|
BESLUIT van 16 augustus
2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand
(Besluit Wwb 2007)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/ 06/54989;
Gelet op de artikelen
40,
eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid,
73, derde
lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;
De Raad van State
gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus
2006, nr. W&B/SFI/06/62412;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a.
wet: Wet werk en bijstand;
b.
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c.
Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d.
Bbz 2004: Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004;
e.
WIJ: Wet investeren in jongeren; ¹
f.
uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 69,
eerste lid, van de wet, inclusief een uitkering
voor de kosten van de door het college toegekende algemene bijstand aan
zelfstandigen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, van het Bbz
2004;
g.
gemeentelijke lasten op grond van de Wwb: de
lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de
Financiële-verhoudingswet,
in verband met de door het college toegekende algemene bijstand op grond
van de wet, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de
referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar
behoort, in de gemeente op 1 januari van het
jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld,
gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1
januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld;
h.
gemeentelijke lasten op grond van de WIJ: de lasten in het jaar twee
jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld,
volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a,
eerste lid, van de
Financiële-verhoudingswet,
in verband met de door het college toegekende inkomensvoorzieningen op
grond van de WIJ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de
referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar
behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het
jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal
dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee
jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;
i.
gemeentelijke lasten op grond van de Ioaw: de lasten in het jaar twee jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld,
volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a,
eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet,
in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor
uitkeringen op grond van de Ioaw,
vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon
tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de
gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke
huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;
j.
gemeentelijke lasten op grond van de Ioaz: de lasten in het jaar twee jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld,
volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a,
eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet,
in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor
uitkeringen op grond van de Ioaz,
vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon
tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de
gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke
huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;
k.
gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004: de lasten in
het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt
vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 17a,
eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet,
in verband met de door het college toegekende algemene bijstand verleend
aan zelfstandigen als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz 2004,
vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon
tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de
gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke
huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar
voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld;
l.
toetsingscommissie: de toetsingscommissie Wet werk en bijstand, bedoeld
in artikel 73 van de
wet.
1. Volgens de redfactie
dient onderdeel e te vervallen, onder verlettering van de
onderdelen f tot en met l tot onderdelen e tot en
met k.
§ 2.
Uitkering
Art. 2.
Vervallen.
Art. 3.
Vervallen.
Art. 4.
Berekening
bedrag uitkering en inwonertal gemeenten
-1. De
uitkering voor een gemeente wordt berekend aan
de hand van de volgende formule:
U = (G / TG) x (TBWwb
+ TBIoaw
+ TBIoaz
+ TBBbz
+ TBMAU)
waarbij:
a.
U de uitkering voor de gemeente is;
b.
G de budgetgrondslag is van de gemeente;
c.
TG het totaal van de budgetgrondslagen is voor alle gemeenten samen;
d.
TBWwb
het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand;
e.
TBIoaw
het totale bedrag is dat beschikbaar is voor uitkeringen op grond van de
Ioaw;
f.
TBIoaz
het totale bedrag is dat beschikbaar is voor uitkeringen op grond van de
Ioaz;
g.
TBBbz
het totale bedrag is dat beschikbaar is voor algemene bijstand ten
behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz
2004;
h.
TBMAU
het totale bedrag is dat in een jaar nodig is voor de meerjarige
aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c.
-2. De budgetgrondslag wordt verschillend berekend
voor gemeenten met:
a. 25 000 of minder
inwoners;
b. meer dan 25 000 en
minder dan 40 000 inwoners;
c. 40 000 of meer
inwoners.
-3. Voor de vaststelling
van het aantal inwoners, bedoeld in het tweede lid, geldt als peildatum
1 januari van het
jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.
-4. Het aantal inwoners
wordt ontleend aan de statistiek "Demografische kerncijfers per
gemeente" van het Centraal bureau voor de
statistiek.
-5.
Het totale bedrag dat in een kalenderjaar nodig is voor meerjarige
aanvullende uitkeringen, bedoeld in artikel 10c,
wordt in mindering gebracht op de uitkering aan gemeenten
waarvan de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel
6 of artikel 7. Het bedrag dat in mindering wordt
gebracht, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
B = TBMAU
* [(m * U) / som(m * U)]
waarbij:
a.
B het bedrag is dat van de uitkering aan een gemeente met meer dan 25
000 inwoners wordt afgetrokken;
b.
TBMAU
het bedrag is dat in één jaar aan meerjarige aanvullende uitkeringen
wordt uitgekeerd;
c.
m is:
1º.
1, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond van artikel
7; of
2º.
het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25 000 en vervolgens
gedeeld door 15 000, indien de budgetgrondslag wordt berekend op grond
van artikel 6;
d.
U de uitkering voor de gemeente is;
e.
Som(m * U) de optelsom is van (m * U) van alle gemeenten met meer dan 25
000 inwoners.
Art. 5.
Berekening
budgetgrondslag kleine gemeenten
Voor gemeenten met 25 000 inwoners of minder is
de budgetgrondslag gelijk aan de som van de gemeentelijke lasten op
grond van de Wwb, de gemeentelijke lasten op
grond van de WIJ, de gemeentelijke lasten op grond van de Ioaw,
de gemeentelijke lasten op grond van de Ioaz
en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz
2004.
Art. 6.
Berekening
budgetgrondslag middelgrote gemeenten
Voor gemeenten
met meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners wordt de
budgetgrondslag bepaald aan de hand van de volgende formule:
G = m x O + (1 - m) x (KWwb
+
KWIJ
+ KIoaw
+ KIoaz
+ KBbz)
waarbij:
a.
G de budgetgrondslag van de gemeente is;
b.
m het aantal inwoners in de gemeente is, verminderd met 25 000 en
vervolgens gedeeld door 15 000;
c.
O de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de wet, zijn,
vermeerderd met de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand
ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz
2004;
d.
KWwb de gemeentelijke
op grond van de Wwb zijn;
e.
KWIJ
de gemeente lasten op grond van de WIJ zijn;
f.
KIoaw
de gemeentelijke lasten op grond van de Ioaw
zijn;
g.
KIoaz
de gemeentelijke lasten op grond van de Ioaz
zijn;
h.
KBbz
de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 zijn.
Art. 7.
Berekening
budgetgrondslag grote gemeenten
Voor gemeenten
met 40 000 inwoners of meer is de budgetgrondslag gelijk aan de
objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de wet, vermeerderd met
de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand ten behoeve van
startende ondernemers op grond van het Bbz
2004.
Art. 8.
Objectief
verdeelmodel en macrobudget
-1. Aan
de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage
bij dit besluit worden de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de wet, en voor
algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het
Bbz 2004 vastgesteld.
-2.
Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten
betreft: TBWwb
+ TBIoaw
+ TBIoaz
+ TBBbz.
-3.
Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor de verdeelmaatstaven in
de bijlage bij dit besluit de peiljaren, de
peildata en de gewichten vastgesteld.
[RW]
-4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor artikel
4, eerste lid, artikel 5, artikel 6,
artikel 7 en het objectief verdeelmodel, dat is
opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter
voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.
Art.
8a. Te late indiening verantwoordingsinformatie
-1. Indien
van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening
met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in
artikel 58a, eerste lid, van het Besluit
begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze
betrekking heeft op de uitvoering van de wet,
de WIJ, de Ioaw, de Ioaz
en het Bbz 2004 over het jaar twee
jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld,
en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is
ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar
waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van de
artikelen 4, eerste lid, 5 en 6,
onderdeel c, voor de gemeentelijke lasten op grond van de Wwb,
de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ, de gemeentelijke lasten op
grond van de Ioaw, de gemeentelijke lasten op grond van de Ioaz en de
gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar
drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt
vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de
prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume.
-2.
Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing
van het eerste lid vastgelegd.
Art.
8b. Gemeenschappelijke regelingen
-1. Indien artikel
8b van de wet
onderscheidenlijk artikel 10 van de WIJ,
artikel 40 van de Ioaw
en artikel
40 van de Ioaz
van toepassing is, kan voor de
toepassing van de artikelen 4, eerste lid, 5
en 6 voor:
a. de gemeentelijke lasten op grond
van de Wwb;
b. de gemeentelijke lasten
op
grond van de WIJ;
c. de gemeentelijke lasten
op
grond van de Ioaw;
d. de gemeentelijke lasten
op
grond van de Ioaz;
en
e. de gemeentelijke lasten
op
grond van het Bbz 2004;
de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam
heeft verantwoord over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld. De eerste zin is slechts van toepassing
indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig artikel 34a
van de Wet
gemeenschappelijke regelingen.
-2. Indien van een openbaar lichaam de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze
betrekking heeft op de uitvoering van de wet,
de WIJ, de Ioaw, de Ioaz en het Bbz 2004 over het jaar dat twee jaar voorafgaat
aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij
behorende verklaring van de accountant door Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
niet is ontvangen uiterlijk op 15
augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering
wordt vastgesteld, is artikel 8a van
overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt voor de ontbrekende
informatie uitgegaan van de verantwoordingsinformatie van het openbaar
lichaam over het jaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarover de
uitkering wordt vastgesteld, indien die verantwoordingsinformatie door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
ontvangen.
§
3. Incidentele en meerjarige aanvullende uitkering
Art. 9.
Toetsingscommissie
De toetsingscommissie
bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister
benoemt de voorzitter en de leden, die tevens door
hem kunnen worden geschorst en ontslagen.
Art. 10.
Verzoek incidentele aanvullende uitkering
-1. Een incidentele aanvullende
uitkering wordt slechts toegekend, voor zover:
a. voldaan is aan bij
ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;
b. de gemaakte kosten, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de wet, de verstrekte
uitkering met minimaal 10% overstijgen;
c. de uitkomst van de
beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan
alsmede de rechtmatige
uitvoering van de wet daartoe aanleiding geeft.
-2. De toetsingscommissie
beoordeelt of een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering voldoet aan de
in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een
gemeente in
aanmerking komt voor een incidentele aanvullende uitkering, is de hoogte van deze
uitkering gelijk aan het verschil tussen de werkelijk gemaakte kosten
als bedoeld in artikel 69, eerste
lid, van de wet
en 110% van de verstrekte uitkering.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid, onderdeel b en c, en het tweede lid, waarbij voor gemeenten tot
maximaal 40 000 inwoners een afwijkende invulling kan worden gegeven van
het eerste lid, onderdeel c.
-4. Een verzoek tot een incidentele
aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien:
a. Onze Minister een aanwijzing als
bedoeld in artikel 76, derde lid, van de
wet heeft gegeven; of
b. in elk van de drie kalenderjaren
voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft de
gemaakte kosten de verstrekte uitkering met minimaal het in artikel
10a, eerste lid, onderdeel c, bedoelde percentage overstijgen.
-5. Het vierde lid, onderdeel b, is
niet van toepassing op gemeenten:
a. waarvoor de budgetgrondslag in ten minste één van de drie
kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarop het verzoek
betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 5;
of
b. wier verzoek tot een meerjarige
aanvullende uitkering is afgewezen vanwege het enkele feit dat niet is
voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 10a,
eerste lid, onderdeel e.
-6. Het vierde lid, onderdeel b, is
evenmin van toepassing op gemeenten wier verzoek tot een meerjarige
aanvullende uitkering is afgewezen vanwege het feit dat het tekort niet
is veroorzaakt door een stoornis in het objectief verdeelmodel. De
incidentele aanvullende uitkering kan in dit geval jaarlijks worden
aangevraagd voor de kalenderjaren waarop het verzoek tot een meerjarige
aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10a,
tweede lid, betrekking had.
Art.
10a. Verzoek meerjarige aanvullende uitkering
-1. Tot een inhoudelijke beoordeling van
een verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering wordt overgegaan
nadat de toetsingscommissie heeft vastgesteld dat:
a. voldaan is aan bij ministeriële
regeling te stellen vormvoorschriften;
b. de budgetgrondslag over elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan
het kalenderjaar waarin het verzoek tot een meerjarige aanvullende
uitkering wordt ingediend, berekend is op grond van artikel
6 of artikel 7;
c. in elk van de drie kalenderjaren
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in
onderdeel b, wordt ingediend de gemaakte kosten, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de wet, de verstrekte
uitkering met minimaal 2,5% plus een bij ministeriële regeling vast te
stellen percentage voor elk van die drie kalenderjaren overstijgen;
d. het aannemelijk is dat een
overstijging als bedoeld in onderdeel c niet geheel het gevolg is
van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
e. het aannemelijk is dat een
overstijging als bedoeld in onderdeel c zich zal voordoen in het
kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt
ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren;
f. het college een analyserapport
heeft opgesteld over de mogelijke oorzaken van de overstijgingen,
bedoeld in onderdeel c, en een overzicht heeft toegevoegd van de
genomen en eventueel nog te treffen maatregelen ter verbetering van het
gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
g. de gemeenteraad heeft ingestemd
met indiening van het verzoek, bedoeld in onderdeel b.
-2. De meerjarige aanvullende uitkering
ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende
kalenderjaren.
-3. Indien de toetsingscommissie van
oordeel is dat niet voldaan is aan de vereisten, genoemd in het eerste
lid, adviseert de toetsingscommissie Onze
Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen.
Art.
10b. Beoordeling kwaliteit gemeentelijke uitvoering
-1. In verband met de beoordeling van het
verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering, bedoeld in artikel
10a, schakelt de toetsingscommissie de Inspectie
Werk en Inkomen in om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke
oorzaken van de overstijging van de kosten, bedoeld in artikel
10a, eerste lid, onderdeel c, en de maatregelen die
het betrokken college treft om de overstijging in de toekomst te
voorkomen.
-2. Indien naar het oordeel van de
toetsingscommissie het meerjarig tekort op grond waarvan het college om
een aanvullende uitkering verzoekt mede het gevolg is van het
gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan, adviseert de
toetsingscommissie Onze Minister de
gevraagde meerjarige aanvullende uitkering slechts toe te kennen indien
de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de
toetsingscommissie toereikend zijn en blijkt dat de gemeenteraad met
deze maatregelen heeft ingestemd.
-3. Indien de toetsingscommissie van
oordeel is dat het tekort geheel het gevolg is van het gemeentelijk
beleid of de uitvoering daarvan, adviseert de toetsingscommissie Onze
Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen.
Art.
10c. Hoogte meerjarige aanvullende uitkering
-1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder:
a. overstijging: de overstijging,
bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c;
b. verzoek: het verzoek, bedoeld in artikel
10a, eerste lid, onderdeel b.
-2. De meerjarige aanvullende uitkering
bestaat uit drie delen: U(1), U(2) en U(3), waarbij:
a. U(1) staat voor het deel van de
meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar waarin het
verzoek wordt ingediend;
b. U(2) staat voor het deel van de
meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar waarop U(1) ziet;
c. U(3) staat voor het deel van de
meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op
het kalenderjaar waarop U(2) ziet.
-3. De hoogte van U(1), U(2)
respectievelijk U(3) is gelijk aan:
(A - B) x m
waarbij:
a. A staat voor de werkelijk
gemaakte kosten in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van
de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft;
b. B staat voor:
1º. 102,5% plus een bij ministeriële
regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de
overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de
uitvoering daarvan;
2º. 105% plus een bij ministeriële
regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de
overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en
de uitvoering daarvan; dan wel
3º. 107,5% plus een bij ministeriële
regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de
overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijke
beleid en de uitvoering daarvan;
c. m staat voor:
1º. 1, indien de budgetgrondslag in het
kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige
aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op grond van artikel
7; dan wel
2º. het aantal inwoners in de gemeente,
verminderd met 25 000 en vervolgens gedeeld door 15 000, indien de
budgetgrondslag in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van
de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op
grond van artikel
6.
-4. De in het derde lid bedoelde uitkering
is ten minste gelijk aan het verschil tussen A en 110% van de over het
betreffende kalenderjaar toegekende uitkering als bedoeld in artikel
69 van de wet.
-5. Onze Minister
kan van het derde lid afwijken voor zover toepassing gelet op het belang
dat de artikelen 10a,
10b en 10d beogen te
beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
10d. Aanpassing berekeningen meerjarige aanvullende uitkering
Bij een wijziging van de gemeentelijke
indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet
algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de
berekeningen op grond van de artikelen 10a,
eerste lid, onderdeel c, en 10c worden
uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de
toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op
de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan.
§ 4.
Overige en
slotbepalingen
Art. 11.
Adreslozen
-1. Voor de verlening van
bijstand op grond van de wet aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de
Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden
aangewezen:
a. de gemeenten opgenomen
in de bijlage, onder A, van het bijlage,
onder A, van het Besluit maatschappelijke
ondersteuning; en
b. de centrumgemeenten
voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid,
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het
Besluit brede doeluitkering sociaal,
integratie en veiligheid.
-2. De bijstand, bedoeld
in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment
van zijn aanvraag
bevindt.
Art.
11a. Vervallen.
Art. 12.
Het Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz
In de artikelen 2 en 3
van het Besluit uitkeringen gemeenten Ioaw
en Ioaz wordt "2003" telkens vervangen door: 2004.
Art. 13.
Intrekking
Besluit Wwb
Het Besluit Wwb wordt
ingetrokken.
Art.
13a. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen vier jaar na de
inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b,
10c en 10d aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
deze artikelen in de praktijk.
Art. 14.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2007.
Art. 15.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit Wwb 2007.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 16
augustus 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
augustus 2006
De Staatssecretaris van
Justitie,
J.P.H. Donner
BIJLAGE
behorende
bij artikel 8 van het Besluit Wwb 2007
Objectief
verdeelmodel
Bij de berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger
dan 65 jaar wordt voor elke gemeente een budgetgrondslag berekend. Voor
de gemeenten met 25 000 inwoners of minder is dit het historisch
bepaalde budget: de lasten, opgeschaald met de groei in huishoudens. Bij de
berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger dan 65
jaar voor gemeenten met meer dan 25 000 inwoners (artikelen 6 en
7) wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten. Deze objectieve gemeentelijke
uitkeringskosten worden,
op grond van artikel 8, eerste lid, vastgesteld aan de hand van een
zogenoemd objectief verdeelmodel. Dit objectief verdeelmodel is opgenomen
in deze bijlage.
Voor gemeenten tussen de 25 000 en 40 000 inwoners worden de budgetten niet geheel
vastgesteld op basis van de uitkomsten van het objectieve verdeelmodel.
Voor deze categorie wordt zowel het historisch als het objectief
bepaalde budget berekend. De budgetgrondslag voor deze categorie wordt
vervolgens vastgesteld als een gewogen gemiddelde van deze twee budgetten,
waarbij het gewicht afhankelijk is van het aantal inwoners boven de 25 000.
De budgetgrondslagen
worden voor alle gemeenten opgeteld. Door voor elke gemeente de
grondslag te delen door het totaal van de grondslagen wordt het
aandeel dat de gemeente heeft in het macrobudget bepaald.
De objectieve
uitkeringskosten van gemeenten met meer dan 25 000 inwoners worden
vastgesteld met behulp van veertien verdeelmaatstaven met bijbehorende
bedragen.
Onderdeel A van deze
bijlage geeft informatie over de verdeelmaatstaven:
- een beschrijving van
de verdeelmaatstaven;
- de bron die per
gemeente het aantal eenheden per verdeelmaatstaf levert (onder eenheid
wordt de meeteenheid verstaan waarin de verdeelmaatstaf wordt uitgedrukt, zoals
percentage, aandeel e.d.); ¹
- het peiljaar waarop
dit aantal betrekking heeft en
de gewichten per verdeelmaatstaf
worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
Onderdeel B geeft aan hoe
het beleidsmatig indammen van herverdeeleffecten plaatsvindt.
1. In de tabel die in
onderdeel A is opgenomen, staan de eenheden tussen
haakjes vermeld.
Berekeningswijze
objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten
Het bedrag aan objectief
vastgestelde uitkeringskosten van een gemeente ten behoeve van
personen jonger dan 65 jaar wordt verkregen door eerst de kosten per
huishouden van de gemeentelijke bevolking (waarvan de
referentiepersoon ¹ een leeftijd heeft van 15 tot en met 64 jaar) te bepalen en
daarna deze kosten te vermenigvuldigen met het aantal huishoudens van de
gemeente van 15 tot en met 64 jaar.
De kosten per huishouden
worden berekend door het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor
die gemeente te vermenigvuldigen met het gewicht per eenheid. Als
bijvoorbeeld de bevolking van gemeente X van 15 tot en met 64 jaar
voor 28,2% bestaat uit huishoudens met een laag inkomen, dan wordt
dit getal (28,2 = het aantal van de eenheid) vermenigvuldigd met het bij deze verdeelmaatstaf genoemde gewicht. Zo wordt voor elke verdeelmaatstaf het voor gemeente X geldend aantal eenheden vermenigvuldigd
met het bijbehorende
gewicht per eenheid. De optelling van de resulterende bedragen
geeft, met de toevoeging van een basisbedrag, de objectief vastgestelde
uitkeringskosten per huishouden (van 15 tot en met 64 jaar) van gemeente
X. Het basisbedrag is het
bedrag dat voor iedere gemeente met meer dan 25 000 inwoners dezelfde
waarde heeft.
1. Hiermee wordt
aangesloten bij de definitie van het CBS.
A. Verdeelmaatstaven
Het schema geeft de
verdeelmaatstaven weer en de factoren op basis waarvan de eenheden van
die verdeelmaatstaven worden vastgesteld. Zo staat bijvoorbeeld niet
alleen de verdeelmaatstaf "lage
inkomens" vermeld, maar ook "huishoudens van 15-64 jaar met
inkomen" om het aantal in de bij deze
verdeelmaatstaf behorende eenheid, "het percentage van huishoudens van 15-64
jaar met inkomen", te kunnen uitdrukken.
Tabel 1.
Gegevensdefinities verdeelmodel voor de 25 000+-gemeenten:
| Verdeelmaatstafxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xBronx |
| Sociale en demografische
structuur |
| 1. Lage inkomens 15-64
jaar (in % van de huishoudens van 15-64 jaar met inkomen) ¹ |
CBS |
| 2.
Eenouderhuishoudens
van 15-44 jaar (in % van huishoudens van 15-64
jaar) |
CBS |
| 3.
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: Wet WIA, WAO, Wet
Wajong en
WAZ (in % van inwoners
van 15-64 jaar) |
CBS |
| 4. Totaal allochtonen van
15-64 jaar (in % van alle inwoners van 15-64
jaar) |
CBS |
| 5. Laagopgeleiden 15-64
jaar (in % van inwoners van 15-64 jaar) ² |
CBS |
| Centrumfunctie en
stedelijkheid |
| 6. Huurwoningen (in % van
het totaal aantal woningen) |
CBS |
| 7. Relatief regionaal
klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in %
van het aantal inwoners) |
CBS |
| 8. Inwoners stedelijk
gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000
omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het
aantal inwoners) |
CBS |
| Conjunctuur en
economische structuur |
| 9. Werkzame
beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking) ² op COROP-niveau |
CBS |
| 10. Banen handel en
horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) |
CBS |
| 11. Procentuele
gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio ² |
CBS |
| 12. Aantal banen in
COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) |
CBS |
| 13.
Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15-64 jaar |
CBS |
| Overig |
| 14. Vaste voet per
huishouden van 15-64 jaar |
[APE,
red.] |
| Overige
berekeningsgegevens |
| Totaal aantal inwoners |
CBS |
| Aantal huishoudens 15-64
jaar |
CBS |
1. Ongewogen
driejaarsgemiddelde van het percentage lage inkomens.
2. Driejaarsgemiddelde.
Vaststelling aantal
eenheden per verdeelmaatstaf
1. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke kosten voor bijstand en uitkeringen
inkomensvoorzieningen, bedoeld in artikel
8,
worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die hierboven zijn
omschreven. De budgetberekening geschiedt op grond van de cijfers zoals
die op 15 augustus bij het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar zijn. Indien deze
cijfers na deze datum nog wijzigen om andere
redenen dan evidente fouten (bijvoorbeeld door toepassing van een
alternatieve meetmethode of nagekomen informatie), dan zullen de budgetten hiervoor niet worden aangepast.
2. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten wordt het aantal eenheden
per verdeelmaatstaf ontleend aan de opgave van het als bron vermelde
orgaan of de vermelde instantie.
3. Bij vaststelling
van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf gaat de minister
uit van de op het moment van vaststelling door het parlement
goedgekeurde indeling van gemeenten
voor het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.
4. Bij verandering
van de gemeentelijke indeling voor het jaar waarvoor de uitkering wordt
vastgesteld na het moment van vaststelling van de uitkering stelt de minister
voor de nieuwe gemeenten het aantal eenheden vast op basis van een
redelijke schatting van de toestand zoals die op het moment van
vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die
datum reeds was ingegaan.
De bedragen per eenheid voor het model voor de gemeenten
met meer dan 25.000 inwoners worden jaarlijks bij ministeriële regeling
vastgesteld.
B. Beleidsmatig indammen
herverdeeleffecten
Gebruik
van een objectief verdeelmodel in plaats van een model gebaseerd op
historische lasten
leidt tot herverdeeleffecten. Een herverdeeleffect
is gedefinieerd als het verschil tussen het objectief budgetaandeel en
het historisch budgetaandeel. Van herverdeeleffecten kan derhalve alleen
sprake zijn bij
gemeenten
die via het objectief verdeelmodel worden gebudgetteerd. Dit betreft dus
de grote gemeenten en in beperkte mate de middelgrote gemeenten.
Herverdeeleffecten zijn ook beoogd: gemeenten
die goed presteren, worden hiervoor beloond en gemeenten die het minder
goed doen, voelen de financiële gevolgen hiervan.
De
ex-ante-inperking van
de herverdeeleffecten is op maximaal 7,5% bepaald:
- Voor
gemeenten
met een herverdeeleffect groter dan 10% is de grenswaarde 7,5%.
- Voor gemeenten met een herverdeeleffect tussen 5% en 10% is de
grenswaarde gelijk aan 5% plus de helft van het verschil tussen het
herverdeeleffect en 5%.
- Voor gemeenten met een herverdeeleffect kleiner dan 5% is de
grenswaarde 5%.
Dit betekent dat het verschil tussen het
historische aandeel en het objectieve aandeel van een gemeente in het
budget (in absolute zin) niet groter mag zijn dan de grenswaarde maal
het objectieve aandeel. Voor gemeenten waar dat verschil groter is,
wordt het objectieve budgetaandeel naar boven of naar beneden bijgesteld
zodat wel aan deze randvoorwaarde voldaan wordt. Deze aanpassing
geschiedt met behulp van een algoritme zodat ook na deze rekenslag nog
steeds 100% van het macrobudget verdeeld wordt.
NOTA
VAN TOELICHTING
[16 augustus 2006]
Inleiding
In het
onderhavige besluit worden regels gesteld ten aanzien van de volgende
onderdelen van de Wet werk en bijstand (Wwb):
- berekening van de verschillende
onderdelen van het inkomensdeel (artikel 69, tweede en derde lid,
Wwb);
- taak van de toetsingscommissie,
voorwaarden waaronder een verzoek bij de toetsingscommissie kan worden
ingediend alsmede criteria op grond waarvan de toetsingscommissie een
verzoek beoordeelt (artikel 73, derde lid, en
artikel 74, derde lid, Wwb);
- berekening van het werkdeel (artikel
69, tweede lid, Wwb);
- terugvordering van het overschot
van het werkdeel (meeneemregeling) (artikel 70, derde lid,
Wwb);
- uitvoering van de Wwb
ten aanzien
van personen die niet beschikken over een adres als bedoeld in artikel 1
van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (artikel
40, eerste lid, Wwb).
Ten slotte wordt het Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz in technische zin aangepast.
Onderhoudstraject
Ten behoeve van
het onderhoud van de verdeelmodellen is een onderhoudstraject
ontwikkeld. Doelstelling van onderhoud is de kwaliteit van de verdeelmodellen
Wwb te waarborgen en zo mogelijk te verbeteren. Het onderhoudstraject
biedt gemeenten en parlement de garantie dat extreme uitkomsten
van de verdeelmodellen onderzocht en bekeken worden en daarmee dat de
uitkomsten voor gemeenten beter herkenbaar zijn.
De suggesties van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal en van gemeenten zijn gebruikt
als uitgangspunt voor de analyses die gedaan zijn in het kader van het
onderhoudstraject gericht op 2007. Het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) heeft vele externen betrokken bij het
onderhoudstraject. De Werkgroep onderhoudstraject verdeelmodellen Wwb
2007
heeft geadviseerd over de opzet en uitvoering
van het
onderzoek. In deze werkgroep zaten vertegenwoordigers van zes individuele
gemeenten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG), de
landelijke vereniging van leidinggevenden bij Nederlandse
overheidsorganisaties op het terrein van werk, inkomen en zorg (Divosa), het
ministerie van Financiën, het ministerie van Binnenlandse
Zaken, het ministerie van
Economische Zaken, de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv), het
Centraal bureau voor de statistiek (CBS) en het
ministerie
van SZW. Onderzoekers van onderzoeksbureau SEOR hebben de werkgroep
technisch geadviseerd. Daarnaast zijn elf belangstellende gemeenten
uitgenodigd om deel te nemen in een panel van meelezers. Deze elf gemeenten hebben de
concept-rapportages
ontvangen. Het ministerie
van SZW heeft hun commentaar doorgeleid naar de onderzoekers. Ten
slotte heeft het ministerie van SZW met speciale nieuwsbrieven
alle gemeenten tussentijds geïnformeerd over de voortgang van het
onderhoudstraject en hen uitgenodigd om reacties te geven. Op deze wijze is
de expertise van alle relevante partijen benut.
Over zijn voorstellen
heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bestuurlijk overleg met de VNG gevoerd, alvorens ze aan de Tweede Kamer aan
te bieden. De Rfv heeft positief geadviseerd over de voorstellen
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 545, nr. 1, bijlage 1, nr. 30 545-2). De Kamer heeft op
21 juni 2006 een algemeen overleg gevoerd met de staatssecretaris.
De uitkomsten van dat algemeen overleg hebben hun beslag gevonden in
het onderhavige besluit.
Wijzigingen ten opzichte van 2006
- Verdeling werkdeel (W-deel)
behoeft geen wijziging ten opzichte van 2006.
- Verdeling inkomensdeel (I-deel)
wordt in beperkte mate aangepast ten opzichte van 2006.
- Vaststellingsmoment kan in
september blijven; actualisatie verdeling heeft plaats in mei. Deze
laatste procedure heeft geen gevolgen voor het besluit, maar zal
gepubliceerd worden in de Staatscourant.
Deze wijzigingen en de
eventuele gevolgen voor de regelgeving worden hieronder nader
toegelicht.
Met dit besluit beoogt de
regering meer rust te bieden rond de bepaling van de omvang van de gemeentelijke budgetten. De aanpassingen voor
2007 zijn gunstig voor de
stabiliteit van de budgetten en daarmee ook voor de gemeentelijke
financiële huishouding, omdat de gevolgen van de financieringssystematiek
voor gemeenten beter voorspelbaar worden. Bij gemeenten bestaat grote
behoefte aan meer stabiliteit. De afgelopen jaren zijn gemeenten
geconfronteerd met forse aanpassingen van hun budgetten, zowel over de
jaren heen als binnen een jaar. De aanpassingen over de jaren heen
hielden verband met het overgangsregime dat is gehanteerd bij de
invoering van het verdeelmodel I-deel via het afbouwen van de
historische verdeling. Daarnaast vloeiden aanpassingen voort uit de aanpassingen
van de objectieve verdeelsleutel die de afgelopen jaren met de
Kamer zijn afgesproken. De aanpassingen binnen een jaar hielden verband
met de noodzakelijke aanpassingen van het macrobudget en daarnaast
met de actualisatie van de verdeelkenmerken waarover met de Kamer
afspraken zijn gemaakt om aan de problematiek van groeigemeenten
tegemoet te komen.
Overigens kan vastgesteld
worden dat er de afgelopen jaren sprake is geweest van een
deugdelijke werking van de financieringssystematiek. Dat kan afgeleid worden
uit het beperkte beroep dat gedaan is op een aanvullende uitkering bij
de toetsingscommissie.
Toekomstige
ontwikkelingen
Onderhoud is een
voortdurende activiteit.
Het onderhoudstraject
2007 heeft voor het I-deel een aantal suggesties opgeleverd voor nader
onderzoek naar de aanpassing van bestaande verdeelmaatstaven of
toevoeging van nieuwe verdeelmaatstaven. Concreet zijn de volgende
verdeelmaatstaven genoemd: Verslavingsproblematiek (nieuw), Arbeidsongeschikten (verfijnen), Industrieel
verleden (nieuw),
Segregatie/Achterstand (nieuw), Banen handel en horeca (aanpassen),
Allochtonen (aanpassen), Studenten (nieuw), Krimp van het inwonertal (nieuw) en tot slot het vervangen van de economische
maatstaven die gemeten
worden op regionaal niveau (COROP-niveau) door economische
maatstaven die betrekking hebben op de directe omgeving van de gemeente.
Deze suggesties worden betrokken in het onderhoudstraject 2008
dat in september 2006 van start zal gaan.
Daarnaast zijn de
verklaarbaarheid en de herkenbaarheid van de uitkomsten voor gemeenten
heel belangrijk. Met de VNG is afgesproken dat ik zal zoeken naar
een goede norm voor de uitvoering, waaraan de kwaliteit van het
verdeelmodel getoetst kan worden. Nu we enkele jaren ervaring hebben met de
financieringssystematiek van de Wwb en de beschikking krijgen over
meer informatie over de uitvoeringspraktijk, zijn daar ook meer
mogelijkheden voor. In het kader van het plausibiliteitsonderzoek dat komend jaar
uitgevoerd zal worden, zal dit opgepakt worden.
Voor de ontwikkeling van
het W-deel is het onderhoud voorlopig beperkt van aard. Gezien
de doelstelling van dit budget (en de verdeling ervan) is het van belang
dat het blijft aansluiten bij de reïntegratiebehoefte. De (verdeling van de)
reïntegratiebehoefte van gemeenten is onder de Wwb
wellicht
anders dan vóór invoering van de Wwb
het geval was. Deze
veronderstelling kan eerst worden getoetst als voldoende ervaringsgegevens
beschikbaar zijn. Dat zal naar verwachting het geval zijn voor het
onderhoudstraject 2009.
Inkomensdeel
Wwb 2007
1.
Macrobudget inkomensdeel Wwb
Het macrobudget
inkomensdeel Wwb
2007 is opgebouwd uit twee delen:
1. macrobudget voor personen tot 65 jaar;
2. macrobudget voor de categorie 65 jaar of ouder met al dan niet
gedeeltelijke bijstandsuitkering.
Het macrobudget als geheel is toereikend om in
de kosten van de geraamde bijstandsuitkeringen te voorzien. De wijze
waarop de hoogte van het macrobudget wordt bepaald, is vastgelegd in de
wet zelf. Een uitgebreide beschrijving van de werkwijze die gevolgd
wordt, is toegezonden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2003-2004, 28
870, nr. 117). Dit besluit regelt de verdeling van het macrobudget.
2.
Verdeelsystematiek inkomensdeel Wwb
2.1.
Verdeelsystematiek deel macrobudget voor personen tot aan 65 jaar
In de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel Wwb is aangegeven dat het de
bedoeling is om (voor de grotere gemeenten) het budget voor het
inkomensdeel te verdelen op basis van een objectief verdeelmodel. Gemeenten ontvangen dan
middelen voor de bekostiging van genoemde uitkeringen op grond van
een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te
beïnvloeden kenmerken. Deze wijze van verdeling doet het meeste
recht aan het uitgangspunt dat gemeenten die een relatief goed beleid
voeren hiervoor in financieel opzicht worden beloond.
In de periode vanaf 2004
is jaarlijks het deel dat objectief verdeeld wordt, toegenomen. Tot 2006 werd
een deel nog historisch verdeeld.
Vanaf 2007 geldt de
volgende verdeelsystematiek:
1. Voor gemeenten met 30 000 inwoners of minder wordt de uitkering voor jaar t
¹ volledig
gebaseerd op het historisch aandeel [t-3].
2. Voor gemeenten met 40 000 inwoners of meer wordt de uitkering voor jaar t volledig
gebaseerd op het objectief verdeelmodel.
3. Voor gemeenten tussen 30 000 en 40 000 inwoners wordt, afhankelijk van het aantal inwoners,
een glijdende schaal tussen de historische en objectieve
verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter bij 30 000 inwoners ligt,
nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd is op het historische aandeel
[t-3] de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate het inwonertal dichter bij
40 000 inwoners ligt het deel van de uitkering dat gebaseerd is op het
objectief verdeelmodel de 100% nadert.
Voorlopig worden de
uitkeringen van kleine gemeenten (30 000 inwoners of minder) niet
berekend aan de hand van het objectief verdeelmodel. Toepassing
van het objectief verdeelmodel voor deze gemeenten levert tot nu
toe onbevredigende resultaten op in termen van ex-anteherverdeeleffecten. Overigens wordt niet uitgesloten dat op termijn ook voor de
kleinere gemeenten overgeschakeld kan worden op een (gedeeltelijke)
objectieve verdeling.
De in onderhavig besluit
genoemde peildata van de rekengegevens gelden voor het
voorlopige budget. Dit voorlopige budget wordt vastgesteld vóór 1
oktober van het jaar voorafgaand aan het budgetjaar. Op grond van artikel 71
van de Wwb
heeft de minister
de bevoegdheid om bij de bepaling van
het definitieve budget (in september of oktober van het budgetjaar)
actuelere gegevens te gebruiken. Als hij van deze bevoegdheid gebruik
maakt, wordt dit via de Staatscourant bekendgemaakt.
1. Hierbij staat t voor
het uitvoeringsjaar, t-3 is dan drie jaar eerder dan
het uitvoeringsjaar.
Berekening historische
grondslag voor de uitkering
Voor het deel van de
uitkering dat wordt gebaseerd op het historisch aandeel wordt gebruik
gemaakt van het aandeel dat een gemeente in [t-3] had in de totale uitgaven
aan uitkeringen verstrekt op grond van de Wwb. Hierbij wordt gebruik
gemaakt van het financieel beeld bij het verslag over de uitvoering (Vodu) over
[t-3]. Dit aandeel wordt gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het
aantal huishoudens van 15 jaar of ouder in de periode van [t-3] tot
[t-2]. Hiermee wordt bereikt dat rekening wordt gehouden met de autonome
groei in de bijstandsuitgaven als gevolg van een meer dan evenredige
toename van de bevolkingsomvang in bepaalde gemeenten.
Berekening objectieve
grondslag voor de uitkering
Voor het deel van de
uitkering dat wordt gebaseerd op objectieve kenmerken wordt gebruik
gemaakt van het objectieve verdeelmodel dat in bijlage 2 is opgenomen.
Met de leveranciers (met
name het CBS) zijn afspraken gemaakt betreffende het
verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van het deel van
de uitkering dat gemeenten ontvangen op grond van het objectieve
verdeelmodel. In bijlage 2 bij dit besluit is een schema opgenomen waarin de data
zijn omschreven die als objectieve factoren worden aangemerkt met
vermelding van de leverancier en de data waarop de gegevens zijn
gemeten (peildata). Indien na een peildatum een gemeente wordt
heringedeeld, dan zal het ministerie van SZW het aantal eenheden van de
betreffende verdeelmaatstaf voor de nieuwe gemeente (her)berekenen op basis
van de gegevens die bekend zijn van de gemeenten die bij de herindeling zijn betrokken. Mocht een gemeente met
ingang van het budgetjaar
worden heringedeeld nadat de budgetten definitief zijn
vastgesteld, dan zal achteraf het budget voor de nieuwe gemeente worden vastgesteld.
Glijdende schaal
historisch/objectief voor gemeenten tussen 30 000 en 40 000 inwoners
Door het hanteren van een
glijdende schaal wordt bewerkstelligd dat er sprake is van een
geleidelijke overgang van een verdeling op historische grondslag naar een
verdeling op basis van objectieve kenmerken. Daarmee wordt voorkomen
dat gemeenten van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met
forse wijzigingen in de omvang van hun uitkering als gevolg van
mutaties in de omvang van de bevolking van 20 jaar of ouder.
2.2. Verdeelsystematiek
deel macrobudget voor categorie 65 jaar of ouder met al dan niet
gedeeltelijke bijstandsuitkering
Verdeling van het
macrobudget voor 65-plussers geschiedt op basis van de maatstaf "historische
bijstandslasten 65 jaar of ouder". Voor het uitvoeringsjaar is
gewerkt met het aandeel van een gemeente in de totale lasten van gemeenten van
het uitvoeringsjaar [t-3]. Bij de vaststelling van deze kosten wordt gebruik
gemaakt van het Vodu.
3. Het objectief
verdeelmodel
Bij de verdeling van het
macrobudget voor personen tot 65 jaar wordt gebruik gemaakt van het
objectief verdeelmodel dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
Voor een technische beschrijving van het model wordt verwezen naar deze
bijlage.
Het verdeelmodel inkomensdeel beoogt zoveel mogelijk aan te sluiten bij de
onvermijdelijke uitkeringslasten voor gemeenten. Dit wordt bereikt door
te verdelen aan de hand van een set objectieve, niet door de gemeente te
beïnvloeden, variabelen.
Verdelen gaat gepaard met
herverdeeleffecten. Onder herverdeeleffecten wordt verstaan het verschil
tussen budget en feitelijke uitgaven. Herverdeeleffecten zijn ook
beoogd: gemeenten die goed presteren, worden hiervoor beloond en
gemeenten die het minder goed doen, voelen de financiële gevolgen
hiervan.
In het kader van het
onderhoudstraject is een onderzoek gedaan, waarbij diverse analyses zijn
uitgevoerd.
De analyses hadden
betrekking op:
- Samenwerkingsverbanden: welke effecten hebben samenwerkingsverbanden
op het verdeelmodel?
- Compartimentering macrobudget: wat is het effect van de
compartimentering en is een andere systematiek mogelijk?
- Kleine gemeenten: kan het objectief verdeelmodel uitgebreid worden
naar kleinere gemeenten?
- Verdeelkenmerken: kunnen de verdeelkenmerken verder verbeterd
worden?
Daarnaast is onderzoek
gedaan naar de financiële resultaten van gemeenten in de afgelopen
jaren en naar de gevolgen van de volumeontwikkeling in de G4 [de gemeenten
Amsterdam, Rotterdam, Den
Haag en Utrecht, red.] voor de
overige gemeenten.
Tot slot is een voorstel
ontwikkeld voor twee varianten voor het verdeelmodel 2007.
Uit de analyses
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 545, nr. 1) blijkt dat op dit moment geen vergaande
verbeteringen van het verdeelmodel gevonden kunnen worden, wel
blijken nog kleine/beperkte verbeteringen mogelijk. Voor 2007 geldt het
volgende:
- In 2007 zal model
APE2007 worden toegepast bij de verdeling van het I-deel.
- Model APE2007 bevat
dezelfde objectieve verdeelmaatstaven als het verdeelmodel voor 2006.
Het verschil is dat bij de bepaling van de gewichten de gezamenlijk
gebudgetteerde samenwerkingsverbanden buiten beschouwing zijn
gelaten. Doordat dit model nauwelijks afwijkt van het model 2006, heeft het
als voordeel dat het effect voor de budgetten grotendeels stabiel is.
- De gewichten van de
verdeelkenmerken van model APE2007 zijn herijkt op basis van de
gemeentelijke uitgaven in 2004. De gewichten van de maatstaven in bijlage
2 ondergaan hierdoor een wijziging.
- De herverdeeleffecten
zullen bij de verdeling voor 2007 op dezelfde wijze ingeperkt worden
als in 2006 (zie paragraaf 4).
- Vanaf 2007 wordt het
macrobudget niet meer vooraf opgesplitst in drie compartimenten, maar
direct verdeeld over de gemeenten.
- De groep gemeenten
die volledig objectief bekostigd wordt, wordt uitgebreid naar gemeenten
met meer dan 40 000 inwoners.
Advies Raad voor de
financiële verhoudingen
De Rfv heeft op 25 april
2006 advies uitgebracht over het verdeelmodel I-deel. Daaruit blijkt
het volgende:
- De Rfv is
tegenstander van al te vluchtige aanpassingen in het verdeelmodel, omdat dit
het vertrouwen in het objectief verdeelmodel ondermijnt. Daarbij wordt
aangetekend dat het in de rede ligt te verwachten dat de
effecten van de Wwb
op de gemeentelijke uitvoeringspraktijk pas duidelijk
worden wanneer het verdeelmodel gebaseerd is op uitvoeringsgegevens over
het jaar 2005. In dat licht acht de Rfv nu enige rust op zijn plaats.
- De Rfv stelt vast dat
de beide voorliggende modellen (APE2007 en Wwb2007) geen wezenlijke verbeteringen inhouden. Alles afwegende
heeft de Rfv een voorkeur
voor model APE2007 als verdeelmodel. Deze voorkeur wordt ingegeven
door inhoudelijke en technische overwegingen. De relatie tussen
bijstandsuitgaven en achterstandswijken acht de Rfv indirect. Ook twijfelt
hij of de dynamiek van deze achterstandswijkindicator recht doet aan de
gewenste dynamiek van het objectieve verdeelmodel.
- De Rfv acht de
uitbreiding van de groep gemeenten waarvoor het budget volledig objectief
wordt bepaald tot gemeenten met 40 000 inwoners of meer
verantwoord en passend binnen de gewenste ontwikkelingen naar een zo groot
mogelijk bereik van het objectieve verdeelmodel.
- Ook het opheffen van
de compartimentering draagt daar aan bij. Door vanaf 2007 het
macrobudget niet meer vooraf in drie compartimenten op te splitsen, maar direct
te verdelen, wordt de verdeelsystematiek transparanter.
- De Rfv hecht groot
belang aan de plausibiliteit van de herverdeeleffecten van het verdeelmodel.
Daarbij merkt de Rfv op dat de gevolgen van de budgettering op de
uitvoeringspraktijk nog "uittrillen". De Rfv geeft aan dat het in de
rede ligt te verwachten dat de effecten van de Wwb
op de gemeentelijke uitvoeringspraktijk pas over het jaar 2005
duidelijk zichtbaar gaan
worden. De Rfv acht het daarom van groot belang de werking van het
verdeelmodel in relatie tot de feitelijke ontwikkelingen te blijven volgen.
Verwacht mag worden dat als gevolg van de financiële prikkel verschillen in de
gemeentelijke uitvoeringspraktijk steeds minder een verklaring kunnen
bieden voor het optreden van herverdeeleffecten; gemeenten met
vergelijkbare uitvoeringskenmerken moeten vergelijkbaar scoren op
herverdeeleffecten. In zoverre dat niet het geval is, zou dat duiden op een
inconsistent model.
De Staatssecretaris van
SZW deelt de analyse van de Rfv. Bij de uiteindelijke voorstellen
is rekening gehouden met de advisering van de Rfv. Het komend jaar zal
een plausibiliteitsonderzoek worden uitgevoerd, waarbij - in lijn met
het advies van de Rfv - de ervaringen met de financieringssystematiek
in 2004 en met name 2005 betrokken zullen worden.
4. Beleidsmatig indammen
herverdeeleffecten
Modelsimulaties met het
objectief verdeelmodel tonen een beeld van ex-anteherverdeeleffecten
dat voor het merendeel van de gemeenten conform verwachtingen is.
Voor sommige gemeenten geldt dat de uitkomsten nader
onderzoek vergen. Voor het jaar 2004 is besloten om bij de toepassing van het
objectief verdeelmodel buiten het model om een grens te hanteren ter
indamming van al te grote - zowel positieve als negatieve - uitschieters van
ex-anteherverdeeleffecten. Deze grens is beleidsmatig aanvankelijk
vastgesteld op (in absolute zin) 10%.
Na overleg met de Tweede
Kamer is dit voor 2006 als volgt bepaald. Herverdeeleffecten van
meer dan 10% worden afgetopt op 7,5%. Tussen 5 en 10% worden de
herverdeeleffecten voor de helft afgetopt. De andere helft komt voor
rekening van de gemeente.
Voorbeeld: de gemeente X
heeft een herverdeeleffect van 8%. Na ex-ante-inperking wordt dit
5% + 0,5 * (8 - 5)% = 6,5%.
De verdere ontwikkeling
van de ex-ante-inperking wordt in overleg met het parlement bepaald.
De veronderstelling die
hierbij gehanteerd wordt is dat vanaf de grens voor ex-ante-inperking de
statistische eigenschappen van het objectief verdeelmodel een meer dan
evenredige invloed hebben op de omvang van de
herverdeeleffecten. Ofwel, een ex-anteherverdeeleffect buiten deze grens kan in
redelijkheid niet volledig worden toegeschreven aan het gevoerde gemeentebeleid.
In de praktijk betekent de ex-ante-inperking dat het verschil tussen de
objectieve en de historische budgetaandelen die worden gebruikt in de
berekening van het budget voor een individuele gemeente niet meer dan
7,5% mag bedragen van het objectieve budgetaandeel. Voor
gemeenten waar dat verschil op grond van de uitkomsten van het
objectief verdeelmodel groter is, wordt het objectieve budgetaandeel naar boven
of naar beneden bijgesteld zodat wel aan deze randvoorwaarde wordt
voldaan.
5. Aanvullende uitkering
en toetsingscommissie
Indien een gemeente
een
budgettekort heeft dat groter is dan de eigenrisicodrempel, kan
het college van burgemeester en wethouders een verzoek om een
aanvullende uitkering indienen bij de toetsingscommissie, bedoeld in artikel 73
Wwb. De toekenning van een aanvullende uitkering geschiedt niet
automatisch, maar uitsluitend op verzoek van het college en nadat
is vastgesteld dat het verzoek aan alle geldende eisen voldoet. Een
aanvraag en de beslissing daarop reiken overigens niet verder dan één uitvoeringsjaar. Indien de gemeente na toekenning meent
dat zij in het navolgende
jaar ook in aanmerking komt voor een aanvullend budget, dient
het college hiertoe een nieuw verzoek in te dienen.
Voorwaarden voor een
aanvullende uitkering
De voorwaarden waaronder
een gemeente
in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering
zijn in beginsel als volgt:
a. er moet voldaan zijn
aan de bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;
b. de gemaakte kosten
moeten het verstrekte budget voor het inkomensdeel met minimaal
10% overstijgen;
c. er moet sprake zijn
van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt;
d. het tekort mag niet
het gevolg zijn van de door het college of de gemeenteraad gemaakte
keuzes in beleid en uitvoering, noch van een onrechtmatige uitvoering
van de
wet.
De onder a bedoelde
vormvoorschriften hebben betrekking op de bescheiden die de
gemeente bij het verzoek om aanvullende uitkering moet voegen, opdat de
toetsingscommissie dat verzoek op al z’n merites kan beoordelen. Uit
oogpunt van rechtszekerheid is het wenselijk deze vormvoorschriften bij ministeriële regeling vast te leggen.
De onder c en d genoemde
voorwaarden beogen te bewerkstelligen dat een aanvullende uitkering
alleen wordt verstrekt voor gevallen waarin de overschrijding van de
eigenrisicodrempel wordt veroorzaakt door omstandigheden die de
gemeente, in het kader van de uitvoering van de Wwb, niet kon
beïnvloeden en waarmee bij de vaststelling van het gemeentebudget geen
rekening kon worden gehouden. De beoordeling of wordt voldaan aan de
onder c en d genoemde voorwaarden is gerelateerd aan de Wwb. Dit betekent
onder meer dat niet beoordeeld wordt of de gemeente wel voldoende
heeft gedaan om de lokale werkgelegenheid optimaal te bevorderen
door bijvoorbeeld de aanleg van een bedrijvenpark of het
verbeteren van de infrastructuur en dergelijke. Bij ministeriële regeling
kan voor gemeenten tot maximaal 40 000 inwoners worden overgegaan tot een
afwijkende invulling van de onder d genoemde voorwaarde. De
reden hiervoor is gebaseerd op de veronderstelling dat voor deze categorie
gemeenten met name de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt als
veroorzaker van een optredend budgettekort kunnen worden aangewezen
dan wel dat het arbeidsmarktcriterium bij de kleinste gemeenten te
zeer door toevalligheden kan worden bepaald.
Hoogte van de aanvullende
uitkering
De hoogte van de
aanvullende uitkering is geregeld in artikel 10, tweede lid, van dit besluit.
Komt een gemeente
in aanmerking voor een aanvullende uitkering, dan is de
hoogte daarvan gelijk aan het verschil tussen de werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten en 110% van de toegekende uitkering inkomensdeel.
De werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten staan gelijk aan het
saldo van uitgaven en inkomsten.
Taak van de
toetsingscommissie
De toetsingscommissie
heeft tot taak om, ten behoeve van de Minister van SZW, een oordeel te
vellen over de vraag of een verzoek om een aanvullende uitkering
voor de tekortgemeente gehonoreerd dient te worden. Er wordt
onderscheid gemaakt tussen vormvoorschriften en inhoudelijke
beoordelingscriteria. De werkwijze van de toetsingscommissie moet bijdragen aan het
karakter van de aanvullende uitkering als vangnet voor een gemeente
die in een begrotingsjaar te maken heeft gehad met een
uitzonderlijke situatie, waarmee bij de vaststelling van het budget voor het
inkomensdeel voor die gemeente geen rekening kon worden gehouden.
In eerste aanleg
beoordeelt de toetsingscommissie of het verzoek van de gemeente voldoet aan
de vormvoorschriften, zoals die bij ministeriële regeling zullen worden
vastgesteld. Nadat de toetsingscommissie heeft vastgesteld dat het
verzoek binnen de - eveneens bij ministeriële regeling te bepalen - fatale
termijn is ingediend en dat aan alle overige vormvoorschriften wordt voldaan, gaat de
toetsingscommissie over tot de inhoudelijke toetsing. De
toetsingscommissie beoordeelt hierbij of voldaan wordt aan de
hierboven genoemde voorwaarden b tot en met d.
Oordeelsvorming door en
beoordelingsruimte van de toetsingscommissie
De toetsingscommissie
beoordeelt kritisch en strikt of voldaan wordt aan alle geldende
voorwaarden voor de aanvullende uitkering. Hierbij is de toetsingscommissie
niet bevoegd om eigenstandig de bij wet- en regelgeving vastgestelde
voorwaarden uit te breiden of te beperken. Zij beoordeelt op basis van
de feitelijke situatie of aan alle voorwaarden wordt voldaan. Het kan
gaan om de lokale reïntegratieactiviteiten of fraudeaanpak, maar ook
om de manier waarop de gemeente
gebruikt maakt van wettelijke
bevoegdheden en andere, in de specifieke casus relevante
uitvoeringsaspecten die van invloed zijn of kunnen zijn op het budgettekort. De
toetsingscommissie betrekt aldus in haar oordeel ook de inspanningen van de
gemeente om niet boven de risicodrempel uit te komen.
De toetsingscommissie
draagt er zorg voor dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat,
wanneer het geen gelijke gevallen betreft, sprake is van een
gelijkwaardige behandeling in de geest van de
wet.
De beoordeling van de
overschrijding van de eigenrisicodrempel geschiedt op basis van
het verzoek en de daarbij over te leggen verantwoordingsdocumenten.
Of sprake is van een
uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt wordt beoordeeld op basis van
een bij ministeriële regeling nader in te vullen criterium. De
vaststelling van dit criterium beoogt te bewerkstelligen dat de toetsingscommissie, in
situaties waarin aan het criterium wordt voldaan, zonder nader
onderzoek tot een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt kan
concluderen. Indien de gemeente niet aan dat criterium voldoet, bestaat gerede
twijfel of sprake is van een uitzonderlijke situatie; een analyse door de
toetsingscommissie van de achterliggende oorzaken van het budgettekort
dient in deze situatie de doorslag te geven. Hierbij heeft de
toetsingscommissie de mogelijkheid om bij de beoordeling van de scores van de
tekortgemeente een vergelijking te maken met andere gemeenten in hetzelfde
CWI-gebied.
De
wijze waarop de toetsingscommissie het gemeentelijk beleid en de uitvoering beoordeelt,
geschiedt zodanig dat daarvan geen normerende en daardoor de
gemeentelijke beleidsvrijheid inperkende werking uit gaat. Ten aanzien van de
onrechtmatige uitvoering van de
wet is het proportionaliteitsbeginsel
van toepassing. Het is aan de toetsingscommissie, in voorkomende gevallen,
te oordelen op welke wijze toepassing dient te
worden gegeven aan dit beginsel. Indien de minister
de gemeente, wegens
een
geconstateerde ernstige tekortkoming, een aanwijzing heeft gegeven
als bedoeld in artikel 76, derde lid, Wwb,
bestaat overigens geen recht op
een aanvullende uitkering.
Advies aan de Minister
van SZW
Een positief advies bevat
een berekening van de hoogte van de aanvullende uitkering.
Een negatief advies bevat de overwegingen die de afwijzing van het verzoek
rechtvaardigen.
Indien de
toetsingscommissie voornemens is de minister
negatief te adviseren over het
ingediende verzoek, stelt zij de tekortgemeente in de gelegenheid hierop haar
zienswijze naar voren te brengen. Maakt de gemeente
gebruik van deze
mogelijkheid, dan voegt de toetsingscommissie de zienswijze van de
gemeente bij haar negatieve advies aan de minister.
Oordeel IWI
De minister
laat zich bij
een beroep op een aanvulling van de uitkering op het inkomensdeel door
een gemeente
adviseren door de toetsingscommissie. Tevens betrekt hij
daarbij het oordeel van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) over de
uitvoering van deze wet door de betreffende gemeente.
Het oordeel van de Inspectie heeft betrekking op uitvoering en prestaties op het terrein
van reïntegratie en handhaving (rechtmatig en doelbereik van de
gemeentelijke uitvoering). IWI baseert haar oordeel zoveel mogelijk op bij de
Minister van SZW beschikbare gegevens. Alleen indien dat noodzakelijk
is om tot een oordeel te komen, is aanvullende gegevensuitvraag en/of
onderzoek aan de orde.
Zo kan IWI onder meer
beoordelen hoe de gemeente de wettelijke bevoegdheden,
bijvoorbeeld inzake terugvordering, heeft gebruikt. Ook kan IWI zich een oordeel
vormen over de inhoud en uitvoering van de verordeningen als bedoeld
in artikel 8 van de Wwb:
- het ondersteunen bij
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in
artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, Wwb.
Hier zal tevens aandacht uitgaan naar de mate waarin de gemeente meer
heeft uitgegeven dan het toegekende budget werkdeel Wwb;
- het verlagen van de
algemene bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid,
Wwb;
- het verhogen en
verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30
Wwb.
Beslissing op verzoek
door Minister van SZW
Het verzoek om een
aanvullende uitkering wordt weliswaar ingediend bij de
toetsingscommissie, maar de beslissing op dat verzoek wordt genomen door de
Minister
van SZW. De minister betrekt bij zijn beslissing, naast het
oordeel van de toetsingscommissie, het oordeel van IWI over de uitvoering
van de Wwb.
Op advies van de
toetsingscommissie beoordeelt de Minister van SZW marginaal of de
inspanning van de gemeente
om haar budgettekort terug te dringen, gelet op haar
probleemanalyse, als passend kan worden aangemerkt.
De Minister van SZW wijst het
verzoek af, indien:
- de ontstane situatie
het gevolg is van het handelen van de gemeente;
- hij de betreffende
gemeente een aanwijzing heeft gegeven wegens ernstige tekortkomingen.
Het advies van de
toetsingscommissie is niet bindend. De Minister van SZW komt derhalve tot een
eigenstandig oordeel. Zoals bij de parlementaire behandeling van de Wwb
¹ is aangegeven, wijkt de minister slechts met redenen omkleed af
van het advies van de toetsingscommissie. De reden waarom de minister
afwijkt van het advies van de toetsingscommissie moet gelegen zijn in een
van de volgende omstandigheden:
- het advies van de
toetsingscommissie is niet in overeenstemming met de wettelijke
voorwaarden voor een aanvullende uitkering tot stand gekomen;
- het advies van de
toetsingscommissie is weliswaar in overeenstemming met de wettelijke
voorwaarden voor een aanvullende uitkering tot stand gekomen, maar
bevat duidelijk herkenbaar één of meer onvolkomenheden.
Tegen de beslissing van
de minister staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet
bestuursrecht.
1. Kamerstukken II
2002-2003, 28 870, nr. 13, blz. 97.
Relatie met de
financieringssystematiek
De toetsingscommissie
heeft tot taak bij tekortgemeenten te kijken naar het gevoerde gemeentelijk
beleid en naar het effect van de lokale arbeidsmarkt. Dat laat
echter onverlet dat gemeenten ook tegen tekorten aan kunnen lopen als
gevolg van imperfecties in de financieringssystematiek, i.c. de toepassing van
het objectieve en het historische verdeelmodel. Voorlopig
is gekozen voor een beleidsmatige indamming van
ex-anteherverdeeleffecten. Daarnaast wordt via een onderhoudstraject jaarlijks nagegaan of de
financieringssystematiek verbeterd kan worden. Derhalve zullen
enkel tekorten die ontstaan door een uitzonderlijke ontwikkeling op de lokale
arbeidsmarkt worden gecompenseerd, mits ook aan de andere voorwaarden voor de aanvullende uitkering wordt
voldaan. Analyses van de
toetsingscommissie zullen worden betrokken bij het jaarlijks
onderhoudstraject van de financieringssystematiek.
Werkdeel
Wwb 2007
1. Doelgroep
Op grond van artikel
69,
eerste lid, onderdeel a, Wwb
verstrekt het Rijk jaarlijks aan de gemeenten een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, Wwb. De doelgroep betreft
personen met een algemene bijstandsuitkering,
niet-uitkeringsgerechtigden
en personen met een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet.
Met de Invoeringswet Wwb
zijn de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
gewijzigd. Artikel 34, eerste lid, Ioaz
en artikel 34, eerste lid, Ioaw
regelen
dat de gemeente verantwoordelijk is voor het ondersteunen van personen
die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaz
respectievelijk Ioaw
bij de arbeidsinschakeling. Artikel 59i
Ioaz
en artikel 59e Ioaw
regelen
dat de kosten van deze voorzieningen ten laste komen van de uitkering,
bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel
a, Wwb.
In artikel 14 van de
Invoeringswet Wwb
is verder geregeld dat de Wiw-dienstbetrekkingen,
de Wiw-werkervaringsplaatsen en de
ID-banen worden opgevat als
voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
a, Wwb. Dit
betekent dat de financiering van de lopende verplichtingen gesubsidieerde arbeid alsmede de inzet van voorzieningen
gericht op reïntegratie
naar reguliere arbeid ten laste kunnen komen van het macrobudget werkdeel
Wwb.
2. Bestedingsrichting
werkdeel Wwb
Het werkdeel Wwb
is
bedoeld ter financiering van de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
van personen uit de doelgroep als hierboven omschreven. De
activiteiten dienen gericht te zijn op het aanbieden van een voorziening,
waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.
Op grond van artikel
69,
eerste lid, onderdeel a, van de Wwb
is geregeld dat
uitvoeringskosten niet mogen worden gefinancierd ten laste van het werkdeel
Wwb.
3. Macrobudget werkdeel
Wwb
De hoogte van het
macrobudget voor jaar t is het bedrag zoals opgenomen in de begroting
SZW die in september [t-1] aan het parlement wordt aangeboden.
4. Verdeelsystematiek
werkdeel Wwb
In de memorie van
toelichting bij de Wwb
is de verdeelsystematiek (structurele situatie en
overgangsregime) kort beschreven. In afwijking van hetgeen is gesteld in
de memorie van toelichting is het aldaar beschreven
overgangsregime vanaf het uitvoeringsjaar 2006 van start gegaan.
Het reïntegratiebudget
biedt de gemeente
middelen om haar bijstandscliënten aan het werk te helpen.
Het verdeelmodel werkdeel beoogt zoveel mogelijk aan te
sluiten bij de gemeentelijke behoefte aan reïntegratiemiddelen.
Een gemeente met meer bijstandsgerechtigden zal een grotere behoefte
hebben aan reïntegratiebudget. Door naar behoefte te verdelen, biedt het
reïntegratiebudget gemeenten die het in het verleden minder goed
gedaan hebben - en dus een tekort hebben op het inkomensbudget - de mogelijkheid om de situatie om te buigen. Zij
hebben daardoor
perspectief op een situatie waarin hun bijstandsuitgaven aansluiten bij het
budget.
Op basis van onderzoeken
zijn vier varianten voor een verdeelmodel ontwikkeld en getoetst (Kamerstukken II
2004-2005, 28 870, nr. 131).
Vervolgens is nog een
aanpassing op één van de vier varianten (variant 2) ontwikkeld, waardoor meer
rekening wordt gehouden met de zwaarte van de reïntegratietaak van
grote steden: variant 2a (Kamerstukken II 2004-2005, 28 870, nr. 135). Bij
deze variant wordt het budget verdeeld op basis van het aantal
bijstandsgerechtigden en arbeidsmarktkenmerken.
Deze variant sluit goed
aan op de behoefte aan reïntegratiemiddelen, omdat rekening wordt
gehouden met het aantal bijstandsgerechtigden. De omvang van de groep
uitkeringsgerechtigden is een goede indicator voor de totale omvang van
alle doelgroepen. Bovendien wordt via de arbeidsmarktkenmerken gecompenseerd voor de zwaarte van noodzakelijke
trajecten, waardoor
gemeenten die meer behoefte hebben aan zwaardere trajecten
daarvoor ook gecompenseerd worden.
Variant 2a heeft als
grote voordeel dat deze variant - meer dan de andere ontwikkelde
varianten - stimuleert tot uitstroom naar regulier werk en dat deze
nauwelijks - minder dan de andere ontwikkelde varianten - gepaard zal
gaan met extra administratieve lasten.
De verdeling van het
macrobudget over individuele gemeenten wordt bij variant 2a
evenwichtiger dan in de huidige situatie; de verschillen tussen grote en kleine
gemeenten worden minder groot.
Daarom is bij de
Kamerbehandeling van de voorstellen in 2005 variant 2a gekozen als objectief
verdeelmodel voor het werkdeel Wwb. In dit verdeelmodel wordt het
macrobudget werkdeel Wwb
verdeeld op basis van het aantal
bijstandgerechtigden en op basis van arbeidsmarktkenmerken (kwalitatieve
discrepantie laaggeschoolde arbeid, omvang beroepsbevolking en
volume WW-uitkeringen). Dit model is voor het eerst (gedeeltelijk) toegepast
in 2006.
In het kader van het
onderhoudstraject is in 2005/2006 onderzocht wat de mogelijkheden zijn om
in het objectief verdeelmodel explicieter rekening te houden met de
zwaarte van de reïntegratietaak waarvoor de gemeente zich ziet
gesteld. Zoals is toegezegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II
2004-2005, 28 870, nr. 142) is bezien of
rekening kan worden
gehouden met de mate waarin een gemeente met bijstandsgerechtigden met
complexe problemen en met niet-uitkeringsgerechtigden
te maken heeft. Daarbij is rekening gehouden met de door de Tweede
Kamer genoemde groepen: personen zonder een startkwalificatie,
personen met een taalachterstand, verslaafden, dak- en thuislozen en personen
met een medische belemmering. Naast het onderzoek naar probleemgroepen is onderzocht of de arbeidsmarkt op een andere manier in het
model kan worden opgenomen.
De onderzoeksresultaten
(Kamerstukken II 2005-2006, 30 545, nr. 1) hebben geen aanleiding gegeven
het huidige verdeelmodel aan te passen. Dit geldt zowel voor het
expliciet opnemen van probleemgroepen in het verdeelmodel als voor de
manier waarop de arbeidsmarkt in het model zit.
De verdeelkenmerken en
gewichten van het objectief verdeelmodel voor 2007 veranderen niet
ten opzicht van 2006. Wel wordt de verhouding tussen het deel van het
budget dat met het objectief verdeelmodel wordt verdeeld en het deel dat
op basis van historisch gronden wordt verdeeld, gewijzigd.
Ten opzichte van 2006
wordt met het objectieve model een groter deel van het budget verdeeld.
Daarmee wordt het ingezette overgangsregime voortgezet. In zes jaarlijkse stappen wordt het nieuwe verdeelmodel ingevoerd. In 2006 werd
het budget voor 1/6 deel verdeeld volgens het nieuwe verdeelmodel en
voor 5/6 deel volgens historische aandelen. In 2007 zal het budget voor
2/6 deel volgens het nieuwe verdeelmodel worden verdeeld, in 2008
voor 3/6 deel, in 2009 voor 4/6 deel en in 2010 voor 5/6 deel (in de
tabel in bijlage 1 zijn deze breuken uitgedrukt in hele procenten). Vanaf 2011
zal dan uiteindelijk het budget volledig via het nieuwe verdeelmodel
verdeeld gaan worden. Dit tijdpad was al eerder in het Besluit
Wwb vastgelegd.
Het verdeelmodel W-deel
behoefde dus geen wijziging. De in onderhavig besluit opgenomen
wijzigingen ten opzichte van het Besluit Wwb
zijn van technische aard:
ze betreffen deels de actualisatie van de peildata en deels het aanbrengen
van consistentie in de wijze van formuleren van de formules.
In bijlage 1
is de
werkwijze vastgelegd.
Advies Raad voor de financiële verhoudingen
De Rfv heeft op 1 mei
2006 advies uitgebracht over het verdeelmodel W-deel. Daaruit blijkt
het volgende.
De Rfv ziet geen
aanleiding het huidige vrij eenvoudige verdeelmodel voor de
reïntegratiemiddelen te herzien. De veronderstelling dat de omvang van de groep
uitkeringsgerechtigden een goede indicator is voor de totale omvang van de
gehele doelgroep acht de Rfv nog steeds plausibel. Een verdeling gebaseerd op specifieke groepen die een grote
afstand tot de
arbeidsmarkt hebben, levert gelet op de gewenste beleids- en bestedingsvrijheid van
gemeenten geen enkel soulaas. Het is ondoelmatig en gaat gepaard met
administratieve lasten, hetgeen haaks staat op het streven van het
kabinet om deze lastendruk te verminderen. Door de verdeling te blijven
baseren op actuele gegevens zal de verdeling ook blijven aansluiten bij de
behoefte.
5. Meeneem- en
voorschotregeling werkdeel
In artikel
70, derde lid, Wwb
is geregeld dat een positief verschil tussen de uitkering werkdeel en
de rechtmatig gemaakte kosten - i.c. de nettobetalingen (saldo
van uitgaven en inkomsten) en op basis van het kasstelsel - terugvloeit naar het Rijk. In de
memorie van toelichting bij de Wwb is opgenomen dat de
gemeente
het overschot op het werkdeel tot een nader te regelen
maximum mag meenemen naar het volgende begrotingsjaar, omdat
niet alle lopende verplichtingen in het begrotingsjaar leiden tot kosten in
hetzelfde begrotingsjaar. Een meeneemregeling biedt een bepaalde
zekerheid dat gemeenten kosten die voortvloeien uit
financiële verplichtingen die zijn aangegaan in het voorafgaande
uitvoeringsjaar kunnen financieren. Daarnaast wenst het Rijk de gemeenten de
mogelijkheid te bieden om in het lopend begrotingsjaar een voorschot te nemen op
de middelen die in het komende begrotingsjaar zullen
worden toegekend. Op deze wijze wordt de gemeente financieel in
staat gesteld om te variëren in de beleidsinspanningen tussen de jaren.
Eenzelfde percentage
voor meeneem- en voorschotregeling
Bij de meeneemregeling
van het scholings- en activeringsbudget op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden hebben gemeenten vanwege ruime
budgetoverschotten nooit gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het
nemen van een voorschot op het volgende begrotingsjaar. Bij deze regeling was er
sprake van eenzelfde maximumpercentage dat gold voor zowel het
meenemen naar een volgend jaar als het opnemen van een
voorschot op het volgende jaar. Deze lijn wordt voortgezet in de Wwb. Er
is voor gekozen om eenzelfde percentage vast te stellen voor zowel de
meeneem- als de voorschotregeling vanwege de grote samenhang, het
eenvoudig houden van de regeling en gelet op de dereguleringsdoelstelling.
Hoogte percentages
meeneem- en voorschotregeling
- Het percentage van
het budget [t] dat mag worden meegenomen naar het uitvoeringsjaar
[t+1] is vastgesteld op 75% van het toegekende budget [t].
- Het percentage dat in
het uitvoeringsjaar [t] mag worden onttrokken aan het budget [t+1] is
vastgesteld op 75% van het toegekende budget [t].
Hiermee is invulling
gegeven aan de ingediende en door de Kamer aangenomen motie over de verruiming van de meeneemregeling
(Kamerstukken II 2002-2003,
28 870, nr. 82). Motie nr. 82 betreft een meeneemregeling waarbij
de gemeente
wordt toegestaan om een budgetoverschot tot
maximaal 25% van het toegekende budget voor een periode van drie jaar mee
te nemen. Een dergelijke invulling is uitvoeringstechnisch niet
te prefereren aangezien deze gepaard gaat met een verzwaring van de administratieve lasten voor gemeenten. Bovenstaande
invulling kent geen
administratieve lastenverzwaring en is qua strekking identiek aan de
aangenomen motie.
Voor de voorschotregeling
geldt eenzelfde percentage. De grondslag voor het percentage van
de voorschotregeling is het toegekende budget van het lopende
uitvoeringsjaar. Dit biedt de gemeente de gelegenheid om bij het opstellen van
de gemeentelijke begroting exact het maximale bedrag van de meeneemregeling te kunnen bepalen. Dit is niet het geval
indien de grondslag voor
het percentage zou worden gebaseerd op het budget voor het volgend
uitvoeringsjaar aangezien dat budget op dat moment nog niet bekend
is.
Indien gemeenten zich
niet of niet tijdig verantwoorden over de uitgaven met betrekking
tot de uitkering voor het werkdeel, wordt de toegekende uitkering - blijkt uit
artikel 3, derde lid - volledig teruggevorderd. De reden voor deze
bepaling is dat de minister
de uitkeringen vooraf vaststelt, waarna
hij zonder een dergelijke bepaling geen titel heeft voor terugvordering van
de uitkering als gemeenten zich niet verantwoorden over de bestedingen.
Aangezien de minister met het oog op zijn eigen verantwoording aan
het parlement over de bestede middelen over deze informatie moet
kunnen beschikken, is het noodzakelijk dat gemeenten de informatie
aanleveren, dan wel dat de uitkering kan worden teruggevorderd
indien zij dit niet (tijdig) doen. Mocht gelet op alle omstandigheden volledige
terugvordering naar het oordeel van de minister tot een
onbillijkheid van overwegende aard leiden, dan kan de minister de
terugvordering op een lager percentage vaststellen.
Adreslozen
Artikel
40, eerste lid, Wwb
regelt jegens welke gemeente
de belanghebbende zijn aanspraak op
bijstand geldend kan maken. Het eerste lid van dat artikel bevat tevens
de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de
uitvoering van die wet ten aanzien van personen die niet beschikken over een adres als bedoeld in artikel 1 van
de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geconcentreerd wordt bij een beperkt
aantal bij die maatregel aan te wijzen gemeenten. Deze
facultatief geformuleerde delegatiebepaling wordt hierbij ingevuld. Met
ingang van 1 januari 1999 is het Besluit specifieke uitkeringen
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid in werking getreden. In
de bijlage, onder A, van voornoemd besluit is een opsomming gegeven
van gemeenten waaraan een uitkering voor maatschappelijke opvang
wordt verstrekt.¹ Deze gemeenten worden ook aangewezen als gemeenten
die bijstand verlenen aan adreslozen. Op deze manier vindt aansluiting
plaats tussen enerzijds de maatschappelijke opvang van adreslozen en anderzijds de
bijstandverlening.
In artikel 11, tweede
lid, van dit besluit is vastgelegd dat de bijstand wordt verleend door
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de adresloze zich op het
moment van zijn aanvraag bevindt. Met deze opzet is een zeer
feitelijk criterium gekozen. De bijstand aan de adresloze moet immers veelal
snel
en in ieder geval met beoordeling van de feitelijke toestand
worden verleend.
1. Het betreft de volgende gemeenten:
Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen,
Bergen op Zoom, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Deventer,
Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen,
Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden,
Maastricht, Nijmegen, Oss, Purmerend, Rotterdam, Spijkenisse, Tilburg,
Utrecht, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad en Zwolle, red.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|
|