|
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 23 juni 2009, nr. IVV/I/2009/13367, houdende
regels omtrent tenuitvoerlegging van bestuurlijke boeten en
terugvordering van onverschuldigde betalingen op grond van een aantal socialezekerheidswetten
(Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering
onverschuldigde betalingen)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de Minister
voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 17c
en 24b van de Algemene
Kinderbijslagwet, 41 en 55
van de Algemene nabestaandenwet, 17e
en 24b van de Algemene
Ouderdomswet, 14c
en 20b van de Toeslagenwet,
27c
en 36b van de Werkloosheidswet,
42 en 57
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 50 en 65
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 29c en
57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
79 en 93 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 33b
en 45c
van de Ziektewet;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. AKW: Algemene
Kinderbijslagwet;
b. Anw: Algemene
nabestaandenwet;
c. AOW: Algemene
Ouderdomswet;
d. IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
e. TW: Toeslagenwet;
f. WW: Werkloosheidswet;
g. Wazo: Wet arbeid en
zorg;
h. Wet Wajong: Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
i. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
j. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
k. Wet WIA: Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen;
l. ZW: Ziektewet;
m. schuldenaar: degene aan
wie een bestuurlijke boete is opgelegd of van wie een bedrag wordt teruggevorderd;
n. werkgever: de schuldenaar
die tevens werkgever of eigenrisicodrager is;
o. bestuurlijke boete: een
bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid van de artikelen 17a
van de AKW, 39 van de
Anw, 17c van
de AOW, 21 van de IOW, 14a van de
TW, 27a van de
WW, 3:16 en 3:27 van de
Wazo, 2:69 en 3:40
van de Wet Wajong,
48 van de WAZ, 29a
van de WAO, 91 van de
Wet WIA en in de artikelen
38, vierde
lid, 38a, zevende lid, 45a,
eerste lid, en 63c van de ZW;
p. vordering:
a. het bedrag dat wordt
teruggevorderd op grond van de artikelen 24 van de
AKW, 53 van de Anw,
24 van de AOW, 34
van de IOW, 20 van de
TW, 36
van de WW, 3:16 en
3:27 van de Wazo, 2:59
en 3:56 van de Wet
Wajong, 63 van de
WAZ, 57 van de WAO,
77
van de Wet WIA of 33 van de
ZW;
b. het bedrag dat als
bestuurlijke boete is opgelegd;
c. het bedrag dat het UWV op
de werkgever verhaalt op grond van de artikelen 71, tweede lid,
75a, vierde lid, 75b, zevende
lid, 75f, eerste lid, van de WAO,
72, tweede lid, 83, derde lid,
84,
tweede of vierde lid, van de Wet WIA, 39a, eerste lid, of
63a, derde, vierde of vijfde lid, van de
ZW; of
d. het bedrag van een aan
een werkgever verstrekt re-integratie-instrument dat wordt
teruggevorderd op grond van artikel 77 van
de Wet WIA;
q. aflossingscapaciteit: het
deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in
de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden
aangewend voor betaling of verrekening van de vordering;
r. vermogen:
vermogensrechten, onroerende en roerende zaken, niet zijnde
gebruikelijke huisraad, waarvan de dagwaarde per
zaak €|1134,00 of meer bedraagt;
s. inlichtingenverplichting:
de verplichting, bedoeld in de artikelen 15 van de
AKW,
35 van de Anw,
49 van de AOW, 12,
eerste lid, van de IOW, 12 van de
TW, 25
van de WW, 3:16 en
3:27 van de Wazo, 2:7
en 3:74 van de Wet
Wajong, 70 van de
WAZ, 80 van de WAO,
27,
eerste lid, van de Wet WIA en 31, eerste lid, en
49 van de ZW;
t. bijstandsnorm: de voor de
schuldenaar op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en
paragraaf 3.3, van de Wet werk en bijstand
geldende bijstandsnorm;
u. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
v. SVB: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art.
1a.
Deze regeling berust mede op de artikelen 22,
24, vijfde lid, 35,
vierde lid, en 37 van de IOW.
Art. 2.
Bevoegdheid
verrekening met werkgever
Het UWV is, naast de in
artikel 1, onderdeel a tot en met l, genoemde wetten opgenomen
bevoegdheden tot verrekening van
vorderingen op werknemers, tevens bevoegd tot verrekening van een vordering op de werkgever
met een aan de werkgever te betalen bedrag.
Art. 3.
Standaardregeling voor uitstel van betaling
-1. Het UWV en de
SVB stellen
de termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke
betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit
artikel, tenzij:
a. de vordering een
bestuurlijke boete betreft;
b. de onverschuldigde
betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een bestuurlijke boete is
opgelegd;
c. de onverschuldigde
betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV of de SVB aangifte heeft gedaan of
waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden; of
d. de vordering het gevolg
is van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
-2. Het UWV en de SVB
verlenen uitstel van betaling voor ten hoogste 36 maanden. De geldschuld
wordt gedurende die periode
in termijnen ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit betaald of verrekend.
-3. In afwijking van het
tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de schuldenaar ten minste
de halve aflossingscapaciteit
toegepast onder de voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan binnen de in het tweede lid
genoemde termijn van 36 maanden. De schuldenaar wordt erop gewezen dat kwijtschelding
als bedoeld in de artikelen 24, derde lid, van de
AKW, 53, derde lid, van de
Anw, 24, derde lid,
van de AOW, 35,
tweede lid, van de IOW, 20, derde lid, van de
TW, 36, derde lid, van de
WW, 3:16 en 3:27 van de
Wazo, 2:59,
derde lid, en 3:56, derde lid, van de Wet
Wajong, 63, derde lid, van de
WAZ, 57, derde lid, van de
WAO, 77, derde lid, van de
Wet WIA of 33, derde lid, van de ZW niet mogelijk is.
-4. Indien de schuldenaar
hogere periodieke betalingen of verrekeningen voorstelt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid,
stelt het UWV of de SVB de termijnen conform dit voorstel vast.
-5. De periodieke betaling of
verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit
verminderd met 5% van de bijstandsnorm,
indien:
a. de schuldenaar met
aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de vordering binnen
36 maanden te voldoen; en
b. periodieke betaling of
verrekening gedurende 60 maanden van het aldus verkregen bedrag leidt tot een grotere
voldoening van de vordering dan betaling of verrekening gedurende 36 maanden van het op grond van
het tweede en derde lid verkregen bedrag.
-6. Indien de schuldenaar
bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit de vordering
niet binnen 36 maanden of bij
aanwending van de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de
bijstandsnorm niet
binnen 60 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een
zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV of de SVB aan de schuldenaar
uitstel van betaling heeft verleend, wordt voldaan dat hij het
resterende deel van de geldschuld
binnen 36 maanden, dan wel 60 maanden, kan voldoen. Indien echter de schuldenaar
ten genoegen van het UWV of de SVB zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering
binnen 36 maanden, dan wel 60 maanden, nadat uitstel van betaling is verleend, behoeft de
schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-7. Indien toepassing van dit
artikel tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, kan het UWV of de
SVB van het eerste tot en met
zesde lid afwijken.
Art. 4.
Regeling voor
uitstel van betaling bij schending inlichtingenplicht
-1. Het UWV en de
SVB stellen
in de uitzonderingsgevallen, genoemd in artikel 3, eerste lid,
onderdeel
a tot en met d, de termijn
waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, alsmede de daaraan verbonden periodieke
betalingen of verrekeningen, vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit
artikel.
-2. De periodieke betalingen
of verrekeningen worden door het UWV en de SVB zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt
van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
-3. Indien de schuldenaar
hogere periodieke betalingen of verrekeningen voorstelt dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid,
dan stelt het UWV of de SVB het bedrag conform dit voorstel vast.
-4. Indien de schuldenaar de
vordering niet binnen twaalf maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat
een zodanig gedeelte van de vordering binnen zes weken, nadat het UWV of de SVB aan de
schuldenaar uitstel van betaling heeft verleend, wordt voldaan dat hij
de resterende vordering binnen twaalf maanden kan voldoen. Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV of de SVB
zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering binnen twaalf maanden, nadat uitstel van
betaling is verleend, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
-5. Onverminderd het bepaalde
in artikel 8 stelt het UWV of de SVB de termijnen waarbinnen wordt verrekend of moet worden
betaald vast over een periode van meer dan twaalf maanden indien de schuldenaar, ook na
aanwending van zijn vermogen, niet in staat is de vordering binnen
twaalf maanden te voldoen.
-6. Artikel 3, zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.
Art. 5.
Voldoening
vordering tot en met €|300,00
Indien de vordering op de
schuldenaar niet meer bedraagt dan €|300,00, stelt het UWV
of de SVB,
in afwijking van de artikelen 3
en 4, de wijze waarop deze vordering moet worden voldaan vast zonder de schuldenaar in de
gelegenheid te stellen een voorstel te doen met betrekking tot de wijze
van voldoening van de vordering,
met dien verstande dat per periode van één maand de aflossing op niet meer dan €|52,00 kan
worden vastgesteld.
Art. 6.
Uitstel van
betaling op voorstel schuldenaar
Het UWV en de SVB kunnen, in
afwijking van de artikelen 3 en 4, uitstel van betaling verlenen conform
een voorstel van de
schuldenaar, indien:
a. de schuldenaar hierom
gemotiveerd verzoekt tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van een beschikking tot betaling van
een geldschuld; en
b. het voorstel inhoudt dat
de gehele vordering binnen twaalf maanden, eventueel door middel van periodieke betalingen of
verrekeningen, wordt voldaan.
Art. 7.
Voorschriften
uitstel van betaling
-1. Het UWV en de
SVB verbinden aan een beschikking tot uitstel van betaling in ieder geval de
voorschriften dat:
a. de vordering gedurende de
periode waarover uitstel van betaling is verleend door middel van betalingen of verrekeningen,
in periodieken of ineens, wordt voldaan; en
b. de beschikking tot
uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd indien
wijziging plaatsvindt in de hoogte van
de inkomsten van de schuldenaar.
-2. Het UWV en de SVB bepalen
in de beschikking tot uitstel van betaling dat slechts wettelijke rente als bedoeld in
artikel 4:98
van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd vanaf het tijdstip dat
de termijn is verstreken
waarbinnen volgens die beschikking de betaling had moeten plaatsvinden of had moeten worden
verrekend en dat deze rente slechts verschuldigd is over de resterende vordering.
Art. 8.
Versoepeling
betalingsregeling na vijf jaar
Indien de schuldenaar de
vordering na vijf jaren, waarin hij zich heeft gehouden aan de
vastgestelde periodieke betalingen of
verrekeningen, nog niet volledig heeft voldaan, wordt de periodieke
betaling of verrekening gesteld op de
volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm.
Art. 9.
Toerekening van
betalingen
Tenzij de schuldenaar een
andere vordering aanwijst, wordt een betaling die zou kunnen worden toegerekend aan meerdere
vorderingen, eerst toegerekend aan een verschuldigde bestuurlijke boete.
Art. 10.
Toepasselijkheid
op de werkgever
De artikelen 3, 4 en 8 zijn
niet van toepassing op de werkgever.
Art. 11.
Intrekken andere
regelingen en overgangsrecht
-1. De Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen, het Besluit
incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers en het Besluit
invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
worden ingetrokken.
-2. Een regeling als bedoeld
in het eerste lid blijft van toepassing ten aanzien van een verplichting
tot betaling van een geldsom die
is vastgesteld vóór het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht in werking treedt.¹
1. Bij Besluit
van 25 juni 2009, Stb. 2009, 266, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht bepaald op 1 juli 2009, red.
Art. 13.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 23 juni 2009.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
TOELICHTING
[23 juni 2009]
Algemeen
De
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering
onverschuldigde betalingen (hierna te noemen: de regeling) regelt de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB) omgaan met terug- en invordering van bedragen. Met de komst van
de Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht zal de terug- en invorderingspraktijk van het
UWV en de SVB moeten worden aangepast.
De Vierde tranche Algemene
wet bestuursrecht (hierna te noemen: Vierde tranche) bevat onder andere regels over
bestuursrechtelijke geldschulden (in titel
4.4). Hierin zijn bepalingen opgenomen
over het ontstaan en de
afwikkeling van verplichtingen tot het betalen van een geldsom en de bepalingen over de
invordering.
De
regeling zal voor de
uitvoeringspraktijk van het UWV en de SVB
geen grote inhoudelijke
wijzigingen met zich mee brengen. De
belangrijkste wijziging is dat de regeling rekening houdt met de terminologie van
het wetsvoorstel. Daarnaast wordt van de
gelegenheid gebruik gemaakt om drie bestaande regelingen op het gebied van geldschulden terug te
brengen tot één regeling.
Voor het
UWV geldt thans de Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen en het Besluit incasso boeten en
onverschuldigde betalingen werkgevers. Voor de SVB
geldt thans het Besluit
invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Genoemde
regelingen worden hierbij ingetrokken en vervangen door de regeling, die van toepassing wordt op
het UWV en de SVB.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
Dit artikel geeft enige
definities.
Artikel
2. Bevoegdheid
verrekening met werkgever
Op grond van
artikel 4:93
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verrekening van een
geldschuld slechts mogelijk voor zover
in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. In de verschillende
materiewetten is de mogelijkheid tot verrekening met uitkeringen aan de
verzekerde reeds opgenomen. Voor
verrekening met betalingen aan de werkgever is dat niet het geval. Om
die reden is de
verrekeningsbevoegdheid met betalingen aan de werkgever in het
onderhavige artikel opgenomen. In dit kader kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan de subsidie die op grond van artikel 36
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen aan de werkgever wordt betaald.
Artikel
3. Standaardregeling voor uitstel van betaling
In de
regeling wordt de
constructie van uitstel van betaling, zoals neergelegd in de artikelen
4:94 tot en met 4:96 van de Awb, als
uitgangspunt genomen voor het treffen van een betalingsregeling.
Op grond van artikel 4:94
van de Awb kan een bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen. Gedurende dit
uitstel van betaling kan niet worden aangemaand of ingevorderd. De beschikking tot uitstel van
betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt en in die
beschikking kan het bestuursorgaan
voorschriften verbinden aan het uitstel van betaling.
Artikel 3 bevat de
standaardregels over uitstel van betaling. Het feit dat dit artikel de
standaardregels bevat, houdt overigens niet
in dat dit artikel in praktijk ook primair toepassing vindt. Indien
artikel 5 of 6 kan worden toegepast,
hetgeen veelvuldig het geval zal zijn, is de toepassing van artikel 3
(en ook 4) niet meer aan de orde.
Eerste lid
Aan de hand van de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt bepaald voor welke termijn uitstel van betaling
wordt verleend, waarbij als voorwaarde geldt dat maximaal voor 36 maanden uitstel van betaling
wordt verleend. Er zijn echter situaties waarin daarvan afgeweken wordt.
Belangrijkste afwijking is
de situatie dat de inlichtingenplicht is overtreden. Indien dat het
geval is, geldt het zwaardere regime
dat in artikel 4 beschreven staat. Voordat het uitstel van betaling
wordt verleend, wordt overleg met
de schuldenaar gevoerd onder meer met het oog op het vaststellen van de aflossingscapaciteit.
Tweede en vierde lid
De geldschuld kan in
termijnen worden voldaan door betaling of door verrekening met
bijvoorbeeld een uitkering. Als de
schuldenaar voorstelt om periodiek een hoger bedrag af te lossen dan op
grond van het tweede lid is
vastgesteld, dan nemen het UWV en de SVB
dat voorstel over.
Derde lid
In afwijking van het tweede
lid kan bepaald worden dat de schuldenaar niet zijn volledige
aflossingscapaciteit gebruikt om zijn geldschuld
te voldoen, maar zijn halve aflossingscapaciteit. Voorwaarde hierbij is wel dat de
vordering binnen 36 maanden geheel wordt voldaan. Daarnaast kan de
schuldenaar in dat geval geen gebruik
maken van de kwijtscheldingsregeling zoals die in genoemde artikelen van de
werknemers- en
volksverzekeringswetten is vastgelegd. Dit is logisch, omdat het hier
gaat om een mogelijkheid die ook
uitgaat van het feit dat de vordering binnen drie jaar is voldaan.
Vijfde lid
Als de schuldenaar ook na
aanwending van eventueel vermogen en de volledige aflossingscapaciteit niet in staat is om de
vordering binnen 36 maanden te voldoen (onderdeel a), wordt zijn
periodieke betaling gesteld op de
aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm. Dit
betekent dat het vrijgelaten inkomen van
de schuldenaar 95% in plaats van 90% van de bijstandnorm bedraagt. Echter, bijkomende
voorwaarde voor deze regeling is dat aflossing binnen 60 maanden meer
oplevert dan aflossing binnen 36
maanden bij toepassing van het tweede en derde lid (onderdeel b).
Zesde lid
Indien de schuldenaar de
vordering niet binnen 36 maanden (60 maanden indien de volledige aflossingscapaciteit wordt
verminderd met 5% van de bijstandsnorm) kan voldoen, dient hij zijn vermogen aan te wenden voor
een zodanige betaling binnen zes weken dat het restant in 36 (of 60 maanden) kan worden
afgelost.
Indien het vermogen van de
schuldenaar zodanig is dat de schuldenaar door aanwending van een gedeelte ervan binnen zes
weken, de nog resterende geldsom kan voldoen binnen zowel 36 maanden (op basis van 90% van de
bijstandnorm) als binnen 60 maanden (op basis van 95% van de
bijstandnorm), hanteren het UWV en de SVB
het uitgangspunt dat de schuldenaar de resterende geldsom voldoet binnen 36 maanden.
Als de schuldenaar echter voldoende zekerheid stelt voor dit bedrag, kan hij de betaling uitstellen.
Op deze wijze wordt aan de schuldenaar tijd gegund om het benodigde bedrag vrij te maken op een
manier die zo min mogelijk bezwarend is, terwijl het UWV en de SVB voldoende waarborgen hebben
dat de schuldenaar de vordering daadwerkelijk zal voldoen.
Zevende lid
Indien er
één of meerdere
betalingregelingen zijn getroffen met derden (andere schuldeisers dan
het UWV of de SVB), kan er in
uitzonderlijke gevallen worden afgeweken van hetgeen is bepaald in
artikel 3. Hierbij kan gedacht
worden aan het tijdelijk prioriteit geven aan deze betalingregelingen
met derden om een dreigende afsluiting
van energielevering of ontruiming van de woning te voorkomen.
Artikel
4. Regeling voor
uitstel van betaling bij schending inlichtingenplicht
Dit artikel bevat een
zwaarder regime voor de situaties waarin één van de uitzonderingen,
genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a tot en met d, van toepassing is.
Eerste, tweede en derde lid
De termijnen waarvoor
uitstel van betaling wordt verleend, worden vastgesteld na overleg met de
schuldenaar, welk overleg
onder meer dient om de aflossingscapaciteit vast te stellen, en met toepassing van de overige
leden van dit artikel. Verder dient bij deze vaststelling gebruik te
worden gemaakt van de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
Als de schuldenaar voorstelt
om een hoger bedrag af te lossen dan op grond van het tweede lid is vastgesteld, dan nemen het
UWV en de SVB dat voorstel over.
Vierde lid
Indien de schuldenaar de
vordering niet binnen twaalf maanden kan voldoen, dient hij zijn vermogen
aan te wenden voor een zodanige
betaling binnen zes weken dat het restant in twaalf maanden kan worden afgelost. Indien hij echter
ten genoegen van het UWV of de SVB
zekerheid stelt voor voldoening van de gehele vordering binnen twaalf maanden, nadat uitstel van betaling is verleend, behoeft hij zijn vermogen niet aan te wenden.
Vijfde lid
Als de schuldenaar ook na
aanwending van eventueel vermogen en de volledige aflossingscapaciteit niet in staat is om de
vordering binnen twaalf maanden te voldoen, wordt door het UWV
en de SVB uitstel van betaling verleend over
een periode van meer dan twaalf maanden.
Zesde lid
De mogelijkheid tot
afwijking, beschreven in artikel 3, zevende lid, bestaat ook voor
artikel 4.
Artikel
5. Voldoening
vordering tot en met €|300,-
Indien de vordering tot en
met €|300,- bedraagt, is het niet noodzakelijk het bepaalde in de
artikelen 3 en 4 toe te passen.
Voorwaarde daarbij is wel dat het UWV of de
SVB
per periode van één
maand niet meer dan €|52,-
verrekent of dat de schuldenaar niet verplicht wordt tot betaling van
meer dan €|52,-. Overigens vloeit hier
automatisch uit voort dat bij verrekening met de kinderbijslag op basis
van de Algemene Kinderbijslagwet,
die per drie maanden wordt uitbetaald, ten hoogste €|156,-
(driemaal €|52,-) per
drie maanden kan worden verrekend. Het bedrag van €|300,- betreft,
voor zover mogelijk, een brutobedrag.
De Algemene Kinderbijslagwet kent alleen een netto-uitkering. Om die reden is het genoemde bedrag
van €|300,- bij de toepassing van die wet een
nettobedrag. Nu de Algemene Kinderbijslagwet,
anders dan de overige uitkeringen waarop deze regeling ziet, geen loondervingsuitkering
is,
vormt dit geen bezwaar. De beslagvrije voet zal door de enigszins hogere
grens in de Algemene
Kinderbijslagwet niet in het geding komen.
Het UWV en de SVB zijn op
grond van de materiewetten verplicht bij het innen van schulden de schuldenaren een inkomen te
garanderen ter hoogte van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met
475e van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiertoe nodigen het UWV en de SVB de schuldenaar uit
een voorstel te doen om de schuld af te lossen. Als de schuldenaar hier geen gebruik van maakt, wordt
een inkomensonderzoek ingesteld en de beslagvrije voet berekend. Vervolgens wordt een
termijnregeling vastgesteld.
Vanuit
kosten-batenoogpunt
is een inkomensonderzoek en het in overleg treden over een
betalingsregeling met de schuldenaar niet
lonend bij vorderingen die gering zijn. Daarom is voor het treffen van een betalingsregeling
ten aanzien van geringe bedragen in dit artikel een uitzondering gemaakt
op de verplichting om
voorafgaand aan het vaststellen van de betalingsregeling een
inkomensonderzoek te doen en overleg met de
schuldenaar te voeren. Gezien het relatief geringe bedrag van €|52,-
(komt overeen met de hoogte van de minimumboete) dat maandelijks mag worden verrekend of moet worden betaald, is de kans
klein dat hierbij de beslagvrije voet wordt overschreden.
Artikel
6. Uitstel van
betaling op voorstel schuldenaar
Uitstel van betaling kan
door het UWV en de SVB
worden verleend conform een voorstel van de schuldenaar indien de
schuldenaar voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit artikel. Toepassing van
deze bepaling zal in de
praktijk het uitgangspunt vormen bij het voldoen van vorderingen. Een aannemelijk voorstel waarbij
de gehele vordering binnen twaalf maanden wordt voldaan, wordt in beginsel geaccepteerd. In
dat geval zijn de artikelen 3 en 4 van deze regeling niet van
toepassing. Dit berust voornamelijk op een kosten-batenanalyse; een inkomensonderzoek en nader overleg met de schuldenaar zijn in
dergelijke gevallen niet lonend. Onder deze regeling vallen zowel
betalingsregelingen met een looptijd van
maximaal twaalf maanden als een betaling ineens op een later tijdstip, maar binnen
twaalf maanden. Bij
betaling ineens kan bijvoorbeeld gedacht worden aan betaling in de maand dat de schuldenaar
vakantietoeslag of een dertiende maand ontvangt.
Het voorstel dient
gemotiveerd te zijn om het UWV of de SVB de mogelijkheid te bieden te
beoordelen of aannemelijk is dat de
schuldenaar de regeling na zal komen. Zo zal bijvoorbeeld een voorstel
om in een willekeurige maand het
gehele bedrag te betalen, kunnen worden afgewezen als de debiteur niet kan aangeven waarom hij nu
niet, maar in de desbetreffende maand wel de middelen heeft om in één keer te betalen. Ook kan een
voorstel worden afgewezen omdat het, gelet op de belangen van het UWV of de SVB enerzijds en
de schuldenaar anderzijds, onvoldoende recht doet aan de belangen van het UWV of de SVB.
De zinsnede in artikel 6,
onderdeel a, "tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van een
beschikking tot betaling van een geldschuld"
geeft aan dat zowel vóór als na de bekendmaking van die beschikking de
schuldenaar kan verzoeken om
uitstel van betaling. In de praktijk komt het vaak voor dat voorafgaande
aan het versturen van die
beschikking met de schuldenaar wordt overlegd over eventueel uitstel van
betaling. Bijkomend voordeel
is dat dan een gecombineerde beschikking kan worden verstuurd waarin zowel de verplichting tot
het betalen van de geldschuld als het uitstel van betaling is geregeld.
Artikel
7. Voorschriften
uitstel van betaling
Eerste lid
Indien het
UWV of de SVB een
betalings- of verrekeningsregeling willen treffen ter aflossing van een vordering, kunnen zij op
grond van artikel 4:94 van de Awb
uitstel van betaling, bijvoorbeeld
voor 36 maanden, verlenen aan de
schuldenaar. Omdat het gewenst is dat gedurende de periode van 36 maanden wordt afgelost op de
vordering, kan aan het uitstel van betaling het voorschrift worden verbonden dat periodiek
wordt verrekend of betaald. Nu het hier een zodanig essentieel
voorschrift betreft dat aan ieder
uitstel van betaling dit voorschrift zal worden verbonden, is in het
onderhavige artikellid vastgelegd dat
deze voorwaarde steeds wordt opgenomen.
De beschikking tot uitstel
van betaling kan op grond van artikel 4:96 van de
Awb onder meer worden ingetrokken voor zover
veranderde omstandigheden zich verzetten tegen verder uitstel van
betaling. Omdat er discussie kan
rijzen of aan deze voorwaarde wordt voldaan indien sprake is van
wijziging in de hoogte van de inkomsten
van de schuldenaar, wordt in het onderhavige artikellid tevens
voorgeschreven dat aan ieder uitstel van
betaling het voorschrift wordt verbonden dat de beschikking kan worden ingetrokken of
gewijzigd indien wijziging plaatsvindt in de hoogte van de inkomsten van
de schuldenaar. Dit maakt het
voor het UWV en de SVB mogelijk de gemaakte afspraken eenvoudig te herzien als een gewijzigd
inkomen daartoe aanleiding geeft.
Tweede lid
Op grond van
artikel 4:101
van de Awb is de schuldenaar over de termijn waarvoor uitstel van
betaling is verleend wettelijke rente
verschuldigd. Dit geldt tenzij bij het uitstel anders is bepaald.
Nu deze hoofdregel niet in
overeenstemming is met de uitvoeringspraktijk van het UWV
en de SVB tot op heden, is in het
onderhavige artikellid bepaald dat in iedere beschikking tot uitstel van
betaling tevens wordt opgenomen dat
geen wettelijke rente is verschuldigd over de periode van uitstel van betaling, behoudens in
gevallen waarin de vastgestelde aflossingsregeling niet wordt nagekomen.
In dat geval is wettelijke
rente verschuldigd over het resterende deel van de hoofdsom vanaf het
tijdstip dat de termijn is verstreken
waarbinnen volgens de beschikking de periodieke betaling had moeten plaatsvinden of had moeten
worden verrekend, tot het tijdstip waarop de volledige hoofdsom is voldaan.
Artikel
8. Versoepeling
betalingsregeling na vijf jaar
Als na verloop van vijf
jaren de vordering nog niet is voldaan, kan niet van de schuldenaar
worden gevergd dat hij nog langer
zijn volledige aflossingscapaciteit aanwendt. Na vijf jaren worden de termijnen daarom enigszins
soepeler vastgesteld. Overigens kan op grond van de materiewetten, bijvoorbeeld
artikel 36,
tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet, van verdere terugvordering
worden afgezien als de
schuldenaar zich gedurende ten minste vijf jaar, en in sommige gevallen
drie jaar, stipt aan de
vastgestelde betalingsregeling heeft gehouden.
Artikel
9. Toerekening van
betalingen
In dit artikel is bepaald
dat een betaling die aan meerdere vorderingen zou kunnen worden
toegewezen, in de eerste plaats wordt
toegerekend aan een verschuldigde bestuurlijke boete. Dit geldt niet als
de schuldenaar zelf een
andere vordering aanwijst waaraan zijn betaling dient te worden
toegerekend. Deze bepaling is enerzijds
opgenomen in verband met het lik-op-stukbeleid van het UWV
en de SVB, hetgeen inhoudt dat
bestuurlijke boeten direct moeten worden voldaan. Anderzijds hangt de
bepaling samen met het feit dat voor
bestuurlijke boeten op grond van artikel 4 van de regeling een strenger regime geldt dan voor
vorderingen waarop artikel 3 van toepassing is. Dit brengt met zich mee
dat de bestuurlijke boete binnen
een kortere periode moet zijn afbetaald waardoor het ook om die reden in
de rede ligt de betaling
eerst aan de bestuurlijke boete toe te rekenen.
Artikel
10. Toepasselijkheid
op de werkgever
De
regeling geldt zowel ten
aanzien van uitkeringsgerechtigden als ten aanzien van werkgevers aan wie een boete is opgelegd of
aan wie onverschuldigd is betaald. De artikelen 3, 4 en
8 kunnen naar hun aard echter niet van
toepassing zijn op werkgevers. Om die reden is in artikel 10 bepaald dat
zij niet gelden voor de
werkgever.
Artikel
11. Intrekken andere
regelingen en overgangsrecht
De Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen, het Besluit
incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers en het Besluit
invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
worden in het eerste lid van dit artikel ingetrokken. In deze
regelingen waren de tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen tot op heden
opgenomen. De drie regelingen, die golden voor respectievelijk door het UWV
uitgevoerde wetten,
geldschulden van werkgevers en door de SVB uitgevoerde wetten, worden opgevolgd door de
regeling.
Een deel van de in de ingetrokken regelingen opgenomen bepalingen keert niet terug in de
regeling omdat in de daarin geregelde onderwerpen thans wordt voorzien
door de Awb. Enkele bepalingen
keren in het kader van vereenvoudiging niet terug. Ten slotte zijn de resterende bepalingen
samengevoegd en geharmoniseerd in de regeling.
In het tweede lid is het
overgangsrecht opgenomen. De regeling heeft onmiddellijke werking. Op
dit uitgangspunt is een
uitzondering gemaakt voor verplichtingen tot betaling van een geldsom
die reeds zijn vastgesteld op het
moment van inwerkingtreding van de regeling.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|
|