|
BESLUIT van 23 december
2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen
kunstenaars (Uitvoeringsbesluit Wwik)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 25 oktober 2004, nr. W&B/URP/04/70890;
Gelet op de artikelen
2, vijfde lid, 7, vijfde
lid, 8, aanhef en onder b, 10, tweede en derde lid,
11, eerste lid,
aanhef en onder b en c, 13, vijfde lid,
17, tweede lid, 18, vierde
lid, 21, tweede lid, 22, vijfde lid,
23, eerste lid, 40, tweede, zevende
en achtste lid, en 43, derde en vierde lid, van de
Wet werk en inkomen kunstenaars;
De Raad van State gehoord (advies van 6
december 2004, nr. W12.04.0510/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december
2004, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/URP/04/85553;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§
1. Definities
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wik: Wet
inkomensvoorziening kunstenaars, zoals deze luidde op 31 december 2004;
b. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars;
c. uitkering: uitkering
op grond van de Wwik.
§ 2.
Voorwaarden
werkzaamheden als kunstenaar
Art. 2.
Periodiciteit
beroepsmatigheidstoets
De beoordeling of de
kunstenaar gedurende de periode, bedoeld in artikel
8, aanhef en onder b, van de Wwik dan wel artikel
11, eerste lid, aanhef en onder
c, van de Wwik, als kunstenaar werkzaam is geweest, betreft de
periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de
kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd, dan wel waarin het
onderzoek plaatsvindt, bedoeld in artikel 11 van de
Wwik.
§ 3.
Inkomenseisen en
beroepskosten
Art. 3.
Entree-eis
-1.
Voor kunstenaars aan wie nog niet eerder uitkering op grond van de Wik of de
Wwik
is verleend, bedraagt het bruto-inkomen, bedoeld in artikel
8, aanhef en onder b, van de Wwik,
na vermindering met de in aanmerking te nemen beroepskosten, bedoeld in artikel
17 van de Wwik, €|1200,00.
-2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder de in aanmerking te
nemen beroepskosten, bedoeld in artikel 17
van de Wwik,
verstaan de directe kosten die uitsluitend kunnen worden toegerekend aan
het met werkzaamheden als kunstenaar verworven inkomen in de periode van
twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand
waarin uitkering wordt aangevraagd.
Art. 4.
Progressie-eis
-1. De in artikel
11,
eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwik
genoemde bedragen worden
naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar geen
werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht gedurende een gedeelte van de
periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan
respectievelijk de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand wegens
ziekte of deelname aan door de adviserende instelling of
het college aangeboden beroepskwalificerende scholing van ten minste een aaneengesloten periode van vier weken.
-2. Voor het vaststellen
van de periode van ziekte, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-3. Het college kan de
kunstenaar die, als gevolg van op de ontwikkeling van de beroepspraktijk
gerichte activiteiten die het verwerven van inkomen hebben belemmerd,
niet kan voldoen aan de eis, bedoeld in artikel
11, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Wwik, gedurende de totale looptijd van de
Wwik eenmalig op zijn verzoek ontheffing van die eis verlenen. De
kunstenaar doet hiertoe zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed verzoek
aan het college.
-4. De ontheffing, bedoeld
in het derde lid, wordt niet verleend indien het niet hebben voldaan
aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld in artikel
11, aanhef en
eerste lid, onderdeel b,¹ van de Wwik, het gevolg is van het naar het oordeel
van het college onverantwoord handelen of nalaten van de
kunstenaar.
1. Volgens de redactie
dient "artikel
11, aanhef en
eerste lid, onderdeel b" te worden vervangen door: artikel
11, eerste lid, aanhef en onder b.
Art. 5.
Progressie-eis
na eerdere beëindiging van de uitkering op grond van artikel 11,
eerste lid, van de Wwik
De kunstenaar wiens
uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder
b, van de Wwik is beëindigd en die uitkering aanvraagt, heeft na afloop van de
periode, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de
Wwik, recht op uitkering
als wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld in artikel
11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwik,
over de twaalf
kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin
uitkering wordt aangevraagd.
Art. 6.
Vaststellen
inkomen over de beoordelingsperiode van de progressie-eis
-1. Voor de toepassing van
artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwik wordt op de
omzet en het bruto-inkomen verworven over de periode van twaalf
kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste
uitkeringsmaand de volgende beroepskosten in mindering gebracht:
a. de vaste kosten,
afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande
aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst;
b. de variabele kosten,
afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande
aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst, naar het
percentage dat zij uitmaken van de in die jaarrekening opgenomen
omzet.
-2. Indien de kunstenaar
geen jaarrekening kan overleggen over het kalenderjaar onmiddellijk
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt
getoetst, dan wel aantoont dat de toepassing van het eerste lid geen recht
doet aan de werkelijke kosten over de van toepassing zijnde
periode, bedoeld in het eerste lid, wordt de opgave van de kunstenaar in
aanmerking genomen, voor zover deze naar het oordeel van het college
aannemelijk is.
Art. 7.
Beroepskosten
-1. Voor de toepassing van
de artikelen 15 en 16 van de
Wwik wordt over de omzet of
bruto-inkomsten van de kunstenaar een bedrag van €|3408,00 als
beroepskosten in aanmerking genomen.
-2. Indien bij de
toepassing van het eerste lid het bruto-inkomen van de kunstenaar uitkomt op een
negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld.
-3. Indien in de situatie,
bedoeld in het tweede lid, de kunstenaar aantoont dat de
werkelijke beroepskosten de omzet en het bruto-inkomen overstijgen, worden in
afwijking van het tweede lid de resterende meerkosten in mindering
gebracht op het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
-4. Indien de kunstenaar
aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het in het
eerste lid genoemde bedrag, worden deze werkelijke kosten in
aanmerking genomen bij de omzet of het bruto-inkomen van de kunstenaar en het
bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
-5. Bij de toepassing van
artikel 16, derde lid, van de Wwik worden het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, en de werkelijke beroepskosten, bedoeld in het derde en vierde
lid, verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te nemen
periode, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de
Wwik.
§ 4.
Maatregelen
Vervallen
Art. 8.
Vervallen.
§ 5.
Vaststelling
vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een
privékarakter,
noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar
Art. 9.
Vaststelling
vermogenswaarde
-1. Indien de kunstenaar
beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend
erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt,
wordt voor de toepassing van artikel 7, vijfde lid, van de
Wwik de
vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het
economisch verkeer van de woning met het bijbehorend erf
verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de
waarde van de woning met bijbehorend erf is artikel 10 van toepassing.
-2. Indien de kunstenaar
beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning
met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het
beroep worden gebruikt, wordt 50% van de waarde in het economisch verkeer
van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden
aangemerkt als vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het
beroep van kunstenaar.
§ 6.
Regeling
krediethypotheek en verpanding Wwik
Art. 10.
Taxateur
-1. Voor de toekenning van
de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel
13, vijfde lid, van de Wwik, wordt uitgegaan van de waarde die is toegekend
op grond van de Wet
waardering onroerende zaken.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld
in artikel 13, vijfde lid, van de Wwik, worden vastgesteld door een
taxateur die door het college in overeenstemming met de kunstenaar wordt
aangewezen.
Art. 11.
Voorwaarden
geldlening
De voorwaarden, bedoeld
in de artikelen 12 en 13, worden in elk geval verbonden aan de
geldlening onder verband van hypotheek of verpanding, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de Wwik, en opgenomen in de hypotheekakte of de
akte tot verpanding.
Art. 12.
Aflossing
geldlening
-1. De aflossing van de
geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vangt aan na
de periode van tien jaar, bedoeld in artikel
19, tweede lid, van de Wwik,
of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel
19,
eerste lid, van de Wwik, is verstreken.
-2. De aflossing van de
geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vindt
maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
-3. Het college stelt het
maandbedrag van de aflossing vast aan de hand van het inkomen, bedoeld
in paragraaf 3.4 van de Wet werk en
bijstand, en de noodzakelijke, voor
rekening van de kunstenaar en zijn gezin komende, bijzondere
bestaanskosten. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wijzigt
het college het maandbedrag van de aflossing.
-4. Bij een inkomen van de
kunstenaar en zijn gezin als bedoeld in het derde lid dat niet
uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen
3.2 en 3.3 van de Wet werk en
bijstand, wordt geen aflossing gevergd.
-5. Indien de kunstenaar
en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig
nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste
deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de
wettelijke rente verschuldigd.
Art. 13.
Rente over niet-afgeloste lening
-1. Indien door toepassing
van artikel 12, derde of vierde lid, na afloop van de aflossingsperiode
van tien jaar de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment
maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de
geldlening.
-2. De rente, bedoeld in
het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met 3 procent.
-3. Indien de kunstenaar
naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk
kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten
hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing
en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald, bijgeschreven bij
het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
-4. Indien de kunstenaar
naar het oordeel van het college geen rente kan betalen, wordt de
verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de
geldlening.
-5. Over een bijgeschreven
rentevordering is geen rente verschuldigd.
Art. 14.
Verkoop of
vererving
-1. Bij verkoop van de
woning dan wel bij vererving van de woning na het overlijden van de
kunstenaar of, indien het een echtpaar betreft, na het overlijden van de
langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de
geldlening, alsmede de op grond van artikel 13, vierde lid, bijgeschreven
rente, terstond afgelost.
-2. Indien bij de verkoop
van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij
vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager
is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering,
wordt het verschil kwijtgescholden.
Art. 15.
Opgave lening
en rente
Aan de kunstenaar of
langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt,
telkens na afloop van een kalenderjaar, een opgave verstrekt van de stand
van de geldlening en van de rentevorderingen.
§ 7.
Gebiedsindeling
Art. 16.
Centrumgemeenten
Recht op uitkering op
grond van de Wwik bestaat indien de kunstenaar woonplaats heeft in:
a. de provincie
Groningen: jegens het college van de gemeente
Groningen;
b. de provincie
Friesland: jegens het college van de gemeente
Leeuwarden;
c. de provincie Drenthe:
jegens het college van de gemeente Assen;
d. de provincie
Gelderland: jegens het college van de gemeente
Arnhem;
e. de provincie
Flevoland: jegens het college van de gemeente
Lelystad;
f. de provincie Utrecht:
jegens het college van de gemeente Utrecht;
g. de provincie Zeeland:
jegens het college van de gemeente
Middelburg;
h. de provincie Limburg:
jegens het college van de gemeente
Maastricht;
i. de gemeenten Dalfsen,
Deventer, Hardenberg,
Kampen,
Olst-Wijhe, Ommen, Raalte,
Staphorst, Steenwijkerland,
Zwartewaterland, Zwolle: jegens het
college van de gemeente Zwolle;
j. de gemeenten Almelo, Borne,
Dinkelland, Enschede,
Haaksbergen, Hellendoorn,
Hengelo (Ov),
Hof van Twente, Losser, Oldenzaal,
Rijssen-Holten, Tubbergen,
Twenterand, Wierden: jegens het college van de
gemeente Enschede;
k. de gemeenten Alkmaar, Andijk,
Anna Paulowna, Beemster,
Bergen, Castricum,
Den Helder, Drechterland,
Edam-Volendam, Enkhuizen,
Graft-De Rijp, Harenkarspel,
Heerhugowaard, Heiloo,
Hoorn, Koggenland,
Landsmeer,
Langedijk, Medemblik,
Niedorp, Oostzaan,
Opmeer, Purmerend,
Schagen, Schermer,
Stede Broec, Texel, Waterland,
Wervershoof,
Wieringen, Wieringermeer, Wormerland,
Zaanstad, Zeevang,
Zijpe: jegens het college van de gemeente
Alkmaar;
l. de gemeenten Aalsmeer,
Beverwijk, Bloemendaal,
Haarlem, Haarlemmerliede
en Spaarnwoude, Haarlemmermeer,
Heemskerk, Heemstede,
Uitgeest, Uithoorn,
Velsen, Zandvoort: jegens het college van de
gemeente Haarlem;
m. de gemeenten Amstelveen,
Amsterdam, Diemen,
Ouder-Amstel: jegens het college van de
gemeente Amsterdam;
n. de gemeenten Blaricum, Bussum,
Hilversum, Huizen,
Laren, Muiden,
Naarden, Weesp, Wijdemeren: jegens het college van de
gemeente Hilversum;
o. de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven,
Boskoop, Delft,
Den Haag, Gouda,
Hillegom, Kaag
en Braassem, Katwijk, Leiden,
Leiderdorp,
Leidschendam-Voorburg, Lisse,
Midden-Delfland, Nieuwkoop,
Noordwijk, Noordwijkerhout,
Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp,
Reeuwijk, Rijnwoude, Rijswijk, Teylingen, Vlist, Voorschoten,
Waddinxveen,
Wassenaar, Westland,
Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens het college van de
gemeente Den Haag;
p. de gemeenten
Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht,
Bergambacht,
Bernisse, Binnenmaas,
Brielle,
Capelle aan den IJssel, Cromstrijen,
Dirksland, Dordrecht,
Giessenlanden,
Goedereede, Gorinchem, Graafstroom,
Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis,
Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk,
Krimpen aan den IJssel, Lansingerland,
Leerdam, Liesveld,
Maassluis, Middelharnis,
Moordrecht, Nederlek, Nieuwerkerk aan den IJssel,
Nieuw-Lekkerland,
Oostflakkee, Oud-Beijerland,
Ouderkerk, Papendrecht,
Ridderkerk, Rotterdam,
Rozenburg, Schiedam,
Schoonhoven, Sliedrecht,
Spijkenisse,
Strijen, Vlaardingen, Westvoorne,
Zederik, Zevenhuizen-Moerkapelle,
Zwijndrecht: jegens het college van de gemeente
Rotterdam;
q. de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam,
Baarle-Nassau, Bergen op
Zoom, Breda, Drimmelen,
Etten-Leur, Geertruidenberg,
Halderberge, Moerdijk,
Oosterhout, Roosendaal,
Rucphen, Steenbergen,
Werkendam, Woensdrecht,
Woudrichem,
Zundert: jegens het college van de gemeente
Breda;
r. de gemeenten Dongen,
Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek,
Loon op Zand, Oisterwijk,
Tilburg, Waalwijk: jegens het college van de
gemeente Tilburg;
s. de gemeenten
Bernheze,
Boekel, Boxmeer, Boxtel,
Cuijk, Grave,
Haaren, ’s-Hertogenbosch,
Heusden, Landerd, Lith,
Maasdonk, Mill en Sint Hubert,
Oss, Schijndel,
Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel,
Sint-Oedenrode, Uden,
Veghel, Vught:
jegens het college van de gemeente ’s-Hertogenbosch;
t. de gemeenten Asten, Bergeijk,
Best, Bladel,
Cranendonck, Deurne,
Eersel, Eindhoven,
Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel,
Heeze-Leende, Helmond,
Laarbeek, Nuenen,
Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De
Mierden, Someren, Son en
Breugel, Valkenswaard, Veldhoven,
Waalre: jegens het
college van de gemeente Eindhoven.
§ 8.
Wijziging andere
algemene maatregelen van bestuur
Art. 17.
Het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
Het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
m. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars.
B.
In artikel 2 wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
m. artikel 2, vierde lid,
onderdeel d, van de Wwik.
C.
In artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van
subonderdeel 12 door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
13. de Wwik;.
D.
Artikel 4 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het opschrift wordt
vervangen door: Bijzondere bepalingen in
verband met de Wwb, AOW, CSV, Ioaw, Ioaz, TW, Wajong, WAO,
WAZ, Wvg, ZW en Wwik
2. De zinsnede "en
artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de ZW" wordt vervangen door: ,
artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de ZW en artikel
2, tweede tot
en met vierde lid, van de Wwik.
E.
Artikel 5a komt te
luiden:
Art. 5a.
Dit besluit berust mede
op artikel 3, vijfde lid, van de Wwb
en artikel
2, vijfde lid, van de Wwik.
Art. 18.
Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw
Het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, onderdeel j,
wordt de zinsnede "ingevolge artikel 9 van de
Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: ingevolge de
Wet werk en inkomen kunstenaars.
B.
Artikel 10a wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid
vervalt de zinsnede ", herleid tot een brutobedrag,".
2. Het vierde lid wordt
vervangen door:
-4. De ingevolge het
eerste lid afgedragen premie kan niet worden teruggevorderd indien na
de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in
artikel 16 van de
Wet werk en inkomen kunstenaars, de verleende uitkering,
bedoeld in artikel 15 van die
wet, geheel of gedeeltelijk wordt
teruggevorderd.
C.
Artikel 14, tweede lid,
wordt vervangen door:
-2. Over het
ouderdomspensioen, de toeslag, de vakantie-uitkering en de tegemoetkoming waarop
de verzekerde aanspraak heeft krachtens de Algemene Ouderdomswet of
de Tijdelijke regeling tegemoetkoming
AOW-ers, is een premie
verschuldigd tot een door Onze Minister en Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
tezamen te bepalen percentage. De premie
wordt per maand berekend over het ouderdomspensioen en de toeslag, met
inbegrip van de vakantie-uitkering. Geen premie is verschuldigd
over de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 18 van de
Algemene Ouderdomswet, en de vakantie-uitkering, bedoeld in
artikel 32 in verbinding
met artikel 18 van die
wet.
Art. 19.
Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004
In artikel 43, eerste lid, van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004 wordt de zinsnede
"De artikelen 10d, 10e,
10f, eerste, tweede en vierde lid, en
10g van
het Uitvoeringsbesluit Wik" vervangen
door "De
artikelen 12, 13, 14 en
15 van het Uitvoeringsbesluit Wwik" en wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 20.
Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
Het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en
sociale zekerheid wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt de
zinsnede "en 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: en 10, derde lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
B.
Artikel 1a komt te
luiden:
Art. 1a.
Dit besluit rust mede op
artikel 13, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel
10,
derde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 21.
Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik
Het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb,
Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik wordt als volgt
gewijzigd:
A.
In artikel 1, eerste lid,
wordt "de Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: de
Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B.
Artikel 1a komt te
luiden:
Art. 1a.
Dit besluit berust mede
op artikel 11, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel
10,
tweede lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
C.
Artikel 3 komt te luiden:
Art. 3.
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb,
Ioaw, Ioaz, Wvg en
Wwik.
Art. 22.
Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten
Het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars.
B.
In artikel 2, eerste lid,
onderdeel i, wordt de zinsnede "op grond van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz en
de Wet SUWI" vervangen door: op grond van de Wwb, de
Ioaw, de Ioaz,
de Wwik en de Wet SUWI.
C.
Artikel 3 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
aanhef, wordt de zinsnede "artikel 45, eerste lid, van de
Ioaw en artikel 45,
eerste lid, van de Ioaz" vervangen door: artikel
45, eerste lid, van de Ioaw,
artikel 45, eerste lid, van de Ioaz en artikel
40, eerste lid, van de Wwik.
2. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt de zinsnede "op grond van de Wwb, de Ioaw of de
Ioaz"
vervangen door: op grond van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik.
3. In het eerste lid,
onderdeel c, wordt de zinsnede "vermogen als bedoeld in artikel 34 van
de Wwb en artikel 8 van de
Ioaz" vervangen door: vermogen als
bedoeld in artikel 34 van de Wwb,
artikel 8 van de Ioaz
en artikel 7 van de
Wwik.
4. In het tweede lid
wordt de zinsnede "artikel 45, eerste lid, van de
Ioaw of artikel 45,
eerste lid, van de Ioaz" vervangen door: artikel
45, eerste lid, van de Ioaw,
artikel 45, eerste lid, van de Ioaz of artikel
40, eerste lid, van de Wwik.
D.
In artikel 6, derde lid,
wordt de zinsnede "op grond van de Wwb, de Ioaw of de Ioaz"
vervangen door: op grond van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik.
E.
In artikel 7, eerste lid,
onderdeel c, wordt de zinsnede "op grond van de Wwb, de
Ioaw of de Ioaz"
vervangen door: op grond van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wwik.
F.
Artikel 11a komt te
luiden:
Art. 11a.
Dit besluit berust mede
op artikel 64, tweede, zevende en achtste lid, van de
Wet werk en
bijstand en artikel 40, tweede, zevende en achtste lid, van de
Wet werk en
inkomen kunstenaars.
Art. 23.
Besluit SUWI
Het Besluit SUWI wordt
als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1.1 wordt als
volgt gewijzigd:
1. De onderdelen d tot en
met l worden vergeletterd tot onderdelen e tot en met m.
2. Na onderdeel c wordt
een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. Wwik: Wet werk en
inkomen kunstenaars;.
B.
Artikel 4.1 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid
wordt de zinsnede "en 34, derde lid, van de
Ioaz" vervangen door: , artikel
34, derde lid, van de Ioaz en artikel 21, tweede lid, van de
Wwik.
2. In het vijfde lid
wordt de zinsnede "of 34, derde lid, van de
Ioaz" vervangen door: , 34,
derde lid, van de Ioaz of 21, tweede lid, van de
Wwik.
C.
In artikel 6.1 wordt de
zinsnede "en artikel 34, vijfde lid, van de
Ioaz" vervangen door: , artikel
34, vijfde lid, van de Ioaz en de artikelen 21, tweede lid, en
43, derde
lid, van de Wwik.
Art. 24.
Boetebesluit
socialezekerheidswetten
Het Boetebesluit socialezekerheidswetten
wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Onderdeel b vervalt.
2. In onderdeel p vervalt
de zinsnede "17, eerste lid, van de Wik,".
3. In onderdeel r vervalt
de zinsnede "15, tweede lid, onderdeel c, van de
Wik,".
B.
In artikel 5, eerste lid,
vervalt de zinsnede "de artikelen 7 tot en met 10 van het
Uitvoeringsbesluit Wik,".
Art. 25.
Besluit
vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen
Het Besluit vaststelling rekenpremie
wachtgeldfondsen wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1, eerste lid,
wordt de zinsnede "artikel 10, tweede lid, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen"
vervangen door: artikel 10, tweede lid, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel
18, vierde lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
B.
In artikel 4 wordt de
zinsnede "artikel 10, eerste lid, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen" vervangen
door: artikel 10, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel
18, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
C.
Artikel 6a komt te
luiden:
Art. 6a.
Dit besluit berust mede
op artikel 37, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel
18,
vierde lid, van de Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 26.
Besluit Wwb
Bijlage 2 behorende bij
artikel 8 van het Besluit Wwb wordt als volgt gewijzigd:
1. Tabel 1 wordt als
volgt gewijzigd:
a. In onderdeel 5 wordt "2001-2003" vervangen door: 2000-2002.
b. In onderdeel 8 wordt "2001-2003" vervangen door: 2000-2002.
c. In onderdeel 10 wordt "1999-2001" vervangen door: 2000-2002.
2. Tabel 2 wordt als
volgt gewijzigd:
a. In onderdeel 6 wordt
de zinsnede "het begin van het eerste kwartaal" vervangen door: het eind
van het kalenderjaar en "2002-2004" vervangen door: 2001-2003.
b. In onderdeel 9 wordt "1999-2001" vervangen door: 2000-2002.
§ 9.
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 27.
Overgangsbepaling progressie-eis ¹
-1. De kunstenaar die in
of voor het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Wik heeft in het jaar 2005 recht op uitkering op grond van de
Wwik
indien hij in het jaar 2004 een omzet of bruto-inkomen uit
kunst van €|1089,00
heeft verworven.
-2. Voor de kunstenaar aan
wie op grond van het eerste lid uitkering is verleend en de kunstenaar
die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wwik uitkering op
grond van de Wik is verleend, geldt dat de beoordeling van het recht
op uitkering in het daaropvolgende jaar plaatsvindt
overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de
Wwik, zijnde niet meer
dan in voornoemd artikel genoemd bedrag van €|2800,00.
-3. Voor de kunstenaar die
na de beoordeling van het bruto-inkomen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, recht op uitkering heeft, geldt voor de volgende
beoordelingsperiode van twaalf kalendermaanden, bedoeld in artikel
11, eerste lid,
aanhef en onderdeel b, van de Wwik de
naasthogere inkomenseis, bedoeld in
voornoemd artikel.
-4. Voor de kunstenaar,
bedoeld in het eerste lid, geldt dat het in het eerste lid genoemde
bedrag naar evenredigheid wordt verlaagd indien de kunstenaar gedurende een
gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een
aaneengesloten periode van vier weken, wegens ziekte of deelname aan beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen
werkzaamheden als
kunstenaar heeft verricht.
-5. Voor het vaststellen
van de periode van ziekte, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van
ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-6. In afwijking van het
eerste lid wordt voor de kunstenaar, bedoeld in artikel
8, aanhef en onder c, van de Wwik, het bedrag, bedoeld in het eerste lid, op nihil
gesteld indien het jaar 2004 het eerste kalenderjaar is waarin uitkering werd
verleend op grond van de Wik.
1. Ingevolge artikel
28 treedt artikel 27 in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij Besluit van 27 april 2006, Stb.
2006, 245, is het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 27
bepaald op 24 mei 2006, red.
Art. 28.
Inwerkingtredingsbepaling
Dit besluit treedt met
uitzondering van de artikelen 22 en 27 in werking met ingang van 1 januari
2005. Artikel 22 treedt in werking met ingang van 1 april 2005.
Artikel
27 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 29.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wwik.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23
december 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
Algemeen
Dit besluit geeft
uitvoering aan de artikelen 2, vijfde lid, 7, vijfde lid,
8, aanhef en onder b, 10, tweede en derde lid,
11, eerste lid, aanhef en onder b en
c,
13,
vijfde lid, 17, tweede lid, 18, vierde lid,
21, tweede lid, 22, vijfde lid,
23, eerste lid, 40, tweede, zevende en achtste lid, en
43, derde en vierde lid,
van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik).
Op grond van deze
artikelen zijn in het onderhavige besluit nadere regels gesteld ten
aanzien van:
- de vaststelling van
het vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van
kunstenaar (artikel 7, vijfde lid);
- de inkomenseis bij
aanvraag van een uitkering krachtens de Wwik van een kunstenaar die
niet eerder gebruik heeft gemaakt van de Wik of de
Wwik, in deze
toelichting entree-eis genoemd (artikel 8, aanhef en
onder b);
- de progressieve
inkomenseis bij de periodieke herbeoordeling van voortzetting van het
recht op een uitkering krachtens de Wwik, in deze toelichting
progressie-eis genoemd (artikel 11 eerste lid, aanhef en
onder b);
- de periodiciteit van
de beoordeling van de beroepsmatigheid van de kunstenaar door de
adviserende instelling, in deze toelichting beroepsmatigheidseis genoemd
(artikel 11,
eerste lid, aanhef en onder c);
- de voorwaarden om
(opnieuw) recht op uitkering te krijgen na afwijzing van de aanvraag
om uitkering krachtens de Wwik of na beëindiging van het
recht op uitkering krachtens de Wwik op grond van de
beroepsmatigheidseis,
de entree-eis of de progressie-eis (artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b);
- de vaststelling van
de waarde van de door de kunstenaar bewoonde woning en de voorwaarden waaronder uitkering in de vorm van een
geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding wordt verleend (artikel
13, vijfde lid);
- de hoogte van de in
aanmerking te nemen beroepskosten en het inkomen waarover deze
kosten worden gerekend (artikel 17, tweede lid);
- de vaststelling van
maatregelen (artikel 22, vijfde lid);
- de gebiedsindeling
voor de met de uitvoering van de Wwik belaste gemeenten (artikel
23,
eerste lid).
Daarnaast zijn in het
besluit wijzigingen in andere besluiten opgenomen, alsmede nadere
bepalingen met betrekking tot het overgangsrecht.
Ten aanzien van de eisen
inzake de beroepsmatigheid en het inkomen wordt in algemene zin het
volgende gesteld. In artikel 8, aanhef en
onder b, van de Wwik is bepaald dat de kunstenaar slechts recht heeft op uitkering
krachtens de Wwik indien hij kan aantonen gedurende een zekere periode als
kunstenaar werkzaam te zijn geweest (beroepsmatigheidseis) en met die werkzaamheden
gedurende diezelfde periode een nader te bepalen
bruto-inkomen of omzet heeft verworven (entree-eis). Beide eisen gelden niet
voor pas afgestudeerde kunstenaars die een beroep willen doen op de Wwik
(artikel 8, aanhef en onder c, Wwik).
Nadat een kunstenaar
toegang heeft verworven tot de Wwik dient hij periodiek te kunnen
aantonen dat hij voldoet aan de beroepsmatigheidseis en dat hij in hoogte
toenemende eigen inkomen verwerft (progressie-eis). In
artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, Wwik
is bepaald dat de uitkering
wordt beëindigd indien de kunstenaar niet kan aantonen gedurende een
nader te bepalen periode als kunstenaar werkzaam te zijn geweest.
De uitkering wordt op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder c, Wwik beëindigd als de kunstenaar of zijn echtgenoot niet kan
aantonen gedurende een nader te bepalen periode een nader te
bepalen bedrag aan bruto-inkomen uit kunst of anderszins te hebben
verworven. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de progressie-eis en
de beroepsmatigheidseis krachtens artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b en c, Wwik geldt voor alle kunstenaars, dus ook voor de pas
afgestudeerde kunstenaars, bedoeld in artikel 8, aanhef en
onder c, Wwik.
De periodiciteit van de
beroepsmatigheidseis is nader uitgewerkt in artikel 2, de entree-eis
in artikel 3 en de nadere regels met betrekking tot de progressie-eis in
artikelen 4, 5, 6 en 27 van dit besluit.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Periodiciteit
beroepsmatigheidstoets
De maximale
geldigheidsduur van de beroepsmatigheidstoets bedraagt twaalf kalendermaanden. Dit
houdt in dat iedere twaalf maanden gerekend vanaf de datum waarop de
voorgaande beroepsmatigheidstoets heeft plaatsgevonden opnieuw
moet worden beoordeeld of een kunstenaar nog kan worden aangemerkt als beroepsmatig actief kunstenaar. Als een
kunstenaar op dat moment
geen uitkering ontvangt, schuift de termijn op naar het moment waarop
wederom een beroep wordt gedaan op de Wwik. Als een kunstenaar binnen de geldigheidsduur van de laatst
uitgevoerde
beroepsmatigheidstoets opnieuw een uitkering aanvraagt, behoeft de
beroepsmatigheid van de kunstenaar niet eerder te worden (her)beoordeeld dan nadat
deze geldigheidsduur is verstreken. Als een negatieve beoordeling van
de beroepsmatigheid heeft geleid tot afwijzing van de aanvraag of
beëindiging van de uitkering, dan is geen sprake van een geldige periode. De
belanghebbende kan na afloop van de periode als bedoeld in artikel
10, vijfde lid, van de Wwik opnieuw een beroep doen op de
Wwik. Bij een
nieuwe beoordeling van de beroepsmatigheid na afwijzing of beëindiging van het recht op uitkering ligt de nadruk van
het onderzoek op de
maanden voorafgaande aan het nieuwe tijdstip van aanvraag die nog niet
eerder zijn getoetst.
Het kabinet heeft ervan
afgezien om criteria waaraan de beroepsmatigheid van de kunstenaar wordt
getoetst op te nemen in deze regeling. Opname van de relevante
criteria brengt, naar is gebleken, het risico met zich mee van verregaande
bureaucratisering en regulering. Dit weegt naar de mening van het kabinet
niet op tegen een geringe toename van de rechtszekerheid. Dit te meer omdat de huidige systematiek van beoordeling van de beroepsmatigheid,
die in de uitvoeringspraktijk van het adviserend orgaan tot
stand is gekomen en gaandeweg is geperfectioneerd, blijkens de evaluatie
niet heeft geleid tot situaties waarin de rechtszekerheid van de
kunstenaar in het gedrang is gekomen.
Artikel
3. Entree-eis
In het onderhavige
artikel is het bruto-inkomen dat ten minste moet zijn verworven om - voor het
eerst - in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering op grond
van de Wwik
vastgesteld op €|1200,-. Dit bedrag is afgeleid van de onder
de Wik geldende omzet-inkomenseis van €|1089,-. De geringe
verhoging ten opzichte van dit al in 1998 vastgestelde bedrag hangt samen met de
ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Op het in het onderhavige
besluit opgenomen bedrag is geen automatische indexering van
toepassing. Indexering zou een jaarlijkse verhoging en daarmee een jaarlijkse
verzwaring van de toetredingscriteria tot gevolg hebben. Bovendien zou
indexering tot gevolg hebben dat het bedrag van de entree-eis telkens dichter bij de eerste trede van de progressie-eis komt
te liggen.
Voor deze entree-eis bij
de eerste aanvraag van een kunstenaar wordt uitsluitend het
bruto-inkomen dat de kunstenaar uit kunst heeft verworven in aanmerking genomen.
Kunstenaars die een aanvraag indienen op grond van de criteria van
artikel 8, aanhef en onder b, van de Wwik
zijn kunstenaars die al
gedurende kortere of langere tijd als kunstenaar werkzaam zijn geweest.
Zij doen een beroep op de Wwik omdat zij om wat voor reden dan ook
zijn geconfronteerd met een inkomensterugval waardoor zij niet langer
in staat zijn om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te
voorzien. Het is redelijk om voor deze categorie kunstenaars te verlangen
dat zij kunnen aantonen dat over een zekere, aan de datum van aanvraag voorafgaande, periode in ieder geval een deel van
het inkomen of omzet is
verworven uit opbrengsten uit kunstproductie(s). Deze zekere periode wordt
gesteld op de twaalf kalendermaanden direct voorafgaand aan de datum
van eerste aanvraag.
Artikel
4. Progressie-eis
Als de kunstenaar voldoet
aan de entree-eis, heeft hij, andere beëindigingsredenen
daargelaten, gedurende twaalf uitkeringsmaanden recht op een Wwik-uitkering.
Nadat er twaalf uitkeringsmaanden zijn verstreken, moet opnieuw,
maar dan aan de hand van de in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b, van de Wwik opgenomen progressie-eis worden
beoordeeld of de kunstenaar weer aanspraak kan maken op twaalf uitkeringsmaanden
Wwik-uitkering.
In tegenstelling tot de
entree-eis wordt voor de progressie-eis het bruto-inkomen uit arbeid
van de kunstenaar en/of de echtgenoot in aanmerking genomen. Het
brede begrip arbeid houdt in dat niet alleen het inkomen uit kunst, maar
ook het overige inkomen van de kunstenaar zelf of van zijn echtgenoot in
aanmerking wordt genomen, voor zover dit inkomen uit arbeid wordt
genoten.
In het eerste lid is
geregeld dat de van toepassing zijnde progressie-eis naar evenredigheid wordt
verlaagd indien de kunstenaar aan wie uitkering is verleend wegens ziekte
of scholing geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Als scholing
wordt alleen in aanmerking genomen door de adviserende instelling of
de gemeente aangeboden beroepskwalificerende scholing.
In het tweede lid is
geregeld dat voor het vaststellen van de periode van vier weken, bedoeld in
het eerste lid, perioden van ziekte worden samengesteld als zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Hiermee
wordt voorkomen dat een kunstenaar die regelmatig ziek is, maar
niet gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken,
niet aan de gestelde voorwaarden voor verlaging van de inkomenseis zou
kunnen voldoen. Voor een kunstenaar die bijvoorbeeld veertien dagen
ziek is, een week beter en dan weer veertien dagen ziek, wordt het aantal
ziektedagen beschouwd als een aaneengesloten periode van vier weken.
De regeling is ook van toepassing op de situatie waarin een kunstenaar
gedurende een aaneengesloten periode van vier weken ziek is geweest,
daarna een week beter is en aansluitend wederom veertien dagen ziek is. In zo’n
geval worden de laatstgenoemde veertien dagen voor de toepassing van het eerste lid opgeteld bij de eerste vier weken ziekte.
Opgemerkt moet worden dat
een langdurige periode van ziekte tot gevolg kan hebben dat het
aantal maanden waarover recht bestaat op een Wwik-uitkering wordt
opgebruikt zonder dat daadwerkelijk kan worden gewerkt aan de opbouw van
een renderende - al dan niet gemengde - beroepspraktijk als kunstenaar. Bovendien kan een dergelijke lange
ziekteperiode ertoe
leiden dat de adviserende instelling bij hertoetsing negatief oordeelt over de
beroepsmatigheid. Het ligt voor de hand dat de centrumgemeente in een
dergelijke situatie in gesprek gaat met de kunstenaar over een
eventuele (tijdelijke) beëindiging van de Wwik-uitkering.
Een kunstenaar kan
eenmalig verzoeken ontheffing van de van toepassing zijnde
progressie-eis te verkrijgen (een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing). In
het derde lid is geregeld dat de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding
valt onder de verantwoordelijkheid van het college, eventueel na
advies van de adviserende instelling, bedoeld in artikel
35 van de Wwik.
Het college kan uitsluitend kwijtschelding verlenen indien de
beroepsmatig actieve kunstenaar kan aantonen dat het niet hebben kunnen
voldoen aan de van toepassing zijnde progressie-eis het gevolg is van op de
ontwikkeling van de beroepspraktijk gerichte activiteiten die het
verwerven van inkomen heeft belemmerd. Kwijtschelding wordt niet verleend
indien het niet hebben voldaan aan de van toepassing zijnde
progressie-eis het gevolg is van nalatigheid of onverantwoord handelen van de kant van
de kunstenaar.
Het is niet de bedoeling
dat de mogelijkheid tot kwijtschelding een escape wordt voor
gevallen waarbij blijkt dat niet aan de van toepassing zijnde progressie-eis is
voldaan. Daarom moet een verzoek tot kwijtschelding zo spoedig mogelijk
worden ingediend. Het ligt voor de hand dat de kunstenaar een
dergelijk verzoek indient zodra hij aan ziet komen dat hij niet aan de van
toepassing zijnde progressie-eis kan voldoen.
Artikel
5. Progressie-eis
na eerdere beëindiging van de uitkering op grond van artikel
11, eerste
lid, van de Wwik
In dit artikel is
opgenomen wanneer een kunstenaar wiens recht op uitkering is beëindigd
omdat niet is voldaan aan de van toepassing zijnde progressie-eis, opnieuw
aanspraak kan maken op uitkering. De betreffende kunstenaar wordt op grond
van artikel 10, vijfde lid, van de Wwik
zes kalendermaanden uitgesloten van het recht op uitkering. Na deze
uitsluitingsperiode heeft
deze kunstenaar opnieuw recht op uitkering, mits hij - naast de
algemene, in de Wwik gestelde eisen - alsnog voldoet aan de van toepassing
zijnde
progressie-eis op grond waarvan het recht op uitkering eerder was
beëindigd. De toetsperiode voor deze eis is de twaalf kalendermaanden,
onmiddellijk voorafgaand aan de datum waarop (na de uitsluitingsperiode)
opnieuw uitkering is aangevraagd. Als het recht op uitkering bijvoorbeeld
per 1 juni is beëindigd, omdat niet is voldaan aan de progressie-eis,
gerekend over de periode van twaalf kalendermaanden vóór 1 juni, kan niet
eerder opnieuw uitkering worden toegekend dan op of na 1 december. De
periode waarover de progressie-eis wordt beoordeeld, is de twaalf kalendermaanden
direct voorafgaand aan de kalendermaand waarin uitkering wordt
aangevraagd.
Artikel
6. Vaststellen
inkomen over de beoordelingsperiode van de progressie-eis
Voor de beoordeling van
het bruto-inkomen voor de toepassing van artikel
11, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Wwik zal het arbeidsinkomen over de
periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de
dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand in de regel niet gelijk lopen aan een kalenderjaar. Het vaststellen van het inkomen zal
om die reden niet kunnen
plaatsvinden aan de hand van de jaarrekening, wat tot gevolg kan hebben
dat het inkomen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b, van de Wwik op een minder eenduidige en minder eenvoudige
wijze dan aan de hand van een jaarrekening kan worden vastgesteld.
Het onderhavige artikel
is opgenomen teneinde te bevorderen dat het inkomen zo eenduidig
mogelijk wordt vastgesteld, met zo min mogelijk extra administratieve
belasting voor zowel de kunstenaars als de met de uitvoering belaste gemeenten.
Het uitgangspunt is de
gedachte dat de opbrengsten op zich eenvoudig zullen kunnen worden
vastgesteld over de van toepassing zijnde periode. Voor beroepskosten zal
dit in veel gevallen niet het geval zijn.
Daarom kan de
kostenopgave van de resultatenrekening over het laatste afgesloten kalenderjaar
worden gebruikt om de kosten door te rekenen. Hierbij wordt onderscheid
gemaakt tussen de vaste en de variabele kosten. Als vaste kosten
kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt de atelierhuur, de premies
verzekeringen van het bedrijfsgedeelte en de afschrijvingen. Variabele
kosten zijn bijvoorbeeld de inkoopwaarde van de omzet, het
materiaalgebruik en de vervoerskosten.
Aangezien de jaarrekening
ook een volledig jaar beslaat, kunnen de vaste kosten van de
jaarrekening gelden als vaste kosten voor de beoordelingsperiode van
twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de dertiende,
vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand, eventueel aangepast aan doorgegeven wijzigingen
in prijs- of voorzieningenniveau. De variabele kosten van de
jaarrekening worden bepaald op een percentage van de in de jaarrekening vermelde
omzet. Dit percentage kan worden toegepast voor de aftrek van
variabele kosten op de omzet over de beoordelingsperiode van twaalf
kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de dertiende,
vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand.
De omschreven werkwijze
zal in de regel zonder bezwaar kunnen worden toegepast. Er zijn
echter situaties denkbaar waarin dit niet het geval is. Bijvoorbeeld
wanneer de beroepskosten van de kunstenaar substantieel zijn
gewijzigd ten opzichte van het jaar van de jaarrekening, wanneer een kunstenaar in
loondienst is en dusdanige lage beroepskosten heeft dat hij geen
jaarrekening opstelt of wanneer de kunstenaar op het moment van
beoordeling van de progressie-eis nog geen jaarrekening kan
overleggen.
Het tweede lid voorziet
erin dat in dergelijke situaties de beroepskosten op een andere wijze
kunnen worden vastgesteld, mits de kunstenaar voldoende inzicht kan
geven in de beroepskosten over de van toepassing zijnde
beoordelingsperiode. Bij loondienst kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van een door de
kunstenaar op te stellen kostenopgave of, indien het een
podiumkunstenaar betreft, van een door de inspecteur der belastingen afgegeven
kostenvergoedingsbeschikking. Als de jaarrekening (nog) niet kan worden
overgelegd, kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van de
voorlopige jaarcijfers of inzage in de boeken.
Artikel
7. Beroepskosten
Op grond van
artikel 17
van de Wwik mogen de kosten ter verwerving van het inkomen als
kunstenaar op het inkomen in mindering worden gebracht. Onder inkomen
dient in dit verband te worden verstaan het inkomen, bedoeld in
paragraaf 1.2 van de Wwik. Bij kunstenaars die hun inkomen uit een
zelfstandige beroepspraktijk halen, is niet de bruto- of nettowinst de maatstaf
- op deze winstbedragen zijn immers al respectievelijk de inkoopwaarde van de
omzet en de beroepskosten in mindering gebracht - maar de behaalde omzet en andere opbrengsten van werk,
zoals onder meer
hanggelden, uitleenvergoedingen, royalty’s en auteursrechten. Ook van
belang in dit verband is de in de memorie van toelichting
bij artikel 17 van de Wwik opgenomen uitleg dat beroepskostenvergoedingen
uit anderen hoofde in
principe tot de omzet of opbrengsten van werk
worden gerekend (Kamerstukken II 2003-2004, 29 574, nr. 3, blz. 26
en 27).
Het tweede lid van
artikel 17 van de Wwik voorziet erin om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de in aanmerking te nemen
beroepskosten en het inkomen waarover deze kosten in aanmerking
wordt genomen. Het als beroepskosten in aanmerking te nemen
forfaitbedrag, in het eerste lid omschreven als normbedrag, bedraagt €|3408,- per kalenderjaar. De hoogte van dit
bedrag
stemt overeen met
het bedrag dat wordt genoemd in paragraaf 4.6 van het algemene deel van
de memorie van toelichting bij de Wwik, zijnde de afgeronde
gemiddelde hoogte van het onder de Wik geldende normbedrag voor
scheppende en niet-scheppende kunstenaars van respectievelijk €|4538,- en €
2269,-. Op het forfaitbedrag is geen automatische indexering
van toepassing. Het onderhavige forfait heeft vooral tot doel om de
uitvoering van de Wwik te vereenvoudigen en is geen inkomenscomponent.
Het normbedrag wordt
uitsluitend op de omzet en het bruto-inkomen van de kunstenaar in
aanmerking genomen, niet op het inkomen van zijn echtgenoot. Het
normbedrag is uitsluitend van toepassing op de inkomensvaststelling als
bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de
Wwik. In alle overige situaties
worden de werkelijk gemaakte beroepskosten in aanmerking genomen. In
afwijking van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit
Wik wordt, uitgezonderd
de situatie als omschreven in het vijfde lid, het normbedrag niet verlaagd als de kunstenaar niet het gehele
kalenderjaar uitkering
ontvangt.
Indien het inkomen van de
kunstenaar door toepassing van het normbedrag op een
negatief bedrag uitkomt, wordt zijn inkomen op nihil gesteld. Als in dat geval
de kunstenaar kan aantonen dat het werkelijk inkomen, dus na aftrek
van de werkelijke beroepskosten, ook al op een negatief bedrag uitkomt,
mag het gedeelte van de werkelijke kosten dat de opbrengsten overstijgt
wel in mindering worden gebracht op het bruto-inkomen van de
echtgenoot van de kunstenaar, aangezien deze meerkosten feitelijk
invloed hebben op het besteedbare gezinsinkomen. Het derde lid voorziet
hierin.
Indien de kunstenaar
aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het voor hem
geldende normbedrag, worden deze werkelijke kosten in aanmerking
genomen. Deze kosten worden in mindering gebracht op het inkomen
van zowel de kunstenaar als zijn echtgenoot, aangezien deze kosten,
anders dan het normbedrag, feitelijk invloed hebben op het besteedbaar
gezinsinkomen. Het vierde lid voorziet hierin.
Omdat de Wwik per
kalenderjaar wordt vastgesteld, wordt met beroepskosten bedoeld de
beroepskosten over het kalenderjaar. Op grond van artikel
16, derde
lid, van de Wwik wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd
wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur slechts
het inkomen in aanmerking genomen over de periode in het
betreffende kalenderjaar voorafgaand aan de beëindigingsdatum. In deze situatie kan geen
rekening worden gehouden met de beroepskosten over het gehele kalenderjaar. In het vijfde lid is bepaald dat
in deze situatie de
beroepskosten worden verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te
nemen vaststellingsperiode. Deze verlaging betreft zowel het normbedrag, bedoeld in het eerste lid, als de werkelijke
beroepskosten, bedoeld in
het derde en vierde lid.
Artikel
8. Maatregelen
Artikel 8 koppelt de duur
en de hoogte van de weigering van de uitkering aan de
gedragingen, bedoeld in artikel 22 van de
Wwik, periodieke bijstelling.¹
Dit onverminderd artikel 22, tweede en derde lid, van de
Wwik. Het
uitgangspunt is dat een lager weigeringspercentage wordt toegepast in het
geval de verplichtingen niet tijdig zijn nagekomen dan in het geval de
verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nakomen. De percentages die hiervoor
zijn opgenomen in het onderhavige artikel zijn respectievelijk 5 en 10.
De duur van de maatregel is één maand. Artikel
22, tweede tot en met vierde
lid, zijn hierop van toepassing en kunnen er dus toe leiden dat het
college afziet van het opleggen van een maatregel of volstaat met het geven
van een waarschuwing.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede ",
periodieke bijstelling" te
vervallen.
De
Wwik kent de
verplichting dat de kunstenaar zich naar vermogen inspant om met kunst
zelfstandig in het bestaan te voorzien. Bovendien wordt de uitkering Wwik
beëindigd als de kunstenaar niet langer beroepsmatig werkzaam is.
Anderzijds wordt in de het algemene deel van de
memorie van toelichting bij de Wwik onderkend dat kunstenaars een bijzondere positie op de
(vaak ongewisse) arbeidsmarkt innemen. Hierdoor zal het slechts
in zeer uitzonderlijke situaties kunnen voorkomen dat er aanleiding is om
de uitkering tijdelijk geheel te weigeren.
Om deze reden is geen
nadere invulling gegeven aan de mogelijkheid om bij wijze van
maatregel de uitkering tijdelijk geheel te weigeren.
Tijdelijke volledige
weigering kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een kunstenaar onnodig een
beroep op de Wwik blijft doen, omdat hij een concreet werkaanbod,
passend in zijn kunstpraktijk, verwijtbaar niet heeft geaccepteerd. De gemeente
kan in dat geval toepassing geven aan de in artikel
22, tweede lid,
van de Wwik opgenomen bepaling dat de maatregel wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging.
Indien binnen één jaar
na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar
gedrag, wordt op grond van het tweede lid de grotere mate van
verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
van de verlaging. Onder "eerste gedraging" worden in dit verband
begrepen de eerste verwijtbare gedraging die voor het college aanleiding is
geweest een maatregel toe te passen en de verwijtbare gedraging ten
aanzien waarvan het college op grond van omstandigheden van
belanghebbende of wegens dringende redenen geen maatregel heeft
opgelegd. Het college betrekt derhalve de korter dan één jaar geleden
genomen besluiten bij het bepalen van de hoogte van de weigering van de
uitkering na nieuwe verwijtbare gedragingen van de kunstenaar. Geen
verdubbeling vindt plaats indien de eerdere weigering betrekking heeft op een
gedraging waarvoor in dit artikel een weigering van 10% is opgenomen en de nieuwe verwijtbare gedraging een
gedraging is waarvoor in
dit artikel een weigering van 5% is opgenomen.
Artikel
9. Vaststelling
vermogenswaarde
Op grond van
artikel 7,
tweede lid, onderdeel a, van de Wwik worden bezittingen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar buiten
aanmerking gelaten bij de vaststelling van de omvang van het vermogen waarover
een kunstenaar beschikt. Hierbij moet bijvoorbeeld worden
gedacht aan bezittingen gebonden in een werk-, presentatie- of
oefenruimte, in apparatuur, materialen, gereedschappen, instrumenten,
grondstoffen of andere hulp- en productiemiddelen. Deze middelen worden buiten
beschouwing gelaten teneinde te voorkomen dat kunstenaars gedwongen
worden om deze middelen te gelde te maken voor de algemene
bestaansvoorziening, waardoor ze niet meer voor de beroepsbeoefening kunnen
worden ingezet.
Op grond van het vijfde
lid van voornoemd artikel worden bij algemene maatregel van bestuur
regels gesteld voor de vaststelling van het vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. Het onderhavige artikel voorziet hierin. De regels hebben
betrekking op de
waardevaststelling van bezittingen die deels een privékarakter hebben en deels
bestemd zijn voor de uitoefening van het beroep. Met name geldt
dit bij een woning in eigendom waarvan een gedeelte wordt gebruikt
als werk-, presentatie- of oefenruimte, een auto die zowel in privé als
zakelijk wordt gebruikt of een computer. De beoordeling of een bepaald middel behoort tot deze categorie van
bezittingen is sterk
afhankelijk van het soort beroep en de omstandigheden van de kunstenaar. Het
wordt aan de centrumgemeente overgelaten om in samenspraak met de
kunstenaar te bepalen of een bepaalde bezitting voor zowel
privé als zakelijk gebruik dient.
Indien de kunstenaar in
het bezit is van een woning met bijbehorend erf die tevens gebruikt wordt
voor de uitoefening van zijn beroep, wordt het niet in aanmerking te
nemen vermogen vastgesteld op een forfaitair bedrag van 20% van de
waarde in het economisch verkeer verminderd met de daarop drukkende
schulden. In het algemeen betekent de waarde in het economisch verkeer
de waarde van de bezittingen die de meest biedende koper bij
verkoop onder normale omstandigheden bereid is te betalen.
Voor andere bezittingen
van de kunstenaar met zowel een zakelijk als een privékarakter geldt
dat de vermogenswaarde wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag
gelijk aan 50% van de waarde van deze bezittingen in het economische verkeer
verminderd met de daarop drukkende schulden.
Deze benadering is gelijk
aan die in het op grond van de Wik vastgestelde
Uitvoeringsbesluit Wik.
Artikelen 10 tot en met
15. Regeling krediethypotheek en verpanding Wwik
Op grond van
artikel 9
van de Wwik heeft een kunstenaar die in het bezit is van een eigen
woning met daarin een vermogensoverwaarde die uitstijgt boven de
vermogensvrijlating van artikel 7 van de Wwik
en die voor het overige voldoet
aan alle toetredingseisen voor de Wwik, recht op uitkering,
voor zover tegeldemaking of (verdere) bezwaring van het in
de woning gebonden
vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. De te verlenen Wwik-uitkering wordt op grond van
artikel 13 van de Wwik
in dat geval verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek of
verpanding. In het vijfde lid van artikel 13
Wwik is bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende de voorwaarden waaronder een
Wwik-uitkering in de vorm
van een geldlening onder
verband van hypotheek of verpanding wordt verleend. Paragraaf 6 van
dit besluit voorziet hierin. De hierin opgenomen regels verschillen
enigszins van de onder de Wik vigerende regels. Deels houdt dit verband met de
komst van de Wet werk en bijstand (Wwb), waarin deregulering en
vereenvoudiging belangrijke instrumenten zijn ter ondersteuning van de
uitvoering en ter vergroting van de gemeentelijke keuzevrijheid. In dat
kader zijn veel van de onder de Abw geldende bepalingen rond de
verlening van bijstand in de vorm van krediethypotheek niet in de Wwb opgenomen.
Aan de andere kant is de financieringssystematiek van de Wwik aanleiding om
de Wwb op dit punt niet geheel te volgen. In de in dit
besluit te stellen regels zijn onder meer bepalingen opgenomen ten aanzien van
de renteverplichting bij aflossing van de schuld en de handelwijze
bij verkoop of vererving. Met de term "kunstenaar" in deze artikelen
wordt bedoeld de kunstenaar aan wie uitkering in de vorm van een
geldlening onder verband van krediethypotheek ingevolge de Wik of Wwik is verleend, ongeacht of de persoon ten tijde van de terugbetaling van
de geldlening nog als zodanig kan worden aangemerkt.
Artikel
10. Taxatie
In afwijking van hetgeen
onder de Wik van toepassing was voor de waardevaststelling van de
woning wordt uitgegaan van de waarde zoals die is vastgesteld
overeenkomstig de waardevaststelling in het kader van de Wet
waardering onroerende zaken (WOZ). Tot deze eenvoudige vorm van waardevaststelling is
besloten omdat in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet waardering
onroerend zaken en van enige andere wetten (Kamerstukken II 2003-2004, 29
612, nr. 3, blz. 3 en 4 en 7-9) wordt voorgesteld om per 1 januari 2007 een
jaarlijkse waardering in te voeren. Vooruitlopend daarop wordt met ingang
van 1 januari 2005 het (her)waarderingstijdvak teruggebracht van vier
naar twee jaren. De waardevaststelling in het kader van de WOZ wordt daarmee
dusdanig actueel dat aparte taxatie van de woning in het kader van
de toepassing van de Wwik niet noodzakelijk is.
Bij het ontbreken van een
recente WOZ-beschikking, bijvoorbeeld omdat de gemeente
nog
geen hertaxatie in 2005 heeft uitgevoerd, kan voor de vaststelling van
de waarde van de woning een taxateur worden ingeschakeld. De taxateur
wordt met instemming van de kunstenaar aangewezen door het
college, ongeacht of het een onafhankelijk of een gemeentelijk taxateur
betreft. De kosten die aan de taxatie zijn verbonden, komen op grond van
artikel 13, derde lid, van de Wwik voor rekening van de kunstenaar.
Artikel
11. Voorwaarden
geldlening
In de hypotheek- of
pandakte worden in elk geval de voorwaarden opgenomen rond de
aflossing van de geldlening en de rente over het nog niet afgeloste deel van
de geldlening, genoemd in de artikelen 12 en 13. In de akte worden ook de
gebruikelijke bedingen opgenomen. Hierbij kan worden gedacht aan het
beding tot beperking van de bevoegdheid tot verhuur of verpachting,
het beding dat de onderhouds- en verzekeringsplicht van de hypotheekgever
regelt of het beding dat de woning ontruimd dient te worden opgeleverd als de hypotheekhouder gebruik
maakt van de bevoegdheid
de zaak onder zich te nemen.
Artikel
12. Aflossing
geldlening
Een kunstenaar kan
vier jaar
gebruik maken van de Wwik, op te nemen binnen
tien jaar na de
eerste toetreding tot de Wwik. Uitkeringperioden en de eerste toetreding in
de Wik tellen hierbij overigens mee. Een kunstenaar kan in een
periode van tien jaar derhalve een aantal malen een beroep doen op de Wik/Wwik. In het eerste lid is om die reden bepaald dat de aflossing op de
schuld onder verband van hypotheek of verpanding niet eerder aanvangt dan
na beëindiging van de termijn van tien jaar, of zoveel eerder als het recht van in totaal vier jaar is opgebruikt. Hiermee
wordt voorkomen dat er
bij in- en uitstroom telkens opnieuw de aflossing op de schuld moet worden
gestart en weer worden beëindigd en dat er telkens opnieuw een
aflossingsbedrag moet worden vastgesteld, hetgeen de druk op de uitvoering
onaanvaardbaar zou verzwaren.
In het tweede lid is
opgenomen dat de aflossing gedurende ten hoogste tien jaar maandelijks
plaatsvindt. In principe kan derhalve per maand een aflossing plaatsvinden
van 1/120 van de geldlening. Het kan echter zijn dat het gezinsinkomen een
hoger aflossingsbedrag per maand rechtvaardigt. De kunstenaar heeft
echter ook de mogelijkheid een lager maandelijks aflossingsbedrag te
betalen dan het bedrag wat volgt uit de aflossingsperiode van tien jaar, indien de
hoogte van het inkomen en bepaalde bijzondere
bestaansuitgaven dit rechtvaardigen. Het wordt aan de centrumgemeente
overgelaten voor welke periode het maandelijkse aflossingsbedrag geldt.
Dit kan bijvoorbeeld voor een periode van één jaar zijn, maar ook voor
een langere of kortere periode, afhankelijk van de inkomensvaste periode, de
inkomensontwikkeling en de ontwikkeling van het noodzakelijke
uitgavenpatroon. Bij een inkomen als bedoeld in artikel
31 van de
Wet werk en bijstand
van de kunstenaar en zijn gezin wat niet uitstijgt boven de geldende
bijstandsnorm is geregeld dat geen aflossing wordt gevergd. Daardoor blijft
het inkomen tot dat niveau beschikbaar voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
Indien de kunstenaar
tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen
van de vastgestelde aflossing, is het niet-afgeloste deel van de
geldlening op grond van het derde lid direct opeisbaar en is daarover
bovendien de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel
13. Rente over niet-afgeloste lening
Indien op basis van het
inkomen en de noodzakelijke uitgaven langdurig een laag maandelijks aflossingsbedrag is gevergd door het college, kan de
periode van ten hoogste
tien jaar niet voldoende zijn om de totale geldlening af te lossen.
Wanneer na tien jaar niet het volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost, wordt het restant in ieder geval afgerekend
bij verkoop of vererving
van de woning. Aan de kunstenaar wordt dan geen vooraf vastgestelde
aflossingsverplichting meer opgelegd. Wel is het redelijk om rente in
rekening te brengen. Er is immers reeds tien jaar gelegenheid gegeven om
rentevrij af te lossen en dus ook om het vermogen terug op te
bouwen. De renteverplichting die na tien jaar ingaat, stimuleert wel
het verrichten van aflossingen. Deze rente is 3 procent lager dan de
wettelijke rente. Wanneer die rente niet betaald kan worden, wordt deze als
vordering bijgeschreven bij het niet-afgeloste deel van de geldlening. Over
rentevorderingen is geen rente verschuldigd.
Artikel
14. Verkoop of
vererving
Vanaf het moment dat de
kunstenaar kan beschikken over de opbrengst van de verkoop van de
woning dient de resterende geldlening terstond in één keer aan de gemeente
te worden terugbetaald. Terugbetaling aan de gemeente van de
openstaande geldlening is ook aan de orde bij vererving na overlijden van de
kunstenaar, dan wel de langstlevende echtgenoot.
Indien de woning tegen de
geldende marktwaarde is verkocht, hangt het af van de verkoopwaarde,
de af te lossen hypothecaire geldleningen met een hogere preferentie en
de afrekening van de krediethypotheek of de kunstenaar geheel of
gedeeltelijk kan beschikken over het bedrag van het vrijgelaten vermogen,
bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van de Wwik. Indien in dat geval de
opbrengst van de woning ontoereikend is om de uitstaande
geldleninglening onder verband van krediethypotheek, inclusief rentevordering,
af te lossen, wordt het verschil kwijtgescholden. Als bijvoorbeeld de
opgenomen krediethypotheek Wwik €|40
000,- bedraagt en er na
aflossing van de preferente hypothecaire geldleningen nog een bedrag resteert
van €|70
000,-, dient de volledige Wwik-geldlening te worden terugbetaald.
De vermogensvrijlating is dan uiteindelijk bij verkoop niet €|42
000,-, maar €|30 000,-. Als echter buiten toedoen
van de kunstenaar voor
terugbetaling van de onder verband van krediethypotheek
verstrekte Wwik-uitkering slechts een bedrag resteert van €|35
000,-, wordt
het tekort van €|5000,- kwijtgescholden.
Overeenkomstig de
Wwb is
om redenen van vereenvoudiging voor het vermogen gebonden in de
eigen bewoonde woning met bijhorend erf gekozen voor één vaste
vrijlating die onafhankelijk is van die van het bescheiden vermogen,
bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wwik. Daarom wordt het
bescheiden vermogen niet meer betrokken bij de vrijlating van vermogen
gebonden in de eigen woning. Om die reden wordt bij de verkoop van
de eigen woning, anders dan onder de Wik, geen extra vrijlating van
bescheiden vermogen in acht genomen.
Artikel
15. Opgave lening
en rente
Dit artikel regelt de
verplichting van het college om jaarlijks een opgave te verstrekken van de
stand van de geldlening en de rentevorderingen, waarin opgenomen het
bedrag van de in het betreffende kalenderjaar door de schuldenaar
betaalde rente.
Artikel
16.
Centrumgemeenten
Artikel
23, eerste lid,
van de Wwik is de wettelijke basis voor de aanwijzing bij algemene
maatregel van bestuur van gemeenten die de Wwik
uitvoeren voor
kunstenaars die woonachtig zijn in een gemeente waarover de
centrumgemeente op grond van die maatregel de uitvoeringstaken heeft.
Overeenkomstig de Wik wordt de uitvoering geconcentreerd bij een
beperkt aantal centrumgemeenten.
De in dit artikel
opgenomen gebiedsindeling is nagenoeg gelijk aan de gebiedsindeling zoals
deze voor de uitvoering van de Wik vanaf 1 januari 2004 gold. Voor Flevoland
wordt de gemeente Lelystad aangewezen als centrumgemeente. De
gemeente Zederik wordt bij de gemeente
Rotterdam ingedeeld.
Artikelen 17 tot en met
26. Wijziging andere algemene maatregelen van bestuur
De aanpassingen van de
hieronder genoemde algemene maatregelen van bestuur zijn, met
uitzondering van de aanpassingen van het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw, het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten, het Besluit
SUWI, Besluit vaststelling rekenpremie
wachtgeldfondsen en het Besluit Wwb, technisch
van aard. Dat betekent naast aanpassing van verwijzingen in algemene
maatregelen van bestuur naar de juiste artikelen in de Wwik
en de juiste citeertitel tevens dat in deze besluiten, voor zover nodig,
uitdrukkelijk wordt voorzien in het omhangen van de wettelijke grondslag.
De wijzigingen hebben
betrekking op de volgende besluiten:
- Het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.
- Het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw.
- Het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
- Het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en
sociale zekerheid.
- Het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb,
Ioaw, Ioaz, Wvg en Wik.
- Het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten.
- Het Besluit SUWI.
- Het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
- Het Besluit
vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen.
- Het Besluit
Wwb.
Wat betreft de
inhoudelijke wijzigingen van het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw, het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten, het Besluit
SUWI, het Besluit vaststelling rekenpremie
wachtgeldfondsen en het Besluit Wwb kan het
volgende worden opgemerkt.
In het Besluit aanwijzing
registraties gezamenlijke huishouding 1998 was door een omissie de Wik
niet opgenomen. Door wijziging van voornoemd besluit is
hierin alsnog voorzien.
In het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw is een inhoudelijke wijziging van artikel 14 ingevoerd.
Deze wijziging maakt het mogelijk dat de Sociale verzekeringsbank
ziekenfondspremie inhoudt over de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling tegemoetkoming AOW-ers.
Met betrekking tot het
verstrekken van gegevens in bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen gevallen door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau is voor wat betreft de Wwik
aangesloten bij het
regime wat hiervoor geldt in het kader de Wwb, de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Via het Inlichtingenbureau
kan door een
vergelijking van de gegevens van Wwik-gerechtigden met de
gegevens die geregistreerd staan bij UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.], Informatie
Beheer Groep en belastingdienst misbruik van uitkeringen worden gesignaleerd.
Aansluiting van de
Wwik bij het
Inlichtingenbureau is daarnaast onder meer van
belang om het voor de gemeente waar de kunstenaar woonachtig is
eenvoudiger te maken om het Wwik-gebruik via de centrumgemeente te
controleren bij bijvoorbeeld een beroep op de Wwb, gelet op de in
artikel 13 van de Wwb opgenomen bepaling dat gelijktijdig gebruik van
Wwik en algemene bijstand is uitgesloten.
Het
Besluit SUWI is
inhoudelijk ook van toepassing verklaard op de Wwik, aangezien op grond
van artikel 21, tweede lid, van de Wwik, net als in de
Wwb, het
college werkzaamheden die in het kader van voorzieningen, bedoeld in het eerste
lid van dat artikel, worden uitgevoerd, laat verrichten door derden
die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in arbeid bevorderen. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld, waarbij kan worden bepaald dat een deel van
de werkzaamheden niet door derden hoeft te worden verricht. Met
wijziging van het Besluit SUWI wordt hierbij voor de Wwik aangesloten bij het
regime wat hiervoor ook geldt in het kader de Wwb.
In het
Besluit vaststelling rekenpremie
wachtgeldfondsen wordt de Wwik
toegevoegd om zo de
in de Wwik gebruikte definitie van nettominimumloon gelijk te
stellen met het gebruik van deze term in andere socialezekerheidswetten.
Met de wijziging van het
Besluit Wwb is het volgende beoogd. Met het Besluit van 22 september
2004, houdende wijziging van het Besluit Wwb en het Besluit
uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz voor het jaar 2004 in verband met de berekening
van de uitkeringen voor het jaar 2005 (Stb. 2004, 490), is de
verdeelsystematiek voor onder meer het budget inkomensdeel van de Wwb
voor het jaar
2005 vastgelegd. Zo wordt in voornoemd besluit aangegeven welke
gegevens worden gebruikt bij het toepassen van het zogenoemde objectief verdeelmodel. In tabellen is vastgelegd
welke variabelen een rol
spelen en welk peiljaar en datum voor elk van de variabelen gebruikt
wordt. Na publicatie van voornoemd besluit in het Staatsblad (Stb.
2004, 490) is
gebleken dat voor een aantal variabelen een peildatum in het Besluit Wwb
is opgenomen waarvoor de gegevens nog niet beschikbaar waren
ten tijde van de vaststelling van de voorlopige budgetten. Volgens de Wwb
moeten deze budgetten ten minste drie maanden vóór aanvang van
het uitvoeringsjaar aan de gemeenten
worden bekendgemaakt. Met
onderhavige wijziging van het Besluit Wwb worden de peildata voor
deze variabelen aangepast aan de op dat moment beschikbare
gegevens. In de beschikkingen aan de gemeenten is hier ook van uitgegaan.
In (de toelichting bij) de beschikking met de voorlopige budgetten voor 2005 is aan de gemeenten reeds aangekondigd
dat het Besluit Wwb hiervoor aangepast zal worden voor 1 januari 2005. Onderhavige wijziging van
het Besluit Wwb strekt hiertoe.
Artikel
27.
Overgangsbepaling progressie-eis
Kunstenaars die direct
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wwik
uitkering ontvingen
op grond van de Wik en die aansluitend, vanaf de inwerkingtreding van
de Wwik, uitkering op grond van de Wwik kunnen en willen
ontvangen, hoeven geen nieuwe aanvraag in te dienen.
Onder de Wik dient de
centrumgemeente jaarlijks, direct na beëindiging van het kalenderjaar, te
beoordelen of nog recht op uitkering bestaat, omdat is voldaan aan de
omzet- of bruto-inkomenseis van €|1089,-. In
plaats hiervan geldt in
de Wwik de progressie-eis (artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b,
van de Wwik). Omdat deze progressie-eis nimmer is gesteld aan
kunstenaars die beroep hebben gedaan op de Wik, zou het onjuist zijn om hen, als
zij een beroep doen op de Wwik, direct te confronteren met deze progressieve inkomenseis.
Om deze reden is in het
eerste lid geregeld dat kunstenaars die vóór de inwerkingtreding van de
Wwik een Wik uitkering hebben ontvangen en die in 2005 een beroep
doen op de Wwik, moeten voldoen aan de minimumomzet- of bruto-inkomenseis zoals gold onder de Wik
(€|1089,-; in dit
geval over het kalenderjaar 2004).
De in het
Uitvoeringsbesluit Wik onder artikel
2, tweede en derde lid, omschreven uitzonderingen,
die grotendeels overeenkomen met die uit het Uitvoeringsbesluit Wwik (artikel
4), zijn bij deze beoordeling van overeenkomstige
toepassing.
Hetzelfde geldt voor de
uitzonderingsbepaling onder artikel 2, vierde lid, van het
Uitvoeringsbesluit Wik, waarin is bepaald dat de
minimumomzet- of
bruto-inkomenseis voor academieverlaters op nihil is gesteld in het eerste jaar waarin
zij aanspraak maken op uitkering.
Vanaf het moment dat de
in het eerste lid bedoelde kunstenaars gebruik maken van de Wwik
geldt
de progressie-eis, waarbij de periode dat uitkering krachtens de Wik
is verleend meetelt. Omdat in het jaar van inwerkingtreding van de Wwik voor hen de oude
Wik-eis is gesteld en er bovendien een te korte
periode kan liggen tussen de entree in de Wwik en het bereiken van de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste
uitkeringsmaand, inclusief de Wik-periode, vindt in het
jaar van inwerkingtreding geen verdere inkomenstoets plaats, ook
niet als in dat jaar de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand wordt bereikt. Dit
betekent dat de progressie-eis eerst wordt getoetst vanaf het
kalenderjaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van de Wwik. De hoogte
van de stellen eis wordt in dat jaar voor alle ex-gebruikers van de Wik,
dus ook voor kunstenaars die in dat jaar voor het eerst een beroep doen
op de Wwik, bij het bereiken van de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste
uitkeringsmaand,
inclusief de Wik-periode, gesteld op de laagste trede, bedoeld in artikel
11, eerste lid, aanhef en onder b, Wwik,
zijnde €|2800,-.
Voor het volgende toetsjaar geldt het naasthoger gelegen toetsbedrag van €|4400,-
voor zover de kunstenaar nog gebruik kan maken van de
Wwik, gelet
op de maximale uitkeringsduur. Eén en ander is geregeld in het tweede
en vierde lid.
Voor kunstenaars die na
de genoemde kalenderjaren een beroep doen op de Wwik geldt direct
de eis, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder b, van de
Wwik,
waarbij de periode dat uitkering krachtens de Wik is verleend, meetelt
voor de beoordeling van de maanden dat uitkering is ontvangen.
Het onderhavige artikel
kan om technische redenen nog niet in werking treden. De Wwik
bevat,
zoals de Raad van State in zijn advies over het Uitvoeringsbesluit Wwik heeft vastgesteld, daarvoor onvoldoende basis. Deze omissie zal in de
Wwik met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 worden hersteld, waarna
dit artikel 27 eveneens met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005
in werking zal treden.
Artikel
28.
Inwerkingtreding
De wijziging van het
Besluit Inlichtingenbureau gemeenten zal met ingang van 1 april 2005
inwerking treden, omdat vanaf die datum in de praktijk pas uitvoering
gegeven kan worden aan de wijziging van het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten. De inwerkingtreding van het
overgangsrecht van de
progressie-eis (artikel 27) is bij genoemd artikel toegelicht.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|
|