|
BESLUIT
van 10 oktober
2003 houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit
Wwb)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 september
2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr.
B&GA/WWB/03/70145;
Gelet op de artikelen
40,
eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid,
73, derde
lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;
De Raad van State gehoord
(advies van 18 september 2003, nr. W12.03.0371/IV);
Gezien het nader rapport
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9
oktober 2003, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/WWB/03/76805;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
§
1. Algemene
bepalingen
Art.
1. Begripsbepaling
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: Wet werk en bijstand;
b. Algemene bijstandswet: de
Algemene bijstandswet zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de wet;
c. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz: de
Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz zoals deze luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet;
d. werkdeel: de uitkering, bedoeld
in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van
de wet;
e. inkomensdeel: de uitkering,
bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van
de wet;
f. gemeentelijke bijstandslasten
2003 voor personen jonger dan 65 jaar: de volgens de opgave, bedoeld in
artikel 130, vierde lid, van de
Algemene bijstandswet, in het jaar 2003
ten laste van een gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
3, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet financiering
Abw,
Ioaw en Ioaz, vermeerderd
met de ontvangsten in verband met de toepassing van de artikelen
14a, 20, 24
en 25, hoofdstuk VI,
paragraaf 2, en hoofdstuk VII van de
Algemene bijstandswet, verminderd
met de kosten van bijstand die is verleend met toepassing van artikel
30, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet en verminderd met de kosten
van bijstand die is verleend met toepassing van artikel
63, tweede lid,
van de
Algemene bijstandswet, en vervolgens vermenigvuldigd met het
aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie
van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari 2004,
gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari
2003;
g. gemeentelijke bijstandslasten
2003 voor personen van 65 jaar of ouder: de volgens de opgave, bedoeld
in artikel 130, vierde lid, van de
Algemene bijstandswet, in het jaar 2003 ten laste van een gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering
Abw,
Ioaw en Ioaz, van
bijstand die is verleend met toepassing van artikel
30, tweede lid, van
de
Algemene bijstandswet.
§ 2.
Werkdeel
Art.
2. Berekening bedrag werkdeel
Het bedrag van het werkdeel wordt berekend aan de hand van de volgende
formule:
W = (Kw :
TKw) x
TBw
waarbij:
a. W het werkdeel voor de gemeente
is;
b. Kw
het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van
dit besluit, bepaalde gewicht voor de gemeente is;
c. TKw
het totaal is van de aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in
bijlage 1
van dit besluit, bepaalde gemeentelijke gewichten voor alle gemeenten;
d. TBw het totale bedrag is dat beschikbaar is voor de werkdelen.
Art.
3. Meeneem- en voorschotregeling werkdeel
-1. Indien in een kalenderjaar het werkdeel
niet volledig is besteed aan voorzieningen als bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, kan het college het
niet-bestede
deel tot maximaal 75% van het voor dat jaar toegekende budget toevoegen
aan het werkdeel voor het daaropvolgende kalenderjaar.
-2. Indien in een kalenderjaar meer dan het
werkdeel is besteed aan voorzieningen als bedoeld in artikel
7, eerste
lid, onderdeel a, van de wet, kan het college het meer bestede bedrag
tot maximaal 75% van het voor dat jaar toegekende budget ten laste
brengen van het werkdeel voor het daaropvolgende kalenderjaar.
-3. Het percentage van de uitkering dat op
grond van artikel 70, tweede lid, van de
wet wordt teruggevorderd,
bedraagt 100%. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze
Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze
Minister de terugvordering op een lager percentage vast.
§ 3.
Inkomensdeel
Art.
4. Berekening bedrag inkomensdeel en inwonertal gemeenten
-1. Het bedrag van het inkomensdeel wordt verschillend berekend voor gemeenten met:
a. 30 000 of minder inwoners;
b. meer dan 30 000 en minder dan 60
000 inwoners;
c. 60 000 of meer inwoners.
-2. Voor de vaststelling van het aantal
inwoners, bedoeld in het eerste lid, geldt als peildatum 1 januari 2005.
-3. Het aantal inwoners wordt ontleend aan
de statistiek "Demografische kerncijfers per gemeente" van het
Centraal Bureau voor de Statistiek.
Art.
5. Berekening bedrag inkomensdeel kleine gemeenten
Voor gemeenten met 30 000 of minder inwoners wordt het bedrag van het
inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende formule:
I = (K64 : TK6430 000) x
TB6430 000 + (K65 : TK65) x TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de
gemeente is;
b. K64 de gemeentelijke
bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
c. TK6430 000 het totaal is van de
gemeentelijke bijstandslasten 2003
voor personen jonger dan 65 jaar van
gemeenten met 30 000 of minder inwoners;
d. TB6430 000 het deel is van het
totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten
met 30 000 inwoners of minder, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar;
e. K65 de gemeentelijke
bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
f. TK65 het totaal is van de
gemeentelijke bijstandslasten 2003
voor personen van 65 jaar of ouder;
g. TB65 het deel is van het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen
van 65 jaar of ouder.
Art.
6. Berekening bedrag inkomensdeel middelgrote gemeenten
Voor gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners wordt
het bedrag van het inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende
formule:
I = {[(1 - M) x (K64 : TK6430
000 - 60 000) + M x (O : OT30
000 - 60 000)] x TB6430
000 - 60 000 x C} + (K65 : TK65) x
TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de
gemeente is;
b. M het aantal inwoners van de
gemeente per 1 januari 2005 is, verminderd met 30 000 en vervolgens
gedeeld door 30 000;
c. K64 de gemeentelijke
bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
d. TK6430
000 - 60 000 het totaal is van de
gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar van
gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners;
e. TB6430
000 - 60 000 het deel is van het
totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten
met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners, bestemd voor personen
jonger dan 65 jaar;
f. O de objectief vastgestelde
gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
g. OT30
000 - 60 000 het totaal is van de
objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen
jonger dan 65 jaar van gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60
000 inwoners;
h. C de correctiefactor is die wordt
berekend aan de hand van de formule die is opgenomen in bijlage 2 bij
dit besluit;
i. K65 de gemeentelijke
bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
j. TK65 het totaal is van de
gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder;
k. TB65 het deel is van het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen
van 65 jaar of ouder.
Art.
7. Berekening uitkeringsbedrag grote gemeenten
Voor gemeenten met 60 000 of meer inwoners wordt
het bedrag van het inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende
formule:
I = (O : OT60 000)
x TB6460 000
+ (K65 : TK65) x TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de gemeente
is;
b. TB6460
000 het deel is van het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten met 60 000
inwoners of meer, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar;
c. O de objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten bijstandskosten voor personen jonger dan 65
jaar zijn;
d. OT60
000 het totaal is van de objectief
vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65
jaar van gemeenten met 60 000 of meer inwoners;
e. K65 de gemeentelijke
bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
f. TK65 het totaal is van de
gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder;
g. TB65 het deel is van het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen van
65 jaar of ouder.
Art.
8. Objectief verdeelmodel en macrobudget
-1. Aan de hand van het verdeelmodel dat
is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit:
a. worden de objectief vastgestelde
gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar
vastgesteld;
b. wordt het totale bedrag dat
beschikbaar is voor de inkomensdelen voor alle gemeenten, bestemd voor
personen jonger dan 65 jaar, verdeeld over de delen TB6430
000, TB6430
000 - 60
000 en TB6460
000.
-2. Het totale bedrag dat beschikbaar is
voor de inkomensdelen van de gemeenten betreft:
TB6430 000 +
TB6430 000 - 60 000 +
TB6460 000 + TB65.
Art.
9. Toetsingscommissie
De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. Onze
Minister benoemt de voorzitter en de leden, alsmede twee
plaatsvervangende leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en
ontslagen.
Art.
10. Verzoek aanvullende uitkering
-1. Een verzoek om een aanvullende
uitkering omvat:
a. een verklaring voor het feit dat
de door het college gemaakte kosten hoger zijn dan het daarvoor
verstrekte inkomensdeel;
b. een overzicht van de maatregelen
die het college heeft genomen dan wel in de toekomst zal nemen om een
situatie als bedoeld in onderdeel a te voorkomen; en
c. een toelichting op het bedrag
waarom wordt verzocht.
-2. Een aanvullende uitkering wordt slechts
toegekend voor zover:
a. voldaan is aan de gestelde
vormvoorschriften;
b. de gemaakte kosten de toegekende
uitkering inkomensdeel met minimaal 10 procent overstijgen;
c. de uitkomst van de beoordeling
van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk
beleid en de uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft.
-3. De toetsingscommissie beoordeelt of een
verzoek voldoet aan de in het eerste en tweede lid genoemde voorwaarden
en adviseert Onze
Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is
dat een gemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, dan
is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de
werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten en 110 procent van de toegekende
uitkering inkomensdeel.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, waarbij
voor gemeenten tot maximaal 40 000 inwoners een afwijkende invulling kan
worden gegeven van het tweede lid, onderdeel c. [RW]
§ 4.
Overige en
slotbepalingen
Art.
11. Adreslozen
-1. Voor de verlening van bijstand aan
belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden aangewezen:
a. de gemeenten
opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid; en
b. de centrumgemeenten voor
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel
1, onderdeel f, van het Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
-2. De bijstand, bedoeld in het eerste lid,
wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende
zich op het moment van zijn aanvraag bevindt.
Art.
12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Art.
13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Wwb.
Lasten en bevelen dat dit
besluit en de bijlage ¹ met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
1. Raadpleeg voor
bijlagen 1 en 2 Staatsblad 2005, 452, red.
’s-Gravenhage, 10
oktober 2003
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
Uitgegeven de veertiende
oktober 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[10 oktober 2003]
Inleiding
In het onderhavige
besluit worden regels gesteld ten aanzien van de volgende onderdelen:
• Berekening van de
verschillende onderdelen uitkeringen inkomensdeel Wwb
(artikel 69, tweede en derde lid).
• Taak
toetsingscommissie, voorwaarden waaronder verzoek bij toetsingscommissie kan
worden ingediend alsmede criteria toetsingscommissie (artikel
73, derde lid, artikel 74, derde lid).
• Berekening van de
uitkeringen werkdeel Wwb (artikel
69, tweede lid).
• Terugvordering
overschot werkdeel (meeneemregeling) (artikel 70, vierde
lid).
• Uitvoering van de Wwb ten aanzien van personen die niet beschikken over een adres als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Separaat aan het
voorliggende besluit zal een Besluit financieringssystematiek Ioaw en Ioaz voor het
jaar 2004 worden getroffen (25% budgettering) en zal een
financieringssystematiek worden opgenomen in het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Inkomensdeel
Wwb 2004
1. Macrobudget
inkomensdeel Wwb
Het macrobudget
inkomensdeel Wwb 2004 is opgebouwd uit twee delen:
1. Macrobudget voor
personen tot 65 jaar.
2. Macrobudget voor de
categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke
bijstandsuitkering.
1.1. Deel macrobudget
inkomensdeel voor personen tot 65 jaar
Het macrobudget voor het
begrotingsjaar 2004 wordt geraamd in september 2003. Daarbij
is gebruik gemaakt van de Abw-volumeraming uit de SZW-begroting voor
jaar 2004. Deze raming is afgestemd met het Centraal Planbureau (CPB)
en is gebaseerd op:
1. actuele gegevens over
de feitelijke ontwikkeling van het bijstandsvolume op dat moment;
2. de economische
vooruitzichten uit de MEV [Macro Economische Verkenning, red.] voor het begrotingsjaar 2004;
3. de verwachte effecten
van gewijzigd beleid.
Met
artikel 69, tweede
lid, tweede volzin, Wwb is geregeld dat bij de vaststelling van het
totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in artikel
69,
eerste lid, onderdeel b, van de Wwb, het volgende uitgangspunt geldt. Dit
bedrag dient toereikend te zijn voor de voor dat jaar geraamde kosten,
bedoeld in dat onderdeel, voor alle gemeenten. In het onderhavige besluit
wordt aangegeven op welke wijze de minister hier invulling aan heeft
gegeven voor het jaar 2004.
De raming van het
macrobudget is opgebouwd uit een volume- en een prijscomponent:
Raming volumecomponent
De basis voor de raming
van het bijstandsvolume in 2004 is de realisatie van het bijstandsvolume
in 2003. Deze realisatie wordt verhoogd of verlaagd met de verwachte
ontwikkeling in het bijstandsvolume in 2004 ten opzichte van 2003.
Bij de eerste
vaststelling van het budget in september 2003 betreft het bijstandsvolume voor 2003
nog een raming. Bij de definitieve vaststelling van het budget in
september 2004 wordt uitgegaan van het gerealiseerde bijstandsvolume in het
jaar 2003 op basis van de bijstandskenmerkenstatistiek van het CBS [Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.].
De verwachte ontwikkeling
van het bijstandsvolume wordt ingeschat op basis van de ontwikkeling
van de werkloze beroepsbevolking zoals die door het CPB wordt
geraamd. De precieze vorm van de relatie tussen de werkloze beroepsbevolking
en het aantal Abw-uitkeringen wordt jaarlijks in overleg met het CPB vastgesteld. Daarbij wordt ook rekening gehouden
met verwachte
beleidseffecten en conjuncturele wijzigingen.
Raming prijscomponent
De basis voor de raming
van de prijscomponent voor 2004 is de realisatie van de
prijscomponent in 2003. Deze realisatie wordt bepaald door de bijstandsuitgaven
in 2003 te delen door het gerealiseerde bijstandsvolume 2003. Net
als voor de volumecomponent geldt dat de gegevens over de
bijstandsuitgaven in 2003 in september 2003 nog ramingen zijn. Bij de
definitieve vaststelling van het budget in september 2004 zal worden uitgegaan
van de dan bekende realisaties van de bijstandsuitgaven in
2003.
De prijscomponent voor
2004 wordt vervolgens geraamd door de realisatie voor 2003 te
verhogen of te verlagen met de verwachte ontwikkeling in de
gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering kan bijvoorbeeld veranderen
als gevolg van beleidseffecten of van demografische ontwikkelingen die niet
van invloed zijn op totale omvang, maar wel op de samenstelling
van de bijstandspopulatie.
Andere factoren die van
invloed zijn op de ontwikkeling van de gemiddelde uitkering zijn
de ontwikkeling van de normuitkering, de ziekenfondspremie en de
loonbelastingtarieven. Het effect van deze factoren wordt meegenomen
bij de definitieve vaststelling van het macrobudget in september
2004.
Effecten van beleid
De raming van de
volumecomponent en de prijscomponent voor 2004 worden beiden gebaseerd
op hun gerealiseerde niveaus in 2003. De effecten van
beleidsmaatregelen op de bijstandsuitgaven die in 2003 werden verwacht, zijn
impliciet in deze realisaties verwerkt.
Als een beleidsmaatregel
in 2003 minder of juist meer heeft opgebracht dan verwacht werd, zal dit
ook doorwerken in het niveau van de bijstandsuitgaven in latere jaren. De
systematiek waarmee het macrobudget wordt bepaald, zorgt ervoor dat
het macrobudget 2004 automatisch voor deze doorwerking wordt gecorrigeerd.
Bijstelling macrobudget
2004 in september 2004
In september van het
begrotingsjaar 2004 wordt het macrobudget voor dat jaar naar boven of
naar beneden aangepast. Daartoe wordt gebruik gemaakt van een
geactualiseerde raming van het bijstandsvolume in het begrotingsjaar op grond
van de meest actuele inzichten in de werkloosheid. De gegevens
van het feitelijke bijstandsvolume in het begrotingsjaar worden
niet in de raming betrokken omdat er dan een vermenging zou optreden
van de raming en het beleid van gemeenten.
Het voorgaande betekent
dat er geen nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke macrobijstandsuitgaven. Een voordeel van deze wijze
van vaststelling van het
macrobudget is dat de wijze waarop de wet wordt uitgevoerd niet via een
nacalculatie invloed heeft op de hoogte van het macrobudget en daarmee
ook niet op het budget van de afzonderlijke gemeenten. Het verschil
tussen het in september 2003 vastgestelde en het in september 2004
aangepaste macrobudget voor het uitvoeringsjaar 2004 komt ten laste of ten
gunste van het Rijk. Bij de aanpassing in september van het lopende
begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse
aanpassing vanwege de loon- en prijsbijstelling verwerkt.
1.2. Deel macrobudget
inkomensdeel voor categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke
bijstandsuitkering
Het macrobudget voor de
bijstand aan personen van 65 jaar of ouder wordt gevormd door het
product van het geraamde uitkeringsvolume en de geraamde gemiddelde
uitkering.
Raming volume bijstand
65-plussers
Ten behoeve van de raming
van het aantal bijstandsuitkeringen aan 65-plussers wordt de
verhouding tussen het bijstandsvolume 65-plussers en het volume gekorte AOW-uitkeringen in het recente verleden berekend. Voor de
(meerjaren)raming
wordt deze verhouding constant verondersteld. De raming van het bijstandsvolume 65-plussers wordt vervolgens
met dit verhoudingscijfer
afgeleid uit de SVB-raming [SVB: Sociale
verzekeringsbank, red.] van het volume gekorte AOW-uitkeringen.
In de praktijk levert deze methodiek een betrouwbare raming op die
vrij nauwkeurig aansluit bij de realisaties.
Raming gemiddelde
uitkering
De gemiddelde uitkering
wordt geraamd door het quotiënt te nemen van de gerealiseerde
uitgaven en het gerealiseerde uitkeringsvolume in het meest recente jaar.
Voor de raming in het volgende jaar is de gemiddelde uitkering
constant gehouden. Wel is rekening gehouden met eventuele wijzigingen in
de bijstandsnorm als gevolg van (bijvoorbeeld) de koppeling van de
uitkeringen aan de loonontwikkeling.
2. Verdeelsystematiek
inkomensdeel Wwb
2.1. Verdeelsystematiek
deel macrobudget voor personen tot 65 jaar
In de toelichting op het
wetsvoorstel Wwb is aangegeven dat het de bedoeling is om, na een overgangsperiode, het gebudgetteerde deel van
de uitkeringslasten te
verdelen op basis van een objectief verdeelmodel. Gemeenten ontvangen dan
middelen voor de bekostiging van genoemde uitkeringen op grond van
een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te
beïnvloeden kenmerken. Deze wijze van verdeling doet het meeste
recht aan het uitgangspunt dat gemeenten die een relatief goed beleid voeren hiervoor in financieel opzicht worden
beloond.
In de
toelichting op de
Wwb is het volgende tijdpad voor invoering geschetst: In het jaar
2004 wordt voor de grote gemeenten (meer dan 60 000 inwoners) gestart
met de inzet van het objectief verdeelmodel voor 40%; de resterende 60%
wordt verdeeld op basis van het historische model. Tijdens de behandeling
van het wetsvoorstel Wwb in de Tweede Kamer is toegezegd om medio 2004
aan de hand van het resultaat van een nog uit te voeren
vervolgonderzoek naar verdere verbeteringen van het huidige objectief verdeelmodel
een overleg met de Tweede Kamer te voeren over de vraag of voor het jaar
2005 een vervolgstap richting 60% kan worden gezet. Het einddoel is om
na verloop van enkele jaren uit te komen op 100% toepassing van dit
model. Voor de middelgrote gemeenten (tussen 40 000 en 60 000
inwoners) wordt, afhankelijk van het aantal inwoners, naar rato de
verdeelsystematiek van grote en kleine gemeenten toegepast.
De verdeelsystematiek
voor het jaar 2004 luidt als volgt:
1. Voor gemeenten met
minder dan 40 000 inwoners wordt de uitkering 2004 volledig gebaseerd
op het historisch aandeel 2001.
2. Voor gemeenten met
meer dan 60 000 inwoners wordt de uitkering 2004 voor 40% gebaseerd
op het objectieve verdeelmodel, vermeld in de bijlage bij dit besluit,
en voor 60% gebaseerd op het historisch aandeel 2001.
3. Voor gemeenten tussen
40 000 en 60 000 inwoners wordt, afhankelijk van het aantal inwoners,
een glijdende schaal tussen de historische en objectieve
verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter bij 40 000 inwoners ligt,
nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd is op het historische aandeel
2001 de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate het inwonertal dichter bij 60
000 inwoners ligt, dit percentage afneemt naar 60%.
Voorlopig worden de
uitkeringen van kleine gemeenten (minder dan 40 000 inwoners) niet
berekend aan de hand van het objectief verdeelmodel. Toepassing van het
objectief verdeelmodel voor deze gemeenten levert tot nu toe
onbevredigende resultaten op in termen van ex-anteherverdeeleffecten.
Overigens wordt niet uitgesloten dat op termijn ook voor de kleinere
gemeenten overgeschakeld kan worden op een (gedeeltelijke) objectieve verdeling.
Berekening historische
grondslag voor de uitkering (historische aandeel 2001, K:TK)
Voor het deel van de
uitkering dat wordt gebaseerd op het historisch aandeel 2001 wordt
gebruik gemaakt van het aandeel dat een gemeente
in 2001 had in de totale
kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw
[op grond van de Abw wordt alleen bijstand verstrekt en geen
uitkeringen, red.]. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke jaaropgave over 2001. Dit
aandeel wordt gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het aantal inwoners
van 20 jaar of ouder in de periode 2001-2003. Hiermee
wordt bereikt dat rekening wordt gehouden met de autonome groei in de bijstandsuitgaven als gevolg van een meer dan
evenredige toename van de
bevolkingsomvang in bepaalde gemeenten.
Berekening objectieve
grondslag voor de uitkering (O:OT)
Voor het deel van de
uitkering dat wordt gebaseerd op objectieve kenmerken wordt gebruik
gemaakt van het objectieve verdeelmodel dat in de bijlage is opgenomen.
Met de leveranciers (met
name het CBS) zijn afspraken gemaakt betreffende het
verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van het deel van
de uitkering dat gemeenten ontvangen op grond van het objectieve
verdeelmodel. In de bijlage bij dit besluit is een schema opgenomen waarin de data
zijn omschreven die als objectieve factoren worden aangemerkt met
vermelding van de leverancier en de data waarop de gegevens zijn
gemeten (peildata). Indien aan een peildatum een gemeente wordt
heringedeeld, dan zal het ministerie van SZW het aantal eenheden van de
betreffende verdeelmaatstaf voor de nieuwe gemeente (her)berekenen
op basis van de gegevens die bekend zijn van de gemeenten die bij de
herindeling zijn betrokken. Mocht een gemeente met ingang van 2004
worden heringedeeld nadat de budgetten definitief zijn vastgesteld, dan zal
achteraf het budget voor de nieuwe gemeente worden vastgesteld.
Glijdende schaal historisch/objectief voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners
(M)
Door het hanteren van een
glijdende schaal wordt bewerkstelligd dat er sprake is van een
geleidelijke overgang van een verdeling op historische grondslag naar een
verdeling op basis van objectieve kenmerken. Daarmee wordt voorkomen
dat gemeenten van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met
forse wijzigingen in de omvang van hun uitkering als gevolg van
mutaties in de omvang van de bevolking van 20 jaar of ouder.
Naarmate het aantal
inwoners dichter bij de 40 000 ligt, zal een groter deel van de uitkering
voor de gemeenten met een inwonertal tussen 40 000 en 60 000 inwoners
worden gebaseerd op het historisch aandeel 2001; M nadert in dat
geval de waarde nul. Omgekeerd nadert M de waarde één naarmate het
aantal inwoners dichter bij 60 000 ligt.
Verdeling macrobudget
over de drie groepen gemeenten
Het hanteren van drie
verschillende verdeelsystemen voor drie categorieën gemeenten
betekent dat de voor alle gemeenten tezamen beschikbare middelen, het
macrobudget, over deze drie categorieën moet worden verdeeld. Deze
verdeling wordt gebaseerd op het objectieve verdeelmodel. De daaruit
voortvloeiende deelbudgetten per gemeentegrootteklasse worden verdeeld volgens
de formules in artikel 5, 6 en 7. De formule in
artikel 6 ter
berekening van het deelbudget voor de middelgrote gemeenten bevat een correctiefactor. Deze correctiefactor is nodig
om ervoor te zorgen dat
het totaal van de berekende individuele gemeentelijke uitkeringen gelijk is aan
de totale beschikbare middelen voor de middelgrote gemeenten.
De verdeling van het
macrobudget op basis van het objectieve verdeelmodel doet recht
aan het uitgangspunt dat (groepen van) gemeenten middelen
ontvangen naar rato van hun objectieve behoefte. Nadeel zou kunnen zijn
dat herverdeeleffecten tussen groepen gemeenten optreden. Becijferingen
met de beschikbare gegevens laten zien dat dit zich nauwelijks voordoet.
2.2. Verdeelsystematiek
deel macrobudget voor categorie 65 jaar of ouder met al dan niet
gedeeltelijke bijstandsuitkering
Verdeling van het
macrobudget voor 65-plussers geschiedt op basis van de maatstaf "historische
bijstandslasten 65 jaar of ouder". Voor het uitvoeringsjaar 2004 is
gewerkt met het aandeel van een gemeente in de totale lasten van
gemeenten van het uitvoeringsjaar 2001. Bij de vaststelling van deze
kosten wordt gebruik gemaakt van de jaaropgave.
3. Het objectief
verdeelmodel
Bij de verdeling van het
macrobudget voor personen tot 65 jaar wordt gebruik gemaakt van
het objectief verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit
besluit. Voor een technische beschrijving van het model wordt verwezen naar
deze bijlage.
4. Beleidsmatig indammen
herverdeeleffecten
Modelsimulaties met het
objectief verdeelmodel toont een beeld van ex-anteherverdeeleffecten dat voor het merendeel van de gemeenten conform verwachtingen is.
Voor sommige gemeenten geldt dat de uitkomsten nader
onderzoek vergen. Dit onderzoek loopt momenteel. Voor het jaar 2004 is
besloten om bij de toepassing van het objectief verdeelmodel buiten het
model om een grens te hanteren ter indamming van al te grote - zowel
positieve als negatieve - uitschieters van ex-anteherverdeeleffecten. Deze
grens is beleidsmatig vastgesteld op (in absolute zin) 10%.
De veronderstelling die
hierbij gehanteerd wordt, is dat vanaf de grens van 10% de statistische
eigenschappen van het objectief verdeelmodel een meer dan evenredige
invloed hebben op de omvang van de herverdeeleffecten.
Ofwel, een ex-anteherverdeeleffect
buiten deze grens kan in redelijkheid niet
worden toegeschreven aan het gevoerde gemeentebeleid. In de
praktijk betekent dit dat het verschil tussen de objectieve en het
historische budgetaandelen die worden gebruikt in de berekening van het budget
voor een individuele gemeente niet meer dan 10% mag bedragen van het
objectieve budgetaandeel. Voor gemeenten waar dat verschil op
grond van de uitkomsten van het objectief verdeelmodel groter is, wordt het
objectieve budgetaandeel naar boven of naar beneden bijgesteld zodat
wel aan deze randvoorwaarde wordt voldaan.
Met de combinatie van
beleidsmatig indammen van ex-anteherverdeeleffecten tot aan de grens van 15%
en de toepassing van dit verdeelmodel voor 40% is afdoende
gewaarborgd dat dit verdeelmodel voorzichtig wordt ingezet.
5. Openbare lichamen
In artikel
7, eerste lid,
onderdeel b, Wwb staat de verantwoordelijkheid van het college voor het
verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige
omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen
beschikken om in noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Indien sprake is van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld
openbaar lichaam waaraan integrale overdracht van bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de gemeente als genoemd in
artikel 7, eerste lid,
onderdeel b, van de Wwb aan het openbaar lichaam heeft
plaatsgevonden, kan dit openbaar lichaam door het ministerie worden
aangemerkt als de instantie die het inkomensdeel van de Wwb
voor de
deelnemende gemeenten uitvoert. Dit is de wettelijke (minimum)basis waarvoor
het samenwerkingsverband de volledige bevoegdheid en
verantwoordelijkheid zal moeten dragen om bij SZW
als een
uitvoeringsorganisatie aangemerkt te worden. In dat geval is er vanaf dat jaar sprake van één
geaggregeerde verantwoording voor alle deelnemende gemeenten. De
afzonderlijke gemeenten blijven in principe verantwoordelijk voor
alle verantwoordingsinformatie die betrekking heeft op de jaren vóór de
inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling. Met ingang van
het uitvoeringsjaar 2004 wordt bij de verdeling van het totale bedrag dat
beschikbaar is voor uitkeringen, als bedoeld in artikel
69, eerste lid,
onderdeel b, van de Wwb, rekening gehouden met het bestaan van
bovengenoemde openbare lichamen. De individuele gemeenten die zijn
overgegaan tot het instellen van dit openbaar lichaam ontvangen niet langer
ieder een afzonderlijke uitkering; in plaats daarvan ontvangt het openbare
lichaam een uitkering. De optelsom van het aantal inwoners van de aan het
openbaar lichaam deelnemende gemeenten is bepalend voor de
toepassing van de objectieve en/of historische grondslag. In juni 2003
bestaan zeven samenwerkingsverbanden die bij het ministerie zijn
aangemerkt als de uitvoeringsorganisaties die de Abw voor de (in totaal 29)
deelnemende gemeenten uitvoeren. Het betreft alle openbare lichamen op
grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr) waaraan volledige
overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft plaatsgevonden.
Deze zeven openbare lichamen worden - vooruitlopend op de goedkeuring voor de
gemeenschappelijke regeling die de gemeenten moeten krijgen van gedeputeerde
staten, aangezien een gemeenschappelijke regeling pas in werking
treedt nadat deze is ingeschreven in het provinciaal register - binnen de verdeelsystematiek ieder
als één entiteit aangemerkt. In onderstaande tabel zijn de openbare lichamen opgenomen die elk één uitkering
ontvangen voor het
uitvoeringsjaar 2004. Per samenwerkingsverband zijn de deelnemende gemeenten
aangegeven alsmede het totaal aantal inwoners per
samenwerkingsverband (stand: 1 januari 2003).
| Samenwerkingsverbandxxxxxxx |
Betrokken gemeenten |
Totaal aantal
inwoners (stand: 1-1-2003) |
| 1. ISD Kompas |
951rNuthxxxxxxxxxxxxxxxxx
965 Simpelveld
986 Voerendaal |
x40 894 |
| 2. ISD Oldambt |
1661 Reiderland
39
Scheemda
52 Winschoten |
x39 995 |
| 3. DSZW Noardwest
Fryslân |
70 Franekeradeel
72 Harlingen
63 Het Bildt
83 Menaldumadeel
96 Vlieland |
x62 380 |
| 4. ISD De Rijnstreek |
645 Jacobswoude
1673
Liemeer
569 Nieuwkoop
480 Ter Aar |
x37 501 |
| 5. ISD Bollenstreek |
534 Hillegom
553 Lisse
576
Noordwijkerhout
604 Sassenheim
628 Warmond |
x77 592 |
6. RSD
Alblasserwaard-Oost/
Vijfheerenlanden |
523
Hardinxveld-Giessendam
689 Giessenlanden
512 Gorinchem
545 Leerdam
694 Liesveld
707 Zederik |
110 919 |
| 7. IS Werk en Inkomen |
219 Dinxperlo
237 Gendringen
295
Wisch |
x49 135 |
Voor de uitvoeringsjaren
vanaf 2005 zal de volgende procedure in werking treden: Elk
openbaar lichaam heeft de mogelijkheid om uiterlijk 1 maart van het jaar
voorafgaand aan het uitvoeringsjaar (dus voor de verdeelsystematiek 2005
uiterlijk op 1 maart 2004) bij de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan te geven dat ze door het ministerie wenst te worden
aangemerkt als de instantie die het inkomensdeel van de Wwb
voor de deelnemende gemeenten uitvoert. Indien het ministerie hiertoe overgaat, geldt
dat het openbaar lichaam - in plaats van de aangesloten gemeenten - meedoet bij de verdeling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor
uitkeringen inkomensdeel Wwb. Bovendien wordt deze rechtspersoon door het ministerie aangemerkt als de entiteit aan wie
betalingen worden verricht. Ten aanzien van reeds door het ministerie aangemerkte openbare
lichamen geldt dat het ministerie er stilzwijgend van uitgaat dat de volledige overdracht van verantwoordelijkheden en
bevoegdheden inzake de
uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b,
Wwb
naar het
Wgr-samenwerkingsverband wordt gecontinueerd voor de volgende uitvoeringsjaren.
6. Toetsingscommissie
Indien een gemeente
een
budgettekort heeft dat groter is dan de eigenrisicodrempel, heeft
het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid een
verzoek voor aan aanvullende uitkering in te dienen bij de
toetsingscommissie, als bedoeld in artikel 73
Wwb. Dit betekent dat - in afwijking van de
systematiek bij de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz - binnen de Wwb niet langer sprake is van een automatisch recht op een aanvullende
financiering. Op grond van artikel 74, tweede lid,
Wwb kan een tekortgemeente
een verzoek tot aanvullende financiering over het begrotingsjaar indienen
binnen acht weken na de indiening van het verslag over de
uitvoering als bedoeld in artikel 77, eerste lid,
Wwb. Verzoeken die worden
ingediend na het verstrijken van deze termijn worden niet in
behandeling genomen. Een aanvraag en de beslissing daarop reiken niet verder
dan één uitvoeringsjaar. Indien de gemeente na toekenning meent dat zij
in het navolgende jaar ook in aanmerking komt voor een aanvullend
budget, dient zij hiertoe een nieuw verzoek in te dienen.
Taak toetsingscommissie
De toetsingscommissie
heeft tot taak om, ten behoeve van de Minister van
SZW, een oordeel te
vellen over de vraag of een verzoek tot aanvullende uitkering voor de
tekortgemeente gehonoreerd dient te worden. Er wordt een onderscheid
gemaakt tussen vormvoorschriften en inhoudelijke beoordelingscriteria.
Vormvoorschriften
Het college dient
gelijktijdig bij de indiening van de aanvraag de volgende bescheiden over
te leggen:
• het verslag over de
uitvoering over het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, conform
de daarvoor gestelde regels op grond van artikel
78, derde lid, Wwb;
• de bij dit verslag
behorende accountantsverklaring en het oordeel van de raad;
• de verantwoording die
het college over het betreffende jaar aan de raad heeft afgelegd over
de uitvoering van de Wwb in volle omvang;
• een rapport waarin - op basis van een analyse van de oorzaken van het budgettekort en de
maatregelen die het college neemt dan wel reeds heeft genomen om dit
tekort terug te dringen - gemotiveerd wordt om welk aanvullend bedrag
het college verzoekt.
Het verzoek kan worden
ingediend zodra de tekortgemeente over bovengenoemde informatie
beschikt. Er bestaat een mogelijkheid om uitstel aan te vragen.
Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde vormvereisten, wordt de
aanvraag, op grond van de Algemene wet
bestuursrecht, niet in
behandeling genomen.
Inhoudelijke
beoordelingscriteria
De toetsingscommissie
toetst op de volgende onderdelen:
1. Is sprake van een
budgettekort boven de eigenrisicodrempel Wwb?
Op
grond van artikel 77, eerste lid, tweede volzin,
Wwb dient de gemeente een opgave van
de werkelijke gemaakte kosten - i.c. de nettobetalingen (saldo
van uitgaven en inkomsten) en op basis van het kasstelsel - op te
nemen in het uitvoeringsverslag. Voor het jaar 2004 bedraagt de hoogte van de
eigenrisicodrempel 10% van de in september 2004
vastgestelde uitkering. De toetsingscommissie dient na te gaan of de totale
werkelijke bijstandsuitgaven van de betrokken gemeenten groter zijn dan
110/100 x de uitkering zoals vastgesteld in september 2004.
2. Beoordeling van het
effect van de arbeidsmarktsituatie en van het gevoerde gemeentelijk
beleid en uitvoering.
Vertrekpunt voor de
toetsingscommissie is de analyse van de tekortgemeente zoals opgenomen in het
plan van aanpak dat tegelijkertijd met het verzoek tot een
aanvullende uitkering is ingediend. De toetsingscommissie vangt aan met een
beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid aan de hand van de
volgende parameters:
instroom; uitstroom en de uitkeringshoogte, gecorrigeerd voor de
uitkeringsduur. Vervolgens beoordeelt de toetsingscommissie of, en zo ja, in welke
mate de ontstane situatie het gevolg is van de situatie op de
arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijke beleid.
Zoals is aangegeven, dient
het college de aanvraag vergezeld te doen gaan van een analyse van
de oorzaken van de problemen en de mogelijkheden en bereidheid om deze
problemen aan te pakken. Uit deze onderbouwing blijkt
derhalve voor welk deel volgens het college de problemen door een meer
adequaat gevoerd beleid en uitvoering hadden kunnen worden voorkomen
en voor welk deel hij een aanvullend budget redelijk acht.
Parameters
Het vertrekpunt voor de
toetsingscommissie is de score van de tekortgemeente op de
volgende parameters: instroom, uitstroom en de gemiddelde
uitkeringshoogte gecorrigeerd voor de uitkeringsduur.
Instroom
Instroom
gemeente i in
jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde instroom gemeente i in de
jaren (t-1), (t-2) en (t-3) in relatie tot landelijke instroom in jaar (t) ten
opzichte van de gemiddelde landelijke instroom in de jaren (t-1), (t-2) en
(t-3).
De norm,
i.c. de mate
waarin instroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van instroom
gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) minimaal moet afwijken van de
landelijke instroom in jaar (t) ten opzichte van landelijke instroom in de
jaren (t-1), (t-2) en (t-3), wordt geregeld via de ministeriële regeling ex
artikel 10, vierde lid, van onderhavig besluit. De functie van deze norm is
om alleen gemeenten met een bijzondere arbeidsmarktsituatie tot
het oordeel van de toetsingscommissie toe te laten. De norm zal
zodanig worden vastgesteld dat zij voor deze toelating geen onnodige barrière
opwerpt.
De tekortgemeente dient
boven de norm te zitten. In dat geval kan immers worden gesproken
van een uitzonderlijke ontwikkeling. Het is vervolgens aan de
toetsingscommissie om een oordeel uit te spreken over de achterliggende
oorzaken.
Uitstroom
Uitstroom
gemeente i in
jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde uitstroom gemeente i in
de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) in relatie tot landelijke uitstroom in jaar
(t) ten
opzichte van de gemiddelde landelijke uitstroom in de jaren (t-1), (t-2)
en (t-3).
De norm,
i.c. de mate
waarin uitstroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van uitstroom
gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) minimaal moet afwijken van de
landelijke uitstroom in jaar (t) ten opzichte van landelijke uitstroom in
de jaren (t-1), (t-2) en (t-3), wordt geregeld via de ministeriële regeling ex
artikel 10, vierde lid, van onderhavig besluit.
Voor de functie en de
hoogte van deze norm geldt het zelfde als bij de instroom. Daarbij speelt
niet alleen de bijzondere arbeidsmarktsituatie een rol, maar ook de
inrichting en uitvoering van het gemeentelijk beleid.
Het is aan de
toetsingscommissie om een oordeel uit te spreken over de achterliggende oorzaken
van afwijkingen van de uitstroom ten opzichte van het landelijk beeld.
Uitkeringshoogte,
gecorrigeerd voor de uitkeringsduur
Ook hier geldt dat zowel
de situatie op de arbeidsmarkt als de inrichting van het gemeentelijk
beleid een rol spelen en dat de hoogte van deze norm geen onnodige
barrière opwerpt.
Beoordelingsruimte
toetsingscommissie
De toetsingscommissie
heeft een eigen beoordelingsruimte bij het opstellen van een advies
voor het toekennen van een aanvullende uitkering aan gemeenten
waarbij de drie hiervoor genoemde parameters boven de norm uitkomen.
Dit betekent dus dat zowel de situatie op de arbeidsmarkt als het
eigen gemeentelijk beleid in het oordeel van de toetsingscommissie worden
betrokken. De toetsingscommissie betrekt aldus in haar oordeel ook
de inspanningen van de gemeente om niet boven de risicodrempel
uit te komen.
Het hangt van de
feitelijke situatie af welke inspanningen de toetsingscommissie zal beoordelen. Het kan
gaan om de lokale reïntegratieactiviteiten of fraudeaanpak, maar
ook om de manier waarop de gemeente gebruikt maakt
van wettelijke bevoegdheden en andere, in de specifieke casus,
relevante uitvoeringsaspecten die van invloed zijn of kunnen zijn op het
budgettekort.
Haar oordeel of de
specifieke situatie te wijten is aan het handelen van de gemeente
baseert de
toetsingscommissie primair op basis van de door de tekortgemeente
ingediende bescheiden en op het oordeel van IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.) zoals genoemd in artikel
74, vierde lid, van de Wwb. Indien en voor
zover de toetsingscommissie
daartoe de noodzaak heeft vastgesteld, kan zij het gemeentebestuur
uitnodigen haar verzoek nader toe te lichten.
Bij de beoordeling van de
score op de parameters "instroom" en "uitstroom" besteedt de
toetsingscommissie aandacht aan de mate waarin deze scores worden
bepaald door de in deze gemeente opgetreden uitzonderlijke
situaties. Voorbeelden van oorzaken van uitzonderlijke instroom:
• vestiging van een
asielcentrum binnen de gemeente;
• forse instroom in de
bijstand vanwege uitstroom uit de WW die op zijn beurt verklaard kan
worden uit een massaontslag in de voorliggende periode.
Ten
aanzien van de "uitstroom" laat de toetsingscommissie haar aandacht uitgaan naar de
vraagzijde van de lokale arbeidsmarkt, i.c. de werkgelegenheidsontwikkeling.
De toetsingscommissie
heeft de mogelijkheid om bij de beoordeling van de scores van de
tekortgemeente een vergelijking te maken met andere gemeenten. Onder
vergelijkbare gemeenten wordt in dit verband verstaan gemeenten die in
hetzelfde CWI-gebied [CWI: Centrum
voor werk en inkomen, red.] liggen (om zo regionale invloeden in haar oordeel
te kunnen betrekken) en die een bijstandsbudget per inwoner van 20 tot
en met 64
jaar hebben van vergelijkbare hoogte.
Oordeel IWI
De
minister laat zich bij
een beroep op een aanvulling van de uitkering op het inkomensdeel door
een gemeente adviseren door een toetsingscommissie. Tevens betrekt hij
daarbij het oordeel van IWI over de uitvoering van
deze wet.
Het oordeel van de
inspectie heeft betrekking op uitvoering en prestaties op het terrein
van reïntegratie en handhaving (rechtmatig en doelbereik van de
gemeentelijke uitvoering). Als de minister dit kader aanpast, bijvoorbeeld
door een onderscheid tussen kleine en grote gemeenten, heeft dat
uiteraard gevolgen voor de reikwijdte van het oordeel van de
toezichthouder.
IWI
baseert haar oordeel
zoveel mogelijk op bij de Minister van SZW beschikbare gegevens.
Alleen indien dat noodzakelijk is om tot een oordeel te komen, is
aanvullende gegevensuitvraag en/of onderzoek aan de orde.
Zo kan
IWI onder meer
beoordelen hoe de gemeente de wettelijke bevoegdheden,
bijvoorbeeld inzake terugvordering, heeft gebruikt. Ook kan IWI zich een oordeel
vormen over de inhoud en uitvoering van de verordeningen als bedoeld
in artikel 8 Wwb:
• het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in
artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, Wwb.
Hier zal tevens aandacht uitgaan naar de mate waarin de gemeente meer
heeft uitgegeven dan het toegekende budget werkdeel Wwb;
• het verlagen van de
algemene bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid,
Wwb;
• het verhogen en
verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30
Wwb.
Mede op basis van het
IWI-oordeel komt de toetsingscommissie tot haar advies aan de
Minister van SZW. Indien de aanvraag met bijlagen dan wel het IWI-oordeel
daartoe aanleiding geeft, kan de toetsingscommissie in overleg treden met de
betrokken tekortgemeente.
Regime voor de kleine
gemeenten (minder dan 40 000 inwoners)
In afwijking van
bovenstaande geldt voor de categorie kleine gemeenten het volgende
regime. De genoemde vormvoorschriften en de inhoudelijke
beoordelingscriteria zijn identiek aan het hierboven uiteengezette regime met één
uitzondering. Betreffende de toets in hoeverre het handelen van de
tekortgemeente mede de veroorzaker is van de ontstane tekortsituatie beziet de
toetsingscommissie in principe alleen of de gemeente de
wet rechtmatig heeft uitgevoerd. Indien het verslag over de uitvoering conform de
voorschriften is opgesteld en ingediend en er geen sprake is van ernstige
tekortkomingen, heeft de kleine gemeente aan dit criterium voldaan. Mocht
de door de gemeenten aangeleverde informatie een indicatie geven dat
het tekort ontstaan is door het gevoerde gemeentelijk beleid, dan kan
dit alsnog worden betrokken bij het oordeel van de toetsingscommissie.
De reden dat wordt
overgegaan tot het instellen van een lichter regime voor de kleine gemeenten
is gebaseerd op de veronderstelling dat voor deze categorie gemeenten
met name de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt als veroorzaker van een
optredend budgettekort kunnen worden aangewezen. Bij kleine gemeenten geldt dat een relatief geringe extra
instroom meteen een grote
impact heeft en daarmee het risico van een optredend budgettekort
verhoogt.
Relatie met de
verdeelsystematiek
De toetsingscommissie
heeft tot taak bij tekortgemeenten te kijken naar het gevoerde gemeentelijk
beleid en naar het effect van de lokale arbeidsmarkt. Dat laat
echter onverlet dat gemeenten ook tegen tekorten aan kunnen lopen als
gevolg van imperfecties in de verdeelsystematiek, i.c. de toepassing van
het objectieve en het historische verdeelmodel. Er is gekozen voor een gestage
ingroei van het objectief verdeelmodel voor de grote gemeenten, in
combinatie met een beleidsmatige indamming van ex-anteherverdeeleffecten. Daarnaast zal de komende jaren periodiek onderzoek worden verricht
teneinde het objectief verdeelmodel verder te verbeteren. Derhalve
zullen enkel tekorten die ontstaan door een uitzonderlijke
ontwikkeling op de lokale arbeidsmarkt worden gecompenseerd, mits adequaat
gemeentelijk beleid is gevoerd. Analyses van de toetsingscommissie zullen
worden betrokken bij het jaarlijks verder perfectioneren van het
objectief verdeelmodel.
Negatief advies
Het oordeel dat de
ontstane situatie het resultaat is van het handelen van de gemeente
leidt tot
een afwijzende beslissing. Ook indien de minister
de gemeente,
wegens een geconstateerde ernstige tekortkoming, een aanwijzing heeft
gegeven op grond van artikel 76, derde lid,
Wwb, bestaat geen recht op een
aanvullend budget. Indien de aanvraag om een aanvullend budget wordt
ingediend in of de beslissing daarop moet worden genomen tijdens de hoor-en-wederhoorperiode van
acht weken die aan het opleggen van een
aanwijzing voorafgaat, wordt de beslissing aangehouden tot zekerheid
bestaat of de aanwijzing gegeven wordt.
Hoogte aanvullende
uitkering
Indien de
toetsingscommissie van mening is dat de tekortgemeente in aanmerking komt voor een
aanvullende uitkering, dan is de hoogte van de aanvullende uitkering
gelijk aan het verschil tussen enerzijds de werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten en anderzijds de som van het toegekende budget en het eigen
risico (110% van de toegekende uitkering inkomensdeel). De toetsingscommissie
heeft derhalve geen discretionaire ruimte bij het bepalen van de
hoogte van de aanvullende uitkering. Onze
Minister wijkt slechts met redenen
omkleed af van het advies van de toetsingscommissie.
Oordeel minister
Binnen vier weken na
ontvangst van het IWI-oordeel legt de toetsingscommissie haar advies voor aan de
minister, die het besluit neemt. Een positief advies bevat een
berekening van de hoogte van het te verstrekken aanvullende budget, een
negatief advies bevat de overwegingen die de afwijzing van het verzoek
rechtvaardigen. Tegen de beslissing van de minister staat bezwaar en
beroep open op grond van de Algemene wet
bestuursrecht.
Werkdeel
Wwb 2004
1. Doelgroep
Op grond van artikel
69,
eerste lid, onderdeel a, Wwb verstrekt het
Rijk jaarlijks aan de gemeenten een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in
artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, Wwb. De doelgroep betreft
personen met een algemenebijstandsuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden
en personen met een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet. Met de Invoeringswet Wwb zijn de
Ioaw en Ioaz gewijzigd.
Artikel 34, eerste lid, Ioaw en artikel
34, eerste lid, Ioaz regelt dat de
gemeente verantwoordelijk is voor het ondersteunen van personen die een
uitkering ontvangen op grond van de Ioaw respectievelijk Ioaz bij
de arbeidsinschakeling. Artikel
59e,
eerste lid, Ioaw en artikel 59i, eerste lid,
Ioaz regelt dat de kosten van deze voorzieningen ten laste
komen van de uitkering als bedoeld in artikel
69, eerste lid, onderdeel a, Wwb. In
artikel 14 van de Invoeringswet Wwb is verder geregeld dat de
Wiw-dienstbetrekkingen, de Wiw-werkervaringsplaatsen en de
ID-banen
worden
opgevat als voorzieningen als bedoeld in artikel
7, eerste lid,
onderdeel a, Wwb. Dit betekent dat de financiering van de lopende verplichtingen gesubsidieerde arbeid alsmede de inzet
van voorzieningen gericht
op reïntegratie naar reguliere arbeid ten laste kunnen komen van het
macrobudget werkdeel Wwb.
2. Bestedingsrichting
werkdeel Wwb
De uitkering werkdeel
Wwb is bedoeld ter financiering van de ondersteuning bij de
arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep als hierboven omschreven. De
activiteiten dienen gericht te zijn op het aanbieden van een
voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op
arbeidsinschakeling. Op grond van artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de
Wwb is geregeld dat uitvoeringskosten niet mogen worden gefinancierd ten
laste van de uitkering werkdeel Wwb.
3. Macrobudget werkdeel Wwb
In de meerjarenbegroting
SZW zijn de volgende bedragen opgenomen voor de jaren 2004
tot en met 2007 (bedragen x €|1 miljoen):
| Jaar |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Macrobudget |
1562,6 |
1598,0 |
1616,3 |
1616,3 |
Het beschikbare
macrobudget 2004 is een samenvoeging van de bestaande budgetten voor
de Wiw-werkervaringsplaaten,
Wiw-dienstbetrekkingen,
Wiw scholing en activering en de ID-banen. De bij het Strategisch Akkoord
voorgenomen ombuigingen zijn in het macrobedrag verwerkt.
De hoogte van het
macrobudget 2004 is het bedrag zoals opgenomen in de begroting SZW
die in
september 2003 zal worden vastgesteld.
4. Verdeelsystematiek
werkdeel Wwb
In de memorie van
toelichting bij het wetsontwerp Wwb is de voorgenomen nieuwe verdeelsystematiek
(structurele situatie en overgangsregime) kort beschreven. In
afwijking van hetgeen is gesteld in de memorie van toelichting
zal het aldaar beschreven overgangsregime vanaf het uitvoeringsjaar
2005 van start gaan.
Voor
het uitvoeringsjaar 2004 zal het beschikbare macrobudget worden verdeeld op basis van de
procentuele aandelen van de gemeenten in het uitvoeringsjaar 2004. Dit
betekent dat voor dat jaar is gekozen voor een verdeelsystematiek welke
is gebaseerd op de status quo voor het jaar 2003.
In het onderstaande wordt
de berekeningswijze van de aandelen per gemeente
in het
macrobudget werkdeel Wwb 2004 beschreven.
Het aandeel van een
gemeente in 2004 is gelijk aan het aandeel van deze gemeente in het
totaal beschikbare budget in 2003.
Het macrobudget 2003
bestond uit vijf verschillende budgetten:
1. Wiw-normbudget;
2. Wiw-declaratiedeel
dienstbetrekkingen;
3. Wiw-declaratiedeel
werkervaringsplaatsen;
4. Wiw scholings- en activeringsbudget;
5. ID-budget.
Het aandeel voor een gemeente in 2003 wordt bepaald door de som van deze budgetten gedeeld
door het beschikbare macrobudget. Voor de budgetten 1, 4 en 5
komt dit neer op het optellen van de toegekende budgetten. Voor de
budgetten 2 en 3 dient een systematiek te worden gehanteerd welke het
macro beschikbare declaratiebudget toedeelt aan gemeenten. Dit is als
volgt gebeurd:
Toedeling declaratiedeel
Wiw-dienstbetrekkingen
Het budgetaandeel per
gemeente is gebaseerd op het aantal gerealiseerde
Wiw-dienstbetrekkingen
van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale
aantal gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen in het jaar 2002 - gemiddelde stand over dat jaar
op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te
vermenigvuldigen met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget
declaratiedeel Wiw-dienstbetrekkingen.
Toedeling declaratiedeel
Wiw-werkervaringsplaatsen
Het budgetaandeel per
gemeente is gebaseerd op het aantal Wiw-werkervaringsplaatsen
van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale
aantal Wiw-werkervaringsplaatsen in het jaar 2002 - gemiddelde stand over
dat jaar op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te vermenigvuldigen met het
voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel
Wiw-werkervaringsplaatsen.
Beide op bovenstaande
wijze berekende budgetaandelen zijn opgeteld bij de overige
deelbudgetten om het totale budget van een gemeente
in 2003 te berekenen.
5. Openbare lichamen
De
Wgr-samenwerkingsverbanden die door het ministerie zijn aangemerkt als de entiteiten aan wie
de deelnemende gemeenten de volledige verantwoordelijkheden en
bevoegdheden betreffende artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
Wwb intergraal hebben overgedragen, ontvangen één uitkering. De hoogte van
deze uitkering is gelijk aan de som van de uitkeringen van de aan
het Wgr-samenwerkingsverband deelnemende gemeenten. In
tegenstelling tot de verdeelsystematiek inkomensdeel Wwb
wordt bij de
verdeelsystematiek werkdeel Wwb immers geen onderscheid gemaakt naar
gemeentegrootteklassen.
6. Meeneem- en
voorschotregeling werkdeel
In artikel
70, derde lid, Wwb is geregeld dat een positief verschil tussen de uitkering werkdeel en
de rechtmatig gemaakte kosten - i.c. de nettobetalingen (saldo
van uitgaven en inkomsten) en op basis van het kasstelsel - terugvloeit naar het
Rijk. In de memorie van toelichting bij de Wwb
is opgenomen dat de gemeente het overschot op het werkdeel tot een nader te regelen
maximum mag meenemen naar het volgende begrotingsjaar, omdat
niet alle lopende verplichtingen in het begrotingsjaar leiden tot kosten in
hetzelfde begrotingsjaar. Een meeneemregeling biedt een bepaalde
zekerheid dat gemeenten kosten die voortvloeien uit
financiële verplichtingen die zijn aangegaan in het voorafgaande
uitvoeringsjaar kunnen financieren. Daarnaast wenst het Rijk de gemeenten de
mogelijkheid te bieden om in het lopend begrotingsjaar een voorschot te nemen op
de middelen die in het komende begrotingsjaar zullen
worden toegekend. Op deze wijze wordt de gemeente financieel in
staat gesteld om te variëren in de beleidsinspanningen tussen de jaren.
Eénzelfde percentage
voor meeneem- en voorschotregeling
Bij de meeneemregeling
van het scholings- en activeringsbudget op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden hebben gemeenten vanwege ruime
budgetoverschotten nooit gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het
nemen van een voorschot op het volgende begrotingsjaar. Bij deze regeling was er
sprake van éénzelfde maximumpercentage dat gold voor zowel het
meenemen naar een volgend jaar als het opnemen van een
voorschot op het volgende jaar. Deze lijn wordt voortgezet in de Wwb. Er
is voor gekozen om éénzelfde percentage vast te stellen voor zowel de
meeneem- als de voorschotregeling vanwege de grote samenhang, het
eenvoudig houden van de regeling en gelet op de dereguleringsdoelstelling.
Hoogte percentages
meeneem- en voorschotregeling
• Het percentage van
het budget (t) dat mag worden meegenomen naar het uitvoeringsjaar (t+1)
is vastgesteld op 75% van het toegekende budget (t).
• Het percentage dat in
het uitvoeringsjaar (t) mag worden onttrokken aan het budget (t+1) is
vastgesteld op 75% van het toegekende budget (t).
Hiermee is invulling
gegeven aan de ingediende en door de Kamer aangenomen motie over de
verruiming van de meeneemregeling (Kamerstukken
II 28 870, nr. 82). Motie
nr. 82 betreft een meeneemregeling waarbij de gemeente
wordt toegestaan
om een budgetoverschot tot maximaal 25% van het toegekende budget
voor een periode van drie jaar mee te nemen. Een dergelijke invulling
is uitvoeringstechnisch niet te prefereren aangezien deze gepaard
gaat met een verzwaring van de administratieve lasten voor gemeenten.
Bovenstaande invulling kent geen administratieve lastenverzwaring en is
qua strekking identiek aan de aangenomen motie.
Voor de voorschotregeling
geldt eenzelfde percentage. De grondslag voor het percentage van
de voorschotregeling is het toegekende budget van het lopende
uitvoeringsjaar. Dit biedt de gemeente de gelegenheid om bij het opstellen van
de gemeentelijke begroting exact het maximale bedrag van de meeneemregeling te kunnen bepalen. Dit is niet het geval
indien de grondslag voor
het percentage zou worden gebaseerd op het budget voor het volgend
uitvoeringsjaar aangezien dat budget op dat moment nog niet bekend
is.
Indien
gemeenten zich niet of niet tijdig verantwoorden over de uitgaven met betrekking
tot de uitkering voor het werkdeel, wordt de toegekende uitkering - blijkt uit
artikel 3, derde lid - volledig teruggevorderd. De reden voor deze
bepaling is dat de minister de uitkeringen vooraf vaststelt, waarna
hij zonder een dergelijke bepaling geen titel heeft voor terugvordering van
de uitkering als gemeenten zich niet verantwoorden over de bestedingen.
Aangezien de minister met het oog op zijn eigen verantwoording aan
het parlement over de bestede middelen over deze informatie moet
kunnen beschikken, is het noodzakelijk dat gemeenten de informatie
aanleveren, dan wel dat de uitkering kan worden teruggevorderd
indien zij dit niet (tijdig) doen. Mocht gelet op alle omstandigheden volledige
terugvordering naar het oordeel van de minister tot een onbillijkheid van overwegende aard
leiden, dan kan de
minister de
terugvordering op een lager percentage vaststellen.
Adreslozen
Artikel
40, eerste lid,
van de Wwb regelt jegens welke gemeente
de belanghebbende zijn
aanspraak op bijstand geldend kan maken. Het eerste lid van dat
artikel bevat tevens de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen dat de uitvoering van die wet ten aanzien van personen die
niet beschikken over een adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geconcentreerd wordt bij
een beperkt aantal bij die maatregel aan te wijzen gemeenten. Deze
facultatief geformuleerde delegatiebepaling wordt hierbij ingevuld.
Met ingang van 1 januari 1999 is het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid
(Besluit van 7 oktober 1998, Stb. 1998, 614) ¹ in werking getreden. In de
bijlage
onder A van voornoemd besluit is een opsomming gegeven van
gemeenten waaraan een uitkering voor maatschappelijke opvang
wordt verstrekt.² Deze gemeenten worden ook aangewezen als gemeenten
die bijstand verlenen aan adreslozen. Op deze manier vindt aansluiting
plaats tussen enerzijds de maatschappelijke opvang van adreslozen en
anderzijds de bijstandverlening.
In artikel 11, tweede
lid, van het besluit is vastgelegd dat de bijstand wordt verleend door
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de adresloze zich op het
moment van zijn aanvraag bevindt. Met deze opzet is een zeer
feitelijk criterium gekozen. De bijstand aan de adresloze moet immers veelal
snel
en in ieder geval met beoordeling van de feitelijke toestand
worden verleend.
1. Nadien gewijzigd bij
Besluit van 12 februari 2000, Stb. 2000,
94, Besluit van 13 oktober 2000, Stb. 2000, 469, Besluit van 10 april 2001,
Stb. 2001, 215 en Besluit van 14 september 2001, Stb.
2001, 415.
[2. Het betreft de volgende gemeenten:
Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen,
Bergen op Zoom, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Deventer,
Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen,
Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden,
Maastricht, Nijmegen, Oss, Purmerend, Rotterdam, Spijkenisse, Tilburg,
Utrecht, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad en Zwolle, red.]
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|