|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 574
Vaststelling
van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet
werk en inkomen kunstenaars)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Algemeen |
| 1.2 |
Doelstelling van de
herzieningen |
| 1.3 |
Nieuwe
Wik |
| 2 |
De uitgangspunten van
de Wwik |
| 3 |
Systeem van de wet |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Uitkeringshoogte en
inkomsten |
| 3.3 |
Duur en vereisten |
| 4 |
Wijzigingen gericht op
vereenvoudiging en deregulering van de Wwik |
| 4.1 |
De
netto-uitkeringssystematiek |
| 4.2 |
Bruto-uitkeringssystematiek |
| 4.3 |
Voorlopige uitkering |
| 4.4 |
Het in aanmerking te
nemen inkomen van de kunstenaar |
| 4.5 |
Voorschot bij
aanvraag |
| 4.6 |
Forfaitaire
onkostenvergoeding |
| 4.7 |
Geen boetebepalingen |
| 5 |
Bevorderen van de
zelfstandige voorziening in het bestaan |
| Inleiding |
| 5.1 |
Vrijwillig maar niet
vrijblijvend |
| 5.2 |
Eigen
verantwoordelijkheid van de kunstenaar |
| 5.3 |
Beroepspraktijk |
| 5.4 |
Beroepsmatigheid van
de kunstenaar |
| 6 |
Financiering |
| 7 |
Financiële gevolgen |
| 8 |
Toezicht |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 81 |
| xTransponeringstabel
Wet werk en inkomen kunstenaars |
Algemeen
1. Inleiding
1.1. Algemeen
Sinds 1 januari 1999
kunnen beroepsmatig actieve kunstenaars die de ambitie hebben om via
inkomsten uit een renderende - al dan niet gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar in de kosten van het levensonderhoud te gaan voorzien maximaal
48 maanden een beroep doen op de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik) als zij in de opbouwperiode
van een renderende
beroepspraktijk als kunstenaar niet zelfstandig in de kosten van het
levensonderhoud kunnen voorzien. Met de komst van de Wik kwam er een einde aan
een periode waarin kunstenaars die niet konden voorzien in de
kosten van het levensonderhoud een beroep moesten doen op de
Algemene bijstandswet (Abw) of de daarvan afgeleide regelingen voor werkloze
werknemers of zelfstandige ondernemers. De aan deze regelingen
verbonden verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling verhielden zich niet met
het specifieke karakter van het professionele kunstenaarschap. Als
gevolg hiervan had zich in de loop van de jaren een gemeentelijke
uitvoeringspraktijk ontwikkeld waarin aan kunstenaars een uitzonderingspositie
werd toegekend voor wat betreft de verplichtingen gericht op
arbeidsinschakeling.
De Wik biedt beroepsmatig
actieve kunstenaars de financiële mogelijkheid om te werken aan de
opbouw van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar, zonder
daaraan verplichtingen te verbinden gericht op inschakeling in de
arbeidsmarkt. Deze verplichtingen zouden wel gelden als een beroep op
bijstand zou zijn gedaan.
Vanwege de bijzondere
positie van de Wik binnen het stelsel van sociale
voorzieningen is op
aandringen van de Tweede Kamer in de Wik opgenomen dat drie jaar na
inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet aan de Staten-Generaal wordt gezonden. Op 1
november 2002 zijn de rapporten "Evaluatie van de Wik" en de
"Monitor
flankerend beleid Wik" aangeboden aan de leden van de Eerste en de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
rblz.|2|
Uit
de evaluaties blijkt dat de gemeentelijke uitvoeringspraktijk en
de kunstenaars de Wik, waar het gaat om uitgangspunten en inhoud,
positief beoordelen. De Wik blijkt vooral aankomende kunstenaars en
gevestigde kunstenaars die een tijdelijk inkomensprobleem hebben een
goede mogelijkheid te bieden om te kunnen werken aan de opbouw van een
renderende beroepspraktijk als kunstenaar. Voor de groep kunstenaars die
in de loop van 1999 rechtstreeks vanuit de bijstand is ingestroomd in de
Wik heeft de Wik in minder gevallen kunnen beantwoorden aan de
doelstellingen. Van de kunstenaars die in de geëvalueerde periode de Wik
zijn uitgestroomd blijkt circa 75% niet aansluitend een beroep te
hebben gedaan op bijstand. Uit beide onderzoeken blijkt echter ook dat
de Wik op inhoudelijk en op uitvoeringsniveau als een ingewikkelde en
bureaucratische regeling wordt ervaren.
Daarnaast signaleren de
met de uitvoering van de Wik belaste centrumgemeenten
[zie artikel 11 Uitvoeringsbesluit
Wik, red.] dat er van de Wik zelf nog te weinig activerende, op het vestigen van een renderende
beroepspraktijk gerichte impulsen uitgaan. Ook vanuit het kunstenveld
wordt de behoefte aan meer activerende impulsen in de Wik genoemd.
De regering is van mening
dat de resultaten van de evaluaties aantonen dat de Wik zich in een
betrekkelijk korte tijd een belangrijke positie heeft weten te verwerven
in het kunstenveld. De positieve geluiden vanuit de gemeentelijke
uitvoeringspraktijk en het kunstenveld tonen aan dat de Wik in een
behoefte voorziet. Dit stemt vooral tot tevredenheid omdat er tijdens de
parlementaire behandeling en gedurende de invoering van de Wik vooral
vanuit het kunstenveld veel kritiek was op de inhoud van de Wik en op de
te verwachten onuitvoerbaarheid van deze wet.
Eén en ander neemt echter
niet weg dat uit de evaluatie ook blijkt dat de Wik op onderdelen
aanpassing behoeft.
De resultaten van de
evaluatie vormen niet de enige reden voor aanpassing van de Wik. De in
het Strategisch Akkoord en Strategisch Overleg opgenomen doelstellingen
met betrekking tot deregulering en vereenvoudiging van wet- en
regelgeving die hebben geresulteerd in de invoering van de Wet
werk en bijstand (Wwb) en de Wwb zelf vormen eveneens een aanleiding voor het
aanpassen van de Wik.
1.2. Doelstelling van de
herzieningen
Met de herziening van de
Wik wordt ernaar gestreefd de voorwaarden te scheppen voor een
effectievere financiële ondersteuning van beroepsmatig actieve
kunstenaars. Aan dit streven liggen de volgende concrete doelstellingen
ten grondslag:
- Vereenvoudiging van wet- en regelgeving, waaronder begrepen
terugdringen van de uitvoeringslasten, een betere afstemming van de
regelgeving op aanpalende wet- en regelgeving.
- Het effectief bevorderen van de zelfstandige bestaansvoorziening als
beroepsmatig actief kunstenaar via een renderende - al dan niet
gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar.
1.3. Nieuwe
Wik
Vanwege de aard van de
aanpassingen en de doorwerking die deze hebben op de systematiek van de Wik
wordt thans voorgesteld om de regelgeving aangaande de financiële
ondersteuning van kunstenaars opnieuw vast te stellen in de vorm van een
herziene Wik, de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik). Het opnieuw
vaststellen van deze regelgeving heeft als voordeel boven een voorstel
tot wijziging van de Wik dat er een meer overzichtelijk geheel van wet-
en regelgeving tot stand kan worden gebracht dan het geval zou zijn als
wordt volstaan met het wijzigen van de Wik. In het vervolg van de tekst
wordt met de aanduiding rblz.|3|
Wik de tot 1 januari 2005 van kracht zijnde wet
bedoeld. Daar waar Wwik of Wwik-uitkering staat vermeld, wordt bedoeld de
herziene Wik zoals deze zal luiden na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel.
2. De uitgangspunten van
de Wwik
Net als het geval is in
de Wet werk en bijstand (Wwb) krijgt het uitgangspunt dat iedereen in
eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het
bestaan ook in de Wwik een centrale rol. Vertaald naar de Wwik betekent
dit dat een kunstenaar alle vrijheid krijgt om naar eigen inzicht te
werken aan de opbouw van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar.
Tegelijkertijd is het de verantwoordelijkheid van de kunstenaar en diens
eventuele echtgenoot om zelfstandig in de kosten van het bestaan te
(gaan) voorzien.
De centrale
uitgangspunten uit de Wik blijven daarbij onverkort gehandhaafd. Noch de
evaluatie van de Wik, noch de recente wijzigingen in het stelsel van
sociale zekerheid geven aanleiding om de beginselen die ten grondslag
liggen aan de Wik te wijzigen. De legitimering van de Wik vindt zijn
oorsprong in de erkenning van de bijzondere positie die (startende)
kunstenaars innemen op de arbeidsmarkt. Starters hebben tijd nodig om
zich te oriënteren op de kunstpraktijk en om zich daarin een positie te
verwerven. Gevestigde kunstenaars hebben te maken met
continuïteitsproblemen als gevolg van tijdelijke contracten, (meerdere)
deeltijdbanen en een ongewisse markt. Voor een aanzienlijk deel van de
gevestigde of startende kunstenaars geldt dan ook dat zij gedurende
kortere of langere tijd zijn aangewezen op een uitkering ter voorziening
in de kosten van het levensonderhoud. De regering is van oordeel dat er
geen aanleiding bestaat om de situatie van kunstenaars thans anders te
beoordelen dan het geval was bij de invoering van de Wik in januari
1999.
De Wik had als doel
kunstenaars te ondersteunen bij de opbouw van een renderende
beroepspraktijk als kunstenaar, dan wel hen in staat te stellen een
tijdelijke terugval in inkomsten op te vangen. In het verlengde van deze
doelstelling had de Wik ook als doel om te voorkomen dat een
beroepsmatig kunstenaar een beroep moet doen op de bijstand. Ook in de Wwik
blijven deze doelstellingen gehandhaafd. In de Wwik wordt van de
kunstenaars wel een tegenprestatie gevraagd in die zin dat de
verantwoordelijkheid van de kunstenaar om op termijn zelfstandig in de
kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien meer wordt benadrukt.
Daar waar dit naar de
mening van de regering mogelijk is en verantwoord, wordt in de Wwik vereenvoudiging van regelgeving en deregulering doorgevoerd. Dit zal ook
het geval zijn voor de relatie Rijk-gemeente die zoveel als mogelijk op
basis van die in de Wwb zal worden geschoeid. Daar de financiële
verhouding tussen het Rijk en de gemeenten voor wat betreft de Wwik fundamenteel afwijkt van die in de
Wwb, zal de relatie Rijk-gemeente in
ieder geval op het niveau van verantwoording niet dezelfde kunnen zijn
als onder de Wwb. Tot slot is de herziening erop gericht om de Wwik zoveel mogelijk als een zelfstandige wet te kunnen laten functioneren.
3. Systeem van de wet
3.1. Algemeen
Het systeem van de
Wwik wijkt niet af van dat van de Wik. Evenals de Wik biedt de Wwik kunstenaars de mogelijkheid om te kiezen tussen óf een beroep doen op
de Wwb, óf op deze
regeling, maar niet op beide tegelijk. De onderhavige
regeling is in alle opzichten voorliggend aan de Wwb. Een aanvullend
beroep op de algemene bijstand krachtens de Wwb is niet mogelijk. Het
spreekt voor zich dat betrokkene op elk moment een beroep kan doen op de
Wwb, maar in dat geval valt hij of zij rblz.|4|
volledig onder het regime van
deze wet. Aangezien de Wwik een algemene inkomensvoorziening is, staat de
bijzondere bijstand onder de gebruikelijke voorwaarden wel open voor de
Wwik-gerechtigde.
3.2. Uitkeringshoogte en
inkomsten
De hoogte van de
uitkering blijft afgestemd op het specifieke karakter van de regeling en
blijft qua systematiek ongewijzigd ten opzichte van de Wik. De
Wwik biedt de mogelijkheid om bij te verdienen. Door de hoogte van de
uitkering lager vast te stellen dan de van toepassing zijnde
bijstandsnormen wordt de Wwik-gerechtigde geprikkeld om bij te verdienen
en wordt tevens recht gedaan aan het feit dat de Wwik-gerechtigde niet
behoeft te voldoen aan enkele voorwaarden die wel worden opgelegd aan
personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wwb.
De regeling is erop
gericht de kunstenaar te ondersteunen bij de opbouw van een renderende -
al dan niet gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar. Het
uiteindelijke doel is dat een kunstenaar en diens eventuele echtgenoot
met gebruikmaking van de financiële ondersteuning via de Wwik
erin
slaagt om zoveel inkomsten uit kunst of anderszins te genereren dat hij
of zij zelfstandig in de kosten van het bestaan kan voorzien, waarmee
wordt voorkomen dat beroepsmatige kunstenaars een (aanvullend) beroep op
bijstand moeten doen.
Het beleid gericht op het
realiseren van een renderende beroepspraktijk krijgt concrete invulling
door de belanghebbende de mogelijkheid te bieden om tot 125% van de voor
hem of haar geldende bijstandsnorm bij te verdienen zonder dat dit
gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering krachtens de Wwik. De
relatief ruime mogelijkheid tot bijverdienen compenseert het feit dat de
uitkeringsnorm beneden het van toepassing zijnde sociaal minimum ligt,
wat maakt dat belanghebbenden wel bij moeten verdienen om dat niveau te
halen. Belangrijker nog is dat de lagere uitkeringsnorm gekoppeld aan
een ruime mogelijkheid tot bijverdienen het verwerven van eigen
inkomsten stimuleert. Het langszij de Wik ontwikkelde, onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap vallende flankerend beleid Wwik
is hieraan ondersteunend. Het
flankerend beleid heeft als doel de zelfstandige voorziening in het
bestaan te bevorderen. Het richt zich zowel op individuele begeleiding
van kunstenaars richting renderende beroepspraktijk als kunstenaar als
op het verruimen van de (arbeids)markt voor kunstenaars. Het college
van de gemeente
waar de kunstenaar woonplaats heeft (de woongemeente),
krijgt de mogelijkheid om kunstenaars op arbeidsinschakeling gerichte
trajecten aan te bieden, anders dan als kunstenaar. Deze mogelijkheid
ontbrak in de Wik. De regering is van mening dat het past binnen de
systematiek van de Wwik om kunstenaars die zich concentreren op de
vestiging van een gemengde beroepspraktijk als kunstenaar te
ondersteunen bij de gedeeltelijke intreding op de arbeidsmarkt. Voor het
opbouwen van een renderende beroepspraktijk moet een kunstenaar
beroepskosten maken. Evenals in de Wik wordt met beroepskosten rekening
gehouden. In afwijking van de Wik wordt in de Wwik
de uitkering
verstrekt in de vorm van een bruto-uitkering met een voorlopig karakter.
De hoogte van de uitkering wordt pas definitief vastgesteld zodra het
inkomen of de omzet over het kalenderjaar bekend is.
3.3. Duur en vereisten
De toetredingscriteria
voor de Wwik zijn ongewijzigd overgenomen uit de
Wik, met uitzondering
van de bepaling dat bijstandsontvangende kunstenaars in het eerste jaar
van de Wik zonder inkomens-/omzettoets konden intreden in de Wik. Deze
bepaling had tot doel om kunstenaars vanuit de gedoogsituatie in de
bijstand probleemloos te laten instromen in de Wik en is thans niet meer
van toepassing.
rblz.|5|
Een
kunstenaar heeft geen recht meer op een Wwik-uitkering zodra de
inkomsten al dan niet uit de kunstbeoefening de voor hem of haar van
toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijden. Daarnaast bestaat geen
recht meer als de kunstenaar niet langer als beroepsmatig kunstenaar
actief is. Om te kunnen vaststellen of er nog sprake is van een
beroepsmatig actief kunstenaar vraagt de centrumgemeente
advies aan bij
de door de minister aangewezen adviesinstelling. In afwijking van de Wik
wordt in de Wwik bepaald dat periodiek moet worden beoordeeld of er nog
sprake is van het actief uitoefenen van het kunstenaarschap. Daarnaast
moet een kunstenaar, eventueel samen met zijn echtgenoot, periodiek
voldoen aan een minimumbruto-inkomenseis. De minimumbruto-inkomenseis vervangt de
minimumbruto-inkomenseis/-omzeteis uit de Wik. Het verschil met
deze Wik-eis is dat het totale arbeidsinkomen van de kunstenaar en de
echtgenoot meetelt in plaats van alleen het inkomen of omzet uit kunst
van de kunstenaar. In tegenstelling tot in de Wik wordt in de Wwik uitsluitend het begrip bruto-inkomen gehanteerd, wat inhoudt dat
rekening wordt gehouden met het totale bruto-inkomen na aftrek van de
werkelijk gemaakte kosten, maar voor de belasting- en premieafdracht.
Tot slot krijgt de minimumbruto-inkomenseis een progressief karakter.
Naarmate men langer gebruik maakt van de Wwik zal men moeten voldoen aan
een hogere minimumbruto-inkomenseis (progressie-eis).
Eén en ander
wordt nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Rechthebbende
kunstenaars kunnen gedurende maximaal vier jaar, binnen een termijn van
tien jaar gerekend vanaf de eerste dag van toekenning van een
Wwik-uitkering,
een beroep doen op de Wwik. Door deze "knipkaartconstructie" wil de
regering bevorderen dat kunstenaars op een weloverwogen wijze gebruik
maken van de beschikbare tijd waarin zij aanspraak kunnen maken
op een Wwik-uitkering. Voorbeelden hiervan zijn de opbouwperiode bij de
start van het beroepsmatig kunstenaarschap, een inkomensterugval als
gevolg van teruglopende omzet, een dip in de creativiteit of een
bezinningsperiode ter voorbereiding op een nieuwe artistieke richting.
Hoewel uit de evaluatie van de Wik valt op te maken dat een deel van de
kunstenaars en de met de uitvoering belaste centrumgemeenten van mening
zijn dat de periode van 48 maanden onvoldoende is om een renderende
beroepspraktijk als kunstenaar op te bouwen, handhaaft de regering deze
termijn. Een langere rechtperiode, eventueel uitgesmeerd over een
langere termijn, zou naar de mening van de regering het karakter van de Wwik
doen opschuiven richting de socialezekerheidswetgeving en zou het
karakter van een inkomensvoorziening aantasten. De Wwik is immers een
inkomensvoorziening met een specifiek doel, voor een specifieke groep
van rechthebbenden. Bezien vanuit dat standpunt acht de regering een
maximale rechtperiode van 48 maanden voldoende.
4. Wijzigingen gericht op
vereenvoudiging en deregulering van de Wwik
Uit de evaluatie van de
Wik blijkt dat de uitvoering en de kunstenaars vooral problemen
ondervinden met het vaststellen van de hoogte van het eigen inkomen van
de kunstenaar en met de daaraan gekoppelde vaststelling van het
definitieve recht op een Wik-uitkering. Nauw verbonden met deze
vaststellingssystematiek kunnen er problemen ontstaan als het gaat om
de Wik in relatie tot andere inkomensafhankelijke regelingen zoals
huursubsidie en studiefinanciering.
4.1. De
netto-uitkeringssystematiek
In de Wik
wordt de
uitkering verleend in de vorm van een renteloze lening. Na beëindiging
van het kalenderjaar waarin de renteloze lening is verstrekt en zodra
het eigen inkomen van de kunstenaar over dat kalenderjaar rblz.|6|
bekend is,
wordt het definitieve recht op de Wik-uitkering en de hoogte hiervan
vastgesteld. Afhankelijk van de hoogte van het eigen inkomen van de
kunstenaar wordt de in het desbetreffende kalenderjaar verstrekte
renteloze lening geheel of gedeeltelijk omgezet in een netto-uitkering
om niet. Voor de vaststelling van de hoogte van de eigen inkomsten van
een kunstenaar wordt daarbij uitgegaan van de inkomsten die een
kunstenaar gedurende het gehele kalenderjaar heeft verworven, dus
inclusief een eventuele periode waarin de kunstenaar geen Wik-uitkering
heeft ontvangen.
De bovenomschreven
systematiek knelt op een aantal plaatsen. De netto-uitkeringssystematiek
heeft tot gevolg dat de gemeenten voor de vaststelling van de
nettohoogte van het eigen inkomen van de kunstenaar zelf moeten vaststellen
hoeveel belasting over dat inkomen verschuldigd is. Het aantal mogelijke
inkomensbronnen maakt dit tot een lastig en omslachtig gebeuren,
waarvoor veelvuldig contact tussen de uitvoering en kunstenaars
noodzakelijk blijkt te zijn. Wachten op de definitieve aanslag van de
belastingdienst is onwenselijk omdat dan eerst zeer ver in het volgende
kalenderjaar (t+1) kan worden vastgesteld hoe hoog de definitieve Wik-uitkering over het voorgaande kalenderjaar
(t) is en welk deel van
de renteloze lening uit het kalenderjaar t dient te worden terugbetaald
door de kunstenaar. De late inkomensvaststelling verhoudt zich slecht
met de systematiek van de Wik en daarnaast is het voor kunstenaars van
belang dat zij zo snel mogelijk weten waar zij aan toe zijn.
De systematiek van een
renteloze lening heeft aansluitproblemen met inkomensafhankelijke
regelingen als
huursubsidie en studiefinanciering
en met de
belastingwetgeving tot gevolg. In het kalenderjaar waarin de Wik-uitkering als lening was verstrekt en derhalve onbelast was, telt
deze niet mee als inkomen. Dit kan tot gevolg hebben dat een kunstenaar
over het desbetreffende kalenderjaar een dusdanig laag belastbaar
inkomen heeft dat fiscale aftrekposten, heffingskortingen e.d. niet
worden gehonoreerd. In het daaropvolgende jaar kan het omgekeerde het
geval zijn. De oorspronkelijk als lening verstrekte Wik-uitkering wordt
in dat jaar omgezet in een (belastbare) uitkering om niet. Het gevolg
hiervan kan zijn dat de kunstenaar in dat jaar, in combinatie met eigen
inkomsten, een dusdanig hoog fiscaal inkomen heeft dat hij niet of voor
een minder hoog bedrag in aanmerking komt voor inkomensafhankelijke
regelingen.
4.2.
Bruto-uitkeringssystematiek
Een uitkering ingevolge
de Wwik-uitkering wordt direct verleend in de vorm van een maandelijkse
bruto-uitkering. Brutering betekent minder uitvoeringslasten voor gemeenten, vooral op het gebied van de verrekening van de eigen
inkomsten van de kunstenaar met de Wwik-uitkering. Daar waar het bij een
netto-uitkering vooral de gemeente is die de belastingdruk op de eigen
inkomsten van de kunstenaar op voorhand moet vaststellen, wordt deze
vaststelling bij brutering van de uitkering neergelegd bij de
belastingdienst en de cliënt. Doordat de uitkering niet langer in
eerste instantie wordt verstrekt als een renteloze lening, maar direct
als een (voorlopige) bruto-uitkering, worden de aansluitingsproblemen
met inkomensafhankelijke regelingen eveneens goeddeels opgelost.
De maandelijkse
bruto-uitkering wordt verhoogd met maandelijkse vakantie-uitkering. De
regering is van mening dat deze systematiek beter aansluit bij de
inkomenssituatie van de kunstenaar, die meer lijkt op die van een
zelfstandige dan van een persoon in loondienst.
4.3. Voorlopige uitkering
De reden om bij de
inwerkingtreding van de Wik te kiezen voor het systeem van een renteloze
lening gekoppeld aan een jaarlijkse definitieve vaststelling van het
recht op een Wik-uitkering was dat het vanwege de rblz.|7|
aard van de inkomsten
van kunstenaars en de sterk wisselende hoogte van die inkomsten niet
mogelijk is om de inkomsten zuiver naar een maand toe te rekenen. De
regering acht het gewenst dat de systematiek van het jaarlijks
definitief vaststellen van het recht op uitkering ook na brutering van
de Wwik-uitkering gehandhaafd blijft. Eén en ander kan eenvoudig worden
gerealiseerd door de maandelijkse Wwik-uitkering in eerste instantie een
voorlopig karakter te geven. De (definitieve) vaststelling van het recht
op en de hoogte van de Wwik-uitkering vindt vervolgens plaats na
beëindiging van het kalenderjaar waarin de uitkering is ontvangen.
Een gevolg van de directe
brutering is dat ook bruto wordt teruggevorderd, dus inclusief belasting
en premies, in het geval kunstenaars vanwege te hoge eigen inkomsten een
deel van de Wwik-uitkering moeten terugbetalen. Deze situatie kan echter
uitsluitend voorkomen als de terugbetaling betrekking heeft op een (deel
van de) uitkering die in het voorgaande kalenderjaar is uitbetaald.
Terugbetaling over het kalenderjaar heen kan goeddeels worden voorkomen
door al gedurende het lopende kalenderjaar rekening te houden met de
inkomsten. De regering is van mening dat de verantwoordelijkheid
hiervoor grotendeels ligt bij de kunstenaar zelf die hierover afspraken
kan maken met de desbetreffende centrumgemeente. Overigens is de
terugbetaalde bruto-uitkering aan te merken als negatief inkomen.
4.4. Het in aanmerking te
nemen inkomen van de kunstenaar
In de Wik
wordt voor de
vaststelling van de hoogte van het eigen inkomen uitgegaan van het
gezinsinkomen over het gehele kalenderjaar, inclusief het inkomen uit de
eventuele "uitkeringsloze periode(s)". De gedachte hierachter is
voorkoming van calculerend gedrag, zoals het opzeggen van de uitkering
kort voordat de kunstenaar wordt uitbetaald door een koper of
opdrachtgever, teneinde deze inkomsten buiten de inkomensvaststelling
van de Wik te houden.
Uit de evaluatie blijkt
echter dat deze systematiek juist het gebruik van de in paragraaf 3.3
omschreven "knipkaart" in de weg staat. Immers, ongeacht of men nu wel
of niet een Wik-uitkering ontvangt, het gehele jaarinkomen wordt
meegenomen bij de vaststelling van het definitieve recht op en de hoogte
van een Wik-uitkering. Dit in combinatie met het feit dat het opzeggen
van de Wik-uitkering stopzetting van de ziekenfondsverzekering tot
gevolg kan hebben, maakt dat de Wik te veel wordt gebruikt als een
continue inkomensaanvulling en minder als een voorziening waarop
uitsluitend in periodes waarin het financieel minder gaat een beroep
wordt gedaan.
Naar de mening van de
regering dient dit laatste aspect in de Wwik meer te worden benadrukt,
zonder dat calculerend gedrag in de hand wordt gewerkt. De regering wil
dit bereiken door het bruto-inkomen van de kunstenaar over de
uitkeringsloze periode(s) in een kalenderjaar uitsluitend in aanmerking
te nemen voor zover dit hoger is dan 100% van het van toepassing zijnde sociaal
minimum. Door over de uitkeringsloze periode uitsluitend dit
meerinkomen in aanmerking te nemen, wordt bereikt dat het voor
kunstenaars aantrekkelijker wordt om de Wwik-uitkering te beëindigen in
periodes dat hij over voldoende eigen inkomsten beschikt. Ook zal deze
systematiek meer dan voorheen motiveren tot het verwerven van een zo
groot mogelijk aandeel eigen inkomsten. Niet de hoogte van de eigen
inkomsten is namelijk de bepalende factor, maar de uitkeringsduur; hoe
korter een uitkering, hoe groter het financiële voordeel voor een
kunstenaar.
Bovendien geeft de
omschreven verrekensystematiek gemeenten meer dan voorheen de
mogelijkheid om al in een vroeg stadium aan een uitkeringsgerechtigde
kunstenaar te melden of hij over het gehele jaar genomen een gedeelte
van de uitkering zal moeten terugbetalen.
rblz.|8|
Op
deze berekeningswijze wordt de volgende uitzondering gemaakt. In
het kalenderjaar waarin de kunstenaar de maximale uitkeringsduur van 48
maanden heeft bereikt, wordt slechts het inkomen over de periode van het
kalenderjaar tot de beëindigingsdatum van de uitkering in aanmerking
genomen. In zo’n situatie kan geen sprake zijn van calculerende
gedrag, terwijl het inkomen dat buiten de Wwik-periode wordt verdiend,
zonder een dergelijke uitzonderingsbepaling, zou kunnen leiden tot
terugvordering van de verstrekte uitkering.
4.5. Voorschot bij
aanvraag
In de Wik
ontbreekt de
mogelijkheid om aan een kunstenaar een voorschot te verstrekken in
afwachting van de beslissing tot toekenning van een Wik-uitkering.
Indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is, bijvoorbeeld in
verband met een acuut gebrek aan middelen, kon niet anders worden
gehandeld dan aan belanghebbende een voorschot op basis van de Abw/Wwb
te verstrekken. Deze werkwijze is al omslachtig als het om een
kunstenaar gaat die woonachtig is in de Wik-centrumgemeente zelf, maar
wordt nog extra gecompliceerd als de kunstenaar niet woonachtig is in de
centrumgemeente.
In de Wwik wordt een
bepaling opgenomen op grond waarvan het college van de centrumgemeente
een voorschot kan verstrekken indien dit naar het oordeel van het
college, gelet op alle omstandigheden, noodzakelijk wordt geacht.
4.6. Forfaitaire
onkostenvergoeding
Voor de definitieve
vaststelling van de hoogte van de Wik-uitkering werd als eigen inkomen
of omzet van de kunstenaar in aanmerking genomen het inkomen of omzet
minus de beroepskosten. Omwille van de eenvoud was in de Wik een
forfaitair bedrag voor beroepskosten opgenomen dat op alle inkomsten van
de kunstenaar en diens eventuele echtgenoot in mindering werd gebracht.
Uit onderzoeken uit 1995
en 1996 viel af te leiden dat scheppende kunstenaars ongeveer tweemaal
hogere beroepskosten hebben dan niet-scheppende kunstenaars. Op grond
daarvan is de hoogte van het forfaitaire bedrag op basis van de Wik
voor
scheppende kunstenaars vastgesteld op maximaal €|4538,- per
kalenderjaar en voor niet-scheppende kunstenaars op €|2269,-. Uit
de evaluatie blijkt dat een deel van de met uitvoering van de Wik belaste
centrumgemeenten betwijfelt of er een zo duidelijk onderscheid
is te maken tussen onkosten van scheppende en niet-scheppende
kunstenaars. De ervaring leert dat de onkosten eerder per individu dan
per kunstensector verschillen, aldus deze gemeenten. Ook is opgemerkt
dat het forfaitaire systeem inkomensvormend kan werken. Een kunstenaar
die een relatief hoge omzet of inkomen realiseert en in verhouding lage
onkosten maakt, kan een aanzienlijk hoger besteedbaar inkomen overhouden
dan een kunstenaar die hoge onkosten, maar relatief lage inkomsten of
omzet heeft.
De regering is van
oordeel dat, nu in de praktijk blijkt dat het verschil in te maken
onkosten tussen de verschillende categorieën van kunstenaars minder
manifest is dan werd aangenomen, er in het Wik-systeem een zekere mate
van onrechtvaardigheid schuilt. De regering is daarnaast van oordeel dat
een categorisering van kunstenaars ook kan leiden tot een aanzienlijk
aantal grensgevallen waarvoor het lastig is de juiste categorie te
bepalen en dat dit extra werkdruk bij de gemeenten tot gevolg kan
hebben.
De regering kiest om
praktische redenen voor handhaving van de forfaitaire systematiek met
dien verstande dat de hoogte van het beroepskostenforfait voor alle
kunstenaars wordt gesteld op het gemiddelde van
rblz.|9|
de op basis van de Wik vastgestelde bedragen voor scheppende en niet-scheppende kunstenaars.
Door het beroepskostenforfait op een voor alle kunstenaars gelijk bedrag
vast te stellen, worden de onrechtvaardigheden weggenomen die in het Wik-systeem kunnen voorkomen en vervalt tevens de noodzaak om
kunstenaars onder te verdelen in categorieën. In afwijking van de Wik wordt het beroepskostenforfait uitsluitend in mindering gebracht op de
inkomsten van de kunstenaar en niet meer op de inkomsten van de
kunstenaar en de eventuele echtgenoot. De regering is van oordeel dat de
in het Wik-systeem opgenomen toepassing een onredelijk groot
inkomensvormend effect had. Indien de werkelijk door de kunstenaar
gemaakte kosten hoger zijn dan de inkomsten van de kunstenaar, kan het
surplus aan onkosten wel in mindering worden gebracht op het eventuele
inkomen van de echtgenoot.
Evenals in het Wik-systeem kunnen werkelijk gemaakte aantoonbare hogere beroepskosten
dan het beroepskostenforfait in aanmerking worden genomen bij het
vaststellen van de hoogte van het inkomen van de kunstenaar. Eén en
ander zal nader worden geregeld in een algemene maatregel van bestuur.
4.7. Geen boetebepalingen
In de Wik
zijn
boetebepalingen opgenomen, zoals deze luidden in de Abw. In de praktijk
blijkt dat toepassing van de boetebepalingen in relatie tot de Wik zeer
summier voorkomt, doordat de informatieplicht van de kunstenaar in de Wik
jegens het college in verhouding tot die in de Abw laag is. Vrijwel
uitsluitend vinden de boetebepalingen toepassing in de situatie waarin
een kunstenaar de voor de definitieve vaststelling van het recht op en
de hoogte van de Wik-uitkering noodzakelijke jaarcijfers niet tijdig
inlevert. De regering is van mening dat het bezien in het licht van
enerzijds de handhaving van een rechtmatige toekenning van de uitkering
en anderzijds de noodzaak en wens om daar waar dit mogelijk is wet- en
regelgeving zoveel mogelijk terug te brengen, het verantwoord is om het
relatief zware beleidsinstrument van een boete niet in de Wwik
op te
nemen. Het geringe belang van deze bepalingen voor de uitvoering van de
Wwik weegt niet op tegen de zware uitkeringslast die het in stand houden
van de boetebepalingen met zich meebrengt.
Het ontbreken van
boetebepalingen in de Wwik betekent overigens niet dat het college geen
wettelijke mogelijkheden heeft om nakoming van de informatieplicht te
bevorderen. Het maatregelenbeleid blijft in de Wwik onverminderd van
kracht. Bovendien krijgt het college in de Wwik de mogelijkheid om de
gehele over het desbetreffende kalenderjaar verstrekte uitkering van de
kunstenaar terug te vorderen ingeval het college het definitieve recht
op en de hoogte van de Wwik-uitkering niet kan vaststellen als gevolg
van het niet tijdig aanleveren van de inkomstengegevens.
Bij achteraf
geconstateerde fraude kan evenals het geval is bij fraude met een
bijstandsuitkering het strafrechtelijk traject worden ingezet.
5. Bevorderen van de
zelfstandige voorziening in het bestaan
Inleiding
Het bevorderen dat een
kunstenaar zo snel mogelijk, doch uiterlijk na 48 maanden Wwik-uitkering
zelfstandig kan voorzien in het bestaan via een renderende - al dan
niet gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar wordt in de Wwik
met
nadruk nagestreefd. Zoveel mogelijk moet worden bevorderd dat
kunstenaars in de hen geboden tijd van maximaal 48 uitkeringsmaanden
slagen in het opbouwen van een renderende - al dan niet gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar, waarmee kan worden voorkomen dat zij na
deze periode terug moeten vallen op de bijstand.
rblz.|10|
In
de Wik rust op kunstenaars de verplichting om zich naar vermogen
in te spannen om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien. Het
college heeft de mogelijkheid om voorwaarden gericht op vermindering of
beëindiging van het beroep op de Wik aan een kunstenaar op te leggen.
Het op de ontwikkeling van de beroepsmatige kunstenaarspraktijk gerichte
flankerend beleid biedt mogelijkheden tot ondersteuning bij de opbouw
van de beroepspraktijk. Het opgesomde instrumentarium biedt op zich al
mogelijkheden om kunstenaars te begeleiden en te activeren bij de opbouw
van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar. Wat naar het oordeel
van de regering ontbreekt in de Wik - en wat de vraag om meer op
activering gerichte instrumenten deels verklaart - is een specifiek
ten opzichte van de Wik aangescherpt instrumentarium gericht op het
realiseren van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar. De Wwik
zal dit instrumentarium wel bieden.
5.1. Vrijwillig maar niet
vrijblijvend
De Wwik
is op de eerste
plaats een regeling die beroepsmatige kunstenaars in de gelegenheid
stelt om te werken aan de opbouw van een renderende - al dan niet
gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar. Ook in de Wwik
worden
daarom geen op arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen opgenomen,
met als doel een zo kort mogelijk verblijf in de Wwik
te
bewerkstelligen.
Een beroep op de Wwik
mag
naar de mening van de regering echter ook niet vrijblijvend zijn.
Vandaar dat in de systematiek van de Wwik
sterk de nadruk ligt op
activering en stimulering gericht op het snel mogelijk, maar uiterlijk
binnen 48 uitkeringsmaanden realiseren van een renderende
beroepspraktijk als kunstenaar en daarmee op financiële
onafhankelijkheid van de kunstenaar. Dit ter voorkoming dat
beroepsmatige kunstenaars uiteindelijk toch een beroep moeten doen op de
bijstand, met alle gevolgen van dien.
5.2. Eigen
verantwoordelijkheid van de kunstenaar
Kunstenaars nemen een
(markt)positie in die op veel punten afwijkt van die van werknemers en
(startende) zelfstandige ondernemers in andere marktsegmenten. Het
autonome ontstaansproces van veel kunstvormen maakt dat de vraag of er
voor het product ook een markt is niet altijd op de eerste plaats staat.
Een kunstenaar creëert een product vanuit een bepaalde artistieke
visie. Het is vaak onzeker of de visie van de kunstenaar in zoverre
gedeeld wordt dat er ook afnemers zijn voor de producten van de
kunstenaar. Het ontstaansproces van een kunstproduct is bovendien vaak
langdurig en arbeidsintensief. In combinatie met de onzekerheid over de
verkoopbaarheid van een product heeft dit tot gevolg dat de inkomsten
van een kunstenaar vaak sterk kunnen wisselen. Nog los daarvan zijn er
vele op zich erkende en waardevolle kunstuitingen die qua vorm moeilijk
verkoopbaar zijn of, indien al verkoopbaar vanwege de hoge
productiekosten en of de lange voorbereidingsperiode, een laag rendement
hebben. Beroepsmatig kunstenaarschap brengt vrijwel per definitie een
spanningsveld met zich mee tussen enerzijds marktconform denken en
werken en anderzijds het autonome creatieve proces. Het maakt daarbij
geen verschil of het nu gaat om beeldende kunst, podiumkunst of welke
andere kunstvorm dan ook.
De regering is van
oordeel dat het de verantwoordelijkheid van een kunstenaar in de Wwik
zelf is om te bepalen hoe om te gaan met deze vaak tegenstrijdige
afwegingen en belangen. Binnen een regeling als de Wwik, waarin niet de
artistieke kwaliteit wordt getoetst, maar de vraag of een kunstenaar kan
worden aangemerkt als een beroepsmatig actief kunstenaar en die erop
gericht is om kunstenaars te ondersteunen bij de rblz.|11|
opbouw van een
renderende beroepspraktijk, past het niet om kunstenaars deze
keuzevrijheid te ontnemen.
Een kunstenaar is en
blijft, hoe hij de keuze tussen markt en autonomie ook laat uitvallen, te
allen tijde zelf verantwoordelijk voor de zelfstandige voorziening in
het bestaan. Anders gezegd, van kunstenaars die onvoldoende inkomsten
uit kunst genereren om daarmee in de kosten van het levensonderhoud te
voorzien, wordt verwacht dat zij alternatieve inkomstenbronnen aanboren,
om op die wijze onafhankelijk van een uitkering de kunstzinnige
activiteiten te kunnen blijven beoefenen.
De regering is van
oordeel dat het gerechtvaardigd is om kunstenaars aan te spreken op de
inspanningen om zelfstandig te voorzien in de kosten van het bestaan.
Een kunstenaar krijgt via de Wwik maximaal 48 maanden de financiële
ruimte om toe te werken naar een renderende beroepspraktijk als
kunstenaar. Het is redelijk om van een kunstenaar te verwachten dat de
geboden ruimte zodanig wordt gebruikt dat er daadwerkelijk wordt
toegewerkt naar de realisatie van een renderende - al dan niet
gemengde - beroepspraktijk.
5.3. Beroepspraktijk
Uit periodiek onderzoek
naar de inkomenspositie van beeldende kunstenaars blijkt dat een gering
aantal beeldende kunstenaars blijvend een inkomen uit kunst heeft dat
boven het bijstandsniveau uitstijgt.
Mede omdat het aandeel
beeldende kunstenaars het aantal podiumkunstenaars dat een beroep doet
op de Wik verre overtreft, is de conclusie gerechtvaardigd dat een
meerderheid van de beroepsmatige kunstenaars die een beroep doen op de Wik, voor de voorziening in het bestaan (blijvend) aangewezen zal zijn
op aanvullende inkomsten uit andere bronnen dan die uit kunst. Wil een
kunstenaar onafhankelijk van een socialezekerheidsuitkering zijn kunst
blijven beoefenen, dan zal dit in veel gevallen moeten gebeuren via een
mengeling van inkomsten die direct gelieerd zijn aan de kunstbeoefening
en inkomsten uit additionele inkomensbronnen.
De regering is van
oordeel dat in de Wwik meer dan in de Wik zo dicht mogelijk moet worden
aangesloten bij deze realiteit en dat een renderende beroepspraktijk in
overwegende mate moet worden opgevat als een gemengde beroepspraktijk.
De activering dient hierop aan te sluiten.
Gezien
de doelstelling van de Wwik ligt het uiteraard wel voor de hand dat de
inspanningen gericht op het realiseren van een renderende
beroepspraktijk in eerste instantie gericht zijn op activiteiten ter
versteviging van de kunstpraktijk. Bij uitblijven van voldoende
financieel resultaat, zal die aandacht zich in de loop van de 48 maanden
echter meer en meer moeten gaan richten op het verwerven van
alternatieve inkomensbronnen, zonder dat daarbij de beroepsmatigheid van
de kunstenaar in het gedrang hoeft te komen.
Meer dan in de Wik het
geval is, steunt activering in de Wwik dan ook op twee pijlers. Op de
eerste plaats de ontwikkeling van het beroepsmatige (ondernemende)
kunstenaarschap en aanvullend daarop op activiteiten gericht op het
verwerven van andere inkomensbronnen dan direct uit kunst. Welke weg in
de gegeven situatie het best kan worden bewandeld, is in hoge mate
afhankelijk van de ontwikkeling van de beroepspraktijk van de
individuele kunstenaar. Naar de mening van de regering is deze
beoordeling bij uitstek een verantwoordelijkheid van de kunstenaar en de
centrumgemeente en zo nodig in samenspraak of na advies van de
adviserende instelling.
rblz.|12|
5.4. Beroepsmatigheid van
de kunstenaar
5.4.1. Algemeen
In de
Wik wordt de vraag
of een aanvrager kan worden aangemerkt als een beroepsmatig kunstenaar
bij entree in de Wik bepaald aan de hand van een door een onafhankelijke
adviesinstelling uit te brengen beroepsmatigheidsadvies en aan de hand
van de minimumbruto-omzeteis/-inkomenseis uit kunst. Kunstenaars die niet
aan beide criteria voldoen, worden niet toegelaten tot de Wik. Voor
kunstenaars die binnen twaalf maanden na het behalen van een diploma aan
een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkende
instelling voor kunstvakonderwijs een beroep doen op de Wik geldt dat
zij als "academieverlater" zonder meer als beroepsmatig kunstenaar
worden aangemerkt.
Na afloop van ieder
kalenderjaar waarin uitkering is genoten, wordt onder de Wik aan de hand
van de minimumomzeteis/-inkomenseis uit kunst beoordeeld of een kunstenaar
nog kon worden aangemerkt als beroepsmatig actief kunstenaar. Het recht
op Wik-uitkering eindigde als de kunstenaar niet aan deze eis voldoet.
5.4.2.
Beroepsmatigheidsadvies
De regering is van
oordeel dat de vraag of een kunstenaar (nog) kan worden aangemerkt als
een beroepsmatig actief kunstenaar niet alleen kan worden afgemeten aan
het vermogen om inkomsten uit de kunst te genereren. Kenmerkend voor een
kunstpraktijk is dat er periodes zijn waarin men weinig of zelfs geen
inkomsten uit kunst genereert, terwijl men in zo’n periode wel
degelijk als een beroepsmatig kunstenaar actief kan zijn. Omgekeerd is
inkomen of omzet uit kunst niet noodzakelijkerwijs een indicatie voor
beroepsmatig actief kunstenaarschap. Zo is het niet denkbeeldig dat er
omzet uit kunst wordt gerealiseerd bijvoorbeeld doordat wordt verkocht
uit een voorraad van jaren geleden vervaardigde kunstwerken, terwijl er
thans geen enkele kunstzinnige activiteit wordt ontplooid. Afgezien
daarvan past het naar het oordeel van de regering niet dat een wet die
als doelstelling heeft beroepsmatig actieve kunstenaars te ondersteunen
bij de opbouw van een renderende beroepspraktijk uitsluitend leunt op
een financieel toetsingskader voor de vraag of een kunstenaar nog kan
worden aangemerkt als beroepsmatig kunstenaar. Vanwege het belang dat
naar het oordeel van de regering moet worden gehecht aan de
beroepsmatigheid van de kunstenaar wordt in de Wwik
regelmatig
vastgesteld of een kunstenaar nog kan worden aangemerkt als beroepsmatig
kunstenaar. Indien de gemeente, gehoord het advies van de adviserende
instelling, besluit dat een kunstenaar niet kan worden aangemerkt als een
beroepsmatig kunstenaar, eindigt het recht op uitkering. In een algemene
maatregel van bestuur zullen de beoordelingscriteria en systematiek
nader worden uitgewerkt.
5.4.3. Minimumbruto-inkomenseis
Zoals voor het overgrote
deel van startende ondernemers geldt, geldt ook voor startende of
herstartende kunstenaars dat de toename van de omzet of het inkomen uit
de beroepspraktijk als kunstenaar over het algemeen een geleidelijk
verloop zal hebben. Bij de start moet de markt nog veroverd worden. Men
moet zich met het aan te bieden product een plaats in het specifieke
marktsegment zien te verwerven, vaak tussen al bestaand en concurrerend
aanbod. Voor kunstenaars geldt daarbij nog dat zij in tegenstelling tot
startende ondernemers bij de start van de artistieke carrière vaak nog
niet over een concreet product beschikken of dit in ieder geval nog niet
voldoende hebben kunnen uitwerken. In het begin zal er daarom vaak niet
of nauwelijks sprake zijn van direct aan de kunstbeoefening rblz.|13|
gerelateerde omzet of inkomsten. Dit neemt niet weg dat de op de
vestiging van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar gerichte
kunstzinnige activiteiten zich na verloop van tijd toch zullen moeten
vertalen in toenemende inkomsten. Als dit niet gebeurt, zal een
kunstenaar, als hij onafhankelijk van een uitkering wil blijven
opereren, vroeg of laat zijn positie moeten heroverwegen en ofwel nieuwe
artistieke wegen in moeten slaan, ofwel naast de kunstzinnige
activiteiten andere op het verwerven van inkomsten gerichte activiteiten
moeten ontwikkelen. Met de opzet van de Wwik wil de regering zoveel
mogelijk aansluiten bij de bovengeschetste praktijk. Op de eerste plaats
ligt het daarom naar het oordeel van de regering voor de hand om in
afwijking van de Wik voor de minimuminkomenseis uit te gaan van het
totale arbeidsinkomen van de kunstenaar en de eventuele echtgenoot en
niet uitsluitend van de omzet of inkomsten uit kunst van de kunstenaar,
waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd het bruto-inkomen van de
kunstenaar en diens eventuele echtgenoot na aftrek van de werkelijk
gemaakte beroepskosten. De reden dat niet wordt uitgegaan van omzet is
dat omzet geen indicatie kan geven over de exacte inkomensontwikkeling,
aangezien bij een omzetbeoordeling niet gekeken wordt naar de
beroepskosten en deze kosten een (aanzienlijke) negatieve werking op het
inkomen kunnen hebben.
Op de tweede plaats
krijgt de minimumbruto-inkomenseis een progressief karakter. Naar het
oordeel van de regering past een inkomenseis die periodiek stijgt beter
binnen de doelstellingen van de Wwik die immers gericht zijn op een
toename van de eigen inkomsten van de kunstenaar. Het niet voldoen aan
de van toepassing zijnde progressie-eis heeft niet automatisch
beëindiging van de Wwik-uitkering tot gevolg. Het in enig jaar niet
hebben voldaan aan de progressie-eis kan door meerdere omstandigheden
worden veroorzaakt. Zo kan het zijn dat een kunstenaar zich in het
peiljaar volledig heeft geconcentreerd op een expositie of uitvoering,
maar dat hij daarvoor pas in het jaar daarop wordt betaald. Maar ook
herbezinning op de ingeslagen weg als kunstenaar kan een onderbreking in
de inkomensopbouw tot gevolg hebben, zonder dat er niet langer sprake is
van beroepsmatig kunstenaarschap.
De regering wil met deze
en andere mogelijke oorzaken rekening houden door gedurende de totale Wwik-periode van 48 maanden één kwijtscheldingsperiode mogelijk te
maken. In de praktijk komt het erop neer dat iedere kunstenaar eenmalig niet behoeft te voldoen aan de van toepassing zijnde
progressie-eis zonder dat dit gevolgen heeft voor het recht op
voortzetting van de uitkering. Uiteraard moet de kunstenaar ook in de
kwijtscheldingsperiode hebben voldaan aan de eisen van beroepsmatigheid
zoals zijn opgenomen in het door de adviserende instelling uit te
brengen beroepsmatigheidsadvies. Als deze kwijtscheldingsperiode is
opgebruikt en er over één van de volgende peiljaren wederom niet wordt
voldaan aan de voor die periode geldende progressie-eis, heeft dit wel
beëindiging van de uitkering tot gevolg, ongeacht of de kunstenaar nog
kan worden aangemerkt als beroepsmatig kunstenaar. In een algemene
maatregel van bestuur zal één en ander nader worden uitgewerkt.
5.4.4. Ondersteunend
beleid
Het doel van de
inkomensvoorziening is om kunstenaars in de gelegenheid te stellen een
zodanige beroepspraktijk als kunstenaar op te bouwen dat hij of zij in
het eigen levensonderhoud kan voorzien en geen beroep meer behoeft te
doen op bijstand. Voor een aanzienlijk deel van de kunstenaars zal dit
een gemengde beroepspraktijk zijn.
Langszij de Wik is onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap
beleid ontwikkeld - flankerend beleid - dat zich enerzijds richt op
het verruimen van de (arbeids)markt voor kunstenaars en het projectmatig
aanbieden van ondersteuning aan groepen rblz.|14|
kunstenaars en anderzijds op de
individuele begeleiding van kunstenaars naar een renderende
beroepspraktijk.
Het flankerend beleid
richt zich specifiek op het verstevigen van de beroepspraktijk van de
kunstenaar. Zo kunnen kunstenaars een cursus volgen gericht op het
verbeteren van het zakelijk inzicht en is er in samenwerking met een
aantal gemeentelijke instellingen een project gestart dat als doel heeft
kunstenaars een betaalde baan te verschaffen binnen het onderwijs "Beroepskunstenaars in de
klas". Daarnaast kunnen kunstenaars uit dit
beleid financieel worden ondersteund bij de aanschaf van voor de
beroepspraktijk noodzakelijke investeringen. Kunstenaars kunnen hierop
op eigen verzoek een beroep doen. Een aanvraag voor flankerend beleid
wordt ingediend bij en beoordeeld door de hiertoe door de Minister van OCW
aangewezen
instelling.
De
Wik kent niet de
mogelijkheid om kunstenaars die via een gemengde beroepspraktijk als
kunstenaar in het levensonderhoud willen voorzien te ondersteunen bij
het realiseren van een inkomstenbron naast die uit kunst. Vanwege het
feit dat kunstenaars met een Wik-uitkering niet werden aangemerkt als
werkloze werknemers staan de reïntegratiemiddelen die van toepassing
zijn op ontvangers van een bijstandsuitkering niet open voor hen.
De regering is van oordeel dat nu het accent in de Wwik ligt op het zo snel mogelijk, doch
binnen uiterlijk 48 maanden realiseren van een renderende - al dan
niet gemengde - beroepspraktijk, met daaraan gekoppeld een
progressieve inkomenseis, het voor zich spreekt dat de woongemeente de
mogelijkheid moet krijgen om op verzoek van de kunstenaar voorzieningen
aan te bieden gericht op het verwerven van inkomsten naast die uit of in
verband met de kunstuitoefening. Het wordt daartoe mogelijk gemaakt om
de voor de kunstenaar noodzakelijke, op arbeidsinschakeling gerichte
ondersteuning te financieren vanuit het flexibel reïntegratiebudget Wwb. In beginsel kan bij deze voorziening worden gedacht aan alle
reïntegratiemiddelen die ook kunnen worden aangewend in het kader van
de Wwb. In lijn met het ontbreken van op het aanvaarden van arbeid
gerichte verplichtingen kan het college van de centrumgemeente
waar de
kunstenaar uitkering ontvangt het aanvaarden van op de arbeidsmarkt
gerichte ondersteuning niet verplichtend opleggen aan de kunstenaar.
Andersom heeft de kunstenaar geen recht op een voorziening, maar heeft
de woongemeente de bevoegdheid deze aan te bieden of te verstrekken. Het
initiatief voor een beroep op de arbeidsmarkt gerichte ondersteuning
ligt bij de kunstenaar zelf die hiertoe een onderbouwd verzoek kan
indienen. In het verlengde van die eigen verantwoordelijkheid van de
kunstenaar acht de regering het redelijk om aan het verkrijgen van op de
arbeidsmarkt gerichte ondersteuning voorwaarden te verbinden die gericht
zijn op een doeltreffend en doelmatig gebruik van de verkregen
voorziening. Bij het niet-doelmatig gebruik van de voorzieningen ligt
het voor de hand dat het college van de woongemeente de met de
voorziening gemoeide kosten geheel of gedeeltelijk terugvordert van de
kunstenaar. In lijn met het karakter van het flexibel
reïntegratiebudget Wwb beslist het college van de woongemeente over
aanvragen voor op de arbeidsmarkt gerichte ondersteuning en niet het
college van de centrumgemeente. Het ligt voor de hand dat de
woongemeente zo nodig advies vraagt aan de centrumgemeente (die weer
advies kan vragen aan de adviserende instelling) voor de vraag of een
gemengde beroepspraktijk mogelijk is, of aan de Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI) voor de vraag welke voorzieningen nodig zijn. De
uitgebrachte adviezen kunnen bij deze beslissing worden betrokken.
Het is in het kader van
een mogelijke samenloop van flankerend beleid en op de arbeidsmarkt
gericht stimuleringsbeleid van belang dat er een goede afstemming
plaatsvindt tussen de centrumgemeenten en de met de uitvoering van het
flankerend beleid belaste instelling. Met het oog op rblz.|15|
deze afstemming
wordt in de Wwik de onderlinge uitwisseling van relevante gegevens nader
geregeld. Een dergelijke afstemming werd blijkens de resultaten uit de
evaluatie van de Wik en van het flankerend beleid Wik in de Wik gemist
door de uitvoering.
6. Financiering
De
financieringssystematiek van de Wik blijft voor wat betreft de uitkeringskosten en de
uitvoeringskosten van de gemeenten en de adviserende instelling ongewijzigd
voortgezet in de Wwik.
Een kunstenaar die deels
in het levensonderhoud wil (gaan) voorzien via inkomsten uit arbeid of
daaraan gerelateerde activiteiten verschilt niet wezenlijk van andere
instromers op de arbeidsmarkt.
De uitvoering van de Wwik is ondergebracht bij een twintigtal
centrumgemeenten. Een uitkeringsgerechtigde
hoeft daardoor niet noodzakelijkerwijs woonachtig te zijn in de
centrumgemeente.
7. Financiële gevolgen
De herziening van de
Wik zal naar verwachting geen ingrijpende wijziging in het volume tot gevolg
hebben. De intensivering van het beleid gericht op het uiterlijk binnen
maximaal 48 maanden realiseren van een renderende - al dan niet gemengde
- beroepspraktijk kent immers geen specifieke uitstroomdoelstelling.
Het beleid heeft als doel te bevorderen dat een kunstenaar na
maximaal 48 maanden gebruik te hebben gemaakt van de Wwik
(inclusief de
opgebruikte periode in de Wik) zelfstandig in het levensonderhoud kan voorzien via inkomsten uit de al dan niet gemengde
kunstpraktijk. De grotere
nadruk op activering en de verbeterde mogelijkheden om uit en vervolgens
weer in de Wwik te stromen (hiphoppen) kan overigens wel een
gunstig effect hebben op een versnelde uitstroom uit de Wwik. Daar het
recht op Wwik bestaat gedurende 48 maanden, is het uiteindelijke effect
op het volume echter gering.
8. Toezicht
In dit wetsvoorstel zijn
anders dan in de Wik geen voorschriften opgenomen over de inrichting van de
administratie, noch voor gemeenten, noch voor de adviserende
instelling. Dit laat onverlet dat het college en de adviserende instelling
zelf verantwoordelijk zijn voor het zodanig ordentelijk inrichten van hun
administratie dat zij hun wettelijke verplichtingen kunnen nakomen,
bijvoorbeeld ten aanzien van het verslag over de uitvoering en de
informatievoorziening.
Artikelsgewijs
Artikel
1.
Begripsbepalingen
Dit artikel bevat
begripsbepalingen, waarvan een aantal overeenkomt met de begripsbepalingen in
de Wik. Deze zullen niet opnieuw worden toegelicht.
In onderdeel e is
opgenomen dat de Wwik geldt voor de aangeduide categorieën van
scheppende, uitvoerende of toegepast werkende kunstenaars. Daardoor vallen onder
andere de volgende categorieën buiten het bereik van deze
wet:
1. beroepen die kunst als
object van wetenschappelijk onderzoek hebben of waarvoor een wetenschappelijke opleiding vereist is, zoals dramaturgen,
musicologen,
kunsthistorici e.d.;
2. docenten in de
kunstvakken, kunstmanagers, galeriehouders, film- en theaterproducenten,
uitgevers e.d.;
rblz.|16|
3. beroepen die als
ondersteunend of toeleverend kunnen worden aangemerkt zonder dat zij een
directe creatieve bijdrage leveren aan het kunstproduct zelf, zoals
muziektherapeuten, instrumentmakers e.d.
De kwalificatie dat
iemand in bedrijf of beroep als kunstenaar actief is, moet door de individuele
feitelijke omstandigheden geschraagd worden. Die omstandigheden kunnen
zijn:
a. de outillage: het feit
dat men beschikt over werkruimte en productiegoederen ten behoeve van de
uitoefening van het vak van kunstenaar is een belangrijke
aanwijzing dat een persoon ook feitelijk als zodanig werkzaam is;
b. gerealiseerde
kunstproducties: waarneembare kunstproductie is vanzelfsprekend een
wezenlijk element om te beoordelen of iemand ook feitelijk als
kunstenaar werkzaam is;
c. presentaties: het
verzorgen van voorstellingen, het inrichten van tentoonstellingen e.d.,
gericht op het verwerven van inkomsten als kunstenaar is evenzeer
een belangrijke aanwijzing voor het kunstenaarschap;
d. een zekere
bestendigheid: het eenmalig of incidenteel vervaardigen van een kunstproductie is
niet voldoende om de kwalificatie als kunstenaar te rechtvaardigen;
anderzijds acht de regering het minder gewenst om een concrete
minimumperiode te noemen om als werkzaam, actief kunstenaar te
kunnen worden aangemerkt, vanwege de daaraan verbonden
problemen van meetbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De
regering volstaat dan ook met de opvatting dat de kunstproductie een
zekere bestendigheid moet vertonen. Deze gedachte komt ook terug
bij de voorwaarden om voor uitkering in aanmerking te komen. Ingevolge artikel 8, onderdeel b, is wat dit betreft toereikend dat de
aanvrager gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is
geweest;
e. een zeker inkomen:
tenslotte kan ook de omstandigheid dat een persoon met de verkoop
van door hemzelf gerealiseerde kunstproducties een zeker inkomen heeft
verworven een aanwijzing zijn dat hij als kunstenaar werkzaam is.
De voormelde feitelijke
omstandigheden zullen steeds in hun onderlinge verband moeten worden beschouwd.
De hier geboden
inkomensvoorziening staat uitsluitend open voor hier te lande woonachtige
kunstenaars. Ook zij die semi-permanent buiten Nederland verblijven,
vallen buiten deze voorziening. Daarom is in onderdeel e opgenomen dat de
kunstenaar hier te lande werkzaam moet zijn.
In het nieuwe onderdeel
f
is de begripsomschrijving voor de gemengde beroepspraktijk
opgenomen. Onder kunstenaar wordt verstaan de persoon die hier te lande
werkzaam is in een bedrijf of zelfstandig beroep ter uitoefening van de
scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst, al dan niet in een gemengde
beroepspraktijk. Met de laatste toevoeging wordt benadrukt dat het
niet alleen gaat om kunstenaars die uitsluitend actief zijn in het
kunstvak, maar ook om kunstenaars die, bijvoorbeeld omdat uit het kunstvak
onvoldoende inkomsten kunnen worden gegenereerd, daarnaast actief zijn op
andere terreinen van de arbeidsmarkt. Hiermee wordt aangesloten
bij een praktijk die voor veel kunstenaars noodzakelijk is, wil men zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het
levensonderhoud.
De concrete invulling van
het begrip kunstenaar wordt evenals in de Wik overgelaten aan de
adviserende instelling. In het wetsvoorstel en de
rblz.|17|
toelichting daarop wordt
met adviserende instelling bedoeld de in artikel 35 bedoelde instelling.
In onderdeel
g worden de
beroepskosten omschreven en wel als: de noodzakelijke kosten ter
verwerving van het inkomen als kunstenaar. Hieronder zijn in elk
geval begrepen de kosten ten behoeve van:
- het aanschaffen van
grondstoffen, materialen en hulpmiddelen ter vervaardiging van
kunstwerken;
- het vervoeren en
verzekeren van kunstwerken;
- het inrichten en in stand houden van een atelier;
- het auditeren en
presenteren, alsook het volgen van lessen en trainingen om de bekwaamheid op peil
te houden.
In onderdeel h is ten slotte een omschrijving van het begrip
kinderbijslag opgenomen. De
omschrijving is opgenomen in verband met de definitie "kind" (artikel
3) en
de middelentoets (artikel 4).
Artikel
2.
Echtgenoot,
gezamenlijke huishouding
In dit artikel wordt het
partnerbegrip en de begrippen gezamenlijke huishouding en woning gedefinieerd.
Het artikel komt voor een groot deel overeen met artikel 3 van
de Wwb. Om deze reden wordt hier volstaan met een verwijzing naar
de toelichting op artikel 3 in het artikelsgewijze deel van de
memorie van
toelichting bij de Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 32).
Artikel
3.
Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin
De begrippen
alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin zijn overgenomen uit artikel 4 van de
Wwb,
zij het dat in plaats van de term "belanghebbende" in de Wwik
de term
"kunstenaar" is opgenomen. Voor een nadere toelichting wordt
verwezen naar de betreffende toelichting
in de artikelsgewijze toelichting bij de
Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 34).
Wat betreft de beperking
dat een alleenstaande of een alleenstaande ouder geen gezamenlijke
huishouding mag voeren met een ander kan nog het volgende worden
opgemerkt. Als uitzondering hierop geldt dat het recht op uitkering niet
wordt uitgesloten indien een broer of zus samenwoont met een broer of zus die
inkomen heeft [en indien er bij één van beiden sprake is van
zorgbehoefte, red.]. Deze uitzondering is in de Wwb gekomen door een
amendement van Noorman-den Uyl en Bakker (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr.
62).
Gezien de
begripsomschrijvingen (onderdelen a en b) kan de co-ouder noch als een
alleenstaande, noch als een alleenstaande ouder worden aangemerkt. Het college
dient in een dergelijk geval maatwerk te leveren voor wat betreft het
normbedrag, de middelentoets en de bijverdiengrens. Onderdeel c is vooral van
belang vanwege het beginsel dat de uitkering aan personen die een
gezin vormen, wordt verleend als gezinsuitkering, ook al komt het recht op
Wwik alleen de kunstenaar toe.
Artikel
4.
Middelen
De
Wik sloot voor wat
betreft begrippen als middelen en inkomsten aan bij de betekenis die aan
deze begrippen is toegekend in de Abw en vanaf 2004 de
Wwb. In de Wwik worden deze begrippen in de wet zelf opgenomen, omdat sommige
onderdelen van de begrippen middelen en inkomsten in de Wwb niet aansluiten bij de middelentoets die voor de
Wwik geldt. In deze
toelichting wordt slechts ingegaan op die middelen die wat beoordeling of
uitleg betreft in de Wwik afwijken van de Wwb-bepalingen. Voor de onderdelen die gelijk zijn aan de
Wwb wordt
verwezen naar de
artikelsgewijze toelichting bij de Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3,
blz. 56-60).
rblz.|18|
Het belangrijkste
verschil is dat de Wwik uitgaat van bruto-uitkeringsnormen en mitsdien van
verrekening van bruto-inkomsten, waardoor heffingskortingen en
teruggaven van belasting en premies niet als middelen worden
aangemerkt.
Overeenkomstig de Wwb worden giften niet tot de middelen gerekend
voor zover dat, gezien de
bestemming en de hoogte van de gift, uit oogpunt van verlening van
uitkering verantwoord is (tweede lid, onderdeel j). Hierbij wordt geen
onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen.
Gezien het karakter van de Wwik kan de vrijlating niet onbeperkt
zijn. Wat betreft de bestemming is vooral van belang of de gift
betrekking heeft op kosten die tot de algemene bestaanskosten zijn begrepen. Als dit
het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding
zijn om de gift als inkomen in aanmerking te nemen. Heeft de gift betrekking
op een voorziening ter versterking van de beroepspraktijk als
kunstenaar, dan kan er aanleiding zijn om de gift niet als inkomen in aanmerking
te nemen.
Artikel
5.
Inkomen
In dit artikel wordt
aangegeven welke middelen als inkomen worden aangemerkt. Het gaat
hierbij om bruto-inkomen, dus zonder aftrek van loon- of
inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en andere inhoudingen.
Een eerste criterium voor
het als inkomen in aanmerking nemen van middelen is het karakter
van de middelen. Het is ondoenlijk om een uitputtende omschrijving te geven en
daarom is in het eerste lid volstaan met een opsomming van een
aantal inkomensbronnen dat als inkomen in beschouwing wordt
genomen. Ook eenmalig ontvangen middelen die naar hun aard
overeenkomen met de in het eerste lid opgenomen opsomming, bijvoorbeeld een
zogeheten alimentatieafkoopsom, dienen als inkomsten in aanmerking
te worden genomen.
Een tweede criterium
(eerste lid, onderdeel b) voor het als inkomen in aanmerking nemen van
middelen is de periode waarop de inkomsten betrekking hebben.
Daarbij is het in de algemene toelichting nader verklaarde uitgangspunt
gehanteerd dat het inkomen dient te worden toegerekend aan het
kalenderjaar waarop dit betrekking heeft.
Onbelast inkomen wordt in
aanmerking genomen volgens het uitgangspunt dat het bruto bedrag
gelijk is aan het onbelaste bedrag. Een andere vaststelling geeft grote
uitvoeringsknelpunten, aangezien de maximale verdienruimte van 125%
een bruto bedrag is en een verplichte omrekening naar netto - teneinde
de onbelaste componenten netto in aanmerking te kunnen nemen - alle
voordelen van een bruto benadering teniet doet. Bovendien kan bij
een gedeeltelijke bruto- en gedeeltelijke nettovaststelling de totale bijverdienruimte niet goed worden vastgesteld.
Aangezien in de
Wwik-normen de aanspraak op vakantietoeslag is inbegrepen, dient voor een goede
toetsing van het inkomen ook de daarbij behorende aanspraak op
vakantietoeslag in beschouwing te worden genomen.
In de situatie dat de
echtgenoot van de kunstenaar geen recht op uitkering heeft, wordt op grond van
artikel 15, tweede lid, geen gezinsnorm uitgekeerd, maar de norm voor een
alleenstaande of alleenstaande ouder. Omdat de uitkering niet
voorziet in de bestaanskosten van de echtgenoot van de kunstenaar, zou
onverkorte toepassing van de gezamenlijkemiddelentoets zijn
bestaansmogelijkheden in gevaar kunnen brengen. Als hoofdregel geldt dat het
inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot in aanmerking wordt
genomen voor zover het gezamenlijke inkomen, met inbegrip van de aan de
kunstenaar te verlenen uitkering, meer zou rblz.|19|
bedragen dan het voor de
gehuwden geldende bedrag, bedoeld in artikel 8, onderdeel a.
Als de gehuwden tijdelijk
gescheiden leven, kan het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot
slechts in beschouwing worden genomen voor zover dit de kosten
van de door hem zelfstandig gevoerde huishouding te boven gaat (vierde
lid). Aangezien in dit artikel uitsluitend een afwijkende bepaling ten aanzien van het inkomen is opgenomen, blijft
derhalve de toets op het
gezamenlijke vermogen onverkort van toepassing.
Artikel
6.
Bijzonder
inkomen
Overeenkomstig de
Wwb is
er in dit wetsvoorstel voor gekozen de waarde van inkomsten in
natura te bepalen op het daarvoor door betrokkene opgeofferde bedrag.
Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting
bij de Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz.
60-61).
Het tweede lid heeft tot
doel het inkomen uit studiefinanciering op een in het kader van de
verlening van uitkering juiste wijze in aanmerking te nemen. Ook dit artikel is
overeenkomstig de bepaling in de Wwb, zij het dat het in aanmerking te
nemen normbedrag een onbelast bedrag is, dat in de Wwik
in aanmerking wordt genomen volgens het in de toelichting
op artikel 5 opgenomen
principe van netto is bruto. Hetzelfde geldt voor het derde lid voor wat
betreft de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel
7.
Vermogen
Overeenkomstig de
Wwb wordt onder vermogen de waarde van de in aanmerking te nemen
bezittingen beschouwd, minus de in aanmerking te nemen schulden. In deze
toelichting wordt slechts ingegaan op de vermogensbepaling in de Wwik
die afwijkt van de Wwb-bepalingen. Voor de onderdelen die gelijk
zijn aan de Wwb is hetgeen in de artikelsgewijze toelichting
bij de Wwb is
opgenomen van belang (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3,
blz. 61-64).
In beginsel worden alle
bezittingen op het moment van aanvang van de Wwik-uitkering in
aanmerking genomen, ongeacht de herkomst daarvan. Uitzonderingen hierop
zijn opgenomen in het tweede lid. De uitzonderingen zijn overeenkomstig de
Wwb, met dien verstande dat het vermogen dat noodzakelijk
is voor de uitoefening van het beroep van de kunstenaar eveneens
buiten beschouwing blijft. Voor de vaststelling van het vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar zullen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Hiertoe
is het vijfde lid opgenomen.
Artikel
8.
Kring
rechthebbenden (voorwaarden)
De toevoeging
"of voor
zover van toepassing zijn gezin" in de aanhef van dit artikel heeft alleen
betrekking op onderdeel a, onder 2º en 3º. In verband met de overgang naar een
bruto-uitkeringssystematiek zijn de bedragen die in onderdeel a zijn
opgenomen brutobedragen. Het uitgangspunt blijft de maandelijkse nettobijstandsnorm
voor respectievelijk een alleenstaande,
een alleenstaande ouder
en een gehuwde, inclusief de in artikel 25 van de
Wwb
genoemde maximale
toeslag voor een alleenstaande (ouder). Deze normbedragen zijn
inclusief vakantie-uitkering. De netto-uitkeringsbedragen zijn verhoogd met de
daarover verschuldigde loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie, waarbij rekening is gehouden met
de algemene heffingskorting voor de kunstenaar rblz.|20|
en voor zover van
toepassing de algemene heffingskorting voor de echtgenoot, of de
alleenstaande ouderkorting. Onder ziekenfondspremie wordt verstaan de
premie
gebaseerd op het premiepercentage, bedoeld in artikel 10a, eerste lid,
van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw. Door middel van deze
systematiek wordt bewaakt dat het sociaal minimum voor bijstandscliënten
en kunstenaars netto op hetzelfde niveau ligt.
Het bruto-inkomen dat
hiermee wordt vergeleken, is het werkelijke brutogezinsinkomen, na aftrek van de
werkelijke beroepskosten van de kunstenaar en de verwervingskosten
van de echtgenoot met eigen inkomsten, voor zover aanleiding
bestaat om hiermee rekening te houden, maar inclusief (een opslag
voor) het brutovakantiegeld dat over dit bruto-inkomen wordt genoten. Is het
eigen inkomen hoger dan het in het eerste lid genoemde bedrag, dan
bestaat geen recht op uitkering. Ter verduidelijking is de zinsnede
"in
aanmerking te nemen vermogen en inkomen" opgenomen, omdat bij de
beoordeling van het recht op uitkering uitsluitend de inkomens- en
vermogensdelen worden betrokken die volgens de wet
in aanmerking moeten
worden genomen.
In de onderdelen b en c
worden de twee categorieën kunstenaars genoemd die in aanmerking
kunnen komen voor een uitkering.
Voor beide groepen geldt
dat zij nieuw in de Wwik kunnen instromen, maar ook opnieuw, als
herinstromer. Dit is een kunstenaar die eerder uitkering heeft ontvangen
op grond van de Wik of Wwik, maar nog niet de maximale
uitkeringstermijn heeft verbruikt en opnieuw een beroep doet op een
Wwik-uitkering, hetzij als zij-instromer, hetzij als academieverlater indien binnen twaalf
maanden na het behalen van het diploma opnieuw beroep op een Wwik-uitkering wordt gedaan.
In het geval beide
echtgenoten kunstenaar zijn en beiden afzonderlijk voldoen aan de vereisten
van de Wwik kunnen zij kiezen voor volgtijdige of gelijktijdige
tegeldemaking van het recht. In het eerste geval geldt voor beide kunstenaars de
maximale uitkeringsduur afzonderlijk. Het normbedrag voor beroepskosten is dan
slechts van toepassing op het individuele inkomen van de kunstenaar
die actief gebruik maakt van de Wwik. In het tweede geval geldt
het normbedrag voor beroepskosten voor beide kunstenaars afzonderlijk
op ieders individuele inkomen.
Bij de vaststelling van
de (hoogte van de) uitkering en de vrijlating van inkomsten geldt voor
beide keuzes op de reguliere wijze de echtparennorm. Voor wat betreft het niet
geheel aanwenden van het voor de kunstenaar geldende
beroepskostenforfait geldt hetgeen in de toelichting
op artikel 17 is
uiteengezet.
Artikel
9.
Recht op
uitkering bij vermogen in eigen woning
Dit artikel maakt het
mogelijk om uitkering te verstrekken aan een kunstenaar die eigenaar is, of wiens
echtgenoot eigenaar is, van een door hemzelf of zijn gezin
bewoonde woning met bijbehorend erf. In de Wwik
wordt onder woning mede
verstaan een woonschip of woonwagen. Het uitgangspunt blijft
bestaan dat alleen uitkering wordt verleend voor zover tegeldemaking of
(verdere) bezwaring van het in de onroerende zaak gebonden vermogen in
redelijkheid niet kan worden verlangd. Van zo’n situatie kan bijvoorbeeld
sprake zijn indien de kunstenaar een studio of atelier aan huis heeft en
bij een gedwongen verhuizing belemmeringen zal ondervinden bij de
uitoefening van het beroep van kunstenaar. Van bezwaring of verdere
bezwaring kan vaak geen sprake zijn bij een inkomen onder het sociaal
minimum. Met het tweede lid wordt aangesloten bij de redactie van
artikel 3, zesde lid, van de Wwb.
rblz.|21|
Artikel
10.
Uitsluitingsgronden
Dit artikel regelt welke
kunstenaars in elk geval van het recht op uitkering zijn uitgesloten. Als een
in dit artikel opgenomen omstandigheid van toepassing is op het
moment van aanvraag, dan ontstaat geen recht op uitkering. Zodra de
omstandigheid zich voordoet bij een kunstenaar die uitkering ontvangt, wordt
de kunstenaar vanaf dat moment uitgesloten van het recht op
uitkering. Zodra een omstandigheid als bedoeld in dit artikel ophoudt te
bestaan, kan de kunstenaar (opnieuw) uitkering aanvragen.
In de opsomming is niet
opgenomen dat ontvangers van algemene bijstand geen recht op Wwik
hebben. Een dergelijke bepaling was wel opgenomen in de Wik. In
de Wwb is opgenomen dat degene die uitkering op grond van de
Wwik ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering
ontvangt geen recht heeft op algemene bijstand. Samenloop van algemene
bijstand en Wwik is hiermee uitgesloten, zodat wat dat betreft geen
nadere bepaling in de Wwik nodig is.
Als tijdelijk verblijf
buiten Nederland wordt in het eerste lid, onderdeel a aangemerkt een
vakantieperiode in het buitenland van maximaal vier weken per kalenderjaar.
Deze periode mag niet zo worden gepland dat in twee opeenvolgende
kalenderjaren een aaneengesloten periode van langer dan vier weken in
het buitenland wordt verbleven. Verblijft iemand langer buiten Nederland,
dan brengt het in artikel 1, onderdeel e, vastgelegde territorialiteitsbeginsel
met zich mee dat geen recht bestaat op uitkering krachtens de Wwik.
Bij een langer verblijf
in het buitenland dan vier weken per kalenderjaar heeft de kunstenaar op
grond van het vierde lid alleen nog recht op uitkering als dat verblijf
noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening. Te denken valt aan een
(concert)tournee
in het buitenland. Aan het verblijf in het buitenland moet in principe een inkomenscomponent zijn
verbonden; het opdoen van
inspiratie alleen kan niet als noodzakelijk worden beoordeeld. Het
college kan de adviserende instelling op grond van het vierde lid om
advies vragen over de noodzaak van het verblijf in het buitenland voor de
beroepsuitoefening.
Het eerste lid,
onderdeel b, c en e, en het tweede en derde lid zijn voor wat hun toepassing betreft gelijk
aan de overeenkomstige bepalingen in artikel 13 van de
Wwb.
In het vijfde lid is een
uitsluitingsperiode opgenomen van kunstenaars die als gevolg van een
negatieve beoordeling van de beroepsmatigheid, of van het niet behalen van
de progressieve inkomsteneis, geen of niet langer toegang tot de Wwik
krijgen. Zonder nadere regelgeving zou het voor een kunstenaar wiens aanvraag
is afgewezen op grond van de entree-eis of de beroepsmatigheidseis (artikel
8, onderdeel b) of voor een kunstenaar wiens recht op uitkering
moet worden beëindigd op grond van de beroepsmatigheidseis (artikel
11, eerste lid, onderdeel
c) mogelijk zijn om kort na afwijzing of
beëindiging van de Wwik-uitkering op bovengenoemde gronden wederom een
beroep te doen op de Wwik. Eén en ander houdt verband met het feit dat voor de beoordeling van de vraag of
is voldaan aan de
bovengenoemde criteria de periode van twaalf maanden direct voorafgaand aan de
datum van aanvraag in aanmerking wordt genomen, waardoor de beoordelingsperiode telkens opschuift. Ter voorkoming
van deze ongewenste
situatie is in dit artikel geregeld dat een kunstenaar van wie het
recht op een Wwik-uitkering om één der genoemde redenen is afgewezen dan wel beëindigd, nadien (opnieuw)
recht op uitkering kan
krijgen, maar niet eerder dan nadat er een periode van zes kalendermaanden is
verstreken gerekend vanaf de maand waarin het besluit tot afwijzing
van de aanvraag is genomen, respectievelijk het rblz.|22|
tijdstip van beëindiging
van de uitkering plaatsvond. Voor een periode van zes maanden is gekozen
omdat het enerzijds niet aannemelijk is dat een kunstenaar wiens Wwik-uitkering is afgewezen op grond van het niet hebben kunnen voldoen aan
de eisen van beroepsmatigheid erin slaagt om de invulling van het
beroep kunstenaar in een kortere termijn dusdanig te wijzigen dat
hij wel kan worden aangemerkt als beroepsmatig kunstenaar in de zin van
de Wwik. Anderzijds geldt ten aanzien van de inkomenseis dat voorkomen
moet worden dat een kunstenaar wiens uitkering is afgewezen of
beëindigd vanwege onvoldoende inkomsten al na bijvoorbeeld één
maand wederom en dan met succes aanspraak op de Wwik-uitkering kan maken.
Dit omdat hij door een korte periode goed betaalde arbeid uit te
oefenen wel voldoet aan de relevante inkomenseis. Een ontzegging van het
recht op een Wwik-uitkering gedurende een langere periode dan zes maanden zou de kansen op een herstart weer te ver kunnen inperken. Het gaat
hierbij om het onherroepelijke besluit waar geen bezwaar of beroep
meer tegen mogelijk is. Bij bezwaar of beroep wordt deze bepaling
opgeschort.
Artikel
11.
Beëindigingsgronden
Dit artikel geeft,
onverminderd het elders in deze wet bepaalde met betrekking tot het
beëindigen van het recht of de beperkte duur van het recht, een opsomming van
de gronden waarbij door het college tot beëindiging van de uitkering wordt
besloten. De in dit artikel opgenomen opsomming ziet onder meer
toe op de situatie waarin de uitkeringsgerechtigde als het ware zijn
hoedanigheid als hulpbehoevend of als beroepsmatig actief
kunstenaar verliest, omdat:
a. de kunstenaar en
echtgenoot inmiddels zelf over voldoende middelen beschikken;
b. de kunstenaar niet kan
aantonen alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden in de
twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de twaalfde maand
waarin uitkering is verleend het over die periode bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen inkomen te hebben verworven;
c. de kunstenaar in enig
jaar niet kan aantonen beroepsmatig als kunstenaar werkzaam te zijn geweest,
bedoeld in artikel 1, onderdeel e, of zodanig marginaal als
kunstenaar existeert dat niet meer kan worden gesproken van het
beroepsmatig actief zijn, waardoor de voortzetting van de activiteiten met
behulp van uitkering op grond van de onderhavige regeling als zinloos moet
worden aangemerkt.
In
paragraaf 3.3 van het
algemene gedeelte van de memorie van toelichting is reeds vermeld dat voor
de beoordeling van het onder b gestelde, in tegenstelling tot de
Wik, het totale brutoarbeidsinkomen van de kunstenaar en de
echtgenoot meetelt in plaats van alleen het inkomen of omzet uit kunst van de
kunstenaar. Onder bruto-inkomen wordt verstaan het inkomen na aftrek van
de werkelijk gemaakte kosten, maar vóór de belasting- en
premieafdracht. Daarnaast krijgt de bruto-inkomenseis een progressief karakter.
Naarmate men langer gebruik maakt van de Wwik
zal men moeten voldoen
aan een hogere minimumbruto-inkomenseis (progressie-eis). Eén en
ander wordt nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Daarin zal
tevens worden geregeld in welke gevallen de bruto-inkomenseis over
een bepaalde periode kan worden verlaagd of kwijtgescholden.
Daarnaast wordt de
uitkering beëindigd indien de belanghebbende kunstenaar of zijn
echtgenoot daarom vraagt.
Het college dient
regelmatig te onderzoeken of de belanghebbende zijn hoedanigheid van
hulpbehoevend kunstenaar heeft behouden dan wel verloren. De beoordeling
of de belanghebbende nog als beroepsmatig rblz.|23|
actief kunstenaar kan
worden aangemerkt, geschiedt door de adviserende instelling, die hierover
regelmatig advies uitbrengt aan het college. Deze nadere omschrijving is
opgenomen omdat in de Wwik wordt geformaliseerd dat de uitkering moet
worden beëindigd zodra de belanghebbende na twaalf maanden niet meer als beroepsmatig actief kunstenaar kan worden
aangemerkt.
Omtrent de criteria
waaraan een beroepsmatig kunstenaar dient te voldoen met betrekking
tot het inkomen en de beroepsactiviteiten worden bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Het derde lid opent de
mogelijkheid om bij ministeriële regeling regels te stellen over de
frequentie waarmee deze (her)onderzoeken verricht moeten worden en vanaf
welk moment de uitkering moet worden beëindigd indien deze op grond van
het eerste lid, onderdeel b of c, moet worden beëindigd.
Artikel
12.
Vaststelling
en betaling
De regering acht het
wenselijk dat de systematiek van jaarlijkse vaststelling, als bij de Wik, ook bij
brutering van de Wwik-uitkering gehandhaafd blijft.
Eén en ander
wordt gerealiseerd door de uitkering per kalenderjaar vast te stellen en niet
per maand, zoals gebruikelijk in de Wwb en andere sociale voorzieningen. De
uitkering wordt per kalendermaand betaald. De maandelijkse Wwik-uitkering heeft hierdoor in eerste instantie een voorlopig karakter. De definitieve
vaststelling van de hoogte van de Wwik-uitkering vindt plaats na
beëindiging van het kalenderjaar waarin uitkering is ontvangen.
Artikel
13.
Vorm uitkering
bij vermogen in eigen woning en verplichte zekerheidstelling
In afwijking van de
Wwb blijft in de Wwik
de verplichte zekerheidstelling gehandhaafd indien de
uitkering op grond van dit artikel in de vorm van een geldlening moet
worden verleend aan een kunstenaar met een eigen woning die op grond van
artikel 9 recht heeft op een uitkering. Zekerheidstelling vindt
plaats middels een krediethypotheek of verpanding.
Zekerheidstelling
middels verpanding is opgenomen om het mogelijk te maken uitkering te
verlenen aan kunstenaars die vermogen hebben in een lidmaatschap van een
coöperatieve vereniging van eigenaars, door dit lidmaatschap recht hebben
op het uitsluitend gebruik van een nader aangeduid gedeelte van
het eigendom en daar ook woonachtig zijn.
In tegenstelling tot de Wik
kan krachtens de Wwik
uitkering worden verleend in de vorm van
een geldlening onder verpanding van het lidmaatschapsrecht.
De kosten verbonden aan
de taxatie van de woning, de hypotheekakte en aan de inschrijving van
de hypotheek of verpanding, alsmede de bijkomende kosten, komen voor
rekening van de kunstenaar die een beroep doet op de Wwik. In het
derde lid is geregeld dat voor deze kosten uitkering kan worden verleend,
die
wordt begrepen onder de geldlening onder verband van hypotheek of
verpanding. Het voor dergelijke kosten verstrekken van uitkering
op grond van de Wwik voorkomt dat de kunstenaar hiervoor een beroep moet
doen op (bijzondere) bijstand. In het vierde lid is geregeld
dat in het geval opnieuw recht op uitkering ontstaat na een eerdere
beëindiging van uitkeringsverlening onder verband van hypotheek of verpanding,
deze wordt verleend met toepassing van de eerder gevestigde
hypotheek of verpanding. Langs deze weg wordt voorkomen dat er bij uit- en
vervolgens weer instroom in de Wwik telkens opnieuw een krediethypotheek moet worden afgesloten.
rblz.|24|
In
het vijfde lid is
geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur regels zullen worden gesteld met
betrekking tot de vaststelling van de waarde van de woning en de
voorwaarden waaronder uitkering in de vorm van een geldlening onder
verband van hypotheek of verpanding wordt verleend. Laatstgenoemde regels zullen betrekking hebben op de aflossing
van de lening bij niet-tijdige aflossing en voor zover mogelijk gelijkluidend zijn aan de bepalingen
die daaromtrent waren opgenomen in het Besluit krediethypotheek bijstand dat tot de invoering van de
Wwb per
1 januari 2004 gold.
Een geldlening wordt
onbelast verstrekt, waardoor in laatstgenoemde regels tevens nadere
bepalingen kunnen worden opgenomen met betrekking tot de normering van de
Wwik in het geval de uitkering in de vorm van een geldlening onder
verband van krediethypotheek of verpanding wordt verleend.
Artikel
14.
Voorschot
Dit artikel geeft het
college de bevoegdheid om vooruitlopend op een beslissing inzake de
verlening van uitkering een voorschot te verlenen, indien zulks gelet op
alle omstandigheden noodzakelijk wordt geacht. Het voorschot heeft de vorm
van een renteloze geldlening, wat betekent dat het voorschot onbelast
wordt verstrekt. Indien de aanvraag om uitkering wordt afgewezen, vordert
het college het voorschot op grond van artikel
29, eerste lid, aanhef en onder b, terug.
Artikel 15.
Uitkeringshoogte
In afwijking van de
Wik wordt de Wwik direct in de vorm van een
bruto-uitkering verstrekt. De hoogte van
de uitkering is afgestemd op het specifieke karakter van deze
regeling. De Wwik biedt geen bestaansgarantie. Volstaan wordt met het
aanbieden van een zekere mate van bestaanszekerheid. Uitgangspunt is het
niveau van de netto-uitkeringsnorm:
a. voor een
alleenstaande: 70% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar
of ouder en de in artikel 25 van de Wwb
genoemde maximale
toeslag;
b. voor een alleenstaande
ouder: de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en de in artikel 25
van de Wwb genoemde maximale toeslag, verminderd met
het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande,
inclusief toeslag, en het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
c. voor een gezin: de
bijstandsnorm voor een gezin, verminderd met het verschil tussen de
bijstandsnorm voor een alleenstaande, inclusief toeslag, en het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Deze normbedragen zijn
inclusief vakantie-uitkering.
Bovenbedoelde
netto-uitkeringsbedragen zijn verhoogd met de daarover verschuldigde
loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie, waarbij rekening is
gehouden met de algemene heffingskorting voor de kunstenaar en voor
zover van toepassing de algemene heffingskorting voor de echtgenoot of de
alleenstaandeouderkorting.
Onder ziekenfondspremie
wordt verstaan de premie gebaseerd op het premiepercentage, bedoeld
in artikel 10a, eerste lid, van het
Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.
De uitkering wordt per
kalenderjaar (achteraf) vastgesteld, maar wel maandelijks uitbetaald.
De vakantie-uitkering wordt niet gereserveerd door het college en
jaarlijks uitbetaald, maar direct uitgekeerd bij de maandelijkse betaling van
de uitkering. De maandelijkse uitkering heeft een voorlopig karakter.
Dit neemt niet weg dat het in het belang van de rblz.|25|
kunstenaar en zijn gezin
kan zijn om de inkomsten of omzet al lopende het kalenderjaar in
aanmerking te nemen als op voorhand al duidelijk is dat de inkomsten of omzet
dusdanig hoog zijn dat zij invloed hebben op de (definitieve) hoogte van
de uitkering. Als alleen bij de definitieve vaststelling rekening wordt gehouden
met het inkomen, loopt de kunstenaar het risico om (een gedeelte
van) de uitkering bruto te moeten terugbetalen. Op grond van artikel
20,
tweede lid, onderdeel c, is de kunstenaar ook verplicht onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag dat aan
hem als uitkering wordt betaald. De verantwoordelijkheid ligt primair bij
de
kunstenaar. Als de kunstenaar meent dat de inkomsten geen invloed
hebben op de uitkeringshoogte, is hij niet verplicht om de centrumgemeente
te informeren. Als de kunstenaar evenwel meent dat de
inkomsten wél van invloed zijn op de hoogte van de uitkering, dan kan hij
terugvordering achteraf voorkomen door de centrumgemeente wel te
informeren. De kunstenaar hoeft lopende het jaar nog geen bijgewerkte administratie te overleggen: volstaan kan
worden met een kasboek of
een inschatting. De kunstenaar kan bijvoorbeeld in overleg met de
centrumgemeente afspreken om een bepaald bedrag in mindering te
brengen op de uitkering over die maand en, als het periodieke inkomsten
betreft, de volgende maanden. Om die reden is met het derde lid de
bevoegdheid opgenomen om het inkomen of een deel daarvan over een bepaalde maand of bepaalde maanden in mindering
te brengen op de
uitkering over diezelfde maand of maanden. Het college kan hiermee
maatwerk leveren waarmee, zonder de kunstenaar tekort te doen, terugvordering achteraf zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Artikel
16.
Definitieve
vaststelling
Vanwege het grillige
verloop van het inkomen van veel kunstenaars is ervoor gekozen om de inkomstenverrekening
- de definitieve vaststelling
van het recht op en
hoogte van de uitkering - per kalenderjaar te laten plaatsvinden, waarbij de
maandelijkse uitkering een voorlopig karakter heeft.
Het tweede lid betreft de
definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in
artikel 15. Voor de definitieve vaststelling van het recht op een Wwik-uitkering en de hoogte hiervan is het totale in aanmerking te nemen inkomen van de
kunstenaar en zijn gezin (eigen inkomsten exclusief de verstrekte
Wwik-uitkering) over het kalenderjaar waarin een
Wwik-uitkering is
ontvangen bepalend. Op dit inkomen wordt eerst over de uitkeringsloze periode
in het betreffende kalenderjaar per uitkeringsloze maand het bedrag, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a (100% van het sociaal
minimum,
verhoogd met de over die periode verschuldigde premie voor een private
ziektekostenverzekering, exclusief de voor ziekenfondsverzekerden
verschuldigde nominale premie), in mindering gebracht. Hierbij is niet
van belang hoe hoog het feitelijk inkomen over die betreffende maanden is
geweest. Het gaat erom dat de kunstenaar over de uitkeringsloze periode
in ieder geval gemiddeld over het voor betrokkene geldende sociaal minimum
kan beschikken. Over de periode waarin Wwik-uitkering is
verleend, wordt op het aldus berekende resterende inkomen plus de som van
het uitkeringsbedrag, genoemd in artikel 15, over de uitkeringsperiode het van toepassing zijnde bedrag per maand,
genoemd in het tweede
lid, onderdeel b (125% van het sociaal minimum), in mindering gebracht. De
definitieve hoogte van de uitkering volgt uit deze berekening. Indien de som een positief bedrag is, wordt dit bedrag in
mindering gebracht op het
uitkeringsbedrag, genoemd in artikel 15, over de uitkeringsperiode. Het
restant is de definitieve uitkering. Indien de som nihil is of een negatief
bedrag, dan is het uitkeringsbedrag, genoemd in rblz.|26|
artikel
15, over de
uitkeringsperiode tevens de definitieve hoogte van de uitkering.
De in het tweede lid,
onderdeel b, opgenomen brutobedragen ter hoogte van 125% van het
corresponderende sociaal minimum zijn vastgesteld overeenkomstig de in de
toelichting op artikel 8 en 15 van de
Wwik
uiteengezette
systematiek.
In het derde lid is
geregeld dat voor de definitieve vaststelling van de uitkeringshoogte van een
kunstenaar wiens recht op een Wwik-uitkering wegens het bereiken van
de maximale uitkeringsduur van 48 maanden is beëindigd uitsluitend
het inkomen over de periode in het kalenderjaar die voorafgaat aan de datum
van beëindiging in aanmerking wordt genomen. Indien in deze situatie
ook het inkomen dat de kunstenaar in het gehele kalenderjaar heeft
verworven, zou worden meegenomen, kan dit ertoe leiden dat het inkomen
van een kunstenaar over een periode dat geen enkele
aanspraakmogelijkheid meer bestaat op de Wwik er oorzaak van is dat de verstrekte
Wwik-uitkering gedeeltelijk moet worden terugbetaald. Een dergelijke uitkomst
zou indruisen tegen de bedoelingen van de Wwik die erop gericht zijn om
te bevorderen dat een kunstenaar na maximaal 48 maanden een dusdanig
inkomen uit een beroepspraktijk als kunstenaar weet te verwerven dat hij
uitkeringsonafhankelijk is.
Overigens kan een zelfde
situatie als boven zich voordoen als een kunstenaar de Wwik-uitkering
tussentijds beëindigt in verband met voldoende eigen inkomsten. Bij
Veegwet SZW 1998 (Stb. 1998, 742) is in de Wik opgenomen dat het inkomen
over het gehele kalenderjaar zou worden meegeteld voor de
definitieve vaststelling van de het recht op en de hoogte van de
Wik-uitkering. Het argument hiervoor was het tegengaan van mogelijk ongewenst
calculerend gedrag van een kunstenaar. Zonder deze toevoeging zou een
kunstenaar namelijk de Wik-uitkering hebben kunnen beëindigen vlak
voordat hij kon beschikken over inkomsten om enige tijd daarna wederom
het recht op een Wik-uitkering te heractiveren. Door aldus te handelen,
zou het verworven inkomen daarmee buiten de beoordeling van de
definitieve hoogte van de Wik-uitkering zijn gebleven. Als de
handelwijze uit
het derde lid ook van toepassing zou zijn op kunstenaars die in de
loop van een kalenderjaar een beroep doen op de Wwik
of die de Wwik tussentijds opzeggen, zou dit hetzelfde calculerend gedrag tot gevolg kunnen
hebben als onder de Wik. In een situatie waarin het recht op een Wwik-uitkering eindigt vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur
kan er evenwel geen sprake zijn van calculerend gedrag. Daarom betreft de
afwijkende bepaling van het derde lid uitsluitend het kalenderjaar waarin
de kunstenaar de maximale uitkeringsduur als bedoeld in artikel 19
heeft bereikt.
Het inkomen dat in
aanmerking wordt genomen, betreft de periode in dat kalenderjaar onmiddellijk
voorafgaand aan de beëindigingsdatum van de uitkering. Indien de
uitkering in de loop van een kalendermaand wordt beëindigd, wordt het
betreffende maandinkomen naar evenredigheid in aanmerking genomen.
In het vierde lid,
onderdeel a, van dit artikel wordt bepaald dat ingeval de definitieve hoogte van de
uitkering hoger is dan de over het betreffende kalenderjaar verleende
uitkering, het verschil wordt nabetaald. Ingeval de definitieve hoogte van de
uitkering lager is dan de over het betreffende kalenderjaar verleende
uitkering, wordt het verschil op grond van het derde lid, onderdeel b,
teruggevorderd.
Artikel
17.
Beroepskosten
Door de kunstenaar
gemaakte beroepskosten worden voor de vaststelling van het inkomen, bedoeld
in artikel 8, 15 en
16, in mindering gebracht op het inkomen van de
kunstenaar volgens bij of krachtens algemene maatregel rblz.|27|
van bestuur te
stellen regels. In paragraaf 4.6 van het algemene deel van de memorie van
toelichting is opgenomen dat één normbedrag voor de beroepskosten zal
worden opgenomen. Dit normbedrag zal in deze nadere regels worden
opgenomen. Daarnaast zal daarin worden opgenomen over welk inkomen dit
normbedrag in aanmerking wordt genomen en welke beroepskosten in
aanmerking worden genomen indien de werkelijke kosten hoger
zijn dan het normbedrag.
In de Wik bevatte het
betreffende artikel een samenloopregeling voor het geval uit anderen hoofde
vergoedingen voor de beroepskosten in welke vorm dan ook verkregen
werden door de kunstenaar. Alleen als de werkelijke beroepskosten hoger waren
dan het betreffende normbedrag, werden beroepskostenvergoedingen
van derden in aanmerking genomen, in casu in mindering gebracht op
de beroepskosten. Indien de werkelijke kosten lager waren dan het
normbedrag, werden beroepskostenvergoedingen niet in aanmerking
genomen. In een dergelijke situatie was er sprake van een dubbel voordeel: de
aftrek op grond van het normbedrag beroepskosten was hoger dan de
werkelijk gemaakte beroepskosten en beroepskostenvergoedingen van derden bleven buiten
beschouwing. Indien de werkelijke beroepskosten
hoger waren dan het normbedrag, vervielen beide voordelen geheel of gedeeltelijk. In de
Wwik wordt gekozen voor
een andere benadering. Beroepskostenvergoedingen van derden worden als opbrengsten gevoegd
bij de omzet en/of bruto-inkomsten. De (werkelijke of forfaitair vastgestelde) beroepskosten worden hierop in mindering
gebracht.
Niet alle vergoedingen
van derden kunnen als beroepskostenvergoedingen worden aangemerkt.
Faciliteiten kunnen zijn gericht op de versterking van de
duurzame bedrijfs- of beroepsmiddelen. Hierbij kan worden gedacht aan een
bedrag voor de aanschaf van een grafische computer. Een dergelijke
faciliteit wordt niet als opbrengst aangemerkt en blijft buiten
beschouwing, voor zover deze, gelet op de aard en hoogte van de verstrekking, als
verantwoord en noodzakelijk voor de beroepsuitoefening kan worden aangemerkt.
Evenmin worden vergoedingen uit het flankerend beleid Wwik als middelen in aanmerking genomen.
Artikel
18.
Herziening
bedragen
Het artikel is, voor
zover van toepassing, overeenkomstig de artikelen 37 en
38 van de Wwb. De
brutering van de Wwik komt tot uitdrukking in de redactie van dit artikel.
In de toelichting op de artikelen 8 en
15 van de Wwik is al
uiteengezet op welke wijze de brutobedragen in de Wwik worden vastgesteld.
Artikel
19.
Duur uitkering
Dit artikel regelt de
maximale uitkeringsduur. De maximale uitkeringsduur is ongewijzigd ten
opzichte van de Wik. Onder de Wik opgenomen uitkeringsperioden tellen
mee voor de bepaling van de maximale uitkeringsduur in de Wwik.
Hiertoe is een overgangsbepaling opgenomen in artikel
74. In het
derde lid is bepaald dat het college regelmatig onderzoekt of er nog recht op
uitkering bestaat op grond van het eerste en tweede lid, dus of de
maximale uitkeringsduur niet is overschreden. Deze bepaling is opgenomen om
te verduidelijken dat de centrumgemeente
die de uitkering verstrekt
verantwoordelijk is voor de beëindiging van het recht op uitkering zodra
de maximale uitkeringsduur op grond van het eerste of tweede lid is
bereikt. Bovendien is de centrumgemeente verantwoordelijk voor het afwijzen van het
recht op uitkering indien een kunstenaar die reeds over de
maximale duur uitkering ingevolgde de Wik of de Wwik heeft genoten opnieuw een beroep doet op de
Wwik. In het vierde lid is bepaald dat bij
ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld omtrent de uitvoering van
het derde lid.
rblz.|28|
Artikel
20.
Verplichtingen
verbonden aan uitkering
In de
Wik was de
kunstenaar verplicht om op verzoek van het college de administratie aan de
gemeente over te leggen. Omdat alle uitkeringen die in een kalenderjaar zijn
verstrekt definitief moeten worden vastgesteld, is nu geregeld dat de
kunstenaar die in een bepaald kalenderjaar uitkering heeft ontvangen zelf
verplicht is de administratie binnen zes maanden na afloop van dat jaar aan
het college te overleggen, al dan niet op verzoek van het college. Deze
verplichting geldt ook voor de echtgenoot, voor zover deze zelf arbeid in een
eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht. De verplichting om zich
naar vermogen in te spannen om met kunst zelfstandig in het bestaan te
voorzien, omvat ook de gemengde beroepsuitoefening. De verplichting richt
zich uitsluitend op de kunstenaar en primair op zijn
kunstuitoefening. Als de kunstenaar er ook op termijn niet in slaagt om via de
inkomsten uit kunst in de kosten van het levensonderhoud te voorzien, ligt het voor
de hand dat hij zich meer zal moeten gaan richten op een gemengde
beroepspraktijk. In paragraaf 5.3 van de algemene toelichting is reeds
ingegaan op dit aspect. De onderhavige verplichting heeft niet
als doel om kunstenaars te verplichten om algemeen geaccepteerde arbeid te
aanvaarden teneinde zo snel mogelijk als werknemer uit de Wwik
te
stromen. De Wwik zou daarmee te veel het karakter krijgen van de Wwb. Het doel van de in de
Wwik opgenomen verplichting is te
bevorderen dat een kunstenaar na maximaal vier jaar Wwik-uitkering een
renderende, al dan niet gemengde beroepspraktijk als kunstenaar heeft
opgebouwd. De verplichting strekt ertoe om de kunstenaar erop te kunnen aanspreken
als hij zich naar het oordeel van het college onvoldoende
inspant om dit doel te bereiken. Het is primair de verantwoordelijkheid van
de kunstenaar zelf om een goede balans te vinden tussen de
kunstuitoefening en de inkomenspositie, waarbij hij de hulp van de woongemeente
kan inroepen in het kader van activerend beleid, het arbeidsmarktgerichte stimuleringsbeleid.
Overigens vormen de in de Wwik opgenomen toetsingsmomenten rond het beroepsmatigheidsaspect
en de inkomensvorming op
zich al voldoende impuls om zich in te spannen.
Het niet langer voldoen aan één van deze eisen leidt immers tot
beëindiging van het recht op een Wwik uitkering. Vervallen is de
verplichting om ingeschreven te staan bij de CWI, uitgezonderd in het geval de
kunstenaar of diens echtgenoot gebruik maakt of wil maken van het
activerend beleid als bedoeld in artikel 21. Kunstenaars die gebruik maken van de
Wwik zijn werkzaam in het beroep van kunstenaar, maar hebben een inkomen
onder het bestaansminimum. In dat licht bezien past een
verplichte inschrijving als werkzoekende niet. Aan de verplichte inschrijving
bij de CWI was in de Wik de inschrijving in het Centraal Wik-bestand
gekoppeld. Via deze landelijke registratie wordt het gebruik van Wik per
kunstenaar bijgehouden, met het oog op de maximale uitkeringsperiode van
vier jaar. Deze registratie zal worden gecontinueerd in de Wwik, maar zal niet
plaatsvinden bij de CWI. Het belang van een verplichte inschrijving bij de CWI is daarmee goeddeels weggevallen.
Alleen de kunstenaar of
de echtgenoot die gebruik wil maken of gebruik maakt van activerend
beleid als bedoeld in artikel 21 dient zich als werkzoekende in te schrijven bij de
CWI.
Artikel
21.
Activerend
beleid
Dit
artikel strekt ertoe
dat kunstenaars in voorkomende gevallen een beroep kunnen doen op
activerende middelen uit het flexibel reïntegratiebudget Wwb
ter versterking van
het niet-kunstgerelateerde deel van de gemengde beroepspraktijk.
Een verzoek hiertoe moet de kunstenaar indienen bij het college
van de gemeente waar de kunstenaar woonplaats heeft. Vaak zal een
kunstenaar besluiten om een beroep te doen op deze middelen als duidelijk is
geworden dat het ook op termijn niet mogelijk is rblz.|29|
om via uitsluitend inkomsten uit de aan
kunst gerelateerde activiteiten in
de kosten van het
levensonderhoud te voorzien. Indien het om een situatie gaat waarin de
kunstenaar niet woonachtig is in de centrumgemeente, ligt het voor de hand dat
het college van de woongemeente desgewenst advies vraagt
aan de centrumgemeente waar de kunstenaar uitkering ontvangt over
de wenselijkheid van toekenning van de gevraagde voorziening.
Indien noodzakelijk kan de centrumgemeente een meer uitgebreid advies
vragen aan de adviserende instelling. Op deze wijze wordt voorkomen dat
de adviserende instelling geconfronteerd wordt met verzoeken om
advies van alle gemeenten. In het tweede lid is geregeld dat het college
van de woongemeente de in het eerste lid genoemde activiteiten
laat uitvoeren door derden. Het ligt daarbij voor de hand dat het college voor
de op gedeeltelijke inschakeling op de arbeidsmarkt gerichte activiteiten
gebruik maakt van de expertise en kennis van de reïntegratiebedrijven
die ook al in het kader van de Wwb door de gemeente zijn
ingeschakeld. Wat betreft de inschakeling van reïntegratiebedrijven is aangesloten bij het
regime van de Wwb. Dit betekent dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een deel van de
werkzaamheden niet door derden hoeft te worden verricht. Dit is nader
uitgewerkt in het Besluit SUWI en in de Regeling
Wwb.
Bij een gezin zou de
ondersteuning ook kunnen worden aangeboden aan de echtgenoot, in het
geval de kunstenaar en de echtgenoot dit nodig achten om
uitkeringsonafhankelijk te worden, zodat na maximaal 48 maanden gebruik van de
Wwik geen beroep op bijstand behoeft te worden gedaan.
Vanuit het flankerend
beleid, dat wordt uitgevoerd door de adviserende instelling, kunnen
kunstenaars ondersteuning ontvangen die gericht is op het versterken van de
kunstgerelateerde activiteiten en de professionaliteit van het kunstenaarschap.
De
gemeenteraad van de
gemeente waar de kunstenaar woont, is op grond van artikel 8 van
de Wwb verplicht om in een verordening regels op te stellen met
betrekking tot het ondersteunen van bijstandsgerechtigden bij de
arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op de arbeidsinschakeling. In deze verordening moet de
gemeenteraad van de
woongemeente op grond van artikel 21, vierde lid, tevens regels stellen met
betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op het bevorderen
van arbeidsinschakeling van kunstenaars. Anders dan in de Wwb,
waar een dergelijke voorziening verplichtend door het college wordt
opgelegd, heeft de voorziening in het kader van de Wwik
een vrijwillig
karakter. De kunstenaar die een beroep doet op een voorziening is uiteraard
verplicht om van een aangeboden voorziening daadwerkelijk gebruik te
maken. Het is aan het college van de woongemeente om te bepalen welke
aanbod passend is. Hierbij geldt dat het moet gaan om de kortste
weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Het college kan met de
kunstenaar afspraken maken over de gevolgen van het niet nakomen/voortijdig
afbreken van een reïntegratietraject, bijvoorbeeld door terugbetaling van de
trajectkosten.
Artikel
22.
Maatregelen
In het
algemene gedeelte van de memorie van toelichting is reeds opgenomen dat de Wwik
geen boeteclausules meer kent, doch uitsluitend de
mogelijkheid van een
maatregel.
Wanneer het college
constateert dat de belanghebbende zich niet aan de uit de Wwik voortvloeiende verplichtingen houdt, is het college gehouden een maatregel op
te leggen. Dit houdt ook in dat als betrokkene verzuimd heeft informatie
te verstrekken die van belang is voor het recht op uitkering, of de hoogte of de duur van de uitkering, het college de
rblz.|30|
uitkering lager kan
vaststellen. Een maatregel kan ook betrekking hebben op overtreding van de
verplichtingen die krachtens artikel 20, vierde lid, aan de echtgenoot worden
opgelegd. Ook in het geval dat de kunstenaar of zijn echtgenoot, voor
zover het gaat om arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, de verplichting
om inzage te geven in de administratie over het kalenderjaar
waarin uitkering is verleend niet nakomt, is een maatregel aan de orde.
De omstandigheden waarin
een maatregel moet worden opgelegd zijn opgenomen in het eerste lid; de onderdelen a, b en c gelden voor de kunstenaar, de onderdelen
d en e gelden voor de echtgenoot.
De maatregel die wordt
opgelegd op de uitkering, bedoeld in artikel
15, werkt uiteraard door bij
de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel
16. Het kan immers niet de
bedoeling zijn om de opgelegde maatregel bij de definitieve vaststelling
ongedaan te maken.
Het college houdt bij het
vaststellen van de maatregel rekening met de persoonlijke
omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen.
Een bijzondere situatie
waarin sprake is van het niet nakomen van aan de uitkering verbonden
verplichtingen is wanneer betrokkene zich zeer
ernstig misdraagt jegens
het college of zijn ambtenaren. Onder de term "zeer ernstig
misdragen" kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er
sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale
menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
In de tweede volzin van
het tweede lid wordt nog eens geëxpliciteerd dat van een maatregel van de
uitkering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de belanghebbende door
overmacht niet in staat is geweest één of meer afspraken volledig na te komen. Het college kan de maatregel voor een
bepaalde periode opleggen
of totdat de belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld.
Met betrekking tot de
verenigbaarheid van het maatregelensysteem met de eisen die uit artikel
6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeien en het niet aanmerken van
de maatregel als een punitieve sanctie, wordt verwezen naar de toelichting op artikel 18 van de Wwb
(Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3,
blz. 47-49).
Artikel
23.
Woonplaats en
aanvraag
De uitvoering van de
Wik is opgedragen aan centrumgemeenten. Sinds 1 januari 2004 betreft
het twintig centrumgemeenten. Voor een concentratie van de uitvoering is
gekozen omdat deze de kwaliteit van de uitvoering ten goede komt, gelet op
het specifieke karakter van de wet
en het beperkt aantal
gebruikers. Bij de toewijzing van de status van centrumgemeente is rekening gehouden met
het gegeven dat er met name in gemeenten waar een
kunstonderwijsinstelling aanwezig is een concentratie te zien is van
kunstenaars. De centrumgemeenten voeren de Wik uit voor de in hun regio
gelegen gemeenten. In de Wwik worden, overeenkomstig de Wik, bij algemene
maatregel van bestuur gemeenten aangewezen die de Wwik uitvoeren
voor kunstenaars die woonachtig zijn in een gemeente waarover de
centrumgemeente op grond van die maatregel de uitvoeringstaken
heeft. In het vierde lid is bepaald dat het college het recht op uitkering op
aanvraag vaststelt. Derhalve is niet voorzien in de mogelijkheid dat het
college ambtshalve vaststelt of iemand een uitkering krachtens de Wwik toegekend zou kunnen krijgen. Dit zou niet
rblz.|31|
passen bij de
keuzevrijheid die een kunstenaar heeft om bij onvoldoende bestaansmiddelen een
beroep te doen op hetzij de Wwik, hetzij de Wwb. In het tweede lid wordt
geregeld dat de aanvraag bij het college wordt ingediend (dus niet bij
de CWI). Op grond van het derde lid dient de aanvraag te worden
ondertekend door de kunstenaar en de echtgenoot samen of dient de
aanvraag te worden ingediend door één van hen met schriftelijke toestemming
van de ander. Indien de aanvraag niet volledig is, kan het college op
grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besluiten de
aanvraag niet in behandeling te nemen, mits de aanvrager de gelegenheid
heeft gehad binnen een door het college gestelde termijn de
aanvraag aan te vullen. De aanvraag is niet volledig indien deze niet is
medeondertekend door de echtgenoot of is ingediend zonder een schriftelijke
machtiging van de echtgenoot. Uit de medeondertekening of machtiging blijkt dat
de keuze voor de Wwik door beide echtgenoten wordt gedragen. De keuze
voor de Wwik kan namelijk voor het gezin als geheel tamelijk
ingrijpende gevolgen hebben, met name ook inkomensgevolgen: de
kunstenaar noch zijn partner kunnen aanspraak maken op (aanvullende)
algemene bijstand, terwijl feitelijk gezien het inkomen, inclusief de
Wwik-uitkering, lager kan zijn dan het
sociaal minimum. Deze gevolgen
zijn naar het oordeel van de regering zodanig dat de keuze voor de Wwik door beide partners gedragen moet worden.
Eén en ander zal moeten
blijken uit het feit dat de Wwik door beide partners moet worden aangevraagd.
Zonder een dergelijke, uit de aanvraag blijkende instemming
ligt het voor de hand dat het college besluit de aanvraag niet in
behandeling te nemen. In het vierde lid is bepaald dat het college het recht op
uitkering op aanvraag vaststelt. Het vijfde lid, aanhef en onder a, regelt
ten slotte de verplichting van het college om de adviserende instelling om
advies te vragen ten aanzien van de vraag of de aanvraag is ingediend
door een kunstenaar die voldoet aan de beroepsvereisten ingevolge de Wwik. In de
Wik was bepaald dat de adviserende instelling moet worden
gehoord ingeval de gemeente de uitkering van de kunstenaar wil
beëindigen in verband met het niet hebben voldaan aan de
minimumbruto-inkomenseis/-omzeteis
uit kunst over het kalenderjaar waarin uitkering is
genoten. Deze bepaling is niet meer in de Wwik opgenomen, omdat de nieuwe
inkomenseis als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, geen
betrekking meer heeft op de omzet en niet uitsluitend betrekking heeft op het
inkomen uit kunst. In het vijfde lid, aanhef en onder b, is opgenomen
dat het college de adviserende instelling moet horen of de uitkering
moet worden beëindigd omdat de belanghebbende niet langer kan worden
aangemerkt als een beroepsmatig actief kunstenaar als bedoeld in artikel
1, onderdeel e, van de wet.
Artikel
24.
Toekenning
recht op uitkering
In dit artikel wordt
geregeld dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag van melding bij de
centrumgemeente, tenzij op die dag nog geen recht op uitkering
bestaat. Het kan voorkomen dat kunstenaars zich kort vóór het einde van een
arbeidscontractperiode melden, met het doel direct aansluitend aan de contractperiode uitkering te gaan ontvangen. In
dat geval wordt - als
ook aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht is voldaan
- de uitkering toegekend vanaf de dag dat het recht op uitkering bestaat.
Het tweede lid van dit
artikel is bedoeld om te voorkomen dat te veel tijd verstrijkt tussen de
melding en de aanvraag. Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de
overeenkomstige bepaling in de Wwb. In het derde lid is bepaald dat het
college het recht op uitkering niet eerder vaststelt dan nadat het college is
gebleken wat de verbruikte uitkeringsduur is en wat de eerste datum is
waarop uitkering op grond van de Wwik, of op grond van de
Wik (zie ook
het overgangsartikel 74), is toegekend.
rblz.|32|
Artikel
25.
Opschorting
In dit artikel is
geregeld dat het college het recht op uitkering kan opschorten indien de
kunstenaar of zijn echtgenoot verwijtbaar de voor verlening van de
uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet
tijdig of onvolledig heeft verstrekt of indien de kunstenaar of zijn
echtgenoot op andere wijze onvoldoende medewerking verleent aan het
onderzoek. Uit het oogpunt van rechtszekerheid voor de kunstenaar of zijn
echtgenoot kan de in het eerste lid bedoelde opschorting van het recht op
uitkering niet langer duren dan acht weken. Het college stelt de
kunstenaar of zijn echtgenoot in de gelegenheid het verzuim, waarvoor tot
opschorting is overgegaan, binnen een door het college gestelde termijn
te herstellen. Welke hersteltermijn in het individuele geval wordt geboden,
behoort tot de beleidsvrijheid van het college. De enige wettelijke
beperking vloeit voort uit de in de tijd begrensde mogelijkheid om het recht
op uitkering op te schorten. Wanneer de kunstenaar of zijn
echtgenoot het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn
herstelt, kan het college het recht op uitkering beëindigen vanaf de eerste dag
waarover dat recht is opgeschort. Deze wijze van beëindigen is geen
belemmering voor terugvordering van uitkering die als gevolg van de
betaalsystematiek reeds is uitgekeerd over een periode waarop de opschorting
betrekking heeft. Verder is in artikel 25 geregeld dat bij de beoordeling
van het recht op uitkering de koppeling van de persoonsgegevens van de
kunstenaar aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens mogelijk
is. Het doel hiervan is een bijdrage te leveren aan
de fraudebestrijding door de betrouwbaarheid van het adresgegeven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te vergroten. Dit wordt
bereikt door het belang van de burger bij een correcte inschrijving in de basisadministratie te vergroten: een
onjuiste inschrijving kan
gevolgen hebben voor de betreffende overheidsprestatie.
Artikel
26.
Herziening of
intrekking
In dit artikel is het
oude artikel 20 van de Wik overgenomen.
Artikel
27.
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging
De uitkering is niet
vatbaar is voor beslag, aangezien de maximale hoogte van de uitkering voor
alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden onder de in acht te nemen
beslagvrije voet van artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering uitkomt.
Artikelen 28 tot en met
34. Terugvordering
In verband met de
ongewijzigde financieringssystematiek en verantwoordelijkheidsverdeling
in de Wwik blijft terugvordering van een ten onrechte verstrekte
of te veel verstrekte Wwik-uitkering een gemeentelijke verplichting.
Een aantal
terugvorderingsbepalingen is uit de Abw overgenomen in de
Wwik. Het gaat hierbij
met name om terugvordering bij gezinsleden en het besluit tot
terugvordering. De terugvorderingsgronden zijn eveneens uit de Abw overgenomen,
maar aangepast aan de Wwik.
De
Wwik kent het college
drie bevoegdheden toe om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien, namelijk bij een minnelijke schuldregeling, bij dringende redenen of
bij vorderingen van geringe omvang.
In
artikel 30 is geregeld
dat de uitkering die over een kalenderjaar is verleend volledig moet
worden teruggevorderd in het geval de kunstenaar rblz.|33|
of zijn echtgenoot
(voor zover deze arbeid verricht in bedrijf of zelfstandig beroep), ook na een door
het college gegeven herstelperiode, heeft nagelaten de jaarcijfers en andere
inkomstenbewijzen over het betreffende kalenderjaar aan het
college te overleggen. In de Wik ontbrak een dergelijke bepaling. Door deze
nieuwe bepaling wordt voorkomen dat kunstenaars die niet voldoen aan deze
informatieplicht bevoordeeld worden ten opzichte van kunstenaars
die wel aan deze verplichting hebben voldaan, maar die door hoge
inkomsten een deel van de verleende uitkering over het betreffende
kalenderjaar moeten terugbetalen.
In
artikel 31 is
opgenomen dat het college kan besluiten mee te werken aan een minnelijke
schuldregeling, aangeboden door een schuldhulpverlener, indien deze tot stand kan
komen. Enkele van de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn,
is dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn dat de
belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of
reeds in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en dat een
schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de
overige schuldeisers anders niet tot stand zal komen. De vorderingen van het
college moeten ten minste worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Buiten de schuldregeling
blijven vorderingen, ontstaan als gevolg van opzettelijk verwijtbaar
gedrag en vorderingen welke door hypotheek of verpanding op één of meer
zaken zijn gedekt.
Het besluit treedt echter
pas in werking als de vereiste schuldregeling definitief tot stand is
gekomen. Hierdoor wordt voorkomen dat een situatie zou kunnen
ontstaan waarin een schuldregeling niet tot stand kan komen omdat het college
geen besluit kan nemen, omdat de schuldregeling niet tot stand is
gekomen. Door de inwerkingtreding van het besluit uit te stellen
tot het moment waarop de schuldregeling tot stand is gekomen, wordt voorkomen
dat het college in een positie zou geraken waarbij de vordering voor
een gedeelte zou zijn vervallen, terwijl een schuldregeling niet
haalbaar lijkt te zijn. In het vierde lid is opgenomen dat het besluit wordt
ingetrokken of ten nadele van de kunstenaar wordt gewijzigd indien de schuldregeling niet tot stand is gekomen binnen
twaalf maanden na
bekendmaking van het besluit door het college, de schuld niet
overeenkomstig de regeling wordt voldaan of het besluit is genomen op grond van
door
de kunstenaar verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens.
Het college moet kunnen
vertrouwen op de schuldhulpverlener. De schuldhulpverlener moet
voldoende informatie verstrekken aan de crediteur over de berekening van de
aflossingscapaciteit met bewijsstukken en een volledige lijst van
de schuldeisers. Het volgen van de Gedragscode Schuldregeling NVVK [Nederlands
Vereniging voor Volkskrediet, red.] in
het minnelijk traject van schuldhulpverlening waarborgt een gelijke
behandeling van schuldeisers en de mogelijkheid van controle indien de
schuldregelaar zich onverhoopt niet aan de gedragscode houdt. Onder
voorwaarden kunnen echter ook publieke schuldhulpverleningsorganisaties
geaccepteerd worden die geen NVVK-lid zijn. In
navolging van het ministerie van Financiën kan daarbij worden gedacht aan de
voorwaarde dat dergelijke publieke schuldhulpverleners zich houden aan de
algemene uitgangspunten voor de berekening van de aflossingscapaciteit conform de door Recofa
¹ gepubliceerde
normen en de
schuldbemiddelingen zelf uitvoeren.
1. De
werkgroep Recofa (rechters-commissarissen in faillissementen) van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak,
red.
In
artikel 32, aanhef en
onder a, is opgenomen dat het college kan besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn. De vraag wat dringende redenen zijn om van
terugvordering af te zien, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. Het
gaat echter niet zozeer om financiële omstandigheden, hiervoor is immers
artikel 31 opgenomen, maar om niet-financiële omstandigheden,
bijvoorbeeld de (geestelijke) gezondheidssituatie van de rblz.|34|
kunstenaar of zijn
gezin.
Van geval tot geval zal aan de hand van alle omstandigheden de
situatie van de belanghebbende moeten worden beoordeeld. Dit artikel
strekt er dus niet toe om een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om
van terugvordering af te zien. In zijn algemeenheid moet worden gesteld dat
de kunstenaar en zijn echtgenoot gehouden zijn Wwik-vorderingen aan het college terug te betalen. Het gaat immers in de
regel
om vorderingen die zijn gesteld wegens inkomsten boven de bijverdiengrens,
bedoeld in artikel 16, of om vorderingen ontstaan als gevolg van
opzettelijk verwijtbaar gedrag.
De derde mogelijkheid tot
afzien van terugvordering is opgenomen en in artikel
32, aanhef en onder b, en betreft vorderingen van kleine omvang. Deze
beleidsvrijheid stelt het college in staat bij vorderingen lager dan het in dit
artikel opgenomen maximumbedrag een afweging te maken tussen de kosten en
baten van invordering.
Indien de uitkering als
gezinsuitkering wordt verleend, is de terugvordering niet alleen gericht op de
persoon aan wie de uitkering is betaald, maar op alle gezinsleden
die zijn begrepen in de uitkering. Dit is geregeld in artikel
33, eerste
lid. Artikel 33, tweede lid, biedt de mogelijkheid om, indien het voeren van een
gezamenlijke huishouding niet tijdig bij het college is gemeld, de
kosten tevens kunnen worden teruggevorderd van de echtgenoot van de
kunstenaar. Dit vanwege het feit dat door het niet of niet behoorlijk nakomen
van de informatieverplichting bij de uitkeringsverlening geen rekening kon worden
gehouden met de middelen van de echtgenoot, waardoor het
zo kan zijn dat de uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend.
De artikelen 33 en 34 zijn gebaseerde op de artikelen 59 en
60 van de Wwb. Hiervoor wordt verwezen naar de
toelichting op de artikelen 59 en 60
van de Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 78-79).
Artikel
35.
Adviserende
instelling
De adviserende instelling
is een onafhankelijke instelling die de gemeente
adviseert omtrent de beroepsmatigheid van de kunstenaar. De minister
draagt geen inhoudelijke
verantwoordelijkheid voor de gemaakte afwegingen bij deze onafhankelijke
beroepsmatigheidstoets en de adviserende instelling is aan de minister geen verantwoording verschuldigd over de
inhoudelijke aspecten van
de advisering. Daar het college beslist over het recht op uitkering,
behoort het tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten om een
inhoudelijk oordeel over de adviezen te betrekken bij de besluitvorming.
In het eerste lid zijn de
taken van de adviserende instelling beschreven. Het betreft advisering
over de vraag of:
- de aanvrager reeds
een zekere tijd beroepsmatig als kunstenaar werkzaam is geweest en nog steeds
als zodanig werkzaam is en de vraag of deze aanvrager een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag aan bruto-inkomen
heeft verworven over een bij die maatregel te bepalen periode;
- de aanvrager kan
worden aangemerkt als een kunstenaar die beroepsmatig actief wordt binnen
twaalf maanden na het behalen hier te lande van een diploma van een
kunstvakopleiding op HBO- of WO-niveau;
- de uitkering van de
persoon die gebruik maakt van de Wwik
moet worden beëindigd omdat
de persoon niet langer kan worden aangemerkt als een beroepsmatig
werkend kunstenaar.
Daarnaast adviseert de
instelling op verzoek van het college over het toekennen van een
activerende voorziening als bedoeld in artikel 21 en over de beroepsmatige
noodzaak van verblijf in het buitenland, langer dan de in artikel
10, eerste
lid, onderdeel a, opgenomen maximale periode.
rblz.|35|
Het tweede lid beschrijft
de voorwaarden om voor een aanwijzing in aanmerking te kunnen
komen. De advisering vergt deskundigheid op het gebied van de vereisten
die gelden voor de diverse beroepsgroepen. De beroepsmatigheidsadvisering
is geen harde financiële beoordeling, maar een beoordeling van
feitelijke omstandigheden die in hun onderlinge verband moeten worden
beschouwd. Het kan zijn dat in het ene geval de ene omstandigheid wat
prominenter aanwezig is dan in het andere geval. De adviserende instelling
moet van geval tot geval afwegen of uit de samenhang van deze
omstandigheden geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een
beroepsmatig werkend kunstenaar. Deze afweging vergt ervaring en een
eenduidige vraagstelling en gegevensbeoordeling. Mede vanuit een oogpunt van
rechtsgelijkheid is daarom in de Wwik opgenomen dat de
minister één
landelijk opererende instelling aanwijst.
Als minimumvereiste geldt
dat de betrokken rechtspersoon volledig rechtsbevoegd is en
statutair in ieder geval (mede) tot doel heeft om adviestaken als
omschreven in het eerste lid te vervullen. In het derde lid wordt voorzien in de
mogelijkheid om aan een aanwijzing voorschriften te verbinden. Bij deze
voorschriften kan gedacht worden aan de verplichting tot overlegging van een
jaarverslag of de vaststelling of goedkeuring van de begroting.
Overigens valt de
aangewezen instelling binnen de omschrijving als bedoeld in artikel 91,
eerste lid, onderdeel d, van de Comptabiliteitswet
2001 ten aanzien waarvan
de Algemene Rekenkamer een controletaak/-bevoegdheid heeft.
Artikel
36.
Intrekking
aanwijzing adviserende instelling
In dit artikel zijn de
gronden opgenomen waarop tot intrekking van de aanwijzing als de
adviserende instelling besloten moet of kan worden. In het eerste lid is
geregeld in welke gevallen de minister verplicht is om tot intrekking van de
aanwijzing over te gaan, terwijl in het tweede lid is geregeld in welke gevallen hij
een
bevoegdheid tot intrekking heeft. In de laatstgenoemde gevallen
is er derhalve ruimte voor belangenafweging door de minister.
Artikel
37.
Maatregelen na
intrekking van de aanwijzing
Dit artikel regelt onder
meer de verplichting van de minister om na intrekking van de aanwijzing de
nodige maatregelen te treffen. Bij de intrekking van een aanwijzing zou
gedurende een zekere tijd een ongewisse situatie kunnen ontstaan, waarmee
de continuïteit van de beroepsmatigheidsadvisering in gevaar zou kunnen
komen. Kunstenaars die een beroep hebben gedaan op de Wwik
moeten binnen redelijke termijn zekerheid krijgen of zij toegang
tot de Wwik hebben. Als deze redelijke termijn niet kan worden gegarandeerd,
kan een financieel onzekere situatie ontstaan, mede gelet op de
verplichting tot terugbetaling van voorschotten indien uiteindelijk blijkt dat
de kunstenaar geen recht heeft op uitkering. Daarom ligt het in de rede dat
de minister bij het bepalen van die maatregel zo nodig tijdelijk een
andere instelling zal aanwijzen, teneinde de voortgang van de advisering te
garanderen.
Artikel
38.
Afstemming met
OCW
Dit artikel regelt dat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de hem in de artikelen 35
tot en met 37 verleende taken en bevoegdheden dient uit te oefenen in
overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
Hiermee wordt de gedeelde verantwoordelijkheid van beide bewindspersonen
voor de aangeduide onderwerpen tot uitdrukking gebracht.
rblz.|36|
Artikelen 39 tot en met
44. Gegevensuitwisseling
De
artikelen 39 tot en
met 44 zijn (vrijwel) gelijk aan de artikelen 63 tot en met 68 van de
Wwb. Om
deze reden wordt verwezen naar de toelichting op deze
Wwb-artikelen in
het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting bij de
Wwb (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 80-82). Toegevoegd aan
artikel 40
(inlichtingenplicht instanties) en aan artikel 43 (inlichtingenplicht
gemeenten) is de adviserende instelling, aangezien de uitwisseling van gegevens
tussen het college en de adviserende instelling gebruikelijk is en van
belang is bij de uitvoering van de Wwik. Het gebruik van het sociaal-fiscaal
nummer door de adviserende instelling vergemakkelijkt deze
gegevensuitwisseling. Om diezelfde reden is in artikel 44 bepaald dat de
adviserende instelling het sociaal-fiscaal nummer in de administratie opneemt. De
adviserende instelling kan het sociaal-fiscaal nummer gebruiken voor het
verrichten van werkzaamheden die zij op grond van artikel 35 in
opdracht van een gemeente uitvoert en in het kader van het
gegevensverkeer richting het Rijk. De adviserende instelling moet daarbij voldoen aan
de eisen van de Wbp [Wet
bescherming persoonsgegevens, red.]. Uiteraard geldt dit ook voor de andere
instellingen, bedoeld in de artikelen 40 en
43, die de bevoegdheid hebben het
sociaal-fiscaal nummer te gebruiken.
Artikel
45.
Toezicht
In het eerste lid wordt
geregeld dat de minister verantwoordelijk is voor het toezicht op de
rechtmatige uitvoering van de Wwik door het college en op de doeltreffendheid
van de Wwik. Deze taakopdracht impliceert dat de minister - evenals
onder de Wik
- geen toezicht houdt op de adviserende instelling. Met rechtmatige uitvoering wordt gedoeld op de naleving van
de bij of krachtens de Wwik gestelde voorschriften. De uitvoering van louter gemeentelijk
beleid valt buiten het domein van de rijkstoezichthouder, evenals de doelmatigheid
en doeltreffendheid van de gemeentelijke uitvoering.
Ten opzichte van de Wik-situatie maakt het rijkstoezicht een
terugtredende beweging. Tegelijkertijd wordt de controlerende rol van de gemeenteraad
belangrijker. De gemeenteraad zal immers niet alleen beoordelen of
het college zich bij de uitvoering van de wet
heeft gehouden aan de
centrale regelgeving, maar ook of het college op juiste wijze uitvoering
heeft gegeven aan de financiële kaders en de beleidskaders die uit de Wwik
voortvloeien dan wel geheel autonoom zijn gesteld, alsmede de
doelmatigheid en doeltreffendheid van de lokale uitvoering. Het
beoordelingsdomein van de rijkstoezichthouder is derhalve beperkter dan
dat van de gemeenteraad. Bij het toezicht op de rechtmatigheid geldt,
zoals dat ook in de Wik het geval is, dat de wet de norm is waaraan de
uitvoering wordt getoetst en dat via het toezicht geen andere eisen aan de
uitvoering worden gesteld.
In de Wwik
is geen sprake
meer van toezicht op de doeltreffendheid van de uitvoering door
individuele gemeenten; het op individuele gemeenten gerichte toezicht zal
beperkt blijven tot de rechtmatigheid van de uitvoering. Het toezicht op de
doeltreffendheid van de Wwik heeft uitsluitend betrekking op de vraag in
welke mate de uitvoering door de gezamenlijke gemeenten bijdraagt aan
de doelen van de Wwik. Deze vorm van toezicht richt zich, anders dan
het geval is in het kader van de Wik, niet op de prestaties van individuele gemeenten. De toezichthouder kan de
gemeente in dit kader dan
ook niet aanspreken op haar prestaties. Dit laat onverlet dat het
landelijk beeld van de doeltreffendheid van de wetsuitvoering wel wordt opgebouwd uit
informatie op gemeentelijk niveau. Hiermee wordt het
toezicht op de Wwik in overeenstemming gebracht met het toezicht op de Wwb, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen rblz.|37|
(Ioaz) en
het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
(Bbz 2004).
In het tweede lid wordt
geregeld dat de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) het toezicht namens de
minister uitvoert. IWI is, als signalerend toezichthouder, belast met het verzamelen
van informatie en de oordeelsvorming over de rechtmatigheid
van de uitvoering. Het rijkstoezicht zal zich waar mogelijk baseren op
verantwoordingsinformatie en controle door de uitvoeringsinstantie en
de betreffende accountantscontrole daarop. Als de informatie voor het
rijkstoezicht ontoereikend is en na attendering hierop bij de gemeente
ontoereikend blijft, zal in laatste instantie onderzoek
vanwege het rijkstoezicht
bij de desbetreffende gemeente mogelijk moeten zijn. Het tweede
lid voorziet daarin. De bevoegdheid tot interveniëren is, blijkens het derde
lid, uitsluitend voorbehouden aan de minister.
Het derde lid biedt de
minister de mogelijkheid om bij ernstige tekortkomingen ter zake van de rechtmatigheid van de uitvoering de
gemeente een aanwijzing te geven.
Vanwege de tijds- en beleidsgebondenheid van het begrip "ernstige
tekortkomingen" alsmede de incidentele toepassing ervan is het niet zinvol
een opsomming te geven van alle denkbare situaties die als zodanig
aangemerkt kunnen worden. Wel zal het corrigerend vermogen van de
gemeenteraad een belangrijke factor zijn. Indien de controle door de
gemeenteraad ertoe leidt dat de gemeente zelf al tot correctie van een
onrechtmatige uitvoering overgaat, zal er voor de minister geen aanleiding
bestaan te interveniëren. De aanwijzing heeft het karakter van een opdracht
aan de gemeente om binnen een door de minister gestelde termijn
tot wetsconforme uitvoering over te gaan. Het toezichtsinstrument
aanwijzing zal voornamelijk worden toegepast indien er sprake is van ernstige
rechtmatigheidstekortkomingen die niet financieel kunnen worden gecorrigeerd door toepassing van het financieel
maatregelenbeleid
(bijvoorbeeld als niet goed kan worden gekwantificeerd in welke mate het onjuist
gemeentelijk handelen doorwerkt in een te hoge rijksvergoeding) en
indien de mogelijkheden van schorsing en vernietiging uit de Gemeentewet
niet of niet goed toepasbaar zijn (bijvoorbeeld als er bij de verlening
van uitkering sprake is van een onjuiste beleidstendentie of van
een passieve opstelling bij het college, die niet in een gemeentelijk besluit
van algemene strekking is neergelegd). Onveranderd is dat van de
bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing terughoudend gebruik zal
worden gemaakt, dat burgemeester en wethouders in de gelegenheid worden
gesteld hun zienswijze te geven, dat de aanwijzing wordt
gepubliceerd in de Staatscourant en dat de minister met de aanwijzing niet treedt
in individuele gevallen.
Er wordt vanuit gegaan
dat, indien de aanwijzing - eventueel na een daartegen door de gemeente
ingesteld beroep - in stand blijft, de betrokken gemeente deze opvolgt.
Artikel
46.
Verslag over
de uitvoering
Het college dient
jaarlijks een verslag in bij de minister over de uitvoering van de Wwik. Nieuw is dat
dit verslag niet alleen ten behoeve van de toezichtsfunctie van de
minister wordt ingediend, maar tevens ten behoeve van de
beleidsvorming. Om zijn verantwoordelijkheid voor de werking van het gehele
systeem van regelgeving, financiering en uitvoering waar te maken, heeft de
minister informatie nodig over de doeltreffendheid van de uitvoering door
individuele gemeenten, zonder daar toezicht op te houden.
Daarom kan het jaarlijkse verslag meer informatie bevatten dan alleen nodig
is voor het toezicht. Met deze manier van werken wordt bevorderd
dat informatie zoveel mogelijk eenmalig wordt verzameld om vervolgens meervoudig te kunnen worden gebruikt. De
bedoeling hiervan is mede
de bestuurslasten voor de gemeenten tot een rblz.|38|
minimum te beperken. In
lijn met zowel de bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en gemeenten
als de dualisering van het gemeentebestuur baseert de minister zijn
oordeel over de uitvoering op door de gemeente verstrekte informatie.
Daarbij wordt nog sterker dan voorheen de controlerende taak van de gemeenteraad
op de uitvoering door het college benadrukt, doordat de
gemeenteraad aan het verslag haar oordeel verbindt alvorens dit aan
de minister wordt verzonden. Uit een bij te voegen
accountantsverklaring dient de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de
rechtmatigheid van de uitvoering van de Wwik te blijken. Tevens dient het college
het verslag te voorzien van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de
Wwik.
Het verslag over de
uitvoering wordt ingediend op basis van een door de minister
vastgesteld
model. Dit model wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. In dezelfde
regeling worden ook regels gesteld over de inleverdatum van het
verslag. Daarnaast maakt een onderzoeks- en rapportageprotocol voor
de gemeentelijke accountant, alsook een modelaccountantsverklaring, onderdeel uit van de
ministeriële regeling. Voor de wijze waarop het college
laat blijken wat het oordeel van de gemeenteraad is over de uitvoering van
de wet, gelden geen vormvoorschriften. Dit oordeel kan bijvoorbeeld
blijken uit raadsnotulen. Het college kan echter ook een andere wijze
kiezen.
Artikel
47.
Informatievoorziening
Naast het jaarlijkse
uitvoeringsverslag heeft de minister ook andere informatie nodig voor zowel toezicht
als de beleidsvorming. Deze informatie wordt verzameld in de
vorm van statistieken, monitoren en onderzoeken. Ook in dit artikel komt
het principe van hergebruik van eenmaal verzamelde informatie tot
uitdrukking. Dit gebeurt met het doel de uitvoeringslasten voor gemeenten tot een
minimum te beperken. Informatie die de minister verzamelt,
blijft niet beperkt tot gebruik voor één functie - beleidsvorming,
verantwoording of toezicht - maar kan door hem steeds voor alle functies worden
gebruikt. Daarbij gelden voor informatie ten behoeve van de
verantwoording en het toezicht op rechtmatigheid, in het algemeen strengere
kwaliteitseisen. In het eerste lid van dit artikel is ook opgenomen dat de
gemeenteraad desgevraagd informatie aan de minister verstrekt. De
reden hiervoor is dat met de dualisering van het gemeentebestuur de gemeenteraad een grotere verantwoordelijkheid
heeft gekregen voor de
controle op de uitvoering door het college. Deze verantwoordelijkheid komt
tot uitdrukking in de aansturing van de gemeentelijke accountant, de rekenkamerfunctie en de controlerende taak
van de gemeenteraad zelf.
Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de werking van het systeem
van uitvoering, controle en toezicht kan de minister aan de
gemeenteraad vragen bijvoorbeeld mee te werken aan onderzoeken waarbij de
werking van dit systeem wordt getoetst.
Het eerste lid verschaft
de minister tevens de bevoegdheid tot het opvragen van informatie
bij de adviserende instelling.
Op basis van het tweede
lid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid. Deze nadere regels betreffen bijvoorbeeld de periodiciteit van de
gevraagde informatie of de vorm waarin de inlichtingen worden verstrekt. Met dit
laatste wordt bedoeld of de informatie bijvoorbeeld langs
elektronische weg dient te worden aangeleverd dan wel op een andere wijze.
Het is de bedoeling in de toekomst steeds meer te werken met
elektronische informatieverzameling. Ook zal in de nadere regelgeving worden
geregeld dat bij de verzameling van informatie die tot individuele personen
herleidbaar is, zoals statistische informatie, de informatie aan een derde wordt
geleverd. Een voorbeeld van een derde is het rblz.|39|
Centraal Bureau voor de
Statistiek. Het is met het oog op de bescherming van persoonsgegevens
nadrukkelijk niet de bedoeling om tot individuele personen herleidbare
informatie bij het ministerie van SZW zelf te bewaren.
Artikel
48.
Vergoeding uitkerings- en uitvoeringskosten
De uitkeringskosten
worden voor 100% op declaratiebasis vergoed.
In het artikel is tevens
geregeld dat voor de in een kalenderjaar gemaakte - specifieke - uitvoeringskosten (gedeeltelijk) een vergoeding wordt verleend. Het betreft
kosten verband houdende met de verlening van uitkering. De reden
hiervoor is dat deze gemeenten ook uitkering verlenen aan mensen die geen
inwoner van hun gemeente zijn. Deze gemeenten hebben daardoor hogere
kosten dan het geval zou zijn indien zij niet als centrumgemeente
zouden
zijn aangewezen en in relatieve zin hogere kosten dan andere (niet-centrum)gemeenten. Het wordt dan ook billijk
geacht om voor deze extra
kosten een vergoeding te verstrekken.
Op grond van het derde
lid zullen bij ministeriële regeling regels worden gesteld inzake de
vergoeding van gemaakte uitvoeringskosten, de wijze en het tijdstip van
declareren, alsmede de daarbij door het college nader te verstrekken gegevens.
Deze regels hebben derhalve zowel betrekking op de omvang van de financiering
- wat wordt gefinancierd en in welke
mate - als op de
procedurele kant.
Artikel
49.
Voorschotten
op vergoeding
Volgens gangbaar gebruik
voorzag de Wik in de verlening van voorschotten aan de
gemeenten ter zake
van de uitkeringskosten (artikel
37). In de Wwik
wordt deze
voorziening gecontinueerd.
Op grond van het derde
lid wordt bij ministeriële regeling de voorschotverlening nader uitgewerkt. Deze
regels zullen betrekking hebben op de wijze waarop een
voorschot wordt aangevraagd en de hierbij over te leggen stukken
betreffende de uitgaven van gemeenten (de zogenoemde kwartaaldeclaraties).
Daarnaast zal de wijze van berekening van het voorschot worden aangegeven,
alsmede de data waarop de betalingen zullen plaatsvinden. Voorts zal
hierbij worden geregeld dat bij niet-tijdige indiening van een
kwartaaldeclaratie de voorschotbetaling zal worden aangehouden.
Bij deze regeling kan
voorts worden geregeld dat bij niet-tijdige ontvangst van door het
college in te dienen kostenopgave de voorschotverlening wordt opgeschort.
Indien de uitvoering van de wet
ernstige tekortkomingen vertoont, kan de minister
besluiten de voorschotverlening aan de gemeente lager vast te
stellen. Een dergelijk
besluit is een besluit in de zin van artikel
1:3, eerste lid, van de Awb en
mitsdien vatbaar voor de in de Awb geregelde mogelijkheden van bezwaar, beroep en
voorlopige voorziening.
Artikel
50.
Vaststellen
vergoeding
In het eerste lid van dit
artikel is geregeld dat de vergoeding voor de uitkerings- en
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 48, wordt vastgesteld binnen één jaar na
ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel
46, eerste lid. Als
ontvangstdatum geldt de datum waarop alle voorgeschreven stukken, volledig en
ondertekend, door het ministerie zijn ontvangen.
In het tweede lid is
geregeld dat de vergoeding voor de uitkerings- en uitvoeringskosten,
bedoeld in artikel 48, ambtshalve wordt vastgesteld indien de kostenopgave
niet binnen achttien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het
betrekking heeft door het ministerie van SZW
is ontvangen of niet is
voorzien van de verklaring van een accountant omtrent rblz.|40|
de juistheid en
volledigheid van in de kostenopgave door het college verstrekte
gegevens.
Op grond van het derde
lid van dit artikel worden de volgens de kostenopgave van het college op grond
van de Wwik verstrekte uitkeringen niet door het Rijk vergoed
indien zij onrechtmatig zijn. Dat wil zeggen, indien het uitkering betreft die
is verleend in strijd met de bij of krachtens de Wwik gestelde regels.
Verder worden uitkeringskosten niet vergoed indien het uitkering
betreft die niet of niet volledig overeenkomstig de bepalingen van de Wwik
is
of wordt teruggevorderd. Ten slotte worden opgevoerde
uitkeringskosten op grond van het derde lid niet vergoed indien het college niet
heeft voldaan aan de bij artikel 22 gestelde regels. Genoemd artikel betreft
de verplichting om een maatregel op te leggen bij het niet nakomen van bepaalde verplichtingen door belanghebbenden.
Het bedrag van verlaging
van de vergoeding is gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden
zijn verlaagd indien het college op een juiste wijze toepassing zou
hebben gegeven aan deze artikelen.
Het kan zijn dat als
gevolg van het niet nakomen van bepaalde verplichtingen door het college, zoals
de verplichting tot het regelmatig onderzoeken of door belanghebbenden
aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan,
de rechtmatigheid van de uitgaven niet of in onvoldoende mate kan
worden vastgesteld. Het gaat hier om de regels die zijn gesteld op grond van
de artikelen 11, tweede lid, en 24. In dat geval wordt, op grond van het
vierde lid van dit artikel, de verlaging van de vergoeding gesteld op een
bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
Artikelen 51 tot en met
53. Financiering adviserende instelling
Het Rijk vergoedt ook de
door de adviserende instelling gemaakte uitvoeringskosten. Voor
de controle op de jaarlijkse kostenopgave is een onderzoek vereist van een
registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent in
de zin van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten. Eén en ander is overeenkomstig de regeling van artikel 393, eerste
lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek betreffende de controle op de
jaarrekening van rechtspersonen. Tussen de adviserende instelling en
de minister bestaat uitsluitend een subsidierelatie. De minister is
verantwoordelijk voor de rechtmatigheid voor de ten laste van de SZW-begroting komende vergoeding van de uitvoeringskosten van de adviserende
instelling. In artikel 52 is geregeld dat de minister daartoe de
accountantsverklaring bij de kostenopgave van de adviserende instelling
beoordeelt. Naast de getrouwheid van de financiële verantwoording van de
instelling zal de verklaring uitsluitsel geven over de uitvoering van de in
artikel 35, eerste lid, omschreven taken in de zin dat deze taakonderdelen
daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daarbij wordt tevens gecontroleerd of
aan de voorwaarden verbonden aan de aanwijzing van de adviserende
instelling is voldaan.
Artikel
54.
Voorzieningen
Het Rijk stelt een
macrobudget voor het werkdeel in het kader van de Wwb
vast. Dit macrobudget
is geoormerkt en dient ter financiering van de
reïntegratieactiviteiten die de gemeenten inzetten bij de uitvoering
van hun reïntegratietaak in
het kader van de Wwb. Tevens dient dit budget ter financiering van de voorzieningen die de
kunstenaar die een
Wwik-uitkering
ontvangt, op grond van
artikel 21 van de Wwik kan aanvragen bij het college van de
gemeente waar de kunstenaar woonplaats heeft.
rblz.|41|
Artikelen 55 tot en met
71. Wijziging andere wetten
In de
artikelen 55 tot en
met 71 wordt een aantal wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en andere
departementen in technische
zin aangepast aan de Wwik.
Artikel
72.
Wijziging
Ziekenfondswet
Indien het
voorstel van wet tot wijziging van de Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een
no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of
weinig gebruik hebben
gemaakt van zorg waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 483) tot wet wordt verheven, wordt in de Wwik
conform de Wwb geregeld dat deze teruggave niet tot de middelen van
de uitkeringsgerechtigde worden gerekend. Dit betekent dat een
eventuele teruggave niet in mindering wordt gebracht op de uitkering. Hiertoe
wordt in artikel 4, tweede lid, een nieuw onderdeel toegevoegd.
Artikel
73.
Intrekking wet
De
Wwik strekt ter
vervanging van de Wik. De Wik kan hierdoor worden ingetrokken. Tevens
kunnen de artikelen III en IV van de
Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars teneinde kunstenaars met een eigen
woning niet langer van een beroep op de Wet inkomensvoorziening kunstenaars uit te sluiten worden ingetrokken. Dit
artikel voorziet hierin.
Artikel
74.
Overgangsperiode
Voor de definitieve
vaststelling van de uitkering over het kalenderjaar 2004 blijft de Wik, zoals
die luidde tot de datum van de inwerkingtreding van de Wwik, van kracht.
Dat betekent dat de artikelen die relevant zijn voor de definitieve
vaststelling, zoals de artikelen 2, 2a,
9, 10, 10a,
11, 14 tot en met
18d en 23 tot
en met 23i, nog een jaar van kracht blijven.
Voor wat betreft de
maximale uitkeringsduur geldt dat artikel 13 van de
Wik van toepassing blijft
op die personen aan wie een Wik-uitkering is verleend vóór de
inwerkingtreding van de Wwik. Dit om te voorkomen dat het college op het
moment van de inwerkingtreding van de Wwik voor deze kunstenaars opnieuw het maximale aantal maanden waarop
recht op een Wwik-uitkering bestaat, toekent.
Artikel
75.
Omzetting
besluiten
Met dit artikel wordt
geregeld dat het college niet op de datum waarop de Wwik
in werking treedt
alle besluiten - met name uitkeringsbeschikkingen - die hij op grond van
de Wik
heeft genomen opnieuw hoeft te nemen. Die
besluiten gelden vanaf dat moment als besluiten op grond van de Wwik. Het
college moet vervolgens binnen twaalf maanden de betreffende besluiten
in overeenstemming brengen met de Wwik, waarbij
artikel 76 van de Wwik uiteraard in acht moet worden genomen. Het voordeel van deze
bepaling is dat er na de inwerkingtreding van de Wwik
in principe geen
twee wetten tegelijk gelden, maar alleen de nieuwe. Een nadeel is dat
er besluiten kunnen zijn die materieel niet geheel voldoen aan de Wwik, bijvoorbeeld omdat hierin het oude bedrag
van het normbedrag
beroepskosten is vermeld.
rblz.|42|
Artikel
76.
Aanvragen
In dit artikel wordt
bepaald dat afhankelijk wanneer het recht op uitkering ingaat, wordt beslist op
grond van de Wik (vóór of op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de Wwik) of de Wwik (na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de Wwik).
Artikel
77.
Vermogen
Overeenkomstig de
Wwb is ervoor gekozen om bij de bepaling van het vermogen in de Wwik
rekening te houden met schulden, ongeacht of die bij aanvang van de
uitkering aanwezig zijn dan wel tijdens de uitkeringsverlening zijn ontstaan.
Als overgangsregime voor
de invoering van de nieuwe systematiek van de vaststelling van het
vermogen is ervoor gekozen om alleen schulden die ontstaan na het
moment van herbeoordeling mee te nemen bij de berekening van de
vermogensaangroei. In aansluiting hierop wordt daarom bij de
herbeoordeling het bedrag van het vrij te laten vermogen vastgesteld op het bedrag
van de vermogensgrens van artikel 7 van de Wwik verminderd met een
eventueel aanwezig positief vermogen op het moment van de
herbeoordeling. Eventueel aanwezig positief vermogen wordt zo nodig verminderd
met het bedrag waarvan de betrokkene aannemelijk kan maken dat dit als
vrij te laten vermogen is opgebouwd tijdens eerdere
uitkeringsverlening (spaargelden).
Artikel
78.
Bezwaar- en
beroepschriften
Op bezwaar- en
beroepschriften tegen besluiten op grond van de Wik
waarop vóór de
inwerkingtreding van de Wwik nog niet is beslist, of waarop de Wik van
toepassing blijft, wordt besloten met toepassing van de Wik.
Artikel
79.
Evaluatiebepaling
In dit artikel wordt aan
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgedragen om vijf jaar
na de inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met zijn ambtgenoot van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap - de eerstverantwoordelijke
bewindspersoon voor het kunstenbeleid - een evaluatie tot stand te brengen. Voor een periode van vijf jaar is gekozen
omdat dan een volledige
periode van 48 maanden Wwik
kan worden geëvalueerd. Bovendien
sluit de termijn aan bij de standaardtermijn voor evaluatie volgende de Aanwijzingen voor de
regelgeving.
Artikel
80.
Inwerkingtreding
Dit artikel regelt dat de
artikelen van deze wet of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen
in werking kunnen treden. Deze gedifferentieerde inwerkingtreding is
waarschijnlijk nodig in verband met een latere inwerkingtreding van het activeringsdeel
van het wetsvoorstel. Dit gelet op het tijdstip waarop de
budgetten voor 2005 moeten worden vastgesteld.
Artikel
81.
Citeertitel
In dit artikel wordt
geregeld dat de wet wordt aangehaald als Wet werk en inkomen kunstenaars.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
rblz.|43|
Transponeringstabel
Wet
werk en inkomen kunstenaars
| Wet inkomensvoorziening
kunstenaars |
Wetsvoorstel
Wet werk en inkomen kunstenaars |
|
artikel 1, onderdeel a tot en met c |
artikel
1, onderdeel a tot en met c |
|
artikel 1, onderdeel d
|
artikel
1,
onderdeel e
|
|
artikel 2, eerste lid, onderdeel
a
|
artikel 5 en 6
|
|
artikel 2, eerste lid, onderdeel
b
|
artikel 7
|
|
artikel 2, eerste lid, onderdeel c en d
|
artikel 1, onderdeel g en h
|
|
artikel 2, tweede lid |
artikel 7, vijfde
lid |
|
artikel 2a, eerste lid |
artikel 7, tweede
lid, onderdeel e
|
|
artikel 2a, tweede lid |
artikel
9, tweede
lid |
|
artikel 3
|
artikel
2 (1) en 3
|
|
artikel 4
|
artikel 8
|
|
artikel 4a
|
artikel 9, eerste lid |
| artikel
5, eerste lid, onderdeel
a
|
–
(2) |
|
artikel 5, eerste lid, onderdeel
b
|
artikel 10, eerste lid, onderdeel a en vierde lid |
|
artikel 5, eerste lid, onderdeel c tot en met f
|
artikel 10, eerste lid, onderdeel b tot en met e |
|
artikel 5, tweede en derde lid |
artikel 10, tweede en derde lid |
|
artikel 6, eerste lid, onderdeel a, b en c
|
artikel 11, eerste lid, onderdeel a, b en d
|
|
artikel 6, tweede en derde lid |
artikel 11, tweede en derde lid |
|
artikel 7
|
–
(3) |
|
artikel 8, eerste lid |
artikel 12
|
|
artikel 8, tweede tot en met zesde lid |
artikel
13
|
|
artikel 9
|
artikel 15
|
|
artikel 10, eerste lid |
artikel 16, eerste
lid |
|
artikel 10, tweede lid |
artikel 16, tweede
lid, onderdeel b
|
|
artikel 10, derde lid |
artikel 16, vierde
lid |
| artikel
10, vierde lid |
–
(4) |
|
artikel 10, vijfde lid |
artikel 13, tweede lid (5) |
|
artikel 10a
|
artikel 17
|
|
artikel 11
|
–
(6) |
|
artikel 12
|
artikel 18
|
|
artikel 13
|
artikel 19, eerste en tweede
lid |
|
artikel 14, eerste lid |
artikel 24, eerste
en tweede lid |
|
artikel 14, tweede lid |
artikel 23, derde
lid |
|
artikel 14, derde en vierde lid |
– (7) |
|
artikel 15, eerste lid |
artikel 20, eerste
lid |
|
artikel 15, tweede lid, onderdeel
a
|
artikel 20, tweede lid, onderdeel a en derde lid |
|
artikel 15, tweede lid, onderdeel b, c en e
|
artikel 20, tweede lid, onderdeel b, c en d
|
|
artikel 15, tweede lid, onderdeel
d
|
–
(8) |
|
artikel 15, derde en vierde lid |
artikel 20, vierde en vijfde lid |
|
artikel 16
|
artikel 22
|
|
artikel 17 tot en met 18d |
–
(9) |
|
artikel 19, eerste en vijfde lid |
artikel 23, eerste lid |
|
artikel 19, tweede en derde lid |
artikel 23, vierde en vijfde lid |
|
artikel 19, vierde lid |
–
(10) |
|
artikel 19a
|
artikel 25
|
|
artikel 20
|
artikel 26
|
|
artikel 21, eerste lid |
artikel 12 (11) |
|
artikel 21, tweede lid |
–
(12) |
|
artikel 22
|
artikel 27
|
|
artikel 23
|
artikel 28
|
|
artikel 23a
|
artikel 31
|
| artikel
23b
|
artikel 32, onderdeel b
|
|
artikel 23c
|
–
(13) |
|
artikel 23d, eerste lid |
artikel 29,
eerste lid, onderdeel a
|
|
artikel 23d, tweede lid |
artikel 29,
eerste lid, onderdeel c
|
|
artikel 23d, derde lid |
artikel 29, tweede
lid |
|
artikel 23e
|
artikel 29, eerste lid,
onderdeel d
|
|
artikel 23f
|
artikel 29, eerste lid (14) |
|
artikel 23g
|
artikel 34, eerste en tweede
lid |
|
artikel 23h, eerste lid |
artikel 34, derde
lid |
|
artikel 23h, tweede lid |
–
(15) |
|
artikel 23i
|
–
(16) |
|
artikel 25 |
–
(17) |
|
artikel 26 |
artikel 35 |
|
artikel 27 |
artikel 36 |
|
artikel 28 |
artikel 37 |
|
artikel 29 |
artikel 38 |
|
artikel 30 |
–
(18) |
|
artikel 31 |
–
(19) |
|
artikel 32 (artikel 63 Wwb) |
artikel 39 |
|
artikel 32 (artikel 64 Wwb) |
artikel 40 |
|
artikel 32 (artikel 65 Wwb) |
artikel 41 |
|
artikel 32 (artikel 66 Wwb) |
artikel 42 |
|
artikel 32 (artikel 67 Wwb) |
artikel 43 |
|
artikel 32 (artikel 68 Wwb) |
artikel 44 |
|
artikel 33, eerste en tweede lid |
artikel 45, eerste en tweede lid |
| artikel
33, derde lid |
artikel 47, eerste
en derde lid |
|
artikel 33, vierde en vijfde lid |
artikel
46
|
|
artikel 34
|
artikel 45, derde lid |
|
artikel 35, eerste en tweede lid |
artikel 47, eerste en derde lid |
|
artikel 35, derde lid |
artikel 47, tweede
lid |
|
artikel 36
|
artikel 48
|
|
artikel 37
|
artikel 49
|
|
artikel 38
|
artikel 50
|
|
artikel 39
|
artikel 51
|
|
artikel 40
|
artikel 52
|
|
artikel 41
|
artikel 53
|
| artikel
42 en 46
|
–
(20) |
|
artikel 50
|
–
(21) |
|
artikel 54
|
artikel 80
|
|
artikel 55
|
artikel
81
|
rblz.|44|
1. Woonplaats: artikel 23,
eerste lid.
2. Zie toelichting op artikel 10.
3. Volgt al uit de Wwik-bepalingen.
4. Zie toelichting op artikel 22.
5. Volgt uit verwijzing
naar artikel 12.
6. Vakantietoeslag wordt
direct betaalbaar gesteld en de Wwik-normen zijn bruto.
7. Zie toelichting op artikel 23 en volgt tevens uit de
Wwik-bepalingen.
8. Uitgezonderd artikel 20, zesde en zevende lid.
9. In de Wwik zijn geen boetebepalingen meer opgenomen.
10. Verantwoordelijkheid gemeenten.
11. Met uitzondering van "achteraf".
12. Vakantietoeslag wordt
direct betaalbaar gesteld.
13. Deregulering.
14. In samenhang met
artikel 1, onderdeel b.
15. Deregulering.
16. Niet nodig door
brutering Wwik.
17. Volgt al uit de Wwik-bepalingen.
18. Zie paragraaf 5.3 en 5.4.
19. Zie paragraaf 6.2.
20. Er zijn geen boetebepalingen opgenomen in de Wwik.
21. In de Wwik is er geen
sprake meer van erkenning van de adviserende instelling, maar van aanwijzing.
|
|