|
REGELING van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 17 december 2004,
Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/URP/04/84801,
houdende vaststelling van de
Regeling financiering en administratieve uitvoeringsvoorschriften Wwik
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Na overleg met de
Staatssecretaris van Cultuur;
Gelet op de artikelen
4,
tweede lid, aanhef en onderdeel i, 8, aanhef
en onderdeel c, 11, derde lid, 19,
vierde lid, 46, tweede lid, 47, tweede
lid, 48, derde lid, 49, derde lid,
50, vierde
lid, 51, derde lid, en 52, tweede lid,
van de Wet werk en inkomen kunstenaars;
Besluit:
§ 1.
Definities
Art. 1.
Definitiebepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Wwik: de Wet werk en inkomen
kunstenaars;
c. uitvoeringskosten: de uitvoeringskosten, bedoeld in
artikel 48,
eerste lid, onderdeel b, van de Wwik onderscheidenlijk
artikel 51,
eerste lid, van de Wwik.
§ 2.
Beëindiging van de uitkering
Art. 2.
Beëindiging van de uitkering
-1. Het college verricht het onderzoek, bedoeld in artikel
11, tweede
lid, van de Wwik, naar de omstandigheden, bedoeld in
artikel 11, eerste
lid, onderdeel c, van de Wwik, binnen twaalf maanden:
a. na de datum waarop de uitkering is ingegaan;
b. na de datum waarop het laatst verrichte onderzoek, bedoeld in
artikel 11, tweede lid, naar de omstandigheden, bedoeld in
artikel 11, eerste
lid, onderdeel c, is
afgesloten.
-2. De beëindiging van de uitkering, bedoeld in artikel
11, tweede lid,
van de Wwik, vindt plaats met ingang van de dag volgend op het besluit
tot beëindiging van de uitkering.
§ 3.
Vergoeding van
uitvoeringskosten adviserende instelling
Art. 3.
Uitvoeringskosten adviserende instelling
-1. Ter zake van de uitvoeringskosten vergoedt het Rijk over een
kalenderjaar aan de adviserende instelling €|664,00
per uitgebracht advies ten aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van het
college advies is uitgebracht.
-2.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien blijkens de kostenopgave,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, het in het
kalenderjaar aantal gerealiseerde adviezen lager is dan het verwachte
aantal uit te brengen adviezen, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, de vergoeding ter zake van de
uitvoeringskosten vastgesteld op de som van de helft van het
gerealiseerde aantal adviezen maal het vergoedingsbedrag, bedoeld in het
eerste lid, plus het budget, bedoeld in artikel 10,
derde lid.
-3. De minister herziet
het bedrag, bedoeld in het eerste
lid, jaarlijks voor zover de door het kabinet toegekende loon- en
prijscompensatie daartoe aanleiding geeft.
§ 4.
Verslag over de
uitvoering, accountantsverklaring en oordeel raad
Vervallen
Art. 4.
Vervallen.
§ 5.
Beeld van de uitvoering en opschorting van de uitkering
Art. 5.
Beeld van de uitvoering en opschorting van de uitkering
-1. Het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel
46, eerste lid, van de
Wwik wordt uiterlijk op 28 februari
van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de
uitvoering betrekking heeft door de minister
ontvangen.
-2. Het beeld van de uitvoering wordt ingediend
onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch
beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-3. Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het
eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling
van de uitkering, bedoeld in artikel 69,
eerste lid, van de Wwb, voor het lopende
uitkeringsjaar op met ingang
van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de
ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover
door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is
verleend.
-4. De betaling van de uitkering wordt
hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand
waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is
ontvangen door de minister.
-5. Het derde en vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien het college in gebreke blijft om
binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie
te verstrekken die noodzakelijk is voor het financieel beheer van de
Wwik.
Art. 6.
Vervallen.
§ 6.
Berekening
financieel beslag van tekortkomingen
Vervallen
Art. 7.
Vervallen.
§ 7.
Wijze en tijdstip
van declareren door de adviserende instelling en bevoorschotting door
het Rijk
Art. 8.
Kostenopgave
adviserende instelling
-1. De adviserende instelling declareert de uitvoeringskosten over een
kalenderjaar bij het Rijk door middel van een kostenopgave.
-2. De kostenopgave en de verklaring van de accountant, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, van de Wwik, worden uiterlijk op 1
mei van het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben
door de minister ontvangen.
-3. De kostenopgave wordt ingericht overeenkomstig het model van bijlage
2 bij deze regeling.
-4. De verklaring van de accountant wordt ingericht overeenkomstig het
model van bijlage 3 bij deze regeling. Het onderzoek dat resulteert in
de verklaring wordt uitgevoerd overeenkomstig het als bijlage 4 bij deze
regeling opgenomen controle- en rapportageprotocol.
-5. Indien de kostenopgave en de daarop betrekking hebbende verklaring
niet op de in het tweede lid genoemde datum zijn ontvangen, kan de
minister met ingang van de achtste maand van het lopende vergoedingsjaar
de betaling van de maandvoorschotten opschorten.
Art. 9.
Vervallen.
Art. 10.
Voorschot
adviserende instelling
-1. De adviserende instelling dient uiterlijk op 1 september van het
kalenderjaar een gespecificeerde kostenopgave in van het in het
daaropvolgende kalenderjaar te verwachten aantal uit te brengen adviezen
en van de kosten daarvan.
-2. De minister stelt uiterlijk 1 oktober van het kalenderjaar een
voorschot voor het gehele kalenderjaar vast ten behoeve van de
uitvoeringskosten van de adviserende instelling in het daaropvolgende
kalenderjaar, waarbij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt
betrokken.
-3. Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt voor de helft als
budget toegekend.
-4. Iedere kalendermaand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van
deze kalendermaand een twaalfde deel van het voor het betreffende
kalenderjaar vastgestelde voorschot, bedoeld in het tweede lid,
betaalbaar gesteld.
§ 8.
Wijziging andere
regelingen
Art. 11.
Regeling Wet
inkomensvoorziening kunstenaars
De Regeling Wet inkomensvoorziening kunstenaars ¹ wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt de zinsnede "artikel
4, aanhef en onder c, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars"
vervangen door: artikel 8, aanhef en onder c, van de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
B.
Artikel 2 komt te luiden:
Art. 2.
Uitsluitend op verzoek van de adviserende instelling, bedoeld in artikel
35, van de Wet werk en inkomen kunstenaars, kan de
Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap buitenlandse opleidingen aanwijzen als
vergelijkbare opleidingen als bedoeld in artikel
8, aanhef en onder c,
van de Wet werk en inkomen kunstenaars.
C.
In artikel 3 wordt de zinsnede "De
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen" vervangen
door: De Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
D.
Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 3a.
Deze regeling berust mede op artikel 8, aanhef en onderdeel
c, van de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
E.
Na artikel 4 worden een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 5.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wet werk en inkomen
kunstenaars.
1. Regeling
vergelijkbare opleidingen Wik, red.
Art.
12. Regeling
statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz 2005
De Regeling statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz
2005 wordt als volgt
gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel e wordt verletterd tot onderdeel f.
2. Na onderdeel d wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
e. Wwik: Wet werk en inkomen kunstenaars;.
B.
Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 1a. Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op artikel 47, tweede lid, van de
Wet werk en
inkomen kunstenaars.
C.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "in bijlagen 1, 2 en 3 bij deze regeling opgenomen
model, onderscheiden naar de Wwb, de Ioaw en de Ioaz" wordt vervangen
door: in bijlagen 1, 2, 3 en 3a bij deze regeling opgenomen model,
onderscheiden naar de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz en de Wwik.
2. Bijlage 3a wordt ingericht overeenkomstig het bij deze regeling
opgenomen model.
D.
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "de Wwb, Ioaw
en Ioaz" wordt vervangen door: de Wwb,
de Ioaw, de Ioaz en de Wwik.
2. Bijlage 4 wordt vervangen door het model van bijlage 4, dat wordt
ingericht overeenkomstig het bij deze regeling opgenomen model.
E.
Artikel 10 komt te luiden:
Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz
en Wwik.
Art. 13.
Regeling
inkomenstoets vervoersvoorzieningen Rea
In artikel 1,¹ onderdeel d, van de
Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen
Rea wordt de zinsnede "de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: de Wet werk en
inkomen kunstenaars.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 1" te worden
vervangen door: artikel 2. Echter,
gelet op de wijziging eveneens met ingang van 1 januari 2005 van artikel 2,
onderdeel d, ingevolge artikel 6, onderdeel B, van de Regeling
van 22 december 2004 tot
wijziging van enige ministeriële regelingen in verband met de Wet
administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten
(Stcrt. 2004, 251) dient volgens de redactie artikel
13 van de onderhavige regeling te vervallen.
Art. 14.
Regeling SUWI
In artikel 7.5, derde lid, van de Regeling
SUWI wordt de zinsnede "de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: de Wet werk en
inkomen kunstenaars.
Art. 15.
Tijdelijke
stimuleringsregeling Hoogwaardige Handhaving
De Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige
Handhaving wordt als
volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel d wordt vervangen door:
d. Wwik: Wet werk en inkomen
kunstenaars;
2. In onderdeel e wordt de zinsnede "en de Wik" vervangen door: en
de Wwik.
B.
In artikel 9 wordt "en de Wik" vervangen door: en de
Wwik.
Art. 16.
Tijdelijke
stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw
De Tijdelijke
stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw
wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt de zinsnede "de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door:
de Wet werk en inkomen kunstenaars.
2. In onderdeel f wordt de zinsnede
"de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door:
de Wet werk en inkomen kunstenaars.
3. In onderdeel h wordt de zinsnede
"de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door:
de Wet werk en inkomen kunstenaars.
B.
In artikel 6, vierde lid, wordt de zinsnede
"artikel 4, eerste lid, van de Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik" vervangen door: artikel
4, eerste lid, van de Regeling
financiering en administratieve uitvoeringsvoorschriften Wwik.
§ 9.
Slotbepalingen
Art. 17.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Art. 18.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiering en
administratieve uitvoeringsvoorschriften Wwik.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De bij deze regeling
behorende bijlagen worden uiterlijk 15 januari 2005 ter inzage gelegd in
de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
te Den Haag.¹
1. Bijlage 1 is met ingang van 1 januari
2008 komen te vervallen (Stcrt. 2007, 242) en bijlage 5 met
ingang van 8 april 2009 (Stcrt. 2009, 66). Voor bijlagen 2,
3 en 4 raadpleeg Stcrt. 2010, 18887, red.
Den Haag, 17 december
2004.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof.
TOELICHTING
[17 december 2004]
Algemeen
Evenals dat het geval was
in de Regeling administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wik, dat nadere
regels stelde bij of krachtens de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars,
worden in de onderhavige Regeling financiering en administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wwik nadere regels gesteld bij of krachtens de
Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik) met betrekking tot:
- de termijn waarbinnen diverse (her)onderzoeken door het college moeten
zijn afgerond;
- de inrichting van het verslag over de uitvoering door het college, de
accountantsverklaring en het tijdstip waarop deze verklaringen, alsmede
het oordeel van de gemeenteraad, door de minister
moet zijn ontvangen;
- de vergoeding van uitvoerings- en uitkeringskosten alsmede de wijze en
het tijdstip van declareren door de gemeente;
- de verlening van voorschotten aan gemeenten;
- de wijze van berekening van het financieel beslag van tekortkomingen in
de uitvoering;
- de vergoeding van uitvoeringskosten aan de adviserende instelling;
- de verlening van voorschotten aan de adviserende instelling.
Deze regels zijn
gebaseerd op de artikelen 4, tweede lid, aanhef en
onder
i, 8,
aanhef en onder c, 11, derde lid,
19, vierde lid, 46, tweede lid,
47, tweede lid, 48, derde lid,
49, derde lid, 50, vierde lid,
51, derde
lid, en 52, tweede lid, van de Wwik.
Daarnaast worden in deze
regeling wijzigingen van andere regelingen opgenomen die het gevolg zijn
van de inwerkingtreding van de Wwik.
Voor de vaststelling van
de nadere regels omtrent het verslag over de uitvoering en de wijze en
het tijdstip van declareren, is waar mogelijk en voor zover mogelijk
aansluiting gezocht bij de regels die hiervoor bij of krachtens de Wwb
zijn gesteld. Afwijkingen van de bij of krachtens de Wwb gestelde regels
zijn het rechtstreeks gevolg van de verschillende financieringswijzen
van beide wetten.
Opgemerkt wordt nog dat
met het oog op derapportage en vermindering van de administratieve
lasten voor (centrum)gemeenten het systeem van kwartaaldeclaraties,
zoals dat gold onder de Wik, wordt afgeschaft. In de plaats van de vier
kwartaaldeclaraties komt er één voorlopige kostenopgave, ingericht als
jaardeclaratie.
Artikelsgewijs
Artikel 2.
Onderzoeken
Op grond van
artikel 11,
tweede lid, van de Wwik heeft de minister
de bevoegdheid regels te
stellen omtrent de regelmaat waarmee het college het heronderzoek,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, van voornoemd artikel,
dient te verrichten. Met dit artikel 2 wordt aan die bevoegdheid
invulling gegeven. De rechtmatigheid en de beroepsmatigheid moeten
iedere twaalf kalendermaanden worden getoetst, blijkens het eerste lid. Met
het oog op de administratieve verwerking van de verschillende
heronderzoeken - de onderzoeken naar de rechtmatigheid, de
beroepsmatigheid en de progressieve inkomenseis - wordt in het tweede
lid opgenomen dat het college uiterlijk binnen acht weken na de datum
waarop het onderzoek moet worden verricht een besluit tot beëindiging
van de uitkering moet nemen. Ook als het onderzoek niet leidt tot
beëindiging van de uitkering, zal het betreffende onderzoek binnen acht
weken na de datum waarop het moet worden verricht, moeten zijn afgerond.
Het is in de regel immers niet op voorhand duidelijk of het onderzoek
wel of niet zal leiden tot beëindiging van het recht op uitkering.
In het derde lid is
opgenomen dat, in het geval het college naar aanleiding van het
onderzoek naar de progressieve inkomenseis en naar de beroepsmatigheid
van de kunstenaar de uitkering beëindigt op grond van artikel
11, derde
lid, van de Wwik, de beëindiging plaatsvindt met ingang van de dag
volgend op de dag waarin het college het besluit tot beëindiging van de
uitkering neemt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid bij de gemeentelijke
uitvoering bevorderd, zonder dat de uitkering onverschuldigd wordt
doorbetaald. Door in deze gevallen geen terugwerkende kracht aan de
beëindiging van de uitkering te verbinden, wordt tevens voorkomen dat
de belanghebbende wordt geconfronteerd met terugvordering van uitkering
over een periode waarin hij niet over voldoende middelen beschikte om in
de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Bij de beëindiging op
grond van de rechtmatigheidseis geldt deze uitzondering niet, gelet op
de artikelen 25, 26 en
29 van de Wwik.
Artikel 3.
Uitvoeringskosten
De vergoeding van
uitvoeringskosten van het Rijk aan de centrumgemeenten is opgenomen in
het eerste lid van dit artikel en is afhankelijk gesteld van het aantal
uitkeringsgerechtigde kunstenaars per 31 december van het
verantwoordingsjaar. Hierbij gaat het om kunstenaars die per 31 december
in het bestand van Wwik-uitkeringsgerechtigden zijn opgenomen. Deze
systematiek is gelijk aan die van de Wik.
In het tweede lid is de
vergoeding van uitvoeringskosten aan de adviserende instelling nader
geregeld. Ter zake van de uitvoeringskosten is de vergoeding aan de
adviserende instelling vanaf het kalenderjaar 2005 bepaald op een vast
tarief per advies dat op verzoek van het college is uitgebracht. Dit
tarief geldt als het financiële kader waarbinnen de adviserende
instelling de activiteiten eigenstandig kan organiseren. Het tarief
wordt jaarlijks met de door het kabinet toegekende loon- en
prijscompensatie aangepast.
In het derde lid wordt de
bijstellingssystematiek wegens loon- en prijscompensatie nader
aangegeven.
Artikel 4.
Verslag over de
uitvoering
In dit artikel is
invulling gegeven aan artikel 46, tweede lid, van de
Wwik. De nadere
regels hebben betrekking op het verslag over de uitvoering, de
accountantsverklaring en het onderzoek dat - overeenkomstig het
controle- en rapportageprotocol - resulteert in deze verklaring.
Het college verantwoordt
zich jaarlijks achteraf aan de minister van SZW over de uitvoering van
de Wwik
volgens een door hem vastgesteld
modelverslag over de
uitvoering. Het college dient het verslag over een kalenderjaar
uiterlijk op 20 september van het daaropvolgende kalenderjaar in bij de
minister. Het verslag bestaat uit drie onderdelen:
1. de verantwoording over de rechtmatige uitvoering;
2. de kostenopgave, bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de
Wwik;
3. beleidsmatige informatie.
In de toelichting bij het
verslag over de uitvoering wordt nader aangegeven over welke
rechtmatigheidsonderdelen het college zich moet verantwoorden en op
welke wijze. In het verlengde hiervan vervult deze toelichting ook een
belangrijke rol voor de accountantscontrole en de accountantsverklaring.
Het onderzoek en de
accountantsverklaring moeten plaatsvinden met inachtneming van het bij
het model van de verklaring behorende controle- en rapportageprotocol.
In het protocol worden de opzet en reikwijdte van de door de accountant
uit te voeren controle aangegeven.
Het college is
verantwoordelijk voor een juiste, tijdige en volledige aanlevering van
het verslag over de uitvoering en de op dit verslag betrekking hebbende
accountantsverklaring en -rapportage. Het college voorziet het verslag
van het oordeel van de gemeenteraad (van de centrumgemeente) over de
uitvoering van de Wwik.
Indien het verslag over
de uitvoering en de daarop betrekking hebbende accountantsverklaring
niet, niet tijdig of niet volledig zijn ontvangen, kan de minister op
grond van het vierde lid de betaling van de maandvoorschotten van het
lopende vergoedingsjaar opschorten. De opschorting wordt beëindigd
zodra het verslag en de verklaring zijn ontvangen. Op dat moment wordt
de betaling van de maandvoorschotten hervat en worden teruggevorderde
maandvoorschotten nabetaald.
Artikel 5.
Voorlopige
kostenopgave
Met het oog op
derapportage en vermindering van de administratieve lasten voor gemeenten is het systeem van kwartaaldeclaraties, zoals dat gold onder
de Wik, afgeschaft. In de plaats van de vier kwartaaldeclaraties komt
één voorlopige kostenopgave, ingericht als jaardeclaratie. Het college
dient de voorlopige kostenopgave over een kalenderjaar uiterlijk op 28
februari van het daaropvolgende kalenderjaar in bij de minister. De
gevraagde financiële informatie betreft de voorlopige stand van zaken,
zoals deze op het moment van opstellen van de voorlopige kostenopgave
bekend is. Gezien het voorlopige karakter van de informatie is geen
accountantsverklaring vereist.
Nieuw is ook dat op grond
van het vierde lid de voorlopige kostenopgave wordt gebruikt voor een
voorlopige verrekening van de uitkeringskosten en de uitvoeringskosten
met het daarvoor verleende voorschot voor het kalenderjaar waarop de
kostenopgave betrekking heeft. De introductie van deze voorlopige
verrekening houdt verband met de afschaffing van het systeem van
kwartaaldeclaraties en de gewijzigde bevoorschottingssystematiek. Deze
voorlopige verrekening loopt vooruit op de vaststelling, bedoeld in
artikel 50 van de Wwik. Bij de voorlopige verrekening wordt daarom nog
geen rekening gehouden met de eventuele onrechtmatigheid van de
uitgaven.
Indien de voorlopige
kostenopgave niet, niet tijdig of niet volledig is ontvangen, kan de
minister op grond van het vijfde lid de betaling van de
maandvoorschotten van het lopende vergoedingsjaar opschorten. De
opschorting wordt beëindigd zodra de voorlopige kostenopgave is
ontvangen. Op dat moment wordt de betaling van de maandvoorschotten
hervat en worden teruggevorderde maandvoorschotten nabetaald.
Artikel 6.
Voorschot
Om afschaffing van het
systeem van kwartaaldeclaraties mogelijk te maken, is de
bevoorschottingssystematiek, zoals deze gold onder de Wik, gewijzigd. De
verlening van voorschotten op de rijksvergoeding verloopt met ingang van
2005 op basis van een geraamd jaarvoorschot. Dit jaarvoorschot wordt
berekend op basis van de laatst bekende realisaties per gemeente
en de
gemiddelde hoogte van de uitkeringskosten en de vastgestelde hoogte van
de uitvoeringskosten. Hiermee is de administratief complexe wijze van
bevoorschotting en afrekening op basis van kwartaaldeclaraties komen te
vervallen. Tevens wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de
ontwikkelingen van de normbedragen en van het aantal
uitkeringsgerechtigden.
Artikel 7.
Financieel
beslag tekortkomingen
In dit artikel is
invulling gegeven aan artikel 50, vierde lid, van de
Wwik en worden
nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze van berekening van financieel beslag van de tekortkomingen in de uitvoering van de Wwik.
Het financieel beslag van tekortkomingen in de uitvoering wordt bepaald
op het totaal van de financiële fouten en financiële onzekerheden. Bij
financiële fouten gaat het om tekortkomingen waarbij met zekerheid kan
worden vastgesteld dat de uitkering onrechtmatig is verstrekt (of is
teruggevorderd zonder inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
bepalingen). Het financieel beslag van deze financiële fouten laat zich
direct kwantificeren. Bij financiële onzekerheden gaat het om
tekortkomingen waarbij niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de
uitkering rechtmatig is verstrekt. Het financieel beslag van deze
onzekerheden laat zich niet direct kwantificeren en wordt daarom
berekend met toepassing van de in artikel 7, tweede lid, opgenomen
forfaitaire percentages. De forfaitaire percentages worden toegepast op
de totale financiële omvang van de door het college gedeclareerde
uitkeringskosten.
In het derde lid is
vastgelegd dat, bij samenloop van tekortkomingen betreffende de
volledigheid van de onderzoeksverplichting en de tijdigheid van de
onderzoeksverplichting, de afzonderlijk berekende financiële uitkomsten
bij elkaar worden opgeteld.
Artikel 8.
Kostenopgave
adviserende instelling
In dit artikel is
invulling gegeven aan artikel 51, derde lid, van de
Wwik. De nadere
regels hebben betrekking op de kostenopgave, de accountantsverklaring en
het onderzoek dat - overeenkomstig het controle- en rapportageprotocol -
resulteert in deze
verklaring.
Het bestuur van de
adviserende instelling verantwoordt zich jaarlijks achteraf aan de
minister van SZW over de uitvoering van de Wwik
volgens een door hem
vastgesteld model kostenopgave. Het bestuur van de adviserende
instelling dient de kostenopgave over een kalenderjaar uiterlijk op 1
juli van het daaropvolgende kalenderjaar in bij de minister.
Het onderzoek en de
accountantsverklaring moeten plaatsvinden met inachtneming van het bij
het model van de verklaring behorende controle- en rapportageprotocol.
In het protocol worden de opzet en reikwijdte van de door de accountant
uit te voeren controle aangegeven.
Het bestuur van de
adviserende instelling is verantwoordelijk voor een juiste, tijdige en
volledige aanlevering van de kostenopgave en de op deze kostenopgave
betrekking hebbende accountantsverklaring en -rapportage.
Indien de kostenopgave en
de daarop betrekking hebbende accountantsverklaring niet, niet tijdig of
niet volledig zijn ontvangen, kan de minister op grond van het vijfde
lid de betaling van de maandvoorschotten van het lopende vergoedingsjaar
opschorten. De opschorting wordt beëindigd zodra de kostenopgave en de
verklaring zijn ontvangen. Op dat moment wordt de betaling van de
maandvoorschotten hervat en worden teruggevorderde maandvoorschotten
nabetaald.
Artikel 9.
Voorlopige
kostenopgave adviserende instelling
Met het oog op
derapportage en vermindering van de administratieve lasten is ook voor
de adviserende instelling het systeem van kwartaaldeclaraties, zoals dat
gold onder de Wik, afgeschaft. In de plaats van de vier
kwartaaldeclaraties komt één voorlopige kostenopgave, ingericht als
jaardeclaratie. Het bestuur van de adviserende instelling dient de
voorlopige kostenopgave over een kalenderjaar uiterlijk op 28 februari
van het daaropvolgende kalenderjaar in bij de minister. De gevraagde
financiële informatie betreft de voorlopige stand van zaken, zoals deze
op het moment van opstellen van de voorlopige kostenopgave bekend is.
Gezien het voorlopige karakter van de informatie is geen
accountantsverklaring vereist.
Nieuw is ook dat op grond
van het vierde lid de voorlopige kostenopgave wordt gebruikt voor een
voorlopige verrekening van de uitvoeringskosten met het daarvoor
verleende voorschot voor het kalenderjaar waarop de kostenopgave
betrekking heeft. De introductie van deze voorlopige verrekening houdt
verband met de afschaffing van het systeem van kwartaaldeclaraties en de
gewijzigde bevoorschottingssystematiek. Deze voorlopige verrekening
loopt vooruit op de vaststelling, bedoeld in artikel 53 van de
Wwik. Bij
de voorlopige verrekening wordt daarom nog geen rekening gehouden met de
eventuele onrechtmatigheid van de uitgaven.
Indien de voorlopige
kostenopgave niet, niet tijdig of niet volledig is ontvangen, kan de
minister op grond van het vijfde lid de betaling van de
maandvoorschotten van het lopende vergoedingsjaar opschorten. De
opschorting wordt beëindigd zodra de voorlopige kostenopgave is
ontvangen. Op dat moment wordt de betaling van de maandvoorschotten
hervat en worden teruggevorderde maandvoorschotten nabetaald.
Artikel 10.
Voorschot
adviserende instelling
De
minister stelt
jaarlijks uiterlijk op 1 oktober een jaarvoorschot vast ten behoeve van
de uitvoeringskosten van de adviserende instelling in het daaropvolgende
jaar. Bij de bepaling van de omvang van het jaarvoorschot wordt rekening
gehouden met het door de adviserende instelling verwachte aantal uit te
brengen adviezen en de daarmee gemoeide uitvoeringskosten.
Het jaarvoorschot wordt
maandelijks in twaalf gelijke delen uitbetaald. Vanwege risicobegrenzing
voor de adviserende instelling wordt de helft van het jaarvoorschot
toegekend als budget. Dit betekent dat bij vaststelling, bedoeld in
artikel 53 van de Wwik, de omvang van de vergoeding voor de
uitvoeringskosten minimaal de helft van het jaarvoorschot zal bedragen.
Artikel 11 tot en met 16.
Wijziging andere regelingen
De aanpassingen van
andere ministeriële regelingen zijn technisch van aard, met
uitzondering van de Regeling statistiek
Wwb, Ioaw en Ioaz 2005. Dat
betekent aanpassing van de verwijzingen in de ministeriële regelingen
naar de juiste artikelen in de Wwik en de juiste citeertitel.
De Regeling statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz 2005 wordt vanaf de inwerkingtreding van de
Wwik ook
van toepassing op de Wwik. Met onderhavige aanpassing van de Regeling
statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz 2005 wordt deze regeling aangepast met
betrekking tot de inlichtingen die de minister
nodig heeft voor het
toezicht, de informatievoorziening en de beleidsvorming in het kader van
de Wwik.
De wijzigingen hebben
verder betrekking op de volgende ministeriële regelingen:
• Regeling
Wet inkomensvoorziening kunstenaars (van OCW)
[Regeling
vergelijkbare opleidingen Wik, red.];
• Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen
Rea;
• Regeling SUWI;
• Tijdelijke stimuleringsregeling Hoogwaardige
Handhaving; en
• Tijdelijke
stimuleringsregeling intensivering opsporing en controle Abw.
Artikel 17.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt
gelijktijdig met de Wwik en het Uitvoeringsbesluit
Wwik met ingang van 1
januari 2005 in werking. De
bijlagen horende bij de regeling worden uiterlijk 15 januari 2005 ter
inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Tevens zullen deze bijlagen worden verstuurd naar alle
centrumgemeenten en de adviserende instelling.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof.
|
|