|
rblz.|1|
Kamerstukken II 2002-2003,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| Nr.r13 |
NOTA
NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG |
Inhoudsopgave
| x[Algemeen,
red.] |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Algemeen |
| 3 |
Arbeidsinschakeling
en reïntegratie |
| 3.1 |
Rechten
en plichten |
| 3.2 |
Reïntegratie |
| 3.3 |
Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden |
| 4 |
Inkomenswaarborg
en armoedeval |
| 4.1 |
Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte |
| 4.2 |
Middelentoets |
| 4.3 |
Langdurigheidstoeslag |
| 4.4 |
Bijzondere bijstand en
afschaffen categoraal beleid |
| 4.5 |
Budgetbeheer en
bijstand in natura |
| 4.6 |
Armoedeval |
| 5 |
Financiering |
| 5.1 |
Financieringssystematiek |
| 5.2 |
[Financieringssystematiek
werkdeel, red.] |
| 6 |
Uitvoering
en samenwerking |
| 6.1 |
Overleg met gemeenten |
| 6.2 |
Gevolgen voor
gemeenten |
| 6.3 |
Samenwerking in de
SUWI-keten |
| 7 |
Vereenvoudiging |
| 7.1 |
Bevoegdheid tot
terugvordering in plaats van verplichting |
| 7.2 |
Vereenvoudiging van
het verhaal van bijstand |
| 7.3 |
Omzetting
boetesysteem in een verlaging van de uitkering |
| 7.4 |
Afschaffen van
uitvoeringsvoorschriften |
| 7.5 |
Beleidsinnovatie |
| 8 |
Rijkstoezicht |
| 9 |
Informatiebeleid |
| 10 |
Overige
inkomensvoorzieningen |
| 11 |
Financiële
gevolgen |
| 12 |
Rechtsbescherming |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 85 |
| xAppendix
A: Tabel met vergelijking
werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve budgetten |
| xAppendix
B: Tabel met vergelijking
WFA-budgetten 2002, 2003 en indicatief Wwb-budget 2004 |
| xAppendix
C: Tabel van uitgaven en
budgetten WFA 2001 |
Ontvangen 12 augustus 2003
[Algemeen,
red.]
Met belangstelling hebben
wij kennis genomen van het verslag van de Vaste Commissie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Het doet ons genoegen dat de fracties in
meerderheid kunnen instemmen met de hoofdlijnen van het het
wetsvoorstel Wet werk en bijstand (Wwb).
De punten waarop het
commentaar van de fracties op hoofdlijnen betrekking heeft, betreffen:
- de hoogte en de
verdeling van de beschikbare budgetten voor de uitkeringslasten
(inkomensdeel) en het vrij besteedbare reïntegratiebudget (werkdeel);
- de invloed van gemeenten
op de hoogte van het bestand aan uitkeringsgerechtigden en de afhankelijkheid
van
het functioneren van de Centra voor werk en inkomen
(CWI) [zie ook Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI), red.];
- de verplichte
uitbesteding van reïntegratieactiviteiten;
- het risico van gedwongen
ontslagen voor ID-ers en Wiw-ers;
- de benodigde tijd voor
een goede implementatie;
- de doelstellingen waarop
de minister kan worden afgerekend;
- het afschaffen van
categoriale bijzondere bijstand en het afschaffen van de vrijlating;
- toezicht en de informatie-uitvraag;
- het afschaffen van de
categoriale ontheffing van de arbeidsverplichting.
In de navolgende hoofdstukken
van de nota naar aanleiding van het verslag wordt op deze punten
uitgebreid ingegaan.
Ten opzichte van
het wetsvoorstel Wwb en de Invoeringswet Wwb zijn de volgende punten nader
uitgewerkt:
- de verdeelsystematiek
van het inkomensdeel en werkdeel. Het kabinet heeft de werking van het
objectief verdeelmodel verder verbeterd. Daarnaast wordt het ex-anteherverdeeleffect op maximaal 15% gezet. Dat betekent dat voor een gemeente
het verschil tussen het historische kostenaandeel en het
budgetaandeel als uitkomst van het objectief verdeelmodel niet méér mag
bedragen dan 15% van het objectieve budgetaandeel.
- Bij de verdeling van het
reïntegratiebudget wordt in 2004 dezelfde verhouding in de budgetten
per gemeente gehanteerd als in 2003. Eén rblz.|2|
en ander zal worden geregeld
in het
Besluit Wwb. De inhoud van dit besluit is bij deze nota
meegezonden.
- Het percentage vrije
ruimte bij de verplichte uitbesteding van reïntegratieactiviteiten.
Dit wordt gesteld op 20% van de middelen die besteed worden aan
reïntegratieactiviteiten. Dit zal worden geregeld bij ministeriële regeling.
- De invulling van de
meeneemregeling.
- Gemeenten krijgen de
mogelijkheid om overschotten op het reïntegratiebudget geheel
mee te nemen naar een volgend jaar, tot een maximum van 25% van het
toegekende budget. Dit zal worden geregeld in het Besluit Wwb.
- Bij nota van wijziging
op de Invoeringswet Wwb wordt de mogelijkheid geboden om te experimenteren
met een andere verdeling van taken tussen CWI en
gemeenten. Doel van de experimenten is te bewerkstelligen dat
werkzaamheden rond de intake, fasering en het reïntegratieadvies
efficiënter worden vormgegeven.
- De gemeenten krijgen de
mogelijkheid om onderdelen van de wet die verband houden met de
rechten en plichten per 1 januari 2005 in te voeren of zoveel eerder als
gemeenten dit zelf wensen. Dit zal worden geregeld in het inwerkingtredingsbesluit Wwb en in de ministeriële regeling op grond van
artikel 70 [70]
van
de Invoeringswet Wwb.
- Er wordt een
coördinatiepunt ICT ingesteld om gemeenten te ondersteunen bij de inrichting en
aanpassing van hun ICT.
- De projectfinanciering
van de regionale platforms arbeidsmarkt (RPA’s) wordt met één jaar
verlengd (€|1 miljoen).
In de nota zullen deze
punten nader worden toegelicht.
Bij de opbouw van deze nota
is ervoor gekozen een aantal thema’s die in het verslag in verschillende
hoofdstukken zijn behandeld, zoveel mogelijk in samenhang te
beantwoorden. Dit met het oog op de toegankelijkheid en samenhang van de
antwoorden. Een aantal thema’s die in het verslag zijn behandeld in de
hoofdstukken 1 (inleiding) en 2 (algemeen) worden daarom behandeld in de
specifieke hoofdstukken 3 tot en met 12. Om de toegankelijkheid te vergroten, is verder waar
nodig vraag en antwoord voorzien van een kopje met de inhoud.
De hoofdstukindeling van de
nota volgt die van het verslag.
Tegelijk met deze nota
worden de volgende stukken als bijlagen meegezonden: ¹
- de inhoud van de concept-AMvB’s (Besluit Wwb
- betreft de
financieringssystematiek - ;
Bijstandsbesluit zelfstandigen [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]; Besluit financiering Ioaw en
Ioaz [zie Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz voor het jaar 2004, red.];
Aanpassingsbesluit Wwb);
- de reactie van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het advies
d.d. 15 juli
2003 van de Raad voor werk en inkomen over de Wwb;
- het antwoord van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de brief van de
FNV
d.d.
5 juni 2003 met voorstellen voor de Wwb;
- de door Atos KPMG
opgestelde risicoanalyse over de Wwb;
- het APE-rapport van
augustus 2003 "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet werk en bijstand".
1. Ter inzage gelegd bij het
Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
rblz.|3|
1. Inleiding
[MvT;
V]
Relatie met de Grondwet
De leden van de
PvdA vragen
het kabinet naar de interpretatie van artikel
20, tweede en derde lid,
van de Grondwet. De leden van de PvdA-fractie vragen welke
verantwoordelijkheid de rijksoverheid heeft en houdt voor de uitvoering van het
recht op bijstand dat in de Grondwet gewaarborgd is. Ook vragen zij op welke
wijze het kabinet zich verantwoordt over het gevoerde beleid. Zij
vragen het kabinet of ook de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd.
In artikel
20, tweede lid,
van de Grondwet is bepaald dat bij wet regels moeten worden gesteld
omtrent de aanspraken op sociale zekerheid. Denk hierbij aan wetgeving
op het terrein van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. Het
tweede lid van artikel 20 geeft uitsluitend de opdracht tot wetgeving en
geeft geen aanduidingen over de omvang van het stelsel, de hoogte van
de bij wet te regelen zekerheid, etcetera.
artikel 20, derde lid, van
de Grondwet geeft de wetgever de opdracht het "recht op
bijstand" te
regelen als een sluitstuk van de sociale verzekeringen voor de Nederlanders die
hier te lande niet kunnen voorzien in het bestaan. Wat betreft de
bijstand is dit nu gerealiseerd door middel van de Abw en wordt dit
gerealiseerd door middel van de Wwb. Net als in het tweede lid geeft de Grondwet
geen regels voor bijvoorbeeld de hoogte van de bij wet te regelen
bijstand, noch over de vraag welk overheidsorgaan die bijstand moet uitvoeren.
De rijksoverheid heeft naast
de grondwettelijke opdracht om aanspraken op sociale zekerheid en het
recht op bijstand te regelen tevens de algemene, in de artikelen 19 en
20,
eerste lid, geregelde, zorgplicht "voor de bevordering van voldoende
werkgelegenheid" en de zorg voor de "bestaanszekerheid der
bevolking". Aan deze zorgplicht wordt door de overheid door middel van
diverse maatregelen voldaan, niet alleen door de Wwb, maar ook door
bijvoorbeeld het Actieplan Jeugdwerkloosheid (SZW/OCW,
Kamerstukken II 2002-2003, 23
972, nrs. 60 en 64) en het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (Kamerstukken II 2002-2003, 21 501-18, nr. 174).
Uitgangspunt is dat de minister
zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt
over de uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten "meibrief" en de
daaropvolgende bespreking met het parlement. Ook bij de evaluatie van de
wet op grond van artikel 84 [84]
verantwoordt de minister zich over de
doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
De vraag van de leden van de
PvdA-fractie of de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd, kan
bevestigend worden beantwoord. Hoewel aan gemeenten zeer veel ruimte
wordt gelaten om eigen beleid te voeren, zijn zij verplicht mee te werken
aan de uitvoering van de wet. In deze constructie bestaat voor de
uitvoering van de wet een wederzijdse afhankelijkheid tussen Rijk en gemeenten.
Participatieplicht
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of, tegen de achtergrond van de "1990-maatregel", op grond
waarvan vrouwen die zijn geboren na 31 december 1971 geacht worden
economisch zelfstandig te zijn, in de Wwb wordt uitgegaan van een
participatieplicht of dat een sollicitatieplicht volstaat.
De Wwb
gaat uit van het
vertrekpunt dat van iedere bijstandsgerechtigde verwacht mag worden dat hij
of zij zich inspant om economische zelfstandigheid te bereiken. In dit kader
zijn categoriale vrijstellingen van de sollicitatieplicht vervallen en wordt van
gemeenten gevraagd om bij het rblz.|4|
vormgeven van het
reïntegratiebeleid expliciet rekening te houden met de combinatie
"arbeid en zorg".
Kern van de "1990-maatregel" is dat economische zelfstandigheid van vrouwen geboren vóór 31
december 1971 niet verwacht kon worden. Sinds 1990 is het aanbod van
faciliteiten om economische zelfstandigheid van iedere Nederlander te
realiseren aanzienlijk uitgebreid. Daarom vindt het kabinet het thans
verantwoord om ook aan vrouwen die niet tot de "1990-generatie"
behoren, sollicitatieverplichtingen op te leggen.
Het kabinet is het met de
leden van de PvdA-fractie eens dat een sollicitatieplicht iets anders is dan een
participatieplicht. Het kabinet ziet participatieplicht als een
verplichte deelname aan zinvolle maatschappelijke activiteiten anders dan via
betaalde arbeid en gaat ervan uit dat de leden van de PvdA dat net zo
zien.
Er is bewust voor gekozen om
in de Wwb geen participatieplicht op te nemen. Participatie kan
uiteraard wel als voorziening worden ingezet die op kortere of langere
termijn leidt tot werk. In dat geval is de belanghebbende verplicht daaraan mee te
werken. Wanneer economische zelfstandigheid ook op termijn niet haalbaar
is, dan kan de belanghebbende worden gestimuleerd tot
deelname aan andere vormen van maatschappelijk zinvolle activiteiten.
Uitgangspunt van de bijstandverlening is dat van
een ieder verwacht kan worden dat hij of zij
persoonlijk verantwoordelijk is voor het vinden van een zelfstandige
bestaansvoorziening.
Het opleggen van een
sollicitatieverplichting aan belanghebbenden is dan een logisch vervolg. Van de
belanghebbende wordt immers verwacht dat alles in het werk wordt
gesteld om inschakeling in de arbeid te realiseren. De belanghebbende is
verplicht algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en is, wanneer
dat (nog) niet tot de mogelijkheden behoort, verplicht gebruik te maken
van voorzieningen, waaronder sociale activering. Anders dan in de Algemene
bijstandswet is niet gekozen voor een opsomming van de op de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen,
maar is volstaan met het
opnemen van een algemene verplichting tot arbeid.
Deze algemene omschrijving
maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders de concrete
verplichtingen toespitsen op de individuele mogelijkheden en
omstandigheden van de belanghebbende.
Verantwoordelijkheid
minister
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of het kabinet de stelling van de Algemene Rekenkamer (ARK-onderzoek
naar alleenstaande ouders in de bijstand) onderschrijft dat
de minister na decentralisatie via de Wwb niet alleen verantwoordelijk
blijft voor het systeem, maar ook voor het resultaat. Ook vragen zij welke
doelstellingen het kabinet hieraan verbindt.
In haar rapport
"Alleenstaande ouders in de bijstand" (Kamerstukken II 2002-2003, 28 875,
nrs. 1-2)
concludeert de Algemene Rekenkamer dat de gemeenteraad
verantwoordelijk wordt voor het toezicht op de doeltreffende uitvoering van het beleid en
dat de verantwoordelijkheid van de minister
zich concentreert
op de werking van het systeem. Deze laatste verantwoordelijkheid leidt
er volgens de Algemene Rekenkamer toe dat de minister zich goed dient
te informeren over hoe het systeem functioneert en wat het oplevert. Zijn de
resultaten slecht en is dit het gevolg van tekortkomingen in het
systeem, dan moet de minister het systeem verbeteren of vervangen, aldus de
Algemene Rekenkamer.
Het kabinet onderschrijft de
opvatting van de Algemene Rekenkamer over de ministeriële verantwoordelijkheid. Deze opvatting sluit goed aan bij de
verantwoordelijkheid die het
Rijk draagt voor de uitvoering van de Wwb
in medebewind. Deze
verantwoordelijkheid heeft in het bijzonder betrekking op de rechtszekerheid voor
de burger, de algemene bijstandsniveaus, rblz.|5|
het stelsel van werk en
bijstand, de financiering daarvan, de wetshandhaving en, als medewetgever, de
kwaliteit van de centrale regelgeving. De verantwoordelijkheid van
de Minister van SZW voor de doeltreffendheid van de wet heeft
nadrukkelijk geen betrekking op de prestaties van individuele gemeenten.
Die verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente.
Gemeentelijke belastingen
De leden van de
PvdA merken
op dat het kabinet voornemens is om gemeenten te beperken in de
verhoging van de gemeentelijke belastingen na de afschaffing van de OZB
voor gebruikers. Zij vragen het kabinet uit te leggen hoe een voorgenomen
maatregel om de gemeente te beperken in de wijze waarop zij hun belastinggebied inrichten zich verhoudt tot het
grondwettelijk recht een
eigen financiële huishouding in te richten.
De wijze van maximering
dient nader uitgewerkt te worden. Overleg daarover wordt door het Rijk in het
najaar gevoerd met de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.]. Over de uitkomsten hiervan en de
uitwerking wordt de Tweede Kamer nog nader geïnformeerd. Daarbij wordt
tevens aandacht besteed aan de ruimte voor lokale autonomie.
Doelstellingen
De leden van de
fractie van
VVD en PvdA vragen of het kabinet kan aangeven wat nu de concrete
meetbare doelstellingen van het wetsvoorstel zijn. Zij vragen of het
kabinet een toetsingskader kan presenteren met daarin opgenomen een
genormeerde set van prestatie-indicatoren, waardoor de uitrol en het succes van
de wet beoordeeld kan worden en van een monitor kan worden
voorzien. De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet in een tabel de
onderscheiden doelstellingen te vertalen in genormeerde
prestatie-indicatoren, waarbij 2002 als nulsituatie geldt. De leden van de VVD-fractie
merken daarbij op dat het gebruik van termen als "zoveel mogelijk"
en "zo kort mogelijk" moet worden beperkt.
De leden van de
GroenLinks-fractie vernemen graag welke bijdrage voorliggend wetsvoorstel zal leveren aan
de bestrijding van armoede in Nederland en zien hiervoor meetbare en
afrekenbare doelstellingen geformuleerd. Hetzelfde geldt voor het
aantal huishoudens op of onder het minimum in 2007, het aantal mensen dat dankzij
reïntegratie-inspanningen
van hun gemeente een
betaalde baan heeft gevonden en het aantal mensen dat
doorstroomt van een gesubsidieerde baan naar een regulier betaalde baan.
Het kabinet hecht er, net
als de Kamer, aan dat vastgesteld kan worden dat de Wwb
werkt. Het kabinet
streeft ernaar in 2006 5% minder bijstandslasten te hebben dan zonder de
Wwb het geval zou zijn, gecorrigeerd voor de ontwikkeling in de
conjunctuur. Als gevolg van de verwachte conjuncturele ontwikkeling zullen naar
huidige inzichten de totale bijstandslasten stijgen. Voor het bepalen
van het afzonderlijke effect van de Wwb op de ontwikkeling van
bijstandslasten achteraf is een afzonderlijke analyse nodig.
Tevens beoogt het kabinet
met de Wwb een grotere effectiviteit van reïntegratietrajecten: de
mate waarin een reïntegratietraject leidt tot uitstroom naar regulier
werk. Streven is om het percentage van personen dat uitstroomt naar
reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject, met
een kwart te laten toenemen in 2007. De precieze vormgeving van deze
doelstelling zal nog nader worden bezien in het licht van de vraag hoe de meting
van resultaten en effecten zonder administratieve belasting en onnodige regelgeving vorm kan krijgen.
Het kabinet zal geen
doelstelling formuleren voor het aantal mensen dat doorstroomt van een
gesubsidieerde baan naar een reguliere baan. Het doel voor het kabinet is
weliswaar uitstroom naar een reguliere baan, rblz.|6|
maar het is aan gemeenten
hoe zij willen bereiken dat mensen uitstromen naar een reguliere baan. Het
kabinet heeft daarom geen streven met betrekking tot de mate
waarin gemeenten gesubsidieerde arbeid inzetten en ervoor zorgen dat mensen
uit een gesubsidieerde baan uitstromen.
Het aantal huishoudens dat
een inkomen heeft op het sociaal minimum is niet direct gekoppeld aan
deze wet en leent zich daarom minder goed als afrekenbaar streefdoel. Het
betreft niet alleen bijstandsgerechtigden, maar ook mensen met een
socialezekerheidsuitkering op minimumniveau, 65-plussers met alleen AOW, eventueel aangevuld met bijstand en
mensen met het minimumloon.
Een gebalanceerde set van
streefdoelen, ingaande op financiële en niet-financiële risico’s op armoede, is
geformuleerd in het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (NAP 2003), zoals deze begin juli jl. aan de Tweede
Kamer is aangeboden.
Het succes van de wet zal
via de in artikel 84 [84]
voorgeschreven evaluatie worden beoordeeld. De opzet
van deze evaluatie zal in overleg met de Tweede Kamer tot stand
komen. Daarnaast zullen bovenstaande doelstellingen worden opgenomen in de
SZW-begroting 2004.
Decentralisatie
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de keuze voor deze
vergaande decentralisatie en een inschatting van de gedragseffecten bij gemeenten.
De keuze voor verdergaande
decentralisatie heeft tot doel het oplossend vermogen van de
gemeentelijke uitvoering te versterken en daarmee de activerende werking van het
systeem van bijstand en reïntegratie te vergroten. Bovendien wordt
in dit wetsvoorstel het maatwerk vooropgesteld.
Eén en ander zal naar verwachting leiden tot een uitvoering die
meer is toegesneden op de
verantwoordelijkheden en mogelijkheden van hen die een beroep doen op
deze wet.
De leden van de
fractie van
GroenLinks vragen waarom er in dit wetsvoorstel niet voor gekozen is om landelijke criteria te formuleren voor de
reïntegratieverplichting en
de hoogte van de uitkering.
Het kabinet geeft de
gemeente zoveel mogelijk beleidsvrijheid om de verordening waarin de
verlagingen van de uitkeringen wegens het niet nakomen van verplichtingen
wordt geregeld, zo goed mogelijk af te stemmen op de
reïntegratieverordening. Dit past ook bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid om
zoveel mogelijk werkzoekenden te reïntegreren. Gemeenten hebben hun eigen
beleidskeuzes voor de manier om dit te bereiken. Ook zullen tussen
gemeenten verschillen bestaan in afspraken met reïntegratiebedrijven
en andere ketenpartners doordat deze afspraken zijn toegesneden op maatwerk
voor de klant en op lokale en regionale arbeidsmarktverschillen. Het
formuleren van landelijke criteria voor sancties ontneemt gemeenten de mogelijkheid om het afstemmingsartikel op
de lokale beleidskeuzes en
afspraken aan te passen.
Het kabinet verwacht dat
gemeenten deze beleidsvrijheid goed zullen gebruiken. De normale
bezwaar- en beroepsprocedures staan open voor die klanten die menen ten
onrechte te worden benadeeld. Het kabinet deelt daarom niet de vrees
van deze leden dat door de bezuinigingen de doelstellingen van
bestrijding van armoede en maximale ondersteuning bij het activeren van
bijstandsgerechtigden in het gedrang gaan komen.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen hoe te controleren is dat budgettaire overwegingen bij
de toeslagverdeling geen rol spelen.
rblz.|7|
Het kabinet verwacht niet
dat budgettaire overwegingen een rol zullen spelen bij de
toeslagverdeling. Dit effect heeft zich ook niet voorgedaan bij de invoering in 2001 van
de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA). Uit
evaluatieonderzoek zal moeten blijken of deze veronderstelling correct is.
Draagvlak
De leden van de
fractie van
de ChristenUnie constateren dat voor het nu voorliggende wetsvoorstel
nog bijzonder weinig draagvlak bestaat. Zij vragen het kabinet of het
niet tegen beter weten in de ogen sluit voor zoveel kritische
commentaren.
Het kabinet maakt een andere
analyse van de opvattingen in de samenleving dan de leden van de
CU-fractie. Een breed samengesteld adviesorgaan als de Raad voor
werk en inkomen - waarin naast werkgevers en werknemers ook de gemeenten
zijn vertegenwoordigd - heeft een positief advies uitgebracht over de Wwb. De Raad geeft daarin aan zich in hoofdlijnen in de principes van het
wetsvoorstel te kunnen vinden. Het advies van de Raad is als bijlage
bij deze nota gevoegd. De FNV kon zich vinden in veruit de meeste
aanbevelingen van het advies. De FNV/CNV hebben aangegeven in de brief van 5
juni jl. aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat
zij vinden dat de cliënt meer centraal moet staan en dat de Wwb
meer conjunctuurbestendig moet worden gemaakt.
De reactie op deze brief is
eveneens als bijlage bij deze nota gevoegd. De werkgeversorganisaties
hebben in hun brief aan de Vaste Commissie aangegeven in te stemmen met
de hoofdlijnen van de wet en dringen erop aan vast te houden aan de vijf
jaar bij de langdurigheidstoeslag en de voorgestelde verhouding
tussen verplichte en vrije uitbesteding van 80/20%.
Gemeenten geven aan
enthousiast te zijn over de grotere mate van eigen beleidsverantwoordelijkheid
die door de Wwb mogelijk wordt gemaakt. Daartegenover staat dat zij
risico’s zien met betrekking tot de volledige budgettering van de
bijstand. Het kabinet merkt hierbij op dat grotere verantwoordelijkheden en
grotere bevoegdheden niet zijn te scheiden. Anders zou er een
onevenwichtig systeem ontstaan met daaraan verbonden afbreukrisico’s
voor de effectiviteit van de reïntegratie en inkomenswaarborg.
Wel is het beleid van het
kabinet erop gericht de aan de Wwb verbonden risico’s van de gemeenten
voor gemeenten beheersbaar te maken. Hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk
5 van de nota.
De cliëntenorganisaties
maken zich zorgen over de effecten van de wet voor de inkomenspositie van
bijstandsgerechtigden alsook over de aanscherping van de rechten
en plichten. Op de rechten en plichten respectievelijk de inkomenspositie wordt
ingegaan in paragraaf 3.1 (rechten en plichten) respectievelijk
hoofdstuk 2 (inkomenseffectrapportage).
rblz.|8|
2. Algemeen
[MvT;
V]
Positie cliënt
De leden van de
PvdA-fractie
vragen of de positie van de cliënt in het verwerven van arbeid, en het
krijgen van ondersteuning niet centraal zou moeten staan in het
wetsvoorstel, onder meer omdat de Grondwet de individuele
Nederlander die
in nood verkeert centraal stelt en spreekt van een recht op bijstand van
overheidswege.
In hoofdstuk
1 van deze nota
is het kabinet al ingegaan op de betekenis van de Grondwet. Naast de
uitwerking van de in de Grondwet gegeven opdracht tot het bij wet
regelen van bijstandverlening acht het kabinet het ook van belang om de
nodige waarborgen te scheppen die de burger in staat stellen om
diezelfde overheid zo nodig op haar zorgplicht te wijzen. Dit principe wordt
in de Wwb onder meer geconcretiseerd door het toekennen van een
"aanspraak op ondersteuning" (artikel
10 [10]). Het kabinet is daarom van oordeel dat er
sprake is van een adequate borging van sociale grondrechten.
Cliëntenparticipatie
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet in het wetsvoorstel de cliëntenparticipatie beter
te waarborgen en het recht om te worden gehoord vast te leggen.
Tevens vragen deze leden het kabinet of het heeft overwogen een vorm van
certificering te laten ontwikkelen rond de kwaliteit van de cliëntenbehandeling,
waardoor waarborgen voor de cliënt kunnen worden vastgelegd.
De
leden van de GL-fractie bepleiten de gemeente te verplichten een
cliëntenraad in te stellen en de rechten en bevoegdheden van deze raad
in de wet op te nemen.
De leden van de fracties van
D66 en ChristenUnie vragen het kabinet de cliëntenparticipatie bij de
gemeenten in lijn te brengen met de cliëntenparticipatie zoals omschreven in de
Wet SUWI.
In de
Wwb is de zorgplicht
voor cliëntenparticipatie explicieter verankerd dan in de Abw. Het kabinet
onderschrijft hiermee het belang van een waarborg voor de invalshoek
van de cliënt. De wijze waarop deze cliëntenparticipatie vorm krijgt, is primair de
verantwoordelijkheid van de gemeente. De individuele
gemeente is het best in staat om, afhankelijk van de lokale
omstandigheden, cliëntenparticipatie in te richten. Afhankelijk van de gemeentegrootte
kennen gemeenten meer en minder geïnstitutionaliseerde vormen van cliëntenparticipatie. Door middel van handreikingen
cliëntenparticipatie,
waarin zowel beleidsmatige kanten als praktische voorbeelden aan
de orde komen, heeft het ministerie van SZW de ontwikkelingen bij
gemeenten gestimuleerd.
Uit een recent onderzoek
(Cliëntenparticipatie. Onderzoek naar de optimale vormgeving en de stand van
zaken bij gemeenten, SZW-werkdocument 263,
oktober 2002) is gebleken dat cliëntenparticipatie bij gemeenten is
ingeburgerd. Zo had in 2001 nagenoeg elke gemeente enige vorm van
cliëntenparticipatie, in 1998 was dit ongeveer de helft. In 2001 had 77%
van de gemeenten een structurele, verplichtende vorm van cliëntenoverleg
(cliëntenraad of iets vergelijkbaars), in 1998 nog niet een kwart. Het klanttevredenheidsonderzoek is in opkomst.
Het verschil in de
vormgeving van cliëntenparticipatie in de Wet SUWI en de Wwb wordt verklaard doordat
de (medebewind)relatie tussen Rijk en gemeenten van een andere
aard is dan de relatie tussen Rijk en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).
De bij wet ingestelde ZBO’s worden namelijk gericht aangestuurd
door de Minister van SZW via bijvoorbeeld het goedkeuren van het
jaarplan en het vaststellen van prestatie-indicatoren. De gemeente heeft als
autonome overheid met een democratisch rblz.|9|
gekozen gemeenteraad
meer mogelijkheden om eigen beleid te ontwikkelen. De Wwb
nodigt
de gemeenten hiertoe ook nadrukkelijk uit. Een extra wettelijke
bepaling ter zake van een vorm van certificering heeft naar de mening van het
kabinet dan ook geen toegevoegde waarde.
Instrumenten
De leden van de
PvdA-fractie
vragen het kabinet een opsomming te geven van alle instrumenten die in
de huidige situatie en in het wetsvoorstel ten dienste staan van de
cliënt. Zij vragen daarbij aan te geven welke van deze instrumenten speciaal zijn
gericht op het verwerven van duurzame arbeid en welke een beloning inhouden zoals
"werken moet lonen".
De instrumenten die de
cliënt in de huidige situatie ten dienste staan om optimaal met eigen
inspanning aan het werk te komen, zijn divers, onder andere:
- alle persoonlijke
initiatieven voor informatie over banen/deelname aan activiteiten die niet
door de gemeente worden aangeboden;
- gebruik maken van de
basisdienstverlening CWI;
- verzoek om ondersteuning
door de gemeente (ook bij doorstroom vanuit gesubsidieerde arbeid);
- het actief meewerken aan
een reïntegratietraject (activering, scholing, hulpverlening,
werkervaringsplaatsen, detacheringsbanen, leer-werkbanen, etc);
- verzoek om persoonlijk
reïntegratiebudget;
- verzoek om kinderopvang
/ Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
(KOA-regeling);
- verzoek om
activeringspremie;
- deelname aan
vrijwilligerswerk.
Deze instrumenten zijn onder
de Wwb ook beschikbaar. De veronderstelling is dat onder de Wwb de inzet
van reïntegratieactiviteiten door gemeenten zal veranderen
omdat wettelijke beperkingen met betrekking tot de inzet van
instrumenten worden opgeheven. De variatie en verscheidenheid van
reïntegratieactiviteiten wordt groter; uitgangspunt daarbij is maatwerk.
De huidige
vrijlatingsregeling komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komt een vrijlating van een
tweetal heffingskortingen, gericht op de combinatie van arbeid en
zorg. Deze vrijlating geldt voor alleenstaande ouders met kinderen jonger
van vijf jaar. Ook krijgen gemeenten de mogelijkheid de inspanning om aan werk
te
komen te belonen met een eenmalige, onbelaste
premieverstrekking.
Onderzoek ¹ geeft aan dat
eigen initiatief, motivatie en de combinatie van werk en leren c.q. werk met
begeleiding/nazorg de meeste kans geven op duurzame arbeid.
1. M. Coenen-Hanegraaf, B.
Valkenburg, M. Ploeg en H. Coenen (1998):
Begeleid werken: theorie en methodiek van een
individuele, vraaggerichte benadering, Utrecht (uitgeverij Jan van Arkel).
Rechtsgelijkheid
De leden van de
fracties van
de PvdA, D66, de CU en de
SGP hebben vragen gesteld over het
risico op een toename van de rechtsongelijkheid tussen cliënten als gevolg
van de Wwb.
Met betrekking tot het
vraagstuk van de gelijke behandeling moet een onderscheid worden gemaakt
tussen (het gevaar voor) ongelijke behandeling binnen een gemeente
en
ongelijke behandeling landelijk gezien, als gevolg van beleidsmatige
verschillen in de uitvoering tussen gemeenten onderling.
Met betrekking tot ongelijke
behandeling binnen een gemeente geldt het volgende. Het
gelijkheidsbeginsel zoals geformuleerd in artikel 1 van de
Grondwet brengt met zich mee
dat een gemeente bij de uitvoering van de Wwb
moet waarborgen dat
mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Gemeenten zijn, voortvloeiend uit de beginselen van
behoorlijk rblz.|10|
bestuur, zowel bij het
opstellen van verordeningen als bij individuele beslissingen aan dit
uitgangspunt gebonden. Welke gevallen gelijk zijn, is afhankelijk van het
gehanteerde gezichtspunt.¹ Binnen de vanuit dit gezichtspunt afgebakende
sfeer moet er sprake zijn van gelijke behandeling. Het kader voor deze gelijke
behandeling wordt in de eerste plaats geschapen door de gemeentelijke verordening, als bedoeld in
artikel 8 [8],
eerste lid, onderdeel b. De
gemeenteraad kan en moet bij verordening duidelijk regels vaststellen op het
gebied van onder meer het verlagen van de algemene bijstand. Een verordening
zal altijd enige ruimte aan het uitvoeringsorgaan laten om
in individuele gevallen te beslissen. Dit is nodig om het wenselijke
maatwerk te kunnen leveren. Risico’s op ongelijkheid als keerzijde van
"maatwerk", waar ook de leden van de fractie van D66 op wijzen, zijn inherent
aan regelingen met discretionaire ruimte. Naast het toezicht door de
gemeenteraad op de uitvoering staat de individuele burger uiteraard de
rechtsgang op basis van de Algemene wet bestuursrecht tot zijn
beschikking. Het kabinet verwacht dat een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling
zal worden voorkomen door een goede verordening en
optreden van de gemeenteraad en zo nodig zal worden geredresseerd via
rechterlijke toetsing.
Met betrekking tot ongelijke
behandeling als gevolg van beleidsmatige verschillen in de uitvoering
tussen gemeenten onderling geldt dat enige ongelijkheid een bewust
aanvaard en ook toelaatbaar gevolg is van de keuze voor decentralisatie
van bevoegdheden. De verschillen in beleid en uitvoering tussen gemeenten
kunnen en zullen als gevolg van de Wwb
groter worden. Het kabinet
ziet dit echter niet als een gevaar, maar als een positief gevolg, omdat de
verschillen die mogelijk als gevolg van de nieuwe systematiek ontstaan, functioneel zullen zijn voor het bereiken van
de doelstellingen van de
wet. Het gemeentelijk beleid vindt tenslotte enerzijds haar oorsprong in wettelijke
kaders en anderzijds haar legitimatie in het lokale democratische
bestel. Dit kan de mogelijkheid met zich meebrengen - de leden voor
de fractie van de SGP wijzen hierop - dat de ene gemeente soepeler omgaat
met de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders dan de andere.
Individuele verschillen bij de uitvoering komen op deze wijze voort
uit een zorgvuldig ontwikkeld en omschreven beleid op lokaal niveau.
Overigens laat de praktijk van de afgelopen jaren zien dat op die onderdelen
van de Abw
waar de gemeenten al eigen beleidsruimte hadden, de
verschillen tussen gemeenten niet bijzonder groot werden (zie
bijvoorbeeld het onderdeel gemeentelijke toeslagen in de evaluatie Abw 1996-1999).
Daarnaast mag voorts worden verwacht dat gemeenten, zowel door de
veel grotere transparantie en kenbaarheid van hun beleid als door de
versterking van de positie van de gemeenteraad, er ook zelf voor zorgen dat er
geen ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen gemeenten.
Over de bedoeling van de
wetgever met betrekking tot de vervanging van de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid door een sanctiesysteem van kortingen op de uitkering
- waar de
leden van de PvdA-fractie naar vragen - merkt het kabinet het volgende op. Het
is juist dat in de Wwb is gekozen voor een systeem waarin gemeenten de mogelijkheid krijgen om de uitkering te
verlagen indien een cliënt
de verplichtingen die voor hem of haar verbonden zijn aan de
bijstandsuitkering niet voldoende naleeft. Artikel 18
[18] vervangt daarmee zowel de
maatregelen als de boeten uit de huidige Abw. In zijn uitwerking
zullen bij overtreding van verplichtingen die betrekking hebben op de
arbeidsinschakeling en het niet voldoen aan de informatieverplichtingen
alleen kortingen op de uitkering kunnen worden toegepast zoals in het
huidige stelsel bij de toepassing van de maatregelen. De nadere regeling via een
gemeentelijke verordening garandeert dat binnen de gemeente een beleid wordt
gekozen waarbij in gelijke
gevallen gelijk wordt
gehandeld. Het juridische karakter van een verordening is daarmee niet verschillend
van een algemene maatregel van bestuur zoals het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz. De regels worden alleen op het rblz.|11|
niveau van de gemeente
vastgesteld. Een stelsel van bestuurlijke boeten kan niet op lokaal niveau
nader worden vormgegeven en vraagt wel om regelgeving op nationaal
niveau.
Voor dit sanctiesysteem in
dit wetsvoorstel is gekozen omdat het wenselijk is op gemeentelijk niveau in
het handhavingsbeleid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de
algemene uitgangspunten van de wet en het beleid. De op dit terrein
voorgeschreven verordening biedt gemeenten de ruimte om de (prioriteiten bij)
handhaving optimaal te laten sporen met het lokale reïntegratie- en
inkomensbeleid.
1. Zie: D.W.P. Ruiter: Het
ongrijpbare gelijkheidsbeginsel,
geschriften VAR XCIII, 1985, Alphen aan den
Rijn.
Huishouding gemeenten
De
leden van de
PvdA-fractie
vragen of met de Wwb het verstrekken van een bijstandsuitkering
onderdeel is geworden van de eigen financiële huishouding van de gemeenten. Zij vragen tevens of de uitkering gezien moet worden als een
overeenkomst onder voorwaarden.
Het onderscheid tussen taken
die gerekend worden tot de "eigen huishouding" en taken die uitgevoerd
moeten worden in medebewind is terug te vinden in artikel 124 Gemeentewet. Zolang de verstrekking van de bijstandsuitkering een taak
is die bij formele wet van gemeenten wordt gevorderd, behoort het niet
tot de eigen huishouding, maar tot een taak die in medebewind wordt
uitgevoerd. De Wwb verschilt in dat opzicht niet van de
Abw. Het recht
op bijstand wordt in de Wwb niet aangetast en verandert niet van
karakter. Van een "overeenkomst onder voorwaarden" in juridische zin kan dus
niet worden gesproken. Desondanks is het kabinet wel van mening
dat het recht op bijstand niet vrijblijvend is en dat aan dit recht
verplichtingen verbonden zijn.
Sancties
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een onderbouwing van het nieuwe sanctiesysteem in de
bijstand. Zij vragen het kabinet aan te geven hoe dit systeem zich verhoudt tot de
vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die het
kabinet heeft voorbereid. Zij willen van het kabinet weten of voor de
bijstand blijvend een ander sanctieregime gaat heersen dan in de andere socialezekerheidswetten, dan wel of het kabinet andere maatregelen in
voorbereiding heeft.
Zoals reeds is aangegeven in
paragraaf 7.3 van de memorie van toelichting, wordt met het nieuwe
sanctieregime voor de bijstand beoogd om tot één regime te komen voor
handhaving van alle aan de uitkering verbonden verplichtingen. Dit biedt de
mogelijkheid voor een slagvaardig lik-op-stukbeleid, waarbij de klant
direct wordt geconfronteerd met de gevolgen van een onvoldoende
verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het eigen bestaan of met het
geven van niet juiste inlichtingen die nodig zijn voor het vaststellen van de
uitkering.
Het sanctiesysteem in het het
wetsvoorstel Wwb verhoudt zich als volgt tot het wetsvoorstel vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wetsvoorstel vierde tranche
bevat een aantal algemene bepalingen inzake handhaving (artikel I,
onderdeel M, voegt een titel 5.1 toe aan de
Awb) en een nieuwe titel met bepalingen over de bestuurlijke boete (artikel I,
onderdeel AA, voegt een titel
5.4 toe aan de Awb). Het wetsvoorstel Wwb kent de gemeenten niet de
bevoegdheid toe boetes op te leggen aan cliënten. Daarnaast stelt
artikel 5.4.1.1, tweede lid, van de aan de Awb toe te voegen titel 5.4 buiten
twijfel dat het verlagen van een uitkering niet als een boete moet worden
gezien. Het wetsvoorstel vierde tranche Awb kan daarmee buiten beschouwing
blijven voor zover dit handelt over de bestuurlijke boete.
rblz.|12|
De algemene bepalingen in de
Awb met betrekking tot de handhaving zijn wel van belang voor het in
de Wwb neergelegde sanctiesysteem. Deze regels zijn op basis van
artikel 5.0.2 van de voorgestelde nieuwe titel 5.1 van de
Awb ook van
toepassing op het verlagen van een uitkering; tot een wijziging van de Wwb
op dit
punt zal het naar verwachting echter niet leiden.
Bij uitkeringsfraude houdt
de gemeente de mogelijkheid bij het openbaar ministerie aangifte te
doen
wanneer het bedrag aan fraude hoger is dan de grens die is opgenomen in
de aangifterichtlijn sociale zekerheid, van €|6000,-.
Er zal worden bezien of het
wenselijk is het voor de bijstand voorgestelde regime van één soort
sanctie (uitsluitend nog de verlaging van de uitkering) ook uit te breiden naar de
socialeverzekeringswetten.
Belemmeringen
rijksregelgeving
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een reactie van het kabinet op de stelling dat het van groot
belang is belemmeringen op te ruimen die vooral door rijksregelgeving
worden opgeworpen.
Het kabinet onderschrijft de
opvatting dat het van groot belang is om bij de omslag naar een op
uitstroom gerichte uitvoering de belemmeringen in de regelgeving weg te
nemen. De stelling van deze leden dat deze omslag al is gemaakt, deelt
het kabinet in zoverre dat gemeenten op brede schaal bezig zijn deze
omslag te maken. Juist door deze aanpak constateren gemeenten echter dat er in
de huidige regelgeving belemmeringen liggen om deze omslag zo
volledige en effectief mogelijk te laten zijn. Om die reden zijn deregulering
en derapportage belangrijke pijlers van dit
wetsvoorstel.
Normensystematiek
De leden van de
PvdA-fractie
vragen een reactie van het kabinet op het voorstel de
normensystematiek substantieel te vereenvoudigen door alleen te bepalen dat de
gemeente de uitkering met een maximum van 20
procentpunt mag korten indien
woonlasten geheel ontbreken, of een gedeelte daarvan, indien
kosten gedeeld kunnen worden. Ook de leden van de CU-fractie vragen of
is overwogen normen te hanteren van 100, 90 en 70% voor respectievelijk
gehuwden, alleenstaande ouders en alleenstaanden, met daaraan gekoppeld de
mogelijkheid deze onder omstandigheden te verlagen. Zij vragen
waarom hiervan wordt afgezien.
Het kabinet is van mening
dat een systeem van verlagingen niet zal leiden tot een substantiële vereenvoudiging en ook niet strookt met de uitgangspunten
van de Wwb. Evenals de
bestaande toeslagen dienen verlagingen in overeenstemming te zijn
met de aan- of afwezigheid van noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit
voorstel leidt daarom niet tot een vereenvoudiging. Het niveau van noodzakelijke
bestaanskosten wordt niet alleen bepaald door de hoogte van
de woonlasten en het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten.
Daarnaast moet de bijstand eveneens kunnen worden afgestemd op
de lagere bestaanskosten van schoolverlaters en op de hoogte van het
minimumjeugdloon van 21- en 22-jarigen. Voorts heeft een systeem waarbij de landelijke normen worden vastgesteld
op 100, 90 en 70% met de
mogelijkheid om deze onder omstandigheden te verlagen, voor de gemeenten als nadeel dat de bewijslast betreffende de lagere noodzakelijke
kosten van bestaan van de belanghebbende naar de gemeente verschuift.
Dit zal naar de mening van het kabinet leiden tot een ongewenste
hogere uitvoeringslast. Het door het kabinet voorgestelde systeem heeft,
net als de huidige Abw, voor de gemeenten het voordeel dat het de
verantwoordelijkheid van de cliënt is om aannemelijk rblz.|13|
te maken dat er
hogere bestaanskosten aanwezig zijn als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten.
Uit het voorgaande volgt dat
de door de leden van de PvdA-fractie geopperde mogelijkheid om te volstaan
met een bepaling in artikel 27 [27]
waarbij het te korten bedrag
maximaal 20% of een evenredig deel daarvan is, door het kabinet niet wordt
overgenomen.
Gehandicapten en chronisch
zieken
De leden van de
CDA-fractie
vragen wat er voor gehandicapten en chronisch zieken verandert tengevolge
van de overgang van Algemene bijstandswet naar Wwb.
De leden van de fracties van
PvdA en GroenLinks dringen er bij het kabinet op aan het behoud
van categoriale bijstand voor chronisch zieken en voor kosten van kinderen
opnieuw in overweging te nemen. De leden van de GroenLinks-fractie
vragen daarbij waarom er voor deze groepen geen specifieke regeling is
opgesteld voor de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht.
Het behoud van enkele
categoriale regelingen is niet alleen in strijd met het uitgangspunt dat,
omwille van de eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle
categoriale regelingen dienen te worden afgeschaft; het is ook niet in het
belang van de doelgroep. Juist voor chronisch zieken en kosten van
kinderen geldt dat de belanghebbenden meer zijn gebaat met de individuele
bijzondere bijstand. Die doet meer recht aan de individuele variatie in de
hoogte van de betreffende kosten en de persoonlijke omstandigheden van de
belanghebbende dan een forfaitaire categoriale verstrekking die, doordat
die niet gerelateerd is aan werkelijke kosten, zowel te hoog als te
laag kan zijn.
Ook ten aanzien van de
arbeidsverplichting geldt dat met een maatwerkaanpak beter rekening kan worden
gehouden met de mogelijkheden van mensen dan met een
categoriale ontheffing.
Poortwachtersrol
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet te verhelderen wat de
poortwachtersrol is van CWI
en gemeenten. Het heeft deze leden bevreemd dat de
CWI claimt de
poortwachter van de bijstand te zijn. Zolang het CWI niet beslist over de intake,
ligt de poortwachtersfunctie naar het oordeel van deze leden bij de
gemeenten.
De minister
maakt met de CWI in het kader van de jaarplancyclus afspraken over de te leveren
prestaties. De poortwachtersquote voor de Abw
is een belangrijke
prestatie-indicator. Deze poortwachtersquote is de som van de preventiequote en
de uitstroomquote. De preventiequote is het percentage van werkzoekenden waarbij de CWI voorkomt dat er recht ontstaat op een uitkering.
De uitstroomquote is het percentage van werkzoekenden in fase 1 die zich aanmelden
bij de CWI en binnen zes maanden uitstromen. Uit voorlopige
cijfers van de eerste kwartaalrapportage van de CWI 2003 blijkt dat over het
eerste kwartaal 2003 de preventiequote gemiddeld 34% was. De
cijfers over de uitstroomquote zijn beschikbaar vanaf de derde
kwartaalrapportage 2003.
Voor alle andere cliënten
ligt de poortwachtersfunctie primair bij de gemeenten.
Omvang reïntegratiebudget
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet of er wel voldoende middelen zijn voor
reïntegratie, gelet op het aanbestedingsvereiste van 80% tot 100%.
rblz.|14|
Het kabinet is van mening
dat door een vrij besteedbaar reïntegratiebudget de middelen efficiënter en
effectiever kunnen worden ingezet. Dit vergroot de ruimte die gemeenten hebben om een evenwichtig reïntegratiebeleid te
waarborgen. Door middel van transparante aanbestedingsprocedures
wordt de concurrentie tussen marktpartijen bevorderd; dit beoogt een
prijsverlagend en resultaatverhogend effect. Ook hierdoor neemt de
efficiëntie en effectiviteit van de bestede middelen toe.
Verantwoording, toezicht en
controle
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de positie van de accountants van gemeenten en naar de
precieze invulling van de controle door de IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.], bijvoorbeeld door onderzoek
op dossierniveau. Zij vragen het kabinet of het de mening van deze leden
deelt dat toezicht op en verantwoording van de doeltreffendheid van
de wet daarvan integrale onderdelen zijn. Ook vragen deze leden aan te
geven waarom toezicht op de rechtmatigheid niet achteraf wordt gedaan.
Zij vragen voorts aan te geven hoe het kabinet aan gemeenten verantwoording kan vragen over zaken waarover
ook de Kamer wil worden
geïnformeerd, zoals bijvoorbeeld bij het Nationale actieplan
armoedebestrijding.
De leden van de
CDA-fractie
vragen welke gevolgen de grotere verantwoordelijkheid van de gemeenteraad
heeft
voor het streven naar minder administratieve lasten en
voor de rol van IWI. Deze leden vragen of meer informatie via bijvoorbeeld
het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek,
red.] kan worden gevraagd.
IWI
oefent haar
toezichtstaak uit in de context van een medebewindsarrangement dat in belangrijke mate
gekleurd wordt door een vergaande toekenning van bevoegdheden
en verantwoordelijkheden aan gemeenten en de aansluiting op het
duale gemeentelijk bestuur. Single audit blijft daarbij de aangewezen
werkwijze.
De invoering van het gemeentelijk duale stelsel en de nieuwe financieringssystematiek voor de
Wwb, in
samenhang
met vergaande deregulering en vereenvoudiging van de
centrale regelgeving, geven veel gewicht aan de controlerende en bijsturende
rol van de gemeenteraad. Dit gewicht wordt versterkt doordat een aantal aspecten van de uitvoering uitsluitend op
lokaal niveau wordt
verantwoord, zoals de rechtmatige uitvoering van de lokale regels en de
doeltreffendheid en de doelmatigheid van de lokale uitvoering. Hoewel de raad
niet de formele rol van toezichthouder bekleedt, sluit het
rijkstoezicht aan op het lokale verantwoordingsproces en de uitkomsten daarvan.
Zoals de inspecteur-generaal van IWI aangeeft in zijn op 15 juli 2003 aan
de Tweede Kamer (nr. SZW0300470) aangeboden visie, is het rijkstoezicht
op de uitvoering van de Wwb toezicht op metaniveau, waarbij IWI zich richt op
het systeem van sturing, beheersing en verantwoording bij
gemeenten. Ook onder de Wwb geldt dat het rijkstoezicht zich in beginsel baseert op
informatie die het gemeentebestuur aanreikt: via statistieken,
monitors of het verslag over de uitvoering. Eigen onderzoek bij individuele
gemeenten zal in de regel niet noodzakelijk zijn. In beginsel vindt de
beoordeling van de rechtmatige wetsuitvoering tot op dossierniveau alleen op
lokaal niveau plaats, met name in het kader van de interne controlefunctie
of door de accountant van de gemeente. De verantwoordingsverplichting
voor gemeenten over de rechtmatige wetsuitvoering wordt anders
van opzet en minder gedetailleerd dan thans nog het geval is. Gemeenten
kunnen in beginsel volstaan met een verklaring dat zij de wet rechtmatig
uitvoeren. Slechts wanneer hiervan geen sprake is omdat de
financiële fouten meer bedragen dan 1% van het financieel beslag, worden gemeenten, op
basis van de te stellen nadere regels inzake het verslag over de
uitvoering, verplicht de aard en omvang van de tekortkomingen te
specificeren. De verantwoording moet worden voorzien rblz.|15|
van een verklaring van de
accountant waaruit blijkt dat de gemeentelijke verantwoordingsinformatie
betrouwbaar is en dat de gemeentelijke uitvoering, voor zover
daarover verantwoording moet worden afgelegd aan de Minister van
SZW,
rechtmatig heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de verklaring van de
accountant en het onderzoek dat in deze verklaring resulteert, zal
op grond van artikel 77 [77], derde lid, een protocol worden vastgesteld. Dit
protocol, dat zeer beperkt van omvang zal zijn, geeft uitsluitend aan
waaraan het onderzoek en de verklaring van de accountant moeten voldoen;
het kan en zal niet voorzien in additionele uitvoeringsvoorschriften
voor gemeenten.
De gemeente hoeft zich
tegenover de Minister van SZW niet te verantwoorden over aspecten van de
uitvoering waaraan bij of krachtens de wet geen eisen zijn gesteld.
Rijksbeleid dat wel door de Tweede Kamer is geaccordeerd, maar niet
expliciet is doorvertaald naar de wet, blijft derhalve buiten de
verantwoording die de gemeente aan de minister moet afleggen over de uitvoering
van de Wwb. Indien gegevens over de uitvoering van dit type rijksbeleid van
belang zijn, kan gemeenten verzocht worden die gegevens op
vrijwillige basis aan het Rijk te leveren. Of het Rijk een dergelijk verzoek
aan gemeenten richt, zal van geval tot geval kritisch worden bezien, in
het licht van de nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten.
Het kabinet deelt de visie
van de inspecteur-generaal dat de hierboven geschetste hoofdlijn van de
invulling van het rijkstoezicht niet uitsluit dat IWI in voorkomende gevallen
ook eigenstandig onderzoek kan instellen, tot op dossierniveau.
Eigenstandig onderzoek komt in het bijzonder aan de orde bij toezicht op het
bereiken van de doelen van de wet en de werking van het systeem van
de wet en, in geval van ernstige tekortkomingen, bij de rechtmatigheid van de
uitvoering. Ook ter beoordeling van de betrouwbaarheid en
geldigheid van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie kan IWI bij een steekproef
van gemeenten of accountants een zogenaamd validatieonderzoek instellen.
Het jaarlijkse verslag van
de inspectie met haar landelijk oordeel over de rechtmatigheid van de
uitvoering heeft betrekking op het voorgaande jaar en is in die zin toezicht
achteraf. Overigens zal IWI enige capaciteit vrijhouden om actuele onderwerpen die
zich gedurende het jaar voordoen te onderzoeken. Naar het zich
laat aanzien, hoeft hier onder de Wwb nog maar sporadisch gebruik van
te worden gemaakt.
Voor de beantwoording van de
vraag of meer informatie via bijvoorbeeld het CBS kan worden gevraagd,
wordt verwezen naar hoofdstuk 9, Informatiebeleid.
Informatie over
rechtmatigheid
De
leden van de VVD-fractie
vragen hoe de ministeriële verantwoordelijkheid in het kader van de Wwb
betrekking heeft op de rechtmatige uitvoering van de wet in enge zin en op
de doeltreffendheid van de werking van de wet. De leden van de PvdA-fractie
vragen of het kabinet wil aangeven welke informatiestromen van
de gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
worden geschrapt en welke besparing dat betekent voor de
uitvoeringskosten.
Uitgangspunt is dat de
minister zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt over de
uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten
"meibrief" en de daaropvolgende bespreking met de Tweede Kamer. Daarin zal aan de hand van
de in de begroting opgenomen (VBTB-)doelstellingen worden
verantwoord of die doelstellingen zijn gerealiseerd en of er aanvullende
maatregelen zijn getroffen om de effectiviteit van het rijksbeleid verder te
vergroten. Ook bij de evaluatie van de wet op grond van artikel 84
[84] verantwoordt
de minister zich over de doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
rblz.|16|
De verantwoording over de
rechtmatige uitvoering van de wet door gemeenten en de
doeltreffendheid van de wet zal jaarlijks plaatsvinden aan de hand van het door
IWI
op te stellen jaarverslag. Deze verantwoording van het kabinet zal, als
gevolg van de ontwikkelingen ten aanzien van het rijkstoezicht en de
wijze van verantwoording door gemeenten, beperkter en minder
gedetailleerd zijn. De verantwoording zal betrekking hebben op het aantal
gemeenten dat een rechtmatigheidsprobleem heeft van meer dan een nader te
bepalen percentage van het financieel beslag (zie hiervoor ook hoofdstuk
9),
op het aantal gemeenten dat haar reïntegratiebudget niet geheel heeft uitgegeven
dan wel onrechtmatig heeft besteed met het daarbij behorende
financieel beslag, en een oordeel over de mate waarin de uitvoering door de
gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van de wet. Ten
aanzien van aspecten van laatstbedoeld onderwerp kan de Tweede Kamer ook
geïnformeerd worden via afzonderlijke rapportages van IWI, in
aanvulling op haar jaarverslag, indien nader onderzoek noodzakelijk is.
Ook zal worden verantwoord
of ten aanzien van geconstateerde rechtmatigheidstekortkomingen
aanleiding is geweest tot bijsturende maatregelen door de minister,
en zo ja, waaruit die maatregelen hebben bestaan en welke effecten
die maatregelen teweeg hebben gebracht.
Met de huidige
informatievoorziening als ijkpunt zal de Tweede Kamer minder informatie ontvangen
over de rechtmatige wetsuitvoering:
- de omvang van het
rechtmatigheidsdomein neemt sterk af als gevolg van de forse deregulering.
Hierdoor gelden minder rechtmatigheidseisen en behoeft de gemeente zich
derhalve over minder aspecten aan de minister te
verantwoorden. Het beeld van de uitvoering dat de minister en de Tweede Kamer
verkrijgen, wordt minder gedetailleerd;
- rechtmatigheidsproblemen
die niet aan de wet, maar uitsluitend aan eigen, lokale regels zijn
gerelateerd, vallen buiten de toezichtsverantwoordelijkheid van het Rijk. Dergelijke
problemen blijven buiten de gemeentelijke
verantwoording aan de minister en leiden, wanneer zij de publiciteit halen,
dan ook niet tot bemoeienis van IWI of de minister.
Informatieverstrekking aan de Tweede Kamer zal dan niet aan de orde zijn. Op zich is
dit niet
nieuw, maar het zal - als gevolg van de deregulering - aan betekenis
sterk toenemen.
Volledigheidshalve wordt
gemeld dat de Tweede Kamer met de invoering van de Wwb
geen informatie
meer zal ontvangen over de wetsuitvoering door individuele gemeenten.
Op het onderwerp
uitvoeringskosten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7, Vereenvoudiging.
In hoofdstuk 9,
Informatiebeleid, wordt nader ingegaan op de vormgeving, inhoud en omvang van de
informatiestromen van gemeenten naar het Rijk.
Doelgroepen
De leden van de
PvdA-fractie vragen aan het kabinet een uitwerking van de meetpunten en
kwaliteitscriteria ten aanzien van het doelgroepenbeleid en de evenredigheidstoets op
verschillende groepen.
Op grond van
artikel 8 [8]
van
de Wwb is de gemeenteraad, ter zake van het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling, verplicht bij verordening regels te stellen. In deze verordening
concretiseert de gemeente haar reïntegratiebeleid en geeft zij, toegespitst op de
lokale omstandigheden, blijk van een evenwichtige aandacht voor de groepen
belanghebbenden waarvoor zij verantwoordelijk is. Het is
de gemeenteraad die het college controleert op de uitvoering van het in de
verordening gestelde.
rblz.|17|
De verantwoordelijkheid voor een evenwichtige benadering van doelgroepen is hiermee belegd bij gemeenten. In het systeem van de
Wwb past het niet daarbij van
rijkswege kwaliteitscriteria te formuleren.
Bepalingen SUWI-wetgeving
De leden van de
PvdA-fractie vragen welke bepalingen uit de
SUWI-wetgeving niet meer in het
wetsvoorstel zijn opgenomen.
Alle bepalingen die door de
SUWI-wetgeving in de Abw
zijn opgenomen, zijn overgenomen in de Wwb, behalve
artikel 70 van de Abw. Dit artikel
over het besluit tot
toekenning of herziening van de bijstand is in het kader van de deregulering
vervallen. Tevens is door een omissie in artikel 18
[18] van de Wwb
geen
verwijzing opgenomen naar de informatieverplichtingen van de artikelen
28, tweede
lid, en 29, eerste lid, van de Wet
SUWI in artikel 18 [18]
van de Wwb.
Dit wordt bij nota van wijziging hersteld. Verder wordt de Wet
SUWI in
artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb alleen in technische zin aangepast.
Tevens wordt in
artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb
een
experimenteerartikel in de Wet SUWI opgenomen.
Onjuiste uitvoering
De leden van de
PvdA-fractie stellen een tijdelijke verhoging van de uitkering voor als een passende
sanctie voor de gemeente indien deze in gebreke blijft bij de
uitvoering. Ook stellen zij dat wettelijke rente moeten worden betaald indien de
uitkering niet tijdig of niet juist is verstrekt.
Het kabinet ziet geen reden
het voorstel van deze leden over te nemen. De gemeente
heeft de opdracht
de Wwb uit te voeren binnen de bij of krachtens deze wet en het eigen
gemeentelijk beleid gestelde regels. Voor de cliënt gelden de reguliere
bezwaar- en beroepsprocedures. Onderdeel van deze rechtsbescherming is
dat de gemeenten veroordeeld kunnen worden tot het vergoeden van kosten
die door de cliënt zijn gemaakt indien deze in de procedure in het
gelijk wordt gesteld.
Tweedegraads bloedverwanten
De leden van de
PvdA-fractie vragen in de Wwb de bepaling op te nemen dat broers en zusters in het
kader van de bijstandverlening niet langer als onderhoudsplichtig worden
aangemerkt.
Naar aanleiding van motie 25
bij de behandeling van de begroting 2001 van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de toenmalige
Staatssecretaris
van SZW onderzoek toegezegd
naar vorm, mogelijkheden en kosten van het gelijkstellen van de
tweedegraads bloedverwantschap aan de eerstegraads bloedverwantschap. Daarop is de motie ingetrokken. Bij
brief van 17 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 85) heeft het kabinet
invulling gegeven aan de toezegging. In deze brief is aangegeven dat het kabinet
van oordeel is dat er geen redelijke en objectieve criteria aanwezig zijn om
tweedegraads bloedverwanten die samenwonen en een gemeenschappelijk
huishouden voeren anders te behandelen dan alle andere ongehuwd
samenwonenden. Het kabinet handhaaft dit standpunt en is niet van plan een gelijkstelling van tweedegraads
bloedverwantenschap aan
eerstegraads bloedverwantschap te heroverwegen.
rblz.|18|
Implementatie
De leden van de
VVD-fractie
informeren of het kabinet geen grote problemen verwacht bij de
snelle implementatie en of de gemeenten in staat zijn om zo snel
de wet
te implementeren. Daarnaast vragen zij op welke wijze wordt
gewaarborgd dat de klant niet de dupe wordt van een te snelle invoering. Ook de
leden van de SGP-fractie geven aan dat het nog maar de vraag is of alle
gemeenten de stelselwijziging op zo’n korte termijn kunnen halen. Ze
maken zich in het bijzonder zorgen over de gemeenten die minder armslag
hebben. Deze leden vragen of het kabinet kan garanderen dat bij
invoering op 1 januari 2004 er bij gemeenten geen "ongelukken" gebeuren.
De invoeringsdatum van 1
januari 2004 biedt de gemeenten niet de gelegenheid voor een diepgaande en
uitgebreide voorbereiding op de invoering van de Wwb. Het kabinet acht
het daarom zijn verantwoordelijkheid om gemeenten zoveel mogelijk
bij de invoering te ondersteunen, waar mogelijk in overleg en/of
samenwerking met VNG en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]. In paragraaf 6.2 van deze nota gaat het
kabinet in op de wijze van ondersteuning. Eventueel kunnen gemeenten
overigens op sommige onderdelen van de Wwb ervoor kiezen om
voorlopig het "oude beleid" voort te zetten en eerst in 2004 een visie te
ontwikkelen en nieuw beleid in te zetten. Dit betreft met name die
onderdelen van de Wwb waar een "moet"-bepaling in de Abw
is omgezet in een
"kan"-bepaling in de Wwb. Bovendien kan een gemeente in het kader
van de gefaseerde invoering onderdelen van de wet op een door haar te
bepalen datum later invoeren, doch uiterlijk twaalf maanden na inwerkingtreding
van de Wwb. Op deze gefaseerde invoering wordt bij de volgende vraag nader ingegaan.
SZW zal de voortgang van de
voorbereidingen van de gemeenten volgen. Zo nodig zal het ondersteuningsaanbod worden aangepast op punten
waarin gemeenten
achterblijven. Hoewel het kabinet geen garanties kan geven voor de inzet en de
keuzes van individuele gemeenten, meent het kabinet dat met het
voorgaande aan gemeenten voldoende mogelijkheden en ondersteuning wordt
geboden om problemen per 1 januari 2004 te voorkomen. Daarmee kan
ook worden voorkomen dat de klant de dupe wordt van een te snelle
invoering.
Wat betreft de positie van
de klant is het vanzelfsprekend van groot belang dat de
uitkeringenverstrekking niet in gevaar komt. Daarop wordt ingegaan in hoofdstuk
4 van
de nota naar aanleiding van het verslag over de Invoeringswet Wwb.
Gefaseerde invoering
De leden van de
fracties van CDA, PvdA en
VVD vragen of het niet mogelijk is een aantal onderdelen van
de wet later in te voeren, zodat de druk op het implementatietraject
enigszins wordt verminderd. De leden van de fractie van D66 hebben
aangegeven de gefaseerde invoering geen reële optie te vinden.
Uitgangspunt voor het
kabinet is dat in ieder geval de volgende onderdelen van het wetsvoorstel in alle
gemeenten per 1 januari 2004 zijn ingevoerd:
- de volledige
budgettering van de bijstand;
- het volledig ontschotte
en vrij besteedbare reïntegratiebudget;
- de voorgestelde
deregulering in het inkomensdeel: omzetten verplichte terugvordering in bevoegdheden, afschaffen
Rau 1996, afschaffen van de verplichting voor een
beleidsplan en beleidsverslag;
- de nieuwe opzet van het
toezicht waarbij het toezicht op de doeltreffendheid van individuele gemeenten
komt te vervallen en waarbij de rblz.|19|
minister ten aanzien van de
rechtmatigheid alleen ingrijpt bij ernstige tekortkomingen;
- het vervallen van de
mogelijkheid voor categoriale bijzondere bijstand;
- de invoering van een
centraal geregelde langdurigheidstoeslag;
- het vervallen van de
bestaande vrijlating van arbeidsinkomsten.
De overige onderdelen van de Wwb
betreffen de rechten en plichten van de individuele cliënt. Voor
zover deze wijzigen door de invoering van de Wwb, krijgen gemeenten de
mogelijkheid deze onderdelen na 1 januari 2004 in één keer later in
te voeren, doch niet later dan 1 januari 2005. Een gemeente kan binnen deze
randvoorwaarden die invoeringsdatum zelf bepalen ("opting in"). Het
gaat daarbij om de aanspraak op ondersteuning bij reïntegratie, invoering
van algemeen geaccepteerde arbeid, de omzetting van categoriale ontheffing
van de arbeidsverplichting in het opleggen van een arbeidsverplichting
dan wel het ontheffen daarvan op basis van maatwerk, het afstemmen van
de uitkering op de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen, alsmede
die onderdelen van het uitkeringsregime die, al dan niet als gevolg
van eigen gemeentelijk beleid, wijzigen als gevolg van de Wwb.
Bovenstaand voorstel is
voorgelegd aan het Uitvoeringspanel Gemeenten. Het Uitvoeringspanel heeft aangegeven een voorkeur te houden voor een latere
invoering van de Wwb. Als wordt uitgegaan van de door het kabinet gemaakte
keuze om de hiervoor genoemde punten in ieder geval per 1 januari
2004 in te voeren, biedt het faseringsvoorstel ook naar het oordeel van het
Uitvoeringspanel extra ruimte om de Wwb in 2004 op een goede manier in
te voeren.
Evaluatie
De leden van de
fracties van PvdA en VVD vragen het kabinet of er wordt voorzien in een
evaluatieparagraaf. De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe en met welke
frequentie het kabinet gaat voorzien in voortgangsrapportages over
de wet. Tevens vragen zij wanneer de evaluatie van de Abw
over de
periode 2000-2003 zal worden aangeboden.
De leden van de PvdA-fractie
vragen welke elementen naar het oordeel van het kabinet het meest
kwetsbaar zijn en dus met een snellere frequentie geëvalueerd zouden moeten worden. Deze leden willen tevens van het kabinet vernemen hoe
en met welke frequentie het de Kamer gaat voorzien van een
voortgangsrapportage over de Wwb
en welke elementen in deze
rapportages worden opgenomen. Deze leden zien graag een opzet en
uitwerking van de kant van het kabinet tegemoet. De leden van de PvdA-fractie
vragen verder naar de wijze waarop het verdeelmodel, het risico
voor gemeenten en de werking en betrouwbaarheid van de ramingen worden
geëvalueerd.
Het Strategisch Akkoord
formuleerde in 2002 reeds de hoofdlijnen op het gebied van reïntegratie en
bijstand, die in het onderhavige wetsvoorstel zijn uitgewerkt. Aangezien
daarmee de koers uitgezet was, is afgezien van een integrale evaluatie van
de huidige Algemene bijstandswet over de periode 2000-2003. Wel
zijn op deelterreinen evaluaties verricht, waarover het parlement tussentijds is
geïnformeerd. Voor het deelterrein budgettering van de bijstand geldt dat
het Strategisch Akkoord ook hier de lijn al uitgezet heeft, namelijk dat
het financiële belang voor gemeenten om mensen uit de bijstand te
laten stromen maximaal wordt. De in artikel 84
[84] van de Wwb
opgenomen
evaluatiebepaling voorziet in een evaluatie binnen vier jaar na inwerkingtreding van de wet. Daarmee wordt enigszins
afgeweken van de in de
Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 164) opgenomen vuistregel
dat de evaluatietermijn in beginsel op vijf jaar dient te worden gesteld.
De achterliggende reden van
de keuze voor vier jaar is dat het enerzijds wenselijk is de Wwb
zo
spoedig mogelijk te evalueren, maar dat een rblz.|20|
kortere evaluatietermijn dan vier jaar weinig helderheid zal verschaffen over de doeltreffendheid en de
effecten van de Wwb. Oordelen over de werking van de nieuwe aanpak
van bijstand en reïntegratie kan alleen door de onderdelen daarvan - zoals verantwoordelijkheden en incentives
- in onderlinge samenhang
te bezien. Conclusies over deze onderlinge samenhang zijn pas na
verloop van tijd te trekken. Dit geldt te meer daar voor het onderhavige
wetsvoorstel een gefaseerde invoering is voorzien. Een binnen korte tijd na
invoering van de wet uitgevoerde evaluatie zal slechts informatie opleveren
over de invoering van de wet.
De informatie voor de
evaluatie zal in eerste aanleg uit bestaande informatiestromen worden gehaald:
statistieken, monitors het verslag over de uitvoering. Voor de
evaluatie wordt zoveel mogelijk informatie hergebruikt. Naast een
integrale evaluatie wil het kabinet de ontwikkelingen binnen de Wwb
volgen en het
parlement hierover informeren. Dit zal geschieden met behulp
van de reguliere informatie via statistieken, monitors en
verantwoordingsverslagen, aangevuld met incidenteel onderzoek. Het betreft de implementatie
van de wet, de voortgang bij het bereiken van de
doelstellingen en de werking van de financieringssystematiek.
Bij de
financieringssystematiek loopt een onderhoudstraject voor het objectief verdeelmodel. Dat
betekent in elk geval dat de actualiteit en stabiliteit van het model en
de herverdeeleffecten tussentijds zullen worden onderzocht. Zoals het
onderzoek naar stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de
bijstand bij de aanbieding van dit wetsvoorstel is meegezonden,
zullen ook toekomstige onderzoeken in dit kader aan het parlement
worden aangeboden. De werking en de betrouwbaarheid van de ramingen is een
continu proces van evaluatie en verbetering. Ramingen en realisaties
zullen net als nu met elkaar vergeleken worden in het jaarverslag
van SZW. De reguliere begrotingscyclus biedt de mogelijkheid om de
ramingen kritisch te volgen.
Mede door de gefaseerde
invoering is het niet mogelijk voor de deelaspecten van het brede beleidsterrein
werk en bijstand periodiek, voorafgaand aan de eindevaluatie over
vier jaar, één evaluatiemoment in te bouwen. Naast de reguliere
jaarverantwoording van SZW zal, wanneer daar voor deelaspecten
geëigende momenten zijn, tussentijds gerapporteerd worden.
Het kabinet zal mede naar
aanleiding van de parlementaire behandeling van de wet een plan van
aanpak voor de evaluatie en voortgangsrapportage opstellen. De Tweede Kamer
zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.
Resultaten WFA
De leden van de
VVD-fractie
vragen welke informatie beschikbaar is over de kwaliteit en
effectiviteit van de uitvoering van de Bijstandswet na invoering van de
budgettering van 25% van de bijstandsuitgaven. Voorts vragen deze leden waarom er
nog geen evaluatie naar de budgettering van 25% van de
bijstandsuitgaven heeft plaatsgevonden, ondanks meerdere toezeggingen aan de Kamer.
Bevindingen en oordelen over
de kwaliteit van de gemeentelijke uitvoering zijn weergegeven in het jaarverslag
IWI 2002, voor wat betreft de
terreinen "rechtmatigheid", "handhaving en
fraudebestrijding" en
"reïntegratie,
uitstroom en sociale activering". Bevindingen en oordelen uit het jaarverslag IWI 2002 ten aanzien van de gemeentelijke uitvoering op deze
drie terreinen zijn als
volgt:
- rechtmatigheid Abw, Ioaw
en Ioaz: een omvangrijke groep gemeenten van wisselende
samenstelling, gemiddeld ongeveer één op de drie gemeenten, blijkt de
rechtmatigheid van de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz in 1998
tot en met 2000 niet voldoende op orde te rblz.|21|
hebben. Voor het
vergoedingsjaar 2001 ziet de inspectie hierin geen verbetering optreden;
- handhaving en
fraudebestrijding: IWI constateert dat in 2001 vooral bij een aantal grotere gemeenten
de opsporing van fraude traag verloopt, waardoor de gemiddelde
fraudebedragen en uitstaande debiteurenbedragen onnodig hoog oplopen. Het
aantal geconstateerde fraudegevallen is daardoor niet zo hoog als
het had kunnen zijn. De Inspectie constateert tevens dat
gemeenten wel meer fraude hebben geconstateerd dan in het midden van de
jaren negentig, maar dat de daadwerkelijke incasso tot op heden is achtergebleven. De geconstateerde
daling van de ontvangsten
aan boeten hangt samen met de achterstanden in de verwerking van de
belastingsignalen bij de grotere gemeenten. IWI constateert
dat naast het opleggen van boeten ook het incasseren daarvan meer
aandacht dient te krijgen;
- reïntegratie, uitstroom
en sociale activering: hoewel gemeenten zich in toenemende mate inspannen om
resultaten te boeken, constateert IWI dat het realiseren van een
sluitende aanpak nog niet volledig is gelukt. Een sluitende aanpak heeft
tot doel werklozen en arbeidsgehandicapten die nog mogelijkheden hebben
om te werken een reïntegratietraject aan te
bieden. Daarnaast stelt de Inspectie vast dat ten opzichte van 2001 het inkoop- en aanbestedingsbeleid in 2002 is
verbeterd. In toenemende
mate formuleren gemeenten inkoopbeleid op dit terrein.
De WFA is ingevoerd per 1
januari 2001. De aangekondigde evaluatie van de 25%-budgettering heeft
niet plaatsgevonden vanwege het in het Strategisch Akkoord van kabinet-Balkenende I opgenomen beleidsvoornemen te komen tot 100% budgettering
van de bijstandslasten.
Afroming bij reïntegratie
De leden van de
fracties van
GroenLinks en de ChristenUnie vragen het kabinet nadere garanties te
geven ter voorkoming van afroming binnen gemeenten. Ook de leden van
de PvdA-fractie vragen het kabinet of het niet bang is dat de
voorgestelde systematiek en de bezuinigingen een extra stimulans zal zijn
voor gemeenten om voor goedkopere, kortdurende trajecten te kiezen, waarvan
zeker degenen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt
niet altijd profijt van zullen hebben.
Door de gewijzigde
financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun klanten
de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten en daarbij
uitgaan van maatwerk voor de individuele klant. Gemeenten hebben er ook baat
bij in te zetten op moeilijkere doelgroepen vanwege een langdurig beslag
op het inkomensdeel. De gemeenten krijgen ruimere
mogelijkheden om voor complexe doelgroepen passende voorzieningen in te zetten,
zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen.
Daarnaast moeten gemeenten
in een verordening het reïntegratiebeleid concretiseren, waarbij
sprake moet zijn van een evenwichtige aanpak van alle doelgroepen.
Betrokkenen kunnen hierbij aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente bij
reïntegratie. Het kabinet is van mening dat hierdoor een evenwichtige aanpak van verschillende doelgroepen
voldoende wordt gewaarborgd.
Toereikendheid uitkering
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe men tot het impliciete oordeel is
gekomen dat de huidige hoogte van de basisuitkering van de Bijstandswet voldoende
is om van te leven. In dit verband vragen zij ook te reageren
op het NIBUD-onderzoek [NIBUD: Nationaal Instituut
voor Budgetvoorlichting, red.] eerder dit jaar. Ook vragen zij de in het
Hoofdlijnenakkoord voorgestelde kortingen op de rblz.|22|
huursubsidiebijdrage te
betrekken bij een gefundeerd oordeel over de hoogte van de uitkering.
Uit onderzoek blijkt dat het
aandeel mensen met een minimuminkomen dat moeilijkheden heeft met rondkomen, is gedaald van 37% in 1995 naar
23% in 2000.¹ Er is geen
aanleiding om aan te nemen dat het sociaal minimum onvoldoende is om
van te leven. Het aangewezen zijn op een minimuminkomen staat niet gelijk aan financiële armoede. Het onderzoek
van het NIBUD naar het
financieel rondkomen van gezinnen met vier of meer kinderen brengt dit
goed in beeld. Eerder dit jaar heeft de Minister van SZW per brief aan de
Tweede Kamer (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 93)
gereageerd op dit onderzoek.
De individuele huursubsidie
is een voorliggende voorziening en is daarmee niet van invloed op
de, van het nettominimumloon afgeleide, bijstandsnormen. Over de in
het Hoofdlijnenakkoord voorgestelde versobering van de individuele
huursubsidie vanaf 2005 wordt de Tweede Kamer door de desbetreffende
bewindspersoon geïnformeerd.
1. SCP/CBS, Armoedebericht
2002.
Inkomenseffectrapportage
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen het kabinet een inkomenseffectrapportage op te
stellen waarin
de
huidige Bijstandswet wordt afgezet tegen de
Wet werk
en bijstand.
De invoering van de
Wet
werk en bijstand heeft geen effect op de kern van de inkomensbescherming
zoals opgenomen in de huidige Bijstandswet. De hoogte van het
sociaal
minimum wordt niet aangetast. De grotere nadruk op uitstroom en
reïntegratie en het meer expliciet voorbehouden van inkomenspolitiek aan
het Rijk brengen met zich mee dat daarnaast voor individuele
huishoudens inkomenseffecten kunnen ontstaan. De belangrijkste punten
betreffen:
- het afschaffen van
categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar. Hier staat
tegenover de invoering van een toeslag voor personen die gedurende lange tijd
over niet meer beschikken dan een minimuminkomen en die geen perspectief
hebben op inschakeling in het arbeidsproces. Voor
langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief zullen de
inkomenseffecten daarom gemiddeld genomen gering zijn. Voor minima
die tot op heden profiteren van categoriale regelingen, maar niet in
aanmerking komen voor de toeslag, kunnen negatieve
inkomenseffecten ontstaan indien zij niet in aanmerking komen voor de op
individuele basis te verstrekken bijzondere bijstand. De omvang van deze
negatieve effecten kent een grote spreiding en hangt sterk af van de
invulling die gemeenten hebben gegeven aan de mogelijkheden die de Bijstandswet
bood;
- het vervangen van de
vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën personen met een
ontheffing van de arbeidsverplichting door het vrijlaten van de
aanvullende alleenstaandeouderkorting en van de combinatiekorting voor
alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar. Hier speelt ook mee dat
de gemeente een ieder een eenmalige, onbelaste premie kan verstrekken
van maximaal €|1944,- in het kader van de arbeidsinschakeling.
In de bijlage
"Beleidsmaatregelen met niet-generieke inkomenseffecten" bij de begroting 2004 die
op de derde dinsdag van september aan uw Kamer zal worden
aangeboden, wordt nader ingegaan op (een kwantificering) van de inkomenseffecten
van alle maatregelen van het kabinet.
Verstoring evenwicht
De leden van de
D66-fractie vragen of de Raad van State in
zijn advies, bij de opmerkingen over
de verstoring van het evenwicht tussen de rblz.|23|
gerichtheid op werk en de inkomenswaarborg [paragraaf
2, red.], niet in het bijzonder doelt op de oorzaken die de
armoedeval tot effect hebben.
In paragraaf 1 van het
nader rapport is het kabinet ingegaan op dit verstoorde evenwicht. Het
zwaartepunt in deze uiteenzetting lag op de noodzaak van meer
mogelijkheden en meer maatwerk. Dit om het primaat van werk boven inkomen te
kunnen effectueren.
Het kabinet deelt de
opvatting van de leden van de
D66-fractie dat de armoedeval leidt tot een
beperking van de effectiviteit van reïntegratie-inspanningen. Het kabinetsbeleid is dan
ook gericht op beperking van de armoedeval. Daarnaast
richt het het wetsvoorstel Wwb zich op de inspanningen die de
gemeenten leveren
voor reïntegratie en inkomenswaarborg. De eerder genoemde
passage in het nader rapport heeft alleen betrekking op die gemeentelijke
inspanningen.
Verschillen rechten en
plichten tussen Wwb en Abw
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet de verschillen in de rechten en plichten
van de cliënt in de Wwb ten opzichte van de huidige wet schematisch
weer te geven. Zij willen tevens weten of naar het oordeel van het
kabinet deze afstemming van rechten en plichten in geen enkele gemeente
goed
is geregeld.
Met de passage waar de
leden van de fractie van de ChristenUnie naar verwijzen, wordt bedoeld
dat het recht op uitkering is gekoppeld aan een algemeen geldende
verplichting tot reïntegratie. Het niet of onvoldoende nakomen van deze
verplichting door de belanghebbende zal moeten leiden tot een verlaging
van de uitkering.
Onder de huidige Bijstandswet zijn de arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd. De
inlichtingenplicht is in de Wwb niet anders geregeld dan in de
Abw. In het
huidige Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz zijn de verwijtbare
gedragingen gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de
uitkering gestandaardiseerd.
In de Wwb zal de
gemeente, op grond van in een verordening vast te leggen criteria, in elk
individueel geval bepalen welke verplichtingen van toepassing zijn en wat de
verlaging is als die verplichtingen niet of niet voldoende worden
nagekomen. Burgemeester en wethouders moeten de bijstand en de daaraan
verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Aldus wordt een
duidelijker relatie gelegd en kan betere afstemming plaatsvinden tussen het
nakomen van de verplichting en de hoogte van en het recht op
uitkering.
Het kabinet is niet van
mening dat de afstemming thans in geen enkele gemeente goed is
geregeld. Wel is gebleken dat het huidige systeem van min of meer
gestandaardiseerde maatregelen onvoldoende mogelijkheden biedt voor maatwerk.
Bureaucratie
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet welke waarborgen er zijn dat de Wwb
niet zal
leiden tot een nieuwe bureaucratie van regelgeving.
In de
Wwb is, op een veel
consequentere manier dan in de Abw, gekozen voor een zo groot
mogelijke beleidsruimte van gemeenten. Dit heeft onder meer tot gevolg dat
de mogelijkheden voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
om nadere regels te stellen, zijn beperkt.
rblz.|24|
3. Arbeidsinschakeling en
reïntegratie [MvT;
V]
Voorkomen gedwongen
ontslagen en effect Wwb op gesubsidieerde arbeid
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen wat het effect van de Wwb
zal zijn op het volume
aan Wiw- en ID-banen. De leden van de fractie van de PvdA vragen het
oordeel van het kabinet over gesubsidieerde arbeid als
reïntegratiemogelijkheid. Verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid zal verdwijnen
omdat het alleen nog een relatief dure reïntegratievorm zal zijn? Deelt het
kabinet de angst dat gemeenten erop zullen inzetten om mensen zo
snel mogelijk uit de bijstand te krijgen en dus beginnen met gemakkelijke
gevallen en kortlopende trajecten? En hoe oordeelt het kabinet over
het risico dat gemeenten vanwege de bezuinigingen voorkeur geven aan
goedkopere regelingen in plaats van ID-banen?
Daarnaast constateren de
leden van de PvdA-fractie dat met het wegvallen van veel van de
bestaande gesubsidieerde arbeid ook veel zinvolle en belangrijke
arbeid in de collectieve sector zal wegvallen. Deze leden vragen hoe het
kabinet dit denkt op te lossen en hoe het kabinet denkt dat gemeenten dit
oplossen.
Met de introductie van
het volledig ongedifferentieerde reïntegratiebudget in de Wwb
maken gemeenten
zelf de afweging op welke manier en in welke mate gesubsidieerde
arbeid als reïntegratievoorziening zal worden ingezet. Zij zijn vrij om
te bepalen welke voorzieningen zij willen inzetten en kunnen ook nieuwe voorzieningen ontwikkelen. Het kabinet ziet gesubsidieerde
arbeid primair als
reïntegratievoorziening, gericht op uitstroom naar regulier werk, en
niet als vervangende werkgelegenheid in maatschappelijke sectoren.
Door de gewijzigde
financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun
klanten de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten. Als
blijkt dat gemeenten met efficiëntere voorzieningen dan ID-banen uitstroom
naar arbeid realiseren, dan vindt het kabinet dat een goede ontwikkeling.
Uiteindelijk telt het resultaat: de werkloze zo snel mogelijk naar
ongesubsidieerde arbeid toeleiden. Het effect van de Wwb op het volume
ID- en Wiw-banen is daarom niet op voorhand in te schatten. Wel is de
verwachting dat deze zal dalen, omdat dit instrument niet voor alle
werkzoekenden de meest efficiënte weg is naar de arbeidsmarkt en gemeenten het budget
doelmatiger in gaan zetten dan voorheen. Het kabinet gaat ervan
uit dat gemeenten niet alleen gemakkelijke gevallen zullen oppakken
en kortlopende trajecten zullen inzetten. Gemeenten hebben er
immers ook belang bij moeilijker te reïntegreren doelgroepen te laten
uitstromen naar werk vanwege hun potentieel langdurig beslag op het
inkomensdeel.
De leden van de
PvdA-fractie, GroenLinks en de
ChristenUnie vragen wat de effecten zijn van de
Wwb voor mensen met een ID-
of Wiw-baan en of het kabinet kan
garanderen dat er geen gedwongen ontslagen zullen vallen als gevolg van de
voorgenomen bezuinigingen.
De bezuiniging op het
gemeentelijke reïntegratiebudget wordt voor het overgrote deel al in 2003
gerealiseerd. In eerste instantie heeft het kabinet gemeenten er in september
2002 op gewezen dat gedwongen ontslagen voorkomen kunnen worden
door reeds bestaande vacatures en uitstroom uit ID- en Wiw-banen niet
op te vullen. Daarbij is uitgegaan van het gemiddelde landelijke
uitstroompercentage op ID- en Wiw-banen in voorgaande jaren. Door deze
uitstroom niet op te vullen, kan de benodigde bezuiniging gerealiseerd
worden.
rblz.|25|
Aanvullend heeft het
kabinet nog een aantal maatregelen genomen. Reeds per 1 januari 2003
is het ID-besluit gedereguleerd en vereenvoudigd. Het budget ID-banen wordt
niet meer taakstellend op basis van het aantal banen toegekend,
maar is vrij besteedbaar aan arbeidsplaatsen en andere
reïntegratieactiviteiten. Dit is zowel ten behoeve van de doorstroom van werknemers in
ID-banen naar ongesubsidieerde banen als ten behoeve van de
arbeidsinschakeling van andere werkzoekenden. Dit reeds vooruitlopend op het vrij
besteedbare reïntegratiebudget binnen de Wwb. Tevens kunnen gemeenten
ook middelen uit het scholings- en activeringsbudget van de Wiw
besteden aan
uitstroombevordering van werknemers in ID-banen naar ongesubsidieerde arbeid.
Daarnaast heeft het
kabinet €|40 miljoen beschikbaar gesteld om knelpunten bij de
Wiw als gevolg van
de bezuinigingen te mitigeren.
Ten slotte is in 2003 de
regeling Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10 000
ID-banen
ingevoerd. Via deze regeling kunnen 10 000 van de huidige ID-banen in
maatschappelijke sectoren worden omgezet in reguliere banen. Deze
stimuleringsregeling levert daarmee een bijdrage aan het behoud van
maatschappelijk nuttige functies in maatschappelijke sectoren en behoud van
werkgelegenheid voor de betreffende gesubsidieerde werknemers.
Het kabinet heeft met
sociale partners en de VNG over onder andere
deze regeling het convenant
gesubsidieerde arbeid 2003 afgesloten. De ondertekenaars van het convenant zijn
van mening dat met de subsidieregeling "regulier maken 10 000
ID-banen" en het aanvullende Wiw-pakket gedwongen ontslagen als gevolg van de bezuinigingen niet nodig hoeven
te zijn.
De leden van de
PvdA-fractie stellen de vraag of het kabinet kan garanderen dat de opgebouwde
arbeidsvoorwaarden voor deze groep veilig worden gesteld.
De ID-werknemers hebben
een reguliere arbeidsovereenkomst met een werkgever waarvoor de in
de sector geldende CAO leidend is. De huidige Wiw-ers zijn in dienst
bij de gemeente op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Bij nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb is gewaarborgd dat
voor deze werknemers een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van
kracht blijft. De arbeidsvoorwaarden voor de Wiw-werknemers zijn
geregeld in de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO Wiw. Het is aan
de CAO-partijen om deze CAO al dan niet voort te zetten en
eventueel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden met inachtneming van het
bepaalde in de Invoeringswet Wwb. Als de CAO rechtsgeldig wordt
opgezegd, worden de in de CAO opgenomen bepalingen geacht
onderdeel uit te maken van de individuele arbeidsovereenkomst van de
Wiw-ers. Van deze
bepalingen kan slechts na wilsovereenstemming tussen gemeente en Wiw-werknemer worden afgeweken. Bij de verdeling van het werkdeel over de gemeenten is rekening
gehouden met de lopende
verplichtingen die gemeenten hebben voor hun Wiw- en ID-banen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met werknemers die niet binnen
één jaar
doorstromen en of er voor deze groep een nieuwe regeling komt. Deze leden willen
tevens weten welk deel van het werkdeel is gemoeid met behoud van
huidige aantal ID- en Wiw-banen. Tevens vragen zij welke
budgetten ermee gemoeid zouden zijn als alle huidige ID-ers en Wiw-ers in
reguliere functies volgens de laagste loonschalen in reguliere CAO’s zouden
worden ondergebracht.
Het toekomstige
ongedifferentieerde reïntegratiebudget bestaat uit de huidige middelen voor
Wiw- en ID-banen en het
Wiw-scholings- en activeringsbudget.
Gesubsidieerde arbeid kan in de toekomst uit deze rblz.|26|
middelen betaald
(blijven) worden; hiervoor komt geen nieuwe regeling. Het is aan de gemeenten
om te bepalen welke voorziening zij gedurende welke tijd willen
inzetten voor hun doelgroep; ook voor de huidige Wiw- en ID-werknemers. Het vrij
besteedbare budget geeft gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk
te bieden; ook voor de groep met een grotere afstand tot de
arbeidsmarkt.
Voor 2003 is €|1,3
miljard toegekend voor ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen en
-werkervaringsplaatsen. Ultimo 2003 zijn er naar verwachting
nog 45 500 ID-banen en 25
000 Wiw-dienstbetrekkingen bezet. Het precieze aantal ID-banen
is moeilijk aan te geven, omdat gemeenten in 2003 al een vrij
besteedbaar ID-budget hebben. Daarmee is het dus niet mogelijk om precies aan
te geven welk bedrag in 2004 door gemeenten zal worden uitgegeven aan
gesubsidieerde arbeid. In totaal is in 2004 €|1,6
miljard aan flexibel
reïntegratiebudget voor de gemeenten beschikbaar. De precieze omvang van de
benodigde middelen die zouden zijn gemoeid met het regulier
onderbrengen van de huidige Wiw-ers en ID-ers in de laagste loonschalen is
eveneens moeilijk te geven. Zoals aangegeven, is in 2003 €|1,3 miljard toegekend aan gemeenten
voor ID- en Wiw-banen. Dit geeft een goede indicatie van
de benodigde middelen, maar bedacht moet worden dat de beloning in
een ID-baan tot maximaal 150% WML [wettelijk
minimumloon, red.] kan oplopen.
De leden van de
CDA-fractie stellen vast dat de werknemer op een gesubsidieerde arbeidsplaats
zo nodig
ondersteuning mag verwachten van de gemeente bij doorstroom
naar reguliere arbeid, aangezien gesubsidieerde arbeid niet wordt gezien
als een einddoel op zich. Deze leden vragen of de veronderstelling juist is
dat dit ook betekent dat de betreffende werknemer verplicht is om te willen
doorstromen.
De leden van de PvdA-fractie
vragen het kabinet wat er wordt bedoeld met de zinsnede dat
gesubsidieerde arbeid weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid is, maar geen
einddoel kan zijn.
In de
Wwb wordt onder
arbeidsinschakeling verstaan: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht
op arbeidsinschakeling. Het kabinet is van mening dat gesubsidieerde arbeid
een voorziening is gericht op arbeidsinschakeling en daarmee geen einddoel
is. Einddoel is algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen
gebruik wordt gemaakt van een voorziening. De werknemer op een
gesubsidieerde arbeidsplaats mag daarom van de gemeente
ondersteuning
verwachten die is gericht op doorstroom naar ongesubsidieerde arbeid
en heeft ook de plicht daaraan medewerking te verlenen. Indien de
gemeente gesubsidieerd werk aanbiedt, dient er sprake te zijn van
algemeen geaccepteerde arbeid. Dat wil zeggen: werkzaamheden die niet ingaan tegen de
integriteit van de persoon.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of, behalve de ID- en Wiw-banen, ook
sociale werkvoorziening en SPAK [specifieke afdrachtskorting, red.]
worden beschouwd als gesubsidieerde arbeid.
Onder gesubsidieerde
arbeid verstaat het kabinet in het kader van de Wwb arbeid die met inzet
van een Wwb-voorziening, dus met aanvullende middelen, wordt verricht
in het kader van de arbeidsinschakeling. De dienstbetrekkingen in
het kader van de sociale werkvoorziening vormen een aparte
voorziening die los gezien moeten worden van gesubsidieerde arbeid in het kader van
de Wwb en waarvoor de voorwaarden van de Wsw gelden.
Fiscale regelingen, zoals de SPAK, vallen niet binnen de definitie van een
voorziening in het kader van de Wwb; banen waarbij de werkgever van deze
regeling gebruik maakt, worden dus niet gezien als gesubsidieerde banen in
het kader van de Wwb.
rblz.|27|
De leden van de PvdA-fractie
willen weten of het klopt dat de uitvoering van de huidige Wiw-dienstbetrekkingen onder bepaalde voorwaarden is
vrijgesteld van
omzetbelasting.
Klopt het ook, zo vragen
deze leden zich af, dat straks over alle reïntegratietrajecten
van gemeenten omzetbelasting berekend wordt? Zal dat leiden tot hogere
lasten voor gemeenten, juist omdat de wettelijke gronden voor de
vrijstelling al wegvallen met het verdwijnen van de Wiw? Deze omzetbelasting,
zo begrijpen deze leden, kan niet gedeclareerd worden op grond van het
BTW-compensatiefonds. Om welk bedrag gaat het hier, zo willen
de leden van de PvdA graag weten. De leden van de VVD-fractie vragen het
kabinet of de gemeenten hiervoor worden gecompenseerd.
De uitvoering van de
huidige Wiw(-dienstbetrekkingen) door gemeenten
e.d. is inderdaad
vrijgesteld van omzetbelasting, mits daarmee geen winst wordt beoogd. De opdracht
om uitvoering van de reïntegratietaken zoveel mogelijk uit te besteden
aan private instellingen of personen heeft inderdaad tot gevolg dat de gemeente, afhankelijk van de voorzieningen die worden ingekocht, over
leveringen en diensten die niet zijn vrijgesteld, omzetbelasting
verschuldigd is. De gemeente heeft geen recht op een bijdrage uit het
BTW-compensatiefonds voor de omzetbelasting die in rekening wordt gebracht
voor reïntegratievoorzieningen die worden verstrekt of ter
beschikking gesteld aan individuele derden (bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden).
Alleen bepaalde voorzieningen zijn vrijgesteld. Globaal kan gezegd worden
dat voorzieningen die te maken hebben met scholing en langdurig
werklozen vrijgesteld zijn en voorzieningen als casemanagement en
begeleiding niet.¹ Voor een nadere beschrijving van voorzieningen die
vrijgesteld zijn, wordt onder andere verwezen naar artikel 11 van de Wet
op de omzetbelasting 1968.
Wanneer de levering of
dienst plaatsvindt aan of ten behoeve van de gemeente zelf,
bijvoorbeeld de door het reïntegratiebedrijf in rekening gebrachte
uitvoeringskosten of apparaatskosten, kan de gemeente voor de betaalde
omzetbelasting een beroep doen op het BTW-compensatiefonds.
Omdat gemeenten in
verband met SUWI voor een deel van de bestedingen uit het scholings- en activeringsbudget omzetbelasting moeten
gaan betalen, heeft er
vanaf 2002 een generieke ophoging van het Wiw-scholings- en
activeringsbudget plaatsgevonden (voor het jaar 2003 bedraagt de toevoeging
€|7,6 mln). Deze ophoging is vanaf 2004 toegevoegd aan het vrij besteedbaar
reïntegratiebudget. Of de Wwb leidt tot hogere lasten voor
gemeenten vanwege de omzetbelasting is niet vast te stellen. Dit komt doordat
het afhangt van de voorzieningen die gemeenten inzetten.
1. Vrijgestelde
voorzieningen zijn onder andere (beroeps)onderwijsvoorzieningen, waaronder
praktijkopleidingen voor langdurig werklozen, en leveringen
en diensten van sociale aard mits de
onderneming geen winst beoogd.
Overgangsregime
verdeelsystematiek werkdeel
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen verheldering over de opmerkingen van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Trouw, 30 juni 2003) dat
het overgangsregime met betrekking tot gesubsidieerde arbeid met één jaar wordt
verlengd.
Het kabinet heeft
besloten om het in de algemene memorie bij de hoofdwet
Wwb opgenomen overgangsregime, betreffende de verdeelsystematiek
van het macrobudget
werkdeel Wwb, niet te hanteren voor het jaar 2004. Voor het
jaar 2004 is gekozen voor een verdeelsystematiek die aansluit bij de
verdeling van de beschikbare middelen Wiw en ID
in het jaar 2003. Een
verdeelsystematiek die is gebaseerd op de status quo van het jaar 2003 komt
in het bijzonder de grote gemeenten, respectievelijk gemeenten die relatief
veel personen op gesubsidieerde arbeidscontracten hebben geplaatst,
tegemoet. Zij krijgen één jaar langer de tijd om rblz.|28|
verdere reductie van
gesubsidieerde arbeidsplaatsen te realiseren. Vanaf het jaar 2005 wordt de
verdeelsystematiek gehanteerd zoals beschreven in de memorie van
toelichting bij de hoofdwet Wwb met inbegrip van het overgangsregime.
Doorstroom naar
ongesubsidieerde arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen welk percentage Wiw-ers en
ID-ers binnen één jaar kan
doorstromen naar een reguliere baan. Deze leden vragen tevens welke
conclusies het kabinet trekt uit het feit dat de doorstroom tussen Wiw en ID en
tussen Wiw-dienstbetrekkingen en Wiw-werkervaringsplaatsen verschilt.
Er kan door het kabinet
niet zonder meer een uitspraak worden gedaan over het percentage
werknemers op een ID- en Wiw-baan dat binnen
één jaar uit kan stromen.
Deze zijn onder meer afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Wel
beschikt het kabinet over een aantal jaren ervaringsgegevens.
Verwacht mag worden dat de invoering van de Wwb
en de door het kabinet
ingezette acties tot bevordering van de uitstroom een gunstig effect hebben
op de (positieve) uitstroompercentages. Alleen voor het jaar 2002 zijn
er cijfers beschikbaar van de totale uitstroom naar reguliere arbeid. In 2002
stroomde een kwart van de totale uitstroom van de Wiw-dienstbetrekkingen
uit naar reguliere arbeid.
Het verschil in
doorstroom tussen Wiw-dienstbetrekkingen, Wiw-werkervaringsplaatsen
en ID-banen is te verklaren uit het feit dat deze voorzieningen open
staan voor verschillende doelgroepen, uitgaan van een andere
financieringssystematiek en andere eisen stellen aan doelgroep en
werkzaamheden.
Ervaringsgegevens
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2000
|
2001
|
2002
|
|
Wiw-dienstbetrekkingen
(uitstroom als aandeel van beginstand + instroom):
|
| totale uitstroom |
29%
|
29%
|
33%
|
| waarvan positieve
uitstroom ¹ |
x
|
62%
|
60%
|
|
Wiw-werkervaringsplaatsen (uitstroom als
aandeel van beginstand + instroom):
|
| totale uitstroom
|
63%
|
64%
|
58%
|
| waarvan positieve
uitstroom
|
59%
|
66%
|
69% ¹
|
|
ID-banen (uitstroom als
aandeel van gemiddelde stand):
|
| totale uitstroom |
x
|
11,9%
|
10,3%
|
| waarvan positieve
uitstroom |
x
|
41%
|
43%
|
1. Uitstroom naar een
reguliere of anders gesubsidieerde baan of scholing
Gesubsidieerde arbeid als
vangnet
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet aan te geven hoe groot, op basis van het huidige
bestand, de groep is binnen de gesubsidieerde arbeid voor wie
doorstroom niet voor de hand ligt, ermee rekening houdend dat
gesubsidieerde banen voor een bepaalde groep een vangnet kunnen zijn.
Een dergelijke schatting
kan niet worden gemaakt. Daarvoor is de doorstroompotentie van
personen die op een gesubsidieerde arbeidsplaats werkzaam zijn te divers.
Hoe gemeenten vormgeven aan de beleidsinzet van gesubsidieerde arbeid
als opstap naar ongesubsidieerde arbeid of als een meer
permanente voorziening, is een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten. Verwacht
mag worden dat gemeenten, na invoering van de Wwb, hierop bewust
beleid zullen voeren. Met het vrije rblz.|29|
reïntegratiebudget en de vermindering van de regels zijn zij bovendien
beter in staat om een op
de persoon gericht traject voor deze personen aan te bieden. Doel is te
allen tijde een traject naar reguliere arbeid. Het kabinet deelt de opvatting van deze leden dat dit niet in alle gevallen
mogelijk is. In zo’n
situatie is ook een gesubsidieerde baan mogelijk voor langere tijd. Wel is van
belang dat gemeenten periodiek blijven onderzoeken of deze personen een
volgende stap richting reguliere arbeid kunnen zetten.
Gereserveerde arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom het kabinet het advies van de RWI
[Raad voor werk en inkomen, red.] niet heeft
overgenomen om gesubsidieerde arbeid te continueren in de vorm van
gereserveerde arbeid.
In het Beleidskader Werk
en Inkomen 2002 heeft de RWI het voorstel gedaan voor het inzetten
van gereserveerde arbeid. In reactie op dit voorstel heeft het kabinet
aangegeven geen systeem van gereserveerde arbeid in te zetten, omdat met
de komst van één ongedifferentieerd, flexibel, vrij besteedbaar
reïntegratiebudget gemeenten optimaal maatwerk kunnen bieden om werkzoekenden
op persoonsgerichte wijze te begeleiden. De inzet van gesubsidieerde
banen blijft daarbij mogelijk.
Verantwoordelijkheid
werkgevers
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen een standpunt van het kabinet als het gaat om de
verantwoordelijkheid van werkgevers, zowel in de publieke als in de
private sector, om bijstandsgerechtigden in dienst te nemen.
Het kabinet is van mening
dat ook werkgevers een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het
reïntegreren van bijstandsgerechtigden. Het is in het belang van werkgevers
dat zoveel mogelijk mensen in Nederland aan het werk zijn of kunnen
worden ingeschakeld indien de conjunctuur weer aantrekt. Hiertoe is ook
van belang dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen om
bijstandsgerechtigden die stage lopen bij een bedrijf zoveel mogelijk te leren.
Het kabinet is niet van
plan om werkgevers de verantwoordelijkheid om bijstandsgerechtigden te reïntegreren dwingend op te leggen. Een
verplichting zou de
concurrentiepositie van bedrijven kunnen verslechteren en daarmee de totale
werkgelegenheid uiteindelijk kunnen verminderen.
Bezuinigingen SPAK en VLW
De
leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet aan te geven wat het effect van de
bezuiniging op de SPAK en VLW [vermindering langdurig werklozen, red.], reeds ingegaan op 1 januari 2003, is op de
arbeidsinschakeling van laaggeschoolden en langdurig werklozen.
In 2003 wordt een eerste
stap gezet in het afbouwen van de SPAK tot nul in 2006. Bij de VLW kan
geen instroom meer plaatsvinden. Als gevolg hiervan kan de
werkgelegenheid onder laagopgeleiden en langdurig werklozen dalen. Hiertegenover
staat dat middelen die hiermee vrijgespeeld worden, ingezet worden
voor een verhoging van de arbeidskorting. Dit heeft een positief
werkgelegenheidseffect. Er is door het kabinet gekozen voor meer
arbeidsaanbodstimulerende maatregelen in plaats van vraagstimulerende maatregelen. Daarnaast
heeft de gemeente de mogelijkheid om een loonkostensubsidie
binnen de Wwb in te zetten als voorziening om mensen te
reïntegreren. Het exacte partiële effect van deze maatregelen rblz.|30|
op de
werkgelegenheid voor laaggeschoolden en langdurig werklozen tot nu toe is niet aan
te geven.
Werk met behoud van
uitkering
Door de leden van de
fracties van de PvdA, GroenLinks en de VVD zijn vragen gesteld over de
wettelijke randvoorwaarden zoals die gelden voor de mogelijkheid om met
behoud van uitkering (onbetaald) werk te verrichten. De leden van
de fracties van PvdA en GroenLinks vragen naar de verschillen tussen
werken met behoud van uitkering enerzijds en het werken tegen een
arbeidsovereenkomst anderzijds. Deze leden stellen onder meer voor om bij
alle reïntegratietrajecten waar werk of werkervaring aan de orde is,
direct
of na een termijn van bijvoorbeeld zes maanden uit te gaan van
een dienstbetrekking, met recht op loonbetaling. De leden van de fractie
van de PvdA informeren voorts of het kabinet het mogelijk en wenselijk acht dat gesubsidieerde arbeid uiteindelijk zal
worden vervangen door
werken met behoud van uitkering en hoe een dergelijke ontwikkeling
zich eventueel verhoudt tot het proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen in dit verband voorts
naar het onderscheid
tussen werken met behoud van uitkering in de vorm van vrijwilligerswerk en
werk tegen een prestatie voor de werkgever. Tevens zijn de leden van
de fractie van de PvdA geïnteresseerd in de mening over de zogenaamde
nultrajecten, waaraan geen concrete afspraken over scholing
of werk verbonden zijn en jongeren feitelijk met behoud van uitkering
moeten gaan werken. De leden van de fractie van GroenLinks informeren in
dit verband of mensen die gaan werken met behoud van uitkering
aanspraak kunnen maken op een onkostenvergoeding boven de basisuitkering.
Tot slot zijn de leden van de VVD fractie geïnteresseerd in de
mogelijkheden voor gemeenten om een arbeidscontract met het daarbij behorende
loon aan te bieden in plaats van een "echte" uitkering.
Onder de noemer
"werken
met behoud van uitkering" gaat een brede variëteit aan
activiteiten schuil. Deze activiteiten lopen uiteen van regulier
vrijwilligerswerk tot
korte werkstages. Het doel en het karakter van de werkzaamheden is sterk
afhankelijk van de mogelijkheden van de doelgroep voor inschakeling in
reguliere arbeid. Werkstages zijn gericht op het opdoen van vaardigheden
of bepaalde werkervaring in het kader van een reïntegratietraject en
kunnen daarom de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling van betrokkene vergroten.
De ervaring leert dat het (tijdelijk) verrichten van
werkzaamheden met behoud van uitkering een goede bijdrage kan leveren aan
de uitstroom naar betaalde arbeid en/of zelfstandige maatschappelijke participatie.¹ Het doel van de activiteiten is dus niet
primair het realiseren
van het bedrijfsdoel van de werkgever. Wanneer de overeengekomen arbeid
primair in woord en daad gericht is op het nut voor de stagiair, i.c. het
opdoen van vaardigheden of een bepaalde werkervaring, is er in beginsel geen
sprake van een arbeidsovereenkomst (zie HR 29 oktober 1982, NJ
1983, 230). Natuurlijk heeft de rechter het laatste woord bij de toetsing of
er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Cliënten en gemeenten
zijn daarentegen gebonden aan de rechten en plichten die voortkomen
uit de Wwb. Dat wil onder meer zeggen dat steeds getoetst moet
worden of de activiteiten nog wel bijdragen aan het vergroten van de kansen
van betrokkene op uitstroom. Om deze reden bestaan er bij het
kabinet reserves tegenover de zogenaamde nultrajecten, waaraan geen concrete
afspraken over scholing of opleiding verbonden zijn.
Tussen productieve arbeid
ten dienste van de werkgever enerzijds én de activiteiten die hierboven zijn gedefinieerd als "werken met behoud van uitkering"
anderzijds
bestaan dus enkele fundamentele verschillen. Het rblz.|31|
ligt daarom niet voor de
hand dat bij alle reïntegratietrajecten waar sprake is van werk of werkervaring, sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het
kabinet acht het thans
evenmin noodzakelijk of wenselijk om de "tewerkstelling" te koppelen aan een
vaste termijn, omdat daarvoor de verschillen tussen cliënten enerzijds en de aard en het doel van de werkzaamheden
anderzijds te groot
zijn. Immers, waar een periode van zes maanden voor werkstages
een adequate richtsnoer vormen, is een halfjaar vaak te kort voor
activiteiten in het kader van sociale activering of vrijwilligerswerk.
Werken met behoud van
uitkering is een ander instrument dan gesubsidieerde arbeid. Bij
gesubsidieerde arbeid is de werknemer over het algemeen wél in staat om
productieve arbeid te verrichten, maar kan er (bijvoorbeeld door een
tekort aan werkervaring) een groot verschil ontstaan tussen de
loonkosten van de werkgever en de mate waarin een gemiddelde werknemer deze
productieve arbeid verricht. De gemeente kan er dan voor kiezen om
een tijdelijke loonkostensubsidie te verlenen. Door deze verschillen
verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid op den duur wordt
vervangen door werken met behoud van uitkering. Het beleid van de gemeente
Amsterdam, zoals dat uit de publiciteit naar voren komt, waarbij de instroom
in gesubsidieerde arbeid wordt vertraagd door de inzet van "voortrajecten" acht het kabinet daarom niet wenselijk. Voor cliënten die niet
in staat zijn om op korte termijn deel te nemen aan (regulier) betaalde
arbeid kan vrijwilligerswerk een goed alternatief vormen. Om deze
activiteiten financieel te stimuleren, bestaan een aantal instrumenten. Zo kunnen
gemeenten eenmaal per kalenderjaar een premie uitkeren van
maximaal €|1944,-. Ook kan, evenals in de huidige
Abw
is geregeld, een
forfaitaire kostenvergoeding worden verstrekt voor het verrichten van
vrijwilligerswerk (tot ten hoogste €|20,-
per week met een maximum van €|700,-
per jaar), die niet wordt verrekend met de uitkering. Deze
kostenvergoeding kan worden verstrekt door de organisatie waar vrijwilligerswerk
wordt verricht, maar eventueel ook door de gemeente zelf.
Verschillende gemeenten
waaronder de gemeente 's-Hertogenbosch overwegen om cliënten in
plaats van uitkering een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Vanuit de Wwb
doen zich in beginsel geen bijzondere belemmeringen voor bij de
inzet van het inkomensdeel voor het uitbetalen van loon in plaats van
een uitkering. Het inkomensdeel is tenslotte vrij besteedbaar, dus kan
dit budget door de gemeente ook worden ingezet in de vorm van "loon". De cliënt is in beginsel verplicht om gebruik te maken van een
door het college aangeboden voorziening gericht op
arbeidsinschakeling.
Daarnaast moet worden
bedacht dat een dergelijke inzet van het inkomensdeel zich bevindt
op het snijvlak van de Wet werk en bijstand en het arbeidsrecht. Indien
de cliënt daadwerkelijk een arbeidscontract wordt aangeboden, zijn
gemeenten hiermee gebonden aan het (reguliere) arbeidsovereenkomstenrecht.
Dit betekent dat de beleidsvrijheid van gemeenten haar beperking
vindt in de algemene grenzen die het arbeidsovereenkomstenrecht
met zich mee brengt.
1. S. Serail en I. van de
Pas: Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering,
stand van zaken en lessen na 6 jaar
experimenteren in de Algemene bijstandswet, 2002, Den Haag, Elsevier
bedrijfsinformatie.
3.1. Rechten en plichten
[MvT;
V]
Positie cliënt
Door de
fracties van PvdA, VVD,
GroenLinks en CDA zijn vragen gesteld over de balans tussen
rechten en plichten van de cliënt, het doel, de aard en de reikwijdte van de
in de Wwb opgenomen "aanspraak op
ondersteuning" voor de cliënt en
voorts de mogelijke jurisprudentie als gevolg van dit nieuwe begrip.
rblz.|32|
Het kabinet deelt het
belang dat de leden van de fracties van de PvdA en
GroenLinks hechten aan
de positie van de cliënt bij reïntegratie. Voor de Bijstandswet belangrijke
uitgangspunten als persoonlijke verantwoordelijkheid en individualisering
kunnen tenslotte nauwelijks invulling krijgen als niet enkele fundamentele aanspraken voor de cliënt gewaarborgd
worden.
Het kabinet deelt,
samengevat, de opvatting van deze leden dat een aantal basisrechten verankerd
dienen te zijn in wet- en regelgeving. Er is echter niet gekozen voor een
nadere concretisering in de Wwb. De redenen daarvoor zijn tweeërlei.
In de eerste plaats dienen deze "basisrechten" zich naar de opvatting
van het kabinet niet te beperken tot alleen bijstandsgerechtigden,
maar moeten zij zich uitstrekken tot alle werkzoekenden met of zonder een
uitkering. Het kabinet heeft vastgesteld dat de meest essentiële rechtsnormen inmiddels goed tot uitdrukking komen in
de diverse wet- en
regelgeving, die in een directe relatie met dit wetsvoorstel staan. De Wet
SUWI is
daarvan een goed voorbeeld, maar ook aan de Algemene wet
bestuursrecht, de Gemeentewet, en tot slot, de Grondwet en internationale verdragen.
De leden van de
VVD-fractie vragen of voorzien wordt of het begrip ondersteuning bij reïntegratie door
jurisprudentie nader zal worden ingevuld.
De in de
Wwb omschreven
kaders zijn zo geformuleerd dat aan gemeenten de
randvoorwaarden worden geboden om aan de in deze wet betrekkelijk nieuw
geïntroduceerde begrippen, waaronder een aanspraak op ondersteuning voor de
cliënt, nader gestalte te geven. Met andere woorden, beoogd is om
gemeenten voldoende "gereedschap" te geven om de in dit wetsvoorstel
voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende
handvatten bieden voor de gemeente én de cliënt bij het beoordelen van de
criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures.
Het kabinet vertrouwt erop dat, gezien de expertise die door
gemeenten is opgebouwd met het opstellen van verordeningen in combinatie met de
procedurele waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming,
een ongewenste toename van jurisprudentie én administratieve lasten
voor de gemeente voorkomen wordt.
In die gevallen dat
geprocedeerd wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend
opstellen bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De
rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid
anderzijds brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de (politieke)
stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen kan
dat betekenen dat aan het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te
nemen, eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter. Een al te zeer inhoudelijke inkleuring van
begrippen blijft dan
achterwege.
In het hiernavolgende
zal, mede op verzoek van de leden van de fractie van
GroenLinks,
specifiek worden ingegaan op de twaalf suggesties van de FNV.
1. Keuzerecht. Naar de
mate waarin voor cliënten keuzemogelijkheden worden ingebouwd binnen
de (reguliere) werkprocessen, is onderzoek uitgevoerd in
samenwerking met Regioplan Beleidsonderzoek.¹ Een belangrijke constatering
was dat veel gemeenten en reïntegratiebedrijven bij het samenstellen van
het projectplan rekening houden met de wensen van de
cliënt. De gemeente heeft echter het laatste woord. Wel staat voor de
cliënt vanzelfsprekend bezwaar en/of beroep open tegen de beslissing
van de gemeente met betrekking tot de verplichting om deel te
nemen aan een reïntegratietraject.
2. Recht op begeleider/vertrouwenspersoon. Het kabinet kan zich vinden in
het uitgangspunt dat uitkeringsgerechtigden in beginsel het recht moeten
hebben om iemand mee te
nemen naar een keuring of een gesprek. Tevens kan vaak een
beroep worden gedaan op organisaties van cliënten. rblz.|33|
Ons is niet gebleken dat de bestaande wet- en of regelgeving
op dit terrein tekort zou
schieten. In voorkomende gevallen staan er voor cliënten
verschillende mogelijkheden open om "beklag" te doen. Nadere regels op
dit
terrein voor reïntegratiebedrijven worden mede daarom op dit moment niet
overwogen.
3. Initiatiefrecht wordt
geregeld in artikel 10 [10]
van de Wwb.
4. Budgetrecht. Door
gemeenten kan op grond van de Wwb in individuele gevallen een
persoonsgebonden reïntegratiebudget worden verstrekt. Een landelijk
geregeld "budgetrecht" wijst het kabinet echter af. De Kamer is hierover
separaat geïnformeerd.²
5. Recht op een vaste
consulent. Het kabinet hecht, zoals hierboven reeds is beschreven, veel
waarde aan de begeleiding van een cliënt bij reïntegratie. In het kader van
SUWI is
in de wet vastgelegd dat gemeenten, evenals UWV en
CWI,
bevorderen dat cliënten zoveel mogelijk met een vast aanspreekpunt (dat
optreedt als begeleider en trajectcoördinator) te maken hebben. Uit het
eerder genoemde onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met
Regioplan Bedrijfsonderzoek (zie onder 1) kan worden geconstateerd
dat een zeer groot aantal gemeenten ook daadwerkelijk invulling
heeft gegeven aan dit uitgangspunt.
6. Recht op behouden van
oude (uitkerings)rechten. Het onderwerp speelt mijns inziens niet
bij bijstandsgerechtigden en valt daarom buiten het bereik van de Wwb.
7. Recht op informatie.
Een recht op informatie is een prominent beginsel van "algemeen behoorlijk
bestuur". Daarnaast staat het geformuleerd in de SUWI-wetgeving en
kan het worden afgeleid uit de Gemeentewet.
8. Recht op maatwerk. Het
kabinet ondersteunt dit pleidooi voor maatwerk van de FNV van harte.
Maatwerk is daarom een centraal uitgangspunt van de Wwb
en komt tevens terug in de SUWI-wetgeving.
9. Recht op actieve
ondersteuning. In beginsel kan elke cliënt die dat naar zijn of haar oordeel
nodig heeft, een beroep doen op ondersteuning van het CWI en/of de
gemeente. De wijze waarop het kabinet een feitelijke aanspraak op begeleiding
wenst te waarborgen, komt ook naar voren in (de wetsgeschiedenis van) de Wet
SUWI.³ Tevens is een aanspraak op
ondersteuning geregeld in de Wwb.
10. Recht op volwaardige
en duurzame banen. Op grond van artikel 19 van de
Grondwet heeft de
overheid de zorg voor bevordering van voldoende
werkgelegenheid. Daartoe worden in het kader van het werkgelegenheidsbeleid
van het kabinet talrijke activiteiten ontwikkeld. De steun van sociale
partners is daarbij overigens onontbeerlijk. Garantie op werk kan de
overheid niet bieden.
11. Beroepsrecht.
Cliënten kunnen bezwaar en beroep aantekenen tegen besluiten van de
gemeente. Onafhankelijkheid is gewaarborgd in de beroepsfase.
12. Baangarantie. In het
kader van het reïntegratiebeleid kunnen diverse instrumenten worden
ingezet waardoor werkgevers personen in dienst nemen of houden. De
overheid kan, evenmin als de sociale partners, een baangarantie
realiseren.
1. Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, Mogelijkheden voor een
actieve rol van de cliënt bij
reïntegratie, 2003, Den Haag.
2. SZW-03-438.
3. Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nrs. 97 en 107.
De leden van de
fractie
van GroenLinks en de PvdA willen graag van het kabinet horen op welke
rechten individuen zich kunnen beroepen als het gaat om de
reïntegratieverplichting van de gemeente. Om deze rechten nader te concretiseren,
suggereren de leden van de fractie van GroenLinks om, in aansluiting op door de
FNV geformuleerde rechten, dergelijke
basisrechten op te nemen
in de wet. In dit verband vragen deze leden om een onderbouwde reactie
op de opname van basisrechten in het algemeen en de twaalf suggesties
van de FNV in het bijzonder. Daarbij wijzen de leden van de fractie
van GroenLinks op de bevredigende ervaringen van enkele UWV’s [uvi's, uitvoeringsinstellingen,
red.] met de
introductie van persoonsgebonden budgetten rblz.|34|
voor mensen die willen
reïntegreren. Ook de leden van de fractie van de PvdA wijzen op het belang
van keuzevrijheid van de cliënt en de mogelijkheden om cliënten een rugzakje
en/of een voucher toe te kennen.
Een aspect als
keuzevrijheid komt ook expliciet terug in de door de FNV
geformuleerde
basisrechten. Daarom komt dit punt hieronder, wanneer op elk door de FNV
geformuleerd recht afzonderlijk wordt ingegaan, vanzelf aan de orde. Overigens is
het wel van belang om op te merken dat de kwaliteit van deze "basisrechten" sterk bepaald wordt door de wijze
waarop in de praktijk
hieraan invulling wordt gegeven. Dit geldt ook voor de door de leden van de
fracties van PvdA en GroenLinks genoemde kwaliteitscriteria. Deze laten zich naar het oordeel van het kabinet niet
goed sturen door nadere
regels in wet- en regelgeving. In dit verband is het verheugend dat ook
Divosa de kwaliteit van de dienstverlening op de agenda heeft gezet en
dientengevolge een quick scan cliënttevredenheid voor het eerst als
mogelijkheid in de benchmark sociale diensten ¹ heeft opgenomen. Uit de
resultaten van deze quick scan blijkt dat de meeste cliënten vinden dat
consulenten voldoende tijd en aandacht aan hen schenken, voldoende
voorlichting geven en snel en efficiënt werken. Hoewel op onderdelen
zeker nog verbetering mogelijk is, valt toch te verwachten dat deze
positieve trend zich zal voortzetten. Onder meer omdat de kwaliteit van de
dienstverlening van de overheid door dit kabinet nadrukkelijk op
de agenda is gezet.²
In de Wwb is niet
expliciet aangegeven wat de precieze reikwijdte of inhoud van de aanspraak
op ondersteuning is. Het kabinet heeft daar niet voor gekozen, omdat zij
dit niet vond passen bij de aard en de doelstellingen van dit artikel. Artikel
10 [10] moet samen met de opdracht aan de gemeente om regels op te stellen met betrekking tot een evenwichtige
benadering van
doelgroepen (artikel 8 [8], tweede lid, Wwb), worden gezien als voorwaardenscheppend. Het
doel van beide artikelen is om betekenis te geven aan de zorgplicht van de
overheid, respectievelijk de gemeente.
Bij het besluit op een
aanvraag om ondersteuning zal de gemeente een individuele afweging
moeten maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Overwegingen daarbij zijn
de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de
noodzaak van een traject, de aanwezigheid van voorzieningen en hulpverlening of alternatieven daarvoor evenals de
financiële middelen die
beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van een
gemeentelijke verordening. De gemeenteraad houdt bij het vaststellen van de
verordening rekening met de beschikbare financiële middelen. Het ontbreken
van financiële middelen is echter onvoldoende afwijzingsgrond in een
individuele beslissing.
Door in de wet vast te
leggen dat belanghebbenden aanspraak hebben op ondersteuning, is er voor
betrokkenen een titel om deze aanspraak op te eisen. Daarmee is niet
gezegd dat betrokkene recht heeft op een bepaalde, specifieke voorziening en
deze specifieke voorziening kan eisen. Er is altijd een individuele beoordeling door de gemeente noodzakelijk.
De basis voor deze
individuele beoordeling wordt door de gemeente vastgelegd in de met
betrekking tot dit artikel voorgeschreven verordening.
1. SGBO, 2003, Benchmark
Sociale Diensten. Rapportage 2001, maart
2003.
2. Zie ook het
hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels,
2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637,
nr. 19).
De leden van de
fracties
van het CDA en de VVD hebben enkele vragen over de functie en de
risico’s van deze verordening.
Bij het vormgeven van
dit
wetsvoorstel is door het kabinet bewust gekozen voor het
voorschrijven van verordeningen op diverse terreinen, omdat hierdoor de
randvoorwaarden worden geboden voor een zorgvuldige uitvoering van de
wetgeving. Met andere woorden, beoogd is om gemeenten voldoende gereedschap te geven om de in dit wetsvoorstel
voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende handvatten bieden voor de gemeente
en de cliënt bij het beoordelen van de rblz.|35|
criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures.
Het kabinet vertrouwt
erop dat, gezien de expertise die door gemeenten is opgebouwd
met het opstellen van verordeningen in combinatie met de procedurele
waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming, een ongewenste toename
van jurisprudentie en van administratieve lasten voor de gemeente
voorkomen wordt.
Wanneer geprocedeerd
wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend opstellen
bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De
rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid
anderzijds
brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen
kan dat betekenen dat aan
het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen,
eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter.
Voor de reactie op de
twaalf suggesties van de FNV
wordt verwezen naar het antwoord op de brief
van de FNV van 5 juni 2003, dat als bijlage bij deze nota wordt
meegezonden.
Tot slot zal, op verzoek
van de leden van de fracties van PvdA en ChristenUnie, meer specifiek
worden ingegaan op de rechten en de plichten van cliënten en de
verschillen met de huidige situatie. Onder de huidige Bijstandswet zijn de
arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd in hoofdstuk VIII van
de wet. De Wwb kent een algemene verplichting om mee te werken aan
inschakeling in arbeid, deze is terug te vinden in artikel
9 [9]. In artikel
14 van de Abw wordt de basis gelegd voor de handhaving van de arbeidsverplichtingen. Deze worden uitgewerkt in het
huidige
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Hier zijn de verwijtbare gedragingen
gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de uitkering
gestandaardiseerd. Op grond van artikel 18
[18] Wwb
kan niet-nakoming van de
verplichtingen worden gesanctioneerd en worden daarvoor bij verordening regels
gesteld.
In hoofdlijnen zijn er
echter geen verschillen ten opzichte van de huidige situatie. Artikel 10
[10] Wwb kan gezien worden als een uitbreiding van de rechten.
Relatie Wsw en Wwb
De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet naar de visie op de relatie tussen de
Wsw en
dit
wetsvoorstel en of de Wsw een grotere rol kan spelen in het begeleiden
van arbeidsgehandicapten naar betaald werk. Zij vernemen graag van het
kabinet hoe het de wachtlijsten voor een Wsw-plaatsing wil
wegwerken
Het kabinet merkt
allereerst op dat de wachtlijst sinds 1998 fors is teruggelopen: van ruim 20 000 tot
ongeveer 5600 ultimo 2002. Deze daling zet nog altijd door, al gaat
het minder snel dan in voorgaande jaren. Het plaatsen van personen
vanaf de wachtlijst in een Wsw-dienstbetrekking of een
begeleid-werkenarbeidsplaats vergt maatwerk. Er zal dus altijd nog enige wachtlijst blijven
bestaan. Binnen de Wwb blijft gesubsidieerde arbeid mogelijk. Het
staat gemeenten vrij om voor schoolverlaters met een Wsw-indicatie op de
Wsw-wachtlijst een tijdelijke voorziening te treffen uit Wwb-middelen,
op dezelfde manier als dit nu mogelijk is uit Wiw-middelen.
Het kabinet merkt verder
op dat de doelstelling en doelgroep van de Wsw niet verandert door de
komst van de Wwb. Doel van de Wsw is het scheppen van aangepaste
werkgelegenheid voor personen die vanwege lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden
tot regelmatige arbeid in staat zijn. Voor het overgrote deel van de
Wsw-doelgroep is reïntegratie naar vormen van reguliere,
niet-gesubsidieerde arbeid niet reëel. Doel en doelgroep van het reïntegratiedeel van de
Wwb komen overeen met de doelstelling en doelgroep rblz.|36|
van de oude Wiw en ID. Bij de Wwb ligt de nadruk op een tijdelijke voorziening gericht op
reïntegratie op de reguliere arbeidsmarkt. Een klein deel van de Wwb doelgroep
valt waarschijnlijk onder de criteria van de Wsw en komt ervoor in
aanmerking.
Dankzij de nieuwe wijze
van indiceren is het aantal potentiële uitstromers onder de Wsw-werknemers
die onder de nieuwe wet zijn geplaatst, vrij gering. Daartegenover
staat dat de praktijk van periodieke herindicatie tot een snellere uitstroom
uit de Wsw kan leiden. Deze groep kan immers bij een verbetering in de arbeidscapaciteit door de indicatiecommissie bij
herindicatie beoordeeld
worden als niet langer aangewezen op aangepaste arbeid en dus niet meer
behorend tot de doelgroep.
Voor zover deze
arbeidsgehandicapten vallen onder de Wsw-doelgroep, kan de Wsw als wettelijke
voorziening een rol spelen bij toeleiding naar ongesubsidieerd werk.
Voor zover zij niet onder de Wsw-doelgroep vallen, omdat zij na indicatie
"te goed zijn bevonden", zal reïntegratie uit Wwb-middelen gefinancierd
dienen te worden. Een aantal SW-bedrijven [SW: sociale werkvoorziening, red.]
die voor gemeenten de Wsw
uitvoeren, heeft zich inmiddels ook op de reïntegratiemarkt
begeven. De reïntegratieactiviteiten van deze bedrijven spelen zich echter niet
af in het kader van Wsw en vormen een verbreding van het
activiteitenpakket naast de uitvoering van de Wsw. Wsw-middelen worden dus alleen ingezet
voor de eigen doelgroep.
Duurzame arbeid
De leden van de
PvdA-fractie vragen zich af aan welke termijn het kabinet denkt wanneer in de
Wwb wordt gezegd dat personen "zo snel
mogelijk" aan de slag komen. Zij
vragen het kabinet duurzame arbeid te definiëren en aan te geven hoe wordt
voorkomen dat mensen in draaideursituaties belanden.
Gelet op de financiële
verantwoordelijkheid van gemeenten gaat het kabinet ervan uit dat het
vooral aan de gemeenten is om doelen te stellen binnen welke termijn
personen aan werk worden geholpen. Dit zal mede afhankelijk zijn van
óf,
en zo ja, welke ondersteunende voorziening daarbij noodzakelijk is.
Uitgangspunt voor
uitstroom uit de bijstand is duurzame economische zelfstandigheid. Dit zal
in de regel tot uiting komen in de vorm van arbeid, al dan niet in deeltijd.
We gaan daarbij ervan uit dat gemeenten belang hebben bij duurzame
volledige uitstroom.
Gemeenten hebben
niettemin ook rekening te houden met de individuele situatie van personen.
Daar waar vanwege deeltijdarbeid of tijdelijke arbeid blijvende
economische zelfstandigheid nog niet aan de orde is, zal dit wel het perspectief
blijven waar naar gestreefd zal moeten worden. Met het oog op
verantwoording en doeltreffendheid van de wet vindt het kabinet het niettemin
noodzakelijk om aan te geven welke definitie van duurzame plaatsing/arbeid wordt gehanteerd. In de
vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is
aangegeven dat het kabinet onder "duurzaamheid"
verstaat: een situatie waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een
reguliere baan vervult (en in die periode geen uitkering meer ontvangt).
Om te voorkomen dat
personen na het aanvaarden van werk toch (steeds) weer terugvallen in de
bijstand, ligt het voor de hand dat gemeenten vooral aandacht schenken
aan de achterliggende oorzaken hiervan. Oorzaken kunnen liggen in
de sfeer van: individuele omstandigheden, in de persoon gelegen
kenmerken, al dan niet inzetten van voorzieningen, kwaliteit van de
aangeboden voorziening, kenmerken van de regionale arbeidsmarkt (bijvoorbeeld
seizoensarbeid) e.d. StimulanSZ zal voor gemeenten over dit onderwerp een
handreiking opstellen.
Het kabinet verwijst
tevens naar paragraaf 3.3 van deze nota waar wordt ingegaan op
draaideurklanten.
rblz.|37|
3.1.1. Afstemming van de
uitkering op het nakomen van verplichtingen [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie constateren dat gevolgen van het niet nakomen van
verplichtingen door de gemeente zelf wordt bepaald
(blz. 5 MvT). Zij vragen hoe ver
de vrijheid van de gemeente in dit geval strekt en of er een relatie moet
zijn tot de niet-nagekomen verplichting.
De vrijheid van de
gemeente strekt zich allereerst uit tot de grenzen die in
de wet zijn aangegeven.
Dat wil zeggen dat de gemeente een besluit tot verlaging van de
uitkering dat een langere geldigheidsduur heeft dan drie maanden, na die drie
maanden moet heroverwegen.
Naast de grenzen die door
dit wetsvoorstel zijn aangegeven, dient de gemeente bij het
vaststellen van de verordening als bedoeld in artikel
8 [8], eerste lid, onderdeel
b, het
proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen. Dat houdt in dat de hoogte
van de op te leggen maatregel goed moet zijn afgewogen tegen de ernst
van de verwijtbare nalatigheid van de betrokkene.
De leden van de
PvdA-fractie vragen om een nadere uitleg waar het huidige maatwerk in het
sanctiebeleid tekortschiet en wat nu precies de vorm van sancties is waar
het kabinet aan denkt.
In het wetsvoorstel staat
de individualisering centraal; dat komt tot uitdrukking in de
concretisering van de rechten en de verplichtingen en wordt doorgetrokken in de
individualisering van het sanctiebeleid.
De gemeente zal bij de
toekenning van de bijstand de belanghebbende informeren over de op hem
van toepassing zijnde rechten en verplichtingen en hem gelijktijdig op de
hoogte brengen welke gevolgen worden verbonden aan het niet of
onvoldoende naleven van die verplichtingen. Het gegeven dat elke
gemeente een op de lokale situatie toegesneden verlagingsbeleid kan
vormgeven en in een verordening kan vastleggen, sluit beter aan bij de
achterliggende filosofie van de Wwb.
Het huidige centraal
vormgegeven maatregelenbeleid heeft in de praktijk het niet-beoogde effect
van uniformering.
De voorgestelde
decentralisering van het verlagingsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid
om zowel aan de plichtenkant als met betrekking tot de gevolgen van het
niet of onvoldoende naleven van de verplichtingen optimaal maatwerk te
leveren.
De mate van verlaging van
de uitkering, de duur van die verlaging alsmede de wijze waarop
met de ernst van de gedraging en met de persoonlijke
omstandigheden rekening wordt gehouden, wordt door de gemeente in een
verordening vastgelegd.
Het gaat derhalve niet om
de vraag of de gemeente onder de huidige regelgeving niet direct
zou kunnen ingrijpen; de bedoeling van de thans voorgestelde regelgeving
is dat de gemeente op dit onderwerp zelf beleid kan maken, toegesneden op
de lokale situatie en met voldoende mogelijkheden voor maatwerk.
3.1.2. De verplichtingen
tot werk [MvT;
V]
Algemeen geaccepteerde
arbeid
Door de
fracties van CDA,
PvdA, VVD, D66 en
SGP is gevraagd om een toelichting op de
reikwijdte van het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid"; de verschillen
met het begrip "passende arbeid" en de relatie tussen algemeen
geaccepteerde arbeid en duurzame uitstroom. De leden van de CDA-fractie vragen
voorts of het juist is dat passende arbeid na verloop van één jaar voor
cliënten precies hetzelfde inhoudt als algemeen geaccepteerde arbeid. Dit
omdat het begrip algemeen geaccepteerde rblz.|38|
arbeid duidelijk
verschilt van het begrip passende arbeid. Zij vragen of het juist is dat een cliënt
met een academische opleiding van vijf jaar die na de WW in de bijstand
belandt, direct een aangeboden baan van ongeschoold werk, bijvoorbeeld als
schoonmaker, moet aanvaarden en wat de situatie voor deze klant is onder
de oude Algemene bijstandswet.
Tevens vragen de leden
van de CDA-fractie of een toename wordt verwacht van het aantal
bezwaar- en beroepsprocedures door de invoering van het begrip algemeen
geaccepteerde arbeid.
De leden van de
VVD-fractie vragen of de gemeente een sanctie kan opleggen als de
betrokkene algemeen geaccepteerde arbeid weigert.
Tot slot informeren de
leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van gesubsidieerde arbeid
versus algemeen geaccepteerde arbeid.
De wijziging van het
begrip "passende arbeid" in "algemeen geaccepteerde
arbeid" heeft een
tweeledige doelstelling. In de eerste plaats komt het accent duidelijker te
liggen bij snelle uitstroom uit de uitkering. In de tweede plaats krijgt de
gemeente meer ruimte voor het maken van eigen afwegingen. Bij deze
doelstellingen past geen sluitende definitie.
Kern van de wijziging is
dat alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is, geaccepteerd moet worden.
Opleidingsniveau en/of beroepsverleden spelen daarbij geen rol
meer.
Algemene grenzen van wat "algemeen
geaccepteerd" is, zijn niet in eerste instantie te vinden in de
Wwb, maar veeleer in aanverwante wet- en regelgeving, zoals de
arbeidswetgeving.
In dit verband is, zoals
de leden van de PvdA-fractie zich afvragen, illegale arbeid niet algemeen
geaccepteerd. Arbeid tegen een loon dat lager is dan de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag voorschrijft, is evenmin "algemeen
geaccepteerd".
In hoeverre de gemeente
daarnaast nog rekening moet en/of wil houden met de persoonlijke
situatie van de betrokkene is afhankelijk van de eigen afweging.
Dit impliceert dat de
sociale dienst cliënten mag verplichten om tijdelijke arbeid te
aanvaarden en
dat een eventuele weigering van een dergelijk aanbod kan worden
gesanctioneerd.
De leden van de
VVD-fractie vragen in dit kader tevens naar de zienswijze van het kabinet op de
relatie tussen een verplichting tot het verrichten van tijdelijke arbeid en de
werking van de arbeidsmarkt en de mogelijkheden om door middel van
tijdelijke arbeid de zelfredzaamheid te vergroten.
Het kabinet merkt
hierover het volgende op. Een verplichting tot het verrichten van tijdelijke
arbeid kan inderdaad een bijdrage leveren aan een verdere
flexibilisering van de arbeidsmarkt en kan in dit opzicht helpen om bepaalde
knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen. Ook kan dit onder omstandigheden
de zelfredzaamheid van betrokkene vergroten, omdat van de werknemer
verwacht mag worden dat hij of zij zelf uitziet naar ander werk.
Het is juist dat er een
spanningsveld kan optreden tussen snelle uitstroom en duurzame
arbeid. In de vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is aangegeven
dat het kabinet onder "duurzaamheid" verstaat: een situatie
waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een reguliere baan vervult
(en in die periode geen uitkering meer ontvangt).
De leden van de
fracties VVD, PvdA en
D66 vragen om een toelichting op het aspect duurzame
uitstroom in relatie tot algemeen geaccepteerde arbeid.
Het ligt, naar het
oordeel van het kabinet, niet in de lijn van het karakter van deze wet om in dit
verband een duidelijke voorkeur uit te spreken voor één van beide
prioriteiten. De gemeente zal in voorkomende rblz.|39|
gevallen steeds zelf
moeten beoordelen in hoeverre van betrokkene mag worden gevraagd om
tijdelijke arbeid, eventueel in deeltijd, te accepteren of dat, gelet op de
risico’s op terugval in de bijstandsuitkering of arbeidsongeschiktheid,
het meer voor de hand
ligt om bijvoorbeeld eerst een (scholings)traject af te
laten ronden. Indien de gemeente het risico op terugval in de bijstand
groot acht, ligt het voor de hand om aandacht te schenken aan de
achterliggende oorzaken hiervan. Een individuele afweging is dus geboden.
Een vergelijkbare
individuele afweging geldt ook voor de situaties waarin een cliënt bijvoorbeeld,
zoals de leden van de CDA-fractie schetsen, "na een academische opleiding
van vijf jaar na de WW in de bijstand belandt en een baan aangeboden
krijgt als bijvoorbeeld schoonmaker". De gemeente mag mede op basis van het
criterium "algemeen geaccepteerde arbeid" van de cliënt vergen dat hij of
zij dit aanbod aanvaardt. Dit kan iets verschillen van de huidige situatie:
toepassing van het begrip "passende arbeid", zoals dat gehanteerd
wordt in de Abw, zou impliceren dat iemand op academisch niveau pas na
een werkloosheidsduur van achttien maanden geacht wordt om een baan
onder VMBO-niveau te accepteren. Voor een schoolverlater geldt nu
reeds dat wat betreft de aard van de arbeid en het ervoor benodigde
opleidingsniveau alle arbeid als passende arbeid wordt aangemerkt, tenzij het
loon minder bedraagt dan het wettelijk toegestane
minimum. Voor een
academicus, niet zijnde schoolverlater, wordt vanaf de aanvang van zijn
werkloosheid alle arbeid waarvoor wetenschappelijk of hoger
beroepsonderwijsniveau is vereist onder de huidige bepalingen als passende arbeid
aangemerkt.
Het werkloosheidsrisico
van betrokkene is steeds een centraal criterium. Naarmate de
vooruitzichten op ander en beter aansluitend werk voor de betrokkene groter zijn,
zal eerder en meer rekening gehouden kunnen worden met aspecten als
vorig beroep en opleidingsniveau. Dit geldt ook voor een aspect als de
woonsituatie. In specifieke gevallen kan van de betrokkene verwacht
worden dat arbeid geaccepteerd wordt die verandering van woonplaats met zich
meebrengt. Naast het werkloosheidsrisico wordt de uitkomst van
deze belangenafweging vanzelfsprekend ook bepaald door de
omstandigheden op de regionale arbeidsmarkt en persoonlijke
omstandigheden, zoals de gezinssituatie, fysieke beperkingen en een eventuele spanning
tussen de aangeboden arbeid en de (geloofs)overtuiging. In
de memorie van toelichting is al uitgebreid ingegaan op de bijzondere situatie
van alleenstaande ouders.
De leden van de
fracties
van het CDA en de ChristenUnie vragen het kabinet in te gaan op de
betekenis van gewetensbezwaren.
Over het algemeen zal
gelden dat aan dergelijke strikt persoonlijke omstandigheden slechts
betekenis zal worden gehecht voor zover deze zwaarwegend zijn en een
onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten werk. Een
beroep op dergelijke gronden werd erkend in een zaak waarin een
islamitische vrouw niet als enige vrouw werkzaam hoefde te zijn met één of meer
mannen ¹ en in een casus waarin een godsdienstig bezwaar bestond tegen
werken op zondag.²
Zoals uit het
bovenstaande antwoord blijkt, verschilt de term "algemeen geaccepteerde
arbeid"
gradueel van het begrip "passende arbeid" en is de precieze invulling van
deze term voorts afhankelijk van individuele- en regionale factoren. Het
kabinet verwacht daarom geen ernstige toename van bezwaar- en
beroepsprocedures of belasting van de uitvoeringspraktijk.
1. RSV/1984/12.
2. RSV/1988/105.
Tot slot informeren de
leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van
gesubsidieerde
versus algemeen geaccepteerde arbeid en de reikwijdte van dit begrip waar het
gaat om arbeid van een (gedeeltelijk) arbeidsgehandicapte.
rblz.|40|
Gesubsidieerde
arbeid kan
worden ingezet als voorziening in het kader van de Wwb. Een aanbod
van de gemeente moet in beginsel (onder de randvoorwaarden zoals die
boven zijn geschetst met betrekking tot algemeen geaccepteerde arbeid)
door de cliënt worden aanvaard als zijnde een passend aanbod. Van uitstroom is alleen sprake als algemeen geaccepteerde
arbeid wordt verricht
waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening in het
kader van de Wwb. Werk van een arbeidsgehandicapte, waarvoor slechts gebruik
wordt gemaakt van een Rea-voorziening, wordt
wel gedefinieerd als arbeidsinschakeling, omdat de Wet Rea een ander doel
en een ander karakter heeft dan de bijstandswetgeving.
Inburgering
De leden van de
VVD-fractie vragen in hoeverre de gemeente arbeidsverplichtingen op kan leggen als iemand
een inburgeringstraject volgt en of dat ook kan betekenen
dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te aanvaarden, zodat
hij/zij niet meer afhankelijk is van de uitkering.
De leden van de
CDA-fractie vinden dat er nadrukkelijker dan tot nu toe een relatie gelegd moet
worden tussen de verplichte inburgering en het vinden van een duurzame
arbeidsplaats. Dit bevordert naar de mening van deze leden beide
doelstellingen. Dat kan onder andere door meer gebruik te maken van
zogeheten duale programma’s, waarin maatwerk per individu het
uitgangspunt is. Zij vragen naar de zienswijze van het kabinet hierop. Tevens
vragen zij in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel het maatgericht werken
aan inburgering en arbeidsintegratie ondersteunt.
Het kabinet onderkent dat
er een sterke relatie ligt tussen inburgeringstrajecten en reïntegratie in het
kader van de Wwb en dat deelname aan betaalde arbeid vaak een
belangrijke randvoorwaarde is voor een succesvolle integratie in de
Nederlandse samenleving. Om deze reden kan de gemeente
aan iemand die
op grond van de Wet inburgering nieuwkomers
(Win) deelneemt aan een
inburgeringsprogramma ook arbeidsverplichtingen opleggen. Dit kan
betekenen dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te
accepteren.
De gemeente dient er
daarbij voor te zorgen dat er geen spanning ontstaat tussen het
uitgangspunt van de Win (integratie in de Nederlandse samenleving) en van de
Wwb (economische zelfstandigheid). In beginsel is het zo dat integratie
in de Nederlandse samenleving een randvoorwaarde is om economisch
zelfstandig te kunnen functioneren. Dit omdat een goede beheersing van
de Nederlandse taal essentieel is voor een duurzame deelname aan
betaalde arbeid. Het is echter heel goed mogelijk en zelfs wenselijk dat
naast het inburgeringsprogramma arbeidsverplichtingen worden opgelegd, opdat
beide trajecten elkaar kunnen aanvullen en versterken.
In de, ook door de leden van de CDA-fractie genoemde duale trajecten,
die zowel taal- en/of opleidingscomponenten bevatten als
werkcomponenten, kunnen beide prioriteiten optimaal tot uitdrukking komen. De
inzet van deze trajecten wordt door het kabinet daarom van harte
ondersteund. Om te voorkomen dat de uitstroom uit de uitkering door toedoen
van de deelnemer aan het inburgeringsprogramma wordt belemmerd, kan aan
de deelnemer op grond van de Win een sanctie worden
opgelegd. Het sanctiesysteem van de Win is via de Invoeringswet
Wwb evenals onder de Abw gekoppeld aan de handhavingssystematiek
van de Wwb. Eventueel strategisch gedrag van de deelnemer kan daardoor
door de gemeente worden voorkomen en, indien nodig,
gesanctioneerd.
rblz.|41|
3.1.3. Ontheffingen
[MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie zouden ook in de nieuwe wet de vrijstelling van de arbeidsplicht voor
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar gehandhaafd willen
zien. De leden vinden dat deze ouders zelf de keuze moeten kunnen maken
tussen werktaken en zorgtaken. Ook alleenstaande ouders met een
bijstandsuitkering dienen de mogelijkheid te hebben om te kiezen voor
de opvoeding en zorg van hun kinderen. In het wetsvoorstel hebben ze
deze keuze niet. Die situatie vinden de leden van de CDA-fractie onjuist.
Als argument noemt het kabinet dat het voor deze ouders te moeilijk wordt
om na vijf jaar weer terug te keren in het arbeidsproces. Waar is die
veronderstelling op gebaseerd? Waarom wordt niet gekozen voor de mogelijkheid betrokkene te verplichten om zich gedurende
bijvoorbeeld de laatste twee jaar van die vijfjarige periode actief voor te bereiden op het
arbeidsproces in plaats van een algemene arbeidsplicht? Dit laatste zou,
rekening
houdend met de zorgtaken van de ouder, via cursussen of stages
ingevuld kunnen worden.
De leden van de PvdA-fractie
vragen wat de visie is van het kabinet ten aanzien van ontheffingen.
De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen het kabinet opnieuw een regeling te treffen
conform het huidige artikel 107, tweede lid, van de
Abw. Ten principale zijn
de leden van de SGP-fractie van mening dat de alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar niet in de Bijstandswet thuishoren,
maar onder een apart regime moeten vallen. Deze groep mensen
verdient de mogelijkheid om zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Door deze
groep mensen uit de bijstand te halen, ontstaat volgens de aan het woord
zijnde leden een duidelijker onderscheid met degenen die zo spoedig
uit de bijstand moeten. De leden van de SGP vragen of het kabinet die
opvatting deelt. De leden van de SGP-fractie vinden dat alleenstaande
ouders met kinderen jonger dan 5 jaar ontheven moeten zijn van
arbeidsplicht. De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts
in hoeverre de verantwoordelijkheid voor de kosten van kinderopvang
voor rekening van de bijstandsgerechtigde dan wel van de gemeente
komen. Ook vragen deze leden op welke wijze gemeenten, indien het
alleenstaande moeders met jonge kinderen betreft, de zorgplicht van de
vaders betrekken bij een beoordeling van de mogelijkheden tot het verrichten van
betaalde arbeid van de zorgende moeder. Daarnaast zijn zij
benieuwd naar de mogelijkheden voor deeltijdwerk voor (met name) alleenstaande
ouders. Zij vragen waarom dit niet nader wordt geoperationaliseerd
in de wet en de toelichting.
Een belangrijke reden om
de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar te laten vervallen, is het gegeven dat het
voor deze ouders na vijf jaar te moeilijk wordt om weer terug te keren in
het arbeidsproces. Deze stelling wordt onder meer gesteund door onderzoek
(RWI, 2003,
Arbeidsmarktanalyse 2003, blz. 31), waarin wordt aangetoond dat als de werkloosheid langer dan twee jaar
duurt, er een grote kans is op permanent verblijf in een
uitkeringssituatie. Daar komt bij dat naarmate mensen langdurig van een minimum inkomen
moeten rondkomen dit meer problemen geeft en de risico’s
op sociale uitsluiting toenemen.
Alleenstaande ouders met
(jonge) kinderen lopen het meeste risico op armoede; de kans op een
laag inkomen is ruim driemaal zo groot als het landelijk gemiddelde (SCP "Armoedemonitor 2001", blz.
15).
Bovendien blijkt er een belangrijke relatie te bestaan tussen de
financiële armslag van het gezin en de schoolprestaties van de
kinderen.¹ De
positie van eenoudergezinnen en hun kinderen is dus bijzonder kwetsbaar.
Internationaal onderzoek bevestigt bovenstaande
gegevens, maar laat bovendien zien dat het risico op een laag inkomen
voor alleenstaande ouders in Nederland groter is dan in veel andere
(Europese) landen.² Dergelijk internationaal vergelijkend onderzoek
maakt bovendien het rblz.|42|
verband tussen een laag inkomen en deelname aan betaalde arbeid voor
deze groep goed zichtbaar.
De hierbovenstaande
gegevens, gecombineerd met de doelstellingen van de Wwb, waren voor het
kabinet voldoende reden om de categoriale ontheffing van de
arbeidsverplichtingen voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan
5 jaar te laten vervallen. Het kabinet is het dan ook niet eens met de
opvatting van de leden van de SGP-fractie dat alleenstaande ouders minimaal vijf jaar
ontheven moeten zijn van de arbeidsplicht of dat voor deze groep
een apart regime, los van de Wwb, gecreëerd moet worden.
Andere overwegingen waren dat ook veel alleenstaande ouders
zélf gemotiveerd zijn om uit
te stromen naar betaalde arbeid ³ en tevens dat de leeftijdsgrens van 5
jaar in de praktijk weinig recht doet aan de individuele situatie van de
alleenstaande ouder. De Wwb beoogt om een individuele benadering te realiseren,
waarin rekening gehouden wordt met zorgtaken voor alle alleenstaande
ouders. De optie die wordt voorgesteld door de leden van de
CDA-fractie om alleenstaande ouders de laatste twee jaar van de vijfjarige
periode waarin zij ontheven zijn actief voor te bereiden op terugkeer
naar de arbeidsmarkt, wordt om deze reden niet overwogen. Rekening
houden met de combinatie arbeid en zorg gaat echter in het kader van
de Wwb niet zover dat, zoals de leden van de fractie van
GroenLinks
vragen, ook de zorgplicht van vaders betrokken moet worden bij het
opleggen van de arbeidsverplichtingen aan de alleenstaande moeder.
In plaats van een
categoriale ontheffing is ervoor gekozen meer te investeren in de randvoorwaarden
voor het opleggen van arbeidsverplichtingen voor deze groep. Onder meer door, zoals de leden van de fractie van
GroenLinks
vragen, te voorzien in kosteloze kinderopvang voor
bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden die gebruik maken van een door de
gemeente ingezet instrument gericht op arbeidsinschakeling. Naar verwachting treedt
in 2005 het voorstel voor de Wet basisvoorziening
kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet
kinderopvang, red.] in werking. Ook is in
dat
wetsvoorstel geregeld dat (alleenstaande) ouders aanspraak maken op een
volledige vergoeding van de kinderopvang, zolang zij deelnemen aan reïntegratieactiviteiten.
Het bevorderen van
keuzevrijheid van de ouders is een essentieel uitgangspunt van de Wbk.
Naast de Wbk is er de
laatste jaren meer wetgeving tot ontwikkeling gekomen die de
keuzevrijheid van alleenstaande ouders vergroot. De Wet arbeid en zorg en de
Wet aanpassing
arbeidsduur, maar ook de wijzigingen in het belastingstelsel,
zijn daar voorbeelden van. Als gevolg van de specifiek op
alleenstaande ouders gerichte heffingskortingen zijn alleenstaande ouders bij
uitstroom naar werk met een inkomen op het niveau van het minimumloon al economisch zelfstandig met een baan voor circa 30 uur per
week.
Onder meer door de
totstandbrenging van deze wetten, maar ook door bijvoorbeeld de
experimenten dagindeling met behulp van ESF-subsidies [ESF: Europees
Sociaal Fonds, red.] ook de komende jaren
voort te zetten, wil het kabinet tot uitdrukking brengen dat investeren in
zorg, naast de bevordering van de arbeidsparticipatie, een belangrijke
prioriteit is.
Echter, volledige
honorering van de keuzevrijheid van (alleenstaande) ouders, zoals de leden
van de fracties van de CU en het CDA wensen, is niet consistent met de
doelstellingen van de Wwb.
1. Dronkers et al: In Arm
Nederland, armoede en verzorgingsstaat.
Amsterdam University press 1999.
2. J. Plantenga: Alleenstaande ouders en de systematiek van de
verzorgingsstaat, 1999, Utrecht, Economisch
instituut.
3. T. Knijn en F. van Wel: Zorgen voor de kost, 1999, Utrecht, Uitgeverij
SWP.
Tot slot informeren de
leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks naar de mogelijkheden
voor deeltijdarbeid en verdere scholing voor deze groep.
Deeltijd arbeid kan,
onder omstandigheden, inderdaad een eerste opstap vormen naar volledige
uitstroom. In de Wwb is daarom geregeld dat voor
rblz.|43|
alleenstaande ouders met
kinderen jonger dan 5 jaar de aan arbeid en zorg gerelateerde
heffingskortingen worden vrijgelaten bij het vaststellen voor de hoogte van de
bijstandsuitkering. Daarnaast kan de gemeente in individuele gevallen
deeltijdarbeid voor alleenstaande ouders met kinderen stimuleren door
het verstrekken van eenmalige premie. Deze mogelijkheid staat open voor alle alleenstaande ouders, ongeacht de
leeftijd van het jongste
kind.
Het kabinet heeft, net
als de PvdA-fractie, geconstateerd dat veel alleenstaande ouders
laaggeschoold
zijn ¹ en vaak al lang uit het arbeidsproces zijn. Een specifieke
aanpak kan daarom geboden zijn. Door middel van de experimenten dagindeling
is voor deze groep de afgelopen jaren al een aantal methodieken
gerealiseerd die in het bijzonder gericht zijn op de ondersteuning van
alleenstaande ouders bij de uitstroom naar betaald werk. Deze methodieken
worden, als gevolg van de toegenomen vraag van gemeenten, door
steeds meer reïntegratiebedrijven overgenomen. Verdere ontwikkeling van
het aanbod kan ook tot stand komen door de subsidies die in het
kader van het emancipatiebeleid worden verstrekt aan kleinschalige
projecten
die zich richten op de scholing en participatie van laagopgeleide vrouwen.
1. Zie: T. Knijn en F. van
Wel.
De leden van de
fractie
van de PvdA informeren naar de visie van het kabinet ten aanzien van
ontheffingen. In dit kader informeren zij naar de doelstelling die hoort bij het
afschaffen van de ontheffingen van de sollicitatieplicht en de besparingen die met
deze wijzigingen worden geraamd. De leden van de fractie van
GroenLinks vragen voorts waarom niet gekozen is voor de vormgeving van een
specifieke regeling voor een categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht
voor chronisch zieken en gehandicapten. Tevens vragen deze leden
of het recht op ondersteuning ook geldt voor mantelzorgers.
Het terugdringen van het
aantal ontheffingen van de sollicitatieplicht is een belangrijke ambitie
van dit kabinet. Aan deze ambitie ligt in belangrijke mate de noodzaak ten
grondslag om de arbeidsparticipatie structureel te bevorderen en zo de
concurrentiepositie van Nederland te herstellen.¹ Deze doelstelling ligt
ten grondslag aan de Wwb, maar tevens ook aan de voorgenomen
wijzigingen van de werkloosheidsregelingen en de
arbeidsongeschiktheidswetgeving.
Daarnaast wordt door het kabinet ook veel waarde gehecht aan
het bestrijden van sociale uitsluiting. Sociale uitsluiting kent
verschillende dimensies, waarvan uitsluiting van de (betaalde) arbeidsmarkt
één van de belangrijkste is.² Deelname aan vrijwilligerswerk of activiteiten in het
kader van sociale activering kan voor langdurig werklozen
sociaal isolement voorkomen en kan dienen als eerste stap tot
(her)intrede in de arbeidsmarkt. Sterk verminderde mogelijkheden om in te stromen in
betaald werk hoeven daarom niet automatisch een reden te zijn voor
ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Wwb gaat er wel vanuit,
en biedt daar ook de ruimte voor, dat gemeenten ook bij het opleggen van
de arbeidsverplichtingen een op de individuele bijstandsgerechtigde
toegesneden aanpak hanteren. Dat wil zeggen dat evenals op grond de
huidige Abw gedifferentieerd kan worden bij het maken van afspraken met cliënten over activiteiten gericht op arbeidstoeleiding
of (tijdelijk) sociale
activering. Afhankelijk van de specifieke situatie betekent dat dat een
cliënt bijvoorbeeld wel verplicht wordt om (enkele uren per dag) scholing te
volgen, maar nog niet geacht wordt om actief te solliciteren. Tevens is
het denkbaar dat van een cliënt om medische en/of sociale redenen niet
wordt verwacht dat hij of zij volledig participeert op de arbeidsmarkt, zodat
met een deeltijdbaan genoegen wordt genomen. Een zorgvuldige afweging,
waarbij in de eerste plaats recht wordt gedaan aan de capaciteiten van
de cliënt, staat dus voorop. Leidraad bij deze afweging is echter wel
dat het realiseren van economische zelfstandigheid uiteindelijk het doel is.
Met inachtneming van dit uitgangspunt is het voor rblz.|44|
het overige aan de
gemeente om te bepalen welke aspecten bij deze afweging betrokken worden.
Eventuele mantelzorgtaken kunnen dus, zoals de leden van de fractie van GroenLinks vragen, ook heel goed
meegewogen worden bij het maken en
handhaven van afspraken met cliënten. Een basis voor de wijze
waarop (mantel)zorgtaken een rol spelen bij het opleggen en handhaven van
de arbeidsverplichtingen moet worden geformuleerd in de
verordening met regels met betrekking tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in
artikel 8 [8]
Wwb. In deze verordening kunnen gemeenten tevens aangeven welke voorzieningen zij willen inzetten om
de belemmeringen voor
deelname aan arbeid of activeringsactiviteiten zoveel mogelijk weg te
nemen.
Vanzelfsprekend beseft
dit kabinet ook dat er zich, ondanks de bovengenoemde uitgangspunten, altijd
omstandigheden voor blijven doen waaronder een algehele ontheffing
van de arbeidsverplichtingen het meest reëel is. Wel geldt ook
hier dat een ontheffing in beginsel altijd tijdelijk is en dat gemeenten dus
gehouden zijn om van tijd tot tijd te (laten) beoordelen of de noodzaak voor de
ontheffing nog aanwezig is.
De redenen daarvoor zijn
in het bovenstaande uitgebreid aan bod gekomen.
Voorts vragen de leden
van de PvdA naar de omvang van de verschillende groepen die thans zijn
ontheven van de arbeidsverplichtingen en naar de besparingen die bij deze
wijziging zijn geraamd.
In de tabel hieronder
(cijfers 2001) wordt een goede indruk gegeven van de omvang van de groepen
bijstandsgerechtigden met een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.³
| Redenrontheffingxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
Percentages
|
Absolute aantallen
|
| Gehele of gedeeltelijke
ontheffing
|
x66 |
215 160
|
| Categoriale ontheffing
|
x22 |
x73 154 |
| Ouder dan 57,5 jaar
|
x11 |
x35
501 |
| Alleenstaande met kind
onder de 5 jaar
|
x12 |
x37 653 |
| Individuele ontheffing
|
x44 |
142 006 |
| Medische redenen
|
x21 |
x68
851 |
| Andere
redenen ¹ |
x22 |
x73 154 |
| Geen ontheffing
|
x32 |
104
320 |
|
Onbekend
|
xv2 |
xr6
520 |
|
Totaal aantal
bijstandsgerechtigden
|
100
|
326 000
|
1. Individuele
ontheffingen vanwege "andere redenen" bestaan voor een belangrijk deel
uit "sociale redenen",
gevolgd door "het volgen van noodzakelijk geachte scholing".
Voor de goede orde wordt
hierbij opgemerkt dat voor de inzet van het Wiw-instrumentarium of de
uitvoering van de Abw de officiële status van arbeidsgehandicapte niet
relevant is. De groep mensen die om medische redenen is ontheven van
de arbeidsverplichtingen mag daarom niet worden gelijkgeschakeld
met de groep bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap.
Het effect van deze
maatregelen is verwerkt in de vaststelling van het macrobudget voor de
uitkeringen. Bij de ramingen van het budget is er wel uitgegaan van de
veronderstelling dat gemeenten meer invloed zouden moeten kunnen
uitoefenen op de omvang van de bijstandspopulatie.
1. Gemeentelijk
ontheffingenbeleid. Een onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van gemeenten rond het
verlenen van arbeidsverplichtingen aan
bijstandsgerechtigden. Inspectie Werk en
Inkomen, 2002, Zoetermeer.
2. Zie ook het Hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels,
2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637,
nr. 19).
3. M. Kronauer: Social
Exclusion and Underclass - New concepts
for the analyses of poverty. In: Empirical
Poverty Research in Comparative Perspective, 1998, Aldershot: Ashgate.
Zorgtaken
De
leden van de CDA-fractie vragen hoe de gemeente in haar verordening,
waarin regels met betrekking tot voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling worden opgenomen, aandacht dient te besteden aan de
wijze rblz.|45|
waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. Zij verzoeken het
kabinet dit met voorbeelden te verduidelijken.
De
door de leden van de CDA-fractie bedoelde zinsnede is in
artikel 8 [8], tweede lid, opgenomen met het doel de beoogde evenwichtige benadering van
verschillende doelgroepen nader te concretiseren. Op deze wijze wordt
erkend dat zorgtaken voor een aantal groepen bijstandsgerechtigden een
belangrijke rol spelen bij de mogelijkheden om gebruik te maken van
activeringsinstrumenten én deel te nemen aan betaalde arbeid. De groep
alleenstaande ouders springt daarbij het meest in het oog, maar de
combinatie arbeid en zorg kan ook een relevante factor zijn voor
bijvoorbeeld niet-uitkeringsgerechtigden en (echt)paren met kinderen.
In het voorstel voor de Wet basisvoorziening
kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet
kinderopvang, red.], die naar
verwachting per 1 januari 2005 ingevoerd wordt, kunnen daarom ook deze
groepen in aanmerking komen voor de kosten voor kinderopvang. Ook in de
periode dat zij gebruik maken van een instrument gericht op
arbeidsinschakeling op basis van de Wwb.
Tot op heden is voor veel van deze groepen de
aanwezigheid van zorgtaken vaak een reden om (tijdelijk) een ontheffing
te verlenen van de arbeidsverplichtingen.¹ De Wwb
beoogt het aantal
cliënten aan wie tijdelijk een ontheffing wordt verleend van de
arbeidsverplichtingen terug te dringen en gemeenten in plaats daarvan
te stimuleren om in het reïntegratiebeleid structureel rekening te
houden met eventuele zorgtaken. Een categoriale ontheffing van groepen
met zorgtaken (bijvoorbeeld alleenstaande ouders) is dan niet meer aan
de orde. Deze doelstelling kan op een aantal manieren concreet worden
gerealiseerd. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld in de verordening aangeven
of, en zo ja, hoe dit aspect een criterium is bij aanbesteding van
voorzieningen bij reïntegratiebedrijven. Door de combinatie "arbeid en
zorg" als een criterium mee te nemen, kan de ontwikkeling van een
gericht aanbod voor een doelgroep als alleenstaande ouders in de
bijstand ondersteund worden. Ook biedt deze verordening ruimte om uit te
werken hoe gemeenten na de inwerkingtreding van de Wbk ouders willen
ondersteunen bij de inkoop van kinderopvang op basis van de Wbk [en hoe
dat, red.] gestalte
moet krijgen. Voorts kan de gemeente deze verordening aangrijpen om
richtlijnen te formuleren voor het toetsen van het begrip "algemeen
geaccepteerde arbeid" in relatie tot de zorgtaken van alleenstaande
ouders.
Tot slot leent deze bepaling zich ook voor het
leggen van een relatie met andere voor de combinatie "arbeid en
zorg"
relevante beleidsterreinen, zoals de thuiszorg, tiener- en
tussenschoolse opvang. De totstandkoming van meer brede arrangementen
vergelijkbaar met bijvoorbeeld de experimenten dagindeling wordt dan
bevorderd. Een integrale benadering van reïntegratie, arbeidsmarkt en
arbeid en zorg kan het resultaat zijn.
1. Research voor Beleid,
Activeringsinstrumenten in de Bijstand
(deelrapport: arbeidsverplichtingen) 1999.
Ouderen
De
leden van de fractie van de PvdA vragen om een toelichting op de
afschaffing van de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht voor
personen van 57,5 of ouder. Tevens verzoekt deze fractie het kabinet om
in te gaan op de voorwaarden waaronder arbeidsverplichtingen aan ouderen en
(arbeids)gehandicapten kunnen worden opgelegd, mede in
verband met de huidige economische situatie. Voorts verzoekt de PvdA-fractie
het kabinet om in dit kader ook te verwijzen naar het
advies van de RWI met betrekking tot invoering van de
sollicitatieplicht voor ouderen. De leden van de CDA-fractie delen het
uitgangspunt van het kabinet, maar vragen of er op uitvoerend niveau
voldoende rekening mee kan worden gehouden dat de kansen
van deze groep klein zijn.
rblz.|46|
Aan het afschaffen van de categoriale ontheffing van de
sollicitatieplicht voor onder meer personen van 57,5 of ouder liggen
verschillende redenen ten grondslag. De eerste reden komt voort uit de
algemene doelstelling en de systematiek van de Wwb. Het kabinet beoogt
in de Wwb het individualiseringsbeginsel meer centraal te stellen en gemeenten mede daardoor in staat te stellen een beter uitstroombeleid te
voeren. Bij dit uitgangspunt passen geen categoriale ontheffingen.
Een tweede overweging is de sociale en
economische noodzaak om de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit de komende jaren verder te laten toenemen. Om de
problematiek waarmee ons land zich de komende jaren geconfronteerd ziet
als gevolg van de demografische ontwikkelingen het hoofd te kunnen
bieden, is het essentieel dat de arbeidsdeelname van onder meer ouderen
extra gestimuleerd wordt.
Naar de mening van het kabinet biedt de Wwb gemeenten een goede basis om de randvoorwaarden voor deze doelstellingen
nader vorm te geven. Een algemene verplichting om naar vermogen algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, biedt meer
mogelijkheden om de arbeidsmarktcapaciteiten, die bij alle cliënten in
het bestand aanwezig zijn, optimaal te benutten. Deze doelstelling vormt
één van de kernelementen van de Wwb en mag niet afhankelijk worden
gemaakt van de economische situatie.
Daar komt bij dat er, min of meer parallel aan
de Wwb, enkele wetgevingstrajecten lopen die meer specifiek gericht zijn
op het verbeteren van de toegang tot de arbeidsmarkt. In het bijzonder
kan hier worden gewezen op de wetgeving op het terrein van gelijke
behandeling op grond van handicap en leeftijd. Vanzelfsprekend moet ook
worden erkend dat de conjunctuur van invloed is op de mate waarin met
succes personen van 57,5 jaar of ouder op korte termijn tot volledige
arbeidsdeelname gebracht kunnen worden. De afgelopen jaren is het aanbod
gegroeid van activiteiten die specifiek op deze doelgroep(en) zijn
toegesneden; in de vorm van (hoger) onderwijs voor ouderen,
taalcursussen voor (oudere) allochtonen, etc.
Het ongedifferentieerd reïntegratiebudget
biedt ruime mogelijkheden om deze groepen cliënten een passend aanbod
te doen, eventueel in samenwerking met zorg- en welzijnsvoorzieningen.
Aantal ontheffingen
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot
de groep alleenstaande
ouders is met een kind jonger dan 5 jaar die nu is ontheven van de
arbeids- en reïntegratieplicht.
Het
aantal alleenstaande ouders in de Abw met een kind jonger dan
5 jaar
dat categoriaal ontheven is van de arbeids- en reïntegratieplicht
bedroeg in 2001 37 653.
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep 57,5-jarigen
of ouder binnen de bestanden is.
Het
aantal 57,5- tot 65-jarigen dat categoriaal - afhankelijk van de
leeftijd op de instroomdatum geheel of gedeeltelijk voor enkele
arbeidsverplichtingen - is ontheven van de arbeidsverplichtingen
bedroeg in 2001 35 501 personen.
De
leden van de PvdA-fractie informeren naar de omvang van de groep
bijstandsgerechtigden die om medische of sociale redenen een ontheffing
hebben gekregen alsmede naar de omvang van de groep gedeeltelijk of geheel
arbeidsgehandicapten.
rblz.|47|
Er vindt op dit moment
geen feitelijke registratie plaats van het gegeven of een
bijstandsgerechtigde in het kader van de Wet Rea arbeidsgehandicapt is.
In 2001 is aan ongeveer 44% van de
bijstandsgerechtigden een ontheffing om medische en/of sociale redenen
verleend. Onder "sociale redenen" wordt hier ook "noodzakelijk
geachte scholing" verstaan.¹
1. Gemeentelijk
ontheffingenbeleid, Inspectie Werk en Inkomen, oktober 2002.
De leden van de
SGP-fractie zijn van mening dat
alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger 5 jaar reeds na
twaalf maanden ook een langdurigheidstoeslag zouden moeten krijgen. Juist
deze groep mensen zit financieel erg krap. Is het kabinet bereid het
wetsvoorstel in deze zin bij te stellen?
Het
kabinet ziet geen aanleiding om voor de groep alleenstaande ouders met
jonge kinderen de door de leden van de SGP-fractie
gevraagde
uitzondering te maken op de referteperiode voor de
langdurigheidstoeslag. Het doel van de langdurigheidstoeslag is niet een
compensatie voor vermeende verschillen in de toereikendheid van de uitkeringsnormen, maar een tegemoetkoming voor diegenen die langdurig in
de bijstand zitten en door gebrek aan arbeidsmarktperspectief geen
uitzicht hebben op inkomensverbetering
3.2. Reïntegratie
[MvT;
V]
3.2.1. Gemeentelijke verantwoordelijkheid
[MvT;
V]
De
leden van de VVD-fractie constateren dat gemeenten vrij zijn om
reïntegratie-instrumenten in te zetten. Gemeenten kunnen op deze wijze
een aantal gemeentelijke taken door gesubsidieerde krachten laten
uitvoeren die anders door particuliere bedrijven zouden zijn
uitgevoerd. De leden van de VVD vragen op welke wijze wordt voorkomen
dat oneerlijke concurrentie en verdringing van reguliere arbeid
optreedt.
Gemeenten kunnen het vrij besteedbaar reïntegratiebudget onder andere
inzetten voor gesubsidieerde arbeid. Doorstroming naar een reguliere
baan staat voorop. Hiermee wordt de kans op verdringing van reguliere
arbeid minder groot ten opzichte van de huidige situatie, waarin slechts
een beperkte doorstroom is van ID-ers en Wiw-ers naar reguliere
arbeid en zij dezelfde werkzaamheden doen als andere werknemers.
De inzet van loonkostensubsidies c.q.
gesubsidieerde arbeid mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie.
Oneerlijke concurrentie kan ontstaan als gemeenten zelf zich in de
hoedanigheid van ondernemer op de private markt begeven en daar - door
de inzet van gesubsidieerde arbeid - producten aanbieden die onder de
geldende marktprijs liggen. Er is echter geen sprake van oneerlijke
concurrentie als het gaat om een loonkostensubsidie ten behoeve van
publieke dienstverlening, waar private bedrijven geen aanbod kunnen
verzorgen.
Het kabinet ziet geen noodzaak om in de Wwb
een
verbod te treffen op oneerlijke concurrentie door zogenaamde openbare
bedrijven ¹ van de gemeenten tengevolge van gebruik van gesubsidieerde
arbeid. Ten eerste moet de gemeente de Europese staatssteunregels en die
inzake de Transparantierichtlijn naleven. Op het moment dat bijvoorbeeld
een gemeentelijke dienst of overheidsonderneming marktactiviteiten
onderneemt en hiervoor overheidsmiddelen (i.c. gesubsidieerde arbeid)
gebruikt, is in beginsel sprake van staatssteun ², hetgeen moet worden
aangemeld bij de Europese Commissie. Bedrijven die zich benadeeld voelen
door vermeende oneerlijke concurrentie door de gemeentelijke dienst of
overheidsonderneming kunnen zich met een klacht wenden tot de Europese
Commissie. Voorts kunnen zij bij de nationale rechter een verbod
vorderen van deze steun of terugvordering eisen van de verboden steun.
In geval van onrechtmatig verleende steun zou er door concurrenten rblz.|48|
schadevergoeding voor geleden schade kunnen worden gevorderd bij de
nationale rechter.
1. In het EG-recht, namelijk de
Transparantierichtlijn, wordt onder de term "openbare bedrijven"
verstaan: elk bedrijf
waarop overheden rechtstreeks of middellijk een
dominerende invloed kunnen uitoefenen uit
hoofde van eigendom, financiële deelneming of
de desbetreffende voorschriften. Het Hof
van Justitie heeft bepaald dat het
irrelevant is of dit bedrijf een van de overheid
onderscheiden rechtspersoon is. De verplichtingen van
de Transparantierichtlijn met betrekking tot
doorzichtigheid in de financiële
betrekkingen tussen de overheden en de openbare
bedrijven zijn dan van toepassing.
2. Indien een
overheidsonderneming of gemeentelijke dienst zich
op de markt begeeft, moet dit bedrijf een
marktconforme prijs aanbieden.
3.2.2. Aanspraak van
belanghebbende op ondersteuning bij reïntegratie [MvT;
V]
Klantmanagement
De
leden van de PvdA-fractie vragen de waarborging van de toepassing van
klantmanagement door gemeenten. Ook vraagt de PvdA-fractie naar de wijze
van financiering van klantmanagement.
In
het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met de VNG
afspraken
gemaakt over klantmanagement. In de bestuurlijke afspraken met de VNG
van 24 april 2001 is vastgelegd dat van rijkszijde een financiële
impuls beschikbaar wordt gesteld voor het op sterkte brengen van
klantmanagement, mits de betrokken gemeente bereid is een
resultaatsverplichting af te spreken. Deze afspraak is ingevuld door het
maken van bestuurlijke afspraken met de gemeenten uit de G4 en uit de
G26 en door middel van een stimuleringsregeling voor de gemeenten die
niet tot de G4 en de G26 behoren [zie Tijdelijke stimuleringsregeling
bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van
klantmanagement, red.]. Gemeenten ontvangen hierbij subsidie
voor klantmanagement indien zij door een extra inspanning
prestatieafspraken realiseren. Deze prestatieafspraken hebben betrekking
op het realiseren van trajecten tot en met 2004 en op uitstroom uit deze
trajecten tot en met 2006. Structurele subsidiëring van klantmanagement
door het ministerie van SZW is niet aan de orde, omdat het begeleiden
van klanten een reguliere taak is van gemeenten. Ook de reïntegratie
van bijstandsgerechtigden is al geruime tijd bij gemeenten belegd. De
tijdelijke subsidie is erop gericht om de interne organisatie in te
richten op het bevorderen van uitstroom. Overigens krijgen gemeenten
door de vereenvoudiging van regelgeving meer ruimte om personele inzet
te verschuiven van administratieve werkzaamheden naar klantcontacten.
In de Wet SUWI is vastgelegd dat gemeenten,
evenals UWV en CWI, bevorderen dat klanten zoveel mogelijk met een
klantmanager (die optreedt als begeleider en trajectcoördinator) als
vast aanspreekpunt te maken hebben (artikel 9). Deze wettelijke bepaling
zal ook na de inwerkingtreding van de Wwb van kracht blijven. Op deze
wijze is gewaarborgd dat gemeenten de toepassing van klantmanagement
blijven bevorderen.
3.2.3. Niet-uitkeringsgerechtigden en
personen met een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet [MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie constateren dat de taak voor gemeenten om ook
niet-uitkeringsgerechtigden (hierna: NUG-ers) en mensen met een Anw-uitkering indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden,
expliciet is opgenomen in de nieuwe Wwb. Zij vragen op welke wijze de
reïntegratiemogelijkheden voor gemeenten zijn aangepast aan deze nieuwe
taak. Daarnaast vragen zij naar de sanctiemogelijkheden voor iemand met
een Anw-uitkering bij weigering reïntegratie.
De leden van de PvdA vragen hoe het kabinet kan
waarborgen dat de NUG-ers en Anw-ers naar evenredigheid door de
gemeenten geholpen worden. Zij vragen wat reïntegratie van een NUG-er
oplevert. Daarnaast willen zij weten hoe een gemeente een sanctie kan
opleggen en vragen zij zich af hoe transparant de afweging zal zijn of
het gebrek aan resultaat te wijten valt aan het gebrekkige functioneren
van het reïntegratiebedrijf of aan de cliënt.
De leden van de VVD vragen wat de effectiviteit
is van het aanbieden van reïntegratietrajecten aan NUG-ers. Zij
vragen zich af of voor deze groep niet een volledig eigen
verantwoordelijkheid zou moeten gelden en dat actieve ondersteuning van de
overheid niet aan de orde moet zijn.
rblz.|49|
Gemeenten hebben met de invoering van de Wet
SUWI per 1 januari 2002
via de Wiw de verantwoordelijkheid gekregen voor de reïntegratie van
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers. Deze taak vloeit voort uit
het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie
als voorwaarde voor een gunstige economische ontwikkeling. Deze taak
wordt in de Wwb gecontinueerd en is dus niet nieuw voor gemeenten.
Gemeenten hebben met ingang van 2002 een bedrag van €|96,655
mln gekregen voor uitvoeringskosten en reïntegratietrajecten voor deze
nieuwe doelgroep. Deze middelen zijn vanaf 2003 ongeoormerkt aan het
scholings- en
activeringsbudget Wiw toegevoegd en maken daardoor deel
uit van het werkdeel van de Wwb. Voor 2004 wordt bij de verdeling van
het werkdeel uitgegaan van een status quo ten opzichte van 2003. In de
loop van 2004 wordt bezien of het aantal NUG-ers/Anw-ers per gemeente in de
nieuwe verdeelsystematiek voor het werkdeel wordt opgenomen.
Het kabinet is van mening dat er voldoende
waarborgen zijn voor een evenwichtige aanpak van de doelgroep, hoewel er
geen directe financiële stimulansen zijn. Naast het feit dat de
reïntegratie voor NUG-ers/Anw-ers een wettelijke verantwoordelijkheid is
van gemeenten, moeten gemeenten in hun reïntegratieverordening
expliciet opnemen hoe zij de evenwichtige aandacht voor hun doelgroepen
vormgeven. De doelgroep zelf heeft aanspraak op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college
noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ook
maakt de doelgroep deel uit van de onder de in de EU-richtsnoer 1
gemaakte afspraak om iedere nieuwe werkloze een traject aan te bieden
voordat hij één jaar werkloos is.
Voor de NUG-er/Anw-er geldt geen verplichting
tot reïntegratie. De doelgroep dient zich als werkloos werkzoekend in
te schrijven bij het CWI. Alleen als het CWI van oordeel is dat
betrokkene een reïntegratietraject nodig heeft, vindt doorverwijzing
naar de gemeente plaats. Omdat sprake is van vrijwilligheid, kan de
gemeente geen sanctie op de eventuele uitkering opleggen. Wel kan de
gemeente voor deze doelgroep specifieke beleidsregels opnemen in de
reïntegratieverordening. Deze regels kunnen betrekking hebben op de
inhoud, duur en financiering van een traject. In het trajectplan kunnen
verplichtingen voor de klant worden opgenomen, zoals de plicht tot het
betalen van een eigen bijdrage en afspraken over terugbetaling van de
kosten indien een traject niet succesvol wordt afgerond. Als er tussen
klant en gemeente een geschil ontstaat over de in het trajectplan
gemaakte afspraken, kan dit aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
3.2.4. Een sluitende aanpak
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie vragen of de garantie op scholing en werk nog
steeds kan worden waargemaakt voor personen jonger dan 23 jaar. Deze
leden vragen wat de consequentie van de Wwb
is voor de afspraken in het
kader van de sluitende aanpak.
De leden van de PvdA-fractie
vragen hoe de
voornemens van de kabinet zich verhouden tot Europese afspraken over de
sluitende aanpak, in het bijzonder die van jongeren, waarbij gemeenten
binnen zes maanden werk of scholing aangeboden moeten hebben. Zij vragen
wat voor trajecten voor werk en/of scholing dit zullen worden als dit
niet meer landelijk geregeld is. Zij vragen het kabinet te bevestigen
dat het voorgenomen beleid het einde van de sluitende aanpak voor
jongeren betekent, in de zin dat niet langer gegarandeerd is dat iedere
jongere binnen zes maanden werk of scholing krijgt aangeboden. Ook de
leden van de CDA-fractie vragen wat de consequentie is van de Wwb voor
de sluitende aanpak.
De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet
hoe op Europees niveau in het kader van het Nationaal Actieplan
Werkgelegenheid gerapporteerd moet gaan worden via een algemene
maatregel van bestuur en hoe deze AMvB er in hoofdlijnen uit gaat zien.
Zij vragen het kabinet of het rblz.|50|
bestrijden van jeugdwerkloosheid niet
dermate belangrijk is dat hiervoor nu al duidelijk moet zijn hoe één en
ander verantwoord gaat worden naar Europa.
Sluitende aanpak wordt in de Wwb niet dwingend voorgeschreven. Doordat
de Wwb condities en mogelijkheden voor gemeenten creëert meent het
kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te
leggen. Gemeenten hebben - door de gemeentelijke financiële
verantwoordelijkheid - al het belang om iedereen een aanbod te doen:
de schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van
cliënten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de
verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de
mogelijkheid iedere cliënt een traject op maat aan te bieden.
Voor jongeren geldt nog sterker dat het voor
gemeenten loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder
werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een
aanbod moeten krijgen. Hiermee moet worden voorkomen dat zij langdurig
in een uitkeringssituatie komen. Hierbij kunnen gemeenten kiezen om
duale trajecten aan te bieden teneinde werken te combineren met het
behalen van een startkwalificatie. In dit kader verwijst het kabinet
naar het plan van aanpak jeugdwerkloosheid, dat op 30 juni naar de Tweede Kamer is verzonden.
De voortgang ten aanzien
van sluitende aanpak zal worden gemonitord, mede in het licht van
de benodigde rapportages richting Europese Commissie. De
informatievoorziening ten behoeve van de sluitende aanpak maakt
onderdeel uit van de reguliere statistieken en monitors; deze worden bij
ministeriële regeling vastgesteld. De vormgeving van de verantwoording
richting Brussel zal niet veranderen.
De
leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is serieus met
sociale partners te overleggen over het voorstel van de FNV om in
bedrijfs- en scholingsfondsen voorstellen te doen geld in te zetten
waarmee uitkeringsgerechtigden een echte kans krijgen op betaalde
arbeid.
Het
kabinet ondersteunt van harte alle initiatieven van de sociale partners
om via bedrijfs- en scholingsfondsen een bijdrage te leveren aan de
reïntegratie van uitkeringsgerechtigden. In dit kader is in
voorbereiding een verruiming van de ESF-regelgeving, zodat het mogelijk
wordt scholingsfondsen als cofinanciering in te zetten voor
scholing/reïntegratie van werkloos werkzoekenden.
3.2.5. Uitbesteding en aanbesteding
[MvT;
V]
Verplichting tot uitbesteding
De
vraag rijst bij de leden van de fracties van
CDA, PvdA, VVD,
GroenLinks
en ChristenUnie of de 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten niet vanzelf leidt tot een goed werkende reïntegratiemarkt en
of het opleggen van een uitbestedingsverplichting en
aanbestedingsprocedures juist niet belemmerend werkt. Zij vragen zich
daarbij af of een 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten
ook niet volledige beleidsvrijheid moeten inhouden met betrekking tot de
besteding van het werkdeel. De leden van het CDA vragen waarom niet
wordt volstaan met de algemene Europese en nationaalrechtelijke
aanbestedingsregels. De leden van de VVD vragen of niet eerst moet
worden bezien of de marktwerking vanzelf tot stand komt. Zij vragen
verder of het niet beter zou zijn om rond de uitbesteding volledige
beleidsvrijheid te introduceren.
De
besteding van het werkdeel is vrij, de manier waarop echter niet:
hiervoor geldt de eis tot uitbesteding en de aanbestedingsregels uit
het rblz.|51|
Besluit SUWI. Van belang is allereerst te memoreren dat de
verplichting tot uitbesteding niet zomaar een element is in het beleid
van dit kabinet. Het uitgangspunt dat de uitvoering van taken met
betrekking tot reïntegratie van werkzoekenden en arbeidsgehandicapten
zoveel mogelijk dient plaats te vinden in het private domein, is de
uitkomst van jarenlange discussies tussen kabinet en parlement over de
scheiding van publieke en private taken en verantwoordelijkheden;
discussies die uiteindelijk geleid hebben tot het tot stand komen van de
Wet SUWI.
Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 hard
gewerkt aan de inrichting van hun organisatie en het opstarten van
aanbestedingsprocedures om te voldoen aan de eisen die hieraan in de Wet
SUWI en in de Europese aanbestedingsregels gesteld worden. De ervaringen
van gemeenten op dit terrein zijn over het algemeen positief.
Betrokkenen binnen gemeenten stellen desgevraagd dat de nieuwe situatie,
waarin gemeenten niet meer een subsidierelatie maar een
opdrachtgeverrelatie onderhouden met reïntegratiebedrijven, belangrijke
voordelen oplevert. De opdrachtgever stelt nu bijvoorbeeld duidelijkere
doelstellingen vast met bijbehorende resultaatindicatoren. Gemeenten
moeten reïntegratiebedrijven immers kunnen afrekenen op de geleverde
prestaties.
Het is verder duidelijk dat er binnen gemeenten
conflicterende belangen kunnen spelen. De oriëntatie binnen het
gemeentelijke apparaat is aan het verschuiven van het uitvoeren van
regelingen naar het reïntegreren van mensen, zoveel mogelijk in
reguliere banen. Maar het belang van de dienst "inkoop" spoort niet
zonder meer met de belangen van de dienst die de regelingen op het
terrein van gesubsidieerde arbeid uitvoert en andere gemeentelijke
diensten, zoals het lokale vervoer en de stadsreiniging, die
maatschappelijke taken met behulp van gesubsidieerde arbeid uitvoeren.
Deze diensten hebben vooral een belang bij continuïteit en een soepele
opvulling van beschikbaar komende arbeidsplaatsen. Vanuit deze belangen
is de keuze van veel gemeenten om klanten rechtstreeks naar de
beschikbare gesubsidieerde plaatsen te verwijzen zeker een begrijpelijke
keuze. Maar het is niet een keuze die per definitie de inschakeling in
de arbeid van de klant het best bevordert.
Binnen de Wwb staat de reïntegratie van de
klant centraal. De verplichting tot uitbesteding voorkomt dat gemeenten
belangen van eigen gemeentelijke diensten mee moeten nemen in hun
afweging en zorgt ervoor dat te allen tijde de belangen van de klant
centraal staan. Immers, de reïntegratiebedrijven bepalen wat het beste
is voor de klant en gemeentelijke afwegingen kunnen daarin geen rol
spelen. Het kabinet wil om bovengenoemde redenen vasthouden aan de
verplichting tot uitbesteding.
Met betrekking tot de aanbestedingsprocedures
geldt dat door een goede vormgeving de gemeente veel informatie krijgt
over prijzen, kwaliteit en producten van bestaande en nieuwe
reïntegratiebedrijven. De Europese aanbestedingsregels schrijven onder
andere voor dat activiteiten met een bedrag boven de €|200 000,- openbaar
dienen te worden aanbesteed. Daarnaast verplicht het EG-verdrag tot
gelijke behandeling en transparantie. De manier waarop het Europees Hof
en de Europese Commissie dit interpreteren, wijst in de richting van een
verplichting om bij overheidscontracten voor een passende mate van
openbaarheid te zorgen, zodat de dienstenmarkt voor concurrentie wordt
opengesteld en de onpartijdigheid van een aanbestedingsprocedure
getoetst kan worden.
Bij de vormgeving van SUWI
is ingezet op de
ontwikkeling van een goed functionerende reïntegratiemarkt, waarin de
markt concurrerend en transparant is. Het lichte regime van de Europese
aanbestedingsregels sluit hierbij onvoldoende aan. In artikel 4.1 van
het Besluit SUWI is daarom opgenomen dat gemeenten en
UWV een
transparante en toetsbare aanbestedingsprocedure moeten volgen waarbij
meer offertes worden gevraagd op basis van
vooraf gestelde criteria.
rblz.|52|
Op het moment dat er een
goed werkende reïntegratiemarkt tot stand is gekomen, kunnen de
(strengere) aanbestedingsregels van het Besluit SUWI
komen te vervallen,
zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel Wwb is aangekondigd. Dan
zullen alleen de Europese aanbestedingsregels en de Mededingingswet
nog
van toepassing zijn.
Goed werkende reïntegratiemarkt
De
leden van de VVD-fractie vragen wat onder een goed werkende
reïntegratiemarkt wordt verstaan. De leden van de PvdA-fractie
vragen
daarnaast of het kabinet van mening is dat de reïntegratiemarkt
voldoende transparant en concurrerend is om gemeenten te verplichten
reïntegratietrajecten bij derden uit te besteden. In het verlengde
hiervan informeren de leden van de ChristenUnie-fractie naar de stand
van zaken rond het kwaliteitskeurmerk van Borea [Brancheorganisatie
Reïntegratiebedrijven, red.].
In
de huidige situatie is het aantal reïntegratiebedrijven dusdanig dat
kan worden gesproken van een behoorlijk concurrerende markt. Er zijn
meer dan 630 reïntegratiebedrijven, waarvan naar schatting een derde
actief is binnen het gemeentelijke domein op het terrein van scholing en
activering.
De transparantie op de reïntegratiemarkt is de
laatste jaren toegenomen. Dit blijkt uit onder meer het trendrapport van
Regioplan en het onderzoek dat Orbis en Regioplan in opdracht van het
RPA Rijnmond recent hebben gedaan. Daarnaast werkt de Raad voor werk en
inkomen aan het verbeteren van de transparantie door onder meer de reeds
operationele reïntegratiemonitor en de nog te ontwikkelen
ervaringenbank en prestatiebenchmark. Het door Borea ontwikkelde
keurmerk geeft gemeenten bovendien houvast omtrent de betrouwbaarheid
van reïntegratiebedrijven bij het maken van een keuze. In 2002 hebben
27 reïntegratiebedrijven het Borea-keurmerk gekregen. Momenteel worden
27 andere reïntegratiebedrijven beoordeeld om te kijken of ook zij in
aanmerking komen voor het keurmerk. In totaal zijn er op dit moment 125
leden. De verwachting is dat naast deze leden nog diverse andere
bedrijven het keurmerk zullen aanvragen, aangezien het keurmerk dan een
voorwaarde wordt voor lidmaatschap van Borea. Naar verwachting
halverwege volgend jaar is bekend of deze bedrijven aan de voorwaarden
hebben voldaan.
Hoewel uit het eerder genoemde trendrapport
blijkt dat het opdrachtgeverschap van gemeenten nog voor verbetering
vatbaar is, slagen gemeenten er steeds beter in hun opdrachtgeverschap
goed vorm te geven.
Op welke manier er vanuit de huidige situatie
naar die streefsituatie, waarin voldoende concurrentie en transparantie
op de reïntegratiemarkt is, wordt toegewerkt, is beschreven in de
notitie "Naar een werkende reïntegratiemarkt" (Kamerstukken
II 2002-2003,
28 719, nr. 1). Concurrentie en transparantie worden gerealiseerd door
transparante en toetsbare aanbestedingsprocedures, de beschikbaarheid
van objectieve informatie over resultaten, prijzen en kwaliteit van de
verschillende reïntegratiediensten en contracten waarin
reïntegratiebedrijven worden afgerekend op resultaat. Voor een optimale
prijsvorming is het verder van belang dat opdrachtgevers en
reïntegratiebedrijf inzicht hebben in klantkenmerken. Een goed werkende
reïntegratiemarkt zal mede tot stand komen door de groei van de markt.
Op het moment dat ook het budget voor de ID-banen en de
Wiw-dienstbetrekkingen in de loop der jaren vrijkomt, zullen meer
bedrijven zich op de markt begeven. In hoeverre marktpartijen goed op
resultaat en de daarbij horende prijs concurreren - en de werking van
de reïntegratiemarkt verder verbetert - is mede afhankelijk van de
vormgeving van de aanbesteding.
Een concrete en meetbare doelstelling om de
werking van de reïntegratiemarkt weer te geven, die niet afhankelijk is
van de conjunctuur, is moeilijk rblz.|53|
te formuleren. De mate van transparantie
en het gebruik van gemeenten van de aanbestedingsprocedure geven voor
het kabinet mede aan in hoeverre het verplicht stellen van de
aanbesteding achterwege kan worden gelaten.
Deze maatstaven zijn echter niet goed in
kwantitatieve termen te vangen. Daarom kiest het kabinet ervoor om geen
concrete en meetbare termen op te nemen.
De ontwikkelingen op de reïntegratiemarkt
worden door het departement en de toezichthouder gevolgd en uw Kamer
wordt hierover geïnformeerd, onder meer middels de kwartaalrapportages
arbeidsmarktbeleid, het tweejaarlijkse trendrapport en de rapportages
van IWI. Bij de evaluatie van de Wwb zal aandacht worden besteed aan de
werking van de reïntegratiemarkt en of deze verder is verbeterd.
Gevolgen voor gemeentelijke
reïntegratie-instellingen
De
leden van de PvdA vragen wat de verplichting tot uit- en aanbesteding
betekent voor de gesubsidieerde banen en voor de instellingen die deze
banen uitvoeren.
Voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen geldt dat het oude
regime zonder uitbestedingsverplichting en aanbestedingsprocedures van
toepassing blijft.
Wat betreft nieuw te creëren gesubsidieerde
arbeidsplaatsen vanaf het moment van invoering Wwb
geldt in het eerste
jaar nog het oude regime, dat wil zeggen dat niet hoeft te worden
uitbesteed. Na dit eerste jaar zal alle nieuw te creëren gesubsidieerde
arbeid moeten worden uitbesteed. Gevolg hiervan is dat gemeentelijke
instellingen (diensten en aan gemeenten gelieerde bedrijven), die op dit
moment de regelingen voor de gesubsidieerde arbeid uitvoeren, moeten
worden verzelfstandigd. Zij moeten op een gelijk speelveld met andere
reïntegratiebedrijven concurreren dan wel zich ontwikkelen als
werkgever bij wie via een reïntegratiebedrijf werknemers kunnen worden
geplaatst (al dan niet gesubsidieerd). Dit betekent onder meer dat de
betrekkingen tussen gemeenten en de gemeentelijke bedrijven doorzichtig
dienen te zijn en er geen sprake mag zijn van kruissubsidiëring van
private activiteiten vanuit publieke middelen en van oneigenlijke
bevoordeling van deze bedrijven door aanbestedende gemeenten.
Voor gemeenten en de betreffende instellingen
is een verzelfstandiging een gecompliceerd proces: administratief maar
ook vanuit de optiek van de bedrijfscultuur. Verschillende fracties zijn
dan ook bang dat de verplichte uitbesteding van gesubsidieerde arbeid in
de Wwb de nekslag zal zijn voor bestaande Wiw- en ID-organisaties, dat
de continuïteit van deskundigheid in gevaar zal komen en dat de
publieke infrastructuur onder druk zal komen te staan. Voor het op
afstand plaatsen van uitvoeringsorganisaties hebben gemeenten tijd
nodig. Deze organisaties moeten de tijd kunnen krijgen om te voldoen aan
de vereisten om mee te kunnen dingen op de reïntegratiemarkt - wat
betreft de rechtspersoonlijkheid en/of de werkwijze, methodiek, cultuur
en personeel - en een kans te hebben om gedurende het overgangsregime
te transformeren tot reïntegratiebedrijf dat wel aan deze vereisten
voldoet. Juist daarom heeft het kabinet besloten om het eerder genoemde
overgangsregime te creëren voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en
ID-banen en hun opvolgers in het eerste kalenderjaar van de Wwb. In het
overgangsregime is geregeld dat reeds opgevulde ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen niet hoeven te worden uitbesteed. Ook staat het
kabinet gemeenten toe in het jaar 2004 nog openvallende Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen te herbezetten
(artikel 15 [15]
Invoeringswet).
De arbeidsplaatsen in het kader van de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw) vallen niet binnen de Wwb. De introductie
van de Wwb heeft dan rblz.|54|
ook geen gevolgen voor de Wsw of de uitvoering
daarvan voor gemeenten.
De
leden van de PvdA-fractie willen een reactie op de situatie in
's-Hertogenbosch. De situatie hier loopt voorop bij andere gemeenten. Ook in
Enschede, zo constateren deze leden, wordt geëxperimenteerd met vrije
aanbesteding. Zij vragen welke lessen daaruit te trekken vallen.
De
gemeente 's-Hertogenbosch heeft zo’n vier jaar de tijd nodig gehad om de hele
organisatie in te richten op werk boven inkomen. De uitbesteding volgens
aanbestedingsprocedures is slechts één van elementen in dit hele
traject. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft tijdens de hoorzitting aangegeven
geen probleem te hebben met de uitbesteding, mits er een vrije ruimte
blijft. De gemeente
Enschede heeft een onderzoek gedaan naar een drietal
omvangrijke aanbestedingsprocedures in 2001. Daarbij zijn zo’n 1400
reïntegratietrajecten aanbesteed. De uitkomsten van dit onderzoek zijn
nog niet openbaar, deze zullen medio september openbaar worden.
Reikwijdte uit- en aanbesteding
De
leden van de VVD-fractie vragen het kabinet om de
uitbestedingsmogelijkheden nader toe te lichten. Zij vragen wat de gemeente
nu precies wel en wat de gemeente nu precies niet mag
uitbesteden.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander
van een transparante en efficiënt werkende reïntegratiemarkt. Een open
aanbesteding past hier zeker in. Zij vragen echter of alle individuele
belanghebbenden en doelgroepen op de juiste wijze geholpen kunnen worden
via een aanbestedingsprocedure zoals die is neergelegd in het Besluit
SUWI.
De leden van de CDA-fractie nodigen het kabinet
uit om precies aan te geven welk deel van de totale
reïntegratieactiviteiten niet hoeft te worden uitbesteed, zowel in geld
als naar soorten activiteiten. Zij vragen of daarbij rekening wordt
gehouden met bepaalde complexe doelgroepen. Daarnaast vragen zij wat
deze uit- en aanbestedingsverplichtingen precies betekenen voor
gesubsidieerde arbeid.
De leden van de PvdA-fractie
vragen een reactie
op het voorstel om de aanbestedingsregels alleen te laten gelden voor
trajecten voor de fases 1 tot en met 3 en niet voor fase 4 gezien de extra
inspanningen die nodig zijn voor deze doelgroep. Tevens willen zij een
reactie op het voorstel om gemeenten een overgangstermijn van drie tot
vier jaar te geven om zich voor te bereiden op de aanbesteding.
Wanneer gemeenten zich niet tot de markt wenden voor
reïntegratiediensten voor moeilijke doelgroepen, dan zal er op die markt
ook geen aanbod voor dergelijke groepen ontstaan. Daarmee zou de cirkel
rond zijn: gemeenten kopen niet in op de markt omdat
reïntegratiebedrijven geen, op deze doelgroepen toegesneden, diensten
aanbieden en omgekeerd leveren reïntegratiebedrijven geen maatwerk
omdat er geen markt voor deze doelgroepen lijkt te bestaan. Het kabinet
heeft met de verplichting tot uitbesteden een krachtig signaal aan
marktpartijen gegeven dat het de moeite waard is om ook voor de
moeilijke doelgroepen dienstverlening te ontwikkelen. Een onderscheid
naar fases zoals de PvdA-fractie voorstelt ligt dan ook niet voor de
hand. Tevens zou dat de verantwoordingslast voor gemeenten rondom het
uitbesteden enorm verzwaren.
Het kabinet is wel van mening dat in de
ontwikkeling naar een goed werkende reïntegratiemarkt gemeenten, naast
een overgangstermijn voor de uitbesteding van gesubsidieerde arbeid, een
bepaalde mate van vrijheid moeten krijgen bij het verplichte uitbesteden
van het werkdeel. Reden hiervoor is dat momenteel mogelijk nog niet al
het aanbod dat gemeenten nodig hebben voor hun klanten (zowel in
kwantitatieve als in kwalitatieve zin) op de markt voorhanden is. Daarom
is het kabinet voornemens rblz.|55|
gemeenten voor 20% van het werkdeel vrije
ruimte te geven waarbinnen geen verplichting tot uitbesteding geldt en
de aanbestedingsprocedures zoals neergelegd in het Besluit
SUWI niet
hoeven te worden gevolgd. Zo zou een gemeente binnen deze 20% vrije
ruimte dus een voorziening, bijvoorbeeld sociale activering, door een
eigen gemeentelijke dienst kunnen laten uitvoeren of kan ze een
voorziening inkopen bij bijvoorbeeld een (welzijns)instelling zonder dat
ze daarbij de aanbestedingsprocedures heeft gevolgd. Daarnaast wordt het
hiermee mogelijk dat binnen deze 20% gemeenten direct ingaan op een
innovatief idee van een private werkgever en deze werkgever rechtstreeks
contracteren. Hierbij dient de gemeente overigens wel de Europese
aanbestedingsregels in acht te blijven nemen.
Uitgezonderd van de verplichte uitbesteding
worden de Wiw-dienstbetrekkingen en de ID-banen uit het overgangsregime
(artikel 15 [15]
Invoeringswet) en de eenmalige stimuleringspremies en de
kostenvergoedingen. Dit wordt geregeld bij ministeriële regeling.
Er is voor een percentage gekozen (in plaats
van een afwijkingsgrond zoals activiteiten die gekoppeld zijn aan de
fase van een klant of soorten activiteiten) omdat dit minder
administratieve verantwoordingslasten meebrengt voor gemeenten. Dit
percentage vrije ruimte komt overeen met het voormalige percentage vrije
ruimte binnen het Wiw-scholings- en activeringsbudget. Het budget waarop
het percentage in de Wwb van toepassing is, is echter het volledige
werkdeel.
Hierboven is reeds ingegaan op de
overgangssituatie voor gemeentelijke reïntegratiediensten. Dit stelt
deze gemeenten in staat deze bedrijven over meerdere jaren voor te
bereiden op de concurrentie met marktpartijen. Hiermee komt het kabinet
tegemoet aan de wens van de PvdA-leden voor een overgangstermijn van
drie à vier jaar bij de uitbesteding van de middelen voor vrijkomende ID-banen en
Wiw-dienstbetrekkingen. Het kabinet voelt er niet voor om een
overgangstermijn te hanteren om gemeenten zich voor te laten bereiden op
de aanbesteding. Reeds sinds 1 januari 2002 zijn gemeenten verplicht de
middelen voor het scholings- en activeringsbudget aan te besteden. Voor wat betreft de
mogelijkheden voor uitbesteding bij de vaststelling en uitbetaling van
de bijstand geeft de Wwb aan dat de werkzaamheden in het kader van het
verlenen van bijstand door B&W moeten worden uitgevoerd. Dit betreft
de werkzaamheden rond de vaststelling van het recht op bijstand en de
bepaling van de hoogte van de uitkering. Werkzaamheden die de
uitbetaling van de uitkering betreffen, kunnen, net als onder de Abw,
worden uitbesteed aan derden.
3.3. Ontwikkelingen in het
bestand bijstandsgerechtigden [MvT;
V]
De leden van de
PvdA vragen wat wordt bedoeld met paragraaf 3.3
"Ontwikkelingen in het
bestand van bijstandsgerechtigden". Zij vragen of gemeenten moeten
werken aan draaideurklanten en of dit een verstopt pleidooi is om niet
te investeren in duurzame arbeidstoeleiding.
Het
kabinet wijst er in paragraaf 3.3 van het
algemeen deel van de memorie
van toelichting op dat gemeenten via hun reïntegratiebeleid invloed
kunnen uitoefenen op de samenstelling van hun bestand in termen van
uitkeringsduur en daarmee op langere termijn op de totale omvang van hun
bestand. Daarbij lijkt het raadzaam voor gemeenten om het
reïntegratiebeleid vanuit twee sporen in te zetten:
- ondersteuning aan hen die instromen in de Wwb
door directe
toeleiding naar werk of inzet van voorzieningen;
- ondersteuning en inzet van voorzieningen voor hen die al langdurig
een beroep doen op de bijstand.
Het is van belang dat gemeenten werkzoekenden
niet aan hun lot overlaten, ook al is er op korte termijn niet voor
iedereen werk voorhanden. Werkzoekenden moeten niet het perspectief van
werk uit het oog rblz.|56|
verliezen, zodat op het moment dat de conjunctuur
aantrekt ook daadwerkelijk zoveel mogelijk mensen aan het werk kunnen.
Het is van belang voor de economie dat zoveel mogelijk mensen direct
inzetbaar zijn en dat vacatures niet lang open hoeven te staan, zoals nu
in vele gevallen nog wel het geval is. De arbeidsmarkt is niet een
statisch geheel: continu zijn er vacatures die door werkzoekenden worden
ingevuld, terwijl andere mensen hun baan verliezen. Het bestand
werkzoekenden zal rouleren en ook al mocht niet voor iedereen de baan
duurzaam zijn, de mensen die werken doen hiermee ervaring op en leren
vaardigheden die hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Een oorzaak
dat werkzoekenden terugvallen in werkloosheid is het ontbreken van een
startkwalificatie. Voor deze werkzoekenden is het van belang dat werk
wordt gecombineerd met scholing, zodat zij de startkwalificatie kunnen
halen en een sterkere positie op de arbeidsmarkt krijgen.
De
leden van de PvdA vragen om de cijfers waaruit blijkt welk deel van het
zittende jaarbestand op de jaarteldatum bestaat uit mensen die korter
dan één jaar in de bijstand zitten, welk deel één tot vijf jaar en welk deel
langer dan vijf jaar.
Onderstaande tabel geeft de gevraagde indeling, geactualiseerd voor de
teldatum derde kwartaal 2002.
Uitkeringen aan
thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodieke algemene bijstand naar
duur en leefvorm, ultimo derde kwartaal 2002:
| Duur |
Totaal
¹ |
% |
Leefvorm |
| xxxxxxxx |
xxxxxxx |
|
Alleen-
staande |
% |
Alleen-
staande
ouder |
% |
Gehuwden |
% |
| <1 jaar |
v66 460 |
v20,9 |
v39 230 |
v22,5 |
18 900 |
v20,6 |
v8 180 |
v16,1 |
| 1-5 jaar |
107 420 |
v33,9 |
v51 470 |
v29,6 |
39 410 |
v43,0 |
16 330 |
v32,1 |
| >5 jaar |
143 370 |
v45,2 |
v83 430 |
v47,9 |
33 370 |
v36,4 |
26 420 |
v51,9 |
| Totaal
² |
317 230 |
100,0 |
174
110 |
100,0 |
91 660 |
100,0 |
50 910 |
100,0 |
1. Inclusief leefvorm
anders of onbekend.
2. Het totaal kan door
afronding afwijken van de som van de elementen.
De leden van de PvdA-fractie vragen waarnaar
de uitstroom van de drie categorieën plaatsvindt: werk, AOW, verhuizen,
partner.
Uit
de Abw-statistiek komt thans geen actuele informatie beschikbaar over
uitstroom uit de Abw naar reden. Wel zijn er cijfers over de uitstroom
in zijn totaliteit en deelpopulaties. Dit houdt verband met de kwaliteit
van de gegevens die door de gemeenten over de uitstroom aan het
CBS
worden verstrekt, waarbij vaak het kenmerk over de reden van
beëindiging niet is gevuld. Met het CBS is een verbetertraject gestart.
In de kwaliteitsslag met het CBS wordt ernaar gestreefd de
betrouwbaarheid van de registratie van uitstroom naar werk zodanig te
verbeteren dat ook daarover afzonderlijke cijfers kunnen worden
gepubliceerd. Tevens wordt thans nagegaan - mede met het oog op de
voorgenomen derapportage voor gemeenten - op welke andere wijze
betrouwbare informatie over uitstroom beschikbaar kan komen. De
oplossing voor informatie over uitstroom wordt gezocht in koppeling van
de uitstromers uit het Abw-bestand met bestanden waaruit informatie kan
worden ontleend over de situatie waarin een persoon zich na beëindiging
van de uitkering bevindt.
De
leden van de CDA-fractie vragen of sociale activering naar de mening van
het kabinet altijd gericht moet zijn op arbeid. Zij vragen of het
kabinet rblz.|57|
de percentages die genoemd worden bij het experiment sociale activering ook kan vertalen naar absolute aantallen betrokken personen.
De leden van de PvdA-fractie
menen dat
tegenover het recht op bijstand de plicht tot het verwerven van optimale
zelfredzaamheid met betaalde arbeid bestaat. Indien dat niet mogelijk is,
dan is sociale activering wenselijk. Deze leden vragen of de gemeenten
daarvoor voldoende middelen hebben.
Alle voorzieningen van de Wwb hebben arbeidsinschakeling als doel.
Sociale activering wordt heel expliciet als één van de voorzieningen
van de Wwb genoemd en kan derhalve gefinancierd worden uit het werkdeel
van de Wwb. Bij de inzet van de voorziening sociale activering is het
vooraf moeilijk te bepalen of arbeidsinschakeling het uiteindelijke
resultaat zal zijn; sociale activering wordt immers ingezet voor mensen
met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, voor wie
arbeidsinschakeling en zelfs inzet in gesubsidieerd werk op korte
termijn nog niet aan de orde is. Het doel van de inzet van deze
voorziening is weliswaar arbeidsinschakeling, maar het resultaat na het
socialeactiveringstraject kan ook zijn dat alleen het tussendoel wordt
bereikt: zelfstandige maatschappelijke participatie. Ook voor het
bereiken van het tussendoel kan de voorziening worden ingezet. Om deze
reden is ook dit tussendoel in artikel 6
[6] en in de
toelichting expliciet
in de Wwb genoemd. Naar de mening van het kabinet hebben de gemeenten
voldoende middelen om in te zetten ter financiering van deze trajecten.
Experiment sociale activering
De
percentages genoemd op blz. 10 van de memorie van
toelichting zijn
afkomstig uit het onderzoek "Bijstandsexperimenten: impulsen tot
activering" dat 26 september 2002 naar de Tweede Kamer is gestuurd. De
percentages zijn gebaseerd op de gegevens van 35 bijstandsexperimenten
die in totaal 6417 uitstromers hadden op een totaal van 10 449
deelnemers. 1091 deelnemers (17%) zijn doorgestroomd naar opleiding,
projecten, zelfstandig vrijwilligerswerk of stage en 1027 deelnemers
(16%) zijn uitgestroomd naar een betaalde baan. De duurzaamheidsgegevens
zijn gebaseerd op 373 vragenlijsten die door ex-deelnemers zijn
ingevuld. 139 van deze ex-deelnemers hadden na uitstroom uit de
experimenten een betaalde baan; 121 (88%) van hen hadden ten tijde van
het slotonderzoek nog steeds een betaalde baan.
rblz.|58|
4. Inkomenswaarborg en
armoedeval [MvT;
V]
4.1. Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie vragen of het bestaansminimum voor een
alleenstaande en een eenoudergezin die geen kosten met anderen kunnen
delen, wordt gegarandeerd.
Dit
is het geval doordat in artikel 30 [30], tweede lid, aanhef en onder a,
Wwb is bepaald dat in de gemeentelijke verordening moet zijn vastgesteld
dat voor deze huishoudtypes de maximale toeslag van 20% geldt.
4.2. Middelentoets
[MvT;
V]
Vrijlating van arbeidsinkomsten
De
leden van de fracties van CDA, PvdA,
VVD en CU vragen waarom de regeling
voor vrijlating van de arbeidsinkomsten in de Wwb
komt te vervallen.
De leden van de PvdA-fractie vragen om een
vrijlating van inkomsten voor werkende 65-plussers met een onvolledige AOW. Naar het inzicht van de leden van de PvdA-fractie zou ook de
vrijlating van inkomsten nodig zijn indien men maar in deeltijd
beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Deze leden vragen het kabinet om
voor mensen die maar beperkt beschikbaar zijn, werken lonend te maken.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet
tot op zekere hoogte is toegestaan om inkomsten uit deeltijdarbeid te
behouden als opstap naar een volledige baan. In zijn algemeenheid vragen
deze leden of de mogelijkheden voor vrijlating van bepaalde
inkomensdelen niet te beperkt zijn, daar waar deze mogelijkheden in
individuele gevallen bij kunnen dragen aan het vinden van een reguliere
baan. Deze leden en de leden van de VVD-fractie vragen tevens in
hoeverre de beperking van deze vrijlatingsmogelijkheden te verenigen is
met de vergrote beleidsvrijheid en individueel maatwerk voor gemeenten.
De leden van de fractie van de ChristenUnie
vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen in artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel c, de
vrijlating van de aanvullende alleenstaande ouderkorting, alsmede de
combinatiekorting te beperken tot alleenstaande ouders met kinderen
jonger dan vijf jaar.
De leden van de fractie van GroenLinks zijn
benieuwd naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om de inkomsten uit
arbeid van deeltijdarbeiders vrij te laten gelet op de mogelijkheid van
een onbelaste premie tot een bedrag van €|1944,- per jaar.
De
huidige regeling voor vrijlating van arbeidsinkomsten is vervangen door
een regeling die beter aansluit bij de uitgangspunten van de Wwb. Eén
van die uitgangspunten is dat algemeen, generiek inkomensbeleid
voorbehouden dient te zijn voor het Rijk en dat de ruimte voor gemeenten
om een eigen inkomensbeleid te voeren, moet worden beperkt. Voor de
vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën van personen die om
medische of sociale redenen zijn aangewezen op het verrichten van arbeid
in deeltijd geldt dat dit instrument, in tegenstelling tot de
activeringspremie, meer kenmerken heeft van een vorm van
inkomensondersteuning dan van een activeringsinstrument. Dit wordt
vooral veroorzaakt door het structurele karakter en de systematiek van
de regeling, waardoor een uitbreiding van het aantal gewerkte uren
nauwelijks meer loont. Een ander bezwaar is dat de huidige
vrijlatingsregeling gekoppeld is aan een specifieke categorie
bijstandsgerechtigden, wat een "aanzuigende werking" heeft in die
zin
dat gemeenten groepen bijstandsgerechtigden definiëren als "medisch
en/of sociaal belemmerd" met als (enige) doel deze mensen in
aanmerking te brengen voor de vrijlating.¹ De rblz.|59|
nadelen hiervan zijn dat
er én geen recht meer wordt gedaan aan het belang dat gehecht wordt aan
een individuele benadering (maatwerk) én dat het risico bestaat dat
individuen ten onrechte worden geïndiceerd. Uit recent onderzoek is
gebleken dat de huidige premie- en vrijlatingsregelingen wel de deelname
aan deeltijdarbeid stimuleren, maar de uitstroom naar voltijdarbeid
belemmeren.² De vrijlatingsregeling sluit, samenvattend, niet goed aan
bij het uitgangspunt van de Wwb dat maatwerk "geleverd" moet worden en
dat economische zelfstandigheid het uitgangspunt moet zijn.
Daar komt bij dat deeltijdwerk als voordeel
heeft dat het een goede stap kan zijn naar volledige uitstroom, maar dat
aan het langdurig verrichten van deeltijdwerk ook enkele belangrijke
bezwaren kleven, zoals een slechter loopbaanperspectief met een
verminderde verdiencapaciteit en een geringere pensioenopbouw.
Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om een
zwaar accent te leggen op volledige uitstroom uit de uitkering, onder
meer door de arbeidskorting te verhogen. Het kabinet deelt dus de
opvatting van de PvdA-fractie dat arbeid moet lonen, maar heeft ervoor
gekozen de nadruk te leggen op arbeid die leidt tot economische
zelfstandigheid.
Het kabinet is van mening dat voor
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar in enkele
opzichten andere overwegingen gelden. De combinatie van een volledige
baan met de zorg voor jonge kinderen kan voor hen in een aantal gevallen
te zwaar zijn, zodat een deeltijdbaan gedurende deze eerste jaren een
oplossing kan betekenen. Anderzijds echter, moet ook voorkomen worden
dat deze groep ouders langer in deeltijd blijft werken dan gezien de
persoonlijke situatie van de ouder noodzakelijk geacht moet worden. In
dit verband is onder meer de constatering van de Algemene Rekenkamer
(ARK) ³ relevant dat de volledige uitstroom door werkende alleenstaande
ouders achterblijft doordat zij maximaal 20 uur per week werken en
daarom onvoldoende inkomsten hebben om de bijstand helemaal te verlaten.
Het kabinet is daarom van mening dat alleenstaande ouders met kinderen
ouder dan 5 jaar [5 jaar of ouder, red.] in beginsel moeten worden gestimuleerd om helemaal
uit te stromen.
Onderstaande grafiek laat zien dat de nieuwe
vrijlatingsregeling voor alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar, anders dan de huidige vrijlating, stimuleert tot uitbreiding
van het aantal gewerkte uren en dat het armoedevaleffect (de knik in de
inkomenslijnen) een fractie is van het effect bij de huidige vrijlating.
rblz.|60|

Zoals de leden van de CDA fractie aangeven, kan
deeltijd ook in andere, individuele gevallen bijdragen tot het vinden
van een reguliere baan. De Wwb kent gemeenten daarom de mogelijkheid toe
om eenmaal per kalenderjaar een onbelaste premie van maximaal €|1944,- te
verstrekken in het kader van inschakeling in arbeid. Vanzelfsprekend kan
deze premie ook meerdere jaren achter elkaar worden uitgekeerd indien
het gaat om mensen die, zoals de leden van de PvdA-fractie
suggereren,
vanwege hun specifieke omstandigheden niet volledig kunnen uitstromen.
Deze vormgeving voorkomt tegelijkertijd dat er gewenning optreedt bij de
belanghebbenden, waardoor het activerende effect beter behouden blijft.
Het biedt de gemeenten een optimale mogelijkheid om inhoud te geven aan
de door de leden van de PvdA-fractie genoemde financiële incentive om
bijstandsgerechtigden te laten uitstromen. Bovendien heeft de
activeringspremie onder de Wwb als voordeel dat deze, in tegenstelling
tot de huidige periodieke premies én de vrijlating, belastingvrij kan
worden uitgekeerd. Voor gemeenten heeft dit als voordeel dat dit fiscaal
voordeliger is, waardoor het verstrekken van premies minder zwaar drukt
op het budget. Belanghebbenden hebben van deze premie meer voordeel dan
van de huidige premie doordat dat de premie niet doorwerkt in
inkomensafhankelijke regelingen als de huursubsidie.
Het voorstel van de leden van de PvdA-fractie
om een vrijlating van arbeidsinkomsten toe te staan voor werkende
65-plussers met een onvolledige AOW-uitkering wordt door het kabinet
niet overgenomen. Zoals eerder uiteengezet in de brief d.d. 4 december
2001 van de minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid over analyse en beoordelingskader voorstellen
inkomensvervangende voorzieningen minima, zou een dergelijke vrijlating
niet alleen strijdig zijn met het rblz.|61|
complementaire van de bijstand, maar
ook leiden tot niet te rechtvaardigen verschillen tussen verschillende
groepen uitkeringsgerechtigden.
1. (SOZA-02-658).
2. SCP, De uitkering van
de baan, 2003, Den Haag.
3. (Kamerstukken II 2002-2003, 28
875).
De
leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel geld thans wordt besteed aan de
vrijlating op inkomsten en of de gemeenten dat budget kunnen benutten
voor een premiestelsel. Bij de invoering van de Bijstandswet in 1996
werd gesteld dat het om een bedrag van ƒ150 miljoen gaat, dat later
vanuit de Algemene bijstandswet is toegevoegd aan de Wiw. Inmiddels is
de arbeidsparticipatie hoger. Deze leden vragen of het kabinet bereid is
dat budget aan het werkdeel van de Wwb toe te voegen.
Het
vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten is verwerkt in het
macrobudget voor het inkomensdeel en is dus niet beschikbaar voor
toevoeging aan het werkdeel.
Smartengeld
De
leden van de PvdA-fractie vragen naar de opvattingen van het kabinet
over de vrijlating van ontvangen smartengeld. De leden van de PvdA
achten deze beantwoording van belang vanwege de wetsgeschiedenis en de
rechtspositie van de cliënt. Immers, als gemeenten willekeurig met
rechten omgaan, is dat niet in het belang van de rechtsorde noch in het
belang van de cliënt. Zij vragen of het kabinet het ermee eens is dat
de afwegingen van gemeenten transparant, toetsbaar en toegankelijk voor
de belanghebbende moet zijn.
De leden van de CDA-fractie constateren dat
vrijlating van specifieke regelingen die het karakter hebben van
schadevergoeding of smartengeld ter beoordeling van het college van
B&W worden gelaten, dan wel opgenomen in een ministeriële regeling.
De leden van de CDA-fractie vragen of het niet juister is, gelet op de
gevoeligheid van deze zaken, voor een aantal zeer gevoelige gevallen
reeds nu van rijkswege duidelijkheid te scheppen. De leden van de
fracties van PvdA en CDA vragen in dit verband naar de inhoud van een
eventuele ministeriële regeling inzake materiële en immateriële
schadevergoeding.
Het
kabinet is van oordeel dat het aan de gemeenten is te beoordelen of een
vergoeding voor materiële schade in het individuele geval bij de
bijstandverlening in aanmerking moet worden genomen. Het is daarbij
redelijk om op een verzekeringsuitkering voor schade aan of verlies van
een bestanddeel van het bij de aanvang van de bijstandverlening
aanwezige vermogen het algemeen rechtsbeginsel van zaakvervanging toe te
passen; de verzekeringsuitkering vervangt geheel of gedeeltelijk het
desbetreffende vermogensbestanddeel. Voor zover het vermogen bij de
aanvang van de bijstand lager was dan de vermogensgrens, leidt de
verzekeringsuitkering in principe niet tot in aanmerking te nemen
vermogen. Indien andere bezittingen met de uitkering worden aangeschaft,
is het aan de gemeente te beoordelen of deze zaken algemeen gebruikelijk dan wel noodzakelijk zijn. Wanneer de middelen liquide
blijven dan wel goederen worden aangeschaft die niet als algemeen
gebruikelijk of noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, zal de gemeente
beoordelen of de verzekeringsuitkering plus het bij de aanvang van de
bijstandverlening aanwezige vermogen hoger zijn dan de van toepassing
zijnde vrijlatingsgrens van het vermogen.
Ook ten aanzien van het al dan niet in
aanmerking nemen van een vergoeding voor immateriële schade in het
individuele geval is het kabinet van opvatting dat dit ter beoordeling
is aan de gemeenten. Een bedrag uit hoofde van geleden immateriële
schade, van gederfde levensvreugde of van smartengeld is een
vermogensbestanddeel. Op grond van artikel
31 [31], tweede lid, onderdeel m,
van het wetsvoorstel wordt een immateriële schadevergoeding niet tot de
middelen gerekend, tenzij dit uit oogpunt rblz.|62|
van bijstandverlening niet
verantwoord is. Deze beoordeling dient dus te worden overgelaten aan de
gemeente. Bij deze beoordeling zal de gemeente de bijzondere bestemming
en de hoogte van de immateriële schadevergoeding betrekken. Ingeval de
vergoeding oneigenlijke elementen bevat, bijvoorbeeld indien deze geheel
of gedeeltelijk een loondervend karakter heeft of exorbitant hoog is,
zal de gemeente in voorkomende gevallen besluiten tot welk bedrag de
vergoeding in aanmerking wordt genomen.
Voor zover de immateriële schadevergoeding door
de gemeente buiten beschouwing wordt gelaten, mag deze ook voor langere
termijn worden benut ter compensatie van de beperking die is opgetreden.
Een eenmaal vrijgelaten immateriële schadevergoeding blijft gedurende
de bijstandverlening buiten aanmerking. Dit geldt ook indien de
bijstandverlening na een onderbreking weer wordt hervat (artikel
34 [34],
eerste lid, onderdeel e). Volgens het kabinet is het in beginsel aan de
belanghebbende om te bepalen welke aanwending aan de vrijgelaten
immateriële schadevergoeding wordt gegeven als invulling van het
hervinden van zijn levensvreugde. Het is echter een bevoegdheid van de
gemeente om te bepalen dat de immateriële schadevergoeding in
aanmerking wordt genomen bij de verlening van bijzondere bijstand (artikel
35 [35], eerste lid).
Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie
of
het kabinet het ermee eens is dat gemeenten daar waar zij een afweging
maken over de immateriële schadevergoeding deze transparant, toetsbaar
en toegankelijk voor de belanghebbende moet zijn, antwoordt het kabinet
bevestigend. De gemeenten zijn daarbij mede gebonden aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet
bestuursrecht.
Het kabinet zal de immateriële en materiële
schadevergoedingen zoals genoemd in artikel 43, tweede
lid,
Abw en in de
Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet
(besluit van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 243) in een ministeriële regeling
opnemen.
De
leden van de PvdA-fractie vragen wat het betekent voor de rechtsgang van
de uitkeringsgerechtigde die in beroep gaat tegen een beslissing van de gemeente
over een verrekening van smartengeld. Deze leden vragen aan
welke criteria de beroepsinstantie zo’n beslissing toetst.
De
beroepsrechter zal een dergelijke beslissing toetsen op rechtmatigheid,
waarbij wordt gekeken of het besluit op goede gronden tot stand is
gekomen. Daarbij wordt beoordeeld of, de wetsgeschiedenis in aanmerking
nemende, een juiste wetstoepassing heeft plaatsgevonden. De
beroepsrechter zal vervolgens de hoogte van het al dan niet in
aanmerking te nemen bedrag van de immateriële schadevergoeding
marginaal toetsen, omdat de doelmatigheid niet door de beroepsrechter
mag worden beoordeeld. Bij deze marginale toetsing komen ook de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur aan de orde.
De beroepsrechter heeft in de regel geen
bevoegdheid een eigenstandig besluit te nemen omtrent de hoogte van het
vrij te laten bedrag. In dat geval vindt terugverwijzing naar de gemeente
plaats die, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van
de beroepsrechter is bepaald, een nieuw besluit dient te nemen.
4.3. Langdurigheidstoeslag
[MvT;
V]
De
leden van de CDA-fractie zijn voorstander van de voorgestelde
langdurigheidstoeslag, omdat in het algemeen geldt dat de
inkomenspositie moeilijker wordt naarmate mensen langer in de bijstand
zitten. Zij constateren dat één van de voorwaarden om in aanmerking te
komen voor deze toeslag luidt dat een belanghebbende vijf jaar een
bijstandsuitkering heeft. Zij vragen waarom niet is gekozen voor drie
jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar gebleken is dat de
belanghebbende ondanks een rblz.|63|
positieve inzet geen werk kan vinden. Tevens
vragen zij wat de hiermee gemoeide extra kosten zouden zijn.
Een
referteperiode van drie jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar
gebleken is dat de belanghebbende ondanks een positieve inzet geen werk
kan vinden, impliceert dat de betrokkene in omstandigheden verkeert
waarin een positieve inzet kan leiden tot werkaanvaarding. In een
dergelijke situatie is er volgens het kabinet geen sprake van ontbrekend
arbeidsmarktperspectief en kan de langdurigheidstoeslag niet aan de orde
zijn.
Indien gekozen zou worden voor de door deze
leden voorgestelde systematiek, zouden de kosten van de toeslag met 23%
toenemen.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet of een systeem van toeslagen
(c.q. heffingskortingen) ter zijner tijd de langdurigheidstoeslag niet kan
vervangen?
Het
kabinet acht het prematuur om thans aan te geven of het systeem van
toeslagen (c.q. heffingskortingen) te zijner tijd de langdurigheidstoeslag
kan vervangen.
De
leden van de CDA-fractie vragen het volgende. Stel een wasmachine gaat
onherstelbaar kapot. Dat gebeurt bij bijstandsgerechtigde A in jaar 4
van de bijstandverlening en bij bijstandsgerechtigde B in jaar 6.
Zouden deze gevallen, die voor het overige identiek zijn, volgens het
kabinet verschillend behandeld moeten en kunnen worden in het kader van
de individuele bijzondere bijstand vanwege de langdurigheidtoeslag.
Graag een toelichting van het kabinet.
Bij
de afstemming van bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van
duurzame gebruiksartikelen op de langdurigheidstoeslag dient optimaal
rekening te worden gehouden met de individuele omstandigheden en de
mogelijkheden van de persoon. In overeenstemming met de uitgangspunten
van de Wwb wordt deze beoordeling aan de gemeenten gelaten. Dit is
geregeld in artikel 35 [35], eerste lid, Wwb.
De
leden van de fracties van PvdA en SGP vragen een onderbouwing van de
termijn van vijf jaar voor de langdurigheidstoeslag. Zij verzoeken het
kabinet om heroverweging van de termijn. De leden van de PvdA-fractie
verwijzen daarbij naar de termijn van drie jaar die geldt bij de Wet
Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) en de aflossing van leenbijstand.
De
langdurigheidstoeslag maakt een uitzondering op de toereikendheid van
het sociaal minimum. Die uitzondering is eerst na een langer
tijdsverloop, door het kabinet bepaald op vijf jaar, te rechtvaardigen.
De genoemde termijnen van drie jaar is geen voldoende
rechtvaardigingsgrond. Deze termijn heeft betrekking op regelingen
waarbij de betrokkenen gedurende een aantal jaren een inkomen onder het
sociaal minimum hebben; bij de langdurigheidstoeslag hebben de
betrokkenen een inkomen op het sociaal minimum. Voorts is de termijn van
vijf jaar gebaseerd op de overweging dat na vijf jaar de afstand tot de
arbeidsmarkt aantoonbaar groter is dan na drie jaar. Het kabinet ziet
daarom geen aanleiding de termijn te herzien.
De
leden van de CDA-fractie willen graag een reactie van de kabinet op de
stelling van de Federatie van Ouderverenigingen dat gehandicapten
dikwijls blijvend moeten leven op het minimumniveau en wel werken. Door
dit werken krijgen zij geen langdurigheidstoeslag. Zij vragen het kabinet of het deze
opvatting deelt.
rblz.|64|
De leden van de PvdA-fractie
vragen het kabinet commentaar te geven op een aantal
door deze leden genoemde voorbeelden.
De
voorwaarde voor de langdurigheidstoeslag dat geen inkomen uit arbeid mag
zijn verkregen, hangt samen met het feit dat de langdurigheidstoeslag
uitsluitend bedoeld is voor mensen met een grote afstand tot de
arbeidsmark die dus geen perspectief hebben op werk. Mensen die, al dan
niet in deeltijd, deelnemen op de arbeidsmarkt voldoen niet aan deze
voorwaarde. Zij vallen daarom niet onder het bereik van de regeling.
Naar het oordeel van het kabinet is een langdurigheidstoeslag die
gebaseerd is op iemands perspectieven bij deelname op de arbeidsmarkt
ongewenst en onuitvoerbaar. Heeft iemand in de referteperiode tijdelijk
deelgenomen aan de arbeidsmarkt, dan is sprake van recente werkervaring.
Er is dan geen sprake van een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Toegepast op de door deze leden gegeven
voorbeelden leidt dit tot de volgende uitkomsten.
De verstandelijk gehandicapte met een Wajong-uitkering die
parttime werkt en geen vooruitzichten heeft op
urenuitbreiding heeft geen recht op een langdurigheidstoeslag. Er is
immers sprake van deelname op de arbeidsmarkt en de perspectieven op die
markt kunnen geen rol spelen. Ten overvloede merkt het kabinet op dat
het vraagstuk van niet-vergoede kosten buiten de langdurigheidstoeslag
ligt.
De alleenstaande moeder en de
arbeidsongeschikte die gestopt zijn met werken komen voor de
langdurigheidstoeslag in aanmerking nadat er een periode van vijf jaar
is verstreken na de beëindiging van de werkzaamheden, uiteraard voor zover zij nadien niet weer aan het werk zijn
gegaan. Het kabinet tekent hierbij nadrukkelijk aan dat het wil
voorkomen dat de langdurigheidstoeslag aanleiding geeft om mensen
definitief af te schrijven door hen het stempel op te drukken "geen
arbeidsmarktperspectief". In de gegeven voorbeelden zullen betrokkenen
en de uitvoeringsinstanties samen werken aan de verbetering van de
arbeidsmarktpositie. De recente werkaanvaarding verkleint daarbij de
afstand tot de arbeidsmarkt.
De
leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal vragen over de
langdurigheidstoeslag. Uit de wetstekst en de
toelichting blijkt dat de
toekenning van een dergelijke toeslag tot de beleidsvrijheid van de gemeente
behoort. Deze leden vragen waarom er niet voor is gekozen om
deze toeslag als recht voor de langdurige minima in de wet op te nemen.
Waarom is het gegeven van "vijf jaar ononderbroken op het sociaal
minimum" niet wettelijk verankerd als voldoende voorwaarde om aanspraak
te kunnen maken op de toeslag?
Anders dan deze leden aangeven, behoort de toekenning van de
langdurigheidstoeslag niet tot de beleidsvrijheid van de gemeente. In
artikel 36 [36] Wwb is dwingend bepaald dat het college de toeslag dient toe
te kennen aan degenen die aan de gestelde, geobjectiveerde, voorwaarden
voldoen. Ook de hoogte van de toeslag is in dit artikel dwingend
voorgeschreven.
De
leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het kabinet ervoor heeft
gekozen om de langdurigheidstoeslag enkel op aanvraag te verschaffen.
Dat
de toeslag alleen op aanvraag kan worden verstrekt, is in lijn met de
algemene regel van vaststelling op aanvraag, zoals die is vastgelegd in
artikel 43 [43] Wwb.
De
leden van de D66-fractie vragen of de aan de langdurigheidstoeslag
verbonden voorwaarden niet met elkaar op gespannen voet staan, in die
zin dat het gevaar op schijnsollicitaties toeneemt omdat geen inkomsten rblz.|65|
uit of in verband met arbeid vooruitzicht bieden op een
langdurigheidstoeslag. Voorts vragen zij of de eis van gedurende vijf
jaar geen inkomsten uit arbeid bij nader inzien niet te strikt is.
De beoogde opzet van de langdurigheidstoeslag
vinden de leden van de fractie van de ChristenUnie te mager. Zij pleiten
ervoor de referteperiode te beperken tot drie jaar. Verder zijn zij er
niet van overtuigd dat het wenselijk is personen uit te sluiten die zelf
een inkomen op het minimumniveau verwerken [verwerven, red.]. Zij vragen om een reactie op
de suggestie om onderdeel c van het eerste lid te schrappen omdat het
overbodig is.
Het
kabinet is zich ervan bewust dat van de langdurigheidstoeslag een
negatieve stimulans kan uitgaan op de (bereidheid tot) deelname aan het
arbeidsproces. De termijn van vijf jaar achten wij niet te strikt,
gezien de eerder in deze paragraaf aangegeven ratio van die termijn. Om
de gemeenten maximaal in staat te stellen adequaat te reageren op de
mogelijke gevolgen van de negatieve stimulans, wordt de eis gesteld dat
betrokkene naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht
algemeen aanvaarde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Bij
schijnsollicitaties wordt niet aan deze eis voldaan.
Het kabinet wijst er verder op dat de
armoedeval ook optreedt als werkenden tot de doelgroep van de
langdurigheidstoeslag zouden worden gerekend. De vermindering van de
toeslag bij een inkomensverbetering gaat namelijk ten koste van het
besteedbare meerinkomen. Daardoor kan een negatieve invloed ontstaan op
de arbeidsdeelname, bijvoorbeeld op uitbreiding van het aantal werkuren.
Het kabinet is van oordeel dat het uitsluiten
van werkenden gerechtvaardigd is omdat werkenden voor wat betreft de
mogelijkheden van inkomensverbetering in een andere situatie verkeren
dan de door het kabinet beoogde doelgroep.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet de gevolgen van de
veranderingen van de Algemene bijstandswet naar de Wwb
voor de laagste
inkomens te laten zien en tevens aan te geven wat de effecten zijn van
andere beleidsvoornemens in 2004 en 2005. Anders gesteld: hoe veranderen
de inkomens van de mensen met de laagste inkomens in totaliteit tengevolge van de veranderingen in de sociale zekerheid en hoe wordt er
gecompenseerd. Hoe verhouden deze veranderingen zich ten opzichte van
andere inkomensgroepen?
Het
kabinet verwijst deze leden naar het antwoord in hoofdstuk 2 op de vraag
over inkomenseffectrapportage.
De
leden van de VVD-fractie vragen welke middelen beschikbaar zijn gesteld
voor de langdurigheidstoeslag? Welke P-maal-Q-onderbouwing ligt aan deze
raming ten grondslag? Waar is het bedrag terug te vinden op de
rijksbegroting?
De
kosten van de langdurigheidstoeslag zijn voor 2004 geraamd op €|53,8
miljoen. Voor 2004 is de Q van de langdurigheidtoeslag geraamd op 143
000 huishoudens, de gemiddelde P op €|377,-
per huishouden per jaar. De
middelen lopen via het macrobudget voor de uitkeringen.
4.4. Bijzondere bijstand en
afschaffen categoriaal beleid [MvT;
V]
De leden van de
CDA-fractie vinden dat er een verschil is tussen individuele toetsing op
basis van algemene beleidslijnen en categoriale bijzondere bijstand. Zij
vragen het kabinet te garanderen dat de individuele bijzondere bijstand
onder invloed van jurisprudentie niet zal overgaan in categoriale bijzondere
bijstand.
rblz.|66|
Het kabinet onderschrijft
de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat er een verschil
is tussen individuele toetsing op basis van algemene beleidslijnen en
categoriale bijzondere bijstand. Het kabinet acht het niet aannemelijk
dat de individuele bijzondere bijstand onder de invloed van de
jurisprudentie zal overgaan in categoriale bijzondere bijstand. Dit
hangt samen met de marginale wijze waarop de beroepsrechter de inhoud
van besluiten in het kader van de bijzondere bijstand toetst. Daardoor
treedt de beroepsrechter niet in de bestuurlijke gemeentelijke
bevoegdheden betreffende de afstemming op de individuele situatie.
Voorts geldt dat vanuit de gehoudenheid van de beroepsrechter aan de wet
er geen besluiten kunnen worden genomen waarbij, zoals bij categoriale
bijzondere bijstand, geen individuele toets plaatsvindt op de
aanwezigheid en de noodzaak van de kosten.
De
leden van de CDA-fractie vragen het kabinet het verschil tussen
categoriale bijzondere bijstand en individueel bepaalde bijzondere
bijstand aan de hand van enkele voorbeelden te expliciteren. Zij vragen
het kabinet de veronderstelling te beoordelen dat door het niet meer
mogelijk zijn van categoriale bijzondere bijstand de uitvoeringskosten
voor gemeenten toenemen. De leden van de D66-fractie vragen of het maken
van beleidsregels niet zal leiden tot het de facto ontstaan van nieuwe
categorieën voor bijzondere bijstand. De leden van de fractie van de
ChristenUnie vragen of het kabinet bij benadering kan aangeven welke
extra uitvoeringskosten zijn verbonden aan het afschaffen van de
categoriale bijzondere bijstand.
Een
voorbeeld van het verschil tussen categoriale en individuele bijzondere
bijstand is, in aanvulling op wat vermeld is ter zake van chronisch
zieken en kosten van kinderen, de vergoeding voor de aanschaf van
duurzame gebruiksgoederen. Bij categoriale bijzondere bijstand betreffen
de gemeentelijke regels de vergoeding van een vast bedrag en de door de gemeente
aangewezen categorie van personen die voor die vergoeding in
aanmerking komt. Deze personen ontvangen de vergoeding zonder dat wordt
nagegaan of, en zo ja, welke kosten zij daadwerkelijk maken. Wie geen
kosten heeft, krijgt eenzelfde vergoeding als degene die hogere kosten
heeft dan de vergoeding.
Bij individuele bijzondere bijstand kan de
gemeente beleidsregels opstellen betreffende de omstandigheden waaronder
de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen als bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt, bijvoorbeeld een
onvoorziene verhuizing of meerdere vervangingsuitgaven in een kort
tijdsbestek. Ook kan de gemeente normbedragen vaststellen, dat wil
zeggen aangeven tot welk bedrag de kosten maximaal vergoed worden. Een
normbedrag onderscheidt zich van een forfaitair bedrag doordat het
aangeeft tot welk bedrag daadwerkelijk gemaakte kosten maximaal vergoed
worden. Bij een forfaitair bedrag ontbreekt de band tussen de vergoeding
en de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Beleidsregels kunnen er inderdaad toe leiden
dat er bij de individuele bijzondere bijstand categorievorming ontstaat
rond bepaalde kosten. Een voorbeeld hiervan is een categorie die kosten
heeft in verband met chronische ziekte of met schoolgaande kinderen. Bij
de beleidsregels zijn gemeenten echter gehouden aan het kenmerkend
onderscheid tussen individuele en categoriale bijzondere bijstand,
namelijk dat alleen voor daadwerkelijk gemaakte kosten bijzondere
bijstand kan worden verleend en dat niet getreden mag worden in het aan
het Rijk voorbehouden generieke inkomensbeleid. Door beleidsregels op te
stellen, maakt de gemeente een meetlat voor het maatwerk. Toetsing van
de individuele omstandigheden van de aanvrager aan deze meetlat bepaalt
welk bedrag er aan individuele bijzondere
bijstand wordt verstrekt.
rblz.|67|
Als de gemeente de beleidsregels kenbaar maakt, bijvoorbeeld via
een voorlichtingsfolder, dragen de regels niet alleen bij aan een
effectieve en efficiënte uitvoering, maar dragen zij ook bij aan de
rechtszekerheid en aan het terugdringen van niet-gebruik. De burger weet
dan namelijk waar hij aan toe is.
Met betrekking tot de uitvoeringskosten voor de
gemeenten merkt het kabinet het volgende op. Tegenover de
gevolgen die de individuele toets voor de uitvoering kan hebben, staat
dat de uitvoeringskosten voor de categoriale bijzondere bijstand
vervallen en dat de introductie van de langdurigheidstoeslag naar
verwachting de druk op de uitvoering van de individuele bijzondere
bijstand zal doen afnemen. Voorts biedt de Wwb
de gemeenten de
mogelijkheid om op effectieve en efficiënte wijze invulling te geven
aan de uitvoering van de bijzondere bijstand.
De
leden van de CDA-fractie vragen wat de bezuiniging in 2004 van €|150
miljoen op het budget voor de bijzondere bijstand betekent voor het
armoedebeleid van de gemeenten. Kunnen gemeenten naar het oordeel van
het kabinet deze bezuiniging opvangen, doordat ze besparingen kunnen
realiseren op andere onderdelen van de uitgaven tengevolge van de Wwb.
Hoe beoordeelt het kabinet de uitspraak van sommige gemeenten dat door
de bezuiniging van €|150 miljoen op de bijzondere bijstand het
gemeentelijk armoedebeleid zwaar onder druk komt te staan?
De
verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand maakt onderdeel uit
van een reeks van maatregelen die het kabinet heeft genomen ter
bevordering van de arbeidsparticipatie. Bij de verlaging is rekening
gehouden met het sterk gedaalde aantal Abw-ers en de gestegen uitgaven
voor bijzondere bijstand, tot een niveau per Abw-er vergelijkbaar aan
dat van midden jaren negentig.
In beleidsmatig opzicht worden gemeenten in het
Hoofdlijnenakkoord geen beperkingen opgelegd. Uiteraard moeten gemeenten
wel rekening houden met de in de Wwb voorziene afschaffing per 2004 van
categoriale regelingen. Indien een gemeente ervoor kiest haar beleid te
handhaven, zal ze wel alternatieve financiering moeten vinden. Desgewenst
kan zij hiervoor ook een eventueel overschot op het inkomensdeel
aanwenden. Door de invoering van de Wwb en de afschaffing van de
categoriale regelingen worden gemeenten nog sterker dan thans aangezet
zich te richten op reïntegratie als beste middel om armoede te
bestrijden en hun middelen voor armoedebestrijding zo gericht mogelijk
in te zetten voor individueel maatwerk voor de meest kwetsbare groepen,
met vermijding van armoedevaleffecten. Dit spoort met de lijn in het
nieuwe Nationaal actieplan bestrijding armoede en sociale uitsluiting
(in juli 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden). Voorts wordt hiermee de
in het Strategisch Akkoord ingezette lijn bestendigd dat het primaat
voor het generieke inkomensbeleid bij het Rijk ligt.
Schuldhulpverlening
De leden van de
CDA-fractie wensen een gemotiveerde uitleg waaruit, naar het oordeel van het
kabinet, schuldhulpverlening betaald moet worden: uit de bijzondere
bijstand of uit het werk- of inkomensdeel. De leden van de fractie van
GroenLinks vragen of gemeenten schuldhulpverlening dienen te financieren uit
het bijstandsbudget, aangezien schuldhulpverlening een
noodzakelijke voorwaarde kan zijn voor activering.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie informeren in dit kader voorts naar de mogelijkheden van
integrale schuldhulpverlening onder het regime van de nieuwe wet.
rblz.|68|
Integrale
schuldhulpverlening is een taak van de gemeenten. Voor de financiering van de
schuldhulpverlening kan de gemeente gebruik maken van het fictief budget
bijzondere bijstand in de algemene uitkering uit het gemeentefonds of van
eigen gemeentelijke middelen. Financiering uit het werkdeel is mogelijk voor
zover schuldhulpverlening wordt ingezet als voorziening in het kader
van de arbeidsinschakeling. Daarbij geldt dan wel dat het niet mag gaan om
uitvoeringskosten en dat de werkzaamheden conform artikel
7 [7], vierde lid,
Wwb moeten worden uitgevoerd door derden. Financiering uit een
overschot op het inkomensdeel is eveneens mogelijk.
De leden van de
PvdA-fractie willen weten wat de besteding van het budget bijzondere
bijstand was in 2001 en 2002. Hoeveel individuele bijzondere bijstand werd
aan welke kostensoorten besteed? Hoeveel geld werd uitgegeven aan
categoriale bijstand, hoeveel aan woonlasten en ziektekosten, hoeveel aan
ouderen? Hoeveel werd besteed aan niet-bijstandsgerechtigden, kosten van kinderen en
schuldhulpverlening?
De door deze leden
gevraagde gegevens over de besteding van het fictief budget bijzondere
bijstand worden vastgelegd in de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid (MGA). Over
2001 en 2002 zijn momenteel nog geen gegevens beschikbaar. Wel is het
streven om de MGA 2001 vóór de plenaire behandeling van het het
wetsvoorstel Wwb naar de Tweede Kamer te sturen. De MGA 2002 komt in de
loop van 2004 beschikbaar.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of een overzicht kan worden gegeven van wat er in de
afgelopen tien jaar aan middelen aan het gemeentefonds is toegevoegd op titel
van (categoriale) bijzondere bijstand? Kan een overzicht worden verstrekt van de
afgelopen tien jaar, waarin de uitgaven bijzondere bijstand per bijstandsgerechtigde worden gepresenteerd? Kan
aangegeven worden wat
gemiddeld per cliënt de uitvoeringskosten zijn voor de bijzondere
bijstand en de categoriale bijzondere bijstand?
In de onderstaande tabel
staan de middelen die vanaf 1994 tot en met 2003 aan het
gemeentefonds zijn toegevoegd op titel van (categoriale) bijzondere bijstand. Deze
toevoegingen zijn exclusief accres en niet cumulatief. De bedragen voor de jaren
1995 tot en met 1997 hebben betrekking op een vergoeding als
gevolg van overheveling van taken van de bijstand naar de bijzondere
bijstand. De bedragen sinds 1998 zijn voor armoedebestrijding in brede zin.
Bedragen in miljoen euro:
| Jaar |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
| Bedrag |
|
20,4 |
20,4 |
20,4 |
113,4 |
44,9 |
0 |
11,3 |
0,3 |
20
¹ |
1. Deze toevoeging is
eenmalig en betreft de in het najaarsakkoord afgesproken langdurigheidstoeslag
2003.
Over de uitgaven uit het
fictief budget bijzondere bijstand en het aantal ontvangers van algemene
bijstand zijn de volgende gegevens beschikbaar:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
| Uitgaven fictief
budget bijzondere bijstand (x miljoen
euro) |
143,8 |
223,0 |
306,6 |
354,2 |
364,7 |
404,8 |
| Aantal ontvangers
algemene bijstand (x 1000) |
510 |
498 |
451 |
412 |
380 |
352 |
rblz.|69|
Noch over de
uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand, noch over die van de categoriale
bijzondere bijstand zijn gegevens beschikbaar.
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet naar de argumenten om de gemeenten niet meer
toe te staan om een collectieve verzekering af te sluiten.
Zoals hiervoor al is
aangegeven, hanteert het kabinet het uitgangspunt dat, omwille van de
eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle categoriale
regelingen dienen te worden afgeschaft. Voor de overwegingen die ertoe
hebben geleid dat voor de collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen
een uitzondering is gemaakt in de Invoeringswet, verwijzen
wij naar de toelichting bij artikel 10
van
die wet. Daar is onder meer
aangegeven dat het vaak gaat om langer lopende contracten die
bezwaarlijk door de gemeente eenzijdig kunnen worden beëindigd
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de voorwaarden en argumenten waaronder en waarom de
gemeenten zelf hun risico’s effectief en efficiënt kunnen verzekeren.
Wanneer en op welke gronden wil het Rijk de gemeenten dwingen tot
kostbare uitvoeringprocedures, zoals de individuele verstrekking. Zou het in
dat geval niet logisch zijn dat de rijksoverheid de uitvoeringskosten van
individuele bijstand zelf betaalt, zo vragen deze leden.
Het kabinet ziet een
collectieve aanvullende ziektekostenverzekering niet als een verzekering van
een risico van de gemeente. Bij een collectieve aanvullende
ziektekostenverzekering is het de belanghebbende die zich tegen ziektekosten
verzekert en niet de gemeente die zich verzekert tegen de gevolgen van de
- moeilijk als risico aan te duiden - wettelijke verplichting om bijstand te verlenen
voor medische kosten.
De collectieve
aanvullende verzekering mag geen afbreuk doen aan het uitgangspunt dat bij de
verlening van bijzondere bijstand de specifieke omstandigheden en
mogelijkheden in het individuele geval bepalend zijn.¹ De
uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand zijn begrepen in het fictief budget bijzondere
bijstand.
1. Zie Circulaire van de Minister
van SZW van 31 augustus 1999, kenmerk
BZ/UK/99/51103.
De leden van de
PvdA-fractie vragen het kabinet om een onderbouwing van hun stelling als zou
er bij categoriale bijstand voor chronisch zieken en kinderen sprake zijn
van de armoedeval.
Van een armoedeval is ook
sprake bij categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en
kosten van kinderen die mede wordt verleend aan mensen met inkomsten uit
arbeid. Dat is geen gevolg van de aard van de kosten of het inkomen,
maar van het feit dat de categoriale bijzondere bijstand stopt als een
bepaalde inkomensgrens wordt overschreden. Dat gaat dan ten koste van
het besteedbare meerinkomen boven die inkomensgrens en kan zelfs leiden tot
een lager besteedbaar inkomen dan vóór de overschrijding
van de inkomensgrens. De armoedeval doet zich niet alleen voor bij
werkaanvaarding, maar ook bij urenuitbreiding of loonsverhoging.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of en hoe de gemeenten gecompenseerd worden voor de toename
van de uitvoeringskosten voor de bijzondere bijstand. Zij vragen
tevens naar de raming van de VNG en Divosa over de meerkosten voor
het verstrekken van individuele bijzondere bijstand
De invoering van de
Wwb heeft geen invloed op de vergoeding van de uitvoeringskosten
bijzondere bijstand. Van de VNG en Divosa
is geen rblz.|70|
raming ontvangen over
meerkosten voor het verstrekken van bijzondere bijstand.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of gemeenten individuele cliënten een forfaitair bedrag
mogen geven voor een omschreven doel als bijzondere bijstand, zonder het
overleggen vooraf of achteraf van bonnetjes.
Met de afschaffing van de
categoriale bijzondere bijstand krijgt de individuele bijzondere bijstand weer
het oorspronkelijke maatwerkkarakter terug. Maatwerk vereist
een meetlat. De Wwb biedt de gemeenten ruime mogelijkheden om een
efficiënte en effectieve meetlat te maken, zowel inhoudelijk als
procedureel. Beleidsregels en werkinstructies zijn bij de verlening van bijzondere
bijstand van groot belang, zoals ook is aangegeven in het nader
rapport. De
kwaliteit van beleidsregels en werkinstructies is mede bepalend voor de druk op de uitvoering.
Het is aan de gemeente om
te bepalen hoe wordt vastgesteld en vastgelegd dat de belanghebbende de
kosten daadwerkelijk gemaakt heeft. De gemeente kan bijvoorbeeld
kiezen voor steekproefsgewijze controle, controle boven een
bepaald bedrag en/of controle op basis van risicoprofielen. Ook kan de gemeente
ervoor kiezen om de controle niet afzonderlijk uit te voeren, maar die
te laten samenvallen met een ander contact met de cliënt, bijvoorbeeld bij een heronderzoek.
Verstrekking van
forfaitaire bedragen past niet bij individuele bijzondere bijstand. Dit is namelijk
strijdig met het uitgangspunt dat bij de verlening van bijzondere bijstand
de specifieke omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval
bepalend zijn. Gemeenten kunnen wel, zoals zij nu ook al doen, werken met
normbedragen.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid van een woonlastenfonds in stand
blijft.
Woonlastenfondsen waarbij
het huursubsidiebeleid - dat, evenals onder de
Abw, onder de Wwb
als voorliggende voorziening geldt - doorkruist
wordt, c.q. waarbij
forfaitaire vergoedingen worden verstrekt, kunnen onder de Wwb
niet in
stand blijven. Gemeenten houden de bevoegdheid om, al dan niet met toepassing van normbedragen, individuele bijzondere
bijstand te verlenen voor
woonkosten verbonden aan een eigen woning. Ook voor hoge
energielasten in verband met ziekte of handicap is en blijft individuele
bijzondere
bijstand mogelijk.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel iets aan de bevoegdheden van
de gemeenten wijzigt om een eigen minimabeleid te voeren. Deze leden
gaan er overigens van uit dat deze principes die onderdeel vormen van
het grondwettelijk recht van de gemeenten tot het voeren van hun eigen financiële huishouding in stand blijven.
Het gemeentelijk
minimabeleid omvat meerdere regelingen, te weten kwijtschelding van
gemeentelijke belastingen en heffingen, schuldhulpverlening, maatschappelijke
participatie (stadspassen en dergelijke) en categoriale regelingen
die niet onder de bijzondere bijstand vallen. Evenals aan categoriale
regelingen die wél onder de bijzondere bijstand vallen, maakt het
wetsvoorstel een einde aan de categoriale regelingen die níet onder de
bijzondere bijstand vallen. Zoals in de memorie van toelichting is
aangegeven, is er op dit punt geen ruimte voor eigen gemeentelijk beleid.
Het voorliggende
wetsvoorstel brengt geen verandering voor de kwijtschelding van gemeentelijke
belastingen en heffingen, de schuldhulpverlening en de voorzieningen voor
maatschappelijke participatie. Voor de voorzieningen
voor maatschappelijke participatie, zoals stadspassen, geldt dat die, evenals in
de bestaande situatie, uitsluitend betrekking rblz.|71|
mogen hebben op
sociaal-culturele en sportieve activiteiten. Het kan dus niet zo zijn dat
onder de noemer "voorziening voor maatschappelijke participatie"
andersoortige verstrekkingen worden gedaan die liggen op het vlak van de
afgeschafte categoriale regelingen en waaraan de bezwaren kleven die voor
het kabinet aanleiding zijn om de categoriale regelingen af te
schaffen.
Als gevolg van het
schrappen van het gebruikersdeel van de OZB zal de kwijtschelding van deze
OZB vrijvallen binnen het gemeentelijk budget voor het minimabeleid.
Hoe groot is dat landelijk gezien, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
In 2000 was met de
kwijtschelding van OZB-gebruikers een bedrag gemoeid van €|38 miljoen.¹ Bij afschaffing
van de OZB vindt compensatie via het gemeentefonds
plaats. In de berekening hiervoor zal dit bedrag worden meegenomen.
1. Bron: MGA 1999-2001. Het streven is de
MGA 2001 vóór de plenaire
behandeling van de Wwb naar de Tweede
Kamer te sturen.
De leden van de
PvdA
vragen hoe het kabinet het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting (NAP) verder wil uitvoeren en doelstellingen wil
halen nu gemeenten geen middelen meer hebben om armoedebestrijding,
schuldhulpverlening en budgetbeheer te financieren.
Het NAP 2003, zoals dit
begin juli jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden, geeft overheidsbreed
streefdoelen en beleidsmaatregelen voor komende jaren weer, waarbij wordt
ingegaan op de terugdringing van zowel financiële als niet-financiële
risico’s op armoede. Deze streefdoelen worden onder de
verantwoordelijkheid van diverse departementen uitgevoerd en gefinancierd. De
gemeenten kunnen, zoals eerder in deze paragraaf is aangeven op vragen van de
fracties van CDA en ChristenUnie, hiervoor zo nodig zowel het werkdeel
als het inkomensdeel inzetten.
De leden van de
PvdA-fractie vragen hoe de gemeenten de nieuwe risico’s voor de bijstand, de
afbraak van de bijzondere bijstand en de indirecte afbraak van het
gemeentelijke armoedebestrijdingbeleid moeten financieren. Hoe betrouwbaar is de
rijksoverheid in de ogen van mensen als de bijzondere bijstand in
één keer met 45% bijna wordt gehalveerd, zo vragen deze leden.
Het kabinet onderschrijft
het standpunt van de leden van de PvdA-fractie
dat de omzetting van
beleid niet van de ene op de andere dag kan gebeuren. Het tijdstip
(junicirculaire 2003 Gemeentefonds) waarop de gemeenten van de
verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand kennis hebben kunnen
nemen, stelt hen in staat om het beleid tijdig bij te stellen en die
bijstelling aan de burgers kenbaar te maken. Het kabinet merkt hierbij verder op
dat verstrekkingen in het kader van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid
veelal een incidenteel karakter hebben en dus voor gemeenten
meestal geen langer lopende verplichtingen met zich meebrengen.
De leden van de
fractie
van GroenLinks vragen het kabinet waarom gemeenten niet zelf mogen
afwegen of zij aan individuen dan wel aan groepen van individuen
bijzondere bijstand verstrekken. Verder verwachten deze leden
extra bureaucratische lasten. Ten slotte begrijpen de leden het argument van
de rechtsongelijkheid niet. Om genoemde drie redenen, waarmee wordt
aangesloten bij kritiek van onder meer Divosa, vragen de leden van de
fractie van GroenLinks een beter beargumenteerde onderbouwing van dit
wetsartikel.
rblz.|72|
De stelling van de leden
van de fractie
van GroenLinks dat de afschaffing van de categoriale
regelingen ingaat tegen de decentralisatiegedachte van de Wwb doet niet af aan
de overwegende bezwaren die aan deze regelingen zijn verbonden en die de
aanleiding zijn voor de afschaffing. Categoriale regelingen
leiden niet alleen tot rechtsongelijkheid tussen gemeenten onderling, maar
ook tot rechtsongelijkheid binnen een gemeente. Categoriale
regelingen gaan a priori uit van gelijkheid tussen mensen die tot een
bepaalde categorie behoren en gaan voorbij aan de individuele situatie. Dat
leidt ertoe dat mensen die in ongelijke situaties verkeren gelijk worden
behandeld. Zo krijgen mensen die geen kosten hebben eenzelfde
verstrekking als mensen die hogere kosten hebben dan de verstrekking. Wij
merken dit evenzeer aan als rechtsongelijkheid als wanneer mensen die in een
gelijke situatie verkeren ongelijk worden behandeld.
Voor het antwoord op de
vraag over bureaucratische lasten verwijst het kabinet deze leden naar
het tweede antwoord van deze paragraaf.
4.5. Budgetbeheer en
bijstand in natura [MvT;
V]
Bijstand in natura
De leden van de
PvdA-fractie vragen wie bepaalt of iemand aantoonbaar niet in staat is om zelf te
voorzien in de essentiële algemene levensbehoeften en of zo iemand tegen zo’n
beslissing in beroep kan gaan. Zij vragen tevens hoe artikel 46
[46] zich
verhoudt tot de bepaling over bijstand in natura. Deze leden vragen of het
kabinet de mening deelt dat als regel het verstrekken van bijstand in natura
een taak is van mensen uit het zorgcircuit en niet van de ambtenaar van de
sociale dienst. Tevens vragen zij wat de huidige omvang is van de groep
dak- en thuislozen in de bijstand en welk percentage van de dak- en thuislozen
in de bijstand naar verwachting een bijstandsuitkering in
natura zal verkrijgen?
Het kabinet is van mening
dat primair gemeenten beoordelen of er gegronde redenen zijn om
aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot
een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Bijstand in natura is een
vorm van bijstandverstrekking waarbij de uitkering geheel of
gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar rechtstreeks in de vorm van goederen
en/of diensten wordt verstrekt. Bijstand in natura doet niets af
aan de hoogte van de bijstand waar de belanghebbende recht op heeft. Bijstand
in natura blijft daarmee bijstandverlening, waarvan het primaat bij
de gemeenten ligt. Dit laat onverlet dat gemeenten over de
uitwerking en de nadere vormgeving van bijstand in natura afspraken kunnen
maken met diverse (zorg)instanties.
De belanghebbende kan,
indien hij het er niet mee eens is dat zijn uitkering geheel of ten dele in
natura wordt verstrekt, via de reguliere weg bezwaar en beroep
aantekenen tegen het besluit van de gemeente. Hiermee is een
onafhankelijke toets op de rechtmatigheid van de naturaverstrekking gewaarborgd.
In het wetsvoorstel is
aangegeven dat de gemeente bijstand in natura kan verstrekken indien en
zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende
zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn
bestaansmiddelen. Indien deze gronden niet aanwezig zijn, kan de bijstand
niet in natura worden verstrekt. Het inhouden dan wel reserveren van een deel
van het inkomen voor niet-noodzakelijke uitgaven of niet-directe
levensbehoeften is dan slechts toegestaan met een machtiging van de belanghebbende.
In artikel 46
[46], vierde en
vijfde lid, staat aangegeven dat een machtiging tot het in ontvangst nemen
van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, steeds
herroepelijk is en dat elk hiermee strijdig beding nietig is. In het
wetsvoorstel wordt aan gemeenten de uitdrukkelijke rblz.|73|
bevoegdheid gegeven
om in voorkomende gevallen bijstand in natura te verstrekken.
Voor deze verstrekking behoeft de gemeente geen machtiging van de
belanghebbende te vragen. Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is derhalve niet van
toepassing op bijstand in natura.
Uit CBS-cijfers blijkt
dat ultimo 2001 2680 personen zonder vaste woon- of verblijfplaats een
bijstandsuitkering ontvingen. In deze groep vallen ook personen die beroepshalve
geen vaste woon- of verblijfplaats hebben, zoals binnenschippers en
kermisexploitanten die in een woonwagen wonen. Het aantal daken
thuislozen met een bijstandsuitkering wordt geschat op 2500. Het
aantal dak- en thuislozen dat naar verwachting een bijstandsuitkering in
natura zal verkrijgen, is niet bekend. Omdat bijstand in natura voor gemeenten een
nieuw instrument is, zal de praktijk moeten uitwijzen hoe vaak en bij
wie gemeenten dit instrument zullen gaan toepassen.
Budgetbeheer
De leden van de
PvdA
vragen of de gemeenten verplicht zijn om budgettering te leveren aan een
cliënt die daarom vraagt en aantoonbaar kan laten zien dat hulp in het
budgetteren nodig is. Deze leden vragen wanneer en op welke gronden de
gemeente budgettering kan weigeren. De leden van de CDA-fractie vragen
of bij schuldsanering de niet met een cliënt gemaakte afspraken door
hem eenzijdig kunnen worden opgezegd.
Budgetbeheer
- het uit
naam van de belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de
toegekende bijstand - is primair gericht op het voorkomen van
betalingsachterstanden dan wel het verder oplopen daarvan en is daarmee
onderdeel van het minnelijke traject schuldhulpverlening. De minnelijke
schuldhulpverlening kent geen centrale wettelijke kaders. De rol
die de rijksoverheid bij de minnelijke schuldhulpverlening speelt, is daar waar nodig
gericht op facilitering, subsidiering en stimulering van de
gemeentelijke uitvoering en niet op regulering daarvan. Het kabinet is
van mening dat een plicht voor gemeenten om budgetbeheer te leveren
niet past binnen deze kaders. De gemeente bepaalt dus in welke
gevallen tot budgetbeheer wordt overgegaan. Tegen het besluit ter zake
bestaat voor de cliënt de reguliere mogelijkheid van bezwaar en beroep.
De leden van de
PvdA-fractie vragen hoe artikel 46
[46],
vierde en vijfde lid, zich verhoudt tot de keuze van de
gemeente om tot budgettering over te gaan en of die keuze herroepbaar is.
Deze leden vragen wat de extra kosten van budgettering zijn, waaruit deze kosten
worden betaald en hoeveel gemeenten de budgettering uitvoeren
dan wel overlaten aan bijvoorbeeld de stadsbank.
De specifieke
uitvoeringskosten waar deze leden naar vragen, zijn niet bekend. Gemeenten dienen
de met budgetbeheer gemoeide uitvoeringskosten, net als de overige
uitvoeringskosten van de Wwb, te betalen uit de vrij besteedbare
middelen van het gemeentefonds. Er worden geen extra middelen toegevoegd
aan het gemeentefonds. Het is evenmin bekend hoeveel gemeenten
het budgetbeheer overlaten aan de stadsbank.
Budgetbeheer is, in
tegenstelling tot bijstand in natura, geen vorm van bijstandverlening.
Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is dus niet aan de orde bij budgetbeheer.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe zij het mogelijk achten dat, door een
dergelijke paternalistische maatregel, voor mensen de stap van
uitkeringsafhankelijkheid naar economische en maatschappelijke zelfstandigheid
eenvoudiger kan worden. Daarnaast vragen zij de kabinet te reageren op argumenten van bijvoorbeeld de directeur van
rblz.|74|
Bouwman Verslavingszorg,
namelijk dat verslaafden zich volledig zullen afkeren van de lokale
overheid, onzichtbaar worden voor het lokaal gezag en, mogelijk, hun heil
zullen zoeken in de criminaliteit.
De leden van de fractie
van de ChristenUnie verzoeken het kabinet te reageren op de door
sommigen geuite zorg dat dak- en thuislozen op een illegale manier zullen
trachten aan geld te komen als hun uitkering geheel in natura wordt
uitgekeerd.
Naar de mening van het
kabinet krijgen gemeenten met deze regeling een instrument om voor
bepaalde kwetsbare groepen meer maatwerk te kunnen leveren.
Uitgangspunt daarbij is dat geen enkele uitkeringsgerechtigde als afgeschreven en
onbemiddelbaar wordt beschouwd. Vanuit dit uitgangspunt hebben gemeenten de (zorg)plicht om kwetsbare groepen
op weg te helpen naar
reïntegratie. Bijstand in natura voorziet in een vangnet voor de eerste
primaire noodzakelijke bestaanskosten, waardoor (verder) afglijden in de maatschappij kan worden voorkomen. Met individueel
maatwerk kan ervoor
worden gezorgd dat met inzet van de uitkering een slaapplaats en
voedsel kan worden geboden. Dit draagt naar de mening van het kabinet
bij aan een snellere reïntegratie. Goede samenwerking tussen gemeenten en
hulpverleningsinstanties zal moeten voorkomen dat mensen crimineel
gedrag gaan vertonen of op een illegale manier aan geld proberen
te komen.
De leden van de
fractie van GroenLinks vragen of, als het om de hulp aan verslaafden gaat, hoe de
verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport wordt geoperationaliseerd als het gaat om de maatschappelijke
opvang en de hulp aan verslaafden die willen afkicken.
Het kabinet verwijst naar
het rapport van de werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Maatschappelijke Opvang dat door het
kabinet vóór 1 oktober
2003 met de kabinetsreactie hierop aan de Tweede Kamer wordt toegezonden.
4.6. Armoedeval
[MvT;
V]
De leden van de PvdA-fractie
vragen of het juist is dat de mensen die categoriale bijstand
krijgen in het wetsvoorstel nog steeds individuele bijzondere bijstand
kunnen aanvragen in bijzondere omstandigheden.
Deze mogelijkheid bestaat
omdat de categoriale bijzondere bijstand betrekking kan hebben op
een andere kostencategorie dan de kosten waarvoor individuele
bijzondere bijstand wordt gevraagd.
De leden van de
PvdA-fractie vragen of een gekwantificeerd overzicht kan worden gegeven van de
voorgestelde maatregelen en de uitwerking op de armoedeval waarbij
onderscheid wordt gemaakt naar alleenstaande moeders met kinderen
onder de 5 jaar, chronisch zieken en gehandicapten en arbeidsongeschikten.
Deze leden vragen naar het aantal huishoudens dat naar de opvatting van
de kabinet in aanmerking komt voor de lang-laaguitkering en naar het aantal mensen
met een WAO-, Wajong-,
Anw-uitkering respectievelijk een
bijstandsuitkering?
Het effect van de
voorgestelde maatregelen op de armoedeval wordt in belangrijke mate bepaald
door het gevoerde gemeentelijk beleid en het huishoudtype waartoe de
betrokkene behoort. Het gebruik van de categoriale regelingen kent namelijk
een grote spreiding en de omvang van de verstrekkingen hangt
sterk af van de invulling die gemeenten hieraan hebben gegeven. Ook
speelt een rol in welke mate de gemeente de categoriale regelingen openstelde
voor werkenden en of zij deze doelgroep rblz.|75|
heeft kunnen bereiken. Gemiddeld lag de omvang van het jaarlijkse
bedrag aan categoriale
regelingen per huishouden op €|130,-. Over het algemeen hebben werkenden
in mindere mate van de categoriale regelingen geprofiteerd; uit onderzoek is gebleken dat zij veelal niet door de
gemeente werden bereikt.
Alleenstaanden met een baan op het niveau van het minimumloon
ontvingen, gegeven hun netto-inkomen in vergelijking met het inkomen uit
een
uitkering, veelal geen categoriale aanvulling. Voor deze groep neemt de
armoedeval dus met gemiddeld €|130,- af.
Voor alleenstaande ouders
kan het effect op de armoedeval kleiner zijn, omdat zij ook als ze
werken in aanmerking konden komen voor categoriale tegemoetkomingen en
mogelijk wel door de gemeenten bereikt zijn. Bezien over de hele linie
zal het afschaffen van categoriale regelingen voor personen jonger dan
65 jaar een positief effect hebben op de armoedeval, dat echter
niet eenduidig te kwantificeren is.
Voor alleenstaande ouders
speelt daarnaast het vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten.
Voor alleenstaande ouders met inkomsten uit arbeid naast de
bijstandsuitkering leidde deze vrijstelling tot een inkomen boven de norm. Dit
belemmerde de mogelijkheid tot volledige uitstroom. De nieuwe systematiek
waarbij wel een aantal fiscale heffingskortingen worden vrijgelaten leidt
tot een aanzienlijke vermindering van de armoedeval. Zie de grafiek in paragraaf 4.2 van deze nota. Daarnaast kan de armoedeval verkleind
worden als gemeenten premies verstrekken. Het uiteindelijke
gekwantificeerde effect op de armoedeval is hiermee afhankelijk van de mate waarin de
gemeente daadwerkelijk ook aan werkende alleenstaande ouders categoriale bijstand verstrekten, van de mate waarin
naast de
bijstandsuitkering ook inkomen uit arbeid wordt ontvangen en van de wijze waarop
gemeenten de mogelijkheden voor premieverstrekkingen benutten.
Voor chronisch zieken en
gehandicapten is van belang dat de langdurigheidstoeslag voor langdurige sociale
minima zonder arbeidsperspectief een extra tegemoetkoming
biedt. De armoedeval zou toenemen indien deze toeslag ook terecht
zou komen bij mensen voor wie inkomen uit arbeid een alternatief
zou zijn.
Het totaal aantal
huishoudens dat in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag is geraamd op 143 000
huishoudens. Daarvan zijn er 20 000 WAO-gerechtigden, 11 500
Wajong-gerechtigden, 1600 Anw-gerechtigden en 106
000 bijstandsgerechtigden.
De leden van de
fractie
van GroenLinks constateren dat de kabinet de armoedeval wil oplossen
door de armoede te vergroten. De leden stemmen in met het
beginsel dat "werk moet lonen", maar zien betere oplossingen om de stap
van uitkering naar werk, ook in financieel opzicht, aantrekkelijker te maken.
Zo vragen zij de kabinet te beoordelen of invoering van een negatieve
inkomstenbelasting (earned income tax credit) en de fiscalisering van
inkomensafhankelijke regelingen, als de kinderbijslag en de
huursubsidie, niet
een groter effect hebben als incentive om betaald werk te accepteren.
Het kabinet deelt niet de
opvatting van deze leden dat het de armoede vergroot om daarmee de
armoedeval op te lossen. De maatregelen in de Wwb
om de armoedeval
tegen te gaan, staan niet op zichzelf. Zij maken onderdeel uit van de
verdere aanpak van de armoedeval, die het inkomensbeleid van het
kabinet kenmerkt. Een aantal van de door de leden van deze fractie
genoemde maatregelen maakt onderdeel uit van die aanpak. Zo wordt de
huidige kinderkorting meer glijdend inkomensafhankelijk gemaakt en zal een aan de
belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstantie inkomensafhankelijke
regelingen gaan uitvoeren.
rblz.|76|
5. Financiering
[MvT;
V]
5.1.
Financieringssystematiek [MvT;
V]
Algemeen
De leden van de
fracties
van PvdA en GL vragen het kabinet om uiterlijk medio augustus het
concept-Besluit financieringssystematiek Wwb
voor te leggen.
De inhoud van het
concept-besluit is meegezonden met deze nota.
Vaststelling macrobudget
De leden van de
PvdA-fractie hebben aarzelingen bij de wijze waarop het macrobudget wordt
vastgesteld en de waarborgen die conjuncturele invloed zouden beperken.
Ze refereren hierbij aan de premisse van het kabinet dat er een
onderscheid te maken is tussen conjuncturele en beleidsmatige toename van
het bijstandsvolume en de reïntegratieactiviteiten van gemeenten. De leden
van de PvdA-fractie vragen naar het openbaar maken van het SEOR-rapport.
Bij de raming van het
macrobudget wordt rekening gehouden met niet door gemeenten te
beïnvloeden factoren zoals conjunctuur en wijzigingen in het rijksbeleid. Door
in september van het uitvoeringsjaar aan de hand van een actuele raming
het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar beneden aan te passen,
wordt geborgd dat het macrobudget in de pas loopt met de economische
conjunctuur. Het kabinet is van mening dat de gehanteerde methodiek
voldoende waarborgt dat de macrobudgetten van de opeenvolgende uitvoeringsjaren meelopen met de economische
conjunctuur. In paragraaf
5.1.1 wordt nader ingegaan op de wijze waarop de gemeentelijke
budgetten worden vastgesteld.
De Kamer is bij de
indiening van het wetsontwerp Wwb het rapport toegezonden
"Stabiliteit
en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000"
(februari 2003, APE). Vermoedelijk wordt door de leden van de PvdA-fractie
gerefereerd aan het onderzoeksrapport van hetzelfde
onderzoeksbureau dat het resultaat weergeeft van de vervolgopdracht dat aan dit bureau is
verstrekt teneinde te komen tot technische verbeteringen van het
objectief verdeelmodel van februari 2003. Dit rapport is tegelijkertijd
met deze nota meegezonden naar de Tweede Kamer.
Balans bevoegdheden en
financiële verantwoordelijkheden
De leden van de
PvdA-fractie nodigen het kabinet uit de vormgeving van de
financieringssystematiek opnieuw te bezien gezien de twijfels die deze leden hebben over het
evenwicht tussen de mate van beïnvloeding van het bijstandsvolume en de
zwaarte van de incentives voor de gemeenten. Deze leden vragen zich af
of het eigen risico van de gemeente in verhouding staat tot het draagvlak
van de gemeente binnen de eigen begroting. Ook de leden van de
D66-fractie vragen zich af in hoeverre de balans is gevonden tussen gemeentelijke bevoegdheden en financiële verantwoordelijkheid.
Door de vergaande
decentralisatie binnen de Wwb krijgen gemeenten de volledige
verantwoordelijkheid, de ruimte en de middelen voor het voeren van een actief beleid om
bijstandsgerechtigden zo kort mogelijk in de uitkering te laten
zitten. Bij een vergaande verantwoordelijkheid voor het beleid past ook een eigen
budget en daarmee een vergaande financiële verantwoordelijkheid.
Hiermee ervaren gemeenten de gevolgen van hun rblz.|77|
beleid en wordt actief
beleid beloond. De beleidsvrijheid en bijhorende financiële
verantwoordelijkheden zijn daarmee aan elkaar verbonden. Met deze budgettering wordt
vergaande deregulering mogelijk gemaakt ten aanzien van bijvoorbeeld
de mate van toezicht en de uitvoeringsvoorschriften als de Rau
1996.
Naar de opvatting van het
kabinet worden de gemeenten in staat gesteld om de financiële verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk te dragen. Zo
wordt het macrobudget op
een deugdelijke wijze geraamd en heeft het kabinet vertrouwen in het
geheel van de gehanteerde verdeelsystematiek. Dit geheel bestaat uit de
verbeterde versie van het objectief verdeelmodel in combinatie met een
gefaseerde invoering, een inperking vooraf van de herverdeeleffecten binnen
een bandbreedte van 15% (zowel positief als negatief) en het vangnet
van de hardheidsclausule achteraf. De inperking vooraf van de
herverdeeleffecten betekent dat voor een gemeente het verschil tussen het
historische kostenaandeel en het budgetaandeel als uitkomst van het
objectief verdeelmodel niet méér mag bedragen dan 15% van het objectieve
budgetaandeel.
Bij de beantwoording in
paragraaf 5.1.3 van de vraag naar de reactie van het kabinet op de
aanbevelingen uit het Nyfer-rapport wordt nader ingegaan op het eigen risico in
relatie tot het draagvlak binnen de gemeente.
Vergelijking andere
landen
De leden van de
VVD-fractie vragen of er ook andere landen in Europa zijn die gebruik maken van een
dergelijke manier van budgettering van hun sociale vangnet, en zo ja,
wat hun ervaringen daarbij zijn.
Binnen de landen van de
Europese Unie zijn grote verschillen waarneembaar in de
budgetteringssystematiek van het sociale vangnet.
De
uitvoeringsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland krijgen
per jaar een budget
toegewezen, maar moeten in ruil daarvoor aan een aantal beleidsdoelen ("targets") voldoen. Indien budgetten ontoereikend blijken te zijn, worden
aanvullende middelen verstrekt door de overheid. De
Scandinavische landen,
Duitsland en Oostenrijk budgetteren niet, maar hebben de
verantwoordelijkheid voor bijstands- en activeringsuitkeringen overgedragen aan de
gemeenten. De gemeenten hebben de bevoegdheid om zelf de hoogte van de
daartoe benodigde belasting vast te stellen en zijn ook verantwoordelijk
voor het bijstandsbeleid. Het activeringsgedeelte wordt soms via
rijkssubsidieprogramma’s (Scandinavië), soms via de arbeidsbureaus (Duitsland
en Oostenrijk) ondersteund. In zekere zin is sprake van concurrentie
tussen gemeenten om de belastingdruk laag te houden en daarmee is er
een stimulans om de uitkeringslasten te beheersen.
In de overige EU-landen
wordt niet met stimuli in de financieringsstructuur inkomensdeel gewerkt. Wel
moeten gemeenten in veel landen voor een (relatief klein)
deel bijdragen in de kosten van de reïntegratie om de efficiënte uitvoering
te garanderen.
5.1.1. Macrobudget
[MvT;
V]
Raming en vaststelling
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld en de
waarborgen die de conjuncturele invloed zouden beperken. Zij
stellen dat het kabinet heeft aangegeven dat gemeenten worden
gecompenseerd voor zowel het conjunctuurrisico als de
rijksbeleidsmaatregelen en vragen hoe dit zit.
De leden van de
PvdA-fractie willen een scherper beeld krijgen van de stijging van de lasten
die voortkomt uit de groei van het bijstandsvolume de komende jaren. Daarom
vragen deze leden om nadere ramingen van rblz.|78|
het volume-effect van het
voorgenomen rijksbeleid en de effecten van de conjunctuur. Deze leden
vragen aan het kabinet een prognose met doorrekening van het CPB
[Centraal Planbureau, red.] voor wat
betreft het volume in de komende acht jaar, de Abw-instroom, de
beperking van de uitstroommogelijkheden op grond van bovengenoemd beleid
en conjunctuur en de toename van de Ioaw en de
Ioaz. Zij ontvangen
deze prognose uiterlijk graag vóór 15 augustus a.s.
De leden van de
PvdA-fractie vragen naar de meerjarenprognose over de groei van het
bijstandsbudget. Tevens vragen zij een meerjaren CPB-berekening tot en met
2007 waarin zijn opgenomen de conjuncturele effecten op de bijstand
op basis van de groei van de werkloosheid en de voorziene groei vanwege rijksmaatregelen.
De leden van de fractie
van GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de raming van het
budget voor het inkomensdeel. Ook vragen de leden van de GroenLinks
fractie in hoeverre hier rekening is gehouden met de voornemens in het
Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot de WW en de
WAO en wat de extra
toestroom in de bijstand is als gevolg van de strengere normen voor
toekenning van een WW- of WAO-uitkering. Deze leden vragen een reactie
op hun stelling dat de rekening van macro-economische omstandigheden die
slechter zijn dan voorspeld bij de gemeenten wordt
neergelegd.
De leden van D66 vragen
zich af of de macrobudgetten zullen worden verhoogd wanneer de
werkloosheid blijft stijgen als gevolg van de dalende conjunctuur. Deze
leden vragen voorts of de omvang van het macrobudget toereikend
zal zijn om 100% van de bijstandslasten af te dekken.
Gelet op
artikel 69 [69],
tweede lid, Wwb heeft het kabinet de plicht bij de raming van het
macrobudget de conjuncturele ontwikkeling en de effecten van beleidsmaatregelen te
verwerken.
Voor de komende jaren
worden opwaartse bijstandsvolumes geraamd tengevolge van
maatregelen in het Hoofdlijnenakkoord. Tengevolge van de WW-maatregelen is een
weglek naar de bijstand geraamd van €|300
mln in 2007. Door
maatregelen in de WAO is €|50
mln extra bijstandsuitgaven
geraamd en door het
afschaffen van de WAZ €|75
mln in 2007. Het gevolg van de huidige
laagconjunctuur is dat de werkloze beroepsbevolking (WBB) toeneemt. Daar de
ontwikkeling van de WBB de indicator is op basis waarvan het
bijstandsvolume wordt geraamd, zal een hogere WBB leiden tot meer
bijstandsgerechtigden. Hiervoor wordt het beschikbare bijstandsbudget
aangepast.
De ontwikkeling van het
bijstandsvolume wordt op landelijk niveau geraamd, niet voor regio’s.
Via de verdeelsystematiek worden op basis van objectieve factoren - waaronder sociale infrastructuur
- de gemeentelijke bijstandsbudgetten
afgestemd op regionale ontwikkelingen.
Het informatieverzoek van
de leden van de PvdA-fractie
is voorgelegd aan het CPB. Het CPB kan niet
voorzien in ramingen met een termijn van acht jaar en op het niveau van
instroom en uitstroom. Het kabinet acht een dergelijke exercitie ook
niet zinvol, gezien de onzekerheid die gepaard gaat met prognoses over
een dergelijk lange periode.
Het kabinet meent dat het
risico zeer beperkt is dat de gemeenten lopen van een in september
niet-voorziene toename van het bijstandsvolume welke het gevolg is van
conjunctuur en van gewijzigd rijksbeleid. Het vertrekpunt is het
geraamde macrobudget. Bij de raming van het macrobudget wordt nauwkeurig de
volume- en prijscomponent alsmede het effect van rijksbeleid
geraamd. Dit macrobudget wordt in september van het lopend
uitvoeringsjaar aangepast. Het op deze wijze geraamde macrobudget wordt vervolgens verdeeld
over alle gemeenten op basis van de daartoe vastgestelde
verdeelsystematiek. Het resultaat is dat elke gemeente een uitkering
ontvangt waarin het effect van de conjunctuur en het gewijzigd rijksbeleid
zitten, verwerkt.
rblz.|79|
De leden van de PvdA-fractie
vragen of de eerste 10% van de conjuncturele risico’s niet bij de gemeente
liggen.
Wanneer het CPB in de
loop van het jaar zijn raming van de werkloze beroepsbevolking naar
boven of naar beneden bijstelt, leidt dat tot een evenredige bijstelling
van het bijstandsbudget bij de definitieve vaststelling van het budget in
september van het lopende jaar. Het conjuncturele risico in verband met de
omvang van het macrobudget ligt daarom bij het Rijk.
Voor gemeenten bestaat
een budgettair risico wanneer de uitvoering van de Wwb tot hogere
uitgaven leidt dan het gemeentelijk budget. Dit risico is echter niet
conjunctureel van aard.
Rol CPB en CBS
De leden van de
CDA-fractie vragen zich af of de wijze van vaststelling van het macrobudget door het
Rijk zodanig is getoetst dat met een grote mate van zekerheid gesteld kan
worden dat het macrobudget de werkelijkheid van het benodigde budget
voor het inkomensdeel sterk benadert. Blijkt dit uit berekeningen die uitgevoerd zijn voor de jaren 1998
tot en met 2002?
De leden van de PvdA-fractie
vragen hoe betrouwbaar de CBS-ramingen en hoe betrouwbaar de
ramingen van het CPB zijn als het gaat om te verwachten stijging van
de Abw op grond van conjunctuur en rijksbeleid. Deze leden vragen het
kabinet een overzicht te geven van de bijstandsvolumeramingen van 1999, 2000,
2001, 2002 en het eerste kwartaal van 2003 en een
geactualiseerde prognose per 1 april 2003 via het CPB over de instroom van de
bijstand op grond van de toename WW en de beperking toegang
WAO. De leden van
de PvdA-fractie merken voorts op dat de voorjaarsnota laat zien
dat er een substantiële bijstelling van de Abw plaatsvindt. Zij vragen
of die bijstelling per 1 september a.s. opnieuw plaatsvindt en welk
risico de gemeenten lopen als het CPB er naast zit. Vindt achteraf geen
enkele correctie plaats?
Deze leden vragen waarom
het tijdstip van de vaststelling van de raming is gekozen in september.
Zij vragen het kabinet precies aan te geven wat de bijstelling naar
beneden in de voorjaarsnota heeft veroorzaakt en welke gegevens het CPB heeft
over de wijze waarop de Abw-cijfers de WW-stijging wat later
volgen.
De leden van de PvdA
vragen verder welke gegevens door de gemeenten moeten worden verstrekt
om een goede prognose van het CBS mogelijk te maken en welke
detaillering daarvoor noodzakelijk is.
Onder de
Wwb zal het
macrobudget voor de bijstandslasten in september van het lopende jaar
worden aangepast aan de actuele raming van de conjuncturele
ontwikkeling in dat jaar. Als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het
macrobudget wordt gebruik gemaakt van de (geraamde) omvang van de
werkloze beroepsbevolking in een uitvoeringsjaar. Het CPB
acht deze raming in september van het uitvoeringsjaar voldoende
nauwkeurig om als grondslag te kunnen dienen voor de definitieve
vaststelling van het macrobudget. Gezien de behoedzaamheid die het CPB in zijn
ramingen betracht, is de kans op een te lage vaststelling van het
definitieve macrobudget gering.
Bij voorjaarsnota is de
raming van het volume Abw (thuiswonend jonger dan 65 jaar) ten opzichte
van de stand ontwerp-begroting 2003 per saldo met ca. 20 000 uitkeringen naar beneden bijgesteld tot een volume van ruim 346
000 uitkeringen. Deze bijstelling was eenmalig en werd veroorzaakt door het feit
dat de omslag van een dalend naar een stijgend bijstandsvolume later
plaatsvond dan verwacht.
Het CPB maakt geen aparte
raming van de instroom in de Abw als gevolg van de conjuncturele
toename WW. Het Abw- en WW-volume worden integraal geraamd op
basis van de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking. rblz.|80|
Ook de
jeugdwerkloosheid en de instroom van schoolverlaters in de bijstand worden
niet afzonderlijk geraamd, maar maken integraal deel uit van de ramingen
van respectievelijk de werkloze beroepsbevolking en het bijstandsvolume.
Het CBS
maakt geen
ramingen van de ontwikkeling van de bijstandspopulatie. De cijfers die het CBS
publiceert over de ontwikkeling van het bijstandsvolume zijn
gebaseerd op de gegevens die gemeenten verstrekken in het kader
van de bijstandskenmerkenstatistiek. Deze gegevens worden gebruikt bij het
opstellen van de ramingen. Hierbij spelen ook de door de gemeenten
bij de statistieken te verstrekken gegevens een essentiële rol. Dit
geldt vooral voor de kenmerken die ingaan op de hoogte van de verstrekte
uitkering en de componenten die deze uitkeringshoogte bepalen.
Naast het vervallen van de kwartaaldeclaratie is bij de persoonsstatistiek
voor het inkomensdeel van de Wwb sprake van het vervallen van een
derde van de inhoudelijke kenmerken. Voor een belangrijk deel betreffen
dit kenmerken die een multi-interpreteerbaar karakter hebben en
daarmee vaak leiden tot problemen bij het verkrijgen van betrouwbare
informatie. Deze inspanning kan daarom vervallen. Daarnaast worden enkele
kenmerken met het oog op een vlottere levering door de gemeenten
aangepast. Voorts worden enkele kenmerken toegevoegd. Dit juist met het oog op
de bij de raming benodigde gegevens en het verkrijgen van een
bruikbaar landelijk beeld over de effecten van de wetgeving. Dit betreft
echter allemaal gegevens die bij het reguliere administratieve proces bij de gemeenten
nu reeds een cruciale rol spelen, zodat gemeenten kunnen
volstaan met het voortaan ook betrekken van deze reeds aanwezige
gegevens bij de aan het CBS te verstrekken gegevens.
Het CPB onderzoekt de
betrouwbaarheid van zijn ramingen regelmatig. Om daarnaast het effect
van ramingsfouten op het macrobudget zoveel mogelijk uit te sluiten,
is er juist voor gekozen om het macrobudget pas in september van het lopende
jaar definitief vast te stellen. De raming van de werkloze
beroepsbevolking, die als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het macrobudget wordt
gebruikt, zal volgens het CPB op dat moment nauwelijks meer
afwijken van de uiteindelijke realisatie.
Tabel: verloop SZW-raming
bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):
| Uitvoeringsjaar
(t) |
Ramingsmoment |
| |
September t-1 |
September t |
Realisatie |
| 1999 |
415 |
388 |
381 |
| 2000 |
383 |
353 |
348 |
| 2001 |
340 |
326 |
328 |
| 2002 |
336 |
325 |
320 |
Tabel: verloop raming
bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):
| Uitvoeringsjaar |
Raming
september 2002 |
Volumeraming stand voorjaarsnota
2003 |
| 2003 |
365 |
346 |
Mogelijkheden batig saldo
inkomensdeel
Het ontgaat de leden van
de PvdA-fractie op basis waarvan het kabinet van mening is dat goed
presterende gemeenten een batig saldo op het inkomensdeel kunnen
realiseren, te meer daar het verdeelmodel in hun ogen onvoldoende goede
resultaten laat zien. Deze leden verzoeken het rblz.|81|
kabinet aan te geven wat
de werkelijke mogelijkheden zijn om tot een batig saldo te komen.
Het kabinet deelt niet de
mening dat het verdeelmodel onvoldoende goede resultaten laat
zien en meent dat het budget dat wordt verleend in beginsel voldoende zou
moeten zijn voor de betaling van de uitkeringslasten. Een batig saldo kan de
gemeente verkrijgen door een goed actief reïntegratiebeleid en
een goed fraudebeleid. Bij de beantwoording van de gestelde vragen over de
verdeelsystematiek wordt nader op dit onderwerp ingegaan.
Nacalculatie
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een systeem waarbinnen het
macrobudget uiteindelijk wordt geraamd op basis van nacalculatie.
Is bekend wat het maximale risico zou zijn bij het afromen of opplussen van
het macrobudget voor gemeenten op basis van nacalculatie? Kan de
regering een aantal scenario’s maken waarin de risico’s voor een
aantal individuele gemeenten zichtbaar worden? Hoe kwetsbaar is een systeem
dat jaar na jaar op raming zet terwijl nacalculatie niet plaatsvindt?
De leden van de fracties
van VVD en ChristenUnie vragen waarom in het voorliggend wetsvoorstel
van de huidige systematiek wordt afgestapt, waarbij het budget ook
benedenwaarts kan worden bijgesteld. Tevens vragen deze leden wat er zich tegen verzet om het definitieve budget binnen de gekozen
systematiek met nacalculatie op t+1 vast te stellen. De leden van de
fractie van de ChristenUnie vragen hierbij aandacht voor de door
Divosa gesignaleerde problematiek van de "interne verwurging"
door gemeenten.
Bij de definitieve
vaststelling in september van het begrotingsjaar 2004 wordt het macrobudget
voor dat jaar naar boven of naar beneden aangepast. Dit betekent dat er geen
nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke
macrobijstandsuitgaven.
De keuze om geen
nacalculatie toe te passen is gebaseerd op twee overwegingen:
1. in geval van
nacalculatie verkeren gemeenten nog tot ruim na een uitvoeringsjaar in
onzekerheid over de exacte hoogte van hun budget;
2. het budget baseren op
een nacalculatie houdt in dat de financiële voordelen die gemeenten
boeken door een goed scorend reïntegratiebeleid van het collectief van
gemeenten van het macrobudget van dat jaar reeds wordt
afgeroomd. Dit vermindert de stimulerende werking van de
budgetteringssystematiek.
Het verschil tussen het
vastgestelde en het aangepaste macrobudget komt ten gunste of ten laste
van het Rijk.
Het voorgaande betekent
echter niet dat realisatiecijfers bijstandsvolume geen rol spelen in deze
ramingsmethodiek. Bij de definitieve vaststelling van het macrobudget van
het lopend uitvoeringsjaar in september van het uitvoeringsjaar worden de
gerealiseerde volumecijfers van het voorgaande uitvoeringsjaar betrokken. Ervaringsgegevens vormen immers
altijd een basis bij
ramingen. Ook bij de eerste raming van het macrobudget (t+1) in september
(t) wordt gewerkt met ervaringscijfers van het uitvoeringsjaar (t-1).
Dit betekent dat het macrobudget voor het lopende jaar naar boven of naar
beneden wordt bijgesteld als achteraf blijkt dat de totale gerealiseerde
bijstandsuitgaven in het voorgaande jaar hoger of lager waren dan het
macrobudget voor dat jaar.
Het is dus niet zo dat
het systeem jaar na jaar raming op raming zet. In de voorgestelde systematiek
wordt het macrobudget wel degelijk jaarlijks geijkt aan de
gerealiseerde bijstandsuitgaven op de wijze zoals hiervoor is beschreven.
rblz.|82|
Bij de aanpassing in september van het lopende begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe
ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse aanpassing vanwege de loon en
prijsbijstelling verwerkt.
Risico’s individuele
gemeenten
De leden van de
PvdA-fractie vragen of het kabinet een aantal scenario’s kan maken waarin de
risico’s voor een aantal individuele gemeenten zichtbaar worden.
Deze vraag moet
ontkennend worden geantwoord. De reden hiervoor is dat bij het opstellen van
dergelijke scenario’s te veel aannames over beleidsmatige invullingen
en hun neerslag in bedragen die worden opgenomen in een gemeentelijke
begroting moeten worden gemaakt. De Wwb
geeft beleidsvrijheid aan gemeenten; het is aan hen om te komen tot
ordentelijke
gemeentelijke begrotingen die hen in staat stellen om het gekozen beleid
daadwerkelijk te kunnen financieren en uit te voeren. Binnen het
implementatietraject is het kabinet voornemens om de gemeenten tegemoet te
komen door het overleggen van enkele financieringsmodellen die
richtinggevend kunnen zijn voor de gemeenten.
Aanpassing tabellen uit
de bijlage bij de algemene memorie van toelichting
De leden van de
PvdA-fractie vragen overigens de cijfers over de bijstandspopulatie uit
bijlage 1 van de memorie van toelichting te actualiseren voor 2002 over alle zes
tabellen. Deze leden vragen voorts de in- en uitstroom van de bijstand
van de maanden januari, februari maart, april en mei 2003, nu blijkt dat
het CBS wel met 100% accuratesse over deze cijfers beschikt.
Helaas is het nog niet
mogelijk om de cijfers over de bijstandspopulatie uit bijlage 1 van de memorie van
toelichting geheel te actualiseren. Het CBS
heeft thans
beschikbaar aanvullende, voor het derde kwartaal 2002 geactualiseerde cijfers voor de aantallen
uitkeringen aan thuiswonenden jonger dan 65 jaar (tabel
1) en de aantallen uitkeringen periodieke algemene bijstand naar duur en
leefvorm (tabel 2).
Tabel
1
rblz.|83|
Tabel
2
Overigens is in tabel 1,
blz. 89, memorie van toelichting bij de Wwb
in de titel per abuis de
toevoeging ultimo tweede kwartaal 2002 weggevallen. In tabel 2,
blz. 89, van die memorie van toelichting is eveneens in de titel weggevallen dat het om
cijfers gaat van ultimo tweede kwartaal 2001 en ultimo tweede kwartaal 2002.
Zoals eerder gemeld in de
brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV,
nr. 31) zullen volgens afspraak met het CBS over versnelling van de
beschikbaarheid van stroomgegevens over de bijstandsregelingen,
vanaf september 2003 de in- en uitstroomgegevens over het eerste kwartaal
2003 kunnen worden geleverd en vervolgens steeds kwartaalgegevens
over in- en uitstroom binnen een halfjaar na dato.
Systematiek 65+
De leden van de
PvdA-fractie vragen waarom er geen nacalculatie plaatsvindt voor 65-plussers. Zij
vragen het kabinet een voorbeeld over drie achtereenvolgende jaren te geven waaruit
blijkt dat het verschil tussen de raming en nacalculatie marginaal
is.
Deze leden vragen voorts
of het kabinet de optie heeft overwogen de bijstand voor 65-plussers
te laten uitvoeren door de SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.]. Tevens vragen rblz.|84|
zij of de gemeenten na
het wegvallen van de Rau 1996 een veel eenvoudiger procedure mogen kiezen
voor de doelgroep 65-plussers.
Bij het macrobudget voor
65-plussers geldt dat:
- het gaat om een zeer
beperkt deel (3%) van het totale budget voor de Wwb;
- de bijstandsuitgaven
aan 65-plussers vooral afhankelijk zijn van demografische ontwikkelingen die goed
te voorspellen zijn.
Met het oog op de eenvoud
is ervoor gekozen om met betrekking tot de vaststelling van het Wwb-macrobudget zoveel mogelijk eenzelfde systematiek te hanteren voor de
samenstellende delen van dit budget. Gelet op de voorgaande punten is
er geen noodzaak om specifiek voor het deel van het macrobudget dat
betrekking heeft op bijstand aan 65-plussers met nacalculatie te werken.
Een systeem van nacalculatie brengt bovendien weer de nodige
bureaucratie met zich mee, terwijl het juist de bedoeling is dat de Wwb bijdraagt aan
het terugdringen daarvan.
De verdeling van het
macrobudget voor 65-plussers vindt plaats op basis van de historische
kostenaandelen met betrekking tot deze bijstandscategorie. Er wordt dus wel degelijk
een andere verdeelsleutel gebruikt dan voor de verdeling van het
macrobudget voor personen tot 65 jaar.
In onderstaande tabel is
de raming weergegeven van het aantal 65-plussers dat naar
verwachting een beroep zal doen op de bijstand. Het betreft een prognose op
landelijk niveau. Deze raming wordt niet verbijzonderd naar individuele gemeenten. Omdat het in de meeste gemeenten om kleine aantallen gaat,
is het niet mogelijk om een betrouwbare langetermijnprognose op gemeenteniveau te
maken.
Tabel: verwachte
ontwikkeling volume Abw 65+ (x 1000):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Raming volume Abw 65+ |
22,1 |
23,4 |
24,8 |
26,2 |
27,5 |
Een vergelijking tussen
raming en nacalculatie voor wat betreft het macrobudget kan niet worden
verstrekt. De methodiek voor de raming van het macrobudget 65+ is pas
recentelijk verfijnd, vooruitlopend op de financieringssystematiek
van de Wwb, waarin geen nacalculatie plaatsvindt. Een vergelijking van de
ramingen en realisaties uit het verleden geeft derhalve geen
representatief beeld voor de situatie onder de Wwb. Het budget voor bijstand
aan 65-plussers zal onder de Wwb verdeeld worden op basis van
historische kostenaandelen. De dynamiek in de gemeentelijke
bijstandsuitgaven ten behoeve van 65-plussers is geanalyseerd op basis van de jaaropgaven
van 1999, 2000 en 2001. De resultaten van deze analyse geven een
indicatie van de verschillen tussen het budget en de werkelijke uitgaven die
kunnen ontstaan bij het toepassen van de historische verdeelmaatstaf.
In onderstaande tabel is
aangegeven hoe de aandelen van gemeenten in de landelijke
bijstandsuitgaven voor 65-plussers tussen twee jaren verschillen. Voor vrijwel
alle gemeenten blijkt dit verschil minder dan een half procent te bedragen.
Voor alle gemeenten ligt het verschil tussen -1,7% (2001 ten opzichte
van 2000) en +3,4% (2000 ten opzichte van 1999). De verdeelsystematiek geeft derhalve geen
aanleiding om een systeem van nacalculatie te hanteren.
rblz.|85|
Tabel: dynamiek
bijstandsuitgaven aan 65-plussers:
| Procentuele stijging of
daling budgetaandeel |
Verandering in
budgetaandeel 2000 t.o.v. 1999 |
Verandering in
budgetaandeel 2001 t.o.v. 2000 |
Verandering in
budgetaandeel 2001 t.o.v. 1999 |
| <-1% |
vv0 |
vv1 |
vv0 |
| -1% t/m
-0,5% |
vv2 |
vv0 |
vv1 |
| -0,5% t/m 0% |
295 |
221 |
242 |
| 0% t/m +0,5% |
169 |
244 |
223 |
| +0,5% t/m +1% |
vv0 |
vv1 |
vv0 |
| >+1% |
vv1 |
vv0 |
vv1 |
Met de VNG is begin dit
jaar van gedachten gewisseld over mogelijke uitvoeringsmodaliteiten
voor bijstand aan 65-plussers. Van de zijde van het kabinet is toen
aangegeven dat uitvoering door de SVB uit oogpunt van doeltreffendheid en
doelmatigheid geen verbetering lijkt te bieden ten opzichte van de huidige
uitvoering door gemeenten.
Gemeenten bepalen zelf
welke gegevens de klant dient te overleggen om het recht op uitkering te
kunnen vaststellen. De
Wwb
wijkt op dit punt echter niet af van de Abw. Wat in de
Wwb
wel vervalt, is de verplichting tot een heronderzoek eens
per acht maanden, dan wel een andere door de gemeente vast te stellen
termijn die hoogstens achttien maanden bedraagt. Voor de groep 65-plussers
hadden en hebben de gemeenten dus voldoende mogelijkheden
voor een eenvoudige procedure.
Onderbouwing budget naar
onderdelen
De leden van
de GroenLinks-fractie vragen naar een financiële onderbouwing van het budget per
verwachte bijstandsgerechtigde, uitgesplitst naar het bedrag voor de
basisuitkering, bijzondere bijstand, eventuele langdurigheidstoeslag en middelen voor
reïntegratie.
Elke
gemeente
ontvangt
een budget voor het inkomensdeel Wwb, inclusief de langdurigheidstoeslag,
ter financiering van de algemene bijstand en een budget voor het
werkdeel Wwb. Bij de raming van het macrobudget inkomensdeel wordt
rekening gehouden met de verwachte groei van het macrobijstandsvolume. Het inkomensdeel kent, in tegenstelling tot het werkdeel, geen
voorgeschreven bestedingsrichting. Daarnaast ontvangt elke gemeente
een totaalbedrag algemene middelen uit het gemeentefonds, welke mede
is bedoeld ter financiering van bijzondere bijstand. Het betreft een
algemene uitkering, hetgeen aangeeft dat hier geen bestedingsrichting
bestaat.
Binnen de kaders van de Wwb
en gelet op de kwalitatieve karakteristieken van de bijstandspopulatie
is het vervolgens de concrete invulling van de beleidsvrijheid van
gemeenten die resulteert in een bedrag per bijstandsgerechtigde. Het kabinet kan de
gevraagde onderbouwing daarom niet leveren.
5.1.2. Verdeelsystematiek [MvT;
V]
Objectief verdeelmodel
De leden van de
PvdA-fractie
vragen waarom wordt gekozen voor een gefaseerde invoering van
het objectief verdeelmodel.
Het kabinet heeft om een
aantal redenen gekozen voor een gefaseerde invoering van het
objectief verdeelmodel. Allereerst brengt de overgang van een declaratiestelsel
naar een objectief verdeelmodel per definitie herverdeeleffecten met
zich mee. Fasegewijze invoering zorgt dat deze overgang een
geleidelijker verloop kent. Dit gegeven was ook bij de invoering rblz.|86|
van de WFA (25%
budgettering) aanleiding om gefaseerd over te gaan tot de toepassing
van het objectief verdeelmodel. Daarnaast is het kabinet van mening dat de
gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel de kans biedt dit
model in de komenden jaren verder te verfijnen. Het objectief
verdeelmodel laat voor het merendeel van de betrokken gemeenten resultaten zien
die overeenkomen met de verwachtingen. Voor enkele gemeenten is dit
echter niet het geval en behoeven de resultaten nader onderzoek. Het
kabinet heeft bureau APE de opdracht gegund om de aanbevelingen in het rapport
"Stabiliteit en herverdeeleffecten van het
verdeelmodel voor de
bijstand, 1998-2000"
verder uit te werken, in de verwachting dat de
technische verbeteringen resulteren in een verdere verbetering van het objectief verdeelmodel, zodat het model betere resultaten
laat zien in termen van ex-anteherverdeeleffecten. Een ander doel van dit onderzoek is om
het model geschikt te maken voor toepassing onder de
Wwb. Een separaat onderdeel binnen dit vervolgonderzoek
betreft de relatie tussen
de modeluitkomst en de sociale infrastructuur van de gemeente.
Dit vervolgonderzoek is
inmiddels afgerond. Het rapport "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet
werk en bijstand"
wordt tegelijkertijd met het verzenden van deze nota
aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden. Dit nieuwe objectief
verdeelmodel wordt gebruikt bij de vaststelling van de gemeentelijke uitkeringen
inkomensdeel Wwb
voor het uitvoeringsjaar 2004. Het nieuwe
objectief verdeelmodel levert een aanzienlijke verbetering in termen van
ex-anteherverdeeleffecten op ten opzichte van het verdeelmodel uit het
februari-2003-APE-rapport. Desalniettemin toont het patroon van ex-anteherverdeeleffecten ook bij dit verdeelmodel nog enkele positieve en
negatieve uitschieters.
Vandaar dat het kabinet
bij de toepassing van het objectief verdeelmodel buiten het model om een
grens hanteert ter indamming van al te grote - zowel positieve als
negatieve - uitschieters van ex-anteherverdeeleffecten. Deze grens is vastgesteld
op 15%. Daarnaast is gekozen voor een gefaseerde invoering van het gebruik van het objectief verdeelmodel om
ex-anteherverdeeleffecten te beteugelen.
Het kabinet is voornemens
om jaarlijks de actualiteit en stabiliteit van het model en de
herverdeeleffecten te onderzoeken. Voor een beschrijving van het nieuwe objectief
verdeelmodel wordt verwezen naar de bijlage bij het concept-Besluit Wwb
dat tegelijkertijd is meegestuurd naar uw Kamer. De Kamer heeft reeds de
beschikking over het rapport van het bureau APE, "Stabiliteit en
herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000",
welke bijlage bij het wetsontwerp Wwb
is meegezonden.
De leden van de
fractie
van de ChristenUnie vragen waarom het objectief verdeelmodel nooit is
geëvalueerd.
De veronderstelling van
deze leden dat het objectief verdeelmodel nooit is geëvalueerd, is onjuist.
Bij de indiening van het wetsontwerp is tegelijkertijd met onderzoeksrapport
"Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de
bijstand, 1998-2000"
meegezonden.
Tegelijkertijd met deze
nota is het onderzoeksrapport verzonden waarin het objectief
verdeelmodel wordt beschreven zoals dit wordt gebruikt bij de verdeling van het
macrobudget inkomensdeel
Wwb
2004. In dat rapport kan worden
nagegaan wat de wijzigingen zijn ten opzichte van de voorgaande versie en de
redenen waarom daartoe is overgegaan.
In onderdeel D van de
bijlage bij het concept-Besluit Wwb
is een beschrijving opgenomen van de
wijzigingen van het huidige objectief verdeelmodel ten opzichte van het
vorige verdeelmodel.
De leden van de
CDA-fractie vragen of er wel één objectief verdeelmodel mogelijk zal
blijken te
zijn, en zo ja, wanneer. De leden van de VVD-fractie rblz.|87|
vragen waarom een
objectief verdeelmodel voor de kleine gemeenten op dit moment niet mogelijk
is.
De verdeling van het
macrobudget geschiedt in twee stappen. Stap 1 is de verdeling van het
macrobudget over drie categorieën gemeenten. Bij deze zogenoemde
compartimentering wordt het objectief verdeelmodel gebruikt voor de
gemeenten met meer dan 40 000 inwoners en voor de gemeenten met minder dan
60 000 inwoners. Stap 2 is de verdeling van het budget per categorie
over de onder deze categorie vallende gemeenten.
De gefaseerde invoering
van het objectief verdeelmodel betreft de verdeling van het budget voor de
middelgrote (40 000-60 000 inwoners) en grote (groter dan 60 000
inwoners) gemeenten. De verdeling van het budget voor kleine
gemeenten (kleiner dan 40 000 inwoners) geschiedt op basis van het historisch
model. Vooralsnog wordt het objectief verdeelmodel niet gehanteerd bij de
verdeling over deze categorie gemeenten aangezien het patroon van ex-anteherverdeeleffecten grote fluctuaties laat zien.
De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet of de stelling van het kabinet dat het objectief
verdeelmodel ervoor zorgt dat gemeenten die structureel beter
presteren dan andere gemeenten hier ook structureel voor worden beloond, ook
zal gelden vanaf het begin. Voorts vragen deze leden in hoeverre grote
verschillen tussen gemeenten het ontstaan van deze situatie voor
gemeenten belemmert.
Zoals is aangegeven, wordt
het objectief verdeelmodel gefaseerd ingevoerd. Dit betekent dat de bovengenoemde stelling
- te weten dat bij
toepassing van het
objectief verdeelmodel gemeenten die structureel beter presteren dan
nadere gemeenten ook structureel worden beloond - in mindere mate opgaat
voor de eerste jaren waarin het objectief verdeelmodel nog niet volledig zal
worden ingezet. In deze jaren wordt nog in sterke mate gewerkt met
historische kosten.
Grote verschillen tussen
gemeenten belemmeren op geen enkele wijze bovengenoemde stelling.
De leden van de
PvdA-fractie
vragen zich af welke WW- en WAO-cijfers door het kabinet worden
gehanteerd.
Binnen het objectief
verdeelmodel zitten twee maatstaven "het aantal personen met maximale
WW-duur"
en met "het aantal personen met WAO/WAZ/Wajong-uitkering".
Deze gegevens zijn afkomstig van het CBS en gebaseerd op de
uitkeringsregistratie van het UWV. Toepassing van het objectief verdeelmodel
betekent dat de bijstandsuitgaven (in enge zin, dus exclusief Ioaw,
Ioaz en Bbz [zie Bbz
2004, red.]) per inwoner van gemeente X worden berekend aan de hand van de scores
van gemeente X op de negen maatstaven. Dat geldt dus ook voor de scores van gemeente X op deze twee
maatstaven. Vervolgens
wordt de uitkomst vermenigvuldigd met het aantal inwoners in de
leeftijd van 20 tot 64 jaar van gemeente X.
De leden van de
VVD-fractie vragen op welke wijze met het aantal gesubsidieerde banen rekening is
gehouden in de schatting van het objectief verdeelmodel.
Het kabinet merkt op dat
"gesubsidieerde
banen"
in de maatstaf "lage
inkomens"
van het
objectief verdeelmodel liggen besloten. Uit onderzoek blijkt dat dit model een
goede verklaring biedt voor de gemeentelijke bijstandsuitgaven.
rblz.|88|
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet nader in te gaan op de reden waarom het aantal
bijstandsgerechtigden niet in het objectief verdeelmodel is
opgenomen. Zij vragen zich af of dit te maken heeft met de vrees voor afname van
de prikkelwerking. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie
vragen waarom geen gevolg is gegeven aan het advies van de Raad voor
de financiële verhoudingen [Rfv, red.] om het aantal bijstandsgerechtigden op
te nemen in het objectief verdeelmodel.
Het objectief
verdeelmodel verklaart de bijstandsuitgaven per inwoner uit een aantal maatstaven
(modelexogenen).
Deze maatstaven kunnen voor wat betreft de uitvoering
van de Bijstandswet niet door de gemeente
worden beïnvloed. De
kracht van dit verdeelmodel ligt dan ook in de voorspellende waarde van de
objectieve
behoefte aan middelen ter financiering van bijstandsuitgaven van
een gemeente. Door "het aantal
bijstandsgerechtigden" op te nemen als één
van de exogenen van het model wordt het karakter van het objectief verdeelmodel
tenietgedaan. Immers, de te
verklaren variabele wordt
dan tevens als exogene opgevoerd. Daardoor valt het verband tussen
de objectieve maatstaven en de bijstandsuitgaven niet of nauwelijks meer
met econometrische methoden te bepalen. Feitelijk komt het
opnemen van het aantal bijstandsgerechtigden als maatstaf in het objectief
verdeelmodel neer op het inbouwen van het historisch model binnen het
objectief verdeelmodel. Een historisch verdeelmodel kenmerkt zich door het
ongewenste effect dat een slecht presterende gemeente een relatief
hoog aandeel in het macrobudget heeft.
De leden van de
D66-fractie merken op dat voor gemeenten waarvoor het objectief verdeelmodel
wordt toegepast herverdeeleffecten optreden die mede het gevolg zijn van
het nog niet foutloos functioneren van het model. Zij vragen het
kabinet inzicht te geven in de omvang van de hier bedoelde verdeeleffecten
De leden van de
SGP-fractie zijn van mening dat voldaan moet worden aan de voorwaarde dat de
verdeelsystematiek van het macrobudget inkomensdeel dient aan te
sluiten bij de onvermijdelijke kosten die gemeenten hebben bij de
uitvoering van de bijstand.
In onderstaande tabel
wordt een overzicht gegeven van de omvang van de herverdeeleffecten die
optreden als het objectief verdeelmodel voor alle gemeenten onverkort
wordt toegepast. Deze herverdeeleffecten zijn berekend door de
gemeentelijke bijstandsuitgaven 2001 te vergelijken met een fictief 100%
objectief budget voor 2001. Dit objectieve budget 2001 is berekend door het
objectief verdeelmodel toe te passen op het totaal van de uitgaven 2001. Voor de
toepassing van het objectief verdeelmodel is gebruik gemaakt van de
waarden van de objectieve verdeelkenmerken in 2001.
Het herverdeeleffect is
hier gedefinieerd als het verschil tussen de bijstandsuitgaven 2001 en
het fictieve objectieve budget 2001, uitgedrukt als percentage van het
budget. Onderstaande tabel geeft aan hoeveel gemeenten per
gemeentegrootteklasse zich in een bepaald interval bevinden voor wat betreft
de omvang van het herverdeeleffect. De uitgaven en budgetten
per gemeente waarop onderstaande tabel is gebaseerd, zijn opgenomen
in de tabel "Vergelijking werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve
budgetten" [appendix
A, red.].
rblz.|89|
Tabel:
frequentieverdeling herverdeeleffecten objectief verdeelmodel:
| Herverdeeleffect:
verschil tussen uitgaven en budget
in % van het objectieve
budget |
Gemeentegrootteklasse |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Groot
(>60r000 inwoners) |
Middelgroot
(40r000-60r000
inwoners) |
Klein (<40r000
inwoners) |
| <-25% |
v3 |
v1 |
60 |
| -25% t/m
-15% |
v3 |
v4 |
38 |
| -15% t/m
-10% |
v6 |
v2 |
21 |
| -10% t/m 0% |
22 |
v8 |
81 |
| 0% t/m +10% |
13 |
12 |
60 |
| +10% t/m +15% |
v3 |
v3 |
23 |
| +15% t/m +25% |
v5 |
v6 |
30 |
| >+25% |
v3 |
v4 |
56 |
|