinet-balkenende. Zij vragen het kabinet aan te geven welke overwegingen
ten grondslag liggen aan invoering per 1 rblz.|118|
januari 2004. Ook de
leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet aan te geven waarom
invoering van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2004 wenselijk en
haalbaar wordt geacht en of de wens tot het doorvoeren van bezuinigingen op de
rijksbegroting wellicht het enige en doorslaggevende argument is.
Het kabinet hecht aan
invoering per 1 januari 2004, omdat anders een jaar verloren zou zijn gegaan
om te komen tot een meer effectief systeem van bijstand en
reïntegratie. Dit wordt bedoeld met het benutten van het juiste
momentum. Daarnaast
- maar dit is niet de primaire reden - zou een gat in de begroting van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn ontstaan van
€|220 mln (€|150
mln volledige budgettering en
€|70 mln categoriaal
bijstandsbeleid).
Om invoering per 1
januari 2004 mogelijk te maken, is het van belang de gemeenten zoveel mogelijk
tijd te geven voor de implementatie. Het wachten met indienen door
het missionaire kabinet zou deze tijd hebben bekort of de
invoeringsdatum van 1 januari 2004 zeer onwaarschijnlijk hebben gemaakt. Wel is
het uitgangspunt altijd geweest dat alleen een missionair kabinet het
debat in de Tweede Kamer zou kunnen voeren.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet alsnog de prognoses kenbaar te maken over de
ontwikkeling van het bestand van bijstandsgerechtigden bij
ongewijzigd beleid.
In onderstaande tabel is
de geraamde ontwikkeling van het volume periodieke bijstand aan personen
jonger dan 65 jaar weergegeven. De cijfers hebben betrekking op de stand
van de raming medio juli 2003. Op grond van nieuwe informatie,
bijvoorbeeld in de MEV 2004 [Macro Economische Verkenning 2004, red.], kan het niveau van de volumeraming in de
begroting 2004 nog veranderen.
Tabel: geraamde
ontwikkeling bijstandsvolume bij gewijzigd en ongewijzigd beleid (volume x 1000
uitkeringen): ¹
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Raming
bijstandsvolume ² |
404 |
423 |
427 |
425 |
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "bij gewijzigd en ongewijzigd beleid" te
vervallen.
2. Stand raming medio juli
2003
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen of het kabinet zichzelf niet een dienst bewijst door
in goed overleg met de gemeenten te bezien op welke wijze tegemoet kan
worden gekomen aan de bezwaren en de kritiek.
Over de
Wwb
is in
verschillende gremia uitvoerig met gemeenten gesproken. Zoals
aangegeven in hoofdstuk 1 van deze nota in antwoord op de eerste vraag van de
leden van deze fractie, is het oordeel van het gemeentelijk veld
genuanceerder dan deze leden veronderstellen. Het kabinet heeft dan ook
zowel de punten van kritiek als de punten waarmee gemeenten wel tevreden
zijn volledig meegewogen in de besluitvorming.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoe het kabinet de VNG,
Divosa en gemeenten gaat
ondersteunen en faciliteren. De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet
garanties kan geven dat bij invoering op 1 januari 2004 er bij gemeenten
geen "ongelukken"
gebeuren.
De invoeringsdatum van 1
januari 2004 biedt de gemeenten niet de gelegenheid voor een diepgaande en
uitgebreide voorbereiding op de invoering van de
Wwb. Het kabinet
acht het daarom zijn verantwoordelijkheid om gemeenten zoveel
mogelijk bij de invoering te ondersteunen, waar rblz.|119|
mogelijk in overleg en/of
samenwerking met VNG
en Divosa. Eventueel kunnen gemeenten
overigens op sommige onderdelen van de Wwb
ervoor kiezen om
voorlopig het "oude
beleid"
voort te zetten en eerst in 2004 een visie te
ontwikkelen en nieuw beleid in te zetten. Dit betreft met name die onderdelen van
de Wwb
waar een "moet"-bepaling in de Abw is omgezet in een
"kan-bepaling"
in de Wwb. Daarnaast biedt het faseringsvoorstel een gemeente
de mogelijkheid de nieuwe bepalingen over rechten en plichten
maximaal twaalf maanden later in te voeren.
Met ingang van 1 juli
jongstleden is het Wwb Implementatie Steunpunt (WIS) van start gegaan.
Dit steunpunt zal gemeenten ondersteunen bij de implementatie van de Wet
werk en bijstand. Belangrijke doelstelling van de ondersteuning is dat
gemeenten tijdig geïnformeerd zijn over de exacte consequenties van
de wet voor de uitvoering door de gemeenten en dat gemeenten met
behulp van deze kennis en de geboden ondersteuning in staat zijn de gestelde
termijnen in de Invoeringswet Wwb
te halen. Gezien de beperkte invoeringstermijn wordt de ondersteuning vooral gericht op het beheersen
van risico’s bij de invoering van de Wwb.
In het kader van de
voorbereidingen op het implementatieproject heeft het Wwb
Implementatie
Steunpunt (WIS) opdracht gegeven aan Atos KPMG Consulting een
workshop te organiseren met kennis- er ervaringsdeskundigen uit diverse gemeenten om
zo een (overigens qua opzet beperkte) risicoanalyse
uit te voeren over de Wwb. Van SZW-zijde hebben
drie beleidsambtenaren
meegedaan om vooral te luisteren en eventuele vragen te beantwoorden.
Aanleiding voor de opdracht was dat gemeenten,
VNG en diverse andere organisaties dit voorjaar in brieven en op
bijeenkomsten hadden aangegeven problemen te zien met snelle invoering
van de Wwb
en het daarmee gemoeide financiële risico voor gemeenten.
Nadere verkenning van de door gemeenten
onderkende risico’s werd door het ministerie met name van belang
geacht met het oog op het voorgenomen implementatietraject,
waarbij gemeenten via een scala aan ondersteunende producten en activiteiten
worden bijgestaan om een succesvolle invoering van de Wwb
te bevorderen.
Doel van de opdracht aan
Atos KPMG was de risico’s scherp en concreet in beeld te krijgen in
een workshop en aandacht te besteden aan oplossingsrichtingen,
zodat het implementatieproject goede aanknopingspunten kreeg voor haar
werkzaamheden, die de periode omsluiten vanaf 1 juli 2003 tot 1 juli
2004.
De rapportage vormt de
neerslag van de door de aan de werkgroep deelnemende gemeenten onderkende
risico’s. Deze rapportage wordt als bijlage bij deze nota
meegezonden.
De risico’s die in deze
workshop zijn genoemd, betreffen vooral thema’s die ook in het overleg
met de Kamer zijn benoemd. Ook als gemeenten zich niet of onvoldoende
voorbereiden op de Wwb,
zijn de risico’s voor gemeenten behapbaar en
oplosbaar. Zo lopen essentiële zaken als de uitkeringsverstrekking en
de rechtmatigheid geen risico. Inmiddels heeft het kabinet enkele
(hieronder genoemde) aanvullende maatregelen genomen op grond van
vergelijkbare signalen.
Daarenboven zijn de
deelprojectplannen van WIS zo ingericht dat op elk benoemd risico extra ondersteuningsacties uitgevoerd zijn dan wel in
voorbereiding zijn:
1. Risico: tekort op
inkomensdeel en onderbenutting van het werkdeel
Om het financieel risico
behapbaar te maken, heeft het kabinet besloten tot een aantal
maatregelen, zoals bij voorbaat demping van de herverdeeleffecten van
het objectief verdeelmodel en een ander regime voor kleinere
gemeenten als zij over de 10%-risicodrempel komen. WIS heeft 16 en 17
juli - direct volgend op de bekendmaking van voorlopige cijfers voor
de budgetten – vier regionale bijeenkomsten georganiseerd om gemeenten uitgebreid te informeren over vooral de
financiële aspecten van
de Wwb.
rblz.|120|
2. Risico: korte
implementatietijd leidt tot problemen in de uitvoering
Door gefaseerde invoering
van de Wwb
krijgen gemeenten de benodigde implementatietijd.
Overigens hebben ook diverse gemeenten aangegeven wel klaar te
zullen zijn op 1 januari 2004. Om gemeenten te helpen met de
gesignaleerde knelpunten op ICT- en opleidingengebied is WIS overleg gestart
met VNG en Divosa om het beschikbare budget voor
invoeringskosten - €|15 miljoen - geheel daarop te richten.
3. Risico: onvoldoende
sturingsmogelijkheden, moeilijkheden bij verantwoording
De verzamelbrief van juli
bevatte naast de voorlopige cijfers voor budgetten ook het concept-verslag voor de
Wwb. Tijdens de
vier regionale bijeenkomsten is dan ook
uitvoerig hierop ingegaan om gemeenten adequaat voor
te bereiden. Verder volgen er nog diverse ondersteuningsproducten
dit najaar, zoals een uitgebreide handreiking.
4. Risico: reïntegratie
en uitstroomdoelstellingen van de wet worden niet gerealiseerd
De gefaseerde invoering
geven gemeenten de ruimte meer tijd te nemen voor het formuleren
van reïntegratiebeleid. Om gemeenten hierbij te ondersteunen, zijn diverse
producten in de maak, zoals een handreiking,
stappenplannen en uitwisseling van praktijkvoorbeelden.
5. Risico: geen optimaal
gebruik van mogelijkheden voor innovatie en vereenvoudiging van (uitvoerings)beleid
Tijdens de workshop bleek
dit vooral betrekking te hebben op reïntegratiebeleid. Ook
hiervoor geldt dat de gefaseerde invoering gemeenten de benodigde
tijd geeft.
6. ICT-ondersteuning
Binnen WIS is er apart
voor ICT een deelproject opgezet. De door twee grote leveranciers
gemaakte impactanalyse geeft aan dat met de extra tijd die gemeenten
krijgen door de gefaseerde invoering ook de ICT-aanpassingen mogelijk
zijn. Daarbij hangt veel af van de mate waarin gemeenten nu reeds ICT-ondersteund zijn en het tempo van
de totstandkoming van de
regelgeving, niet alleen de wetgeving door het parlement, maar vooral
ook nadere regels in de gemeentelijke verordeningen.
Het aanbod van WIS
betreft onder meer voorlichtingsactiviteiten (voorlichting aan gemeenten,
ketenpartners, cliënten en het overige publiek), een tweewekelijkse
nieuwsbrief, het (laten) ontwikkelen van instrumenten zoals handreikingen,
checklists en toolkits voor het opstellen van verordeningen, bijeenkomsten, een
ondersteuningsstructuur in het land, ondersteuning van gemeenten bij het
verzelfstandigen van Wiw- en ID-uitvoeringsorganisaties
en ondersteuning op het terrein van ICT. Qua samenstelling en inhoud
moet dit aanbod goed aansluiten bij de concrete ondersteuningsbehoefte
van gemeenten; de ondersteuning moet zoveel mogelijk gekenmerkt
worden door "van, voor en door
gemeenten".
Waar mogelijk vindt de
ondersteuning van gemeenten plaats in overleg en/of samenwerking met
VNG en Divosa. Hiertoe wordt tweewekelijks met deze organisaties
overlegd. Voor de ondersteuning aan gemeenten maken deze organisaties
voornamelijk gebruik van de aan hen gelieerde Stichting StimulanSZ.
StimulanSZ
ontvangt voor deze activiteiten een subsidie van het ministerie van SZW.
Een verdere ondersteuning van het ministerie van SZW aan VNG en Divosa kan
plaatsvinden op basis van concrete projectvoorstellen.
SZW zal de voortgang van
de voorbereidingen van de gemeenten volgen. Zo nodig zal het ondersteuningsaanbod worden aangepast op punten
waarin gemeenten
achterblijven. Hoewel het kabinet geen garanties kan geven voor de inzet en de
keuzes van individuele gemeenten, meent het kabinet dat met het
voorgaande aan gemeenten voldoende mogelijkheden en ondersteuning wordt
geboden om "ongelukken"
per 1 januari 2004 te voorkomen.
rblz.|121|
6.2. Gevolgen voor
gemeenten [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het kabinet kan uitleggen waarom de
Wwb
niet gevoeliger
zal zijn voor het ontstaan van geschillen dan de Abw
(blz. 14 advies Raad van State) en
vragen daarbij met name de punten maatwerk en verschillen tussen gemeenten te
betrekken.
Het wetsvoorstel strekt
ertoe dat gemeenten met betrekking tot de reïntegratie en afstemming van de
uitkering van belanghebbenden meer maatwerk bieden. Maatwerk als
zodanig behoeft niet tot meer rechtsgeschillen te leiden. Maatwerk
impliceert immers dat verschillende gevallen, rekening houdende met die
onderlinge verschillen, verschillend worden behandeld, opdat een ieder datgene krijgt dat in zijn specifieke situatie het beste is. Ook het niveau
van regelgeving, centraal of decentraal, behoeft niet tot meer geschillen
te leiden. Het feit dat elke gemeente een verordening dient op te stellen en
dat de verordeningen in verschillende gemeenten niet
gelijkluidend zijn, heeft als zodanig niet tot gevolg dat er "dus"
meer
rechtsgeschillen zullen ontstaan. Voorwaarde is uiteraard wel dat de verordeningen,
voor wat de inhoud en strekking betreft, voldoen aan de wettelijk gestelde
eisen en dat de uitvoering daarvan voldoet aan de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. De ervaringen die met het opstellen en
uitvoeren van gemeentelijke verordeningen zijn opgedaan, bijvoorbeeld de
toeslagenverordeningen op grond van de Abw, geven geen grond om te veronderstellen dat het ontstaan van geschillen
een hausse zal laten
zien. Op korte termijn zouden er wellicht toch meer rechtsgeschillen kunnen
ontstaan. Enerzijds omdat gemeenten ervaring moeten opdoen met de
Wwb
en anderzijds omdat er wijzigingen kunnen ontstaan voor personen
die nu op grond van de Abw bijstand ontvangen. Deze extra
rechtsgeschillen zijn echter geen gevolg van de verdergaande invoering van maatwerk
en
verdergaande decentralisatie, maar een onmiddellijk gevolg van
nieuwe regelgeving en zal dan ook, naar mag worden aangenomen, een
tijdelijk karakter hebben.
De leden van de
PvdA-fractie
informeren naar de bedragen die beschikbaar worden gesteld voor de
implementatie van de wet en naar de bedragen die daarvoor in
1995 en 1996 beschikbaar zijn gesteld.
Zoals aangegeven in de
memorie van toelichting bij de Invoeringswet, is er voor de ondersteuning
van de invoering en de implementatie bij gemeenten een bedrag
beschikbaar van €|20 miljoen. Van dit bedrag zal €|5 miljoen worden
ingezet voor specifieke implementatieactiviteiten en €|15 miljoen
voor
eenmalige invoeringskosten van gemeenten. Dit is het bedrag dat
beschikbaar is op de SZW-begroting. Bij de invoering van de nieuwe
Bijstandswet in
1996 is destijds €|12,2 miljoen (ƒ25 miljoen) structureel
beschikbaar gesteld voor structurele extra kosten. Daarnaast hebben de
gemeenten uiteindelijk voor eenmalige uitgaven €|81,7 miljoen
(ƒ180
miljoen) ontvangen.
De eenmalige
invoeringskosten hebben voornamelijk betrekking op opleiding van medewerkers,
voorlichting aan klanten, extra heronderzoeken in het overgangsjaar en
incidentele kosten van automatisering. Op een aantal punten verschilt
de situatie op dit moment echter wezenlijk van de situatie bij de invoering
van de Abw. Zo is het aantal uitkeringsgerechtigden aanzienlijk lager,
hetgeen leidt tot minder uitgaven voor de variabele kosten (heronderzoeken).
Daar komt bij dat veel gemeenten onder meer in het kader van de
Agenda van de Toekomst in de periode voorafgaand aan de
Wwb
de meeste
cliënten al hebben beoordeeld en op grond daarvan nadere
verplichtingen hebben vastgesteld. Dit vergemakkelijkt het opstellen van nieuwe
beschikkingen. Ook ten aanzien van andere aspecten is de laatste
jaren geïnvesteerd in de uitvoering. Het bestaan van tijdelijke regelingen,
zoals de rblz.|122|
Tijdelijke
stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of
Ioaz door middel van klantmanagement, betekent dat
gemeenten minder geld nodig hebben voor eenmalige
invoeringskosten dan zonder deze regelingen. Tenslotte beoogt de Wwb
een
structurele vermindering van administratieve lasten en daarmee een
verlichting van de uitvoering.
De leden van de
PvdA-fractie
wijzen op de grote verschillen tussen gemeenten bij de
ontwikkeling van beleids-, managements- en werkprocessen, hetgeen de mogelijkheden
beperkt om deze processen af te stemmen op een uniform
systeem.
Naar de mening van het
kabinet wijzen deze leden terecht op de grote verschillen tussen gemeenten bij de ontwikkeling van beleids-,
managements- en
werkprocessen. Het aanbieden van één model van ondersteuning is daarbij
inderdaad niet passend. De aangeboden ondersteuningsinstrumenten
mogen het beleid van gemeenten niet gaan "voorsorteren". De
intentie is daarom om bij het ontwikkelen van ondersteuningsproducten zoveel mogelijk in te
spelen op de beleidsruimte en beleidsverantwoordelijkheid
van gemeenten. Dit betekent onder meer dat er geen
modelverordeningen worden aangeboden, maar een toolkit met mogelijke elementen voor
een verordening, waaruit gemeenten zelf hun keuze kunnen maken bij
het opstellen van verordeningen. Ook andere instrumenten, zoals
handreikingen, informatieverstrekking op bijeenkomsten en checklists ter
ondersteuning van de planning door gemeenten, dienen afdoende rekening
te houden met de beleidsvrijheid van gemeenten, evenals met
andere relevante verschillen tussen gemeenten zoals de gemeentegrootte.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen hoe vrij de gemeente
is om binnen de eigen gemeentelijke
financiële huishouding de administratie optimaal efficiënt in te richten
en of de beleidsmogelijkheden van gemeenten, zoals het kabinet die
voorstelt, niet in ernstige mate beperkt worden door het feit dat er maar twee
ICT-systemen zijn, naast drie zelfbouwers. Zij vragen voorts of het kabinet de
gemeenten ook financieel gaat steunen, opdat zij daadwerkelijk van de
voorgestelde beleidsvrijheid gebruik kunnen maken en zo een grotere efficiencywinst kunnen realiseren.
Op dit moment zijn er
twee leveranciers van uitkeringssystemen voor sociale diensten. Dit
zijn Centric PSS en Pink Roccade Civility. In het uitkeringssysteem worden
meestal niet alleen uitkeringen geregistreerd, maar ook andere
cliëntgegevens, zodat hiermee cliënten kunnen worden gevolgd. Naast de twee
genoemde leveranciers zijn er een aantal kleinere partijen die applicaties
aanbieden voor deelonderwerpen, zoals frauderegistratie, expertsystemen of
trajectbegeleiding. Vaak bestaan er koppelingen tussen de zogenoemde "uitkeringssystemen"
en de deelapplicaties.
ICT is een belangrijk
aspect van de uitvoeringspraktijk. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligt dan ook
bij
de gemeenten. Zij zijn opdrachtgever van hun leveranciers. In
de praktijk ligt dit soms gecompliceerd. Gemeenten hebben namelijk
feitelijk weinig keus, omdat er slechts twee leveranciers zijn. Er
zijn wel gemeenten die hun eigen systemen ontwikkelen en beheren, maar dit
wordt door de meeste gemeenten als inefficiënt ervaren. Zij zoeken
daarom naar wegen om de opdrachtgeversrol richting de leveranciers
goed in te vullen. Dit gebeurt op een aantal manieren.
Zo hebben Centric PSS en
Pink Roccade Civility beiden gebruikersverenigingen. In deze verenigingen
overleggen zij met gemeenten, zowel landelijk als regionaal,
en dikwijls ook in specifieke werkgroepen. Daarnaast overleggen
gemeenten onderling, al dan niet in Divosa-verband, over de ontwikkelingen op
het terrein van de ICT. Het ministerie van SZW informeert
daarnaast gemeenten en leveranciers regelmatig via rblz.|123|
verschillende kanalen,
waaronder een speciaal daarvoor opgericht overleg, over relevante
beleidswijzigingen.
Tot slot wordt momenteel
door Divosa en VNG gezamenlijk gewerkt aan de oprichting van een
"landelijk coördinatiepunt ICT
gemeenten". Tot de oprichting van dit
coördinatiepunt is in juni 2003 besloten. Het coördinatiepunt wordt
deels gefinancierd door het ministerie van SZW en heeft tot doel gemeenten
te ondersteunen bij de inrichting en aanpassing van hun ICT, bijvoorbeeld
in het kader van Suwinet of bij wetswijzigingen. Eind 2005 zal de werking
van het coördinatiepunt worden geëvalueerd.
Al deze overleg- en
begeleidingsstructuren leiden er niet toe dat er meer systemen komen, maar
dragen er wel aan bij dat de systemen voldoen aan de eisen van de
meeste gemeenten én dat de systemen zó flexibel zijn dat verschillende
beleidskeuzes van gemeenten hiermee kunnen worden verwerkt. Het is dus in
de regel niet zo dat een systeem maar één beleidsrichting overlaat. Aan de andere
kant is het natuurlijk wel zo dat het mogelijk is dat een gemeente een
manier van werken kiest of een beleidskeuze maakt die niet direct
past bij het standaardsysteem. In dat geval zal de gemeente vaak extra
kosten moeten maken om het systeem aan te laten passen.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen welke hulpmiddelen en scholing de raad nodig heeft om een
volwaardige tegenspeler te zijn en of in de kosten daarvan is
voorzien.
De dualisering van het
lokaal bestuur leidt tot een belangrijke versterking van de controlerende
bevoegdheden van de raad. De raad als geheel en individuele raadsleden
beschikken hiermee naar de mening van het kabinet over een breed
scala aan instrumenten en ondersteunende voorzieningen om het college van
burgemeester en wethouders te controleren en ter verantwoording te
roepen. Enkele belangrijke daarvan zijn: het recht tot benoeming en
ontslag van wethouders, het vragenrecht, het recht van interpellatie,
het recht van initiatief en amendement, het recht van onderzoek, het recht
op ambtelijke bijstand, de rekenkamerfunctie en de raadsgriffier. Ook een
aantal veranderingen op budgettair vlak, zoals de invoering van de programmabegroting en -rekening, versterken de positie
van de raad. Verder is de
informatiepositie van de raad versterkt door de invoering van een actieve
informatieplicht voor het college: het college en zijn leden geven de raad
alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft
(artikel 169, tweede lid, Gemeentewet).
Van rijkszijde wordt de
informatiepositie van de raden voorts ondersteund door jaarlijks, op basis
van regulier ontvangen informatie van gemeenten, een aantal kerngegevens
op individueel gemeentelijk niveau te publiceren. Hiermee kunnen raadsleden
de kerngegevens van hun gemeente vergelijken met die van
andere gemeenten.
De wettelijke
veranderingen van de dualiseringsoperatie worden geschraagd door de "Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale
democratie", die beoogt de
bijbehorende cultuurvernieuwing te stimuleren en de invoering van dualisme in
gemeenten te ondersteunen. Onderdeel hiervan is ook het
voorlichten van raadsleden over de nieuwe bevoegdheden onder de gedualiseerde
Gemeentewet. Specifiek met het oog op de invoering van de
Wwb
is
er een Wwb
Implementatie Steunpunt ingericht, dat zich bij zijn
activiteiten ook zal richten op raadsleden.
De
PvdA-fractie
vraagt - in het licht van de stimuleringsregeling waarmee vooral kleinere gemeenten
worden aangemoedigd samen te werken - of het kabinet heeft
overwogen om de complexe uitvoering van de bijstand naar de centrumgemeenten
over te hevelen en de armoedebestrijding, de bijzondere bijstand, het gemeentelijk minimabeleid, het budgetteren en de
sociale activering bij
iedere gemeente te laten blijven. De leden van de PvdA-fractie vragen om
een reactie van het kabinet. Daarbij vragen zij ook rblz.|124|
om een beschouwing over
de ontwikkeling van het
Wwb-beleid in zijn totaliteit op lange
termijn, zowel het werkdeel als het inkomensdeel.
Het kabinet heeft de
Wwb
in medebewind opgedragen aan de gemeenten. Gemeenten
worden geacht het beste te kunnen voorzien in de lokale situatie.
Overheveling van de uitvoering van de Wwb
naar de gemeenten waar een CWI is
gevestigd, zou een beperking van de gemeentelijke verantwoordelijkheden betekenen.
Het kabinet stimuleert
samenwerking tussen gemeenten; dit past in de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen rijksoverheid en gemeenten. Daartoe is ook een
tijdelijke stimuleringsregeling samenwerking gemeenten tot stand
gebracht [zie Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Abw en Tijdelijke
stimuleringsregeling samenwerkingsverband Bbz en Ioaz, red.]. Het kabinet acht het van belang het samenwerkingsproces van
onderop tot stand te laten komen. Gemeenten kiezen hun eigen
samenwerkingspartners op grond van eigen beweegredenen (historie, beleidsmatig,
financieel, reisafstand). Gelet op de vele samenwerkingsverbanden
die in korte tijd zijn ontstaan - op dit moment werken ruim 50 gemeenten
in 17 verbanden samen - en de vele samenwerkingsverbanden in oprichting, lijkt dit
proces goed van de grond te komen.
6.3. Samenwerking in de
SUWI-keten [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is de adviezen van de Raad van State
inzake de juridische complexiteit van de artikelen
41 [41], 42
[42] en 43
[43] op te
volgen.
Het kabinet ziet hier
geen reden toe. Naar zijn oordeel zijn deze artikelen als zodanig niet
juridisch ingewikkeld, ook niet voor de uitvoeringspraktijk. In artikel 41
[41] wordt in
een logische volgorde aangegeven welke aanvraag bij welke instantie moet
worden ingediend. De artikelen 42 [42]
en 43 [43] over doorzending en vaststelling betreffen procedurele zaken, die echter zo
eenvoudig mogelijk zijn
geregeld en ook vóór de SUWI-wetgeving al in deze vorm bestonden.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen waarom het volgens het kabinet redelijk en billijk is
dat gemeenten voor de volle 100% het risico dragen, ook als
CWI, UWV en
reïntegratiebedrijven niet goed presteren. Ook de leden van de VVD-fractie
vragen of het volgens het kabinet verantwoord is dat gemeenten de
financiële risico’s dragen, maar voor wat betreft de instroom afhankelijk zijn
van een CWI dat door de reorganisatie nog niet onder controle is. De
leden van de CDA-fractie vragen welke (financiële) sancties er zijn voor een
inadequaat functionerend CWI en of er nieuwe stimuli c.q. sancties
worden overwogen op grond van de ervaringen met SUWI
sinds 1 januari
2002. Ook de leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie informeren
op welke wijze een gemeente goed functioneren van een CWI kan afdwingen
dat door de reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid
nog niet onder controle is. De leden van de PvdA-fractie pleiten in
dit verband voor de totstandkoming van prestatiecontracten tussen CWI en gemeenten.
Gemeenten,
CWI en UWV vormen een keten en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het realiseren van
de SUWI-doelstelling "werk boven
uitkering". De gemeente
bouwt voort op de werkzaamheden die door CWI zijn verricht en moet er
dientengevolge op kunnen vertrouwen dat CWI kwaliteit levert. Hier
wordt momenteel hard aan gewerkt. Zoals in paragraaf 6.3 van de memorie van
toelichting bij dit wetsvoorstel toegelicht, is er een belangrijke stap
vooruit gezet door de totstandkoming van het Programma Ketenresultaten
2003-2004. Hierin hebben de ketenpartners afspraken gemaakt over
juist die onderwerpen die het hart van de samenwerking raken. Het programma
bevat bijvoorbeeld prestatieafspraken rblz.|125|
over het voorkómen van
instroom in de Abw
en de WW (de preventiequote) en de doorstroom uit de
WW naar Abw (de doorstroomquote). Daarnaast zijn er onder
meer afspraken gemaakt over de uitkeringsintake, het reïntegratieadvies
en kennisgevingen verwijtbaar gedrag. De afspraken uit het
Programma Ketenresultaten 2003-2004 hebben een landelijk karakter en
dienen op lokaal of regionaal niveau nader te worden uitgewerkt in zogenaamde
SNO’s [Service Niveau Overeenkomsten, red.]. Een SNO dient ten minste afspraken te bevatten over het
gezamenlijk verrichten van metingen naar de prestaties, de wijze van verantwoording en de wijze waarop garant gestaan wordt
voor laagdrempelige en
toegankelijke informatie aan klanten. Daarmee heeft de SNO volgens het
kabinet het karakter van een prestatiecontract, op de naleving waarvan de
partners elkaar kunnen aanspreken. De
minister
maakt jaarlijks
met CWI prestatieafspraken over te behalen resultaten. CWI en UWV verantwoorden
zich aan de minister over hun prestaties via kwartaal- en jaarverslagen. Indien hiertoe aanleiding is, zal de
minister op een passende
wijze interveniëren.
Een SNO is een
privaatrechtelijke overeenkomst met daarin in principe rechtens afdwingbare
afspraken/bepalingen. Overigens is het via de rechter afdwingen van
overeengekomen prestaties volgens het kabinet niet de meest aangewezen
weg binnen het publieke domein. Om de naleving van de in de SNO
opgenomen afspraken te versterken, kan bijvoorbeeld worden voorzien in een
alternatieve vorm van geschillenbeslechting, zoals arbitrage of
mediation, waar een al dan niet bindend advies uit komt. Een
andere mogelijkheid is een verplichting tot overleg tussen partijen indien
blijkt dat de afspraken niet worden nageleefd. Hierbij kan worden
bepaald dat binnen twee weken een oplossing moet worden gevonden. Deze, en
wellicht nog andere mogelijkheden, zullen nader worden verkend in
het kader van de uitwerking van de motie-Verburg (nr. 77).
Het kabinet erkent de
afhankelijkheid van gemeente en UWV van een adequate taakuitoefening
door CWI, maar is er uit principiële én praktische redenen geen voorstander
van om (financiële) sancties richting CWI mogelijk te maken.
Evenmin voelt het kabinet voor de suggestie van de leden van de
PvdA-fractie
om UWV te laten betalen voor de door de gemeente ter beschikking
te stellen reïntegratiemiddelen voor ex-WW-ers. Financiële sancties
passen naar de mening van het kabinet ten principale niet in een werkrelatie
tussen twee publieke uitvoeringsorganisaties. Samenwerking moet
gefundeerd zijn op vertrouwen en niet worden "afgedwongen". Zoals de
praktijk ook uitwijst, is de klant er veel meer mee gediend als beide
partijen investeren in een goede samenwerking, en wel zo vroeg mogelijk in het
proces. Waar dat gebeurt, worden goede resultaten geboekt, zo blijkt uit
studies naar good practices in de ketensamenwerking. Naar de mening van het
kabinet verzetten ook de bestuurlijke verhoudingen tussen de Minister van SZW en de CWI-organisatie zich tegen financiële
sancties richting een CWI-vestiging. De 129 CWI-vestigingen maken
deel uit van één organisatie die wordt aangestuurd door de Raad van bestuur.
Bij disfunctioneren van een CWI-vestiging, zo dat al
aan de orde is, is het dan ook de Raad van bestuur CWI die moet
ingrijpen. Gebeurt dat niet, dan zal de Minister van SZW de voorzitter van de
Raad van bestuur hierop aanspreken. De CWI-organisatie is immers verantwoording aan hem verschuldigd.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet op welke termijn en met welke
stimulerings- en
drukmiddelen de bedrijfsverzamelgebouwen volledig zullen zijn
ingevoerd.
Van de totstandkoming van
bedrijfsverzamelgebouwen gaat een belangrijke impuls uit op het tot
stand brengen van een goede samenwerking. Daarom wordt ook in 2003
de totstandkoming van bedrijfsverzamelgebouwen gestimuleerd. Hiervoor is
€|25 mln beschikbaar gesteld.
rblz.|126|
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet om het ook mogelijk te maken dat CWI taken
overdraagt aan een gemeente
of het UWV, zoals andersom thans wel al
mogelijk is. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarbij het
kabinet of het denkbaar is dat de intake tengevolge van de nieuwe wet weer
teruggaat naar gemeenten.
Binnen de huidige, in de
SUWI-wetgeving vastgelegde, taakverdeling tussen de
gemeenten, CWI en
UWV is al veel maatwerk mogelijk. De huidige regels laten het
echter niet toe dat CWI de door de leden van de
PvdA-fractie
genoemde
taken overdraagt aan een gemeente of UWV. Detacheringsconstructies,
waarin medewerkers van gemeenten de uitkeringsintake
uitvoeren onder verantwoordelijkheid van CWI, zijn wel mogelijk. Hier zijn ook
praktijkvoorbeelden van. Dat neemt niet weg dat er in de praktijk steeds
meer behoefte ontstaat aan een grotere beleidsvrijheid voor partijen om met
elkaar afspraken te maken over een betere en effectievere
samenwerking. Het kabinet is een voorstander van lokaal en regionaal maatwerk.
Indien de ketenpartners heldere afspraken met elkaar maken over een
nadere taakverdeling die bijdraagt aan de doelstellingen van werk boven uitkering
en klantgerichtheid, mag de SUWI-regelgeving geen keurslijf vormen die
een dergelijke ontwikkeling a priori verhindert.
In artikel 83
[83] van het
wetsvoorstel Wwb
is al een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt bij
algemene maatregel van bestuur en met een zogenoemde voorhangprocedure bij het
parlement te regelen dat gemeenten een beleidsexperiment
uitvoeren waarin wordt afgeweken van een aantal artikelen van deze
wet. Het kabinet acht het gewenst om ook te kunnen
experimenteren met andere
vormen van samenwerking tussen de ketenpartners die strikt genomen niet binnen de wettelijke kaders passen.
Analoog aan artikel 83
[83] van dit wetsvoorstel is
bij nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb
die met
deze nota is meegezonden dan ook een experimenteermogelijkheid
in de Wet SUWI opgenomen. Uiteraard zullen hierbij soortgelijke
zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen als bij artikel 83
[83] van de
Wwb
het
geval is. Een verzoek aan de
minister tot het uitvoeren van een
experiment kan - afhankelijk van de onderwerpen waarop het experiment
betrekking heeft - worden gedaan door CWI en B&W, door CWI en UWV
of door alledrie. Aangezien ook bij een experiment van twee van de genoemde
partijen de belangen van de derde partij betrokken kunnen zijn en
deze in elk geval daarover geïnformeerd moet zijn, zal in de nadere
regels opgenomen worden dat voorafgaand aan een verzoek van twee partijen
overleg moet plaatsvinden met de derde. De Raden van bestuur van CWI en
UWV zullen in feite aangeven waar op regionaal/lokaal niveau experimenten kunnen ontstaan. De volgende
randvoorwaarden worden
aan de experimenten gesteld:
- experimenten worden
uitgevoerd op lokatie van een CWI of een bedrijfsverzamelgebouw;
- de doelstellingen en
de te behalen resultaten worden door de ketenpartijen vooraf bepaald in termen
van outcome en in termen van de producten voor de
landelijke beleidsontwikkeling;
- een deel van de
intake blijft worden uitgevoerd door het CWI;
- na afloop wordt aan
de Staten-Generaal gemeld hoe een experiment in de praktijk is verlopen;
- de duur van de
experimenten is maximaal vijf jaar.
De suggestie van de leden
van de PvdA-fractie voor een andere taakverdeling tussen de
ketenpartners
zou op basis van een dergelijke bepaling in de praktijk kunnen worden
uitgeprobeerd.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet te verzekeren dat er geen herhaling optreedt van
Agora. Zij vragen hoe zeker het naar het oordeel van het kabinet is dat
het nu door CWI ontwikkelde systeem ook in de toekomst communiceert met
de gemeentelijke en UWV-systemen en dat rblz.|127|
aanpassingen in de
afspraken tussen gemeenten en CWI (eerdere of latere overdracht van cliënten)
ook in de systemen passen. Zij willen voorts weten of het kabinet het
nu ontwikkelde systeem heeft onderworpen aan een second opinion door
een onafhankelijke instantie.
Het kabinet deelt de
mening van de leden van de
PvdA-fractie
dat de kwaliteit van de
samenwerking in de keten sterk afhankelijk is van de mogelijkheden voor
gegevensuitwisseling en dat de systemen van UWV,
CWI en de gemeenten
daarom op elkaar aan moeten sluiten. Om hiervoor zorg te dragen, zijn in
samenwerking met UWV, CWI en gemeenten de volgende afspraken
gemaakt:
- op
ketenaspecten/raakvlakken worden de eigen systemen onderling afgestemd tussen de
ketenpartijen;
- de systemen dienen
allemaal te voldoen aan de wettelijke standaards voor gegevensverkeer in
het SUWI-domein, zodat ze met elkaar kunnen communiceren. Het
gaat hierbij onder andere om het Stelselontwerp Suwinet (architectuur) en
het SUWI-gegevensregister (dat gegevens en berichten standaardiseert);
- er zijn afspraken
gemaakt over systemen voor gegevensuitwisseling "tussen"
de systemen:
onder andere systemen voor raadpleging van elkaars bestanden (Suwinet-inkijk)
en het elektronisch verzenden van gegevens (elektronisch
berichtenverkeer)
Het kabinet deelt niet
het beeld dat de nieuwe applicatie van de CWI-organisatie niet
wordt afgestemd met gemeenten. In de eerste plaats heeft de CWI-organisatie
het programma van eisen uitgebreid voorgelegd aan de ketenpartners voor
commentaar. Daarnaast is dit programma gebaseerd op de sectorale
standaards die hierboven zijn geschetst. Punt van aandacht is wel dat
het voor CWI lastig is om tot eenduidige afstemming met de gemeenten te
komen, omdat er nu eenmaal bijna 500 gemeenten zijn. Mede om
deze reden is op 10 juli jl. met de VNG afgesproken dat er een
coördinatiepunt ICT gemeenten zal worden opgericht. Deze organisatie zal
namens gemeenten zorg dragen voor de afstemming met ketenpartijen als CWI
ten aanzien van werkproceskoppelingen, ICT-voorzieningen,
formulieren e.d.
Het kabinet verwacht geen
situatie zoals bij Agora, omdat naar het oordeel van het kabinet
de bovengenoemde drie afspraken voldoende waarborg bieden voor een goed
werkend gegevensverkeer met ketenpartners vanuit de nieuwe
CWI-applicatie.
Het programma van eisen
en de aanpak van de nieuwe applicatie worden in opdracht van de
CWI-organisatie geaudit door een onafhankelijk bureau. Daarnaast toetst
de IWI de aanpak op basis van de afgesproken kaders.
De leden van de
PvdA-fractie
zijn teleurgesteld in het feit dat het kabinet, zoals blijkt uit het VAO SUWI
van 26 juni 2003, niet bereid is tot een gefaseerde afbouw in twee jaar van
de rijkssubsidie aan de RPA’s. De leden van de PvdA-fractie
verzoeken het kabinet de voorgenomen beslissing te heroverwegen.
Bij de parlementaire
behandeling van het wetsontwerp SUWI is door het kabinet besloten tot een
financiële bijdrage aan de ontwikkeling van de RPA’s voor de periode
2001-2003. De financiële bijdrage had tot doel de totstandkoming van de RPA’s
te bevorderen. De evaluatie van het functioneren van de RPA’s is
uitgevoerd door een extern bureau en op 21 mei 2003 naar het parlement
gestuurd. De evaluatie wijst uit dat er een landelijk dekkend netwerk van RPA’s
is ontstaan, waarmee het primaire doel van de financiële
bijdrage is bereikt.
Nu een landelijk dekkend
netwerk van RPA’s is ontstaan en relevante arbeidsmarktpartijen bij
RPA’s zijn aangesloten, is het verder "werkend"
maken van de RPA’s een
zaak van de aangesloten partijen. Het is daarom rblz.|128|
volgens het kabinet aan
deze partijen om hiervoor de financiële middelen te verstrekken.
Het kabinet hecht
onverkort waarde aan de RPA’s en het ontwikkelde netwerk op de regionale
arbeidsmarkt. Om dit te onderstrepen, wordt in 2004 van rijkswege nog
eenmaal €|1 miljoen beschikbaar gesteld bovenop de eerder via de
Tijdelijke stimuleringsregeling regionale
platforms arbeidsmarktbeleid 2003 beschikbaar gestelde middelen. RPA’s
kunnen de €|1 miljoen aanwenden voor de uitvoering van door hen
geïnitieerde projecten.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen welke ruimte er nog voor de gemeente
is om voor
derden sociale activering en maatschappelijke participatie te realiseren, anders dan
tegen kostprijs. Zij vragen welke vergoeding het UWV thans aan de
gemeenten geeft indien zij voor WAO-ers sociale activering
organiseert en of deze vergoeding kostendekkend is.
In de
Wwb,
artikel 7 [7], eerste lid, is geregeld voor welke personen het college verantwoordelijk is.
Personen aan wie het UWV een uitkering verstrekt, vallen niet onder deze
verantwoordelijkheid, tenzij het UWV en de gemeenten anders
overeenkomen. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel
7 [7], derde lid.
Gemeenten en het UWV maken onderling afspraken over de wijze van invulling
van deze trajecten en de prijzen van de verschillende trajectonderdelen.
Daarnaast is het mogelijk
dat het UWV direct of via gemeenten bij reïntegratiebedrijven reïntegratievoorzieningen inkoopt, waaronder
sociale activering.
Indien vanuit de cliënt
of gemeente zelf het initiatief komt om een socialeactiveringstraject te starten, dan
hanteert
het UWV op grond van een interne circulaire een
vergoeding van maximaal
€|2000,- per jaar per persoon, gedurende twee
jaar. Dit bedrag is gebaseerd op een schatting van de gemiddelde kosten
voor deelname aan socialeactiveringsactiviteiten.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet te bevorderen dat de gemeenten de opdracht
krijgen zich te verantwoorden voor het bestaan van een cliëntenplatform
bedrijfsverzamelgebouw alsmede het tot stand komen van het
inlichtingenloket.
Het initiatief tot
oprichting van een bedrijfsverzamelgebouw ligt bij gemeenten, maar de
verantwoordelijkheid voor de vorming ervan en de regie hierop ligt bij
meerdere, zowel publieke als private, partijen. In dit licht past het dan ook
niet om gemeenten verantwoordelijk te stellen voor het oprichten van een
cliëntenplatform bedrijfsverzamelgebouw. Het valt voor betrokken partijen
wel te overwegen een dergelijk platform in te stellen.
In het Programma
Ketenresultaten 2003-2004 hebben de ketenpartijen afgesproken dat ze garant
staan voor laagdrempelige en toegankelijke informatie aan klanten en
indien nodig zorgen voor onafhankelijke verwijzing naar andere instanties.
Het is echter aan de ketenpartners zelf om hieraan concreet
invulling te geven.
De leden van de
VVD-fractie vragen of een overzicht verstrekt kan worden van de lokale en
regionale verschillen in kwaliteit tussen de CWI. Zij willen van het kabinet
weten hoe het de prestaties van individuele CWI monitort. Ook vragen zij
op welke wijze het budget voor de uitvoeringskosten van CWI meeademt met de
conjunctuur.
Het kabinet acht het niet
zijn taak de prestaties van individuele CWI te monitoren. De CWI
maken deel uit van één organisatie onder leiding van een Raad van bestuur. Het
inzichtelijk maken van de prestaties van individuele vestigingen is dan ook
een interne managementstaak. Momenteel rblz.|129|
wordt binnen CWI gewerkt
aan een interne benchmark aan de hand waarvan de prestaties van
de CWI-vestigingen met elkaar kunnen worden vergeleken. Overigens
legt CWI wel verantwoording aan de minister van SZW af over het totaal
van haar prestaties.
Jaarlijks worden op basis
van de verwachte conjuncturele ontwikkelingen de toestroom van
werkzoekenden naar de CWI en de vraag van werkgevers naar dienstverlening van
de CWI geraamd. Het budget voor de uitvoeringskosten van CWI
wordt mede op basis hiervan vastgesteld. Wanneer gedurende het
jaar wijzigingen optreden in de toestroom, dan dient CWI deze binnen een
bepaalde bandbreedte zelf op te vangen. Wanneer de wijziging van
de toestroom boven deze bandbreedte uitgaat, wordt over een mogelijke
budgetaanpassing overlegd. In het kader van de aanschrijving voor het
jaarplan 2004 is aan CWI verzocht voorstellen te ontwikkelen voor een meer
conjunctuurbestendige organisatie.
rblz.|130|
7. Vereenvoudiging
[MvT;
V]
De leden van de fractie
van GroenLinks constateren dat bureaucratiebestrijding één van de doelstelling
van de Wwb is. Zij vragen de kabinet deze doelstelling te
kwantificeren en daarbij het huidige bijstandsregime af te zetten tegen het
voorgestelde. Deze leden vragen op dit punt inzichtelijk te maken wat de huidige
overheadkosten per bijstandsgerechtigde zijn en in welke mate
deze, naar de inschatting van de kabinet, zullen dalen.
Uit de thans lopende test
van de decentrale functie van het uitvoeringskostenmodel Abw bij
vijftien gemeenten
blijkt dat gemeenten overheadkosten op verschillende wijzen
definiëren en op uiteenlopende wijzen doorbelasten naar sociale diensten.
Een betrouwbaar en representatief cijfer van de overheadkosten per bijstandsgerechtigde kan daarom (nog) niet
worden gegeven.
In dit kader is het ook
lastig om de doelstellingen te kwantificeren met betrekking tot het
terugdringen van de bureaucratie. Deze hangt samen met de overheadkosten en de
beperking van de administratieve lasten. Voor een verdere toelichting op de
vermindering van informatiestromen verwijst het kabinet naar hoofdstuk
9 van deze nota.
7.1. Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting [MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
vragen op welke wijze een goede fraudebestrijding wordt gewaarborgd als de
gemeenten zelf keuzes kunnen maken over de hoogte van
de sanctie en bijvoorbeeld het al of niet vervolgen van witte
fraude. Deze leden wijzen op het risico dat de kosten van fraudebestrijding
hoger zijn dan de te verhalen uitkering en de gemeente vervolgens uit
een oogpunt van efficiency afziet van nader onderzoek. Zij vragen dan
ook waar en hoe is bepaald dat de gemeente verplicht is fraude te
bestrijden. De leden van de fracties van CDA en
VVD vragen waarom niet is
gekozen voor een verplichting tot fraudebestrijding en rapportage aan de
gemeenteraad hierover. De leden van de VVD-fractie vragen of de gemeente een
kosten-batenafweging mag maken. Deze leden uiten hun zorg dat
de omzetting van de verplichting van terugvordering naar een bevoegdheid tot
grote, mogelijk niet-gewenste, verschillen kan leiden tussen gemeenten met betrekking tot de fraudeaanpak. Zij
vragen het kabinet een
reactie hierop.
Door het grotere
financiële voordeel dat de gemeente heeft van het stopzetten van ten onrechte
verleende uitkeringen, mag worden verwacht dat van de Wwb
een impuls zal
uitgaan voor een intensivering van de fraudebestrijding. Hierbij dient tevens te
worden bedacht dat ook de huidige regelgeving de gemeente
niet voorschrijft op welke wijze de fraudebestrijding moet worden ingericht.
Het maken van een kosten-batenafweging is toegestaan. Bij de Wwb zal de gemeente er om die reden minder snel dan
onder de Abw toe over te gaan om af te zien van een specifiek
fraudeonderzoek, omdat het financieel rendement van de door de gemeente te
leveren inspanningen door de Wwb wordt vergroot. Ook is er een zeer
beperkt rendement voor de fraudebestrijding van de heronderzoeken zoals
voorgeschreven in de Rau 1996. Van de beleidsvrijheid die gemeenten krijgen
door het vervallen van de Rau 1996 mag daarom worden verwacht dat de gemeenten de controle op het verlenen van
bijstand zo inrichten dat
daarmee een maximaal resultaat kan worden geboekt.
Het vervallen van de
verplichting tot terugvordering beoogt de gemeente de ruimte te geven om, in
plaats van de huidige regels ter zake uit artikel
78a tot en met 78c Abw, zelf
een
beleid te formuleren wanneer van terugvordering kan worden afgezien. Ook
hierbij geldt dat er door het grotere financiële rblz.|131|
voordeel voor gemeenten geen enkele aanleiding is te veronderstellen
dat de gemeente een
niet-adequaat terugvorderingbeleid zullen voeren. Van niet-gewenste
verschillen tussen gemeenten met betrekking tot fraudeaanpak in het
algemeen en terugvordering in het bijzonder zal derhalve niet snel sprake
zijn.
Mede omdat een adequaat
terugvorderingsbeleid een conditio sine qua non is om bij het openbaar ministerie succesvol aangifte te doen van uitkeringsfraude, is in
paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting opgenomen dat van gemeenten
verwacht mag worden dat zij een terugvorderingsbeleid
voeren dat een effectieve bijdrage levert aan een adequate
fraudebestrijding.
De leden van de
PvdA-fractie stellen de vraag hoe gemeenten dienen om te gaan met de
verhaalsbevoegdheid in dit wetsvoorstel.
In de Wwb
wordt de
verhaalsparagraaf ten opzichte van de huidige Abw-verhaalsparagraaf
vereenvoudigd. Hiermee wordt geanticipeerd op een eerder aangekondigd
vernieuwd kinderalimentatiestelsel van Justitie, waartoe naar verwachting
in de loop van 2003 een wetsvoorstel gereed zal zijn.¹ In de Invoeringswet
Wwb is bepaald dat het huidige regime van verhaal op
onderhoudsplichtigen zal worden gehandhaafd als een bevoegdheid voor gemeenten.
Toepassing van overig
verhaal (op derden) in de Wwb houdt verband met schenkingen,
nalatenschappen en ouders van 18- tot en met 20-jarigen aan wie in aanvulling op de norm
bijstand wordt verleend. Hoe en wanneer gemeenten dienen te
verhalen, is eenduidig geregeld in de verhaalsparagraaf van de Wwb. Voorts kunnen
gemeenten in een verordening binnen de kaders van voornoemde
verhaalsparagraaf nadere richtlijnen opstellen. Het is, indien geschillen
optreden, uiteindelijk aan de rechter om aan de hand van de verhaalsparagraaf in de
Wwb in voorkomende gevallen te
toetsen of er sprake is
van onwettelijk handelen door gemeenten. Of er mogelijk sprake is van
ongelijke behandeling in gelijke gevallen binnen één gemeente kan door de
rechter worden (mee)gewogen.
1. Kamerstukken II 2002-2003,
28 975 nr. 1; IBO-Alimentatiebeleid.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of gemeenten er in de nieuwe situatie voor kunnen
kiezen fraude niet te verhalen.
Overeenkomstig het
gestelde in de terugvorderingsparagraaf van de Wwb
kunnen gemeenten
eenmaal vastgestelde fraudeschulden van belanghebbenden
terugvorderen. Verhalen is niet mogelijk, omdat het daarbij gaat om een actie
richting een derde en niet een belanghebbende in de zin van de Wwb. De gemeente kan, gelet op de financiële stimulans
en de eigen beleidsruimte
in dit wetsvoorstel, een goede afweging maken wanneer van
terugvordering kan worden afgezien. De mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk af
te zien van terugvordering van fraudeschulden zijn in dit wetsvoorstel
geoptimaliseerd, ter bevordering van een effectief incassobeleid door
gemeenten. Hiermee is eveneens op het onderdeel terugvordering invulling
gegeven aan de met dit wetsvoorstel beoogde vereenvoudiging en
deregulering.
Dat volledige
terugvordering van bijstand niet in alle situaties een reële mogelijkheid is, blijkt
al uit meerdere bepalingen in de vigerende Abw
die gemeenten in een aantal
gevallen de mogelijkheid bieden geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Met de in de Wwb geformuleerde terugvorderingparagraaf
kan de gemeente zelf bepalen geheel of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien. Voorts biedt het vervallen van de
terugvorderingsplicht een bijkomend voordeel voor belanghebbende(n), omdat
gemeenten als schuldeiser, eenvoudiger dan onder het Abw-regime,
deel kunnen nemen aan een (minnelijke) schuldsaneringsregeling.
rblz.|132|
Onder verwijzing naar de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van 30 juli 2002
(USZ
2002, 256) en van 7 juni 2000 (USZ 2000, 202) vragen de leden van de
SGP-fractie aan het kabinet wat de consequenties zijn van de invoering van de
terugvorderings- en intrekkingsbevoegdheid in plaats van de huidige plicht tot
terugvordering en intrekking.
Uit deze jurisprudentie
- waarbij dient te worden opgemerkt dat de aangehaalde uitspraak uit 2002 een
voorlopige voorziening betreft - zou kunnen worden geconcludeerd dat
voor uitkeringsinstanties met een terugvorderingsbevoegdheid
een stringenter regime geldt dan voor uitkeringsinstanties met
een terugvorderingsplicht. Behoudens de wettelijke verval- of
verjaringstermijnen, waarbij zowel in de Abw
als in dit wetsvoorstel wordt
aangesloten bij de systematiek in Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek, zou
namelijk bij toepassing van de terugvorderingsbevoegdheid in de Wwb
door gemeenten
overeenkomstig bovengenoemde jurisprudentie binnen een
redelijke termijn vanaf het tijdstip dat het vermoeden is gerezen dat ten onrechte een uitkering is betaald,
moeten handelen ter zake.
De juridische basis hiervoor ligt besloten in artikel 6, eerste lid,
EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.], waarin is neergelegd dat bestuurshandelen bij
geschillenbeslechting
binnen een redelijke termijn dient plaats te hebben, evenals in artikel 3:2
Awb (zorgvuldigheidsbeginsel). Het bovenstaande betekent concreet voor
gemeenten dat bij het ontstaan van een vordering op een adequate wijze de
benodigde acties dienen te worden ingezet. Naar verwachting zal de
alertheid en snelheid van gemeenten bij de uitoefening van het debiteurenbeleid
hierdoor extra worden gestimuleerd. Kortom, op grond van het
bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de
terugvorderingsbevoegdheid van gemeenten in dit wetsvoorstel geen uitvoeringsproblemen tot
gevolg zal hebben. Wel dient de gemeente de nodige zorgvuldigheid te
betrachten bij de uitvoering van het debiteurenbeleid.
De leden van de
SGP-fractie vragen aandacht voor de toepassing van intrekkings- en
terugvorderingsbesluiten in dit wetsvoorstel.
Terugvordering behelst
zowel het nemen van het terugvorderingsbesluit als de tenuitvoerlegging
daarna. Om één en ander effectief te laten verlopen in het
terugvorderingsproces dient de gemeente een aantal beslissingen te nemen,
zoals een intrekkings- of herzieningsbesluit en een terugvorderingsbesluit.
Indien er in de bijstandspraktijk aanleiding is voor terugvordering, worden
genoemde besluiten meestal niet afzonderlijk genomen, mede aangezien
dit tot de nodige verwarring bij de cliënt zou kunnen leiden, maar vindt
samenvoeging plaats hiervan onder vermelding van de relevante
wetsartikelen. De facto betekent dit wel dat alle voornoemde besluiten zijn
genomen. Kortom, een intrekkings- of herzieningsbesluit blijft
in dit wetsvoorstel noodzakelijk om een terugvorderingsactie te
kunnen motiveren, ongeacht de feitelijke vormgeving van de uiteindelijke
besluitvorming ter zake door de gemeente.
7.2. Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of er geen situatie bestaat waarin een alleenstaande ouder met
recht op alimentatie die zelf niet in staat is de alimentatie te innen
tijdelijk of blijvend een verlaging van de bijstand kan worden opgelegd.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of zolang de nieuwe alimentatiewetgeving nog niet gereed is dan
toch de huidige verhaalsrichtlijnen vervallen en of gemeenten
zelf kunnen kiezen in hoelang zij teruggaan vóór het moment van de
scheiding om de bijdrage voor de ex-partner te verhalen.
rblz.|133|
In de Wwb wordt geanticipeerd op de komst van een nieuw kinderalimentatiestelsel zoals afgesproken in het
Strategisch Akkoord. De situatie waar deze leden
op doelen, treedt dan ook pas in werking als het nieuwe stelsel van
kinderalimentatie is ingevoerd. Tot die tijd blijft het huidige verhaal van
bijstand op onderhoudsplichtigen als een bevoegdheid voor de gemeenten
gehandhaafd.
Zoals aangekondigd in het
kabinetsstandpunt (Kamerstukken II 2002-2003, 28 795, nr. 1) bij
het eindrapport van de Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO)-werkgroep
Alimentatiebeleid is een andere regeling van kinderalimentatie
juist bedoeld om de financiële positie van de verzorgende ouder te
verbeteren. Deze kinderalimentatie biedt een belangrijke basis voor
het bereiken of handhaven van economische zelfstandigheid van de verzorgende ouder.
Volgens de aanbevelingen
uit dit rapport dient kinderalimentatie via eenvoudige, duidelijke en
begrijpelijke normen door de overheid te worden vastgesteld, mede
teneinde draagvlak hiervoor te vergroten. Daarnaast beveelt de
IBO-werkgroep aan dat de overheid zorg draagt voor een laagdrempelig
intermediair voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie indien ouders onderling
niet tot afspraken ter zake komen. Door op deze wijze het
nieuwe kinderalimentatiestelsel in te vullen, wordt voorkomen dat de
verzorgende ouder die een beroep doet op bijstand onder druk komt te staan
van de ex-partner. De bepaling in artikel
56 [56], eerste lid, dat
burgemeester en wethouders aan de bijstandsgerechtigde de verplichting kan
opleggen een vordering tot kinderalimentatie in te stellen, is dan ook niet
meer dan een "stok achter de deur" om ervoor te zorgen dat de bijstandsgerechtigde het recht op kinderalimentatie effectueert.
Bovendien wordt, zoals
blijkt uit artikel 18 [18]
van dit
wetsvoorstel, bij het niet nakomen van deze
verplichting afgezien van een verlaging van de uitkering indien elke
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In de memorie van toelichting is
verduidelijkt dat onder de nieuwe systematiek het verhaal op ex-partners
wordt afgeschaft en dat de in te stellen vordering dus alleen betrekking
heeft op kinderalimentatie.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of, als de gemeenten in verordeningen verschillend beleid
vaststellen, de rechter in een beroepsprocedure het verhaal kan afwijzen
vanwege ongelijke behandeling tussen gemeenten in dezelfde
gevallen.
Of het risico waar deze
leden op wijzen zich zal voordoen, hangt af van de wijze waarop de gemeenten
hun verhaalsbeleid gaan invullen. Voorop blijft staan dat bij
verhaal op onderhoudsplichtigen het Burgerlijk
Wetboek leidend is. De gemeenten
hebben daarin dus geen eigen beleidsruimte. Deze ruimte zal zich dus beperken tot de vraag of er wel of geen verhaalsactie
wordt ingesteld.
7.3. Omzetting boetesysteem
in verlaging van de uitkering [MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
vragen of de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid nog wel van kracht blijft voor de Ioaw,
Ioaz en Wik. Tevens vragen zij of de
vierde tranche Awb zal leiden
tot wijziging van het nu voorgestelde sanctiesysteem en of het de
bedoeling is dat de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid voor alle wetten sociale zekerheid zal
worden ingetrokken. Ten slotte vragen deze leden een vergelijking te
maken van de bepalingen in de Abw en in dit
wetsvoorstel.
In
de Abw is het systeem van boeten- en maatregelen geregeld in de
artikelen 14 tot en met 14f. In artikel 14 is het
maatregelenbeleid
opgenomen en in de artikelen 14a tot en met
14f de administratieve
boeten. Het maatregelenbeleid is verder nog uitgewerkt in het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Het maatregelenbeleid zoals
het in
artikel 14 Abw en in het Maatregelenbesluit Abw,
Ioaw en Ioaz is
opgenomen, is niet meer rblz.|134|
als zodanig overgenomen in de Wwb. In de Wwb wordt het zo geregeld dat het college de bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en
middelen van de belanghebbende. Indien de belanghebbende naar het
oordeel van het college een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel
voor de verplichtingen die voortvloeien uit de Wwb, dan verlaagt het
college de bijstand of de langdurigheidstoeslag overeenkomstig de
verordening. Op grond van in een verordening vast te leggen criteria
dienen burgemeester en wethouders in individuele gevallen te bepalen of
en in welke mate deze criteria van toepassing zijn en tot welke
verlaging van de uitkering dat aanleiding geeft. Burgemeester en
wethouders moeten er daarbij zorg voor dragen dat zij tijdig worden
geïnformeerd door betrokkenen, zoals de CWI, het reïntegratiebedrijf
of het Regionaal Opleidingen Centrum over de naleving door de
belanghebbende van de vastgestelde verplichtingen. In de tweede volzin
van het tweede lid wordt nog eens geëxpliciteerd dat van een verlaging
van de uitkering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de
belanghebbende door overmacht niet in staat is geweest één of meer
afspraken volledig na te komen.
In de Ioaw, Ioaz en
Wik wordt het huidige
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz wel gehandhaafd, omdat bij deze specifieke
inkomensvoorzieningen het aspect maatwerk van veel minder belang is.
Het zich zeer ernstig misdragen valt eveneens
onder de reikwijdte van artikel 18 [18]
Wwb. Indien betrokkene zich jegens
burgemeester en wethouders zeer ernstig misdraagt, geeft hij immers aan
dat hij tekortschiet in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan. Burgemeester en wethouders hebben de
bevoegdheid om in deze situatie de uitkering lager vast te stellen op
grond van in de verordening vast te stellen criteria. Onder de term
"zeer ernstig misdragen" kunnen diverse vormen van agressie worden
verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
onacceptabel kan worden beschouwd.
De artikelen 14a tot en met 14f
uit de
Abw komen niet meer terug in de Wwb, met uitzondering van
artikel 14f,
zevende en negende lid. Artikel 14f, zevende respectievelijk negende lid, is in de Wwb
opgenomen in artikel 58 [58], vierde lid, respectievelijk
artikel 60 [60], vierde lid. In
deze wet is de bestuurlijke sanctie vervangen door een aanpassing van de
uitkering. Deze wordt daarmee afgestemd op de mate waarin de betrokkene
aan zijn verplichting heeft voldaan om het college de juiste informatie
te verstrekken die van belang is voor het recht op uitkering. Op deze
wijze ontstaat er één regime voor handhaving van alle aan de uitkering
verbonden verplichtingen. Daardoor wordt een meer effectieve handhaving
mogelijk waarbij de gemeente
in alle gevallen waarin de betrokkene
verwijtbaar zijn verplichtingen niet nakomt, met een lik-op-stukaanpak
de uitkering daarop kan afstemmen. In die gevallen waarin het
benadelingbedrag groter is dan de in de aangifterichtlijn sociale
zekerheid genoemde grens (€|6000,-) blijft de verplichting voor
gemeenten gehandhaafd om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen
bij het openbaar ministerie. Verlaging van de uitkering is ook mogelijk
door middel van extra terugvordering indien de fraude pas na het
beëindigen van de uitkering wordt geconstateerd en er niet voor het
volledige uitkeringsbedrag is gefraudeerd. Voor die ex-cliënten waarbij
zo’n extra terugvordering niet mogelijk is, zullen met het openbaar ministerie nadere afspraken worden gemaakt voor aangifte en afhandeling.
Er zijn echter ook in die situatie mogelijkheden voor een extra
financiële correctie. Zo is geregeld dat de gemeente de bevoegdheid
heeft de terugvordering te verhogen met wettelijke rente en gemaakte
kosten. Ook heeft de gemeente op grond van artikel 18
[18] de bevoegdheid rblz.|135|
om
bij een eventuele nieuwe aanvraag om bijstand rekening te houden met
eerder gepleegde inlichtingenfraude indien dit eerder niet mogelijk was.
Voor een overzicht van overgang van de
artikelen uit de Abw naar het wetsvoorstel Wwb toegespitst op het
maatregelen- en boetenbeleid wordt verwezen naar onderstaande
transponeringstabel.
Transponeringstabel
wetsvoorstel Wet werk en bijstand; boeten en maatregelen:
| Artikel
Algemene bijstandswet |
Artikel
wetsvoorstel Wet werk en bijstand |
| 14 |
18
[18] |
| 14a
tot en met 14e |
--- |
| 14f,
eerste tot en met zesde, achtste, tiende en elfde lid |
--- |
| 14f,
zevende lid |
58
[58],
vierde lid |
| 14f,
negende lid |
60
[60],
vierde lid |
Algemene
bijstandswet:
Artikel 14: weigering bijstand.
Artikel 14a: boete.
Artikel 14b: zwijgrecht.
Artikel 14c: betalingstermijn.
Artikel 14d: onderzoek OM.
Artikel 14e: termijn boeteoplegging.
Artikel 14f: executoriale titel.
Wetsvoorstel Wet werk en bijstand:
Artikel 18 [18]: afstemming.
Artikel 58 [58], vierde lid: verhoging
vordering met wettelijke rente en op terugvordering betrekking hebbende
kosten.
Artikel 60 [60], vierde lid: executoriaal
beslag.
De
leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet welke factoren er bij de
oplegging van sancties in het geding zijn bij de gelijke behandeling in
gelijke gevallen. Zij vragen het kabinet of de burger de overheid
betrouwbaar zal vinden als sancties per gemeente
verschillen. Tevens
vragen zij op welke wijze het kabinet zich zal verantwoorden over de
fraudebestrijding op gemeentelijk niveau, zoals in het recente
algemene overleg over fraudebestrijding door de Staatssecretaris van SZW
is toegezegd.
Het
kabinet is het met de leden van de PvdA-fractie
eens dat de
beleidsvrijheid van gemeenten niet mag leiden tot willekeur. De vragen
van deze fractie raken in de kern aan twee voor handhaving essentiële
spanningsvelden, namelijk het spanningsveld tussen de belangen van de
gemeente vanuit de handhavingsoptiek enerzijds en de rechtsbescherming
van de burger anderzijds, én de spanning tussen maatwerk en willekeur.
Op verschillende terreinen van het recht hebben
zich de afgelopen jaren een aantal normen ontwikkeld die tegenwoordig
gelden als toetsingsmaatstaven voor zowel de rijksoverheid als organen
van de lagere overheid en zelfstandige bestuursorganen. De Wwb
doet aan
deze beginselen geen afbreuk. Het "verbod van willekeur" wordt gezien
als een kernelement binnen de rechtsorde. De voor de sanctietoepassing
kenmerkende afweging tussen de ernst van de overtreding en de
verwijtbaarheid in relatie tot de persoonlijke omstandigheden komt onder
meer tot uitdrukking in de "evenredigheidsnorm". Dit is een ander
centraal beginsel binnen ons rechtstelsel. De Hoge Raad heeft voorts
bepaald dat de meest essentiële beginselen die zijn verankerd in
artikel 6 EVRM (waaronder het recht op informatie over aanvang en
onderwerp van het geding, op kenbaarheid van stukken en argumenten, op
en reële gelegenheid om daarop te reageren, alsmede het recht om te
woorden gehoord) ook van toepassing zijn op bestuursrechterlijke
procedures die niet onder deze bepaling vallen.¹ De betrouwbaarheid van
de overheid, waaraan de leden rblz.|136|
van de PvdA-fractie met reden refereren,
wordt in deze centrale rechtsnormen weerspiegeld. Hoewel het kabinet,
evenals deze leden, veel waarde hecht aan bovengenoemd aspect, dat
immers een essentieel onderdeel is gaan vormen van onze rechtsstaat, is
zij van mening dat meer regelgeving niet het instrument is om deze
betrouwbaarheid te beïnvloeden. Deze opvatting ziet zij onder meer
bevestigd in de twee eerder genoemde onderzoeken naar de uitvoering van
het maatregelenbeleid ² waaruit bleek dat er weinig eenheid valt te
constateren tussen gemeenten en individuele casemanagers bij de
toepassing van het sanctiebeleid.
De Wwb biedt gemeenten handvatten om
daadwerkelijk te investeren in kwalitatief goede handhaving. Door ruimte
te bieden voor slagvaardigheid en door een sanctietoepassing die de
doelstellingen op het terrein van activering en uitstroom optimaal
ondersteunt, doordat deze ingebed wordt binnen het lokaal
reïntegratiebeleid.
De "monitor bijstandsfraude" loopt door tot
en met 2005. Op deze wijze kan, conform de toezegging tijdens het door
deze leden genoemde algemeen overleg, verantwoording worden afgelegd
over de resultaten van de fraudebestrijding.
1. HR 22 maart 1995, 15
maart 1996, NJ 1997, 341.
2. Research voor beleid, Activeringsinstrumenten in de Bijstandswet,
Deelrapport Maatregelen (1999, Den Haag).
De
leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere toelichting op de
keuze in voorliggend wetsvoorstel om de bevoegdheid tot verlaging van de
uitkering, inclusief de vaststelling van een verordening hiervoor, aan
de gemeenten over te laten, mede gelet op het verbod op de categoriale
bijzondere bijstand.
Zowel bij de decentralisatie van het sanctiebeleid als bij de bijzondere
bijstand is het beleid van het kabinet erop gericht maximale condities
te creëren voor maatwerk. Het afschaffen van de categoriale bijzondere
bijstand is immers geen verbod op bijzondere bijstand, maar juist het
garanderen dat de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de
noodzakelijke bestaanskosten van het specifieke geval.
De
leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet of het de vrees deelt
dat gemeenten die niet rondkomen met het verleende budget massaal zullen
gaan korten op de hoogte van de uitkering. Zij vragen hoe gegarandeerd
wordt dat een eventuele verlaging van de uitkering geschiedt op basis
van zuiver objectieve criteria en waarom niet is gekozen voor een
uitwerking van het regime voor verlaging van de uitkering in een
algemene maatregel van bestuur.
Voor de veronderstelling van de leden van de fractie van GroenLinks dat gemeenten die niet uitkomen met het verleende
budget massaal zullen
gaan korten op de hoogte van de uitkering, bestaat geen aanleiding. Dit
effect zou zich dan ook hebben moeten voordoen bij de invoering van de
WFA in 2001 toen de gemeenten voor 25% werden gebudgetteerd voor de
uitkeringen. Ook uit signalen van gemeenten blijkt niet dat zij van plan
zijn het gemeentelijk toeslagenbeleid - het enige onderdeel van de
uitkeringssystematiek waarop zowel de Abw
als de Wwb
de gemeenten
beleidsruimte geven - te gaan aanpassen vanwege de invoering van
volledige budgettering.
Bij de invulling van de verordening voor het
verlagen van de uitkering wegens het niet nakomen van verplichtingen die
aan de klant zijn opgelegd, geldt dat de hoogte van de maatregel
proportioneel moet zijn ten opzichte van het gebleken gebrek aan
plichtsbesef. Dit betekent dat de ruimte voor verschillen in beleid
beperkt is.
rblz.|137|
7.4. Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften [MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
vragen het kabinet hoe vrij de gemeente
is om zelf optimaal
efficiënt binnen de eigen gemeentelijk financiële huishouding de
administratie in te richten nu de gemeenten maar kunnen kiezen tussen
twee ICT-leveranciers.
Het
kabinet verwijst deze leden naar het antwoord in paragraaf 6.2 van deze
nota waarin is ingegaan op de problematiek van het zeer beperkte aantal
ICT-leveranciers
7.5. Beleidsinnovatie
[MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
verzoeken het kabinet om een opzet van de voorgenomen AMvB op grond van artikel 83
[83] (innovatie).
De Wwb
geeft gemeenten alle ruimte om een actief reïntegratiebeleid te
voeren. De hierbij passende regelgeving mag geen keurslijf vormen die
een mogelijke effectievere vormgeving van de wet a priori in de weg
staat. Een eventueel experiment zal zich moeten beperken tot de rechten
en plichten rond de arbeidsinschakeling, tot wat als middelen wordt
beschouwd, alsmede tot de uitkeringsintake en de financiering. Andere
onderdelen van de wet lenen zich naar het oordeel van het kabinet niet
voor experimenten. Op grond van artikel 83
[83], zesde lid, zal het ontwerp
van een dergelijke AMvB in ieder geval worden voorgehangen in beide
kamers der Staten-Generaal. Het kabinet staat dus positief tegenover zo’n
experiment, maar heeft op dit moment nog geen voorstellen die in een
AMvB zouden moeten worden uitgewerkt.
Overigens is bij nota van wijziging op de
Invoeringswet Wwb een vergelijkbaar experimenteerartikel in de Wet
SUWI
opgenomen. Hierop is ingegaan in paragraaf 6.3 van deze nota.
rblz.|138|
8. Rijkstoezicht
[MvT;
V]
Gegevens individuele gemeenten
De
leden van de CDA-fractie vragen welke gegevens het kabinet nodig heeft
en welke gegevens die onder de Abw wel nodig waren, nu niet meer nodig
zijn. Zij vragen of de minister op de hoogte moet zijn van het feit dat
een individuele gemeente de Wwb niet goed uitvoert en hoe hij dan aan de
benodigde informatie komt.
De
vraag welke gegevens het kabinet onder de Wwb
nog steeds nodig heeft en
op welke wijze deze gegevens worden verzameld, wordt beantwoord in hoofdstuk
9 van deze nota. In beginsel wil de Minister van SZW over een
individuele gemeente alleen weten of deze gemeente de Wwb rechtmatig
uitvoert.
Door deregulering en de beperking van de
rechtmatigheidseisen hoeft de gemeente in het modelverslag over de
uitvoering Wwb over minder aspecten aan de minister te verantwoorden.
Het beeld van de uitvoering en de rechtmatigheid dat de minister
verkrijgt, wordt minder gedetailleerd. Dit geldt tevens voor de
verantwoordingsinformatie over doeltreffendheid. De minister krijgt nog
informatie over de doeltreffendheid van de wet, niet over de uitvoering
door een individuele gemeente.
Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat
de gemeente de wet niet goed uitvoert of er sprake is van ernstige
tekortkomingen, dan kan IWI in voorkomende gevallen een eigenstandig
onderzoek instellen en daarbij vragen naar eventueel benodigde
informatie.
Vermindering administratieve lastendruk
De
leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan garanderen dat door
de Wwb de administratieve lastendruk afneemt en of daarmee het algemene
beleid van 25% minder lasten wordt gerealiseerd.
De
beperking van de administratieve lasten wordt op de volgende wijze
bereikt:
- het aantal informatiestromen wordt beperkt. Vanaf 2005 zijn er nog
vier statistieken voor het gehele Wwb-domein in plaats van
zes;
- de inhoud van de informatiestromen wordt beperkt. In de statistieken
wordt 30% van de kenmerken geschrapt. Het verslag over de uitvoering
wordt teruggebracht van 35 naar vijf bladzijden, terwijl daarnaast ook de
kwartaaldeclaraties en kostenopgaven vervallen. Dit kan doordat de
informatieverstrekking door gemeenten aan het Rijk onder de Wwb niet
alleen beter aansluit bij de bestuurlijke en financiële verhoudingen,
maar ook doordat informatie meer bij de "primaire bron" (bijvoorbeeld
bij CWI of GBA) wordt gehaald en de informatievragen vanuit
SZW minder
gedetailleerd zijn onder meer door beperking van het aantal operationele
doelstellingen;
- vermindering van het aantal wettelijke voorschriften. Zo telt de Wwb ca. 50% minder artikelen dan de
Abw en de Wiw en vervallen alle
uitvoeringsvoorschriften, ook in lagere regelgeving, met betrekking tot
administratie en onderzoeken. Tevens is er bij de regelgeving van de Wwb
sprake van een aanzienlijke beperking van het aantal delegatiebepalingen
in de wet.
De gerealiseerde besparing van de
administratieve lasten bij de Wwb is aanzienlijk, maar kan niet worden
gekwantificeerd, omdat hierover geen nulmeting beschikbaar is.
Over de borging van de administratieve
lastenverlichting zal nader overleg plaatsvinden met de VNG.
rblz.|139|
Circulaires
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel verzamelbrieven, circulaires, ministeriele besluiten en AMvB’s sinds 1 september 2002 tot 1 juli
2003 naar de gemeenten zijn gestuurd op het gebied van de bijstand en de
Wiw en hoeveel onderwerpen deze circulaires bevatten. Zij vragen het
kabinet aan te geven hoeveel en welke van deze onderwerpen in het kader
van de Wwb
niet meer aan de gemeenten zullen worden gestuurd als regel
of richtlijn.
In
de genoemde periode zijn vijf verzamelbrieven, drie verzamelcirculaires en
drie circulaires (waarvan twee als bijlage zijn toegevoegd aan de
verzamelcirculaire van 4 september 2002) naar de gemeenten gezonden.
Daarnaast zijn in deze periode drie AMvB’s en dertien ministeriële regelingen
gepubliceerd. Deze stukken bevatten in totaal 27 onderwerpen op het
terrein van de Abw
en acht onderwerpen op het terrein van de Wiw. De
onderwerpen variëren van beleidsregels financieel maatregelenbeleid tot
informatieverstrekking over bijvoorbeeld aanpak agressief gedrag bij
bijstandscliënten. Totaaloverzicht aan onderwerpen op basis van
verzamelbrieven, verzamelcirculaires, besluiten en beleidsregels:
- informatie over de uitkeringen WFA 2002, 2003 en 2004;
- Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor
het jaar 2003;
- extra middelen in 2003 voor financiële ondersteuning langdurige
minima zonder arbeidsmarktperspectief;
- (vooraankondiging) wijziging bedragen Abw, Ioaw, Ioaz en Wik (per 1
juli, 1 april en 1 januari 2003) [zie chronologische
lijst geschiedenis
wet- en regelgeving, red.];
- Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Abw,
Ioaz en Ioaz;
- gegevensuitwisseling tussen gemeenten en belastingdienst betreffende
voorlopige teruggaaf heffingskortingen 2003;
- wijziging aantal regelingen betreffende verstrekking statistische
gegevens Abw;
- uitbetaling vakantietoeslag Abw;
- wijziging Bijstandsregeling vakantietoeslag
2001:
- aanpassing Abw-statistiek;
- bijzondere bijstand in geval van detentie en
reïntegratieactiviteiten, (Wiw-voorzieningen) ten behoeve van (ex-)gedetineerden;
- bewaartermijnen dossiers Abw;
- follow-up mismatch GBA;
- ex-Wik-ers in de bijstand;
- inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten;
- vervallen toetrederskorting en overgangsregeling toetrederskorting;
- Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw;
- aanvullende bijstand voor mensen met een AOW-gat;
- aanpak agressief gedrag bij bijstandscliënten;
- opschoning oude circulaires;
- bijstandsonderzoeken in het buitenland, conservatoir beslag in het
buitenland;
- intrekken Regeling noodzakelijke scholing;
- toepassing artikel 70 Abw;
- privacykader uitvoering Abw;
- tegoeden WO-II en uitkeringen aan voormalig dwangarbeiders in het
kader van de Abw;
- wijziging Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
van 10 maart 2003. Dit besluit is mede op de Abw gebaseerd en creëert
een recht op bijstand voor een zeer specifieke groep gedetineerden;
- vaststelling modellen en bijlagen 2003 van de Regeling financiering en
verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz, Regeling administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wik en Regeling uitvoering financiering
Wet inschakeling werkzoekenden.
rblz.|140|
Op het terrein van de Wiw
bevatten de verzamelbrieven, verzamelcirculaires en circulaires acht onderwerpen,
te weten:
- beleidsregels subsidievaststelling Wiw [zie Beleidsregels
vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003,
red.];
- uitbesteding reïntegratieactiviteiten door gemeenten;
- recente en relevante ontwikkelingen op het gebied van gesubsidieerde
arbeid;
- aanbesteden reïntegratieactiviteiten door gemeenten;
- gevolgen Strategisch Akkoord op gesubsidieerde arbeid;
- wijziging Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden;
- wijziging Regeling informatie Wet inschakeling
werkzoekenden;
- Besluit van 18 december 2002, houdende wijziging van het Besluit
in-en
doorstroombanen en het Besluit uitvoering en financiering Wet
inschakeling werkzoekenden met het oog op de invoering van een vrij
besteedbaar reïntegratiebudget en een technische wijziging van het
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg.
Als gevolg van de Wwb
zal het aantal en de
omvang van de circulaires worden beperkt. Over de circulaires die
blijven bestaan of in een andere vorm kunnen terugkomen, merkt het
kabinet het volgende op. Sommige van deze circulaires zijn puur
informatief van aard. Deze worden jaarlijks of halfjaarlijks verstrekt
en betreffen informatie over de hoogte van de bedragen voor
uitkeringsnormen of financiële vergoedingen. Verder zijn er eenmalige
informatieve circulaires over speciale onderwerpen zoals de gevolgen van
uitspraken van de Hoge Raad. Daarnaast zijn er informatieve circulaires
- zoals bij de Abw-statistiek, verslag over de uitvoering of
maatregelen in de fiscale sfeer - die regelmatig worden geupdated in
verband met nieuwe ontwikkelingen. Dit zal ook aan de orde blijven na de
overgang van Abw naar Wwb.
Single audit en accountantscontrole
De
leden van de PvdA-fractie vragen of, indien de gemeente
met single-auditsystemen gaat werken en de externe accountant de controle doet, deze
dan ook op rechtmatigheid worden gedaan. Zij vragen tevens of er
landelijke controleprotocollen komen en in welke mate de departementale
accountantsdienst nog betrokken wordt in de controle op de gemeenten of
de controle op de accountants van de gemeenten. Voorts willen deze leden
weten of gemeenteraadsleden die zitting hebben in de gemeentelijke
rekenkamer toegang hebben tot de individuele cliëntendossiers en of
zij de eed van geheimhouding dienen af te leggen.
Op
de accountantsprotocollen wordt ingegaan in hoofdstuk
9 van deze nota
bij "verantwoording en administratieve lasten".
De Wwb leidt tot minder landelijke regels die
voor de uitvoering van belang zijn en ook tot minder verantwoording aan
het Rijk. In die zin leidt de Wwb niet tot een bredere taak voor de
accountants. Waar de nadruk vooral komt te liggen op de verantwoording
van het college aan de raad, neemt de lokale betekenis van de taak van
de accountants toe. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat accountants
hiertegen niet opgewassen zouden zijn. De departementale
accountantsdienst heeft geen directe toezichtstaak. Wel vloeit uit grond
van de Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001, red.] voort dat hij belast is met de beoordeling of
de definitieve vaststelling van de reïntegratiebudgetten door de minister
op basis van deugdelijke informatie geschiedt. Daarnaast
beoordeelt de departementale accountantsdienst in dit kader de
toereikendheid de vaststelling ¹ van de door de ambtelijke organisatie
verrichte werkzaamheden. Tot slot kan in dit verband nog worden vermeld
dat de departementale accountantsdienst belast is met de controle van de
deugdelijke totstandkoming van de in het rblz.|141|
departementale jaarverslag
opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.
Indien de taakbehartiging in bijvoorbeeld een
gemeentelijke rekenkamer of een raadscommissie dat vereist, kunnen ook
raadsleden inzage krijgen in dossiers van individuele personen. De in
artikel 65 [65] van de Wwb geregelde geheimhoudingsplicht is ook van
toepassing op raadsleden. In dit artikel is geregeld dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze
wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of
toegestaan. Daarnaast moeten raadsleden ook de eed/verklaring op grond
van artikel 14 van de Gemeentewet
afleggen, waar ze zweren/beloven alle
wetten na te komen.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "de vaststelling" te vervallen.
Informatie aan de Tweede Kamer
De
leden van de PvdA-fractie vragen met welke periodiciteit de Kamer
geïnformeerd wordt over het landelijke beeld met betrekking tot de
doeltreffendheid en de rechtmatigheid van de Bijstandswet en welke
normen IWI hanteert daar waar het gaat om de doeltreffendheid. Zij
vragen het kabinet aan te geven welke informatiestromen van de gemeenten
aan de Minister van SZW worden geschrapt en een indicatie te geven van
de omvang van de besparingen op de uitvoeringskosten voor gemeenten die
dit met zich meebrengt. De leden van de fracties van PvdA en VVD vragen
het kabinet precies aan te geven welke toezichtsinformatie met
betrekking tot de doeltreffendheid de Kamer niet meer zal ontvangen met
daarbij de huidige informatievoorziening als nulsituatie en wat precies
onder het begrip rechtmatigheid valt.
De leden van de CDA-fractie vragen
wanneer het
Rijk wel optreedt als toezichthouder bij de individuele gemeente en
wanneer niet. De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het
rijkstoezicht zich zo nadrukkelijk richt op de rechtmatigheid van de
bestedingen door een gemeente.
De
in artikel 76 [76]
opgenomen toezichtsopdracht voor de Minister van SZW heeft
betrekking op én de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wwb
door
het college van burgemeester en wethouders én op de doeltreffendheid
van deze wet. Alleen het toezicht op de rechtmatigheid van de wet richt
zich op de uitvoering door individuele gemeenten. Het toezicht op de
doeltreffendheid van de wet richt zich daarentegen op inzicht in en
beoordeling van uitvoeringsresultaten en prestaties op landelijk niveau.
Het gaat bij prestaties om de mate waarin de uitvoering door de
gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan het bereiken van de bedoelingen van
de wet en wat daarvan de effecten zijn. Die prestaties en effecten worden
door de wetgever niet genormeerd. Als signalerend toezichthouder zal IWI
haar oordeel over de mate van doelbereik derhalve baseren op de algemeen
geformuleerde doelstellingen van de Wwb. In zijn op 15 juli 2003 aan de
Tweede Kamer aangeboden visie op het toezicht onder de Wwb geeft de
inspecteur-generaal aan dat IWI daarbij ook inzicht geeft in wat burgers
merken van de wijze waarop gemeenten de wet invullen. Indien het oordeel
van IWI daartoe uitnodigt, zal de Minister van SZW bepalen of de
bevindingen aanleiding geven het parlement voorstellen te doen tot
aanpassing van het systeem van werk en bijstand. Voor het opbouwen van
een beeld op landelijk niveau is overigens wel informatie op
gemeentelijk niveau nodig. De uitvraag van die informatie zal
plaatsvinden op basis van de volgende uitgangspunten: vermindering
uitvraag, standaardisatie, transparantie en hergebruik van informatie.
Het begrip rechtmatigheid wordt naar algemene
opvatting uitgelegd als "het in overeenstemming zijn met de geldende
wet- en regelgeving". De reikwijdte van dit begrip is afhankelijk van de
inhoud van de aanwezige regels en kan derhalve van regeling tot
regeling verschillen. In het kader van rblz.|142|
het rijkstoezicht op de
uitvoering van de Wwb wordt rechtmatigheidstoezicht beperkt tot de
naleving van hetgeen bij of krachtens de Wwb is geregeld alsmede op de
besteding van het reïntegratiebudget overeenkomstig de wettelijke
bestemming. In de toelichting is aangegeven dat met betrekking tot de
inzet van het reïntegratiebudget ook de in de Wet
SUWI opgenomen
bepalingen een rol kunnen spelen. Omdat gemeenten voor het inkomensdeel
van de Wwb een ongeoormerkt budget ontvangen, beperkt het
rechtmatigheidstoezicht op dit deel van de wet zich tot de naleving van
de centrale regelgeving. Voor het werkdeel van de wet, waarvoor slechts
een zeer beperkt aantal voorschriften gelden, ontvangen gemeenten een
geoormerkt budget. Op grond van artikel 70
[70] wordt een deel van dit budget
van gemeenten teruggevorderd voor zover gemeenten de gelden niet dan wel
in strijd met de wet hebben besteed. De nadruk bij
rechtmatigheidstoezicht op het werkdeel ligt derhalve op de besteding
van het budget.
Uit het voorgaande volgt dat het kabinet niet
de opvatting van de leden van de GroenLinks-fractie deelt dat het
rijkstoezicht zich zo nadrukkelijke richt op de rechtmatigheid.
Voor de beantwoording van de vraag van de leden
van de PvdA- en VVD-fracties of fraude ook onder het
rechtmatigheidsbegrip valt, is het van belang te onderkennen dat de Wwb,
evenals de huidige Abw, wel bepalingen bevat die gericht zijn op het
voorkomen en aanpakken van fraude, maar voor gemeenten geen specifieke
opdracht bevat maatregelen te treffen om fraude te voorkomen of op te
sporen. De beoordeling van de rechtmatige uitvoering heeft mede
betrekking op de vraag of de voorschriften gericht op het voorkomen van
fraude (bijvoorbeeld inzake de in artikel 17
[17] voorgeschreven vaststelling
van de identiteit van de belanghebbende) of de bestuurlijke reactie
daarop (bijvoorbeeld de in artikel 18 [18]
voorgeschreven afstemming en
verlaging van de bijstand) op juiste wijze zijn nageleefd. Indien de
gemeente op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan bedoelde
wettelijke bepalingen, is de uitvoering rechtmatig. Het feit dat de
betrokkene door het niet, niet tijdig, onvolledig of onjuist
verstrekken van gegevens ten onrechte een bijstandsuitkering heeft
verkregen, doet aan de rechtmatige uitvoering door gemeenten niet af.
Mutatis mutandis geldt dit ook voor de eventuele toepassing door de
gemeente van de bevoegdheid om de onverschuldigd betaalde bijstand van
de betrokkene terug te vorderen. De keuze van de gemeente om in een
specifieke geval of specifieke situaties af te zien van (verdere)
terugvordering is niet van invloed op de rechtmatigheidsvraag. Het
systeem van werk en bijstand geeft gemeenten een dermate groot belang
bij het voorkomen en opsporen van fraude dat ook zonder wettelijke
opdracht voldoende vertrouwen bestaat in een adequate aanpak door
gemeenten. Het Inlichtingenbureau is voor gemeenten een belangrijk
instrument om witte fraude snel te kunnen opsporen.
In oordelende zin kan de lokale
fraudebestrijding voor de Minister van SZW nog van belang zijn indien
een gemeente om een aanvullend budget verzoekt en uit haar eigen analyse
blijkt dat haar budgettekort mede wordt veroorzaakt door een
tekortschietende fraudeaanpak. Op advies van de toetsingscommissie als
bedoeld in artikel 73 [73]
beoordeelt de Minister van SZW marginaal of de
inspanning van de gemeente om haar budgettekort terug te dringen, gelet
op haar eigen probleemanalyse, als passend kan worden aangemerkt.
Uit het rechtmatigheidsbegrip van de Wwb volgt
ook dat het rijkstoezicht zich niet richt op uitvoeringsregels die door
gemeenten zijn vastgesteld, zolang deze regels binnen de grenzen van de
wet blijven. Hetzelfde geldt, volgens de reeds bestaande praktijk, voor
de naleving van voorschriften die in andere materiewetten zijn geregeld
en die niet specifiek voor de Wwb zijn uitgevaardigd en ook geen
toezichtsopdracht voor de Minister van SZW bevatten. De verantwoording
over al deze aspecten kan uitsluitend plaatsvinden door het college van
B&W aan de gemeenteraad.
rblz.|143|
Normen voor doeltreffendheid
De
leden van de VVD-fractie vragen het kabinet welke normen
IWI hanteert
daar waar het gaat om de doeltreffendheid
In
de Wwb worden er geen normen gesteld voor de doeltreffendheid van de
uitvoering van de wet. In de brief van de inspecteur-generaal van IWI
(SZW0300470) over zijn visie op het rijkstoezicht onder de Wwb wordt
nader toegelicht hoe IWI hiermee omgaat. Ook IWI zal bij de
toezichtstaak geen expliciete normen hanteren omtrent doeltreffendheid.
Het toezicht op de doeltreffendheid van de wet richt zich niet op
individuele gemeenten. Bij deze vorm van toezicht, die betrekking heeft
op de vraag in welke mate de uitvoering door de gezamenlijke gemeenten
bijdraagt aan de doelen van de wet, is wel informatie op gemeentelijk
niveau nodig om een beeld op landelijk niveau te kunnen opbouwen. De IWI
kijkt in dit kader vooral naar signalen en de trendmatig ontwikkelingen
met betrekking tot de uitvoering. Aangezien de doeltreffendheid van de
uitvoering als het gaat om beheersing van de omvang van het beroep op de
bijstand een belangrijke hoofddoelstelling is, zal de IWI in het kader
van het onderzoek zich ook hier op richten.
De
leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet of nader kan worden
aangegeven in welke opzichten het toezicht op rijksniveau precies zal
wijzigen ten opzichte van de huidige situatie op de onderdelen
rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid. Zij vragen de mening
van het kabinet over de gedachte dat het toezicht op rijksniveau meer op
afstand kan worden geplaatst, nu wordt gekozen voor vergaande
decentralisatie.
Het
toezichtsarrangement in het kader van de Wwb
wijkt op een aantal
hoofdpunten af van het arrangement in het kader van de Abw
en Wiw. Het
betreffen de volgende verschillen:
- de Wwb gaat uit van een andere sturingsfilosofie dan de Abw, waarbij
het nieuwe systeem ertoe leidt dat de Minister van SZW de uitvoering
minder zal bijsturen. Deze grotere afstand tot de uitvoering wordt
doorvertaald in de verantwoording en overige informatie-uitvraag ten
behoeve van SZW en in de mate waarin de Minister van SZW individuele gemeenten aanspreekt op haar
uitvoering;
- anders dan de Abw kent de Wwb geen toezicht op de doeltreffendheid van
de wetsuitvoering door individuele gemeenten. Het toezicht op de
rechtmatigheid van de wetsuitvoering door individuele gemeenten blijft
wel bestaan, maar neemt navenant aan de deregulering af;
- uitvoering in strijd met de wet leidt niet per definitie tot
interventie door de Minister van SZW. Indien dit voor de gemeente leidt
tot onnodige uitgaven, is dit een voldoende intrinsieke stimulans om de
uitvoering te verbeteren. Alleen wanneer de onrechtmatige uitvoering
wordt aangemerkt als een ernstige tekortkoming, kan de Minister van SZW
interveniëren, eerst door middel van een aanwijzing, daarna door middel
van een financiële maatregel;
- uitvoering die alleen in strijd is met de lokale regels leidt per
definitie niet tot interventie door SZW. De Minister van SZW heeft ter
zake geen bijsturingsbevoegdheden;
- onzekerheden over de rechtmatigheid van de uitkeringen die kunnen
ontstaan omdat de gemeente geen of beperkt invulling geeft aan de haar
toekomende bevoegdheden - zonder daarbij in strijd te komen met de wet
- is een louter lokale aangelegenheid. In beginsel bemoeit het
departement van SZW zich hiermee niet. Alleen bij de beoordeling van een
verzoek om een aanvullend budget kan marginaal worden getoetst op welke
wijze de gemeente invulling geeft aan haar wettelijke bevoegdheden;
rblz.|144|
- de invulling van het toezicht op de Wwb is in lijn met het primaat van
gemeentelijke aansturing en verantwoording. Bij de invulling van de
reikwijdte en de intensiteit van het rijkstoezicht, zal - zoals de
inspecteur-generaal van IWI aangeeft in zijn, op 15 juli 2003 aan de
Tweede Kamer aangeboden, visie - in beginsel niet worden ingezoomd op
incidenten in de uitvoering;
- IWI brengt in de regel geen rapportages uit over uitvoering door
individuele gemeenten. Alleen bij ernstige rechtmatigheidtekortkomingen
en ingeval de gemeente een verzoek om een aanvullend budget heeft
ingediend, is dit aan de orde.
Onveranderd blijft dat het Rijk geen toezicht
houdt op de doelmatigheid van de uitvoering door gemeenten, noch op de
wijze waarop de gemeenteraad haar controlerende taak jegens het college
uitoefent.
Eén en ander leidt naar de mening van het
kabinet tot de conclusie dat door de Wwb
het toezicht meer op afstand
wordt geplaatst.
rblz.|145|
9. Informatiebeleid
[MvT;
V]
Beleidsmatige verantwoording
De
leden van de VVD-fractie vragen of het mogelijk is om gemeenten die na
de budgettering goed blijken te presteren ook qua beleidsmatige
verantwoording meer vrijheid te geven.
Een
systematiek als voorgesteld door de leden van deze fractie ten aanzien
van de beleidsmatige verantwoording door gemeenten is naar de mening van
het kabinet niet nodig om de gemeenten een stimulans te geven om goed te
presteren. De informatieverstrekking door gemeenten aan het Rijk wordt
tot het minimale beperkt. Verdere inperking zou betekenen dat het
landelijk beeld over de doeltreffendheid van de
wet, alsook het inzicht
in de continuïteit van de prestaties van de individuele gemeente - die transparant worden gemaakt in het publieke overzicht van
kerngegevens - onvolledig wordt.
Monitoring Agenda voor de Toekomst
De
leden van de CDA-fractie vragen wat de consequentie van de Wwb
is voor
de afspraken in het kader van de Agenda voor de Toekomst. Ook wordt
hierbij gevraagd of het kabinet van mening is dat het aantal indicatoren
voor de monitor voor de Agenda voor de Toekomst verminderd kan worden.
Het
kabinet beschouwt de bestuurlijke afspraken in het kader van de Agenda
voor de Toekomst als een "opmaat" naar de Wwb. Doelstellingen uit de
Agenda voor de Toekomst, zoals het inrichten van de regiefunctie van gemeenten, een goede klantbenadering door middel van klantmanagement en
resultaatgerichtheid, zijn immers ook na inwerkingtreding van de Wwb van
essentieel belang. De bestuurlijke afspraken die lopen tot en met 2004
(met een uitloop voor uitstroomprestaties en vernieuwende projecten naar
2006) blijven derhalve van kracht en zullen gedurende de looptijd van
deze afspraken blijven worden gemonitord. Het gaat hierbij overigens om
een beperkte set indicatoren, waarvoor geen extra uitvraag bij gemeenten
plaatsvindt.
Benchmark
De
leden van de CDA-fractie vragen of, en zo ja,
waarom er een verplichte
benchmark nodig is.
Ter
ondersteuning van de rol van de gemeenteraden zal de Minister van SZW
jaarlijks, op basis van regulier ontvangen informatie van gemeenten,
een
aantal kerngegevens op individueel gemeentelijk niveau publiceren. Dit
publieke overzicht draagt tevens bij aan de transparantie van de
uitvoering ten behoeve van de burgers en het parlement. De gemeentelijke
kerngegevens die in het publieke overzicht worden opgenomen, worden door
de Minister van SZW niet gebruikt om daarop individuele gemeenten aan te
spreken.
De openbaarmaking heeft vooral betrekking op
door gemeenten bereikte resultaten. Dat is iets anders dan een benchmark.
Benchmarking draait met name om het vergelijken van methodes/werkwijzen,
het identificeren van "best practices" en het leren van die goede
voorbeelden. De door de Stichting Stimulansz uitgevoerde Benchmark
Sociale Diensten, waaraan gemeenten vrijwillig kunnen deelnemen,
voorziet daar reeds in. Als het gaat om gemeentelijke gegevens die de
gemeentelijke doelmatigheid/bedrijfsvoering in het kader van deze
StimulanSZ-benchmark in beeld rblz.|146|
brengen, ligt de beslissing over
openbaarmaking uiteraard bij de gemeente zelf.
Verantwoording en administratieve lasten
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe de verantwoording in de Wwb
zal
worden vormgegeven en welke verantwoordings- en toetsingscriteria
hierbij worden gehanteerd. Zij vragen wat de administratieve lasten zijn
van de verantwoording en in welke mate de gemeenten extra worden belast
als er verschillende administratieve systemen naast elkaar bestaan.
Tevens vragen deze leden of er controleprotocollen komen en in hoeverre
de accountant controleert op rechtmatigheid en doeltreffendheid.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de
lastenverlichting is van het voorlopig verslag.
Het
verslag over de uitvoering moet jaarlijks in juli t+1 worden
aangeleverd. Met het oog op de verantwoording van SZW naar de Kamer is
er ook een voorlopig verslag in februari t+1, dat beperkter van inhoud is
(alleen financiële informatie en beleidsinformatie) dan het definitieve
verslag en geen aanvullende kwaliteitseisen kent zoals een
accountantsrapport of oordeel van de gemeenteraad. Hierdoor zal het voorlopig verslag beperkt van omvang kunnen zijn. Het
voorlopig verslag
zal er mede toe bijdragen dat de gemeenten geen kwartaaldeclaraties meer
hoeven in te vullen.
Het verslag over de uitvoering bevat:
- informatie over de rechtmatige uitvoering van de wet;
- een verantwoording van de uitgaven (over het werkdeel, met het oog op
eventueel terugvorderen van budget);
- informatie ten behoeve van doeltreffendheid van het systeem, indien
dit strikt nodig is en niet kan worden verwerkt in de
persoonsinformatiestromen.
Net als het voorlopig verslag zal het verslag
over de uitvoering zelf ook beperkt van omvang zijn. Ten opzichte van de
huidige modelverslagen Abw, Wiw, enz. zal de omvang van het
modelverslag aanzienlijk beperkter zijn:
- er zijn minder landelijke administratie- of controlevoorschriften voor
gemeenten, waardoor de hoeveelheid verantwoordingsinformatie in
belangrijke mate afneemt. Door het vervallen van het toezicht op de
doeltreffendheid van de uitvoering per individuele gemeente wordt de
omvang van het verslag over de uitvoering nog verder beperkt;
- voor andere regelingen (Ioaw, Ioaz,
Bbz [zie Bbz
2004, red.]) geldt nog het oude
rechtmatigheidsysteem en administratieve systeem. Om gemeenten niet
onnodig te belasten, zal worden geprobeerd om bij deze regelingen de
informatie-uitvraag zoveel mogelijk te beperken.
Op basis hiervan heeft het ministerie een
concept-modelverslag over de uitvoering opgesteld. Dit concept-model is
besproken met vertegenwoordigers van circa 25 gemeenten, de VNG en
Divosa. Daarnaast is het model gepresenteerd op
voorlichtingsbijeenkomsten, waarbij bijna 300 gemeenten aanwezig waren.
Uit deze overleggen en presentaties bleek niet dat gemeenten
onoverkomelijke bezwaren tegen het model hebben. Uitgangspunten bij dit
concept-modelverslag Wwb
2004 zijn de volgende:
- vermindering van de uitvraag ten opzichte van verslagen uit voorgaande
jaren;
- rekening houden met de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid van
gemeenten;
- oordeel van de gemeenteraad wordt met het verslag meegestuurd;
- in de bestuurlijke mededeling ondertekent het college het hele verslag.
In de verantwoording en de uitvraag in het verslag staat de cliënt centraal. In het
verslag zullen de gemeenten
zich primair moet verantwoorden over rblz.|147|
aspecten die de cliënten aangaan,
zoals de rechtmatige uitvoering van wettelijke normen aangaande het
recht op uitkering, rechten en plichten van de cliënt, betalingen en
maatregelen.
In het modelverslag over de uitvoering Wwb staat aangegeven welke informatie wel of niet wordt uitgevraagd. Als
gevolg van de deregulering en de beperking van de rechtmatigheidseisen
hoeven gemeenten over minder aspecten aan de minister
te verantwoorden.
Het beeld van de uitvoering dat de minister verkrijgt, wordt hierdoor
minder gedetailleerd. Het verslag is zodanig opgezet dat de gemeente
slechts minimale verantwoording hoeft te geven:
- over een groot aantal rechtmatigheidsonderdelen hoeft er geen
informatie te worden verstrekt, tenzij de tekortkomingen een bepaalde
norm overschrijdt. Zelfs dan hoeft de gemeente zich slechts op
hoofdlijnen te verantwoorden;
- in het verslag wordt ten opzichte van voorgaande jaren niet meer
allerlei facultatieve onderdelen uitgevraagd;
- tevens wordt er geen informatie meer uitgevraagd over de
doeltreffendheid van de uitvoering van de individuele gemeenten. In het
modelverslag worden slechts een beperkt aantal vragen gesteld ten
behoeve van de doeltreffendheid van de uitvoering en de evaluatie van de
doelstellingen van de gehele wet;
- tevens zal in het modelverslag niet worden gevraagd naar de
rechtmatige uitvoering van lokale regelgeving en lokale voorschriften.
Rechtmatigheid
Om
de uitvraag in het verslag te beperken, wordt er in het concept-modelverslag Wwb
in tegenstelling tot voorgaande jaren geen uniforme
gedetailleerde methodiek voor het vaststellen van rechtmatigheid
voorgeschreven. In plaats daarvan wordt er een algehele (on)rechtmatigheidsnorm
geïntroduceerd. In lijn met andere regelgeving, zoals de
Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001,
red.] en andere socialezekerheidswetten, is het kabinet
voornemens hier een norm van 1% te hanteren. Met betrekking tot het Wwb-inkomensdeel en
bijzondere bijstand hoeft de
gemeente in het verslag
alleen tekortkomingen te rapporteren als het totaal van de
tekortkomingen een grotere omvang heeft dan dit percentage, gerelateerd
aan het financiële beslag hiervan. Niet in geld uit te drukken
rechtmatigheidsaspecten worden apart opgevraagd; deze zijn echter
beperkt in omvang.
De bestuurlijke mededeling of de verklaring van
het college vormt een belangrijk onderdeel in het kader van de
verantwoording over rechtmatigheid. Bij rechtmatig uitvoering zal de bestuurlijke mededeling een groot deel van de gedetailleerde
verantwoording vervangen.
Door middel van de handreiking kunnen de
gemeenten nagaan welke rechtmatigheidsaspecten en wetsartikelen, onder
andere ten aanzien van het recht op uitkering, budgettering,
doelgroepenbeleid en bijzondere bijstand, onder het rechtmatigheidsbegrip
vallen. Dit zijn concrete verantwoordings- en toetsingscriteria aan de hand
waarvan de gemeenten kunnen nagaan of ze aan de norm voldoen en de wet
rechtmatig uitvoeren.
Beleid
Met
het oog op de administratieve lasten en eenmalige uitvraag is het
uitgangspunt dat er in het verslag alleen informatie omtrent beleid
wordt uitgevraagd die niet uit statistieken kan worden gehaald. Bij het
onderdeel beleid worden vooral gegevens uitgevraagd voor de beoordeling
van de "doeltreffendheid van het systeem". Het opvragen van informatie
in het kader van de doeltreffendheid van het systeem betreft de
resultaten ("output") van de uitvoering en gebeurt in zeer beperkte
mate in aanvulling op de beleidsinformatie (statistieken). Deze
beleidsinformatie is rblz.|148|
beperkter dan voorgaande jaren, aangezien zij niet
hoeft te worden gebruikt om een oordeel te geven over de
doeltreffendheid van de individuele gemeente. Naast de informatie in het
kader van de doeltreffendheid van het systeem wordt er in de bijlage
informatie uitgevraagd die tijdelijke niet in de statistieken wordt
uitgevraagd, aangezien er met betrekking tot de statistieken een overgangssituatie
bestaat. In 2005 zullen deze gegevens in plaats van het verslag in
statistieken worden uitgevraagd. Ook in deze bijlage wordt de uitvraag
zoveel mogelijk beperkt.
Accountantsverklaring, plus controle- en
rapportageprotocol
Ook
het verslag over de uitvoering Wwb zal moeten worden voorzien van een
accountantsverklaring. Met betrekking tot de verklaring van de
accountant en het onderzoek dat in deze verklaring resulteert, zal op
grond van artikel 77 [77], derde lid, een protocol worden vastgesteld. De
verklaring van de accountant heeft betrekking op de getrouwheid van de
verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet.
Net als het modelverslag over de uitvoering zal ook het
accountantsprotocol zeer beperkt van omvang zijn en zeker niet verworden
tot semi-regelgeving. Aangezien de accountantsverklaring betrekking heeft
op de informatie in het modelverslag wordt het accountantsprotocol ten
opzichte van voorgaande jaren beduidend beperkter van omvang.
Inhoud en vorm informatieverzameling door
het Rijk
De
leden van de VVD-fractie vragen hoe gewaarborgd wordt dat de gemeenten
van te voren weten welke informatie zij dienen aan te leveren. Daarnaast
vragen deze leden om een overzicht met onderwerpen die deel uitmaken van
structurele informatie, onderzoeken en verantwoording. Ook de leden van
de PvdA-fractie vragen een overzicht van onderwerpen die onderdeel
vormen van de jaarlijkse verantwoording door het kabinet aan de Kamer
over de uitvoering van de Wwb en een lijst van onderwerpen waarop
steekproefsgewijs onderzoek wordt gedaan.
Uitgangspunten van het informatiebeleid in het kader van de Wwb
zijn:
vermindering van uitvraag, standaardisatie, transparantie en hergebruik
van informatie.
De onderwerpen die het ministerie van SZW
uitvraagt in het kader van informatiebeleid zijn:
- informatie ten behoeve van raming macrobudget en vulling verdeelmodel;
- informatie om rechtmatigheid van uitvoering te beoordelen;
- informatie om doeltreffendheid van de wet te beoordelen en de
doelstellingen van de wet te evalueren;
- informatie ten behoeve van Agenda voor de Toekomst (tot en met 2006);
- informatie om te voldoen aan informatievoorziening in kader van Europese
richtlijnen en afspraken.
Er zijn drie informatie-instrumenten:
persoonsinformatiestromen, verslag over de uitvoering (aangevuld met
voorlopig verslag) en onderzoeken. Het ministerie van SZW wil bij de
verzameling van informatie aansluiten bij wat ook voor gemeenten zelf
relevant is. Dit is het voor gemeenten het makkelijkst, omdat dan het
proces van registratie en verzameling is ingebed in het reguliere
uitvoeringsproces.
Om deze redenen is ervoor gekozen informatie
primair te verzamelen via de persooninformatiestromen (statistieken en
monitoren).
Voordelen hiervan zijn:
- informatie wordt door de gemeente in het reguliere uitvoeringsproces
vastgelegd op cliëntniveau;
rblz.|149|
- informatie kan door de gemeente eenvoudig worden verzameld en
opgestuurd;
- informatievragen hoeven bij gemeenten niet telkens opnieuw te worden
uitgezet.
Slechts als informatie niet via de
persoonsinformatiestromen kan worden verzameld, komen andere
informatiestromen in beeld. Dit is bijvoorbeeld het geval als:
- aan de informatie strengere kwaliteitseisen worden gesteld, zoals bij
verantwoordingsinformatie waarvoor een accountantsverklaring
noodzakelijk is;
- informatie door gemeenten niet op persoonsniveau wordt vastgelegd,
zoals bij vragen omtrent doelgroepenbeleid of cliëntenparticipatie.
Indien informatie wél structureel noodzakelijk
is voor het ministerie van SZW, maar niet via de
persoonsinformatiestromen kan worden verzameld, wordt informatie via het
verslag over de uitvoering uitgevraagd.
Door middel van kenmerkenlijsten van
statistieken en het modelverslag over de uitvoering geeft het
ministerie van SZW van te voren aan welke informatie bij gemeenten zal
worden uitgevraagd.
Bij de persoonsinformatiestromen zal het aantal
statistieken en monitoren inhoudelijk worden gewijzigd en beperkt.
Aangezien hierbij rekening wordt gehouden met de invoeringstermijn van
de Wwb bij gemeenten zullen de uiteindelijke wijzigingen van de
monitoren grotendeels per 2005 worden gerealiseerd. 2004 is een
overgangsjaar, waarbij in overleg met de VNG en gemeenten zal worden
bekeken hoe de wijzigingen en de beperkingen in 2004 en 2005 worden vormgegeven. Hierbij zal er afstemming plaatsvinden over welke informatie in
het kader van de statistieken en monitoren nog wel en welke niet meer
worden uitgevraagd en hoe hierbij de derapportage zal worden geborgd. In
dit kader zullen er voorstellen worden gedaan over de inhoud, de
techniek en de methodologische aspecten van de informatiestromen.
Over de borging van de derapportage zal nader
overleg plaatsvinden en zullen bestuurlijke afspraken worden gemaakt met
de VNG.
Een overzicht van onderwerpen waarover
onderzoek zal worden gedaan, is nu nog niet te geven. Eén onderwerp zal
in ieder geval het armoedebeleid zijn, mede in het kader van de
rapportage over het Nationaal actieplan armoedebestrijding.
Informatie over doelgroepen
De
leden van de PvdA-fractie vragen wat het resultaat is van wetgeving voor
groepen cliënten, wat de kwaliteit is van de regelgeving en wat het
heeft gekost.
Doel van de Wwb is dat door de herziene verantwoordelijkheidsverdeling
gemeenten effectiever kunnen opereren. Uitgangspunt daarbij is dat de
cliënt centraal staat. Het is daarbij niet de bedoeling dat gemeenten
op het niveau van de individuele cliënt verantwoording afleggen. Wel
wil het Rijk kunnen vaststellen wat gemeenten hebben gedaan ten aanzien
van de rechten en plichten van de burgers, welke doelstellingen op
rijksniveau zijn gerealiseerd en of de gekozen systematiek effectief is.
Daarbij is van belang dat de beleidsinformatie
voor een belangrijk deel wordt gegenereerd op basis van door de
gemeenten per sofinummer verstrekte gegevens aan de bewerker - bijvoorbeeld het
CBS - van deze gegevens. Daarbij is het mogelijk bij
een "persoon" vast te stellen welke hulp-/dienstverlening hij/zij in
de loop der tijd ontvangt en welk effect dit heeft, bijvoorbeeld
overgang naar een betaalde baan. Het gaat daarbij om uitspraken over een
groep personen die allen aan dezelfde omschrijving voldoen. De komende
jaren zullen onder invloed van een betere afstemming tussen de
desbetreffende monitors, verbetering van de kwaliteit van rblz.|150|
relevante
gegevensverzamelingen en koppelingen met andere bestanden bij het CBS
meer analyses op dit vlak plaatsvinden.
Met betrekking tot de vraag over het
kostenaspect wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze nota.
Klantbehandeling
De
leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet een reactie om ook op
macroniveau met kwaliteitscriteria te werken die betrekking hebben op de
kwaliteit van de klantbehandeling.
In
het kader van verantwoording wordt niet gekeken naar het landelijk beeld
over het voldoen aan certificering of het percentage beroep en bezwaar.
Ook zal er geen model voor het verslag van B&W aan de raad worden
voorgeschreven. In het kader van de Wwb hoeft de individuele
gemeente zich niet richting het Rijk te verantwoorden over de kwaliteit en de
doelmatigheid van de eigen uitvoering. Die informatie kan wel worden
verkregen door bijvoorbeeld de Benchmark gemeenten/sociale diensten van
StimulanSZ of door onderzoek van cliëntenorganisaties.
Administratieve lasten voor bedrijven
De
leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] om advies gevraagd
heeft over de administratieve lasten bij gemeenten, en zo ja, wat het
oordeel is.
Aan
Actal is geen advies gevraagd omtrent het
wetsvoorstel, omdat het geen
nieuwe administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich meebrengt.
Uit onderzoek is gebleken dat de belangrijkste administratieve lasten
voor het bedrijfsleven op het terrein van werk en bijstand voortkomen
uit de Wet SUWI. Het gaat daarbij vooral om de aanbestedingsprocedures.
Hierin komt geen verandering als gevolg van de Wwb.
rblz.|151|
10. Overige
inkomensvoorzieningen [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of er door het niet meenemen van de Ioaw en
Ioaz in
de Wwb straks voor mensen die nu in deze wet zitten problemen kunnen
ontstaan.
De Ioaw
en Ioaz blijven na inwerkingtreding van de Wwb
als aparte wetten
voortbestaan. Overgangsrecht ten behoeve van Ioaw- en Ioaz-gerechtigden
is bij inwerkingtreding van de Wwb niet aan de orde. Pas als deze wetten
in hun huidige vorm worden gewijzigd, komt overgangsrecht aan de orde.
De
leden van de CDA-fractie vragen waarom de financiering van de nieuwe
zelfstandigenwet niet zal meelopen in de volledige budgettering (blz. 28
MvT).
De
zelfstandigenwet gaat in elk geval gelden voor de huidige doelgroepen
van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
[zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.], met uitzondering van
degenen die nog in een oriëntatiefase zijn ter voorbereiding op hun
bestaan als zelfstandige. Een van 100% budgettering afwijkende
financiering ten aanzien van bijstandverlening voor zelfstandigen is
wenselijk, omdat ten aanzien van gevestigde zelfstandigen het accent
niet ligt op reïntegratie, maar op het voorkomen van instroom en van
een langdurig verblijf in de bijstand. Een van 100% budgettering
afwijkende financiering is tevens wenselijk, omdat kosten voor
bijstandverlening aan zelfstandigen, met name vanwege de verlening van
bedrijfskredieten, hoog kunnen oplopen en sterk kunnen variëren tussen gemeenten.
De
leden van de PvdA-fractie vragen welke beleidsvoornemens het kabinet
heeft met de Bz-regeling [Bijstandsbesluit zelfstandigen, red.] en wie deze gaat uitvoeren.
Het
kabinet beraadt zich nog op nadere invulling van de voorgenomen
zelfstandigenwet, maar heeft het voornemen om in de nieuwe
zelfstandigenwet zoveel mogelijk van de bestaande socialezekerheidsregelingen voor zelfstandigen op te nemen. In de nieuwe wet
zullen in ieder geval worden opgenomen de huidige bijstandsmogelijkheden
voor zelfstandigen en een inkomensvoorziening voor gewezen
zelfstandigen, ter vervanging van de Ioaz. Overeenkomstig de toezegging
aan de Tweede Kamer van de minister in het
algemeen overleg van 4
december 2002 zal het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten
eveneens in de nieuwe zelfstandigenwet worden opgenomen. De nieuwe
zelfstandigenwet zal worden uitgevoerd door het college van burgemeester
en wethouders van de gemeente waar de
belanghebbende woonachtig is, al dan niet in een samenwerkingsverband
met andere gemeenten, dan wel door het college van een aangewezen
gemeente in geval van de verlening van inkomensvoorzieningen aan
ondernemers in de binnenvaart. Overigens worden gemeenten nu al
gestimuleerd om de bijstandverlening aan zelfstandigen onder te brengen
in een samenwerkingsverband.
De
leden van de PvdA-fractie vragen wie de taken gaat uitvoeren, nu in de
Ioaz een aantal afvloeiings-, vangnet- en afbouwregelingen van het
ministerie van Landbouw (agrariërs) en van
Verkeer (binnenvaart en
vervoer) zijn opgenomen.
Het
betreft hier tijdelijke regelingen. Voor zover ze nog van kracht zijn,
vinden er geen wijzigingen plaats in de huidige taakverdeling zoals die
respectievelijk uit deze regelingen voortvloeit. Voor dergelijke
wijzigingen is geen aanleiding, omdat de Ioaz na inwerkingtreding van de Wwb
rblz.|152|
tijdelijk blijft voortbestaan en er niets wijzigt in de
taakverdeling rondom de uitvoering van de Ioaz.
De
leden van de PvdA-fractie vragen zich af
of het verstandig is om de huidige doelgroep van de Ioaw
- gedeeltelijk arbeidsongeschikten en ouderen - bij de gemeente
weg te halen en onder te brengen in
wetgeving die door het UWV wordt uitgevoerd. Deze leden zijn van mening
dat dit ten koste van de participatie en sociale activering van deze
groepen gaat, omdat deze expertise vooral bij de gemeente ligt. Ook de
leden van het CDA vragen zich af of het UWV verantwoordelijk gemaakt moet
worden voor de werkloos geworden werknemer. Deze leden vragen of het
systeem als geheel door deze overgang helderder wordt en welke
praktische gevolgen deze overgang voor de cliënten met zich meebrengt.
Het
kabinet zal de voornemens met betrekking tot de herziening van de WAO
dit najaar bekendmaken. Daarbij zullen ook de consequenties voor de Ioaw betrokken worden en komt ook de uitvoering aan de orde. Voor de
invoering van de Wwb in 2004 heeft dit nog geen consequenties.
De
leden van de PvdA-fractie vragen de mening van het kabinet over een
mogelijke overheveling van de Toeslagenwet naar de gemeenten.
Het
kabinet ziet geen aanleiding voor overheveling van de Toeslagenwet naar
de gemeenten. Uit financiële ramingen blijkt dat de overheveling leidt
tot een daling van de uitkeringskosten doordat een aantal
toeslaggerechtigden, als gevolg van de vermogenstoets in de Abw, geen
recht zal hebben op aanvullende bijstand. Tegenover deze besparing staan
echter dubbele uitvoeringskosten; zowel bij UWV als bij de gemeenten
voor toeslaggerechtigden die wel recht zullen hebben op aanvullende
bijstand.
De
leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is gekozen voor integratie
van de Ioaw en de Ioaz in het huidige
wetsvoorstel.
De leden van SGP-fractie lijken te veronderstellen dat de
Ioaw en
de Ioaz worden ingetrokken met de inwerkingtreding van de Wwb. De
Ioaw
en de Ioaz blijven echter vooralsnog als aparte wetten voortbestaan, ook
na de inwerkingtreding van de Wwb. De reden hiervoor is dat ervan wordt
uitgegaan dat deze regelingen in hun huidige vorm een tijdelijk karakter
hebben. Daardoor ligt het niet voor de hand de wetten te integreren in
het huidige wetsvoorstel. Het tijdelijke karakter van de Ioaw in zijn
huidige vorm vloeit voort uit het feit dat de toekomst van die wet
samenhangt met de nieuwe regeling voor arbeidsongeschikten. Bij de Ioaz
vloeit het tijdelijke karakter voort uit het voornemen om per 1 januari
2005 te komen tot een zelfstandigenwet.
rblz.|153|
11. Financiële gevolgen
[MvT;
V]
De leden van de CDA-fractie vragen waaruit het budget van het werkdeel per 1 januari 2004 is
samengesteld, zowel in geld als oorsprong, en waarom niet de budgetten
voor scholing en activering en een deel van de budgetten voor
inburgering worden toegevoegd. Deze leden vragen welke budgetten naar
het oordeel van het kabinet in de toekomst toegevoegd zullen worden en
wanneer. Ook willen deze leden weten hoe het kabinet deze beperkte opzet
van een vrij besteedbaar reïntegratiebudget beoordeelt in relatie tot
de beoogde besparingen op dit budget.
Volgens het kabinet is hier vermoedelijk sprake van een misverstand. Het
scholings en activeringsbudget waaraan wordt gerefereerd, is onderdeel
van het Wiw-budget en wordt dus ook aan het flexibel reïntegratiebudget
toegevoegd. Hiermee worden alle momenteel voor gemeenten beschikbare
reïntegratiebudgetten tot één, vrij besteedbaar budget samengevoegd.
Volgens het kabinet is hiermee het meest brede reïntegratiebudget
gerealiseerd dat in het kader van de Wwb haalbaar is. Er is volgens het
kabinet dan ook geen sprake van een beperkte opzet waardoor de
mogelijkheid zou worden verminderd om de beoogde besparingen te
realiseren. Op dit moment worden de mogelijkheden verkend of de
budgetten voor inburgering aan het vrij besteedbaar reïntegratiebudget
kunnen worden toegevoegd.
Het in 2004 beschikbaar budget bedraagt €|1563
miljoen. Dit budget is opgebouwd uit de voormalige budgetten voor ID-banen,
Wiw-normbudget, Wiw-declaratiebudget dienstbetrekkingen, Wiw-declaratiebudget werkervaringsplaatsen en
Wiw-scholings- en
activeringsbudget. De bijdrage van de verschillende budgetten kan niet
worden weergegeven, omdat de ombuiging, zoals deze uit het Strategisch
Akkoord voorkwam, integraal op het macrobudget is gezet en niet op de
individuele deelbudgetten.
De
leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is de opgelegde
inkomensdeelbezuiniging naar latere jaren op te schuiven. Is het niet
uiterst ongewoon, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, dat
voorafgaand aan een zo complex omzettingsproces een zo zware bezuiniging
wordt ingezet?
De
taakstelling op het inkomensdeel vloeit voort uit de besparing die gemeenten naar verwachting kunnen realiseren door een efficiëntere en
effectievere uitvoering van de bijstand. Het betreft dus middelen die
gemeenten naar verwachting niet nodig zullen hebben. Het naar achteren
verplaatsen betekent het niet inboeken van deze bezuiniging in de
eerste jaren en zal leiden tot een gat in de begroting van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor deze jaren. Dit
tekort zal in eerste instantie binnen de begroting van de SZA-sector
moeten worden opgevangen.
De
leden van de fracties van CDA en VVD vragen waarop de geschatte
besparingen, oplopend tot €|250 mln, zijn gebaseerd.
De
verwachte besparing als gevolg van de volledige budgettering van de
bijstandsuitgaven is gebaseerd op de doorrekening van het CPB van de
beleidsvoornemens uit het Strategisch Akkoord. Daarin werd een besparing
op de uitkeringslasten van 5% in 2006 berekend, wat overeenkomt met €|250 mln. In hoeverre de besparing daadwerkelijk gerealiseerd is en in
hoeverre een gerealiseerde besparing het gevolg is van volledige
budgettering van de bijstand zal aan de hand van evaluatieonderzoek moeten worden
vastgesteld.
rblz.|154|
De leden van de VVD-fractie vragen waarom nu wel een besparing
als gevolg van budgettering van de bijstandslasten kan worden geraamd,
terwijl dit bij de WFA nog niet kon.
In
het regeerakkoord van 1998 is een structurele besparing opgenomen van
€|227 mln (ƒ500 mln) voor de ontwikkeling van het Fonds
werk en inkomen. Dit beleidsvoornemen heeft destijds geresulteerd in de WFA. Bij
de WFA was dus, net als bij de Wwb, een raming van de besparing op de
bijstandslasten beschikbaar.
De
leden van de VVD-fractie vragen waarom er geen effecten van budgettering
na 2006 worden verwacht.
De
verwachting is dat volledige budgettering tot blijvend lagere
bijstandslasten leidt ten opzichte van de huidige situatie. Verwacht
wordt dat de maximale besparing vanaf 2006 optreedt. In de jaren daarna
is er dus wel nog sprake van een besparing. Deze neemt echter niet
verder meer toe.
De
leden van de D66-fractie vragen het kabinet te reageren op de kritiek
van de VNG dat de instroom in de bijstand niet zal dalen, waardoor de
argumentatie voor de beperking van de middelen voor de bijzondere
bijstand niet opgaat.
De
toename van het aantal bijstandsgerechtigden waar de VNG
op doelt, is
aanzienlijk beperkter dan de inmiddels gerealiseerde daling van het
aantal bijstandsgerechtigden over de afgelopen acht jaar die de ratio is
van de beperking van de middelen voor de bijzondere bijstand. Het
kabinet ziet daarom in de kritiek van de VNG geen aanleiding om het
bedrag voor de bijzondere bijstand te herzien.
rblz.|155|
12. Rechtsbescherming
[MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
hebben een groot aantal vragen over de verlaging van de
uitkering. Deze hebben betrekking op:
- de tweeledige reden van de verlaging;
- de relatie met de vierde tranche van de Awb;
- de risico’s van ongelijke verordeningen;
- de beoordeling van de effecten van toekomstige jurisprudentie;
- de relatie met de Grondwet;
- de uitsluiting voor onbepaalde tijd;
- rechtsgelijkheid en proportionaliteit;
- de relatie met het EVRM;
- de inhoud van de verordening.
Het
kabinet wil vooropstellen dat een goede rechtsbescherming van de burger/belanghebbende beschouwd moet worden als
één van de
grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Bij de totstandkoming
van de Wwb zijn de aspecten die met de uitwerking van dit beginsel
samenhangen zorgvuldig overwogen.
De beoogde wijziging van de boete- en
maatregelensystematiek moet beschouwd worden als een vereenvoudiging,
voor zowel de cliënt als de gemeente.
Voor veel cliënten immers zal de ratio achter
het huidige onderscheid tussen boeten en maatregelen niet direct
duidelijk zijn. De cliënt zal straks de verschillende aan de uitkering
verbonden verplichtingen meer in elkaars samenhang ervaren. Deze
samenhang krijgt in de Wwb meer accent.
Daar komt bij dat de gemeente op grond van
onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehouden is om
de cliënt goed te informeren over de aan de uitkering verbonden
verplichtingen. Dit vloeit voort uit het rechtszekerheidsbeginsel. Het
rechtszekerheidsbeginsel houdt onder meer in dat korting op de uitkering
wegens het niet of onvoldoende naleven van de aan de bijstand verbonden
verplichtingen alleen aan de orde kan zijn als betrokkene vooraf de
gevolgen van zijn of haar gedrag had kunnen voorzien. Indien dit niet
het geval is, zal een door de gemeente opgelegde verlaging van de
uitkering in een eventuele beroepsprocedure bij de rechter geen stand
houden.
Een verlaging van de uitkering wordt op grond
van artikel 5.4.1.1 van het voorontwerp van de vierde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aangemerkt als een bestuurlijke
boete. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de (algemene) beginselen
van het bestuursrecht niet op de verlaging van de uitkering van
toepassing zijn.
Het kabinet onderkent dat er als gevolg van de Wwb
lokale verschillen in handhavingsbeleid zullen ontstaan. Deze
verschillen zijn inherent aan het doel van dit wetsvoorstel om gemeenten
zoveel mogelijk in staat te stellen om een eigen reïntegratie- en
handhavingsbeleid vorm te geven, dat is afgestemd op de eigen
beleidsprioriteiten en de lokale arbeidsmarktsituatie. De verordening
met regels over de verlaging van de uitkering zal dit beleid moeten
aanvullen en ondersteunen. Belangrijk is dat verordeningen een basis
bieden voor individuele casuïstiek en daarmee het risico beperken op
een niet-gemotiveerde ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
De beginselen van artikel 1 van de
Grondwet
gelden voor ieder overheidslichaam als zodanig. Een gedecentraliseerde
eenheidsstaat zoals de Nederlandse brengt mee dat waar organen van de
decentrale overheden beleidsvrijheid hebben, zij onderling uiteenlopende
handelswijzen kunnen volgen ten aanzien van dezelfde gevallen. Zowel de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) als de Hoge Raad (HR) hebben in
jurisprudentie eerder vastgesteld dat deze verschillen niet in strijd
zijn met artikel 1 van de
Grondwet.¹
rblz.|156|
De wet kent geen
limitatief overzicht van criteria waaraan een "goede"
verordening moet voldoen. In het algemeen kan worden gesteld dat
verordeningen moeten voldoen aan alle geschreven en ongeschreven
beginselen van algemeen behoorlijk bestuur en tevens niet in strijd
mogen komen met de formele wet, grondrechten of internationale
verdragen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uit
hoofde van zijn politieke verantwoordelijkheid de bevoegdheid om een
verordening, voor zover blijkt dat deze in strijd met de wet of met het
algemeen belang is vastgesteld, voor te dragen voor vernietiging door de
Kroon. In beroepszaken mag de rechter verordeningen toetsen aan alle
eerder genoemde vormen van wet- en regelgeving en kan hij in
uitzonderlijke gevallen een verordening zelfs vernietigen of
onverbindend verklaren. Terughoudendheid is hierbij vanzelfsprekend
geboden om afbreuk op de gemeentelijke verantwoordelijkheid en
beleidsvrijheid te voorkomen.
Het kabinet onderschrijft niet de indruk van de
PvdA-fractie dat de belangrijkste wijziging het beperken van de rechten
en het vergroten van de plichten voor cliënten betreft. De
belangrijkste wijziging voor cliënten betreft mogelijk de omvang van de
groep cliënten aan wie de arbeidsverplichtingen worden opgelegd. Een
verdere beperking van het aantal cliënten dat geheel of gedeeltelijk
ontheven is van de arbeidsverplichtingen is immers een belangrijke
doelstelling van de wet. Aan de aard of het karakter van deze
verplichtingen wijzigt de Wwb in principe niets. Ook de
informatieverplichtingen wijken in deze wet niet af van de oude. Zoals
eerder naar voren is gekomen, weet de gemeente
zich nog steeds gehouden
aan (hogere) wet- en regelgeving en de beginselen van het
bestuursrecht. Tegen besluiten van de gemeenten staat nog steeds en
onverkort bezwaar en beroep open op grond van de Awb. Wel zal de rechter
in de beroepsfase het besluit van de gemeente in de eerste instantie
toetsen aan de gemeentelijke verordening en pas in tweede instantie aan
de formele wet.
Eerder is in hoofdstuk 2 van deze nota bij de
beantwoording op vragen van de leden van de PvdA-fractie uiteengezet dat
de gemeente bij het opstellen van de verordening gebonden is aan
regelgeving van hoger gezag. Dit betreft in dit geval in het bijzonder
internationale verdragen, de Grondwet én de Wwb.
Het uitgangspunt dat een ieder in beginsel zelf
verantwoordelijk is voor zijn bestaan, kan echter alleen worden
geëffectueerd als aan het ontvangen van de uitkering ook verplichtingen
zijn verbonden. Aan dit principe ontleent de in de Wwb voorgeschreven
verordening ten aanzien van de regels over de verlaging van de uitkering
haar fundament. De wetgeving sluit daarom niet uit dat in deze
verordening wordt opgenomen dat de uitkering, waar het gaat om zeer
ernstige gedragingen, tijdelijk wordt geweigerd. De Wwb verschilt in dit
opzicht niet van artikel 14 van de Abw en het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Vanzelfsprekend dwingt het specifieke vangnetkarakter van
de Bijstandswet tot extra zorgvuldigheid en terughoudendheid. In dit
verband is van belang dat in artikel 18
[18], derde lid, van de Wwb
is bepaald
dat burgemeester en wethouders een besluit tot verlaging heroverwegen in
een door hen te bepalen termijn van uiterlijk drie maanden.
Zoals hierboven reeds is vermeld, kan zowel de
verordening als het besluit tot verlaging van de uitkering door de
rechter worden getoetst aan geschreven én ongeschreven
rechtsbeginselen. Voor de voorwaarden waaronder het recht op uitkering
(tijdelijk) kan worden beëindigd, zijn behalve de Grondwet ook andere
rechtsbeginselen relevant, namelijk het beginsel dat het gedrag dat
aanleiding geeft tot de verlaging van de uitkering de cliënt te
verwijten is en het beginsel dat er evenredigheid moet bestaan tussen de
ernst van het gepleegde feit en de sanctie van de gemeente
(proportionaliteit).
1. Zie CRvB 9 maart 1988,
RSV 1988, 269 en HR 26 oktober 1990, AB 1991, 90.
rblz.|157|
Tot slot hebben de leden van de PvdA- fractie vragen over de
grenzen die de rijksoverheid wenst te stellen aan de mogelijkheid van gemeenten om de hoogte van de uitkering af te stemmen op het gedrag van
de cliënt. Tevens hebben zij vragen over de grenzen en de waarborgen
die hieromtrent voortvloeien uit andere soorten wetgeving.
De
overwegingen en uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de ontwikkeling
van dit wetsvoorstel worden elders in dit verslag toegelicht en
gepreciseerd. Bij de uitwerking van deze vertrekpunten in de Wwb zijn
verschillende belangen en prioriteiten tegen elkaar afgewogen. Aan het
vergroten van de flexibiliteit op lokaal niveau en het beperken van de
administratieve en bureaucratische lasten werd en wordt veel waarde
gehecht. Het belang van de cliënt bij een goede rechtsbescherming heeft
eveneens zwaar gewogen.
Bij de uitwerking van deze aspecten is door het
kabinet geconcludeerd dat veel waarborgen voor rechtsbescherming van de
burger inmiddels diep verankerd zitten in geschreven en ongeschreven
wetgeving op alle niveaus. Veel van deze waarborgen zijn bovendien op
verscheidene plaatsen terug te vinden. Een limitatieve of uitputtende opsomming van al deze rechtsnormen is om deze reden niet goed mogelijk.
Deze conclusie heeft uiteindelijk tot de constatering geleid dat de
gekozen vormgeving verantwoord is vanuit het oogpunt van
rechtsbescherming voor de cliënt.
De
leden van de PvdA-fractie vragen of de gemeente moet overleggen met het
openbaar ministerie (OM) bij een overtreding waar de hoogte van het
bedrag de €|6000,- nadert. Tevens vragen deze leden of de gemeenten
moeten overleggen met het OM over de gemeentelijke verordening.
Voor een goede afstemming van het eigen sanctiebeleid van de gemeente
en
de aangiftes van uitkeringsfraude bij het OM is het noodzakelijk dat de
gemeenten met het OM in hun arrondissement goede afspraken maken.
Leidraad daarbij is de aangifterichtlijn sociale zekerheidsfraude van
het OM, waarin is vastgelegd welke zaken bij het OM dienen te worden
aangebracht en welke zaken niet. Ter voorkoming van de cumulatie tussen
strafvervolging door het OM en het opleggen van een maatregel door de
gemeenten dient voor het OM duidelijk te zijn dat alle zaken boven de
aangifterichtlijn bij het OM worden aangebracht en dat elke gemeente
voor zaken beneden de aangifterichtlijn een duidelijk beleid voert ten
aanzien van het treffen van een maatregel en het overgaan tot
terugvordering.
De
leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet te beargumenteren
of de huidige vorm van rechtsbescherming voldoende laagdrempelig en
effectief is. Zij geven het kabinet in overweging om de ondersteuning
van individuen bij problemen met hun gemeente te verankeren in
de wet,
bijvoorbeeld door het uitbreiden van de dekkingsgraad van sociaal
raadslieden naar alle gemeenten.
Het
kabinet onderschrijft de mening van de leden van de fractie van GroenLinks
dat bijstandsgerechtigden die, voor het verkrijgen van het recht, deskundige juridische bijstand nodig hebben, deze dienen te
krijgen. Goede en laagdrempelige voorzieningen voor rechtsbijstand
vormen één van de pijlers van de rechtsstaat. Bij de totstandkoming van
de Wwb is er daarom voor gewaakt dat de wet niet ten koste zou gaan van
de rechtsbescherming van de bijstandsgerechtigden.
In het stelsel van rechtsbescherming tegen de
overheid neemt de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) een centrale plaats
in. Door de bestuursrechterlijke normering van het bestuursoptreden
wordt de rechtspositie van de burger ten opzichte van de overheid
gewaarborgd. Deze rechtsbescherming rblz.|158|
bevat niet alleen de weg van
bezwaar en beroep, maar ook de ontwikkeling van een aantal bestuurlijke
waarborgen die meer in het algemeen de kwaliteit van het openbaar
bestuur - en dus de uitvoering van de Wwb
- garanderen, zoals
openbaarheid, inspraak, advisering en toezicht.
De leden van de fractie van GroenLinks benoemen
de toegankelijkheid van deze wet terecht als een aandachtspunt.
Ingewikkelde formulieren en bureaucratie kunnen de communicatie met de gemeente
voor een aantal bijstandsgerechtigden behoorlijk lastig maken.
Het is daarom zeer positief dat veel gemeentelijke sociale diensten de
afgelopen jaren zelf initiatieven hebben genomen om de afstand met
cliënten te overbruggen. De lokale cliëntenraden spelen hier vaak een
belangrijke rol in. Ook de door deze leden aangehaalde sociaal
raadslieden zijn een belangrijke vraagbaak. De expertise van sociaal
raadslieden wordt doorgaans aangevuld door de bureaus van rechtshulp [Bureaus
Rechtshulp, red.],
waar men nog steeds terecht kan voor een eerste gratis advies of
rechtshulp waarvoor een eigen bijdrage naar draagkracht wordt gevraagd.
Tot slot valt ook te constateren dat het aantal landelijke
cliëntenraden de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen. Zij zijn,
mede door het benutten van de mogelijkheden van ICT, vaak in staat om
een landelijke dienstverlening aan te bieden. Een goed voorbeeld is de
Stichting Adviesgroep Bijstandsgerechtigden.
De dekkingsgraad van sociaal raadslieden is
mede afhankelijk van initiatieven van gemeenten zelf.
Gelet op het voorgaande ziet het kabinet geen
aanleiding om in de Wwb aanvullende maatregelen te treffen op het gebied
van de toegang tot de rechtshulp.
De
leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de toename van de
lokale regelgeving naar verwachting tot een taakverzwaring van het
justitieel apparaat zal leiden. Tevens vragen zij of los daarvan ook
meer beroepszaken zijn te verwachten gelet op de toegenomen kans op
rechtsongelijkheid.
De
in het kader van de Wwb door te voeren decentralisatie op zich zal naar
verwachting niet tot een taakverzwaring van de rechtbanken en de
Centrale Raad van Beroep leiden. Immers ook nu hebben de rechtbanken en
de Centrale Raad van Beroep te maken met verschillen in regelgeving
tussen gemeenten. Zo verschillen per gemeente bijvoorbeeld de APV, de
bestemmingsplannen en de toeslagenverordeningen van de Abw. Dit heeft de
afgelopen jaren niet tot grote problemen bij rechtbanken en Centrale
Raad van Beroep geleid. Bovendien blijkt dat in de overgrote meerderheid
van de procedures het geschil betrekking heeft op de inhoudelijke
toepassing van de lokale regelgeving en niet op een veronderstelde
rechtsongelijkheid vanwege het feit dat in een andere gemeente,
gebaseerd op de aldaar bestaande lokale situatie, andere lokale
regelgeving geldt.
rblz.|159|
Artikelsgewijs
Artikel 1
[1]. [Organen,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
ChristenUnie-fractie stellen voor de verwijzing naar artikel
10 [10], derde lid, in
artikel 1 [1], onderdeel a, van de Wwb
te schrappen.
Bij nader inzien blijkt
deze verwijzing inderdaad overbodig en is deze in de nota van wijziging
[tweede nota van wijziging, red.] geschrapt.
Artikel 9
[9]. [Plicht
tot arbeidsinschakeling,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen naar aanleiding van het eerste lid, onderdeel
a,
in welke mate het kabinet ervan uitgaat dat de vervanging van het begrip
passende arbeid door de term algemeen geaccepteerde arbeid zal leiden tot
verdringingseffecten op de arbeidsmarkt. Zij vragen of
hoogopgeleiden niet de plaatsten zullen gaan bezetten van laagopgeleiden.
De mate waarin thans
hogeropgeleiden arbeidsplaatsen voor lageropgeleiden bezetten, is zeer beperkt
en al jarenlang vrij stabiel. Andersom geldt overigens hetzelfde. Er
zijn lageropgeleiden die, bijvoorbeeld als gevolg van de opgedane
werkervaring, arbeidsplaatsen bezetten waarvoor een hoger opleidingsniveau is
vereist.
Het is niet aannemelijk
dat het vervangen van het begrip passende arbeid door algemeen
geaccepteerde arbeid zal leiden tot verdringingseffecten op de arbeidsmarkt. Ten
eerste omdat ook nu - vanwege passende arbeid - werkzoekenden niet
vrijblijvend een baan onder hun niveau konden weigeren. Ten tweede,
omdat hoger opgeleide werkzoekenden in veel gevallen niet direct een "algemeen geaccepteerde
baan" zal worden aangeboden, maar
gedurende de eerste maanden van hun inactiviteit zelf mogen zoeken. Bovendien
is het niet in het belang van een CWI of gemeente
om de eerste
maanden van werkloosheid een baan aan te bieden die ook door een
laagopgeleide kan worden vervuld. De kansen dat een hogeropgeleide
zelf werk zal vinden, is hoger dan van een lageropgeleide. Ook een werkgever zal een
werknemer die overgekwalificeerd is mogelijk afwijzen.
Desalniettemin kan het instrument wel waardevol zijn ten opzichte van
cliënten die weinig moeite doen om aan het werk te gaan of cliënten die op zoek
zijn naar banen die niet binnen hun bereik liggen.
Artikel 10
[10]. [Aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen hoe kan worden gewaarborgd dat sprake is van een
evenwichtige aanpak van de verschillende in de wet genoemde groepen
en de doelgroepen daarbinnen, mede gelet op het feit dat er voor Anw-gerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden een financiële stimulans is.
Deze leden willen verder weten of dit volledig een verantwoordelijkheid is
van de gemeenteraad.
Het is een volledige
verantwoordelijkheid van de gemeente invulling te geven aan het begrip "evenwichtige
aanpak" zodat optimale ruimte ontstaat voor de
gemeenteraad. Hierbij kan de gemeente rekening houden met bijvoorbeeld de
regionale arbeidsmarkt, de samenstelling van de gemeentelijke
klantengroep en de beschikbare middelen voor een eigen reïntegratiebeleid. Op
grond van artikel 8 [8]
Wwb dient de gemeente in de verordening tot uiting te
brengen welke (beleids)regels zij stelt met betrekking tot de reïntegratie van
de verschillende doelgroepen. Dit betreft ook de groepen
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers, aangezien deze vallen onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van de gemeente. De rblz.|160|
mate waarin en de wijze
waarop gemeenten zich inspannen voor deze groep is derhalve primair
een gemeentelijke aangelegenheid.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid heeft evenwel als verantwoordelijkheid
toezicht uit te oefenen op de doeltreffendheid van de
wet. De Inspectie Werk
en Inkomen kan in dit kader bijvoorbeeld thematisch onderzoek
instellen naar een evenwichtige aanpak voor bepaalde groepen.
Artikel 12
[12]. [Onderhoudsplicht ouders,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie hebben een aantal vragen over de onderhoudsplicht van ouders ten opzichte
van twee jongeren van 19 jaar met een kind.
Voor twee jongeren van 19
jaar met een kind die volledig zelfstandig wonen, bedraagt de
bijstandsnorm €|619,57 per maand (artikel
20 [20], tweede lid, aanhef en
onder b, Wwb). Voor zover de kosten van het bestaan van belanghebbenden
uitgaan boven de bijstandsnorm en zij voor deze kosten op in de Wwb
genoemde gronden geen beroep kunnen doen op hun ouders, hebben zij
recht op bijzondere bijstand (artikel 12
[12] Wwb). Het verhaal van de bijstand
op de ouders is een bevoegdheid van de gemeente, die hierbij een
zelfstandige afweging kan maken.
Artikel 13
[13]. [Uitsluiting
van bijstand, red.] [MvT;
V]
De
PvdA en CU vragen of
de conclusie juist is dat artikel 13 [13]
Wwb
(in tegenstelling tot artikel 9, tweede lid,
onderdeel c, van
de Abw) geen uitsluitingsgrond biedt voor bijstand aan personen met
een opleiding van meer dan 19 uur per week. De PvdA vraagt het
kabinet tevens hoe dit zich verhoudt tot het wetsvoorstel tot verruiming van de
scholingsmogelijkheden binnen de Abw.
De conclusie van de leden
van de fracties van de PvdA en ChristenUnie dat de Wwb
geen algemene uitsluitingsgrond kent wanneer de belanghebbende
op eigen initiatief een
scholing of opleiding volgt van meer dan 19 uur per week is
juist. Het kabinet is van mening dat het aan de gemeente
is om te bepalen
of in het individuele geval de opleiding noodzakelijk is, en zo niet, of deze de
reïntegratie belemmert. De weg die is ingeslagen met de
verruiming van de scholingsmogelijkheden binnen de Abw
wordt met de Wwb verder doorgetrokken.
Artikel 14
[14]. [Niet-noodzakelijke kosten,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen of met betrekking tot terugvordering en verrekening van
bijstand geen sprake is van verslechteringen ten opzichte van de huidige
situatie. De leden van de SGP-fractie vragen waarom de verrekening en
pseudo-verrekening, als bedoeld in artikel 14f
van de huidige Algemene bijstandswet, vervallen is.
Terugvordering in de Wwb betekent in vergelijking tot terugvordering in de
Abw geenszins
verslechteringen voor de positie van belanghebbenden. Terugvordering op basis
van de Wwb is namelijk vrijwel identiek aan het terugvorderingsregime
onder de Abw. Het gestelde in artikel 14f
Abw is - voor zover noodzakelijk
voor terugvordering en (pseudo-)verrekening -
overgenomen in de Wwb,
zoals bijvoorbeeld de executoriale rechtskracht van bijstandsvorderingen
die inmiddels in artikel 60 [60], derde lid, Wwb
is opgenomen. Het belangrijkste verschil met de Abw is dat gemeenten in
dit wetsvoorstel geen
verplichtingen meer hebben tot terugvordering, maar dat hiervoor een
bevoegdheid in de plaats is gekomen. Voorts heeft het vervallen van de terugvorderingsplicht een bijkomend voordeel voor
belanghebbende(n), omdat
gemeenten in de rol van schuldeiser eenvoudiger rblz.|161|
dan onder het
Abw-regime deel kunnen nemen aan (minnelijke) schuldsaneringsregeling.
Verrekening van
voorschotten is neergelegd in artikel 52
[52] Wwb; reguliere verrekening van bijstand
- bijvoorbeeld vanwege inkomstenverrekening - heeft vaste vorm gekregen
in het derde lid van artikel 58 [58] Wwb; zogenaamde
pseudo-verrekening met de
UWV is opgenomen in artikel 53 [53] Wwb.
Artikel 18
[18]. [Afstemming,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of door verandering van het systeem van boeten in de
Algemene bijstandswet naar een systeem van kortingen op de uitkering in de Wwb een hogere sanctie mogelijk is op het niet nakomen van een
verplichting in het kader van de Wwb.
Deze situatie is
inderdaad mogelijk. De gemeente legt het sanctiebeleid immers vast in een
verordening. Een opgelegde sanctie moet in ieder geval voldoen aan de eis
van proportionaliteit.
De leden van de
CDA-fractie vragen tot welke uitkomsten artikel
18 [18], eerste lid, kan leiden bij
co-ouderschap.
Gezien de
begripsomschrijvingen in artikel 4 [4], onderdeel a en b, kan de co-ouder noch als een
alleenstaande, noch als een alleenstaande ouder worden aangemerkt. De gemeente
dient derhalve op grond van de algemene individualiseringsbepaling
van artikel 18 [18], eerste lid, vast te stellen welke landelijke
bijstandsnorm op de betrokkene van toepassing is. De gemeente heeft
bijvoorbeeld de mogelijkheid om de gewenste aansluiting op de omstandigheden van
de belanghebbende te bereiken door voor de periode dat het kind bij
de bijstandsbehoevende ouder verblijft de alleenstaandeoudernorm
toe te passen en voor de rest van de periode de alleenstaandennorm te
laten gelden. Ook andere benaderingen zijn mogelijk. Welke benadering het
meest gewenst is, kan de gemeente het best bepalen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet aan te geven in welke gevallen het verlagen van
de bijstandsuitkering aangemerkt dient te worden als een punitieve
sanctie.
Er zijn twee soorten
bestuurlijke sancties: reparatoire en punitieve. Voor de punitieve sancties
gelden extra eisen, onder meer voortvloeiend uit artikel 6 van het EVRM.
Het kabinet is van mening dat verlaging van de uitkering in alle
gevallen een reparatoire sanctie is. Dit is nu onder de Abw
al het geval en daarin
wordt, afgezien van het vervallen van de benaming "maatregel" in
de wet,
geen wijziging aangebracht met de invoering van de Wwb. In Kamerstukken
II 1994-1995, 23 909, nr. 3, is het reparatoire karakter van de maatregel
en dus het verlagen van de uitkering uiteengezet, mede in het licht van
artikel 6 EVRM.
Tevens vragen de leden
van de PvdA-fractie of het kabinet bereid is advies te vragen aan het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over zijn standpunt dat
de sancties in de Wwb niet punitief zijn. Uitsluitsel van het EHRM over de
vraag of verlaging van de uitkering onder omstandigheden aangemerkt moet
worden
als een punitieve sanctie ("criminal charge") in de zin van
artikel 6 van het EVRM kan slechts worden verkregen wanneer een
bijstandsgerechtigde, na uitputting van de nationale rechtsmiddelen, een
klachtprocedure start bij het EHRM. Het is niet mogelijk een adviesvraag
voor te leggen aan het EHRM.
De leden van de
PvdA-fractie vragen zich af in hoeverre de
gemeenten de waarborgen die
voortvloeien uit artikel 6 EVRM en de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) rblz.|162| op
dienen te nemen in de op te stellen verordeningen.
In de
Abw is voorzien in
de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen aan
bijstandsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden. De
bestuurlijke boete is een punitieve sanctie en dientengevolge zijn in de
Awb waarborgen
opgenomen die onder meer voortvloeien uit artikel 6 van het EVRM. De PvdA-fractie
wijst in dit verband
terecht op het huidige
artikel 14b van de Abw. Nu de mogelijkheid tot het opleggen van boeten komt
te vervallen, zijn de bedoelde waarborgen niet meer opgenomen in het het
wetsvoorstel Wwb. De gemeenten zijn immers
op basis van de Wwb niet
langer bevoegd punitieve sancties op te leggen aan
bijstandsgerechtigden. De Wwb staat gemeenten alleen toe reparatoire sancties toe te passen.
De waarborgen die onder meer voortvloeien uit artikel 6 van het
EVRM gelden voor het opleggen van punitieve sancties.
De vierde tranche van de
Awb zal, voor zover nu bekend, geen nieuwe regels bevatten in de
sfeer van waarborgen waar het de reparatoire sancties (herstelsancties)
betreft. Voor zover er wel nieuwe, door gemeenten toe te passen, waarborgen
van kracht zouden worden, hoeven gemeenten deze niet over te nemen in hun verordeningen: de Awb geldt voor het
gehele openbaar bestuur
en daarmee ook voor de decentrale overheden zoals de gemeenten.
Ten overvloede zij erop
gewezen dat het wetsvoorstel Wwb de cliënt verdergaande rechten
biedt dan de Awb: in artikel 18 [18], tweede lid, is bepaald dat van een
verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Juridisch gezien is voor het opleggen van een
reparatoire sanctie niet
vereist dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid. De Wwb stelt deze eis
wél.
Het voornemen tot het
verlagen van de uitkering ten slotte kan niet als een "criminal
charge"
in de zin van artikel 6 EVRM worden gezien. Het verlagen van de uitkering
zelf is geen "criminal charge"; het voornemen daartoe evenmin.
De leden van de
PvdA-fractie vragen aan welke bepalingen van de Awb de
gemeenten moeten voldoen.
De Awb geldt voor het
gehele openbaar bestuur en daarmee ook voor de decentrale overheden
zoals de gemeenten. In andere wetgeving hoeft niet te worden bepaald dat de
Awb van toepassing is inzake de in die andere wetgeving geregelde
materie. Voor de gemeenten betekent dit dat zij zich bij de uitvoering van de Wwb hebben te houden aan de in de Awb vervatte regels. Het gaat
hier bijvoorbeeld om regels betreffende de zorgvuldigheid van de besluitvorming,
belangenafweging, bekendmaking, motivering en dergelijke.
De gemeenten hebben daarin vormvrijheid voor zover de Awb deze biedt.
De leden van de PvdA-fractie
verwijzen naar het in de Awb vervatte recht om mondeling of
schriftelijk zienswijzen naar voren te brengen. Het in de artikelen
3:13, 3:24 en
3:25 van de Awb vervatte recht om mondeling of schriftelijk zienswijzen
naar voren te brengen, maakt onderdeel uit van de in de afdelingen 3.4 en
3.5 van de Awb geregelde openbare en uitgebreide openbare
voorbereidingsprocedure. Deze procedures zijn alleen van toepassing wanneer dat
uitdrukkelijk bij wettelijk voorschrift of een besluit van een bestuursorgaan is
bepaald. De openbare voorbereidingsprocedure is geen geëigend
instrument in de besluitvorming omtrent het opleggen van een
maatregel. Het college van burgemeester en wethouders is daarentegen in
beginsel wel in alle gevallen verplicht op grond van artikel 7:2 van de
Awb de
cliënt te horen voordat op een bezwaarschrift wordt beslist.
rblz.|163|
De leden van de fractie van de ChristenUnie
vragen of gemeenten voldoende geëquipeerd
zijn om zelf bij verordening de hoogte van de maatregelen te bepalen.
Zij vragen het kabinet aan te geven in welke mate deze beleidswijziging
risico’s met zich meebrengt voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid en
of ook nu niet reeds maatwerk mogelijk is. Deze leden vragen tevens in
hoeverre een eventuele verlaging van de uitkering met terugwerkende kracht
kan worden opgelegd. Ten slotte vragen zij het kabinet een nadere onderbouwing van de stelling dat
artikel 18 [18]
strookt
met artikel 6 EVRM.
Het kabinet is van mening
dat een goed handhavingsbeleid onontbeerlijk is voor een rechtmatige
en een doelmatige uitvoering van het bijstandsbeleid. De toepassing van
sanctiebeleid is geen doel op zich, maar altijd instrumenteel, om het
realiseren van de doelstellingen van de wet te ondersteunen. Naar het
oordeel van het kabinet is daarom bij een zo ingrijpende
beleidswijziging als de Wwb een wijziging van het sanctiebeleid onontkoombaar. Zó wordt
het voor gemeenten mogelijk om het handhavingsbeleid zo vorm
te geven dat het de doelstellingen van het beleid op het terrein van
inkomen en reïntegratie optimaal aanvult en ondersteunt. Bijkomende
overweging is dat door deze verdergaande beleidsvrijheid enkele
voor de bijstandswetgeving belangrijke uitgangspunten als "persoonlijke
verantwoordelijkheid" en "individualisering" beter tot hun recht kunnen komen.
Vanzelfsprekend is bij de
ontwikkeling van dit onderdeel ook rekening gehouden met de
mogelijkheden van gemeenten om hun verantwoordelijkheden op dit gebied waar te
maken. Daarbij is onder meer gekeken naar de ervaringen met de
huidige wetgeving ¹ en de jurisprudentie op dit terrein en verwante
beleidsterreinen, zoals de ontwikkelingen binnen het algemeen bestuursrecht.
Op basis van deze bronnen is toen, mede in overleg met gemeenten
zelf, geconstateerd dat gemeenten inderdaad voldoende geëquipeerd
zijn om invulling te geven aan een adequaat handhavingsbeleid.
Gemeenten zijn immers al veel langer vertrouwd met zowel het opstellen van
verordeningen als met het opleggen van boeten en maatregelen bij de
uitvoering van de Abw, daarbij rekening houdend met de rechtsnormen van
de Algemene wet bestuursrecht. De risico’s wat betreft de
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden zoveel mogelijk beperkt door de
voorgeschreven verordeningen, die de basis moeten vormen voor concrete
beslissingen in concrete situaties. Waarbij overigens moet worden bedacht dat
de huidige landelijke regelgeving eveneens geen waarborg biedt voor
een uniforme toepassing van sancties. De huidige regelgeving
biedt slechts beperkte mogelijkheden voor maatwerk doordat deze is gebaseerd
op een tweetal algemene maatregelen van bestuur (Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz en Boetebesluit
socialezekerheidswetten) waarin voor alle gemeenten in een aantal
standaardsituaties wordt voorgeschreven wat de hoogte is van het maatwerk of de boete.
Over de relatie tussen
artikel 18 [18] Wwb
en artikel 6 EVRM merkt het kabinet het volgende op. Artikel
18 [18] heeft een preventief karakter, het beoogt niet zo zeer om - in
juridische termen gesproken - "opzettelijk leed toe te voegen"
- wat één van
de belangrijkste kenmerken is van de zgn. "punitieve sanctie"
- maar
veeleer om de cliënt te stimuleren om zijn of haar gedrag in de toekomst te
verbeteren. Deze doelstelling wordt het beste geïllustreerd door de
bepaling dat de gemeente gehouden is om een besluit binnen "een door
hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt" te
heroverwegen. De verlaging van de uitkering is, samenvattend, gericht op
het bewerkstelligen van een legale situatie en dientengevolge te
kwalificeren als een "reparatoire sanctie". En valt daarmee niet onder
artikel 6 EVRM.
1. Research voor beleid,
Activeringsinstrumenten in de Bijstandswet,
deelrapport maatregelen, 1999, Den
Haag en R. Schambach en D. Grijpstra,
Expertmeeting uitvoering van het
maatregelenbeleid Algemene bijstandswet in
de praktijk, 2002, Den Haag, Elsevier.
rblz.|164|
Artikel 20
[20]. [Jongerennormen,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting over de speelruimte om de
jongerennormen, genoemd in artikel 20
[20], te verlagen. De leden vragen
zich af of deze speelruimte voldoende is.
Het kabinet is van
oordeel dat de jongerennormen voldoende ruimte bieden om door middel van
het toeslagen- en verlagingenbeleid de bijstand af te stemmen op
de individuele omstandigheden van de jongeren. De bepalingen
in de Wwb zijn ook dezelfde als in de Algemene
bijstandswet.
Artikel 24
[24]. [Afwijking norm
gehuwden, red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen een nadere uitleg op de toelichting bij artikel 24 van
het wetsvoorstel.
Het kabinet is van mening
dat bedoelde passage er niet toe leidt dat dit een voordeel kan
betekenen voor een eenoudergezin. Artikel 24
[24] regelt de norm die van toepassing
is als voor één van de echtgenoten een uitsluitingsgrond geldt.
Deze norm wordt zodanig vastgesteld dat niet indirect bijstand wordt
verleend aan de niet-rechthebbende partner. De norm voor de
rechthebbende partner wordt derhalve vastgesteld op de norm die voor hem als
alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. De toets op de
gezamenlijke middelen is ook bij deze afwijkende vaststelling van de norm van kracht.
De wijze waarop rekening wordt gehouden met het inkomen van de
niet-rechthebbende echtgenoot is geregeld in artikel
32 [32], vierde en
vijfde, lid. Op basis van artikel 32 [32], vierde lid, wordt het inkomen van de
niet-rechthebbende echtgenoot alleen in aanmerking genomen voor zover het
inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou
worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen,
meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Het
meerdere wordt in mindering gebracht op de alleenstaande- of
alleenstaandeoudernorm die de rechthebbende partner ontvangt. Op deze wijze
wordt gewaarborgd dat de echtgenoten tezamen een inkomen ontvangen ter
hoogte van maximaal de voor hen van toepassing zijnde norm
voor gehuwden.
Indien de gehuwden
tijdelijk gescheiden leven, wordt het inkomen van de niet-rechthebbende
partner op grond van artikel 32 [32], vijfde lid, in aanmerking genomen
voor zover dit
zijn toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat. Het meerdere wordt
in mindering gebracht op de alleenstaande- of alleenstaandeoudernorm
die de rechthebbende partner ontvangt. Op deze wijze wordt
gewaarborgd dat de rechthebbende partner maximaal de voor hem van
toepassing zijnde alleenstaande- of alleenstaandeoudernorm ontvangt. Omdat alleen
het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm in
aanmerking wordt genomen, kan de niet-rechthebbende zelf opkomen voor de
kosten van de door hem zelfstandig gevoerde huishouding.
Artikel 25
[25]. [Alleenstaande
(ouder), red.] [MvT;
V]
De leden van het
CDA
vragen waarom in artikel 25 [25]
niet expliciet is geregeld dat gemeenten een plicht
hebben om de normbijstand met een toeslag te verhogen, mits
dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan.
Uitgangspunt is dat
gemeenten voor de toeslagverlening op grond van
artikel 25 [25]
geen andere
overwegingen kunnen laten gelden dan de aan- of afwezigheid van bepaalde
algemeen noodzakelijke bestaanskosten, als gevolg van het delen
daarvan met een ander. Afwezigheid van bepaalde rblz.|165|
algemeen noodzakelijke bestaanskosten, als gevolg van het geheel of
gedeeltelijk kunnen delen
van de kosten met een ander, leidt ertoe dat de toeslag lager kan worden
vastgesteld dan 20% van het nettominimumloon. Uit de gegeven wettelijke
omschrijving vloeit volgens het kabinet reeds expliciet voort dat de hoogte van de toeslag dient aan te sluiten bij de het niveau van de
noodzakelijke bestaanskosten.
Artikel 26
[26]. [Gehuwden,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen naar de mogelijkheid om op grond van artikel 26
[26] een
verlaging van de norm voor een echtpaar vast te stellen ingeval zij een kamer
verhuren van hun eigen woning.
Ingeval gehuwden een
kamer verhuren van hun eigen woning, kan worden aangenomen dat zij de
kosten van huisvesting en huishouding kunnen delen met een ander, als
gevolg waarvan er lagere noodzakelijke bestaanskosten zijn. De gemeenten hebben de bevoegdheid met deze lagere bestaanskosten
rekening te houden door de norm voor gehuwden op grond artikel 26
[26] te
verlagen.
Artikel 28
[28]. [Schoolverlaters,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of gemeenten de plicht hebben zorg te dragen voor een
adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. Tevens vragen zij of op
grond van artikel 28
[28] aan schoolverlaters een wachttijd van een
halfjaar voor een uitkering in het kader van de Wwb
worden opgelegd, en zo
niet, hoe groot kan de verlaging op grond van artikel 28
[28] maximaal is.
Het kabinet is van mening
dat het aan de gemeenten is om zorg te dragen voor een adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen.
Gemeenten kunnen derhalve
niet alleen volstaan met het verstrekken van een lager bedrag aan
bijstand vanwege het enkele feit dat woonruimte ontbreekt. Dak- en thuislozen zullen regelmatig kosten maken voor dak- en
thuislozenopvang. Dit
dient bij de vaststelling van de hoogte van de uitkeringshoogte te
worden betrokken. Indien de belanghebbende er blijk van geeft deze kosten
stelselmatig niet te betalen, hebben burgemeester en wethouders de
bevoegdheid om aan de bijstand de verplichting te verbinden dat de
belanghebbende eraan meewerkt dat burgemeester en wethouders deze betalingen uit de toegekende bijstand verricht aan de
betreffende instantie.
Voorts hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de
bijstand in de vorm van bijstand in natura te verlenen.
Het kabinet is van mening
dat op grond van artikel 28 [28]
aan schoolverlaters geen wachttijd van zes
maanden kan worden opgelegd. Dit zou betekenen dat schoolverlaters
gedurende zes maanden worden uitgesloten van het recht op bijstand. De wet
geeft deze uitsluitingsmogelijkheid niet. De lagere noodzakelijke
bestaanskosten geven de grens aan van de maximale verlaging.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie verzoeken het kabinet nader te motiveren waarom in
dit artikel wordt afgeweken van recente jurisprudentie op grond waarvan de
verlaging voor schoolverlaters geheel of gedeeltelijk achterwege
moet blijven als een schoolverlater met bijvoorbeeld een bijbaantje een hoger
inkomen heeft dan de studiefinanciering (zie CRvB, 07-12-1999,
nr. 98/1937 Algemene bijstandswet).
De verlaging van
artikel
28 [28] dient aan te sluiten bij de lagere noodzakelijke bestaanskosten van
schoolverlaters tijdens hun studie. De hoogte van de noodzakelijke
bestaanskosten tijdens de studie veranderen niet door een rblz.|166|
bijbaantje of
stagevergoeding. Om deze reden is het kabinet van oordeel dat bij de bepaling van
de uitkeringshoogte van een schoolverlater de inkomsten uit een
bijbaantje of stagevergoeding geen rol mogen spelen.
Artikel 29
[29]. [Alleenstaande
van 21 of 22 jaar, red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen waardoor de verlaging op grond van artikel 29
[29] wordt
begrensd. De leden vragen of dit te maken heeft met het van toepassing zijnde
bestaansminimum. Voorts vragen deze leden of de eenmalige premie van
€|1944,- per kalenderjaar belastingvrij is.
De verlaging van
artikel
29 [29] wordt begrensd door de afstemming van de uitkeringshoogte op de verdiencapaciteit van jongeren in deze leeftijdscategorie.
Voorkomen dient te worden
dat de uitkeringshoogte, gelet op het niveau van het
minimumjeugdloon dat voor deze leeftijdscategorie geldt, de uitstroom naar
betaalde arbeid belemmert. De exacte hoogte van de verlaging wordt
vastgesteld door burgemeester en wethouders.
De eenmalige premie die
door burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader
van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste €|1944,-
per kalenderjaar is belastingvrij. Dit geldt eveneens voor de
kostenvergoeding, bedoeld in artikel 31
[31], tweede lid, onderdeel
k. Hiertoe
wordt de Wet
op de loonbelasting 1964 via artikel 61
[61] van de Invoeringswet Wet
werk en bijstand gewijzigd.
Artikel 30
[30]. [Verordening,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de verlagingen van
artikel 18 [18]
(in verband met het niet
nakomen van verplichtingen) in dezelfde verordening mogen worden geregeld als
de verhogingen en verlagingen van de artikelen 25 tot en met
29 [25-29] (in verband met het kunnen delen van kosten, de woonsituatie dan wel
omdat de belanghebbende schoolverlater of een jongere is).
Op grond van
artikel 8 [8],
eerste lid, moet de gemeenteraad over drie zaken bij verordening regels
stellen. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen of hij dit in één of
meerdere verordeningen doet.
In artikel 30
[30], derde lid,
wordt niet gedoeld op de verlagingen van artikel
18 [18], maar wordt slechts
bepaald dat het verhogen en verlagen van de bijstandsnorm alleen mag
op grond van de artikelen 25 tot en met 29
[25-29].
Het is de leden van de
ChristenUnie-fractie niet duidelijk hoe de verordening op grond van artikel 30
[30] zich verhoudt tot de verordening, genoemd in artikel
18 [18]. Deze leden
vragen of op grond van artikel 8 [8]
niet geconcludeerd moet worden dat het
dezelfde verordening betreft.
Artikel 8
[8] Wwb geeft de
grondslag voor alle verordeningen die de Wwb
voorschrijft. Dit betreft
dus, naast de reïntegratieverordening, de verordening, genoemd in artikel 18
[18], en
de verordening, genoemd in artikel 30 [30]. Dit laat onverlet dat de
laatste twee verordeningen wezenlijk verschillen. De verordening ex artikel 30
[30] heef betrekking op de normensystematiek. De verordening ex artikel 18
[18] heeft betrekking op de afstemming van de uitkering op het betoonde besef van
verantwoordelijkheid.
Artikel 31
[31]. [Middelen,
red.] [MvT;
V]
De leden van de fractie
van de ChristenUnie vragen waarom in artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel c,
met betrekking tot de alleenstaandeouderkorting niet is gekozen voor een
leeftijdsgrens van het jongste kind van 12 jaar in plaats van
5 jaar.
rblz.|167|
Het kabinet verwijst deze
leden naar het antwoord in paragraaf 4.2 van deze
nota (Vrijlating
van arbeidsinkomsten)
Artikel 32
[32]. [Inkomen,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of een gemeente op grond van het kunnen delen van de
kosten met een ander de bijstand voor een inwonende alleenstaande kan
vaststellen op 50% van de norm en voor een inwonende ouder op 70%
van de norm.
Mede op basis van
jurisprudentie is het kabinet van oordeel dat in genoemde situaties de
uitkeringshoogte niet kan worden vastgesteld op respectievelijk 50% en
70% van de norm voor gehuwden. Uitgangspunt is dat in het geval van
degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert in beginsel kan
worden aangenomen dat alle algemeen noodzakelijke kosten van
het bestaan kunnen worden gedeeld. Indien aan een inwonende
alleenstaande of inwonende alleenstaande ouder respectievelijk 50% en 70% van de norm
voor gehuwden wordt verstrekt, impliceert dit de veronderstelling
dat de belanghebbende de algemeen noodzakelijke bestaanskosten geheel met
een ander kan delen als ware hij gehuwd.
Hoewel in deze situatie
schaalvoordeel aanwezig is, kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd dat
met betrekking tot het delen van de algemeen noodzakelijke
bestaanskosten sprake is van een situatie die op dit punt geheel vergelijkbaar
is met die van gehuwden.
De leden van de
CDA-fractie vragen of het niet in strijd met het doel van de wet is
- namelijk
mensen te stimuleren om een betaalde reguliere arbeidsplaats te
verwerven - om een eenmalige premie als inkomen aan te merken.
Dat een eenmalige premie
gericht op arbeidsinschakeling als inkomen wordt aangemerkt, laat
onverlet dat deze premie voor de bijstand wordt vrijgelaten tot een
maximum van €|1944,- per jaar (artikel
31 [31],
tweede lid, onderdeel j, van het
wetsvoorstel).
Daarmee komt de beoogde stimulans volledig tot zijn recht.
Artikel 34
[34]. [Vermogen,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het juist is dat het vrij te laten vermogen niet beïnvloed
wordt door interen of sparen tijdens de bijstandsperiode. Deze
leden vragen of het niet logisch is dat een gemeente
op grond van
artikel 51 [51] zelf bepaalt of bijstand voor vervanging van een niet afgeschreven
duurzaam gebruiksrecht om niet door de gemeente wordt verleend
dan wel via garantstelling door de gemeente aan de kredietbank.
Tijdens de
bijstandverlening wordt het vrij te laten vermogen niet beïnvloed door interen of sparen.
Interen vindt plaats op vermogen dat reeds is vrijgelaten en het
systeem van de wet is dat de vermogensvrijlating niet wordt verhoogd met het
ingeteerde bedrag. Vermogen dat tijdens de bijstandverlening wordt
gespaard, wordt niet als vermogen aangemerkt en heeft uit dien hoofde
geen invloed op de vermogensvrijlating.
Artikel 51 [51]
Wwb
biedt
de gemeente de door de leden van de CDA-fractie gevraagde mogelijkheid om
te bepalen of de bijstand om niet wordt verleend dan wel in de
vorm van een garantstelling bij de kredietbank.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen of de veronderstelling juist is dat bij de
vaststelling van het vermogen de tijdens de bijstandverlening ontstane schulden buiten
beschouwing worden gelaten. Zij rblz.|168|
willen weten of in de
artikelsgewijze toelichting niet ten onrechte heel algemeen gesproken wordt
van schulden, ongeacht het moment waarop ze zijn ontstaan. Voorts
willen deze leden weten of er bewust voor is gekozen geen rekening te
houden met besteding en waardevermindering van vermogen in dit
artikel. Ten slotte vragen deze leden het kabinet aan te geven hoe gemeenten
moeten handelen bij overname van bijstandscliënten uit andere gemeenten.
Anders dan de leden van
de fractie van de ChristenUnie veronderstellen, wordt bij de vaststelling
het vermogen wél rekening gehouden met tijdens de bijstandverlening
ontstane schulden. Zoals is aangegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel
34 Wwb is hiermee de jurisprudentie over dit onderwerp
gecodificeerd. In de artikelsgewijze toelichting wordt dus terecht heel algemeen
gesproken over schulden, ongeacht het moment waarop ze zijn
ontstaan.
De situatie bij overname
van bijstandscliënten uit een andere gemeente wordt bepaald door alle
relevante feiten en omstandigheden in de situatie van de betrokkene, die
ter beoordeling zijn van de gemeente van vestiging. Als de verhuizing niet
gepaard gaat met een wijziging in de overige voor de bijstandverlening relevante feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld een alleenstaande die in
de andere gemeente bij een partner gaat wonen) en er geen periode
van meer dan 30 dagen ligt tussen de beëindiging van de bijstand in de
vertrekgemeente en de toekenning van bijstand in de vestigingsgemeente,
kan de bijstandverlening, met toepassing van artikel
45 [45], derde lid, Wwb, geacht worden niet te zijn onderbroken. De vestigingsgemeente kan dan voor de vaststelling van het vermogen en
het restant vrij te laten
vermogen aansluiten bij de vaststelling van de vertrekgemeente.
Voor het antwoord op de
vraag over de waardevermindering wordt verwezen naar het
antwoord op de vorige vraag van de CDA-fractie.
Artikel 40
[40]. [Woonplaats en
adresgegevens, red.] [MvT;
V]
De leden van de
fractie
van de CU verzoeken om een toelichting op de keuze voor een
imperatieve bepaling in het derde lid van dit artikel, mede in het licht van de keuze
voor een facultatieve bepaling in artikel
54 [54].
Artikel
40 [40],
derde lid, is
afgeleid van de wet die op 13 december 2000 door de Eerste Kamer is
aangenomen. Hierin is het recht op overheidsprestaties afhankelijk gesteld van
de juiste inschrijving van het adresgegeven in de gemeentelijke basisadministratie
(Staatsblad 67, 13 februari 2001). Het doel van voornoemde wet
is een bijdrage te leveren aan de fraudebestrijding door de betrouwbaarheid
van het adresgegeven in de GBA te vergroten en het
vergroten van het belang van de burger bij een correcte inschrijving in de
basisadministratie. Bij deze doelstelling past geen facultatieve bepaling, want deze
systematiek werkt alleen als alle uitkerende instanties dezelfde
werkwijze volgen. Deze koppelingssystematiek geldt voor de bijstandssector,
Toeslagenwet, Anw, AKW,
AOW en in de toekomst ook voor de Wik.
Artikel 54 [54]
heeft
daarentegen wel een facultatieve bepaling voor de opschorting van de
uitkering, omdat dit artikel geen raakvlakken heeft met andere beleidsvelden. Het
kabinet verwacht wel dat gemeenten, gezien hun financiële
verantwoordelijkheid, vaak van de opschortingsbevoegdheid gebruik maken teneinde
fraude te voorkomen en de activering van betrokkene te
stimuleren.
rblz.|169|
Artikel 44
[44]. [Toekenning,
red.] [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom er een nieuwe formulering is gekozen in
artikel 44 [44]
Wwb ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand. Naar hun
oordeel wordt de ingangsdatum zo gedefinieerd dat het van de snelheid en
voortvarendheid van CWI afhangt welke ingangsdatum van kracht is.
In
artikel 44 [44]
Wwb is
geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van aanmelding bij
CWI. Dit is hetzelfde als het, bij Invoeringswet
SUWI toegevoegde, artikel 68a Abw. Er is dus geen sprake van een nieuwe formulering.
Artikel 51
[51]. [Duurzame
gebruiksgoederen, red.] [MvT;
V]
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen of er in artikel 51
[51] bewust voor is gekozen in het
tweede lid geen bepaling op te nemen inzake de beslagvrije voet, conform
het tweede lid van artikel 21 Algemene
bijstandswet.
Uit oogpunt van
deregulering is bewust door het kabinet een regeling inzake de beslagvrije
voet in artikel 51 [51]
achterwege gelaten. Het is aan de gemeente
en de
belanghebbende om het leningsbedrag en de termijn of termijnen waarbinnen moet
worden betaald overeen te komen. Dit biedt gemeenten meer
mogelijkheden voor maatwerk. Het kabinet wijst er evenwel op dat indien de
belanghebbende zijn betalingsverplichtingen niet nakomt en de
gemeente overgaat tot invordering van de verstrekte bijstand via beslag, in
dat geval de beslagvrije voet wel geldt.
Artikel 56
[56]. [Kinderalimentatie,
red.] en 61
[61]. [Bevoegdheid
verhaal, red.] [MvT;
V] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of op grond van artikel 56
[56] alleen kinderalimentatie van de ex-partner kan
worden gevorderd of dat er ook een hogere bijdrage van de
ex-partner gevraagd kan worden voor het onderhoud van een eenoudergezin?
Artikel
56 [56], eerste lid, Wwb is bedoeld om ervoor te zorgen dat de bijstandsgerechtigde het
recht op kinderalimentatie effectueert. De berekeningswijze van
kinderalimentatie zal worden geregeld als onderdeel van een wetsvoorstel
daartoe van de Minister van Justitie. In de loop van 2003 zal naar
verwachting een wetsvoorstel voor een nieuw kinderalimentatiestelsel gereed zijn. Het is op
dit moment niet mogelijk op de inhoud van genoemd
wetsvoorstel inclusief berekeningswijze kinderalimentatie vooruit te lopen.
De mogelijkheid van
verhaal van bijstand op de ex-partner is geregeld in de Invoeringswet
Wwb en
komt dus te vervallen zodra het nieuwe stelsel van kinderalimentatie is
ingevoerd. Het is dan alleen aan de betrokkene zelf om een vordering in
te stellen op de ex-partner, zo nodig via de civiele rechter.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of zij het goed hebben begrepen dat verhaal van de
bijstandsuitkering op een ex-echtgenoot in dit wetsvoorstel niet meer terugkomt. Deze
leden vragen voorts of de beëindiging van de mogelijkheid van
verhaal op de ex-partner ook zal gaan gelden voor bestaande verhaalszaken
en of er terugwerkende kracht is.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het voorstel
belanghebbenden in voorkomende gevallen te verplichten zelf kinderalimentatie te
regelen. Zij zijn van oordeel dat dit prematuur is, in het licht van de
kabinetsvoornemen de alimentatie in 2004 te herzien op rblz.|170|
basis van de voorstellen
van de IBO-werkgroep en vragen het kabinet wat er tegen is het artikel
te schrappen.
In de Wwb wordt
geanticipeerd op de komst van een nieuw kinderalimentatiestelsel, zoals aangekondigd in
het
kabinetsstandpunt ter zake (Kamerstukken II 2002-2003,
28 795, nr. 1). Voor de goede orde zij allereerst vermeld dat artikel 56
[56] van de Wwb
pas in werking treedt nadat het beoogde nieuwe stelsel
van kinderalimentatie is ingevoerd. In artikel 13
[13] van de Invoeringswet
Wwb is geregeld dat de bevoegdheid tot verhaal op de ex-partner blijft
bestaan totdat het nieuwe stelsel van kinderalimentatie in werking is getreden.
Na invoering van dit nieuwe stelsel komt de mogelijkheid van verhaal van bijstand
op de ex-partner te vervallen, ook voor bestaande gevallen.
Daarbij is ook geen sprake van terugwerkende kracht. Kinderalimentatie biedt
een belangrijke basis voor het bereiken of handhaven van economische zelfstandigheid van de verzorgende ouder,
meestal de vrouw. Met de
komst van het beoogde kinderalimentatiestelsel wordt bijstandsverhaal op
ex-partners vanwege kinderalimentatie overbodig. De gemeente
kan namelijk
alsdan bij een beroep op bijstand belangenhebbende - op
grond van artikel 56 [56] Wwb
- doorverwijzen naar een bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen instelling ingeval er sprake is van
openstaande kinderalimentatieverplichtingen. Via deze instelling kan
kinderalimentatie op een laagdrempelige, snelle en eenvoudige wijze worden vastgesteld
en geïnd zonder dat belanghebbende zelf de onderhoudsplichtige
ex-partner daarvoor hoeft te benaderen. Voorts wordt de gemeentelijke uitvoeringspraktijk ontlast door het afschaffen van
bijstandsverhaal,
behoudens op ouders van 18- tot en met 20-jarigen aan wie een aanvulling op de norm
bijstand wordt verleend.
Het is niet opportuun
artikel 56 [56] van dit wetsvoorstel te schrappen, zoals de
fractie van de
ChristenUnie voorstelt, omdat in dit artikel wordt geanticipeerd op de komst van een nieuw
kinderalimentatiestelsel en onlosmakelijk is verweven met dit
wetsvoorstel. Prematuur is deze verwijzing geenszins, omdat naar verwachting
nog in de loop van 2003 een wetsvoorstel ter zake gereed is. Voorts
zijn als gevolg van een nieuw kinderalimentatiestelsel concrete besparingen op
de bijstandsuitkeringen ingeboekt van €|50
mln in 2004 oplopend
tot €|190 mln structureel vanaf 2006.
Door op deze wijze het
nieuwe kinderalimentatiestelsel in te vullen, wordt voorkomen dat de
verzorgende ouder die een beroep doet op bijstand onder druk komt te staan
van de ex-partner. De bepaling in artikel
56 [56], eerste lid, dat
burgemeester aan de bijstandsgerechtigde de verplichting kan opleggen een
vordering tot kinderalimentatie in stellen, is dan ook niet meer dan een
"stok
achter de deur" om ervoor te zorgen dat de bijstandsgerechtigde het
recht op kinderalimentatie effectueert. Bovendien wordt, zoals blijkt uit
artikel 18 [18] van dit wetsvoorstel, bij het niet nakomen van deze
verplichting afgezien van een verlaging van de uitkering indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
Artikel 50
[50]. [Eigen woning,
red.] en 58
[58]. [Bevoegdheid
terugvordering, red.] [MvT;
V] [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vragen of het met het intrekken van het Besluit
krediethypotheek bijstand nog steeds mogelijk blijft dat gemeenten bij eigen verordening een
krediethypotheek vestigen op een woning en of dit zelfs niet noodzakelijk
is wanneer de cliënt in zijn eigen woning blijft wonen. De leden van de
CU-fractie vragen om een nadere motivering van de naar de mening van
deze leden verslechtering van de positie van bijstandsgerechtigden met
een eigen woning ten opzichte van de huidige situatie. Deze leden
vragen of de keuze voor deregulering belangrijker is dan het handhaven van de
relatief sympathieke krediethypotheek.
Ook met het vervallen van
het Besluit krediethypotheek bijstand wordt bijstand aan eigenaren van een
woning (c.q. woonwagen/woonschip) met rblz.|171|
overwaarde verstrekt in de
vorm van leenbijstand (artikel 50 [50]
Wwb). Met het vervallen van het Besluit
krediethypotheek bijstand blijft het voor gemeenten nog steeds mogelijk om een krediethypotheek op een eigen woning dan wel
pandrecht op woonwagen c.q.
woonschip te vestigen. Hypotheek en pandrecht zijn zogenaamde
accessoire overeenkomsten die strekken tot zekerheidsrechten voor hetgeen uit hoofde van lening verschuldigd is. Het
past binnen de
systematiek van de Wwb om de gemeenten de bevoegdheid te geven al dan niet
gebruik te maken van de mogelijkheden van zekerheidsrechten.
Het kabinet is van mening
dat met de verhoging van de vrijlating van het in eigen woning met
bijbehorend erf gebonden vermogen, genoemd in artikel
34 [34], tweede lid,
onderdeel d, de belanghebbende niet in een nadeliger positie komt te verkeren
ten opzichte van de huidige situatie. Een groter deel van het
vermogen in de eigen woning wordt daardoor vrijgelaten.
Uit oogpunt van
deregulering heeft het kabinet ervoor gekozen het Besluit krediethypotheek bijstand
(Besluit van 12 april 1995, Stb. 1995, 204) niet meer te handhaven. Het is aan de
gemeente om regels te stellen ten aanzien van de wijze waarop en de
periode waarbinnen een geldlening op grond van artikel 50
[50] dient te
worden terugbetaald. Dit biedt gemeenten, in vergelijking met het huidige regime,
meer mogelijkheden om maatwerk te bieden.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie zien graag een nadere onderbouwing tegemoet van het voorstel
om in het eerste lid, met betrekking tot de terugvordering, te
kiezen voor een facultatieve bepaling. Zij vragen waarom er geen
verplichting tot terugvordering blijft bestaan, gezien het risico van
rechtsongelijkheid en het niet serieus nemen van handhavingstaken?
Deze leden gaan ervan uit
dat het niet de bedoeling is dat bij invordering van een schuld de bijstandgerechtigde iedere maand zijn hele uitkering ter
aflossing moet inleveren.
Zij vragen of de wettekst deze mogelijkheid voldoende uitsluit.
Aansluitend informeren zij of het college van B&W op grond van de nieuwe wet
minder mogelijkheden bij de inning van de bijstandsvordering ter
beschikking heeft dan momenteel op grond van artikel
14, onderdeel f,
Algemene bijstandswet het geval is.
Het verschil met de
Abw is, zoals de fractie van de ChristenUnie constateert,
dat gemeenten in
dit
wetsvoorstel geen verplichtingen meer hebben tot
terugvordering, maar dat hiervoor een bevoegdheid in de plaats is gekomen. De
gemeente
kan, gelet op de financiële stimulans en de eigen beleidsruimte in
dit wetsvoorstel, een goede afweging maken wanneer van
terugvordering kan worden afgezien. De mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk af
te zien van terugvordering van (fraude)schulden zijn in dit wetsvoorstel
geoptimaliseerd, ter bevordering van een actief incassobeleid door
gemeenten. Hiermee is eveneens op het onderdeel terugvordering invulling
gegeven aan de met dit wetsvoorstel beoogde vereenvoudiging en
deregulering.
Dat volledige
terugvordering van bijstand niet in alle situaties een reële mogelijkheid is, blijkt
al uit meerdere bepalingen in de vigerende Abw die gemeenten in een aantal
gevallen de mogelijkheid bieden geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Met de nog ruimer geformuleerde terugvorderingsparagraaf
in dit wetsvoorstel kan de gemeente in alle gevallen zelf
bepalen geheel of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien. De
bevoegdheid laat onverlet dat in dit wetsvoorstel van gemeenten een adequate
invulling van de terugvorderingsbevoegdheid wordt verwacht. Van niet-gewenste verschillen tussen gemeenten met betrekking tot
fraudeaanpak in het algemeen en terugvordering in het bijzonder zal derhalve
niet snel sprake zijn.
rblz.|172|
Terugvordering op basis van de Wwb is vrijwel identiek aan het terugvorderingsregime
onder de Abw, eveneens voor wat betreft de positie van de
belanghebbende(n). Het gestelde in artikel 14f
Abw
is - voor zover noodzakelijk
voor terugvordering en (pseudo-)verrekening - overgenomen in de Wwb,
zoals bijvoorbeeld de executoriale rechtskracht van bijstandsvorderingen
die inmiddels in artikel 60 [60], derde lid, Wwb
is opgenomen.
Overigens wordt
zekerheidshalve de tekst van artikel 82 Abw
bij nota van wijziging overgenomen in
artikel 59 [59] Wwb, zodat er geen misverstand over kan bestaan dat in
geval van hier bedoelde situaties eveneens terugvordering op grond van de Wwb
mogelijk is.
Artikel 59
[59]. [Terugvordering
gezinsleden, red.] [MvT;
V]
De leden van de
SGP-fractie vragen naar duidelijkheid over de verwijzing in artikel
59 [59], tweede
lid, van de Wwb.
In
artikel 84, tweede
lid, van de Abw wordt naar artikel 65 van
die wet verwezen en niet naar
artikel 65 van de Wet SUWI. Artikel 65 van de Abw
komt overeen met artikel
17 [17] van de Wwb, waarnaar in artikel
59 [59], tweede lid, van de Wwb
wordt
verwezen. In de toelichting op artikel 59 van de Wwb
moet in dit verband
aan artikel 17 [17]
van de Wwb worden gerefereerd en niet, zoals
abusievelijk is gebeurd, naar artikel 18
[18] van de Wwb.
De
SGP-fractie vraagt wat
de reden is voor de wijziging van de inhoud van artikel 84 Abw, dat in
dit wetsvoorstel in aangepaste vorm terugkeert in artikel 59
[59] Wwb.
In het eerste lid van
artikel 59 [59] Wwb staat kortweg dat de kosten van bijstand van alle
gezinsleden "kunnen" worden teruggevorderd. De toevoeging van het woord
"kunnen" houdt hier verband met de in dit wetsvoorstel geïntroduceerde terugvorderingsbevoegdheid in plaats van
terugvorderingsplicht
zoals onder het Abw-regime. Blijkens het derde lid van
artikel 59 [59]
Wwb
blijft
de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de terugbetaling van kosten van bijstand
van de hier bij wet bedoelde gezinsleden ongewijzigd ten opzichte
van het derde lid van artikel 84 Abw.
De leden van de
SGP-fractie vragen waarom de tekst van artikel 59
[59] Wwb
identiek is aan de tekst
van artikel 84, tweede lid, van de Abw zoals die luidde vóór 1 januari
1999.
Terecht wordt aangegeven
dat, gezien het feit dat in de Wwb onder
"gezin" tevens wordt
verstaan "de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende
kinderen",
artikel 59 [59], tweede lid, van het wetsvoorstel mogelijk doel zal missen
in die gevallen waarin de verzwegen echtgenoot of partner een
gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met een alleenstaande ouder die bijstand
ontvangt. Overeenkomstig de tekst van het tweede lid van artikel 84 Abw
wordt de tekst van het tweede lid van artikel 59
[59] Wwb
bij nota van
wijziging (bijgevoegd) aangepast.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de rechtsgrond onder het eerder in gang gezette verhaal
automatisch vervalt als de gemeenten niet tijdig een verordening maakt.
Noch de Abw, noch de Wwb kennen een verordeningsplicht voor het opleggen van verhaal. Het
automatisch vervallen van de rechtsgrond onder eerder in gang
gezet verhaal is dan ook niet aan de orde. Wel dienen gemeenten, indien
zij zich bij het uitoefenen van verhaal willen baseren op een
verordening, erop bedacht te zijn dat zij hun oude verordening tijdig aanpassen.
rblz.|173|
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het zit met de rechtsgelijkheid als de ene
gemeente wel
besluit tot het instellen van verhaal op de ex-partner (niet
kinderalimentatie) en de andere gemeente niet, alsmede met andere vormen van
ongelijke behandeling van ex-partners.
De problematiek waar deze
leden op doelen, beperkt zich tot de overgangsperiode tot aan de invoering van
een nieuw stelsel voor kinderalimentatie. Daarna komt immers de
mogelijkheid van verhaal op de ex-partner te vervallen.
Mogelijke verschillen tussen gemeenten zullen dus in de tijd beperkt
zijn. Dit weegt voor het kabinet minder zwaar dan de vereenvoudiging van de
uitvoering die met de voorgestelde aanpak van verhaal al vanaf de
invoering van de Wwb wordt bereikt.
De leden van de
PvdA-fractie vragen zich af hoe de bijstandsuitkering wordt vastgesteld en hoe
eventueel voorschotverlening plaatsheeft indien partneralimentatie is
vastgesteld door de rechter maar niet wordt uitbetaald aan de
bijstandsgerechtigde.
Indien partneralimentatie
is vastgesteld door de rechter en belanghebbende hierover beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken, neemt de gemeente
deze inkomsten
uit alimentatie in aanmerking bij de bijstandverlening. Het feitelijk verwerven
van deze inkomsten uit partneralimentatie dient door belanghebbende
zelf te geschieden.
In het geval
partneralimentatie wel door de rechter is vastgesteld maar hiervan (nog) geen
uitbetaling plaatsheeft en dat aan belanghebbende geenszins verwijtbaar is,
kan de gemeente op grond van artikel 48
[48], tweede lid, onderdeel
a, Wwb, bijstand
verlenen in de vorm van een geldlening, die wordt verrekend met de
naderhand te ontvangen alimentatie.
Voorts kan het voorkomen
dat door de rechter vastgestelde partneralimentatie naar alle
waarschijnlijkheid nooit zal worden uitbetaald en de belanghebbende hiervoor
geen verwijt te maken valt. Indien noodzakelijk vindt in die gevallen
verstrekking van algemene bijstand plaats zonder dat met de alimentatie
rekening wordt gehouden.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is, ook al zou de Wwb
voor een deel een
latere invoeringsdatum krijgen, de artikelen
56 [56], 61
[61] en 62
[62] Wwb
wel per 1
januari 2004 in te voeren.
Het is niet opportuun
- zoals de leden van de PvdA-fractie
voorstellen - de artikelen
56 [56], 61
[61] en 62
[62] Wwb
wel per 1 januari 2004 in te voeren indien de Wwb
een latere
invoeringsdatum zou krijgen. Ten eerste maken genoemde artikelen
momenteel onlosmakelijk deel uit van dit wetsvoorstel. In de tweede plaats
krijgen de artikelen 56 [56], 61
[61] en
62 [62] Wwb
pas rechtskracht indien een nieuw
kinderalimentatiestelsel inwerking treedt. Een nieuw
kinderalimentatiestelsel dat aansluit op voornoemde artikelen zal gegeven de huidige stand
van zaken zeker niet per 1 januari 2004 in werking kunnen treden. In de loop
van 2003 zal naar verwachting een wetsvoorstel voor een nieuw
kinderalimentatiestelsel gereed zijn.
Waarom is
artikel 81,
derde lid, uit de Algemene bijstandswet geschrapt, zo vragen de leden van de
PvdA-fractie. Deze bood een extra bescherming aan de cliënt om niet
langer dan twee jaar geconfronteerd te kunnen worden met fouten van het
uitkeringsorgaan. De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet deze bepaling opnieuw op te nemen.
In
dit wetsvoorstel wordt
het vanuit het oogpunt van vereenvoudiging niet noodzakelijk geacht op
het onderdeel onverschuldigde betaling afzonderlijke bepalingen in de wettekst
op te nemen. In onderhavige situaties kan namelijk worden
aangesloten bij Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
rblz.|174|
Artikel 81, tweede lid, Abw
verplicht gemeenten om hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald
"voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen
begrijpen"
terug te vorderen. Deze aan de gemeenten opgelegde verplichting
wordt in het derde lid van genoemd artikel beperkt in die zin dat de
verplichte terugvordering als bedoeld in het tweede lid niet plaatsvindt indien
de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van
verzending van het besluit tot terugvordering. Voorkomen wordt aldus dat
gemeenten tot in een ver verleden, met alle bewijsrechtelijke
problemen van dien, moeten terugvorderen.
In de Wwb zijn de
gemeenten niet langer verplicht tot terugvordering, maar "kunnen" zij
terugvorderen. Dit zullen zij uiteraard alleen doen wanneer daar
bewijsrechtelijk ook voldoende gronden voor zijn. Op grond van artikel
309 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek kan met betrekking tot onverschuldigde betaling,
waarvan de ontvanger redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij
daar geen recht op had, tot vijf jaar worden teruggevorderd. Hiermee is de
rechtsbescherming van een al dan niet belanghebbende in de zin van de Wwb
bij
onverschuldigde betaling in voldoende mate gedekt.
Het kabinet neemt het verzoek van de PvdA-fractie
om deze bepaling opnieuw
op te nemen dan ook niet over.
De leden van de
PvdA-fractie vragen een overzicht te leveren van geschrapte bepalingen die
als recht of plicht voor de belanghebbende beschouwd kunnen worden.
In het
het wetsvoorstel Wwb wordt, afgezien van de in dit kader gemaakte en in de
memorie van
toelichting verantwoorde beleidskeuzes, geen verdere belangrijke wijziging van
de rechten en plichten voor de belanghebbende doorgevoerd. De
belangrijkste rechten en plichten van de belanghebbende zijn omschreven in de
artikelen 7 [7], 9
[9], 10 [10]
en
17 [17] van de Wwb. Ingevolge
artikel 7 [7]
is de
gemeente verplicht bijstand te verlenen aan personen hier te lande die in
zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over
de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien. In artikel 9 [9], eerste lid, van de Wwb
staat zowel de plicht van
de belanghebbende om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden als
de plicht om gebruik te maken van een door het college
aangeboden voorziening. In het tweede lid van hetzelfde artikel is de
mogelijkheid opgenomen voor het college om in het geval van dringende redenen
tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste
lid. In artikel 10 [10]
van de Wwb is het recht van de belanghebbende op
ondersteuning bij de arbeidsinschakeling opgenomen en in artikel 17
[17] de inlichtingenplicht van de belanghebbende aan het
college.
De beleidskeuzes die aan
de Wwb ten grondslag liggen, brengen uiteraard wel afwijkingen ten
opzichte van het huidige Abw-stelstel teweeg. Zo wordt de categoriale
ontheffing van verplichtingen verbonden aan de bijstandsuitkering van
alleenstaande ouders met de zorg voor kinderen jonger dan 5 jaar en de
categoriale bijzondere bijstand voor personen onder de 65 jaar
afgeschaft. Hiertegenover staat dat voor die personen onder de 65 jaar de
langdurigheidstoeslag wordt geïntroduceerd. Dit is neergelegd in artikel 36
[36] van de Wwb. Verder kan de gemeente alleenstaande ouders met de zorg voor
kinderen onder de 5 jaar op grond van artikel
9 [9], tweede lid,
van de Wwb tijdelijk ontheffing verlenen in het geval van dringende redenen.
Voor een volledig
overzicht van de overgang van de artikelen uit de Abw naar de Wwb zij verwezen
naar de transponeringstabel van de Abw,
de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz, de Wiw
en het Besluit in- en doorstroombanen naar het
wetsvoorstel Wet werk en bijstand die de Staatssecretaris van SZW
op 18 juni jongstleden aan de Tweede Kamer heeft toegezonden (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr.
6).
rblz.|175|
Artikel 67
[67]. [Inlichtingenverplichting gemeenten,
red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen welke belemmeringen er op dit moment zijn om
internationale gegevensuitwisseling in het kader van dit artikel
mogelijk te maken. Zij vragen voorts of de door hen bedoelde
belemmeringen kunnen worden opgelost vóór de inwerkingtreding van de
nieuwe Wwb
en, zo dat niet het geval is, wat dat betekent voor de uitvoering van de
Wwb.
Artikel 67
[67] regelt het verstrekken van gegevens
door burgemeester en wethouders aan derden. Nieuw is dat tot die derden
thans ook organen buiten Nederland gerekend kunnen worden. Aan
Nederlandse zijde is daarmee in de betreffende
materiewet de juridische grondslag voor het uitwisselen van
gegevens met bedoelde derden gelegd. Dat laat uiteraard onverlet dat
andere staten kunnen aandringen op het sluiten van verdragen of
anderszins tot bindende afspraken willen komen.
Het artikel schept de juridische basis van
hetgeen in het Handhavingsprogramma 2003-2006 is aangekondigd: het
aantal landen waarmee samenwerking op het terrein van
bijstandsverificatie wordt gezocht, wordt stapsgewijs uitgebreid. Met
Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn de betreffende besprekingen
inmiddels in een vergevorderd stadium. Voor de uitvoering van de plannen
wordt de werkingssfeer van het Internationaal Bureau Fraude-informatie
(onderdeel van het UWV) uitgebreid tot onder
meer gemeenten, zoals aangekondigd in voormeld
handhavingsprogramma. Het programma is op 26 maart 2003 met de Tweede
Kamer besproken.
Artikel 72
[72]. [Verlaging
uitkering inkomensdeel, red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen naar de juistheid van de verwijzingen naar artikel
76 [76], tweede lid, in artikel 72
[72].
Deze verwijzingen zijn inderdaad onjuist en zijn inmiddels bij nota van
verbetering (Kamerstukken
II 2002-2003, 28 870, nr. 4 herdruk) gewijzigd in verwijzingen naar
artikel 76 [76], derde lid.
De
leden van de
CDA-fractie vragen of de verlaging van 1% niet te laag is wanneer
het om zeer ernstige tekortkomingen gaat. Zij vragen het kabinet of dit
percentage voor elke aanwijzing die conform de voorwaarden van artikel 76
[76] niet wordt opgevolgd, niet even hoog
moet zijn.
Een
korting van 1% op het budget voor de uitkeringen betekent een
substantieel bedrag op de gemeentelijke begroting. Dit percentage geldt
in eerste aanleg voor alle aanwijzingen die niet of onvoldoende worden
opgevolgd. Indien deze maatregel niet tot de gewenste rechtmatige
uitvoering van de wet
leidt, kan de maatregel vanaf het tweede jaar oplopen tot maximaal 3%.
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat van de aanwijzingsbevoegdheid
zeer terughoudend gebruik zal worden gemaakt en dat, op basis van de
ervaringen sinds de invoering van het instrument aanwijzing in 1972, het
niet opvolgen van een aanwijzing als een extreme situatie moet worden
beschouwd. Mocht die situatie zich onverhoopt aandienen, dan kan de minister van SZW
daarop passend reageren door het opleggen van de in artikel 72
[72] geregelde financiële maatregelen.
Artikel 76
[76]. [Toezicht,
red.] [MvT;
V]
De
leden van de
CDA-fractie vragen of het kabinet nader in kan gaan op het derde
lid, waarin is geregeld dat rijkstoezicht zich alleen zal richten op
ernstige tekortkomingen in de rechtmatige uitvoering van de wet
bij rblz.|176|
individuele gemeenten. Zij
vragen het kabinet nader in te gaan, zo nodig met voorbeelden, wat
hieronder wordt verstaan.
Een
wezenlijk element van de toezichtsfunctie is de bevoegdheid van de
toezichthouder om in geval van normschending corrigerend op te treden.
Op grond van de huidige Abw
en aanverwante wetten vindt correctie
doorgaans plaats in de comptabele sfeer. De minister
weigert rijksvergoeding indien de
gemeente zich niet houdt aan de geldende
voorschriften voor de verlening van bijstand en uitkeringen. In de Wwb
zijn vooral eisen gesteld ten aanzien van het inkomensdeel, maar vanwege
het ongeoormerkte karakter van het inkomensdeelbudget behoort het
weigeren van rijksvergoeding bij een onrechtmatige uitvoering niet tot
de mogelijkheden. Het kabinet vertrouwt erop dat de gemeente zoveel
belang heeft bij een rechtmatige uitvoering dat zij - bij geconstateerde
rechtmatigheidstekortkomingen - uit eigen beweging maatregelen treft ter
verbetering van de uitvoering.
Voor situaties waarin het zelfsturend vermogen
van de gemeente tekortschiet én waarin naar het oordeel van de Minister
van SZW sprake is van een rechtmatigheidstekortkoming die vanwege aard,
intensiteit of duur een wettelijk verankerd fundament van de wet te zeer
schaadt, biedt de wet de minister een tweetal, volgtijdelijk inzetbare,
instrumenten om de wet te handhaven: de aanwijzing en een forfaitaire
financiële maatregel. Uit het systeem van de Wwb volgt dat het gaat om
een uiterste middel, waarbij het kabinet er vooralsnog van uitgaat dat
het gebruik ervan kan worden voorkomen. Tegen deze achtergrond en het
feit dat de beleidsmatige weging van tekortkomingen tijdgebonden kan
zijn, komt het het kabinet niet zinvol voor te komen tot een opsomming
van alle denkbare situaties die, naar het actueel inzicht, als een
ernstige tekortkoming zouden kunnen worden gekwalificeerd.
Artikel 82
[82]. [Goede
uitvoering, red.] [MvT;
V]
De leden van de
PvdA-fractie constateren dat in de wet een tijdelijke delegatiebepaling voor de
gehele wet is opgenomen (artikel 82 [82]). Deze leden vragen wat daarvan de
reden is en waarom een zo ruime, de gehele wet betreffende, bepaling is
opgenomen. De leden van de PvdA-fractie stellen het kabinet voor de
bepaling te schrappen. In het verlengde hiervan geven zij aan dat in de
relevante artikelen waar het kabinet verwacht dat spoedheidshalve een
AMvB noodzakelijk zou
kunnen zijn dat per artikel aan te geven. Daarbij dient dan
ook duidelijk te zijn waarom een regulier wetgevingstraject op
voorhand niet altijd mogelijk is. Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie
een vergelijking tussen het aantal AMvB’s uit de huidige Abw
en die van de Wwb
na invulling van de behoefte van het kabinet om aanvullende
regelgeving te kunnen doen.
De door de leden van de
PvdA-fractie bedoelde bepaling is niet ongebruikelijk in het kader van de
invoering van een nieuwe wet en beoogt soelaas te bieden voor situaties
die de wetgever niet heeft (kunnen) voorzien en waarin het met het oog op
een goede uitvoering van de wet geboden is aanvullende of
bijsturende regelgeving tot stand te brengen op een zodanig korte termijn dat
de totstandkoming van formele wetgeving niet kan worden afgewacht.
Juist vanwege de plaats en functie die de Wwb als laatste voorziening in
het socialezekerheidsstelsel vervult, is het met name ook met betrekking
tot deze wet noodzakelijk om voor onvoorziene situaties een adequaat
sturingsinstrument te hebben, opdat een goede uitvoering van de wet gewaarborgd is.
Tegen de achtergrond dat
de onderhavige bepaling bedoeld is voor onvoorziene situaties die
zich met betrekking tot een willekeurig onderdeel c.q. willekeurige
onderdelen van de wet kunnen voordoen, is het niet mogelijk per artikel aan
te geven of zich onvoorzien een situatie voor zou rblz.|177|
kunnen doen waarin de
goede uitvoering van de wet in het gedrang zou komen. Gekozen is dan ook
voor een generale bepaling, waarvan uitsluitend gebruik gemaakt zal
worden indien thans niet-voorziene omstandigheden daartoe dwingen.
Overigens bevat artikel
145 van de huidige Abw ook een dergelijke bepaling.¹ Die bepaling bood tevens
de mogelijkheid om zo nodig bij ministeriële regeling regels te
stellen in het belang van een goede uitvoering destijds van de wet. De
bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te kunnen stellen, is in de
Wwb niet overgenomen, gegeven het feit dat ingeval spoed
daadwerkelijk geboden is op korte termijn, ook een AMvB kan worden vastgesteld.
Ook op een ander aspect wijkt de in de Wwb vervatte bepaling af van
de Abw; in de Wwb is met betrekking tot de vast te stellen
AMvB uitdrukkelijk voorzien in de betrokkenheid van beide kamers der
Staten-Generaal middels een zogenaamde voorhangprocedure.
In de Abw is de grondslag
om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te kunnen
stellen vervat in de artikelen 3, 7,
8, 9, 14,
14a, 14c,
20, 22, 23,
53, 55, 63,
63a, 111, 113,
122, 125, 132,
145 en 147; in de Wwb is de grondslag
daartoe vervat in de artikelen 3 [3], 7
[7],
11 [11], 13
[13], 37 [37],
40 [40], 41
[41], 56 [56],
64 [64], 67
[67], 69 [69],
70 [70], 73
[73], 74 [74],
82 [82] en 83
[83]. Bij deze vergelijking dient te worden bedacht dat de Wiw, het
Besluit in- en doorstroombanen en de WFA zijn komen te vervallen.
1. In de transponeringstabel
wetsvoorstel Wet werk en bijstand wordt met betrekking
tot artikel 145 Abw
abusievelijk verwezen
naar artikel 83 [83]
van de Wwb; dit dient te zijn
artikel 82 [82]
Wwb.
Artikel 85
[85]. [Inwerkingtreding,
red.] [V]
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar het inwerkingtredingsbesluit van de
Wwb. Daarbij
willen zij graag zien welke artikelen het kabinet per 1 januari 2004 wenst in te
voeren en welke later.
In
paragraaf 6.1 van deze
nota is ingegaan op de zogenoemde gefaseerde invoering van de Wwb. De resultaten hiervan zullen worden verwerkt in
het inwerkingtredingsbesluit.
De leden van de
PvdA-fractie vragen welke beroeps- en bezwaarregelingen van kracht zijn indien
bestaande situaties in de oude regeling of in een
overgangstermijn vallen. In het verlengde daarvan vragen zij om dit per artikel aan te
geven.
In algemene zin kan
gesteld worden dat de overgang van Abw
naar Wwb
er niet toe leidt dat belanghebbenden tegen besluiten van burgemeester
en wethouders geen
bezwaar en beroep meer zouden kunnen instellen. Onder verwijzing naar
artikel 21 [21] van de Invoeringswet Wet werk en bijstand wordt in dit verband gememoreerd dat op een bezwaar- of
beroepschrift dat vóór
of op de peildatum is ingediend tegen een door burgemeester en
wethouders op grond van de Abw, de Wet inschakeling werkzoekenden of het
Besluit in- en doorstroombanen genomen besluit en waarop op die datum
nog niet is beslist, alsmede op een bezwaar- of beroepschrift dat na de
peildatum is ingediend en dat betrekking heeft op bijstandverlening waarop
ingevolge artikel 12 [12]
van genoemde Invoeringswet
de Abw van
toepassing is, wordt beslist met toepassing van onderscheidenlijk de
Abw, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit in- en doorstroom. Dit is van overeenkomstige toepassing op
verzoeken om onverwijlde
bijstand aan de voorzitter van gedeputeerde staten en verzoeken om een
voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
Appendix
A
Appendix
B
Appendix
C
|