|
REGELING van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2003, nr. SV/F&W/2003/90418C,
houdende de vrijstelling van enige verplichtingen op grond van de
Werkloosheidswet (Regeling vrijstelling verplichtingen WW)
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 24, zevende lid, en
26, derde
lid, van de
Werkloosheidswet;
Besluit:
Art.
1. Vrijstelling van verplichtingen als bedoeld in de artikelen
24 en 26 van de Werkloosheidswet
-1. Van de verplichting zich als
werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel
d, van de
Werkloosheidswet, en van de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder 1º, 2º en 4º,
en artikel 26, eerste lid, onderdeel f en
g, van de
Werkloosheidswet, is
vrijgesteld:
a. de werknemer wiens werkloosheid
uitsluitend een gevolg is van:
1º. vorst, sneeuwval, hoog water of
daarmee gelijk te stellen buitengewone natuurlijke omstandigheden;
2º. verkorting van de werktijd waarvoor
op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend;
b. de werknemer die 64 jaar of ouder
is op de eerste dag van werkloosheid;
c. de werknemer die met behoud van
zijn recht op uitkering op grond van de
Werkloosheidswet vakantie geniet
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Vakantieregeling WW;
d. de werknemer die 57,5 jaar of
ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór
1 januari 2004 en die gedurende een periode van minimaal drie maanden
gemiddeld ten minste 20 uur per week besteedt aan vrijwilligerswerk of
mantelzorg, tenzij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten
behoeve van die werknemer werkzaamheden laat verrichten met als doel de
bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces;
e. de werknemer die 57,5 jaar of
ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen
op of na 1 januari 2004 en die gedurende een periode van minimaal drie
maanden gemiddeld ten minste 20 uur per week besteedt aan
vrijwilligerswerk of mantelzorg indien ten minste één jaar is
verstreken gerekend vanaf de eerste werkloosheidsdag, tenzij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten behoeve
van die werknemer werkzaamheden laat verrichten met als doel de
bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces.
-2. De omschreven vrijstellingen gelden
voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2º,
wiens werktijd tot nul is verkort, voor de duur van de eerste afgegeven
vergunning.
-3. De
werknemer die op grond van het eerste lid, onderdeel d of e,
is vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de aanhef van dat lid,
in verband met het verrichten van mantelzorg blijft vrijgesteld van die
verplichtingen tot één maand na de dag waarop hij die mantelzorg niet
langer verricht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt het recht op vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d en e, op aanvraag vast.
-5. Voor de toepassing van deze regeling
wordt verstaan onder:
a. vrijwilligerswerk: onbetaalde en
onverplichte activiteiten binnen een organisatie die een ideële
doelstelling heeft of een maatschappelijk nut nastreeft, welke
activiteiten doorgaans een aanvullend karakter hebben op bestaande
maatschappelijke voorzieningen;
b. mantelzorg: noodzakelijke zorg
voor een zieke of gehandicapte.
Art.
2. Vrijstelling van verplichtingen als bedoeld in artikel 24
van de Werkloosheidswet
-1. Van de verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder
1º, 2º en 4º, van de
Werkloosheidswet, is vrijgesteld de werknemer
die een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing volgt.
-2. De in het eerste lid bedoelde
vrijstelling eindigt twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het
eerste lid bedoelde opleiding of scholing naar verwachting zal eindigen.
-3. De werknemer die op een proefplaats
werkzaamheden verricht, is vrijgesteld van de verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder
1º, 2º en 4º, van de
Werkloosheidswet, voor zover het
andere werkzaamheden betreft dan die op de proefplaats.
Art.
3. Overgangsbepaling
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, aanhef, is tevens vrijgesteld de werknemer:
a. die 57,5 jaar of ouder is op 1
mei 1999 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen is vóór 1 januari
2004;
b. die 57,5 jaar of ouder is op 31
december 2003 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen is op of vóór 1
januari 2003;
c. voor wie op of na 1 januari 2004
recht op werkloosheidsuitkering ontstaat en die op de datum van het
ontstaan van dat recht op grond van onderdeel a of b vrijgesteld is van
de verplichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
aanhef;
d.
die 57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste
werkloosheidsdag is gelegen vóór 1 januari 2004 en:
1º. die onmiddellijk voorafgaande aan de
eerste werkloosheidsdag een recht op uitkering had op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of de Liquidatiewet
ongevallenwetten dan wel een uitkering had die naar aard en strekking
daarmee overeenkomt; of
2º. die onmiddellijk voorafgaande aan de
eerste werkloosheidsdag een recht op ziekengeld had op grond van de Ziektewet
dat is ontstaan op of vóór 1 januari 2003;
e. die
57,5 jaar of ouder is op 31 december 2003, wiens eerste werkloosheidsdag
is gelegen op of na 1 januari 2004 en die onmiddellijk voorafgaande aan
de eerste werkloosheidsdag een recht op uitkering had op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Liquidatiewet
ongevallenwetten dan wel een uitkering die naar aard en strekking
daarmee overeenkomt, dat is ontstaan op of vóór 1 januari 2003.
-2. Artikel 2, tweede lid, is niet van
toepassing op de werknemer wiens opleiding of scholing als bedoeld in
dat lid is aangevangen vóór 1 januari 2004.
-3. Artikel 3, eerste lid,
aanhef en onder d, onder 3º, en vierde lid, zoals dit luidde op
de dag voorafgaande aan die waarop de Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2005, nr. SV/F&W/2005/30639,
houdende wijziging van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en van
de Vakantieregeling WW in verband met
vrijstelling van de sollicitatieplicht voor oudere werklozen die
vrijwilligerswerk of mantelzorg verrichten (Stcrt. 2005, 88), in
werking treedt, blijft van toepassing op de werknemer die op die dag op
grond van die artikelleden was vrijgesteld van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, met dien
verstande dat met betrekking tot die werknemer niet het vereiste geldt
dat hij woonachtig is in district Noord of Zuid-West als bedoeld in bijlage
2 van het Besluit werkgebieden CWI.
Art.
4. Intrekking
Het Besluit vrijstelling verplichtingen WW wordt ingetrokken.
Art.
5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Art.
6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling verplichtingen
WW.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[4 december 2003]
Algemeen
In
de artikelen 24 en 26 van de
Werkloosheidswet (WW) wordt een aantal
verplichtingen genoemd waaraan de werknemer moet voldoen in het kader
van de WW. Op grond van artikel
24, zevende lid, en artikel 26, derde
lid, van de WW is de minister bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde
groepen werknemers worden vrijgesteld van een aantal van deze
verplichtingen. Met de onderhavige regeling wordt van deze bevoegdheid
gebruik gemaakt.
De met de onderhavige regeling ingetrokken
ministeriële regeling betrof tot 31 december 1999 een besluit van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Met de intrekking van
die regeling en het vaststellen van de onderhavige regeling is thans
volledig duidelijk - zonder dat een aantal overgangsrechtelijke
regelingen hoeven te worden geraadpleegd - dat er een ministeriële
regeling is met betrekking tot de vrijstelling van verplichtingen in de
WW en wat die regeling inhoudt.
De minister heeft de bevoegdheid vrijstelling
te verlenen ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in:
artikel 24, eerste lid, onderdeel
b:
- onder 1º: in voldoende mate
trachten passende arbeid te verkrijgen (sollicitatieverplichting);
- onder 2º: aangeboden passende arbeid te aanvaarden of verkrijgen;
- onder 4º: geen eisen stellen die het aanvaarden van passende arbeid
belemmeren;
artikel 26, eerste lid:
- onderdeel d: zich als werkzoekende
inschrijven bij de Centrale organisatie werk en
inkomen;
- onderdeel f: meewerken aan een noodzakelijke scholing of opleiding;
- onderdeel g: meewerken aan een gewenst onderzoek naar
arbeidsgeschiktheid.
Vrijgesteld van deze verplichtingen zijn ten
eerste de zogenoemde vorstwerklozen en werknemers waarvoor een
vergunning tot verkorting van de werktijd is verleend. Als er sprake is
van een vergunning waarmee de werktijd tot nul uren kan worden verkort (nulurenvergunning),
geldt de vrijstelling alleen voor de duur van de eerst afgegeven
vergunning. Bij een volgende vergunning (een verlenging van de
nulurenvergunning) zijn de verplichtingen dus wel van toepassing.
Daarnaast is de werknemer gedurende de periode
waarover hij verklaart vakantie te genieten, vrijgesteld van de genoemde
verplichtingen. Deze verplichtingen golden voorheen onverkort voor
werknemers tijdens de vakantieperiode, maar voor een overtreding van
één
van de verplichtingen kon geen maatregel worden opgelegd. Om
uitvoeringstechnische redenen is daarom gekozen voor een vrijstelling
van de verplichtingen voor deze werknemers. Overigens is ook de
werknemer in de situatie waarin hij niet verklaart of zelfs ontkent
vakantie te genieten, maar hiervan gelet op de feitelijke omstandigheden
kennelijk wel sprake is, vrijgesteld van de genoemde verplichtingen.
Werknemers van 57,5 jaar of ouder waren lange
tijd ook vrijgesteld van de genoemde verplichtingen. De vrijstelling van
de verplichtingen voor deze groep is ingevoerd in een tijd dat oudere
werklozen nauwelijks kansen hadden op de arbeidsmarkt. Daarnaast was in
die tijd sprake van een grote werkloosheid onder jongeren. Oudere
werknemers verlieten massaal de arbeidsmarkt om plaats te maken voor
jongeren. Vasthouden aan die verplichtingen zou dat proces, dat politiek
wenselijk werd geacht, slechts hebben gefrustreerd. De vrijstelling van
de verplichtingen voor ouderen moet dan ook met name in de context van
de situatie in de jaren tachtig van de vorige eeuw worden gezien.
Verhoging van de arbeidsparticipatie van
ouderen is nu echter in het licht van de toenemende vergrijzing
noodzakelijk voor de economische ontwikkeling en de handhaving van
voldoende draagvlak voor het sociale stelsel. Eén van de maatregelen die
hierbij een rol speelt, is de herinvoering van de verplichtingen gericht
op arbeidsinpassing voor oudere werknemers. Een eerste aanzet hiertoe is
gegeven toen met ingang van 1 mei 1999 ten aanzien van werknemers die
vanaf die datum 57,5 jaar werden een aantal vrijstellingen kwam te
vervallen. Zij werden vanaf die datum verplicht tot inschrijving bij de
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), tot aanvaarding van
aangeboden passende arbeid en zij mochten niet langer eisen stellen die
het aanvaarden van passende arbeid konden belemmeren.
Naast de eerder genoemde verplichtingen gaat
het bij de herinvoering van alle verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing om de verplichting in voldoende mate te solliciteren,
de verplichting mee te werken aan een noodzakelijke scholing of
opleiding en de verplichting mee te werken aan een gewenst onderzoek
naar zijn arbeidsgeschiktheid. De herinvoering van deze verplichtingen
geldt voor werknemers met recente werkervaring. Werknemers ouder dan
57,5 jaar die werkloos worden en instromen in de WW, zijn daarom niet
langer vrijgesteld van de verplichtingen. Zij hebben per definitie
recente werkervaring en daardoor kansen op de arbeidsmarkt. Daarbij is
alleen een uitzondering gemaakt voor werknemers die op de dag dat ze
werkloos worden 64 jaar of ouder zijn. Voor deze werknemers is de
periode tot de pensioengerechtigde leeftijd zo kort dat het starten van
reïntegratieactiviteiten, zowel voor de werknemer als voor de
uitvoering, niet meer voor de hand ligt.
Voor het zittende bestand is een
overgangsmaatregel getroffen. Deze maatregel ziet op twee groepen
werknemers. Het betreft ten eerste de werknemers van 57,5 jaar of ouder
die geen inschrijf- en acceptatieplicht hadden. Ten tweede betreft het
de werknemers waar de laatstgenoemde verplichtingen wel op van
toepassing waren, maar die een eerste werkloosheidsdag hebben die gelegen
is op of vóór 1 januari 2003. Als deze werknemers op grond van het
overgangsrecht vrijgesteld zijn van verplichtingen, blijven zij geheel
vrijgesteld van deze verplichtingen, ook als er een gedeeltelijk nieuw
recht op werkloosheidsuitkering na 1 januari 2004 ontstaat. Voor dit
laatste is gekozen omdat het uitvoeringstechnisch voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) lastig is de
verplichtingen te handhaven voor werknemers die onder het oude recht
vrijgesteld zijn van deze verplichtingen en onder het nieuwe recht deze
verplichtingen wel hebben.
Uitgangspunt voor dit overgangsrecht is dat
deze werknemers een zo grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt dat het
niet opportuun is om deze groepen alsnog te verplichten tot solliciteren
of andere reïntegratieactiviteiten. Op termijn zal de vrijstelling van
verplichtingen gericht op arbeidsinpassing voor oudere werknemers
derhalve alleen nog van toepassing zijn op werknemers die 64 jaar of
ouder zijn op de dag dat ze werkloos worden.
Werknemers die een door het UWV noodzakelijk
geachte scholing volgen, zijn vrijgesteld van een aantal verplichtingen.
Ten opzichte van het Besluit vrijstelling verplichtingen WW (het
besluit) is de huidige regeling in die zin anders dat deze vrijstelling
eindigt twee maanden vóór de verwachte afronding van de scholing. Deze
werknemers dienen derhalve twee maanden vóór afronding van de scholing
te starten met solliciteren naar passende arbeid, omdat daarmee de kans
groter wordt dat de werknemer direct na afronding van de scholing het
werk kan hervatten. Overigens geldt deze bepaling alleen voor werknemers
die op of na 1 januari 2004 starten met een scholingstraject. Bij de
controle op de nakoming van de verplichtingen moet rekening gehouden
worden met het feit dat de werknemer nog met een scholing bezig is. Zo
zal niet verlangd kunnen worden dat de werknemer de scholing niet
afrondt of afronding van de scholing in gevaar brengt.
Artikelsgewijs
Artikel
3
Ten
aanzien van bepaalde oudere werknemers die op grond van artikel
1,
onderdeel b, van deze regeling niet vrijgesteld zijn van de in dat
artikel bedoelde verplichtingen, maar die op grond van het
besluit wel
vrijgesteld waren van bepaalde verplichtingen, is bepaald dat zij van de
verplichtingen vrijgesteld blijven.
Het betreft ten eerste de werknemer die 57,5
jaar of ouder is op 1 mei 1999 en wiens eerste werkloosheidsdag gelegen
is vóór 1 januari 2004. Deze werknemer was tot de inwerkingtreding van
deze regeling op grond van artikel II van de Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 januari 1999 (Stcrt. 1999,
40) (een voormalig besluit van het Lisv) vrijgesteld van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel
b, onder 1º,
2º en 4º, en artikel 26, eerste lid, onderdeel
d, f en g. De overige
werknemers van 57,5 jaar of ouder waren op grond van artikel
1, tweede
lid, van het
besluit slechts vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld
in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, en
artikel 26, eerste
lid, onderdeel f en g.
Ten tweede betreft het de werknemer die 57,5
jaar of ouder is op 31 december 2003 en wiens eerste werkloosheidsdag is
gelegen vóór 1 januari 2003.
Ten derde gaat het om die personen voor wie op
of na 1 januari 2004 een recht op werkloosheidsuitkering ontstaat en die
op de datum van het ontstaan van dat recht op grond van artikel
3,
eerste lid, onderdeel a of b, vrijgesteld zijn van
eerder genoemde
verplichtingen. Dit betreft ten eerste personen die op 1 januari 2004
werkloos zijn, na 1 januari 2004 hun werk (gedeeltelijk) hervatten en
daarna toch weer werkloos worden. Maar het betreft ook personen die
slechts gedeeltelijk werkloos zijn op 1 januari 2004 en voor wie na 1
januari 2004 naast hun bestaande recht op WW een nieuw recht ontstaat.
Zolang deze werknemers op basis van het oude recht vrijgesteld zijn,
blijft deze vrijstelling van verplichtingen bestaan, ook als een
gedeeltelijk nieuw recht ontstaat. Echter, als een volledig nieuw recht
is opgebouwd of het oude recht afloopt, is de werknemer niet meer
vrijgesteld.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|