|
1. Aanleiding
De Werkloosheidswet
(WW) biedt werklozen de mogelijkheid om
een periode waarin zij tijdelijk
geen betaalde arbeid verrichten
financieel te overbruggen. Bij de
inrichting van de WW staat het opnieuw
betaalde arbeid gaan verrichten
centraal. Ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt, in het bijzonder de
toegenomen spanningen op de arbeidsmarkt,
benadrukken het belang van een adequate
activeringsfunctie. Ter illustratie: eind 2007 stonden 236 000
vacatures open, waarvan circa de helft
moeilijk vervulbaar was. Op datzelfde moment ontvingen bijna 100 000
werklozen langer dan één jaar een
WW-uitkering.
Het kabinet is van oordeel
dat een tweetal aanpassingen van de Richtlijn
passende arbeid 1996 (Stcrt. 1996, 60) (verder: de richtlijn 1996) nodig is om
langdurige werkloosheid te voorkomen en
te beperken. In deze Richtlijn
passende arbeid 2008 (verder: de
richtlijn) zijn deze aanpassingen verwerkt.
De overige onderdelen van de richtlijn 1996 zijn nog relevant en worden
in deze richtlijn voortgezet, zij
het soms ingekort en anders geformuleerd.
Hiermee is geen inhoudelijke
wijziging beoogd.
2. Om welke aanpassingen
gaat het?
In de eerste plaats wordt
voor werkloze werknemers die ten minste 52 weken onafgebroken recht op
een WW-uitkering hebben gehad
(langdurig werklozen), arbeid op alle
niveaus als passend aangemerkt,
ongeacht het niveau van de arbeid waaruit
de betrokkenen werkloos zijn
geworden. Perioden waarin recht op een WW-uitkering bestaat, worden voor het
bepalen van het tijdvak van
52 weken samengeteld als zij elkaar
opvolgen met een onderbreking van
minder dan vier weken. Het
uitgangspunt blijft dat werklozen zich
eerst kunnen richten op werk waarvoor ze
op grond van ervaring of
opleiding gekwalificeerd zijn en dat
zij zich ruimer moeten opstellen, naarmate
zij langer werkloos zijn. Voor
iedere langdurig werkloze
WW-gerechtigde geldt echter dat het niveau
van beschikbare arbeid geen aanleiding meer is om die arbeid niet
passend te achten. Hervatting in
betaalde arbeid, op welk niveau dan ook,
verdient voor hen de voorkeur boven
het verder zoeken naar arbeid. Een
ruime oriëntatie op vervangende
arbeid vergroot niet alleen het aanbod op de arbeidsmarkt, maar eveneens
hun kansen op werk.
In de tweede plaats wordt de
richtlijn 1996 aangepast in samenhang
met een wijziging van de WW die
op dit moment wordt voorbereid. De
werkloze is in beginsel niet gehouden
om arbeid te aanvaarden waarvan
het loon minder bedraagt dan de
hoogte van de WW-uitkering. Dit
voorkomt dat van WW-gerechtigden
wordt gevergd dat zij zich
financieel benadelen door werk te aanvaarden. De voorgenomen wijziging van de
WW neemt voor langdurig
werklozen dit mogelijke nadeel weg. Door
de overstap van arbeidsurenverlies naar inkomstenverrekening is
aanvaarding van betaalde arbeid voor hen
in alle gevallen lonend, ook als het
nieuwe loon minder bedraagt dan de WW-uitkering. Het niveau van het loon is
voor langdurig werklozen
daarom geen aanleiding meer om
arbeid niet als passend aan te merken.
Wel blijft gelden dat de beloning in
overeenstemming moet zijn met de geldende CAO, respectievelijk met het
voor de betrokken werknemer geldende wettelijk
minimumloon.
Beide aanpassingen gelden
voor werklozen die op of na 1
juli 2008 recht krijgen op een WW-uitkering. De aanpassingen hebben
betrekking op langdurig werklozen en
zijn daarmee effectief vanaf 1 juli 2009.
De overstap van
arbeidsurenverlies naar inkomstenverrekening zal
naar verwachting ingaan per 1 april 2009 en zal gaan gelden voor iedere
WW-gerechtigde die op of na die datum het werk hervat en op dat
moment ten minste 52 weken
onafgebroken werkloos is. Indien deze
wijziging van de WW pas na 1 juli 2009 in
werking zou treden, dan blijft de
bepaling dat arbeid in beginsel niet
passend is als het loon minder bedraagt dan
de WW-uitkering, voor langdurig
werklozen gelden tot de
inwerkingtredingsdatum van die wetswijziging.
Deze richtlijn heeft geen
gevolgen voor niet-langdurig werkloze WW-gerechtigden
en voor werknemers die vóór 1 juli 2008 werkloos
zijn geworden. Voor hen blijft de richtlijn 1996
van kracht.
De richtlijn heeft geen
gevolgen voor schoolverlaters. Op grond
van het Besluit passende arbeid schoolverlaters en
academici (Stb. 1995, 604) is voor hen
alle arbeid direct vanaf de
eerste werkloosheidsdag passend, ongeacht de aard of het niveau van die
arbeid.
3. De inhoud van de
richtlijn
De richtlijn bevat
geobjectiveerde algemene normen over wat in
redelijkheid van een werkloze werknemer kan worden gevergd bij het
zoeken naar, aanvaarden van en
behouden van werk. Deze normen hebben betrekking op:
a. de aard van het werk,
gerelateerd aan het vroegere beroep en
het niveau van het werk dat
wordt bepaald door opleiding en
werkervaring;
b. de beloning voor het
werk;
c. de reisduur.
a. Aard van het werk
Als algemene regel geldt dat
de werknemer in beginsel een halfjaar de
tijd heeft om zich te richten op
arbeid op hetzelfde niveau als de
arbeid waarvoor hij zich door opleiding
en/of werkervaring heeft
gekwalificeerd en waaruit hij werkloos is
geworden. In deze periode is de werkloze
in beginsel niet verplicht werk op een lager niveau of in een ander
beroep te aanvaarden. Uitzondering hierop is de academicus die op grond van
het Besluit passende arbeid schoolverlaters en
academici ook op HBO-niveau arbeid moet accepteren.
Werklozen hebben aldus de
mogelijkheid om eerder verworven
kwalificaties opnieuw te benutten. Het
behoud van vakbekwaamheid is van
belang voor de betrokken werkloze,
maar ook in het belang van een
goed werkende arbeidsmarkt. De tijdsduur waarin een werkloze
werknemer in beginsel niet verplicht is
om arbeid op een lager niveau te
aanvaarden, is mede ingegeven door de
uitstroomgegevens van werklozen. Hieruit
blijkt dat binnen zes maanden circa
50% van de oorspronkelijke instroom op eigen kracht uit het
werklozenbestand stroomt in verband met het
aanvaarden van een baan.
In afwachting van arbeid op
het eigen niveau kan betrokkene als
opvularbeid wel flexwerk verrichten
waarvan het niveau niet overeenstemt
met de voorheen verrichte arbeid.
Ten aanzien van tijdelijk werk mag van betrokkene een flexibeler
opstelling worden verlangd.
Arbeid voor onbepaalde duur
in het eigen beroep doch van een
lager niveau is passend indien
mogelijkheden worden geboden om binnen een afzienbare termijn op het
eigen niveau terug te keren.
Naarmate de werkloosheid
voortduurt, wordt steeds meer arbeid als
passend beschouwd. De werkloze dient
zich ruimer op te stellen en
arbeid op een lager niveau en in een ander
beroep te accepteren. Bij het niveau
dat door opleiding en/of werkervaring
is bereikt, wordt uitgegaan van
perioden van een halfjaar.
Een werkloze werknemer die
zich heeft gekwalificeerd voor
werk op universitair of HBO-niveau
is gehouden om werk op MBO-niveau te aanvaarden indien hij er na een halfjaar werkloosheid niet in is
geslaagd werk op het eigen niveau te
vinden. Na één jaar werkloosheid is arbeid
op ieder niveau passend. Een werkloze
op MBO-niveau dient gedurende
het eerste halfjaar op zijn eigen
niveau te zoeken en in het halfjaar daarna werk op VMBO-niveau te
accepteren. Na afloop daarvan is alle
arbeid passend. Voor de persoon die werkloos
is geworden uit een baan
waarvoor VMBO-kwalificaties gelden,
is na zes maanden alle arbeid passend.
Voor werknemers die zich niet door werkervaring of opleiding voor een
bepaald beroep hebben gekwalificeerd, is direct bij aanvang van de
werkloosheid arbeid op alle niveaus passend. Samengevat in een schema
ziet dit er als volgt uit.
|
Niveau |
Academisch/
HBO |
MBO |
VMBO |
Basis |
| Kwalificatie: |
x |
| Academisch/HBO |
0
- 6 maanden |
6
- 12 maanden |
na
12 maanden |
na
12 maanden |
| MBO
¹ |
|
0
- 6 maanden |
6
- 12 maanden |
na
12 maanden |
| VMBO
² |
|
|
0
- 6 maanden |
na
6 maanden |
| Basis |
|
|
|
0
- 6 maanden |
1. Onder MBO-niveau
wordt mede verstaan HAVO/VWO-niveau.
2. Onder VMBO-niveau wordt mede verstaan MAVO-niveau.
Een
verdere indeling of specificatie naar beroep dan het vroegere
beroep of aanverwante beroepen is niet zinvol gezien de veelheid
aan vaak gespecialiseerde beroepen. Voor wat betreft het
aanvaarden van passende arbeid zou dit ook
minder relevant zijn. Indien de
werkloze niet beschikt over de voor een
specifiek beroep vereiste kwalificaties, zal een
aanbod voor het vervullen
hiervan achterwege blijven. Wel is men
gehouden ook tijdens het eerste halfjaar van de werkloosheid tijdelijk werk te
aanvaarden dat afwijkt van het
vroegere beroep, als de kwalificaties
van betrokkene dit mogelijk maken. Voor
langdurig werklozen kunnen ook gesubsidieerde banen passend zijn.
Een werknemer die
tijdens het recht op een WW-uitkering
een scholing heeft afgerond die
noodzakelijk is voor werkhervatting
kan zich - eventueel in afwijking van bovengenoemd schema - gedurende
zes maanden richten op werk op het
niveau waarvoor hij door die opleiding
is gekwalificeerd.
b. Loonniveau
Als algemene regel
dient te worden aangehouden dat de
werkloze werknemer zich gedurende het
eerste halfjaar na aanvang van de
werkloosheid kan richten op werk
waarvoor de beloning niet (veel)
lager is dan het voorheen verdiende
loon. Dit kan anders zijn als het
verdiende loon afwijkt van wat
vergelijkbare werknemers in het beroep van de
werkloze in de regel verdienen, of
dit loon is verkregen door het verrichten
van seizoenarbeid of arbeid op
uitzendbasis. Ook hier geldt dat naarmate de werkloosheid langer
duurt, concessies moeten worden gedaan
ten aanzien van het inkomen. Die
concessies corresponderen met het verschil in niveau van te
aanvaarden werkzaamheden, zoals hiervoor
aangegeven. Het loonniveau dient
in overeenstemming te zijn met de aard en
het niveau van de functie.
Arbeid waarvan het
loon minder bedraagt dan het uitkeringsniveau is in beginsel niet
passend, tenzij het dagloon waarnaar de
uitkering is berekend in betekenende mate afwijkt van hetgeen in de
regel in het beroep van de werkloze wordt
verdiend. Van de WW-gerechtigde
wordt in beginsel niet verlangd dat hij zich door werkhervatting financieel benadeelt.
Voor de werknemer op
wie inkomstenverrekening van toepassing is, levert werkhervatting
altijd een financieel voordeel op, ongeacht
de hoogte van het loon. Het loonniveau vormt dan geen belemmering
meer om arbeid als passend aan
te merken. Voor hen is arbeid op
alle loonniveaus passend. De beloning
dient wel in overeenstemming te
zijn met het voor betrokkene
geldende wettelijk minimumloon of de
geldende CAO, of met het
gebruikelijke loon in het beroep van de werknemer. Bij de beoordeling van de
passendheid kan rekening worden
gehouden met te maken reiskosten, voor
zover deze substantieel van aard
zijn.
c. Reisduur
Als algemene regel
dient te worden aangehouden dat
tijdens het eerste halfjaar van de
werkloosheid een werkaanbod passend is,
voor zover de reistijd niet meer bedraagt dan rond twee uur per dag, tenzij in
het oude beroep langere reistijden
voor betrokkene gebruikelijk waren. Na
het eerste halfjaar kunnen langere
reistijden met een maximum van rond drie
uur per dag (tenzij voorheen een
langere reistijd gebruikelijk was) in
beginsel geen belemmering vormen
voor het aanvaarden van een werkaanbod.
Bij voortdurende
werkloosheid is het feit dat voor het
aanvaarden van een baan zou moeten worden
verhuisd als zodanig geen argument
om een baan als niet passend te
beschouwen.
4. Het juridische
kader voor de richtlijn
Het begrip passende
arbeid is algemeen omschreven in artikel
24, derde lid, van de WW. Het
begrip is van belang voor de
invulling van de verplichtingen op grond van artikel
24, eerste lid, onderdeel b, van de WW.
Kort weergegeven
betreft dit de verplichtingen om in voldoende mate
te zoeken naar passende
arbeid (de sollicitatieplicht), een aanbod van
passende arbeid te aanvaarden
en om verkregen passende arbeid te
behouden. Het UWV past de
richtlijn toe op individuele gevallen
bij de toetsing van de naleving van de
arbeidsverplichtingen. Indien uit die
toetsing blijkt dat de
aanvaarding van aangeboden werk in redelijkheid
niet van betrokkene kan worden
gevergd, dan is de aangeboden
arbeid niet passend. Indien dit wel kan
worden gevergd, dan is de arbeid
passend. In wezen gaat het daarbij om
een afweging van het algemene belang
bij werkhervatting en beëindiging van
het beroep op de WW en het
individuele belang van betrokkene. Als betrokkene beschikt over de voor de arbeid
benodigde krachten en bekwaamheden en er geen medische en/of
sociale redenen zijn waarom de
werknemer de arbeid niet kan verrichten,
is de arbeid alleen in bijzondere
individuele omstandigheden niet
passend te achten.
De richtlijn geeft
geen definitie van het begrip passende
arbeid, maar geeft hoofdlijnen
(geobjectiveerde normen) uit de
jurisprudentie weer. Deze geobjectiveerde normen vullen het begrip passende
arbeid nader in. De strekking van die
jurisprudentie is dat passende arbeid
ruimer moet worden uitgelegd naarmate de
duur van de werkloosheid
toeneemt of de kans op werkhervatting
kleiner is. Een werkloze met geringe
kansen op het vinden van werk zal
concessies moeten doen ten aanzien van - onder meer - de aard van
de te aanvaarden arbeid (met name het
beroep en opleidingsniveau) en
het loonniveau. De met deze richtlijn
beoogde wijziging ten aanzien van het
niveau van de arbeid is in
overeenstemming met het beoordelingskader
dat is neergelegd in de wet en de
jurisprudentie. Voor de wijziging ten
aanzien van het loonniveau is dat niet
zonder meer het geval. Als de
betrokken werkloze door het aanvaarden
van werk een financieel nadeel zou leiden, zou sprake kunnen zijn van een
reden van sociale aard op grond
waarvan de aanvaarding van die
arbeid niet van de werknemer kan
worden gevergd. De hierboven
beschreven voorgenomen wijziging van de WW
voorkomt echter dat een
dergelijke reden van sociale aard optreedt.
Voor langdurig werklozen zal aanvaarding van werk immers in alle
gevallen tot een toename van het inkomen
leiden.
Bij de vraag of arbeid
in een individueel geval passend is,
kunnen ook meer subjectieve
omstandigheden een rol spelen, zoals de
zorg voor gezinsleden, gezondheidsproblemen
en gewetensbezwaren. In
bijzondere gevallen kan arbeid
die op basis van objectieve criteria
als passend kan worden beschouwd, om subjectieve redenen alsnog niet
passend zijn. Uit de jurisprudentie kan
worden afgeleid dat subjectieve
overwegingen en strikt persoonlijk
getinte bezwaren tegen een aanbod
slechts onder stringente voorwaarden acceptabel
zijn. De rechtspraak
oordeelt kritisch over de weigering van
aangeboden werk.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
AANPASSING
RICHTLIJN
PASSENDE ARBEID 2008
22 oktober 2009, Stcrt. 2009, 15898
Inwerkingtreding: 23 oktober 2009
(T.a.v. WW)
De
Richtlijn passende arbeid 2008 (de richtlijn) heeft de invulling van het
begrip passende arbeid voor langdurig werklozen gewijzigd. De richtlijn
merkt als langdurig werkloze aan de werkloze werknemer die ten minste 52 weken
onafgebroken recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
(WW). De richtlijn is onderdeel van een pakket van maatregelen dat de
kansen op werk van langdurig werklozen vergroot.
Andere
onderdelen zijn de gewijzigde gevolgen van werkhervatting voor het recht
op WW (de overstap van arbeidsurenverlies op
inkomstenverrekening) en de intensivering van de bemiddeling voor
langdurig werklozen (het werkaanbod).¹ Deze wijzigingen gelden, net als
de richtlijn, voor werkloze werknemers die ten minste 52 weken
onafgebroken een WW-recht hebben gehad. De richtlijn bevat echter een
andere regeling voor de situatie waarin een WW-recht na een korte
onderbreking herleeft dan de wet. Volgens de wet
tellen onderbrekingen van het WW-recht van ten hoogste vier weken mee
voor het bepalen van de periode van 52 weken.² Deze regeling
voorkomt dat het moment waarop de periode van 52 weken verstrijkt,
door één of meer kortdurende onderbrekingen in de tijd verschuift.
Voor de WW-gerechtigde en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) is hierdoor voorzienbaar vanaf welk
moment inkomstenverrekening van toepassing wordt en vanaf welk moment
het UWV een werkaanbod kan doen.
1. Wet
van 25 juni 2009 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met
het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen (Stb.
2009, 269).
2. Artikel 20, achtste lid, van de WW.
Bij
korte onderbrekingen van het WW-recht
is het moment waarop volgens de richtlijn de 52 weken zijn verstreken
niet gelijk aan het moment waarop dat volgens de wet
het geval is. Dit verschil is niet beoogd en kan in de praktijk
onduidelijkheid opleveren. Deze aanpassing brengt de richtlijn daarom in
overeenstemming met de wet. Voor het bepalen van het moment waarop de
werknemer ten minste 52 weken onafgebroken recht op WW heeft gehad,
worden perioden meegeteld waarin ten hoogste gedurende vier weken geen
recht op WW-uitkering bestaat. Het UWV
bepaalt dat moment aan de hand van de wet en de aangepaste richtlijn.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|