|
BESLUIT van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 31
maart 2009, nr. IVV/I/2009/7428, tot tijdelijke algemene ontheffing van artikel
8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 in
verband met deeltijd-WW tot behoud van
vakkrachten (Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten)
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945;
Besluit:
Art.
1. Ontheffing
-1. In afwijking van artikel 8, eerste lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 is het
een werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van één of meer van zijn
werknemers gedurende een van tevoren schriftelijk vastgelegde periode
over een periode van dertien weken gemiddeld met ten minste 20% en ten hoogste 50% te verkorten, indien:
a. de werkgever schriftelijk
aantoont dat:
1º. als het de verkorting van de werktijd
van 20 of meer werknemers betreft, de belanghebbende verenigingen van
werknemers, en bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van
werknemers, met de verkorting instemmen;
2º. als het de verkorting van de werktijd
van minder dan 20 werknemers betreft, een vertegenwoordiging van zijn
werknemers met de verkorting instemt;
b. de werkgever met de
desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken
heeft gemaakt om het loon door te betalen voor zover de betrokken
werknemers op grond van de criteria van de Werkloosheidswet
geen recht hebben op een uitkering op grond van die
wet over de uren waarmee de werktijd is verkort;
c. de werkgever met de
desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers schriftelijk afspraken
heeft gemaakt om in de periode gedurende welke de werktijd wordt
verkort:
1º. door middel van scholing, die naar
haar aard en omvang daartoe geschikt is, de
inzetbaarheid van de werknemers van wie de werktijd wordt verkort in
zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever te behouden of
te verbeteren;
2º. het verrichten van arbeid door de
werknemers waarvan de werktijd wordt verkort in het bedrijf van een
andere werkgever mogelijk te maken;
d. de werkgever zich jegens het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schriftelijk heeft verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een vergoeding te betalen
als bedoeld in artikel 3, overeenkomstig de
modelovereenkomst die als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd;
e. de in de aanhef bedoelde periode
aanvangt vóór 1 april 2010;
f. de in de aanhef gelegen periode
niet geheel of gedeeltelijk samenvalt met een periode waarvoor de
werkgever een ontheffing heeft op grond van de Bijzondere beleidsregels
ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere
beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008;
g.
de werkgever met de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers
schriftelijk het voornemen heeft afgesproken de verkorting van de
werktijd na de eerste periode van dertien weken te verlengen met een
periode van dertien weken;
h.
de dienstbetrekking van een werknemer van wie de werktijd wordt verkort
in de periode van werktijdverkorting niet zal eindigen.
-2.
In de schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
onder 1º, wordt per werknemer vermeld om welke scholing het gaat.
-3.
De schriftelijke afspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
onder 1º, kunnen voor daarin benoemde werknemers inhouden dat, in
afwijking van dat onderdeel en het tweede lid, die werknemers geen
scholing volgen maar door middel van het geven van scholing de
vakbekwaamheid verbeteren van werknemers die nog geen jaar in dienst
zijn van de werkgever of die voor de werkgever werkzaam zijn op basis
van een stageovereenkomst. Het aantal werknemers dat scholing geeft, mag
daarbij in ieder geval niet groter zijn dan het aantal werknemers en
stagiairs dat scholing ontvangt.
-4. Indien een vereniging van werknemers of
vertegenwoordiging van werknemers als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, niet instemt met de verkorting van de werktijd en de
weigering is gebaseerd op andere gronden dan met dit besluit worden
beoogd, kan de werkgever dit schriftelijk melden aan het meldpunt,
genoemd in artikel 3a. Evenzo kunnen een
vereniging van werknemers of vertegenwoordiging van werknemers als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien er een verschil
van mening bestaat met de werkgever dat een onoverkomelijke belemmering
vormt voor de instemming, dit schriftelijk melden aan het meldpunt,
genoemd in artikel 3a.
-5. Bij de melding geeft de werkgever of de
desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers
informatie over de redenen van de melding en verstrekt de overige
daarbij van belang zijnde gegevens. De werkgever onderscheidenlijk de
desbetreffende vereniging of vertegenwoordiging van werknemers doen de
andere partij bij het geschil onverwijld mededeling van de melding en de
inhoud daarvan.
-6. Het
is een werkgever niet langer toegestaan de werktijd op grond van het
eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat aan één of meer van
zijn werknemers ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is
betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen
van de verplichting, bedoeld in artikel 25
van de Werkloosheidswet,
met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid.
Het is een werkgever evenmin langer toegestaan de werktijd op grond van
het eerste lid te verkorten indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen hem heeft medegedeeld dat hetgeen de werkgever
en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers in het
schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
hebben verklaard, niet in overeenstemming met de waarheid is.
Art.
2. Duur en verlenging
-1.
De periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
bedraagt dertien aaneengesloten kalenderweken en kan aansluitend telkens
met een periode van dertien aaneengesloten kalenderweken worden
verlengd. Verlenging is alleen toegestaan indien daarbij wordt voldaan
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
aanhef en onder a tot en met d en h. Daarnaast
geldt als voorwaarde voor verlenging dat uit een schriftelijk verslag
van de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers
blijkt dat uitvoering is gegeven aan de over de voorafgaande periode
gemaakte afspraken, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel c.
-2.
De verlenging, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan voor zover
het werknemers betreft waarvan de verkorting van de werktijd in de
voorafgaande periode gemiddeld niet ten minste 20% bedraagt.
-3.
Het aantal verlengingen bedraagt:
a.
ten hoogste vier indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de
werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b.
ten hoogste drie indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de
werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c.
ten hoogste twee indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de
werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%.
-4.
Het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort, wordt
bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de eerste
periode van dertien aaneengesloten kalenderweken kan worden verkort, te
vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april
2009.
Art.
3. De vergoeding
-1.
De vergoeding, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel d, bedraagt:
a.
het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de
desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien
weken van verkorting van de werktijd de dienstbetrekking met een
werknemer van wie de werktijd wordt verkort, eindigt;
b.
het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de
desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien
weken de verkorting van de werktijd meer bedraagt dan de omvang waarmee
de werktijd mag worden verkort op grond van artikel
1;
c.
de helft van het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de
totale periode van verkorting van de werktijd indien de werknemer in de
periode van dertien weken onmiddellijk na afloop van de periode van
verkorting van de werktijd geheel of gedeeltelijk werkloos blijft dan
wel wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband daarmee
recht houdt respectievelijk krijgt op uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
d.
het bedrag van de bruto-uitkering over de totale periode van verkorting
van de werktijd aan alle werknemers van de werkgever van wie de werktijd
was verkort, met uitzondering van hetgeen onverschuldigd is betaald,
indien aan één of meer werknemers van wie de werktijd was verkort ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van
de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet,
met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid of
indien het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, niet in overeenstemming met de waarheid is;
e.
het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de
desbetreffende periode van dertien weken indien in een periode van dertien
weken de verkorting van de werktijd gemiddeld minder bedraagt dan 20%;
f.
het bedrag van de bruto-uitkering aan een werknemer over de eerste
periode indien de verkorting van de werktijd in afwijking van de
afspraken, bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel g, na de eerste periode niet wordt verlengd.
-2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geldt in
plaats van een periode van dertien
weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de
werktijd een periode, onmiddellijk na afloop van de periode van
verkorting van de werktijd, overeenkomend met een derde van de totale
periode van verkorting van de werktijd, indien dat laatste langer is.
-3.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c,
is niet verschuldigd indien de omstandigheid, bedoeld in die onderdelen,
het gevolg is van:
a.
opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever om een dringende
reden in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
of
b.
opzegging van de dienstbetrekking door de werknemer dan wel ontbinding
van de dienstbetrekking op diens verzoek.
-4.
Onder het bedrag van de bruto-uitkering wordt verstaan het bedrag van de
bruto-uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vermeerderd met de
daarover door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet,
die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft uitbetaald.
Art.
3a. [Meldpunt deeltijd WW]
-1. Er is een Meldpunt deeltijd WW,
ressorterend onder de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
-2. Het Meldpunt deeltijd WW stelt de
daartoe door de centrale organisaties van werkgevers aangewezen
vertegenwoordiger alsmede de daartoe door de centrale
organisaties van werknemers aangewezen vertegenwoordiger in kennis
van een melding met het verzoek om daarover informatie te geven en zo
nodig tussen partijen te bemiddelen.
-3. De vertegenwoordigers, bedoeld in het
tweede lid, brengen uiterlijk twee weken nadat zij de melding, bedoeld
in het tweede lid, hebben ontvangen aan het Meldpunt deeltijd WW een
gezamenlijk verslag uit met informatie over de melding en de resultaten
van de bemiddeling.
Art.
3b. [Ontheffing zonder instemming werknemersverenigingen]
-1. Het is de werkgever toegestaan eenmalig
de werktijd van werknemers te verkorten met ten hoogste 50% gedurende
een van te voren schriftelijk vastgelegde periode, indien:
a. de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt dat:
1º. er sprake is van een situatie als
bedoeld in artikel 1, tweede lid;
2º. uit het schriftelijke verslag, bedoeld
in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de
bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, heeft geleid dan wel het verslag niet
binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde
termijn is uitgebracht;
b. de betrokken werknemers instemmen
met de verkorting van de werktijd.
-2. De artikelen 1, eerste lid,
onderdeel b tot en met h, tweede, derde en zesde lid, 2 en 3
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
3c. Overgangsrecht
wederopenstelling
-1.
Indien door de werkgever aan de voorwaarden voor verkorting van de
werktijd is voldaan vóór 23 juni 2009, blijft dit besluit, zoals dit
luidde vóór de inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling
deeltijd WW,¹ van toepassing op die werkgever tot de eerstvolgende
verlenging na de datum van inwerkingtreding van het Besluit
wederopenstelling deeltijd WW.
-2.
In afwijking van het eerste lid geldt voor de daar bedoelde werkgever:
a.
artikel 1,
eerste lid, onderdeel g, niet;
b.
artikel 1,
derde en zesde lid, onmiddellijk;
c.
de termijn van dertien weken voor de verlenging, bedoeld in artikel
2, eerste lid,
onmiddellijk;
d.
artikel 2, tweede lid, vanaf de tweede verlenging na de
datum van inwerkingtreding van het Besluit wederopenstelling deeltijd
WW;
e.
artikel 3, eerste lid, onderdeel f, niet.
-3.
Voor de werkgever, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van artikel
2, vierde lid, het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan
worden verkort, bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd
in de periode van de tweede verlenging kan worden verkort, te
vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april
2009.
-4.
De werkgever, bedoeld in het eerste lid, is geen vergoeding verschuldigd
als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, indien de omstandigheid, bedoeld in artikel
3, eerste lid,
onderdeel c, het gevolg is van beëindiging van de
dienstbetrekking met een werknemer wiens werktijd niet kan worden
verkort in de periode van de tweede verlenging in verband met de
aanpassing van het percentage werknemers waarvan de werkgever de
werktijd kan verkorten.
1. Besluit
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 14 juli 2009, nr. IVV/I/2009/16262, tot
wijziging van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten in
verband met wederopenstelling onder verfijning van de voorwaarden
(Besluit wederopenstelling deeltijd WW) (Stcrt. 2009. 10813), red.
Art.
4. Inwerkingtreding
-1. Dit besluit treedt in werking met
ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin dit wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 april 2009 en
vervalt met ingang van 1 april 2010.
-2. In afwijking van het eerste lid blijft
dit besluit van toepassing op verkortingen van de werktijd waarbij vóór
1 april 2010 is voldaan aan artikel 1, eerste lid,
alsmede op de verlenging, bedoeld in artikel 2, en de
afwikkeling van de vergoedingen, bedoeld in artikel 3.
Art.
5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit deeltijd WW tot behoud van
vakkrachten.
Dit
besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlage, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel d, die ter inzage wordt gelegd in de
bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en tevens wordt geplaatst op de website van
voornoemd ministerie (www.szw.nl).
Den Haag, 31 maart 2009.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
TOELICHTING
[31 maart 2009]
Algemeen
De
financiële crisis is een nieuwe fase ingegaan. De onzekerheid van
september 2008 heeft plaatsgemaakt voor de duidelijkheid dat er
gedurende langere tijd negatieve gevolgen zullen zijn voor de
Nederlandse economie. Bedrijven ondervinden vraaguitval en kampen met
onzekerheid over de toekomst. Op deze situatie passen zij hun
arbeidsvraag aan. Dit zal leiden tot een toename van de werkloosheid.
Teneinde waar mogelijk werk in werkgelegenheid om te zetten en
werkgelegenheid zo goed mogelijk open te stellen voor werknemers wier
baan dreigt te verdwijnen of verdwenen is, heeft het kabinet inmiddels
diverse maatregelen getroffen. In het kader van de afspraken met sociale
partners en in het kader van het aanvullend beleidskader van het kabinet
zijn afspraken gemaakt over aanvullende maatregelen. De notitie die als
bijlage werd gevoegd bij de brief van 25 maart 2009 bevat een overzicht
van de invalshoeken en maatregelen van waaruit thans de problematiek van
de arbeidsmarkt wordt aangepakt.
Uitgangspunt bij de aanpak van de arbeidsmarktproblematiek is dat behoud
van werkgelegenheid waar geen werk is geen perspectief biedt. Dat laat
onverlet dat veel bedrijven thans zonder dat er duidelijk "licht is
aan het einde van de tunnel" voor de keuze komen te staan om
vakkrachten die van wezenlijk belang zijn voor het productievermogen te
ontslaan bij gebrek aan voldoende opdrachten of om ze in dienst te
houden, in welk geval de reserves die nodig zijn om deze tijd door te
komen snel uitgeput raken. Het gaat om situaties waarbij aanpassingen
van het personeelsbestand zouden leiden tot een ongewenste vernietiging
van investeringen die in vakkrachten zijn gedaan. In dergelijke gevallen
zouden vakkrachten verloren gaan op korte termijn, terwijl zij binnen
een afzienbare termijn juist nodig zijn.
In
overleg met sociale partners is geconcludeerd dat het gewenst is
bedrijven in de bedoelde situatie in staat te stellen vakkrachten te
behouden, terwijl zij voor ten hoogste 50% van de werktijd ten laste
komen van de WW-regeling. Hiermee wordt beoogd
op korte termijn kapitaalvernietiging te voorkomen en langetermijnaanpassingen
niet te belemmeren. Deze mogelijkheid wordt door middel van de
onderhavige tijdelijke algemene ontheffing op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945
gerealiseerd.
Werkgevers die gebruik maken van dit besluit kunnen, gedurende een door
hen te bepalen periode van ten hoogste dertien aaneengesloten weken, die
met tweemaal 26 weken verlengd kan worden, de arbeidsuren van hun
werknemers reduceren met een door de werkgever te bepalen percentage van
maximaal 50%. Bij vermindering van het aantal te werken uren met
toepassing van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten kan
door de betrokken werknemer een beroep op de Werkloosheidswet
(WW) worden gedaan. De werknemer ontvangt in dat geval tijdens het
dienstverband met zijn werkgever een WW-uitkering voor dat deel van zijn
werktijd dat het aantal te werken uren is verminderd naar de normale
regels van de WW.
Aan
het gebruik van dit besluit wordt een aantal voorwaarden gesteld. De
eerste is dat er vanuit een vertegenwoordiging van de werknemers
toestemming dient te zijn gegeven voor de urenvermindering en dat met
die vertegenwoordiging is afgesproken dat het loon wordt doorbetaald
voor zover de werknemer minder werkt als gevolg van de toepassing van
dit besluit maar geen recht heeft op uitkering op grond van de WW
over die uren. De tweede voorwaarde is dat de werkgever een aantal
inspanningsverplichtingen heeft jegens de werknemer van wie het aantal
te werken uren wordt verminderd. Deze inspanningsverplichtingen hebben
betrekking op scholing en detachering. Bij verlengingen toetst het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) de concrete invulling hiervan aan de
hand van een daartoe door de werkgever te overleggen verslag. Indien
niet aan de verplichtingen is voldaan, zal worden geconstateerd dat
verlenging niet mogelijk is en wordt de eerder verleende WW-uitkering
beëindigd. De werkgever is vanaf dat moment gehouden het loon van de
werknemer weer volledig te betalen. De derde voorwaarde is dat de
vermindering van het aantal uren aanvangt vóór 1 januari 2010 en dat
de periode van vermindering niet samenvalt met een verkorting van de
werktijd met toepassing van een ontheffing op grond van de Bijzondere
beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de
Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op
werktijdverkorting 2008. Tot slot dient de werkgever zich jegens het UWV
te verplichten een vergoeding aan het UWV te betalen als de
arbeidsomvang van zijn werknemer in de vooraf vastgelegde periode van
urenvermindering met meer dan 50% wordt verlaagd of zijn werknemer
onmiddellijk aansluitend aan die periode (dan wel indien sprake is van
verlenging: de verlengde periode) of in de dertien weken daaropvolgend
werkloos blijft of wordt.
Via
deze voorwaarden wordt aan de werknemer een duidelijk signaal afgegeven
dat zijn werkgever op de lange termijn met hem verder wil. Het instellen
van de vergoedingsregeling waarborgt verder dat alleen die bedrijven die
een langetermijnperspectief hebben hiervan gebruik maken. Het is van
belang dat van het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten alleen
gebruik wordt gemaakt wanneer de werkgever en werknemer verwachten dat
er in de toekomst binnen het bedrijf voldoende werk is. Vermeden moet
worden dat deze vorm van deeltijd-WW een weg van
minste weerstand wordt en een alternatief voor de situatie van
werkelijke werkloosheid. Dit is niet in het belang van de betrokken
werknemers die uiteindelijk toch om zullen moeten zien naar een andere
baan, maar bij het zoeken daarnaar een achterstand oplopen omdat zij te
lang zijn blijven hangen in hun oude baan. Het is ook niet in het belang
van de werkgever die daardoor middelen moet inzetten die anders
beschikbaar zouden kunnen zijn voor investeringen. Het is uiteindelijk
ook niet in het algemeen belang omdat noodzakelijke aanpassingen
daardoor vertraagd worden en meer middelen vergen.
Indien het vooruitzicht op werk op langere termijn onzeker is, is het in
het belang van zowel werknemer als werkgever dat de werkgelegenheid
wordt afgebouwd. Van Werk Naar Werk staat dan voorop. In de brief van
het kabinet zijn onder andere de maatregelen gepresenteerd die dit
mogelijk maken. Daarbij is aangegeven dat in deze situatie het normale
instrumentarium in het kader van de WW
beschikbaar is met de gebruikelijke voorwaarden die aan de WW zijn
gekoppeld. Indien werkgever en werknemer ook gegeven de huidige
economische situatie voldoende vertrouwen hebben dat op langere termijn
de werkgelegenheid bestaat, is behoud van vakkrachten aangewezen.
Teneinde te voorkomen dat deze afweging lichtvaardig wordt gemaakt,
dienen de normale regels van de WW te gelden. Om die reden wordt de Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren buiten
toepassing gelaten en dit zorgt ervoor dat bij toepassing van het
Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten deze normale WW-regels
gelden.
Alhoewel werknemers te allen tijde op zoek kunnen gaan naar een nieuwe
baan, is de opzet van het besluit dusdanig dat in deze periode hier niet
de focus op ligt. De werknemer is dan ook op grond van artikel
3, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA vrijgesteld van de
re-integratieverplichtingen in het kader van de WW.
De werknemer is op basis van goed werknemerschap evenwel wel gehouden
tot het volgen van door de werkgever opgedragen scholing tot behoud of
verbetering van zijn inzetbaarheid voor zover dat redelijkerwijs van hem
kan worden gevergd.
Het
besluit moet het mogelijk maken voor bedrijven om in samenspraak met
werknemers tot een verantwoorde strategie te komen voor de inzet van
arbeid en het waarborgen van langetermijnbelangen van zowel werkgevers
als werknemers nu de ongekend snel opgetreden economische onzekerheid
tot aanpassingen noopt.
De WW-aanvragen
in verband met het onderhavige besluit zullen in verband met spoedige
afwikkelingen verlopen via een gestandaardiseerd proces. Het UWV
zal aan de hand van de complete aanvragen beoordelen of aan de
voorwaarden van dit besluit is voldaan en of er derhalve recht is op een
WW-uitkering. Bij dit proces hoort dat bij verlenging twee weken vóór
het aflopen van de oorspronkelijke periode de juiste formulieren door
het UWV zijn ontvangen.
Het
voorliggende besluit vormt een vernieuwing die onder druk van de
omstandigheden wordt geïntroduceerd. In het voorgaande is er reeds op
gewezen dat vermeden moet worden dat de deeltijd-WW
een "zacht heelmiddel" wordt voor werkelijke werkloosheid.
Voor de wijze waarop van het voorliggend instrument gebruik zal worden
gemaakt, bestaat echter maar beperkt ervaring. Om die reden is het nodig
om een aantal "remmen" in te bouwen die het mogelijk maken om
in te grijpen indien blijkt dat van de regeling een ander dan bedoeld
gebruik wordt gemaakt. In de eerste plaats wordt de deeltijd-WW daarom
eerst voor de beperkte periode van drie maanden geopend. Binnen drie
maanden na de inwerkingtredingsdatum zal dit besluit worden
geëvalueerd. Indien daaruit blijkt dat in ruime mate niet bedoeld
gebruik wordt gemaakt van het besluit, kan dit per direct worden
gesloten. Dat zal dan ook inhouden dat de eerste periode van drie
maanden niet verlengd zal worden. In de tweede plaats geldt voor de
toepassing van deze regeling een budgettair plafond. Indien het aantal
toekenningen van WW-uitkeringen in verband met werkloosheid als gevolg
van toepassing van dit besluit de grens corresponderend met een
uiteindelijke uitkeringslast van €|375
miljoen dreigt te overschrijden, zal dit besluit op dat moment worden
ingetrokken, waarbij de reeds lopende gevallen uiteraard zullen worden
gerespecteerd, maar nog niet toegekende verlengingen eventueel niet
zullen worden gehonoreerd.
Dit
besluit vervalt in ieder geval per 1 januari 2010. Slechts tot die datum
is instroom mogelijk, zij het dat voor degenen die vóór die datum zijn
ingestroomd verlenging daarna nog wel mogelijk zal zijn. Deze beperking
hangt samen met het feit dat de regeling bedoeld is als mogelijkheid in
de huidige periode waarin bedrijven met een onzekere toekomst toch
zullen moeten beslissen over behoud van hun productievermogens. Aan het
eind van het lopend jaar is het tijd om te bezien of er nog steeds geen
"licht is aan het einde van de tunnel" is en wat onder die
omstandigheden de meest verantwoorde aanpak van het vervolgtraject is.
Tegen die tijd zal de gehele aanpak van de arbeidsmarktproblematiek
opnieuw moeten worden beoordeeld.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Ontheffing
Op
grond van dit artikel kan de werkgever eenmalig voor één of meer van
zijn werknemers het aantal te werken uren met ten hoogste 50%
verminderen. In het eerste lid wordt geregeld onder welke voorwaarden
dat kan.
Als
eerste voorwaarde geldt het vereiste van instemming door de
belanghebbende verenigingen van werknemers, en als die er niet zijn, een
andere vertegenwoordiging van werknemers, met de vermindering
respectievelijk - als het minder dan 20 werknemers betreft - instemming
door een vertegenwoordiging van werknemers. Als tweede voorwaarde geldt
dat de werkgever met die vertegenwoordiging van werknemers afspreekt het
loon door te betalen voor de uren waarmee de werktijd is verkort doch
waarover de betrokken werknemers op grond van de criteria van de WW
geen recht hebben op een uitkering op grond van die
wet. Als derde voorwaarde geldt dat de werkgever afspraken maakt met
de vertegenwoordiging van werknemers om:
a. de werknemer scholing te laten volgen voor het behoud of de
verbetering van de inzetbaarheid van de werknemer voor het verrichten
van arbeid in zijn bedrijf en eventueel voor het verrichten van arbeid
in het bedrijf van een andere werkgever. De werknemer is op basis van
goed werknemerschap gehouden tot het volgen van door de werkgever
opgedragen scholing tot behoud of verbetering van zijn inzetbaarheid
voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd;
b. de werknemers te detacheren bij een ander bedrijf. Daarbij kan de
werkgever gebruik maken van de diensten van het UWV
en de mobiliteitscentra. Op die wijze worden arbeidsoverschotten in het
ene bedrijf ingezet om arbeidstekorten bij andere bedrijven op te
vangen.
Als
volgende voorwaarde geldt dat de vermindering van het aantal te werken
uren aanvangt vóór 1 januari 2010 en dat de periode van verlaging van
de arbeidsomvang met toepassing van dit besluit niet geheel of
gedeeltelijk mag samenvallen met een verkorting van de werktijd met
toepassing van een ontheffing op grond van de Bijzondere beleidsregels
ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 of de Verlengde bijzondere
beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008.
De
laatste voorwaarde is dat de werkgever zich schriftelijk jegens het UWV
verplicht om in de situaties die zijn opgenomen in artikel
3 een vergoeding aan het UWV te betalen. Voor de schriftelijke
overeenkomst dient gebruik te worden gemaakt van de modelovereenkomst
die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
Artikel
2. Duur en verlenging
Uitgangspunt is dat de vermindering van het aantal te werken uren ten
hoogste dertien weken duurt. De vermindering van het aantal te werken
uren kan, voor zover aan de voorwaarden van dit besluit wordt voldaan,
maximaal tweemaal worden verlengd. In totaal kan derhalve voor maximaal
65 weken het aantal te werken uren worden verminderd. Verlenging
impliceert dat deze geldt voor dezelfde werknemers waarvoor aanvankelijk
het aantal te werken uren is verminderd en voor hetzelfde aantal te
werken uren. Bij een eventuele verlenging zal sprake moeten zijn van een
concrete invulling van die afspraken, aan te tonen door een hierop
betrekking hebbend schriftelijk verslag van de werkgever.
Artikel
3. De vergoeding
Op
grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
dient de werkgever zich te verplichten om een vergoeding te betalen aan
het UWV in een aantal situaties. De eerste
situatie is die waarin de werknemer in de periode waarover de werktijd
met toepassing van dit besluit wordt verminderd, in een aaneengesloten
periode van vier kalenderweken waarover een uitkering wordt betaald
gemiddeld minder dan 50% van de oorspronkelijke arbeidsomvang bij die
werkgever werkt in verband waarmee hij een groter recht op WW-uitkering
heeft. In dat geval is de vergoeding gelijk aan de helft van de bruto-WW-uitkering
(exclusief de toeslag op grond van de Toeslagenwet)
en de werkgeversdelen van de premies die het UWV heeft betaald over de
periode voorafgaand aan de bedoelde periode van vier weken. Een andere
situatie waarin een vergoeding is verschuldigd, is als de werknemer
aansluitend aan de periode waarover de werktijd met toepassing van dit
besluit wordt verkort werkloos blijft of, indien zijn werkloosheid dan
eindigt, in de periode van dertien weken daarna werkloos wordt uit de
dienstbetrekking met de werkgever en in verband met die werkloosheid
recht houdt of krijgt op een WW-uitkering. De hoogte van de vergoeding
is in dat geval de helft van de bruto-WW-uitkering (exclusief de toeslag
op grond van de Toeslagenwet) vermeerderd met de werkgeversdelen van de
premies die het UWV heeft betaald over de periode waarover de werktijd
met toepassing van dit besluit is verkort.
Indien als gevolg van verlenging de periode
waarover de werktijd met toepassing van dit besluit is verminderd meer
bedraagt dan 39 weken, geldt in plaats van een periode van dertien weken
een periode overeenkomend met een derde van de periode van verkorting
van de werktijd.
De
vergoeding is niet verschuldigd indien de werknemer zelf de
dienstbetrekking heeft opgezegd of indien de dienstbetrekking op diens
verzoek is ontbonden dan wel indien de dienstbetrekking door de
werkgever is opgezegd om een dringende reden als bedoeld in artikel 678
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|
|