St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

KAMERSTUKKEN

 

WET  WERK  EN  BIJSTAND

 

  
 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 2002-2003, 28 870

Vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten (Wet werk en bijstand)

 

 

Nr.r13 NOTA  NAAR  AANLEIDING  VAN  HET  VERSLAG

 

Inhoudsopgave

x[Algemeen, red.]
1 Inleiding
2 Algemeen
3 Arbeidsinschakeling en reïntegratie
3.1 Rechten en plichten
3.2 Reïntegratie
3.3 Ontwikkelingen in het bestand bijstandsgerechtigden
4 Inkomenswaarborg en armoedeval
4.1 Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte
4.2 Middelentoets
4.3 Langdurigheidstoeslag
4.4 Bijzondere bijstand en afschaffen categoraal beleid
4.5 Budgetbeheer en bijstand in natura
4.6 Armoedeval
5 Financiering
5.1 Financieringssystematiek
5.2 [Financieringssystematiek werkdeel, red.]
6 Uitvoering en samenwerking
6.1 Overleg met gemeenten
6.2 Gevolgen voor gemeenten
6.3 Samenwerking in de SUWI-keten
7 Vereenvoudiging
7.1 Bevoegdheid tot terugvordering in plaats van verplichting
7.2 Vereenvoudiging van het verhaal van bijstand
7.3 Omzetting boetesysteem in een verlaging van de uitkering
7.4 Afschaffen van uitvoeringsvoorschriften
7.5 Beleidsinnovatie
8 Rijkstoezicht
9 Informatiebeleid
10 Overige inkomensvoorzieningen
11 Financiële gevolgen
12 Rechtsbescherming
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 85
xAppendix A:  Tabel met vergelijking werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve budgetten
xAppendix B:  Tabel met vergelijking WFA-budgetten 2002, 2003 en indicatief Wwb-budget 2004
xAppendix C:  Tabel van uitgaven en budgetten WFA 2001

 

 

Ontvangen 12 augustus 2003

 

 

[Algemeen, red.]

 

     Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het verslag van de Vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het doet ons genoegen dat de fracties in meerderheid kunnen instemmen met de hoofdlijnen van het het wetsvoorstel Wet werk en bijstand (Wwb).
     De punten waarop het commentaar van de fracties op hoofdlijnen betrekking heeft, betreffen:
- de hoogte en de verdeling van de beschikbare budgetten voor de uitkeringslasten (inkomensdeel) en het vrij besteedbare reïntegratiebudget (werkdeel);
- de invloed van gemeenten op de hoogte van het bestand aan uitkeringsgerechtigden en de afhankelijkheid van het functioneren van de Centra voor werk en inkomen (CWI) [zie ook Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.];
- de verplichte uitbesteding van reïntegratieactiviteiten;
- het risico van gedwongen ontslagen voor ID-ers en Wiw-ers;
- de benodigde tijd voor een goede implementatie;
- de doelstellingen waarop de minister kan worden afgerekend;
- het afschaffen van categoriale bijzondere bijstand en het afschaffen van de vrijlating;
- toezicht en de informatie-uitvraag;
- het afschaffen van de categoriale ontheffing van de arbeidsverplichting.
     In de navolgende hoofdstukken van de nota naar aanleiding van het verslag wordt op deze punten uitgebreid ingegaan.

     Ten opzichte van het wetsvoorstel Wwb en de Invoeringswet Wwb zijn de volgende punten nader uitgewerkt:
- de verdeelsystematiek van het inkomensdeel en werkdeel. Het kabinet heeft de werking van het objectief verdeelmodel verder verbeterd. Daarnaast wordt het ex-anteherverdeeleffect op maximaal 15% gezet. Dat betekent dat voor een gemeente het verschil tussen het historische kostenaandeel en het budgetaandeel als uitkomst van het objectief verdeelmodel niet méér mag bedragen dan 15% van het objectieve budgetaandeel.
- Bij de verdeling van het reïntegratiebudget wordt in 2004 dezelfde verhouding in de budgetten per gemeente gehanteerd als in 2003. Eén
rblz.|2| en ander zal worden geregeld in het Besluit Wwb. De inhoud van dit besluit is bij deze nota meegezonden.
- Het percentage vrije ruimte bij de verplichte uitbesteding van reïntegratieactiviteiten. Dit wordt gesteld op 20% van de middelen die besteed worden aan reïntegratieactiviteiten. Dit zal worden geregeld bij ministeriële regeling.
- De invulling van de meeneemregeling.
- Gemeenten krijgen de mogelijkheid om overschotten op het reïntegratiebudget geheel mee te nemen naar een volgend jaar, tot een maximum van 25% van het toegekende budget. Dit zal worden geregeld in het Besluit Wwb.
- Bij nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb wordt de mogelijkheid geboden om te experimenteren met een andere verdeling van taken tussen CWI en gemeenten. Doel van de experimenten is te bewerkstelligen dat werkzaamheden rond de intake, fasering en het reïntegratieadvies efficiënter worden vormgegeven.
- De gemeenten krijgen de mogelijkheid om onderdelen van de wet die verband houden met de rechten en plichten per 1 januari 2005 in te voeren of zoveel eerder als gemeenten dit zelf wensen. Dit zal worden geregeld in het inwerkingtredingsbesluit Wwb en in de ministeriële regeling op grond van artikel 70 [70] van de Invoeringswet Wwb.
- Er wordt een coördinatiepunt ICT ingesteld om gemeenten te ondersteunen bij de inrichting en aanpassing van hun ICT.
- De projectfinanciering van de regionale platforms arbeidsmarkt (RPA’s) wordt met één jaar verlengd (€|1 miljoen).
     In de nota zullen deze punten nader worden toegelicht.

     Bij de opbouw van deze nota is ervoor gekozen een aantal thema’s die in het verslag in verschillende hoofdstukken zijn behandeld, zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden. Dit met het oog op de toegankelijkheid en samenhang van de antwoorden. Een aantal thema’s die in het verslag zijn behandeld in de hoofdstukken 1 (inleiding) en 2 (algemeen) worden daarom behandeld in de specifieke hoofdstukken 3 tot en met 12. Om de toegankelijkheid te vergroten, is verder waar nodig vraag en antwoord voorzien van een kopje met de inhoud.
     De hoofdstukindeling van de nota volgt die van het verslag.

     Tegelijk met deze nota worden de volgende stukken als bijlagen meegezonden: ¹
- de inhoud van de concept-AMvB’s (Besluit Wwb - betreft de financieringssystematiek - ; Bijstandsbesluit zelfstandigen [zie Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.]; Besluit financiering Ioaw en Ioaz [zie Besluit uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz voor het jaar 2004, red.]; Aanpassingsbesluit Wwb);
- de reactie van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het advies d.d. 15 juli 2003 van de Raad voor werk en inkomen over de Wwb;
- het antwoord van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de brief van de FNV d.d. 5 juni 2003 met voorstellen voor de Wwb;
- de door Atos KPMG opgestelde risicoanalyse over de Wwb;
- het APE-rapport van augustus 2003 "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet werk en bijstand".

1. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

rblz.|3| 

1. Inleiding  [MvTV]


Relatie met de Grondwet

     De leden van de PvdA vragen het kabinet naar de interpretatie van artikel 20, tweede en derde lid, van de Grondwet. De leden van de PvdA-fractie vragen welke verantwoordelijkheid de rijksoverheid heeft en houdt voor de uitvoering van het recht op bijstand dat in de Grondwet gewaarborgd is. Ook vragen zij op welke wijze het kabinet zich verantwoordt over het gevoerde beleid. Zij vragen het kabinet of ook de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd.

     In artikel 20, tweede lid, van de Grondwet is bepaald dat bij wet regels moeten worden gesteld omtrent de aanspraken op sociale zekerheid. Denk hierbij aan wetgeving op het terrein van werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. Het tweede lid van artikel 20 geeft uitsluitend de opdracht tot wetgeving en geeft geen aanduidingen over de omvang van het stelsel, de hoogte van de bij wet te regelen zekerheid, etcetera.
     artikel 20, derde lid, van de Grondwet geeft de wetgever de opdracht het "recht op bijstand" te regelen als een sluitstuk van de sociale verzekeringen voor de Nederlanders die hier te lande niet kunnen voorzien in het bestaan. Wat betreft de bijstand is dit nu gerealiseerd door middel van de Abw en wordt dit gerealiseerd door middel van de Wwb. Net als in het tweede lid geeft de Grondwet geen regels voor bijvoorbeeld de hoogte van de bij wet te regelen bijstand, noch over de vraag welk overheidsorgaan die bijstand moet uitvoeren.
     De rijksoverheid heeft naast de grondwettelijke opdracht om aanspraken op sociale zekerheid en het recht op bijstand te regelen tevens de algemene, in de artikelen 19 en 20, eerste lid, geregelde, zorgplicht "voor de bevordering van voldoende werkgelegenheid" en de zorg voor de "bestaanszekerheid der bevolking". Aan deze zorgplicht wordt door de overheid door middel van diverse maatregelen voldaan, niet alleen door de Wwb, maar ook door bijvoorbeeld het Actieplan Jeugdwerkloosheid (SZW/OCW, Kamerstukken II 2002-2003, 23 972, nrs. 60 en 64) en het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (Kamerstukken II 2002-2003, 21 501-18, nr. 174). Uitgangspunt is dat de minister zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt over de uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten "meibrief" en de daaropvolgende bespreking met het parlement. Ook bij de evaluatie van de wet op grond van artikel 84 [84] verantwoordt de minister zich over de doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
     De vraag van de leden van de PvdA-fractie of de Wwb in medebewind wordt uitgevoerd, kan bevestigend worden beantwoord. Hoewel aan gemeenten zeer veel ruimte wordt gelaten om eigen beleid te voeren, zijn zij verplicht mee te werken aan de uitvoering van de wet. In deze constructie bestaat voor de uitvoering van de wet een wederzijdse afhankelijkheid tussen Rijk en gemeenten.


Participatieplicht

     De leden van de PvdA-fractie vragen of, tegen de achtergrond van de "1990-maatregel", op grond waarvan vrouwen die zijn geboren na 31 december 1971 geacht worden economisch zelfstandig te zijn, in de Wwb wordt uitgegaan van een participatieplicht of dat een sollicitatieplicht volstaat.

     De Wwb gaat uit van het vertrekpunt dat van iedere bijstandsgerechtigde verwacht mag worden dat hij of zij zich inspant om economische zelfstandigheid te bereiken. In dit kader zijn categoriale vrijstellingen van de sollicitatieplicht vervallen en wordt van gemeenten gevraagd om bij het rblz.|4| vormgeven van het reïntegratiebeleid expliciet rekening te houden met de combinatie "arbeid en zorg".
     Kern van de "1990-maatregel" is dat economische zelfstandigheid van vrouwen geboren vóór 31 december 1971 niet verwacht kon worden. Sinds 1990 is het aanbod van faciliteiten om economische zelfstandigheid van iedere Nederlander te realiseren aanzienlijk uitgebreid. Daarom vindt het kabinet het thans verantwoord om ook aan vrouwen die niet tot de "1990-generatie" behoren, sollicitatieverplichtingen op te leggen.
     Het kabinet is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat een sollicitatieplicht iets anders is dan een participatieplicht. Het kabinet ziet participatieplicht als een verplichte deelname aan zinvolle maatschappelijke activiteiten anders dan via betaalde arbeid en gaat ervan uit dat de leden van de PvdA dat net zo zien.
     Er is bewust voor gekozen om in de Wwb geen participatieplicht op te nemen. Participatie kan uiteraard wel als voorziening worden ingezet die op kortere of langere termijn leidt tot werk. In dat geval is de belanghebbende verplicht daaraan mee te werken. Wanneer economische zelfstandigheid ook op termijn niet haalbaar is, dan kan de belanghebbende worden gestimuleerd tot deelname aan andere vormen van maatschappelijk zinvolle activiteiten.
     Uitgangspunt van de bijstandverlening is dat van een ieder verwacht kan worden dat hij of zij persoonlijk verantwoordelijk is voor het vinden van een zelfstandige bestaansvoorziening.
     Het opleggen van een sollicitatieverplichting aan belanghebbenden is dan een logisch vervolg. Van de belanghebbende wordt immers verwacht dat alles in het werk wordt gesteld om inschakeling in de arbeid te realiseren. De belanghebbende is verplicht algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en is, wanneer dat (nog) niet tot de mogelijkheden behoort, verplicht gebruik te maken van voorzieningen, waaronder sociale activering. Anders dan in de Algemene bijstandswet is niet gekozen voor een opsomming van de op de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen, maar is volstaan met het opnemen van een algemene verplichting tot arbeid.
     Deze algemene omschrijving maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders de concrete verplichtingen toespitsen op de individuele mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende.


Verantwoordelijkheid minister

     De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet de stelling van de Algemene Rekenkamer (ARK-onderzoek naar alleenstaande ouders in de bijstand) onderschrijft dat de minister na decentralisatie via de Wwb niet alleen verantwoordelijk blijft voor het systeem, maar ook voor het resultaat. Ook vragen zij welke doelstellingen het kabinet hieraan verbindt.

     In haar rapport "Alleenstaande ouders in de bijstand" (Kamerstukken II 2002-2003, 28 875, nrs. 1-2) concludeert de Algemene Rekenkamer dat de gemeenteraad verantwoordelijk wordt voor het toezicht op de doeltreffende uitvoering van het beleid en dat de verantwoordelijkheid van de minister zich concentreert op de werking van het systeem. Deze laatste verantwoordelijkheid leidt er volgens de Algemene Rekenkamer toe dat de minister zich goed dient te informeren over hoe het systeem functioneert en wat het oplevert. Zijn de resultaten slecht en is dit het gevolg van tekortkomingen in het systeem, dan moet de minister het systeem verbeteren of vervangen, aldus de Algemene Rekenkamer.
     Het kabinet onderschrijft de opvatting van de Algemene Rekenkamer over de ministeriële verantwoordelijkheid. Deze opvatting sluit goed aan bij de verantwoordelijkheid die het Rijk draagt voor de uitvoering van de Wwb in medebewind. Deze verantwoordelijkheid heeft in het bijzonder betrekking op de rechtszekerheid voor de burger, de algemene bijstandsniveaus,
rblz.|5| het stelsel van werk en bijstand, de financiering daarvan, de wetshandhaving en, als medewetgever, de kwaliteit van de centrale regelgeving. De verantwoordelijkheid van de Minister van SZW voor de doeltreffendheid van de wet heeft nadrukkelijk geen betrekking op de prestaties van individuele gemeenten. Die verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente.


Gemeentelijke belastingen

     De leden van de PvdA merken op dat het kabinet voornemens is om gemeenten te beperken in de verhoging van de gemeentelijke belastingen na de afschaffing van de OZB voor gebruikers. Zij vragen het kabinet uit te leggen hoe een voorgenomen maatregel om de gemeente te beperken in de wijze waarop zij hun belastinggebied inrichten zich verhoudt tot het grondwettelijk recht een eigen financiële huishouding in te richten.
     De wijze van maximering dient nader uitgewerkt te worden. Overleg daarover wordt door het Rijk in het najaar gevoerd met de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]. Over de uitkomsten hiervan en de uitwerking wordt de Tweede Kamer nog nader geïnformeerd. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan de ruimte voor lokale autonomie.


Doelstellingen

     De leden van de fractie van VVD en PvdA vragen of het kabinet kan aangeven wat nu de concrete meetbare doelstellingen van het wetsvoorstel zijn. Zij vragen of het kabinet een toetsingskader kan presenteren met daarin opgenomen een genormeerde set van prestatie-indicatoren, waardoor de uitrol en het succes van de wet beoordeeld kan worden en van een monitor kan worden voorzien. De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet in een tabel de onderscheiden doelstellingen te vertalen in genormeerde prestatie-indicatoren, waarbij 2002 als nulsituatie geldt. De leden van de VVD-fractie merken daarbij op dat het gebruik van termen als "zoveel mogelijk" en "zo kort mogelijk" moet worden beperkt.
     De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag welke bijdrage voorliggend wetsvoorstel zal leveren aan de bestrijding van armoede in Nederland en zien hiervoor meetbare en afrekenbare doelstellingen geformuleerd. Hetzelfde geldt voor het aantal huishoudens op of onder het minimum in 2007, het aantal mensen dat dankzij reïntegratie-inspanningen van hun gemeente een betaalde baan heeft gevonden en het aantal mensen dat doorstroomt van een gesubsidieerde baan naar een regulier betaalde baan.

     Het kabinet hecht er, net als de Kamer, aan dat vastgesteld kan worden dat de Wwb werkt. Het kabinet streeft ernaar in 2006 5% minder bijstandslasten te hebben dan zonder de Wwb het geval zou zijn, gecorrigeerd voor de ontwikkeling in de conjunctuur. Als gevolg van de verwachte conjuncturele ontwikkeling zullen naar huidige inzichten de totale bijstandslasten stijgen. Voor het bepalen van het afzonderlijke effect van de Wwb op de ontwikkeling van bijstandslasten achteraf is een afzonderlijke analyse nodig.
     Tevens beoogt het kabinet met de Wwb een grotere effectiviteit van reïntegratietrajecten: de mate waarin een reïntegratietraject leidt tot uitstroom naar regulier werk. Streven is om het percentage van personen dat uitstroomt naar reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject, met een kwart te laten toenemen in 2007. De precieze vormgeving van deze doelstelling zal nog nader worden bezien in het licht van de vraag hoe de meting van resultaten en effecten zonder administratieve belasting en onnodige regelgeving vorm kan krijgen.
     Het kabinet zal geen doelstelling formuleren voor het aantal mensen dat doorstroomt van een gesubsidieerde baan naar een reguliere baan. Het doel voor het kabinet is weliswaar uitstroom naar een reguliere baan,
rblz.|6| maar het is aan gemeenten hoe zij willen bereiken dat mensen uitstromen naar een reguliere baan. Het kabinet heeft daarom geen streven met betrekking tot de mate waarin gemeenten gesubsidieerde arbeid inzetten en ervoor zorgen dat mensen uit een gesubsidieerde baan uitstromen.
     Het aantal huishoudens dat een inkomen heeft op het sociaal minimum is niet direct gekoppeld aan deze wet en leent zich daarom minder goed als afrekenbaar streefdoel. Het betreft niet alleen bijstandsgerechtigden, maar ook mensen met een socialezekerheidsuitkering op minimumniveau, 65-plussers met alleen AOW, eventueel aangevuld met bijstand en mensen met het minimumloon.
     Een gebalanceerde set van streefdoelen, ingaande op financiële en niet-financiële risico’s op armoede, is geformuleerd in het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (NAP 2003), zoals deze begin juli jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden.
     Het succes van de wet zal via de in artikel 84 [84] voorgeschreven evaluatie worden beoordeeld. De opzet van deze evaluatie zal in overleg met de Tweede Kamer tot stand komen. Daarnaast zullen bovenstaande doelstellingen worden opgenomen in de SZW-begroting 2004.


Decentralisatie

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de keuze voor deze vergaande decentralisatie en een inschatting van de gedragseffecten bij gemeenten.

     De keuze voor verdergaande decentralisatie heeft tot doel het oplossend vermogen van de gemeentelijke uitvoering te versterken en daarmee de activerende werking van het systeem van bijstand en reïntegratie te vergroten. Bovendien wordt in dit wetsvoorstel het maatwerk vooropgesteld. Eén en ander zal naar verwachting leiden tot een uitvoering die meer is toegesneden op de verantwoordelijkheden en mogelijkheden van hen die een beroep doen op deze wet.

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom er in dit wetsvoorstel niet voor gekozen is om landelijke criteria te formuleren voor de reïntegratieverplichting en de hoogte van de uitkering.

     Het kabinet geeft de gemeente zoveel mogelijk beleidsvrijheid om de verordening waarin de verlagingen van de uitkeringen wegens het niet nakomen van verplichtingen wordt geregeld, zo goed mogelijk af te stemmen op de reïntegratieverordening. Dit past ook bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid om zoveel mogelijk werkzoekenden te reïntegreren. Gemeenten hebben hun eigen beleidskeuzes voor de manier om dit te bereiken. Ook zullen tussen gemeenten verschillen bestaan in afspraken met reïntegratiebedrijven en andere ketenpartners doordat deze afspraken zijn toegesneden op maatwerk voor de klant en op lokale en regionale arbeidsmarktverschillen. Het formuleren van landelijke criteria voor sancties ontneemt gemeenten de mogelijkheid om het afstemmingsartikel op de lokale beleidskeuzes en afspraken aan te passen.
     Het kabinet verwacht dat gemeenten deze beleidsvrijheid goed zullen gebruiken. De normale bezwaar- en beroepsprocedures staan open voor die klanten die menen ten onrechte te worden benadeeld. Het kabinet deelt daarom niet de vrees van deze leden dat door de bezuinigingen de doelstellingen van bestrijding van armoede en maximale ondersteuning bij het activeren van bijstandsgerechtigden in het gedrang gaan komen.

     De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe te controleren is dat budgettaire overwegingen bij de toeslagverdeling geen rol spelen.

     rblz.|7| Het kabinet verwacht niet dat budgettaire overwegingen een rol zullen spelen bij de toeslagverdeling. Dit effect heeft zich ook niet voorgedaan bij de invoering in 2001 van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA). Uit evaluatieonderzoek zal moeten blijken of deze veronderstelling correct is.


Draagvlak

     De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat voor het nu voorliggende wetsvoorstel nog bijzonder weinig draagvlak bestaat. Zij vragen het kabinet of het niet tegen beter weten in de ogen sluit voor zoveel kritische commentaren.

     Het kabinet maakt een andere analyse van de opvattingen in de samenleving dan de leden van de CU-fractie. Een breed samengesteld adviesorgaan als de Raad voor werk en inkomen - waarin naast werkgevers en werknemers ook de gemeenten zijn vertegenwoordigd - heeft een positief advies uitgebracht over de Wwb. De Raad geeft daarin aan zich in hoofdlijnen in de principes van het wetsvoorstel te kunnen vinden. Het advies van de Raad is als bijlage bij deze nota gevoegd. De FNV kon zich vinden in veruit de meeste aanbevelingen van het advies. De FNV/CNV hebben aangegeven in de brief van 5 juni jl. aan de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat zij vinden dat de cliënt meer centraal moet staan en dat de Wwb meer conjunctuurbestendig moet worden gemaakt. De reactie op deze brief is eveneens als bijlage bij deze nota gevoegd. De werkgeversorganisaties hebben in hun brief aan de Vaste Commissie aangegeven in te stemmen met de hoofdlijnen van de wet en dringen erop aan vast te houden aan de vijf jaar bij de langdurigheidstoeslag en de voorgestelde verhouding tussen verplichte en vrije uitbesteding van 80/20%.
     Gemeenten geven aan enthousiast te zijn over de grotere mate van eigen beleidsverantwoordelijkheid die door de Wwb mogelijk wordt gemaakt. Daartegenover staat dat zij risico’s zien met betrekking tot de volledige budgettering van de bijstand. Het kabinet merkt hierbij op dat grotere verantwoordelijkheden en grotere bevoegdheden niet zijn te scheiden. Anders zou er een onevenwichtig systeem ontstaan met daaraan verbonden afbreukrisico’s voor de effectiviteit van de reïntegratie en inkomenswaarborg.
     Wel is het beleid van het kabinet erop gericht de aan de Wwb verbonden risico’s van de gemeenten voor gemeenten beheersbaar te maken. Hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk 5 van de nota.
     De cliëntenorganisaties maken zich zorgen over de effecten van de wet voor de inkomenspositie van bijstandsgerechtigden alsook over de aanscherping van de rechten en plichten. Op de rechten en plichten respectievelijk de inkomenspositie wordt ingegaan in paragraaf 3.1 (rechten en plichten) respectievelijk hoofdstuk 2 (inkomenseffectrapportage).

rblz.|8| 

2. Algemeen  [MvTV]


Positie cliënt

     De leden van de PvdA-fractie vragen of de positie van de cliënt in het verwerven van arbeid, en het krijgen van ondersteuning niet centraal zou moeten staan in het wetsvoorstel, onder meer omdat de Grondwet de individuele Nederlander die in nood verkeert centraal stelt en spreekt van een recht op bijstand van overheidswege.

     In hoofdstuk 1 van deze nota is het kabinet al ingegaan op de betekenis van de Grondwet. Naast de uitwerking van de in de Grondwet gegeven opdracht tot het bij wet regelen van bijstandverlening acht het kabinet het ook van belang om de nodige waarborgen te scheppen die de burger in staat stellen om diezelfde overheid zo nodig op haar zorgplicht te wijzen. Dit principe wordt in de Wwb onder meer geconcretiseerd door het toekennen van een "aanspraak op ondersteuning" (artikel 10 [10]). Het kabinet is daarom van oordeel dat er sprake is van een adequate borging van sociale grondrechten.


Cliëntenparticipatie

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet in het wetsvoorstel de cliëntenparticipatie beter te waarborgen en het recht om te worden gehoord vast te leggen. Tevens vragen deze leden het kabinet of het heeft overwogen een vorm van certificering te laten ontwikkelen rond de kwaliteit van de cliëntenbehandeling, waardoor waarborgen voor de cliënt kunnen worden vastgelegd.
     De leden van de GL-fractie bepleiten de gemeente te verplichten een cliëntenraad in te stellen en de rechten en bevoegdheden van deze raad in de wet op te nemen.
     De leden van de fracties van D66 en ChristenUnie vragen het kabinet de cliëntenparticipatie bij de gemeenten in lijn te brengen met de cliëntenparticipatie zoals omschreven in de Wet SUWI.

     In de Wwb is de zorgplicht voor cliëntenparticipatie explicieter verankerd dan in de Abw. Het kabinet onderschrijft hiermee het belang van een waarborg voor de invalshoek van de cliënt. De wijze waarop deze cliëntenparticipatie vorm krijgt, is primair de verantwoordelijkheid van de gemeente. De individuele gemeente is het best in staat om, afhankelijk van de lokale omstandigheden, cliëntenparticipatie in te richten. Afhankelijk van de gemeentegrootte kennen gemeenten meer en minder geïnstitutionaliseerde vormen van cliëntenparticipatie. Door middel van handreikingen cliëntenparticipatie, waarin zowel beleidsmatige kanten als praktische voorbeelden aan de orde komen, heeft het ministerie van SZW de ontwikkelingen bij gemeenten gestimuleerd.
     Uit een recent onderzoek (Cliëntenparticipatie. Onderzoek naar de optimale vormgeving en de stand van zaken bij gemeenten, SZW-werkdocument 263, oktober 2002) is gebleken dat cliëntenparticipatie bij gemeenten is ingeburgerd. Zo had in 2001 nagenoeg elke gemeente enige vorm van cliëntenparticipatie, in 1998 was dit ongeveer de helft. In 2001 had 77% van de gemeenten een structurele, verplichtende vorm van cliëntenoverleg (cliëntenraad of iets vergelijkbaars), in 1998 nog niet een kwart. Het klanttevredenheidsonderzoek is in opkomst. Het verschil in de vormgeving van cliëntenparticipatie in de Wet SUWI en de Wwb wordt verklaard doordat de (medebewind)relatie tussen Rijk en gemeenten van een andere aard is dan de relatie tussen Rijk en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s). De bij wet ingestelde ZBO’s worden namelijk gericht aangestuurd door de Minister van SZW via bijvoorbeeld het goedkeuren van het jaarplan en het vaststellen van prestatie-indicatoren. De gemeente heeft als autonome overheid met een democratisch
rblz.|9| gekozen gemeenteraad meer mogelijkheden om eigen beleid te ontwikkelen. De Wwb nodigt de gemeenten hiertoe ook nadrukkelijk uit. Een extra wettelijke bepaling ter zake van een vorm van certificering heeft naar de mening van het kabinet dan ook geen toegevoegde waarde.


Instrumenten

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet een opsomming te geven van alle instrumenten die in de huidige situatie en in het wetsvoorstel ten dienste staan van de cliënt. Zij vragen daarbij aan te geven welke van deze instrumenten speciaal zijn gericht op het verwerven van duurzame arbeid en welke een beloning inhouden zoals "werken moet lonen".

     De instrumenten die de cliënt in de huidige situatie ten dienste staan om optimaal met eigen inspanning aan het werk te komen, zijn divers, onder andere:
- alle persoonlijke initiatieven voor informatie over banen/deelname aan activiteiten die niet door de gemeente worden aangeboden;
- gebruik maken van de basisdienstverlening CWI;
- verzoek om ondersteuning door de gemeente (ook bij doorstroom vanuit gesubsidieerde arbeid);
- het actief meewerken aan een reïntegratietraject (activering, scholing, hulpverlening, werkervaringsplaatsen, detacheringsbanen, leer-werkbanen, etc);
- verzoek om persoonlijk reïntegratiebudget;
- verzoek om kinderopvang / Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders (KOA-regeling);
- verzoek om activeringspremie;
- deelname aan vrijwilligerswerk.
     Deze instrumenten zijn onder de Wwb ook beschikbaar. De veronderstelling is dat onder de Wwb de inzet van reïntegratieactiviteiten door gemeenten zal veranderen omdat wettelijke beperkingen met betrekking tot de inzet van instrumenten worden opgeheven. De variatie en verscheidenheid van reïntegratieactiviteiten wordt groter; uitgangspunt daarbij is maatwerk.
     De huidige vrijlatingsregeling komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komt een vrijlating van een tweetal heffingskortingen, gericht op de combinatie van arbeid en zorg. Deze vrijlating geldt voor alleenstaande ouders met kinderen jonger van vijf jaar. Ook krijgen gemeenten de mogelijkheid de inspanning om aan werk te komen te belonen met een eenmalige, onbelaste premieverstrekking.
     Onderzoek ¹ geeft aan dat eigen initiatief, motivatie en de combinatie van werk en leren c.q. werk met begeleiding/nazorg de meeste kans geven op duurzame arbeid.

1. M. Coenen-Hanegraaf, B. Valkenburg, M. Ploeg en H. Coenen (1998): Begeleid werken: theorie en methodiek van een individuele, vraaggerichte benadering, Utrecht (uitgeverij Jan van Arkel).


Rechtsgelijkheid

     De leden van de fracties van de PvdA, D66, de CU en de SGP hebben vragen gesteld over het risico op een toename van de rechtsongelijkheid tussen cliënten als gevolg van de Wwb.

     Met betrekking tot het vraagstuk van de gelijke behandeling moet een onderscheid worden gemaakt tussen (het gevaar voor) ongelijke behandeling binnen een gemeente en ongelijke behandeling landelijk gezien, als gevolg van beleidsmatige verschillen in de uitvoering tussen gemeenten onderling.
     Met betrekking tot ongelijke behandeling binnen een gemeente geldt het volgende. Het gelijkheidsbeginsel zoals geformuleerd in artikel 1 van de Grondwet brengt met zich mee dat een gemeente bij de uitvoering van de Wwb moet waarborgen dat mensen in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Gemeenten zijn, voortvloeiend uit de beginselen van behoorlijk
rblz.|10| bestuur, zowel bij het opstellen van verordeningen als bij individuele beslissingen aan dit uitgangspunt gebonden. Welke gevallen gelijk zijn, is afhankelijk van het gehanteerde gezichtspunt.¹ Binnen de vanuit dit gezichtspunt afgebakende sfeer moet er sprake zijn van gelijke behandeling. Het kader voor deze gelijke behandeling wordt in de eerste plaats geschapen door de gemeentelijke verordening, als bedoeld in artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel b. De gemeenteraad kan en moet bij verordening duidelijk regels vaststellen op het gebied van onder meer het verlagen van de algemene bijstand. Een verordening zal altijd enige ruimte aan het uitvoeringsorgaan laten om in individuele gevallen te beslissen. Dit is nodig om het wenselijke maatwerk te kunnen leveren. Risico’s op ongelijkheid als keerzijde van "maatwerk", waar ook de leden van de fractie van D66 op wijzen, zijn inherent aan regelingen met discretionaire ruimte. Naast het toezicht door de gemeenteraad op de uitvoering staat de individuele burger uiteraard de rechtsgang op basis van de Algemene wet bestuursrecht tot zijn beschikking. Het kabinet verwacht dat een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling zal worden voorkomen door een goede verordening en optreden van de gemeenteraad en zo nodig zal worden geredresseerd via rechterlijke toetsing.
     Met betrekking tot ongelijke behandeling als gevolg van beleidsmatige verschillen in de uitvoering tussen gemeenten onderling geldt dat enige ongelijkheid een bewust aanvaard en ook toelaatbaar gevolg is van de keuze voor decentralisatie van bevoegdheden. De verschillen in beleid en uitvoering tussen gemeenten kunnen en zullen als gevolg van de Wwb groter worden. Het kabinet ziet dit echter niet als een gevaar, maar als een positief gevolg, omdat de verschillen die mogelijk als gevolg van de nieuwe systematiek ontstaan, functioneel zullen zijn voor het bereiken van de doelstellingen van de wet. Het gemeentelijk beleid vindt tenslotte enerzijds haar oorsprong in wettelijke kaders en anderzijds haar legitimatie in het lokale democratische bestel. Dit kan de mogelijkheid met zich meebrengen - de leden voor de fractie van de SGP wijzen hierop - dat de ene gemeente soepeler omgaat met de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders dan de andere. Individuele verschillen bij de uitvoering komen op deze wijze voort uit een zorgvuldig ontwikkeld en omschreven beleid op lokaal niveau. Overigens laat de praktijk van de afgelopen jaren zien dat op die onderdelen van de Abw waar de gemeenten al eigen beleidsruimte hadden, de verschillen tussen gemeenten niet bijzonder groot werden (zie bijvoorbeeld het onderdeel gemeentelijke toeslagen in de evaluatie Abw 1996-1999). Daarnaast mag voorts worden verwacht dat gemeenten, zowel door de veel grotere transparantie en kenbaarheid van hun beleid als door de versterking van de positie van de gemeenteraad, er ook zelf voor zorgen dat er geen ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen gemeenten.
     Over de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de vervanging van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid door een sanctiesysteem van kortingen op de uitkering - waar de leden van de PvdA-fractie naar vragen - merkt het kabinet het volgende op. Het is juist dat in de Wwb is gekozen voor een systeem waarin gemeenten de mogelijkheid krijgen om de uitkering te verlagen indien een cliënt de verplichtingen die voor hem of haar verbonden zijn aan de bijstandsuitkering niet voldoende naleeft. Artikel 18 [18] vervangt daarmee zowel de maatregelen als de boeten uit de huidige Abw. In zijn uitwerking zullen bij overtreding van verplichtingen die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en het niet voldoen aan de informatieverplichtingen alleen kortingen op de uitkering kunnen worden toegepast zoals in het huidige stelsel bij de toepassing van de maatregelen. De nadere regeling via een gemeentelijke verordening garandeert dat binnen de gemeente een beleid wordt gekozen waarbij in gelijke gevallen gelijk wordt gehandeld. Het juridische karakter van een verordening is daarmee niet verschillend van een algemene maatregel van bestuur zoals het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. De regels worden alleen op het
rblz.|11| niveau van de gemeente vastgesteld. Een stelsel van bestuurlijke boeten kan niet op lokaal niveau nader worden vormgegeven en vraagt wel om regelgeving op nationaal niveau.
     Voor dit sanctiesysteem in dit wetsvoorstel is gekozen omdat het wenselijk is op gemeentelijk niveau in het handhavingsbeleid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de algemene uitgangspunten van de wet en het beleid. De op dit terrein voorgeschreven verordening biedt gemeenten de ruimte om de (prioriteiten bij) handhaving optimaal te laten sporen met het lokale reïntegratie- en inkomensbeleid.

1. Zie: D.W.P. Ruiter: Het ongrijpbare gelijkheidsbeginsel, geschriften VAR XCIII, 1985, Alphen aan den Rijn.


Huishouding gemeenten

     De leden van de PvdA-fractie vragen of met de Wwb het verstrekken van een bijstandsuitkering onderdeel is geworden van de eigen financiële huishouding van de gemeenten. Zij vragen tevens of de uitkering gezien moet worden als een overeenkomst onder voorwaarden.

     Het onderscheid tussen taken die gerekend worden tot de "eigen huishouding" en taken die uitgevoerd moeten worden in medebewind is terug te vinden in artikel 124 Gemeentewet. Zolang de verstrekking van de bijstandsuitkering een taak is die bij formele wet van gemeenten wordt gevorderd, behoort het niet tot de eigen huishouding, maar tot een taak die in medebewind wordt uitgevoerd. De Wwb verschilt in dat opzicht niet van de Abw. Het recht op bijstand wordt in de Wwb niet aangetast en verandert niet van karakter. Van een "overeenkomst onder voorwaarden" in juridische zin kan dus niet worden gesproken. Desondanks is het kabinet wel van mening dat het recht op bijstand niet vrijblijvend is en dat aan dit recht verplichtingen verbonden zijn.


Sancties

     De leden van de PvdA-fractie vragen een onderbouwing van het nieuwe sanctiesysteem in de bijstand. Zij vragen het kabinet aan te geven hoe dit systeem zich verhoudt tot de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die het kabinet heeft voorbereid. Zij willen van het kabinet weten of voor de bijstand blijvend een ander sanctieregime gaat heersen dan in de andere socialezekerheidswetten, dan wel of het kabinet andere maatregelen in voorbereiding heeft.

     Zoals reeds is aangegeven in paragraaf 7.3 van de memorie van toelichting, wordt met het nieuwe sanctieregime voor de bijstand beoogd om tot één regime te komen voor handhaving van alle aan de uitkering verbonden verplichtingen. Dit biedt de mogelijkheid voor een slagvaardig lik-op-stukbeleid, waarbij de klant direct wordt geconfronteerd met de gevolgen van een onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het eigen bestaan of met het geven van niet juiste inlichtingen die nodig zijn voor het vaststellen van de uitkering.
     Het sanctiesysteem in het het wetsvoorstel Wwb verhoudt zich als volgt tot het wetsvoorstel vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wetsvoorstel vierde tranche bevat een aantal algemene bepalingen inzake handhaving (artikel I, onderdeel M, voegt een titel 5.1 toe aan de Awb) en een nieuwe titel met bepalingen over de bestuurlijke boete (artikel I, onderdeel AA, voegt een titel 5.4 toe aan de Awb). Het wetsvoorstel Wwb kent de gemeenten niet de bevoegdheid toe boetes op te leggen aan cliënten. Daarnaast stelt artikel 5.4.1.1, tweede lid, van de aan de Awb toe te voegen titel 5.4 buiten twijfel dat het verlagen van een uitkering niet als een boete moet worden gezien. Het wetsvoorstel vierde tranche Awb kan daarmee buiten beschouwing blijven voor zover dit handelt over de bestuurlijke boete.
    
rblz.|12| De algemene bepalingen in de Awb met betrekking tot de handhaving zijn wel van belang voor het in de Wwb neergelegde sanctiesysteem. Deze regels zijn op basis van artikel 5.0.2 van de voorgestelde nieuwe titel 5.1 van de Awb ook van toepassing op het verlagen van een uitkering; tot een wijziging van de Wwb op dit punt zal het naar verwachting echter niet leiden.
     Bij uitkeringsfraude houdt de gemeente de mogelijkheid bij het openbaar ministerie aangifte te doen wanneer het bedrag aan fraude hoger is dan de grens die is opgenomen in de aangifterichtlijn sociale zekerheid, van €|6000,-.
     Er zal worden bezien of het wenselijk is het voor de bijstand voorgestelde regime van één soort sanctie (uitsluitend nog de verlaging van de uitkering) ook uit te breiden naar de socialeverzekeringswetten.


Belemmeringen rijksregelgeving

     De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie van het kabinet op de stelling dat het van groot belang is belemmeringen op te ruimen die vooral door rijksregelgeving worden opgeworpen.

     Het kabinet onderschrijft de opvatting dat het van groot belang is om bij de omslag naar een op uitstroom gerichte uitvoering de belemmeringen in de regelgeving weg te nemen. De stelling van deze leden dat deze omslag al is gemaakt, deelt het kabinet in zoverre dat gemeenten op brede schaal bezig zijn deze omslag te maken. Juist door deze aanpak constateren gemeenten echter dat er in de huidige regelgeving belemmeringen liggen om deze omslag zo volledige en effectief mogelijk te laten zijn. Om die reden zijn deregulering en derapportage belangrijke pijlers van dit wetsvoorstel.


Normensystematiek

     De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie van het kabinet op het voorstel de normensystematiek substantieel te vereenvoudigen door alleen te bepalen dat de gemeente de uitkering met een maximum van 20 procentpunt mag korten indien woonlasten geheel ontbreken, of een gedeelte daarvan, indien kosten gedeeld kunnen worden. Ook de leden van de CU-fractie vragen of is overwogen normen te hanteren van 100, 90 en 70% voor respectievelijk gehuwden, alleenstaande ouders en alleenstaanden, met daaraan gekoppeld de mogelijkheid deze onder omstandigheden te verlagen. Zij vragen waarom hiervan wordt afgezien.

     Het kabinet is van mening dat een systeem van verlagingen niet zal leiden tot een substantiële vereenvoudiging en ook niet strookt met de uitgangspunten van de Wwb. Evenals de bestaande toeslagen dienen verlagingen in overeenstemming te zijn met de aan- of afwezigheid van noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit voorstel leidt daarom niet tot een vereenvoudiging. Het niveau van noodzakelijke bestaanskosten wordt niet alleen bepaald door de hoogte van de woonlasten en het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten. Daarnaast moet de bijstand eveneens kunnen worden afgestemd op de lagere bestaanskosten van schoolverlaters en op de hoogte van het minimumjeugdloon van 21- en 22-jarigen. Voorts heeft een systeem waarbij de landelijke normen worden vastgesteld op 100, 90 en 70% met de mogelijkheid om deze onder omstandigheden te verlagen, voor de gemeenten als nadeel dat de bewijslast betreffende de lagere noodzakelijke kosten van bestaan van de belanghebbende naar de gemeente verschuift. Dit zal naar de mening van het kabinet leiden tot een ongewenste hogere uitvoeringslast. Het door het kabinet voorgestelde systeem heeft, net als de huidige Abw, voor de gemeenten het voordeel dat het de verantwoordelijkheid van de cliënt is om aannemelijk rblz.|13| te maken dat er hogere bestaanskosten aanwezig zijn als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten.
     Uit het voorgaande volgt dat de door de leden van de PvdA-fractie geopperde mogelijkheid om te volstaan met een bepaling in artikel 27 [27] waarbij het te korten bedrag maximaal 20% of een evenredig deel daarvan is, door het kabinet niet wordt overgenomen.


Gehandicapten en chronisch zieken

     De leden van de CDA-fractie vragen wat er voor gehandicapten en chronisch zieken verandert tengevolge van de overgang van Algemene bijstandswet naar Wwb.
     De leden van de fracties van PvdA en GroenLinks dringen er bij het kabinet op aan het behoud van categoriale bijstand voor chronisch zieken en voor kosten van kinderen opnieuw in overweging te nemen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarbij waarom er voor deze groepen geen specifieke regeling is opgesteld voor de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht.

     Het behoud van enkele categoriale regelingen is niet alleen in strijd met het uitgangspunt dat, omwille van de eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle categoriale regelingen dienen te worden afgeschaft; het is ook niet in het belang van de doelgroep. Juist voor chronisch zieken en kosten van kinderen geldt dat de belanghebbenden meer zijn gebaat met de individuele bijzondere bijstand. Die doet meer recht aan de individuele variatie in de hoogte van de betreffende kosten en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende dan een forfaitaire categoriale verstrekking die, doordat die niet gerelateerd is aan werkelijke kosten, zowel te hoog als te laag kan zijn.
     Ook ten aanzien van de arbeidsverplichting geldt dat met een maatwerkaanpak beter rekening kan worden gehouden met de mogelijkheden van mensen dan met een categoriale ontheffing.


Poortwachtersrol

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet te verhelderen wat de poortwachtersrol is van CWI en gemeenten. Het heeft deze leden bevreemd dat de CWI claimt de poortwachter van de bijstand te zijn. Zolang het CWI niet beslist over de intake, ligt de poortwachtersfunctie naar het oordeel van deze leden bij de gemeenten.

     De minister maakt met de CWI in het kader van de jaarplancyclus afspraken over de te leveren prestaties. De poortwachtersquote voor de Abw is een belangrijke prestatie-indicator. Deze poortwachtersquote is de som van de preventiequote en de uitstroomquote. De preventiequote is het percentage van werkzoekenden waarbij de CWI voorkomt dat er recht ontstaat op een uitkering. De uitstroomquote is het percentage van werkzoekenden in fase 1 die zich aanmelden bij de CWI en binnen zes maanden uitstromen. Uit voorlopige cijfers van de eerste kwartaalrapportage van de CWI 2003 blijkt dat over het eerste kwartaal 2003 de preventiequote gemiddeld 34% was. De cijfers over de uitstroomquote zijn beschikbaar vanaf de derde kwartaalrapportage 2003.
     Voor alle andere cliënten ligt de poortwachtersfunctie primair bij de gemeenten.


Omvang reïntegratiebudget

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet of er wel voldoende middelen zijn voor reïntegratie, gelet op het aanbestedingsvereiste van 80% tot 100%.

     rblz.|14| Het kabinet is van mening dat door een vrij besteedbaar reïntegratiebudget de middelen efficiënter en effectiever kunnen worden ingezet. Dit vergroot de ruimte die gemeenten hebben om een evenwichtig reïntegratiebeleid te waarborgen. Door middel van transparante aanbestedingsprocedures wordt de concurrentie tussen marktpartijen bevorderd; dit beoogt een prijsverlagend en resultaatverhogend effect. Ook hierdoor neemt de efficiëntie en effectiviteit van de bestede middelen toe.


Verantwoording, toezicht en controle

     De leden van de PvdA-fractie vragen naar de positie van de accountants van gemeenten en naar de precieze invulling van de controle door de IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.], bijvoorbeeld door onderzoek op dossierniveau. Zij vragen het kabinet of het de mening van deze leden deelt dat toezicht op en verantwoording van de doeltreffendheid van de wet daarvan integrale onderdelen zijn. Ook vragen deze leden aan te geven waarom toezicht op de rechtmatigheid niet achteraf wordt gedaan. Zij vragen voorts aan te geven hoe het kabinet aan gemeenten verantwoording kan vragen over zaken waarover ook de Kamer wil worden geïnformeerd, zoals bijvoorbeeld bij het Nationale actieplan armoedebestrijding.

     De leden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen de grotere verantwoordelijkheid van de gemeenteraad heeft voor het streven naar minder administratieve lasten en voor de rol van IWI. Deze leden vragen of meer informatie via bijvoorbeeld het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek, red.] kan worden gevraagd.

     IWI oefent haar toezichtstaak uit in de context van een medebewindsarrangement dat in belangrijke mate gekleurd wordt door een vergaande toekenning van bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan gemeenten en de aansluiting op het duale gemeentelijk bestuur. Single audit blijft daarbij de aangewezen werkwijze.
     De invoering van het gemeentelijk duale stelsel en de nieuwe financieringssystematiek voor de Wwb, in samenhang met vergaande deregulering en vereenvoudiging van de centrale regelgeving, geven veel gewicht aan de controlerende en bijsturende rol van de gemeenteraad. Dit gewicht wordt versterkt doordat een aantal aspecten van de uitvoering uitsluitend op lokaal niveau wordt verantwoord, zoals de rechtmatige uitvoering van de lokale regels en de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de lokale uitvoering. Hoewel de raad niet de formele rol van toezichthouder bekleedt, sluit het rijkstoezicht aan op het lokale verantwoordingsproces en de uitkomsten daarvan. Zoals de inspecteur-generaal van IWI aangeeft in zijn op 15 juli 2003 aan de Tweede Kamer (nr. SZW0300470) aangeboden visie, is het rijkstoezicht op de uitvoering van de Wwb toezicht op metaniveau, waarbij IWI zich richt op het systeem van sturing, beheersing en verantwoording bij gemeenten. Ook onder de Wwb geldt dat het rijkstoezicht zich in beginsel baseert op informatie die het gemeentebestuur aanreikt: via statistieken, monitors of het verslag over de uitvoering. Eigen onderzoek bij individuele gemeenten zal in de regel niet noodzakelijk zijn. In beginsel vindt de beoordeling van de rechtmatige wetsuitvoering tot op dossierniveau alleen op lokaal niveau plaats, met name in het kader van de interne controlefunctie of door de accountant van de gemeente. De verantwoordingsverplichting voor gemeenten over de rechtmatige wetsuitvoering wordt anders van opzet en minder gedetailleerd dan thans nog het geval is. Gemeenten kunnen in beginsel volstaan met een verklaring dat zij de wet rechtmatig uitvoeren. Slechts wanneer hiervan geen sprake is omdat de financiële fouten meer bedragen dan 1% van het financieel beslag, worden gemeenten, op basis van de te stellen nadere regels inzake het verslag over de uitvoering, verplicht de aard en omvang van de tekortkomingen te specificeren. De verantwoording moet worden voorzien
rblz.|15| van een verklaring van de accountant waaruit blijkt dat de gemeentelijke verantwoordingsinformatie betrouwbaar is en dat de gemeentelijke uitvoering, voor zover daarover verantwoording moet worden afgelegd aan de Minister van SZW, rechtmatig heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de verklaring van de accountant en het onderzoek dat in deze verklaring resulteert, zal op grond van artikel 77 [77], derde lid, een protocol worden vastgesteld. Dit protocol, dat zeer beperkt van omvang zal zijn, geeft uitsluitend aan waaraan het onderzoek en de verklaring van de accountant moeten voldoen; het kan en zal niet voorzien in additionele uitvoeringsvoorschriften voor gemeenten.
     De gemeente hoeft zich tegenover de Minister van SZW niet te verantwoorden over aspecten van de uitvoering waaraan bij of krachtens de wet geen eisen zijn gesteld. Rijksbeleid dat wel door de Tweede Kamer is geaccordeerd, maar niet expliciet is doorvertaald naar de wet, blijft derhalve buiten de verantwoording die de gemeente aan de minister moet afleggen over de uitvoering van de Wwb. Indien gegevens over de uitvoering van dit type rijksbeleid van belang zijn, kan gemeenten verzocht worden die gegevens op vrijwillige basis aan het Rijk te leveren. Of het Rijk een dergelijk verzoek aan gemeenten richt, zal van geval tot geval kritisch worden bezien, in het licht van de nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten.
     Het kabinet deelt de visie van de inspecteur-generaal dat de hierboven geschetste hoofdlijn van de invulling van het rijkstoezicht niet uitsluit dat IWI in voorkomende gevallen ook eigenstandig onderzoek kan instellen, tot op dossierniveau. Eigenstandig onderzoek komt in het bijzonder aan de orde bij toezicht op het bereiken van de doelen van de wet en de werking van het systeem van de wet en, in geval van ernstige tekortkomingen, bij de rechtmatigheid van de uitvoering. Ook ter beoordeling van de betrouwbaarheid en geldigheid van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie kan IWI bij een steekproef van gemeenten of accountants een zogenaamd validatieonderzoek instellen.
     Het jaarlijkse verslag van de inspectie met haar landelijk oordeel over de rechtmatigheid van de uitvoering heeft betrekking op het voorgaande jaar en is in die zin toezicht achteraf. Overigens zal IWI enige capaciteit vrijhouden om actuele onderwerpen die zich gedurende het jaar voordoen te onderzoeken. Naar het zich laat aanzien, hoeft hier onder de Wwb nog maar sporadisch gebruik van te worden gemaakt.
     Voor de beantwoording van de vraag of meer informatie via bijvoorbeeld het CBS kan worden gevraagd, wordt verwezen naar hoofdstuk 9, Informatiebeleid.


Informatie over rechtmatigheid

     De leden van de VVD-fractie vragen hoe de ministeriële verantwoordelijkheid in het kader van de Wwb betrekking heeft op de rechtmatige uitvoering van de wet in enge zin en op de doeltreffendheid van de werking van de wet. De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet wil aangeven welke informatiestromen van de gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden geschrapt en welke besparing dat betekent voor de uitvoeringskosten.

     Uitgangspunt is dat de minister zich jaarlijks tegenover het parlement verantwoordt over de uitvoering van de Wwb en wel via de zogeheten "meibrief" en de daaropvolgende bespreking met de Tweede Kamer. Daarin zal aan de hand van de in de begroting opgenomen (VBTB-)doelstellingen worden verantwoord of die doelstellingen zijn gerealiseerd en of er aanvullende maatregelen zijn getroffen om de effectiviteit van het rijksbeleid verder te vergroten. Ook bij de evaluatie van de wet op grond van artikel 84 [84] verantwoordt de minister zich over de doeltreffendheid en effecten van de Wwb.
    
rblz.|16| De verantwoording over de rechtmatige uitvoering van de wet door gemeenten en de doeltreffendheid van de wet zal jaarlijks plaatsvinden aan de hand van het door IWI op te stellen jaarverslag. Deze verantwoording van het kabinet zal, als gevolg van de ontwikkelingen ten aanzien van het rijkstoezicht en de wijze van verantwoording door gemeenten, beperkter en minder gedetailleerd zijn. De verantwoording zal betrekking hebben op het aantal gemeenten da
t een rechtmatigheidsprobleem heeft van meer dan een nader te bepalen percentage van het financieel beslag (zie hiervoor ook hoofdstuk 9), op het aantal gemeenten dat haar reïntegratiebudget niet geheel heeft uitgegeven dan wel onrechtmatig heeft besteed met het daarbij behorende financieel beslag, en een oordeel over de mate waarin de uitvoering door de gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van de wet. Ten aanzien van aspecten van laatstbedoeld onderwerp kan de Tweede Kamer ook geïnformeerd worden via afzonderlijke rapportages van IWI, in aanvulling op haar jaarverslag, indien nader onderzoek noodzakelijk is.
     Ook zal worden verantwoord of ten aanzien van geconstateerde rechtmatigheidstekortkomingen aanleiding is geweest tot bijsturende maatregelen door de minister, en zo ja, waaruit die maatregelen hebben bestaan en welke effecten die maatregelen teweeg hebben gebracht.
     Met de huidige informatievoorziening als ijkpunt zal de Tweede Kamer minder informatie ontvangen over de rechtmatige wetsuitvoering:
- de omvang van het rechtmatigheidsdomein neemt sterk af als gevolg van de forse deregulering. Hierdoor gelden minder rechtmatigheidseisen en behoeft de gemeente zich derhalve over minder aspecten aan de minister te verantwoorden. Het beeld van de uitvoering dat de minister en de Tweede Kamer verkrijgen, wordt minder gedetailleerd;
- rechtmatigheidsproblemen die niet aan de wet, maar uitsluitend aan eigen, lokale regels zijn gerelateerd, vallen buiten de toezichtsverantwoordelijkheid van het Rijk. Dergelijke problemen blijven buiten de gemeentelijke verantwoording aan de minister en leiden, wanneer zij de publiciteit halen, dan ook niet tot bemoeienis van IWI of de minister. Informatieverstrekking aan de Tweede Kamer zal dan niet aan de orde zijn. Op zich is dit niet nieuw, maar het zal - als gevolg van de deregulering - aan betekenis sterk toenemen.
     Volledigheidshalve wordt gemeld dat de Tweede Kamer met de invoering van de Wwb geen informatie meer zal ontvangen over de wetsuitvoering door individuele gemeenten.
     Op het onderwerp uitvoeringskosten wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7, Vereenvoudiging.
     In hoofdstuk 9, Informatiebeleid, wordt nader ingegaan op de vormgeving, inhoud en omvang van de informatiestromen van gemeenten naar het Rijk.


Doelgroepen

     De leden van de PvdA-fractie vragen aan het kabinet een uitwerking van de meetpunten en kwaliteitscriteria ten aanzien van het doelgroepenbeleid en de evenredigheidstoets op verschillende groepen.

     Op grond van artikel 8 [8] van de Wwb is de gemeenteraad, ter zake van het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, verplicht bij verordening regels te stellen. In deze verordening concretiseert de gemeente haar reïntegratiebeleid en geeft zij, toegespitst op de lokale omstandigheden, blijk van een evenwichtige aandacht voor de groepen belanghebbenden waarvoor zij verantwoordelijk is. Het is de gemeenteraad die het college controleert op de uitvoering van het in de verordening gestelde.
    
rblz.|17| De verantwoordelijkheid voor een evenwichtige benadering van doelgroepen is hiermee belegd bij gemeenten. In het systeem van de Wwb past het niet daarbij van rijkswege kwaliteitscriteria te formuleren.


Bepalingen SUWI-wetgeving

     De leden van de PvdA-fractie vragen welke bepalingen uit de SUWI-wetgeving niet meer in het wetsvoorstel zijn opgenomen.

     Alle bepalingen die door de SUWI-wetgeving in de Abw zijn opgenomen, zijn overgenomen in de Wwb, behalve artikel 70 van de Abw. Dit artikel over het besluit tot toekenning of herziening van de bijstand is in het kader van de deregulering vervallen. Tevens is door een omissie in artikel 18 [18] van de Wwb geen verwijzing opgenomen naar de informatieverplichtingen van de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet SUWI in artikel 18 [18] van de Wwb. Dit wordt bij nota van wijziging hersteld. Verder wordt de Wet SUWI in artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb alleen in technische zin aangepast. Tevens wordt in artikel 26 [26] van de Invoeringswet Wwb een experimenteerartikel in de Wet SUWI opgenomen.


Onjuiste uitvoering

     De leden van de PvdA-fractie stellen een tijdelijke verhoging van de uitkering voor als een passende sanctie voor de gemeente indien deze in gebreke blijft bij de uitvoering. Ook stellen zij dat wettelijke rente moeten worden betaald indien de uitkering niet tijdig of niet juist is verstrekt.

     Het kabinet ziet geen reden het voorstel van deze leden over te nemen. De gemeente heeft de opdracht de Wwb uit te voeren binnen de bij of krachtens deze wet en het eigen gemeentelijk beleid gestelde regels. Voor de cliënt gelden de reguliere bezwaar- en beroepsprocedures. Onderdeel van deze rechtsbescherming is dat de gemeenten veroordeeld kunnen worden tot het vergoeden van kosten die door de cliënt zijn gemaakt indien deze in de procedure in het gelijk wordt gesteld.


Tweedegraads bloedverwanten

     De leden van de PvdA-fractie vragen in de Wwb de bepaling op te nemen dat broers en zusters in het kader van de bijstandverlening niet langer als onderhoudsplichtig worden aangemerkt.

     Naar aanleiding van motie 25 bij de behandeling van de begroting 2001 van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de toenmalige Staatssecretaris van SZW onderzoek toegezegd naar vorm, mogelijkheden en kosten van het gelijkstellen van de tweedegraads bloedverwantschap aan de eerstegraads bloedverwantschap. Daarop is de motie ingetrokken. Bij brief van 17 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 85) heeft het kabinet invulling gegeven aan de toezegging. In deze brief is aangegeven dat het kabinet van oordeel is dat er geen redelijke en objectieve criteria aanwezig zijn om tweedegraads bloedverwanten die samenwonen en een gemeenschappelijk huishouden voeren anders te behandelen dan alle andere ongehuwd samenwonenden. Het kabinet handhaaft dit standpunt en is niet van plan een gelijkstelling van tweedegraads bloedverwantenschap aan eerstegraads bloedverwantschap te heroverwegen.

rblz.|18| 
Implementatie

     De leden van de VVD-fractie informeren of het kabinet geen grote problemen verwacht bij de snelle implementatie en of de gemeenten in staat zijn om zo snel de wet te implementeren. Daarnaast vragen zij op welke wijze wordt gewaarborgd dat de klant niet de dupe wordt van een te snelle invoering. Ook de leden van de SGP-fractie geven aan dat het nog maar de vraag is of alle gemeenten de stelselwijziging op zo’n korte termijn kunnen halen. Ze maken zich in het bijzonder zorgen over de gemeenten die minder armslag hebben. Deze leden vragen of het kabinet kan garanderen dat bij invoering op 1 januari 2004 er bij gemeenten geen "ongelukken" gebeuren.

     De invoeringsdatum van 1 januari 2004 biedt de gemeenten niet de gelegenheid voor een diepgaande en uitgebreide voorbereiding op de invoering van de Wwb. Het kabinet acht het daarom zijn verantwoordelijkheid om gemeenten zoveel mogelijk bij de invoering te ondersteunen, waar mogelijk in overleg en/of samenwerking met VNG en Divosa [Vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]. In paragraaf 6.2 van deze nota gaat het kabinet in op de wijze van ondersteuning. Eventueel kunnen gemeenten overigens op sommige onderdelen van de Wwb ervoor kiezen om voorlopig het "oude beleid" voort te zetten en eerst in 2004 een visie te ontwikkelen en nieuw beleid in te zetten. Dit betreft met name die onderdelen van de Wwb waar een "moet"-bepaling in de Abw is omgezet in een "kan"-bepaling in de Wwb. Bovendien kan een gemeente in het kader van de gefaseerde invoering onderdelen van de wet op een door haar te bepalen datum later invoeren, doch uiterlijk twaalf maanden na inwerkingtreding van de Wwb. Op deze gefaseerde invoering wordt bij de volgende vraag nader ingegaan.
     SZW zal de voortgang van de voorbereidingen van de gemeenten volgen. Zo nodig zal het ondersteuningsaanbod worden aangepast op punten waarin gemeenten achterblijven. Hoewel het kabinet geen garanties kan geven voor de inzet en de keuzes van individuele gemeenten, meent het kabinet dat met het voorgaande aan gemeenten voldoende mogelijkheden en ondersteuning wordt geboden om problemen per 1 januari 2004 te voorkomen. Daarmee kan ook worden voorkomen dat de klant de dupe wordt van een te snelle invoering.
     Wat betreft de positie van de klant is het vanzelfsprekend van groot belang dat de uitkeringenverstrekking niet in gevaar komt. Daarop wordt ingegaan in hoofdstuk 4 van de nota naar aanleiding van het verslag over de Invoeringswet Wwb.


Gefaseerde invoering

     De leden van de fracties van CDA, PvdA en VVD vragen of het niet mogelijk is een aantal onderdelen van de wet later in te voeren, zodat de druk op het implementatietraject enigszins wordt verminderd. De leden van de fractie van D66 hebben aangegeven de gefaseerde invoering geen reële optie te vinden.

     Uitgangspunt voor het kabinet is dat in ieder geval de volgende onderdelen van het wetsvoorstel in alle gemeenten per 1 januari 2004 zijn ingevoerd:
- de volledige budgettering van de bijstand;
- het volledig ontschotte en vrij besteedbare reïntegratiebudget;
- de voorgestelde deregulering in het inkomensdeel: omzetten verplichte terugvordering in bevoegdheden, afschaffen Rau 1996, afschaffen van de verplichting voor een beleidsplan en beleidsverslag;
- de nieuwe opzet van het toezicht waarbij het toezicht op de doeltreffendheid van individuele gemeenten komt te vervallen en waarbij de
rblz.|19| minister ten aanzien van de rechtmatigheid alleen ingrijpt bij ernstige tekortkomingen;
- het vervallen van de mogelijkheid voor categoriale bijzondere bijstand;
- de invoering van een centraal geregelde langdurigheidstoeslag;
- het vervallen van de bestaande vrijlating van arbeidsinkomsten.
     De overige onderdelen van de Wwb betreffen de rechten en plichten van de individuele cliënt. Voor zover deze wijzigen door de invoering van de Wwb, krijgen gemeenten de mogelijkheid deze onderdelen na 1 januari 2004 in één keer later in te voeren, doch niet later dan 1 januari 2005. Een gemeente kan binnen deze randvoorwaarden die invoeringsdatum zelf bepalen ("opting in"). Het gaat daarbij om de aanspraak op ondersteuning bij reïntegratie, invoering van algemeen geaccepteerde arbeid, de omzetting van categoriale ontheffing van de arbeidsverplichting in het opleggen van een arbeidsverplichting dan wel het ontheffen daarvan op basis van maatwerk, het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen, alsmede die onderdelen van het uitkeringsregime die, al dan niet als gevolg van eigen gemeentelijk beleid, wijzigen als gevolg van de Wwb.
     Bovenstaand voorstel is voorgelegd aan het Uitvoeringspanel Gemeenten. Het Uitvoeringspanel heeft aangegeven een voorkeur te houden voor een latere invoering van de Wwb. Als wordt uitgegaan van de door het kabinet gemaakte keuze om de hiervoor genoemde punten in ieder geval per 1 januari 2004 in te voeren, biedt het faseringsvoorstel ook naar het oordeel van het Uitvoeringspanel extra ruimte om de Wwb in 2004 op een goede manier in te voeren.


Evaluatie

     De leden van de fracties van PvdA en VVD vragen het kabinet of er wordt voorzien in een evaluatieparagraaf. De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe en met welke frequentie het kabinet gaat voorzien in voortgangsrapportages over de wet. Tevens vragen zij wanneer de evaluatie van de Abw over de periode 2000-2003 zal worden aangeboden.
     De leden van de PvdA-fractie vragen welke elementen naar het oordeel van het kabinet het meest kwetsbaar zijn en dus met een snellere frequentie geëvalueerd zouden moeten worden. Deze leden willen tevens van het kabinet vernemen hoe en met welke frequentie het de Kamer gaat voorzien van een voortgangsrapportage over de Wwb en welke elementen in deze rapportages worden opgenomen. Deze leden zien graag een opzet en uitwerking van de kant van het kabinet tegemoet. De leden van de PvdA-fractie vragen verder naar de wijze waarop het verdeelmodel, het risico voor gemeenten en de werking en betrouwbaarheid van de ramingen worden geëvalueerd.

     Het Strategisch Akkoord formuleerde in 2002 reeds de hoofdlijnen op het gebied van reïntegratie en bijstand, die in het onderhavige wetsvoorstel zijn uitgewerkt. Aangezien daarmee de koers uitgezet was, is afgezien van een integrale evaluatie van de huidige Algemene bijstandswet over de periode 2000-2003. Wel zijn op deelterreinen evaluaties verricht, waarover het parlement tussentijds is geïnformeerd. Voor het deelterrein budgettering van de bijstand geldt dat het Strategisch Akkoord ook hier de lijn al uitgezet heeft, namelijk dat het financiële belang voor gemeenten om mensen uit de bijstand te laten stromen maximaal wordt. De in artikel 84 [84] van de Wwb opgenomen evaluatiebepaling voorziet in een evaluatie binnen vier jaar na inwerkingtreding van de wet. Daarmee wordt enigszins afgeweken van de in de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 164) opgenomen vuistregel dat de evaluatietermijn in beginsel op vijf jaar dient te worden gesteld.
     De achterliggende reden van de keuze voor vier jaar is dat het enerzijds wenselijk is de Wwb zo spoedig mogelijk te evalueren, maar dat een
rblz.|20| kortere evaluatietermijn dan vier jaar weinig helderheid zal verschaffen over de doeltreffendheid en de effecten van de Wwb. Oordelen over de werking van de nieuwe aanpak van bijstand en reïntegratie kan alleen door de onderdelen daarvan - zoals verantwoordelijkheden en incentives - in onderlinge samenhang te bezien. Conclusies over deze onderlinge samenhang zijn pas na verloop van tijd te trekken. Dit geldt te meer daar voor het onderhavige wetsvoorstel een gefaseerde invoering is voorzien. Een binnen korte tijd na invoering van de wet uitgevoerde evaluatie zal slechts informatie opleveren over de invoering van de wet.
     De informatie voor de evaluatie zal in eerste aanleg uit bestaande informatiestromen worden gehaald: statistieken, monitors het verslag over de uitvoering. Voor de evaluatie wordt zoveel mogelijk informatie hergebruikt. Naast een integrale evaluatie wil het kabinet de ontwikkelingen binnen de Wwb volgen en het parlement hierover informeren. Dit zal geschieden met behulp van de reguliere informatie via statistieken, monitors en verantwoordingsverslagen, aangevuld met incidenteel onderzoek. Het betreft de implementatie van de wet, de voortgang bij het bereiken van de doelstellingen en de werking van de financieringssystematiek.
     Bij de financieringssystematiek loopt een onderhoudstraject voor het objectief verdeelmodel. Dat betekent in elk geval dat de actualiteit en stabiliteit van het model en de herverdeeleffecten tussentijds zullen worden onderzocht. Zoals het onderzoek naar stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand bij de aanbieding van dit wetsvoorstel is meegezonden, zullen ook toekomstige onderzoeken in dit kader aan het parlement worden aangeboden. De werking en de betrouwbaarheid van de ramingen is een continu proces van evaluatie en verbetering. Ramingen en realisaties zullen net als nu met elkaar vergeleken worden in het jaarverslag van SZW. De reguliere begrotingscyclus biedt de mogelijkheid om de ramingen kritisch te volgen.
     Mede door de gefaseerde invoering is het niet mogelijk voor de deelaspecten van het brede beleidsterrein werk en bijstand periodiek, voorafgaand aan de eindevaluatie over vier jaar, één evaluatiemoment in te bouwen. Naast de reguliere jaarverantwoording van SZW zal, wanneer daar voor deelaspecten geëigende momenten zijn, tussentijds gerapporteerd worden.
     Het kabinet zal mede naar aanleiding van de parlementaire behandeling van de wet een plan van aanpak voor de evaluatie en voortgangsrapportage opstellen. De Tweede Kamer zal hierover te zijner tijd worden geïnformeerd.


Resultaten WFA

     De leden van de VVD-fractie vragen welke informatie beschikbaar is over de kwaliteit en effectiviteit van de uitvoering van de Bijstandswet na invoering van de budgettering van 25% van de bijstandsuitgaven. Voorts vragen deze leden waarom er nog geen evaluatie naar de budgettering van 25% van de bijstandsuitgaven heeft plaatsgevonden, ondanks meerdere toezeggingen aan de Kamer.

     Bevindingen en oordelen over de kwaliteit van de gemeentelijke uitvoering zijn weergegeven in het jaarverslag IWI 2002, voor wat betreft de terreinen "rechtmatigheid", "handhaving en fraudebestrijding" en "reïntegratie, uitstroom en sociale activering". Bevindingen en oordelen uit het jaarverslag IWI 2002 ten aanzien van de gemeentelijke uitvoering op deze drie terreinen zijn als volgt:
- rechtmatigheid Abw, Ioaw en Ioaz: een omvangrijke groep gemeenten van wisselende samenstelling, gemiddeld ongeveer één op de drie gemeenten, blijkt de rechtmatigheid van de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz in 1998 tot en met 2000 niet voldoende op orde te
rblz.|21| hebben. Voor het vergoedingsjaar 2001 ziet de inspectie hierin geen verbetering optreden;
- handhaving en fraudebestrijding: IWI constateert dat in 2001 vooral bij een aantal grotere gemeenten de opsporing van fraude traag verloopt, waardoor de gemiddelde fraudebedragen en uitstaande debiteurenbedragen onnodig hoog oplopen. Het aantal geconstateerde fraudegevallen is daardoor niet zo hoog als het had kunnen zijn. De Inspectie constateert tevens dat gemeenten wel meer fraude hebben geconstateerd dan in het midden van de jaren negentig, maar dat de daadwerkelijke incasso tot op heden is achtergebleven. De geconstateerde daling van de ontvangsten aan boeten hangt samen met de achterstanden in de verwerking van de belastingsignalen bij de grotere gemeenten. IWI constateert dat naast het opleggen van boeten ook het incasseren daarvan meer aandacht dient te krijgen;
- reïntegratie, uitstroom en sociale activering: hoewel gemeenten zich in toenemende mate inspannen om resultaten te boeken, constateert IWI dat het realiseren van een sluitende aanpak nog niet volledig is gelukt. Een sluitende aanpak heeft tot doel werklozen en arbeidsgehandicapten die nog mogelijkheden hebben om te werken een reïntegratietraject aan te bieden. Daarnaast stelt de Inspectie vast dat ten opzichte van 2001 het inkoop- en aanbestedingsbeleid in 2002 is verbeterd. In toenemende mate formuleren gemeenten inkoopbeleid op dit terrein.
     De WFA is ingevoerd per 1 januari 2001. De aangekondigde evaluatie van de 25%-budgettering heeft niet plaatsgevonden vanwege het in het Strategisch Akkoord van kabinet-Balkenende I opgenomen beleidsvoornemen te komen tot 100% budgettering van de bijstandslasten.


Afroming bij reïntegratie

     De leden van de fracties van GroenLinks en de ChristenUnie vragen het kabinet nadere garanties te geven ter voorkoming van afroming binnen gemeenten. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet of het niet bang is dat de voorgestelde systematiek en de bezuinigingen een extra stimulans zal zijn voor gemeenten om voor goedkopere, kortdurende trajecten te kiezen, waarvan zeker degenen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt niet altijd profijt van zullen hebben.

     Door de gewijzigde financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun klanten de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten en daarbij uitgaan van maatwerk voor de individuele klant. Gemeenten hebben er ook baat bij in te zetten op moeilijkere doelgroepen vanwege een langdurig beslag op het inkomensdeel. De gemeenten krijgen ruimere mogelijkheden om voor complexe doelgroepen passende voorzieningen in te zetten, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen.
     Daarnaast moeten gemeenten in een verordening het reïntegratiebeleid concretiseren, waarbij sprake moet zijn van een evenwichtige aanpak van alle doelgroepen. Betrokkenen kunnen hierbij aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie. Het kabinet is van mening dat hierdoor een evenwichtige aanpak van verschillende doelgroepen voldoende wordt gewaarborgd.


Toereikendheid uitkering

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe men tot het impliciete oordeel is gekomen dat de huidige hoogte van de basisuitkering van de Bijstandswet voldoende is om van te leven. In dit verband vragen zij ook te reageren op het NIBUD-onderzoek [NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, red.] eerder dit jaar. Ook vragen zij de in het Hoofdlijnenakkoord voorgestelde kortingen op de rblz.|22| huursubsidiebijdrage te betrekken bij een gefundeerd oordeel over de hoogte van de uitkering.

     Uit onderzoek blijkt dat het aandeel mensen met een minimuminkomen dat moeilijkheden heeft met rondkomen, is gedaald van 37% in 1995 naar 23% in 2000.¹ Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het sociaal minimum onvoldoende is om van te leven. Het aangewezen zijn op een minimuminkomen staat niet gelijk aan financiële armoede. Het onderzoek van het NIBUD naar het financieel rondkomen van gezinnen met vier of meer kinderen brengt dit goed in beeld. Eerder dit jaar heeft de Minister van SZW per brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 93) gereageerd op dit onderzoek.
     De individuele huursubsidie is een voorliggende voorziening en is daarmee niet van invloed op de, van het nettominimumloon afgeleide, bijstandsnormen. Over de in het Hoofdlijnenakkoord voorgestelde versobering van de individuele huursubsidie vanaf 2005 wordt de Tweede Kamer door de desbetreffende bewindspersoon geïnformeerd.

1. SCP/CBS, Armoedebericht 2002.


Inkomenseffectrapportage

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet een inkomenseffectrapportage op te stellen waarin de huidige Bijstandswet wordt afgezet tegen de Wet werk en bijstand.

     De invoering van de Wet werk en bijstand heeft geen effect op de kern van de inkomensbescherming zoals opgenomen in de huidige Bijstandswet. De hoogte van het sociaal minimum wordt niet aangetast. De grotere nadruk op uitstroom en reïntegratie en het meer expliciet voorbehouden van inkomenspolitiek aan het Rijk brengen met zich mee dat daarnaast voor individuele huishoudens inkomenseffecten kunnen ontstaan. De belangrijkste punten betreffen:
- het afschaffen van categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar. Hier staat tegenover de invoering van een toeslag voor personen die gedurende lange tijd over niet meer beschikken dan een minimuminkomen en die geen perspectief hebben op inschakeling in het arbeidsproces. Voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief zullen de inkomenseffecten daarom gemiddeld genomen gering zijn. Voor minima die tot op heden profiteren van categoriale regelingen, maar niet in aanmerking komen voor de toeslag, kunnen negatieve inkomenseffecten ontstaan indien zij niet in aanmerking komen voor de op individuele basis te verstrekken bijzondere bijstand. De omvang van deze negatieve effecten kent een grote spreiding en hangt sterk af van de invulling die gemeenten hebben gegeven aan de mogelijkheden die de Bijstandswet bood;
- het vervangen van de vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën personen met een ontheffing van de arbeidsverplichting door het vrijlaten van de aanvullende alleenstaandeouderkorting en van de combinatiekorting voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar. Hier speelt ook mee dat de gemeente een ieder een eenmalige, onbelaste premie kan verstrekken van maximaal €|1944,- in het kader van de arbeidsinschakeling.

     In de bijlage "Beleidsmaatregelen met niet-generieke inkomenseffecten" bij de begroting 2004 die op de derde dinsdag van september aan uw Kamer zal worden aangeboden, wordt nader ingegaan op (een kwantificering) van de inkomenseffecten van alle maatregelen van het kabinet.


Verstoring evenwicht

     De leden van de D66-fractie vragen of de Raad van State in zijn advies, bij de opmerkingen over de verstoring van het evenwicht tussen de rblz.|23| gerichtheid op werk en de inkomenswaarborg [paragraaf 2, red.], niet in het bijzonder doelt op de oorzaken die de armoedeval tot effect hebben.

     In paragraaf 1 van het nader rapport is het kabinet ingegaan op dit verstoorde evenwicht. Het zwaartepunt in deze uiteenzetting lag op de noodzaak van meer mogelijkheden en meer maatwerk. Dit om het primaat van werk boven inkomen te kunnen effectueren.
     Het kabinet deelt de opvatting van de leden van de D66-fractie dat de armoedeval leidt tot een beperking van de effectiviteit van reïntegratie-inspanningen. Het kabinetsbeleid is dan ook gericht op beperking van de armoedeval. Daarnaast richt het het wetsvoorstel Wwb zich op de inspanningen die de gemeenten leveren voor reïntegratie en inkomenswaarborg. De eerder genoemde passage in het nader rapport heeft alleen betrekking op die gemeentelijke inspanningen.


Verschillen rechten en plichten tussen Wwb en Abw

     De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet de verschillen in de rechten en plichten van de cliënt in de Wwb ten opzichte van de huidige wet schematisch weer te geven. Zij willen tevens weten of naar het oordeel van het kabinet deze afstemming van rechten en plichten in geen enkele gemeente goed is geregeld.

     Met de passage waar de leden van de fractie van de ChristenUnie naar verwijzen, wordt bedoeld dat het recht op uitkering is gekoppeld aan een algemeen geldende verplichting tot reïntegratie. Het niet of onvoldoende nakomen van deze verplichting door de belanghebbende zal moeten leiden tot een verlaging van de uitkering.
     Onder de huidige Bijstandswet zijn de arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd. De inlichtingenplicht is in de Wwb niet anders geregeld dan in de Abw. In het huidige Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz zijn de verwijtbare gedragingen gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de uitkering gestandaardiseerd.
     In de Wwb zal de gemeente, op grond van in een verordening vast te leggen criteria, in elk individueel geval bepalen welke verplichtingen van toepassing zijn en wat de verlaging is als die verplichtingen niet of niet voldoende worden nagekomen. Burgemeester en wethouders moeten de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Aldus wordt een duidelijker relatie gelegd en kan betere afstemming plaatsvinden tussen het nakomen van de verplichting en de hoogte van en het recht op uitkering.
     Het kabinet is niet van mening dat de afstemming thans in geen enkele gemeente goed is geregeld. Wel is gebleken dat het huidige systeem van min of meer gestandaardiseerde maatregelen onvoldoende mogelijkheden biedt voor maatwerk.


Bureaucratie

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet welke waarborgen er zijn dat de Wwb niet zal leiden tot een nieuwe bureaucratie van regelgeving.

     In de Wwb is, op een veel consequentere manier dan in de Abw, gekozen voor een zo groot mogelijke beleidsruimte van gemeenten. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de mogelijkheden voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om nadere regels te stellen, zijn beperkt.

rblz.|24| 

3. Arbeidsinschakeling en reïntegratie  [MvTV]


Voorkomen gedwongen ontslagen en effect Wwb op gesubsidieerde arbeid

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat het effect van de Wwb zal zijn op het volume aan Wiw- en ID-banen. De leden van de fractie van de PvdA vragen het oordeel van het kabinet over gesubsidieerde arbeid als reïntegratiemogelijkheid. Verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid zal verdwijnen omdat het alleen nog een relatief dure reïntegratievorm zal zijn? Deelt het kabinet de angst dat gemeenten erop zullen inzetten om mensen zo snel mogelijk uit de bijstand te krijgen en dus beginnen met gemakkelijke gevallen en kortlopende trajecten? En hoe oordeelt het kabinet over het risico dat gemeenten vanwege de bezuinigingen voorkeur geven aan goedkopere regelingen in plaats van ID-banen?
     Daarnaast constateren de leden van de PvdA-fractie dat met het wegvallen van veel van de bestaande gesubsidieerde arbeid ook veel zinvolle en belangrijke arbeid in de collectieve sector zal wegvallen. Deze leden vragen hoe het kabinet dit denkt op te lossen en hoe het kabinet denkt dat gemeenten dit oplossen.

     Met de introductie van het volledig ongedifferentieerde reïntegratiebudget in de Wwb maken gemeenten zelf de afweging op welke manier en in welke mate gesubsidieerde arbeid als reïntegratievoorziening zal worden ingezet. Zij zijn vrij om te bepalen welke voorzieningen zij willen inzetten en kunnen ook nieuwe voorzieningen ontwikkelen. Het kabinet ziet gesubsidieerde arbeid primair als reïntegratievoorziening, gericht op uitstroom naar regulier werk, en niet als vervangende werkgelegenheid in maatschappelijke sectoren.
     Door de gewijzigde financieringssystematiek gaat het kabinet ervan uit dat gemeenten voor hun klanten de meest effectieve en efficiënte voorziening zullen inzetten. Als blijkt dat gemeenten met efficiëntere voorzieningen dan ID-banen uitstroom naar arbeid realiseren, dan vindt het kabinet dat een goede ontwikkeling. Uiteindelijk telt het resultaat: de werkloze zo snel mogelijk naar ongesubsidieerde arbeid toeleiden. Het effect van de Wwb op het volume ID- en Wiw-banen is daarom niet op voorhand in te schatten. Wel is de verwachting dat deze zal dalen, omdat dit instrument niet voor alle werkzoekenden de meest efficiënte weg is naar de arbeidsmarkt en gemeenten het budget doelmatiger in gaan zetten dan voorheen. Het kabinet gaat ervan uit dat gemeenten niet alleen gemakkelijke gevallen zullen oppakken en kortlopende trajecten zullen inzetten. Gemeenten hebben er immers ook belang bij moeilijker te reïntegreren doelgroepen te laten uitstromen naar werk vanwege hun potentieel langdurig beslag op het inkomensdeel.

     De leden van de PvdA-fractie, GroenLinks en de ChristenUnie vragen wat de effecten zijn van de Wwb voor mensen met een ID- of Wiw-baan en of het kabinet kan garanderen dat er geen gedwongen ontslagen zullen vallen als gevolg van de voorgenomen bezuinigingen.

     De bezuiniging op het gemeentelijke reïntegratiebudget wordt voor het overgrote deel al in 2003 gerealiseerd. In eerste instantie heeft het kabinet gemeenten er in september 2002 op gewezen dat gedwongen ontslagen voorkomen kunnen worden door reeds bestaande vacatures en uitstroom uit ID- en Wiw-banen niet op te vullen. Daarbij is uitgegaan van het gemiddelde landelijke uitstroompercentage op ID- en Wiw-banen in voorgaande jaren. Door deze uitstroom niet op te vullen, kan de benodigde bezuiniging gerealiseerd worden.
    
rblz.|25| Aanvullend heeft het kabinet nog een aantal maatregelen genomen. Reeds per 1 januari 2003 is het ID-besluit gedereguleerd en vereenvoudigd. Het budget ID-banen wordt niet meer taakstellend op basis van het aantal banen toegekend, maar is vrij besteedbaar aan arbeidsplaatsen en andere reïntegratieactiviteiten. Dit is zowel ten behoeve van de doorstroom van werknemers in ID-banen naar ongesubsidieerde banen als ten behoeve van de arbeidsinschakeling van andere werkzoekenden. Dit reeds vooruitlopend op het vrij besteedbare reïntegratiebudget binnen de Wwb. Tevens kunnen gemeenten ook middelen uit het scholings- en activeringsbudget van de Wiw besteden aan uitstroombevordering van werknemers in ID-banen naar ongesubsidieerde arbeid.
     Daarnaast heeft het kabinet €|40 miljoen beschikbaar gesteld om knelpunten bij de Wiw als gevolg van de bezuinigingen te mitigeren.
     Ten slotte is in 2003 de regeling Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen ingevoerd. Via deze regeling kunnen 10 000 van de huidige ID-banen in maatschappelijke sectoren worden omgezet in reguliere banen. Deze stimuleringsregeling levert daarmee een bijdrage aan het behoud van maatschappelijk nuttige functies in maatschappelijke sectoren en behoud van werkgelegenheid voor de betreffende gesubsidieerde werknemers.
     Het kabinet heeft met sociale partners en de VNG over onder andere deze regeling het convenant gesubsidieerde arbeid 2003 afgesloten. De ondertekenaars van het convenant zijn van mening dat met de subsidieregeling "regulier maken 10 000 ID-banen" en het aanvullende Wiw-pakket gedwongen ontslagen als gevolg van de bezuinigingen niet nodig hoeven te zijn.

     De leden van de PvdA-fractie stellen de vraag of het kabinet kan garanderen dat de opgebouwde arbeidsvoorwaarden voor deze groep veilig worden gesteld.

     De ID-werknemers hebben een reguliere arbeidsovereenkomst met een werkgever waarvoor de in de sector geldende CAO leidend is. De huidige Wiw-ers zijn in dienst bij de gemeente op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Bij nota van wijziging op de Invoeringswet Wwb is gewaarborgd dat voor deze werknemers een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van kracht blijft. De arbeidsvoorwaarden voor de Wiw-werknemers zijn geregeld in de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO Wiw. Het is aan de CAO-partijen om deze CAO al dan niet voort te zetten en eventueel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden met inachtneming van het bepaalde in de Invoeringswet Wwb. Als de CAO rechtsgeldig wordt opgezegd, worden de in de CAO opgenomen bepalingen geacht onderdeel uit te maken van de individuele arbeidsovereenkomst van de Wiw-ers. Van deze bepalingen kan slechts na wilsovereenstemming tussen gemeente en Wiw-werknemer worden afgeweken. Bij de verdeling van het werkdeel over de gemeenten is rekening gehouden met de lopende verplichtingen die gemeenten hebben voor hun Wiw- en ID-banen.

     De leden van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met werknemers die niet binnen één jaar doorstromen en of er voor deze groep een nieuwe regeling komt. Deze leden willen tevens weten welk deel van het werkdeel is gemoeid met behoud van huidige aantal ID- en Wiw-banen. Tevens vragen zij welke budgetten ermee gemoeid zouden zijn als alle huidige ID-ers en Wiw-ers in reguliere functies volgens de laagste loonschalen in reguliere CAO’s zouden worden ondergebracht.

     Het toekomstige ongedifferentieerde reïntegratiebudget bestaat uit de huidige middelen voor Wiw- en ID-banen en het Wiw-scholings- en activeringsbudget. Gesubsidieerde arbeid kan in de toekomst uit deze rblz.|26| middelen betaald (blijven) worden; hiervoor komt geen nieuwe regeling. Het is aan de gemeenten om te bepalen welke voorziening zij gedurende welke tijd willen inzetten voor hun doelgroep; ook voor de huidige Wiw- en ID-werknemers. Het vrij besteedbare budget geeft gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk te bieden; ook voor de groep met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt.
     Voor 2003 is €|1,3 miljard toegekend voor ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen en -werkervaringsplaatsen. Ultimo 2003 zijn er naar verwachting nog 45 500 ID-banen en 25 000 Wiw-dienstbetrekkingen bezet. Het precieze aantal ID-banen is moeilijk aan te geven, omdat gemeenten in 2003 al een vrij besteedbaar ID-budget hebben. Daarmee is het dus niet mogelijk om precies aan te geven welk bedrag in 2004 door gemeenten zal worden uitgegeven aan gesubsidieerde arbeid. In totaal is in 2004 €|1,6 miljard aan flexibel reïntegratiebudget voor de gemeenten beschikbaar. De precieze omvang van de benodigde middelen die zouden zijn gemoeid met het regulier onderbrengen van de huidige Wiw-ers en ID-ers in de laagste loonschalen is eveneens moeilijk te geven. Zoals aangegeven, is in 2003 €|1,3 miljard toegekend aan gemeenten voor ID- en Wiw-banen. Dit geeft een goede indicatie van de benodigde middelen, maar bedacht moet worden dat de beloning in een ID-baan tot maximaal 150% WML [wettelijk minimumloon, red.] kan oplopen.

     De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de werknemer op een gesubsidieerde arbeidsplaats zo nodig ondersteuning mag verwachten van de gemeente bij doorstroom naar reguliere arbeid, aangezien gesubsidieerde arbeid niet wordt gezien als een einddoel op zich. Deze leden vragen of de veronderstelling juist is dat dit ook betekent dat de betreffende werknemer verplicht is om te willen doorstromen.
     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet wat er wordt bedoeld met de zinsnede dat gesubsidieerde arbeid weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid is, maar geen einddoel kan zijn.

     In de Wwb wordt onder arbeidsinschakeling verstaan: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het kabinet is van mening dat gesubsidieerde arbeid een voorziening is gericht op arbeidsinschakeling en daarmee geen einddoel is. Einddoel is algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. De werknemer op een gesubsidieerde arbeidsplaats mag daarom van de gemeente ondersteuning verwachten die is gericht op doorstroom naar ongesubsidieerde arbeid en heeft ook de plicht daaraan medewerking te verlenen. Indien de gemeente gesubsidieerd werk aanbiedt, dient er sprake te zijn van algemeen geaccepteerde arbeid. Dat wil zeggen: werkzaamheden die niet ingaan tegen de integriteit van de persoon.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of, behalve de ID- en Wiw-banen, ook sociale werkvoorziening en SPAK [specifieke afdrachtskorting, red.] worden beschouwd als gesubsidieerde arbeid.

     Onder gesubsidieerde arbeid verstaat het kabinet in het kader van de Wwb arbeid die met inzet van een Wwb-voorziening, dus met aanvullende middelen, wordt verricht in het kader van de arbeidsinschakeling. De dienstbetrekkingen in het kader van de sociale werkvoorziening vormen een aparte voorziening die los gezien moeten worden van gesubsidieerde arbeid in het kader van de Wwb en waarvoor de voorwaarden van de Wsw gelden. Fiscale regelingen, zoals de SPAK, vallen niet binnen de definitie van een voorziening in het kader van de Wwb; banen waarbij de werkgever van deze regeling gebruik maakt, worden dus niet gezien als gesubsidieerde banen in het kader van de Wwb.

     rblz.|27| De leden van de PvdA-fractie willen weten of het klopt dat de uitvoering van de huidige Wiw-dienstbetrekkingen onder bepaalde voorwaarden is vrijgesteld van omzetbelasting.
     Klopt het ook, zo vragen deze leden zich af, dat straks over alle reïntegratietrajecten van gemeenten omzetbelasting berekend wordt? Zal dat leiden tot hogere lasten voor gemeenten, juist omdat de wettelijke gronden voor de vrijstelling al wegvallen met het verdwijnen van de Wiw? Deze omzetbelasting, zo begrijpen deze leden, kan niet gedeclareerd worden op grond van het BTW-compensatiefonds. Om welk bedrag gaat het hier, zo willen de leden van de PvdA graag weten. De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet of de gemeenten hiervoor worden gecompenseerd.

     De uitvoering van de huidige Wiw(-dienstbetrekkingen) door gemeenten e.d. is inderdaad vrijgesteld van omzetbelasting, mits daarmee geen winst wordt beoogd. De opdracht om uitvoering van de reïntegratietaken zoveel mogelijk uit te besteden aan private instellingen of personen heeft inderdaad tot gevolg dat de gemeente, afhankelijk van de voorzieningen die worden ingekocht, over leveringen en diensten die niet zijn vrijgesteld, omzetbelasting verschuldigd is. De gemeente heeft geen recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds voor de omzetbelasting die in rekening wordt gebracht voor reïntegratievoorzieningen die worden verstrekt of ter beschikking gesteld aan individuele derden (bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden). Alleen bepaalde voorzieningen zijn vrijgesteld. Globaal kan gezegd worden dat voorzieningen die te maken hebben met scholing en langdurig werklozen vrijgesteld zijn en voorzieningen als casemanagement en begeleiding niet.¹ Voor een nadere beschrijving van voorzieningen die vrijgesteld zijn, wordt onder andere verwezen naar artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
     Wanneer de levering of dienst plaatsvindt aan of ten behoeve van de gemeente zelf, bijvoorbeeld de door het reïntegratiebedrijf in rekening gebrachte uitvoeringskosten of apparaatskosten, kan de gemeente voor de betaalde omzetbelasting een beroep doen op het BTW-compensatiefonds.
     Omdat gemeenten in verband met SUWI voor een deel van de bestedingen uit het scholings- en activeringsbudget omzetbelasting moeten gaan betalen, heeft er vanaf 2002 een generieke ophoging van het Wiw-scholings- en activeringsbudget plaatsgevonden (voor het jaar 2003 bedraagt de toevoeging €|7,6 mln). Deze ophoging is vanaf 2004 toegevoegd aan het vrij besteedbaar reïntegratiebudget. Of de Wwb leidt tot hogere lasten voor gemeenten vanwege de omzetbelasting is niet vast te stellen. Dit komt doordat het afhangt van de voorzieningen die gemeenten inzetten.

1. Vrijgestelde voorzieningen zijn onder andere (beroeps)onderwijsvoorzieningen, waaronder praktijkopleidingen voor langdurig werklozen, en leveringen en diensten van sociale aard mits de onderneming geen winst beoogd.


Overgangsregime verdeelsystematiek werkdeel

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen verheldering over de opmerkingen van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Trouw, 30 juni 2003) dat het overgangsregime met betrekking tot gesubsidieerde arbeid met één jaar wordt verlengd.

     Het kabinet heeft besloten om het in de algemene memorie bij de hoofdwet Wwb opgenomen overgangsregime, betreffende de verdeelsystematiek van het macrobudget werkdeel Wwb, niet te hanteren voor het jaar 2004. Voor het jaar 2004 is gekozen voor een verdeelsystematiek die aansluit bij de verdeling van de beschikbare middelen Wiw en ID in het jaar 2003. Een verdeelsystematiek die is gebaseerd op de status quo van het jaar 2003 komt in het bijzonder de grote gemeenten, respectievelijk gemeenten die relatief veel personen op gesubsidieerde arbeidscontracten hebben geplaatst, tegemoet. Zij krijgen één jaar langer de tijd om rblz.|28| verdere reductie van gesubsidieerde arbeidsplaatsen te realiseren. Vanaf het jaar 2005 wordt de verdeelsystematiek gehanteerd zoals beschreven in de memorie van toelichting bij de hoofdwet Wwb met inbegrip van het overgangsregime.


Doorstroom naar ongesubsidieerde arbeid

     De leden van de PvdA-fractie vragen welk percentage Wiw-ers en ID-ers binnen één jaar kan doorstromen naar een reguliere baan. Deze leden vragen tevens welke conclusies het kabinet trekt uit het feit dat de doorstroom tussen Wiw en ID en tussen Wiw-dienstbetrekkingen en Wiw-werkervaringsplaatsen verschilt.

     Er kan door het kabinet niet zonder meer een uitspraak worden gedaan over het percentage werknemers op een ID- en Wiw-baan dat binnen één jaar uit kan stromen. Deze zijn onder meer afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Wel beschikt het kabinet over een aantal jaren ervaringsgegevens. Verwacht mag worden dat de invoering van de Wwb en de door het kabinet ingezette acties tot bevordering van de uitstroom een gunstig effect hebben op de (positieve) uitstroompercentages. Alleen voor het jaar 2002 zijn er cijfers beschikbaar van de totale uitstroom naar reguliere arbeid. In 2002 stroomde een kwart van de totale uitstroom van de Wiw-dienstbetrekkingen uit naar reguliere arbeid.
     Het verschil in doorstroom tussen Wiw-dienstbetrekkingen, Wiw-werkervaringsplaatsen en ID-banen is te verklaren uit het feit dat deze voorzieningen open staan voor verschillende doelgroepen, uitgaan van een andere financieringssystematiek en andere eisen stellen aan doelgroep en werkzaamheden.


Ervaringsgegevens
 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 2000 2001 2002
Wiw-dienstbetrekkingen (uitstroom als aandeel van beginstand + instroom):
totale uitstroom 29% 29% 33%
waarvan positieve uitstroom ¹ x 62% 60%
Wiw-werkervaringsplaatsen (uitstroom als aandeel van beginstand + instroom):
totale uitstroom 63% 64% 58%
waarvan positieve uitstroom 59% 66% 69% ¹
ID-banen (uitstroom als aandeel van gemiddelde stand):
totale uitstroom x 11,9% 10,3%
waarvan positieve uitstroom x 41% 43%

1. Uitstroom naar een reguliere of anders gesubsidieerde baan of scholing


Gesubsidieerde arbeid als vangnet

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet aan te geven hoe groot, op basis van het huidige bestand, de groep is binnen de gesubsidieerde arbeid voor wie doorstroom niet voor de hand ligt, ermee rekening houdend dat gesubsidieerde banen voor een bepaalde groep een vangnet kunnen zijn.

     Een dergelijke schatting kan niet worden gemaakt. Daarvoor is de doorstroompotentie van personen die op een gesubsidieerde arbeidsplaats werkzaam zijn te divers. Hoe gemeenten vormgeven aan de beleidsinzet van gesubsidieerde arbeid als opstap naar ongesubsidieerde arbeid of als een meer permanente voorziening, is een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten. Verwacht mag worden dat gemeenten, na invoering van de Wwb, hierop bewust beleid zullen voeren. Met het vrije rblz.|29| reïntegratiebudget en de vermindering van de regels zijn zij bovendien beter in staat om een op de persoon gericht traject voor deze personen aan te bieden. Doel is te allen tijde een traject naar reguliere arbeid. Het kabinet deelt de opvatting van deze leden dat dit niet in alle gevallen mogelijk is. In zo’n situatie is ook een gesubsidieerde baan mogelijk voor langere tijd. Wel is van belang dat gemeenten periodiek blijven onderzoeken of deze personen een volgende stap richting reguliere arbeid kunnen zetten.


Gereserveerde arbeid

     De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het kabinet het advies van de RWI [Raad voor werk en inkomen, red.] niet heeft overgenomen om gesubsidieerde arbeid te continueren in de vorm van gereserveerde arbeid.

     In het Beleidskader Werk en Inkomen 2002 heeft de RWI het voorstel gedaan voor het inzetten van gereserveerde arbeid. In reactie op dit voorstel heeft het kabinet aangegeven geen systeem van gereserveerde arbeid in te zetten, omdat met de komst van één ongedifferentieerd, flexibel, vrij besteedbaar reïntegratiebudget gemeenten optimaal maatwerk kunnen bieden om werkzoekenden op persoonsgerichte wijze te begeleiden. De inzet van gesubsidieerde banen blijft daarbij mogelijk.


Verantwoordelijkheid werkgevers

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen een standpunt van het kabinet als het gaat om de verantwoordelijkheid van werkgevers, zowel in de publieke als in de private sector, om bijstandsgerechtigden in dienst te nemen.

     Het kabinet is van mening dat ook werkgevers een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het reïntegreren van bijstandsgerechtigden. Het is in het belang van werkgevers dat zoveel mogelijk mensen in Nederland aan het werk zijn of kunnen worden ingeschakeld indien de conjunctuur weer aantrekt. Hiertoe is ook van belang dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen om bijstandsgerechtigden die stage lopen bij een bedrijf zoveel mogelijk te leren.
     Het kabinet is niet van plan om werkgevers de verantwoordelijkheid om bijstandsgerechtigden te reïntegreren dwingend op te leggen. Een verplichting zou de concurrentiepositie van bedrijven kunnen verslechteren en daarmee de totale werkgelegenheid uiteindelijk kunnen verminderen.


Bezuinigingen SPAK en VLW

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet aan te geven wat het effect van de bezuiniging op de SPAK en VLW [vermindering langdurig werklozen, red.], reeds ingegaan op 1 januari 2003, is op de arbeidsinschakeling van laaggeschoolden en langdurig werklozen.

     In 2003 wordt een eerste stap gezet in het afbouwen van de SPAK tot nul in 2006. Bij de VLW kan geen instroom meer plaatsvinden. Als gevolg hiervan kan de werkgelegenheid onder laagopgeleiden en langdurig werklozen dalen. Hiertegenover staat dat middelen die hiermee vrijgespeeld worden, ingezet worden voor een verhoging van de arbeidskorting. Dit heeft een positief werkgelegenheidseffect. Er is door het kabinet gekozen voor meer arbeidsaanbodstimulerende maatregelen in plaats van vraagstimulerende maatregelen. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een loonkostensubsidie binnen de Wwb in te zetten als voorziening om mensen te reïntegreren. Het exacte partiële effect van deze maatregelen rblz.|30| op de werkgelegenheid voor laaggeschoolden en langdurig werklozen tot nu toe is niet aan te geven.


Werk met behoud van uitkering

     Door de leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en de VVD zijn vragen gesteld over de wettelijke randvoorwaarden zoals die gelden voor de mogelijkheid om met behoud van uitkering (onbetaald) werk te verrichten. De leden van de fracties van PvdA en GroenLinks vragen naar de verschillen tussen werken met behoud van uitkering enerzijds en het werken tegen een arbeidsovereenkomst anderzijds. Deze leden stellen onder meer voor om bij alle reïntegratietrajecten waar werk of werkervaring aan de orde is, direct of na een termijn van bijvoorbeeld zes maanden uit te gaan van een dienstbetrekking, met recht op loonbetaling. De leden van de fractie van de PvdA informeren voorts of het kabinet het mogelijk en wenselijk acht dat gesubsidieerde arbeid uiteindelijk zal worden vervangen door werken met behoud van uitkering en hoe een dergelijke ontwikkeling zich eventueel verhoudt tot het proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen in dit verband voorts naar het onderscheid tussen werken met behoud van uitkering in de vorm van vrijwilligerswerk en werk tegen een prestatie voor de werkgever. Tevens zijn de leden van de fractie van de PvdA geïnteresseerd in de mening over de zogenaamde nultrajecten, waaraan geen concrete afspraken over scholing of werk verbonden zijn en jongeren feitelijk met behoud van uitkering moeten gaan werken. De leden van de fractie van GroenLinks informeren in dit verband of mensen die gaan werken met behoud van uitkering aanspraak kunnen maken op een onkostenvergoeding boven de basisuitkering. Tot slot zijn de leden van de VVD fractie geïnteresseerd in de mogelijkheden voor gemeenten om een arbeidscontract met het daarbij behorende loon aan te bieden in plaats van een "echte" uitkering.

     Onder de noemer "werken met behoud van uitkering" gaat een brede variëteit aan activiteiten schuil. Deze activiteiten lopen uiteen van regulier vrijwilligerswerk tot korte werkstages. Het doel en het karakter van de werkzaamheden is sterk afhankelijk van de mogelijkheden van de doelgroep voor inschakeling in reguliere arbeid. Werkstages zijn gericht op het opdoen van vaardigheden of bepaalde werkervaring in het kader van een reïntegratietraject en kunnen daarom de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling van betrokkene vergroten. De ervaring leert dat het (tijdelijk) verrichten van werkzaamheden met behoud van uitkering een goede bijdrage kan leveren aan de uitstroom naar betaalde arbeid en/of zelfstandige maatschappelijke participatie.¹ Het doel van de activiteiten is dus niet primair het realiseren van het bedrijfsdoel van de werkgever. Wanneer de overeengekomen arbeid primair in woord en daad gericht is op het nut voor de stagiair, i.c. het opdoen van vaardigheden of een bepaalde werkervaring, is er in beginsel geen sprake van een arbeidsovereenkomst (zie HR 29 oktober 1982, NJ 1983, 230). Natuurlijk heeft de rechter het laatste woord bij de toetsing of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst.
     Cliënten en gemeenten zijn daarentegen gebonden aan de rechten en plichten die voortkomen uit de Wwb. Dat wil onder meer zeggen dat steeds getoetst moet worden of de activiteiten nog wel bijdragen aan het vergroten van de kansen van betrokkene op uitstroom. Om deze reden bestaan er bij het kabinet reserves tegenover de zogenaamde nultrajecten, waaraan geen concrete afspraken over scholing of opleiding verbonden zijn.
     Tussen productieve arbeid ten dienste van de werkgever enerzijds én de activiteiten die hierboven zijn gedefinieerd als "werken met behoud van uitkering" anderzijds bestaan dus enkele fundamentele verschillen. Het
rblz.|31| ligt daarom niet voor de hand dat bij alle reïntegratietrajecten waar sprake is van werk of werkervaring, sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het kabinet acht het thans evenmin noodzakelijk of wenselijk om de "tewerkstelling" te koppelen aan een vaste termijn, omdat daarvoor de verschillen tussen cliënten enerzijds en de aard en het doel van de werkzaamheden anderzijds te groot zijn. Immers, waar een periode van zes maanden voor werkstages een adequate richtsnoer vormen, is een halfjaar vaak te kort voor activiteiten in het kader van sociale activering of vrijwilligerswerk.
     Werken met behoud van uitkering is een ander instrument dan gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid is de werknemer over het algemeen wél in staat om productieve arbeid te verrichten, maar kan er (bijvoorbeeld door een tekort aan werkervaring) een groot verschil ontstaan tussen de loonkosten van de werkgever en de mate waarin een gemiddelde werknemer deze productieve arbeid verricht. De gemeente kan er dan voor kiezen om een tijdelijke loonkostensubsidie te verlenen. Door deze verschillen verwacht het kabinet niet dat gesubsidieerde arbeid op den duur wordt vervangen door werken met behoud van uitkering. Het beleid van de gemeente Amsterdam, zoals dat uit de publiciteit naar voren komt, waarbij de instroom in gesubsidieerde arbeid wordt vertraagd door de inzet van "voortrajecten" acht het kabinet daarom niet wenselijk. Voor cliënten die niet in staat zijn om op korte termijn deel te nemen aan (regulier) betaalde arbeid kan vrijwilligerswerk een goed alternatief vormen. Om deze activiteiten financieel te stimuleren, bestaan een aantal instrumenten. Zo kunnen gemeenten eenmaal per kalenderjaar een premie uitkeren van maximaal €|1944,-. Ook kan, evenals in de huidige Abw is geregeld, een forfaitaire kostenvergoeding worden verstrekt voor het verrichten van vrijwilligerswerk (tot ten hoogste €|20,- per week met een maximum van €|700,- per jaar), die niet wordt verrekend met de uitkering. Deze kostenvergoeding kan worden verstrekt door de organisatie waar vrijwilligerswerk wordt verricht, maar eventueel ook door de gemeente zelf.
     Verschillende gemeenten waaronder de gemeente 's-Hertogenbosch overwegen om cliënten in plaats van uitkering een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Vanuit de Wwb doen zich in beginsel geen bijzondere belemmeringen voor bij de inzet van het inkomensdeel voor het uitbetalen van loon in plaats van een uitkering. Het inkomensdeel is tenslotte vrij besteedbaar, dus kan dit budget door de gemeente ook worden ingezet in de vorm van "loon". De cliënt is in beginsel verplicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
     Daarnaast moet worden bedacht dat een dergelijke inzet van het inkomensdeel zich bevindt op het snijvlak van de Wet werk en bijstand en het arbeidsrecht. Indien de cliënt daadwerkelijk een arbeidscontract wordt aangeboden, zijn gemeenten hiermee gebonden aan het (reguliere) arbeidsovereenkomstenrecht. Dit betekent dat de beleidsvrijheid van gemeenten haar beperking vindt in de algemene grenzen die het arbeidsovereenkomstenrecht met zich mee brengt.

1. S. Serail en I. van de Pas: Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering, stand van zaken en lessen na 6 jaar experimenteren in de Algemene bijstandswet, 2002, Den Haag, Elsevier bedrijfsinformatie.

 

3.1. Rechten en plichten  [MvTV]


Positie cliënt

     Door de fracties van PvdA, VVD, GroenLinks en CDA zijn vragen gesteld over de balans tussen rechten en plichten van de cliënt, het doel, de aard en de reikwijdte van de in de Wwb opgenomen "aanspraak op ondersteuning" voor de cliënt en voorts de mogelijke jurisprudentie als gevolg van dit nieuwe begrip.

     rblz.|32| Het kabinet deelt het belang dat de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks hechten aan de positie van de cliënt bij reïntegratie. Voor de Bijstandswet belangrijke uitgangspunten als persoonlijke verantwoordelijkheid en individualisering kunnen tenslotte nauwelijks invulling krijgen als niet enkele fundamentele aanspraken voor de cliënt gewaarborgd worden.
     Het kabinet deelt, samengevat, de opvatting van deze leden dat een aantal basisrechten verankerd dienen te zijn in wet- en regelgeving. Er is echter niet gekozen voor een nadere concretisering in de Wwb. De redenen daarvoor zijn tweeërlei. In de eerste plaats dienen deze "basisrechten" zich naar de opvatting van het kabinet niet te beperken tot alleen bijstandsgerechtigden, maar moeten zij zich uitstrekken tot alle werkzoekenden met of zonder een uitkering. Het kabinet heeft vastgesteld dat de meest essentiële rechtsnormen inmiddels goed tot uitdrukking komen in de diverse wet- en regelgeving, die in een directe relatie met dit wetsvoorstel staan. De Wet SUWI is daarvan een goed voorbeeld, maar ook aan de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, en tot slot, de Grondwet en internationale verdragen.

     De leden van de VVD-fractie vragen of voorzien wordt of het begrip ondersteuning bij reïntegratie door jurisprudentie nader zal worden ingevuld.

     De in de Wwb omschreven kaders zijn zo geformuleerd dat aan gemeenten de randvoorwaarden worden geboden om aan de in deze wet betrekkelijk nieuw geïntroduceerde begrippen, waaronder een aanspraak op ondersteuning voor de cliënt, nader gestalte te geven. Met andere woorden, beoogd is om gemeenten voldoende "gereedschap" te geven om de in dit wetsvoorstel voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende handvatten bieden voor de gemeente én de cliënt bij het beoordelen van de criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures. Het kabinet vertrouwt erop dat, gezien de expertise die door gemeenten is opgebouwd met het opstellen van verordeningen in combinatie met de procedurele waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming, een ongewenste toename van jurisprudentie én administratieve lasten voor de gemeente voorkomen wordt.
     In die gevallen dat geprocedeerd wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend opstellen bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid anderzijds brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de (politieke) stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat aan het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter. Een al te zeer inhoudelijke inkleuring van begrippen blijft dan achterwege.
     In het hiernavolgende zal, mede op verzoek van de leden van de fractie van GroenLinks, specifiek worden ingegaan op de twaalf suggesties van de FNV.
1. Keuzerecht. Naar de mate waarin voor cliënten keuzemogelijkheden worden ingebouwd binnen de (reguliere) werkprocessen, is onderzoek uitgevoerd in samenwerking met Regioplan Beleidsonderzoek.¹ Een belangrijke constatering was dat veel gemeenten en reïntegratiebedrijven bij het samenstellen van het projectplan rekening houden met de wensen van de cliënt. De gemeente heeft echter het laatste woord. Wel staat voor de cliënt vanzelfsprekend bezwaar en/of beroep open tegen de beslissing van de gemeente met betrekking tot de verplichting om deel te nemen aan een reïntegratietraject.
2. Recht op begeleider/vertrouwenspersoon. Het kabinet kan zich vinden in het uitgangspunt dat uitkeringsgerechtigden in beginsel het recht moeten hebben om iemand mee te nemen naar een keuring of een gesprek. Tevens kan vaak een beroep worden gedaan op organisaties van cliënten.
rblz.|33| Ons is niet gebleken dat de bestaande wet- en of regelgeving op dit terrein tekort zou schieten. In voorkomende gevallen staan er voor cliënten verschillende mogelijkheden open om "beklag" te doen. Nadere regels op dit terrein voor reïntegratiebedrijven worden mede daarom op dit moment niet overwogen.
3. Initiatiefrecht wordt geregeld in artikel 10 [10] van de Wwb.
4. Budgetrecht. Door gemeenten kan op grond van de Wwb in individuele gevallen een persoonsgebonden reïntegratiebudget worden verstrekt. Een landelijk geregeld "budgetrecht" wijst het kabinet echter af. De Kamer is hierover separaat geïnformeerd.²
5. Recht op een vaste consulent. Het kabinet hecht, zoals hierboven reeds is beschreven, veel waarde aan de begeleiding van een cliënt bij reïntegratie. In het kader van SUWI is in de wet vastgelegd dat gemeenten, evenals UWV en CWI, bevorderen dat cliënten zoveel mogelijk met een vast aanspreekpunt (dat optreedt als begeleider en trajectcoördinator) te maken hebben. Uit het eerder genoemde onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met Regioplan Bedrijfsonderzoek (zie onder 1) kan worden geconstateerd dat een zeer groot aantal gemeenten ook daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan dit uitgangspunt.
6. Recht op behouden van oude (uitkerings)rechten. Het onderwerp speelt mijns inziens niet bij bijstandsgerechtigden en valt daarom buiten het bereik van de Wwb.
7. Recht op informatie. Een recht op informatie is een prominent beginsel van "algemeen behoorlijk bestuur". Daarnaast staat het geformuleerd in de SUWI-wetgeving en kan het worden afgeleid uit de Gemeentewet.
8. Recht op maatwerk. Het kabinet ondersteunt dit pleidooi voor maatwerk van de FNV van harte. Maatwerk is daarom een centraal uitgangspunt van de Wwb en komt tevens terug in de SUWI-wetgeving.
9. Recht op actieve ondersteuning. In beginsel kan elke cliënt die dat naar zijn of haar oordeel nodig heeft, een beroep doen op ondersteuning van het CWI en/of de gemeente. De wijze waarop het kabinet een feitelijke aanspraak op begeleiding wenst te waarborgen, komt ook naar voren in (de wetsgeschiedenis van) de Wet SUWI.³ Tevens is een aanspraak op ondersteuning geregeld in de Wwb.
10. Recht op volwaardige en duurzame banen. Op grond van artikel 19 van de Grondwet heeft de overheid de zorg voor bevordering van voldoende werkgelegenheid. Daartoe worden in het kader van het werkgelegenheidsbeleid van het kabinet talrijke activiteiten ontwikkeld. De steun van sociale partners is daarbij overigens onontbeerlijk. Garantie op werk kan de overheid niet bieden.
11. Beroepsrecht. Cliënten kunnen bezwaar en beroep aantekenen tegen besluiten van de gemeente. Onafhankelijkheid is gewaarborgd in de beroepsfase.
12. Baangarantie. In het kader van het reïntegratiebeleid kunnen diverse instrumenten worden ingezet waardoor werkgevers personen in dienst nemen of houden. De overheid kan, evenmin als de sociale partners, een baangarantie realiseren.

1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Mogelijkheden voor een actieve rol van de cliënt bij reïntegratie, 2003, Den Haag.
2. SZW-03-438.
3. Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nrs. 97 en 107.

     De leden van de fractie van GroenLinks en de PvdA willen graag van het kabinet horen op welke rechten individuen zich kunnen beroepen als het gaat om de reïntegratieverplichting van de gemeente. Om deze rechten nader te concretiseren, suggereren de leden van de fractie van GroenLinks om, in aansluiting op door de FNV geformuleerde rechten, dergelijke basisrechten op te nemen in de wet. In dit verband vragen deze leden om een onderbouwde reactie op de opname van basisrechten in het algemeen en de twaalf suggesties van de FNV in het bijzonder. Daarbij wijzen de leden van de fractie van GroenLinks op de bevredigende ervaringen van enkele UWV’s [uvi's, uitvoeringsinstellingen, red.] met de introductie van persoonsgebonden budgetten rblz.|34| voor mensen die willen reïntegreren. Ook de leden van de fractie van de PvdA wijzen op het belang van keuzevrijheid van de cliënt en de mogelijkheden om cliënten een rugzakje en/of een voucher toe te kennen.

     Een aspect als keuzevrijheid komt ook expliciet terug in de door de FNV geformuleerde basisrechten. Daarom komt dit punt hieronder, wanneer op elk door de FNV geformuleerd recht afzonderlijk wordt ingegaan, vanzelf aan de orde. Overigens is het wel van belang om op te merken dat de kwaliteit van deze "basisrechten" sterk bepaald wordt door de wijze waarop in de praktijk hieraan invulling wordt gegeven. Dit geldt ook voor de door de leden van de fracties van PvdA en GroenLinks genoemde kwaliteitscriteria. Deze laten zich naar het oordeel van het kabinet niet goed sturen door nadere regels in wet- en regelgeving. In dit verband is het verheugend dat ook Divosa de kwaliteit van de dienstverlening op de agenda heeft gezet en dientengevolge een quick scan cliënttevredenheid voor het eerst als mogelijkheid in de benchmark sociale diensten ¹ heeft opgenomen. Uit de resultaten van deze quick scan blijkt dat de meeste cliënten vinden dat consulenten voldoende tijd en aandacht aan hen schenken, voldoende voorlichting geven en snel en efficiënt werken. Hoewel op onderdelen zeker nog verbetering mogelijk is, valt toch te verwachten dat deze positieve trend zich zal voortzetten. Onder meer omdat de kwaliteit van de dienstverlening van de overheid door dit kabinet nadrukkelijk op de agenda is gezet.²
     In de Wwb is niet expliciet aangegeven wat de precieze reikwijdte of inhoud van de aanspraak op ondersteuning is. Het kabinet heeft daar niet voor gekozen, omdat zij dit niet vond passen bij de aard en de doelstellingen van dit artikel. Artikel 10 [10] moet samen met de opdracht aan de gemeente om regels op te stellen met betrekking tot een evenwichtige benadering van doelgroepen (artikel 8 [8], tweede lid, Wwb), worden gezien als voorwaardenscheppend. Het doel van beide artikelen is om betekenis te geven aan de zorgplicht van de overheid, respectievelijk de gemeente.
     Bij het besluit op een aanvraag om ondersteuning zal de gemeente een individuele afweging moeten maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Overwegingen daarbij zijn de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de noodzaak van een traject, de aanwezigheid van voorzieningen en hulpverlening of alternatieven daarvoor evenals de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van een gemeentelijke verordening. De gemeenteraad houdt bij het vaststellen van de verordening rekening met de beschikbare financiële middelen. Het ontbreken van financiële middelen is echter onvoldoende afwijzingsgrond in een individuele beslissing.
     Door in de wet vast te leggen dat belanghebbenden aanspraak hebben op ondersteuning, is er voor betrokkenen een titel om deze aanspraak op te eisen. Daarmee is niet gezegd dat betrokkene recht heeft op een bepaalde, specifieke voorziening en deze specifieke voorziening kan eisen. Er is altijd een individuele beoordeling door de gemeente noodzakelijk.
     De basis voor deze individuele beoordeling wordt door de gemeente vastgelegd in de met betrekking tot dit artikel voorgeschreven verordening.

1. SGBO, 2003, Benchmark Sociale Diensten. Rapportage 2001, maart 2003.
2. Zie ook het hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels, 2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637, nr. 19).

     De leden van de fracties van het CDA en de VVD hebben enkele vragen over de functie en de risico’s van deze verordening.

     Bij het vormgeven van dit wetsvoorstel is door het kabinet bewust gekozen voor het voorschrijven van verordeningen op diverse terreinen, omdat hierdoor de randvoorwaarden worden geboden voor een zorgvuldige uitvoering van de wetgeving. Met andere woorden, beoogd is om gemeenten voldoende gereedschap te geven om de in dit wetsvoorstel voorgeschreven verordeningen zo in te vullen dat deze voldoende handvatten bieden voor de gemeente en de cliënt bij het beoordelen van de rblz.|35| criteria. Een goede verordening voorkomt ongewenste juridische procedures. Het kabinet vertrouwt erop dat, gezien de expertise die door gemeenten is opgebouwd met het opstellen van verordeningen in combinatie met de procedurele waarborgen die inherent zijn aan de besluitvorming, een ongewenste toename van jurisprudentie en van administratieve lasten voor de gemeente voorkomen wordt.
     Wanneer geprocedeerd wordt bij de rechter, zal deze zich over het algemeen terughoudend opstellen bij de beoordeling van de beslissingen van de gemeente. De rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de lokale overheid anderzijds brengt immers met zich mee dat de eerstgenoemde niet op de stoel van de gemeente gaat zitten. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat aan het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, eventueel met inachtneming van aanwijzingen van de rechter.
     Voor de reactie op de twaalf suggesties van de FNV wordt verwezen naar het antwoord op de brief van de FNV van 5 juni 2003, dat als bijlage bij deze nota wordt meegezonden.
     Tot slot zal, op verzoek van de leden van de fracties van PvdA en ChristenUnie, meer specifiek worden ingegaan op de rechten en de plichten van cliënten en de verschillen met de huidige situatie. Onder de huidige Bijstandswet zijn de arbeidsverplichtingen grotendeels centraal vastgelegd in hoofdstuk VIII van de wet. De Wwb kent een algemene verplichting om mee te werken aan inschakeling in arbeid, deze is terug te vinden in artikel 9 [9]. In artikel 14 van de Abw wordt de basis gelegd voor de handhaving van de arbeidsverplichtingen. Deze worden uitgewerkt in het huidige Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Hier zijn de verwijtbare gedragingen gecategoriseerd en zijn hoogte en duur van de verlaging van de uitkering gestandaardiseerd. Op grond van artikel 18 [18] Wwb kan niet-nakoming van de verplichtingen worden gesanctioneerd en worden daarvoor bij verordening regels gesteld.
     In hoofdlijnen zijn er echter geen verschillen ten opzichte van de huidige situatie. Artikel 10 [10] Wwb kan gezien worden als een uitbreiding van de rechten.


Relatie Wsw en Wwb

     De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet naar de visie op de relatie tussen de Wsw en dit wetsvoorstel en of de Wsw een grotere rol kan spelen in het begeleiden van arbeidsgehandicapten naar betaald werk. Zij vernemen graag van het kabinet hoe het de wachtlijsten voor een Wsw-plaatsing wil wegwerken

     Het kabinet merkt allereerst op dat de wachtlijst sinds 1998 fors is teruggelopen: van ruim 20 000 tot ongeveer 5600 ultimo 2002. Deze daling zet nog altijd door, al gaat het minder snel dan in voorgaande jaren. Het plaatsen van personen vanaf de wachtlijst in een Wsw-dienstbetrekking of een begeleid-werkenarbeidsplaats vergt maatwerk. Er zal dus altijd nog enige wachtlijst blijven bestaan. Binnen de Wwb blijft gesubsidieerde arbeid mogelijk. Het staat gemeenten vrij om voor schoolverlaters met een Wsw-indicatie op de Wsw-wachtlijst een tijdelijke voorziening te treffen uit Wwb-middelen, op dezelfde manier als dit nu mogelijk is uit Wiw-middelen.
     Het kabinet merkt verder op dat de doelstelling en doelgroep van de Wsw niet verandert door de komst van de Wwb. Doel van de Wsw is het scheppen van aangepaste werkgelegenheid voor personen die vanwege lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Voor het overgrote deel van de Wsw-doelgroep is reïntegratie naar vormen van reguliere, niet-gesubsidieerde arbeid niet reëel. Doel en doelgroep van het reïntegratiedeel van de Wwb komen overeen met de doelstelling en doelgroep
rblz.|36| van de oude Wiw en ID. Bij de Wwb ligt de nadruk op een tijdelijke voorziening gericht op reïntegratie op de reguliere arbeidsmarkt. Een klein deel van de Wwb doelgroep valt waarschijnlijk onder de criteria van de Wsw en komt ervoor in aanmerking.
     Dankzij de nieuwe wijze van indiceren is het aantal potentiële uitstromers onder de Wsw-werknemers die onder de nieuwe wet zijn geplaatst, vrij gering. Daartegenover staat dat de praktijk van periodieke herindicatie tot een snellere uitstroom uit de Wsw kan leiden. Deze groep kan immers bij een verbetering in de arbeidscapaciteit door de indicatiecommissie bij herindicatie beoordeeld worden als niet langer aangewezen op aangepaste arbeid en dus niet meer behorend tot de doelgroep.
     Voor zover deze arbeidsgehandicapten vallen onder de Wsw-doelgroep, kan de Wsw als wettelijke voorziening een rol spelen bij toeleiding naar ongesubsidieerd werk. Voor zover zij niet onder de Wsw-doelgroep vallen, omdat zij na indicatie "te goed zijn bevonden", zal reïntegratie uit Wwb-middelen gefinancierd dienen te worden. Een aantal SW-bedrijven [SW: sociale werkvoorziening, red.] die voor gemeenten de Wsw uitvoeren, heeft zich inmiddels ook op de reïntegratiemarkt begeven. De reïntegratieactiviteiten van deze bedrijven spelen zich echter niet af in het kader van Wsw en vormen een verbreding van het activiteitenpakket naast de uitvoering van de Wsw. Wsw-middelen worden dus alleen ingezet voor de eigen doelgroep.


Duurzame arbeid

     De leden van de PvdA-fractie vragen zich af aan welke termijn het kabinet denkt wanneer in de Wwb wordt gezegd dat personen "zo snel mogelijk" aan de slag komen. Zij vragen het kabinet duurzame arbeid te definiëren en aan te geven hoe wordt voorkomen dat mensen in draaideursituaties belanden.

     Gelet op de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten gaat het kabinet ervan uit dat het vooral aan de gemeenten is om doelen te stellen binnen welke termijn personen aan werk worden geholpen. Dit zal mede afhankelijk zijn van óf, en zo ja, welke ondersteunende voorziening daarbij noodzakelijk is.
     Uitgangspunt voor uitstroom uit de bijstand is duurzame economische zelfstandigheid. Dit zal in de regel tot uiting komen in de vorm van arbeid, al dan niet in deeltijd. We gaan daarbij ervan uit dat gemeenten belang hebben bij duurzame volledige uitstroom.
     Gemeenten hebben niettemin ook rekening te houden met de individuele situatie van personen. Daar waar vanwege deeltijdarbeid of tijdelijke arbeid blijvende economische zelfstandigheid nog niet aan de orde is, zal dit wel het perspectief blijven waar naar gestreefd zal moeten worden. Met het oog op verantwoording en doeltreffendheid van de wet vindt het kabinet het niettemin noodzakelijk om aan te geven welke definitie van duurzame plaatsing/arbeid wordt gehanteerd. In de vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is aangegeven dat het kabinet onder "duurzaamheid" verstaat: een situatie waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een reguliere baan vervult (en in die periode geen uitkering meer ontvangt).
     Om te voorkomen dat personen na het aanvaarden van werk toch (steeds) weer terugvallen in de bijstand, ligt het voor de hand dat gemeenten vooral aandacht schenken aan de achterliggende oorzaken hiervan. Oorzaken kunnen liggen in de sfeer van: individuele omstandigheden, in de persoon gelegen kenmerken, al dan niet inzetten van voorzieningen, kwaliteit van de aangeboden voorziening, kenmerken van de regionale arbeidsmarkt (bijvoorbeeld seizoensarbeid) e.d. StimulanSZ zal voor gemeenten over dit onderwerp een handreiking opstellen.
     Het kabinet verwijst tevens naar paragraaf 3.3 van deze nota waar wordt ingegaan op draaideurklanten.

rblz.|37| 
3.1.1. Afstemming van de uitkering op het nakomen van verplichtingen  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie constateren dat gevolgen van het niet nakomen van verplichtingen door de gemeente zelf wordt bepaald (blz. 5 MvT). Zij vragen hoe ver de vrijheid van de gemeente in dit geval strekt en of er een relatie moet zijn tot de niet-nagekomen verplichting.

     De vrijheid van de gemeente strekt zich allereerst uit tot de grenzen die in de wet zijn aangegeven. Dat wil zeggen dat de gemeente een besluit tot verlaging van de uitkering dat een langere geldigheidsduur heeft dan drie maanden, na die drie maanden moet heroverwegen.
     Naast de grenzen die door dit wetsvoorstel zijn aangegeven, dient de gemeente bij het vaststellen van de verordening als bedoeld in artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel b, het proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen. Dat houdt in dat de hoogte van de op te leggen maatregel goed moet zijn afgewogen tegen de ernst van de verwijtbare nalatigheid van de betrokkene.

     De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere uitleg waar het huidige maatwerk in het sanctiebeleid tekortschiet en wat nu precies de vorm van sancties is waar het kabinet aan denkt.

     In het wetsvoorstel staat de individualisering centraal; dat komt tot uitdrukking in de concretisering van de rechten en de verplichtingen en wordt doorgetrokken in de individualisering van het sanctiebeleid.
     De gemeente zal bij de toekenning van de bijstand de belanghebbende informeren over de op hem van toepassing zijnde rechten en verplichtingen en hem gelijktijdig op de hoogte brengen welke gevolgen worden verbonden aan het niet of onvoldoende naleven van die verplichtingen. Het gegeven dat elke gemeente een op de lokale situatie toegesneden verlagingsbeleid kan vormgeven en in een verordening kan vastleggen, sluit beter aan bij de achterliggende filosofie van de Wwb.
     Het huidige centraal vormgegeven maatregelenbeleid heeft in de praktijk het niet-beoogde effect van uniformering.
     De voorgestelde decentralisering van het verlagingsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om zowel aan de plichtenkant als met betrekking tot de gevolgen van het niet of onvoldoende naleven van de verplichtingen optimaal maatwerk te leveren.
     De mate van verlaging van de uitkering, de duur van die verlaging alsmede de wijze waarop met de ernst van de gedraging en met de persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden, wordt door de gemeente in een verordening vastgelegd.
     Het gaat derhalve niet om de vraag of de gemeente onder de huidige regelgeving niet direct zou kunnen ingrijpen; de bedoeling van de thans voorgestelde regelgeving is dat de gemeente op dit onderwerp zelf beleid kan maken, toegesneden op de lokale situatie en met voldoende mogelijkheden voor maatwerk.


3.1.2. De verplichtingen tot werk  [MvTV]


Algemeen geaccepteerde arbeid

     Door de fracties van CDA, PvdA, VVD, D66 en SGP is gevraagd om een toelichting op de reikwijdte van het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid"; de verschillen met het begrip "passende arbeid" en de relatie tussen algemeen geaccepteerde arbeid en duurzame uitstroom. De leden van de CDA-fractie vragen voorts of het juist is dat passende arbeid na verloop van één jaar voor cliënten precies hetzelfde inhoudt als algemeen geaccepteerde arbeid. Dit omdat het begrip algemeen geaccepteerde rblz.|38| arbeid duidelijk verschilt van het begrip passende arbeid. Zij vragen of het juist is dat een cliënt met een academische opleiding van vijf jaar die na de WW in de bijstand belandt, direct een aangeboden baan van ongeschoold werk, bijvoorbeeld als schoonmaker, moet aanvaarden en wat de situatie voor deze klant is onder de oude Algemene bijstandswet.
     Tevens vragen de leden van de CDA-fractie of een toename wordt verwacht van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures door de invoering van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid.
     De leden van de VVD-fractie vragen of de gemeente een sanctie kan opleggen als de betrokkene algemeen geaccepteerde arbeid weigert.
     Tot slot informeren de leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van gesubsidieerde arbeid versus algemeen geaccepteerde arbeid.

     De wijziging van het begrip "passende arbeid" in "algemeen geaccepteerde arbeid" heeft een tweeledige doelstelling. In de eerste plaats komt het accent duidelijker te liggen bij snelle uitstroom uit de uitkering. In de tweede plaats krijgt de gemeente meer ruimte voor het maken van eigen afwegingen. Bij deze doelstellingen past geen sluitende definitie.
     Kern van de wijziging is dat alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is, geaccepteerd moet worden. Opleidingsniveau en/of beroepsverleden spelen daarbij geen rol meer.
     Algemene grenzen van wat "algemeen geaccepteerd" is, zijn niet in eerste instantie te vinden in de Wwb, maar veeleer in aanverwante wet- en regelgeving, zoals de arbeidswetgeving.
     In dit verband is, zoals de leden van de PvdA-fractie zich afvragen, illegale arbeid niet algemeen geaccepteerd. Arbeid tegen een loon dat lager is dan de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voorschrijft, is evenmin "algemeen geaccepteerd".
     In hoeverre de gemeente daarnaast nog rekening moet en/of wil houden met de persoonlijke situatie van de betrokkene is afhankelijk van de eigen afweging.
     Dit impliceert dat de sociale dienst cliënten mag verplichten om tijdelijke arbeid te aanvaarden en dat een eventuele weigering van een dergelijk aanbod kan worden gesanctioneerd.

     De leden van de VVD-fractie vragen in dit kader tevens naar de zienswijze van het kabinet op de relatie tussen een verplichting tot het verrichten van tijdelijke arbeid en de werking van de arbeidsmarkt en de mogelijkheden om door middel van tijdelijke arbeid de zelfredzaamheid te vergroten.

     Het kabinet merkt hierover het volgende op. Een verplichting tot het verrichten van tijdelijke arbeid kan inderdaad een bijdrage leveren aan een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt en kan in dit opzicht helpen om bepaalde knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen. Ook kan dit onder omstandigheden de zelfredzaamheid van betrokkene vergroten, omdat van de werknemer verwacht mag worden dat hij of zij zelf uitziet naar ander werk.
     Het is juist dat er een spanningsveld kan optreden tussen snelle uitstroom en duurzame arbeid. In de vijfde voortgangsrapportage SUWI van 21 mei 2003 is aangegeven dat het kabinet onder "duurzaamheid" verstaat: een situatie waarin de betrokkene ten minste een halfjaar een reguliere baan vervult (en in die periode geen uitkering meer ontvangt).

     De leden van de fracties VVD, PvdA en D66 vragen om een toelichting op het aspect duurzame uitstroom in relatie tot algemeen geaccepteerde arbeid.

     Het ligt, naar het oordeel van het kabinet, niet in de lijn van het karakter van deze wet om in dit verband een duidelijke voorkeur uit te spreken voor één van beide prioriteiten. De gemeente zal in voorkomende rblz.|39| gevallen steeds zelf moeten beoordelen in hoeverre van betrokkene mag worden gevraagd om tijdelijke arbeid, eventueel in deeltijd, te accepteren of dat, gelet op de risico’s op terugval in de bijstandsuitkering of arbeidsongeschiktheid, het meer voor de hand ligt om bijvoorbeeld eerst een (scholings)traject af te laten ronden. Indien de gemeente het risico op terugval in de bijstand groot acht, ligt het voor de hand om aandacht te schenken aan de achterliggende oorzaken hiervan. Een individuele afweging is dus geboden.
     Een vergelijkbare individuele afweging geldt ook voor de situaties waarin een cliënt bijvoorbeeld, zoals de leden van de CDA-fractie schetsen, "na een academische opleiding van vijf jaar na de WW in de bijstand belandt en een baan aangeboden krijgt als bijvoorbeeld schoonmaker". De gemeente mag mede op basis van het criterium "algemeen geaccepteerde arbeid" van de cliënt vergen dat hij of zij dit aanbod aanvaardt. Dit kan iets verschillen van de huidige situatie: toepassing van het begrip "passende arbeid", zoals dat gehanteerd wordt in de Abw, zou impliceren dat iemand op academisch niveau pas na een werkloosheidsduur van achttien maanden geacht wordt om een baan onder VMBO-niveau te accepteren. Voor een schoolverlater geldt nu reeds dat wat betreft de aard van de arbeid en het ervoor benodigde opleidingsniveau alle arbeid als passende arbeid wordt aangemerkt, tenzij het loon minder bedraagt dan het wettelijk toegestane minimum. Voor een academicus, niet zijnde schoolverlater, wordt vanaf de aanvang van zijn werkloosheid alle arbeid waarvoor wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijsniveau is vereist onder de huidige bepalingen als passende arbeid aangemerkt.
     Het werkloosheidsrisico van betrokkene is steeds een centraal criterium. Naarmate de vooruitzichten op ander en beter aansluitend werk voor de betrokkene groter zijn, zal eerder en meer rekening gehouden kunnen worden met aspecten als vorig beroep en opleidingsniveau. Dit geldt ook voor een aspect als de woonsituatie. In specifieke gevallen kan van de betrokkene verwacht worden dat arbeid geaccepteerd wordt die verandering van woonplaats met zich meebrengt. Naast het werkloosheidsrisico wordt de uitkomst van deze belangenafweging vanzelfsprekend ook bepaald door de omstandigheden op de regionale arbeidsmarkt en persoonlijke omstandigheden, zoals de gezinssituatie, fysieke beperkingen en een eventuele spanning tussen de aangeboden arbeid en de (geloofs)overtuiging. In de memorie van toelichting is al uitgebreid ingegaan op de bijzondere situatie van alleenstaande ouders.

     De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen het kabinet in te gaan op de betekenis van gewetensbezwaren.

     Over het algemeen zal gelden dat aan dergelijke strikt persoonlijke omstandigheden slechts betekenis zal worden gehecht voor zover deze zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten werk. Een beroep op dergelijke gronden werd erkend in een zaak waarin een islamitische vrouw niet als enige vrouw werkzaam hoefde te zijn met één of meer mannen ¹ en in een casus waarin een godsdienstig bezwaar bestond tegen werken op zondag.²
     Zoals uit het bovenstaande antwoord blijkt, verschilt de term "algemeen geaccepteerde arbeid" gradueel van het begrip "passende arbeid" en is de precieze invulling van deze term voorts afhankelijk van individuele- en regionale factoren. Het kabinet verwacht daarom geen ernstige toename van bezwaar- en beroepsprocedures of belasting van de uitvoeringspraktijk.

1. RSV/1984/12.
2. RSV/1988/105.

     Tot slot informeren de leden van de fractie van de PvdA naar de definitie van gesubsidieerde versus algemeen geaccepteerde arbeid en de reikwijdte van dit begrip waar het gaat om arbeid van een (gedeeltelijk) arbeidsgehandicapte.

     rblz.|40| Gesubsidieerde arbeid kan worden ingezet als voorziening in het kader van de Wwb. Een aanbod van de gemeente moet in beginsel (onder de randvoorwaarden zoals die boven zijn geschetst met betrekking tot algemeen geaccepteerde arbeid) door de cliënt worden aanvaard als zijnde een passend aanbod. Van uitstroom is alleen sprake als algemeen geaccepteerde arbeid wordt verricht waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening in het kader van de Wwb. Werk van een arbeidsgehandicapte, waarvoor slechts gebruik wordt gemaakt van een Rea-voorziening, wordt wel gedefinieerd als arbeidsinschakeling, omdat de Wet Rea een ander doel en een ander karakter heeft dan de bijstandswetgeving.


Inburgering

     De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de gemeente arbeidsverplichtingen op kan leggen als iemand een inburgeringstraject volgt en of dat ook kan betekenen dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te aanvaarden, zodat hij/zij niet meer afhankelijk is van de uitkering.
     De leden van de CDA-fractie vinden dat er nadrukkelijker dan tot nu toe een relatie gelegd moet worden tussen de verplichte inburgering en het vinden van een duurzame arbeidsplaats. Dit bevordert naar de mening van deze leden beide doelstellingen. Dat kan onder andere door meer gebruik te maken van zogeheten duale programma’s, waarin maatwerk per individu het uitgangspunt is. Zij vragen naar de zienswijze van het kabinet hierop. Tevens vragen zij in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel het maatgericht werken aan inburgering en arbeidsintegratie ondersteunt.

     Het kabinet onderkent dat er een sterke relatie ligt tussen inburgeringstrajecten en reïntegratie in het kader van de Wwb en dat deelname aan betaalde arbeid vaak een belangrijke randvoorwaarde is voor een succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving. Om deze reden kan de gemeente aan iemand die op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) deelneemt aan een inburgeringsprogramma ook arbeidsverplichtingen opleggen. Dit kan betekenen dat iemand verplicht wordt om een fulltimebaan te accepteren.
     De gemeente dient er daarbij voor te zorgen dat er geen spanning ontstaat tussen het uitgangspunt van de Win (integratie in de Nederlandse samenleving) en van de Wwb (economische zelfstandigheid). In beginsel is het zo dat integratie in de Nederlandse samenleving een randvoorwaarde is om economisch zelfstandig te kunnen functioneren. Dit omdat een goede beheersing van de Nederlandse taal essentieel is voor een duurzame deelname aan betaalde arbeid. Het is echter heel goed mogelijk en zelfs wenselijk dat naast het inburgeringsprogramma arbeidsverplichtingen worden opgelegd, opdat beide trajecten elkaar kunnen aanvullen en versterken. In de, ook door de leden van de CDA-fractie genoemde duale trajecten, die zowel taal- en/of opleidingscomponenten bevatten als werkcomponenten, kunnen beide prioriteiten optimaal tot uitdrukking komen. De inzet van deze trajecten wordt door het kabinet daarom van harte ondersteund. Om te voorkomen dat de uitstroom uit de uitkering door toedoen van de deelnemer aan het inburgeringsprogramma wordt belemmerd, kan aan de deelnemer op grond van de Win een sanctie worden opgelegd. Het sanctiesysteem van de Win is via de Invoeringswet Wwb evenals onder de Abw gekoppeld aan de handhavingssystematiek van de Wwb. Eventueel strategisch gedrag van de deelnemer kan daardoor door de gemeente worden voorkomen en, indien nodig, gesanctioneerd.

rblz.|41| 
3.1.3. Ontheffingen  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie zouden ook in de nieuwe wet de vrijstelling van de arbeidsplicht voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar gehandhaafd willen zien. De leden vinden dat deze ouders zelf de keuze moeten kunnen maken tussen werktaken en zorgtaken. Ook alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering dienen de mogelijkheid te hebben om te kiezen voor de opvoeding en zorg van hun kinderen. In het wetsvoorstel hebben ze deze keuze niet. Die situatie vinden de leden van de CDA-fractie onjuist. Als argument noemt het kabinet dat het voor deze ouders te moeilijk wordt om na vijf jaar weer terug te keren in het arbeidsproces. Waar is die veronderstelling op gebaseerd? Waarom wordt niet gekozen voor de mogelijkheid betrokkene te verplichten om zich gedurende bijvoorbeeld de laatste twee jaar van die vijfjarige periode actief voor te bereiden op het arbeidsproces in plaats van een algemene arbeidsplicht? Dit laatste zou, rekening houdend met de zorgtaken van de ouder, via cursussen of stages ingevuld kunnen worden.
     De leden van de PvdA-fractie vragen wat de visie is van het kabinet ten aanzien van ontheffingen.
     De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet opnieuw een regeling te treffen conform het huidige artikel 107, tweede lid, van de Abw. Ten principale zijn de leden van de SGP-fractie van mening dat de alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar niet in de Bijstandswet thuishoren, maar onder een apart regime moeten vallen. Deze groep mensen verdient de mogelijkheid om zelf hun kinderen op te kunnen voeden. Door deze groep mensen uit de bijstand te halen, ontstaat volgens de aan het woord zijnde leden een duidelijker onderscheid met degenen die zo spoedig uit de bijstand moeten. De leden van de SGP vragen of het kabinet die opvatting deelt. De leden van de SGP-fractie vinden dat alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar ontheven moeten zijn van arbeidsplicht. De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts in hoeverre de verantwoordelijkheid voor de kosten van kinderopvang voor rekening van de bijstandsgerechtigde dan wel van de gemeente komen. Ook vragen deze leden op welke wijze gemeenten, indien het alleenstaande moeders met jonge kinderen betreft, de zorgplicht van de vaders betrekken bij een beoordeling van de mogelijkheden tot het verrichten van betaalde arbeid van de zorgende moeder. Daarnaast zijn zij benieuwd naar de mogelijkheden voor deeltijdwerk voor (met name) alleenstaande ouders. Zij vragen waarom dit niet nader wordt geoperationaliseerd in de wet en de toelichting.

     Een belangrijke reden om de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar te laten vervallen, is het gegeven dat het voor deze ouders na vijf jaar te moeilijk wordt om weer terug te keren in het arbeidsproces. Deze stelling wordt onder meer gesteund door onderzoek (RWI, 2003, Arbeidsmarktanalyse 2003, blz. 31), waarin wordt aangetoond dat als de werkloosheid langer dan twee jaar duurt, er een grote kans is op permanent verblijf in een uitkeringssituatie. Daar komt bij dat naarmate mensen langdurig van een minimum inkomen moeten rondkomen dit meer problemen geeft en de risico’s op sociale uitsluiting toenemen.
     Alleenstaande ouders met (jonge) kinderen lopen het meeste risico op armoede; de kans op een laag inkomen is ruim driemaal zo groot als het landelijk gemiddelde (SCP "Armoedemonitor 2001", blz. 15). Bovendien blijkt er een belangrijke relatie te bestaan tussen de financiële armslag van het gezin en de schoolprestaties van de kinderen.¹ De positie van eenoudergezinnen en hun kinderen is dus bijzonder kwetsbaar.
     Internationaal onderzoek bevestigt bovenstaande gegevens, maar laat bovendien zien dat het risico op een laag inkomen voor alleenstaande ouders in Nederland groter is dan in veel andere (Europese) landen.² Dergelijk internationaal vergelijkend onderzoek maakt bovendien het
rblz.|42| verband tussen een laag inkomen en deelname aan betaalde arbeid voor deze groep goed zichtbaar.
     De hierbovenstaande gegevens, gecombineerd met de doelstellingen van de Wwb, waren voor het kabinet voldoende reden om de categoriale ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar te laten vervallen. Het kabinet is het dan ook niet eens met de opvatting van de leden van de SGP-fractie dat alleenstaande ouders minimaal vijf jaar ontheven moeten zijn van de arbeidsplicht of dat voor deze groep een apart regime, los van de Wwb, gecreëerd moet worden.
     Andere overwegingen waren dat ook veel alleenstaande ouders zélf gemotiveerd zijn om uit te stromen naar betaalde arbeid ³ en tevens dat de leeftijdsgrens van 5 jaar in de praktijk weinig recht doet aan de individuele situatie van de alleenstaande ouder. De Wwb beoogt om een individuele benadering te realiseren, waarin rekening gehouden wordt met zorgtaken voor alle alleenstaande ouders. De optie die wordt voorgesteld door de leden van de CDA-fractie om alleenstaande ouders de laatste twee jaar van de vijfjarige periode waarin zij ontheven zijn actief voor te bereiden op terugkeer naar de arbeidsmarkt, wordt om deze reden niet overwogen. Rekening houden met de combinatie arbeid en zorg gaat echter in het kader van de Wwb niet zover dat, zoals de leden van de fractie van GroenLinks vragen, ook de zorgplicht van vaders betrokken moet worden bij het opleggen van de arbeidsverplichtingen aan de alleenstaande moeder.
     In plaats van een categoriale ontheffing is ervoor gekozen meer te investeren in de randvoorwaarden voor het opleggen van arbeidsverplichtingen voor deze groep. Onder meer door, zoals de leden van de fractie van GroenLinks vragen, te voorzien in kosteloze kinderopvang voor bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden die gebruik maken van een door de gemeente ingezet instrument gericht op arbeidsinschakeling. Naar verwachting treedt in 2005 het voorstel voor de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet kinderopvang, red.] in werking. Ook is in dat wetsvoorstel geregeld dat (alleenstaande) ouders aanspraak maken op een volledige vergoeding van de kinderopvang, zolang zij deelnemen aan reïntegratieactiviteiten.
     Het bevorderen van keuzevrijheid van de ouders is een essentieel uitgangspunt van de Wbk.
     Naast de Wbk is er de laatste jaren meer wetgeving tot ontwikkeling gekomen die de keuzevrijheid van alleenstaande ouders vergroot. De Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur, maar ook de wijzigingen in het belastingstelsel, zijn daar voorbeelden van. Als gevolg van de specifiek op alleenstaande ouders gerichte heffingskortingen zijn alleenstaande ouders bij uitstroom naar werk met een inkomen op het niveau van het minimumloon al economisch zelfstandig met een baan voor circa 30 uur per week.
     Onder meer door de totstandbrenging van deze wetten, maar ook door bijvoorbeeld de experimenten dagindeling met behulp van ESF-subsidies [ESF: Europees Sociaal Fonds, red.] ook de komende jaren voort te zetten, wil het kabinet tot uitdrukking brengen dat investeren in zorg, naast de bevordering van de arbeidsparticipatie, een belangrijke prioriteit is.
     Echter, volledige honorering van de keuzevrijheid van (alleenstaande) ouders, zoals de leden van de fracties van de CU en het CDA wensen, is niet consistent met de doelstellingen van de Wwb.

1. Dronkers et al: In Arm Nederland, armoede en verzorgingsstaat. Amsterdam University press 1999.
2. J. Plantenga: Alleenstaande ouders en de systematiek van de verzorgingsstaat, 1999, Utrecht, Economisch instituut.
3. T. Knijn en F. van Wel: Zorgen voor de kost, 1999, Utrecht, Uitgeverij SWP.

     Tot slot informeren de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks naar de mogelijkheden voor deeltijdarbeid en verdere scholing voor deze groep.

     Deeltijd arbeid kan, onder omstandigheden, inderdaad een eerste opstap vormen naar volledige uitstroom. In de Wwb is daarom geregeld dat voor rblz.|43| alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar de aan arbeid en zorg gerelateerde heffingskortingen worden vrijgelaten bij het vaststellen voor de hoogte van de bijstandsuitkering. Daarnaast kan de gemeente in individuele gevallen deeltijdarbeid voor alleenstaande ouders met kinderen stimuleren door het verstrekken van eenmalige premie. Deze mogelijkheid staat open voor alle alleenstaande ouders, ongeacht de leeftijd van het jongste kind.
     Het kabinet heeft, net als de PvdA-fractie, geconstateerd dat veel alleenstaande ouders laaggeschoold zijn ¹ en vaak al lang uit het arbeidsproces zijn. Een specifieke aanpak kan daarom geboden zijn. Door middel van de experimenten dagindeling is voor deze groep de afgelopen jaren al een aantal methodieken gerealiseerd die in het bijzonder gericht zijn op de ondersteuning van alleenstaande ouders bij de uitstroom naar betaald werk. Deze methodieken worden, als gevolg van de toegenomen vraag van gemeenten, door steeds meer reïntegratiebedrijven overgenomen. Verdere ontwikkeling van het aanbod kan ook tot stand komen door de subsidies die in het kader van het emancipatiebeleid worden verstrekt aan kleinschalige projecten die zich richten op de scholing en participatie van laagopgeleide vrouwen.

1. Zie: T. Knijn en F. van Wel.

     De leden van de fractie van de PvdA informeren naar de visie van het kabinet ten aanzien van ontheffingen. In dit kader informeren zij naar de doelstelling die hoort bij het afschaffen van de ontheffingen van de sollicitatieplicht en de besparingen die met deze wijzigingen worden geraamd. De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts waarom niet gekozen is voor de vormgeving van een specifieke regeling voor een categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht voor chronisch zieken en gehandicapten. Tevens vragen deze leden of het recht op ondersteuning ook geldt voor mantelzorgers.

     Het terugdringen van het aantal ontheffingen van de sollicitatieplicht is een belangrijke ambitie van dit kabinet. Aan deze ambitie ligt in belangrijke mate de noodzaak ten grondslag om de arbeidsparticipatie structureel te bevorderen en zo de concurrentiepositie van Nederland te herstellen.¹ Deze doelstelling ligt ten grondslag aan de Wwb, maar tevens ook aan de voorgenomen wijzigingen van de werkloosheidsregelingen en de arbeidsongeschiktheidswetgeving. Daarnaast wordt door het kabinet ook veel waarde gehecht aan het bestrijden van sociale uitsluiting. Sociale uitsluiting kent verschillende dimensies, waarvan uitsluiting van de (betaalde) arbeidsmarkt één van de belangrijkste is.² Deelname aan vrijwilligerswerk of activiteiten in het kader van sociale activering kan voor langdurig werklozen sociaal isolement voorkomen en kan dienen als eerste stap tot (her)intrede in de arbeidsmarkt. Sterk verminderde mogelijkheden om in te stromen in betaald werk hoeven daarom niet automatisch een reden te zijn voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Wwb gaat er wel vanuit, en biedt daar ook de ruimte voor, dat gemeenten ook bij het opleggen van de arbeidsverplichtingen een op de individuele bijstandsgerechtigde toegesneden aanpak hanteren. Dat wil zeggen dat evenals op grond de huidige Abw gedifferentieerd kan worden bij het maken van afspraken met cliënten over activiteiten gericht op arbeidstoeleiding of (tijdelijk) sociale activering. Afhankelijk van de specifieke situatie betekent dat dat een cliënt bijvoorbeeld wel verplicht wordt om (enkele uren per dag) scholing te volgen, maar nog niet geacht wordt om actief te solliciteren. Tevens is het denkbaar dat van een cliënt om medische en/of sociale redenen niet wordt verwacht dat hij of zij volledig participeert op de arbeidsmarkt, zodat met een deeltijdbaan genoegen wordt genomen. Een zorgvuldige afweging, waarbij in de eerste plaats recht wordt gedaan aan de capaciteiten van de cliënt, staat dus voorop. Leidraad bij deze afweging is echter wel dat het realiseren van economische zelfstandigheid uiteindelijk het doel is. Met inachtneming van dit uitgangspunt is het voor rblz.|44| het overige aan de gemeente om te bepalen welke aspecten bij deze afweging betrokken worden. Eventuele mantelzorgtaken kunnen dus, zoals de leden van de fractie van GroenLinks vragen, ook heel goed meegewogen worden bij het maken en handhaven van afspraken met cliënten. Een basis voor de wijze waarop (mantel)zorgtaken een rol spelen bij het opleggen en handhaven van de arbeidsverplichtingen moet worden geformuleerd in de verordening met regels met betrekking tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 8 [8] Wwb. In deze verordening kunnen gemeenten tevens aangeven welke voorzieningen zij willen inzetten om de belemmeringen voor deelname aan arbeid of activeringsactiviteiten zoveel mogelijk weg te nemen.
     Vanzelfsprekend beseft dit kabinet ook dat er zich, ondanks de bovengenoemde uitgangspunten, altijd omstandigheden voor blijven doen waaronder een algehele ontheffing van de arbeidsverplichtingen het meest reëel is. Wel geldt ook hier dat een ontheffing in beginsel altijd tijdelijk is en dat gemeenten dus gehouden zijn om van tijd tot tijd te (laten) beoordelen of de noodzaak voor de ontheffing nog aanwezig is.
     De redenen daarvoor zijn in het bovenstaande uitgebreid aan bod gekomen.
     Voorts vragen de leden van de PvdA naar de omvang van de verschillende groepen die thans zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen en naar de besparingen die bij deze wijziging zijn geraamd.
     In de tabel hieronder (cijfers 2001) wordt een goede indruk gegeven van de omvang van de groepen bijstandsgerechtigden met een ontheffing van de arbeidsverplichtingen.³

Redenrontheffingxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Percentages Absolute aantallen
Gehele of gedeeltelijke ontheffing x66 215 160
Categoriale ontheffing x22 x73 154
Ouder dan 57,5 jaar x11 x35 501
Alleenstaande met kind onder de 5 jaar x12 x37 653
Individuele ontheffing x44 142 006
Medische redenen x21 x68 851
Andere redenen ¹ x22 x73 154
Geen ontheffing x32 104 320
Onbekend xv2 xr6 520
Totaal aantal bijstandsgerechtigden 100 326 000

1. Individuele ontheffingen vanwege "andere redenen" bestaan voor een belangrijk deel uit "sociale redenen", gevolgd door "het volgen van noodzakelijk geachte scholing".


     Voor de goede orde wordt hierbij opgemerkt dat voor de inzet van het Wiw-instrumentarium of de uitvoering van de Abw de officiële status van arbeidsgehandicapte niet relevant is. De groep mensen die om medische redenen is ontheven van de arbeidsverplichtingen mag daarom niet worden gelijkgeschakeld met de groep bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap.
     Het effect van deze maatregelen is verwerkt in de vaststelling van het macrobudget voor de uitkeringen. Bij de ramingen van het budget is er wel uitgegaan van de veronderstelling dat gemeenten meer invloed zouden moeten kunnen uitoefenen op de omvang van de bijstandspopulatie.

1. Gemeentelijk ontheffingenbeleid. Een onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van gemeenten rond het verlenen van arbeidsverplichtingen aan bijstandsgerechtigden. Inspectie Werk en Inkomen, 2002, Zoetermeer.
2. Zie ook het Hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels, 2003, Den Haag (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637, nr. 19).
3. M. Kronauer: Social Exclusion and Underclass - New concepts for the analyses of poverty. In: Empirical Poverty Research in Comparative Perspective, 1998, Aldershot: Ashgate.


Zorgtaken

     De leden van de CDA-fractie vragen hoe de gemeente in haar verordening, waarin regels met betrekking tot voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden opgenomen, aandacht dient te besteden aan de wijze rblz.|45| waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. Zij verzoeken het kabinet dit met voorbeelden te verduidelijken.

     De door de leden van de CDA-fractie bedoelde zinsnede is in artikel 8 [8], tweede lid, opgenomen met het doel de beoogde evenwichtige benadering van verschillende doelgroepen nader te concretiseren. Op deze wijze wordt erkend dat zorgtaken voor een aantal groepen bijstandsgerechtigden een belangrijke rol spelen bij de mogelijkheden om gebruik te maken van activeringsinstrumenten én deel te nemen aan betaalde arbeid. De groep alleenstaande ouders springt daarbij het meest in het oog, maar de combinatie arbeid en zorg kan ook een relevante factor zijn voor bijvoorbeeld niet-uitkeringsgerechtigden en (echt)paren met kinderen.
     In het voorstel voor de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 447, nrs. 1-2) [zie Wet kinderopvang, red.], die naar verwachting per 1 januari 2005 ingevoerd wordt, kunnen daarom ook deze groepen in aanmerking komen voor de kosten voor kinderopvang. Ook in de periode dat zij gebruik maken van een instrument gericht op arbeidsinschakeling op basis van de Wwb.
     Tot op heden is voor veel van deze groepen de aanwezigheid van zorgtaken vaak een reden om (tijdelijk) een ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen.¹ De Wwb beoogt het aantal cliënten aan wie tijdelijk een ontheffing wordt verleend van de arbeidsverplichtingen terug te dringen en gemeenten in plaats daarvan te stimuleren om in het reïntegratiebeleid structureel rekening te houden met eventuele zorgtaken. Een categoriale ontheffing van groepen met zorgtaken (bijvoorbeeld alleenstaande ouders) is dan niet meer aan de orde. Deze doelstelling kan op een aantal manieren concreet worden gerealiseerd. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld in de verordening aangeven of, en zo ja, hoe dit aspect een criterium is bij aanbesteding van voorzieningen bij reïntegratiebedrijven. Door de combinatie "arbeid en zorg" als een criterium mee te nemen, kan de ontwikkeling van een gericht aanbod voor een doelgroep als alleenstaande ouders in de bijstand ondersteund worden. Ook biedt deze verordening ruimte om uit te werken hoe gemeenten na de inwerkingtreding van de Wbk ouders willen ondersteunen bij de inkoop van kinderopvang op basis van de Wbk [en hoe dat, red.] gestalte moet krijgen. Voorts kan de gemeente deze verordening aangrijpen om richtlijnen te formuleren voor het toetsen van het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" in relatie tot de zorgtaken van alleenstaande ouders.
     Tot slot leent deze bepaling zich ook voor het leggen van een relatie met andere voor de combinatie "arbeid en zorg" relevante beleidsterreinen, zoals de thuiszorg, tiener- en tussenschoolse opvang. De totstandkoming van meer brede arrangementen vergelijkbaar met bijvoorbeeld de experimenten dagindeling wordt dan bevorderd. Een integrale benadering van reïntegratie, arbeidsmarkt en arbeid en zorg kan het resultaat zijn.

1. Research voor Beleid, Activeringsinstrumenten in de Bijstand (deelrapport: arbeidsverplichtingen) 1999.


Ouderen

     De leden van de fractie van de PvdA vragen om een toelichting op de afschaffing van de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht voor personen van 57,5 of ouder. Tevens verzoekt deze fractie het kabinet om in te gaan op de voorwaarden waaronder arbeidsverplichtingen aan ouderen en (arbeids)gehandicapten kunnen worden opgelegd, mede in verband met de huidige economische situatie. Voorts verzoekt de PvdA-fractie het kabinet om in dit kader ook te verwijzen naar het advies van de RWI met betrekking tot invoering van de sollicitatieplicht voor ouderen. De leden van de CDA-fractie delen het uitgangspunt van het kabinet, maar vragen of er op uitvoerend niveau voldoende rekening mee kan worden gehouden dat de kansen van deze groep klein zijn.

     rblz.|46| Aan het afschaffen van de categoriale ontheffing van de sollicitatieplicht voor onder meer personen van 57,5 of ouder liggen verschillende redenen ten grondslag. De eerste reden komt voort uit de algemene doelstelling en de systematiek van de Wwb. Het kabinet beoogt in de Wwb het individualiseringsbeginsel meer centraal te stellen en gemeenten mede daardoor in staat te stellen een beter uitstroombeleid te voeren. Bij dit uitgangspunt passen geen categoriale ontheffingen.
     Een tweede overweging is de sociale en economische noodzaak om de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit de komende jaren verder te laten toenemen. Om de problematiek waarmee ons land zich de komende jaren geconfronteerd ziet als gevolg van de demografische ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden, is het essentieel dat de arbeidsdeelname van onder meer ouderen extra gestimuleerd wordt.
     Naar de mening van het kabinet biedt de Wwb gemeenten een goede basis om de randvoorwaarden voor deze doelstellingen nader vorm te geven. Een algemene verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, biedt meer mogelijkheden om de arbeidsmarktcapaciteiten, die bij alle cliënten in het bestand aanwezig zijn, optimaal te benutten. Deze doelstelling vormt één van de kernelementen van de Wwb en mag niet afhankelijk worden gemaakt van de economische situatie.
     Daar komt bij dat er, min of meer parallel aan de Wwb, enkele wetgevingstrajecten lopen die meer specifiek gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot de arbeidsmarkt. In het bijzonder kan hier worden gewezen op de wetgeving op het terrein van gelijke behandeling op grond van handicap en leeftijd. Vanzelfsprekend moet ook worden erkend dat de conjunctuur van invloed is op de mate waarin met succes personen van 57,5 jaar of ouder op korte termijn tot volledige arbeidsdeelname gebracht kunnen worden. De afgelopen jaren is het aanbod gegroeid van activiteiten die specifiek op deze doelgroep(en) zijn toegesneden; in de vorm van (hoger) onderwijs voor ouderen, taalcursussen voor (oudere) allochtonen, etc.
     Het ongedifferentieerd reïntegratiebudget biedt ruime mogelijkheden om deze groepen cliënten een passend aanbod te doen, eventueel in samenwerking met zorg- en welzijnsvoorzieningen.


Aantal ontheffingen

     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep alleenstaande ouders is met een kind jonger dan 5 jaar die nu is ontheven van de arbeids- en reïntegratieplicht.

     Het aantal alleenstaande ouders in de Abw met een kind jonger dan 5 jaar dat categoriaal ontheven is van de arbeids- en reïntegratieplicht bedroeg in 2001 37 653.

     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep 57,5-jarigen of ouder binnen de bestanden is.

     Het aantal 57,5- tot 65-jarigen dat categoriaal - afhankelijk van de leeftijd op de instroomdatum geheel of gedeeltelijk voor enkele arbeidsverplichtingen - is ontheven van de arbeidsverplichtingen bedroeg in 2001 35 501 personen.

     De leden van de PvdA-fractie informeren naar de omvang van de groep bijstandsgerechtigden die om medische of sociale redenen een ontheffing hebben gekregen alsmede naar de omvang van de groep gedeeltelijk of geheel arbeidsgehandicapten.

     rblz.|47| Er vindt op dit moment geen feitelijke registratie plaats van het gegeven of een bijstandsgerechtigde in het kader van de Wet Rea arbeidsgehandicapt is.
     In 2001 is aan ongeveer 44% van de bijstandsgerechtigden een ontheffing om medische en/of sociale redenen verleend. Onder "sociale redenen" wordt hier ook "noodzakelijk geachte scholing" verstaan.¹

1. Gemeentelijk ontheffingenbeleid, Inspectie Werk en Inkomen, oktober 2002.

     De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger 5 jaar reeds na twaalf maanden ook een langdurigheidstoeslag zouden moeten krijgen. Juist deze groep mensen zit financieel erg krap. Is het kabinet bereid het wetsvoorstel in deze zin bij te stellen?

     Het kabinet ziet geen aanleiding om voor de groep alleenstaande ouders met jonge kinderen de door de leden van de SGP-fractie gevraagde uitzondering te maken op de referteperiode voor de langdurigheidstoeslag. Het doel van de langdurigheidstoeslag is niet een compensatie voor vermeende verschillen in de toereikendheid van de uitkeringsnormen, maar een tegemoetkoming voor diegenen die langdurig in de bijstand zitten en door gebrek aan arbeidsmarktperspectief geen uitzicht hebben op inkomensverbetering

 

3.2. Reïntegratie  [MvTV]


3.2.1. Gemeentelijke verantwoordelijkheid  [MvTV]

     De leden van de VVD-fractie constateren dat gemeenten vrij zijn om reïntegratie-instrumenten in te zetten. Gemeenten kunnen op deze wijze een aantal gemeentelijke taken door gesubsidieerde krachten laten uitvoeren die anders door particuliere bedrijven zouden zijn uitgevoerd. De leden van de VVD vragen op welke wijze wordt voorkomen dat oneerlijke concurrentie en verdringing van reguliere arbeid optreedt.

     Gemeenten kunnen het vrij besteedbaar reïntegratiebudget onder andere inzetten voor gesubsidieerde arbeid. Doorstroming naar een reguliere baan staat voorop. Hiermee wordt de kans op verdringing van reguliere arbeid minder groot ten opzichte van de huidige situatie, waarin slechts een beperkte doorstroom is van ID-ers en Wiw-ers naar reguliere arbeid en zij dezelfde werkzaamheden doen als andere werknemers.
     De inzet van loonkostensubsidies c.q. gesubsidieerde arbeid mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie. Oneerlijke concurrentie kan ontstaan als gemeenten zelf zich in de hoedanigheid van ondernemer op de private markt begeven en daar - door de inzet van gesubsidieerde arbeid - producten aanbieden die onder de geldende marktprijs liggen. Er is echter geen sprake van oneerlijke concurrentie als het gaat om een loonkostensubsidie ten behoeve van publieke dienstverlening, waar private bedrijven geen aanbod kunnen verzorgen.
     Het kabinet ziet geen noodzaak om in de Wwb een verbod te treffen op oneerlijke concurrentie door zogenaamde openbare bedrijven ¹ van de gemeenten tengevolge van gebruik van gesubsidieerde arbeid. Ten eerste moet de gemeente de Europese staatssteunregels en die inzake de Transparantierichtlijn naleven. Op het moment dat bijvoorbeeld een gemeentelijke dienst of overheidsonderneming marktactiviteiten onderneemt en hiervoor overheidsmiddelen (i.c. gesubsidieerde arbeid) gebruikt, is in beginsel sprake van staatssteun ², hetgeen moet worden aangemeld bij de Europese Commissie. Bedrijven die zich benadeeld voelen door vermeende oneerlijke concurrentie door de gemeentelijke dienst of overheidsonderneming kunnen zich met een klacht wenden tot de Europese Commissie. Voorts kunnen zij bij de nationale rechter een verbod vorderen van deze steun of terugvordering eisen van de verboden steun. In geval van onrechtmatig verleende steun zou er door concurrenten
rblz.|48| schadevergoeding voor geleden schade kunnen worden gevorderd bij de nationale rechter.

1. In het EG-recht, namelijk de Transparantierichtlijn, wordt onder de term "openbare bedrijven" verstaan: elk bedrijf waarop overheden rechtstreeks of middellijk een dominerende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of de desbetreffende voorschriften. Het Hof van Justitie heeft bepaald dat het irrelevant is of dit bedrijf een van de overheid onderscheiden rechtspersoon is. De verplichtingen van de Transparantierichtlijn met betrekking tot doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen de overheden en de openbare bedrijven zijn dan van toepassing.
2. Indien een overheidsonderneming of gemeentelijke dienst zich op de markt begeeft, moet dit bedrijf een marktconforme prijs aanbieden.


3.2.2. Aanspraak van belanghebbende op ondersteuning bij reïntegratie  [MvTV]


Klantmanagement

     De leden van de PvdA-fractie vragen de waarborging van de toepassing van klantmanagement door gemeenten. Ook vraagt de PvdA-fractie naar de wijze van financiering van klantmanagement.

     In het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met de VNG afspraken gemaakt over klantmanagement. In de bestuurlijke afspraken met de VNG van 24 april 2001 is vastgelegd dat van rijkszijde een financiële impuls beschikbaar wordt gesteld voor het op sterkte brengen van klantmanagement, mits de betrokken gemeente bereid is een resultaatsverplichting af te spreken. Deze afspraak is ingevuld door het maken van bestuurlijke afspraken met de gemeenten uit de G4 en uit de G26 en door middel van een stimuleringsregeling voor de gemeenten die niet tot de G4 en de G26 behoren [zie Tijdelijke stimuleringsregeling bevordering activering en uitstroom Abw, Ioaw of Ioaz door middel van klantmanagement, red.]. Gemeenten ontvangen hierbij subsidie voor klantmanagement indien zij door een extra inspanning prestatieafspraken realiseren. Deze prestatieafspraken hebben betrekking op het realiseren van trajecten tot en met 2004 en op uitstroom uit deze trajecten tot en met 2006. Structurele subsidiëring van klantmanagement door het ministerie van SZW is niet aan de orde, omdat het begeleiden van klanten een reguliere taak is van gemeenten. Ook de reïntegratie van bijstandsgerechtigden is al geruime tijd bij gemeenten belegd. De tijdelijke subsidie is erop gericht om de interne organisatie in te richten op het bevorderen van uitstroom. Overigens krijgen gemeenten door de vereenvoudiging van regelgeving meer ruimte om personele inzet te verschuiven van administratieve werkzaamheden naar klantcontacten.
     In de Wet SUWI is vastgelegd dat gemeenten, evenals UWV en CWI, bevorderen dat klanten zoveel mogelijk met een klantmanager (die optreedt als begeleider en trajectcoördinator) als vast aanspreekpunt te maken hebben (artikel 9). Deze wettelijke bepaling zal ook na de inwerkingtreding van de Wwb van kracht blijven. Op deze wijze is gewaarborgd dat gemeenten de toepassing van klantmanagement blijven bevorderen.


3.2.3. Niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie constateren dat de taak voor gemeenten om ook niet-uitkeringsgerechtigden (hierna: NUG-ers) en mensen met een Anw-uitkering indien nodig een reïntegratietraject aan te bieden, expliciet is opgenomen in de nieuwe Wwb. Zij vragen op welke wijze de reïntegratiemogelijkheden voor gemeenten zijn aangepast aan deze nieuwe taak. Daarnaast vragen zij naar de sanctiemogelijkheden voor iemand met een Anw-uitkering bij weigering reïntegratie.
     De leden van de PvdA vragen hoe het kabinet kan waarborgen dat de NUG-ers en Anw-ers naar evenredigheid door de gemeenten geholpen worden. Zij vragen wat reïntegratie van een NUG-er oplevert. Daarnaast willen zij weten hoe een gemeente een sanctie kan opleggen en vragen zij zich af hoe transparant de afweging zal zijn of het gebrek aan resultaat te wijten valt aan het gebrekkige functioneren van het reïntegratiebedrijf of aan de cliënt.
     De leden van de VVD vragen wat de effectiviteit is van het aanbieden van reïntegratietrajecten aan NUG-ers. Zij vragen zich af of voor deze groep niet een volledig eigen verantwoordelijkheid zou moeten gelden en dat actieve ondersteuning van de overheid niet aan de orde moet zijn.

     rblz.|49| Gemeenten hebben met de invoering van de Wet SUWI per 1 januari 2002 via de Wiw de verantwoordelijkheid gekregen voor de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers. Deze taak vloeit voort uit het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een gunstige economische ontwikkeling. Deze taak wordt in de Wwb gecontinueerd en is dus niet nieuw voor gemeenten. Gemeenten hebben met ingang van 2002 een bedrag van €|96,655 mln gekregen voor uitvoeringskosten en reïntegratietrajecten voor deze nieuwe doelgroep. Deze middelen zijn vanaf 2003 ongeoormerkt aan het scholings- en activeringsbudget Wiw toegevoegd en maken daardoor deel uit van het werkdeel van de Wwb. Voor 2004 wordt bij de verdeling van het werkdeel uitgegaan van een status quo ten opzichte van 2003. In de loop van 2004 wordt bezien of het aantal NUG-ers/Anw-ers per gemeente in de nieuwe verdeelsystematiek voor het werkdeel wordt opgenomen.
     Het kabinet is van mening dat er voldoende waarborgen zijn voor een evenwichtige aanpak van de doelgroep, hoewel er geen directe financiële stimulansen zijn. Naast het feit dat de reïntegratie voor NUG-ers/Anw-ers een wettelijke verantwoordelijkheid is van gemeenten, moeten gemeenten in hun reïntegratieverordening expliciet opnemen hoe zij de evenwichtige aandacht voor hun doelgroepen vormgeven. De doelgroep zelf heeft aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ook maakt de doelgroep deel uit van de onder de in de EU-richtsnoer 1 gemaakte afspraak om iedere nieuwe werkloze een traject aan te bieden voordat hij één jaar werkloos is.
     Voor de NUG-er/Anw-er geldt geen verplichting tot reïntegratie. De doelgroep dient zich als werkloos werkzoekend in te schrijven bij het CWI. Alleen als het CWI van oordeel is dat betrokkene een reïntegratietraject nodig heeft, vindt doorverwijzing naar de gemeente plaats. Omdat sprake is van vrijwilligheid, kan de gemeente geen sanctie op de eventuele uitkering opleggen. Wel kan de gemeente voor deze doelgroep specifieke beleidsregels opnemen in de reïntegratieverordening. Deze regels kunnen betrekking hebben op de inhoud, duur en financiering van een traject. In het trajectplan kunnen verplichtingen voor de klant worden opgenomen, zoals de plicht tot het betalen van een eigen bijdrage en afspraken over terugbetaling van de kosten indien een traject niet succesvol wordt afgerond. Als er tussen klant en gemeente een geschil ontstaat over de in het trajectplan gemaakte afspraken, kan dit aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.


3.2.4. Een sluitende aanpak  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie vragen of de garantie op scholing en werk nog steeds kan worden waargemaakt voor personen jonger dan 23 jaar. Deze leden vragen wat de consequentie van de Wwb is voor de afspraken in het kader van de sluitende aanpak.
     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de voornemens van de kabinet zich verhouden tot Europese afspraken over de sluitende aanpak, in het bijzonder die van jongeren, waarbij gemeenten binnen zes maanden werk of scholing aangeboden moeten hebben. Zij vragen wat voor trajecten voor werk en/of scholing dit zullen worden als dit niet meer landelijk geregeld is. Zij vragen het kabinet te bevestigen dat het voorgenomen beleid het einde van de sluitende aanpak voor jongeren betekent, in de zin dat niet langer gegarandeerd is dat iedere jongere binnen zes maanden werk of scholing krijgt aangeboden. Ook de leden van de CDA-fractie vragen wat de consequentie is van de Wwb voor de sluitende aanpak.
     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet hoe op Europees niveau in het kader van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid gerapporteerd moet gaan worden via een algemene maatregel van bestuur en hoe deze AMvB er in hoofdlijnen uit gaat zien. Zij vragen het kabinet of het
rblz.|50| bestrijden van jeugdwerkloosheid niet dermate belangrijk is dat hiervoor nu al duidelijk moet zijn hoe één en ander verantwoord gaat worden naar Europa.

     Sluitende aanpak wordt in de Wwb niet dwingend voorgeschreven. Doordat de Wwb condities en mogelijkheden voor gemeenten creëert meent het kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te leggen. Gemeenten hebben - door de gemeentelijke financiële verantwoordelijkheid - al het belang om iedereen een aanbod te doen: de schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van cliënten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de mogelijkheid iedere cliënt een traject op maat aan te bieden.
     Voor jongeren geldt nog sterker dat het voor gemeenten loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een aanbod moeten krijgen. Hiermee moet worden voorkomen dat zij langdurig in een uitkeringssituatie komen. Hierbij kunnen gemeenten kiezen om duale trajecten aan te bieden teneinde werken te combineren met het behalen van een startkwalificatie. In dit kader verwijst het kabinet naar het plan van aanpak jeugdwerkloosheid, dat op 30 juni naar de Tweede Kamer is verzonden.
     De voortgang ten aanzien van sluitende aanpak zal worden gemonitord, mede in het licht van de benodigde rapportages richting Europese Commissie. De informatievoorziening ten behoeve van de sluitende aanpak maakt onderdeel uit van de reguliere statistieken en monitors; deze worden bij ministeriële regeling vastgesteld. De vormgeving van de verantwoording richting Brussel zal niet veranderen.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet bereid is serieus met sociale partners te overleggen over het voorstel van de FNV om in bedrijfs- en scholingsfondsen voorstellen te doen geld in te zetten waarmee uitkeringsgerechtigden een echte kans krijgen op betaalde arbeid.

     Het kabinet ondersteunt van harte alle initiatieven van de sociale partners om via bedrijfs- en scholingsfondsen een bijdrage te leveren aan de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden. In dit kader is in voorbereiding een verruiming van de ESF-regelgeving, zodat het mogelijk wordt scholingsfondsen als cofinanciering in te zetten voor scholing/reïntegratie van werkloos werkzoekenden.


3.2.5. Uitbesteding en aanbesteding  [MvTV]


Verplichting tot uitbesteding

     De vraag rijst bij de leden van de fracties van CDA, PvdA, VVD, GroenLinks en ChristenUnie of de 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten niet vanzelf leidt tot een goed werkende reïntegratiemarkt en of het opleggen van een uitbestedingsverplichting en aanbestedingsprocedures juist niet belemmerend werkt. Zij vragen zich daarbij af of een 100% financiële verantwoordelijkheid voor gemeenten ook niet volledige beleidsvrijheid moeten inhouden met betrekking tot de besteding van het werkdeel. De leden van het CDA vragen waarom niet wordt volstaan met de algemene Europese en nationaalrechtelijke aanbestedingsregels. De leden van de VVD vragen of niet eerst moet worden bezien of de marktwerking vanzelf tot stand komt. Zij vragen verder of het niet beter zou zijn om rond de uitbesteding volledige beleidsvrijheid te introduceren.

     De besteding van het werkdeel is vrij, de manier waarop echter niet: hiervoor geldt de eis tot uitbesteding en de aanbestedingsregels uit het rblz.|51| Besluit SUWI. Van belang is allereerst te memoreren dat de verplichting tot uitbesteding niet zomaar een element is in het beleid van dit kabinet. Het uitgangspunt dat de uitvoering van taken met betrekking tot reïntegratie van werkzoekenden en arbeidsgehandicapten zoveel mogelijk dient plaats te vinden in het private domein, is de uitkomst van jarenlange discussies tussen kabinet en parlement over de scheiding van publieke en private taken en verantwoordelijkheden; discussies die uiteindelijk geleid hebben tot het tot stand komen van de Wet SUWI.
     Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 hard gewerkt aan de inrichting van hun organisatie en het opstarten van aanbestedingsprocedures om te voldoen aan de eisen die hieraan in de Wet SUWI en in de Europese aanbestedingsregels gesteld worden. De ervaringen van gemeenten op dit terrein zijn over het algemeen positief. Betrokkenen binnen gemeenten stellen desgevraagd dat de nieuwe situatie, waarin gemeenten niet meer een subsidierelatie maar een opdrachtgeverrelatie onderhouden met reïntegratiebedrijven, belangrijke voordelen oplevert. De opdrachtgever stelt nu bijvoorbeeld duidelijkere doelstellingen vast met bijbehorende resultaatindicatoren. Gemeenten moeten reïntegratiebedrijven immers kunnen afrekenen op de geleverde prestaties.
     Het is verder duidelijk dat er binnen gemeenten conflicterende belangen kunnen spelen. De oriëntatie binnen het gemeentelijke apparaat is aan het verschuiven van het uitvoeren van regelingen naar het reïntegreren van mensen, zoveel mogelijk in reguliere banen. Maar het belang van de dienst "inkoop" spoort niet zonder meer met de belangen van de dienst die de regelingen op het terrein van gesubsidieerde arbeid uitvoert en andere gemeentelijke diensten, zoals het lokale vervoer en de stadsreiniging, die maatschappelijke taken met behulp van gesubsidieerde arbeid uitvoeren. Deze diensten hebben vooral een belang bij continuïteit en een soepele opvulling van beschikbaar komende arbeidsplaatsen. Vanuit deze belangen is de keuze van veel gemeenten om klanten rechtstreeks naar de beschikbare gesubsidieerde plaatsen te verwijzen zeker een begrijpelijke keuze. Maar het is niet een keuze die per definitie de inschakeling in de arbeid van de klant het best bevordert.
     Binnen de Wwb staat de reïntegratie van de klant centraal. De verplichting tot uitbesteding voorkomt dat gemeenten belangen van eigen gemeentelijke diensten mee moeten nemen in hun afweging en zorgt ervoor dat te allen tijde de belangen van de klant centraal staan. Immers, de reïntegratiebedrijven bepalen wat het beste is voor de klant en gemeentelijke afwegingen kunnen daarin geen rol spelen. Het kabinet wil om bovengenoemde redenen vasthouden aan de verplichting tot uitbesteding.
     Met betrekking tot de aanbestedingsprocedures geldt dat door een goede vormgeving de gemeente veel informatie krijgt over prijzen, kwaliteit en producten van bestaande en nieuwe reïntegratiebedrijven. De Europese aanbestedingsregels schrijven onder andere voor dat activiteiten met een bedrag boven de €|200 000,- openbaar dienen te worden aanbesteed. Daarnaast verplicht het EG-verdrag tot gelijke behandeling en transparantie. De manier waarop het Europees Hof en de Europese Commissie dit interpreteren, wijst in de richting van een verplichting om bij overheidscontracten voor een passende mate van openbaarheid te zorgen, zodat de dienstenmarkt voor concurrentie wordt opengesteld en de onpartijdigheid van een aanbestedingsprocedure getoetst kan worden.
     Bij de vormgeving van SUWI is ingezet op de ontwikkeling van een goed functionerende reïntegratiemarkt, waarin de markt concurrerend en transparant is. Het lichte regime van de Europese aanbestedingsregels sluit hierbij onvoldoende aan. In artikel 4.1 van het Besluit SUWI is daarom opgenomen dat gemeenten en UWV een transparante en toetsbare aanbestedingsprocedure moeten volgen waarbij meer offertes worden gevraagd op basis van vooraf gestelde criteria.
    
rblz.|52| Op het moment dat er een goed werkende reïntegratiemarkt tot stand is gekomen, kunnen de (strengere) aanbestedingsregels van het Besluit SUWI komen te vervallen, zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel Wwb is aangekondigd. Dan zullen alleen de Europese aanbestedingsregels en de Mededingingswet nog van toepassing zijn.


Goed werkende reïntegratiemarkt

     De leden van de VVD-fractie vragen wat onder een goed werkende reïntegratiemarkt wordt verstaan. De leden van de PvdA-fractie vragen daarnaast of het kabinet van mening is dat de reïntegratiemarkt voldoende transparant en concurrerend is om gemeenten te verplichten reïntegratietrajecten bij derden uit te besteden. In het verlengde hiervan informeren de leden van de ChristenUnie-fractie naar de stand van zaken rond het kwaliteitskeurmerk van Borea [Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven, red.].

     In de huidige situatie is het aantal reïntegratiebedrijven dusdanig dat kan worden gesproken van een behoorlijk concurrerende markt. Er zijn meer dan 630 reïntegratiebedrijven, waarvan naar schatting een derde actief is binnen het gemeentelijke domein op het terrein van scholing en activering.
     De transparantie op de reïntegratiemarkt is de laatste jaren toegenomen. Dit blijkt uit onder meer het trendrapport van Regioplan en het onderzoek dat Orbis en Regioplan in opdracht van het RPA Rijnmond recent hebben gedaan. Daarnaast werkt de Raad voor werk en inkomen aan het verbeteren van de transparantie door onder meer de reeds operationele reïntegratiemonitor en de nog te ontwikkelen ervaringenbank en prestatiebenchmark. Het door Borea ontwikkelde keurmerk geeft gemeenten bovendien houvast omtrent de betrouwbaarheid van reïntegratiebedrijven bij het maken van een keuze. In 2002 hebben 27 reïntegratiebedrijven het Borea-keurmerk gekregen. Momenteel worden 27 andere reïntegratiebedrijven beoordeeld om te kijken of ook zij in aanmerking komen voor het keurmerk. In totaal zijn er op dit moment 125 leden. De verwachting is dat naast deze leden nog diverse andere bedrijven het keurmerk zullen aanvragen, aangezien het keurmerk dan een voorwaarde wordt voor lidmaatschap van Borea. Naar verwachting halverwege volgend jaar is bekend of deze bedrijven aan de voorwaarden hebben voldaan.
     Hoewel uit het eerder genoemde trendrapport blijkt dat het opdrachtgeverschap van gemeenten nog voor verbetering vatbaar is, slagen gemeenten er steeds beter in hun opdrachtgeverschap goed vorm te geven.
     Op welke manier er vanuit de huidige situatie naar die streefsituatie, waarin voldoende concurrentie en transparantie op de reïntegratiemarkt is, wordt toegewerkt, is beschreven in de notitie "Naar een werkende reïntegratiemarkt" (Kamerstukken II 2002-2003, 28 719, nr. 1). Concurrentie en transparantie worden gerealiseerd door transparante en toetsbare aanbestedingsprocedures, de beschikbaarheid van objectieve informatie over resultaten, prijzen en kwaliteit van de verschillende reïntegratiediensten en contracten waarin reïntegratiebedrijven worden afgerekend op resultaat. Voor een optimale prijsvorming is het verder van belang dat opdrachtgevers en reïntegratiebedrijf inzicht hebben in klantkenmerken. Een goed werkende reïntegratiemarkt zal mede tot stand komen door de groei van de markt. Op het moment dat ook het budget voor de ID-banen en de Wiw-dienstbetrekkingen in de loop der jaren vrijkomt, zullen meer bedrijven zich op de markt begeven. In hoeverre marktpartijen goed op resultaat en de daarbij horende prijs concurreren - en de werking van de reïntegratiemarkt verder verbetert - is mede afhankelijk van de vormgeving van de aanbesteding.
     Een concrete en meetbare doelstelling om de werking van de reïntegratiemarkt weer te geven, die niet afhankelijk is van de conjunctuur, is moeilijk
rblz.|53| te formuleren. De mate van transparantie en het gebruik van gemeenten van de aanbestedingsprocedure geven voor het kabinet mede aan in hoeverre het verplicht stellen van de aanbesteding achterwege kan worden gelaten.
     Deze maatstaven zijn echter niet goed in kwantitatieve termen te vangen. Daarom kiest het kabinet ervoor om geen concrete en meetbare termen op te nemen.
     De ontwikkelingen op de reïntegratiemarkt worden door het departement en de toezichthouder gevolgd en uw Kamer wordt hierover geïnformeerd, onder meer middels de kwartaalrapportages arbeidsmarktbeleid, het tweejaarlijkse trendrapport en de rapportages van IWI. Bij de evaluatie van de Wwb zal aandacht worden besteed aan de werking van de reïntegratiemarkt en of deze verder is verbeterd.


Gevolgen voor gemeentelijke reïntegratie-instellingen

     De leden van de PvdA vragen wat de verplichting tot uit- en aanbesteding betekent voor de gesubsidieerde banen en voor de instellingen die deze banen uitvoeren.

     Voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen geldt dat het oude regime zonder uitbestedingsverplichting en aanbestedingsprocedures van toepassing blijft.
     Wat betreft nieuw te creëren gesubsidieerde arbeidsplaatsen vanaf het moment van invoering Wwb geldt in het eerste jaar nog het oude regime, dat wil zeggen dat niet hoeft te worden uitbesteed. Na dit eerste jaar zal alle nieuw te creëren gesubsidieerde arbeid moeten worden uitbesteed. Gevolg hiervan is dat gemeentelijke instellingen (diensten en aan gemeenten gelieerde bedrijven), die op dit moment de regelingen voor de gesubsidieerde arbeid uitvoeren, moeten worden verzelfstandigd. Zij moeten op een gelijk speelveld met andere reïntegratiebedrijven concurreren dan wel zich ontwikkelen als werkgever bij wie via een reïntegratiebedrijf werknemers kunnen worden geplaatst (al dan niet gesubsidieerd). Dit betekent onder meer dat de betrekkingen tussen gemeenten en de gemeentelijke bedrijven doorzichtig dienen te zijn en er geen sprake mag zijn van kruissubsidiëring van private activiteiten vanuit publieke middelen en van oneigenlijke bevoordeling van deze bedrijven door aanbestedende gemeenten.
     Voor gemeenten en de betreffende instellingen is een verzelfstandiging een gecompliceerd proces: administratief maar ook vanuit de optiek van de bedrijfscultuur. Verschillende fracties zijn dan ook bang dat de verplichte uitbesteding van gesubsidieerde arbeid in de Wwb de nekslag zal zijn voor bestaande Wiw- en ID-organisaties, dat de continuïteit van deskundigheid in gevaar zal komen en dat de publieke infrastructuur onder druk zal komen te staan. Voor het op afstand plaatsen van uitvoeringsorganisaties hebben gemeenten tijd nodig. Deze organisaties moeten de tijd kunnen krijgen om te voldoen aan de vereisten om mee te kunnen dingen op de reïntegratiemarkt - wat betreft de rechtspersoonlijkheid en/of de werkwijze, methodiek, cultuur en personeel - en een kans te hebben om gedurende het overgangsregime te transformeren tot reïntegratiebedrijf dat wel aan deze vereisten voldoet. Juist daarom heeft het kabinet besloten om het eerder genoemde overgangsregime te creëren voor de huidige Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen en hun opvolgers in het eerste kalenderjaar van de Wwb. In het overgangsregime is geregeld dat reeds opgevulde ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen niet hoeven te worden uitbesteed. Ook staat het kabinet gemeenten toe in het jaar 2004 nog openvallende Wiw-dienstbetrekkingen en ID-banen te herbezetten (artikel 15 [15] Invoeringswet).
     De arbeidsplaatsen in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) vallen niet binnen de Wwb. De introductie van de Wwb heeft dan
rblz.|54| ook geen gevolgen voor de Wsw of de uitvoering daarvan voor gemeenten.

     De leden van de PvdA-fractie willen een reactie op de situatie in 's-Hertogenbosch. De situatie hier loopt voorop bij andere gemeenten. Ook in Enschede, zo constateren deze leden, wordt geëxperimenteerd met vrije aanbesteding. Zij vragen welke lessen daaruit te trekken vallen.

     De gemeente 's-Hertogenbosch heeft zo’n vier jaar de tijd nodig gehad om de hele organisatie in te richten op werk boven inkomen. De uitbesteding volgens aanbestedingsprocedures is slechts één van elementen in dit hele traject. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft tijdens de hoorzitting aangegeven geen probleem te hebben met de uitbesteding, mits er een vrije ruimte blijft. De gemeente Enschede heeft een onderzoek gedaan naar een drietal omvangrijke aanbestedingsprocedures in 2001. Daarbij zijn zo’n 1400 reïntegratietrajecten aanbesteed. De uitkomsten van dit onderzoek zijn nog niet openbaar, deze zullen medio september openbaar worden.


Reikwijdte uit- en aanbesteding

     De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet om de uitbestedingsmogelijkheden nader toe te lichten. Zij vragen wat de gemeente nu precies wel en wat de gemeente nu precies niet mag uitbesteden.
     De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een transparante en efficiënt werkende reïntegratiemarkt. Een open aanbesteding past hier zeker in. Zij vragen echter of alle individuele belanghebbenden en doelgroepen op de juiste wijze geholpen kunnen worden via een aanbestedingsprocedure zoals die is neergelegd in het Besluit SUWI.
     De leden van de CDA-fractie nodigen het kabinet uit om precies aan te geven welk deel van de totale reïntegratieactiviteiten niet hoeft te worden uitbesteed, zowel in geld als naar soorten activiteiten. Zij vragen of daarbij rekening wordt gehouden met bepaalde complexe doelgroepen. Daarnaast vragen zij wat deze uit- en aanbestedingsverplichtingen precies betekenen voor gesubsidieerde arbeid.
     De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie op het voorstel om de aanbestedingsregels alleen te laten gelden voor trajecten voor de fases 1 tot en met 3 en niet voor fase 4 gezien de extra inspanningen die nodig zijn voor deze doelgroep. Tevens willen zij een reactie op het voorstel om gemeenten een overgangstermijn van drie tot vier jaar te geven om zich voor te bereiden op de aanbesteding.

     Wanneer gemeenten zich niet tot de markt wenden voor reïntegratiediensten voor moeilijke doelgroepen, dan zal er op die markt ook geen aanbod voor dergelijke groepen ontstaan. Daarmee zou de cirkel rond zijn: gemeenten kopen niet in op de markt omdat reïntegratiebedrijven geen, op deze doelgroepen toegesneden, diensten aanbieden en omgekeerd leveren reïntegratiebedrijven geen maatwerk omdat er geen markt voor deze doelgroepen lijkt te bestaan. Het kabinet heeft met de verplichting tot uitbesteden een krachtig signaal aan marktpartijen gegeven dat het de moeite waard is om ook voor de moeilijke doelgroepen dienstverlening te ontwikkelen. Een onderscheid naar fases zoals de PvdA-fractie voorstelt ligt dan ook niet voor de hand. Tevens zou dat de verantwoordingslast voor gemeenten rondom het uitbesteden enorm verzwaren.
     Het kabinet is wel van mening dat in de ontwikkeling naar een goed werkende reïntegratiemarkt gemeenten, naast een overgangstermijn voor de uitbesteding van gesubsidieerde arbeid, een bepaalde mate van vrijheid moeten krijgen bij het verplichte uitbesteden van het werkdeel. Reden hiervoor is dat momenteel mogelijk nog niet al het aanbod dat gemeenten nodig hebben voor hun klanten (zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin) op de markt voorhanden is. Daarom is het kabinet voornemens
rblz.|55| gemeenten voor 20% van het werkdeel vrije ruimte te geven waarbinnen geen verplichting tot uitbesteding geldt en de aanbestedingsprocedures zoals neergelegd in het Besluit SUWI niet hoeven te worden gevolgd. Zo zou een gemeente binnen deze 20% vrije ruimte dus een voorziening, bijvoorbeeld sociale activering, door een eigen gemeentelijke dienst kunnen laten uitvoeren of kan ze een voorziening inkopen bij bijvoorbeeld een (welzijns)instelling zonder dat ze daarbij de aanbestedingsprocedures heeft gevolgd. Daarnaast wordt het hiermee mogelijk dat binnen deze 20% gemeenten direct ingaan op een innovatief idee van een private werkgever en deze werkgever rechtstreeks contracteren. Hierbij dient de gemeente overigens wel de Europese aanbestedingsregels in acht te blijven nemen.
     Uitgezonderd van de verplichte uitbesteding worden de Wiw-dienstbetrekkingen en de ID-banen uit het overgangsregime (artikel 15 [15] Invoeringswet) en de eenmalige stimuleringspremies en de kostenvergoedingen. Dit wordt geregeld bij ministeriële regeling.
     Er is voor een percentage gekozen (in plaats van een afwijkingsgrond zoals activiteiten die gekoppeld zijn aan de fase van een klant of soorten activiteiten) omdat dit minder administratieve verantwoordingslasten meebrengt voor gemeenten. Dit percentage vrije ruimte komt overeen met het voormalige percentage vrije ruimte binnen het Wiw-scholings- en activeringsbudget. Het budget waarop het percentage in de Wwb van toepassing is, is echter het volledige werkdeel.
     Hierboven is reeds ingegaan op de overgangssituatie voor gemeentelijke reïntegratiediensten. Dit stelt deze gemeenten in staat deze bedrijven over meerdere jaren voor te bereiden op de concurrentie met marktpartijen. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de wens van de PvdA-leden voor een overgangstermijn van drie à vier jaar bij de uitbesteding van de middelen voor vrijkomende ID-banen en Wiw-dienstbetrekkingen. Het kabinet voelt er niet voor om een overgangstermijn te hanteren om gemeenten zich voor te laten bereiden op de aanbesteding. Reeds sinds 1 januari 2002 zijn gemeenten verplicht de middelen voor het scholings- en activeringsbudget aan te besteden. Voor wat betreft de mogelijkheden voor uitbesteding bij de vaststelling en uitbetaling van de bijstand geeft de Wwb aan dat de werkzaamheden in het kader van het verlenen van bijstand door B&W moeten worden uitgevoerd. Dit betreft de werkzaamheden rond de vaststelling van het recht op bijstand en de bepaling van de hoogte van de uitkering. Werkzaamheden die de uitbetaling van de uitkering betreffen, kunnen, net als onder de Abw, worden uitbesteed aan derden.

 

3.3. Ontwikkelingen in het bestand bijstandsgerechtigden  [MvTV]


     De leden van de PvdA vragen wat wordt bedoeld met paragraaf 3.3 "Ontwikkelingen in het bestand van bijstandsgerechtigden". Zij vragen of gemeenten moeten werken aan draaideurklanten en of dit een verstopt pleidooi is om niet te investeren in duurzame arbeidstoeleiding.

     Het kabinet wijst er in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting op dat gemeenten via hun reïntegratiebeleid invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van hun bestand in termen van uitkeringsduur en daarmee op langere termijn op de totale omvang van hun bestand. Daarbij lijkt het raadzaam voor gemeenten om het reïntegratiebeleid vanuit twee sporen in te zetten:
- ondersteuning aan hen die instromen in de Wwb door directe toeleiding naar werk of inzet van voorzieningen;
- ondersteuning en inzet van voorzieningen voor hen die al langdurig een beroep doen op de bijstand.
     Het is van belang dat gemeenten werkzoekenden niet aan hun lot overlaten, ook al is er op korte termijn niet voor iedereen werk voorhanden. Werkzoekenden moeten niet het perspectief van werk uit het oog
rblz.|56| verliezen, zodat op het moment dat de conjunctuur aantrekt ook daadwerkelijk zoveel mogelijk mensen aan het werk kunnen. Het is van belang voor de economie dat zoveel mogelijk mensen direct inzetbaar zijn en dat vacatures niet lang open hoeven te staan, zoals nu in vele gevallen nog wel het geval is. De arbeidsmarkt is niet een statisch geheel: continu zijn er vacatures die door werkzoekenden worden ingevuld, terwijl andere mensen hun baan verliezen. Het bestand werkzoekenden zal rouleren en ook al mocht niet voor iedereen de baan duurzaam zijn, de mensen die werken doen hiermee ervaring op en leren vaardigheden die hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Een oorzaak dat werkzoekenden terugvallen in werkloosheid is het ontbreken van een startkwalificatie. Voor deze werkzoekenden is het van belang dat werk wordt gecombineerd met scholing, zodat zij de startkwalificatie kunnen halen en een sterkere positie op de arbeidsmarkt krijgen.

     De leden van de PvdA vragen om de cijfers waaruit blijkt welk deel van het zittende jaarbestand op de jaarteldatum bestaat uit mensen die korter dan één jaar in de bijstand zitten, welk deel één tot vijf jaar en welk deel langer dan vijf jaar.

     Onderstaande tabel geeft de gevraagde indeling, geactualiseerd voor de teldatum derde kwartaal 2002.

Uitkeringen aan thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodieke algemene bijstand naar duur en leefvorm, ultimo derde kwartaal 2002:

Duur Totaal ¹ % Leefvorm
xxxxxxxx xxxxxxx   Alleen-
staande
% Alleen-
staande
ouder
% Gehuwden %
<1 jaar v66 460 v20,9 v39 230 v22,5 18 900 v20,6 v8 180 v16,1
1-5 jaar 107 420 v33,9 v51 470 v29,6 39 410 v43,0 16 330 v32,1
>5 jaar 143 370 v45,2 v83 430 v47,9 33 370 v36,4 26 420 v51,9
Totaal ² 317 230 100,0 174 110 100,0 91 660 100,0 50 910 100,0

1. Inclusief leefvorm anders of onbekend.
2. Het totaal kan door afronding afwijken van de som van de elementen.

 
     De leden van de PvdA-fractie vragen waarnaar de uitstroom van de drie categorieën plaatsvindt: werk, AOW, verhuizen, partner.

     Uit de Abw-statistiek komt thans geen actuele informatie beschikbaar over uitstroom uit de Abw naar reden. Wel zijn er cijfers over de uitstroom in zijn totaliteit en deelpopulaties. Dit houdt verband met de kwaliteit van de gegevens die door de gemeenten over de uitstroom aan het CBS worden verstrekt, waarbij vaak het kenmerk over de reden van beëindiging niet is gevuld. Met het CBS is een verbetertraject gestart. In de kwaliteitsslag met het CBS wordt ernaar gestreefd de betrouwbaarheid van de registratie van uitstroom naar werk zodanig te verbeteren dat ook daarover afzonderlijke cijfers kunnen worden gepubliceerd. Tevens wordt thans nagegaan - mede met het oog op de voorgenomen derapportage voor gemeenten - op welke andere wijze betrouwbare informatie over uitstroom beschikbaar kan komen. De oplossing voor informatie over uitstroom wordt gezocht in koppeling van de uitstromers uit het Abw-bestand met bestanden waaruit informatie kan worden ontleend over de situatie waarin een persoon zich na beëindiging van de uitkering bevindt.

     De leden van de CDA-fractie vragen of sociale activering naar de mening van het kabinet altijd gericht moet zijn op arbeid. Zij vragen of het kabinet rblz.|57| de percentages die genoemd worden bij het experiment sociale activering ook kan vertalen naar absolute aantallen betrokken personen.
     De leden van de PvdA-fractie menen dat tegenover het recht op bijstand de plicht tot het verwerven van optimale zelfredzaamheid met betaalde arbeid bestaat. Indien dat niet mogelijk is, dan is sociale activering wenselijk. Deze leden vragen of de gemeenten daarvoor voldoende middelen hebben.

     Alle voorzieningen van de Wwb hebben arbeidsinschakeling als doel. Sociale activering wordt heel expliciet als één van de voorzieningen van de Wwb genoemd en kan derhalve gefinancierd worden uit het werkdeel van de Wwb. Bij de inzet van de voorziening sociale activering is het vooraf moeilijk te bepalen of arbeidsinschakeling het uiteindelijke resultaat zal zijn; sociale activering wordt immers ingezet voor mensen met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, voor wie arbeidsinschakeling en zelfs inzet in gesubsidieerd werk op korte termijn nog niet aan de orde is. Het doel van de inzet van deze voorziening is weliswaar arbeidsinschakeling, maar het resultaat na het socialeactiveringstraject kan ook zijn dat alleen het tussendoel wordt bereikt: zelfstandige maatschappelijke participatie. Ook voor het bereiken van het tussendoel kan de voorziening worden ingezet. Om deze reden is ook dit tussendoel in artikel 6 [6] en in de toelichting expliciet in de Wwb genoemd. Naar de mening van het kabinet hebben de gemeenten voldoende middelen om in te zetten ter financiering van deze trajecten.


Experiment sociale activering

     De percentages genoemd op blz. 10 van de memorie van toelichting zijn afkomstig uit het onderzoek "Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering" dat 26 september 2002 naar de Tweede Kamer is gestuurd. De percentages zijn gebaseerd op de gegevens van 35 bijstandsexperimenten die in totaal 6417 uitstromers hadden op een totaal van 10 449 deelnemers. 1091 deelnemers (17%) zijn doorgestroomd naar opleiding, projecten, zelfstandig vrijwilligerswerk of stage en 1027 deelnemers (16%) zijn uitgestroomd naar een betaalde baan. De duurzaamheidsgegevens zijn gebaseerd op 373 vragenlijsten die door ex-deelnemers zijn ingevuld. 139 van deze ex-deelnemers hadden na uitstroom uit de experimenten een betaalde baan; 121 (88%) van hen hadden ten tijde van het slotonderzoek nog steeds een betaalde baan.

rblz.|58| 

4. Inkomenswaarborg en armoedeval  [MvTV]


4.1. Uitkeringsnormen: systematiek en hoogte  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie vragen of het bestaansminimum voor een alleenstaande en een eenoudergezin die geen kosten met anderen kunnen delen, wordt gegarandeerd.

     Dit is het geval doordat in artikel 30 [30], tweede lid, aanhef en onder a, Wwb is bepaald dat in de gemeentelijke verordening moet zijn vastgesteld dat voor deze huishoudtypes de maximale toeslag van 20% geldt.

 

4.2. Middelentoets  [MvTV]


Vrijlating van arbeidsinkomsten

     De leden van de fracties van CDA, PvdA, VVD en CU vragen waarom de regeling voor vrijlating van de arbeidsinkomsten in de Wwb komt te vervallen.
     De leden van de PvdA-fractie vragen om een vrijlating van inkomsten voor werkende 65-plussers met een onvolledige AOW. Naar het inzicht van de leden van de PvdA-fractie zou ook de vrijlating van inkomsten nodig zijn indien men maar in deeltijd beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Deze leden vragen het kabinet om voor mensen die maar beperkt beschikbaar zijn, werken lonend te maken.
     De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet tot op zekere hoogte is toegestaan om inkomsten uit deeltijdarbeid te behouden als opstap naar een volledige baan. In zijn algemeenheid vragen deze leden of de mogelijkheden voor vrijlating van bepaalde inkomensdelen niet te beperkt zijn, daar waar deze mogelijkheden in individuele gevallen bij kunnen dragen aan het vinden van een reguliere baan. Deze leden en de leden van de VVD-fractie vragen tevens in hoeverre de beperking van deze vrijlatingsmogelijkheden te verenigen is met de vergrote beleidsvrijheid en individueel maatwerk voor gemeenten.
     De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen in artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel c, de vrijlating van de aanvullende alleenstaande ouderkorting, alsmede de combinatiekorting te beperken tot alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar.
     De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om de inkomsten uit arbeid van deeltijdarbeiders vrij te laten gelet op de mogelijkheid van een onbelaste premie tot een bedrag van €|1944,- per jaar.

     De huidige regeling voor vrijlating van arbeidsinkomsten is vervangen door een regeling die beter aansluit bij de uitgangspunten van de Wwb. Eén van die uitgangspunten is dat algemeen, generiek inkomensbeleid voorbehouden dient te zijn voor het Rijk en dat de ruimte voor gemeenten om een eigen inkomensbeleid te voeren, moet worden beperkt. Voor de vrijlating van arbeidsinkomsten voor categorieën van personen die om medische of sociale redenen zijn aangewezen op het verrichten van arbeid in deeltijd geldt dat dit instrument, in tegenstelling tot de activeringspremie, meer kenmerken heeft van een vorm van inkomensondersteuning dan van een activeringsinstrument. Dit wordt vooral veroorzaakt door het structurele karakter en de systematiek van de regeling, waardoor een uitbreiding van het aantal gewerkte uren nauwelijks meer loont. Een ander bezwaar is dat de huidige vrijlatingsregeling gekoppeld is aan een specifieke categorie bijstandsgerechtigden, wat een "aanzuigende werking" heeft in die zin dat gemeenten groepen bijstandsgerechtigden definiëren als "medisch en/of sociaal belemmerd" met als (enige) doel deze mensen in aanmerking te brengen voor de vrijlating.¹ De rblz.|59| nadelen hiervan zijn dat er én geen recht meer wordt gedaan aan het belang dat gehecht wordt aan een individuele benadering (maatwerk) én dat het risico bestaat dat individuen ten onrechte worden geïndiceerd. Uit recent onderzoek is gebleken dat de huidige premie- en vrijlatingsregelingen wel de deelname aan deeltijdarbeid stimuleren, maar de uitstroom naar voltijdarbeid belemmeren.² De vrijlatingsregeling sluit, samenvattend, niet goed aan bij het uitgangspunt van de Wwb dat maatwerk "geleverd" moet worden en dat economische zelfstandigheid het uitgangspunt moet zijn.
     Daar komt bij dat deeltijdwerk als voordeel heeft dat het een goede stap kan zijn naar volledige uitstroom, maar dat aan het langdurig verrichten van deeltijdwerk ook enkele belangrijke bezwaren kleven, zoals een slechter loopbaanperspectief met een verminderde verdiencapaciteit en een geringere pensioenopbouw.
     Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om een zwaar accent te leggen op volledige uitstroom uit de uitkering, onder meer door de arbeidskorting te verhogen. Het kabinet deelt dus de opvatting van de PvdA-fractie dat arbeid moet lonen, maar heeft ervoor gekozen de nadruk te leggen op arbeid die leidt tot economische zelfstandigheid.
     Het kabinet is van mening dat voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar in enkele opzichten andere overwegingen gelden. De combinatie van een volledige baan met de zorg voor jonge kinderen kan voor hen in een aantal gevallen te zwaar zijn, zodat een deeltijdbaan gedurende deze eerste jaren een oplossing kan betekenen. Anderzijds echter, moet ook voorkomen worden dat deze groep ouders langer in deeltijd blijft werken dan gezien de persoonlijke situatie van de ouder noodzakelijk geacht moet worden. In dit verband is onder meer de constatering van de Algemene Rekenkamer (ARK) ³ relevant dat de volledige uitstroom door werkende alleenstaande ouders achterblijft doordat zij maximaal 20 uur per week werken en daarom onvoldoende inkomsten hebben om de bijstand helemaal te verlaten. Het kabinet is daarom van mening dat alleenstaande ouders met kinderen ouder dan 5 jaar [5 jaar of ouder, red.] in beginsel moeten worden gestimuleerd om helemaal uit te stromen.
     Onderstaande grafiek laat zien dat de nieuwe vrijlatingsregeling voor alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar, anders dan de huidige vrijlating, stimuleert tot uitbreiding van het aantal gewerkte uren en dat het armoedevaleffect (de knik in de inkomenslijnen) een fractie is van het effect bij de huidige vrijlating.
rblz.|60| 

 
     Zoals de leden van de CDA fractie aangeven, kan deeltijd ook in andere, individuele gevallen bijdragen tot het vinden van een reguliere baan. De Wwb kent gemeenten daarom de mogelijkheid toe om eenmaal per kalenderjaar een onbelaste premie van maximaal €|1944,- te verstrekken in het kader van inschakeling in arbeid. Vanzelfsprekend kan deze premie ook meerdere jaren achter elkaar worden uitgekeerd indien het gaat om mensen die, zoals de leden van de PvdA-fractie suggereren, vanwege hun specifieke omstandigheden niet volledig kunnen uitstromen. Deze vormgeving voorkomt tegelijkertijd dat er gewenning optreedt bij de belanghebbenden, waardoor het activerende effect beter behouden blijft. Het biedt de gemeenten een optimale mogelijkheid om inhoud te geven aan de door de leden van de PvdA-fractie genoemde financiële incentive om bijstandsgerechtigden te laten uitstromen. Bovendien heeft de activeringspremie onder de Wwb als voordeel dat deze, in tegenstelling tot de huidige periodieke premies én de vrijlating, belastingvrij kan worden uitgekeerd. Voor gemeenten heeft dit als voordeel dat dit fiscaal voordeliger is, waardoor het verstrekken van premies minder zwaar drukt op het budget. Belanghebbenden hebben van deze premie meer voordeel dan van de huidige premie doordat dat de premie niet doorwerkt in inkomensafhankelijke regelingen als de huursubsidie.
     Het voorstel van de leden van de PvdA-fractie om een vrijlating van arbeidsinkomsten toe te staan voor werkende 65-plussers met een onvolledige AOW-uitkering wordt door het kabinet niet overgenomen. Zoals eerder uiteengezet in de brief d.d. 4 december 2001 van de minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over analyse en beoordelingskader voorstellen inkomensvervangende voorzieningen minima, zou een dergelijke vrijlating niet alleen strijdig zijn met het
rblz.|61| complementaire van de bijstand, maar ook leiden tot niet te rechtvaardigen verschillen tussen verschillende groepen uitkeringsgerechtigden.

1. (SOZA-02-658).
2. SCP, De uitkering van de baan, 2003, Den Haag.
3. (Kamerstukken II 2002-2003, 28 875).

     De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel geld thans wordt besteed aan de vrijlating op inkomsten en of de gemeenten dat budget kunnen benutten voor een premiestelsel. Bij de invoering van de Bijstandswet in 1996 werd gesteld dat het om een bedrag van ƒ150 miljoen gaat, dat later vanuit de Algemene bijstandswet is toegevoegd aan de Wiw. Inmiddels is de arbeidsparticipatie hoger. Deze leden vragen of het kabinet bereid is dat budget aan het werkdeel van de Wwb toe te voegen.

     Het vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten is verwerkt in het macrobudget voor het inkomensdeel en is dus niet beschikbaar voor toevoeging aan het werkdeel.


Smartengeld

     De leden van de PvdA-fractie vragen naar de opvattingen van het kabinet over de vrijlating van ontvangen smartengeld. De leden van de PvdA achten deze beantwoording van belang vanwege de wetsgeschiedenis en de rechtspositie van de cliënt. Immers, als gemeenten willekeurig met rechten omgaan, is dat niet in het belang van de rechtsorde noch in het belang van de cliënt. Zij vragen of het kabinet het ermee eens is dat de afwegingen van gemeenten transparant, toetsbaar en toegankelijk voor de belanghebbende moet zijn.
     De leden van de CDA-fractie constateren dat vrijlating van specifieke regelingen die het karakter hebben van schadevergoeding of smartengeld ter beoordeling van het college van B&W worden gelaten, dan wel opgenomen in een ministeriële regeling. De leden van de CDA-fractie vragen of het niet juister is, gelet op de gevoeligheid van deze zaken, voor een aantal zeer gevoelige gevallen reeds nu van rijkswege duidelijkheid te scheppen. De leden van de fracties van PvdA en CDA vragen in dit verband naar de inhoud van een eventuele ministeriële regeling inzake materiële en immateriële schadevergoeding.

     Het kabinet is van oordeel dat het aan de gemeenten is te beoordelen of een vergoeding voor materiële schade in het individuele geval bij de bijstandverlening in aanmerking moet worden genomen. Het is daarbij redelijk om op een verzekeringsuitkering voor schade aan of verlies van een bestanddeel van het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen het algemeen rechtsbeginsel van zaakvervanging toe te passen; de verzekeringsuitkering vervangt geheel of gedeeltelijk het desbetreffende vermogensbestanddeel. Voor zover het vermogen bij de aanvang van de bijstand lager was dan de vermogensgrens, leidt de verzekeringsuitkering in principe niet tot in aanmerking te nemen vermogen. Indien andere bezittingen met de uitkering worden aangeschaft, is het aan de gemeente te beoordelen of deze zaken algemeen gebruikelijk dan wel noodzakelijk zijn. Wanneer de middelen liquide blijven dan wel goederen worden aangeschaft die niet als algemeen gebruikelijk of noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, zal de gemeente beoordelen of de verzekeringsuitkering plus het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen hoger zijn dan de van toepassing zijnde vrijlatingsgrens van het vermogen.
     Ook ten aanzien van het al dan niet in aanmerking nemen van een vergoeding voor immateriële schade in het individuele geval is het kabinet van opvatting dat dit ter beoordeling is aan de gemeenten. Een bedrag uit hoofde van geleden immateriële schade, van gederfde levensvreugde of van smartengeld is een vermogensbestanddeel. Op grond van artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel m, van het wetsvoorstel wordt een immateriële schadevergoeding niet tot de middelen gerekend, tenzij dit uit oogpunt
rblz.|62| van bijstandverlening niet verantwoord is. Deze beoordeling dient dus te worden overgelaten aan de gemeente. Bij deze beoordeling zal de gemeente de bijzondere bestemming en de hoogte van de immateriële schadevergoeding betrekken. Ingeval de vergoeding oneigenlijke elementen bevat, bijvoorbeeld indien deze geheel of gedeeltelijk een loondervend karakter heeft of exorbitant hoog is, zal de gemeente in voorkomende gevallen besluiten tot welk bedrag de vergoeding in aanmerking wordt genomen.
     Voor zover de immateriële schadevergoeding door de gemeente buiten beschouwing wordt gelaten, mag deze ook voor langere termijn worden benut ter compensatie van de beperking die is opgetreden. Een eenmaal vrijgelaten immateriële schadevergoeding blijft gedurende de bijstandverlening buiten aanmerking. Dit geldt ook indien de bijstandverlening na een onderbreking weer wordt hervat (artikel 34 [34], eerste lid, onderdeel e). Volgens het kabinet is het in beginsel aan de belanghebbende om te bepalen welke aanwending aan de vrijgelaten immateriële schadevergoeding wordt gegeven als invulling van het hervinden van zijn levensvreugde. Het is echter een bevoegdheid van de gemeente om te bepalen dat de immateriële schadevergoeding in aanmerking wordt genomen bij de verlening van bijzondere bijstand (artikel 35 [35], eerste lid).
     Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of het kabinet het ermee eens is dat gemeenten daar waar zij een afweging maken over de immateriële schadevergoeding deze transparant, toetsbaar en toegankelijk voor de belanghebbende moet zijn, antwoordt het kabinet bevestigend. De gemeenten zijn daarbij mede gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet bestuursrecht.
     Het kabinet zal de immateriële en materiële schadevergoedingen zoals genoemd in artikel 43, tweede lid, Abw en in de Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet (besluit van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 243) in een ministeriële regeling opnemen.

     De leden van de PvdA-fractie vragen wat het betekent voor de rechtsgang van de uitkeringsgerechtigde die in beroep gaat tegen een beslissing van de gemeente over een verrekening van smartengeld. Deze leden vragen aan welke criteria de beroepsinstantie zo’n beslissing toetst.

     De beroepsrechter zal een dergelijke beslissing toetsen op rechtmatigheid, waarbij wordt gekeken of het besluit op goede gronden tot stand is gekomen. Daarbij wordt beoordeeld of, de wetsgeschiedenis in aanmerking nemende, een juiste wetstoepassing heeft plaatsgevonden. De beroepsrechter zal vervolgens de hoogte van het al dan niet in aanmerking te nemen bedrag van de immateriële schadevergoeding marginaal toetsen, omdat de doelmatigheid niet door de beroepsrechter mag worden beoordeeld. Bij deze marginale toetsing komen ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan de orde.
     De beroepsrechter heeft in de regel geen bevoegdheid een eigenstandig besluit te nemen omtrent de hoogte van het vrij te laten bedrag. In dat geval vindt terugverwijzing naar de gemeente plaats die, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de beroepsrechter is bepaald, een nieuw besluit dient te nemen.

 

4.3. Langdurigheidstoeslag  [MvTV]

     De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van de voorgestelde langdurigheidstoeslag, omdat in het algemeen geldt dat de inkomenspositie moeilijker wordt naarmate mensen langer in de bijstand zitten. Zij constateren dat één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze toeslag luidt dat een belanghebbende vijf jaar een bijstandsuitkering heeft. Zij vragen waarom niet is gekozen voor drie jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar gebleken is dat de belanghebbende ondanks een rblz.|63| positieve inzet geen werk kan vinden. Tevens vragen zij wat de hiermee gemoeide extra kosten zouden zijn.

     Een referteperiode van drie jaar en uitbetaling nadat in het vierde jaar gebleken is dat de belanghebbende ondanks een positieve inzet geen werk kan vinden, impliceert dat de betrokkene in omstandigheden verkeert waarin een positieve inzet kan leiden tot werkaanvaarding. In een dergelijke situatie is er volgens het kabinet geen sprake van ontbrekend arbeidsmarktperspectief en kan de langdurigheidstoeslag niet aan de orde zijn.
     Indien gekozen zou worden voor de door deze leden voorgestelde systematiek, zouden de kosten van de toeslag met 23% toenemen.

     De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet of een systeem van toeslagen (c.q. heffingskortingen) ter zijner tijd de langdurigheidstoeslag niet kan vervangen?

     Het kabinet acht het prematuur om thans aan te geven of het systeem van toeslagen (c.q. heffingskortingen) te zijner tijd de langdurigheidstoeslag kan vervangen.

     De leden van de CDA-fractie vragen het volgende. Stel een wasmachine gaat onherstelbaar kapot. Dat gebeurt bij bijstandsgerechtigde A in jaar 4 van de bijstandverlening en bij bijstandsgerechtigde B in jaar 6. Zouden deze gevallen, die voor het overige identiek zijn, volgens het kabinet verschillend behandeld moeten en kunnen worden in het kader van de individuele bijzondere bijstand vanwege de langdurigheidtoeslag. Graag een toelichting van het kabinet.

     Bij de afstemming van bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van duurzame gebruiksartikelen op de langdurigheidstoeslag dient optimaal rekening te worden gehouden met de individuele omstandigheden en de mogelijkheden van de persoon. In overeenstemming met de uitgangspunten van de Wwb wordt deze beoordeling aan de gemeenten gelaten. Dit is geregeld in artikel 35 [35], eerste lid, Wwb.

     De leden van de fracties van PvdA en SGP vragen een onderbouwing van de termijn van vijf jaar voor de langdurigheidstoeslag. Zij verzoeken het kabinet om heroverweging van de termijn. De leden van de PvdA-fractie verwijzen daarbij naar de termijn van drie jaar die geldt bij de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (titel III Faillissementswet) en de aflossing van leenbijstand.

     De langdurigheidstoeslag maakt een uitzondering op de toereikendheid van het sociaal minimum. Die uitzondering is eerst na een langer tijdsverloop, door het kabinet bepaald op vijf jaar, te rechtvaardigen. De genoemde termijnen van drie jaar is geen voldoende rechtvaardigingsgrond. Deze termijn heeft betrekking op regelingen waarbij de betrokkenen gedurende een aantal jaren een inkomen onder het sociaal minimum hebben; bij de langdurigheidstoeslag hebben de betrokkenen een inkomen op het sociaal minimum. Voorts is de termijn van vijf jaar gebaseerd op de overweging dat na vijf jaar de afstand tot de arbeidsmarkt aantoonbaar groter is dan na drie jaar. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding de termijn te herzien.

     De leden van de CDA-fractie willen graag een reactie van de kabinet op de stelling van de Federatie van Ouderverenigingen dat gehandicapten dikwijls blijvend moeten leven op het minimumniveau en wel werken. Door dit werken krijgen zij geen langdurigheidstoeslag. Zij vragen het kabinet of het deze opvatting deelt.
    
rblz.|64| De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet commentaar te geven op een aantal door deze leden genoemde voorbeelden.

     De voorwaarde voor de langdurigheidstoeslag dat geen inkomen uit arbeid mag zijn verkregen, hangt samen met het feit dat de langdurigheidstoeslag uitsluitend bedoeld is voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmark die dus geen perspectief hebben op werk. Mensen die, al dan niet in deeltijd, deelnemen op de arbeidsmarkt voldoen niet aan deze voorwaarde. Zij vallen daarom niet onder het bereik van de regeling. Naar het oordeel van het kabinet is een langdurigheidstoeslag die gebaseerd is op iemands perspectieven bij deelname op de arbeidsmarkt ongewenst en onuitvoerbaar. Heeft iemand in de referteperiode tijdelijk deelgenomen aan de arbeidsmarkt, dan is sprake van recente werkervaring. Er is dan geen sprake van een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
     Toegepast op de door deze leden gegeven voorbeelden leidt dit tot de volgende uitkomsten.
     De verstandelijk gehandicapte met een Wajong-uitkering die parttime werkt en geen vooruitzichten heeft op urenuitbreiding heeft geen recht op een langdurigheidstoeslag. Er is immers sprake van deelname op de arbeidsmarkt en de perspectieven op die markt kunnen geen rol spelen. Ten overvloede merkt het kabinet op dat het vraagstuk van niet-vergoede kosten buiten de langdurigheidstoeslag ligt.
     De alleenstaande moeder en de arbeidsongeschikte die gestopt zijn met werken komen voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking nadat er een periode van vijf jaar is verstreken na de beëindiging van de werkzaamheden, uiteraard voor zover zij nadien niet weer aan het werk zijn gegaan. Het kabinet tekent hierbij nadrukkelijk aan dat het wil voorkomen dat de langdurigheidstoeslag aanleiding geeft om mensen definitief af te schrijven door hen het stempel op te drukken "geen arbeidsmarktperspectief". In de gegeven voorbeelden zullen betrokkenen en de uitvoeringsinstanties samen werken aan de verbetering van de arbeidsmarktpositie. De recente werkaanvaarding verkleint daarbij de afstand tot de arbeidsmarkt.

     De leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal vragen over de langdurigheidstoeslag. Uit de wetstekst en de toelichting blijkt dat de toekenning van een dergelijke toeslag tot de beleidsvrijheid van de gemeente behoort. Deze leden vragen waarom er niet voor is gekozen om deze toeslag als recht voor de langdurige minima in de wet op te nemen. Waarom is het gegeven van "vijf jaar ononderbroken op het sociaal minimum" niet wettelijk verankerd als voldoende voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de toeslag?

     Anders dan deze leden aangeven, behoort de toekenning van de langdurigheidstoeslag niet tot de beleidsvrijheid van de gemeente. In artikel 36 [36] Wwb is dwingend bepaald dat het college de toeslag dient toe te kennen aan degenen die aan de gestelde, geobjectiveerde, voorwaarden voldoen. Ook de hoogte van de toeslag is in dit artikel dwingend voorgeschreven.

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om de langdurigheidstoeslag enkel op aanvraag te verschaffen.

     Dat de toeslag alleen op aanvraag kan worden verstrekt, is in lijn met de algemene regel van vaststelling op aanvraag, zoals die is vastgelegd in artikel 43 [43] Wwb.

     De leden van de D66-fractie vragen of de aan de langdurigheidstoeslag verbonden voorwaarden niet met elkaar op gespannen voet staan, in die zin dat het gevaar op schijnsollicitaties toeneemt omdat geen inkomsten rblz.|65| uit of in verband met arbeid vooruitzicht bieden op een langdurigheidstoeslag. Voorts vragen zij of de eis van gedurende vijf jaar geen inkomsten uit arbeid bij nader inzien niet te strikt is.
     De beoogde opzet van de langdurigheidstoeslag vinden de leden van de fractie van de ChristenUnie te mager. Zij pleiten ervoor de referteperiode te beperken tot drie jaar. Verder zijn zij er niet van overtuigd dat het wenselijk is personen uit te sluiten die zelf een inkomen op het minimumniveau verwerken [verwerven, red.]. Zij vragen om een reactie op de suggestie om onderdeel c van het eerste lid te schrappen omdat het overbodig is.

     Het kabinet is zich ervan bewust dat van de langdurigheidstoeslag een negatieve stimulans kan uitgaan op de (bereidheid tot) deelname aan het arbeidsproces. De termijn van vijf jaar achten wij niet te strikt, gezien de eerder in deze paragraaf aangegeven ratio van die termijn. Om de gemeenten maximaal in staat te stellen adequaat te reageren op de mogelijke gevolgen van de negatieve stimulans, wordt de eis gesteld dat betrokkene naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen aanvaarde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Bij schijnsollicitaties wordt niet aan deze eis voldaan.
     Het kabinet wijst er verder op dat de armoedeval ook optreedt als werkenden tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag zouden worden gerekend. De vermindering van de toeslag bij een inkomensverbetering gaat namelijk ten koste van het besteedbare meerinkomen. Daardoor kan een negatieve invloed ontstaan op de arbeidsdeelname, bijvoorbeeld op uitbreiding van het aantal werkuren.
     Het kabinet is van oordeel dat het uitsluiten van werkenden gerechtvaardigd is omdat werkenden voor wat betreft de mogelijkheden van inkomensverbetering in een andere situatie verkeren dan de door het kabinet beoogde doelgroep.

     De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet de gevolgen van de veranderingen van de Algemene bijstandswet naar de Wwb voor de laagste inkomens te laten zien en tevens aan te geven wat de effecten zijn van andere beleidsvoornemens in 2004 en 2005. Anders gesteld: hoe veranderen de inkomens van de mensen met de laagste inkomens in totaliteit tengevolge van de veranderingen in de sociale zekerheid en hoe wordt er gecompenseerd. Hoe verhouden deze veranderingen zich ten opzichte van andere inkomensgroepen?

     Het kabinet verwijst deze leden naar het antwoord in hoofdstuk 2 op de vraag over inkomenseffectrapportage.

     De leden van de VVD-fractie vragen welke middelen beschikbaar zijn gesteld voor de langdurigheidstoeslag? Welke P-maal-Q-onderbouwing ligt aan deze raming ten grondslag? Waar is het bedrag terug te vinden op de rijksbegroting?

     De kosten van de langdurigheidstoeslag zijn voor 2004 geraamd op €|53,8 miljoen. Voor 2004 is de Q van de langdurigheidtoeslag geraamd op 143 000 huishoudens, de gemiddelde P op €|377,- per huishouden per jaar. De middelen lopen via het macrobudget voor de uitkeringen.

 

4.4. Bijzondere bijstand en afschaffen categoriaal beleid  [MvTV]


     De leden van de CDA-fractie vinden dat er een verschil is tussen individuele toetsing op basis van algemene beleidslijnen en categoriale bijzondere bijstand. Zij vragen het kabinet te garanderen dat de individuele bijzondere bijstand onder invloed van jurisprudentie niet zal overgaan in categoriale bijzondere bijstand.

     rblz.|66| Het kabinet onderschrijft de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat er een verschil is tussen individuele toetsing op basis van algemene beleidslijnen en categoriale bijzondere bijstand. Het kabinet acht het niet aannemelijk dat de individuele bijzondere bijstand onder de invloed van de jurisprudentie zal overgaan in categoriale bijzondere bijstand. Dit hangt samen met de marginale wijze waarop de beroepsrechter de inhoud van besluiten in het kader van de bijzondere bijstand toetst. Daardoor treedt de beroepsrechter niet in de bestuurlijke gemeentelijke bevoegdheden betreffende de afstemming op de individuele situatie. Voorts geldt dat vanuit de gehoudenheid van de beroepsrechter aan de wet er geen besluiten kunnen worden genomen waarbij, zoals bij categoriale bijzondere bijstand, geen individuele toets plaatsvindt op de aanwezigheid en de noodzaak van de kosten.

     De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet het verschil tussen categoriale bijzondere bijstand en individueel bepaalde bijzondere bijstand aan de hand van enkele voorbeelden te expliciteren. Zij vragen het kabinet de veronderstelling te beoordelen dat door het niet meer mogelijk zijn van categoriale bijzondere bijstand de uitvoeringskosten voor gemeenten toenemen. De leden van de D66-fractie vragen of het maken van beleidsregels niet zal leiden tot het de facto ontstaan van nieuwe categorieën voor bijzondere bijstand. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet bij benadering kan aangeven welke extra uitvoeringskosten zijn verbonden aan het afschaffen van de categoriale bijzondere bijstand.

     Een voorbeeld van het verschil tussen categoriale en individuele bijzondere bijstand is, in aanvulling op wat vermeld is ter zake van chronisch zieken en kosten van kinderen, de vergoeding voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Bij categoriale bijzondere bijstand betreffen de gemeentelijke regels de vergoeding van een vast bedrag en de door de gemeente aangewezen categorie van personen die voor die vergoeding in aanmerking komt. Deze personen ontvangen de vergoeding zonder dat wordt nagegaan of, en zo ja, welke kosten zij daadwerkelijk maken. Wie geen kosten heeft, krijgt eenzelfde vergoeding als degene die hogere kosten heeft dan de vergoeding.
     Bij individuele bijzondere bijstand kan de gemeente beleidsregels opstellen betreffende de omstandigheden waaronder de aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt, bijvoorbeeld een onvoorziene verhuizing of meerdere vervangingsuitgaven in een kort tijdsbestek. Ook kan de gemeente normbedragen vaststellen, dat wil zeggen aangeven tot welk bedrag de kosten maximaal vergoed worden. Een normbedrag onderscheidt zich van een forfaitair bedrag doordat het aangeeft tot welk bedrag daadwerkelijk gemaakte kosten maximaal vergoed worden. Bij een forfaitair bedrag ontbreekt de band tussen de vergoeding en de daadwerkelijk gemaakte kosten.
     Beleidsregels kunnen er inderdaad toe leiden dat er bij de individuele bijzondere bijstand categorievorming ontstaat rond bepaalde kosten. Een voorbeeld hiervan is een categorie die kosten heeft in verband met chronische ziekte of met schoolgaande kinderen. Bij de beleidsregels zijn gemeenten echter gehouden aan het kenmerkend onderscheid tussen individuele en categoriale bijzondere bijstand, namelijk dat alleen voor daadwerkelijk gemaakte kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en dat niet getreden mag worden in het aan het Rijk voorbehouden generieke inkomensbeleid. Door beleidsregels op te stellen, maakt de gemeente een meetlat voor het maatwerk. Toetsing van de individuele omstandigheden van de aanvrager aan deze meetlat bepaalt welk bedrag er aan individuele bijzondere bijstand wordt verstrekt.
    
rblz.|67| Als de gemeente de beleidsregels kenbaar maakt, bijvoorbeeld via een voorlichtingsfolder, dragen de regels niet alleen bij aan een effectieve en efficiënte uitvoering, maar dragen zij ook bij aan de rechtszekerheid en aan het terugdringen van niet-gebruik. De burger weet dan namelijk waar hij aan toe is.
     Met betrekking tot de uitvoeringskosten voor de gemeenten merkt het kabinet het volgende op. Tegenover de gevolgen die de individuele toets voor de uitvoering kan hebben, staat dat de uitvoeringskosten voor de categoriale bijzondere bijstand vervallen en dat de introductie van de langdurigheidstoeslag naar verwachting de druk op de uitvoering van de individuele bijzondere bijstand zal doen afnemen. Voorts biedt de Wwb de gemeenten de mogelijkheid om op effectieve en efficiënte wijze invulling te geven aan de uitvoering van de bijzondere bijstand.

     De leden van de CDA-fractie vragen wat de bezuiniging in 2004 van €|150 miljoen op het budget voor de bijzondere bijstand betekent voor het armoedebeleid van de gemeenten. Kunnen gemeenten naar het oordeel van het kabinet deze bezuiniging opvangen, doordat ze besparingen kunnen realiseren op andere onderdelen van de uitgaven tengevolge van de Wwb. Hoe beoordeelt het kabinet de uitspraak van sommige gemeenten dat door de bezuiniging van €|150 miljoen op de bijzondere bijstand het gemeentelijk armoedebeleid zwaar onder druk komt te staan?

     De verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand maakt onderdeel uit van een reeks van maatregelen die het kabinet heeft genomen ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Bij de verlaging is rekening gehouden met het sterk gedaalde aantal Abw-ers en de gestegen uitgaven voor bijzondere bijstand, tot een niveau per Abw-er vergelijkbaar aan dat van midden jaren negentig.
     In beleidsmatig opzicht worden gemeenten in het Hoofdlijnenakkoord geen beperkingen opgelegd. Uiteraard moeten gemeenten wel rekening houden met de in de Wwb voorziene afschaffing per 2004 van categoriale regelingen. Indien een gemeente ervoor kiest haar beleid te handhaven, zal ze wel alternatieve financiering moeten vinden. Desgewenst kan zij hiervoor ook een eventueel overschot op het inkomensdeel aanwenden. Door de invoering van de Wwb en de afschaffing van de categoriale regelingen worden gemeenten nog sterker dan thans aangezet zich te richten op reïntegratie als beste middel om armoede te bestrijden en hun middelen voor armoedebestrijding zo gericht mogelijk in te zetten voor individueel maatwerk voor de meest kwetsbare groepen, met vermijding van armoedevaleffecten. Dit spoort met de lijn in het nieuwe Nationaal actieplan bestrijding armoede en sociale uitsluiting (in juli 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden). Voorts wordt hiermee de in het Strategisch Akkoord ingezette lijn bestendigd dat het primaat voor het generieke inkomensbeleid bij het Rijk ligt.


Schuldhulpverlening

     De leden van de CDA-fractie wensen een gemotiveerde uitleg waaruit, naar het oordeel van het kabinet, schuldhulpverlening betaald moet worden: uit de bijzondere bijstand of uit het werk- of inkomensdeel. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of gemeenten schuldhulpverlening dienen te financieren uit het bijstandsbudget, aangezien schuldhulpverlening een noodzakelijke voorwaarde kan zijn voor activering.
     De leden van de fractie van de ChristenUnie informeren in dit kader voorts naar de mogelijkheden van integrale schuldhulpverlening onder het regime van de nieuwe wet.

     rblz.|68| Integrale schuldhulpverlening is een taak van de gemeenten. Voor de financiering van de schuldhulpverlening kan de gemeente gebruik maken van het fictief budget bijzondere bijstand in de algemene uitkering uit het gemeentefonds of van eigen gemeentelijke middelen. Financiering uit het werkdeel is mogelijk voor zover schuldhulpverlening wordt ingezet als voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling. Daarbij geldt dan wel dat het niet mag gaan om uitvoeringskosten en dat de werkzaamheden conform artikel 7 [7], vierde lid, Wwb moeten worden uitgevoerd door derden. Financiering uit een overschot op het inkomensdeel is eveneens mogelijk.

     De leden van de PvdA-fractie willen weten wat de besteding van het budget bijzondere bijstand was in 2001 en 2002. Hoeveel individuele bijzondere bijstand werd aan welke kostensoorten besteed? Hoeveel geld werd uitgegeven aan categoriale bijstand, hoeveel aan woonlasten en ziektekosten, hoeveel aan ouderen? Hoeveel werd besteed aan niet-bijstandsgerechtigden, kosten van kinderen en schuldhulpverlening?

     De door deze leden gevraagde gegevens over de besteding van het fictief budget bijzondere bijstand worden vastgelegd in de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid (MGA). Over 2001 en 2002 zijn momenteel nog geen gegevens beschikbaar. Wel is het streven om de MGA 2001 vóór de plenaire behandeling van het het wetsvoorstel Wwb naar de Tweede Kamer te sturen. De MGA 2002 komt in de loop van 2004 beschikbaar.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of een overzicht kan worden gegeven van wat er in de afgelopen tien jaar aan middelen aan het gemeentefonds is toegevoegd op titel van (categoriale) bijzondere bijstand? Kan een overzicht worden verstrekt van de afgelopen tien jaar, waarin de uitgaven bijzondere bijstand per bijstandsgerechtigde worden gepresenteerd? Kan aangegeven worden wat gemiddeld per cliënt de uitvoeringskosten zijn voor de bijzondere bijstand en de categoriale bijzondere bijstand?

     In de onderstaande tabel staan de middelen die vanaf 1994 tot en met 2003 aan het gemeentefonds zijn toegevoegd op titel van (categoriale) bijzondere bijstand. Deze toevoegingen zijn exclusief accres en niet cumulatief. De bedragen voor de jaren 1995 tot en met 1997 hebben betrekking op een vergoeding als gevolg van overheveling van taken van de bijstand naar de bijzondere bijstand. De bedragen sinds 1998 zijn voor armoedebestrijding in brede zin.

Bedragen in miljoen euro:

Jaar 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003
Bedrag   20,4 20,4 20,4 113,4 44,9 0 11,3 0,3 20 ¹

1. Deze toevoeging is eenmalig en betreft de in het najaarsakkoord afgesproken langdurigheidstoeslag 2003.

 
     Over de uitgaven uit het fictief budget bijzondere bijstand en het aantal ontvangers van algemene bijstand zijn de volgende gegevens beschikbaar:

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1995 1996 1997 1998 1999 2000
Uitgaven fictief budget bijzondere bijstand (x miljoen euro) 143,8 223,0 306,6 354,2 364,7 404,8
Aantal ontvangers algemene bijstand (x 1000) 510 498 451 412 380 352

rblz.|69| 
     Noch over de uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand, noch over die van de categoriale bijzondere bijstand zijn gegevens beschikbaar.

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet naar de argumenten om de gemeenten niet meer toe te staan om een collectieve verzekering af te sluiten.

     Zoals hiervoor al is aangegeven, hanteert het kabinet het uitgangspunt dat, omwille van de eenduidigheid en ter voorkoming van precedentwerking, alle categoriale regelingen dienen te worden afgeschaft. Voor de overwegingen die ertoe hebben geleid dat voor de collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen een uitzondering is gemaakt in de Invoeringswet, verwijzen wij naar de toelichting bij artikel 10 van die wet. Daar is onder meer aangegeven dat het vaak gaat om langer lopende contracten die bezwaarlijk door de gemeente eenzijdig kunnen worden beëindigd

     De leden van de PvdA-fractie vragen naar de voorwaarden en argumenten waaronder en waarom de gemeenten zelf hun risico’s effectief en efficiënt kunnen verzekeren. Wanneer en op welke gronden wil het Rijk de gemeenten dwingen tot kostbare uitvoeringprocedures, zoals de individuele verstrekking. Zou het in dat geval niet logisch zijn dat de rijksoverheid de uitvoeringskosten van individuele bijstand zelf betaalt, zo vragen deze leden.

     Het kabinet ziet een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering niet als een verzekering van een risico van de gemeente. Bij een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering is het de belanghebbende die zich tegen ziektekosten verzekert en niet de gemeente die zich verzekert tegen de gevolgen van de - moeilijk als risico aan te duiden - wettelijke verplichting om bijstand te verlenen voor medische kosten.
     De collectieve aanvullende verzekering mag geen afbreuk doen aan het uitgangspunt dat bij de verlening van bijzondere bijstand de specifieke omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval bepalend zijn.¹ De uitvoeringskosten van de bijzondere bijstand zijn begrepen in het fictief budget bijzondere bijstand.

1. Zie Circulaire van de Minister van SZW van 31 augustus 1999, kenmerk BZ/UK/99/51103.

     De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet om een onderbouwing van hun stelling als zou er bij categoriale bijstand voor chronisch zieken en kinderen sprake zijn van de armoedeval.

     Van een armoedeval is ook sprake bij categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en kosten van kinderen die mede wordt verleend aan mensen met inkomsten uit arbeid. Dat is geen gevolg van de aard van de kosten of het inkomen, maar van het feit dat de categoriale bijzondere bijstand stopt als een bepaalde inkomensgrens wordt overschreden. Dat gaat dan ten koste van het besteedbare meerinkomen boven die inkomensgrens en kan zelfs leiden tot een lager besteedbaar inkomen dan vóór de overschrijding van de inkomensgrens. De armoedeval doet zich niet alleen voor bij werkaanvaarding, maar ook bij urenuitbreiding of loonsverhoging.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of en hoe de gemeenten gecompenseerd worden voor de toename van de uitvoeringskosten voor de bijzondere bijstand. Zij vragen tevens naar de raming van de VNG en Divosa over de meerkosten voor het verstrekken van individuele bijzondere bijstand

     De invoering van de Wwb heeft geen invloed op de vergoeding van de uitvoeringskosten bijzondere bijstand. Van de VNG en Divosa is geen rblz.|70| raming ontvangen over meerkosten voor het verstrekken van bijzondere bijstand.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of gemeenten individuele cliënten een forfaitair bedrag mogen geven voor een omschreven doel als bijzondere bijstand, zonder het overleggen vooraf of achteraf van bonnetjes.

     Met de afschaffing van de categoriale bijzondere bijstand krijgt de individuele bijzondere bijstand weer het oorspronkelijke maatwerkkarakter terug. Maatwerk vereist een meetlat. De Wwb biedt de gemeenten ruime mogelijkheden om een efficiënte en effectieve meetlat te maken, zowel inhoudelijk als procedureel. Beleidsregels en werkinstructies zijn bij de verlening van bijzondere bijstand van groot belang, zoals ook is aangegeven in het nader rapport. De kwaliteit van beleidsregels en werkinstructies is mede bepalend voor de druk op de uitvoering.
     Het is aan de gemeente om te bepalen hoe wordt vastgesteld en vastgelegd dat de belanghebbende de kosten daadwerkelijk gemaakt heeft. De gemeente kan bijvoorbeeld kiezen voor steekproefsgewijze controle, controle boven een bepaald bedrag en/of controle op basis van risicoprofielen. Ook kan de gemeente ervoor kiezen om de controle niet afzonderlijk uit te voeren, maar die te laten samenvallen met een ander contact met de cliënt, bijvoorbeeld bij een heronderzoek.
     Verstrekking van forfaitaire bedragen past niet bij individuele bijzondere bijstand. Dit is namelijk strijdig met het uitgangspunt dat bij de verlening van bijzondere bijstand de specifieke omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval bepalend zijn. Gemeenten kunnen wel, zoals zij nu ook al doen, werken met normbedragen.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of de mogelijkheid van een woonlastenfonds in stand blijft.

     Woonlastenfondsen waarbij het huursubsidiebeleid - dat, evenals onder de Abw, onder de Wwb als voorliggende voorziening geldt - doorkruist wordt, c.q. waarbij forfaitaire vergoedingen worden verstrekt, kunnen onder de Wwb niet in stand blijven. Gemeenten houden de bevoegdheid om, al dan niet met toepassing van normbedragen, individuele bijzondere bijstand te verlenen voor woonkosten verbonden aan een eigen woning. Ook voor hoge energielasten in verband met ziekte of handicap is en blijft individuele bijzondere bijstand mogelijk.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel iets aan de bevoegdheden van de gemeenten wijzigt om een eigen minimabeleid te voeren. Deze leden gaan er overigens van uit dat deze principes die onderdeel vormen van het grondwettelijk recht van de gemeenten tot het voeren van hun eigen financiële huishouding in stand blijven.

     Het gemeentelijk minimabeleid omvat meerdere regelingen, te weten kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen, schuldhulpverlening, maatschappelijke participatie (stadspassen en dergelijke) en categoriale regelingen die niet onder de bijzondere bijstand vallen. Evenals aan categoriale regelingen die wél onder de bijzondere bijstand vallen, maakt het wetsvoorstel een einde aan de categoriale regelingen die níet onder de bijzondere bijstand vallen. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is er op dit punt geen ruimte voor eigen gemeentelijk beleid.
     Het voorliggende wetsvoorstel brengt geen verandering voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen, de schuldhulpverlening en de voorzieningen voor maatschappelijke participatie. Voor de voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals stadspassen, geldt dat die, evenals in de bestaande situatie, uitsluitend betrekking
rblz.|71| mogen hebben op sociaal-culturele en sportieve activiteiten. Het kan dus niet zo zijn dat onder de noemer "voorziening voor maatschappelijke participatie" andersoortige verstrekkingen worden gedaan die liggen op het vlak van de afgeschafte categoriale regelingen en waaraan de bezwaren kleven die voor het kabinet aanleiding zijn om de categoriale regelingen af te schaffen.

     Als gevolg van het schrappen van het gebruikersdeel van de OZB zal de kwijtschelding van deze OZB vrijvallen binnen het gemeentelijk budget voor het minimabeleid. Hoe groot is dat landelijk gezien, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

     In 2000 was met de kwijtschelding van OZB-gebruikers een bedrag gemoeid van €|38 miljoen.¹ Bij afschaffing van de OZB vindt compensatie via het gemeentefonds plaats. In de berekening hiervoor zal dit bedrag worden meegenomen.

1. Bron: MGA 1999-2001. Het streven is de MGA 2001 vóór de plenaire behandeling van de Wwb naar de Tweede Kamer te sturen.

     De leden van de PvdA vragen hoe het kabinet het Nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (NAP) verder wil uitvoeren en doelstellingen wil halen nu gemeenten geen middelen meer hebben om armoedebestrijding, schuldhulpverlening en budgetbeheer te financieren.

     Het NAP 2003, zoals dit begin juli jl. aan de Tweede Kamer is aangeboden, geeft overheidsbreed streefdoelen en beleidsmaatregelen voor komende jaren weer, waarbij wordt ingegaan op de terugdringing van zowel financiële als niet-financiële risico’s op armoede. Deze streefdoelen worden onder de verantwoordelijkheid van diverse departementen uitgevoerd en gefinancierd. De gemeenten kunnen, zoals eerder in deze paragraaf is aangeven op vragen van de fracties van CDA en ChristenUnie, hiervoor zo nodig zowel het werkdeel als het inkomensdeel inzetten.

     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de gemeenten de nieuwe risico’s voor de bijstand, de afbraak van de bijzondere bijstand en de indirecte afbraak van het gemeentelijke armoedebestrijdingbeleid moeten financieren. Hoe betrouwbaar is de rijksoverheid in de ogen van mensen als de bijzondere bijstand in één keer met 45% bijna wordt gehalveerd, zo vragen deze leden.

     Het kabinet onderschrijft het standpunt van de leden van de PvdA-fractie dat de omzetting van beleid niet van de ene op de andere dag kan gebeuren. Het tijdstip (junicirculaire 2003 Gemeentefonds) waarop de gemeenten van de verlaging van het fictief budget bijzondere bijstand kennis hebben kunnen nemen, stelt hen in staat om het beleid tijdig bij te stellen en die bijstelling aan de burgers kenbaar te maken. Het kabinet merkt hierbij verder op dat verstrekkingen in het kader van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid veelal een incidenteel karakter hebben en dus voor gemeenten meestal geen langer lopende verplichtingen met zich meebrengen.

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet waarom gemeenten niet zelf mogen afwegen of zij aan individuen dan wel aan groepen van individuen bijzondere bijstand verstrekken. Verder verwachten deze leden extra bureaucratische lasten. Ten slotte begrijpen de leden het argument van de rechtsongelijkheid niet. Om genoemde drie redenen, waarmee wordt aangesloten bij kritiek van onder meer Divosa, vragen de leden van de fractie van GroenLinks een beter beargumenteerde onderbouwing van dit wetsartikel.

     rblz.|72| De stelling van de leden van de fractie van GroenLinks dat de afschaffing van de categoriale regelingen ingaat tegen de decentralisatiegedachte van de Wwb doet niet af aan de overwegende bezwaren die aan deze regelingen zijn verbonden en die de aanleiding zijn voor de afschaffing. Categoriale regelingen leiden niet alleen tot rechtsongelijkheid tussen gemeenten onderling, maar ook tot rechtsongelijkheid binnen een gemeente. Categoriale regelingen gaan a priori uit van gelijkheid tussen mensen die tot een bepaalde categorie behoren en gaan voorbij aan de individuele situatie. Dat leidt ertoe dat mensen die in ongelijke situaties verkeren gelijk worden behandeld. Zo krijgen mensen die geen kosten hebben eenzelfde verstrekking als mensen die hogere kosten hebben dan de verstrekking. Wij merken dit evenzeer aan als rechtsongelijkheid als wanneer mensen die in een gelijke situatie verkeren ongelijk worden behandeld.
     Voor het antwoord op de vraag over bureaucratische lasten verwijst het kabinet deze leden naar het tweede antwoord van deze paragraaf.

 

4.5. Budgetbeheer en bijstand in natura  [MvTV]


Bijstand in natura

     De leden van de PvdA-fractie vragen wie bepaalt of iemand aantoonbaar niet in staat is om zelf te voorzien in de essentiële algemene levensbehoeften en of zo iemand tegen zo’n beslissing in beroep kan gaan. Zij vragen tevens hoe artikel 46 [46] zich verhoudt tot de bepaling over bijstand in natura. Deze leden vragen of het kabinet de mening deelt dat als regel het verstrekken van bijstand in natura een taak is van mensen uit het zorgcircuit en niet van de ambtenaar van de sociale dienst. Tevens vragen zij wat de huidige omvang is van de groep dak- en thuislozen in de bijstand en welk percentage van de dak- en thuislozen in de bijstand naar verwachting een bijstandsuitkering in natura zal verkrijgen?

     Het kabinet is van mening dat primair gemeenten beoordelen of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Bijstand in natura is een vorm van bijstandverstrekking waarbij de uitkering geheel of gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar rechtstreeks in de vorm van goederen en/of diensten wordt verstrekt. Bijstand in natura doet niets af aan de hoogte van de bijstand waar de belanghebbende recht op heeft. Bijstand in natura blijft daarmee bijstandverlening, waarvan het primaat bij de gemeenten ligt. Dit laat onverlet dat gemeenten over de uitwerking en de nadere vormgeving van bijstand in natura afspraken kunnen maken met diverse (zorg)instanties.
     De belanghebbende kan, indien hij het er niet mee eens is dat zijn uitkering geheel of ten dele in natura wordt verstrekt, via de reguliere weg bezwaar en beroep aantekenen tegen het besluit van de gemeente. Hiermee is een onafhankelijke toets op de rechtmatigheid van de naturaverstrekking gewaarborgd.
     In het wetsvoorstel is aangegeven dat de gemeente bijstand in natura kan verstrekken indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Indien deze gronden niet aanwezig zijn, kan de bijstand niet in natura worden verstrekt. Het inhouden dan wel reserveren van een deel van het inkomen voor niet-noodzakelijke uitgaven of niet-directe levensbehoeften is dan slechts toegestaan met een machtiging van de belanghebbende.
     In artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, staat aangegeven dat een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, steeds herroepelijk is en dat elk hiermee strijdig beding nietig is. In het wetsvoorstel wordt aan gemeenten de uitdrukkelijke
rblz.|73| bevoegdheid gegeven om in voorkomende gevallen bijstand in natura te verstrekken. Voor deze verstrekking behoeft de gemeente geen machtiging van de belanghebbende te vragen. Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is derhalve niet van toepassing op bijstand in natura.
     Uit CBS-cijfers blijkt dat ultimo 2001 2680 personen zonder vaste woon- of verblijfplaats een bijstandsuitkering ontvingen. In deze groep vallen ook personen die beroepshalve geen vaste woon- of verblijfplaats hebben, zoals binnenschippers en kermisexploitanten die in een woonwagen wonen. Het aantal daken thuislozen met een bijstandsuitkering wordt geschat op 2500. Het aantal dak- en thuislozen dat naar verwachting een bijstandsuitkering in natura zal verkrijgen, is niet bekend. Omdat bijstand in natura voor gemeenten een nieuw instrument is, zal de praktijk moeten uitwijzen hoe vaak en bij wie gemeenten dit instrument zullen gaan toepassen.


Budgetbeheer

     De leden van de PvdA vragen of de gemeenten verplicht zijn om budgettering te leveren aan een cliënt die daarom vraagt en aantoonbaar kan laten zien dat hulp in het budgetteren nodig is. Deze leden vragen wanneer en op welke gronden de gemeente budgettering kan weigeren. De leden van de CDA-fractie vragen of bij schuldsanering de niet met een cliënt gemaakte afspraken door hem eenzijdig kunnen worden opgezegd.

     Budgetbeheer - het uit naam van de belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand - is primair gericht op het voorkomen van betalingsachterstanden dan wel het verder oplopen daarvan en is daarmee onderdeel van het minnelijke traject schuldhulpverlening. De minnelijke schuldhulpverlening kent geen centrale wettelijke kaders. De rol die de rijksoverheid bij de minnelijke schuldhulpverlening speelt, is daar waar nodig gericht op facilitering, subsidiering en stimulering van de gemeentelijke uitvoering en niet op regulering daarvan. Het kabinet is van mening dat een plicht voor gemeenten om budgetbeheer te leveren niet past binnen deze kaders. De gemeente bepaalt dus in welke gevallen tot budgetbeheer wordt overgegaan. Tegen het besluit ter zake bestaat voor de cliënt de reguliere mogelijkheid van bezwaar en beroep.

     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, zich verhoudt tot de keuze van de gemeente om tot budgettering over te gaan en of die keuze herroepbaar is. Deze leden vragen wat de extra kosten van budgettering zijn, waaruit deze kosten worden betaald en hoeveel gemeenten de budgettering uitvoeren dan wel overlaten aan bijvoorbeeld de stadsbank.

     De specifieke uitvoeringskosten waar deze leden naar vragen, zijn niet bekend. Gemeenten dienen de met budgetbeheer gemoeide uitvoeringskosten, net als de overige uitvoeringskosten van de Wwb, te betalen uit de vrij besteedbare middelen van het gemeentefonds. Er worden geen extra middelen toegevoegd aan het gemeentefonds. Het is evenmin bekend hoeveel gemeenten het budgetbeheer overlaten aan de stadsbank.
     Budgetbeheer is, in tegenstelling tot bijstand in natura, geen vorm van bijstandverlening. Artikel 46 [46], vierde en vijfde lid, is dus niet aan de orde bij budgetbeheer.

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet hoe zij het mogelijk achten dat, door een dergelijke paternalistische maatregel, voor mensen de stap van uitkeringsafhankelijkheid naar economische en maatschappelijke zelfstandigheid eenvoudiger kan worden. Daarnaast vragen zij de kabinet te reageren op argumenten van bijvoorbeeld de directeur van rblz.|74| Bouwman Verslavingszorg, namelijk dat verslaafden zich volledig zullen afkeren van de lokale overheid, onzichtbaar worden voor het lokaal gezag en, mogelijk, hun heil zullen zoeken in de criminaliteit.
     De leden van de fractie van de ChristenUnie verzoeken het kabinet te reageren op de door sommigen geuite zorg dat dak- en thuislozen op een illegale manier zullen trachten aan geld te komen als hun uitkering geheel in natura wordt uitgekeerd.

     Naar de mening van het kabinet krijgen gemeenten met deze regeling een instrument om voor bepaalde kwetsbare groepen meer maatwerk te kunnen leveren. Uitgangspunt daarbij is dat geen enkele uitkeringsgerechtigde als afgeschreven en onbemiddelbaar wordt beschouwd. Vanuit dit uitgangspunt hebben gemeenten de (zorg)plicht om kwetsbare groepen op weg te helpen naar reïntegratie. Bijstand in natura voorziet in een vangnet voor de eerste primaire noodzakelijke bestaanskosten, waardoor (verder) afglijden in de maatschappij kan worden voorkomen. Met individueel maatwerk kan ervoor worden gezorgd dat met inzet van de uitkering een slaapplaats en voedsel kan worden geboden. Dit draagt naar de mening van het kabinet bij aan een snellere reïntegratie. Goede samenwerking tussen gemeenten en hulpverleningsinstanties zal moeten voorkomen dat mensen crimineel gedrag gaan vertonen of op een illegale manier aan geld proberen te komen.

     De leden van de fractie van GroenLinks vragen of, als het om de hulp aan verslaafden gaat, hoe de verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt geoperationaliseerd als het gaat om de maatschappelijke opvang en de hulp aan verslaafden die willen afkicken.

     Het kabinet verwijst naar het rapport van de werkgroep Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Maatschappelijke Opvang dat door het kabinet vóór 1 oktober 2003 met de kabinetsreactie hierop aan de Tweede Kamer wordt toegezonden.

 

4.6. Armoedeval  [MvTV]


     De leden van de PvdA-fractie vragen of het juist is dat de mensen die categoriale bijstand krijgen in het wetsvoorstel nog steeds individuele bijzondere bijstand kunnen aanvragen in bijzondere omstandigheden.

     Deze mogelijkheid bestaat omdat de categoriale bijzondere bijstand betrekking kan hebben op een andere kostencategorie dan de kosten waarvoor individuele bijzondere bijstand wordt gevraagd.

     De leden van de PvdA-fractie vragen of een gekwantificeerd overzicht kan worden gegeven van de voorgestelde maatregelen en de uitwerking op de armoedeval waarbij onderscheid wordt gemaakt naar alleenstaande moeders met kinderen onder de 5 jaar, chronisch zieken en gehandicapten en arbeidsongeschikten. Deze leden vragen naar het aantal huishoudens dat naar de opvatting van de kabinet in aanmerking komt voor de lang-laaguitkering en naar het aantal mensen met een WAO-, Wajong-, Anw-uitkering respectievelijk een bijstandsuitkering?

     Het effect van de voorgestelde maatregelen op de armoedeval wordt in belangrijke mate bepaald door het gevoerde gemeentelijk beleid en het huishoudtype waartoe de betrokkene behoort. Het gebruik van de categoriale regelingen kent namelijk een grote spreiding en de omvang van de verstrekkingen hangt sterk af van de invulling die gemeenten hieraan hebben gegeven. Ook speelt een rol in welke mate de gemeente de categoriale regelingen openstelde voor werkenden en of zij deze doelgroep rblz.|75| heeft kunnen bereiken. Gemiddeld lag de omvang van het jaarlijkse bedrag aan categoriale regelingen per huishouden op €|130,-. Over het algemeen hebben werkenden in mindere mate van de categoriale regelingen geprofiteerd; uit onderzoek is gebleken dat zij veelal niet door de gemeente werden bereikt. Alleenstaanden met een baan op het niveau van het minimumloon ontvingen, gegeven hun netto-inkomen in vergelijking met het inkomen uit een uitkering, veelal geen categoriale aanvulling. Voor deze groep neemt de armoedeval dus met gemiddeld €|130,- af.
     Voor alleenstaande ouders kan het effect op de armoedeval kleiner zijn, omdat zij ook als ze werken in aanmerking konden komen voor categoriale tegemoetkomingen en mogelijk wel door de gemeenten bereikt zijn. Bezien over de hele linie zal het afschaffen van categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar een positief effect hebben op de armoedeval, dat echter niet eenduidig te kwantificeren is.
     Voor alleenstaande ouders speelt daarnaast het vervallen van de vrijlating van arbeidsinkomsten. Voor alleenstaande ouders met inkomsten uit arbeid naast de bijstandsuitkering leidde deze vrijstelling tot een inkomen boven de norm. Dit belemmerde de mogelijkheid tot volledige uitstroom. De nieuwe systematiek waarbij wel een aantal fiscale heffingskortingen worden vrijgelaten leidt tot een aanzienlijke vermindering van de armoedeval. Zie de grafiek in paragraaf 4.2 van deze nota. Daarnaast kan de armoedeval verkleind worden als gemeenten premies verstrekken. Het uiteindelijke gekwantificeerde effect op de armoedeval is hiermee afhankelijk van de mate waarin de gemeente daadwerkelijk ook aan werkende alleenstaande ouders categoriale bijstand verstrekten, van de mate waarin naast de bijstandsuitkering ook inkomen uit arbeid wordt ontvangen en van de wijze waarop gemeenten de mogelijkheden voor premieverstrekkingen benutten.
     Voor chronisch zieken en gehandicapten is van belang dat de langdurigheidstoeslag voor langdurige sociale minima zonder arbeidsperspectief een extra tegemoetkoming biedt. De armoedeval zou toenemen indien deze toeslag ook terecht zou komen bij mensen voor wie inkomen uit arbeid een alternatief zou zijn.
     Het totaal aantal huishoudens dat in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag is geraamd op 143 000 huishoudens. Daarvan zijn er 20 000 WAO-gerechtigden, 11 500 Wajong-gerechtigden, 1600 Anw-gerechtigden en 106 000 bijstandsgerechtigden.

     De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat de kabinet de armoedeval wil oplossen door de armoede te vergroten. De leden stemmen in met het beginsel dat "werk moet lonen", maar zien betere oplossingen om de stap van uitkering naar werk, ook in financieel opzicht, aantrekkelijker te maken. Zo vragen zij de kabinet te beoordelen of invoering van een negatieve inkomstenbelasting (earned income tax credit) en de fiscalisering van inkomensafhankelijke regelingen, als de kinderbijslag en de huursubsidie, niet een groter effect hebben als incentive om betaald werk te accepteren.

     Het kabinet deelt niet de opvatting van deze leden dat het de armoede vergroot om daarmee de armoedeval op te lossen. De maatregelen in de Wwb om de armoedeval tegen te gaan, staan niet op zichzelf. Zij maken onderdeel uit van de verdere aanpak van de armoedeval, die het inkomensbeleid van het kabinet kenmerkt. Een aantal van de door de leden van deze fractie genoemde maatregelen maakt onderdeel uit van die aanpak. Zo wordt de huidige kinderkorting meer glijdend inkomensafhankelijk gemaakt en zal een aan de belastingdienst gelieerde uitvoeringsinstantie inkomensafhankelijke regelingen gaan uitvoeren.

rblz.|76| 

5. Financiering  [MvTV]


5.1. Financieringssystematiek  [MvTV]


Algemeen

     De leden van de fracties van PvdA en GL vragen het kabinet om uiterlijk medio augustus het concept-Besluit financieringssystematiek Wwb voor te leggen.

     De inhoud van het concept-besluit is meegezonden met deze nota.


Vaststelling macrobudget

     De leden van de PvdA-fractie hebben aarzelingen bij de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld en de waarborgen die conjuncturele invloed zouden beperken. Ze refereren hierbij aan de premisse van het kabinet dat er een onderscheid te maken is tussen conjuncturele en beleidsmatige toename van het bijstandsvolume en de reïntegratieactiviteiten van gemeenten. De leden van de PvdA-fractie vragen naar het openbaar maken van het SEOR-rapport.

     Bij de raming van het macrobudget wordt rekening gehouden met niet door gemeenten te beïnvloeden factoren zoals conjunctuur en wijzigingen in het rijksbeleid. Door in september van het uitvoeringsjaar aan de hand van een actuele raming het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar beneden aan te passen, wordt geborgd dat het macrobudget in de pas loopt met de economische conjunctuur. Het kabinet is van mening dat de gehanteerde methodiek voldoende waarborgt dat de macrobudgetten van de opeenvolgende uitvoeringsjaren meelopen met de economische conjunctuur. In paragraaf 5.1.1 wordt nader ingegaan op de wijze waarop de gemeentelijke budgetten worden vastgesteld.
     De Kamer is bij de indiening van het wetsontwerp Wwb het rapport toegezonden "Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000" (februari 2003, APE). Vermoedelijk wordt door de leden van de PvdA-fractie gerefereerd aan het onderzoeksrapport van hetzelfde onderzoeksbureau dat het resultaat weergeeft van de vervolgopdracht dat aan dit bureau is verstrekt teneinde te komen tot technische verbeteringen van het objectief verdeelmodel van februari 2003. Dit rapport is tegelijkertijd met deze nota meegezonden naar de Tweede Kamer.


Balans bevoegdheden en financiële verantwoordelijkheden

     De leden van de PvdA-fractie nodigen het kabinet uit de vormgeving van de financieringssystematiek opnieuw te bezien gezien de twijfels die deze leden hebben over het evenwicht tussen de mate van beïnvloeding van het bijstandsvolume en de zwaarte van de incentives voor de gemeenten. Deze leden vragen zich af of het eigen risico van de gemeente in verhouding staat tot het draagvlak van de gemeente binnen de eigen begroting. Ook de leden van de D66-fractie vragen zich af in hoeverre de balans is gevonden tussen gemeentelijke bevoegdheden en financiële verantwoordelijkheid.

     Door de vergaande decentralisatie binnen de Wwb krijgen gemeenten de volledige verantwoordelijkheid, de ruimte en de middelen voor het voeren van een actief beleid om bijstandsgerechtigden zo kort mogelijk in de uitkering te laten zitten. Bij een vergaande verantwoordelijkheid voor het beleid past ook een eigen budget en daarmee een vergaande financiële verantwoordelijkheid. Hiermee ervaren gemeenten de gevolgen van hun rblz.|77| beleid en wordt actief beleid beloond. De beleidsvrijheid en bijhorende financiële verantwoordelijkheden zijn daarmee aan elkaar verbonden. Met deze budgettering wordt vergaande deregulering mogelijk gemaakt ten aanzien van bijvoorbeeld de mate van toezicht en de uitvoeringsvoorschriften als de Rau 1996.
     Naar de opvatting van het kabinet worden de gemeenten in staat gesteld om de financiële verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk te dragen. Zo wordt het macrobudget op een deugdelijke wijze geraamd en heeft het kabinet vertrouwen in het geheel van de gehanteerde verdeelsystematiek. Dit geheel bestaat uit de verbeterde versie van het objectief verdeelmodel in combinatie met een gefaseerde invoering, een inperking vooraf van de herverdeeleffecten binnen een bandbreedte van 15% (zowel positief als negatief) en het vangnet van de hardheidsclausule achteraf. De inperking vooraf van de herverdeeleffecten betekent dat voor een gemeente het verschil tussen het historische kostenaandeel en het budgetaandeel als uitkomst van het objectief verdeelmodel niet méér mag bedragen dan 15% van het objectieve budgetaandeel.
     Bij de beantwoording in paragraaf 5.1.3 van de vraag naar de reactie van het kabinet op de aanbevelingen uit het Nyfer-rapport wordt nader ingegaan op het eigen risico in relatie tot het draagvlak binnen de gemeente.


Vergelijking andere landen

     De leden van de VVD-fractie vragen of er ook andere landen in Europa zijn die gebruik maken van een dergelijke manier van budgettering van hun sociale vangnet, en zo ja, wat hun ervaringen daarbij zijn.

     Binnen de landen van de Europese Unie zijn grote verschillen waarneembaar in de budgetteringssystematiek van het sociale vangnet.
     De uitvoeringsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland krijgen per jaar een budget toegewezen, maar moeten in ruil daarvoor aan een aantal beleidsdoelen ("targets") voldoen. Indien budgetten ontoereikend blijken te zijn, worden aanvullende middelen verstrekt door de overheid. De Scandinavische landen, Duitsland en Oostenrijk budgetteren niet, maar hebben de verantwoordelijkheid voor bijstands- en activeringsuitkeringen overgedragen aan de gemeenten. De gemeenten hebben de bevoegdheid om zelf de hoogte van de daartoe benodigde belasting vast te stellen en zijn ook verantwoordelijk voor het bijstandsbeleid. Het activeringsgedeelte wordt soms via rijkssubsidieprogramma’s (Scandinavië), soms via de arbeidsbureaus (Duitsland en Oostenrijk) ondersteund. In zekere zin is sprake van concurrentie tussen gemeenten om de belastingdruk laag te houden en daarmee is er een stimulans om de uitkeringslasten te beheersen.
     In de overige EU-landen wordt niet met stimuli in de financieringsstructuur inkomensdeel gewerkt. Wel moeten gemeenten in veel landen voor een (relatief klein) deel bijdragen in de kosten van de reïntegratie om de efficiënte uitvoering te garanderen.


5.1.1. Macrobudget  [MvTV]


Raming en vaststelling

     De leden van de PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop het macrobudget wordt vastgesteld en de waarborgen die de conjuncturele invloed zouden beperken. Zij stellen dat het kabinet heeft aangegeven dat gemeenten worden gecompenseerd voor zowel het conjunctuurrisico als de rijksbeleidsmaatregelen en vragen hoe dit zit.
     De leden van de PvdA-fractie willen een scherper beeld krijgen van de stijging van de lasten die voortkomt uit de groei van het bijstandsvolume de komende jaren. Daarom vragen deze leden om nadere ramingen van
rblz.|78| het volume-effect van het voorgenomen rijksbeleid en de effecten van de conjunctuur. Deze leden vragen aan het kabinet een prognose met doorrekening van het CPB [Centraal Planbureau, red.] voor wat betreft het volume in de komende acht jaar, de Abw-instroom, de beperking van de uitstroommogelijkheden op grond van bovengenoemd beleid en conjunctuur en de toename van de Ioaw en de Ioaz. Zij ontvangen deze prognose uiterlijk graag vóór 15 augustus a.s.
     De leden van de PvdA-fractie vragen naar de meerjarenprognose over de groei van het bijstandsbudget. Tevens vragen zij een meerjaren CPB-berekening tot en met 2007 waarin zijn opgenomen de conjuncturele effecten op de bijstand op basis van de groei van de werkloosheid en de voorziene groei vanwege rijksmaatregelen.
     De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere onderbouwing van de raming van het budget voor het inkomensdeel. Ook vragen de leden van de GroenLinks fractie in hoeverre hier rekening is gehouden met de voornemens in het Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot de WW en de WAO en wat de extra toestroom in de bijstand is als gevolg van de strengere normen voor toekenning van een WW- of WAO-uitkering. Deze leden vragen een reactie op hun stelling dat de rekening van macro-economische omstandigheden die slechter zijn dan voorspeld bij de gemeenten wordt neergelegd.
     De leden van D66 vragen zich af of de macrobudgetten zullen worden verhoogd wanneer de werkloosheid blijft stijgen als gevolg van de dalende conjunctuur. Deze leden vragen voorts of de omvang van het macrobudget toereikend zal zijn om 100% van de bijstandslasten af te dekken.

     Gelet op artikel 69 [69], tweede lid, Wwb heeft het kabinet de plicht bij de raming van het macrobudget de conjuncturele ontwikkeling en de effecten van beleidsmaatregelen te verwerken.
     Voor de komende jaren worden opwaartse bijstandsvolumes geraamd tengevolge van maatregelen in het Hoofdlijnenakkoord. Tengevolge van de WW-maatregelen is een weglek naar de bijstand geraamd van €|300 mln in 2007. Door maatregelen in de WAO is €|50 mln extra bijstandsuitgaven geraamd en door het afschaffen van de WAZ|75 mln in 2007. Het gevolg van de huidige laagconjunctuur is dat de werkloze beroepsbevolking (WBB) toeneemt. Daar de ontwikkeling van de WBB de indicator is op basis waarvan het bijstandsvolume wordt geraamd, zal een hogere WBB leiden tot meer bijstandsgerechtigden. Hiervoor wordt het beschikbare bijstandsbudget aangepast.
     De ontwikkeling van het bijstandsvolume wordt op landelijk niveau geraamd, niet voor regio’s. Via de verdeelsystematiek worden op basis van objectieve factoren - waaronder sociale infrastructuur - de gemeentelijke bijstandsbudgetten afgestemd op regionale ontwikkelingen.
     Het informatieverzoek van de leden van de PvdA-fractie is voorgelegd aan het CPB. Het CPB kan niet voorzien in ramingen met een termijn van acht jaar en op het niveau van instroom en uitstroom. Het kabinet acht een dergelijke exercitie ook niet zinvol, gezien de onzekerheid die gepaard gaat met prognoses over een dergelijk lange periode.
     Het kabinet meent dat het risico zeer beperkt is dat de gemeenten lopen van een in september niet-voorziene toename van het bijstandsvolume welke het gevolg is van conjunctuur en van gewijzigd rijksbeleid. Het vertrekpunt is het geraamde macrobudget. Bij de raming van het macrobudget wordt nauwkeurig de volume- en prijscomponent alsmede het effect van rijksbeleid geraamd. Dit macrobudget wordt in september van het lopend uitvoeringsjaar aangepast. Het op deze wijze geraamde macrobudget wordt vervolgens verdeeld over alle gemeenten op basis van de daartoe vastgestelde verdeelsystematiek. Het resultaat is dat elke gemeente een uitkering ontvangt waarin het effect van de conjunctuur en het gewijzigd rijksbeleid zitten, verwerkt.

     rblz.|79| De leden van de PvdA-fractie vragen of de eerste 10% van de conjuncturele risico’s niet bij de gemeente liggen.

     Wanneer het CPB in de loop van het jaar zijn raming van de werkloze beroepsbevolking naar boven of naar beneden bijstelt, leidt dat tot een evenredige bijstelling van het bijstandsbudget bij de definitieve vaststelling van het budget in september van het lopende jaar. Het conjuncturele risico in verband met de omvang van het macrobudget ligt daarom bij het Rijk.
     Voor gemeenten bestaat een budgettair risico wanneer de uitvoering van de Wwb tot hogere uitgaven leidt dan het gemeentelijk budget. Dit risico is echter niet conjunctureel van aard.


Rol CPB en CBS

     De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de wijze van vaststelling van het macrobudget door het Rijk zodanig is getoetst dat met een grote mate van zekerheid gesteld kan worden dat het macrobudget de werkelijkheid van het benodigde budget voor het inkomensdeel sterk benadert. Blijkt dit uit berekeningen die uitgevoerd zijn voor de jaren 1998 tot en met 2002?
     De leden van de PvdA-fractie vragen hoe betrouwbaar de CBS-ramingen en hoe betrouwbaar de ramingen van het CPB zijn als het gaat om te verwachten stijging van de Abw op grond van conjunctuur en rijksbeleid. Deze leden vragen het kabinet een overzicht te geven van de bijstandsvolumeramingen van 1999, 2000, 2001, 2002 en het eerste kwartaal van 2003 en een geactualiseerde prognose per 1 april 2003 via het CPB over de instroom van de bijstand op grond van de toename WW en de beperking toegang WAO. De leden van de PvdA-fractie merken voorts op dat de voorjaarsnota laat zien dat er een substantiële bijstelling van de Abw plaatsvindt. Zij vragen of die bijstelling per 1 september a.s. opnieuw plaatsvindt en welk risico de gemeenten lopen als het CPB er naast zit. Vindt achteraf geen enkele correctie plaats?
     Deze leden vragen waarom het tijdstip van de vaststelling van de raming is gekozen in september. Zij vragen het kabinet precies aan te geven wat de bijstelling naar beneden in de voorjaarsnota heeft veroorzaakt en welke gegevens het CPB heeft over de wijze waarop de Abw-cijfers de WW-stijging wat later volgen.
     De leden van de PvdA vragen verder welke gegevens door de gemeenten moeten worden verstrekt om een goede prognose van het CBS mogelijk te maken en welke detaillering daarvoor noodzakelijk is.

     Onder de Wwb zal het macrobudget voor de bijstandslasten in september van het lopende jaar worden aangepast aan de actuele raming van de conjuncturele ontwikkeling in dat jaar. Als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het macrobudget wordt gebruik gemaakt van de (geraamde) omvang van de werkloze beroepsbevolking in een uitvoeringsjaar. Het CPB acht deze raming in september van het uitvoeringsjaar voldoende nauwkeurig om als grondslag te kunnen dienen voor de definitieve vaststelling van het macrobudget. Gezien de behoedzaamheid die het CPB in zijn ramingen betracht, is de kans op een te lage vaststelling van het definitieve macrobudget gering.
     Bij voorjaarsnota is de raming van het volume Abw (thuiswonend jonger dan 65 jaar) ten opzichte van de stand ontwerp-begroting 2003 per saldo met ca. 20 000 uitkeringen naar beneden bijgesteld tot een volume van ruim 346 000 uitkeringen. Deze bijstelling was eenmalig en werd veroorzaakt door het feit dat de omslag van een dalend naar een stijgend bijstandsvolume later plaatsvond dan verwacht.
     Het CPB maakt geen aparte raming van de instroom in de Abw als gevolg van de conjuncturele toename WW. Het Abw- en WW-volume worden integraal geraamd op basis van de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking.
rblz.|80| Ook de jeugdwerkloosheid en de instroom van schoolverlaters in de bijstand worden niet afzonderlijk geraamd, maar maken integraal deel uit van de ramingen van respectievelijk de werkloze beroepsbevolking en het bijstandsvolume.
     Het CBS maakt geen ramingen van de ontwikkeling van de bijstandspopulatie. De cijfers die het CBS publiceert over de ontwikkeling van het bijstandsvolume zijn gebaseerd op de gegevens die gemeenten verstrekken in het kader van de bijstandskenmerkenstatistiek. Deze gegevens worden gebruikt bij het opstellen van de ramingen. Hierbij spelen ook de door de gemeenten bij de statistieken te verstrekken gegevens een essentiële rol. Dit geldt vooral voor de kenmerken die ingaan op de hoogte van de verstrekte uitkering en de componenten die deze uitkeringshoogte bepalen. Naast het vervallen van de kwartaaldeclaratie is bij de persoonsstatistiek voor het inkomensdeel van de Wwb sprake van het vervallen van een derde van de inhoudelijke kenmerken. Voor een belangrijk deel betreffen dit kenmerken die een multi-interpreteerbaar karakter hebben en daarmee vaak leiden tot problemen bij het verkrijgen van betrouwbare informatie. Deze inspanning kan daarom vervallen. Daarnaast worden enkele kenmerken met het oog op een vlottere levering door de gemeenten aangepast. Voorts worden enkele kenmerken toegevoegd. Dit juist met het oog op de bij de raming benodigde gegevens en het verkrijgen van een bruikbaar landelijk beeld over de effecten van de wetgeving. Dit betreft echter allemaal gegevens die bij het reguliere administratieve proces bij de gemeenten nu reeds een cruciale rol spelen, zodat gemeenten kunnen volstaan met het voortaan ook betrekken van deze reeds aanwezige gegevens bij de aan het CBS te verstrekken gegevens.
     Het CPB onderzoekt de betrouwbaarheid van zijn ramingen regelmatig. Om daarnaast het effect van ramingsfouten op het macrobudget zoveel mogelijk uit te sluiten, is er juist voor gekozen om het macrobudget pas in september van het lopende jaar definitief vast te stellen. De raming van de werkloze beroepsbevolking, die als conjunctuurindicator voor de aanpassing van het macrobudget wordt gebruikt, zal volgens het CPB op dat moment nauwelijks meer afwijken van de uiteindelijke realisatie.

Tabel: verloop SZW-raming bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):

Uitvoeringsjaar (t) Ramingsmoment
  September t-1 September t Realisatie
1999 415 388 381
2000 383 353 348
2001 340 326 328
2002 336 325 320

 

Tabel: verloop raming bijstandsvolume gedurende het jaar (aantal uitkeringen x 1000):

Uitvoeringsjaar Raming september 2002 Volumeraming stand voorjaarsnota 2003
2003 365 346

 

Mogelijkheden batig saldo inkomensdeel

     Het ontgaat de leden van de PvdA-fractie op basis waarvan het kabinet van mening is dat goed presterende gemeenten een batig saldo op het inkomensdeel kunnen realiseren, te meer daar het verdeelmodel in hun ogen onvoldoende goede resultaten laat zien. Deze leden verzoeken het rblz.|81| kabinet aan te geven wat de werkelijke mogelijkheden zijn om tot een batig saldo te komen.

     Het kabinet deelt niet de mening dat het verdeelmodel onvoldoende goede resultaten laat zien en meent dat het budget dat wordt verleend in beginsel voldoende zou moeten zijn voor de betaling van de uitkeringslasten. Een batig saldo kan de gemeente verkrijgen door een goed actief reïntegratiebeleid en een goed fraudebeleid. Bij de beantwoording van de gestelde vragen over de verdeelsystematiek wordt nader op dit onderwerp ingegaan.


Nacalculatie

     De leden van de PvdA-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een systeem waarbinnen het macrobudget uiteindelijk wordt geraamd op basis van nacalculatie. Is bekend wat het maximale risico zou zijn bij het afromen of opplussen van het macrobudget voor gemeenten op basis van nacalculatie? Kan de regering een aantal scenario’s maken waarin de risico’s voor een aantal individuele gemeenten zichtbaar worden? Hoe kwetsbaar is een systeem dat jaar na jaar op raming zet terwijl nacalculatie niet plaatsvindt?
     De leden van de fracties van VVD en ChristenUnie vragen waarom in het voorliggend wetsvoorstel van de huidige systematiek wordt afgestapt, waarbij het budget ook benedenwaarts kan worden bijgesteld. Tevens vragen deze leden wat er zich tegen verzet om het definitieve budget binnen de gekozen systematiek met nacalculatie op t+1 vast te stellen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hierbij aandacht voor de door Divosa gesignaleerde problematiek van de "interne verwurging" door gemeenten.

     Bij de definitieve vaststelling in september van het begrotingsjaar 2004 wordt het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar beneden aangepast. Dit betekent dat er geen nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke macrobijstandsuitgaven.
     De keuze om geen nacalculatie toe te passen is gebaseerd op twee overwegingen:
1. in geval van nacalculatie verkeren gemeenten nog tot ruim na een uitvoeringsjaar in onzekerheid over de exacte hoogte van hun budget;
2. het budget baseren op een nacalculatie houdt in dat de financiële voordelen die gemeenten boeken door een goed scorend reïntegratiebeleid van het collectief van gemeenten van het macrobudget van dat jaar reeds wordt afgeroomd. Dit vermindert de stimulerende werking van de budgetteringssystematiek.
     Het verschil tussen het vastgestelde en het aangepaste macrobudget komt ten gunste of ten laste van het Rijk.
     Het voorgaande betekent echter niet dat realisatiecijfers bijstandsvolume geen rol spelen in deze ramingsmethodiek. Bij de definitieve vaststelling van het macrobudget van het lopend uitvoeringsjaar in september van het uitvoeringsjaar worden de gerealiseerde volumecijfers van het voorgaande uitvoeringsjaar betrokken. Ervaringsgegevens vormen immers altijd een basis bij ramingen. Ook bij de eerste raming van het macrobudget (t+1) in september (t) wordt gewerkt met ervaringscijfers van het uitvoeringsjaar (t-1). Dit betekent dat het macrobudget voor het lopende jaar naar boven of naar beneden wordt bijgesteld als achteraf blijkt dat de totale gerealiseerde bijstandsuitgaven in het voorgaande jaar hoger of lager waren dan het macrobudget voor dat jaar.
     Het is dus niet zo dat het systeem jaar na jaar raming op raming zet. In de voorgestelde systematiek wordt het macrobudget wel degelijk jaarlijks geijkt aan de gerealiseerde bijstandsuitgaven op de wijze zoals hiervoor is beschreven.
    
rblz.|82| Bij de aanpassing in september van het lopende begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse aanpassing vanwege de loon en prijsbijstelling verwerkt.


Risico’s individuele gemeenten

     De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet een aantal scenario’s kan maken waarin de risico’s voor een aantal individuele gemeenten zichtbaar worden.

     Deze vraag moet ontkennend worden geantwoord. De reden hiervoor is dat bij het opstellen van dergelijke scenario’s te veel aannames over beleidsmatige invullingen en hun neerslag in bedragen die worden opgenomen in een gemeentelijke begroting moeten worden gemaakt. De Wwb geeft beleidsvrijheid aan gemeenten; het is aan hen om te komen tot ordentelijke gemeentelijke begrotingen die hen in staat stellen om het gekozen beleid daadwerkelijk te kunnen financieren en uit te voeren. Binnen het implementatietraject is het kabinet voornemens om de gemeenten tegemoet te komen door het overleggen van enkele financieringsmodellen die richtinggevend kunnen zijn voor de gemeenten.


Aanpassing tabellen uit de bijlage bij de algemene memorie van toelichting

     De leden van de PvdA-fractie vragen overigens de cijfers over de bijstandspopulatie uit bijlage 1 van de memorie van toelichting te actualiseren voor 2002 over alle zes tabellen. Deze leden vragen voorts de in- en uitstroom van de bijstand van de maanden januari, februari maart, april en mei 2003, nu blijkt dat het CBS wel met 100% accuratesse over deze cijfers beschikt.

     Helaas is het nog niet mogelijk om de cijfers over de bijstandspopulatie uit bijlage 1 van de memorie van toelichting geheel te actualiseren. Het CBS heeft thans beschikbaar aanvullende, voor het derde kwartaal 2002 geactualiseerde cijfers voor de aantallen uitkeringen aan thuiswonenden jonger dan 65 jaar (tabel 1) en de aantallen uitkeringen periodieke algemene bijstand naar duur en leefvorm (tabel 2).

Tabel 1

rblz.|83|  

Tabel 2

     Overigens is in tabel 1, blz. 89, memorie van toelichting bij de Wwb in de titel per abuis de toevoeging ultimo tweede kwartaal 2002 weggevallen. In tabel 2, blz. 89, van die memorie van toelichting is eveneens in de titel weggevallen dat het om cijfers gaat van ultimo tweede kwartaal 2001 en ultimo tweede kwartaal 2002.
     Zoals eerder gemeld in de brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 31) zullen volgens afspraak met het CBS over versnelling van de beschikbaarheid van stroomgegevens over de bijstandsregelingen, vanaf september 2003 de in- en uitstroomgegevens over het eerste kwartaal 2003 kunnen worden geleverd en vervolgens steeds kwartaalgegevens over in- en uitstroom binnen een halfjaar na dato.


Systematiek 65+

     De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er geen nacalculatie plaatsvindt voor 65-plussers. Zij vragen het kabinet een voorbeeld over drie achtereenvolgende jaren te geven waaruit blijkt dat het verschil tussen de raming en nacalculatie marginaal is.
     Deze leden vragen voorts of het kabinet de optie heeft overwogen de bijstand voor 65-plussers te laten uitvoeren door de SVB [Sociale verzekeringsbank, red.]. Tevens vragen
rblz.|84| zij of de gemeenten na het wegvallen van de Rau 1996 een veel eenvoudiger procedure mogen kiezen voor de doelgroep 65-plussers.

     Bij het macrobudget voor 65-plussers geldt dat:
- het gaat om een zeer beperkt deel (3%) van het totale budget voor de Wwb;
- de bijstandsuitgaven aan 65-plussers vooral afhankelijk zijn van demografische ontwikkelingen die goed te voorspellen zijn.
     Met het oog op de eenvoud is ervoor gekozen om met betrekking tot de vaststelling van het Wwb-macrobudget zoveel mogelijk eenzelfde systematiek te hanteren voor de samenstellende delen van dit budget. Gelet op de voorgaande punten is er geen noodzaak om specifiek voor het deel van het macrobudget dat betrekking heeft op bijstand aan 65-plussers met nacalculatie te werken. Een systeem van nacalculatie brengt bovendien weer de nodige bureaucratie met zich mee, terwijl het juist de bedoeling is dat de Wwb bijdraagt aan het terugdringen daarvan.
     De verdeling van het macrobudget voor 65-plussers vindt plaats op basis van de historische kostenaandelen met betrekking tot deze bijstandscategorie. Er wordt dus wel degelijk een andere verdeelsleutel gebruikt dan voor de verdeling van het macrobudget voor personen tot 65 jaar.
     In onderstaande tabel is de raming weergegeven van het aantal 65-plussers dat naar verwachting een beroep zal doen op de bijstand. Het betreft een prognose op landelijk niveau. Deze raming wordt niet verbijzonderd naar individuele gemeenten. Omdat het in de meeste gemeenten om kleine aantallen gaat, is het niet mogelijk om een betrouwbare langetermijnprognose op gemeenteniveau te maken.

Tabel: verwachte ontwikkeling volume Abw 65+ (x 1000):

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 2003 2004 2005 2006 2007
Raming volume Abw 65+ 22,1 23,4 24,8 26,2 27,5

 
     Een vergelijking tussen raming en nacalculatie voor wat betreft het macrobudget kan niet worden verstrekt. De methodiek voor de raming van het macrobudget 65+ is pas recentelijk verfijnd, vooruitlopend op de financieringssystematiek van de Wwb, waarin geen nacalculatie plaatsvindt. Een vergelijking van de ramingen en realisaties uit het verleden geeft derhalve geen representatief beeld voor de situatie onder de Wwb. Het budget voor bijstand aan 65-plussers zal onder de Wwb verdeeld worden op basis van historische kostenaandelen. De dynamiek in de gemeentelijke bijstandsuitgaven ten behoeve van 65-plussers is geanalyseerd op basis van de jaaropgaven van 1999, 2000 en 2001. De resultaten van deze analyse geven een indicatie van de verschillen tussen het budget en de werkelijke uitgaven die kunnen ontstaan bij het toepassen van de historische verdeelmaatstaf.
     In onderstaande tabel is aangegeven hoe de aandelen van gemeenten in de landelijke bijstandsuitgaven voor 65-plussers tussen twee jaren verschillen. Voor vrijwel alle gemeenten blijkt dit verschil minder dan een half procent te bedragen. Voor alle gemeenten ligt het verschil tussen -1,7% (2001 ten opzichte van 2000) en +3,4% (2000 ten opzichte van 1999). De verdeelsystematiek geeft derhalve geen aanleiding om een systeem van nacalculatie te hanteren.

rblz.|85| Tabel: dynamiek bijstandsuitgaven aan 65-plussers:

Procentuele stijging of daling budgetaandeel Verandering in budgetaandeel 2000 t.o.v. 1999 Verandering in budgetaandeel 2001 t.o.v. 2000 Verandering in budgetaandeel 2001 t.o.v. 1999
<-1% vv0 vv1 vv0
-1% t/m -0,5% vv2 vv0 vv1
-0,5% t/m 0% 295 221 242
0% t/m +0,5% 169 244 223
+0,5% t/m +1% vv0 vv1 vv0
>+1% vv1 vv0 vv1

 
     Met de VNG is begin dit jaar van gedachten gewisseld over mogelijke uitvoeringsmodaliteiten voor bijstand aan 65-plussers. Van de zijde van het kabinet is toen aangegeven dat uitvoering door de SVB uit oogpunt van doeltreffendheid en doelmatigheid geen verbetering lijkt te bieden ten opzichte van de huidige uitvoering door gemeenten.
     Gemeenten bepalen zelf welke gegevens de klant dient te overleggen om het recht op uitkering te kunnen vaststellen. De Wwb wijkt op dit punt echter niet af van de Abw. Wat in de Wwb wel vervalt, is de verplichting tot een heronderzoek eens per acht maanden, dan wel een andere door de gemeente vast te stellen termijn die hoogstens achttien maanden bedraagt. Voor de groep 65-plussers hadden en hebben de gemeenten dus voldoende mogelijkheden voor een eenvoudige procedure.


Onderbouwing budget naar onderdelen

     De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar een financiële onderbouwing van het budget per verwachte bijstandsgerechtigde, uitgesplitst naar het bedrag voor de basisuitkering, bijzondere bijstand, eventuele langdurigheidstoeslag en middelen voor reïntegratie.

     Elke gemeente ontvangt een budget voor het inkomensdeel Wwb, inclusief de langdurigheidstoeslag, ter financiering van de algemene bijstand en een budget voor het werkdeel Wwb. Bij de raming van het macrobudget inkomensdeel wordt rekening gehouden met de verwachte groei van het macrobijstandsvolume. Het inkomensdeel kent, in tegenstelling tot het werkdeel, geen voorgeschreven bestedingsrichting. Daarnaast ontvangt elke gemeente een totaalbedrag algemene middelen uit het gemeentefonds, welke mede is bedoeld ter financiering van bijzondere bijstand. Het betreft een algemene uitkering, hetgeen aangeeft dat hier geen bestedingsrichting bestaat.
     Binnen de kaders van de Wwb en gelet op de kwalitatieve karakteristieken van de bijstandspopulatie is het vervolgens de concrete invulling van de beleidsvrijheid van gemeenten die resulteert in een bedrag per bijstandsgerechtigde. Het kabinet kan de gevraagde onderbouwing daarom niet leveren.


5.1.2. Verdeelsystematiek 
[MvTV]


Objectief verdeelmodel

     De leden van de PvdA-fractie vragen waarom wordt gekozen voor een gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel.

     Het kabinet heeft om een aantal redenen gekozen voor een gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel. Allereerst brengt de overgang van een declaratiestelsel naar een objectief verdeelmodel per definitie herverdeeleffecten met zich mee. Fasegewijze invoering zorgt dat deze overgang een geleidelijker verloop kent. Dit gegeven was ook bij de invoering rblz.|86| van de WFA (25% budgettering) aanleiding om gefaseerd over te gaan tot de toepassing van het objectief verdeelmodel. Daarnaast is het kabinet van mening dat de gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel de kans biedt dit model in de komenden jaren verder te verfijnen. Het objectief verdeelmodel laat voor het merendeel van de betrokken gemeenten resultaten zien die overeenkomen met de verwachtingen. Voor enkele gemeenten is dit echter niet het geval en behoeven de resultaten nader onderzoek. Het kabinet heeft bureau APE de opdracht gegund om de aanbevelingen in het rapport "Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000" verder uit te werken, in de verwachting dat de technische verbeteringen resulteren in een verdere verbetering van het objectief verdeelmodel, zodat het model betere resultaten laat zien in termen van ex-anteherverdeeleffecten. Een ander doel van dit onderzoek is om het model geschikt te maken voor toepassing onder de Wwb. Een separaat onderdeel binnen dit vervolgonderzoek betreft de relatie tussen de modeluitkomst en de sociale infrastructuur van de gemeente.
     Dit vervolgonderzoek is inmiddels afgerond. Het rapport "Een nieuw verdeelmodel voor de Wet werk en bijstand" wordt tegelijkertijd met het verzenden van deze nota aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden. Dit nieuwe objectief verdeelmodel wordt gebruikt bij de vaststelling van de gemeentelijke uitkeringen inkomensdeel Wwb voor het uitvoeringsjaar 2004. Het nieuwe objectief verdeelmodel levert een aanzienlijke verbetering in termen van ex-anteherverdeeleffecten op ten opzichte van het verdeelmodel uit het februari-2003-APE-rapport. Desalniettemin toont het patroon van ex-anteherverdeeleffecten ook bij dit verdeelmodel nog enkele positieve en negatieve uitschieters.
     Vandaar dat het kabinet bij de toepassing van het objectief verdeelmodel buiten het model om een grens hanteert ter indamming van al te grote - zowel positieve als negatieve - uitschieters van ex-anteherverdeeleffecten. Deze grens is vastgesteld op 15%. Daarnaast is gekozen voor een gefaseerde invoering van het gebruik van het objectief verdeelmodel om ex-anteherverdeeleffecten te beteugelen.
     Het kabinet is voornemens om jaarlijks de actualiteit en stabiliteit van het model en de herverdeeleffecten te onderzoeken. Voor een beschrijving van het nieuwe objectief verdeelmodel wordt verwezen naar de bijlage bij het concept-Besluit Wwb dat tegelijkertijd is meegestuurd naar uw Kamer. De Kamer heeft reeds de beschikking over het rapport van het bureau APE, "Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000", welke bijlage bij het wetsontwerp Wwb is meegezonden.

     De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom het objectief verdeelmodel nooit is geëvalueerd.

     De veronderstelling van deze leden dat het objectief verdeelmodel nooit is geëvalueerd, is onjuist. Bij de indiening van het wetsontwerp is tegelijkertijd met onderzoeksrapport "Stabiliteit en herverdeeleffecten van het verdeelmodel voor de bijstand, 1998-2000" meegezonden.
     Tegelijkertijd met deze nota is het onderzoeksrapport verzonden waarin het objectief verdeelmodel wordt beschreven zoals dit wordt gebruikt bij de verdeling van het macrobudget inkomensdeel Wwb 2004. In dat rapport kan worden nagegaan wat de wijzigingen zijn ten opzichte van de voorgaande versie en de redenen waarom daartoe is overgegaan.
     In onderdeel D van de bijlage bij het concept-Besluit Wwb is een beschrijving opgenomen van de wijzigingen van het huidige objectief verdeelmodel ten opzichte van het vorige verdeelmodel.

     De leden van de CDA-fractie vragen of er wel één objectief verdeelmodel mogelijk zal blijken te zijn, en zo ja, wanneer. De leden van de VVD-fractie rblz.|87| vragen waarom een objectief verdeelmodel voor de kleine gemeenten op dit moment niet mogelijk is.

     De verdeling van het macrobudget geschiedt in twee stappen. Stap 1 is de verdeling van het macrobudget over drie categorieën gemeenten. Bij deze zogenoemde compartimentering wordt het objectief verdeelmodel gebruikt voor de gemeenten met meer dan 40 000 inwoners en voor de gemeenten met minder dan 60 000 inwoners. Stap 2 is de verdeling van het budget per categorie over de onder deze categorie vallende gemeenten.
     De gefaseerde invoering van het objectief verdeelmodel betreft de verdeling van het budget voor de middelgrote (40 000-60 000 inwoners) en grote (groter dan 60 000 inwoners) gemeenten. De verdeling van het budget voor kleine gemeenten (kleiner dan 40 000 inwoners) geschiedt op basis van het historisch model. Vooralsnog wordt het objectief verdeelmodel niet gehanteerd bij de verdeling over deze categorie gemeenten aangezien het patroon van ex-anteherverdeeleffecten grote fluctuaties laat zien.

     De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet of de stelling van het kabinet dat het objectief verdeelmodel ervoor zorgt dat gemeenten die structureel beter presteren dan andere gemeenten hier ook structureel voor worden beloond, ook zal gelden vanaf het begin. Voorts vragen deze leden in hoeverre grote verschillen tussen gemeenten het ontstaan van deze situatie voor gemeenten belemmert.

     Zoals is aangegeven, wordt het objectief verdeelmodel gefaseerd ingevoerd. Dit betekent dat de bovengenoemde stelling - te weten dat bij toepassing van het objectief verdeelmodel gemeenten die structureel beter presteren dan nadere gemeenten ook structureel worden beloond - in mindere mate opgaat voor de eerste jaren waarin het objectief verdeelmodel nog niet volledig zal worden ingezet. In deze jaren wordt nog in sterke mate gewerkt met historische kosten.
     Grote verschillen tussen gemeenten belemmeren op geen enkele wijze bovengenoemde stelling.

     De leden van de PvdA-fractie vragen zich af welke WW- en WAO-cijfers door het kabinet worden gehanteerd.

     Binnen het objectief verdeelmodel zitten twee maatstaven "het aantal personen met maximale WW-duur" en met "het aantal personen met WAO/WAZ/Wajong-uitkering". Deze gegevens zijn afkomstig van het CBS en gebaseerd op de uitkeringsregistratie van het UWV. Toepassing van het objectief verdeelmodel betekent dat de bijstandsuitgaven (in enge zin, dus exclusief Ioaw, Ioaz en Bbz [zie Bbz 2004, red.]) per inwoner van gemeente X worden berekend aan de hand van de scores van gemeente X op de negen maatstaven. Dat geldt dus ook voor de scores van gemeente X op deze twee maatstaven. Vervolgens wordt de uitkomst vermenigvuldigd met het aantal inwoners in de leeftijd van 20 tot 64 jaar van gemeente X.

     De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze met het aantal gesubsidieerde banen rekening is gehouden in de schatting van het objectief verdeelmodel.

     Het kabinet merkt op dat "gesubsidieerde banen" in de maatstaf "lage inkomens" van het objectief verdeelmodel liggen besloten. Uit onderzoek blijkt dat dit model een goede verklaring biedt voor de gemeentelijke bijstandsuitgaven.

     rblz.|88| De leden van de D66-fractie vragen het kabinet nader in te gaan op de reden waarom het aantal bijstandsgerechtigden niet in het objectief verdeelmodel is opgenomen. Zij vragen zich af of dit te maken heeft met de vrees voor afname van de prikkelwerking. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom geen gevolg is gegeven aan het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen [Rfv, red.] om het aantal bijstandsgerechtigden op te nemen in het objectief verdeelmodel.

     Het objectief verdeelmodel verklaart de bijstandsuitgaven per inwoner uit een aantal maatstaven (modelexogenen). Deze maatstaven kunnen voor wat betreft de uitvoering van de Bijstandswet niet door de gemeente worden beïnvloed. De kracht van dit verdeelmodel ligt dan ook in de voorspellende waarde van de objectieve behoefte aan middelen ter financiering van bijstandsuitgaven van een gemeente. Door "het aantal bijstandsgerechtigden" op te nemen als één van de exogenen van het model wordt het karakter van het objectief verdeelmodel tenietgedaan. Immers, de te verklaren variabele wordt dan tevens als exogene opgevoerd. Daardoor valt het verband tussen de objectieve maatstaven en de bijstandsuitgaven niet of nauwelijks meer met econometrische methoden te bepalen. Feitelijk komt het opnemen van het aantal bijstandsgerechtigden als maatstaf in het objectief verdeelmodel neer op het inbouwen van het historisch model binnen het objectief verdeelmodel. Een historisch verdeelmodel kenmerkt zich door het ongewenste effect dat een slecht presterende gemeente een relatief hoog aandeel in het macrobudget heeft.

     De leden van de D66-fractie merken op dat voor gemeenten waarvoor het objectief verdeelmodel wordt toegepast herverdeeleffecten optreden die mede het gevolg zijn van het nog niet foutloos functioneren van het model. Zij vragen het kabinet inzicht te geven in de omvang van de hier bedoelde verdeeleffecten
     De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat voldaan moet worden aan de voorwaarde dat de verdeelsystematiek van het macrobudget inkomensdeel dient aan te sluiten bij de onvermijdelijke kosten die gemeenten hebben bij de uitvoering van de bijstand.

     In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de omvang van de herverdeeleffecten die optreden als het objectief verdeelmodel voor alle gemeenten onverkort wordt toegepast. Deze herverdeeleffecten zijn berekend door de gemeentelijke bijstandsuitgaven 2001 te vergelijken met een fictief 100% objectief budget voor 2001. Dit objectieve budget 2001 is berekend door het objectief verdeelmodel toe te passen op het totaal van de uitgaven 2001. Voor de toepassing van het objectief verdeelmodel is gebruik gemaakt van de waarden van de objectieve verdeelkenmerken in 2001.
     Het herverdeeleffect is hier gedefinieerd als het verschil tussen de bijstandsuitgaven 2001 en het fictieve objectieve budget 2001, uitgedrukt als percentage van het budget. Onderstaande tabel geeft aan hoeveel gemeenten per gemeentegrootteklasse zich in een bepaald interval bevinden voor wat betreft de omvang van het herverdeeleffect. De uitgaven en budgetten per gemeente waarop onderstaande tabel is gebaseerd, zijn opgenomen in de tabel "Vergelijking werkelijke bijstandsuitgaven en 100% objectieve budgetten" [appendix A, red.].

rblz.|89| Tabel: frequentieverdeling herverdeeleffecten objectief verdeelmodel:

Herverdeeleffect: verschil tussen uitgaven en budget in % van het objectieve budget Gemeentegrootteklasse
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Groot (>60r000 inwoners) Middelgroot (40r000-60r000 inwoners) Klein (<40r000 inwoners)
<-25% v3 v1 60
-25% t/m -15% v3 v4 38
-15% t/m -10% v6 v2 21
-10% t/m 0% 22 v8 81
0% t/m +10% 13 12 60
+10% t/m +15% v3 v3 23
+15% t/m +25% v5 v6 30
>+25% v3 v4 56