|
REGELING van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, Directie
Sociale Verzekering, nr. SV/F&W/2003/90418B, houdende het buiten
toepassing verklaren van de maximale herlevingstermijn voor de uitkering op grond
van de Werkloosheidswet (Regeling herlevingstermijn
WW)
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 21, vierde
lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Buitentoepassingverklaring maximale herlevingstermijn
De termijn van zes maanden,
bedoeld in artikel
21, derde lid, van
de Werkloosheidswet, blijft buiten toepassing ten
aanzien van de werknemer, bedoeld in
de artikelen 7 en 8,
eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen
socialezekerheidswetten.
Art. 2.
Intrekking
De Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
21 juli 1994, nr. 943457 (Stcrt. 1994, 210), wordt ingetrokken.
Art. 3.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2004.
Art. 4.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling herlevingstermijn
WW.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 4 december 2003.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[4 december 2003]
In artikel
21, derde lid,
van de Werkloosheidswet (WW) wordt geregeld dat het recht op uitkering op
grond van de WW een maximale
herlevingstermijn heeft van zes maanden in de in
dat artikellid bedoeld situaties. Het gaat
hierbij onder andere om vakantie,
verblijf in het buitenland en
niet-beschikbaarheid anders dan wegens ziekte. Op
grond van artikel
21, vierde lid, van
de WW kan bij ministeriële regeling
worden geregeld dat deze maximale
herlevingstermijn buiten toepassing blijft
voor categorieën van werknemers. Met de
onderhavige regeling wordt van deze
bevoegdheid gebruik gemaakt.
De met de onderhavige
regeling ingetrokken ministeriële regeling
betrof tot 1 januari 2002 een besluit
van achtereenvolgens de Sociale Verzekeringsraad, het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming en het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. Met
de intrekking van die regeling en het
vaststellen van de onderhavige regeling is
thans volledig duidelijk - zonder dat een
aantal overgangsrechtelijke regelingen hoeven te worden geraadpleegd - dat
er een ministeriële regeling is met betrekking
tot het buiten toepassing verklaren
van de maximale herlevingstermijn
voor de uitkering op grond van de WW
en wat die regeling inhoudt.
Artikel 1 van deze regeling
bepaalt dat de herlevingstermijn van zes
maanden niet van toepassing is op oudere werknemers die op grond van de
Regeling vrijstelling verplichtingen WW zijn vrijgesteld van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing.
De in artikel
21, derde lid,
van de WW genoemde termijn van zes
maanden is onder meer ingegeven vanuit
de gedachte dat de band met de
arbeidsmarkt niet gedurende lange tijd
onderbroken mag zijn geweest, vanwege de
nadelige effecten daarvan op de kansen voor
werkhervatting. Deze reden gaat in het algemeen niet op ten aanzien van
oudere werknemers die blijvend zijn
vrijgesteld van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing. Daarom is er ten aanzien van
deze groep geen aanleiding om aan
deze beperking van het herlevingsrecht vast te houden. Voor deze groep
werknemers kan het recht op WW-uitkering derhalve
herleven ook indien de
uitkering langer dan zes maanden beëindigd is
geweest wegens één of meer van de in artikel
21, derde lid, van de WW
genoemde omstandigheden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|