|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Beleidsregels
financieel maatregelenbeleid Ioaw, Ioaz, Bbz 2004 en Wwik
(vervallen)
- Beschikking aanwijzing adviserende instelling uitvoering Wwik
(vervallen)
- Beschikking aanwijzing adviserende instelling uitvoering
Wwik 2010 (vervallen)
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijstandverlening zelfstandigen
2004
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale
zekerheid
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz
- Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten (vervallen)
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit SUWI
- Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Regeling financiering en administratieve uitvoeringsvoorschriften Wwik
(vervallen)
- Regeling
statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling
Wet werk en inkomen kunstenaars (vervallen)
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Tijdelijke regeling uitkering aan
voormalig Wwik-gerechtigden (hangt niet
onder de Wwik)
- Uitvoeringsbesluit Wwik (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Tijdelijke regeling uitkering aan
voormalig Wwik-gerechtigden (vervallen)
- Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (vervallen)
- Wet werk en
bijstand
Inhoudsopgave
Wwik
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 7 |
| §
1.1x |
Begripsbepalingen |
artt.
1 - 3 |
| §
1.2x |
Middelen |
artt.
4 - 7 |
| Hoofdstuk
2 |
Het
recht op uitkering |
artt.
8 - 22 |
| §
2.1x |
De voorwaarden
voor het recht op uitkering |
artt.
8 - 11 |
| §
2.2x |
Vorm, hoogte en
duur van de uitkering |
artt.
12 - 19 |
| §
2.3x |
Aan de uitkering
verbonden verplichtingen |
art.
20 |
| §
2.4x |
Activerend beleid |
art.
21 |
| §
2.5x |
Maatregelen |
art.
22 |
| Hoofdstuk
3 |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
23 - 27 |
| Hoofdstuk
4 |
Terugvordering |
artt.
28 - 34 |
| Hoofdstuk
5 |
Uitvoering
en toezicht |
artt.
35 - 47 |
| §
5.1x |
Adviserende
instelling |
artt.
35 - 38 |
| §
5.2x |
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling |
artt.
39 - 44 |
| §
5.3x |
Toezicht |
artt.
45 - 45a |
| §
5.4x |
Informatie |
artt.
46 - 47 |
| Hoofdstuk
6 |
Financiering |
artt.
48 - 54 |
| §
6.1x |
Financiering
gemeente (vervallen) |
artt.
48 - 50 |
| §
6.2x |
Financiering
adviserende instelling |
artt.
51 - 53 |
| §
6.3x |
Voorzieningen |
art.
54 |
| Hoofdstuk
7 |
Wijziging
andere wetten |
artt.
55 - 72a |
| Hoofdstuk
8 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
73 - 81 |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29 574.
Handelingen II 2004-2005, blz. 910-927, 1349-1351, 1658-1658.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 574 (A, B).
Handelingen I 2004-2005, blz. 507-508.
Geschiedenis:
Staatscourant
2004, 251; Staatsblad
2004, 717; Staatsblad 2004, 718;
Staatsblad 2005, 192; Staatscourant
2005, 85; Staatsblad 2005, 345;
Staatsblad 2005, 434; Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 625; Staatscourant 2005, 248;
Staatsblad 2005, 691; Staatsblad
2005, 710; Staatscourant 2006, 129;
Staatsblad 2006, 415; Staatsblad
2006, 593; Staatscourant 2006, 251;
Staatsblad 2007, 153; Staatscourant
2007, 118; Staatsblad 2007, 490;
Staatsblad 2007, 551; Staatsblad
2007, 555; Staatscourant 2007, 249;
Staatsblad 2008, 197; Staatscourant
2008, 115; Staatsblad 2008, 312;
Staatsblad 2008, 510; Staatscourant
2008, 252; Staatsblad 2008, 586;
Staatsblad 2008, 600; Staatsblad
2008, 606; Staatsblad 2009, 108;
Staatscourant 2009, 117; Staatsblad
2009, 265; Staatsblad
2009, 282; Staatsblad 2009, 318;
Staatsblad 2009, 492; Staatsblad
2009, 592; Staatsblad 2009, 596; Staatscourant
2009, 19908; Staatsblad 2010,
350; Staatscourant
2010, 9678; Staatsblad 2010, 840; Staatsblad 2010,
838; Staatscourant
2010, 21334; Staatsblad 2011,
288; Staatscourant
2011, 10916; Staatsblad 2011,
442; Staatsblad 2011, 647; Staatsblad 2011, 645.
WET van 23 december 2004, Stb.
2004, 717, tot vaststelling
van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet
werk en inkomen kunstenaars). Inwerkingtreding: 1 januari 2005 (Stb.
2004, 718), zie artikel 80.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving alsmede ter
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van de kunstenaar
gewenst is te komen tot een nieuwe Wet werk en inkomen kunstenaars;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
§ 1.1.
Begripsbepalingen
Art. 1.
Begripsbepalingen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een
gemeente
als bedoeld in artikel 23;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in
artikel 35;
d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in
artikel 63 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of
bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van
de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt
verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of
bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste
kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk
beroep of bedrijf;
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen
als kunstenaar;
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet;
i.
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht.
Art. 2.
Gelijkstellingen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 596; Stb. 2011, 645]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld
met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders
dan door de dood of vermissing van één van de partners.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar
voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet,
de Wet investeren in jongeren
of de
Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn
aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding
die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en
gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van
het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98] [UW]
-6. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van
de ongehuwde meerderjarige.
-7. Onder voormalig pleegkind wordt
verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een
pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 3.
Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 596; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de
ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en
geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede
graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake
is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de
ongehuwde kunstenaar die de volledige zorg heeft voor één of
meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding
voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste
graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van
de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn
echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn
echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande
ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor
wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel
18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag
wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel
7, tweede lid, van die wet niet van
toepassing zou zijn.
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt
mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig
pleegkind van de ongehuwde.
§ 1.2. Middelen
Art. 4.
Middelen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2004, 717; Stb.
2005, 345; Stb. 2005,
525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 691;
Stb. 2005, 710; Stb.
2007, 490 + bis; Stb.
2008, 606; Stb. 2011, 645]
-1. Tot de middelen worden
alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de
kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de
middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het
levensonderhoud van de kunstenaar of zijn gezin door een niet in de
uitkering begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen
van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:
a. de middelen die deze
ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de
uitkering begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen
ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen;
d. een eigenwoningbijdrage
of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
e. elke vermindering of
teruggave van loonbelasting, inkomstenbelasting, premies
volksverzekeringen of een inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41
van de Zorgverzekeringswet;
f. vrije vergoedingen en
vrije verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk IIa van de Wet
op de loonbelasting 1964, voor zover deze meer bedragen dan de beroepskosten,
bedoeld in artikel 17;
g. inkomsten uit arbeid
van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen
uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid;
h. rente ontvangen over op
grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c en d, niet in
aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. bij ministeriële
regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en
immateriële schade; [RfauW]
j. giften en andere dan de
in onderdeel i bedoelde vergoedingen voor materiële en
immateriële schade, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt
van de verlening van de uitkering verantwoord zijn;
k. een uitkering als bedoeld in artikel
118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
l. tegemoetkomingen op grond van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
Art. 5.
Inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onder inkomen wordt
verstaan de op grond van artikel 4 in aanmerking genomen
middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit
of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit
verhuur, onderverhuur of het hebben van één of meer kostgangers,
socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen
overeenkomen; en
b. betrekking hebben op
het kalenderjaar waarover beroep op uitkering wordt gedaan.
-2. Middelen die het
karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar
het kalenderjaar waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter
hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in
aanmerking genomen naar het kalenderjaar waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
-3. Indien de echtgenoot
van de kunstenaar verkeert in een situatie als bedoeld in artikel
10,
wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van
de gehuwden tezamen, met inbegrip van de uitkering die zou worden
verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan het overeenkomstige bedrag,
bedoeld in artikel 8. Op
de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze
paragraaf van overeenkomstige toepassing.
-4. In afwijking van het
derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in
aanmerking genomen voor zover deze het overeenkomstige bedrag,
bedoeld in artikel 8, te boven gaat.
Art. 6.
Bijzonder
inkomen [Geschiedenis:
MvT; Stcrt. 2004, 251; versie 23 december 2004;
Stcrt. 2005, 248; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 249;
Stcrt. 2008, 252; Stcrt.
2009, 19908; Stb. 2011, 645]
-1. Indien inkomen in
natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan
vastgesteld op het daarvoor door de kunstenaar of zijn gezin opgeofferde bedrag.
-2. Het inkomen uit
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking
genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud
waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor
levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die
wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende
studerende: €|310,23 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende
studerende: €|557,27 per kalendermaand.
-3. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in
aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld
in artikel 4.3 van die
wet.
Art. 7.
Vermogen [Geschiedenis:
MvT;
Stcrt. 2004, 251 + bis; versie 23 december 2004;
Stcrt. 2005, 248 + bis;
Stcrt. 2006, 251 + bis;
Stcrt. 2007, 249 + bis;
Stcrt. 2008, 252 + bis;
Stcrt. 2009, 19908 + bis;
Stcrt. 2010, 21334 + bis;
Stb. 2011, 645]
-1. Onder vermogen wordt
verstaan:
a. de waarde van de
bezittingen waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken bij aanvang van de uitkering, verminderd met de
aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de
waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden
ontvangen in de periode waarover uitkering is toegekend, voor zover deze
geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 5 of
6.
-2. Niet als vermogen wordt
in aanmerking genomen:
a. vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;
b. bezittingen in natura
die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan
wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin,
noodzakelijk zijn;
c. het bij de aanvang van
de uitkering aanwezige vermogen, voor zover dit minder bedraagt dan
de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid;
d. spaargelden opgebouwd
tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen;
e. het vermogen gebonden
in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
voor zover dit minder bedraagt dan €|46 900,00;
f. vergoedingen voor
immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
onderdeel i
en j.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: €|5555,00;
b. voor een alleenstaande
ouder: €|11 110,00;
c. voor de gehuwden
tezamen: €|11 110,00.
-4. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de
periode waarover uitkering is toegekend en op middelen als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing
zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd
met het vermogen dat:
a. bij aanvang van de
uitkering niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid,
onderdeel c;
b. tijdens de uitkering
niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het tweede
lid, onderdeel a. [UW]
HOOFDSTUK
2
Het recht
op uitkering
§ 2.1. De voorwaarden
voor het recht op uitkering
Art. 8.
Voorwaarden
voor het recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; Stcrt.
2004, 251; versie 23 december 2004;
Stcrt. 2005, 85; Stcrt.
2005, 248; Stcrt. 2006, 129;
Stcrt. 2006, 251; Stcrt.
2007, 118; Stcrt. 2007, 249;
Stcrt. 2008, 115; Stcrt.
2008, 252; Stb. 2008, 586;
Stcrt. 2009, 117; Stcrt.
2009, 19908; Stcrt. 2010,
9678; Stcrt. 2010, 21334;
Stcrt. 2011, 10916; Stb.
2011, 645]
De kunstenaar heeft recht
op uitkering indien hij, of voor zover van toepassing zijn gezin:
a. niet over in aanmerking
te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen
inkomen per maand:
1º. van een alleenstaande
lager is dan €|1175,56;
2º. van een alleenstaande
ouder lager is dan €|1468,28;
3º. van gehuwden lager is
dan €|1550,01; en
b. gedurende een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar
werkzaam is geweest en in die periode met die werkzaamheden een bij die
algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven; of
[UW]
c. de aanvraag op grond
van deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden nadat hij met
goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette
opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette opleiding
bouwkunst als bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding gericht is op
de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee
vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij
ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid. [RfauW]
[RW]
Art. 9.
Recht op
uitkering bij eigen woning [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. De kunstenaar die
eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met
bijbehorend erf, of die woonachtig is in een woning met bijbehorend
erf waarvan zijn echtgenoot eigenaar is, heeft recht op uitkering voor
zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de
woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan
worden verlangd.
-2. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een
woonwagen of een woonschip.
Art. 10.
Uitsluitingsgronden [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2010, 840; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645]
-1. Geen recht op uitkering
heeft de kunstenaar die:
a. buiten Nederland zijn
woonplaats heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die
per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland,
dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf
houdt buiten Nederland;
b. niet rechtmatig
verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l, van de Vreemdelingenwet
2000;
c. rechtens zijn vrijheid
ontnomen is;
d. zich
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
e.
de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt;
f. onbetaald verlof geniet
als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet of die
gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen
daarvan het gevolg is, tenzij de kunstenaar alleenstaande ouder is en
hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet arbeid en zorg.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende
vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met
e
en l, van de Vreemdelingenwet
2000, recht op uitkering hebben,
onverminderd de overige vereisten voor dat recht: [BgvWWIIWW]
[UW]
a. ter uitvoering van een
verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. indien zij, na
rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel
a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-3. Het eerste lid,
onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b,
van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. [Bevsz] [Rjj]
[UW]
-4. Het eerste lid,
onderdeel a, is niet van toepassing indien het verblijf buiten Nederland
noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening, zo nodig gehoord de
adviserende instelling.
-5. De kunstenaar die op
grond van artikel 8, onderdeel b, geen recht heeft op uitkering, of
wiens uitkering op grond van artikel 11, eerste lid,
onderdeel b of
c, is
beëindigd, heeft niet eerder recht op uitkering dan nadat een periode van zes
kalendermaanden na het tijdstip van het besluit tot afwijzing, dan wel het
tijdstip van de beëindiging van uitkering, is verstreken.
Art. 11.
Beëindigingsgronden [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2008, 586; Stb.
2009, 592; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 645]
-1. Onverminderd de
artikelen 8, 10, 19, 25 en
26 wordt het recht op uitkering beëindigd,
indien de kunstenaar:
a. of zijn gezin over in
aanmerking te nemen vermogen is komen te beschikken of over een in
aanmerking te nemen inkomen gelijk aan of hoger dan het voor hem
geldende bedrag, bedoeld in artikel 8, onderdeel a;
b. niet kan aantonen
alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volgens bij
algemene maatregel van bestuur nader te bepalen voorwaarden in
ieder geval gedurende de periode, bedoeld in artikel 19, eerste en
tweede lid, over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand
aan respectievelijk de dertiende uitkeringsmaand €|2800,00, de vijfentwintigste uitkeringsmaand €|4400,00 en de zevenendertigste uitkeringsmaand €|6000,00 te hebben
verworven;
[Bbz04]
[UW]
c. niet kan aantonen in
enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest; [UW]
d. of zijn echtgenoot
daarom verzoekt.
-2. Het college onderzoekt regelmatig of de
omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c,
zich voordoen.
-3. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen
omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid
plaatsvinden en het tijdstip van
beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b en c, zich voordoet. [RfauW]
§ 2.2. Vorm, hoogte en
duur van de uitkering
Art. 12.
Vaststelling
en betaling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De uitkering wordt per
kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalenderjaar
vastgesteld.
Art. 13.
Vorm uitkering
bij vermogen in eigen woning en verplichte zekerheidstelling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Indien voor de
kunstenaar, bedoeld in artikel 9, recht op uitkering bestaat, heeft die
uitkering, in afwijking van artikel 12, de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding voor zover het vermogen gebonden in de
woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
-2. De uitkering in de vorm
van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding,
bedoeld in het eerste lid, wordt verleend tot een bedrag gelijk aan het
vermogen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
-3. Indien de uitkering
wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek of verpanding, komen de kosten verbonden aan de taxatie van de
waarde van de woning, de hypotheekakte en de inschrijving van de
hypotheek of verpanding, alsmede de bijkomende kosten, ten laste van de
kunstenaar. Voor deze kosten kan het college een uitkering verlenen die
begrepen wordt onder de geldlening onder verband van hypotheek of
verpanding.
-4. Indien na beëindiging
van uitkering onder verband van hypotheek of verpanding opnieuw recht
op uitkering bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst
gevestigde hypotheek of verpanding.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf en de voorwaarden
waaronder uitkering in de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding wordt verleend. [UW]
Art. 14.
Voorschot [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 265; Stb.
2011, 645]
-1. Het door het college verleende
voorschot heeft de vorm van een renteloze geldlening.
-2. Indien een uitkering wordt verleend
over een periode waarover met toepassing van het eerste lid één of
meer voorschotten is verleend, kan deze uitkering zonder machtiging van
de kunstenaar worden verrekend met het voorschot of de voorschotten.
Art. 15.
Hoogte van de
uitkering [Geschiedenis:
MvT; Stcrt.
2004, 251; versie 23 december 2004;
Stcrt. 2005, 85; Stcrt.
2005, 248; Stcrt. 2006, 129;
Stcrt. 2006, 251; Stcrt.
2007, 118; Stcrt. 2007, 249;
Stcrt. 2008, 115; Stcrt.
2008, 252; Stcrt. 2009, 117;
Stcrt. 2009, 19908; Stcrt.
2010, 9678; Stcrt. 2010,
21334; Stb. 2010,
838; Stcrt. 2011, 10916;
Stb. 2011, 645]
-1. De uitkering bedraagt
per kalendermaand voor:
a. een alleenstaande: €|745,39;
b. een alleenstaande
ouder: €|1034,28;
c. gehuwden: €|1103,51.
-2. Indien de echtgenoot
van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, wordt de hoogte van de uitkering
vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
-3. Vooruitlopend op de
definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in
artikel 16, kan op de uitkering het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin
in mindering worden gebracht, voor zover de som van het bedrag, genoemd
in het eerste lid, en het inkomen in een kalendermaand waarin
recht op uitkering bestaat, meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel
16, tweede lid, onderdeel b.
Art. 16.
Definitieve
vaststelling [Geschiedenis:
MvT; Stcrt.
2004, 251; versie 23 december 2004;
Stcrt. 2005, 85; Stb.
2005, 525; Stcrt. 2005, 248;
Stcrt. 2006, 129; Stcrt.
2006, 251; Stcrt. 2007, 118;
Stcrt. 2007, 249;
Stcrt. 2008, 115; Stcrt.
2008, 252; Stcrt. 2009, 117;
Stcrt. 2009, 19908; Stcrt.
2010, 9678; Stcrt. 2010,
21334; Stb.
2011, 288; Stcrt. 2011, 10916;
Stb. 2011, 645]
-1. Uiterlijk in het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin uitkering is verleend en
binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens heeft
verstrekt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 15, definitief
vastgesteld.
-2. Bij de definitieve
vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het volgende
uitgegaan:
a. over de periode in het
kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen, wordt niet in
aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het
in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag,
vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41
van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hen
niet op grond van
artikel 46 van de Zorgverzekeringswet
zijn vergoed;
b. het na toepassing van
onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking
genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is
verleend, voor zover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag,
genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer
bedraagt dan:
1º. €|1550,63 voor
een alleenstaande;
2º. €|2010,67 voor
een alleenstaande ouder;
3º. €|2149,97 voor
gehuwden.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij
een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken
van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen
van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over
de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met
ingang waarop de uitkering is beëindigd, voor zover dat inkomen tezamen met
het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid,
over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing
zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.
-4. Indien het bedrag van
de voorlopig verleende uitkering, bedoeld in artikel 15:
a. lager is dan de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt voor het verschil
ambtshalve uitkering verleend;
b. hoger is dan de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het bedrag dat
hoger is dan de definitief vastgestelde uitkering teruggevorderd met
toepassing van artikel 28.
Art. 17.
Beroepskosten [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Bij de toepassing van
de artikelen 8, 15 en 16 wordt het inkomen, bedoeld in die artikelen,
verminderd met de in aanmerking te nemen beroepskosten.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot de in aanmerking te nemen beroepskosten en het inkomen waarover deze
kosten worden gerekend. [UW]
Art. 18.
Herziening
bedragen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 192 + bis;
Stb. 2005, 525; Stb. 2010, 840;
Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 647
+ bis + bis; Stb. 2011, 645]
-1. Met ingang van de dag
waarop het nettominimumloon wijzigt, worden de brutonormen en
bedragen, genoemd in de artikelen 8, onderdeel a,
15 en 16,
herzien.
-2. Onder nettominimumloon
wordt verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop
een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat minimumloon
ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te
houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van
de Zorgverzekeringswet.
-3. De in het tweede lid
bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een
werknemer jonger dan 65 jaar, rekening houdend met
uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van
de Wet op
de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de
aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel
46 van
de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de premies
werknemersverzekeringen.
-4. Indien ingevolge één
van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan
het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële
regeling voor de toepassing van het tweede lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
[Bvrw] [UW]
-5. Bij de vaststelling van
de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten
aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene
heffingskorting, alsmede met de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet,
en de
vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen,
genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2º,
15, eerste lid, onderdeel b, en 16, tweede lid, onderdeel
b, onder 2º, is tevens rekening
gehouden met de alleenstaandeouderkorting.
-6. De vereveningsbijdrage,
bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het bedrag van de premie die
een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het
overeengekomen loon van een werknemer die is verzekerd op grond van
deze wet inhoudt.
-7. Van de herziene normen
en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Art. 18a.
Aanpassing
middelen [Geschiedenis:
versie 23 december 2004; Stb.
2006, 593; Stb. 2011, 645]
-1. Met ingang van de dag
waarop de som wijzigt van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd
in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
studiefinanciering 2000,
en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die
wet wordt verstrekt aan een studerende die ten onrechte over een
kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, worden de in artikel
6, tweede
lid, genoemde bedragen zodanig herzien dat deze gelijk zijn aan deze som.
-2. Met ingang van 1
januari van elk kalenderjaar worden de in artikel 7, tweede lid, onderdeel
e,
en derde lid, genoemde bedragen herzien met de procentuele stijging van
de consumentenprijsindex.
-3. Van de herziene
bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Art. 19.
Duur uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Het recht op uitkering
bestaat, al dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar.
-2. Het recht op uitkering
eindigt in elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de
eerste maal uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
-3. Het college onderzoekt
regelmatig of het recht op uitkering op grond van het eerste en tweede
lid nog bestaat.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van
het derde lid. [RfauW]
§ 2.3. Aan de uitkering
verbonden verplichtingen
Art. 20.
Verplichtingen
verbonden aan uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 434; Stb.
2007, 555; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 645]
-1. Het college kan aan de
uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de
aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of
beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die het
college nodig acht voor
een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
-2. De kunstenaar is
verplicht:
a. naar behoren een
administratie te voeren;
b. zich naar vermogen in
te spannen om met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien
al dan niet in een gemengde beroepspraktijk;
c. aan het college op
verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de
uitkering, of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald. De
verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het
college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift
als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij
ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is;
d. aan het college
desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º
tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te
verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van
deze wet;
e. aan de adviserende
instelling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te
doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitoefening
van de taken van de adviserende instelling;
f. zich naar vermogen in
te spannen om gebruik te maken van de, op verzoek van de
kunstenaar, aangeboden voorzieningen, bedoeld in artikel
21.
-3. De kunstenaar legt de
administratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uiterlijk
binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar over aan het college:
1º. uit eigener beweging
over ieder kalenderjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in
artikel 16; of
2º. op verzoek van het
college.
-4. De verplichtingen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c en d, gelden ook voor de
echtgenoot van de kunstenaar. Voor zover het betreft de echtgenoot die arbeid
in een eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht, geldt de
verplichting, bedoeld in het derde lid, ook voor de echtgenoot.
-5. Het college stelt bij
de uitvoering van deze wet ten aanzien van de kunstenaar en zijn
echtgenoot op wie de verplichting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
d, rust, de identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht en neemt de aard en het nummer daarvan op in de administratie.
§ 2.4. Activerend beleid
Art. 21.
Activerend
beleid [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb.
2005, 625; Stb. 2011, 645]
-1. Op verzoek van de
kunstenaar die uitkering ontvangt op grond van deze wet kan het
college, zo nodig gehoord de adviserende instelling, aan hem voorzieningen
aanbieden gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in
het kader van de uitoefening van een gemengde beroepspraktijk.
-2. Het college kan
werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid,
worden uitgevoerd, laten verrichten door derden. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent regels worden
gesteld. [BS] [UW]
-3. Het college kan de
voorziening, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de kunstenaar ook aan
zijn echtgenoot aanbieden.
-4. De gemeenteraad van een gemeente waarvan het college is aangewezen op grond van
artikel 23, eerste lid, stelt bij verordening regels met betrekking tot de
toepassing van het eerste lid.
§ 2.5. Maatregelen
Art. 22.
Maatregelen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
-1. Het college kan de uitkering tijdelijk
geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van
een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
ernstig misdragen;
b. een verplichting als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede lid,
onderdeel a, b,
c en d,
of derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen; of
c. een verplichting als
bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel c en e, of derde lid, niet
binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen;
d. of zijn echtgenoot de
verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, niet of niet behoorlijk
is nagekomen;
e. of zijn echtgenoot de
verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, met uitzondering van de
verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel d, niet binnen
de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de kunstenaar of zijn echtgenoot de gedraging verweten kan
worden en de omstandigheden waarin de kunstenaar of zijn gezin verkeert.
Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De gemeenteraad stelt bij verordening
regels met betrekking tot:
a. de
maatregel, bedoeld in het eerste lid;
b. de
bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van
misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële
beheer.
HOOFDSTUK
3
Het
geldend maken van het recht op uitkering
Art. 23.
Woonplaats en
aanvraag [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Het recht op uitkering
bestaat jegens het college van een daartoe bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen gemeente waartoe de kunstenaar, gelet op zijn
woonplaats als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, behoort. [UW]
-2. De aanvraag wordt
ingediend bij het college.
-3. Indien de kunstenaar
gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk
ingediend, dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming
van de ander.
-4. Het college stelt het
recht op uitkering op aanvraag vast.
-5. Het college besluit,
gehoord de adviserende instelling, of:
a. de aanvraag is
ingediend door een kunstenaar en of aan de eisen, bedoeld in artikel
8, onderdeel b en c, voldaan wordt; of
b. de uitkering moet
worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder c.
Art.
23a. Gemeenschappelijke regelingen [Geschiedenis:
Stb. 2007, 551; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 645]
Indien bij een gemeenschappelijke
regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is
overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in
artikel 8 van die
wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met
uitzondering van de paragrafen 5.4 en 6.3, in de plaats van de betrokken colleges.
Art. 24.
Toekenning
recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Indien door het college
is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering
toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet
ligt vóór de dag waarop de kunstenaar zich heeft gemeld om een uitkering
aan te vragen.
-2. Indien de kunstenaar de
aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft
gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste
lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de
aanvraag is ingediend.
-3. Het college stelt het
recht op uitkering niet eerder vast dan nadat het college uit het
onderzoek, bedoeld in artikel 19, derde lid, is gebleken dat recht op uitkering
bestaat als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid.
Art. 25.
Opschorting [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
-1. Indien de kunstenaar of
zijn echtgenoot de voor de verlening van de uitkering van belang
zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de
kunstenaar of zijn echtgenoot anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek, kan het college het recht op uitkering voor de duur van
ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van
de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim
betrekking heeft.
-2. Indien bij de
beoordeling van het recht op een uitkering blijkt dat het door de kunstenaar
verstrekte adres van hemzelf of van zijn echtgenoot afwijkt van het adres
waaronder de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens staat ingeschreven, schort het college het recht op een
uitkering op.
-3. Geen opschorting vindt
plaats, indien:
a. de afwijking van de
adresgegevens redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op
of de hoogte van de uitkering;
b. de kunstenaar of zijn
echtgenoot van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden
gemaakt; of
c. daarvoor naar het
oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het college doet
schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste en tweede
lid, aan de kunstenaar en stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen een
door hem te stellen termijn het verzuim of de afwijking te herstellen.
-5. De opschorting wordt
beëindigd zodra het college gebleken is dat de afwijking niet meer
bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vierde lid gestelde
termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de
uitkering of trekt hij dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op een
uitkering is opgeschort.
Art. 26.
Herziening [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
-1. Onverminderd het elders
in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking
van een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van
uitkering, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging
als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk
nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-2. Als de kunstenaar of
zijn echtgenoot in het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, het
verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het
college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van
uitkering intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is
opgeschort.
Art. 27.
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. De uitkering is niet
vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Een machtiging tot het
in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met
dit artikel is nietig.
HOOFDSTUK
4
Terugvordering
Art. 28.
Terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
Kosten van de uitkering kunnen door het college worden teruggevorderd in de gevallen en naar de
regels, bedoeld in dit hoofdstuk, en in de gevallen, bedoeld in artikel
16.
Art. 29.
Terugvorderingsgronden [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 592; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 645]
-1. Het college kan de kosten van de
uitkering terugvorderen, voor zover de uitkering:
a. ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is verleend;
b. ingevolge artikel 14
bij wijze van een voorschot is verleend en na onderzoek is vastgesteld
dat over de betrokken periode geen recht op een uitkering bestaat;
c. anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen
begrijpen; of
d. anderszins
onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de kunstenaar of zijn gezin
naderhand met betrekking tot het kalenderjaar waarover uitkering is
verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 1.2
beschikt of kan beschikken, voor zover deze middelen bij de
definitieve vaststelling op grond van artikel 16 zouden hebben geleid tot
terugvordering van uitkering indien op het moment van deze definitieve
vaststelling al over deze middelen zou zijn beschikt.
-2. Terugvordering als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt niet plaats indien de
betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending
van het besluit tot terugvordering.
-3. Bij gebreke van tijdige betaling kan de
vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende
kosten.
Art. 30.
Terugvordering
bij het niet voldoen aan de verplichting tot verlenen van inzage
in de administratie [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
Het college kan de kosten van de uitkering over het voorgaande
kalenderjaar terugvorderen, voor
zover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de
verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin.
Art. 31.
Vervallen. [Geschiedenis:MvT
versie 23 december 2004; Stb.
2008, 510; Stb. 2009, 592;
Stb. 2011, 645]
Art. 32.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
Art. 33.
Terugvordering
gezinsleden [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onverminderd de
artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en
30 kunnen kosten van
uitkering, indien de uitkering aan een gezin wordt verleend, van alle
gezinsleden worden teruggevorderd.
-2. Indien de uitkering als
gezinsuitkering aan gehuwden had moeten worden verleend, maar
zulks achterwege is gebleven, omdat de kunstenaar of zijn
echtgenoot de verplichtingen, bedoeld in artikel 20, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, kunnen de kosten van de uitkering mede worden teruggevorderd van
de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 1.2 bij de
verlening van uitkering rekening had moeten worden gehouden.
-3. De in het eerste en
tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de
terugbetaling van kosten van uitkering die worden teruggevorderd.
Art. 34.
Besluit tot
terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 318; Stb. 2011, 645]
-1. De kunstenaar van wie kosten van
uitkering worden teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het
college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond
van dit hoofdstuk van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten van de
uitkering, bedoeld in dit hoofdstuk, invorderen bij dwangbevel.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid,
geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van
wie kosten van uitkering worden teruggevorderd.
-4. Zolang de kunstenaar zijn verplichting,
bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de
vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij invordering van kosten van uitkering bij dwangbevel.
-5. Terugvordering van kosten van uitkering
als bedoeld in dit hoofdstuk is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de
vorderingen in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
HOOFDSTUK
5
Uitvoering
en toezicht
§ 5.1. Adviserende
instelling
Art. 35.
Adviserende
instelling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
wijst
één adviserende instelling ¹ aan die tot taak heeft het college van advies te
dienen of: [BaaiuW] [BaaiuW10]
a. de aanvraag is
ingediend door een kunstenaar en of aan de eisen, bedoeld in de artikel
8, onderdeel b en c, is voldaan;
b. de uitkering moet
worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder c;
c. het aanbieden van een
voorziening als bedoeld in artikel 21 noodzakelijk is;
d. verblijf in het
buitenland als bedoeld in artikel 10, vierde lid, noodzakelijk is in
verband met de beroepsuitoefening als kunstenaar.
-2. De adviserende
instelling is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die
blijkens haar statuten tot doel heeft of mede tot doel heeft taken als
bedoeld in het eerste lid te vervullen.
-3. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
1.
Stichting Cultuur-Ondernemen, Nieuwe Herengracht 119, postbus 2617,
1000 CP Amsterdam, 020-5352500, www.cultuur-ondernemen.nl,
red.
Art. 36.
Intrekking
aanwijzing adviserende instelling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
trekt de
aanwijzing van de adviserende instelling in, indien de instelling:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard.
-2. Onze Minister kan de
aanwijzing van de adviserende instelling intrekken, indien de
instelling:
a. haar taak niet naar
behoren heeft vervuld;
b. haar statuten heeft
gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. heeft gehandeld in
strijd met haar statuten of de voorschriften, bedoeld in artikel
35,
derde lid.
Art. 37.
Besluit tot
intrekking van de aanwijzing [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
regelt in
een besluit tot intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel
36, zo
nodig de gevolgen van die intrekking.
-2. Een besluit tot
aanwijzing of tot intrekking van de aanwijzing bepaalt de dag waarop de
aanwijzing onderscheidenlijk de intrekking ingaat. Het besluit wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art. 38.
Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Onze Minister oefent de
hem in de artikelen 35, 36 en 37 verleende taken en bevoegdheden uit
in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
§ 5.2. Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 39.
Inlichtingenverplichting werkgever [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2007, 555; Stb.
2011, 645]
-1. Een ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos
opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van
de kunstenaar of zijn echtgenoot te wiens behoeve uitkering is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid
verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten
van de kunstenaar of zijn echtgenoot van wie kosten van uitkering
ingevolge hoofdstuk 4 worden of kunnen worden teruggevorderd.
-2. De opgaven en
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd binnen een door het college schriftelijk te
stellen termijn verstrekt.
Art.
40.
Inlichtingenverplichting instanties [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 691; Stb. 2006, 415;
Stb. 2007, 153; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 197;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 108; Stb. 2009, 492;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645]
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college, kosteloos,
opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken
5 en 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. de belastingdienst;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in
artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit,
bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen
1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet
of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de
bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen,
stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en
andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die in
het kader van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit
lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet
2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of
onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, betreffende de toepassing van de Wet
studiefinanciering 2000,
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
i. Onze
Minister van Justitie ¹ voor zover het betreft de kunstenaar of een lid
van zijn gezin die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of die zich onttrekt
aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel;
j. de adviserende
instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van
advies dient;
k. de instanties en
personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in
het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen;
n. de Belastingdienst/Toeslagen
betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet
bevordering eigenwoningbezit.
-2. Het vragen door het college en het
verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het
eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst
van het Inlichtingenbureau. [BIg] [UW]
-3. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
het college, kosteloos, alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-4. De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken
zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van
uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk
4;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs
kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een
uitkering is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van
een uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk
4.
-5. De in het eerste lid en
het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd
schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en
zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst
van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-6. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, genoemde instanties treffen desgevraagd met
het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking
tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven
en inlichtingen.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent
het tweede lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid
bedoelde regelingen. [BIg] [BS]
[UW]
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen één of meer van de in het eerste lid bedoelde
instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te
verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan
deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende
personen opslaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
[BIg] [BS]
[UW]
-9. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in
het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de
verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, eveneens gelden,
voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven.
-10. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met
opsporingsbevoegdheid.
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid
is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het
burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer.
1. Volgens de redactie
dient "Onze Minister van Justitie" te
worden vervangen door: Onze Minister van Veiligheid
en Justitie.
Art. 41.
Geheimhoudingsplicht [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Het is een ieder
verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van
deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is
voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de
gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de
verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer
van de kunstenaar of zijn gezin daardoor niet onevenredig wordt
geschaad.
-4. Degene die op grond van
de artikelen 39 tot en met 44 gegevens verstrekt, dient na te
gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs
bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Art. 42.
Vermoeden
misdrijf [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Het college is verplicht
indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt
van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of
buitenlands uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van
een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voor zover dit is belast
met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen
dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis
te stellen.
Art. 43.
Inlichtingenverplichting gemeenten [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 691; Stb. 2006, 415;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 282; Stb. 2010, 350;
Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 645]
-1. Het college is bevoegd
uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107
van de Vreemdelingenwet
2000, uit de administratie ter zake van de uitvoering
van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de
gegevens te verstrekken:
a. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken
5 en 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. de belastingdienst
voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de
sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2,
onderdeel a en c, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen
als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet
en de Belastingdienst/Toeslagen voor de
uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en
bijstand,
de Wet investeren in jongeren,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het College
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit,
bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van artikelen
1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet
of van de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten voor de uitvoering van de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
e. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen;
f. buitenlandse organen
voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao
en Sint Maarten voor de vervulling van een taak
van zwaarwegend algemeen belang;
h. de adviserende
instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van
advies dient;
i. Onze
Minister van Justitie ¹ in verband met de tenuitvoerlegging van
vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke
levenssfeer van de kunstenaar of zijn gezin daardoor onevenredig
wordt geschaad.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te
worden verstrekt. [BS] [UW]
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid
worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld
in het eerste lid, eveneens gelden. [BS]
[UW]
1. Volgens de redactie
dient "Onze Minister van Justitie" te
worden vervangen door: Onze Minister van Veiligheid
en Justitie.
Art. 44.
Burgerservicenummer [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 108; Stb.
2011, 645]
-1. In de administratie van de gemeente,
de adviserende instelling en het Inlichtingenbureau
wordt met het oog op de uitvoering van deze wet het burgerservicenummer,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer, opgenomen van een
natuurlijke persoon.
-2. Bij de verstrekking van
gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in de artikelen 40
en 43 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik
gemaakt van dit burgerservicenummer. Derden die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen,
gebruiken het burgerservicenummer slechts voor zover dat
noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, worden uitgevoerd.
§ 5.3. Toezicht
Art. 45.
Toezicht door Onze Minister [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb.
2007, 551; Stb. 2011, 442;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
houdt
toezicht op:
a. de rechtmatigheid van
de uitvoering van deze wet door het college;
b. de doeltreffendheid van
deze wet.
-2. Het toezicht, bedoeld
in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door
de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding
van het hoofd van die inspectie. De artikelen
37, 38, 42 en
44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen zijn van overeenkomstige
toepassing.
-3. Onze Minister kan,
indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet
ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het
gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming
inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn
opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft
gebracht met deze aanwijzing.
Art.
45a. Toezicht door gemeenten [Geschiedenis:
Stb. 2007, 551; Stb.
2011, 645]
Met het toezicht op de naleving van
deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen
ambtenaren.
§ 5.4. Informatie
Art.
46. Uitvoeringsbeeld [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 434; Stb.
2008, 312; Stb. 2011, 645]
-1. Het college dient jaarlijks bij Onze
Minister een beeld van de uitvoering in.
-2. Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld inzake het beeld van de uitvoering. [RfauW]
-3. Het college verstrekt kosteloos het beeld
van de uitvoering.
Art. 47.
Informatievoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 442; Stb.
2011, 645]
-1. Het college, de
gemeenteraad en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd
aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de
statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze
wet nodig heeft.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop het college, de gemeenteraad en de adviserende instelling de
in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken. [RfauW]
[RsWIIW]
-3. De inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, worden door het college kosteloos verstrekt.
HOOFDSTUK
6
Financiering
§ 6.1. Financiering
gemeente
Vervallen
Art. 48.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2005, 525; Stb.
2008, 312; Stb. 2009, 592;
Stb. 2011, 645]
Art. 49.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
Art. 50.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2008, 312; Stb.
2009, 592; Stb. 2011, 645]
§ 6.2. Financiering
adviserende instelling
Art. 51.
Vergoeding
adviserende instelling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
vergoedt
ten laste van ’s Rijks kas de door de adviserende instelling
gemaakte uitvoeringskosten overeenkomstig de krachtens het derde lid,
onderdeel a, gestelde regels.
-2. De adviserende
instelling declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van
een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een
verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent
ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste
lid, van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een
aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid,
van die
wet.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake: [RfauW]
a. de vergoeding van
gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het
tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door de adviserende instelling
nader te verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
Art.
52. Voorschotten
adviserende instelling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
verleent
voorschotten op de vergoeding.
-2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het verlenen van voorschotten. [RfauW]
Art. 53.
Vaststelling
vergoeding [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave,
bedoeld in artikel 51, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
§ 6.3.
Voorzieningen
Art. 54.
[Vergoeding kosten van voorzieningen] [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2009, 592; Stb.
2011, 645]
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel
21, eerste lid, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college
een uitkering op grond van de Wet
participatiebudget.
HOOFDSTUK
7
Wijziging
andere wetten
Art. 55.
Algemene
Kinderbijslagwet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 17g, derde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 56.
Algemene
nabestaandenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 45, derde lid,
van de Algemene nabestaandenwet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 57.
Algemene
Ouderdomswet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 17i, derde
lid, van de Algemene Ouderdomswet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 58.
Beroepswet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In de bijlage bij de
Beroepswet, onderdeel C, wordt in het tweede onderdeel 24a ¹
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen
kunstenaars.
1. Volgens de redactie
dient "het tweede onderdeel 24a" te worden vervangen door:
onderdeel 24a.
Art. 59.
Toeslagenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 14g, derde
lid, van de Toeslagenwet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 60.
Werkloosheidswet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 27g, derde
lid, van de Werkloosheidswet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 61.
Wet arbeid en
zorg [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 7:22, derde
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 62.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 54, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 63.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 46, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
Art. 64.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 20f, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 48, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
Aan artikel 45 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen
van besluiten inzake de verlening van uitkering, aan de Centrale
organisatie werk en inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau,
waarbij hij gebruik kan maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 65.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 20f, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 48, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
Aan artikel 45 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen
van besluiten inzake de verlening van uitkering, aan de Centrale
organisatie werk en inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau,
waarbij hij gebruik kan maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 66.
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 3, tweede lid,
wordt "Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 12, eerste
lid, onderdeel a, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 67.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 29g, derde
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door:
Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 68.
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
A. [MvT]
In artikel 37, onderdeel b, onder
3º, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 22 april 2004 ingediende voorstel van wet houdende
Invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen) (Kamerstukken II 2003-2004, 29 531) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt of is
getreden, wordt in de artikelen 30, derde lid, onderdeel
m, en 34,
eerste lid, onderdeel h, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen telkens "de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: de Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 69.
Wet werk en
bijstand [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 13, tweede
lid, onderdeel b, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 15, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
In artikel 67, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
D. [MvT]
Aan artikel 64 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op bijstand, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten
inzake de verlening van bijstand, aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan
maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 70.
Ziektewet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 45g, derde
lid, van de Ziektewet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 71.
Wet
kinderopvang [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet
kinderopvang wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 72.
Ziekenfondswet [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 22 maart 2004 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een
no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of weinig gebruik hebben
gemaakt van zorg waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 483) tot wet is of wordt verheven en in werking
treedt of is getreden, wordt in artikel 4, tweede lid, van deze wet, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, een
onderdeel toegevoegd, luidende:
k. een uitkering als
bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de
Ziekenfondswet.
Art. 72a.
Algemene wet
bestuursrecht [Geschiedenis:
versie 23 december 2004; Stb.
2011, 645]
In onderdeel F, ten tweede, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na
"Wet werk en bijstand" ingevoegd: en artikel 14 van de Wet werk en
inkomen kunstenaars.
HOOFDSTUK
8
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 73.
Intrekking Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
De Wet inkomensvoorziening kunstenaars en de artikelen III en
IV van de Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars teneinde
kunstenaars met een eigen woning niet langer van een beroep op
de Wet inkomensvoorziening kunstenaars uit te sluiten (Stb.
2000, 299) worden
ingetrokken.
Art. 74.
Overgangsperiode [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. De Wet inkomensvoorziening
kunstenaars blijft van toepassing op de definitieve vaststelling
van de uitkering, bedoeld in artikel 10 van
die wet, over het jaar voorafgaand
aan de inwerkingtreding van deze wet.
-2. De termijnen, bedoeld
in artikel 13 van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, blijven van
toepassing op de uitkering, bedoeld in deze wet.
Art. 75.
Omzetting
besluiten [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
-1. Door het college op
grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
genomen
besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
-2. Onverminderd artikel 77
brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen twaalf
maanden na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met
deze wet, voor zover deze besluiten afwijken van deze wet.
Art. 76.
Aanvragen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Op een aanvraag tot het
verlenen van uitkering wordt beslist met toepassing van:
a. de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, indien het recht op bijstand ingaat vóór of
op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet;
b. deze wet, indien het
recht op uitkering ingaat na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet.
Art. 77.
Vermogen [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Als het vermogen dat
vanaf de uitkeringsverlening niet in aanmerking is genomen, bedoeld in
artikel 7, vierde lid, van deze wet, van de kunstenaar of zijn gezin aan wie op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet uitkering werd
verleend, geldt het bedrag zoals dat laatstelijk vóór of op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet door het college is
vastgesteld.
Art. 78.
Bezwaar- en
beroepschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Op een bezwaar- en
beroepschrift dat:
a. vóór of op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend tegen
een door het college op grond van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars genomen besluit en waarop op die datum nog niet
onherroepelijk is beslist;
b. na de dag voorafgaand
aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend en betrekking
heeft op uitkeringsverlening waarop ingevolge artikel 72 de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars van toepassing is;
wordt beslist met
toepassing van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
Art. 78a.
Woonwagen of
woonschip [Geschiedenis:
versie 23 december 2004; Stb.
2011, 645]
-1. Artikel 13, eerste lid,
is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip ¹ niet van toepassing op de
kunstenaar die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
wet recht had op uitkering en eigenaar was van een door hemzelf of zijn
gezin bewoonde woonwagen of bewoond woonschip met bijbehorend
erf.
-2. In afwijking van
artikel 77 wordt het in de woonwagen of het woonschip met bijbehorend
erf gebonden vermogen van de kunstenaar, bedoeld in het eerste
lid, met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op de
waarde ervan op dat tijdstip.
1. Bij Besluit
van 23 december 2004, Stb. 2004, 718, is het bedoelde tijdstip
bepaald op 1 januari 2006, red.
Art. 78b.
Krediethypotheek [Geschiedenis:
versie 23 december 2004; Stb.
2011, 645]
Artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars blijft van toepassing op de
uitkering die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet werd
verleend met toepassing van genoemd artikel.
Art.
78c. Omhanging besluiten [Geschiedenis:
versie 23 december 2004; Stb.
2011, 645]
-1. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998 mede op artikel 2, vijfde lid, van deze wet.
-2. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en
sociale zekerheid mede op artikel 10, derde lid, van deze wet.
-3. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik mede op artikel 10, tweede lid, van deze wet.
Art.
78d. Overgangsbepaling beëindigingsgronden [Geschiedenis:
Stb. 2005, 434; Stb.
2011, 645]
Bij algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van de kunstenaar die
in of vóór het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars en die in 2005 een uitkering
aanvraagt op grond van deze wet, worden afgeweken van de perioden en
bedragen, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, aanhef en onder b.
Art.
78e. Overgangsbepaling financiering uitkerings- en
uitvoeringskosten [Geschiedenis:
Stb.
2009, 592; Stb. 2011, 645]
Artikel 50 blijft van toepassing op de vaststelling
van de vergoeding, bedoeld in dat artikel, zoals dat artikel luidde vóór
inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009
tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb.
2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen vóór
die van inwerkingtreding van die wet.
Art.
78f. Overgangsrecht gelijkstelling voormalige pleeg- en
stiefkinderen aan eigen kinderen [Geschiedenis:
Stb. 2009, 596; Stb.
2011, 645]
De artikelen 2, zesde en zevende lid, en 3,
tweede lid, zijn niet van toepassing indien vóór de inwerkingtreding
van deze artikelleden, op grond van artikel 8 recht
bestaat op een uitkering voor gehuwden, omdat de ongehuwde kunstenaar
wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind
of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor
zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde
artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
Art.
78g. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 645]
Art. 79.
Evaluatiebepaling [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Onze Minister zendt, in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze
wet in de praktijk.
Art. 80.
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.¹ In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
1. Bij Besluit
van 23 december 2004, Stb. 2004, 718, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2005, met dien
verstande dat artikel 21 in werking treedt met ingang van 1 juli
2005 en dat het in artikel 78a,
eerste lid, bedoelde tijdstip is bepaald op 1 januari 2006, red.
Art. 81.
Citeertitel [Geschiedenis:
MvT; versie 23 december 2004;
Stb. 2011, 645]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
23 december 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|