|
7 december 1998/nr. AV/RV/98/38505
Directie Arbeidsverhoudingen
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel
6, derde en
vierde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 en artikel 1, onderdeel d, van de Wet
melding collectief ontslag;
Gezien de adviezen van de
Stichting van de Arbeid inzake aanpassing van de preventieve ontslagtoets
van 29 mei 1995 (publicatienr. 3/95),
van 3 juni 1997 (S.A. 97.13584/Ha)
inzake anciënniteit bij projectgebonden
activiteiten en van 11 november 1998
(S.A. 98.25147/Ha) inzake
uitzendrelaties;
Besluit:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art. 1:1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk
5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b.
werkgever, werknemer en arbeidsverhouding: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, onderdeel b tot en met d, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945;
c.
Ontslagadviescommissie:
de vertegenwoordigers van de voor de toepassing van artikel
6, vierde lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 in aanmerking komende organisaties van werkgevers
en werknemers, die de Stichting van de
Arbeid als representatieve organisaties heeft aangewezen;
d. Arbeidsinspectie: de
bevoegde directeur van het regionaal kantoor
van de Arbeidsinspectie, bedoeld in artikel 5 van het
Organisatie-, mandaat- en
volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2002.
Art. 1:2. Vervallen.
Art. 1:3.
-1. Voor de werkgebieden, bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, van de Wet
melding collectief ontslag geldt
de indeling in districten op grond van bijlage
2 van het Besluit werkgebieden UWV
WERKbedrijf.
-2. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een melding van een collectief
ontslag ontvangt, zendt hij hiervan een
afschrift, vergezeld van een rapport
waarin de gemelde gegevens en verdere
bijzonderheden zijn samengevat, toe aan de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
§ 2.
De procedure
Art. 2:1.
Indien de verstrekte
gegevens en bescheiden onvoldoende zijn
voor de beoordeling van het verzoek
om toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding, heeft de werkgever
de gelegenheid het verzoek
binnen acht dagen na mededeling
hiervan door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan te vullen. Deze termijn kan
worden verlengd indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken.
Art. 2:2.
-1. Na ontvangst van een
verzoek om toestemming voor opzegging
van de arbeidsverhouding doet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de werknemer
hiervan onder vermelding van de
ontvangstdatum van het verzoek schriftelijk
mededeling en stelt hij de werknemer in
de gelegenheid om binnen twee weken na deze mededeling verweer te
voeren.
-2. Na ontvangst van het
verweer kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen achtereenvolgens de werkgever en de werknemer in de gelegenheid stellen
binnen tien dagen nogmaals hun zienswijze naar voren te brengen.
-3. De in het eerste en
tweede lid voor de werkgever en werknemer
gestelde termijnen kunnen worden
verlengd indien bijzondere
omstandigheden dit noodzakelijk maken.
-4. Indien de werkgever of de
werknemer bezwaren heeft tegen het ter
kennis brengen van vertrouwelijke
gegevens aan de wederpartij, worden
deze gegevens niet in beschouwing genomen bij de beoordeling van het
verzoek en per omgaande
teruggezonden.
Art. 2:3.
-1. Indien aannemelijk is dat
een verzoek om toestemming voor
opzegging van de arbeidsverhouding
verband houdt met de
arbeidsomstandigheden, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de Arbeidsinspectie verzoeken een onderzoek naar de
arbeidsomstandigheden van de betrokken werknemer in te
stellen.
-2. Binnen twee weken na
ontvangst van het verzoek, bedoeld in
het eerste lid, zendt de Arbeidsinspectie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een
rapport toe waarin de resultaten van het onderzoek zijn opgenomen.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de werkgever en de werknemer in de
gelegenheid stellen binnen twee weken
hun zienswijze op het rapport
naar voren te brengen.
Art. 2:4.
Indien een advies als
bedoeld in artikel 5:2 is uitgebracht, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de werkgever en de
werknemer in de gelegenheid stellen
binnen twee weken hun zienswijze op
het advies naar voren te
brengen.
Art. 2:5.
Na ontvangst van het in
artikel 2:2, eerste lid, bedoelde verweer
van de werknemer dan wel nadat de
werkgever en werknemer hun zienswijze krachtens artikel
2:2,
tweede lid, artikel 2:3, derde lid, of artikel
2:4 naar voren hebben gebracht, zendt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een
afschrift van het verzoek om toestemming
en van de daarop betrekking hebbende gegevens en bescheiden voor advies
aan de Ontslagadviescommissie.
Art. 2:6.
Vervallen.
Art. 2:7.
-1. Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding verleent,
bepaalt hij daarbij gedurende welke
termijn de toestemming geldt. Deze
termijn, welke begint te lopen vanaf
de bekendmaking van de
toestemming, wordt op ten hoogste acht
weken gesteld.
-2. Behoudens de in artikel
4:5 genoemde voorwaarde kunnen aan de
beslissing inzake het verlenen van
toestemming geen voorwaarden worden verbonden.
§ 3.
Algemene
toetsingsmaatstaf
Art. 3:1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
beoordeelt of het voorgenomen ontslag
redelijk is. Hij neemt daarbij in
aanmerking de mogelijkheden en belangen
van de betrokken werkgever en werknemer, en andere belangen voor
zover de navolgende regels dit
inhouden.
§ 4.
Ontslag wegens
bedrijfseconomische redenen
Art. 4:1.
-1. In geval van redenen van
bedrijfseconomische aard moet de werkgever aannemelijk maken dat op
grond hiervan één of meer arbeidsplaatsen dienen te vervallen. De
eerste volzin is niet van toepassing indien bij het verzoek om
toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding een verklaring van
de belanghebbende verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de Wet
melding collectief ontslag is gevoegd dat de door
de werkgever aangevoerde redenen leiden tot het vervallen van het door
de werkgever voorgestelde aantal arbeidsplaatsen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verleent toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding van de
daarbij betrokken werknemers met inachtneming van de artikelen
4:2 tot en met 4:4.
-3. Indien een uitzendwerkgever als bedoeld
in bijlage B een verzoek om toestemming tot opzegging van een
arbeidsverhouding doet op grond van bedrijfseconomische redenen, wordt
bij de beoordeling van die redenen tevens die bijlage in acht genomen.
Art. 4:2.
-1. Voor zover het bij de te vervallen
arbeidsplaatsen om uitwisselbare functies gaat, worden per
leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies van de
bedrijfsvestiging de werknemers met het kortste dienstverband het eerst
voor ontslag in aanmerking gebracht, waarbij het aantal werknemers dat
per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt gebracht voor zover
mogelijk overeenkomt met de onderlinge verhouding van het aantal
werknemers in elk van de leeftijdsgroepen binnen de betreffende
categorie uitwisselbare functies. De in de eerste volzin bedoelde
leeftijdsgroepen zijn de groepen van 15 tot 25 jaar, van 25 tot 35 jaar,
van 35 tot 45 jaar, van 45 tot 55 jaar en van 55 jaar of ouder.
-2. In afwijking van het
eerste lid is op een verzoek om toestemming
tot opzegging van overeenkomst
in de schoonmaaksector bijlage A
en van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek bijlage B bij deze regeling van toepassing.
-3. Indien de werkgever aannemelijk maakt
dat de vervanging van een werknemer die uit hoofde van zijn functie bij
een derde te werk is gesteld om onder diens toezicht en leiding werkzaam
te zijn in redelijkheid niet kan worden geëffectueerd, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen deze werknemer bij de toepassing van het
eerste lid buiten beschouwing laten.
-4. Indien
de werkgever aannemelijk maakt dat een werknemer over zodanige
bijzondere kennis of bekwaamheden beschikt dat zijn ontslag voor het
functioneren van de onderneming te bezwaarlijk zou zijn, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze werknemer bij de
toepassing van het eerste en tweede lid buiten beschouwing laten.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan toestemming weigeren ten aanzien van een werknemer die overeenkomstig
het eerste of tweede lid voor
ontslag in aanmerking komt indien deze werknemer een zwakke
arbeidsmarktpositie heeft en dit niet het geval
is met de werknemer die alsdan voor
ontslag in aanmerking komt.
Art. 4:3.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
weigert toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding indien het
aantal werknemers dat voor ontslag
wordt voorgedragen groter is dan
het aantal arbeidsplaatsen dat komt te
vervallen, tenzij de werkgever
aannemelijk kan maken dat dit onvermijdelijk
is.
Art. 4:4.
-1.
Indien toepassing van de
artikelen 4:1 en 4:2 ertoe leidt dat één of
meer werknemers met een arbeidshandicap voor ontslag in aanmerking
komen, kan toestemming te hunner aanzien slechts worden verleend indien
is voldaan aan artikel 5:2, onderdeel b.
-2. Als werknemers met een arbeidshandicap,
bedoeld in het eerste lid, worden aangemerkt werknemers:
a. die vóór 29 december 2005 als
arbeidsgehandicapte zijn aangemerkt op grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
voor zolang aanspraak bestaat op voorzieningen op grond van die
wet;
b. met een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een uitkering of
recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
c. waarvoor voorzieningen zijn
getroffen tot behoud, herstel of ter bevordering van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid; of
d. die bij ziekte recht hebben op
ziekengeld als bedoeld in artikel 29b
van de Ziektewet.
Art. 4:5.
Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toestemming voor opzegging van de
arbeidsverhouding wegens bedrijfseconomische redenen verleent, kan hij
aan zijn toestemming de voorwaarde
verbinden dat de werkgever binnen 26 weken na de bekendmaking van
die toestemming geen werknemer
in dienst zal nemen voor het
verrichten van werkzaamheden van
dezelfde aard dan nadat hij degene
voor wie de toestemming tot opzegging
van de arbeidsverhouding wordt verleend in de gelegenheid heeft gesteld
zijn vroegere werkzaamheden op de bij de werkgever gebruikelijke
voorwaarden te hervatten.
§ 5.
Ontslag wegens andere
dan bedrijfseconomische redenen
Art. 5:1.
-1. Indien de werkgever als
grond voor de opzegging van de
arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer in onvoldoende mate aan de
gestelde functie-eisen voldoet en
derhalve ongeschikt is voor zijn
functie, kan de toestemming slechts worden
verleend, indien:
a. de werkgever deze
ongeschiktheid aannemelijk heeft gemaakt;
en
b. is vastgesteld dat deze
ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte
of gebreken van de werknemer;
en
c. de werkgever voldoende
contact met de werknemer heeft gehad
teneinde te trachten verbetering
teweeg te brengen in diens functioneren; en
d. aannemelijk is dat het
disfunctioneren van de werknemer niet toe te schrijven is aan onvoldoende
zorg voor de arbeidsomstandigheden van
de zijde van de werkgever.
-2. Indien de werkgever als
grond voor opzegging van de
arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer de
bedongen arbeid niet wil verrichten
met een beroep op ernstig gewetensbezwaar, wordt de toestemming voor
opzegging van de arbeidsverhouding slechts verleend indien de werkgever
redelijkerwijs geen mogelijkheid heeft om
de werknemer een aangepaste dan
wel andere functie aan te
bieden.
-3. Indien de werkgever
verwijtbaar handelen of nalaten van de
zijde van de werknemer als grond voor
opzegging van de arbeidsverhouding
aanvoert, wordt de toestemming voor opzegging van de
arbeidsverhouding slechts verleend indien
door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat
deze grond terecht is aangevoerd
en indien, gelet op dat handelen of nalaten, van de werkgever in
redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren.
-4. Indien de werkgever als
grond voor opzegging van de
arbeidsverhouding aanvoert dat de relatie
tussen de werknemer en de werkgever
ernstig en duurzaam is verstoord, wordt
de toestemming op die grond slechts
verleend indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat van zodanige
verstoring inderdaad sprake is en dat herstel van de relatie, al
dan niet door middel van overplaatsing van
de werknemer binnen de onderneming, niet mogelijk is.
Art. 5:2.
Indien de werkgever als
grond voor opzegging van de
arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer
tengevolge van ziekte of gebreken niet
meer in staat is aan de gestelde functie-eisen te voldoen, kan de toestemming
voor opzegging van de
arbeidsverhouding slechts worden verleend,
indien de werkgever:
a. deze ongeschiktheid
aannemelijk heeft gemaakt en aannemelijk
is dat binnen 26 weken
geen herstel zal optreden; en
b. aannemelijk heeft gemaakt dat
hij redelijkerwijs niet de mogelijkheid heeft de werknemer binnen 26
weken, indien nodig door middel van scholing, te herplaatsen in een
aangepaste dan wel andere functie binnen de onderneming welke voor die
werknemer als passend kan worden beschouwd.
§ 6.
Bijzondere groepen
Art. 6:1.
-1. In geval van een verzoek
om toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding van een
werknemer die optreedt of minder dan
twee jaar geleden is opgetreden als vertegenwoordiger bij de uitvoering van
preakkoorden als bedoeld in artikel 13 van de Europese Richtlijn EU
94/45, kan toestemming voor opzegging
van de arbeidsverhouding slechts
worden verleend indien de werkgever
aannemelijk heeft gemaakt dat het voorgenomen ontslag geen verband houdt
met de activiteiten van de
werknemer bij de uitvoering van de preakkoorden.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een werknemer
die activiteiten verricht of
minder dan twee jaar geleden heeft
verricht ten behoeve van de oprichting
van een ondernemingsraad of een
personeelsvertegenwoordiging.
§ 7.
Overige bepalingen
Art. 7:1.
Bij de toepassing van de
artikelen 4:1 tot en met 5:2 besteedt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen extra aandacht aan
het tegengaan van discriminatie.
§ 8.
Slotbepalingen
Art. 8:1.
Het Delegatiebesluit 1993
wordt ingetrokken.
Art. 8:2.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van het tijdstip
waarop het bij koninklijke boodschap van 7
maart 1997 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (flexibiliteit en
zekerheid) (Stb. 1998, 300) in werking
treedt.
Art. 8:3.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Ontslagbesluit.
Deze regeling zal met
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 december
1998.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
[7 december 1998]
1.
Algemeen
Dit besluit strekt tot
uitvoering van artikel 6, derde en vierde
lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 en bevat regels die de Regionaal Directeuren
[zie Centrale organisatie werk en inkomen, red.]
in
acht moeten nemen bij het behandelen van
verzoeken om toestemming voor
opzegging van de arbeidsverhouding, en
bepaalt tevens in welke gevallen de Regionaal Directeuren van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie niet de in aanmerking komende organisaties van
werkgevers en werknemers moeten horen.
De bevoegdheid om
toestemming te verlenen voor de opzegging
van de arbeidsverhouding is
toegekend aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Vanaf 1991 tot op heden is deze bevoegdheid
(tijdelijk) gedelegeerd aan de Regionaal Directeuren. Bij de uitvoering van deze
preventieve ontslagtoets dienden zij de
regels, zoals neergelegd in het
Delegatiebesluit 1993, in acht te nemen. Met
de inwerkingtreding van de Wet flexibiliteit en zekerheid (Stb. 1998,
300) is de bevoegdheid om toestemming te verlenen voor opzegging van de
arbeidsverhouding aan de Regionaal Directeuren geattribueerd.
In deze regeling zijn de
ontslagregels uit het Delegatiebesluit
1993 voor een aanzienlijk deel ongewijzigd
overgenomen. Wel is een aantal wijzigingen aangebracht, zoals die door mij reeds
zijn aangekondigd in de
brief van 23 november 1994 aan de
Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994-1995, 22 77 [drukfout, red.], nr. 3) en die zijn
voorgelegd aan de Stichting van de Arbeid bij
brief van 2 december 1994. Deze
wijzigingen hangen nauw samen met de in het kader van het toenmalige
wetsvoorstel Flexibiliteit en zekerheid gedane
voorstellen om de totale
beëindigingsduur bij ontslag te verkorten en in
het bijzonder met de voorstellen aangaande
de verkorting van de
behandelingsduur van aanvragen van een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische
redenen bij de Regionaal
Directeuren.
Bij de uitwerking in deze
ministeriële regeling is tevens rekening
gehouden met de adviezen van de
Stichting van de Arbeid inzake aanpassing
van de preventieve ontslagtoets
(van 29 mei 1995, publicatienummer
3/95), inzake anciënniteit bij projectgebonden activiteiten (van 3 juni 1997, S.A.
97.13584/Ha) en inzake de uitzendrelaties (van 11 november 1998, S.A. 98.25147/Ha).
2. Verkorte procedure
(artikel 2:6)
Eén van de
voorstellen die
reeds in november 1994 door de
toenmalige Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid is voorgesteld om lange
procedures bij de Regionaal Directeur te voorkomen, is de zogenoemde
verkorte procedure in geval van ontslagverzoeken vanwege bedrijfseconomische
redenen. In de brief aan de
Tweede Kamer van 7 oktober 1997 (Kamerstukken II 1997-1998, 25 263, nr. 15)
is deze verkorte procedure nader
toegelicht. In de voorliggende regeling
wordt onderscheid gemaakt tussen
ontslagverzoeken waarbij door de werknemer wel en die waarbij door de werknemer
geen bezwaar wordt gemaakt.
Indien een werknemer geen bezwaar
maakt, worden partijen niet gehoord
en wordt niet door de Ontslagadviescommissie geadviseerd. Dit betekent
dat de toetsing door de Regionaal
Directeur in beginsel beperkt blijft
tot de beoordeling van de ontslaggrond en de
naleving van de ontslagregels zoals
in deze regeling neergelegd. In het
bijzonder gaat het dan om de regels
inzake anciënniteit, afspiegeling,
herplaatsing en arbeidsongeschiktheid. De
werknemer wordt in beginsel niet meer
in de gelegenheid gesteld om te
reageren en de Ontslagadviescommissie
wordt geen advies gevraagd.
In dit verband is in overleg
met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen, red.] een standaardformulier voor de
verklaring van geen bezwaar opgesteld.
Dit formulier is als bijlage C bij deze
regeling opgenomen. De werkgever
dient daarop de aard van de bedrijfseconomische ontslagreden in te vullen en
de relevante informatie, gegevens en documenten toe te voegen. Vervolgens
dient de werknemer op dit
formulier in te vullen dat hij geen
bezwaar maakt tegen het voorgenomen
ontslag. Enerzijds wordt hiermee de doelmatigheid en effectiviteit van de
procedure bevorderd, anderzijds kan de
Regionaal Directeur hieruit afleiden
op basis van welke informatie de
werknemer de verklaring van geen
bezwaar heeft afgegeven.
Met dit formulier wordt de
werknemer tevens geïnformeerd over
zijn rechten en plichten en over
mogelijke gevolgen van het afgeven van
een verklaring van geen bezwaar. Ook wordt de werknemer erop gewezen
dat hij geen bezwaar hoeft te maken
uitsluitend en alleen om een WW-uitkering zeker te stellen. Op grond
van het derde lid van artikel 24 van
de Werkloosheidswet, ingevoegd ingevolge artikel VI, onderdeel
B, van de
Wet flexibiliteit en zekerheid, is immers
bepaald dat er geen sprake is van
verwijtbare werkloosheid ter zake van een
ontslag om bedrijfseconomische
redenen waarvoor door de Regionaal Directeur
een ontslagvergunning wordt
afgegeven. Daarmee wordt duidelijkheid verschaft in het sanctiebeleid van
het Lisv [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en voorkomen dat werknemers
enkel en alleen om een WW-uitkering
zeker te stellen verweer voeren tegen
ontslag om bedrijfseconomische
redenen.
Voorts is, om te bevorderen
dat de Regionaal Directeur (zo
spoedig mogelijk) over volledige en adequate
gegevens beschikt om een oordeel te
kunnen geven over de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische
noodzaak van het ontslag, in
samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, een checklist ontwikkeld.
Deze checklist kan de werkgever behulpzaam zijn ter onderbouwing van de
bedrijfseconomische noodzaak en de ontslagkeuze bij het indienen van een
verzoek om toestemming voor
beëindiging van de arbeidsverhouding vanwege bedrijfseconomische redenen.
Tevens wordt daarmee bevorderd dat
de werknemer op grond van de
juiste en volledige informatie een beslissing kan nemen om al dan geen verweer
te voeren. De Regionaal Directeur zal
zo in staat zijn zich een oordeel
te vormen over de deugdelijkheid van
de bedrijfseconomische noodzaak van het ontslag en over de naleving van de
in voorliggende regeling neergelegde
ontslagregels.
Verwacht mag worden dat met
deze maatregelen veel van de
procedures waarbij nu niet-inhoudelijk
bezwaar wordt gemaakt door de
werknemer kunnen worden bekort. Immers
de Ontslagadviescommissie hoeft
geen advies uit te brengen en de
werknemer hoeft niet meer gehoord te
worden. Bekorting van de procedure
is echter geen doel op zich. Voorop
staat dat de Regionaal Directeur zich een
zorgvuldig en adequaat oordeel kan
vormen over de noodzaak van het
ontslag en de naleving van de
ontslagregels. In dit verband is het volgende van
belang.
De Regionaal Directeur
krijgt de bevoegdheid om bij de voor
ontslag voorgedragen werknemer de verklaring van geen bezwaar te
verifiëren. Deze verificatiemogelijkheid kan de Regionaal Directeur koppelen
aan de ontvangstbevestiging van de ontslagaanvraag die hij aan de werknemer
verstuurt. Daarbij krijgt de
werknemer één week de gelegenheid om
(alsnog) zijn zienswijze naar voren
te brengen. Komt de werknemer op zijn
eerdere beslissing om geen bezwaar
te maken terug, dan heeft hij de gebruikelijke termijn van twee weken om
inhoudelijk bezwaar te maken, waarna de normale procedure (i.c. een
eventuele tweede ronde van hoor en
wederhoor en advisering door de
Ontslagadviescommissie) moet worden gevolgd.
De Ontslagadviescommissie
heeft dus geen adviserende taak in het
kader van procedures waarin de
werknemer geen bezwaar heeft gemaakt.
Wel wordt bepaald dat alle ontslagdossiers waarbij de verkorte
procedure is gevolgd ter inzage aan de Ontslagadviescommissie moeten worden
voorgelegd.
Na één jaar zullen de
praktijkervaringen met de verkorte procedure
worden geëvalueerd, waarbij niet
alleen het oordeel van de Regionaal
Directeuren maar ook de opvattingen van
de Ontslagadviescommissies
zullen worden betrokken. Bijzondere
aandacht zal daarbij worden besteed
aan eventuele knelpunten in de
uitvoeringspraktijk, de gemiddelde proceduretijd bij de verkorte procedures
en het aantal zaken waarin de verkorte
procedure is gevolgd, in verhouding
tot normale procedures.
3. Proceduretijden
In het algemeen kan de
procedure binnen gemiddeld circa vier tot zes
weken worden afgewikkeld nadat een
goed onderbouwde ontslagaanvraag
is ingediend. Bedrijfseconomische ontslagverzoeken waarbij een
verklaring van geen bezwaar wordt overgelegd, hebben daarentegen doorgaans
een kortere looptijd.
Genoemde gemiddelde
proceduretermijn geldt voor alle
ontslagverzoeken wegens bedrijfseconomische én persoonlijke redenen (met uitzondering van ontslagverzoeken die
verband houden met (gedeeltelijke)
arbeidsongeschiktheid) en moet worden beschouwd als een
streeftermijn. Er kunnen zich namelijk
geobjectiveerde dwingende redenen voordoen
(bijvoorbeeld een onderzoek door de Arbeidsinspectie
op grond
van artikel 2:3) waardoor niet kan
worden voorkomen dat overschrijding van de streeftermijn noodzakelijk
is. Het is gewenst en, gelet op de
praktijk, ook mogelijk dat 3/4 deel van genoemde ontslagverzoeken binnen
gemiddeld circa vier tot zes weken wordt
afgewikkeld.
De afwikkeling van ontslagverzoeken die verband houden met
(gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid zullen
in de regel langer duren,
hetgeen verband houdt met de advisering door
de uitvoeringsinstellingen van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) (zie
artikel 5:2).
Indien als gevolg van geobjectiveerde
dwingende redenen de beschikking niet binnen
acht weken na het ontvangen van
een voldoende onderbouwd ontslagverzoek kan worden gegeven, stelt de
Regionaal Directeur de aanvrager
daarvan in kennis en noemt daarbij een
redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien (artikel 4:14 Algemene wet
bestuursrecht (Awb)).
4. Artikelsgewijze
toelichting
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:2
Deze bepaling stemt overeen
met artikel 2 van het Delegatiebesluit
1993.
Artikel 1:3
Dit artikel, dat geheel
overeenstemt met artikel 6 van het
Delegatiebesluit 1993, ziet op de gelijkstelling van de in artikel 1, onderdeel
d, van de Wet
melding collectief ontslag bedoelde werkgebieden met de werkgebieden van de
Regionale Besturen [zie Centrale organisatie werk en
inkomen, red.].
§ 2. De procedure
Algemeen
In dit verband wordt voor de
goede orde op het volgende
gewezen. De Regionaal Directeur gaat na
ontvangst van een verzoek om
toestemming voor opzegging na of het BBA [Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, red.] van
toepassing is. In twijfelgevallen zal
de Regionaal Directeur een verzoek om toestemming voor opzegging in behandeling nemen en aan de
regels van deze regeling toetsen.
Indien de Regionaal Directeur in
dergelijke gevallen besluit tot
toestemming voor opzegging, kan door de
toevoeging "voor zover rechtens
vereist" tot uitdrukking worden gebracht dat de Regionaal Directeur twijfelt
of zijn toestemming voor de beëindiging van deze arbeidsverhouding wel
nodig is.
De in deze paragraaf
opgenomen artikelen, met uitzondering
van artikel 2:6, zijn ontleend aan
bijlage A en de artikelen 4, 5 en 7 van het
Delegatiebesluit 1993.
In bijlage A van het
Delegatiebesluit 1993 werd een aantal
aangelegenheden vermeld die zijn geregeld in
de Awb. Het is derhalve niet
nodig daaromtrent iets in de onderhavige regeling op te nemen. In dit verband
kan worden gewezen op de
artikelen 4:1 en 4:2 van de Awb
die
voorschriften bevatten met betrekking tot
het verzoek om toestemming tot opzegging van de arbeidsverhouding en
artikel 4:5 van de Awb op grond
waarvan de werkgever in de gelegenheid
moet worden gesteld om het
verzoek binnen een door de Regionaal
Directeur gestelde termijn aan te
vullen. Indien de aanvullende gegevens niet tijdig worden verstrekt of de
aanvullende gegevens onvoldoende blijken
te zijn, kan de Regionaal Directeur
besluiten het verzoek niet te
behandelen. Dit besluit dient overeenkomstig
artikel 4:5, vierde lid, van de Awb aan de werkgever te worden bekendgemaakt.
De Regionaal Directeur kan
voorts overeenkomstig artikel 4:4
van de Awb voor het indienen van
een verzoek om toestemming tot opzegging van de arbeidsverhouding en het verstrekken
van gegevens een formulier vaststellen. Tot dusverre is
de procedure in de meeste gevallen
schriftelijk gevoerd. De schriftelijke
procedure heeft in de praktijk goed
gefunctioneerd omdat deze bij een groot
aantal ontslagaanvragen de snelheid
van de behandeling bevordert en
tevens beter zicht geeft op voortgang van
de procedure. Hoewel het horen van
partijen (zie artikel 2:2), indien zij
dit wensen, ingevolge artikel 4:9 van de Awb
ook mondeling kan plaatsvinden,
moet naar mijn mening zoveel
mogelijk bevorderd worden dat dit
beperkt blijft tot die gevallen
waarin het mondeling horen van één van hen of
beiden noodzakelijk is om een
volledig beeld van de ontslaggronden
te krijgen.
Artikel 2:1
Het spreekt voor zich dat de
Regionaal Directeur de werkgever na
ontvangst van een ontslagverzoek een
ontvangstbevestiging doet toekomen met vermelding van de datum van ontvangst.
Zoals hierboven reeds is
vermeld, kan, indien het verzoek van de werkgever onvoldoende is onderbouwd of
anderszins onvoldoende
gegevens zijn verschaft, de Regionaal
Directeur besluiten dit verzoek niet
te behandelen, mits de werkgever in de
gelegenheid is gesteld het verzoek aan
te vullen (artikel 4:5 Awb). Uitgangspunt is dat de Regionaal Directeur
de werkgever binnen drie dagen wijst op
de onvolledigheid van het
verzoek. De Regionaal Directeur deelt de
werkgever mee welke gegevens
ontbreken. In artikel 2:1 wordt de termijn
waarbinnen de werkgever de gegevens
moet aanvullen, bepaald op acht
dagen. Het is echter denkbaar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden
niet door de werkgever kan worden
gehaald. In die gevallen kan de
Regionaal Directeur deze termijn verlengen.
Om te bevorderen dat een zo
volledig mogelijk dossier wordt
overgelegd bij indiening van ontslagverzoeken, is - zoals in het algemene deel
reeds is vermeld - een checklist opgesteld.
Deze checklist kan de werkgever
voor ontslagverzoeken wegens bedrijfseconomische redenen hanteren. Dit
voorkomt dat de procedure onnodig
wordt verlengd.
Artikel 2:2
Het eerste lid regelt de
verplichting van de Regionaal Directeur
de werknemer in de gelegenheid te stellen
binnen twee weken verweer te voeren tegen het verzoek. Uitgangspunt is dat
de Regionaal Directeur
binnen drie dagen na ontvangst van een goed onderbouwd verzoek de
werknemer om verweer zal vragen.
Uitgaande van een goed
onderbouwd verzoek zal in de meeste
gevallen na het horen van de
werknemer voldoende informatie
beschikbaar zijn gekomen. Is dat niet het
geval, kan op grond van het tweede lid een
volgende ronde van hoor en wederhoor
worden gevoerd. De in dit artikel
genoemde termijnen zijn ontleend aan
die in bijlage A van het Delegatiebesluit 1993. Ook hier geldt dat
verlenging in verband met bijzondere omstandigheden mogelijk is.
Van het ontslagverzoek
worden in de regel aan werknemer kopieën
meegezonden, tenzij het bijvoorbeeld zeer
lijvige dossiers of vertrouwelijke bedrijfseconomische/financiële gegevens bevat. In dat geval zullen
ze voor de wederpartij in de regel ter
inzage worden gelegd. Met betrekking tot
de in artikel 2:1 en artikel 2:2,
derde lid, geregelde bevoegdheid van de
Regionaal Directeur om de voor
werkgever en werknemer geldende termijnen te verlengen merk ik het
volgende op. Het is evident dat de
Regionaal Directeuren de toepassing van deze
verlengingsbevoegdheid op elkaar afstemmen en daarover afspraken maken.
Artikel 2:3
Het eerste lid stemt overeen
met artikel 7 van het Delegatiebesluit
1993. Het inschakelen van de Arbeidsinspectie
kan zowel plaatsvinden op
eigen initiatief van de Regionaal Directeur, al dan niet op verzoek van
(één
of meer vertegenwoordigers van)
werknemers of werkgevers. De in het
tweede en derde lid opgenomen
procedure is ontleend aan de toelichting op
bovengenoemd artikel 7. Het advies van de Arbeidsinspectie hoeft niet
in alle gevallen aan de werkgever en
werknemer te worden toegezonden.
Indien nodig kan de Regionaal
Directeur partijen op grond van het derde lid
in de gelegenheid stellen te reageren.
Artikel 2:4
Indien een verzoek om
toestemming voor opzegging is gedaan op
de grond dat de werknemer tengevolge
van ziekte of gebreken niet meer
in staat is aan de gestelde functie-eisen te voldoen, kan de Regionaal Directeur
de werkgever en werknemer in de gelegenheid stellen binnen twee weken hun zienswijze op het advies
van het Lisv naar voren te brengen.
Artikel 2:5
Nadat de procedure op grond
van de voorgaande artikelen is
afgerond, zendt de Regionaal Directeur een afschrift van het
ontslagverzoek en de daarop betrekking hebbende
bescheiden voor advies aan de
Ontslagadviescommissie.
Artikel 2:6
In dit artikel is de
zogenaamde verkorte procedure geregeld. Deze kan
worden gevolgd indien bij het
verzoek om toestemming voor opzegging
van de arbeidsverhouding vanwege
bedrijfseconomische redenen een verklaring van de werknemer wordt overgelegd
dat hij tegen de voorgenomen
opzegging geen bezwaar heeft. In dat
geval geldt niet de in artikel 2:2
neergelegde procedure waarbij de
werknemer in de gelegenheid wordt gesteld om
verweer te voeren en eventueel
nogmaals beide partijen achtereenvolgens worden gehoord. Evenmin wordt op
grond van artikel 2:5 advies aan de Ontslagadviescommissie gevraagd.
Wel heeft de Regionaal Directeur
de bevoegdheid om de werknemer
in de gelegenheid te stellen
binnen één week zijn zienswijze naar
voren te brengen indien hij ondanks
die verklaring zich ervan wil vergewissen
dat de werknemer inderdaad geen
bezwaar tegen de voorgenomen
opzegging heeft (tweede lid).
Indien de Regionaal
Directeur niet van deze bevoegdheid gebruik
maakt dan wel de werknemer niet
terugkomt op zijn verklaring van geen
bezwaar, neemt de Regionaal Directeur
zo spoedig mogelijk na ontvangst van
het verzoek, respectievelijk nadat de werknemer dit kenbaar heeft gemaakt,
een beslissing op het verzoek
(derde lid). Indien de werknemer alsnog
bezwaar tegen de voorgenomen
opzegging maakt, geldt de verkorte
procedure niet. In dat geval wordt op
grond van artikel 2:2 door de
werknemer verweer gevoerd en worden vervolgens
eventueel nogmaals beide partijen
gehoord (vierde lid). Tevens dient
de Ontslagadviescommissie op grond van artikel 2:5 te adviseren (vijfde lid).
Artikel 2:7
Het eerste lid stemt overeen
met artikel 4 van het Delegatiebesluit
1993. Het tweede lid is ontleend
aan artikel 5, eerste lid, van dat
besluit.
Ingevolge artikel 3:41 van
de Awb zendt de Regionaal Directeur de beslissing op het verzoek aan beide
partijen. Op grond van artikel 4:16 [zie artikel
3:46, red.] van de Awb dient de beslissing deugdelijk gemotiveerd te zijn. Wanneer derhalve de
Regionaal Directeur van een
door het Lisv uitgebracht advies, als
bedoeld in artikel 5:2, wil afwijken,
zal hij dat in de beschikking dienen te
motiveren. Het ligt in de rede dat het
Lisv bij afwijking van het verkregen
advies via een afschrift van de genomen
beslissing op de hoogte wordt gesteld.
§ 3. Algemene
toetsingsmaatstaven
Artikel 3:1
Deze bepaling stemt
overeen met artikel 8 van het
Delegatiebesluit 1993 en noemt de algemene
maatstaven die de Regionaal Directeur bij
het nemen van een beslissing op een
verzoek om toestemming in acht dient te nemen.
Hij dient te beoordelen
of het voorgenomen ontslag redelijk is. Deze maatstaf is uitgewerkt in
de paragrafen 4 tot en met 6. Voorts
dient het redelijkheidsbeginsel in
acht genomen te worden indien de
bepalingen van deze paragrafen een
beoordelingsmarge hebben. Ten slotte kunnen
In het kader van de beoordeling
van de redelijkheid van het voorgenomen
ontslag behalve de mogelijkheden
en belangen van werkgever en werknemer, ook andere belangen een rol
spelen, zoals het arbeidsmarktbelang,
voor zover in deze ministeriële
regeling neergelegd.
Zoals uit de formulering
van de tweede volzin van artikel
3:1 blijkt, kan de afweging van deze
belangen alleen plaatsvinden voor zover
de bepalingen van de paragrafen 4 tot en met 6 daarnaar verwijzen.
§ 4. Ontslag wegens
bedrijfseconomische redenen
Artikel 4:1
Dit artikel stemt overeen
met artikel 9, eerste lid, van het
Delegatiebesluit 1993 en heeft betrekking
op ontslag wegens
bedrijfseconomische redenen. Deze categorie omvat bedrijfsorganisatorische
redenen alsmede
technologische wijzigingen in het productieproces. Ingevolge artikel 4:1 is
het voldoende dat de
werkgever aannemelijk maakt dat een doelmatige
bedrijfsvoering het verval van de
arbeidsplaatsen met zich mee brengt en
dat personeelsverloop of
overplaatsing geen oplossing bieden.
Voor de uitzendsector worden in bijlage B
enkele bijzondere regels met
betrekking tot de herplaatsing gegeven.
Artikel 4:2
Dit artikel is ontleend
aan artikel 9, tweede tot en met zevende
lid, en bijlage F van het Delegatiebesluit 1993, en ziet op het zogenaamde
dienstjarenbeginsel.
De in bijlage F van het
Delegatiebesluit 1993 opgenomen afwijking
van de toepassing van het
dienstjarenbeginsel is nu neergelegd in
bijlage A van deze regeling. Ook voor
de uitzendsector wordt een afwijkende
toepassing van het
dienstjarenbeginsel mogelijk gemaakt. Dit is geregeld
in bijlage B.
Het derde lid behelst een
nuancering van het dienstjarencriterium in geval van groepsontslagen van
tien en meer werknemers
tegelijkertijd. Indien de werkgever van oordeel is
dat de leeftijdsopbouw binnen het
personeelsbestand bij onverkorte toepassing
van het dienstjarencriterium
te onevenwichtig zou worden, kan hij het personeelsbestand onderverdelen in de in
het derde lid aangegeven
leeftijdsgroepen. Binnen die
leeftijdsgroepen wordt dan het
dienstjarencriterium toegepast. Aldus kan worden bereikt dat de afvloeiing naar
evenredigheid van de omvang van de personeelsbestanden in die leeftijdsgroepen
plaatsvindt.
Het vierde lid bevat een
mogelijkheid tot afwijking van het
dienstjarenbeginsel indien toepassing van dat
beginsel zou leiden tot ontslag
van een werknemer die gelet op zijn bijzondere kennis of bekwaamheden
bezwaarlijk gemist kan worden. Het
initiatief voor deze afwijkingsmogelijkheid
ligt bij de werkgever. Indien hij van
mening is dat een bepaalde werknemer die volgens de hiervoor besproken
regels ervoor in aanmerking zou
komen om voor ontslag te worden
voorgedragen, bezwaarlijk kan worden
gemist, kan de werkgever deze werknemer
onder opgave van redenen bij
het voordragen van werknemers voor
ontslag buiten beschouwing laten. De Regionaal Directeur
beoordeelt vervolgens of de werkgever voldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat de in
deze bepaling omschreven situatie zich
voordoet.
In de in het vijfde lid
omschreven situatie kan de Regionaal
Directeur, indien de werkgever
overeenkomstig het dienstjarenbeginsel
werknemers voor ontslag in aanmerking heeft gebracht, toestemming ten
aanzien van een werknemer
onthouden op grond van de overweging
dat deze een zwakke
arbeidsmarktpositie heeft en de eerstvolgende werknemer, die daarna volgens de algemene
regels voor ontslag in aanmerking zou
komen, juist goede
arbeidsmarktperspectieven heeft.
Artikel 4:3
Voor wat het begrip
"arbeidsverhouding"
betreft, verdient vermelding dat deze rechtsbetrekking
ondeelbaar is; dit betekent dat de Regionaal Directeur, wanneer hem om
toestemming tot beëindiging van de
arbeidsverhouding wordt verzocht, deze toestemming slechts integraal, dat
wil zeggen ten aanzien van de gehele arbeidsverhouding, kan verlenen of weigeren.
In relatie tot artikel 4:1
betekent dit meer in het bijzonder dat de
Regionaal Directeur geen
medewerking kan verlenen aan het spreiden of het
verdelen van ontslagen over meer
werknemers dan noodzakelijkerwijze voortvloeit uit het verval van
arbeidsplaatsen (zogenoemd deeltijdontslag). Alleen
als de werkgever aannemelijk kan
maken dat dit onvermijdelijk is,
kan ervan worden afgeweken. Zo kunnen
bijvoorbeeld omstandigheden gelegen in
de functies van de werknemers en/of
de wijze waarop die functies met
elkaar samenhangen noodzakelijk maken dat
een werkgever een groter
aantal werknemers voor ontslag voordraagt
dan het aantal arbeidsplaatsen
dat komt te vervallen.
Artikel 4:4
Deze bepaling komt
overeen met artikel 9, zevende lid, van het
Delegatiebesluit 1993. Inmiddels is de Wet
op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten in werking getreden en is de
Wet arbeid gehandicapte werknemers
ingetrokken. De verwijzing in artikel
4:4 is hieraan aangepast. De doelgroep
in deze wet is in principe gelijk
aan de (uitgebreide) doelgroep van de Wet
arbeid gehandicapte werknemers (Wagw). Wel is voor degenen die
niet op grond van
artikel 2, eerste en
tweede lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt, in
artikel 2, derde lid, van die wet bepaald
dat voor de beoordeling van de vraag
of zij in verband met ziekte of een gebrek
een belemmering hebben bij
het verkrijgen of het verrichten van arbeid een medisch-arbeidskundig
oordeel noodzakelijk is.
De werkgever zal dus
aannemelijk moeten maken dat hij
redelijkerwijs niet de mogelijkheid
heeft de werknemer in een aangepaste dan wel
andere passende functie binnen
de onderneming te herplaatsen.
Artikel 4:5
Dit artikel bevat,
evenals artikel 5, tweede lid, van het
Delegatiebesluit 1993, de mogelijkheid om
aan de toestemming tot ontslag wegens bedrijfseconomische redenen de
zogenaamde wederindiensttredingsvoorwaarde
te verbinden. Wel wordt
daarin niet langer gekozen voor "dezelfde
of gunstiger voorwaarden dan
laatstelijk golden", maar voor "gebruikelijke arbeidsvoorwaarden".
Het is immers niet uitgesloten dat er
bij wederindiensttreding op onderdelen sprake is van mindere
arbeidsvoorwaarden, die voor het totale
personeel van de arbeidsorganisatie
gelden. Uit een oogpunt van gelijke behandeling is het niet verdedigbaar dat
voor een werknemer die op grond van de wederindiensttredingsvoorwaarde opnieuw in
dienst treedt gunstiger
voorwaarden gelden dan voor het
overige personeel.
Ingevolge artikel 2:7,
tweede lid, van deze regeling kunnen aan
de toestemming geen andere voorwaarden
worden verbonden.
§ 5. Ontslag wegens
andere dan bedrijfseconomische
redenen
Artikel 5:1
De in artikel 10 van het
Delegatiebesluit 1993 opgenomen
voorschriften hebben een plaats
gekregen in artikel 5:1 van dit besluit en
zijn aangevuld met de in het derde lid opgenomen herplaatsingsverplichting
voor de werkgever die als grond
voor opzegging van de arbeidsverhouding
aanvoert dat de werknemer de
bedongen arbeid niet wil verrichten wegens ernstig gewetensbezwaar. Het
uitgangspunt van het eerste lid is dat de arbeidsverhouding met een
disfunctionerende werknemer beëindigd moet kunnen worden. Wel zal de
werkgever dit disfunctioneren voor
de Regionaal Directeur aannemelijk
moeten maken. De werknemer dient niet
door het ontslagverzoek wegens disfunctioneren te worden "overvallen".
Het ligt in de rede dat de werkgever dit bij
de werknemer voorafgaande aan het
ontslagverzoek aan de orde stelt en
tracht - al dan niet via aanbod van een
alternatieve functie - het
functioneren van werknemer te verbeteren. Voorts
dient aannemelijk te zijn dat het
disfunctioneren niet toe te schrijven is
aan onvoldoende zorg voor de
arbeidsomstandigheden van de zijde van de werkgever.
Indien het een
ontslagverzoek betreft met betrekking
tot een arbeidsgehandicapte werknemer in de zin van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten,
dient op grond van het tweede lid aan de
hand van het advies van het Lisv te worden vastgesteld of het disfunctioneren
van de werknemer verband houdt
met ziekte of gebreken.
Het derde lid ziet op de
situatie dat een werknemer weigert de
bedongen arbeid te verrichten met
een beroep op ernstig
gewetensbezwaar. Dit is geen geldige reden om de
arbeidsverhouding te beëindigen. Op iedere werknemer en werkgever
rust de taak te doen wat in zijn
vermogen ligt om conflictsituaties over
gewetensbezwaren te voorkomen. Dit
betekent dat de werkgever en de werknemer
zo spoedig mogelijk met elkaar in
overleg treden nadat de werknemer zijn
bezwaar kenbaar heeft gemaakt.
Indien tijdens het overleg door de
werkgever wordt geconcludeerd dat
beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet
te vermijden is, dient de normale
ontslagprocedure te worden gevolgd. Bij de
behandeling van een dergelijk
ontslagverzoek is voor de toestemming tot opzegging vereist dat de werkgever
geen reële mogelijkheden heeft om de
werknemer een aangepaste dan wel
andere passende functie aan te
bieden.
De in het vierde lid
vermelde grond tot het verlenen van
toestemming draagt een ander karakter
dan die onder het eerste lid
vermeld. Het eerste lid heeft betrekking op ongeschiktheid voor de
functie welke
aan de werknemer als zodanig
niet valt te verwijten, doch welke niettemin - als aan de aldaar vermelde
voorwaarden is voldaan - tot het
verlenen van toestemming tot beëindiging van de dienstbetrekking zal
kunnen leiden. In het vierde lid
daarentegen gaat het om verwijtbaar handelen
of nalaten van de werknemer. Van de
Regionaal Directeur wordt bij de
toepassing van deze bepaling een redelijkheidsoordeel gevraagd. Het is aan de
Regionaal Directeur om te beoordelen of, wanneer aannemelijk is geworden
dat het verwijtbaar handelen of
nalaten inderdaad heeft plaatsgevonden, er
van de werkgever al dan niet kan
worden gevergd de betrokken
werknemer te handhaven.
In het vijfde lid wordt
tot uitdrukking gebracht dat de
verstoring van de relatie werkgever/werknemer een zelfstandige grond voor beëindiging
van de arbeidsverhouding kan
zijn, los van de vraag hoe die
verstoring is ontstaan. Er moet door de werkgever
aannemelijk worden gemaakt dat
herstel van de arbeidsrelatie (al
dan niet door overplaatsing) niet
mogelijk is. Inwilliging van het verzoek op deze
grond zal een zeer zorgvuldige
beoordeling en afweging van belangen
vergen.
Artikel 5:2
Dit artikel is ontleend
aan artikel 11, eerste en tweede lid, en
bijlage H van het Delegatiebesluit
1993, en ziet op beëindiging van de
arbeidsverhouding in verband met arbeidsongeschiktheid.
Uitgangspunt is dat de
werkgever aannemelijk zal moeten
maken dat de werknemer arbeidsongeschikt is voor de overeengekomen functie
en herstel binnen 26 weken
niet te verwachten is (eerste lid, onderdeel a).
Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, van dit artikel dient
de werkgever voorts aannemelijk te
maken dat hij redelijkerwijs niet
de mogelijkheid heeft om de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer op een passende
functie te herplaatsen
binnen zijn bedrijf. Ik stel mij op
het standpunt dat ook werkzaamheden van
vier tot acht uur per week als passende
arbeid kunnen worden beschouwd.
Het begrip ’"ziekte of
gebrek" omvat ook de situatie dat er
sprake is van regelmatig ziekteverzuim
waarbij het ziekteverzuim dusdanig
verstorend uitwerkt op het productieproces of
een onevenredig zware druk
legt op collega’s, dat van de werkgever niet
in redelijkheid gevergd kan
worden de arbeidsrelatie voort te
zetten. Uit het advies van het Lisv moet
blijken dat binnen 26 weken niet valt
te verwachten dat de werknemer normaal
inzetbaar is en de werkgever geen
mogelijkheden heeft om betrokkene
elders in de organisatie andere
passende werkzaamheden aan te
bieden.
In het tweede lid wordt bepaald dat de Regionaal Directeur
voorafgaande aan de te nemen
beslissing op ontslagverzoeken wegens (gedeeltelijk) arbeidsongeschiktheid of
op grond van regelmatig ziekteverzuim
een adviesaanvrage moet indienen bij het Lisv.
Binnen gemiddeld zes
weken zal aan de Regionaal Directeur
een advies worden uitgebracht. Het door het
Lisv uit te brengen advies gaat in
de praktijk in beginsel vergezeld van
een rapportage van een arbeidskundige.
Het advies van het Lisv
is niet bindend. Het ligt echter voor de
hand dat daaraan bij de afweging
van de belangen door de Regionaal
Directeur een groot gewicht wordt toegekend.
§ 6. Bijzondere groepen
Artikel 6:1
Het eerste lid is
ontleend aan bijlage J van het Delegatiebesluit
1993. Hierin wordt Nederlandse werknemers die als vertegenwoordiger bij
uitvoering van een preakkoord als
bedoeld in de Richtlijn EU 94/95
optreden of minder dan twee jaar geleden als
zodanig zijn opgetreden in bepaalde
gevallen extra ontslagbescherming
geboden. Dit betreft werknemers die
niet tegelijkertijd lid zijn van een
ondernemingsraad en daardoor een adequate
ontslagbescherming ontberen.
De werkgever zal in deze
gevallen aannemelijk moeten maken dat het
voorgenomen ontslag van de werknemer geen verband houdt met
activiteiten van de werknemer in het kader van het overleg op basis van
de preakkoorden.
Het tweede lid is nieuw
en biedt de categorie werknemers die
zich, in bedrijven waar nog geen
ondernemingsraad is, inzetten voor het
oprichten van een ondernemingsraad, eveneens extra bescherming. Dit
geldt ook voor de werknemers die
zich inzetten voor het oprichten van
een personeelsvertegenwoordiging. Ook werknemers die zich minder dan twee
jaar geleden hebben ingezet voor het
oprichten van een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging genieten
deze bescherming.
Bedoelde werknemers mogen
bij hun activiteiten rond het
functioneren van medezeggenschap in
ondernemingen niet in hun belangen
worden geschaad. Deze bescherming is toegezegd tijdens de behandeling
van het voorstel van wet tot
wijziging van de Wet op de ondernemingsraden
en titel 7.10 (arbeidsovereenkomst)
van het nieuw Burgerlijk Wetboek (Handelingen II 1996-1997, blz. 6062).
Ingeval niet aannemelijk
is gemaakt dat het verzoek om
toestemming tot opzegging van de
arbeidsverhouding geen verband houdt met de
medezeggenschapsactiviteiten van de werknemer in de concrete situatie,
dient de toestemming te worden
geweigerd.
§ 7. Overige bepalingen
Artikel 7:1
Indien de
Regionaal Directeur bij het beoordelen van een
ontslagverzoek vanwege bedrijfseconomische redenen constateert dat een
bepaalde groepering (bijvoorbeeld allochtonen,
vrouwen, etc.) sterk vertegenwoordigd
is, dient hij zich er (nogmaals) van te vergewissen dat de in artikel 4:2
vervatte regels correct zijn toegepast. De
Regionaal Directeur dient zich
hierbij niet lijdelijk op te stellen, doch
zelfstandig daarnaar een onderzoek in te
stellen.
Ook bij ontslagverzoeken
vanwege in de persoon gelegen redenen dient de Regionaal Directeur
attent te zijn op de mogelijkheid van
discriminatie, waarvoor bijvoorbeeld een klacht over discriminatie of over
oververtegenwoordiging van bepaalde groepen een aanwijzing kunnen vormen.
§ 8. Slotbepalingen
Artikel 8:1
Zoals reeds in het
algemeen gedeelte van deze toelichting is
vermeld, zijn, met uitzondering van de
bijlage met betrekking tot ontslagen
in het schoonmaakbedrijf, die met betrekking tot ontslagen in de
uitzendsector en de bijlage waarin een standaardformulier voor de verklaring van
geen bezwaar als bedoeld in
artikel 2:6 is voorgeschreven, geen
bijlagen meer opgenomen.
Hetgeen in bijlage A van
het Delegatiebesluit 1993 is vermeld, is
grotendeels in paragraaf 2 opgenomen.
Wat betreft bijlage B van het
Delegatiebesluit 1993: ook in die gevallen waarin twijfel is over de vraag
of het BBA van toepassing is en de
behandeling van het verzoek uitmondt in
een toestemming "voor zover rechtens
vereist", geldt de procedure, zoals
neergelegd in deze regeling. Voor
deze gevallen hoeft dus niet iets
afzonderlijk te worden bepaald. In bijlage C van
het Delegatiebesluit 1993 wordt erop gewezen dat bij een zogenaamd
collectief arbeidsconflict de Regionaal Directeur
er rekening mee moet houden dat hij door het behandelen van
de ontslagaanvragen het conflict aanmerkelijk kan beïnvloeden. Een
bepaling die voorschriften bevat hoe
te handelen in een dergelijke situatie
is echter niet nodig: de onderhavige
regeling en de Awb bevatten voldoende waarborgen voor een zorgvuldige
behandeling van ontslagaanvragen, zoals
de redelijkheidsmaatstaf (artikel 3:1), de
voorwaarden waaraan moet worden
voldaan bij de afzonderlijk ontslaggronden en het
motiveringsvereiste (artikel 4:16 [zie artikel
3:46, red.] van de Awb).
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
BIJLAGE
A
Titel: Ontslagen in het
schoonmaakbedrijf
Gelet op de bijzondere aard van de dienstverlening van het
schoonmaakbedrijf worden in geval van ontslag wegens beëindiging of
inkrimping van een project werknemers voor ontslag in aanmerking
gebracht met toepassing van
artikel 4:2, eerste lid, met dien
verstande dat daarbij niet wordt uitgegaan van de bedrijfsvestiging,
maar van die ploegen binnen de bedrijfsvestiging:
- die korter dan één
jaar, te rekenen vanaf de startdatum van
het project, samenwerken;
- waarbinnen in het
voorafgaande jaar méér dan eens de
samenstelling is gewijzigd, anders dan
bijvoorbeeld tengevolge van inval of
uitval wegens ziekte, vakantie, promotie, opleiding of ontslag van een
werknemer.
Voor deze
afwijkingsmogelijkheid is gekozen omdat bij één
vestiging van een schoonmaakbedrijf
meerdere schoonmaakprojecten
kunnen zijn aanbesteed en een strikte toepassing
van
artikel 4:2, eerste lid, per
categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging tot onredelijke resultaten kan leiden. Dit zou er onder
meer toe kunnen leiden dat werknemers met
een uitwisselbare functie,
werkzaam in het kader van een ander
project, op grond van een kortere
diensttijd ontslagen zouden moeten worden,
hoewel het project waarin zij werken - vaak al lange tijd in een vaste
ploeg - niet wordt beëindigd.
Voor de betrokken werknemers die vaak al lange tijd in
één ploeg werkzaam zijn, is het ontslag in
zo’n geval veelal onbegrijpelijk,
omdat het project waar zij werkzaam zijn
niet wordt beëindigd.
De herindeling van
bestaande ploegen die hiervan
noodzakelijkerwijs het gevolg zou zijn, zou voor
werkgevers een groot probleem
vormen, omdat:
- tengevolge van de
looptijd (gemiddeld drie jaar) van de projecten
vrij frequent opnieuw een indeling van
ploegen gemaakt moet worden;
- de veelvuldige
herindelingen de kwaliteit van de
dienstverlening in gevaar zou kunnen brengen;
- opdrachtgevers in de
praktijk veel waarde blijken te hechten
aan een vaste ploeg schoonmakers,
waarin zij vertrouwen hebben.
BIJLAGE
B
Titel: Ontslagen in de
uitzendsector
In
geval van een verzoek om toestemming tot opzegging van de
arbeidsverhouding vanwege bedrijfseconomische redenen dat is ingediend
door een uitzendwerkgever, is deze bijlage van toepassing. Onder
uitzendwerkgever wordt in deze bijlage verstaan de werkgever
(natuurlijke persoon of rechtspersoon):
- die als doelstelling heeft om in het kader van beroep of bedrijf
werknemers ter beschikking te stellen aan derden (opdrachtgevers) om
onder hun leiding en toezicht werkzaam te zijn en zodoende vraag en
aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar te brengen (hetgeen kan blijken uit
de statuten van de werkgever-rechtspersoon dan wel uit andere feiten of
omstandigheden zoals het openstellen van de mogelijkheid tot
inschrijving door werkzoekenden); én
- wiens premieplichtige loonsom op jaarbasis voor ten minste 50% wordt
gerealiseerd in het kader van uitzendovereenkomsten als bedoeld in
artikel 7:690 BW (onder andere conform het Besluit
indeling uitzendbedrijven van 6 oktober 1999 als vermeld in Staatscourant
2000, 49).
Indien de werkgever aan deze twee criteria
voldoet, zijn de ontslagregels in deze bijlage van toepassing ten
aanzien van werknemers met wie uitdrukkelijk is overeengekomen dat zij
uitsluitend en voor de volledige bedongen arbeidsduur onder toezicht en
leiding van een derde werkzaam zullen zijn. Daarbij worden korte
perioden waarin deze werknemers ter vermijding van leegloopkosten
eventueel anderszins werkzaam zijn buiten beschouwing gelaten. Een
dergelijk ontslag voor één of meer
werknemers moet aannemelijk worden
gemaakt aan de hand van bescheiden
waaruit blijkt dat de inleenopdracht is
komen te vervallen en herplaatsingsmogelijkheden ontbreken.
Voor de beoordeling van
de herplaatsingsmogelijkheden is de actuele situatie relevant en worden de
herplaatsingsinspanningen door werkgever - afhankelijk van de periode dat een
werknemer heeft gewerkt - gepleegd in een periode van één, drie of
vier maanden, te rekenen vanaf het
moment dat de inleenopdracht is komen
te vervallen. Indien werknemer
korter dan vijf jaar heeft gewerkt, spant werkgever zich ten minste
één maand in om
de werknemer(s) te herplaatsen, bij
een arbeidsverleden van vijf tot tien jaar voor een periode van ten
minste drie maanden en indien een werknemer meer
dan tien jaar heeft gewerkt,
gedurende een periode van ten minste vier maanden. Het spreekt voor zich dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
genoemde
termijnen buiten beschouwing kan laten
indien hierdoor de werkgelegenheid van de
overige werknemers in gevaar zou
worden gebracht.
Bij aanwezige
herplaatsingsmogelijkheden neemt werkgever voor het
doen van een aanbod de
volgorde van de opgebouwde diensttijd van
de met ontslag bedreigde werknemers zoveel mogelijk in acht.
Gelet op het specifieke,
driezijdige karakter van de
uitzendrelatie, waarbij het inbreken in een
lopende uitzendrelatie onder omstandigheden op gespannen voet kan komen
te staan met het genoemde
bijzondere karakter van de uitzendsector, worden in geval van ontslag
wegens beëindiging van een inleenopdracht werknemers voor ontslag in
aanmerking gebracht met toepassing van artikel 4:2,
eerste lid, met dien verstande dat daarbij niet wordt uitgegaan van alle
inleenopdrachten van de bedrijfsvestiging, maar slechts van:
- de inleenopdrachten
met uitwisselbare functies bij het
inleenbedrijf waar de werknemer laatstelijk
werkzaam was; en
- de inleenopdrachten
op grond waarvan bij andere
inleenbedrijven per inleenbedrijf in totaal
vier of meer werknemers werkzaam zijn
in uitwisselbare functies.
Van de inleenopdrachten
bij andere inleenbedrijven blijven
in ieder geval die inleenopdrachten
buiten beschouwing waarvan de resterende
duur twee maanden of minder
bedraagt, te rekenen vanaf het moment
waarop de inleenopdracht voor de
voor ontslag voorgedragen werknemer(s)
is komen te vervallen.
Voor deze beperking van
het toepassingsgebied van artikel 4:2,
eerste lid, is gekozen, omdat op deze
wijze lopende uitzendrelaties
op grond van uitzendopdrachten bij
andere inleenbedrijven dan degene waarbij de
werkzaamheden komen te vervallen zo min mogelijk behoeven te
worden doorkruist.
Bij de toepassing van artikel 4:2,
eerste lid, wordt uitgegaan van het moment waarop de
betreffende inleenopdracht en dus de
uitzendarbeid voor de betrokken werknemer(s) is komen te vervallen.
Afwijking
van artikel 4:2,
eerste lid, is mogelijk op grond van artikel
4:2, derde,
vierde en vijfde lid.
BIJLAGE
C
Vervallen
m.i.v. 1 maart 2006
|
|