St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Werkloosheidswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  VASTSTELLING  GEMIDDELD  PREMIEPERCENTAGE  VOOR  DE  WERKLOOSHEIDSWET  DAT  TEN  GUNSTE  KOMT  VAN  HET  WACHTGELDFONDS
 
 

24 juni 1997, Stcrt. 1997, 119
Inwerkingtreding: 1 juli 1997
(T.a.v. o.a. artt. 9:5 en 29:5 AOW, 2:2 Anw,
37:3 Wwb, 55:3 Abw, 10:2 Ioaw, 10:2 Ioaz, 6:2 Wamil en 85:3 WW)

 

  
 

 

 
24 juni 1997/nr. SV/AVF/97/2347
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelend in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Defensie;
     Gelet op de artikelen 9, vierde lid, en 29, achtste lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 2, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 55, derde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 10, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 6, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel 19a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, derde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Voor de toepassing van de artikelen 9, derde lid, en 29, zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 2, eerste lid, onderdeel b en d, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 41a, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 37, eerste en tweede lid, van de Wet werk en bijstand, artikel 10, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 10, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 6, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet, artikel 19a, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, artikel 36, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 32, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 43, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 26, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt het deel van de premie op grond van de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds vastgesteld op een gemiddeld percentage van 0,2 voor het deel dat door de werknemer is verschuldigd.

 

Art. 2.
Voor de toepassing van artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet wordt de in dat lid bedoelde vervangende premie vastgesteld op 0,4%.

 

Art. 2a.
Deze regeling berust mede op artikel 37, derde lid, van de Wet werk en bijstand.

 

Art. 3.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1997.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 24 juni 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave
.

 

 

 

TOELICHTING
[24 juni 1997]

 

Op grond van de in de aanhef van dit besluit genoemde wetsbepalingen dient bij ministeriële regeling een gemiddeld premiepercentage te worden vastgesteld voor het deel van de premie op grond van de Werkloosheidswet (WW) dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds. Deze rekenpremie wordt gehanteerd bij de berekening van de socialezekerheidsuitkeringen die gekoppeld zijn aan het nettominimumloon, alsmede voor de berekening van de op een aantal uitkeringen en pensioenen in te houden vereveningsbijdrage.
     Aangezien het premiepercentage voor het deel van de premie op grond van de WW dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds per bedrijfstak of per risicogroep kan verschillen, is, teneinde verschillen in netto-uitkeringen te voorkomen, vaststelling van een gemiddeld percentage nodig.
     De vaststelling van dit gemiddeld percentage dient te geschieden met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen. Op grond van dit besluit wordt voor deze rekenpremie een berekeningswijze gehanteerd die een weging inhoudt van de bedrijfstakspecifieke premiepercentages met zo recent mogelijk verzekerde loonsommen. Daarbij wordt voor de vaststelling van de premie voor het komende jaar een gewogen gemiddelde van de premiepercentages van het lopende kalenderjaar gehanteerd.
     In 1997 is hiervan afgeweken bij Besluit afwijking voor het jaar 1997 van het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996, 691). Voor 1997 is uitgegaan van het gewogen gemiddelde van de premiepercentages van 1997. Gezien het moment van vaststellen zijn daarbij een aantal veronderstellingen gemaakt. Deze veronderstellingen betroffen met name dat in een aantal sectoren nulpremies zouden worden vastgesteld. De rekenpremie kwam hierdoor uit op 1%.
     Naar nu is gebleken, zijn echter ook negatieve wachtgeldpremies vastgesteld. De rekenpremie, die een gewogen gemiddelde is van de bedrijfstakspecifieke premiepercentages, komt daarmee lager uit dan geraamd, namelijk op 0,7%. Dit besluit voorziet erin de rekenpremie zodanig neerwaarts bij te stellen dat deze het gewogen gemiddelde is van de in 1997 vastgestelde wachtgeldpremies. Omdat het niet mogelijk is premiepercentages met terugwerkende kracht te herzien, wordt de rekenpremie per 1 juli vastgesteld op 0,4%. Gemiddeld over 1997 komt de rekenpremie daarmee uit op 0,7%.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x