|
24 juni 1997/nr. SV/AVF/97/2347
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelend in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van
Defensie;
Gelet op de artikelen 9, vierde lid, en
29,
achtste lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel
2, tweede lid, van de
Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 55, derde lid, van de
Algemene bijstandswet, artikel
10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel
10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel
6, tweede lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel
85, derde lid,
van de Werkloosheidswet, artikel 19a, tweede lid, van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, derde lid, van de
Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, derde lid, van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, derde
lid, van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26,
derde lid, van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
Besluit:
Art. 1.
Voor de toepassing van de artikelen 9, derde lid, en
29, zevende lid,
van de Algemene Ouderdomswet, artikel
2, eerste lid, onderdeel b en d,
van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, eerste lid, van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 37,
eerste en tweede lid, van de Wet
werk en bijstand, artikel 10, eerste lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, artikel 10, eerste lid, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel
6, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen,
artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel
19a, eerste lid,
van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36,
eerste lid, van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32,
eerste lid, van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, eerste lid, van de
Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, eerste lid, van de
Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt het deel van
de premie op grond van de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het
wachtgeldfonds vastgesteld op een gemiddeld percentage van 0,2 voor het
deel dat door de werknemer is verschuldigd.
Art. 2.
Voor de toepassing van artikel 85, derde lid, van de
Werkloosheidswet
wordt de in dat lid bedoelde vervangende premie vastgesteld op 0,4%.
Art. 2a.
Deze regeling berust mede op
artikel 37, derde lid, van de Wet
werk en bijstand.
Art. 3.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage,
24 juni 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[24
juni 1997]
Op grond van de in
de aanhef van dit besluit genoemde wetsbepalingen dient bij
ministeriële regeling een gemiddeld premiepercentage te worden
vastgesteld voor het deel van de premie op grond van de Werkloosheidswet
(WW) dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds. Deze
rekenpremie wordt gehanteerd bij de
berekening van de
socialezekerheidsuitkeringen die gekoppeld zijn aan het nettominimumloon, alsmede
voor de berekening van de op een
aantal uitkeringen en pensioenen in te houden vereveningsbijdrage.
Aangezien het
premiepercentage voor het deel van de premie
op grond van de WW dat ten gunste
komt van het wachtgeldfonds per
bedrijfstak of per risicogroep kan
verschillen, is, teneinde verschillen in netto-uitkeringen te voorkomen, vaststelling
van een gemiddeld percentage nodig.
De vaststelling van dit
gemiddeld percentage dient te
geschieden met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen
regels. Deze regels zijn neergelegd
in het Besluit vaststelling rekenpremie
wachtgeldfondsen. Op grond van dit besluit wordt voor deze rekenpremie
een berekeningswijze gehanteerd die een weging inhoudt van de
bedrijfstakspecifieke premiepercentages met zo recent mogelijk verzekerde
loonsommen. Daarbij wordt voor de
vaststelling van de premie voor het
komende jaar een gewogen gemiddelde
van de premiepercentages van het
lopende kalenderjaar gehanteerd.
In 1997 is hiervan afgeweken
bij Besluit afwijking voor het
jaar 1997 van het Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996,
691). Voor 1997 is uitgegaan van
het gewogen gemiddelde van de premiepercentages van 1997. Gezien het moment
van vaststellen zijn daarbij
een aantal veronderstellingen gemaakt.
Deze veronderstellingen betroffen met name dat in een aantal sectoren
nulpremies zouden worden vastgesteld.
De rekenpremie kwam hierdoor uit op 1%.
Naar nu is gebleken, zijn
echter ook negatieve wachtgeldpremies
vastgesteld. De rekenpremie, die een gewogen gemiddelde is van de
bedrijfstakspecifieke premiepercentages, komt daarmee lager uit dan
geraamd, namelijk op 0,7%. Dit besluit
voorziet erin de rekenpremie zodanig
neerwaarts bij te stellen dat deze het gewogen gemiddelde is van de in 1997
vastgestelde wachtgeldpremies. Omdat het
niet mogelijk is premiepercentages met terugwerkende kracht te
herzien, wordt de rekenpremie per 1 juli
vastgesteld op 0,4%. Gemiddeld over 1997
komt de rekenpremie daarmee uit op
0,7%.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|