|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
| Nr.r94 |
BRIEF
VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE
ZAKEN EN WERKGELEGENHEID |
Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 23 september 2003
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het
wetsvoorstel Wet werk en bijstand is onder meer de motie
Bruls/Bakker over verruiming van de meeneemregeling aangenomen (28
870, nr. 82). Volgens deze motie zou moeten worden toegestaan dat de
gemeente een budgetoverschot op de
reïntegratiemiddelen tot maximaal 25% van het toegekende budget nog
voor een periode van drie jaar kan besteden.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heb ik reeds aangegeven dat ik
de gedachte achter de motie onderschrijf, maar dat ik bezwaar heb bij de
concrete invulling vanwege de administratieve lasten die dit oplevert,
zowel voor gemeenten als voor het Rijk. Een
meeneemregeling zoals beschreven in de motie
heeft immers tot gevolg dat de gemeente voor elk meeneembedrag zal
moeten bijhouden in welke mate dit is ingezet ter dekking van gemaakte
kosten. Ik heb de kamerleden een eenvoudiger alternatief voorgesteld bij
mijn brief van 29 augustus 2003 (Tweede Kamer,
vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 86).
Nu
de Tweede Kamer de betreffende motie
heeft aangenomen, kies ik voor de volgende invulling van de
meeneemregeling. Het percentage van het budget (t) dat mag worden
meegenomen naar het uitvoeringsjaar (t+1) wordt vastgesteld op 75% van
het toegekende budget (t). Hiermee wordt voorkomen dat de gemeenten
en het Rijk te maken krijgen met extra administratieve lasten terwijl de
gedachte achter motie nr. 82, te weten een forse verruiming van de
meeneemregeling, intact blijft.
Motie
nr. 82 gaat niet in op de voorschotregeling. De voorschotregeling
biedt gemeenten de mogelijkheid om in het lopend
begrotingsjaar een voorschot te nemen op de middelen die in het komende
begrotingsjaar zullen worden toegekend. Op deze wijze wordt de gemeente
financieel in staat gesteld om te variëren in de
beleidsinspanningen tussen de jaren.
rblz.|2|
Bij de meeneemregeling van het scholings- en activeringsbudget op
grond van de Wet inschakeling werkzoekenden was
er sprake van éénzelfde maximumpercentage dat gold voor zowel het
meenemen naar een volgend jaar als het opnemen van een voorschot op het
volgende jaar. Deze lijn wordt voortgezet in de Wwb.
Er is voor gekozen om éénzelfde percentage vast te stellen voor zowel
de meeneem- als de voorschotregeling vanwege de grote samenhang, het
eenvoudig houden van de regeling en gelet op de
dereguleringsdoelstelling. Ook dit percentage zal ik dus vaststellen op
75% van het toegekende budget.
De
grondslag voor het percentage van de voorschotregeling is het toegekende
budget van het lopende uitvoeringsjaar. Dit biedt de gemeente
de gelegenheid om bij het opstellen van de gemeentelijke begroting exact
het maximale bedrag van de meeneemregeling te kunnen bepalen. Dit is
niet het geval indien de grondslag voor het percentage zou worden
gebaseerd op het budget voor het volgende uitvoeringsjaar aangezien dat
budget op dat moment nog niet bekend is.
Tot
slot merk ik op dat ik met bovenstaande invulling van de meeneem- en
voorschotregeling tegemoet kom aan de opmerkingen van gemeenten
en de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
red.].
Ik ga ervan uit dat ik met deze brief voor het
jaar 2004 tevens heb voldaan aan de uitgangspunten die met het amendement
van de heer Bruls op stuknummer 33 (voorhangprocedure meeneemregeling)
van het wetsvoorstel Wet werk en bijstand zijn geformuleerd (artikel
70 [70], vierde lid, van genoemd wetsvoorstel).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|