|
18 januari 2001/nr. SV/AVF/00/83572
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Handelende in
overeenstemming met de Minister van Financiën;
Gelet op artikel 71 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 en artikel 130, zevende
lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder minister: Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 2.
Rijksbijdrage aan
het Algemeen Werkloosheidsfonds
en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid
-1. Aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen wordt ten
behoeve van het Algemeen Werkloosheidsfonds en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid in 2001 een rijksbijdrage van ƒ87 900 000,00 toegekend voor het vaststellen van
trajecten als bedoeld in artikel 4, derde
lid, van het Tijdelijk besluit
sluitende aanpak WW binnen twaalf maanden na het intreden van de werkloosheid.
-2. De betaling van de
rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid,
aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vindt plaats in vier gelijke
termijnen in elke tweede maand van een kwartaal.
-3. Indien het aantal
uitkeringsgerechtigden, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, lager is dan de helft van
het in de Regeling taakstelling
sluitende aanpak WW 2001 opgenomen aantal, kan de minister de betaling
van de vierde termijn van de
rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid,
opschorten tot het moment waarop de
rijksbijdrage definitief wordt vastgesteld.
Art. 3.
Verantwoording
taakstelling
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen zendt uiterlijk op 1 oktober 2001 een verantwoording aan
de minister omtrent het aantal
uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder als bedoeld in artikel
4, derde lid, van het Tijdelijk
besluit sluitende aanpak WW, voor wie in de
eerste zes maanden van 2001, binnen twaalf maanden na het intreden van werkloosheid een traject is vastgesteld.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen zendt uiterlijk op 1 juni 2002 een verantwoording aan
de minister omtrent het aantal
uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder als bedoeld in artikel
4, derde lid, van het Tijdelijk
besluit sluitende aanpak WW, voor wie in 2001
binnen twaalf maanden na het intreden
van de werkloosheid een traject
is vastgesteld.
-3. Bij de verantwoording,
bedoeld in het tweede lid, wordt een
accountantsverklaring gevoegd die een oordeel bevat omtrent de getrouwheid
van deze verantwoording.
Art. 4.
Vaststelling
rijksbijdrage
-1. De rijksbijdrage, bedoeld
in artikel 2, wordt binnen één jaar na
ontvangst van de verantwoording, bedoeld in artikel 3, tweede
lid, door de minister definitief
vastgesteld.
-2. Indien het aantal
uitkeringsgerechtigden, bedoeld in artikel 3, tweede lid, lager is dan het in de
Regeling taakstelling sluitende
aanpak WW 2001 opgenomen aantal, kan
de minister het verschil
toevoegen aan de taakstelling met
betrekking tot het aantal uitkeringsgerechtigden voor wie het Landelijk
instituut sociale verzekeringen in het jaar 2002 of de daarop volgende jaren een
traject dient vast te stellen, dan
wel de rijksbijdrage lager vaststellen dan ƒ87
900 000,00.
Art. 5.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Art. 6.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling rijksbijdrage
sluitende aanpak WW 2001.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
‘s-Gravenhage, 18 januari
2001.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[18 januari 2001]
Op grond van
artikel 130 van
de Werkloosheidswet (WW) kan
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] bij algemene
maatregel van bestuur worden opgedragen om werkzaamheden in te kopen ter bevordering
van de reïntegratie van WW-gerechtigden. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bepaalt op grond van die algemene maatregel van bestuur, het Tijdelijk
besluit sluitende aanpak WW, jaarlijks het
aantal uitkeringsgerechtigden van
23 jaar of ouder voor wie het Lisv
binnen twaalf maanden na het intreden van
de werkloosheid een traject
moet vaststellen. Onder het vaststellen van
een traject wordt in dit kader
verstaan het goedkeuren van een door
een reïntegratiebedrijf ingediend individueel trajectplan door het Lisv,
waardoor de uitkeringsgerechtigde in staat wordt gesteld deel te nemen
aan activiteiten die bijdragen tot
inschakeling in het arbeidsproces.
Vanaf 1 januari 2001 zijn
overheidswerknemers onder de WW gebracht. De op die datum bestaande gevallen van werkloosheid
worden op 1 januari 2003 onder de WW gebracht. WW-gerechtigde
overheidswerknemers behoren ook tot de doelgroep van de sluitende aanpak.
Hiertoe zal het Tijdelijk
besluit sluitende aanpak WW - zo nodig met terugwerkende kracht tot en
met 1 januari 2001 - worden
aangepast. De financiering vindt voor
hen plaats via het Uitvoeringsfonds
voor de overheid.
Ten laste van het op grond
van artikel 130, tweede lid, WW
uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor
de overheid (Ufo) vastgestelde budget dient het Lisv in 2001 voor ten
minste 23 000
uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder binnen twaalf maanden na het intreden van de
werkloosheid een traject vast te stellen. Het
gaat daarbij om WW-gerechtigden die
behoren tot de doelgroep van het
Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW.
De aan de realisatie van deze
taakstelling verbonden kosten, te weten de prijzen van de in te kopen trajecten
en de daaruit voortvloeiende uitvoeringskosten, zullen naar verwachting
uitstijgen boven besparingen op de uitkeringslasten als gevolg van de toegenomen uitstroom uit de
WW die door de trajecten wordt
veroorzaakt. In verband hiermee wordt een
rijksbijdrage toegekend aan het AWf en het Ufo. De rijksbijdrage
voor het jaar 2001 die ten gunste van
het Ufo komt, wordt aangewend voor
overheidswerknemers die op of na 1 januari 2001 werkloos zijn geworden.
Het Lisv verdeelt de middelen
van de rijksbijdrage over het AWf
en het Ufo.
Op grond van artikel 71 van
de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 kan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in
overeenstemming met de Minister van Financiën, regels stellen
over de wijze waarop en de voorwaarden
waaronder de afdracht van gelden door
het Rijk aan het AWf en het Ufo
plaatsvindt. In de onderhavige regeling zijn deze regels vastgelegd.
In 2001 wordt een
rijksbijdrage van ƒ87
900 000,- toegekend aan het AWf en het Ufo. De
definitieve vaststelling van deze
rijksbijdrage geschiedt achteraf aan de
hand van een verantwoording door het
Lisv omtrent het aantal
uitkeringsgerechtigden van 23 jaar of ouder,
behorende tot de doelgroep van het
Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW,
voor wie in 2001 een traject is
vastgesteld voordat zij twaalf maanden
werkloos zijn. Bij deze verantwoording wordt een accountantsverklaring
overgelegd waarmee een oordeel wordt gegeven over de getrouwheid van de
verantwoording. De accountant stelt daarbij vast dat de
uitkeringsgerechtigden voor wie de trajecten zijn
vastgesteld 23 jaar of ouder zijn, behoren tot de doelgroep van het Tijdelijk
besluit sluitende aanpak WW en
korter dan twaalf maanden werkloos zijn.
Indien het aantal
uitkeringsgerechtigden voor wie een traject is
vastgesteld, achterblijft bij het in de
taakstelling voor 2001 genoemde aantal, kan de definitieve
rijksbijdrage op een lager bedrag dan ƒ87,9
mln worden bepaald. In plaats daarvan
kan ook de taakstelling voor het
Lisv met betrekking tot het aantal
uitkeringsgerechtigden voor wie in het jaar 2002 of daarop volgende
jaren een traject moet worden
vastgesteld, worden verhoogd.
De verantwoording met
accountantsverklaring dient uiterlijk 1 juni 2002 aan de minister te worden aangeboden.
Ter overbrugging van deze periode wordt op 1 oktober
2001 een verantwoording over de
eerste zes maanden van 2001 gevraagd.
Indien het aantal trajecten over de
eerste zes maanden achterblijft bij de
taakstelling, kan dat aanleiding zijn
uitbetaling van de vierde termijn van de rijksbijdrage 2001 op te
schorten tot het moment waarop de rijksbijdrage definitief wordt
vastgesteld.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|