St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Wet werk en bijstand
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  WWB ¹
 
 

16 oktober 2003, Stcrt. 2003, 204
Inwerkingtreding: 1 januari 2004
(T.a.v. artt. 31:2l, 31:4, 74:4, 75, 77:3 en 78:2 Wwb, 89:3 WIJ, 10:4 BW
, 8:3 BW07 en 4.1:3 BS)

 

  
 

 

 
REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels ter zake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit Wwb geregelde onderwerpen (Regeling Wwb)
¹

1. Redactie: ingevolge artikel II, onderdeel F, van de Regeling van 19 juni 2009, Stcrt. 2009, 9838, is de Regeling Wwb voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Regeling Wwb en WIJ. Vervolgens is ingevolge artikel XIV, onderdeel C, van de Regeling van 21 december 2011, Stcrt. 2011, 23515, de Regeling Wwb en WIJ voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Regeling Wwb.

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 31, tweede lid, onderdeel l, en vierde lid, 75, 77, derde lid, en 78, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, 10, vierde lid, van het Besluit Wwb, en 4.1, vijfde lid, van het Besluit SUWI;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. de wet: Wet werk en bijstand;
c. tekortgemeente: gemeente waarvan het college een verzoek om een incidentele aanvullende uitkering heeft ingediend;
d. incidentele aanvullende uitkering: de incidentele aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet;
e. meerjarige aanvullende uitkering: de meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet;
f. toetsingscommissie: de toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73 van de wet;
g. WIJ: Wet investeren in jongeren, zoals deze luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011, 650);
h. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
i. Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

 

 

§ 2.  Beeld van de uitvoering

 

Art. 2. Vervallen.

 

Art. 3. Vervallen.

 

Art. 4. Beeld van de uitvoering
-1. Het beeld van de uitvoering, bedoeld in de artikelen 77, tweede lid, van de wet en 89, tweede lid, van de WIJ, wordt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de minister ontvangen.
-2. Het beeld van de uitvoering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-3. Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is verleend.
-4. De betaling van de uitkering wordt hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen door de minister.
-5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het financieel beheer van de wet of van de WIJ.

 

Art. 4a. Vervallen.

 

 

§ 3.  Uitkering en betaling

 

Art. 5. Betaling
-1. Met uitzondering van de maand mei wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.
-2. Het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 van de wet wordt aangepast, wordt in gelijke delen verrekend met de voor het betreffende kalenderjaar resterende maandelijks te betalen delen van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet.
-3. Elk van de drie delen waaruit de meerjarige aanvullende uitkering bestaat, bedoeld in artikel 10c, tweede lid, van het Besluit Wwb 2007, wordt betaalbaar gesteld vóór 1 april van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waar het desbetreffende deel op ziet.

 

Art. 6. Gegevens verdeelmodel 25.000+-gemeenten
In de bijlage bij deze regeling zijn de peiljaren, peildata en gewichten opgenomen die gelden voor de verdeelmaatstaven, bedoeld in de bijlage bij het Besluit Wwb 2007.

 

Art. 6a. Correctiefactor te late indiening verantwoordingsinformatie
De correctiefactor, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, van het Besluit Wwb 2007, bedraagt 5%.

 

 

§ 4.  Uit- en aanbesteding

 

Art. 6. Vervallen.

 

 

§ 5.  Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

 

Art. 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen
Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:
a. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;
b. de eenmalige uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers;
c. de vergoeding, bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interimaanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht);
d. de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;
e. de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;
f. de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen;
g. de individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen;
h. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste €|95,00 per maand met een maximum van €|764,00 per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet van ten hoogste € 150,00 per maand met een maximum van € 1500,00 per jaar;
i. de eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening;
j. de uitkering, bedoeld in artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst houdende een regeling voor een collectieve partiële afwikkeling van schade die mogelijk verband houdt met DES-gebruik tijdens zwangerschap, die is gehecht aan de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2006, R05/1743 (LJN AX6440) en bij die beschikking op grond van artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verbindend is verklaard voor de in artikel 1 van die overeenkomst bedoelde personen; ¹
k. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4 van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom.

1. Raadpleeg Staatscourant 2007, 50, pag. 15, voor een met ingang van 14 maart 2007 geldend overzicht van DES-aandoeningen en de overeenkomstige uitkeringen aan DES-dochters, red.

 

Art. 7a. Indexering
-1. Met ingang van de dag waarop de bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wijzigen, worden de bedragen, genoemd in artikel 7, onderdeel h, herzien met het percentage van deze wijziging.
-2. Van de herziene bedragen, bedoeld in het eerste lid, en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door de minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

 

 

§ 6.  Vakantietoeslag

 

Art. 8. Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. inkomen: in aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet, voor zover daarover aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag, na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet;
b. aanspraak op vakantietoeslag: aanspraak op vakantietoeslag voor zover daarop aanspraak bestaat over het inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet, na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet;
c. algemene heffingskorting: tot een bedrag per maand omgerekende algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964;
d. arbeidskorting: arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

Art. 9. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2012.

 

Art. 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag
Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat, neemt het college bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand of de inkomensvoorziening op grond van de WIJ mede op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

 

Art. 11. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit tegenwoordige arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan.

Bij een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan:
en minder dan: bedraagt de aanspraak
op vakantietoeslag:
|   0,00 467,00 8,00% x ink
467,00 506,57 5,17% x ink
506.57 615,62 7,76% x ink - €|13,15
615,32 |1163,74 6,56% x ink - €|5,73
|1163,74   6,59% x ink - €|4,88

 

 
Art. 12.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit vroegere arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan.

Bij een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan:
en minder dan: bedraagt de aanspraak
op vakantietoeslag:
|   0,00 442,52 8,00% x ink
442,52 477,90 5,17% x ink
477,90 |1051,82 8,00% x ink - €|13,56
|1051,82   6,82% x ink - €|11,57

 

 
Art. 13.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan.

Bij een netto-inkomen
per maand gelijk aan
of meer dan:
en minder dan: bedraagt de aanspraak
op vakantietoeslag:
|   |0,00 |842,40 8,00% x ink
|842,40   6,83% x ink

 

 
Art. 14.
Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
-1. Indien de belanghebbende 65 jaar of ouder is en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort ouderdomspensioen en toeslag als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt de daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag voor:
a. een alleenstaande 5,81% x ink;
b. een alleenstaande ouder, indien:
- het inkomen € 1022,10 of meer bedraagt 5,91% x ink - € 10,45;
- het inkomen lager is dan € 1022,10 4,94% x ink;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn 6,05% x ink;
d. gehuwden waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger dan 65 jaar, indien:
- het inkomen € 814,54 of meer bedraagt 6,06% x ink - € 8,10;
- het inkomen lager is dan € 814,54 6,05% x ink.
-2. Indien de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, naast het gekorte ouderdomspensioen en toeslag, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op vakantietoeslag, bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat andere inkomen.

 

 

§ 7.  Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

 

Art. 15. Incidentele aanvullende uitkering
-1. Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt in de periode van 1 januari tot en met 31 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft door de toetsingscommissie ontvangen. Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 31 juli wordt niet behandeld, met dien verstande dat indien artikel 8b van de wet onderscheidenlijk artikel 10 van de WIJ, artikel 40 van de Ioaw en artikel 40 van de Ioaz van toepassing is, het verzoek niet in behandeling wordt genomen indien het wordt ontvangen na 31 augustus.
-2. Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-3. Na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, beslist de minister op het verzoek uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering is ontvangen.
-4. Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering kan met betrekking tot een gemeente met meer dan 10 000 inwoners slechts voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de toetsingscommissie sprake is van:
a. een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt; en
b. de overstijging, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Wwb 2007, niet het gevolg is van:
1º. onrechtmatige uitvoering van de wet, de WIJ, de Ioaw of de Ioaz; of
2º. beleidskeuzen van dan wel handelen door het college of de gemeenteraad van de tekortgemeente.
-5. Van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt is in ieder geval sprake, indien:
a. de instroom van de tekortgemeente in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde instroom van de tekortgemeente in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) hoger is dan de landelijke instroom in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde landelijke instroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3); en
b. de uitstroom van de tekortgemeente in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde uitstroom van de tekortgemeente in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) lager is dan de landelijke uitstroom in jaar (t)) ten opzichte van de gemiddelde landelijke uitstroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3).
-6. Het vierde lid, onderdeel b, onder 2º, is niet van toepassing op gemeenten met 40 000 of minder inwoners.
-7. Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie met betrekking tot een gemeente met maximaal 40 000 inwoners geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan de toetsingscommissie het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan bij de oordeelsvorming betrekken en indien dat beleid of de uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft, alsnog tot het oordeel komen dat het verzoek voor inwilliging in aanmerking kan komen.
-8. Met betrekking tot gemeenten met 10 000 of minder inwoners kan een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de toetsingscommissie de overstijging, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Wwb 2007, niet het gevolg is van een onrechtmatige uitvoering van de wet, de WIJ, de Ioaw of de Ioaz.

 

Art. 15a. Meerjarige aanvullende uitkering
-1. Een verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt door de toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 31 maart van het eerste kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van gegevens op grond waarvan de toetsingscommissie kan beoordelen of voldaan is aan de vereisten, genoemd in artikel 10a, eerste lid, van het Besluit Wwb 2007.
-3. Een verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-4. Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 31 maart wordt niet behandeld.
-5. De minister:
a. beslist uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het verzoek als bedoeld in het eerste lid is ingediend of dat verzoek wordt gehonoreerd en of de eigen bijdrage 2,5%, 5% of 7,5% bedraagt;
b. stelt, na toewijzing van het verzoek, de hoogte van elk van de delen vast binnen zes weken na 15 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel betrekking heeft of, indien een gemeente haar verantwoording over de uitvoering van de wet op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet niet uiterlijk 15 juli bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingediend, binnen zes weken na indiening van de verantwoordingsinformatie.
-6. Het percentage, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit Wwb 2007, bedraagt 4,3% voor het kalenderjaar 2009, 4,2% voor het kalenderjaar 2010
en 4,2% voor het kalenderjaar 2011.

 

 

§ 8.  Slotbepalingen

 

Art. 16. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

 

Art. 17. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wwb.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.¹

1. De bij deze regeling behorende bijlage "Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006" (Stcrt. 2006, 243) is ingevolge artikel I, onderdeel B, van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 december 2007, nr. W&B/SFI/07/33656, houdende wijziging van een drietal regelingen in verband met de digitalisering van het voorlopig verslag en technische aanpassingen van diverse verantwoordingsdocumenten (Stcrt. 2007, 242), met ingang van 1 januari 2008 komen te vervallen, red.
 
 

Den Haag, 16 oktober 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

BIJLAGE

behorende bij artikel 6 van de Regeling Wwb

 

Voor de verdeelmaatstaven, bedoeld in de bijlage bij het Besluit Wwb 2007, gelden de volgende peiljaren, peildata en gewichten:

Verdeelmaatstafxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |xPeiljaarx| |xPeildatumx| Gewicht
Sociale en demografische structuur
1. Lage inkomens 15-64 jaar (in % van de huishoudens van 15-64 jaar met inkomen) 2006-2008 28,858
2. Eenouderhuishoudens van 15-44 jaar (in % van huishoudens van 15-64 jaar) 2009-2011 84,022
3. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: Wet WIA, WAO, Wet Wajong en WAZ (in % van inwoners van 15-64 jaar) 2010 31 december –25,609
4. Totaal allochtonen van 15-64 jaar (in % van alle inwoners van 15-64 jaar) 2009-2011 4,110
5. Laagopgeleiden 15-64 jaar (in % van inwoners van 15-64 jaar) 2008-2010 7,545
Centrumfunctie en stedelijkheid
6. Huurwoningen (in % van het totaal aantal woningen) 2010 1 januari 4,292
7. Relatief regionaal klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in % van het aantal inwoners) 2010 1 januari 1,753
8. Inwoners stedelijk gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000 omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het aantal inwoners) 2010 1 januari –1,919
Conjunctuur en economische structuur
9. Werkzame beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking) op COROP-niveau 2008-2010 –52,472
10. Banen handel en horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) 2009 31 december –20,339
11. Procentuele gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio 2007-2009 –0,206
12. Aantal banen in COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) 2009 31 december –2,000
13. Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15-64 jaar 2006-2010 –27,062
Overig
14. Vaste voet per huishouden van 15-64 jaar 5044,261
Overige berekeningsgegevens
Totaal aantal inwoners 2011 1 januari x
Aantal huishoudens 15-64 jaar 2011 1 januari x

 

 

 

TOELICHTING
[16 oktober 2003]

 

I.  Algemeen

 

    Deze ministeriële regeling werkt een aantal onderwerpen uit de Wet werk en bijstand (Wwb) en het Besluit Wwb nader uit. De onderwerpen zijn het verslag over de uitvoering, de betaling, de uit- en aanbestedingsverplichtingen, de vrijlating van uitkeringen en vergoedingen voor (im)materiële schade die de bijstandsgerechtigde ontvangt, de criteria voor toekenning van een aanvullende uitkering en de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een in aanmerking te nemen inkomen. In het onderstaande wordt kort ingegaan op het verslag over de uitvoering en de vakantietoeslag; de overige onderwerpen zullen in het artikelsgewijze deel van deze toelichting aan bod komen.

 

Verslag over de uitvoering (paragraaf 2)


     De minister is op grond van artikel 76 van de Wwb verantwoordelijk voor de werking van het gehele systeem van financiering, regelgeving en uitvoering van de Wwb. Dit betekent dat de minister inzicht dient te hebben in de hoogte van de uitgaven, de effectiviteit van het beleid en de rechtmatigheid van de uitvoering.
     Meer specifiek heeft de minister informatie nodig ten behoeve van de volgende taken:
     In de eerste plaats: het verzamelen van informatie om het definitieve werkbudget vast te stellen. Ten tweede: de beoordeling van de rechtmatigheid van de de uitvoering en de uitgaven. Ten slotte: het beeld van de effectiviteit van het systeem en de verantwoording daarover aan het parlement. Inzicht in de effectiviteit van de uitvoering van de wet door individuele gemeenten is alleen nodig voor de beoordeling van de effectiviteit van het systeem als geheel.
     Paragraaf 7.3 van de
Wwb beoogt een "derapportage" te realiseren in vergelijking met voorgaande wet- en regelgeving. Onder derapportage wordt in dit verband verstaan het terugdringen van de hoeveelheid door de minister gevraagde informatie. Naast de beperking van de hoeveelheid informatie tot het hoogst noodzakelijke, worden ook de mogelijkheden vergroot voor een vergemakkelijking van de aanlevering van de gevraagde informatie.
     De Regeling Wwb bevat overigens een deel van de regels met betrekking tot de in paragraaf 7.3 van de
Wwb neergelegde verplichting voor de colleges om informatie te verstrekken: het (voorlopig) verslag over de uitvoering. Bepalingen omtrent de door de colleges te verstrekken statistische informatie zijn neergelegd in de Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wik.
     Deze ministeriële regeling heeft, zoals gezegd, onder meer betrekking op de informatie die wordt uitgevraagd door middel van het verslag over de uitvoering Wwb (Vodu). Het Vodu ziet op informatie die noodzakelijk is, maar niet binnen de statistieken past, óf informatie waaraan specifieke kwaliteitseisen worden gesteld (dit geldt bijvoorbeeld voor de verantwoordingsinformatie).
     De verantwoordingssystematiek, waarbinnen het verslag over de uitvoering centraal staat, is niet nieuw. Deze werkwijze werd voor het eerst toegepast binnen het kader van het implementatieprogramma single audit. Ook de gemeentelijke uitvoering van de Algemene bijstandswet (Abw) werd in voorgaande jaren verantwoord door middel van het Vodu Abw. Toch wordt met de invoering van de Wwb de verantwoordingssystematiek op een aantal belangrijke punten gewijzigd.
1. De mogelijkheden van verlichting van administratieve lasten en de rapportage die de de Wwb biedt, onder meer door een vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en een uitbreiding van de gemeentelijke bevoegdheden, worden direct al in het Vodu over het verslagjaar 2004 benut. Er is sprake van een reductie van de informatie-uitvraag.
2. Met de invoering van een financieringssysteem gebaseerd op 100% budgettering komen de kwartaaldeclaraties te vervallen. Hiervoor in de plaats komt het voorlopig verslag.
3. Anders dan in voorgaande jaren bevat het Vodu Wwb met name uitvraag van gegevens over de rechtmatigheid van de uitvoering en over het gemeentelijk beleid. Gegevens over de doeltreffendheid van het systeem op landelijk niveau worden voornamelijk uitgevraagd door middel van statistieken en incidentele onderzoeken (vgl. Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wik). In het Vodu wordt wel aanvullende informatie verzameld ten behoeve van het landelijk beeld inzake de effectiviteit van het systeem.
4. In de nieuwe handleiding bij het Vodu Wwb worden de gemeenten onder meer geïnformeerd over de onderdelen waarover de gemeenten zich dienen te verantwoorden en over de wijze waarop.
5. Nieuw is verder dat aan het Vodu een oordeel van de gemeenteraad moet worden toegevoegd. Deze wettelijke eis moet gezien worden in het licht van de dualisering van het lokaal bestuur enerzijds en de uitbreiding van de controlerende taak van de gemeenteraad in de Wwb anderzijds.
     Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat, onverminderd het in paragraaf 2 bepaalde, het college door de minister gevraagd kan worden ook andere, niet in de bijlagen bij deze regeling opgenomen inlichtingen te verstrekken die hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot de Wwb en daarop gebaseerde regelgeving nodig heeft.
     Voor het verslagjaar 2003 gelden uiteraard nog de oude, voor dat jaar van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Uiterlijk op 20 september 2004 worden het verslag Vodu 2003 Abw, Ioaw/Ioaz en Wik en het verslag Vodu 2003 Wiw door de minister ontvangen van de gemeenten. De jaaropgave over het Besluit in- en doorstroombanen over 2003 dient uiterlijk 1 juli 2004 te zijn ontvangen. Dit betekent ook dat over het verslagjaar 2003 nog geen voorlopig verslag behoeft te worden ingediend. Het eerste voorlopige verslag over het verslagjaar 2004 dient dus vóór 28 februari 2005 bij de minister te worden ingediend.

 

Vakantietoeslag (paragraaf 6)


     Op grond van artikel 31, vierde lid, van de Wwb worden regels gesteld voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. De aanspraak op vakantietoeslag die over een inkomen bestaat, wordt niet vastgesteld op het te zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt op grond van het maandinkomen forfaitair vastgesteld. Reden voor deze forfaitaire vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld is gelegen in de netto inkomensverrekening van de Wwb. Aangezien in de bijstandsnorm de vakantietoeslag is begrepen, moet - voor een juiste verrekening van het in aanmerking te nemen inkomen - in dat inkomen ook de vakantietoeslag zijn begrepen. Duidelijkheid over de nettoaanspraak op vakantiegeld bestaat niet eerder dan bij de uitbetaling daarvan. Dit betekent dat, ingeval de belanghebbende een te verrekenen inkomen ontvangt, de definitieve aanspraak op bijstand over de betreffende periode pas feitelijk kan worden vastgesteld als de uitbetaling van het vakantiegeld heeft plaatsgevonden. Dit gegeven zou de verrekening van het vakantiegeld tot een aanmerkelijke administratieve belasting maken voor de gemeenten.
     Bovendien moet de gemeente in dat geval voor de vaststelling van de over de bijstandsuitkering uit te betalen vakantietoeslag afzonderlijk inlichtingen vragen over het ontvangen vakantiegeld. In sommige gevallen kan het daarbij voorkomen dat blijkt dat het ontvangen vakantiegeld meer bedraagt dan de over de bijstandsuitkering opgebouwde aanspraak of dat door het vakantiegeld het totale inkomen de bijstandsnorm te boven gaat. Eén en ander brengt specifieke verrekenings- en terugvorderingsproblemen met zich mee. In voorkomende gevallen biedt het feitelijk uitbetaalde vakantiegeld bovendien nog geen duidelijkheid over het bedrag dat met de bijstand moet worden verrekend, namelijk indien de periode waarop het uitbetaalde vakantiegeld betrekking heeft niet samenvalt met de periode waarover bijstand is verleend. Het ontvangen vakantiegeld dient dan te worden toegerekend aan de onderscheiden periodes.
     Als de hoogte van het betreffende inkomen - en derhalve ook van de daarbij opgebouwde aanspraken op vakantiegeld - van maand tot maand niet gelijk was, dient de toerekening naar rato te geschieden. Om de geschetste administratieve problemen te vermijden, voorziet de Wwb in een forfaitaire vaststelling van de - netto - aanspraak op vakantiegeld.
     De bepalingen in paragraaf 6 van deze regeling strekken daartoe. Deze bepalingen waren voorheen opgenomen in de Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001 en zijn ongewijzigd overgenomen in deze ministeriële regeling. De in de genoemde regeling genoemde bedragen en percentages werden periodiek aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de belastingtarieven, heffingskortingen, premies volksverzekeringen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet. Deze periodieke aanpassing zal voortgezet worden voor de in deze ministeriële regeling genoemde percentages en bedragen voor zover de ontwikkeling van de belastingtarieven, heffingskortingen, premies volksverzekeringen en de premie ingevolge de Ziekenfondswet daartoe aanleiding geven.
     Uitgangspunt bij de opstelling van deze rekenregels is dat het op grond daarvan forfaitair vast te stellen nettovakantiegeld slechts binnen een beperkte marge mag afwijken van het feitelijk door de belanghebbende te ontvangen bedrag. Een al te grove benadering zou niet in overeenstemming zijn met het minimumbehoeftekarakter van de Wwb. Tegelijk dienen de te hanteren regels echter zodanig te zijn dat deze voor de gemeenten tot een administratieve verlichting leiden. De in deze regeling opgenomen bepalingen voldoen aan deze voorwaarden. Naast de hoogte van het nettomaandinkomen en de leeftijd (jonger dan 65 jaar, of 65 jaar of ouder) behoeft de gemeente slechts over informatie te beschikken over de aard van het inkomen om op grond daarvan de nettoaanspraak op vakantietoeslag te kunnen berekenen. In de onderhavige regeling wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid. Dit houdt verband met de verschillende bruto-nettotrajecten.
     Ten aanzien van de brutoaanspraak op vakantiegeld wordt uitgegaan van 8% van het bruto-inkomen. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag kan ten minste op dit percentage vakantiegeld aanspraak worden gemaakt. De veronderstelde aanspraak kan er derhalve niet toe leiden dat de belanghebbende een hoger vakantiegeld wordt toegerekend dan deze in feite ontvangt. Voor zover het feitelijke vakantiegeld hoger is, leidt de gehanteerde aanname tot een onderschatting en daarmee tot een feitelijk iets te hoge uitkering. Gelet op het zeer geringe aantal gevallen dat het hier betreft, is dat geen aanleiding voor een verbijzondering van de regels, mede gelet op de administratieve complicaties die hieruit voor de gemeenten zouden voortvloeien.
     De op grond van deze regeling forfaitair vastgestelde vakantieaanspraak laat derhalve geen correcties meer toe.

 

Van rechtswege vervallen regelingen


     Met de inwerkingtreding van de Wwb is de Abw grotendeels ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat een aantal regelingen, die hun grondslag hadden in de Abw, van rechtswege is komen te vervallen. Regelingen die geheel of ten dele inhoudelijk hun opvolging in deze ministeriële regeling hebben gevonden, zijn:
- Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
- Bijstandsregeling vakantietoeslag 2001;
- Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet.
     Die regelingen die een bepaald onderwerp regelen dat speelt op het terrein van zowel de Abw als de Ioaw, de Ioaz of de Wik zijn niet van rechtswege vervallen. Deze regelingen zijn waar nodig aangepast. Het betreft bij uitstek de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw, Ioaz 1996 en de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz.

 

 

II.  Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Definities

     Het aantal definities in dit artikel is beperkt. Voor de goede orde zij er in dit verband op gewezen dat (een deel van) de definities die in de wet zijn opgenomen mede voor deze regeling van belang zijn.

 

Artikel 2. Verslag over de uitvoering, accountantsverklaring en oordeel raad

     Het onderhavige artikel heeft betrekking op de termijn van indiening en vorm van het verslag over de uitvoering, hierna te noemen Vodu, het oordeel van de gemeenteraad en de accountantsverklaring. Het Vodu Wwb vervangt de voorheen voorgeschreven verslagen over de uitvoering van de Abw en de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), de kostenopgaven Abw en Wiw en de jaaropgave Besluit in- en doorstroombanen.
     Het Vodu heeft een drietal gebruiksdoelen, te weten:
1. gemeentelijke verantwoording van de rechtmatigheid van de uitvoering en de uitgaven (deze informatie wordt onder meer door Inspectie Werk en Inkomen gebruikt voor het opsporen van algemene (landelijke) signalen en van specifieke ernstige tekortkomingen);
2. verzamelen van informatie om het definitieve werkbudget (ten behoeve van reïntegratievoorzieningen) vast te kunnen stellen;
3. verzamelen van aanvullende informatie ten behoeve van het landelijk beeld inzake de effectiviteit van het systeem.
     Het Vodu wordt jaarlijks door het college uiterlijk op 20 september van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, ingediend bij de minister en bestaat uit twee onderdelen:
1. De verantwoording over rechtmatige uitvoering. Dit wordt alleen aan de wettelijke normen getoetst;
2. Beleidsmatige informatie. Deze informatie (nader gespecificeerd in bijlage 1) wordt gevraagd voor zover deze gegevens niet al uit statistieken of monitoren beschikbaar zijn en dient voor de volgende doeleinden:
- als input voor het landelijk beeld van de doeltreffendheid van de wet;
- als input voor ramingen en evaluatie.
     In de handreiking bij het Vodu wordt nader toegelicht over welke rechtmatigheidsonderdelen de gemeente zich moet verantwoorden en op welke wijze. In het verlengde hiervan zal de handreiking ook voor de accountantscontrole en de accountantsverklaring in het kader van het Wwb-uitvoeringsverslag een belangrijke rol vervullen.


Oordeel gemeenteraad

     Bij het Vodu dient een oordeel van de gemeenteraad te worden toegevoegd over de uitvoering van de wet (artikel 77, eerste lid, van de wet). Dit oordeel is vormvrij, maar moet wel onderdeel uitmaken van het verslag. De gemeenteraad kan bijvoorbeeld eenvoudig aan dat voorschrift voldoen door de notulen van de raadsvergadering waarin het verslag over de uitvoering van de wet is behandeld bij genoemd verslag te voegen. Het oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet moet gezien worden in het licht van de dualisering van het lokaal bestuur en is voorts in het verlengde van de single-auditgedachte ook een verdere formele invulling van de eerstelijnscontrolefunctie die door de gemeenteraad dient te worden uitgevoerd.

 

Artikel 3. Geen accountantsverklaring

     De verplichting tot het bijvoegen van een accountantsverklaring geldt alleen voor de grote gemeenten, waarvan het toegekende totale budget (werk- en inkomensdeel) groter is dan €|500 000,-. Het grensbedrag van €|500 000,- is gekozen opdat bij dit bedrag een groot aantal kleine gemeenten geen accountantsverklaring hoeft te overleggen, terwijl de totale uitgave waarover bij verantwoording geen accountantsverklaring wordt overgelegd een zodanige omvang heeft dat er beperkte financiële risico’s worden gelopen.

 

Artikel 4. Voorlopig verslag over de uitvoering

     De in de Abw en Wiw voorgeschreven kwartaalrapportages zijn komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is het in dit artikel voorgeschreven voorlopige verslag gekomen. De uiterste inleverdatum voor het voorlopig verslag, 28 februari, is gekozen om zo spoedig mogelijk na afloop van het verslagjaar actuele informatie te verkrijgen ten behoeve van de eigen verantwoording van de minister aan het parlement (in het kader van de voorjaarsnota), nu de huidige systematiek van kwartaaldeclaraties verdwijnt. Zoals uit het model in bijlage 4 blijkt, zal de informatie die met dit voorlopige verslag wordt verzameld zo beperkt mogelijk zijn en geen informatievraag bevatten die reeds in het Vodu wordt uitgevraagd. Dit om de administratieve lasten voor gemeenten zoveel mogelijk te beperken.

 

Artikel 5. Betaling

     De betalingssystematiek waarbij aan de gemeente maandelijks een deel van het voor dat jaar aan de gemeente toegekende budget wordt betaald, is, zoals uit het eerste lid van het onderhavige artikel blijkt, ten opzichte van de situatie onder de vigeur van de Abw ongewijzigd gebleven.
     In het tweede lid wordt bepaald wat er gebeurt wanneer het inkomensdeel op basis van artikel 71 van de
Wwb wordt aangepast. Een verhoging van die uitkering wordt in gelijke delen toegevoegd aan de nog resterende maandelijkse betalingen (zie het eerste lid). Een verlaging wordt, wederom in gelijke delen, in mindering gebracht op de voor het betreffende kalenderjaar nog resterende betalingen.

 

Artikel 6. Uit- en aanbesteding

     De artikelen 7, vierde lid, van de Wwb, 34, derde lid, van de Ioaw en 34, derde lid, van de Ioaz bepalen dat werkzaamheden in het kader van reïntegratievoorzieningen door derden moeten worden uitgevoerd die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen. Nadere regels hieromtrent zijn opgenomen in artikel 4.1 van het Besluit SUWI, dat met de inwerkingtreding van de Wwb is aangepast (zie hiervoor artikel X van het Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 388). Op basis van het nieuwe vijfde lid van artikel 4.1 van het Besluit SUWI zijn in deze regeling nadere voorschriften over uit- en aanbesteden opgenomen.
     In het eerste lid van artikel 6 is aangegeven dat de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, van de
Wwb, 34, derde lid, van de Ioaw en 34, derde lid, van de Ioaz, in geld worden uitgedrukt. Dit maakt het mogelijk voor delen van die werkzaamheden regels omtrent uit- of aanbesteden die in het Besluit SUWI zijn opgenomen al of niet van toepassing te verklaren.
     In het tweede lid is bepaald in welke gevallen artikel 4.1, eerste en tweede lid, van het Besluit SUWI niet behoeft te worden toegepast op werkzaamheden in het kader van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het gaat hier om de mogelijkheid zowel de uit- als de aanbestedingsverplichting niet toe te passen. Het gaat daarbij om werkzaamheden die betrekking hebben op premies en kostenvergoedingen, kinderopvang, cofinanciering ESF-EQUAL-regeling [ESF: Europees Sociaal Fonds, red.], het beëindigen van gesubsidieerde banen op grond van het voormalige Besluit in- en doorstroombanen en de uitvoering van vóór 1 januari 2002 (de inwerkingtreding van de SUWI-wetgeving) gesloten overeenkomsten. Deze uitzonderingen gelden nu ook op grond van de Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003. Niets verzet zich er overigens tegen dat gemeenten deze werkzaamheden toch uitbesteden.
     In het derde lid is bepaald dat de aanbestedingsverplichting die voortvloeit uit artikel 4.1, tweede lid, van het Besluit SUWI niet behoeft te worden toegepast op de werkzaamheden die voortvloeien uit artikel 15 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand. In genoemd artikel van de Invoeringswet Wwb is bepaald dat de uitbestedingsverplichting uit de Wwb niet geldt voor werkzaamheden met betrekking tot de bestaande Wiw-dienstbetrekkingen, ID-banen en de nieuwe gesubsidieerde banen (zolang de betreffende dienstverbanden voortduren). Dit geldt eveneens voor nieuwe banen die gedurende de eerste drie jaar na inwerkingtreding van de Wwb ontstaan (zolang een dergelijk dienstverband voortduurt). Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat als het tweede lid van artikel 4.1 van het Besluit SUWI niet wordt toegepast, het derde lid evenmin kan worden toegepast.
     In het vierde lid gaat het over het niet behoeven uitbesteden van werkzaamheden die worden gefinancierd uit de uitkering die aan gemeenten wordt gedaan voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
Wwb (en 34, eerste lid, onderdelen a, van de Ioaw en Ioaz). Van de aan de gemeente voor dat doel toegekende uitkering (het werkdeel) behoeft in ieder geval €|100 000,- niet te worden uitbesteed. Van hetgeen vervolgens van de uitkering voor het werkdeel overblijft in het desbetreffende jaar behoeft voorts 30% niet te worden uitbesteed. Voor gemeenten die werkzaamheden die gefinancierd worden uit deze delen van de uitkering van het werkdeel toch uitbesteden, geldt dat daarop wel de aanbestedingsregels van het Besluit SUWI van toepassing zijn.
     Bij de beoordeling of aan genoemd percentage wordt voldaan, wordt uitgegaan van de blijkens de gemeentelijke administratie verantwoorde gelden van het werkdeel.
     In het vijfde lid is bepaald dat als gemeenten eigen financiële middelen inzetten voor reïntegratievoorzieningen, ten aanzien van die middelen de uitbestedingsverplichting niet geldt. Het kan hierbij gaan om overgebleven gelden vanuit het inkomensdeel dan wel vanuit de algemene middelen van de gemeente. Besteedt de gemeente de werkzaamheden die worden gefinancierd uit eigen middelen desondanks toch uit, dan zijn daarop wel de regels over aanbesteding uit het Besluit SUWI van toepassing.
     Voor de goede orde wordt er nog op gewezen dat naast hetgeen omtrent aanbesteding is opgenomen in het Besluit SUWI ook altijd de regels van de Europese Unie betreffende aanbesteding in acht moeten worden genomen. Het betreft met name de Europese Richtlijn Diensten (Richtlijn nr. 92/50/EEG, zoals deze is gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG) alsmede de daaraan ten grondslag liggende beginselen van het EG-verdrag, waaronder het non-discriminatiebeginsel dat transparantie impliceert. Daaruit kunnen, onder andere gelet op ontwikkelingen in de jurisprudentie, verdergaande aanbestedingsverplichtingen voortvloeien dan in het Besluit SUWI en deze regeling zijn opgenomen.
     Op de situaties waarin gemeenten marktactiviteiten hetzij laten uitvoeren door zelfstandige rechtspersonen die aan de gemeente gelieerd zijn, hetzij zelf uitvoeren (uitvoering door onderdelen van de gemeente), zal de Transparantierichtlijn (Richtlijn 80/723/EEG, zoals deze is gewijzigd bij Richtlijn 2000/2/EG) en de implementatie hiervan in de Mededingingswet van toepassing zijn. Hierdoor geldt onder andere een verplichting tot het houden van een transparante en gescheiden boekhouding voor marktactiviteiten enerzijds en overige activiteiten anderzijds.

 

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

     In dit artikel worden de uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade genoemd die niet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend. Deze opsomming was voorheen vervat in artikel 43 van de Abw en de Regeling vrijlating immateriële schadevergoeding Algemene bijstandswet.
     Door opname in deze ministeriële regeling is buiten twijfel gesteld dat deze vergoedingen ook onder de werking van de
Wwb niet tot de middelen worden gerekend. Met dit artikel wijzigt er dus materieel niets ten opzichte van de Abw.
     In onderdeel a wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp, niet tot de middelen als bedoeld in artikel 31
Wwb gerekend. De financiële tegemoetkoming kan uit twee delen bestaan:
a. een eenmalige forfaitaire tegemoetkoming van €|1815,12;
b. een eenmalige aanvullende tegemoetkoming tot een maximumbedrag van €|9529,38.
     Voor de onder a genoemde tegemoetkoming komen personen in aanmerking die aantonen dat zij als gevolg van de ramp psychosociale problemen ondervinden of hebben ondervonden. Personen die in aanmerking komen voor de forfaitaire tegemoetkoming en aantonen dat zij vóór inwerkingtreding van de uitkeringsregeling uitgaven hebben gedaan die in relatie staan tot hun psychosociale problemen en die meer bedragen dan €|1815,12 en die niet op andere wijze zijn, zullen of kunnen worden vergoed, komen in aanmerking voor een eenmalige aanvullende tegemoetkoming van maximaal €|9529,38. De tegemoetkoming kan in totaal derhalve €|11 344,50 bedragen.
     De eenmalige forfaitaire tegemoetkoming wordt op grond van deze ministeriële regeling bij de middelentoets in het kader van de wet buiten beschouwing gelaten.
     De eenmalige aanvullende tegemoetkoming wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de wet buiten beschouwing gelaten, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend.
     In onderdeel b worden de eenmalige uitkering en het voorschot, bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) niet tot de middelen als bedoeld in artikel 31 van de wet gerekend. De TAS beoogt, aldus de toelichting, "een vangnet te zijn voor die asbestslachtoffers die naar geldende burgerrechtelijke maatstaven een vordering tot schadevergoeding hebben, maar vanwege het ontbreken van een aansprakelijke tegenpartij of vanwege een beroep op verjaring van de claim er niet in slagen hun vordering geldend te maken". De overheid neemt niet de aansprakelijkheid van de voormalige werkgever over. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgesteld op €|15 882,-.
     Bij Besluit van 17 december 2002, (Stcrt. 2002, 246) is de TAS gewijzigd.
     Met deze wijziging wordt beoogd dat het overgrote deel van de slachtoffers dat zich aanmeldt, bij leven een voorschot op de eventuele schadevergoeding door de werkgever ontvangt. Aldus wordt gekomen tot een snelle uiting van maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van de slachtoffers die door blootstelling aan asbest in hun verleden als werknemer maligne mesothelioom hebben ontwikkeld. Doel van het voorschot is niet meer en niet minder dan erin te voorzien dat deze slachtoffers toch bij leven enige erkenning krijgen, vooruitlopend op een schadevergoeding door de aansprakelijke werkgever via bemiddeling of langs gerechtelijke weg. Het voorschot bedraagt €|15 882,-.
     In onderdeel c wordt de vergoeding, bedoeld in artikel 16 van het Besluit tot wijziging van de aanwijzing van het luchtvaartterrein Maastricht, alsmede vaststelling van geluidszones (Interimaanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht), niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, gerekend. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft in het kader van dit besluit besloten aan een bepaalde categorie omwonenden van het luchtvaartterrein Maastricht een jaarlijkse vergoeding van €|1134,45 toe te kennen. Deze vergoeding kan zich uitstrekken over de periode van 1 oktober 1988 tot de datum van inwerkingtreding van het Interimaanwijzingsbesluit luchtvaartterrein Maastricht (12 mei 2000). Deze vergoeding kan maximaal €|12 478,96 bedragen en strekt tot vergoeding van immateriële schade.
     In onderdeel d worden de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 van de Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie, niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, gerekend. Voor een vergoeding op grond van deze regeling komen personen in aanmerking die de West-Friese Flora te Bovenkarspel hebben bezocht in de periode van 19 tot en met 28 februari 1999 of daar in voornoemde periode op professionele of vrijwillige basis werkzaam waren en waarvan aannemelijk is dat zij door dit bezoek of deze werkzaamheden besmet zijn geraakt met legionella pneumophila en tengevolge hiervan een legionella pneumonie hebben opgelopen.
     Er zijn drie soorten vergoedingen waar een belanghebbende die besmet is geraakt met legionella pneumophila aanspraak op kan maken in drie verschillende gevallen:
1. een eenmalige forfaitaire vergoeding van €|1815,12;
2. een forfaitaire aanvullende vergoeding van €|1815,12 indien ten minste 48 uur in een ziekenhuis is doorgebracht. (Het gaat hier om een aanvullende vergoeding voor personen die al in aanmerking komen voor de eenmalige forfaitaire vergoeding van €|1815,12);
3. een tegemoetkoming van €|4537,80 indien een persoon waarmee men een gemeenschappelijke huishouding voerde als gevolg van de in de regeling bedoelde besmetting met legionella pneumophila in 1999 is overleden.
     De onderdelen e en f voorzien erin dat de eenmalige uitkering toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose en de eenmalige uitkering ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend.
     In onderdeel g worden de individuele uitkeringen in het kader van de tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen niet tot de middelen als bedoeld in artikel 31 van de wet gerekend.
     In maart 2000 heeft de regering gelden ter beschikking gesteld als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in de bejegening van de betrokken oorlogsslachtoffers in het rechtsherstel en als erkenning van morele aanspraken (Kamerstukken II 1999-2000, 25 839, nr. 13). Besloten is dat deze uitkeringen, niet alleen bij de huursubsidie en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, buiten beschouwing blijven, maar ook bij de middelentoets van de Abw niet in aanmerking worden genomen. Dit geldt ook onder de Wwb.

 

Artikel 8. Definities

     In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van enkele in paragraaf 6 voorkomende begrippen. Het begrip "inkomen", dat het uitgangspunt vormt voor de berekening van de aanspraak op vakantiegeld, sluit aan bij het inkomensbegrip van de artikelen 31 en 32 van de wet. Het gaat om het in het kader van de bijstandverlening gebruikelijke nettomaandinkomen, dat wil zeggen na aftrek van premies en loonbelasting. Vergoedingen van de werkgever worden niet tot het inkomen gerekend. In afwijking van artikel 32 van de wet behoort de aanspraak op vakantiegeld uiteraard niet tot dit inkomensbegrip. De volgens deze regeling vast te stellen aanspraak op vakantietoeslag is, zoals blijkt uit de definitie in onderdeel b, eveneens een netto bedrag.
     Voor de berekening van de nettoaanspraak op vakantiegeld is, naast onder andere de hoogte van het inkomen, de op dat inkomen toegepaste heffingskorting van belang. Wanneer de belanghebbende meer dan één te verrekenen inkomen ontvangt, kan voor deze inkomens onder het huidige fiscale regime een verschillende kolomindeling van toepassing zijn. Het hier omschreven begrip sluit aan bij de feitelijke kolomindeling waarin het inkomen is ingedeeld en niet de indeling waarop de belanghebbende aanspraak kan maken. Dit staat uiteraard niet in de weg voor een afwijkende inkomensvaststelling, op grond van onder meer artikel 31 van de van de wet, als de belanghebbende verwijtbaar geen gebruik maakt van een gunstiger kolomindeling. Omdat in deze regeling wordt uitgegaan van maandinkomens, wordt de heffingskorting herleid tot een bedrag per maand.

 

Artikel 9. Reikwijdte

     De in deze paragraaf gegeven rekenregels sluiten aan op de voor de belasting en premieheffing toepasselijke percentages en bedragen voor het kalenderjaar 2004. Deze regels kunnen derhalve alleen van toepassing zijn op inkomens die in dat jaar worden ontvangen. Hoewel dat over het algemeen samenvalt, is niet van belang op welk jaar dat inkomen betrekking heeft, maar in welk jaar het feitelijk is ontvangen. In de regel zal het geen probleem zijn om vast te stellen in welk jaar een inkomen is ontvangen. Om deze aansluiting bij de belasting en premieheffing te verzekeren, dienen hierbij in voorkomende gevallen de criteria te worden gevolgd die de loonbelasting hiervoor hanteert. In het incidentele geval dat over een inkomen uit een voorafgaand jaar de aanspraak op vakantiegeld moet worden vastgesteld, kan het college in beginsel geen gebruik maken van deze rekenregels. Het ligt voor de hand dat het college dan uitgaat van het feitelijk netto ontvangen vakantiegeld.

 

Artikel 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

     Met nadruk zij er hier op gewezen dat het forfaitaire karakter van deze regeling beperkt blijft tot de vaststelling van een aanspraak op vakantietoeslag en niet op de aanwezigheid van een dergelijke aanspraak als zodanig. Als over een inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zoals doorgaans het geval is bij alimentatie of een particulier ouderdomspensioen, is toepassing van deze regeling derhalve niet aan de orde. Er is dan immers geen sprake van een aanspraak op vakantietoeslag die dient te worden vastgesteld.

 

Artikel 11. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit tegenwoordige arbeid

     Bij de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit tegenwoordige arbeid. Daarop is de witte tabel loonbelasting/premie volksverzekeringen van toepassing. Specifiek voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid is de arbeidskorting. Deze is verwerkt in de kolom waarin de loonheffingskorting is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing volgens deze kolom rekening gehouden. Voorts is ervan uitgegaan dat de belanghebbenden verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet en dat over het inkomen werknemerspremies verschuldigd zijn of een daaraan gelijke inhouding.
     Afhankelijk van de hoogte van het inkomen zijn er verschillende trajecten te onderscheiden:
- er wordt geen loonheffing ingehouden, omdat de verschuldigde loonheffing lager is dan de loonheffingskorting. Bovendien is er - gelet op de hoogte van de premievrije voet - geen inhouding van de werkloosheidspremie.
- er vindt geen inhouding plaats van de werkloosheidspremie op het maandinkomen, wel op de vakantieaanspraak.
- er vindt inhouding van de werkloosheidspremie plaats op zowel het maandloon als op de vakantieaanspraak.
- de over de vakantieaanspraak verschuldigde loonheffing wordt berekend naar inhouding volgens de tweede belastingschijf.
     De verschillen in de bruto-nettotrajecten leiden tot de diverse formules.

 

Artikel 12. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit vroegere arbeid

     Bij de in dit artikel opgenomen rekenregels is uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit vroegere arbeid. Daarop is de groene tabel loonbelasting/premie volksverzekeringen van toepassing. Deze tabel kent voor personen die jonger zijn dan 65 jaar twee kolommen: één waarin geen loonheffingskorting is verwerkt en één waarin de loonheffingskorting (bestaande uit de algemene heffingskorting) is verwerkt. In de tabel die in dit artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing via deze kolom rekening gehouden. Voorts is ervan uitgegaan dat de belanghebbenden verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet en dat over het inkomen werknemerspremies verschuldigd zijn of een daaraan gelijke inhouding.
     Dezelfde bruto-nettotrajecten zijn te onderscheiden als de trajecten genoemd in de toelichting op artikel 11. Het verschil wordt veroorzaakt doordat bij de samenstelling van de in dit artikel genoemde formules geen rekening is gehouden met de arbeidskorting

 

Artikel 13. Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

     In de bruto-nettotrajecten waar is uitgegaan van de tabel in de artikelen 11 en 12 is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de toepasselijke loonheffingskorting. Omdat niet is toegestaan dat bij meer dan één inhoudingsplichtige de loonheffingskorting wordt vergolden, is voor de situatie dat er meerdere inkomens zijn die aan voorheffing zijn onderworpen een tabel samengesteld waarbij ten aanzien van de verschuldigde loonheffing geen rekening is gehouden met de loonheffingskorting. Aangezien het bruto-nettotraject voor loon uit tegenwoordige arbeid gelijk is aan het traject voor loon uit vroegere arbeid hoeft hier geen onderscheid naar soort inkomen te worden gemaakt.

 

Artikel 14. Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder

     Personen van 65 jaar of ouder zijn geen premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) verschuldigd. Bovendien is er bij hen van uitgegaan dat over het ontvangen inkomen geen premies op grond van de werknemersverzekeringen verschuldigd zijn of een daaraan equivalente inhouding (vereveningsbijdrage) plaatsvindt. Hierdoor verschilt bij hen de verhouding tussen netto- en bruto-inkomen aanzienlijk van die van personen jonger dan 65 jaar. Evenals bij personen jonger dan 65 jaar is er bij de berekeningen van uitgegaan dat de belanghebbende van 65 jaar of ouder bij een ziekenfonds is verzekerd.
     Ten aanzien van het in het eerste lid genoemde percentage is uitgegaan van een inhouding van loonheffing op het onvolledige AOW-pensioen, waarbij rekening is gehouden met de ouderenkorting en voor zover van toepassing de aanvullende ouderenkorting.
     Voor de situatie dat een persoon die ouder is dan 65 jaar naast zijn AOW-pensioen nog inkomsten geniet, is er bij de vaststelling van het in het tweede lid genoemde percentage van uitgegaan dat bij de inhouding van loonheffing over het AOW-pensioen door de uitkerende instantie al rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en de ouderenkorting en voor zover van toepassing met de aanvullende ouderenkorting.

 

Artikel 15. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

     De toetsingscommissie adviseert de minister inzake aanvragen van gemeenten voor een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 74 van de wet. In artikel 10, tweede lid, van het Besluit Wwb is geregeld dat de toetsingscommissie daarbij onder meer een beoordeling geeft van de arbeidsmarktsituatie. In de toelichting bij dat besluit is aangegeven dat de toetsingscommissie bij de beoordeling van de arbeidsmarktsituatie gebruik maakt van parameters. Voor de parameters ten aanzien van de instroom en uitstroom is in dit artikel een norm vastgesteld.
     De toetsingscommissie beoordeelt of de tekortgemeente boven respectievelijk beneden de vastgestelde norm zit. De omstandigheid van een uitzonderlijke arbeidsmarktsituatie kan door de toetsingscommissie als hoofdoorzaak van het budgettekort worden aangewezen. Alsdan kan door de minister een aanvullende uitkering worden toegekend, mits de desbetreffende gemeente met betrekking tot het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan niet verwijtbaar heeft gehandeld.
     Ingeval de tekortgemeente voldoet aan beide, in het tweede lid genoemde, normen, is in ieder geval sprake van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Indien de tekortgemeente niet voldoet aan ten minste één van de gestelde normen, bestaat gerede twijfel of er sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Een analyse van de achterliggende oorzaken van het budgettekort dient in deze situatie de doorslag te geven voor de toekenning van een aanvullende uitkering.

 

Artikel 16. Inwerkingtreding

     Met de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt aangesloten bij de datum van inwerkingtreding van de wet.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x