|
rblz.|1|
Kamerstukken
I 2003-2004,
28 870
Vaststelling van een wet
inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand
door gemeenten (Wet werk en bijstand)
Kamerstukken I 2003-2004,
28 960
Invoering van de
Wet
werk en bijstand (Invoeringswet Wet werk en bijstand)
| xEx |
NOTA
NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG |
Ontvangen 2 oktober 2003
Het kabinet heeft met
belangstelling kennis genomen van de nadere vragen en opmerkingen van de
vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De leden van de fractie van
de PvdA vragen hoe de delegatie van het sanctiebeleid aan gemeenten
zich verdraagt met artikel 14 EVRM juncto artikel 1 van het Eerste
Protocol op dit verdrag [EVRM: Europees verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.].
Het recht op een
bijstandsuitkering valt gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof onder artikel 1
van het Eerste Protocol op het EVRM ("recht op een ongestoord genot van
het eigendom"). Op dit recht mag echter, op basis van dit zelfde
protocol, inbreuk worden gemaakt op grond van het algemeen belang. Een
verlaging van de bijstandsuitkering als reactie op het niet naleven van de
verplichtingen die verbonden zijn aan de Wwb kan hiermee gerechtvaardigd
worden, omdat deze noodzakelijk zijn om een maatschappelijk draagvlak te waarborgen. De mogelijkheid voor de
gemeente om de
bijstandsuitkering te verlagen, is echter niet ongeclausuleerd. In de wet staan de
voorwaarden die tot een verlaging kunnen leiden nader uitgewerkt, aangevuld
met de verplichting voor de gemeente om de wijze waarop deze
voorwaarden worden ingevuld te omschrijven in een gemeentelijke verordening.
Met het stellen van dergelijke voorwaarden in de wet waarmee rekening moet
worden gehouden voordat de gemeente sancties kan opleggen, wordt
voldaan aan de hier beschreven internationaalrechtelijke norm.
Het gelijkheidsbeginsel
zoals dat is verankerd in onder meer het EVRM kan worden gedefinieerd als een
verbod voor bestuursorganen, zoals de rijksoverheid en lagere
overheden, om bij het maken en toepassen van wet- en regelgeving
ongerechtvaardigd onderscheid te maken tussen personen. Anders gezegd, ook
gemeenten zijn gehouden aan het gelijkheidsbeginsel wanneer
zij uitvoering geven aan de Wwb.
Het kabinet heeft aldus
geconcludeerd dat de delegatie van het sanctiebeleid aan gemeenten zich verdraagt
met het belang van een ongestoord genot van het eigendom.
In antwoord op een vraag van
de PvdA wordt gesteld "het kabinet gaat ervan uit dat verschillen
(...) functioneel zijn". De leden van de rblz.|2|
GroenLinks-fractie vragen
wat er gebeurt als die verschillen niet functioneel blijken te zijn?
Ook wordt gesteld dat "de
uitkeringsnormen (...) geen deel uitmaken van de gemeentelijke
beleidsvrijheid". In de situaties, genoemd in artikel 27
tot en met 30 [27-30], zijn die normen dat
echter wel.
Door de
gemeenten de
mogelijkheid te bieden maatwerk te leveren bij het ondersteunen van mensen bij
hun arbeidsinschakeling zullen er verschillen ontstaan die
overeenkomen met het verschil in capaciteiten en mogelijkheden van mensen en
met verschillen in lokale omstandigheden. Daarmee zijn die verschillen functioneel voor het bereiken van de
doelstellingen van de wet.
Het kabinet meent dat de
systematiek van de Wwb met het evenwicht tussen bevoegdheden en verantwoordelijkheden van gemeenten de beste
waarborg is voor het
realiseren van verschillen in de uitvoering die bijdragen aan een maximaal
effectief reïntegratiebeleid. Indien uit de evaluatie onverhoopt mocht
blijken dat dit doel niet geheel wordt bereikt, zal alsdan moeten worden
bezien welke nadere acties nodig zijn.
Over de uitkeringsnormen is
in de memorie van antwoord opgemerkt dat deze geen deel uitmaakt van
de gemeentelijke beleidsvrijheid die met dit wetsvoorstel is
gerealiseerd. Het bespreken van de gemeentelijke beleidsvrijheid is in dat
antwoord gekoppeld aan de wijzigingen als gevolg van dit wetsvoorstel.
Zoals deze leden terecht constateren, laat dit onverlet dat er reeds met de
Algemene bijstandswet van 1996 een, zij het beperkte, gemeentelijke
beleidsvrijheid is geïntroduceerd in de systematiek van de uitkeringsnormen. De
Wwb brengt hierin geen verandering.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat het CBP [College
bescherming persoonsgegevens, red.] van alle 500 gemeenten de bijlagen bij de beschikking moet gaan bekijken om een goed beeld
te krijgen van de bescherming van de persoonsgegevens.
Op grond van artikel 60,
eerste lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens kan het CBP ambtshalve of op
verzoek van een belanghebbende een onderzoek instellen naar
de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan
het bepaalde bij of krachtens de wet. Het is aan het CBP om te bepalen op welke wijze een dergelijk
onderzoek wordt ingericht.
Het ligt daarbij niet voor de hand dat het CBP een onderzoek zal doen in de
omvang als door deze leden in hun vraag wordt genoemd.
In artikel 4 [4.1,
red.], eerste lid,
onderdeel f, van het Besluit SUWI is verder bepaald dat reïntegratiebedrijven
verplicht zijn de reïntegratiegegevens uitsluitend te verwerken voor zover
noodzakelijk voor het verrichten van hun werkzaamheden dan wel voor de naleving van
de verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e. In onderdeel
e van dit artikellid is onder meer
bepaald dat de
reïntegratiebedrijven door middel van een verklaring van een accountant of deskundige
op verzoek van het gemeentebestuur moeten kunnen aantonen welke
maatregelen zijn genomen ter beveiliging van die gegevens en hoe de
verwerking van die gegevens plaatsvindt. Op deze manier is het
gegevensverkeer op het punt van reïntegratie met de nodige waarborgen omkleed.
De GroenLinks-fractie
refereert aan de volgende tekst in de memorie van antwoord:
"De bezuiniging
op gesubsidieerde arbeid in het lopende jaar en de bezuiniging op het
macrobudget werkdeel Wwb in 2004 betekent op zichzelf niet dat deze
vraag naar arbeid verloren gaat" en vraagt waar gemeenten en
non-profitinstellingen het geld vandaan halen om in de
vraag naar arbeid te blijven
voorzien.
rblz.|3|
Het kabinet beoogt met de Wwb dat gemeenten voor hun klanten de meest effectieve en
efficiënte reïntegratievoorziening zullen inzetten. Voorop staat het belang van
de cliënt en niet het belang van de werkgever om een arbeidsplaats
gesubsidieerd te krijgen. Gemeenten beschikken daartoe in 2004 over een reïntegratiebudget van circa
€|1,6 miljard.
Gemeenten krijgen door de
geboden beleidsvrijheid op het terrein van reïntegratie meer
mogelijkheden om naar eigen keuze instrumenten in te zetten en maatwerk te
bieden. Daarom kan er ook met een lager budget een toereikend
reïntegratiebeleid worden gerealiseerd. Voorbeelden daarvan zijn de mogelijkheid
om de hoogte en duur van de subsidie meer dan nu het geval is af te
stemmen op de hoogte van de productiviteit van de individuele cliënt en
het toenemende accent op resultaatfinanciering bij aanbesteding van
reïntegratieactiviteiten.
Een eerste stap in het
vergroten van de beleidsvrijheid is al gezet door in 2003 het budget voor
ID-banen te dereguleren. Het budget ID-banen wordt niet meer taakstellend op
basis van het aantal banen toegekend, maar is vrij besteedbaar aan
arbeidsplaatsen en andere reïntegratieactiviteiten. Dit is zowel ten behoeve van
de
doorstroom van werknemers in ID-banen naar ongesubsidieerde banen
als ten behoeve van de arbeidsinschakeling van andere werkzoekenden. Om
knelpunten bij de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) op te
lossen, is in 2003 €|40 miljoen ter beschikking gesteld.
In het kader van het
convenant gesubsidieerde arbeid zijn met werkgevers, werknemers en
gemeenten afspraken gemaakt om doorstroom vanuit
gesubsidieerde arbeid mogelijk te maken. Onderdeel daarvan is de Tijdelijke
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen. Daarvoor is een
bedrag van €|170 miljoen ingezet. Daarnaast is ook door sectoren zelf
budget beschikbaar gesteld. Door verschillende departementen wordt in
totaal €|65 miljoen voor verschillende sectoren (zorg en jeugdhulpverlening,
kinderopvang, cultuur, onderwijs en veiligheid) ter beschikking
gesteld, waarvan €|30 miljoen structureel.
Met het totaal van deze
maatregelen meent het kabinet gemeenten voldoende mogelijkheden te
hebben gegeven om de vermindering te compenseren van de vraag
naar arbeid voor kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt als gevolg van
de bezuinigingen op het reïntegratiebudget.
De leden van de fractie van
GroenLinks vragen of de staatssecretaris uit kan sluiten dat
gemeenten
mensen die zich willen vestigen, zullen tegenhouden omdat zij
bijstandsgerechtigd zijn.
Aan alle inwoners van de
Europese Unie komt op grond van het Europees verdragsrecht het recht toe
om zich vrij te vestigen. Nederland heeft deze bepaling uitgewerkt in de
Huisvestingswet. Dit betekent dat het gemeenten wettelijk niet
toegestaan is om mensen die zich in die gemeenten willen vestigen te
weigeren omdat zij bijstandsgerechtigd zijn. De formele wetgeving
waarborgt aldus dat het recht op vrije vestiging van mensen met een
bijstandsuitkering geëerbiedigd wordt. Het risico dat dit desondanks toch gebeurt, is
minimaal, omdat in bezwaar en beroep getoetst wordt aan de
formele wet. In voorkomende gevallen zal een eventueel besluit van de
gemeente daarmee al in een vroeg stadium stranden.
De leden van de fractie van
GroenLinks vragen of het kabinet niet bevreesd is dat de makkelijk
te reïntegreren cliënten de moeilijk plaatsbaren op de arbeidsmarkt zullen
verdringen, mede als gevolg van het feit dat "passende arbeid"
vervangen is door "algemeen geaccepteerde arbeid".
Het kabinet is van mening
dat de reïntegratie van moeilijk plaatsbaren op de arbeidsmarkt meer dan
gewone aandacht vergt in het beleid. De Wwb
rblz.|4|
beoogt mede de
randvoorwaarden te scheppen voor een verbetering van de kansen van deze categorie
werkzoekenden op de arbeidsmarkt.
Het vervangen van het begrip "passende
arbeid" door het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" heeft tot doel meer het accent te leggen op economische
zelfstandigheid door deelname aan betaalde arbeid. Dit komt er in de
kern op neer dat van hogeropgeleiden zo nodig mag worden verwacht dat zij
werk accepteren waarvoor formeel geen of weinig eisen worden gesteld
aan de gevolgde schoolopleiding en/of werkervaring.
Het kabinet meent echter dat
het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" niet zal leiden tot
een verslechtering van de positie van personen met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt. Gemeenten worden met de Wwb gestimuleerd maximaal in
te zetten op duurzame reïntegratie. Deze inzet heeft het meeste kans op succes als vraag en aanbod op elkaar
aansluiten. Inschakeling van
hooggekwalificeerden op laaggekwalificeerde banen wordt meestal noch
door betrokkenen noch door werkgevers als wenselijk ervaren. Het moet
anderzijds ook niet bij voorbaat worden uitgesloten.
Gemeenten hebben er voorts
financieel belang bij om te investeren in personen die minder
makkelijk aan een betaalde baan te helpen zijn. Wanneer geen uitstroom wordt
gerealiseerd, zal aan deze personen immers langdurig een
uitkering moeten worden verstrekt. De Wwb biedt gemeenten door het vrij
besteedbaar werkbudget een breed scala aan mogelijkheden die kunnen
worden benut om de positie te verbeteren van mensen die kwetsbaar zijn.
Door deze inspanningen kan worden bereikt dat beter wordt aangesloten
bij de vraag van werkgevers. Instrumenten die door de gemeenten kunnen
worden ingezet, zijn voorzieningen als scholing of training,
eventueel in combinatie met instrumenten als schuldhulpverlening,
psychische begeleiding, etc. Tevens geeft de Wwb meer ruimte voor de
tijdelijke inzet van loonkostensubsidies of het bekostigen van voorzieningen
op de arbeidsplaats zoals begeleiding tijdens het werk. Het
principe van maatwerk zoals dat ten grondslag ligt aan de Wwb is veelal een
noodzakelijke voorwaarde om een succesvolle inschakeling in arbeid te
realiseren.¹ Ook in dat opzicht kan de Wwb dus een bijdrage leveren aan een
verbetering van de arbeidsmarktperspectieven van moeilijk plaatsbare
werkzoekenden.
1. B. Post en I. Bakker: Een
bestaan in de bijstand: belemmeringen en beleid, 1999, ’s-Gravenhage,
Elsevier.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen zich af of een bijstandsgerechtigde of een
NUG-er [niet-uitkeringsgerechtigde, red.] beroep kan
instellen tegen gedwongen sociale activering.
Verplichte sociale
activering is bij een niet-uitkeringsgerechtigde niet aan de orde, omdat sociale
activering is gekoppeld aan het ontvangen van een uitkering.
Bijstandsgerechtigden kunnen tegen een beschikking waarin de verplichting tot sociale
activering is opgenomen op grond van de Algemene wet bestuursrecht
een bezwaarschrift indienen bij burgemeester en wethouders. Vervolgens
bestaat de mogelijkheid om hiertegen in beroep te gaan.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen zich af waar een cliënt in beroep kan gaan als een
gemeente tegen de zin van de cliënt geen voorzieningen aanbiedt.
Indien een cliënt verzoekt
om een specifieke voorziening, dient de afwijzing van dat verzoek
door de gemeente vastgelegd te worden in een beschikking. Tegen deze
beschikking kan bezwaar en beroep worden ingesteld ingevolge de
Algemene wet bestuursrecht.
rblz.|5|
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen hoe groot (in aantallen personen) op dit moment de
totale doelgroep voor het "werkdeel" van de Wwb
is.
De doelgroep waarvoor het
werkdeel kan worden ingezet, bestaat uit de volgende personen:
| Volumecijfersxxxxxxxxxxxxx |
xxxxStandxxxx |
xxxxxxxPeildatumxxxxxxx |
| Wiw-dienstbetrekkingen
|
v27
591 |
Ultimo 2002 in
personen
|
| Wiw-werkervaringsplaatsen
|
vv2
351 |
Ultimo 2002 in
personen
|
| ID-dienstbetrekkingen
|
v52 299 |
Ultimo 2002 in personen
|
| NUG-ers/Anw-ers
|
9
000-26 000
|
Schatting*
|
| Abw-ers
<65 jaar
|
317 230
|
Ultimo 3e kwartaal 2002
|
* Het gegeven cijfer betreft
een schatting van het aantal niet-uitkeringsgerechtigden (NUG-ers) en Anw-ers
die een traject
nodig hebben of wensen op basis van historische gegevens (1999), voorlopige cijfers over de
inzet van trajecten en extrapolaties hiervan.
Voor deze personen heeft de
gemeente een reïntegratieverantwoordelijkheid en kan zij het als het nodig
is een voorziening gericht op arbeidsinschakeling inzetten ten laste van het
reïntegratiebudget (werkdeel). Niet voor elke persoon zal het
noodzakelijk zijn een Wwb-voorziening in te zetten en voor die personen
die een voorziening krijgen, zal niet jaarlijks een voorziening nodig zijn.
Voor niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers geldt geen verplichting tot
reïntegratie. Daarom vindt alleen doorverwijzing naar de gemeente plaats als
het CWI [Centrum voor werk en inkomen, red.]
van oordeel is dat betrokkene een reïntegratietraject
nodig heeft en zal de gemeente vervolgens bepalen of een Wwb-voorziening nodig
is.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen of het verdeelmodel voor het werkdeel mogelijk nog wordt
uitgebreid met het aantal NUG-ers en Anw-ers, en zo ja, wanneer
dit duidelijk wordt.
Het reïntegratiebudget voor
de doelgroep niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers maakt reeds een ongeoormerkt onderdeel uit van het werkdeel.
Voor het jaar 2004 zal het
totale werkdeel worden verdeeld op basis van de historische aandelen in
de huidige Wiw- en ID-regelingen.
Het kabinet zal bezien of de
groep niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers ook in de
verdeelsystematiek van het werkdeel moet worden opgenomen en zal hierover
overleg voeren met de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.]. Dit is toegezegd bij de behandeling van
het
wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Het kabinet zal een definitief oordeel
mede laten afhangen van de vraag of het aantal niet-uitkeringsgerechtigden
daadwerkelijk anders verdeeld is over gemeenten dan het aantal
bijstandsgerechtigden en van de kwaliteit van de beschikbare cijfers.
Het verdeelmodel van het
werkdeel - waarvan de uitgangspunten zijn genoemd in de memorie van toelichting bij de aanbieding van het
wetsvoorstel (aantal
bijstandsgerechtigden, rekening houdend met uitkeringsduur) - zal
medio 2004 gereed zijn, zodat de budgetten voor 2005 op basis daarvan
verdeeld kunnen worden. Vóór medio 2004 zal daarmee ook duidelijkheid
moeten zijn over de wenselijkheid van het meenemen van aantallen
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers in de verdeelsystematiek.
De leden van de
GroenLinks-fractie vragen of het kabinet ermee bekend is dat de VNG
namens gemeenten
spreekt en wat de reden is dat anderen dan de VNG worden aangehaald
in plaats van helder te reageren op het rblz.|6|
standpunt van de VNG dat
invoering van de Wwb per 1 januari 2004 onwerkbaar is. Deze leden
vragen het kabinet daar alsnog op te reageren. Tevens vragen deze leden of
het kabinet ermee bekend is dat Divosa [Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] pleit voor een integrale invoering
van de wet niet eerder dan 1 januari 2005.
Het kabinet is bekend met de
positie van de VNG als organisatie die opkomt voor de belangen van
de gemeenten. Deze belangenbehartiging houdt overigens niet in dat
de VNG namens alle 489 gemeenten bindende uitspraken doet.
Gelet op de belangrijke,
overkoepelende rol van de VNG heeft de Staatssecretaris
van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid op het terrein van werk en bijstand regelmatig
bestuurlijk overleg met de VNG. Naast het bestuurlijk overleg met de
VNG heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook bestuurlijk overleg met individuele
gemeenten of groepen van
gemeenten.
Het kabinet wil niet
volstaan met een reactie op de opvattingen van de VNG. In de
oordeelsvorming
over wat er nodig is voor een goed werkende Wwb
en voor een verantwoorde
invoering heeft het kabinet zich ook zelf een oordeel willen vormen
van de opvattingen van gemeenten. Bij de totstandkoming van de Wwb heeft het kabinet er daarom voor gekozen om op een intensieve manier
met gemeenten in contact te treden teneinde zich zo goed mogelijk
te laten informeren over opvattingen van gemeenten en over knelpunten
in de uitvoering als gevolg van de huidige regelgeving en over de
mogelijke oplossingen daarvoor. Deze contacten hebben het kabinet gesterkt
in zijn opvatting dat een gefaseerde invoering per 1 januari 2004
verantwoord is. Het is het kabinet bekend dat Divosa pleit voor een integrale
invoering van de wet niet eerder dan 1 januari 2005. Het kabinet merkt
hierbij nog op dat Divosa heeft aangegeven invoering per 1 januari 2004
van de deregulering en de ontschotting van het werkbudget wel wenselijk
te vinden. Het principe dat deregulering en derapportage gepaard dient
te gaan met een aanpassing van de financiële verantwoordelijkheid van gemeenten wordt ook door de VNG en Divosa
onderschreven. Gemeenten
hebben met ingang van 2001 ervaring kunnen opdoen met de gedeeltelijke
budgettering van de bijstandsuitgaven. De stap naar volledige budgettering is weliswaar fors, maar gezien de
ervaring die gemeenten reeds
hebben opgedaan met budgettering en de wijze waarop de
financieringssystematiek met de Wwb is vormgegeven, acht het kabinet het
verantwoord een systematiek te introduceren met grotere financiële risico’s
voor gemeenten.
Het kabinet hecht groot
belang aan de invoering van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2004,
omdat het voor een zo effectief mogelijk reïntegratiebeleid van
belang is dat de gemeenten zo spoedig mogelijk van de mogelijkheden gebruik
kunnen maken die het wetsvoorstel biedt. Het is in de huidige
conjuncturele situatie van belang dat mogelijkheden voor reïntegratie zo goed
mogelijk worden benut. De cliënt heeft immers belang bij een goede
aansluiting met de arbeidsmarkt. Uitstel met een jaar zou dus kostbaar
tijdverlies betekenen.
Vanzelfsprekend heeft het
kabinet serieus rekening gehouden met de opvattingen van de VNG,
Divosa en individuele gemeenten. In de memorie van antwoord
is het
kabinet uitvoerig ingegaan op de aanpassingen in het wetsvoorstel die
daaruit zijn voortgevloeid. Daarnaast heeft het kabinet een aantal
aanvullende maatregelen genomen die het voor gemeenten mogelijk maken de
invoering van de Wwb per 1 januari 2004 op een adequate manier in de
uitvoering op te vangen. Door de mogelijkheid van de
gefaseerde invoering heeft een gemeente de mogelijkheid een aantal
onderdelen van de Wwb later in te voeren indien dit voor een goede
uitvoering noodzakelijk is. Daarnaast wordt in het kader van de implementatie
door SZW, samen met VNG en Divosa, op brede schaal ondersteuning
geboden bij de voorbereiding op de Wwb. rblz.|7|
Hierop is uitvoerig ingegaan
in de memorie van antwoord. Door het geheel van deze maatregelen
worden de gevolgen van invoering per 1 januari 2004 beheersbaar.
In de nota naar aanleiding
van het verslag aan de Tweede Kamer is in het antwoord op de laatste vraag
van paragraaf 6.1 beschreven op welke wijze de risico’s van de
invoering van de Wwb per 1 januari 2004 scherp in beeld zijn gebracht.
Daarbij is onder andere aangegeven dat essentiële zaken als de
uitkeringverstrekking en de rechtmatigheid geen risico lopen. De twee grote
leveranciers van de basissystemen van sociale diensten hebben aangegeven
dat er in 2004 geen problemen zijn te verwachten met de ICT-aanpassingen.
Alles overziende handhaaft
het kabinet derhalve de conclusie dat invoering van de Wwb per 1
januari 2004 nodig en verantwoord is.
De leden van de
GroenLinks-fractie tekenen aan dat het antwoord op de vragen over het mogelijke
beroep op de rechterlijke macht voorbijgaat aan het kernpunt van de
vraag [formeel behoren de sector Bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank
en de Centrale Raad van
Beroep niet de tot de
rechterlijke macht, red.]. Kernpunt van de vraag is dat veel bijstandsaanvragers en
reïntegreerders straks mogelijk boos zijn over beslissingen en naar de
rechter stappen. De leden van de GroenLinks-fractie wijzen erop dat de
rechterlijke macht in Nederland zoals bekend overbelast is en vragen of
de staatssecretaris hier een oplossing voor heeft.
De introductie van nieuwe
regelgeving, waarmee ervaring moet worden opgedaan en waarvan de
inhoud en strekking niet van meet af aan volledig uitgekristalliseerd
is, kan tot een tijdelijke toename van procedures leiden. Het kabinet gaat
ervan uit dat deze tijdelijke toename van procedures, zoals ook eerder
bij de introductie van nieuwe regelgeving het geval is geweest, door
de rechterlijke macht opgevangen kan worden. Een structurele toename van
het aantal procedures wordt niet verwacht. Vanuit het departement van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal in ieder geval de
jurisprudentie op grond van de Wet werk en bijstand vanaf het moment van
inwerkingtreding van deze wet nauwlettend worden gevolgd. De gemeenten
zullen, indien daarvoor op basis van deze jurisprudentie aanleiding
is, worden geïnformeerd, opdat onnodige beroepsprocedures voorkomen
kunnen worden. Mochten, ondanks dat het kabinet dit niet
verwacht, toch problemen bij de afhandeling van procedures ontstaan, dan zal
in overleg met de Minister van Justitie bezien worden, afhankelijk
van de aard van de problemen - bijvoorbeeld onduidelijke regelgeving of
overbelasting van de rechterlijke macht -, op welke wijze daarvoor een
oplossing gevonden kan worden.
De leden van de fractie van
de SP vragen of het niet beter is om de sollicitatieplicht voor
alleenstaande ouders te vervangen door een stimulerend beleid gebaseerd
op vrijwilligheid, gelet op het feit dat de staatssecretaris
in de
memorie van antwoord aangeeft dat een zeer groot deel van de alleenstaande
ouders zeer gemotiveerd is om (op termijn) betaalde arbeid te gaan
verrichten. Tevens informeren deze leden welk percentage van de
bijstandsgerechtigden de sollicitatieplicht als "economische
prikkel" nodig heeft.
De waarde die wordt gehecht
aan financiële aspecten is afhankelijk van het individu en van
persoonlijke omstandigheden. Voor bepaalde categorieën
bijstandsgerechtigden zal een economische prikkel belangrijker zijn dan voor andere
categorieën. Een percentage is niet te geven. Het kabinet heeft op basis
van beschikbaar onderzoek wel geconstateerd dat ook economische motieven
voor alleenstaande ouders een rol spelen.¹
Een algemene verplichting om
te solliciteren voor personen die een bijstandsuitkering ontvangen,
vloeit direct voort uit het karakter van de rblz.|8|
Bijstandswet en uit de
doelstellingen van het kabinetsbeleid. Het kabinet vindt het wenselijk en
verantwoord dat ook van alleenstaande ouders verwacht kan worden dat zij
zich inspannen om economisch zelfstandig te worden.
1. T. Knijn en F. van Wel: Zorgen voor de
kost, 1999. Utrecht, Uitgeverij
SWP, en tevens A. Hekelaar, R. Kolk en T. Wentink: Werk in zicht? Een onderzoek naar de
arbeidsoriëntatie van bijstandsmoeders in Rotterdam, 2001, Dienst Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De leden van de fractie van
de SP vragen voorts wat de staatssecretaris
denkt te doen aan het risico
op willekeur bij de beoordeling of aan de alleenstaande ouder al of
niet de sollicitatieplicht opgelegd kan worden en tevens aan de verschillen
die hierbij zullen ontstaan als gevolg van de politieke kleur van de gemeente.
Eén van de belangrijkste
principes van de Wwb is dat een ontheffing alleen gebaseerd mag worden
op basis van een individuele afweging. Gemeenten kunnen er dus niet
voor kiezen om groepen bijstandsgerechtigden bij verordening categoriaal
te ontheffen van de arbeidsverplichtingen. Bij het formuleren van de randvoorwaarden van het
gemeentelijk activeringsbeleid kan de "politieke kleur" van de gemeente in dit opzicht geen rol
spelen. Bij de uitvoering van de Wwb komt gemeenten veel
beleidsvrijheid toe en staat maatwerk centraal. Indien gemeenten in individuele
gevallen invulling geven aan deze uitgangspunten, ook bij de beoordeling of
aan alleenstaande ouders ontheffing moet worden verleend van de
sollicitatieplicht, is van willekeur geen sprake.
Het is de leden van de
fractie van de SP niet duidelijk waarom ook voor personen van 57,5 jaar
of ouder een sollicitatieplicht moet gelden, dit onder meer omdat ook jongeren
een kans moeten hebben op de arbeidsmarkt.
Het kabinet is van mening
dat beleid niet alleen gebaseerd dient te worden op economische en
conjuncturele motieven die gelden voor de korte termijn. Sociale en
maatschappelijke motieven, alsmede economische verwachtingen voor de
langere termijn, behoren zoveel mogelijk leidend te zijn. Daarom is
ervoor gekozen om, ondanks de werkloosheid onder jongeren, ook een
sollicitatieplicht in te voeren voor personen van 57,5 jaar of ouder.
Vanzelfsprekend wordt verwacht dat gemeenten hier zorgvuldig mee omgaan en dus
geen verplichtingen opleggen die door de personen onmogelijk waar
gemaakt kunnen worden.
Een belangrijke overweging
is tevens dat het kabinet van mening is dat iedereen de kans moet
krijgen om zijn of haar capaciteiten te benutten, ongeacht zijn of haar
leeftijd of achtergrond. Het handhaven van een categoriale ontheffing voor
57,5 jaar of ouder zou er opnieuw toe kunnen leiden dat mensen
uitgesloten worden.
De
uitspraak "het behoort
tot de eigen verantwoordelijkheid om te voorzien in middelen,
bijvoorbeeld door sparen, zodat er geen beroep gedaan hoeft te worden op de
bijstand" is geen antwoord op de vraag of het rechtvaardig is dat
mensen die wel hebben gespaard of een huis hebben dat "op moeten
eten", terwijl mensen die niet zo spaarzaam zijn geweest wel in aanmerking
komen voor een uitkering. De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris
alsnog antwoord te geven op deze vraag.
Het kabinet vindt het, gelet
op het complementariteitsbeginsel van de bijstand, niet
onrechtvaardig dat mensen die zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan
kunnen voorzien omdat ze spaargeld hebben, geen bijstand ontvangen. Het
is wel rechtvaardig dat er voor mensen die gespaard hebben vermogensvrijlatingen zijn. Voor vermogen gebonden in
de zelf bewoonde woning met
bijhorend erf geldt een vrijlating van €|42
000,-. Voorts geldt er
een algemene vermogensvrijlating van €|9950,-
rblz.|9|
voor gezinnen en alleenstaande ouders en van €|4975,- voor alleenstaanden.
Voor inkomsten uit een
particuliere oudedagsvoorziening geldt een vrijlating van €|16,45
per maand voor alleenstaanden en alleenstaande ouders en van €|32,90 voor
gehuwden. Daardoor krijgen bijstandsgerechtigden die
gespaard hebben meer bestedingsruimte dan mensen die niet gespaard
hebben.
Bij de vragen over het
verbod op categoriale bijzondere bijstand, en de daaruit voortvloeiende
bureaucratie (voor elke aanvraag individueel naar het loket), ontkent de
staatssecretaris dat "aanbod op maat" meer werk vraagt van de betreffende
gemeenten. De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris alsnog
antwoord te geven op de vraag waar de gemeenten de tijd en de
middelen vandaan moeten halen om terug te gaan naar individuele
verwerking van elke aanvraag.
De tijd en de middelen om
terug te gaan naar individuele verwerking van elke aanvraag van bijzondere
bijstand kunnen de gemeenten vinden doordat:
- de langdurigheidstoeslag
het beroep op de individuele bijzondere bijstand zal doen afnemen;
- de tijd en de middelen
die gemoeid zijn met de categoriale regelingen vervallen;
- ze de bevoegdheid
krijgen om hun administratieve processen naar eigen inzicht zo efficiënt
en effectief mogelijk in te richten.
In dit verband zij ook
gewezen op het in hoofdstuk 4 van de memorie van antwoord aangegeven belang
voor de uitvoering van beleidsregels en werkinstructies.
De staatssecretaris geeft
aan dat de categoriale verstrekkingen aan chronisch zieken en
gehandicapten slechts 4% van het totaal aan categoriale bijzondere
bijstand bedroeg. De leden van de SP-fractie vragen waarom er geen
uitzondering is voor deze groep, aangezien niemand hoeft te twijfelen
aan de noodzaak voor extra verstrekkingen en het een extra belasting is
voor deze doelgroep om voor elke nood een aparte, individuele aanvraag
te doen.
Tussen de leden
van de
doelgroep chronisch zieken en gehandicapten kunnen grote verschillen
bestaan in het soort en de hoogte van de kosten waarmee zij geconfronteerd
worden. Daardoor past individueel maatwerk beter bij deze groep dan een
categoriale regeling. Voor elke nood een aparte, individuele aanvraag
doen is niet in overeenstemming met het doel van de Wwb
om
bureaucratisering tegen te gaan. De gemeente heeft immers de bevoegdheid om hun
administratieve processen naar eigen inzicht zo efficiënt en effectief mogelijk in te richten.
"De toename van de
gemeentelijke ruimte voor het vaststellen van individuele bijzondere
bijstand kan voor individuele huishoudens zowel tot een positief als een
negatief inkomenseffect leiden" geeft de staatssecretaris
toe. De leden van de
SP-fractie vragen wat de staatssecretaris denkt te doen aan het negatieve inkomenseffect als het gaat om gezinnen
die al op de rand van het minimum stonden.
De
individuele bijzondere
bijstand is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan de gemeenten. Het
past
in de filosofie van de Wwb dat het in de eerste plaats aan de
gemeentelijke politiek is om invulling te geven aan de individuele
bijzondere bijstand. Dat geldt ook waar het de inkomenseffecten betreft.
Hierbij is een actieve rol weggelegd voor cliëntenparticipatie. Het
kabinet heeft er vertrouwen in dat de gemeenten zorgvuldig en verantwoord
zullen omgaan met de inkomenseffecten voor betrokken personen en
gezinnen.
rblz.|10|
De leden van de SP-fractie
vragen een reactie van de staatssecretaris op de bewering in de brief van
de VNG dat uitvoering per 1 januari onwerkbaar is door de
optelsom van bezuinigingen, de onvoldragen financieringssystematiek en
een volstrekt onvoldoende bedrag voor implementatiekosten.
In het eerder in deze nota
gegeven antwoord op vragen van de leden van de GroenLinks-fractie is aangegeven waarom het kabinet, met inachtneming
van de opvattingen van de VNG, van oordeel is dat een gefaseerde invoering per 1
januari 2004 verantwoord is. In het antwoord op de eerste vraag in hoofdstuk
6 van de memorie van antwoord heeft het kabinet aangegeven waarom de
bezuinigingen op het inkomensdeel en op het werkdeel verantwoord
zijn. In dezelfde paragraaf van de memorie van antwoord is het kabinet uitvoerig ingegaan op de middelen die
gemeenten ter beschikking
hebben voor de invoering van de Wwb. In paragraaf 5A van de memorie
van antwoord is het kabinet uitvoerig ingegaan op de toereikende
vaststelling van het macrobudget en op de verantwoorde verdeling
daarvan over de gemeenten.
De vraag waar de banen
vandaan moeten komen om al die nieuwe sollicitatieplichtigen mee
uit de uitkeringen te helpen, achten de leden van de SP-fractie niet
beantwoord. De mededeling dat de wet ook bedoeld is voor tijden van
hoogconjunctuur lijkt deze leden een zwaktebod. Zij vragen of daarmee niet wordt
geïmpliceerd dat deze wet het minder goed zal doen in tijden van
laagconjunctuur.
De arbeidsmarkt als
onderdeel van een economisch systeem kent de nodige dynamiek, ook in
tijden van economische neergang. De Wwb brengt geen verandering in
de situatie dat het in laagconjunctuur voor mensen moeilijker is om aan
de slag te komen. Werkgelegenheidsbevorderend structuurbeleid blijft dan
ook nodig. Niettemin zijn er ook in tijden van laagconjunctuur
altijd mensen die van baan wisselen en vallen er altijd banen vrij door
onder meer pensionering. De vrijvallende banen bieden vervolgens kansen
voor werkzoekenden, ook met een uitkering. Door het kabinetsbeleid
worden uitkeringsgerechtigden extra aangespoord en ondersteund om op zoek te
gaan naar deze kansen en ze ook te grijpen. Het kabinet is zich ervan bewust dat niet alle mensen in een
uitkering nu direct een baan
zullen kunnen bemachtigen.
Om die reden staat de gemeenten in de
Wwb een reïntegratiebudget ter beschikking waarmee
gemeenten op basis van maatwerk personen kunnen ondersteunen bij hun
weg richting arbeidsmarkt, respectievelijk hun aantrekkelijkheid voor
werkgevers tijdelijk kunnen vergroten door loonkostensubsidies.
Ook indien inschakeling op
de arbeidsmarkt niet direct mogelijk is, kan het noodzakelijk worden bevonden
betrokkene aanvullend te scholen opdat de kans op
arbeidsinschakeling toeneemt.
In artikel 8
[8] van de
Wet werk
en bijstand wordt de gemeenteraad de verplichting opgelegd om bij
verordening regels vast te stellen die ervoor zorgen dat bij het aanbieden
van ondersteuning en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling een
evenwichtige aandacht wordt gegeven aan de diverse doelgroepen van het
beleid. Naar aanleiding van dit artikel vraagt het lid van de OSF
[Onafhankelijke Senaatsfractie, red.] of dit
aspect onderdeel uitmaakt van het toezicht op de rechtmatigheid van de
uitvoering of alleen van het toezicht op de doeltreffendheid van de
wet.
Indien een
gemeente niet
heeft voldaan aan de in artikel 8 [8]
Wwb
opgenomen verordeningsverplichting, dient
zij dit aan de Minister van SZW te verantwoorden via het
verslag over de uitvoering. Hiermee is het een onderdeel van het
toezicht op de rechtmatige uitvoering van de
wet. rblz.|11|
Verondersteld mag worden dat
de gemeenteraad in een dergelijke situatie het college zal verzoeken
haar zo spoedig mogelijk een voorstel te doen, teneinde invulling te geven
aan de wettelijke verplichting ter zake. Bij het toezicht op de doeltreffendheid van de wet, dat wil zeggen de mate waarin
de uitvoering door de
gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan de doelen van de wet, kan de Inspectie
Werk en Inkomen via thematisch onderzoek inzicht verschaffen in welke
mate de evenwichtige aanpak door gemeenten heeft bijgedragen
aan het bereiken van de doelen van de wet.
In aanvulling op de
memorie van antwoord heeft het lid van de OSF enkele aanvullende vragen
gesteld:
1. Wordt het macrobudget
voor 2004 berekend op basis van:
- realisatie
bijstandsuitkeringen 2002;
- verwachtingen met
betrekking tot de conjunctuur;
- minus efficiencykorting
van €|150 miljoen?
2. Wordt het macrobudget
2004 in september 2004 bijgesteld op basis van de conjuncturele
ontwikkeling van 2004, loon- en prijsontwikkelingen en de gerealiseerde
bijstandsuitkeringen van 2003, zodat het effect hiervan is dat een
macrobudget definitief wordt gemaakt waarin de efficiencykorting aan de gemeenten wordt doorberekend, ongeacht de vraag of de
efficiencyverbetering ook is gelukt?
3. Wordt de vaststelling van
het macrobudget voor 2005 per september 2004 op dezelfde
uitgangspunten gebaseerd? Zo ja, kan de bijstelling van het macrobudget 2005 in
september 2005 de korting ongedaan maken indien de
efficiencyverbetering niet zichtbaar wordt in de gerealiseerde
bijstandsuitkeringen van 2004?
Het lid van de OSF vraagt
zich af of, als deze interpretatie juist is, de gemeenten dan, in het
bijzonder over het introductiejaar 2004, niet een extra groot risico lopen
doordat een korting wordt opgelegd ook als geen efficiencyverbetering
bereikt wordt. Hij vraagt zich af of deze aanpak dan in overeenstemming is met
het uitgangspunt dat het macrobudget voldoende groot moet zijn om
de totale som van de bijstandsuitkeringen te kunnen dekken (zie artikel
69 [69], tweede lid, Wwb).
Concreet ingaand op de
aanvullende vragen van het lid van de OSF merkt het kabinet het volgende op.
Het macrobudget voor 2004 wordt berekend op basis van realisatie
bijstandsuitkeringen 2002, verwachtingen met betrekking tot de conjunctuur en effecten van
rijksbeleid in 2004, waaronder het effect van de introductie van de Wwb
(jaar 2004: €|150 miljoen efficiencyeffect). Het
macrobudget 2004 wordt in
september 2004 bijgesteld op basis van de conjuncturele ontwikkeling
van 2004, loon- en prijsontwikkelingen én de gerealiseerde bijstandsuitkeringen van 2003. De constatering van het lid
van de OSF dat het effect
hiervan is dat een macrobudget definitief wordt gemaakt waarin de
efficiencykorting aan de gemeenten wordt doorberekend, ongeacht de vraag of de
efficiencyverbetering ook is gelukt, is juist.
De vaststelling van het
macrobudget voor 2005 per september 2004 geschiedt op basis van
dezelfde uitgangspunten, dat wil zeggen raming op basis van realisatie van
de bijstandsuitgaven in 2003 en met inachtneming van verwachtingen ten
aanzien van de conjunctuur en effecten van beleid in 2005. Het
kabinet boekt derhalve voor het jaar 2005 een verdere efficiencywinst in
van de Wwb van €|50 miljoen, te weten de voorziene toename van het
efficiencyeffect van 2004 op 2005 van €|150
miljoen naar €|200 miljoen.
Bij de bijstelling van het
macrobudget 2005 in september 2005 wordt gebruik gemaakt van de
realisatie van de bijstandsuitgaven in 2004. De effecten van de Wwb zijn van
invloed op deze realisaties, maar door de veelheid van factoren die
van invloed zijn op de bijstandsuitgaven, zonder nadere analyse niet te onderscheiden. Door bij de raming van het
macrobudget de realisaties
uit het voorafgaande jaar te betrekken, blijft de rblz.|12|
raming in de pas lopen met
de feitelijke uitgaven van gemeenten. Er is met andere woorden geen sprake van een stapeling van raming op
raming. Dit is een
belangrijke waarborg voor de toereikendheid van het macrobudget.
Op de vraag van het lid van
de OSF of de gemeenten - in het bijzonder over het introductiejaar
2004 - niet een extra groot risico lopen doordat een korting wordt opgelegd
ook als geen efficiencyverbetering bereikt wordt, antwoordt het
kabinet, mede op grond van het bovenstaande, ontkennend. Daarbij is van
belang dat het ingeboekte efficiencyeffect gebaseerd is op een raming
van het CPB [Centraal Planbureau, red.]. Naar de mening van het kabinet biedt de
Wwb gemeenten
voldoende ruimte om, rekening houdend met de conjuncturele
ontwikkelingen en de effecten van rijksbeleid, dit effect te realiseren.
Het lid van de OSF vraagt,
naar aanleiding van de brief d.d. 22 september 2003 van de gemeente
Dordrecht aan de Eerste-Kamerfracties, of het kabinet duidelijk wil
vaststellen per welke datum de in de wet vereiste gemeentelijke verordeningen
uiterlijk in werking dienen te treden.
In het wetsvoorstel worden
vier nieuwe verordeningen voorgeschreven, naast de bestaande
verordening voor de gemeentelijke toeslagen. Het betreft hier de
reïntegratieverordening en de afstemmingsverordening (artikel
8 [8], eerste lid, onderdeel
a respectievelijk b, van de Wwb), de fraudeverordening
(artikel 8a [8a]
Wwb) en de
verordening voor cliëntenparticipatie (artikel 47
[47] Wwb).
In het inwerkingtredingsbesluit
en de Invoeringsregeling Wwb zal worden bepaald dat deze
verordeningen uiterlijk 1 januari 2005 in werking treden. Aanvankelijk had het kabinet
het voornemen om vast te leggen dat deze verordeningen allen tegelijk
in werking zouden treden vanwege de inhoudelijke vervlechting
van de verordeningen. Naar aanleiding van de reacties uit het
gemeentelijk veld en de hier aan de orde zijnde vraag heeft het kabinet geconcludeerd
dat van inhoudelijke vervlechting alleen sprake is bij de reïntegratieverordening en de afstemmingsverordening. Derhalve
krijgt een gemeente de
mogelijkheid bij elk van deze verordeningen te kiezen voor eerdere
invoering. Voorwaarde daarbij is echter wel dat de reïntegratieverordening en
de afstemmingsverordening op dezelfde datum in werking treden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|