|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/05/99376, houdende regels met
betrekking tot de vrijstelling van verplichtingen, genoemd in de Werkloosheidswet
en de Wet werk en inkomen naar arbeid
(Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA) ¹
1. Redactie:
Ingevolge artikel V, onderdeel I, van de Aanpassingsregeling IOW (Stcrt.
2009, 18184) is de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA voorzien van een nieuwe
citeertitel, luidende: Regeling
vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
30, eerste lid, juncto 32, tweede lid, en
37, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en de artikelen 19, vijfde lid,
21, vierde lid, 24,
zevende lid, 26, derde lid, en 76a
van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Art. 1. Definities
In deze
regeling wordt verstaan onder:
- mantelzorg: noodzakelijke
zorg voor een zieke of gehandicapte;
- resterende
verdiencapaciteit: de resterende verdiencapaciteit, bedoeld
in paragraaf 7.2 van de Wet
WIA;
- uitkeringsgerechtigde: de verzekerde
die zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in paragraaf 7.2 van de Wet
WIA
niet volledig benut, de werknemer of de IOW-gerechtigde;
- verzekerde: de verzekerde,
bedoeld in de Wet WIA,
die recht heeft op een WGA-uitkering;
- vrijwilligerswerk:
onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een
organisatie die een ideële doelstelling heeft of een maatschappelijk nut
nastreeft, welke activiteiten doorgaans een
aanvullend karakter hebben op bestaande
maatschappelijke voorzieningen;
- werknemer: de werknemer,
bedoeld in hoofdstuk 1, paragraaf 2, van
de WW, die recht heeft op een WW-uitkering;
- Wet WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
- WGA-uitkering:
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk 7 van
de Wet WIA;
- WW: Werkloosheidswet;
- Wet Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
- IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
- IOW-gerechtigde: de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in artikel
1 van de IOW;
- pensioen: een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
- prepensioen: een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde
uittreding als bedoeld in artikel 32ba, van de Wet
op de loonbelasting 1964 of op grond van een prepensioenregeling als
bedoeld in artikel 38a van de Wet
op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december
2004;
- verlof: een tussen de werkgever en de werknemer voor een gedeelte of het
geheel van de arbeidstijd overeengekomen periode waarin de werknemer
geen arbeid jegens de werkgever verricht.
Art.
1a. Aanvulling wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op artikel 16,
eerste lid, van de
IOW.
Art. 2.
Vrijstelling in
verband benutten resterende verdiencapaciteit
Van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet
WIA
is vrijgesteld de verzekerde
die zijn resterende verdiencapaciteit volledig
benut.
Art.
2a. Vrijstelling in verband met pensioen, prepensioen of
verlof
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet
WIA, is vrijgesteld de
persoon die met verlof is dan wel die pensioen of prepensioen ontvangt.
-2. Van de verplichtingen bedoeld in de artikelen
14, tweede lid, onderdeel b, en 15,
onderdeel a tot en met e, van de IOW
is vrijgesteld de persoon die met verlof is.
Art. 3.
Vrijstelling in
verband met vorst en
arbeidstijdverkorting
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW
en 14, tweede lid, onderdeel b, en 15,
onderdeel a tot en met e, van de IOW,
is vrijgesteld de werknemer wiens werkloosheid uitsluitend een gevolg is
van:
a. vorst, sneeuwval, hoog
water of daarmee gelijk te stellen
buitengewone natuurlijke omstandigheden;
of
b. verkorting van de
werktijd, waarvoor op grond van artikel 8,
derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.
-2. De omschreven
vrijstellingen gelden voor de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b, wiens werktijd
tot nul is verkort, voor de duur van de
eerste afgegeven vergunning.
Art. 4.
Vrijstelling in
verband met vakantie
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW,
of in de artikelen 14, tweede lid, onderdeel
b, en 15, onderdeel a tot en
met e, van de IOW, is vrijgesteld de
werknemer respectievelijk de IOW-gerechtigde
die met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de WW
of IOW vakantie geniet als bedoeld in artikel
1, eerste lid, van de Vakantieregeling WW
en IOW.
-2. Van de
verplichtingen, bedoeld
in artikel 30, eerste lid, van de Wet
WIA,
is vrijgesteld de verzekerde die zijn
resterende verdiencapaciteit niet
volledig benut en die vakantie geniet tot een
maximum van 20 werkdagen per jaar,
waarbij onder werkdagen wordt
verstaan de dagen maandag tot en met
vrijdag.
-3. De verzekerde, bedoeld
in het tweede lid, geniet vakantie, indien:
a. hij verklaard heeft
vakantie te genieten; of
b. niet verklaard heeft
vakantie te genieten, maar daar, gelet op de
feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake van is.
Art. 5.
Vrijstelling in
verband met vrijwilligerswerk of mantelzorg
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW
of 30, eerste lid, van de Wet
WIA,
is vrijgesteld de uitkeringsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder is op 31
december 2003, gedurende een periode van minimaal drie maanden gemiddeld
ten minste 20 uur per week besteedt aan vrijwilligerswerk of mantelzorg
en:
a. wiens eerste werkloosheidsdag is
gelegen vóór 1 januari 2004;
b. wiens eerste werkloosheidsdag is
gelegen op of na 1 januari 2004, indien ten minste één jaar is
verstreken gerekend vanaf de eerste werkloosheidsdag; of
c. indien ten minste één jaar is
verstreken gerekend vanaf de eerste dag waarop hij recht heeft op een
WGA-uitkering en hij zijn resterende verdiencapaciteit niet volledig
benut, tenzij het UWV ten behoeve van die
uitkeringsgerechtigde werkzaamheden laat verrichten met als doel de
bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces.
-2. De IOW-gerechtigde
die op grond van het eerste lid is vrijgesteld van de verplichtingen,
bedoeld in dat lid, op de dag vóór ingang van het recht op een
uitkering op grond van de IOW is vrijgesteld van de verplichtingen,
bedoeld in de artikelen 14, tweede lid,
onderdeel b, en 15, onderdeel a
tot en met e, van de IOW, indien hij
gemiddeld ten minste 20 uur per week besteedt aan vrijwilligerswerk of
mantelzorg.
-3. De uitkeringsgerechtigde die op grond
van het eerste of het tweede lid is vrijgesteld van de verplichtingen,
bedoeld in die leden, in verband met het verrichten van mantelzorg
blijft vrijgesteld van die verplichtingen tot één maand na de dag
waarop hij die mantelzorg niet langer verricht.
-4. Het UWV stelt het recht op
vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag vast.
Art. 6.
Vrijstelling in
verband met scholing en proefplaatsing
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, van de WW,
15, onderdeel b tot en met e,
van de IOW of 30, eerste lid, van de Wet
WIA,
is vrijgesteld de uitkeringsgerechtigde die een naar het oordeel van het
UWV noodzakelijke opleiding of scholing
volgt.
-2. De in het eerste lid
bedoelde vrijstelling eindigt twee maanden vóór
het tijdstip waarop de in het
eerste lid bedoelde opleiding of
scholing naar verwachting zal eindigen,
tenzij de scholing, blijkens een intentieverklaring van de toekomstige werkgever,
een reëel uitzicht geeft op een op de
scholing aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang dan de
scholing en met een duur van ten minste
zes maanden.
-3. De uitkeringsgerechtigde die
werkzaamheden verricht op een proefplaats als bedoeld in artikel
76a van de WW
of artikel 37 van de Wet
WIA
is vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, van de WW
of 30, eerste lid, van de Wet
WIA,
voor zover het andere werkzaamheden betreft dan die op de proefplaats.
Art.
6a. Vrijstelling Wajong-ers tijdens studie of scholing
De artikelen 2:31, eerste lid, tweede
lid, onderdeel b en c, en derde lid, 2:32
en 2:39, tweede, derde en vierde lid,
van de Wet Wajong zijn niet van toepassing
op de jonggehandicapte, bedoeld in artikel 2:43,
eerste lid, van de Wet Wajong, tot twee
maanden vóór het beëindigen van de studie of scholing in verband
waarmee hij inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:37
ontvangt.
Art. 7.
Vrijstelling om
andere redenen
Van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen
24, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW
en 14, tweede lid, onderdeel b, en 15,
onderdeel a tot en met e, van de IOW,
of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet
WIA,
is vrijgesteld de uitkeringsgerechtigde die 64 jaar of ouder is op de
eerste dag van werkloosheid respectievelijk op de eerste dag dat hij
recht heeft op een WGA-uitkering.
Art. 8.
Overgangsbepaling
in verband met de Werkloosheidswet
Van
de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 24,
eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, en 26,
eerste lid, onderdeel d, f en g, van de WW,
is vrijgesteld de werknemer:
a. die 57,5 jaar of ouder is
op 1 mei 1999 en wiens eerste
werkloosheidsdag gelegen is vóór 1 januari
2004;
b. die 57,5 jaar of ouder is
op 31 december 2003 en wiens eerste
werkloosheidsdag gelegen is op of vóór 1 januari 2003;
c. voor wie op of na 1
januari 2004 recht op werkloosheidsuitkering
ontstaat en die op de datum van het ontstaan van dat recht op grond van
onderdeel a of b vrijgesteld is van de
verplichtingen, bedoeld in de aanhef;
d. die 57,5 jaar of ouder is
op 31 december 2003, wiens eerste
werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2004 en:
1º. die onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag
een recht op uitkering had op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen dan wel een
uitkering had die naar aard en
strekking daarmee overeenkomt; of
2º. die onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag
een recht op ziekengeld had op grond van
de Ziektewet dat is ontstaan op of vóór 1
januari 2003;
e. die 57,5 jaar of ouder is
op 31 december 2003, wiens eerste
werkloosheidsdag is gelegen op of na 1 januari 2004 en die onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een
recht op uitkering had op grond van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen dan wel een
uitkering die naar aard en strekking
daarmee overeenkomt, dat is ontstaan op of vóór 1 januari 2003.
Art. 9.
Intrekken
Regeling vrijstelling verplichtingen WW
-1. De Regeling
vrijstelling verplichtingen WW wordt ingetrokken.
-2. Vrijstellingen die vóór
inwerkingtreding van deze regeling zijn
verleend op grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW worden geacht
vrijstellingen te zijn op grond van deze
regeling.
Art. 10.
Wijziging van
andere regelingen
-1. In artikel
2, tweede
lid, van de Vakantieregeling WW, wordt
"de werknemer, bedoeld in de
artikelen 1,
eerste lid, onderdeel b, d en e, en 3,
eerste lid, van de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW" vervangen door: de
werknemer, bedoeld in artikel 4, eerste
en derde lid, en 7, eerste lid, van
de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en
Wet WIA.
-2. In artikel 1 van de
Regeling herlevingstermijn WW wordt "de werknemer, bedoeld in de
artikelen 1,
eerste lid, onderdeel b, en 3, eerste
lid, van de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW" vervangen door: de werknemer, bedoeld in artikel
6, eerste
lid, en 7, eerste lid, van de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en
Wet WIA.
Art. 11.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 29 december 2005.
Art. 12.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling vrijstelling
verplichtingen socialezekerheidswetten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 16 december
2005.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[16 december 2005]
Aanleiding
De aanleiding voor
deze ministeriële regeling is tweeërlei. Enerzijds brengt de invoering
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) per 29
december 2005 mee dat de
minister
regels moet stellen om bepaalde verzekerden die aanspraak
hebben op een werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) vrij te stellen van bepaalde
plichten. Anderzijds heeft de Tweede
Kamer onlangs een motie
aangenomen. De motie-Verburg c.s.
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 034 en 30 118,
nr. 45) vraagt om de vrijstellingen
in de Wet WIA zoveel mogelijk te
stroomlijnen met de vrijstellingen in de Werkloosheidswet
(WW). Dit betekent dat alle
vrijstellingen in de WW
moeten worden uitgebreid naar WGA-gerechtigden voor zover dit van toepassing
is. Daarom is ervoor gekozen om de
bestaande ministeriële regeling voor WW-gerechtigden in te trekken met
onderhavige regeling. Met de intrekking
van deze regeling en het
vaststellen van een nieuwe regeling is er één
ministeriële regeling met betrekking tot de vrijstelling van verplichtingen in de WW
en de
Wet WIA. Hieronder is
uiteengezet wat die regeling inhoudt en voor
wie de regeling geldt.
Ministeriële bevoegdheid
tot vrijstelling van bepaalde plichten in de
WW en de
Wet WIA:
In de artikelen 24 en
26
van de WW respectievelijk in de
artikelen 27 tot en met 30 van de Wet WIA
wordt een aantal verplichtingen genoemd. De
werknemer of de WGA-gerechtigde moet
aan deze plichten voldoen in het
kader van de WW of de
Wet WIA.
Op grond van de artikelen 24, zevende lid,
26, derde lid, 76a,
zesde lid, van de WW
en 32, tweede lid, van de Wet
WIA
is de minister bevoegd
regels te stellen, waarbij bepaalde groepen
worden vrijgesteld van een aantal van deze
verplichtingen in de WW of in de
Wet WIA. Met de onderhavige regeling
wordt van deze bevoegdheid gebruik
gemaakt.
De minister heeft gebruik
gemaakt van de bevoegdheid
vrijstelling te verlenen aan WW- of WGA-gerechtigden
ten aanzien van de
verplichtingen, bedoeld in:
1. artikel 24, eerste lid,
onderdeel b onder 1º, 2º en onder 4º
van de WW respectievelijk
artikel 30,
eerste lid, van de Wet WIA, te weten:
- in voldoende mate trachten
passende arbeid te verkrijgen
(sollicitatieverplichting);
- aangeboden passende arbeid
te aanvaarden of verkrijgen;
- geen eisen stellen die het
aanvaarden van passende arbeid
belemmeren;
2. artikel
26, eerste lid, van
de WW, te weten:
- onderdeel d: zich als
werkzoekende inschrijven bij de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI);
- onderdeel f: meewerken aan
een noodzakelijke scholing of opleiding;
- onderdeel g: meewerken aan
een gewenst onderzoek naar
arbeidsgeschiktheid.
De registratieplicht van
artikel 26, eerste lid, onderdeel d, van de WW
is in de Wet WIA anders geformuleerd.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) of de
eigenrisicodrager kan de WGA-verzekerde die
zijn resterende verdiencapaciteit niet
volledig benut, opleggen zich als
werkzoekende bij de CWI te laten
registreren. De registratieplicht wordt afhankelijk van de omstandigheden van het geval
per individu opgelegd en voor deze plicht behoeft daarom geen
vrijstelling te worden verleend.
In de Wet WIA bestaat geen
specifieke bepaling mee te werken aan
een noodzakelijke scholing of opleiding. Wel kunnen scholing of
opleiding onderdeel uitmaken van een
reïntegratietraject en is de WGA-gerechtigde
verplicht mee te werken aan een reïntegratietraject. In de
Wet WIA is de plicht mee te werken aan een
gewenst onderzoek naar arbeidsgeschiktheid
opgenomen in artikel 27, tweede lid, onderdeel
c, van de Wet WIA. Gelet op
het karakter van de
Wet WIA bestaat geen
vrijstellingsbevoegdheid ten aanzien van deze verplichting.
Tijdelijk volledig
arbeidsongeschikte WGA-verzekerden zijn niet
vrijgesteld van de plichten tot arbeidsinpassing, zoals genoemd in artikel
30,
eerste lid, van de Wet WIA. Ook deze WGA-verzekerden zijn verplicht om passende arbeid te verkrijgen, te
verrichten indien daartoe in de gelegenheid
gesteld en geen belemmerende eisen
daartoe te stellen. Vanwege de
tijdelijk volledige arbeidsongeschiktheid ligt
het voor de hand dat voor deze personen
tijdelijk geen passende arbeid
voorhanden is.
Instrument proefplaatsing
Daarnaast is het instrument
proefplaatsing structureel in de WW
en in
de Wet WIA opgenomen. In de WW door
middel van invoeging van artikel 76a
WW
en in de
Wet WIA in artikel
37 van de Wet WIA. Dit artikel maakt
het mogelijk dat een werkloze werknemer
of WGA-gerechtigde maximaal
drie maanden onbeloonde werkzaamheden kan verrichten met behoud van
uitkering. Op grond van artikel 76a, zesde
lid, van de WW
dan wel artikel 37, zesde
lid, van de Wet WIA kunnen bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van de
artikelen. In deze ministeriële
regeling worden nadere regels daaromtrent getroffen.
Vrijstelling in verband met
volledig benutten verdiencapaciteit (artikel 2)
De WGA-uitkering op grond
van de Wet WIA kent verschillende
uitkeringshoogten en voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een
andere uitkeringshoogte in
aanmerking te komen. Gedeeltelijk arbeidsgeschikten die hun resterende
verdiencapaciteit volledig benutten, verdienen per
maand een loon dat overeenkomt met het
bedrag dat zij theoretisch maximaal
kunnen verdienen gegeven hun
beperkingen en mogelijkheden. Het zou dan
niet logisch zijn deze groep te
verplichten nog meer te gaan verdienen. In verband daarmee is het logisch aan
verzekerden die hun resterende verdiencapaciteit
volledig benutten ontheffing te
verlenen van de verplichtingen van artikel 30, eerste lid,
Wet WIA.
Vrijstelling in verband met
vorstwerkloosheid en arbeidstijdverkorting (artikel 3)
Vrijgesteld van
bovengenoemde verplichtingen in de WW
zijn de zogenoemde vorstwerklozen en
werknemers waarvoor een vergunning tot
verkorting van de werktijd is verleend.
Als er sprake is van een vergunning
waarmee de werktijd tot nul uren kan
worden verkort (nulurenvergunning), geldt
de vrijstelling alleen voor de duur van de
eerst afgegeven vergunning. Bij
een volgende vergunning (een verlenging
van de nulurenvergunning) zijn de
verplichtingen dus wel van toepassing.
Voor de WGA-verzekerde is
deze vrijstelling niet nodig. Personen die
naast hun WGA-uitkering een dienstverband hebben ter hoogte van hun
resterende verdiencapaciteit, hebben
geen sollicitatieplicht voor hun WGA-uitkering. Als er sprake is van
vorstwerkloosheid of een vergunning voor
werktijdverkorting is verleend, dan loopt het
dienstverband door en ontvangt de
WGA-verzekerde een loonvervangende WW-uitkering. Voor deze WW-uitkering is de
WGA-verzekerde vrijgesteld op basis van de vrijstelling in de WW.
Vrijstelling in verband met
vakantie (artikel 4)
Op grond van
artikel 19,
eerste lid, onderdeel k, en vijfde lid, WW
en artikel 2 van de Vakantieregeling
WW heeft de
sollicitatieplichtige WW-gerechtigde maximaal 20 vakantiedagen per jaar. Geen recht op
uitkering bestaat als de WW-gerechtigde
gedurende een langere periode vakantie
geniet. De WW-gerechtigde is gedurende
de (maximaal) toegestane periode waarover hij - met behoud van zijn
recht op uitkering - vakantie
geniet, vrijgesteld van de in de artikelen 24 en
26 van de WW genoemde verplichtingen.
Daarbij geldt dat de werknemer in de
situatie waarin hij, gelet op de
feitelijke omstandigheden, vakantie geniet met behoud van uitkering, is
vrijgesteld van de genoemde verplichtingen. Dit
geldt ook als de werknemer verzwijgt
of zelfs ontkent vakantie te genieten.
WGA-verzekerden kunnen,
evenals WW-gerechtigden, een
bepaalde periode vakantie genieten met behoud van uitkering. Onderhavige
regeling regelt dat WGA-verzekerden - ongeacht of zij hier te lande of in het buitenland verblijven
- een maximale, met de WW
vergelijkbare periode, vakantie kunnen genieten met behoud van
uitkering en vrijstelling van
verplichtingen. Daarbij zijn WGA-verzekerden evenals
de WW-gerechtigden verplicht aan de
controlerende uitvoeringsinstantie tijdig
melding te doen van hun vakantie.
Als een WGA-verzekerde met behoud van uitkering langer dan 20 vakantiedagen
vakantie geniet in Nederland of
daarbuiten, moet dus wel aan de
verplichtingen, vermeld in artikel 30, eerste lid,
van de Wet WIA, worden voldaan en
kunnen sancties opgelegd worden.
Vrijstelling in verband met
vrijwilligerswerk en/of mantelzorgtaken (artikel 5)
Vrijwilligerswerk en
mantelzorg zijn in de Nederlandse samenleving
van groot belang. Velen besteden tijd aan vrijwilligerswerk of mantelzorgtaken. De
WW
en de Wet WIA leggen de
uitkeringsgerechtigde in beginsel geen
belemmeringen op met betrekking tot het
verrichten van
vrijwilligersactiviteiten of mantelzorg. De WW en de
Wet WIA bieden tijdelijk of blijvend, al
dan niet aanvullend, inkomensbescherming. Werk
gaat boven inkomen, ofwel
activering staat voorop. Dit houdt in dat uitkeringsgerechtigden vrijwilligerswerk en/of
mantelzorgtaken kunnen
verrichten, voor zover dit hun reïntegratie in betaalde arbeid niet in de weg staat.
De motie-Smilde/Noorman-den
Uyl (Kamerstukken II 2003-2004, 28
862, nr. 32) vraagt om een regeling
op grond waarvan oudere WW-gerechtigden, nadat zij langdurig hebben
gesolliciteerd, vrijgesteld worden van de sollicitatieplicht gedurende de periode dat zij
substantiële vrijwilligers-
of mantelzorgtaken verrichten. Op grond van
voornoemde motie-Verburg c.s is deze
motie ook uitgebreid naar WGA-gerechtigden. Aan deze moties is als volgt
invulling gegeven:
Op grond van artikel 5,
tweede lid, worden werklozen respectievelijk WGA-gerechtigden vrijgesteld van de verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing
als zij op 31 december 2003 ten
minste 57,5 jaar of ouder zijn en gemiddeld ten minste 20 uur per week gedurende
minimaal drie maanden aantoonbaar
vrijwilligerswerk en/of mantelzorgtaken
verrichten.
Voor WW-gerechtigden die na 31 december 2003 in de WW
komen, geldt daarbij dat zij op
grond van artikel 5, eerste lid, vrijgesteld
kunnen worden als zij één jaar na de
eerste werkloosheidsdag onverhoopt nog steeds een WW-uitkering hebben.
Analoog aan de regeling voor werklozen geldt daarbij voor WGA-gerechtigden dat zij vrijgesteld kunnen worden als zij nog steeds
recht hebben op WGA-uitkering, er
inmiddels één jaar is verstreken nadat
voor het eerst WGA-uitkering is ontvangen
en nog steeds sprake is van
resterende verdiencapaciteit die niet volledig benut
wordt.
In de praktijk kan het
voorkomen dat een werkloze één jaar
geleden in de WW kwam, maar dat de betrokkene niet onafgebroken een
WW-uitkering heeft ontvangen door bijvoorbeeld
tijdelijke betaalde werkzaamheden,
arbeidsongeschiktheid of een verblijf in het
buitenland.
Ook zou de situatie kunnen
voorkomen dat een WGA-verzekerde één
jaar lang zijn resterende verdiencapaciteit (afwisselend al dan) niet
volledig heeft benut. In de onderhavige
regeling wordt om uitvoeringstechnische
redenen voor de vaststelling van de
jaarstermijn geen rekening gehouden met deze onderbrekingen en aangesloten bij de eerste
werkloosheidsdag (dan wel de
eerste dag dat de verzekerde in de WGA
komt en na één jaar niet volledig
zijn resterende verdiencapaciteit benut).
Op grond van artikel 1 wordt
onder vrijwilligerswerk verstaan
de onbetaalde en onverplichte activiteiten binnen een organisatie die een ideële
doelstelling heeft of een maatschappelijk
nut nastreeft, welke activiteiten doorgaans een aanvullend karakter
hebben op bestaande voorzieningen. Het
gaat bijvoorbeeld om:
- activiteiten voor kerkelijke
en levensbeschouwelijke organisaties;
- activiteiten voor
niet-commerciële winkels, zoals rechts- en
wetswinkels, onderwijswinkels en gezondheidswinkels;
- activiteiten in bejaarden-
en verpleegcentra, voor wat betreft: begeleid
wandelen, voorlezen/gezelschap houden, begeleiden naar arts of
ziekenhuis, bibliotheek;
- activiteiten in de
maatschappelijke dienstverlening en
gezondheidszorg.
Voor de afbakening van het
begrip vrijwilligerswerk is van belang dat het gaat om activiteiten:
- die gebruikelijk onbetaald zijn;
- die geen winstoogmerk hebben; en
- die een algemeen
maatschappelijk nut dienen.
Op grond van
artikel 1 wordt
in die regeling onder mantelzorgtaken
verstaan de noodzakelijke zorg voor een
zieke of gehandicapte. Bij mantelzorg
moet het gaan om zorg die in duur en
in intensiteit een meer gebruikelijke gang
van zaken overstijgt en niet in
georganiseerd verband en niet in het kader
van een hulpverlenend beroep wordt
verleend. Verder is een bestaande
sociale relatie vereist tussen degene die de zorg nodig heeft en degene die de zorg
verleent. Bij een sociale relatie kan
primair gedacht worden aan gezinsleden en
huisgenoten, maar het is niet
noodzakelijk beperkt tot deze groepen.
In de onderhavige regeling
is de combinatie van vrijwilligerswerk en
mantelzorg toegestaan. De omvang zal
dus worden getoetst aan het
verrichten van vrijwilligerswerk en/of
mantelzorgtaken. Een persoon die gemiddeld 10
uur per week besteedt aan
vrijwilligerswerk en 10 uur aan
mantelzorgtaken komt ook in aanmerking voor een
vrijstelling.
De vrijstelling in verband
met vrijwilligerswerk eindigt zodra het
vrijwilligerswerk eindigt. Bij mantelzorgtaken wordt op grond van artikel
5, derde lid, een uitlooptermijn van één
maand gehanteerd. De aard en achtergrond van mantelzorg brengt met zich
mee dat betrokkenen niet steeds
direct bij een tijdelijke onderbreking of
bij het einde van de mantelzorg in staat
zullen zijn de sollicitatieactiviteiten
weer op te pakken. De uitlooptermijn geeft de
mantelzorger de tijd om te herstellen,
alvorens zich te moeten richten op
sollicitatieactiviteiten.
Een uitkeringsgerechtigde
die in aanmerking wil komen voor deze
vrijstelling moet, op grond van artikel 5, vierde lid, een aanvraag indienen
bij het UWV. Daarbij moet de betrokkene
een verklaring voor de noodzaak van
mantelzorg en/of een contract tot het
verrichten van vrijwilligerstaken kunnen
overhandigen.
Ook indien de werkloze of de WGA-verzekerde recht heeft op een
vrijstelling, is hij, op grond van artikel
25 van de WW
(respectievelijk op
grond van artikel 27, eerste lid, van
de Wet WIA), verplicht op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en
omstandigheden mede te delen waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed kunnen zijn op het
recht op uitkering.
Overigens zal het recht op
vrijstelling in verband met het
verrichten van vrijwilligerswerk en/of mantelzorgtaken niet eerder
ingaan dan
nadat een lopend reïntegratietraject is
afgerond.
Vrijstelling in verband met
scholing en proefplaatsing (artikel 6)
Scholing of opleiding kan
als onderdeel zijn opgenomen in een reïntegratietraject.
Werknemers of
WGA-gerechtigden die een door het UWV of in
het kader van de Wet WIA door de eigenrisicodrager noodzakelijk geachte
scholing volgen, zijn vrijgesteld van
een aantal verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing, bedoeld in artikel 24,
eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º
en 4º, van de WW
en artikel 30, eerste
lid, van de Wet WIA. Deze vrijstelling
eindigt twee maanden vóór de verwachte
afronding van de scholing. Twee
maanden vóór afronding van de scholing
moeten betrokkenen starten met solliciteren naar passende arbeid, omdat
daarmee de kans groter wordt dat de
werknemer of WGA-gerechtigde direct na afronding van de scholing het werk kan
hervatten. Bij de controle op de nakoming van
de verplichtingen moet rekening gehouden worden met het feit dat de
werknemer of WGA-gerechtigde nog met een
scholing bezig is. Zo wordt niet
verlangd dat de werknemer of WGA-gerechtigde
de scholing tussentijds
afbreekt of dat het afronden van de scholing in
gevaar wordt gebracht.
In gevallen dat na afronding
van de scholing reëel uitzicht
bestaat op een dienstbetrekking is deze sollicitatieplicht tijdens de laatste twee
maanden van scholing eigenlijk
overbodig. Om die reden is in het tweede
lid opgenomen dat deze sollicitatieplicht
niet geldt indien een reëel uitzicht
bestaat dat aansluitend aan de scholing een
dienstbetrekking wordt aangegaan. Dat er
sprake is van een reëel uitzicht dient te blijken uit een intentieverklaring
van de toekomstige werkgever. De toekomstige dienstbetrekking dient qua
omvang minimaal gelijk te zijn aan
het aantal uren scholing per week en
dient voor ten minste zes maanden te worden
aangegaan. Uiteraard geldt deze
vrijstelling van de sollicitatieplicht in
verband met scholing ook voor scholing
die gevolgd wordt in het buitenland,
zoals geregeld in artikel 19, achtste en negende lid, van de
WW.
Doelstelling van
proefplaatsing is dat de WW- of WGA-gerechtigde
tijdelijk, met behoud van uitkering op proef onbeloonde werkzaamheden kan verrichten
met als oogmerk dat de
werknemer op termijn bij de werkgever
tegen beloning werkzaamheden in
dienstbetrekking kan gaan verrichten. Tijdens de proefplaatsing kan door beide partijen
beoordeeld worden of de werkzaamheden
aansluiten bij de werkloze werknemer en
of hij deze naar tevredenheid kan
verrichten. Proefplaatsing kan gezien
worden als een onderdeel van het
verkrijgen van betaalde arbeid.
De WW-uitkeringsgerechtigde
of de WGA-gerechtigde die op een
proefplaats werkzaamheden verricht, is vrijgesteld van de
verplichtingen gericht op werkhervatting, zoals de
verplichting in voldoende mate te trachten andere passende arbeid te
verkrijgen. De WW-uitkeringsgerechtigde of de WGA-gerechtigde moet in zoverre wel aan de
verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing voldoen dat hij er zorg
voor draagt na de proefplaatsing een
aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang dan de proefplaatsing
te verkrijgen. De vrijstelling geldt dus
voor andere werkzaamheden dan die op de proefplaats worden verricht.
Wellicht ten overvloede
wordt gemeld dat voor wat betreft de WW
de scholing of proefplaatsing de duur
van de toegekende WW-uitkering niet kan
verlengen. Het recht op WW-uitkering
eindigt zodra de voor de werknemer
geldende uitkeringsduur is
verstreken, derhalve ook indien er sprake is van
proefplaatsing.
Vrijstellingen om andere
redenen (artikel 7)
Van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing (betreft de
artikelen 24 en 26 van de WW) is een uitzondering gemaakt voor
werknemers die
op de dag dat ze werkloos worden
64 jaar of ouder zijn. Voor deze
werknemers is de periode tot de
pensioengerechtigde leeftijd zo kort dat het starten van
reïntegratieactiviteiten,
zowel voor de werknemer als voor de uitvoering, niet
meer voor de hand ligt. Een dergelijke uitzondering geldt eveneens voor
WGA-verzekerden die op de eerste dag dat zij aanspraak hebben op
WGA-uitkering 64 jaar of ouder zijn. Deze WGA-verzekerden zijn vrijgesteld van de in artikel
30, eerste lid, Wet WIA genoemde verplichtingen.
Overgangsbepalingen in
verband met de Werkloosheidswet
(artikel 8)
Werknemers van 57,5 jaar
of ouder waren lange tijd vrijgesteld
van de genoemde verplichtingen. De vrijstelling van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing voor oudere
werknemers is per 1 januari 2004 beëindigd.
Voor het zittende bestand is
een overgangsmaatregel getroffen. Deze maatregel ziet op drie groepen werknemers.
Het betreft ten eerste de
werknemers van 57,5 jaar of ouder die
geen inschrijf- en acceptatieplicht hadden. Ten tweede betreft het de
werknemers waar de laatstgenoemde
verplichtingen wel op van toepassing waren,
maar die een eerste werkloosheidsdag
hebben die gelegen is op of vóór 1 januari 2003. Ten derde betreft het
bepaalde werknemers die vanuit een ziekte- of arbeidsongeschiktheidssituatie
werkloos worden.
Met betrekking tot dit
laatste gaat het om:
- werkloze werknemers van 57,5
jaar of ouder die op 31 december
2003 een WW-uitkering ontvingen en voorafgaand aan deze WW-uitkering een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangen, ook als zij op die datum
korter dan één jaar een WW-uitkering
hadden ontvangen;
- werkloze werknemers van 57,5
jaar of ouder die een eerste
werkloosheidsdag hebben vóór 1 januari 2004 en die direct voorafgaande aan deze
WW-uitkering ziekengeld ontvingen op
grond van de Ziektewet (ZW), met dien
verstande dat het recht hierop is ontstaan
op of vóór 1 januari 2003. De periode
van WW en ZW tezamen moet dus ten
minste één jaar zijn;
- werkloze werknemers die op 31 december 2003 57,5 jaar
of ouder zijn, die op 1 januari 2004
ten minste één jaar een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen en die op of na 1
januari 2004 in de WW stromen.
Als deze werknemers op grond
van het overgangsrecht vrijgesteld
zijn van verplichtingen, blijven zij geheel vrijgesteld van deze verplichtingen, ook
als er een gedeeltelijk nieuw recht
op werkloosheidsuitkering na 1 januari 2004 ontstaat. Voor dit laatste
is gekozen omdat het
uitvoeringstechnisch voor het UWV lastig is de verplichtingen te handhaven voor werknemers
die onder het oude recht vrijgesteld
zijn van deze verplichtingen en onder het
nieuwe recht deze verplichtingen
wel hebben.
In het kader van de motie-Smilde/Noorman-den Uyl heeft
het UWV
van april tot oktober 2004 als proef
een bepaalde groep WW-gerechtigden in de
Regio [in district, red.] Noord (Groningen, Friesland
en Drenthe) en Zuid-West (Rijnmond,
Zeeland en West-Brabant) tijdelijk
vrijgesteld van de sollicitatieplicht.
Voor deze WW-gerechtigden is een overgangsregeling getroffen. Voor hen is
bepaald dat deze vrijstelling doorloopt gedurende de periode waarin de oudere werkloze
het vrijwilligerswerk of de mantelzorgtaken waarvoor de vrijstelling is
verleend, blijft verrichten.
Betrokkene hoeft hiervoor niet
woonachtig te blijven in de Regio [in district, red.] Noord of
Zuid-West.
Inwerkingtreding (artikelen
9 en 10)
Als gevolg van het in
artikel 9 intrekken van de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en de inwerkingtreding
van deze regeling is het
noodzakelijk ook verwijzingen in andere
regelingen naar de Regeling vrijstelling
verplichtingen WW aan te passen. Artikel 10
voorziet daarin.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|