|
Het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming;
Gelet op het bepaalde in de
artikelen 27c, derde lid, van de Werkloosheidswet,
36b van de Werkloosheidswet, 33b
van de
Ziektewet, 45c, derde
lid, van de Ziektewet, 29c, derde lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
57b van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 20c, derde lid, Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
48b van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 14c, derde lid, van de Toeslagenwet en
20b van de Toeslagenwet;
Besluit:
I.
Definities
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. WW: Werkloosheidswet;
b. ZW: Ziektewet;
c. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wazo: Wet
arbeid en zorg;
f. Wajong: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
g. Wet WIA: Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
h. TW: Toeslagenwet;
i. schuldenaar: degene aan
wie een boete is opgelegd of van wie
een bedrag wordt teruggevorderd;
j. boete: een boete als
bedoeld in het eerste lid van de artikelen 27a
van de WW,
45a van de ZW, 29a
van
de WAO, 48 van de WAZ,
3:16 en 3:27
van de Wazo, 40 van
de Wajong, 91
van de Wet WIA en 14a
van de TW;
k. vordering: het bedrag dat
wordt teruggevorderd op grond van
de artikelen 36 van de WW,
33 van de ZW,
57 van de WAO, 63 van de WAZ,
3:16 en 3:27
van de Wazo,
55 van de Wajong, 77
van de Wet WIA of 20 van de TW of
het bedrag dat als boete is opgelegd;
l. wettelijke rente en de
kosten van invordering: de wettelijke
rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, bedoeld in het zesde lid van de artikelen 27g van de WW,
45g van de ZW, 29g
van de WAO, 54
van de WAZ, 3:16
en 3:27 van de Wazo,
46 van de Wajong,
96 van de Wet WIA en
14g van de TW;
m. aflossingscapaciteit: het
deel van het inkomen van de schuldenaar
dat met inachtneming van de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c
tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden
aangewend voor betaling of verrekening
van de vordering;
n. vermogen:
vermogensrechten, onroerende en roerende zaken, niet zijnde
gebruikelijke huisraad, waarvan de dagwaarde per zaak
€|1134,00 of
meer bedraagt;
o.
inlichtingenverplichting: de
verplichting, bedoeld in de artikelen 25
van de WW, 31, eerste lid,
en 49 van de ZW, 80 van de WAO,
70 van de
WAZ, 3:16 en 3:27
van de Wazo, 62 van de Wajong,
27 van de Wet WIA en
12 van
de TW;
p.
bijstandsnorm: de voor de schuldenaar op grond van de in hoofdstuk
3, paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3,
genoemde artikelen van de Wet werk en bijstand
geldende bijstandsnorm;
q. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
r. aflossingstermijn: termijn
waarbinnen de vordering wordt verrekend of betaald.
II. Termijn of
termijnen waarbinnen moet worden betaald
Art. 2.
Het UWV stelt
de termijnen waarbinnen de vordering
wordt verrekend of betaald vast met
inachtneming van deze regeling.
Art. 3.
Als de schuldenaar recht
heeft op een nabetaling van het UWV, de Sociale Verzekeringsbank
of een college van burgemeester en wethouders, dient de vordering
terstond te worden voldaan door verrekening met de nabetaling.
Vervolgens wordt de
vordering voor zover mogelijk voldaan door
verrekening met een lopende uitkering.
Als dit niet mogelijk is, vindt
aflossing plaats door betaling in termijnen door de schuldenaar.
Art. 4.
-1. Indien de vordering tot
en met €|52,00 bedraagt, stelt het UWV
de wijze waarop en de
termijnen waarbinnen deze vordering
moet worden voldaan vast, zonder de
schuldenaar in de gelegenheid te stellen
een voorstel te doen inzake de
voldoening van de vordering.
-2. Het UWV kan
de termijnen van betaling of verrekening
vaststellen conform een met redenen omkleed voorstel van de
schuldenaar, mits volgens dit voorstel de gehele vordering binnen twaalf
maanden wordt
voldaan en de schuldenaar dit
voorstel heeft gedaan binnen zes weken
nadat hem daartoe de gelegenheid
is geboden door het UWV.
Art. 5.
-1. Onverminderd
artikel 4 stelt het UWV
de aflossingstermijnen vast na overleg met de schuldenaar en met
inachtneming van dit artikel, tenzij:
a. het UWV de aflossingstermijnen
heeft vastgesteld op voorstel van de schuldenaar, bedoeld in
artikel 4;
b. de vordering een boete betreft;
c. de onverschuldigde betaling het
gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een boete is
opgelegd; of
d. de onverschuldigde betaling het
gevolg is van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of
waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden.
-2. Onverminderd het bepaalde
in artikel 7 wordt de vordering geheel
voldaan door middel van periodieke
betalingen of verrekeningen gedurende
36 maanden te rekenen vanaf de dag waarop het UWV aan de schuldenaar kennis heeft
gegeven van de vaststelling van de
termijnen. De aflossingstermijn is ter hoogte van de volledige
aflossingscapaciteit hetgeen een betaling gedurende
minder dan 36 maanden met zich mee kan
brengen.
-3. In
afwijking van het tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de
schuldenaar ten minste de halve aflossingscapaciteit toegepast onder de
voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan gedurende 36 maanden te
rekenen vanaf de dag dat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven
van de termijnen. De schuldenaar wordt erop gewezen dat ambtshalve
kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 36,
derde lid, van de WW, 33,
derde lid, van de ZW,
57, derde lid, van de WAO, 63,
derde lid, van de WAZ,
55, derde lid, van de Wajong, 20,
derde lid, van de TW, 77,
derde lid, van de Wet WIA of artikel 3:16
en 3:27 van de Wazo
niet mogelijk is.
-4. Indien de schuldenaar
voorstelt om hogere periodieke betalingen
te doen dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, stelt het UWV de termijnen conform dit voorstel vast.
-5. Indien de schuldenaar,
bij aanwending van zijn volledige
aflossingscapaciteit, de vordering niet binnen 36
maanden volledig zal kunnen voldoen,
wendt hij zijn vermogen aan zodat
een zodanig gedeelte van de vordering
binnen zes weken, nadat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft
gegeven van de vaststelling van de termijnen, wordt voldaan dat hij de
resterende vordering binnen 36 maanden
kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar
ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de
gehele vordering binnen 36 maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem
bekend is gemaakt, behoeft
de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-6. De periodieke betaling of
verrekening wordt gesteld op de
volledige aflossingscapaciteit
verminderd met 5% van de bijstandsnorm,
indien:
a. de schuldenaar met
aanwending van zijn volledige
aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de
vordering binnen 36 maanden te voldoen;
en
b. periodieke betaling of
verrekening gedurende 60 maanden van het
aldus verkregen bedrag leidt tot
een grotere aflossing dan betaling of
verrekening gedurende 36 maanden van het
op grond van het tweede en derde lid verkregen bedrag.
Art. 6.
-1. Dit artikel is van
toepassing indien de vordering:
a. een boete betreft;
b. het gevolg is van het
niet nakomen van de inlichtingenverplichting
dan wel van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden.
-2. Het UWV stelt de aflossingstermijnen zodanig vast
dat gebruik wordt gemaakt van de
volledige aflossingscapaciteit van de
schuldenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tenzij het
UWV de termijnen heeft vastgesteld conform
het bepaalde in artikel 4.
-3. Indien de schuldenaar
voorstelt om hogere betalingen te doen
dan het bedrag ingevolge het tweede
lid, stelt het UWV de
termijnen conform dit voorstel vast.
-4. Indien de schuldenaar de
vordering niet binnen twaalf maanden
volledig zal kunnen voldoen, wendt hij
zijn vermogen aan zodat een zodanig
gedeelte van de vordering binnen zes weken,
nadat het UWV aan de
schuldenaar kennis heeft gegeven van de
vaststelling van de termijnen, wordt voldaan dat hij de resterende vordering binnen
twaalf maanden kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar
ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de
gehele vordering binnen twaalf maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem
bekend is gemaakt, behoeft
de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-5. Onverminderd het bepaalde
in artikel 8 stelt het UWV de termijnen waarbinnen wordt verrekend
of moet worden betaald vast
over een periode van meer dan twaalf maanden indien de schuldenaar, ook
na aanwending van zijn vermogen, niet in staat is om de vordering binnen
twaalf maanden te voldoen.
Art. 7.
-1. Indien de schuldenaar een
betalingsregeling heeft getroffen met één of
meer derden die beschikken over
een executoriale titel, kan het UWV rekening houden met deze betalingsregelingen
bij de vaststelling van de termijn
of termijnen waarbinnen wordt verrekend
of betaald. Het bedrag van de verrekening of betaling wordt in elk
geval niet gesteld op een lager bedrag
dan het aandeel waarop het UWV aanspraak zou kunnen maken bij verrekening
met een lopende uitkering
respectievelijk executoriaal beslag door het UWV op
loon, sociale uitkeringen of
andere periodieke betalingen, indien door deze
derden beslag zou zijn gelegd. Het UWV is bevoegd om een schuldeiser
met wie de schuldenaar, ten minste één
jaar vóór de beslissing tot
terugvordering is afgegeven, een betalingsregeling is
overeengekomen, gelijk te stellen met een
schuldeiser die in het bezit is van een executoriale titel.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt op de aflossingscapaciteit
in mindering gebracht de betaalde
bijdrage tot €|113,00
per persoon in:
a. levensonderhoud van de
ex-echtgenoot;
b. de kosten van verzorging
en opvoeding van minderjarige kinderen
die niet tot het huishouden behoren;
c. levensonderhoud en studie
van meerderjarige kinderen tot 27 jaar.
-3. Indien het UWV zijn
medewerking verleent aan een gerechtelijk of
buitengerechtelijk akkoord ter sanering van de schulden van de schuldenaar
kan, in afwijking van het eerste en
tweede lid, worden ingestemd met een ander aandeel in de aflossingscapaciteit
en het betrekken van vorderingen
van andere schuldeisers in de
vaststelling van dit aandeel, indien:
a. de vordering van het UWV ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met vorderingen van
schuldeisers met gelijke rang en het te ontvangen deel van de vordering van het
UWV van ten minste dezelfde omvang is als kan
worden verkregen indien een
saneringsplan als bedoeld in artikel 343
van de Faillissementswet
wordt vastgesteld; en
b. het UWV noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling
wordt achtergesteld bij gelijkbevoorrechte
schuldeisers; en
c. redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat de schuldenaar, afgezien
van de daarvoor te vervullen
formaliteiten, in aanmerking zou komen voor
de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Art. 8.
Onverminderd het bepaalde in
de artikelen 5 en 7 wordt de periodieke
betaling of verrekening gesteld op de
volledige aflossingscapaciteit
verminderd met 5% van de bijstandsnorm indien de schuldenaar de vordering
na vijf jaar niet volledig heeft voldaan met inachtneming van de conform de vorige
artikelen vastgestelde termijnen.
Art. 9.
Indien de schuldenaar op
enig tijdstip niet volgens de vastgestelde
termijnen betaalt, wordt de vordering
opeisbaar.
Art. 10.
Indien de schuldenaar de verplichting, bedoeld in de artikelen 27a,
vijfde lid, of 36, zesde lid, van de WW,
33, zesde lid, of 45a,
vijfde lid, van de ZW,
29a, vijfde lid, of 57, zesde
lid, van de WAO, 77,
zesde lid, of 91, vijfde lid, van de Wet
WIA,
48, vijfde lid, of 63,
zesde lid, van de WAZ, 3:16
en 3:27 van de Wazo,
40, vijfde lid, of 55,
zesde lid, van de Wajong of 14a,
vijfde lid, of 20, zesde lid, van de TW
niet nakomt, wordt de vordering opeisbaar.
Art. 11.
Het UWV kan de
vastgestelde aflossingstermijnen herzien wegens
gewijzigde omstandigheden met
inachtneming van deze regeling.
III.
Rente en kosten
Art. 12.
-1. De wettelijke rente en de
kosten van invordering zijn
verschuldigd vanaf het tijdstip dat de termijn is
verstreken waarbinnen volgens het
besluit van het UWV moest
worden betaald.
-2. De op de invordering
betrekking hebbende kosten bedragen:
a. 15% van de resterende
vordering, doch ten minste €|45,00 en
ten hoogste €|681,00; alsmede
b. de kosten van betekening
en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals
vastgesteld bij of krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken.
IV. Toerekening van
betalingen
Art. 13.
-1. Tenzij de schuldenaar een
andere vordering aanwijst, wordt een
betaling die zou kunnen worden
toegerekend aan twee of meerdere
vorderingen, op de eerste plaats toegerekend
aan een verschuldigde boete.
-2. Zijn er vervolgens nog
meerdere vorderingen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan
wordt deze op de eerste plaats
toegerekend aan de oudste. Zijn de vorderingen
even oud, dan geschiedt de toerekening
naar evenredigheid.
-3. Betaling op een bepaalde
vordering strekt eerst in mindering
van de kosten, vervolgens de verschenen
rente en ten slotte de hoofdsom en de
lopende rente.
V. Hardheidsclausule
Art. 14.
Ingeval de toepassing van deze regeling leidt tot een kennelijke
hardheid, is het UWV bevoegd
van het gestelde in deze regeling af te wijken.
VI. Slotbepalingen
Art. 15.
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 1994
ingediende voorstel van wet houdende
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling
van een stelsel van administratieve
sancties, alsook tot wijziging van de daarin
vervatte regels tot terugvordering
van ten onrechte betaalde uitkering
en de invordering daarvan (Wet
boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) tot
wet wordt verheven en in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde
tijdstip in werking. Indien deze regeling na inwerkingtreding van genoemde wet wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant, treedt deze regeling in
werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst.
Art. 16.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling betaling, terugvordering en
tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen.
Dit besluit
¹ zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
1. Volgens de redactie
dient "dit besluit" te worden vervangen door: deze regeling.
Amsterdam, 6 juni 1996.
J. Ruiter, plv. voorzitter.
TOELICHTING
[6 juni 1996]
Op grond van de artikelen
27c, derde lid, van de WW, 36b
van de
WW, 33b van de ZW,
45c, derde lid,
van de ZW, 29c, derde lid, van de WAO,
57b van de WAO, 20c, derde lid, van
de AAW, 48b van de AAW, 14c, derde
lid, van de TW en 20b
van de TW stelt
het Tica [Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de
rechtsvoorganger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv), dat met ingang van 1 januari 2002 is opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] regels omtrent de
terugvordering en de tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als bedoeld
in de artikelen 36 van de WW,
33 van de ZW,
57 van de WAO, 48 van de AAW en
20 van de TW. De artikelen 27c
van de WW, 45c
van de ZW,
29c van
de WAO, 20c van de AAW en 14c
van de TW bevatten een overeenkomstige bepaling over de boeten. Het
Tica stelt in dit besluit regels
omtrent de termijnen waarbinnen wordt betaald, de
toerekening van betalingen en de berekening van rente en kosten bij de tenuitvoerlegging van
besluiten tot terugvordering
respectievelijk boeteoplegging.
Artikel 1
Dit artikel geeft enige
definities.
Artikel 3
Op de eerste plaats wordt de
vordering verrekend met beschikbare
nabetalingen. Bijvoorbeeld bij een
herziening van een WW-uitkering omdat
recht blijkt te bestaan op een WAO-uitkering over dezelfde periode, volgt
direct verrekening van de terugvordering WW met de nabetaling WAO.
Voor zover verrekening niet
mogelijk is, dient de vordering te
worden voldaan door verrekening met een
lopende uitkering of terugbetaling
door de schuldenaar. Indien de
schuldenaar de gehele vordering niet
terstond voldoet, stelt de bedrijfsvereniging [met ingang van 1 maart
1997 zijn ingevolge de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 de bedrijfsverenigingen opgeheven en is het
Lisv
ervoor in
de plaats getreden, red.] de termijnen waarbinnen wordt verrekend
of moet worden betaald.
Artikel 4
Indien de vordering tot en
met ƒ100,- bedraagt, is het niet
noodzakelijk de termijnregeling van dit besluit toe te
passen. Dit volgt uit overwegingen
van doelmatigheid.
Een aannemelijk voorstel
waarbij de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan, wordt in
beginsel geaccepteerd. Deze regel berust
voornamelijk op een kosten-batenanalyse;
in dergelijke gevallen is een
inkomensonderzoek niet lonend. Onder deze
regel vallen zowel betalingsregelingen
met een looptijd van twaalf maanden als
betaling ineens op een later
tijdstip, maar binnen twaalf maanden. Bij betaling
ineens kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan betaling in de maand dat de
debiteur vakantietoeslag of een
dertiende maand ontvangt.
Het voorstel dient met
redenen te zijn omkleed om de
bedrijfsvereniging de mogelijkheid te bieden te
beoordelen of aannemelijk is dat de
schuldenaar de regeling zal nakomen. De
bedrijfsvereniging zal bijvoorbeeld een voorstel om in een willekeurige maand
het gehele bedrag te betalen afwijzen als de debiteur niet kan aangeven waarom hij nu niet, maar in
de betreffende maand wel de
middelen heeft om in één keer te
betalen. Ook zal de bedrijfsvereniging
een voorstel dat, gelet op de belangen
van bedrijfsvereniging en
schuldenaar, onvoldoende recht doet aan
de belangen van de bedrijfsvereniging
kunnen afwijzen.
Artikelen 5 en
6
Artikel 5 is
- kort gezegd -
van toepassing indien overtreding van de
inlichtingenplicht niet aan de orde is. Hierbij geldt een lichter regime dan
indien dit wel het geval is waarvoor
artikel 6 geldt.
Een betaling in termijnen
met een looptijd van ten hoogste 60 maanden
is acceptabel indien daarbij
ten minste 50% van de
aflossingscapaciteit wordt aangewend. Voor de
vaststelling van het bedrag van verrekenings-
of betalingstermijnen wordt - uitgaande van maandelijkse termijnen - de
vordering gedeeld door 60. De uitkomst
van deze deling is het bedrag dat
wordt verrekend of moet worden betaald. Een voorstel van de schuldenaar
om een hoger bedrag per keer te
voldoen, wordt echter gevolgd. Is de
uitkomst van de deling minder dan de helft van de aflossingscapaciteit, dan
wordt het bedrag verhoogd tot de helft
van de aflossingscapaciteit, zodat
de vordering in minder dan 60 maanden
wordt voldaan.
Is de uitkomst van de deling
meer dan de (gehele)
aflossingscapaciteit, dan dient de schuldenaar
beschikbaar vermogen aan te wenden voor een
zodanige betaling ineens, zodat het
restant in 60 maanden kan worden
afgelost. Als de belanghebbende echter
voldoende zekerheid stelt voor dit
bedrag, kan hij de betaling uitstellen. Op deze wijze wordt aan de
belanghebbende tijd gegund om het benodigde
bedrag vrij te maken op een manier die zo
min mogelijk bezwarend is, terwijl de
bedrijfsvereniging voldoende waarborgen heeft dat de belanghebbende de vordering
daadwerkelijk zal voldoen.
Onder vermogen wordt in dit
verband onder andere verstaan
vermogensrechten en onroerende en roerende
zaken met een dagwaarde per zaak
van ƒ2500,- of meer, met
uitzondering van gebruikelijke huisraad.
Als de debiteur niet in staat is om binnen
60 maanden de gehele vordering
af te lossen, wordt van hem verwacht dat
hij dergelijke zaken te gelde
maakt om zijn schuld aan de
bedrijfsvereniging te voldoen. Tot het vermogen behoren dus zaken zoals een auto of een
caravan, maar ook een woning die
gedeeltelijk vrij is van hypotheek.
Als de schuldenaar ook na
aanwending van eventueel vermogen en de
volledige aflossingscapaciteit niet in
staat is om de vordering binnen 60
maanden te voldoen, worden de termijnen
vastgesteld op een langere periode dan
vijf jaren waarbinnen de
schuldenaar de vordering kan voldoen.
Artikel 8 dient hierbij te worden toegepast.
Behoudens de in artikel 6,
tweede lid, genoemde uitzonderingen
wordt bij de invordering van een boete of
terugvordering naar aanleiding van een
overtreding van de inlichtingenplicht
dan wel een gedraging waarvan de
bedrijfsvereniging aangifte heeft gedaan of
waarvan proces-verbaal is opgemaakt
en ingezonden de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar
aangewend. Er wordt alleen een langere
termijnregeling toegestaan als de
schuldenaar, ook bij aanwending van vermogen, niet in staat is binnen
twaalf maanden te betalen. Ook dan moet de debiteur maandelijks zijn gehele
aflossingscapaciteit aanwenden om de vordering te voldoen. De betaling binnen
twaalf maanden kan ook op grond van een
voorstel als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de schuldenaar tot stand zijn
gekomen. Het kan voorkomen dat de
inlichtingenplicht wordt overtreden maar toch geen boete wordt opgelegd,
bijvoorbeeld als geen sprake is van
verwijtbaarheid. Het kan echter enige tijd duren voordat wordt besloten
tot oplegging van een boete in
verband met de hoorplicht en dergelijke.
Om het invorderingsproces niet op
te houden kan het zware regime van artikel 6 direct worden toegepast
indien de bedrijfsvereniging vaststelt
dat de inlichtingenplicht is
overtreden en hoeft het moment van boeteoplegging niet te worden afgewacht. Als later
van oplegging van een boete wordt afgezien,
geldt vanaf dat moment het lichte
regime van artikel 5.
Artikel 7
Met een bedrag dat lager is
dan de ingevolge dit besluit aan te
wenden aflossingscapaciteit kan
genoegen worden genomen als de
bedrijfsvereniging bij beslaglegging ook niet
de gehele aflossingscapaciteit zou
kunnen opeisen. Het heeft immers geen zin
tot executie over te gaan als dat niet
meer zou opleveren dan bij een
minnelijke regeling. Het termijnbedrag wordt dan ten minste vastgesteld op het bedrag
dat bij executie zou kunnen worden
verkregen als andere schuldeisers ook beslag leggen.
Slechts in
uitzonderingsgevallen zal de bedrijfsvereniging deze
bepaling niet toepassen, bijvoorbeeld
indien de door de schuldenaar opgevoerde
schuld aan een derde schuldeiser niet
aannemelijk is.
Het termijnbedrag kan ook op
een hoger bedrag worden gesteld,
bijvoorbeeld als de andere schuldeiser in
het kader van de
betalingsregeling een lagere aflossing ontvangt
dan het bedrag waarop hij bij
beslaglegging aanspraak heeft.
Als de vordering kan worden
verrekend met een lopende uitkering, is
de bedrijfsvereniging in
bepaalde gevallen bevoegd om ondanks een
(eventueel) gelegd beslag door een derde
haar vordering met voorrang te verrekenen
mits de vordering en de uitkering
voortvloeien uit dezelfde
rechtsverhouding. Dit is vrijwel altijd het geval. Een voorbeeld waarbij dit niet het geval
is doet zich voor indien de
vordering een vrijwillige verzekering betreft en de
uitkering voortvloeit uit een
verplichte verzekering. Als de vordering en de uitkering niet uit dezelfde
rechtsverhouding voortvloeien, is de
bedrijfsvereniging bevoegd om de vordering met voorrang te verrekenen
indien de vordering van de bedrijfsvereniging is opgekomen en opeisbaar is
geworden voordat het (eventuele)
beslag werd gelegd. Het voorgaande volgt
uit artikel 6:130 van het Burgerlijk
Wetboek.
Het kan redelijk zijn om
lopende betalingsregelingen waarvoor (nog) geen vonnis is omdat de debiteur
vrijwillig betaalt, op dezelfde manier
in aanmerking te nemen.
Om te voorkomen dat rekening
moet worden gehouden met
regelingen die zijn aangegaan toen de
boeteoplegging of terugvordering al
voorzienbaar was, wordt de eis gesteld dat
deze regelingen ten minste al één jaar moeten
lopen.
Artikel 8
Als na verloop van vijf
jaren de vordering nog niet geheel is voldaan,
kan niet van de schuldenaar worden
gevergd dat hij nog langer zijn
volledige aflossingscapaciteit aanwendt. Na vijf jaren
worden de termijnen zodanig
vastgesteld dat de belanghebbende een
besteedbaar inkomen heeft ter hoogte van
het volledige sociaal minimum. Is de
belanghebbende in verband met de vrijlating
van inkomen niet in staat
betalingen te verrichten, dan wordt de
vordering opgeschort tot een later moment. Kwijtschelding vindt niet
plaats.
Artikel 9
In alle gevallen geldt dat
de resterende vordering opeisbaar wordt
als de debiteur niet op de vastgestelde
tijdstippen betaalt. De
bedrijfsvereniging neemt deze voorwaarde op in het
besluit waarin de termijnen van
betaling of verrekening worden vastgesteld.
Als de debiteur zich niet
aan de vastgestelde termijnen houdt, zal de bedrijfsvereniging de beschikking ten uitvoer
leggen conform het bepaalde
in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. De bedrijfsvereniging is
daarbij niet meer gebonden aan
afgesproken termijnen, maar kan dan
beslag leggen op de gehele aflossingscapaciteit en eventueel vermogen.
Artikel 10
De bedrijfsvereniging
bepaalt eveneens dat de vordering opeisbaar
is als de schuldenaar zijn medewerking
weigert aan het onderzoek benodigd
voor de vaststelling van de
termijnen, bijvoorbeeld door te weigeren inzicht in
zijn inkomen of vermogen te
geven. De bedrijfsvereniging beschikt
dan door toedoen van de debiteur niet
over de informatie waarmee zij bij
de vaststelling van termijnen rekening moet
houden. Bij de tenuitvoerlegging van
dit besluit geldt op grond van
de artikelen 27g, tiende lid, van de WW,
36a, tweede lid, van de WW, 33a,
tweede lid, van de ZW, 45g, tiende
lid, van de ZW, 29g, tiende lid, van de WAO,
57a, tweede lid, van de WAO, 20g,
tiende lid, van de AAW, 48a, tweede
lid, van de AAW, 14g, tiende lid, van
de TW, 20a, tweede lid, van de TW
geen beslagvrije voet, bedoeld in
de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering,
zolang de schuldenaar nalaat om de
informatie te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging noodzakelijk is. In deze
situatie is de bescherming van
artikel 475g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering wel van
toepassing aangezien dit artikel niet
wordt genoemd in de artikelen 27g,
negende lid, van de WW, 45g, negende
lid, van de ZW, 29g, negende lid, van
de WAO, 20g, negende lid, van de AAW
en 14g, negende lid, van de TW, zodat
dit artikel niet is uitgesloten in de
situatie dat geen inlichtingen worden
verstrekt.
Artikel 11
Vooropgesteld wordt dat
artikel 475d, zevende lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat met gewijzigde
omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen
onverwijld rekening moet worden
gehouden nadat de schuldenaar heeft aangegeven dat hiervan sprake is.
Artikel 11 geeft een
aanvullende bevoegdheid om de
vastgestelde termijnen te herzien bij gewijzigde
omstandigheden. Zeker bij langlopende
regelingen kan er aanleiding zijn om
bij wijziging van de financiële
omstandigheden te bezien of de vastgestelde
termijnen moeten worden aangepast.
Vanzelfsprekend geldt dit zowel voor een
stijging als voor een daling van de
aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Bij de vaststelling van de nieuwe
termijn of termijnen is de
bedrijfsvereniging gebonden aan het bepaalde in
artikel 5 en 6. Dit betekent
bijvoorbeeld dat bij een vordering die niet het
gevolg is van een overtreding van de
inlichtingenplicht, de vordering in ten hoogste
60 maandelijkse termijnen moet
worden voldaan.
Bij een herziening van de
gestelde termijnen, blijft de bedrijfsvereniging
dus gebonden aan dit maximum
aantal termijnen. Indien de
gewijzigde omstandigheden bestaan uit een zodanige daling van het inkomen dat
de debiteur niet binnen dit maximum
aantal termijnen de vordering kan voldoen,
dan dient eerst het vermogen te
worden aangewend.
Artikel 12
Artikel 12 regelt vanaf welk
tijdstip rente verschuldigd is en
hoeveel de kosten van invordering bedragen. De
artikelen 27g, zevende lid, van de WW,
45g, zevende lid, van de
ZW, 29g, zevende lid, WAO,
20g,
zevende lid, van de AAW en 14g, zevende lid, van de TW bepalen dat de
verschuldigde boete of de terugvordering
bij gebreke van tijdige betaling wordt
verhoogd met de wettelijke rente en
de op de invordering betrekking
hebbende kosten. In dit artikel wordt nader
geregeld wanneer er sprake is van in
gebreke zijn met de tijdige betaling
en welke kosten behoren tot de kosten van invordering.
De schuldenaar is in gebreke
met tijdige betaling indien hij niet
betaalt binnen de door de
bedrijfsvereniging gestelde termijnen. Vanaf
dat moment is de schuldenaar wettelijke
rente en kosten verschuldigd.
De kosten van invordering
kunnen worden onderscheiden in de
kosten voor werkzaamheden verricht
door de bedrijfsvereniging en kosten
die de bedrijfsvereniging moet
maken voor de betekening van de
beschikking en de executie door de deurwaarder. De kosten voor de werkzaamheden van de bedrijfsvereniging worden
gesteld op 15% van de vordering, met een
minimum van ƒ100,- en een maximum
van ƒ1500,-. Bij deze kosten
moet worden gedacht aan extra administratiekosten, kosten voor extra onderzoek
naar inkomen en vermogen en de werkzaamheden voor het leggen van
vereenvoudigd derdenbeslag. Als de
vordering niet kan worden geïnd door het
leggen van vereenvoudigd derdenbeslag,
zal de bedrijfsvereniging een
deurwaarder moeten inschakelen voor de
betekening en het leggen van beslag.
Het Deurwaardersreglement, dat is gebaseerd op artikelen 53 tot en met 55
van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken, regelt welke bedragen aan de deurwaarder zijn verschuldigd voor deze
ambtshandelingen. Deze bedragen komen eveneens voor rekening van
de schuldenaar.
Artikel 13
In artikel 13 wordt de
toedeling van betalingen geregeld. Dat bij
meerdere vorderingen de betaling in
de eerste plaats wordt toegerekend aan
de boete is conform de wens van de
wetgever. Artikel 6:43 van het Burgerlijk
Wetboek bepaalt echter dat, indien
de schuldenaar een vordering
aanwijst, de betaling aan deze vordering
wordt toegerekend. Als de schuldenaar geen
vordering aanwijst, wordt artikel 13,
eerste lid, toegepast. Het is in
het belang van de schuldenaar om een betaling eerst aan een boete (of de andere
in artikel 6, eerste lid, genoemde vordering) toe te rekenen. Immers, de boete
moet in één jaar en de overige vorderingen in vijf jaar worden betaald. Conform
artikel 6:43 van het Burgerlijk
Wetboek wordt een betaling eerst aan de
oudste vordering toegerekend. Zijn de vorderingen even oud, dan geschiedt de
toerekening naar evenredigheid.
Artikel 6:44, eerste lid,
van het Burgerlijk
Wetboek regelt dat een
betaling eerst in mindering strekt
van de kosten, vervolgens de verschenen
rente en ten slotte de hoofdsom en de lopende rente.
Artikel 14
Artikel 14 bevat een
hardheidsclausule. Deze kan bijvoorbeeld
uitkomst bieden als het in een
uitzonderlijke situatie geboden lijkt om gedurende
enige tijd prioriteit te geven aan
aflossing van schulden aan andere
schuldeisers dan de bedrijfsvereniging.
Gedacht kan worden aan
dreigende afsluiting van
energielevering of ontruiming van de woning.
Amsterdam, 6 juni 1996.
J. Ruiter, plv. voorzitter.
|
|