|
BESLUIT van 25 augustus 2008 tot vaststelling van een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 83
van de Wet werk en bijstand inzake een
experiment met betrekking tot de bevordering van de arbeidsinschakeling
van alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering (Tijdelijk
besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders Wwb)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2008, nr. W&B/URP/08/12201;
Gelet op artikel 83
van de Wet werk en bijstand;
De Raad van State gehoord (advies van 6
augustus 2008, nr. W12.08.0250/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus
2008, nr. W&B/URP/08/22798;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Begripsbepaling
In dit besluit wordt
verstaan onder:
- de wet: de Wet werk en bijstand;
- college: college van een
gemeente die deelneemt aan een experiment als bedoeld in artikel
2.
Art. 2.
Doel experiment
-1. In de periode van 1
januari 2009 tot en met 31 december 2011 vindt een experiment plaats
waarbij wordt afgeweken van de artikelen 7 en
31, tweede lid, van de
wet.
-2. Met het experiment wordt
beoogd inzicht te verkrijgen in de mate waarin het niet tot de
middelen rekenen van een deel van de inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking, al dan niet in combinatie met de scholing of
opleiding alsmede de
eenmalige premie, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en de eenmalige premie,
bedoeld in artikel 3, vijfde lid, de doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling
van alleenstaande ouders verhoogt, zowel op het gebied van de
toetreding tot de arbeidsmarkt als op het gebied van de stabiliteit
van de arbeidsinschakeling. Voorts wordt beoogd inzicht te verkrijgen in de
mate waarin een tijdelijke dienstbetrekking tussen de gemeente en de
alleenstaande ouders met een vast overeengekomen arbeidsomvang van ten minste
twaalf uur per week, welke arbeidsomvang tijdens het
experiment wordt uitgebreid, daartoe bijdraagt.
Art. 3.
Inhoud experiment
-1. Het experiment houdt in
dat in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 van het
inkomen uit arbeid in dienstbetrekking van een alleenstaande ouder:
a. wiens jongste kind
waarvoor hij de volledige zorg heeft de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft
bereikt; en
b. die algemene bijstand ontvangt;
een bedrag van €|48,00 per
kalendermaand niet tot zijn middelen wordt gerekend, welk bedrag met €|4,00 wordt aangepast per uur dat het gemiddeld aantal uren
waarover de alleenstaande ouder in die kalendermaand loon heeft ontvangen per
week meer of minder bedraagt dan twaalf. Het niet tot de middelen te
rekenen bedrag is maximaal €|120,00 per kalendermaand.
-2. Indien de alleenstaande
ouder de arbeid verricht in een dienstbetrekking met een vast overeengekomen
arbeidsomvang, wordt voor kalendermaanden waarover die
dienstbetrekking volledig van toepassing was het gemiddeld aantal
arbeidsuren waarover hij per week loon heeft ontvangen, gesteld op het
vast overeengekomen aantal arbeidsuren per week.
-3. Het totaal van de
bedragen die op grond van het eerste lid niet tot de middelen van de
alleenstaande ouder wordt gerekend, wordt over de periode waarin dat het
geval
is, verminderd met:
a. het bedrag van de
aanvullende alleenstaandeouderkorting, de combinatiekorting en de
aanvullende combinatiekorting dat op grond van artikel
31, tweede lid, onderdeel c, van de wet
over deze periode niet tot zijn middelen is gerekend;
b. de inkomsten uit arbeid
die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel
o, van de wet over
deze periode niet tot zijn middelen zijn gerekend; en
c. de premie bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de
wet die in deze periode aan de
alleenstaande ouder wordt toegekend met uitzondering van de premie,
bedoeld in het vijfde lid, tenzij die premie geen relatie heeft met de
verwerving van het inkomen, bedoeld in het tweede lid.
-4. De alleenstaande ouder
die in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 in één
of meer kalendermaanden naast het verrichten van arbeid in dienstbetrekking onder toepassing van het
tweede lid gebruik heeft
gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel b, van de wet bestaande uit scholing of
opleiding, heeft per
kalenderjaar recht op een eenmalige premie die de uitkomst bedraagt van €|50,00 vermenigvuldigd met het aantal hiervoor bedoelde kalendermaanden in
het desbetreffende kalenderjaar. De premie wordt na afloop van het
desbetreffende kalenderjaar uitbetaald.
-5. De alleenstaande ouder op
wie het eerste lid van toepassing is geweest en die niet langer
recht heeft op algemene bijstand omdat zijn inkomen de op hem van toepassing zijnde norm heeft overschreden, heeft
nadat dit zes aaneengesloten
maanden het geval is geweest recht op een eenmalige premie van €|500,00.
-6. Voor de toepassing van
artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de
wet wordt de uitbetaling van de
premies, bedoeld in het vierde en vijfde lid, geacht samen te vallen met
de uitbetaling van een eerdere premie als bedoeld in artikel
31,
tweede lid, onderdeel j, van de wet met betrekking
tot het desbetreffende
kalenderjaar.
-7. Aan het experiment nemen
ten hoogste deel:
a. tien gemeenten met
150 000 of meer inwoners;
b. tien gemeenten met 50 000
of meer inwoners, doch minder dan 150 000 inwoners; en
c. tien gemeenten met 10 000
of meer inwoners, doch minder dan 50 000 inwoners.
Art. 4.
Arbeidspool
Bij ten hoogste vijf van de
tien gemeenten, bedoeld in artikel 3, zevende lid, onderdeel
a, b
respectievelijk c, bestaan de dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel
3, eerste
lid, geheel of deels uit dienstbetrekkingen tussen de gemeente en de
alleenstaande ouder.
Art. 5.
Voorwaarden
-1. Een verzoek als bedoeld
in artikel 83, derde lid, van de
wet komt slechts voor inwilliging in
aanmerking, indien naar het oordeel van Onze
Minister:
a. de gemeente
met
betrekking tot het aantal alleenstaande ouders dat algemene bijstand
ontvangt
representatief is voor een Nederlandse gemeente met een vergelijkbaar aantal inwoners;
b. het college voldoende
kwantitatieve gegevens kan aanleveren over:
1º. het aantal alleenstaande
ouders dat algemene bijstand ontvangt;
2º. de
re-integratieactiviteiten die met betrekking tot de alleenstaande ouders zijn ontplooid;
3º. de effecten van de onder 2º bedoelde
re-integratieactiviteiten;
4º. het aantal alleenstaande
ouders dat algemene bijstand ontvangt dat op 1 januari 2009 in
deeltijd werkzaam is;
5º. het aantal alleenstaande
ouders dat algemene bijstand ontvangt dat na 1 januari 2009 in
deeltijd werkzaam zal zijn;
6º. de omvang van de
dienstbetrekkingen die alleenstaande ouders die algemene bijstand ontvangen
op 1 januari 2009 hebben;
7º. de omvang van de
dienstbetrekkingen die alleenstaande ouders die algemene bijstand ontvangen
na 1 januari 2009 zullen hebben;
8º. de hoogte, duur en aard
van de inkomsten die alleenstaande ouders die algemene bijstand
ontvangen na 1 januari 2009 zullen hebben.
-2. Indien toepassing van het
eerste lid tot gevolg heeft dat het aantal verzoeken dat voor
inwilliging in aanmerking komt per categorie gemeenten, bedoeld in
artikel 3, zevende lid, onderdeel a, b of c, hoger is
dan tien, plaatst Onze Minister de op die gemeenten betrekking hebbende verzoeken in rangorde op
basis van de mate waarin de deelname van de desbetreffende gemeente aan
een experiment als bedoeld in artikel 3 een bijdrage levert aan het
doel, genoemd in artikel 2. Toekenning dan wel afwijzing van verzoeken
vindt plaats met inachtneming van deze rangorde en artikel
4.
Art.
6. Administratie en
gegevensverstrekking
-1. Het college draagt er
zorg voor dat de administratie met betrekking tot de uitvoering van dat
experiment zodanig wordt ingericht dat alle van belang zijnde vastleggingen
en bewijsstukken met betrekking tot het verloop van het experiment
tijdig en controleerbaar zijn opgenomen.
-2. Het college brengt
driemaandelijks aan Onze Minister verslag uit over zijn bevindingen met
betrekking tot het experiment en draagt er zorg voor dat Onze Minister dat
verslag telkens uiterlijk op de 20ste dag van de kalendermaand onmiddellijk
volgend op de periode van drie kalendermaanden waarop het verslag betrekking heeft, ontvangt.
Art. 7.
Beoordeling
experiment
Van een doeltreffende
arbeidsinschakeling is in ieder geval sprake, indien in de periode van 1
januari 2009 tot en met 31 december 2010:
a. 5% van de alleenstaande
ouders die bij aanvang van het experiment, dan wel indien op een later
moment hun recht op bijstand is ontstaan op dat latere moment, gemiddeld
minder dan twaalf uur per week werkte, per week minimaal twaalf uur arbeid
is gaan verrichten;
b. 25% van de alleenstaande
ouders die bij aanvang van het experiment, dan wel indien
op een later moment hun recht op bijstand is ontstaan op dat latere moment, gemiddeld
twaalf uur of meer per week
werkte, per week minimaal acht uur meer is gaan werken; en
c. in de experimentgemeenten
de uitstroom uit de bijstand van alleenstaande ouders op wie
gedurende minimaal drie maanden het experiment van toepassing is geweest, minimaal 5% hoger ligt dan in een
vergelijkbare groep gemeenten die niet deelneemt aan het experiment.
Art. 8.
Bekostiging
experiment
Onze Minister verstrekt aan
het college een tegemoetkoming in de kosten van het experiment.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2012.
Art.10.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders Wwb.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 augustus
2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
Uitgegeven de vierde
september 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[25 augustus 2008]
Algemeen
Inleiding
In het Coalitieakkoord is de
afspraak opgenomen dat er een regeling komt die werken in deeltijd
voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk
maakt.
Nadat op 31 augustus 2007 de
voorbereidingen voor een experiment met betrekking tot de
arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders met kinderen tot 16 jaar (experiment Vazalo)
[zie ook: Wet voorzieningen arbeid en zorg
alleenstaande ouders (Wet Vazalo), red.] waren gestaakt, heb ik in mijn
brief van 14 september 2007
(Kamerstukken II 2006-2007, 30 545, nr. 33) het voornemen aangekondigd ter
zake van eerdergenoemde regeling een experiment te doen
uitvoeren. Dit mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State
over
het ontwerpbesluit ter zake van het experiment Vazalo (opgenomen
in het bijvoegsel bij Staatscourant 2008, nr. 30). In dit advies gaf
de Raad van State ter overweging om binnen de doelstelling van de Wet werk
en bijstand (Wwb) een betere arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders
onder de bijstandsgerechtigden te onderzoeken met een
experiment op grond van artikel 83 Wwb.
Doel van het experiment
Het experiment is gericht op
het onderzoeken van de mogelijkheden om de Wwb met betrekking tot de
arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders die de volledige zorg
hebben voor kinderen in de leeftijd tot 12 jaar doeltreffender uit te
voeren. Met de leeftijd van 12 jaar wordt aangesloten bij de voorwaarden die
gelden voor de combinatiekorting (artikel 8.14 Wet
inkomstenbelasting 2001). In
het kader van het experiment wordt afgeweken van de artikelen 7
en 31, tweede lid, Wwb, teneinde werken in
deeltijd financieel
aantrekkelijk(er) te maken voor bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders die de
volledige zorg hebben voor kinderen in de leeftijd tot 12 jaar, met
als einddoel volledige uitstroom uit de bijstand.
Het is inherent aan een
experiment dat de werking ervan zich uitstrekt tot een beperkte doelgroep.
Gekozen is voor alleenstaande ouders omdat deze groep bij de combinatie
van arbeid en zorg belemmeringen ervaart die alleenstaanden en
gehuwden niet of in mindere mate ervaren. Onderzoek lijkt erop te
wijzen dat als alleenstaande ouders eenmaal aan het werk zijn, zij deze
belemmeringen vaak als minder zwaarwegend beoordelen dan toen zij nog
niet aan het werk waren. Een (tijdelijke) financiële incentive, in
combinatie met andere maatregelen, kan alleenstaande ouders helpen om de stap
naar werk te zetten.
Met het experiment wordt
beoogd inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal maatregelen, al
dan niet in combinatie, de doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling van
alleenstaande ouders stimuleren, wat betreft de toetreding tot de
arbeidsmarkt, de stabiliteit van de arbeidsinschakeling en de uitstroom uit de
bijstand. Het betreft de volgende maatregelen.
a. het niet tot de middelen
rekenen van de inkomsten van de alleenstaande ouder tot een bedrag van
maximaal €|120,- per maand, afhankelijk van het aantal gewerkte
uren;
b. de inzet van
scholing/opleiding in combinatie met werken;
c. het verstrekken van een
bonus aan de alleenstaande ouder voor het volgen van scholing;
d. het verstrekken van een
premie na uitstroom, nadat de alleenstaande ouder gedurende zes maanden
zelf in het levensonderhoud heeft kunnen voorzien; en
e. de inzet van een
gemeentelijke arbeidspool.
Vormgeving van het
experiment
In het experiment wordt een
aantal instrumenten ingezet om werken in deeltijd langs meer sporen
financieel aantrekkelijk(er) te maken voor bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen in de leeftijd tot
12 jaar; ten eerste een
aantal financiële incentives, ten tweede scholing/opleiding in combinatie met
werk en ten derde de inzet van een arbeidspool.
Voor een deel kunnen gemeenten deze instrumenten nu ook al inzetten bij de re-integratie van
bijstandsgerechtigden. Gemeenten gaan echter zeer verschillend om met
deze mogelijkheden. De meerwaarde van een experiment bestaat erin dat
de werking van een bepaalde combinatie van maatregelen onder min of
meer gecontroleerde omstandigheden wordt onderzocht, zodat
gefundeerde uitspraken kunnen worden gedaan over de effecten van deze
maatregelen.
De financiële prikkel
bestaat uit een inkomstenvrijlating, in de vorm van een maandelijkse vrijlating
gerelateerd aan het aantal gewerkte uren en uit een bonus voor elke
maand waarin de alleenstaande ouder naast het werk scholing heeft gevolgd.
Bij duurzame (langer dan zes maanden) volledige uitstroom kan de alleenstaande ouder bovendien in aanmerking
komen voor een eenmalige
premie van €|500,-.
De inkomstenvrijlating houdt
in dat per uur waarover de alleenstaande ouder loon heeft ontvangen
een bedrag niet tot de middelen wordt gerekend, met een maximum
van €|120,- per maand. In onderstaande tabel een aantal voorbeelden van
combinaties van het aantal verloonde uren en bijbehorende vrijlatingen.
| Gemiddeld aantal verloonde
uren per week |
Vrijlating per maand |
| 12 uur |
x€|48,- |
| 16 uur |
x€|64,- |
| 20 uur |
x€|80,- |
| 24 uur |
x€|96,- |
| 28 uur |
€|112,- |
| 30 uur |
€|120,- |
Als de alleenstaande ouder
in één maand bijvoorbeeld (gemiddeld) over 20 uur per week loon heeft
ontvangen, betekent dat een vrijlating van €|80,- in die maand. Voordeel van
dit systeem is de eenvoud ervan: van het aantal verloonde uren in één
maand kan eenvoudig de hoogte van de vrijlating worden afgeleid.
Andere inkomstenvrijlatingen
die de alleenstaande ouder tijdens het experiment ontvangt, worden
op deze vrijlating in mindering gebracht. Het gaat hierbij om de algemene
inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid,
onderdeel o, Wwb) en om
vrijlating van de aan arbeid en zorg gerelateerde heffingskortingen voor
alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 5 jaar (artikel
31,
tweede lid, onderdeel c, Wwb). Ook premies in het
kader van de
arbeidsinschakeling die in het kader van de Wwb
worden verstrekt, worden op de
vrijlating in mindering gebracht, tenzij zij geen relatie hebben met de
verwerving van het inkomen in het kader van het experiment. Dit om cumulatie
van vrijlatingen en/of premies verstrekt voor dezelfde prestaties
en/of inspanningen te voorkomen.
De inkomstenvrijlating is
belast en werkt dus in principe door in de inkomensafhankelijke
regelingen. De effecten hiervan zijn echter beperkt. Bij de huur- en zorgtoeslag
werkt de vrijlating pas (in zeer beperkte mate) door vanaf een hoogte van de
vrijlating van €|100,- per maand (dus bij 25 uur per week werken).
De vrijlating werkt wel
sterk door bij de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen. Daarom zal in de
Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 door de Minister van Financiën worden geregeld dat de vrijlating
niet in aanmerking wordt
genomen bij de vaststelling van het inkomen in dat kader.
De bonus voor scholing
bedraagt €|50,- voor elke maand waarin de alleenstaande ouder scholing
heeft gevolgd naast het werk. Het moet hierbij gaan om scholing die
de gemeente
aan de alleenstaande ouder heeft aangeboden in het
kader van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Deze
bonus wordt niet maandelijks uitbetaald, maar opgespaard en uitbetaald in
de vorm van een eenmalige premie. Na één jaar kan deze maximaal €|600,- bedragen. Deze bonus is, als eenmalige verstrekking, onbelast en er
is dus geen sprake van doorwerking in de inkomensafhankelijke
regelingen.
De alleenstaande ouder die
uitstroomt uit de bijstand omdat het inkomen hoger is dan de van
toepassing zijnde bijstandsnorm en die gedurende zes maanden niet opnieuw een beroep doet op de bijstand,
heeft na afloop van die
periode recht op een eenmalige (onbelaste) premie van €|500,-. Het gaat
hierbij om uitstroom op basis van het inkomen uit arbeid, eventueel
aangevuld met andere inkomsten zoals alimentatie. Bij uitstroom om andere
redenen, zoals verhuizing naar een andere gemeente
of een
huwelijk/samenwoning met een partner met inkomsten boven de geldende
bijstandsnorm, bestaat geen recht op de premie.
De financiële prikkel is
zodanig vormgegeven dat meer werken steeds blijft lonen en
armoedevaleffecten worden voorkomen. De financiële prikkel werkt op de korte
termijn door de maandelijkse inkomstenvrijlating die, anders dan de bestaande
maandelijkse vrijlating (artikel 31, tweede lid, onderdeel
o, Wwb),
blijft toenemen naar de mate waarin de alleenstaande ouder meer uren gaat werken.
Op de langere termijn zijn er de financiële prikkels van de
eenmalige premies bij het volgen van scholing/opleiding en bij uitstroom
uit de bijstand. Om armoedevaleffecten te voorkomen, is de maandelijkse
premie afgestemd op de netto-inkomensverbetering die de alleenstaande ouder
bij uitstroom uit de bijstand heeft door de arbeidskorting,
(aanvullende) combinatiekorting en aanvullende alleenstaandeouderkorting.
Met een baan van minimaal 30 uur tegen het wettelijk minimumloon
stroomt de alleenstaande ouder uit de bijstand. Het vervallen van de
maandelijkse vrijlating wordt dan gecompenseerd door genoemde
heffingskortingen. De maximale vrijlating en de bonus voor scholing bedragen samen
(omgerekend naar een maandbedrag) iets minder dan het maximale
bedrag van de inkomstenvrijlating die de Wwb al kent
(artikel 31, tweede
lid, onderdeel o, Wwb) en die gedurende een
periode van ten hoogste zes
maanden kan worden toegepast. Ook dit voorkomt, in combinatie met
het eenmalige karakter van de scholingsbonus, armoedevaleffecten.
Als tweede instrument wordt
door de gemeente aangeboden scholing/opleiding in combinatie met
werk ingezet. Het kan hierbij gaan om (vak)inhoudelijke scholing,
maar ook om scholing gericht op persoonlijke effectiviteit en empowerment.
Er is hierbij sprake van maatwerk, de gemeente beoordeelt of, en
zo ja, welke vorm van scholing in het individuele geval
noodzakelijk is. Hierbij kan de gemeente laten meewegen dat scholing
enerzijds een extra belasting kan betekenen voor de alleenstaande ouder, maar
anderzijds een investering betekent waarmee de alleenstaande
ouder beter wordt toegerust voor de arbeidsmarkt. Het voordeel van de
combinatie van werk en scholing is dat de alleenstaande ouder
werkervaring opdoet en zelf inkomsten verwerft (waarvan een deel wordt
vrijgelaten als financiële incentive). Ook wordt het toekomstperspectief van
de alleenstaande ouder verbeterd, meer dan door werk alleen. De
combinatie van werk en scholing zorgt voor een grotere kans op duurzame
uitstroom, het beter benutten van talenten, vergroten van de
verdiencapaciteit en voorkomen van het "duiventileffect". Hiermee
werd in
het kader van de Wet Vazalo het verschijnsel van
herhaaldelijke terugval van
de Vazalo-toeslag naar de bijstand vanwege een lager dan verwacht jaarinkomen aangeduid. Meer in het algemeen
wordt hiermee gedoeld op een
instabiel arbeidspatroon, in die zin dat het aantal uren per periode dat
een alleenstaande ouder werkt gedurende het jaar varieert door
omstandigheden in het gezin (bijvoorbeeld ziekte van een kind, schoolvakanties
die moeten worden opgevangen of een instabiel arbeidspatroon van
de alleenstaande ouder).
Ten slotte is de bedoeling
dat per grootteklasse een aantal gemeenten een arbeidspool voor
alleenstaande ouders inricht. In de gemeenten waar een arbeidspool wordt
ingericht, krijgen alleenstaande ouders die gedurende het experiment aan
het werk gaan zoveel als mogelijk een dienstverband met de
arbeidspool aangeboden. De alleenstaande ouder komt voor een aantal uren
(minimaal twaalf uur per week) in dienst bij de arbeidspool van de aan het
experiment deelnemende gemeente en wordt gedetacheerd. De
alleenstaande ouder blijft in de bijstand, het loon wordt door de gemeente aangevuld
tot het niveau van de geldende bijstandsnorm. De
alleenstaande ouder krijgt een vast loon uitgekeerd op basis van het aantal uren
waarvoor het dienstverband is aangegaan, ook wanneer het zogenaamde
"duiventileffect" optreedt, bijvoorbeeld wanneer de alleenstaande
ouder tijdelijk niet of minder uren kan werken in verband met ziekte van
een kind of een instabiel arbeidspatroon. Voordeel hiervan, met name
ten opzichte van een nuluren- of oproepcontract, is de stabiliteit van het
inkomen: er treden geen schommelingen op door verrekening van
(sterk) wisselende inkomsten. Daarbij is de bedoeling dat het
dienstverband met de arbeidspool een tijdelijk karakter heeft (voor een eventuele
definitieve regeling wordt gedacht aan maximaal drie jaar) en dat
de alleenstaande ouder na afloop van deze periode is uitgestroomd uit
de bijstand. Het dienstverband wordt daartoe in het experiment zo
vormgegeven dat de alleenstaande ouder wordt gestimuleerd om meer uren te
gaan werken. Het is de bedoeling dat de alleenstaande ouder op een
zodanige wijze meer uren gaat werken dat deze na maximaal drie jaar
is uitgestroomd uit de bijstand. Het kan hierbij gaan om geleidelijke of
stapsgewijze urenuitbreiding (bijvoorbeeld per halfjaar), maar ook om een
(aanzienlijke) urenuitbreiding ineens. Maar uiteindelijk is het doel (in
de definitieve regeling) om in maximaal drie jaar te kunnen uitstromen uit de
bijstand. Bijvoorbeeld een alleenstaande ouder die start met twaalf uur
per week, gaat na een halfjaar zestien uur per week werken, na een jaar 20 uur,
enz. In ten hoogste vijf experimentgemeenten per grootteklasse zal een
arbeidspool worden ingericht. In de experimentgemeenten waar geen arbeidspool wordt
ingericht, is het aan de alleenstaande ouder zelf om
een dienstverband met een reguliere werkgever aan te gaan. De
gemeente kan hierbij ondersteuning bieden.
Deelname gemeenten aan het
experiment
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan op hun verzoek gemeenten aanwijzen die
deelnemen aan het experiment. In verband met de beheersbaarheid van het
experiment is gekozen voor een experiment met maximaal dertig
gemeenten, te weten ten hoogste tien gemeenten met 150 000 of meer inwoners, ten hoogste tien gemeenten met
50 000 of
meer inwoners, doch minder
dan 150 000 inwoners, en ten hoogste tien gemeenten met 10 000 of meer inwoners, doch minder dan
50 000
inwoners, zullen deelnemen
aan het experiment. Bij de selectie van de deelnemende gemeenten gelden
de volgende criteria.
De aan het experiment
deelnemende gemeenten moeten:
• een representatieve
afspiegeling vormen van alle Nederlandse gemeenten, zodat uit de
uitkomsten van het experiment conclusies kunnen worden getrokken over de effecten van de maatregelen voor de
volledige populatie
alleenstaande ouders. Het aantal alleenstaande ouders in de gemeente mag daarom
niet sterk afwijken van het gemiddelde aantal alleenstaande ouders
in vergelijkbare gemeenten;
• inzicht kunnen geven in
de omvang van de doelgroep alleenstaande ouders en in een aantal
kenmerken: hoogte, duur en aard van de inkomsten en de omvang van
het dienstverband van de alleenstaande ouder;
• inzicht kunnen geven in
de resultaten van de re-integratie-inspanningen voor deze doelgroep, dit om
de effecten van het experiment te kunnen scheiden van effecten van andere re-integratie-inspanningen
van de deelnemende
gemeenten.
Als op basis van deze
criteria meer dan het in artikel 3, zevende lid, bedoelde
maximale aantal gemeenten in aanmerking komt voor deelname aan het experiment, selecteert de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid op basis van
de betekenis die de deelname van een specifieke gemeente aan het
experiment heeft. Hierbij wordt in elke grootteklasse onderscheid
gemaakt tussen de gemeenten die wel en de gemeenten die niet een
dienstbetrekking in het kader van een arbeidspool willen aangaan met de
alleenstaande ouder. Tevens wordt de bereidheid van de gemeente bezien om in
beginsel de omvang van het dienstverband gedurende het experiment uit
te breiden. Ten slotte wordt gelet op de motivatie voor
deelname en de maatregelen (inclusief nazorg) die de gemeente al heeft genomen
om de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders te stimuleren en
inkomensschommelingen bij deze doelgroep op te vangen.
Begeleidingscommissie
Met betrekking tot dit
experiment wordt een begeleidingscommissie ingesteld op grond van
artikel 83, vierde lid, Wwb. Deze commissie zal
worden ingesteld nadat deze
algemene maatregel van bestuur is gepubliceerd in het Staatsblad.
Taken van deze commissie
zijn:
• het voeren van overleg
met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de
kwaliteit en doelmatigheid van het experiment;
• het becommentariëren
van de verslagen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, alsmede de
onderzoeksrapporten en het verslag, bedoeld in artikel
83, vijfde lid, Wwb;
• het verstrekken van
informatie over werkveld, literatuur, ander onderzoek en dergelijke aan
de onderzoekers;
• het fungeren als
intermediair tussen onderzoekers en werkveld.
De taken van de
begeleidingscommissie zijn met name gericht op het bewaken van de kwaliteit en
de doelmatigheid van het experiment. De commissie zal bestaan uit
vertegenwoordigers vanuit de wetenschap en gemeenten.
Tussentijdse evaluatie
Naar aanleiding van het
verzoek daartoe tijdens de voorhangprocedure, zal ik gedurende de looptijd
van het experiment een tussentijdse evaluatie uitvoeren, om indien nodig
het experiment tussentijds te kunnen bijstellen. Gelet op de
termijn die nodig is voor het verzamelen en verwerken van de benodigde
gegevens, wordt deze tussentijdse evaluatie vóór 1 oktober 2009 aan het
parlement aangeboden. Dit biedt ruimte om het experiment zo nodig bij
te stellen en tevens de effecten van de bijstelling te kunnen meten
en betrekken bij de resultaten van het experiment.
Resultaat van het experiment
Voorwaarde bij het uitvoeren
van een experiment is dat criteria worden gehanteerd die meetbaar en
objectief zijn. Daarom wordt na afloop van het experiment kwantitatief
en kwalitatief bezien in hoeverre de financiële prikkels en de inzet van
scholing/opleiding naast werk, als dan niet in het kader van een arbeidspool
hebben geleid tot een doeltreffender arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders op
basis van het aantal alleenstaande ouders dat (meer) is gaan
werken, het aantal alleenstaande ouders dat naast het werk
een door de gemeente aangeboden scholing heeft gevolgd en de
gerealiseerde uitstroom.
Van doeltreffendheid in de
arbeidsinschakeling is in ieder geval sprake, indien:
• 5% van de alleenstaande
ouders die bij aanvang van het experiment nog niet of minder dan twaalf uur (gemiddeld) per week werkte, minimaal
twaalf uur (gemiddeld) per week
arbeid is gaan verrichten;
• 25% van de
alleenstaande ouders die bij aanvang van het experiment al minimaal
twaalf uur
(gemiddeld) per week werkte, minimaal acht uur (gemiddeld) per week meer is
gaan werken; en
• in de
experimentgemeenten de uitstroom uit de bijstand van alleenstaande ouders op wie gedurende
minimaal drie maanden het experiment van toepassing is geweest,
minimaal 5% hoger ligt dan in een vergelijkbare groep gemeenten die niet
deelneemt aan het experiment.
Voor het eerste onderdeel is
hierbij uitgegaan van het gegeven dat circa 11% van de
bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders inkomsten uit deeltijdarbeid heeft,
waarvan ongeveer twee derde, dus circa 7,5% meer dan twaalf uur per week werkt.
Gegeven het aantal in deeltijd werkende alleenstaande ouders, de
tijdens het experiment in te zetten instrumenten en de duur van het
experiment, is de volgende doelstelling geformuleerd. Van de alleenstaande ouders
die bij aanvang van het experiment, of, als hun recht op bijstand op een
later moment is ontstaan, op dat latere moment minder dan twaalf uur per
week of helemaal niet werken, zal 5% in de periode van 1 januari
2009 tot en met 31 december 2010 minimaal twaalf uur per week arbeid
hebben verricht. Dit zou betekenen dat eind december 2010 12% van het totale aantal alleenstaande ouders in de
experimentgemeenten
deeltijdwerk verricht gedurende meer dan twaalf uur per week, en dat is
anderhalf maal zoveel als bij aanvang van het experiment.
De doelstellingen worden
bezien over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010, dit
is de periode waarin de inkomstenvrijlating wordt toegepast en waarin
ook het recht kan ontstaan op de jaarlijkse bonus in verband met
scholing of opleiding. De totale looptijd van het experiment is echter drie
jaar. Dit heeft ermee te maken dat de bonus voor scholing of opleiding na
afloop van het betreffende kalenderjaar wordt uitbetaald, dus in 2010 of
in 2011. Daarnaast kan tot uiterlijk 30 juni 2011 het recht op de eenmalige
uitstroompremie van €|500,- ontstaan, omdat deze wordt uitbetaald nadat
de uitstroom zes aaneengesloten maanden heeft geduurd. Ook
onderzoekstechnische redenen spelen een rol. Voor de beoordeling van de
resultaten van het experiment zijn cijfers nodig over aantallen alleenstaande
ouders op wie het experiment van toepassing is geweest, omvang en aard van
dienstverbanden, uitstroom, etc. Het gaat daarbij niet alleen om
cijfers van experimentgemeenten, maar deels (bijvoorbeeld uitstroom) om cijfers uit de
Bijstandsstatistiek (BUS) van het CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]. Deze gegevens zijn pas na enige
tijd beschikbaar. Om toch, zoals artikel 83,
vijfde lid, Wwb,
voorschrijft, vóór 1 oktober 2011 een eindrapport te kunnen presenteren, worden
de doelstellingen bezien over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31
december 2010.
Wat de eerste twee
doelstellingen betreft, zou het in het kader van het onderzoek de voorkeur hebben
om met een controlegroep van niet aan het experiment deelnemende gemeenten te vergelijken. Het gaat echter om gegevens (met name het
gemiddeld aantal gewerkte uren per week) die niet standaard door gemeenten worden geregistreerd. Registratie van
deze gegevens is wel een
voorwaarde voor deelname aan het experiment, en gemeenten die willen
deelnemen aan het experiment kunnen dit betrekken bij de afweging
zich al dan niet aan te melden voor het experiment. Maar het
opleggen van registratie van deze gegevens aan gemeenten die niet aan het
experiment deelnemen, zou een verzwaring van de administratieve
lasten en een kostenpost betekenen, zonder dat de betreffende gemeenten daar
direct belang bij hebben.
Financiering van het
experiment
De aan het experiment
deelnemende gemeenten ontvangen separaat, buiten het I-deel
[inkomensdeel, red.] van de Wwb
om, middelen ter gedeeltelijke financiering van het experiment. Voor het
experiment is maximaal €|7 mln beschikbaar op de begroting
van SZW. Met deze middelen wordt enerzijds een tegemoetkoming in de
kosten van het experiment verstrekt aan deelnemende gemeenten en
anderzijds worden hieruit de overige kosten van het experiment betaald,
zoals de kosten voor het onderzoeksbureau.
De tegemoetkoming aan
gemeenten wordt na afloop van het kalenderjaar aan de gemeenten uitbetaald,
aan de hand van de door hen op grond van artikel 6 overlegde gegevens. De tegemoetkoming bestaat uit
drie onderdelen:
1. een vergoeding voor de gemeenten die een arbeidspool inrichten. Het gaat om maximaal €|1,5
mln, uitgaande van het maximale aantal van vijftien arbeidspools
dat deel kan uitmaken van het experiment. De totale middelen (Y) worden
verdeeld naar rato van het aandeel van het gemiddeld aantal
alleenstaande ouders die met de gemeente een tijdelijke dienstbetrekking met een
vast overeengekomen arbeidsomvang (binnen een arbeidspool) van ten
minste twaalf uur zijn aangegaan (Xgem1) binnen deze totale groep
(Xtot1).
Xgem1 / Xtot1 * Y
2. een vergoeding gebaseerd
op het aandeel van het gemiddeld aantal alleenstaande ouders op wie
het experiment gedurende ten minste drie maanden van toepassing is
geweest (Xgem2) in het totaal van deze groep binnen alle deelnemende gemeenten (Xtot2). De beschikbare middelen hiervoor zijn gelijk aan €|3,5
mln met toevoeging van het verschil tussen de maximale
vergoeding van arbeidspools (€|1,5 mln) en de gerealiseerde vergoeding Y
(Y2). Deze vergoeding wordt als volgt verdeeld:
Xgem2 / Xtot2 * Y2
waarbij Y2 = 3,5 mln + (1,5
mln - Y)
3. een vergoeding voor de
bonus voor scholing, zoals beschreven in artikel 3, vierde lid,
gebaseerd op het aandeel van het gemiddeld aantal alleenstaande ouders dat
gedurende minimaal drie maanden scholing/opleiding heeft gevolgd in
combinatie met werken (Xgem3) in het totaal van deze groep binnen alle
deelnemende gemeenten (Xtot3). Hiervoor is €|1,5
mln beschikbaar. Deze wordt verdeeld volgens de formule:
Xgem3 / Xtot3 * €|1,5
mln.
Raming kosten experiment in
mln €:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
| Tegemoetkoming gemeenten |
|
0xxr |
2,6x |
3,9 |
| Overige kosten |
0,25 |
0,10 |
0,15 |
|
Procedure en duur van het
experiment
De beoogde startdatum van
het experiment is 1 januari 2009 en de beoogde looptijd ervan is
drie jaar. Uiterlijk drie maanden vóór het einde van het experiment (dus
vóór
1 oktober 2011) zal ik, overeenkomstig artikel
83, vijfde lid, Wwb,
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment
in de praktijk aan de Staten-Generaal zenden. Op basis van dit verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment, kan de afweging
worden gemaakt of er een definitieve regeling zal komen naar het
model van de regeling waarmee is geëxperimenteerd.
Ik acht, mede gezien het
advies van de Raad van State over het experiment Vazalo, een
looptijd van twee jaar voor de inkomstenvrijlating noodzakelijk om duidelijke
conclusies te kunnen trekken over de effectiviteit van de gedurende het
experiment ingezette instrumenten. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief
van 14 september 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 545, nr. 33) heb
aangegeven, kunnen de uitkomsten van het experiment betrokken worden
bij de keuzes rond de Wet Vazalo, die niet eerder dan per 1 januari
2011 in werking zal treden. Nu het onderhavige experiment betrekking heeft
op de Wwb en niet op de Wet Vazalo, is de duur van het experiment niet
van invloed op de datum van inwerkingtreding van de Wet Vazalo.
Adviezen
Het Uitvoeringspanel (hierna
te noemen het UP), waaraan gemeenten, de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten en de vereniging van Directeuren voor Sociale Diensten
[Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] (Divosa) deelnemen, heeft gevraagd
naar de begrenzing van de
doelgroep tot bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met een kind tot 12
jaar. Met deze leeftijd is aangesloten bij de voorwaarden die
gelden voor de fiscale combinatiekorting en tevens bij hetgeen in
artikel 9, vierde lid, Wwb is geregeld over de
plicht tot arbeidsinschakeling voor
alleenstaande ouders.
Over de maximale vrijlating
van €|120,- per maand heeft het UP opgemerkt dat deze lager is
dan de huidige maximale vrijlating in de Wwb. Daarnaast heeft het UP
aangegeven dat er gemeenten zijn die bij uitstroom premies geven die
hoger zijn dan €|500,-. Inderdaad bedraagt de huidige vrijlating €|181,-
per maand, maar deze geldt slechts gedurende maximaal zes maanden. In het
experiment is voor een maximum van €|120,- per maand gekozen om
de armoedeval zoveel mogelijk te beperken. Met die €|120,- is
tevens aangesloten bij de fiscale voordelen die alleenstaande ouders hebben
na uitstroom uit de bijstand. Bovendien moeten de verschillende
onderdelen van de financiële incentive in het experiment in onderlinge
samenhang worden bezien: naast de vrijlating kan de alleenstaande ouder
ook een bonus voor scholing ontvangen van €|50,- per maand (deze wordt
opgespaard en aan het einde van het kalenderjaar uitgekeerd) en
bij volledige uitstroom een uitstroompremie van €|500,-. Daarbij is in
het kader van de vergelijkbaarheid in het experiment van belang dat de
experimentgemeenten eenzelfde gecombineerde financiële incentive
hanteren, terwijl de huidige vrijlatings- en premieregelingen een
bevoegdheid van gemeenten zijn.
Verder heeft het UP gevraagd
waarom is gekozen voor een vrijlating naar rato van gewerkte uren
en niet naar rato van de hoogte van de inkomsten, omdat dit laatste
kan stimuleren een beter betaalde functie aan te nemen. Hiervoor is
gekozen omdat de alleenstaande ouder zo gemakkelijk van tevoren kan
zien hoe hoog de vrijlating zal zijn. Ook blijft meer werken in het
experiment steeds lonen. Bij 30 uur werken wordt de maximale vrijlating van €|120,- bereikt, maar dat aantal uren is ook voldoende om uit te stromen
uit de bijstand. Bij de huidige vrijlating is dat niet het geval: na 20 tot 24
uur werken is het maximum van de vrijlating bereikt.
Bij alleenstaande ouders met
een kind jonger dan 5 jaar wordt het voordeel van de vrijlating
van maximaal €|120,- per maand tenietgedaan, zo geeft het UP aan. Dit doordat de aan arbeid en zorg gerelateerde
heffingskortingen die voor
deze groep worden vrijgelaten, in mindering worden gebracht op de
vrijlating in het kader van het experiment. De reden hiervoor is dat
cumulatie van verschillende vrijlatingen niet gewenst wordt geacht. De
totale vrijlating zou in dat geval zo hoog worden dat aanzienlijke
armoedevaleffecten zouden optreden. En ook hier geldt dat de verschillende
onderdelen van de financiële incentive in samenhang moeten worden bezien: ook deze alleenstaande ouders
komen in aanmerking voor de
bonus voor scholing en de eventuele uitstroompremie.
Voorts heeft het UP aandacht
gevraagd voor de doorwerking van de vrijlating in de
inkomensafhankelijke regelingen. Voor de huur- en zorgtoeslag is deze doorwerking beperkt, pas vanaf een vrijlating van €|100,- per maand is er een
(zeer) beperkt effect. De doorwerking in de kwijtschelding van lokale
heffingen is wel aanzienlijk en daarom is hiervoor een regeling
getroffen: de inkomstenvrijlating in het kader van het experiment wordt niet in
aanmerking genomen bij de vaststelling van het inkomen in het kader van
de kwijtschelding van lokale heffingen.
Ten slotte heeft het UP
geadviseerd uit te gaan van een ruime omschrijving van het begrip
scholing en niet te rigide om te gaan met de bij de arbeidspool genoemde
stapsgewijze toename van het aantal gewerkte uren. Deze adviezen
zijn in het besluit verwerkt.
Naar aanleiding van het
verzoek om een toezichtbaarheidstoets uit te voeren, heeft de Inspectie
Werk en Inkomen (IWI) meegedeeld dat het ontwerpbesluit geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen met
betrekking tot de toezichtbaarheid. Wel heeft het ontwerpbesluit aanleiding gegeven tot het
maken van enige technische opmerkingen. De IWI geeft aan dat in artikel
2,
tweede lid, de voorwaarde ontbreekt dat de alleenstaande ouder
sollicitatieplichtig dient te zijn en dat dit impliceert dat het experiment ook van
toepassing is op alleenstaande ouders die niet sollicitatieplichtig zijn.
De IWI verwacht niet dat dit tot problemen zal leiden. Inderdaad kunnen personen
alleenstaande ouders die niet sollicitatieplichtig zijn, maar die wel aan het
werk gaan, onder het experiment vallen. Ik verwacht dat het om een
beperkt aantal gevallen zal gaan. Bovendien acht ik het niet bezwaarlijk
dat alleenstaande ouders die ondanks een ontheffing van de
sollicitatieplicht toch aan het werk gaan, deelnemen aan het experiment en zo worden
gestimuleerd te blijven werken of meer te gaan werken. Uiteindelijk is
het doel om zelfstandig in het levensonderhoud te kunnen voorzien en uit te
stromen uit de bijstand, ook voor bijstandsgerechtigden die
tijdelijk van de sollicitatieverplichting zijn ontheven of van de
sollicitatieverplichting zijn ontheven omdat zij tot de doelgroep van de
Wet sociale
werkvoorziening behoren.
Ten slotte is de suggestie
van de IWI overgenomen om de algemene toelichting op een aantal
punten te verduidelijken.
Artikelsgewijs
Artikel 2.
Doel experiment
Het experiment vindt plaats
in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011. Dit
besluit vervalt dan ook met ingang van 1 januari 2012 (zie artikel
9). De
periode waarover inkomensvrijlating plaatsvindt, loopt weliswaar tot en met
31 december 2010, maar in 2011 kan op grond van het artikel
3, vierde en
vijfde lid, nog betaling van premie plaatsvinden.
Artikel 3.
Inhoud experiment
In het zesde lid wordt
geregeld dat de premies, bedoeld in het vierde en vijfde lid, worden geacht
onderdeel uit te maken van een eventueel eerdere premie met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar. Aldus
wordt voorkomen dat betaling
van een premie op grond van het vierde of vijfde lid, nadat al een
premie is betaald als bedoeld in artikel 31, tweede
lid, onderdeel j, Wwb, tot
de conclusie zou moeten leiden dat de aldus betaalde premies behoren tot
de middelen van belanghebbende omdat geen sprake zou zijn van een
premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid,
onderdeel j, Wwb.
Met het tweede lid wordt
geregeld dat indien de alleenstaande ouder de arbeid verricht in een
dienstbetrekking met een vast overeengekomen arbeidsomvang het aantal
arbeidsuren waarover hij loon heeft ontvangen, wordt gesteld op het vast
overeengekomen aantal arbeidsuren per week. Aldus is zowel voor de
alleenstaande ouder als voor het college bij voorbaat duidelijk wat de
hoogte zal zijn van de inkomensvrijlating en hoeft het aantal verloonde
uren bovendien niet maandelijks te worden vastgesteld aan de hand van
bijvoorbeeld een loonstrook. Pas als de omvang van die
dienstbetrekking wijzigt of de dienstbetrekking eindigt, zal het aantal verloonde uren
opnieuw moeten worden vastgesteld. Mocht die wijziging of
beëindiging plaatsvinden in de loop van een kalendermaand, dan zal dat aantal uren voor
die kalendermaand wel moeten worden vastgesteld aan de
hand van een loonstrook of een soortgelijk bewijsmiddel.
Artikel 4.
Arbeidspool
Zoals in artikel
2, tweede
lid, is bepaald, wordt - mede - beoogd inzicht te krijgen in het effect van
het in dienst zijn van een arbeidspool van de gemeente
voor ten minste twaalf uur per week, welk aantal uren tijdens het experiment wordt uitgebreid.
Het is met het oog op het verkrijgen van inzicht in de effecten van
de vrijlatingsregeling, de premie en de combinatie van scholing/opleiding en
werk evenwel onwenselijk dat in alle deelnemende gemeenten zo’n
arbeidspool wordt ingericht. Derhalve wordt in dit artikel
geregeld dat het aantal gemeenten dat een arbeidspool inricht voor dit experiment
per categorie, genoemd in artikel 3, zevende lid, niet meer bedraagt dan
vijf.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
|
|