|
REGELING van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2003, nr.
W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere
regels ter zake van enkele in de Wet werk en
bijstand en het Besluit Wwb geregelde
onderwerpen (Regeling Wwb) ¹
1. Redactie:
ingevolge artikel II, onderdeel F, van de Regeling van 19 juni 2009, Stcrt.
2009, 9838, is de Regeling Wwb voorzien van een nieuwe citeertitel,
luidende: Regeling Wwb en WIJ. Vervolgens is ingevolge artikel XIV, onderdeel C, van de Regeling van 21 december
2011, Stcrt. 2011, 23515, de Regeling Wwb en WIJ voorzien van
een nieuwe citeertitel, luidende: Regeling Wwb.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 31,
tweede lid, onderdeel l, en vierde lid, 75,
77, derde lid, en 78,
tweede lid, van de Wet werk en bijstand, 10,
vierde lid, van het Besluit Wwb, en 4.1,
vijfde lid, van het Besluit SUWI;
Besluit:
§
1. Algemene bepalingen
Art.
1.
Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. de wet: Wet werk en bijstand;
c. tekortgemeente: gemeente
waarvan het college een verzoek om een incidentele aanvullende uitkering heeft
ingediend;
d. incidentele aanvullende
uitkering: de incidentele aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
74, eerste lid, van de wet;
e. meerjarige aanvullende uitkering:
de meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
74, eerste lid, van de wet;
f. toetsingscommissie: de
toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73
van de wet;
g. WIJ: Wet
investeren in jongeren, zoals deze luidde op de dag vóór
inwerkingtreding van artikel II van de Wet
van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011,
650);
h. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
i. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
§
2. Beeld van de uitvoering
Art.
2.
Vervallen.
Art.
3.
Vervallen.
Art.
4. Beeld van de uitvoering
-1. Het beeld van de
uitvoering, bedoeld in de artikelen 77, tweede lid, van de wet
en 89, tweede lid, van de WIJ,
wordt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar volgend op het
kalenderjaar waarop het beeld van de
uitvoering betrekking heeft door de minister
ontvangen.
-2. Het beeld
van de uitvoering wordt ingediend
onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch
beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-3. Indien het beeld
van de uitvoering, bedoeld
in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is
ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkeringen, bedoeld in
artikel 69, eerste lid, van de wet, voor het lopende
vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de
kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet
gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval
van overmacht uitstel is verleend.
-4. De betaling van de uitkering wordt
hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand
waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen
door de minister.
-5. Het
derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het
college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde
termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het
financieel beheer van de wet of van de WIJ.
Art.
4a. Vervallen.
§
3. Uitkering en betaling
Art.
5.
Betaling
-1. Met uitzondering van de maand mei
wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8%
van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69,
eerste lid, van
de wet, betaalbaar gesteld. In de maand mei
wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen
betaalbaar gesteld.
-2. Het bedrag waarmee de uitkering op
grond van
artikel 71 van de wet
wordt aangepast, wordt in gelijke delen verrekend met de voor het
betreffende kalenderjaar resterende maandelijks te betalen delen van de
uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste
lid, van
de wet.
-3. Elk van de drie delen waaruit de
meerjarige aanvullende uitkering bestaat, bedoeld in artikel
10c, tweede lid, van het Besluit Wwb
2007, wordt betaalbaar gesteld vóór 1 april van het tweede kalenderjaar
volgend op het kalenderjaar waar het desbetreffende deel op ziet.
Art.
6. Gegevens verdeelmodel 25.000+-gemeenten
In de bijlage bij deze regeling zijn de
peiljaren, peildata en gewichten opgenomen die gelden voor de
verdeelmaatstaven, bedoeld in de bijlage
bij het Besluit Wwb
2007.
Art.
6a. Correctiefactor te late indiening
verantwoordingsinformatie
De correctiefactor, bedoeld in artikel 8a,
tweede lid, van het Besluit Wwb
2007, bedraagt 5%.
§
4. Uit- en aanbesteding
Art.
6.
Vervallen.
§
5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen
Art.
7.
Vrijlating
uitkeringen en vergoedingen
Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31
van de wet, worden gerekend:
a. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de
Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;
b. de eenmalige uitkering en het
voorschot, bedoeld in de
Regeling
tegemoetkoming asbestslachtoffers;
c. de vergoeding, bedoeld in
artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het
luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interimaanwijzingsbesluit
luchtvaartterrein Maastricht);
d. de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de
Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;
e. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in
verband met silicose;
f. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen;
g. de individuele uitkeringen in het kader van tegoeden
Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti-, Roma- en Indische
gemeenschappen;
h. een kostenvergoeding voor het
verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste €|95,00
per maand met een maximum van €|764,00
per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van
vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de wet van
ten hoogste € 150,00 per maand met een maximum van € 1500,00 per
jaar;
i. de eenmalige tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming
pensioenverevening;
j. de uitkering, bedoeld in artikel
3 van de Vaststellingsovereenkomst houdende een regeling voor een
collectieve partiële afwikkeling van schade die mogelijk verband houdt
met DES-gebruik tijdens zwangerschap, die is gehecht aan de beschikking
van het Gerechtshof
Amsterdam van 1 juni 2006, R05/1743 (LJN AX6440) en bij die
beschikking op grond van artikel 907, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek verbindend is verklaard voor de in
artikel 1 van die overeenkomst bedoelde personen; ¹
k. de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4 van de Regeling tegemoetkoming
niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom.
1. Raadpleeg Staatscourant
2007, 50, pag. 15, voor een met ingang van 14 maart 2007 geldend
overzicht van DES-aandoeningen en de overeenkomstige uitkeringen aan
DES-dochters, red.
Art.
7a. Indexering
-1. Met ingang van de dag waarop de
bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 wijzigen, worden de bedragen, genoemd in artikel
7, onderdeel h, herzien met het percentage van deze
wijziging.
-2. Van de herziene bedragen, bedoeld in
het eerste lid, en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt
door de minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
§
6. Vakantietoeslag
Art.
8.
Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. inkomen: in aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in artikel
32, eerste lid, van de wet, voor zover
daarover aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zonder de daarin begrepen
aanspraak op vakantietoeslag, na aftrek van de daarover verschuldigde
loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31,
derde lid, van
de wet;
b. aanspraak op vakantietoeslag: aanspraak op
vakantietoeslag voor zover daarop aanspraak bestaat over het inkomen,
bedoeld in artikel
32, eerste lid, van de wet, na aftrek van
de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en
inhoudingen, bedoeld in artikel
31, derde lid, van de wet;
c. algemene heffingskorting: tot een bedrag per maand
omgerekende algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964;
d. arbeidskorting: arbeidskorting,
bedoeld in artikel 22a van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
9.
Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op
vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2012.
Art.
10.
In aanmerking te
nemen vakantietoeslag
Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op
vakantietoeslag bestaat, neemt het college bij de vaststelling van de
hoogte van de algemene bijstand of de inkomensvoorziening op grond van
de WIJ mede op grond van de artikelen
11, 12,
13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag
in aanmerking.
Art.
11.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
tegenwoordige arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te
nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding
van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de
algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag
vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink"
het inkomen wordt verstaan.
Bij
een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt de aanspraak
op vakantietoeslag:
|
| €|
| 0,00 |
€|
467,00
|
8,00% x ink
|
| €|
467,00 |
€|
506,57
|
5,17%
x ink
|
| €|
506.57 |
€| 615,62
|
7,76%
x ink - €|13,15 |
| €|
615,32 |
€|1163,74
|
6,56%
x ink - €|5,73 |
| €|1163,74 |
|
6,59%
x ink - €|4,88 |
Art. 12.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
vroegere arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te
nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van
loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt
de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de
navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt
verstaan.
Bij
een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt
de aanspraak
op vakantietoeslag: |
| €|
| 0,00 |
€|
442,52
|
8,00%
x ink |
| €|
442,52 |
€|
477,90
|
5,17%
x ink |
| €|
477,90 |
€|1051,82
|
8,00%
x ink - €|13,56 |
| €|1051,82 |
|
6,82%
x ink - €|11,57 |
Art. 13.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen
rekening is gehouden met de algemene heffingskorting
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is en voor de inhouding van
loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting,
wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de
navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt
verstaan.
Bij
een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt
de aanspraak
op vakantietoeslag: |
| €|
|0,00 |
€|842,40
|
8,00%
x ink |
| €|842,40 |
|
6,83%
x ink |
Art. 14.
Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
-1. Indien de belanghebbende 65 jaar of
ouder is en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort
ouderdomspensioen en toeslag als bedoeld in artikel 13
van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt de
daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag voor:
a. een alleenstaande 5,81% x ink;
b. een alleenstaande ouder,
indien:
- het inkomen € 1022,10 of meer bedraagt 5,91% x ink - € 10,45;
- het inkomen lager is dan € 1022,10 4,94% x ink;
c. gehuwden waarvan beide
echtgenoten 65 jaar of ouder zijn 6,05% x ink;
d. gehuwden waarvan één
echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger dan 65
jaar, indien:
- het inkomen € 814,54 of meer bedraagt 6,06% x ink - € 8,10;
- het inkomen lager is dan € 814,54 6,05% x ink.
-2. Indien de belanghebbende, bedoeld in
het eerste lid, naast het gekorte ouderdomspensioen en toeslag, bedoeld
in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op
vakantietoeslag, bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat
andere inkomen.
§
7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente
Art.
15.
Incidentele aanvullende uitkering
-1. Een verzoek tot een incidentele aanvullende
uitkering wordt in
de periode van 1 januari tot en met 31 juli van het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek
betrekking heeft door de toetsingscommissie ontvangen. Een
verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 31
juli wordt niet behandeld, met dien verstande dat indien artikel
8b van
de wet
onderscheidenlijk artikel 10 van de WIJ,
artikel 40 van de Ioaw
en artikel 40 van de Ioaz
van toepassing is, het verzoek niet in behandeling wordt genomen indien
het wordt ontvangen na 31 augustus.
-2. Een
verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt ingediend onder
gebruikmaking van een formulier dat door de minister
elektronisch beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal
Verantwoordingssysteem.
-3. Na afloop van de periode, bedoeld in
het eerste lid, beslist de minister
op het verzoek uiterlijk
31 december van het kalenderjaar waarin het verzoek tot een
incidentele aanvullende uitkering is
ontvangen.
-4. Een verzoek tot een incidentele aanvullende
uitkering kan met
betrekking tot een
gemeente met meer dan 10 000 inwoners slechts voor
inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de
toetsingscommissie sprake is van:
a. een uitzonderlijke situatie op
de arbeidsmarkt; en
b. de overstijging, bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit
Wwb 2007, niet het gevolg is van:
1º. onrechtmatige uitvoering van de wet,
de WIJ, de Ioaw
of de Ioaz;
of
2º. beleidskeuzen van dan wel handelen
door het college of de gemeenteraad van de tekortgemeente.
-5. Van een uitzonderlijke situatie op de
arbeidsmarkt is in ieder geval sprake, indien:
a. de instroom van de
tekortgemeente in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde
instroom van de tekortgemeente in de jaren (t-1), (t-2) en
(t-3) hoger is dan de landelijke instroom in jaar (t) ten
opzichte van de gemiddelde landelijke instroom in de jaren
(t-1), (t-2) en (t-3); en
b. de uitstroom van de
tekortgemeente in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde
uitstroom van de tekortgemeente in de jaren (t-1), (t-2) en
(t-3) lager is dan de landelijke uitstroom in jaar (t)) ten
opzichte van de gemiddelde landelijke uitstroom in de jaren
(t-1), (t-2) en (t-3).
-6. Het vierde lid, onderdeel b,
onder 2º, is niet van toepassing op gemeenten met 40 000 of
minder inwoners.
-7. Indien naar het oordeel van
de toetsingscommissie met betrekking tot een gemeente met
maximaal 40 000 inwoners geen sprake is van een uitzonderlijke
situatie op de arbeidsmarkt als bedoeld in het derde lid,
onderdeel a, kan de toetsingscommissie het gevoerde
gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan bij de
oordeelsvorming betrekken en indien dat beleid of de
uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft, alsnog tot het
oordeel komen dat het verzoek voor inwilliging in aanmerking
kan komen.
-8. Met betrekking tot
gemeenten met 10 000 of minder inwoners kan een verzoek tot
een incidentele aanvullende uitkering voor
inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de
toetsingscommissie de overstijging, bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit
Wwb 2007, niet het gevolg is van een onrechtmatige uitvoering van de wet,
de WIJ, de Ioaw of de Ioaz.
Art.
15a. Meerjarige aanvullende uitkering
-1. Een
verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt door de
toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 31
maart van het eerste kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste
lid gaat vergezeld van gegevens op grond waarvan de toetsingscommissie
kan beoordelen of voldaan is aan de vereisten, genoemd in artikel
10a, eerste lid, van het Besluit
Wwb 2007.
-3. Een
verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend onder
gebruikmaking van een formulier dat door de minister
elektronisch beschikbaar wordt
gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-4. Een verzoek dat door de
toetsingscommissie wordt ontvangen na 31 maart wordt niet behandeld.
-5. De minister:
a. beslist uiterlijk 31 december van
het kalenderjaar waarin het verzoek als bedoeld in het eerste lid is
ingediend of dat verzoek wordt gehonoreerd en of de eigen bijdrage 2,5%,
5% of 7,5% bedraagt;
b. stelt, na toewijzing van het
verzoek, de hoogte van elk van de delen vast binnen zes weken na 15 juli
van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het
desbetreffende deel betrekking heeft of, indien een gemeente
haar verantwoording over de uitvoering van de wet
op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet
niet uiterlijk 15 juli bij Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingediend, binnen
zes weken na indiening van de verantwoordingsinformatie.
-6. Het percentage, bedoeld in artikel
10a, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit
Wwb 2007, bedraagt 4,3%
voor het kalenderjaar 2009, 4,2% voor het kalenderjaar 2010 en 4,2% voor het kalenderjaar
2011.
§
8. Slotbepalingen
Art.
16.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Art.
17.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wwb.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de
bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in
de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
te Den Haag.¹
1. De bij deze
regeling behorende bijlage "Voorlopig verslag over de
uitvoering Wet werk en bijstand 2006" (Stcrt. 2006,
243) is ingevolge artikel I, onderdeel B, van de Regeling van
de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 6 december 2007, nr. W&B/SFI/07/33656,
houdende wijziging van een drietal regelingen in verband met
de digitalisering van het voorlopig verslag en technische
aanpassingen van diverse verantwoordingsdocumenten (Stcrt.
2007, 242), met ingang van 1 januari 2008 komen te vervallen, red.
Den Haag, 16 oktober
2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
BIJLAGE
behorende
bij artikel 6 van de Regeling Wwb
Voor de verdeelmaatstaven,
bedoeld in de bijlage bij het Besluit Wwb
2007, gelden de volgende
peiljaren, peildata en gewichten:
| Verdeelmaatstafxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
|xPeiljaarx| |
|xPeildatumx| |
Gewicht |
| Sociale en demografische
structuur |
| 1. Lage inkomens 15-64
jaar (in % van de huishoudens van 15-64 jaar met inkomen) |
2006-2008 |
– |
28,858 |
| 2.
Eenouderhuishoudens
van 15-44 jaar (in % van huishoudens van 15-64
jaar) |
2009-2011 |
–
|
84,022 |
| 3.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: Wet WIA, WAO, Wet
Wajong en
WAZ (in % van inwoners
van 15-64 jaar) |
2010 |
31 december |
–25,609 |
| 4. Totaal allochtonen van
15-64 jaar (in % van alle inwoners van 15-64
jaar) |
2009-2011 |
– |
4,110 |
| 5. Laagopgeleiden 15-64
jaar (in % van inwoners van 15-64 jaar) |
2008-2010 |
– |
7,545 |
| Centrumfunctie en
stedelijkheid |
| 6. Huurwoningen (in % van
het totaal aantal woningen) |
2010 |
1 januari |
4,292 |
| 7. Relatief regionaal
klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in %
van het aantal inwoners) |
2010 |
1 januari |
1,753 |
| 8. Inwoners stedelijk
gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000
omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het
aantal inwoners) |
2010 |
1 januari |
–1,919 |
| Conjunctuur en
economische structuur |
| 9. Werkzame
beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking) op COROP-niveau |
2008-2010 |
– |
–52,472 |
| 10. Banen handel en
horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) |
2009 |
31 december |
–20,339 |
| 11. Procentuele
gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio |
2007-2009 |
– |
–0,206 |
| 12. Aantal banen in
COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) |
2009 |
31 december |
–2,000 |
| 13.
Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15-64 jaar |
2006-2010 |
– |
–27,062 |
| Overig |
| 14. Vaste voet per
huishouden van 15-64 jaar |
– |
– |
5044,261 |
| Overige
berekeningsgegevens |
| Totaal aantal inwoners |
2011 |
1
januari |
x |
| Aantal huishoudens 15-64
jaar |
2011 |
1 januari |
x |
TOELICHTING
[16 oktober 2003]
I.
Algemeen
Deze ministeriële regeling
werkt een aantal onderwerpen uit de Wet werk en bijstand
(Wwb) en het Besluit
Wwb
nader uit. De onderwerpen zijn het verslag over de uitvoering, de
betaling, de uit- en aanbestedingsverplichtingen, de vrijlating van
uitkeringen en vergoedingen voor (im)materiële schade die de
bijstandsgerechtigde ontvangt, de criteria voor toekenning van een
aanvullende uitkering en de vaststelling van de aanspraak op
vakantietoeslag over een in aanmerking te nemen inkomen. In het
onderstaande wordt kort ingegaan op het verslag over de uitvoering en de
vakantietoeslag; de overige onderwerpen zullen in het artikelsgewijze
deel van deze toelichting aan bod komen.
Verslag over de uitvoering
(paragraaf 2)
De minister
is op grond van
artikel 76 van de Wwb
verantwoordelijk voor de werking van het gehele
systeem van financiering, regelgeving en uitvoering van de Wwb. Dit
betekent dat de minister inzicht dient te hebben in de hoogte van de
uitgaven, de effectiviteit van het beleid en de rechtmatigheid van de
uitvoering.
Meer specifiek heeft de minister informatie nodig ten behoeve van de volgende taken:
In de eerste plaats: het
verzamelen van informatie om het definitieve werkbudget vast te stellen.
Ten tweede: de beoordeling van de rechtmatigheid van de de uitvoering en
de uitgaven. Ten slotte: het beeld van de effectiviteit van het systeem
en de verantwoording daarover aan het parlement. Inzicht in de
effectiviteit van de uitvoering van de wet
door individuele gemeenten is alleen nodig voor de beoordeling
van de effectiviteit van het systeem als geheel.
Paragraaf 7.3 van de Wwb
beoogt een "derapportage" te realiseren in vergelijking met
voorgaande wet- en regelgeving. Onder derapportage wordt in dit verband
verstaan het terugdringen van de hoeveelheid door de minister gevraagde
informatie. Naast de beperking van de hoeveelheid informatie tot het
hoogst noodzakelijke, worden ook de mogelijkheden vergroot voor een
vergemakkelijking van de aanlevering van de gevraagde informatie.
De Regeling Wwb bevat overigens een deel van de
regels met betrekking tot de in paragraaf 7.3
van de Wwb
neergelegde verplichting voor de colleges om informatie te verstrekken:
het (voorlopig) verslag over de uitvoering. Bepalingen omtrent de door
de colleges te verstrekken statistische informatie zijn neergelegd in de Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en
Wik.
Deze ministeriële regeling heeft, zoals
gezegd, onder meer betrekking op de informatie die wordt uitgevraagd
door middel van het verslag over de uitvoering Wwb (Vodu). Het Vodu ziet
op informatie die noodzakelijk is, maar niet binnen de statistieken
past, óf informatie waaraan specifieke kwaliteitseisen worden gesteld
(dit geldt bijvoorbeeld voor de verantwoordingsinformatie).
De verantwoordingssystematiek, waarbinnen het
verslag over de uitvoering centraal staat, is niet nieuw. Deze werkwijze
werd voor het eerst toegepast binnen het kader van het
implementatieprogramma single audit. Ook de gemeentelijke uitvoering van
de Algemene bijstandswet (Abw) werd in
voorgaande jaren verantwoord door middel van het Vodu Abw. Toch wordt
met de invoering van de Wwb de verantwoordingssystematiek op een aantal
belangrijke punten gewijzigd.
1. De mogelijkheden van verlichting van administratieve lasten en de
rapportage die de de Wwb biedt, onder meer door een vergroting van de
eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en een uitbreiding van de
gemeentelijke bevoegdheden, worden direct al in het Vodu over het
verslagjaar 2004 benut. Er is sprake van een reductie van de
informatie-uitvraag.
2. Met de invoering van een financieringssysteem gebaseerd op 100%
budgettering komen de kwartaaldeclaraties te vervallen. Hiervoor in de
plaats komt het voorlopig verslag.
3. Anders dan in voorgaande jaren bevat het Vodu Wwb met name uitvraag
van gegevens over de rechtmatigheid van de uitvoering en over het
gemeentelijk beleid. Gegevens over de doeltreffendheid van het systeem
op landelijk niveau worden voornamelijk uitgevraagd door middel van
statistieken en incidentele onderzoeken (vgl. Regeling statistiek Wwb,
Ioaw, Ioaz en Wik). In het Vodu wordt wel aanvullende informatie
verzameld ten behoeve van het landelijk beeld inzake de effectiviteit
van het systeem.
4. In de nieuwe handleiding bij het Vodu Wwb worden de gemeenten onder
meer geïnformeerd over de onderdelen waarover de gemeenten zich dienen
te verantwoorden en over de wijze waarop.
5. Nieuw is verder dat aan het Vodu een oordeel van de gemeenteraad moet
worden toegevoegd. Deze wettelijke eis moet gezien worden in het licht
van de dualisering van het lokaal bestuur enerzijds en de uitbreiding
van de controlerende taak van de gemeenteraad in de Wwb anderzijds.
Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat,
onverminderd het in paragraaf 2 bepaalde, het
college door de minister gevraagd kan worden ook andere, niet in de
bijlagen bij deze regeling opgenomen inlichtingen te verstrekken die hij
voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de
beleidsvorming met betrekking tot de Wwb en daarop gebaseerde
regelgeving nodig heeft.
Voor het verslagjaar 2003 gelden uiteraard nog
de oude, voor dat jaar van toepassing zijnde wet-
en regelgeving. Uiterlijk op 20 september 2004 worden het verslag
Vodu 2003 Abw, Ioaw/Ioaz
en
Wik en het verslag Vodu 2003 Wiw
door de minister ontvangen van de gemeenten. De jaaropgave over het Besluit
in- en doorstroombanen over 2003 dient uiterlijk 1 juli 2004 te
zijn ontvangen. Dit betekent ook dat over het verslagjaar 2003 nog geen
voorlopig verslag behoeft te worden ingediend. Het eerste voorlopige
verslag over het verslagjaar 2004 dient dus vóór 28 februari 2005 bij
de minister te worden ingediend.
Vakantietoeslag
(paragraaf 6)
Op grond van artikel
31,
vierde lid, van de Wwb
worden regels gesteld voor het in aanmerking
nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. De aanspraak
op vakantietoeslag die over een inkomen bestaat, wordt niet vastgesteld
op het te zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt op
grond van het maandinkomen forfaitair vastgesteld. Reden voor deze
forfaitaire vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld is gelegen in
de netto inkomensverrekening van de Wwb.
Aangezien in de
bijstandsnorm
de vakantietoeslag is begrepen, moet - voor een juiste verrekening van
het in aanmerking te nemen inkomen - in dat inkomen ook de
vakantietoeslag zijn begrepen. Duidelijkheid over de nettoaanspraak op
vakantiegeld bestaat niet eerder dan bij de uitbetaling daarvan. Dit
betekent dat, ingeval de belanghebbende een te verrekenen inkomen
ontvangt, de definitieve aanspraak op bijstand over de betreffende
periode pas feitelijk kan worden vastgesteld als de uitbetaling van het
vakantiegeld heeft plaatsgevonden. Dit gegeven zou de verrekening van
het vakantiegeld tot een aanmerkelijke administratieve belasting maken
voor de gemeenten.
Bovendien moet de gemeente in dat geval voor de
vaststelling van de over de bijstandsuitkering uit te betalen
vakantietoeslag afzonderlijk inlichtingen vragen over het ontvangen
vakantiegeld. In sommige gevallen kan het daarbij voorkomen dat blijkt
dat het ontvangen vakantiegeld meer bedraagt dan de over de
bijstandsuitkering opgebouwde aanspraak of dat door het vakantiegeld het
totale inkomen de bijstandsnorm te boven gaat. Eén en ander brengt
specifieke verrekenings- en terugvorderingsproblemen met zich mee. In
voorkomende gevallen biedt het feitelijk uitbetaalde vakantiegeld
bovendien nog geen duidelijkheid over het bedrag dat met de bijstand
moet worden verrekend, namelijk indien de periode waarop het uitbetaalde
vakantiegeld betrekking heeft niet samenvalt met de periode waarover
bijstand is verleend. Het ontvangen vakantiegeld dient dan te worden
toegerekend aan de onderscheiden periodes.
Als de hoogte van het betreffende inkomen - en
derhalve ook van de daarbij opgebouwde aanspraken op vakantiegeld - van
maand tot maand niet gelijk was, dient de toerekening naar rato te
geschieden. Om de geschetste administratieve problemen te vermijden,
voorziet de Wwb in een forfaitaire vaststelling van de - netto -
aanspraak op vakantiegeld.
De bepalingen in paragraaf 6
van deze regeling strekken daartoe. Deze bepalingen waren voorheen
opgenomen in de Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001
en zijn ongewijzigd overgenomen in deze ministeriële regeling. De in de
genoemde regeling genoemde bedragen en percentages werden periodiek
aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de belastingtarieven,
heffingskortingen, premies volksverzekeringen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
Deze periodieke aanpassing zal voortgezet worden voor de in deze
ministeriële regeling genoemde percentages en bedragen voor zover de
ontwikkeling van de belastingtarieven, heffingskortingen, premies
volksverzekeringen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet daartoe
aanleiding geven.
Uitgangspunt bij de opstelling van deze
rekenregels is dat het op grond daarvan forfaitair vast te stellen
nettovakantiegeld slechts binnen een beperkte marge mag afwijken van het
feitelijk door de belanghebbende te ontvangen bedrag. Een al te grove
benadering zou niet in overeenstemming zijn met het
minimumbehoeftekarakter van de Wwb. Tegelijk dienen de te hanteren
regels echter zodanig te zijn dat deze voor de gemeenten tot een
administratieve verlichting leiden. De in deze regeling opgenomen
bepalingen voldoen aan deze voorwaarden. Naast de hoogte van het
nettomaandinkomen en de leeftijd (jonger dan 65 jaar, of 65 jaar of
ouder) behoeft de gemeente slechts over informatie te beschikken over de
aard van het inkomen om op grond daarvan de nettoaanspraak op
vakantietoeslag te kunnen berekenen. In de onderhavige regeling wordt
namelijk onderscheid gemaakt tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid
en inkomsten uit vroegere arbeid. Dit houdt verband met de verschillende
bruto-nettotrajecten.
Ten aanzien van de brutoaanspraak op
vakantiegeld wordt uitgegaan van 8% van het bruto-inkomen. Op grond van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag kan ten minste op dit
percentage vakantiegeld aanspraak worden gemaakt. De veronderstelde
aanspraak kan er derhalve niet toe leiden dat de belanghebbende een
hoger vakantiegeld wordt toegerekend dan deze in feite ontvangt. Voor
zover het feitelijke vakantiegeld hoger is, leidt de gehanteerde aanname
tot een onderschatting en daarmee tot een feitelijk iets te hoge
uitkering. Gelet op het zeer geringe aantal gevallen dat het hier
betreft, is dat geen aanleiding voor een verbijzondering van de regels,
mede gelet op de administratieve complicaties die hieruit voor de
gemeenten zouden voortvloeien.
De op grond van deze regeling forfaitair
vastgestelde vakantieaanspraak laat derhalve geen correcties meer toe.
Van rechtswege vervallen
regelingen
Met de inwerkingtreding van
de Wwb
is de Abw grotendeels ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat een
aantal regelingen, die hun grondslag hadden in de Abw, van rechtswege is
komen te vervallen. Regelingen die geheel of ten dele inhoudelijk hun
opvolging in deze ministeriële regeling hebben gevonden, zijn:
- Regeling uitvoering en
financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
- Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001;
- Regeling vrijlating immateriële
schadevergoeding Algemene bijstandswet.
Die regelingen die een
bepaald onderwerp regelen dat speelt op het terrein van zowel de Abw
als de Ioaw, de Ioaz of de
Wik zijn niet van rechtswege vervallen. Deze
regelingen zijn waar nodig aangepast. Het betreft bij uitstek de
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw, Ioaz 1996
en de Regeling financiering en verantwoording Abw,
Ioaw en Ioaz.
II.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
Het aantal definities in dit
artikel is beperkt. Voor de goede orde zij er in dit verband op gewezen
dat (een deel van) de definities die in de wet
zijn opgenomen mede voor
deze regeling van belang zijn.
Artikel
2. Verslag over de
uitvoering, accountantsverklaring en oordeel raad
Het
onderhavige artikel heeft betrekking op de termijn van indiening en vorm
van het verslag over de uitvoering, hierna te noemen Vodu, het oordeel
van de gemeenteraad en de accountantsverklaring. Het Vodu Wwb
vervangt de voorheen voorgeschreven verslagen over de uitvoering van de Abw
en de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), de kostenopgaven Abw en Wiw
en de jaaropgave Besluit in- en
doorstroombanen.
Het Vodu heeft een drietal gebruiksdoelen, te
weten:
1. gemeentelijke verantwoording van de rechtmatigheid van de uitvoering
en de uitgaven (deze informatie wordt onder meer door Inspectie Werk en
Inkomen gebruikt voor het opsporen van algemene (landelijke)
signalen en van specifieke ernstige tekortkomingen);
2. verzamelen van informatie om het definitieve werkbudget (ten behoeve
van reïntegratievoorzieningen) vast te kunnen stellen;
3. verzamelen van aanvullende informatie ten behoeve van het landelijk
beeld inzake de effectiviteit van het systeem.
Het Vodu wordt jaarlijks door het college
uiterlijk op 20 september van het kalenderjaar volgend op het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft, ingediend bij de minister
en bestaat uit twee onderdelen:
1. De verantwoording over rechtmatige uitvoering. Dit wordt alleen aan
de wettelijke normen getoetst;
2. Beleidsmatige informatie. Deze informatie (nader gespecificeerd in
bijlage 1) wordt gevraagd voor zover deze gegevens niet al uit
statistieken of monitoren beschikbaar zijn en dient voor de volgende
doeleinden:
- als input voor het landelijk beeld van de doeltreffendheid van de wet;
- als input voor ramingen en evaluatie.
In de handreiking bij het Vodu wordt nader
toegelicht over welke rechtmatigheidsonderdelen de gemeente
zich moet verantwoorden en op welke wijze. In het verlengde hiervan zal
de handreiking ook voor de accountantscontrole en de
accountantsverklaring in het kader van het Wwb-uitvoeringsverslag een
belangrijke rol vervullen.
Oordeel gemeenteraad
Bij
het Vodu dient een oordeel van de gemeenteraad te worden toegevoegd over
de uitvoering van de wet
(artikel 77, eerste lid, van de wet).
Dit oordeel is vormvrij, maar moet wel onderdeel uitmaken van het
verslag. De gemeenteraad kan bijvoorbeeld eenvoudig aan dat voorschrift
voldoen door de notulen van de raadsvergadering waarin het verslag over
de uitvoering van de wet is behandeld bij genoemd verslag te voegen. Het
oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet moet gezien
worden in het licht van de dualisering van het lokaal bestuur en is
voorts in het verlengde van de single-auditgedachte ook een verdere
formele invulling van de eerstelijnscontrolefunctie die door de
gemeenteraad dient te worden uitgevoerd.
Artikel
3. Geen
accountantsverklaring
De
verplichting tot het bijvoegen van een accountantsverklaring geldt
alleen voor de grote gemeenten, waarvan het
toegekende totale budget (werk- en inkomensdeel) groter is dan €|500
000,-. Het grensbedrag van €|500 000,- is
gekozen opdat bij dit bedrag een groot aantal kleine gemeenten geen
accountantsverklaring hoeft te overleggen, terwijl de totale uitgave
waarover bij verantwoording geen accountantsverklaring wordt overgelegd
een zodanige omvang heeft dat er beperkte financiële risico’s worden
gelopen.
Artikel
4. Voorlopig verslag
over de uitvoering
De
in de
Abw en Wiw
voorgeschreven kwartaalrapportages zijn komen te vervallen. Hiervoor in
de plaats is het in dit artikel voorgeschreven voorlopige verslag
gekomen. De uiterste inleverdatum voor het voorlopig verslag, 28
februari, is gekozen om zo spoedig mogelijk na afloop van het
verslagjaar actuele informatie te verkrijgen ten behoeve van de eigen
verantwoording van de minister
aan het parlement (in het kader van de voorjaarsnota), nu de huidige
systematiek van kwartaaldeclaraties verdwijnt. Zoals uit het model in
bijlage 4 blijkt, zal de informatie die met dit voorlopige verslag wordt
verzameld zo beperkt mogelijk zijn en geen informatievraag bevatten die
reeds in het Vodu wordt uitgevraagd. Dit om de administratieve lasten
voor gemeenten
zoveel mogelijk te beperken.
Artikel
5. Betaling
De betalingssystematiek
waarbij aan de gemeente
maandelijks een deel van het voor dat jaar aan
de gemeente toegekende budget wordt betaald, is, zoals uit het eerste
lid van het onderhavige artikel blijkt, ten opzichte van de situatie
onder de vigeur van de Abw ongewijzigd gebleven.
In het tweede lid wordt
bepaald wat er gebeurt wanneer het inkomensdeel op basis van artikel 71
van de Wwb
wordt aangepast. Een verhoging van die uitkering wordt in
gelijke delen toegevoegd aan de nog resterende maandelijkse betalingen
(zie het eerste lid). Een verlaging wordt, wederom in gelijke delen, in
mindering gebracht op de voor het betreffende kalenderjaar nog
resterende betalingen.
Artikel
6. Uit- en aanbesteding
De artikelen
7, vierde lid,
van de Wwb,
34, derde lid, van de Ioaw en
34, derde lid, van de Ioaz
bepalen dat werkzaamheden in het kader van reïntegratievoorzieningen
door derden moeten worden uitgevoerd die in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid
bevorderen. Nadere regels hieromtrent zijn opgenomen in artikel
4.1 van het Besluit SUWI, dat met de inwerkingtreding van de
Wwb
is aangepast (zie hiervoor artikel X
van het Besluit van 10 oktober 2003,
Stb. 2003, 388). Op basis van het nieuwe vijfde lid van artikel
4.1 van het Besluit SUWI zijn in
deze regeling nadere voorschriften over uit- en aanbesteden opgenomen.
In het eerste lid van
artikel 6 is aangegeven dat de werkzaamheden, bedoeld in de
artikelen
7, vierde lid, van de Wwb,
34, derde lid, van de Ioaw
en
34, derde lid, van de Ioaz,
in geld worden uitgedrukt. Dit maakt het mogelijk voor delen van die
werkzaamheden regels omtrent uit- of aanbesteden die in het Besluit
SUWI
zijn opgenomen al of niet van toepassing te verklaren.
In het tweede lid is bepaald in welke gevallen artikel
4.1, eerste en tweede lid, van het Besluit
SUWI
niet behoeft te worden toegepast op werkzaamheden in het kader van
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het gaat hier om de
mogelijkheid zowel de uit- als de aanbestedingsverplichting niet toe te
passen. Het gaat daarbij om werkzaamheden die betrekking hebben op
premies en kostenvergoedingen, kinderopvang, cofinanciering
ESF-EQUAL-regeling [ESF: Europees Sociaal Fonds, red.], het
beëindigen van gesubsidieerde banen op grond van het voormalige Besluit
in- en doorstroombanen en de uitvoering van vóór 1 januari 2002
(de inwerkingtreding van de SUWI-wetgeving)
gesloten overeenkomsten. Deze uitzonderingen gelden nu ook op grond van
de
Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor
het jaar 2003. Niets verzet zich er overigens tegen dat gemeenten
deze werkzaamheden toch uitbesteden.
In het derde lid is bepaald dat de
aanbestedingsverplichting die voortvloeit uit artikel
4.1, tweede lid, van het Besluit SUWI
niet behoeft te worden toegepast op de werkzaamheden die voortvloeien
uit artikel 15 van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand. In
genoemd artikel van de
Invoeringswet
Wwb is bepaald dat de uitbestedingsverplichting uit de Wwb niet
geldt voor werkzaamheden met betrekking tot de bestaande Wiw-dienstbetrekkingen,
ID-banen en de nieuwe gesubsidieerde banen
(zolang de betreffende dienstverbanden voortduren). Dit geldt eveneens
voor nieuwe banen die gedurende de eerste drie jaar na inwerkingtreding
van de Wwb ontstaan (zolang een dergelijk dienstverband voortduurt).
Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat als het tweede lid van artikel
4.1 van het Besluit SUWI
niet wordt toegepast, het derde lid evenmin kan worden toegepast.
In het vierde lid gaat het over het niet
behoeven uitbesteden van werkzaamheden die worden gefinancierd uit de
uitkering die aan gemeenten wordt gedaan voor de kosten van
voorzieningen als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel
a, van de Wwb
(en 34, eerste lid, onderdelen a,
van de
Ioaw en Ioaz).
Van de aan de gemeente voor dat doel toegekende uitkering (het werkdeel)
behoeft in ieder geval €|100 000,- niet
te worden uitbesteed. Van hetgeen vervolgens van de uitkering voor het
werkdeel overblijft in het desbetreffende jaar behoeft voorts 30% niet
te worden uitbesteed. Voor gemeenten die werkzaamheden die gefinancierd
worden uit deze delen van de uitkering van het werkdeel toch
uitbesteden, geldt dat daarop wel de aanbestedingsregels van het Besluit
SUWI
van toepassing zijn.
Bij de beoordeling of aan genoemd percentage
wordt voldaan, wordt uitgegaan van de blijkens de gemeentelijke
administratie verantwoorde gelden van het werkdeel.
In het vijfde lid is bepaald dat als gemeenten
eigen financiële middelen inzetten voor reïntegratievoorzieningen, ten
aanzien van die middelen de uitbestedingsverplichting niet geldt. Het
kan hierbij gaan om overgebleven gelden vanuit het inkomensdeel dan wel
vanuit de algemene middelen van de gemeente. Besteedt de gemeente de
werkzaamheden die worden gefinancierd uit eigen middelen desondanks toch
uit, dan zijn daarop wel de regels over aanbesteding uit het Besluit SUWI
van toepassing.
Voor de goede orde wordt er nog op gewezen dat
naast hetgeen omtrent aanbesteding is opgenomen in het Besluit SUWI
ook
altijd de regels van de Europese Unie betreffende aanbesteding in acht
moeten worden genomen. Het betreft met name de Europese Richtlijn
Diensten (Richtlijn nr. 92/50/EEG, zoals deze is gewijzigd bij Richtlijn
97/52/EG) alsmede de daaraan ten grondslag liggende beginselen van het
EG-verdrag, waaronder het non-discriminatiebeginsel dat transparantie
impliceert. Daaruit kunnen, onder andere gelet op ontwikkelingen in de
jurisprudentie, verdergaande aanbestedingsverplichtingen voortvloeien
dan in het Besluit SUWI en deze regeling zijn opgenomen.
Op de situaties waarin gemeenten
marktactiviteiten hetzij laten uitvoeren door zelfstandige
rechtspersonen die aan de gemeente gelieerd zijn, hetzij zelf uitvoeren
(uitvoering door onderdelen van de gemeente), zal de
Transparantierichtlijn (Richtlijn 80/723/EEG, zoals deze is gewijzigd
bij Richtlijn 2000/2/EG) en de implementatie hiervan in de Mededingingswet
van toepassing zijn. Hierdoor geldt onder andere een verplichting tot
het houden van een transparante en gescheiden boekhouding voor
marktactiviteiten enerzijds en overige activiteiten anderzijds.
Artikel
7. Vrijlating
uitkeringen en vergoedingen
In dit artikel worden de
uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade
genoemd die niet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden
gerekend. Deze opsomming was voorheen vervat in artikel 43 van de
Abw en
de Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene
bijstandswet.
Door opname in deze
ministeriële regeling is buiten twijfel gesteld dat deze vergoedingen
ook onder de werking van de Wwb
niet tot de middelen worden gerekend.
Met dit artikel wijzigt er dus materieel niets ten opzichte van de Abw.
In onderdeel a wordt de
tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds
Gedupeerden Bijlmerramp, niet tot de middelen als bedoeld in artikel
31 Wwb
gerekend. De financiële tegemoetkoming kan uit twee delen bestaan:
a. een eenmalige forfaitaire tegemoetkoming van €|1815,12;
b. een eenmalige aanvullende tegemoetkoming tot een maximumbedrag van
€|9529,38.
Voor de onder a genoemde
tegemoetkoming komen personen in aanmerking die aantonen dat zij als
gevolg van de ramp psychosociale problemen ondervinden of hebben
ondervonden. Personen die in aanmerking komen voor de forfaitaire
tegemoetkoming en aantonen dat zij vóór inwerkingtreding van de
uitkeringsregeling uitgaven hebben gedaan die in relatie staan tot hun
psychosociale problemen en die meer bedragen dan €|1815,12
en die niet op andere wijze zijn, zullen of kunnen worden vergoed, komen
in aanmerking voor een eenmalige aanvullende tegemoetkoming van maximaal
€|9529,38. De tegemoetkoming kan in
totaal derhalve €|11 344,50 bedragen.
De eenmalige forfaitaire tegemoetkoming wordt
op grond van deze ministeriële regeling bij de middelentoets in het
kader van de wet
buiten beschouwing gelaten.
De eenmalige aanvullende tegemoetkoming wordt
op grond van artikel 31, tweede lid,
onderdeel f, van de wet
buiten beschouwing gelaten, tenzij voor deze kosten bijstand wordt
verleend.
In onderdeel b worden de eenmalige
uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling
tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) niet tot de middelen als
bedoeld in artikel 31 van de wet
gerekend. De TAS beoogt, aldus de toelichting, "een vangnet te zijn
voor die asbestslachtoffers die naar geldende burgerrechtelijke
maatstaven een vordering tot schadevergoeding hebben, maar vanwege het
ontbreken van een aansprakelijke tegenpartij of vanwege een beroep op
verjaring van de claim er niet in slagen hun vordering geldend te
maken". De overheid neemt niet de aansprakelijkheid van de
voormalige werkgever over. De hoogte van de tegemoetkoming is
vastgesteld op €|15 882,-.
Bij Besluit van 17 december 2002, (Stcrt.
2002, 246) is de TAS gewijzigd.
Met deze wijziging wordt beoogd dat het
overgrote deel van de slachtoffers dat zich aanmeldt, bij leven een
voorschot op de eventuele schadevergoeding door de werkgever ontvangt.
Aldus wordt gekomen tot een snelle uiting van maatschappelijke
betrokkenheid bij het leed van de slachtoffers die door blootstelling
aan asbest in hun verleden als werknemer maligne mesothelioom hebben
ontwikkeld. Doel van het voorschot is niet meer en niet minder dan erin
te voorzien dat deze slachtoffers toch bij leven enige erkenning
krijgen, vooruitlopend op een schadevergoeding door de aansprakelijke
werkgever via bemiddeling of langs gerechtelijke weg. Het voorschot
bedraagt €|15 882,-.
In onderdeel c wordt de vergoeding,
bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing
van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van
geluidszones (Interimaanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht),
niet tot de middelen, bedoeld in artikel
31 van de wet, gerekend. De Minister van Verkeer en Waterstaat
heeft in het kader van dit besluit besloten aan een bepaalde categorie
omwonenden van het luchtvaartterrein Maastricht een jaarlijkse
vergoeding van €|1134,45 toe te kennen.
Deze vergoeding kan zich uitstrekken over de periode van 1 oktober 1988
tot de datum van inwerkingtreding van het Interimaanwijzingsbesluit
luchtvaartterrein Maastricht (12 mei 2000). Deze vergoeding kan maximaal
€|12 478,96 bedragen en strekt tot
vergoeding van immateriële schade.
In onderdeel d worden de
vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de
Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie, niet tot de
middelen, bedoeld in artikel 31
van de wet, gerekend. Voor een vergoeding op
grond van deze regeling komen personen in aanmerking die de West-Friese
Flora te Bovenkarspel hebben bezocht in de periode van 19 tot en met 28
februari 1999 of daar in voornoemde periode op professionele of
vrijwillige basis werkzaam waren en waarvan aannemelijk is dat zij door
dit bezoek of deze werkzaamheden besmet zijn geraakt met legionella
pneumophila en tengevolge hiervan een legionella pneumonie hebben
opgelopen.
Er zijn drie soorten vergoedingen waar een
belanghebbende die besmet is geraakt met legionella pneumophila
aanspraak op kan maken in drie verschillende gevallen:
1. een eenmalige forfaitaire vergoeding van €|1815,12;
2. een forfaitaire aanvullende vergoeding van €|1815,12
indien ten minste 48 uur in een ziekenhuis is doorgebracht. (Het gaat
hier om een aanvullende vergoeding voor personen die al in aanmerking
komen voor de eenmalige forfaitaire vergoeding van €|1815,12);
3. een tegemoetkoming van €|4537,80
indien een persoon waarmee men een gemeenschappelijke huishouding voerde
als gevolg van de in de regeling bedoelde besmetting met legionella
pneumophila in 1999 is overleden.
De onderdelen e en f
voorzien erin dat de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers
in verband met silicose en de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen niet tot
de middelen, bedoeld in artikel 31
van de wet, worden gerekend.
In onderdeel g worden de individuele
uitkeringen in het kader van de tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden
van de Joodse, Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen niet tot de
middelen als bedoeld in artikel 31 van de wet
gerekend.
In maart 2000 heeft de regering gelden ter
beschikking gesteld als erkenning van achteraf geconstateerde
tekortkomingen in de bejegening van de betrokken oorlogsslachtoffers in
het rechtsherstel en als erkenning van morele aanspraken (Kamerstukken
II 1999-2000, 25 839, nr. 13). Besloten is dat deze uitkeringen, niet
alleen bij de huursubsidie en de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, buiten beschouwing
blijven, maar ook bij de middelentoets van de Abw niet in aanmerking
worden genomen. Dit geldt ook onder de Wwb.
Artikel
8. Definities
In
dit artikel worden omschrijvingen gegeven van enkele in paragraaf 6
voorkomende begrippen. Het begrip "inkomen", dat het
uitgangspunt vormt voor de berekening van de aanspraak op vakantiegeld,
sluit aan bij het inkomensbegrip van de artikelen 31
en
32 van de wet.
Het gaat om het in het kader van de bijstandverlening gebruikelijke
nettomaandinkomen, dat wil zeggen na aftrek van premies en
loonbelasting. Vergoedingen van de werkgever worden niet tot het inkomen
gerekend. In afwijking van artikel 32 van de wet
behoort de aanspraak op vakantiegeld uiteraard niet tot dit
inkomensbegrip. De volgens deze regeling vast te stellen aanspraak op
vakantietoeslag is, zoals blijkt uit de definitie in onderdeel b,
eveneens een netto bedrag.
Voor de berekening van de nettoaanspraak op
vakantiegeld is, naast onder andere de hoogte van het inkomen, de op dat
inkomen toegepaste heffingskorting van belang. Wanneer de belanghebbende
meer dan één te verrekenen inkomen ontvangt, kan voor deze inkomens
onder het huidige fiscale regime een verschillende kolomindeling van
toepassing zijn. Het hier omschreven begrip sluit aan bij de feitelijke
kolomindeling waarin het inkomen is ingedeeld en niet de indeling waarop
de belanghebbende aanspraak kan maken. Dit staat uiteraard niet in de
weg voor een afwijkende inkomensvaststelling, op grond van onder meer artikel
31 van de van de wet, als de
belanghebbende verwijtbaar geen gebruik maakt van een gunstiger
kolomindeling. Omdat in deze regeling wordt uitgegaan van maandinkomens,
wordt de heffingskorting herleid tot een bedrag per maand.
Artikel
9. Reikwijdte
De in deze paragraaf gegeven
rekenregels sluiten aan op de voor de belasting en premieheffing
toepasselijke percentages en bedragen voor het kalenderjaar 2004. Deze
regels kunnen derhalve alleen van toepassing zijn op inkomens die in dat
jaar worden ontvangen. Hoewel dat over het algemeen samenvalt, is niet
van belang op welk jaar dat inkomen betrekking heeft, maar in welk jaar
het feitelijk is ontvangen. In de regel zal het geen probleem zijn om
vast te stellen in welk jaar een inkomen is ontvangen. Om deze
aansluiting bij de belasting en premieheffing te verzekeren, dienen
hierbij in voorkomende gevallen de criteria te worden gevolgd die de
loonbelasting hiervoor hanteert. In het incidentele geval dat over een
inkomen uit een voorafgaand jaar de aanspraak op vakantiegeld moet
worden vastgesteld, kan het college in beginsel geen gebruik maken van
deze rekenregels. Het ligt voor de hand dat het college dan uitgaat van
het feitelijk netto ontvangen vakantiegeld.
Artikel
10. In aanmerking te
nemen vakantietoeslag
Met nadruk zij er hier op
gewezen dat het forfaitaire karakter van deze regeling beperkt blijft
tot de vaststelling van een aanspraak op vakantietoeslag en niet op de
aanwezigheid van een dergelijke aanspraak als zodanig. Als over een
inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zoals doorgaans het
geval is bij alimentatie of een particulier ouderdomspensioen, is
toepassing van deze regeling derhalve niet aan de orde. Er is dan immers
geen sprake van een aanspraak op vakantietoeslag die dient te worden
vastgesteld.
Artikel
11.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
tegenwoordige arbeid
Bij
de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het
bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit tegenwoordige
arbeid. Daarop is de witte tabel loonbelasting/premie volksverzekeringen
van toepassing. Specifiek voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid is de
arbeidskorting. Deze is verwerkt in de kolom waarin de
loonheffingskorting is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is
opgenomen, is met inhouding van loonheffing volgens deze kolom rekening
gehouden. Voorts is ervan uitgegaan dat de belanghebbenden verplicht
verzekerd zijn op grond van de
Ziekenfondswet en dat over het inkomen werknemerspremies
verschuldigd zijn of een daaraan gelijke inhouding.
Afhankelijk van de hoogte van het inkomen zijn
er verschillende trajecten te onderscheiden:
- er wordt geen loonheffing ingehouden, omdat de verschuldigde
loonheffing lager is dan de loonheffingskorting. Bovendien is er - gelet
op de hoogte van de premievrije voet - geen inhouding van de
werkloosheidspremie.
- er vindt geen inhouding plaats van de werkloosheidspremie op het
maandinkomen, wel op de vakantieaanspraak.
- er vindt inhouding van de werkloosheidspremie plaats op zowel het
maandloon als op de vakantieaanspraak.
- de over de vakantieaanspraak verschuldigde loonheffing wordt berekend
naar inhouding volgens de tweede belastingschijf.
De verschillen in de bruto-nettotrajecten
leiden tot de diverse formules.
Artikel
12.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
vroegere arbeid
Bij
de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het
bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit vroegere arbeid.
Daarop is de groene tabel loonbelasting/premie volksverzekeringen van
toepassing. Deze tabel kent voor personen die jonger zijn dan 65 jaar
twee kolommen: één waarin geen loonheffingskorting is verwerkt en
één waarin de loonheffingskorting (bestaande uit de algemene
heffingskorting) is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is
opgenomen, is met inhouding van loonheffing via deze kolom rekening
gehouden. Voorts is ervan uitgegaan dat de belanghebbenden verplicht
verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet
en dat over het inkomen werknemerspremies verschuldigd zijn of een
daaraan gelijke inhouding.
Dezelfde bruto-nettotrajecten zijn te
onderscheiden als de trajecten genoemd in de toelichting op
artikel 11. Het verschil wordt veroorzaakt doordat bij de
samenstelling van de in dit artikel genoemde formules geen rekening is
gehouden met de arbeidskorting
Artikel
13.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen
rekening is gehouden met de algemene heffingskorting
In
de bruto-nettotrajecten waar is uitgegaan van de tabel in de artikelen 11
en 12 is ten aanzien van de verschuldigde
loonheffing rekening gehouden met de toepasselijke loonheffingskorting.
Omdat niet is toegestaan dat bij meer dan één inhoudingsplichtige de
loonheffingskorting wordt vergolden, is voor de situatie dat er meerdere
inkomens zijn die aan voorheffing zijn onderworpen een tabel
samengesteld waarbij ten aanzien van de verschuldigde loonheffing geen
rekening is gehouden met de loonheffingskorting. Aangezien het
bruto-nettotraject voor loon uit tegenwoordige arbeid gelijk is aan het
traject voor loon uit vroegere arbeid hoeft hier geen onderscheid naar
soort inkomen te worden gemaakt.
Artikel
14.
Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
Personen van 65 jaar of ouder zijn geen premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet
(AOW) verschuldigd. Bovendien is er bij hen van uitgegaan dat over het
ontvangen inkomen geen premies op grond van de werknemersverzekeringen
verschuldigd zijn of een daaraan equivalente inhouding
(vereveningsbijdrage) plaatsvindt. Hierdoor verschilt bij hen de
verhouding tussen netto- en bruto-inkomen aanzienlijk van die van
personen jonger dan 65 jaar. Evenals bij personen jonger dan 65 jaar is
er bij de berekeningen van uitgegaan dat de belanghebbende van 65 jaar
of ouder bij een ziekenfonds is verzekerd.
Ten aanzien van het in het eerste lid genoemde
percentage is uitgegaan van een inhouding van loonheffing op het
onvolledige AOW-pensioen, waarbij rekening is gehouden met de
ouderenkorting en voor zover van toepassing de aanvullende
ouderenkorting.
Voor de situatie dat een persoon die ouder is
dan 65 jaar naast zijn AOW-pensioen nog inkomsten geniet, is er bij de
vaststelling van het in het tweede lid genoemde percentage van uitgegaan
dat bij de inhouding van loonheffing over het AOW-pensioen door de
uitkerende instantie al rekening is gehouden met de algemene
heffingskorting en de ouderenkorting en voor zover van toepassing met de
aanvullende ouderenkorting.
Artikel
15.
Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente
De toetsingscommissie
adviseert de minister inzake aanvragen van gemeenten voor een
aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 74 van
de wet. In
artikel 10, tweede lid, van het Besluit
Wwb is geregeld dat de
toetsingscommissie daarbij onder meer een beoordeling geeft van de
arbeidsmarktsituatie. In de toelichting bij dat besluit is
aangegeven
dat de toetsingscommissie bij de beoordeling van de arbeidsmarktsituatie
gebruik maakt van parameters. Voor de parameters ten aanzien van de
instroom en uitstroom is in dit artikel een norm vastgesteld.
De toetsingscommissie
beoordeelt of de tekortgemeente boven respectievelijk beneden de
vastgestelde norm zit. De omstandigheid van een uitzonderlijke
arbeidsmarktsituatie kan door de toetsingscommissie als hoofdoorzaak van
het budgettekort worden aangewezen. Alsdan kan door de minister een
aanvullende uitkering worden toegekend, mits de desbetreffende gemeente
met betrekking tot het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering
daarvan niet verwijtbaar heeft gehandeld.
Ingeval de tekortgemeente
voldoet aan beide, in het tweede lid genoemde, normen, is in ieder geval
sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Indien de
tekortgemeente niet voldoet aan ten minste één van de gestelde normen,
bestaat gerede twijfel of er sprake is van een uitzonderlijke situatie
op de arbeidsmarkt. Een analyse van de achterliggende oorzaken van het
budgettekort dient in deze situatie de doorslag te geven voor de
toekenning van een aanvullende uitkering.
Artikel
16. Inwerkingtreding
Met de datum van
inwerkingtreding van deze regeling wordt aangesloten bij de datum van
inwerkingtreding van de wet.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|