|
Kamerstukken
I 2002-2003,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| Nr.r294 |
GEWIJZIGD
VOORSTEL
VAN WET |
Inhoudsopgave
Wwb
| Hoofdstuk
1 |
Algemeen |
artt. 1 - 8
|
| §
1.1x |
Begripsbepalingen |
artt.
1 - 6 |
| §
1.2x |
Opdracht
gemeente |
artt.
7 - 8 |
| Hoofdstuk
2 |
Rechten
en plichten |
artt. 9 - 18
|
| §
2.1x |
Arbeidsinschakeling |
artt.
9 - 10 |
| §
2.2x |
Bijstand |
artt.
11 - 16 |
| §
2.3x |
Inlichtingenplicht
en afstemming |
artt.
17 - 18 |
| Hoofdstuk
3 |
Algemene
bijstand |
artt. 19 - 34
|
| §
3.1x |
Algemeen |
art.
19 |
| §
3.2x |
Normen |
artt.
20 - 24 |
| §
3.3x |
Verhoging
en verlaging |
artt.
25 - 30 |
| §
3.4x |
Middelen |
artt.
31 - 34 |
| Hoofdstuk
4 |
Aanvullende
inkomensondersteuning en aanpassing bedragen |
artt. 35 - 39
|
| §
4.1x |
Aanvullende
inkomensondersteuning |
artt.
35 - 36 |
| §
4.2x |
Aanpassing
bedragen |
artt.
37 - 39 |
| Hoofdstuk
5 |
Uitvoering |
artt. 40 - 47
|
| §
5.1x |
De
aanvraag |
artt.
40 - 43 |
| §
5.2x |
Toekenning,
vaststelling en betaling |
artt.
44 - 46 |
| §
5.3x |
Cliëntenparticipatie |
art.
47 |
| Hoofdstuk
6 |
Bevoegdheden
en faciliteiten gemeenten |
artt. 48 - 68
|
| §
6.1x |
Vorm
bijstand |
artt.
48 - 53 |
| §
6.2x |
Onderzoek,
opschorten
en herzien |
artt.
53a - 54 |
| §
6.3x |
Aanvullende
verplichtingen |
artt.
55 - 57 |
| §
6.4x |
Terugvordering |
artt.
58 - 60 |
| §
6.5x |
Verhaal |
artt.
61 - 62 |
| §
6.6x |
Gegevensuitwisseling |
artt.
63 - 68 |
| Hoofdstuk
7 |
Financiering,
toezicht en informatie |
artt. 69 - 78
|
| §
7.1x |
Financiering |
artt.
69 - 75 |
| §
7.2x |
Toezicht |
art.
76 |
| §
7.3x |
Informatie |
art.
77 - 78 |
| Hoofdstuk
8 |
Slotbepalingen |
artt. 79 - 86
|
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx|
|
2 september 2003
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter
versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand
gewenst is te komen tot een Wet werk en bijstand, waarin de Algemene
bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz, de Wet inschakeling
werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen zijn geïntegreerd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemeen
§
1.1. Begripsbepalingen
Art.
1
[1].
Organen [VvW;
MvT;
NvV; NvV(H);
V; NnavhV;
2eNvW]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in
artikel 40 [40], eerste
lid;
c. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en
inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. Sociale verzekeringsbank: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in
artikel 63 van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. inrichting:
1º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke
werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan
aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2º. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke
werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de
mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de
helft van ieder etmaal aanwezig is.
Art.
2
[2].
Premies en
kinderbijslag [VvW;
MvT]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. premies volksverzekeringen: de premies op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, behoudens de nominale premie op grond van
die wet;
b. premies werknemersverzekeringen: de premie op grond van de
Werkloosheidswet;
c. ziekenfondspremie: de premie op grond van de Ziekenfondswet,
behoudens de nominale premie;
d. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
3 [3].
Gezamenlijke
huishouding en woning [VvW;
MvT;
A]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld
met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
d. gehuwd: als partner geregistreerd;
e. gehuwde: als partner geregistreerde;
f. gehuwden: als partners geregistreerden;
g. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders
dan door de dood of vermissing.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar
voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand
als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
-6. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
Art.
4
[4].
Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin [VvW;
MvT;
A]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen
heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de
tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede
graad sprake is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor
één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij
één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;
3º. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d.
kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag
kan maken.
Art.
5
[5].
Bijstand en
voorliggende voorziening [VvW;
MvT;
A]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
b. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan;
c. bijstandsnorm: de op grond van
paragraaf 3.2 [3.2] op de belanghebbende
van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond
van paragraaf 3.3 [3.3]
door het college vastgestelde verhoging of verlaging;
d. bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel
35 [35], eerste lid;
e. langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag, bedoeld in
artikel 36 [36];
f. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de
belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan
doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke
uitgaven.
Art.
6
[6].
Niet-uitkeringsgerechtigde, arbeidsinschakeling en sociale activering
[VvW;
MvT;
V]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon jonger dan 65 jaar die als
werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en
inkomen en die geen recht heeft op een uitkering op grond van
deze wet of de Werkloosheidswet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de
Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene
nabestaandenwet dan wel op grond van een regeling die met deze wetten
naar aard en strekking overeenstemt;
b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als
bedoeld in artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a;
c. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk
zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
maatschappelijke participatie.
§
1.2. Opdracht gemeente
Art.
7
[7].
Opdracht
college [VvW;
MvT;
V; NvW;
A;
A; A;
A; A]
-1. Het college is verantwoordelijk voor:
a. het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen
als bedoeld in artikel 10 [10], tweede lid,
personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en
niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het
college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen
sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht,
voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening; en
b. het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige
omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de
middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien.
-2. Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel
a,
samen met de Centrale organisatie werk en inkomen
en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op
personen aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
uitkering verstrekt. Het college en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kunnen overeenkomen dat het eerste lid, aanhef
en onder a, van toepassing is op voornoemde personen.
-4. Het college laat werkzaamheden die in het kader van de
voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het
derde lid, worden uitgevoerd, verrichten door derden die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevorderen.
-5. Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de
vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de
daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden
laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde
vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot het tweede tot en met vijfde lid, waarbij kan worden bepaald
dat een deel van de werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, niet door
derden hoeft te worden verricht.
Art.
8
[8].
Opdracht
gemeenteraad [VvW;
MvT;
A; A;
A; A;
A; 2eNvW;
A]
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel
7 [7],
eerste lid, onderdeel a;
b. het verlagen van de bijstand en
de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel
18 [18], tweede
lid;
c. het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel
30 [30].
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder
geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in artikel
7 [7],
eerste lid, onderdeel a, genoemde groepen, alsmede voor verschillende
doelgroepen daarbinnen, en op de wijze waarop rekening wordt gehouden
met zorgtaken.
Art.
8a [8a]. Regels bestrijding misbruik [A]
De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij
verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
HOOFDSTUK
2
Rechten
en plichten
§
2.1. Arbeidsinschakeling
Art.
9
[9].
Plicht tot
arbeidsinschakeling [VvW;
MvT;
V; A;
A; NnavhV;
A;
A; A;
A; A;
A; A;
A; A;
A; A;
A]
-1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is,
vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44 [44], tweede lid,
verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik
wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7
[7], eerste lid,
onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen
registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel
25,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening,
waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling,
alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in
individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting
als bedoeld in het eerste lid. Zorgtaken kunnen als dringende redenen
worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden
door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7
[7], eerste lid,
onderdeel a. Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande
ouder betreft, maakt het college in het bijzonder een afweging tussen
het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te
geven aan de zorgplicht.
-3. Indien bijstand wordt verleend aan gehuwden, gelden de verplichtingen,
bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.
-4. De verplichting om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden, geldt voor de alleenstaande ouder met
kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft
overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de
toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
betrokkene.
Art.
10
[10].
Aanspraak op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW;
A; A;
A; A]
-1. Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of
halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden
hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel
8 [8], eerste lid,
onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de
naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die
vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot één van
de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren.
-3. Artikel 40 [40], eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
§
2.2. Bijstand
Art.
11
[11].
Rechthebbenden [VvW;
MvT]
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden
verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om
in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op
bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld
de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l,
van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende
vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en
met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, voor de toepassing van deze
wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie; of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de
Vreemdelingenwet
2000,
rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8,
onderdeel g of h, van die
wet en zij aan de in die algemene maatregel
van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
-4. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij
één van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Art.
12
[12].
Onderhoudsplicht ouders [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand
voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm
en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn
ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te
gelde kan maken.
Art.
13
[13].
Uitsluiting
van bijstand [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW]
-1. Geen recht op bijstand heeft degene:
a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b. die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
c. die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid,
voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
d. die langer dan vier weken per kalenderjaar verblijf houdt buiten
Nederland, met dien verstande dat deze periode niet aansluit op een
verblijf buiten Nederland in het voorafgaande kalenderjaar;
e. die jonger is dan 18 jaar;
f. die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan
wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
-2. Geen recht op algemene bijstand heeft degene:
a. van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft;
b. die uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering
ontvangt;
c. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel
1, onderdeel g,
van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voor
zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de
belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld
in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en
zorg.
-3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene
maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor
verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting voor
justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
-4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt voor personen
van 65 jaar of ouder een periode van dertien weken.
Art.
14
[14].
Niet-noodzakelijke kosten [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan
gerekend kosten met betrekking tot:
a. de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
b. de betaling van een boete;
c. geleden of toegebrachte schade;
d. vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke
verzekering;
e. kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen
worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet
op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische
behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
Art.
15
[15].
Voorliggende
voorziening [VvW;
MvT]
-1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden
gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,
wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het
recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de
voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
-2. De Wet inkomensvoorziening kunstenaars
geldt niet als een
voorliggende voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Art.
16
[16].
Zeer dringende
redenen [VvW;
MvT]
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college,
gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand
verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan
die, bedoeld in artikel 11 [11], tweede en derde lid.
§
2.3. Inlichtingenplicht en afstemming
Art.
17
[17].
Inlichtingenplicht [VvW;
MvT;
2eNvW]
-1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
-2. De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de
medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
van deze wet.
-3. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van
de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig
rijbewijs dat is afgegeven op grond van de Wegenverkeerswet dan wel een
geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet
1994 terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig
is voor de uitvoering van deze wet.
Art.
18
[18].
Afstemming [VvW;
MvT;
V; A;
NnavhV; NvW + bis;
A; A]
-1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen
af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende.
-2. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
28, tweede lid, of 29, eerste lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen voortvloeiende
verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich
jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college
overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8 [8], eerste lid,
onderdeel b, de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging
wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
bedraagt.
-4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
verstaan het gezin.
HOOFDSTUK
3
Algemene
bijstand
§
3.1. Algemeen
Art.
19
[19].
Voorwaarden [VvW;
MvT;
NvV(H)]
-1. Onverminderd paragraaf 2.2 [2.2]
heeft de alleenstaande of het gezin
recht op algemene bijstand, indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
-2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het
inkomen en de bijstandsnorm.
-3. In de algemene bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte
van 4,8 procent van die bijstand.
-4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent,
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
§
3.2. Normen
Art.
20
[20].
Jongerennormen [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
-1. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende
kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: €|196,23;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn:
€|392,46;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere
echtgenoot 21 jaar of ouder: €|764,02.
-2. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar met één of meer ten laste
komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar: €|423,34;
b. gehuwden waarvan beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar zijn:
€|619,57;
c. gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere
echtgenoot 21 jaar of ouder: €|991,13.
Art.
21
[21].
Normen 21-65
jaar [VvW;
MvT;
V; A]
Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is de
norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|567,79;
b. een alleenstaande ouder: €|794,90;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar:
€|1135,57.
Art.
22
[22].
Normen 65 jaar
of ouder [VvW;
MvT]
Voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder is de norm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande: €|843,90;
b. een alleenstaande ouder: €|1071,01;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn:
€|1188,16;
d. gehuwden waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere
echtgenoot 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar: €|1197,70.
Art.
23
[23].
Normen in
inrichting [VvW;
MvT]
-1. Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand,
indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: €|245,85;
b. gehuwden: €|382,43.
-2. Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm
de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of
alleenstaande ouder zouden gelden.
Art.
24
[24].
Afwijking norm
gehuwden [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
Indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is
voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem
als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
§
3.3. Verhoging en verlaging
Art.
25
[25].
Alleenstaande
(ouder) [VvW;
MvT;
NvV(H); V;
NnavhV; A]
-1. Het college verhoogt de norm, bedoeld in artikel
21 [21], onderdeel
a en
b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet,
als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met
een ander.
-2. De toeslag bedraagt ten hoogste €|227,11 per kalendermaand.
Art.
26
[26].
Gehuwden [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
Het college kan de norm, bedoeld in artikel 20 [20], eerste lid, onderdeel b
en c, en tweede lid, onderdeel b en c, en artikel
21 [21], onderdeel
c,
verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van
het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Art.
27
[27].
Woonsituatie [VvW;
MvT;
V; A]
Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 20 [20]
en
21 [21], of de
toeslag, bedoeld in artikel 25 [25], lager vaststellen voor zover de
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet, als gevolg van zijn
woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Art.
28
[28].
Schoolverlaters [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
Het college kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft
beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag,
bedoeld in artikel 25 [25], gedurende zes maanden na het tijdstip van die
beëindiging lager vaststellen indien voor het onderwijs of de
beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Art.
29
[29].
Alleenstaande
van 21 of 22 jaar [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
-1. Het college kan de toeslag, bedoeld in artikel
25 [25], voor een
alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen voor zover het van
oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van
deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het minimumjeugdloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan
het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel
8, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en
ziekenfondspremie.
Art.
30
[30].
Verordening [VvW;
MvT;
NvV; NvV(H);
V; NnavhV;
A; A]
-1. In de verordening, bedoeld in artikel 8 [8], eerste lid, onderdeel
c,
stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt
verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast dat:
a. onverminderd de artikelen 27 [27], 28
[28] en
29 [29], de toeslag, bedoeld in
artikel 25 [25], voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten
laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een belanghebbende niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van
de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 28 [28]
en
29 [29], eerste
lid.
-3. In de verordening worden uitsluitend verhogingen of verlagingen
vastgesteld als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 29
[25-29].
-4. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de
toeslag vindt plaats onverminderd artikel 18 [18], eerste lid.
§
3.4. Middelen
Art.
31
[31].
Middelen [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW;
A; A;
A; A;
A; A;
A]
-1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen
gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de
middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende
door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk
geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het
gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van
een niet in de bijstand begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland
woonachtige kinderen;
c. de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de
jonggehandicaptenkorting alsmede, voor alleenstaande ouders van wie het
jongste kind jonger dan vijf jaar is, de aanvullende alleenstaandeouderkorting en
de combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d. huursubsidie ontvangen op grond van de
Huursubsidiewet, of een
bijzondere bijdrage in de huurlasten ontvangen op grond van artikel 26b
van die
wet;
e. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van
de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
f. vergoedingen en tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of
teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies
volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen
noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand
wordt verleend;
g. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in
hoofdstuk IIa van de Wet
op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen
en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede
door hen ontvangen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere
noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
i. rente ontvangen over op grond van artikel
34 [34], tweede lid,
onderdeel
b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
j. een eenmalige premie die door het college kan worden toegekend in het
kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste
€|1944,00 per kalenderjaar;
k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van
ten hoogste €|20,00 per week met een maximum van
€|700,00 per jaar;
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële
en immateriële schade;
m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor
materiële en immateriële schade voor
zover deze naar het oordeel van
het college uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord zijn;
n. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn
ouder of ouders ontvangt, voor
zover deze uitkering op grond van artikel
12 [12] reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op
bijzondere bijstand;
o. inkomsten uit arbeid gedurende
ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze
inkomsten, met een maximum van
€|163,00
per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en dit naar
het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
-3. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert
na aftrek van:
a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of
inkomstenbelasting;
b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en ziekenfondspremie
dan wel een inhouding die met één of meer van deze premies overeenkomt;
c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen
ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen;
d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte
inhoudingen.
-4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een
inkomen.
Art.
32
[32].
Inkomen [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31
[31] in
aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit
vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel j,
een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel k,
inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van één of meer
kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot
levensonderhoud op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek,
voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting
en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard met deze inkomsten
en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt
gedaan.
-2. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in
aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen
die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode
worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen
worden gemaakt.
-3. Indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft,
wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen
van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden
verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou
bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Voor de vaststelling van
het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze paragraaf van
overeenkomstige toepassing.
-4. In afwijking van het derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden
leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het
de bijstandsnorm te boven gaat.
Art.
33
[33].
Bijzonder
inkomen [VvW;
MvT;
NvW + bis]
-1. Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde
daarvan vastgesteld op het daarvoor door belanghebbende opgeofferde
bedrag.
-2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag
voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat
het normbedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 3.2 van die
wet wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: €|271,06 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: €|486,94 per kalendermaand.
-3. De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op
grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de
basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die
wet.
-4. Indien de belanghebbende de woning bewoont met één of meer huurders,
onderhuurders of kostgangers, worden de daaruit voortvloeiende lagere
algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking
genomen voor zover het college daarmee nog geen rekening heeft gehouden
bij de verhoging of verlaging van de norm, bedoeld in
paragraaf
3.3 [3.3].
-5. Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de
echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de
hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke
uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing
gelaten tot een bedrag van:
a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: €|16,45 per
kalendermaand;
b. voor de gehuwden tezamen: €|32,90 per kalendermaand.
Art.
34
[34].
Vermogen [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige
schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in
het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene
bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld
in de artikelen 32 [32] en 33
[33].
-2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen
gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en
gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor
zover dit
minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in
het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt
ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in
artikel 50 [50], eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan €|42
000,00;
e.
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31
[31], tweede
lid, onderdeel l en m.
-3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: €|4975,00;
b. voor een alleenstaande ouder: €|9950,00;
c. voor de gehuwden tezamen: €|9950,00.
-4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die
worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend
en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien
verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het
derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:
a. bij aanvang van de bijstandverlening niet in aanmerking is genomen
op grond van het tweede lid, onderdeel b;
b. tijdens de bijstandverlening niet in aanmerking is genomen op grond
van dit lid.
HOOFDSTUK
4
Aanvullende
inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
§
4.1. Aanvullende inkomensondersteuning
Art.
35
[35].
Bijzondere
bijstand [VvW;
MvT;
A; A;
A; A]
-1. Onverminderd paragraaf 2.2 [2.2]
heeft de alleenstaande of het gezin
recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin
niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan
uit de bijstandsnorm, de
langdurigheidstoeslag, het vermogen en het
inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31 [31], tweede lid, en artikel 34
[34], tweede lid, niet van toepassing
zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover
het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
-2. Het college kan bijzondere bijstand weigeren indien de in het
eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van €|107,00 niet te boven gaan.
-3. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een
persoon van 65 jaar of ouder, behorend tot een bepaalde categorie,
worden verleend, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die
persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of
gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort
aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die
leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene
bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
-4. voor zover de gemeente
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijzondere bijstand verhoogd met de
loonbelasting en premies volksverzekeringen, alsmede met de over die
bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
Art.
36
[36].
Langdurigheidstoeslag [VvW;
MvT;
A; A;
A; A;
A;
A; A]
-1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een
persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:
a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft
dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen
vermogen als bedoeld in artikel 34 [34]
heeft;
b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in
verband met arbeid heeft ontvangen;
c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het
college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen en aanvaarden; en
d. na een periode als bedoeld in onderdeel a binnen een periode van
twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is
gekomen.
-2. Bij de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag buiten
beschouwing gelaten.
-3. De langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum
waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is
bereikt.
-4. In afwijking van het eerste lid verleent het college op aanvraag een
langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder:
a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80 procent;
b. voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien
van het arbeidsdeskundig onderzoek; en
c. die voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, b,
voor zover het
inkomsten uit arbeid betreft, c en d.
-5. De langdurigheidstoeslag bedraagt voor gehuwden €|454,00, voor een
alleenstaande ouder €|408,00 en voor een alleenstaande
€|318,00 per
jaar.
-6. Artikel 46 [46], eerste, derde, vierde en vijfde lid, en
paragraaf 6.4 [6.4] zijn van overeenkomstige toepassing.
§
4.2. Aanpassing bedragen
Art.
37
[37].
Nettominimumloon en prijsindexcijfer [VvW;
MvT]
-1. In deze paragraaf wordt onder nettominimumloon verstaan het
minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de
aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel
15 van die
wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het
werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
-2. De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies
volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer jonger dan 65
jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover,
vermeerderd met het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie en
verminderd met de premies werknemersverzekeringen. De loonbelasting en
de premies volksverzekeringen, in te houden van de aanspraak op
vakantiebijslag over het minimumloon, worden berekend met toepassing van
de tabel voor bijzondere beloningen waarin de arbeidskorting, bedoeld in
artikel 22a van de Wet
op de loonbelasting 1964, niet is verwerkt.
-3. Indien ingevolge één van de socialeverzekeringswetten een premie
wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid
een gemiddeld percentage vastgesteld.
-4. Onder prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie wordt in deze
afdeling verstaan hetgeen daaronder in artikel
13, zesde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet wordt verstaan.
Art.
38
[38].
Aanpassing
normen en bedragen [VvW;
MvT;
A;
A; A]
-1. Met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt, worden
herzien:
a. met het percentage van deze wijziging, de normen, genoemd in de
artikelen 20 [20] en 21
[21], en het bedrag, genoemd in artikel
25 [25], tweede lid;
b. het percentage, genoemd in artikel 19 [19], derde lid, zodanig dat dit
gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de nettoaanspraak op
minimumvakantiebijslag over het minimumloon en het nettominimumloon.
-2. Met ingang van de dag waarop het nettominimumloon, zonder de daarin
begrepen aanspraak op vakantiebijslag, wijzigt, worden de bedragen,
genoemd in artikel 31 [31], tweede lid, onderdeel j,
k en o, herzien met het
percentage van deze wijziging.
-3. Met ingang van de dag waarop het netto-ouderdomspensioen en de
daarbij behorende vakantie-uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet
wijzigen, worden de normen, genoemd in artikel 22 [22], herzien met het
percentage van die wijziging.
-4. Met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in
artikel 23 [23], eerste
lid, herzien met het percentage van deze wijziging. Onder het nettominimumloon, bedoeld in de eerste volzin, wordt verstaan het
nettominimumloon, bedoeld in artikel 37 [37], eerste lid, met dien verstande dat
daarop in mindering worden gebracht de gemiddelde nominale premies die
gehuwden op grond van de Ziekenfondswet verschuldigd zijn.
-5. Van de herziene normen en bedragen en van de dag waarop de
herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Art.
39
[39].
Aanpassingen
middelen [VvW;
MvT]
-1. Met ingang van de dag waarop de som wijzigt van de budgetten voor
levensonderhoud, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
studiefinanciering 2000, en het bedrag dat op grond van artikel 3.29,
eerste lid, van die
wet wordt verstrekt aan een studerende die ten
onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, worden de
in artikel 33 [33], tweede lid, genoemde bedragen zodanig herzien dat deze
gelijk zijn aan deze som.
-2. Met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar worden de in artikel
33 [33], vijfde lid, artikel 34
[34], tweede lid, onderdeel d, en derde lid,
artikel 35 [35], tweede lid, en artikel 36
[36], vijfde lid, genoemde bedragen
herzien met de procentuele stijging van het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie.
-3. Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening
plaatsvindt, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de
Staatscourant.
HOOFDSTUK
5
Uitvoering
§
5.1. De aanvraag
Art.
40
[40].
Woonplaats en
adresgegevens [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente
waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een
belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door
het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
-2. Het college verbindt aan de verlening van bijstand aan een
belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat
hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres
als bedoeld in artikel 1 van die
wet.
-3. Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het
door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn
echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene
in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat
ingeschreven, schort het college het recht op bijstand op.
-4. Geen opschorting vindt plaats, indien:
a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht
op of de hoogte van de bijstand;
b. de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan
worden gemaakt;
c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig
zijn.
-5. Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld
in het derde lid, aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de
gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
opgenomen adresgegevens te doen aanpassen binnen een door het college te
stellen termijn.
-6. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken
is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de
krachtens het vijfde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het
college het besluit tot toekenning van de bijstand of trekt het dit in
met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is
opgeschort.
Art.
41
[41].
Aanvraag bij
CWI [VvW;
MvT; NvW + bis]
-1. De aanvraag is gericht tot het college en wordt overeenkomstig
artikel 28 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij de Centrale organisatie werk en
inkomen. Na de overdracht
van de aanvraag door de Centrale organisatie werk en inkomen aan het
college ingevolge artikel 28, derde lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder
behandeld door het college.
-2. Indien het een aanvraag betreft van andere dan algemene bijstand dan
wel van algemene bijstand aan een persoon die in een inrichting
verblijft, een persoon van 65 jaar of ouder, of een persoon zonder adres
als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag
ingediend bij het college.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat ook andere aanvragen dan in het tweede lid bedoeld, in afwijking van
het eerste lid, bij het college worden ingediend.
-4. De gemeenteraad kan, in overeenstemming met de Centrale organisatie
werk en inkomen, bij verordening categorieën van aanvragen vaststellen
die, in afwijking van het tweede lid, bij de Centrale organisatie werk
en inkomen worden ingediend.
Art.
42
[42].
Doorzending [VvW;
MvT]
-1. Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere
gemeente heeft plaatsgevonden en dit van oordeel is dat het evenmin de
aanvraag dient te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden
verkregen over de in artikel 40 [40]
bedoelde woonplaats, draagt het college
dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er zorg voor dat het
geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing
van het eerste lid bestaat het recht op bijstand jegens het college van
de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Kosten van bijstand verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed
door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
Art.
43
[43].
Vaststelling
op aanvraag [VvW;
MvT]
-1. Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag
of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
-2. De bijstand wordt door de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan
wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
-3. Het college stelt het recht op bijstand ambtshalve vast indien
één
van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden,
niettemin geboden is.
§
5.2. Toekenning, vaststelling en betaling
Art.
44
[44].
Toekenning [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand
bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is
ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de
belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
-2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en
woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag
in te dienen bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, als het een
aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41 [41], eerste of vierde lid, of bij
het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel
41 [41],
tweede of derde lid.
-3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk
indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan
het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand
wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
Art.
45
[45].
Vaststelling
en betaling [VvW;
MvT; NvW + bis]
-1. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald.
In afwijking van de eerste volzin wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de
aan die maand voorafgaande twaalf maanden of zoveel eerder als de
vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden
volgend op de maand waarin de algemene bijstand is beëindigd.
-2. Het college kan op grond van artikel 18 [18], eerste lid, besluiten de
algemene bijstand over een andere periode als bedoeld in het eerste lid
vast te stellen of te betalen.
-3. De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de
kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de
alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de
bijstandverlening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand
ontvangt; of
b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.
-4. De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende
echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan één van
hen voor het geheel.
-5. In geval van overlijden van één van de echtgenoten, van de
alleenstaande ouder, van het laatste ten laste komende kind van gehuwden
waarvan de leeftijd van één echtgenoot of beide echtgenoten 18, 19 of
20 jaar is, of van het laatste ten laste komende kind van de
alleenstaande ouder, wordt de algemene bijstand tot en met één maand
na de dag van het overlijden betaald naar de op het moment van
overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm
aan de andere echtgenoot,
de ten laste komende kinderen, onderscheidenlijk de gewezen
alleenstaande ouder.
Art.
46
[46].
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging [VvW;
MvT]
-1. De bijstand is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag.
-3. Beslag op algemene bijstand is slechts geldig voor zover de
belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-4. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder
welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
§
5.3. Cliëntenparticipatie
Art.
47
[47].
Verordening cliëntenparticipatie [VvW;
MvT;
V; A;
A]
De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop de
personen, bedoeld in artikel 7 [7], eerste lid, of hun
vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet,
waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop:
a. periodiek overleg wordt gevoerd
met deze personen of hun vertegenwoordigers;
b. deze personen of
vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen
aanmelden;
c. zij worden voorzien van de voor
een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
HOOFDSTUK
6
Bevoegdheden
en faciliteiten gemeenten
§
6.1. Vorm bijstand
Art.
48
[48].
Geldlening en
borgtocht [VvW;
MvT]
-1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om
niet.
-2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of
borgtocht, indien:
a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte
termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende
periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
b. de noodzaak tot bijstandverlening het gevolg is van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan;
c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom
betreft;
d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
schuldenlast betreft.
-3. Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een
geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere
zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en
aflossingsverplichtingen.
Art.
49
[49].
Schuldenlast [VvW;
MvT]
In afwijking van artikel 13 [13], eerste lid, onderdeel f, kan het college
bijzondere bijstand verlenen:
a. in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende
tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte
mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht
noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden
door een:
1º. gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de
Wet op het
consumentenkrediet;
2º. kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in
artikel 52, tweede lid, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, indien de
gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel
daarmee geen relatie onderhoudt;
b. indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel
a
genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
Art.
50
[50].
Eigen woning [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
-1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin
bewoonde woning met bijbehorend erf heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met
bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden
verlangd.
-2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op
algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een
geldlening:
a. indien de bijstand over een periode van één jaar, te rekenen vanaf de
eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer
bedraagt dan het nettominimumloon, bedoeld in artikel
37 [37], eerste lid;
en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf
hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34 [34], tweede lid, onderdeel
d.
Art.
51
[51].
Duurzame
gebruiksgoederen [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame
gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of
borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.
-2. Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt,
stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede
af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
belanghebbende.
Art.
52
[52].
Voorschot [VvW;
MvT]
-1. Het college is bevoegd om bij wijze van voorschot bijstand te
verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.
-2. Het in het eerste lid bedoelde voorschot kan worden verleend zolang
het college nog geen besluit inzake de verlening van bijstand heeft
bekendgemaakt.
-3. Indien bijstand wordt verleend over een periode waarover met
toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, kan deze
bijstand zonder machtiging van de belanghebbende worden verrekend met
dit voorschot.
Art.
53
[53].
Voorschot UWV [VvW;
MvT]
-1. Indien algemene bijstand wordt verleend over een periode waarover
een voorschot is ontvangen met toepassing van artikel
31, tweede lid,
van de Werkloosheidswet, artikel 47a, eerste lid, van
de Ziektewet, artikel 50, tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 55, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of artikel 47, tweede lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten, al dan niet met
gelijktijdige toepassing van artikel 17, eerste lid, van de
Toeslagenwet, en dit voorschot door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd, kan deze bijstand zonder
machtiging van de belanghebbende tot het bedrag van dit voorschot aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden betaald.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de gemeente
aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens de over de te
verlenen bijstand verschuldigde loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie.
§
6.2. Onderzoek, opschorten en herzien
Art.
53a [53a]. Verstrekking en onderzoek gegevens
[NvW
+ bis]
-1. Onverminderd artikel 28, tweede en
derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt het college welke
gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de
voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden
verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en
het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.
-2. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en
volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens
die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van
bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college
besluiten tot herziening van de bijstand.
Art.
54
[54].
Onjuiste
gegevens en onvoldoende medewerking [VvW;
MvT]
-1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent,
kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht
weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke
periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
en nodigt hem uit binnen een door hen ¹ te stellen termijn het verzuim te
herstellen.
-3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening
of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter
zake van
weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of
intrekken:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 17 [17], eerste lid, of de artikelen
28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of
tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende in het geval, bedoeld in het eerste lid, het
verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het
college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning
van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht
op bijstand is opgeschort.
1. Volgens de redactie
dient "hen" te worden vervangen door: het college.
§
6.3. Aanvullende verplichtingen
Art.
55
[55].
Nadere
verplichtingen [VvW;
MvT;
NvW]
Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 [2]
in elk geval aan de
bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden
worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel
44 [44], tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot
arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een
bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of
beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het
zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Art.
56
[56].
Kinderalimentatie [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Het instellen van een verzoek tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek kan door het college als verplichting aan de bijstand
worden verbonden, indien de belanghebbende hierop aanspraak heeft.
-2. Indien het college de in het eerste lid genoemde verplichting
oplegt, dient de belanghebbende zelf een verzoek ter zake in bij een bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instelling.
Art.
57
[57].
Noodzakelijke
betalingen en bijstand in natura [VvW;
MvT;
V; A;
A]
Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde
besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:
a. aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan
meewerkt dat het college in naam van de belanghebbende noodzakelijke
betalingen uit de toegekende bijstand verricht;
b. de bijstand in natura verstrekken.
§
6.4. Terugvordering
Art.
58
[58].
Bevoegdheid
terugvordering [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW
+ bis; A;
NvV]
-1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, kan
kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening
voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 [52]
bij wijze van voorschot is verleend en nadien is
vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de
belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, waaronder begrepen dat:
1º. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover
bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in
paragraaf 3.4 [3.4] beschikt of kan
beschikken;
2º. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door
de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met
het oog op die bestemming.
-2. Indien een gemeente ingevolge artikel 42 [42], derde lid, gehouden is
kosten van bijstand over een bepaalde periode aan een andere gemeente te
vergoeden, geschiedt de terugvordering over die periode, voor zover zij
nog niet heeft plaatsgehad, door het college van eerstgenoemde gemeente.
-3. Het in aanmerking nemen van in de voorafgaande drie maanden
ontvangen middelen wordt niet als terugvordering beschouwd.
-4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd
met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende
kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de
gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de ziekenfondspremie, kunnen worden
teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend
kunnen worden met de belastingdienst en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-5. Terugvordering als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel e, vindt niet plaats indien de betreffende
kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending
van het besluit tot terugvordering.
Art.
59
[59].
Terugvordering
gezinsleden [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
NvW
+ bis]
-1. Onverminderd artikel 58 [58]
kunnen kosten van bijstand, indien de
bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden
teruggevorderd.
-2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden
verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de
verplichtingen, bedoeld in artikel 17 [17],
of de artikelen 28, tweede lid, of 29,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van
de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf
3.4 [3.4] bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden
gehouden.
-3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk
aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden
teruggevorderd.
Art.
60
[60].
Besluit tot
terugvordering [VvW;
MvT]
-1. Een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand vermeldt
hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet
worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van
tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.
-2. De persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die
voor terugvordering ingevolge deze paragraaf van belang zijn.
-3. Een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld
in de artikelen 58 [58] en 59
[59] levert een executoriale titel op in de zin van
het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-4. Op het executoriaal beslag ingevolge het derde lid op loon, sociale
uitkeringen of andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd
zijn of worden aan degene van wie kosten van bijstand worden
teruggevorderd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens
artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan
de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het college.
-5. Terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen
58 [58] en 59 [59]
is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in
artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
§
6.5. Verhaal
Art.
61
[61].
Bevoegdheid
verhaal [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Kosten van bijstand kunnen door het college naar de regels
aangegeven in deze paragraaf worden verhaald op:
a. degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn
meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend, tot de grens
van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen
een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de
bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden
indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle
omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking
de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen
voorzien;
c. de nalatenschap van de persoon, indien:
1º. aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend en
voor zover vóór
het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden;
2º. bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van
borgtocht.
-2. Buiten de gevallen aangegeven in het eerste lid vindt geen verhaal
plaats.
-3. Behoudens in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c,
ten tweede, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de
datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet
verhaald.
Art.
62
[62].
Besluit tot
verhaal [VvW;
MvT]
-1. Een besluit tot verhaal op grond van artikel
61 [61], eerste lid, wordt
door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht, medegedeeld.
Het besluit vermeldt het bedrag of de bedragen waarvan, alsmede de
termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd en de wijze
waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt
gelegd. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht
tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan
worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.
-2. Artikel 58 [58], vierde lid, en artikel
60 [60], tweede tot en met vijfde lid,
zijn met betrekking tot het verhaal van kosten van bijstand van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 479e, tweede
lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.
§
6.6. Gegevensuitwisseling
Art.
63
[63].
Inlichtingenverplichting werkgever [VvW;
MvT]
-1. Een ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan
het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent
feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
deze wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve bijstand is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel te zijnen
behoeve werkt of heeft gewerkt. De verplichting strekt zich mede uit tot
de inkomsten van een persoon van wie kosten van bijstand ingevolge
paragraaf 4 ¹ [6.4] worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie kosten van
bijstand ingevolge paragraaf 5 ¹ [6.5]
worden of kunnen worden verhaald.
-2. De opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in
een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door
het college schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
1. Volgens de redactie
dient "paragraaf 4" te worden vervangen door "paragraaf
6.4" en "paragraaf 5" door: paragraaf
6.5.
Art.
64
[64].
Inlichtingenverplichting instanties [VvW;
MvT;
NvV; NvV(H)]
-1. De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het
college of, indien het college aan de Centrale organisatie werk en
inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake de
verlening van bijstand, aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de Sociale
verzekeringsbank;
c. de belastingdienst;
d. het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet, het College van toezicht op de zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 1u van de Ziekenfondswet, de ziekenfondsen, de
ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4
van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake
vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van
uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking
van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op
grond van de Handelsregisterwet
1996 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de
zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer betreffende de toepassing van de Huursubsidiewet
en de
Wet
bevordering eigenwoningbezit;
i. de Informatie Beheer Groep betreffende de toepassing van de
Wet
studiefinanciering 2000, de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
¹ betreffende de
omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de
ondernemer in de agrarische sector;
k. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de persoon die
rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
l. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening
energie en water leveren;
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
arbeidsinschakeling van personen bevorderen.
-2. Het vragen door het college en het verstrekken door de in het eerste
lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en
inlichtingen geschiedt in bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
Het Inlichtingenbureau voert ten behoeve van de verwerking van deze
opgaven en inlichtingen een administratie.
-3. Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast,
zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan de
Centrale organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het
nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand, aan de Centrale
organisatie werk en inkomen kosteloos alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-4. De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken
zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van bijstand worden of
kunnen worden teruggevorderd ingevolge paragraaf 4
² [6.4] of op wie deze worden
of kunnen worden verhaald ingevolge paragraaf 5
² [6.5];
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van
wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van bijstand worden of kunnen worden teruggevorderd
ingevolge paragraaf 4 ² [6.4]
of op wie deze worden of kunnen worden verhaald
ingevolge paragraaf 5 ² [6.5].
-5. De in het eerste lid en het derde lid bedoelde opgaven en
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-6. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties
treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een
regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder
aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent het tweede lid en de inhoud en vormgeving van de in het
zesde lid bedoelde regelingen.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen één of meer van de in het
eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan
het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het
Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op
dat moment nog onbekende personen opslaan. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze
en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en
personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen
voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met zevende
lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en
opgaven.
-10. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid,
kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt
jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
1. Volgens de redactie
dient "Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij"
te worden vervangen door: Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Volgens de redactie
dient "paragraaf 4" te worden vervangen door "paragraaf
6.4" en "paragraaf 5" door: paragraaf
6.5.
Art.
65
[65].
Geheimhoudingsplicht [VvW;
MvT;
2eNvW]
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige
werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van
een ander blijkt of wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de
uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is
voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing,
indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft
verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te
hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke
personen.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen
desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de
persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig
wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van de artikelen 63 tot en met
68 [63-68] gegevens
verstrekt, dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden
verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te
verkrijgen.
Art.
66
[66].
Vermoeden
misdrijf [VvW;
MvT;
2eNvW]
Het college is verplicht indien het bij de uitvoering van deze wet het
gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele
van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan,
voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van
verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan
hiervan in kennis te stellen.
Art.
67
[67].
Inlichtingenverplichting gemeenten [VvW;
MvT;
V; NnavhV]
-1. Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd,
onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet
2000, uit de
administratie ter zake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder
vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen,
bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en
34, eerste lid,
onderdeel a, van die wet;
b. de belastingdienst voor de heffing of invordering van enige
rijksbelasting of premies volksverzekeringen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
d. het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet, het College van toezicht op de zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 1u van de Ziekenfondswet, en de ziekenfondsen, de
ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4
van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, voor de uitvoering van de Ziekenfondswet
en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend
algemeen belang;
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de
vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang.
-2. De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats
indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor
onevenredig wordt geschaad.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval
gegevens dienen te worden verstrekt.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan
genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de
verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.
Art.
68
[68].
Sociaal-fiscaal nummer [VvW;
MvT]
-1. In de administratie van de gemeente en van het
Inlichtingenbureau ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het
sociaal-fiscaal nummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de
belastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van gegevens door het college, het
Inlichtingenbureau en de in de artikelen 64 [64]
en 67 [67] bedoelde instanties
wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit sociaal-fiscaal
nummer. Derden die in het kader van de uitoefening van
beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen,
gebruiken het sociaal-fiscaal
nummer slechts voor zover dat noodzakelijk
is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a, en het
tweede lid, worden uitgevoerd.
-3. Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaal
nummer in de in
het eerste lid bedoelde administratie kent Onze Minister van
Financiën,
in overeenstemming met Onze Minister, aan personen die algemene bijstand
ontvangen en die niet reeds ten behoeve van de belastingheffing bij de
belastingdienst zijn geregistreerd, een sociaal-fiscaal
nummer toe.
HOOFDSTUK
7
Financiering,
toezicht en informatie
§
7.1. Financiering
Art.
69
[69].
Verdeling
uitkeringen [VvW;
MvT;
A; NvW
+ bis]
-1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan
het college:
a. een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in
artikel 7 [7], eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten;
b. een uitkering voor de kosten van de door hen ¹ toegekende algemene
bijstand, waaronder begrepen de loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn, en van de langdurigheidstoeslag.
De uitkeringen worden ten minste drie maanden voorafgaand aan het
kalenderjaar waarop zij betrekking hebben door Onze Minister
vastgesteld.
-2. Het bedrag van de uitkeringen wordt volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand
van de voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedragen die
beschikbaar zijn voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij de
vaststelling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de
uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is het uitgangspunt
dat dit bedrag toereikend is voor de voor dat jaar geraamde kosten,
bedoeld in dat onderdeel, van alle gemeenten.
-3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
tweede lid, kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de berekening van verschillende delen van de uitkering, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b;
b. het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor de
berekening van het bedrag van de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid.
1. Volgens de redactie
dient "hen" te worden vervangen door: het college.
Art.
70
[70].
Terugvordering werkdeel [VvW;
MvT;
A; NvW
+ bis; A]
-1. Indien uit het verslag, bedoeld in
artikel
77 [77], eerste lid, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel
69 [69], eerste lid, onderdeel a, niet volledig of onrechtmatig is
besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig
bestede deel teruggevorderd. Onze Minister
doet binnen één jaar na ontvangst van het verslag mededeling van
terugvordering aan het college.
-2. Indien het verslag niet volledig is ontvangen binnen achttien
maanden na het jaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van
de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel
77 [77], eerste lid, wordt een bij algemene maatregel van bestuur bepaald
percentage van de uitkering teruggevorderd. Onze Minister doet binnen
drie maanden na afloop van de achttien maanden mededeling van
terugvordering aan het college.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de terugvordering, bedoeld in het eerste en tweede lid,
waarbij kan worden bepaald dat in bepaalde gevallen een percentage van
het niet-bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd.
-4.
De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
71
[71].
Aanpassing
uitkering inkomensdeel [VvW;
MvT]
-1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69 [69], tweede lid, voor de
uitkeringen, bedoeld in artikel 69 [69], eerste lid, onderdeel b, wordt in
het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet
aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens. Artikel 69
[69], tweede lid,
tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in artikel 69 [69], eerste lid, onderdeel b, wordt
aangepast binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Minister
vastgesteld.
Art.
72
[72].
Verlaging
uitkering inkomensdeel [VvW;
MvT;
NvV(H); V;
NnavhV]
-1. Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het college, na
afloop van de termijn, bedoeld in artikel 76 [76], derde lid, geen of
onvoldoende gevolg heeft gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in artikel
76 [76], derde lid, de uitkering, bedoeld in artikel 69
[69], eerste lid,
onderdeel b, voor het jaar volgend op het jaar waarin de termijn
afloopt 1 procent lager vaststellen.
-2. Onze Minister kan, indien hij van oordeel is dat het college, twaalf
maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 76
[76],
derde lid, nog
geen of onvoldoende gevolg heeft gegeven aan een aanwijzing als bedoeld
in artikel 76 [76], derde lid, de uitkering, bedoeld in artikel
69 [69], eerste
lid, onderdeel b, voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin de
termijn afloopt en de daaropvolgende jaren telkens ten hoogste 3
procent lager vaststellen.
Art.
73
[73].
Toetsingscommissie [VvW;
MvT;
A]
-1. Er is een toetsingscommissie.
-2. De toetsingscommissie heeft tot taak aan Onze Minister
een oordeel
te geven over een verzoek als bedoeld in artikel 74 [74], eerste lid.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Art.
74
[74].
Aanvulling
uitkering inkomensdeel [VvW;
MvT;
A; A]
-1. Indien de door het college gemaakte kosten, bedoeld in artikel
69 [69],
eerste lid, onderdeel b, hoger zijn dan de daarvoor verstrekte
uitkering, kan door Onze Minister ten laste van een daarvoor ieder jaar
bij wet vast te stellen bedrag op verzoek van het college een
aanvullende uitkering worden toegekend.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt door het college
binnen acht weken na de indiening van het verslag, bedoeld in artikel
77 [77], eerste lid, ingediend bij de toetsingscommissie, bedoeld in artikel
73 [73].
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld
onder welke voorwaarden een verzoek kan worden ingediend en op grond
waarvan de toetsingscommissie een verzoek beoordeelt.
-4. Bij de beslissing op het verzoek betrekt Onze Minister, naast het
oordeel van de toetsingscommissie, het oordeel van de Inspectie Werk en
Inkomen over de uitvoering van deze wet.
Art.
75
[75].
Betaling
uitkeringen, aanpassing uitkering en aanvullende uitkering [VvW;
MvT]
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de betaling van:
a. de uitkeringen, bedoeld in artikel 69 [69], eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71
[71] wordt
aangepast;
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
74 [74].
§
7.2. Toezicht
Art.
76
[76].
Toezicht [VvW;
MvT;
V; NnavhV;
A]
-1. Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door het college;
b. de doeltreffendheid van deze wet.
-2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze
Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in
hoofdstuk 7 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen
37, 38, 42
en 44 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn
van overeenkomstige toepassing. De Inspectie Werk en Inkomen is tevens
belast met het geven van het oordeel, bedoeld in artikel
74 [74], vierde lid.
-3. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige
uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan het
college, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld
zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt
daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een
aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de
uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met deze aanwijzing.
§
7.3. Informatie
Art.
77
[77].
Verslag over
de uitvoering [VvW;
MvT;
V; NvW
+ bis; A]
-1. Het college dient jaarlijks bij Onze Minister
een verslag in over de
uitvoering van deze wet. Het verslag omvat mede een opgave van de door
het college gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69 [69], eerste lid, en is
voorzien van een verklaring van de accountant belast met de in artikel
213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de getrouwheid
van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de
wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van
de wet.
-2. Voorafgaand aan het verslag, bedoeld in het eerste lid, dient het
college bij Onze Minister een voorlopig verslag in over de uitvoering.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het
voorlopig verslag, het verslag en over de verklaring en het onderzoek
dat resulteert in deze verklaring. Deze regels kunnen voor categorieën van gemeenten
verschillen, waarbij kan worden bepaald dat de verplichting het verslag
te voorzien van een verklaring niet van toepassing is.
Art.
78
[78].
Informatievoorziening [VvW;
MvT;
NvW + bis;
A]
-1. Het college en de gemeenteraad verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
de inlichtingen die hij voor het toezicht, de statistiek, de
informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet
nodig heeft.
-2. Onze Minister stelt een beleidsplan op
dat het kader biedt waarbinnen hij de inlichtingen, bedoeld in het
eerste lid, vraagt. Over het beleidsplan of een wijziging daarvan
overlegt hij met de daartoe door hem aangewezen rechtspersoon die de
gemeenten vertegenwoordigt.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop het college en de gemeenteraad de in het
eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken, waarbij kan
worden bepaald dat categorieën van gemeenten
bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken.
-4. De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de bescheiden,
bedoeld in artikel 77 [77], worden kosteloos verstrekt.
HOOFDSTUK
8
Slotbepalingen
Art.
79
[79].
Begrip besluit [VvW;
MvT]
Voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een
handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening
of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die
afwijkt van dat besluit.
Art.
80
[80].
Cassatie [VvW;
MvT]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of
verkeerde toepassing van artikel 3 [3], tweede tot en met vijfde lid, en de
daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in
cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad
van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Art.
81
[81].
Onverwijlde
bijstand [VvW;
MvT]
-1. Ingeval het college geen of ontoereikend toepassing heeft gegeven
aan artikel 52 [52], kan de voorzitter van gedeputeerde
staten, indien naar
zijn oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op
verzoek van de belanghebbende besluiten dat het college algemene
bijstand verleent.
-2. De beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten
vervalt
zodra de beslissing van het college inzake de verlening van algemene
bijstand onherroepelijk is geworden dan wel de rechtbank op het beroep
heeft beslist. De beslissing vervalt eveneens met ingang van de datum
waarop een door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen
voorlopige voorziening in werking treedt.
-3. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt bij wijze van voorschot
verleend in de vorm van een renteloze geldlening.
Art.
82
[82].
Goede
uitvoering [VvW;
MvT;
NvV; NvV(H);
V; NnavhV]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien de spoed dat
vereist, regels worden gesteld die noodzakelijk zijn in verband met de
goede uitvoering van de wet.
-2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
-3. Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het eerste lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet
tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de
Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien één van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel
niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld
ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene
maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding
van die wet.
Art.
83
[83].
Innovatie [VvW;
MvT;
V]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met
het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking
tot de arbeidsinschakeling en de financiering doeltreffender uit te
voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
6 tot en met 10 [6-10], 31
[31], tweede lid, en paragraaf
7.1 [7.1]. Bij toepassing van de
eerste volzin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke
wijze en gedurende welke periode van welke artikelen van de wet wordt
afgeweken.
-2. Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste drie
jaar. Indien, vóór een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is
ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een
structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden verlengd tot
het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. De tweede
volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
-3. Onze Minister kan op hun verzoek
gemeenten aanwijzen die deelnemen
aan een experiment. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van deze
bevoegdheid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de uitvoering van een experiment en voorzieningen worden
getroffen voor zich gedurende een experiment voordoende onvoorziene
gevallen.
-5. Onze Minister zendt uiterlijk drie maanden vóór het einde van een
experiment aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid
en de effecten van het experiment in de praktijk alsmede een standpunt
inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Indien een
experiment eerder wordt beëindigd dan oorspronkelijk beoogd, zendt Onze
Minister, in afwijking van de eerste volzin, uiterlijk twee maanden na
de beëindiging van dat experiment een verslag als bedoeld in de eerste
volzin aan de Staten-Generaal.
-6. De voordracht voor krachtens dit artikel vast te stellen algemene
maatregelen van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat
het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
84
[84].
Evaluatie [VvW;
V]
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
85
[85].
Inwerkingtreding [VvW;
V;
NnavhV; NvW + bis]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld. In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel
16 van de Tijdelijke referendumwet.
Art.
86
[86].
Citeertitel [VvW]
Deze wet wordt aangehaald ¹: Wet werk en bijstand.
1. Volgens de redactie
dient na "aangehaald" te worden ingevoegd: als.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
|
|